diff options
Diffstat (limited to '21875-8.txt')
| -rw-r--r-- | 21875-8.txt | 26417 |
1 files changed, 26417 insertions, 0 deletions
diff --git a/21875-8.txt b/21875-8.txt new file mode 100644 index 0000000..420a6d6 --- /dev/null +++ b/21875-8.txt @@ -0,0 +1,26417 @@ +Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De schat in het Zilvermeer + +Author: Karl Friedrich May + +Release Date: June 20, 2007 [EBook #21875] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHAT IN HET ZILVERMEER *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN + + DE SCHAT IN HET ZILVERMEER + + VAN + DR. KARL MAY + + + NAAR HET 48STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE + + MET PLATEN + + DERDE DRUK + + AMSTERDAM H. J. W. BECHT + + + + + + BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE ZWARTE PANTER. + + +Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de +"Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen +van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der +rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot +van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken, +om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan +boord genomen moesten worden. + +De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten +of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen +achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig +schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder +een uitgespannen zeil een _Bed-and-Board_ (dat is een toeslaande +beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden, +welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende +gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht +van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te +knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en +dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord +over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een +groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den +grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er +werd om een _drink_ (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het +spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel +betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid +een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had. + +Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis +gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar +men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij +met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van +die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al +de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem +"kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel," +dat "overste" beteekent. + +Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met +scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen +keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos, +wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed, +dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding +bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een +nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg +hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien, +waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te +worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde, +bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel +gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en +twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog +zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden, +om als ransel op den rug gedragen te worden. + +De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed, +maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien +men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden +met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was, +en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en +plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken, +zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden +stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten +waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in +geen geringere mate door den sterken drank. + +De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten, +en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige +noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde: +"Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te +dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn _boys_ (= jongens), die men +maar liever _niet_ aan boord ziet komen." + +"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een +hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor _harvesters_ (= +oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen +als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn, +bij wien zij om werk kwamen aankloppen." + +"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte _tramps_ (= vagebonden); +ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen +houden." + +"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend +zijn. Wij hebben _hands_ (= manschap) genoeg aan boord om hen allen +in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar +klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg +in het gezicht komen." + +De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen +noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen +der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt +oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal +werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in +moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden +opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze +kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht. + +Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet +aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel +beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts +ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten +mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers +bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den +met de inning belasten beambte volstrekt niet als _gentlemen_ (= +heeren van stand) behandeld werden. + +Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van +lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó +sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de +oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg +hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was +geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben +weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke +gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond +uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen +gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine +instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika +als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met +dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide +gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was. + +Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over +het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in +te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel +opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den +kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting +gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar, +terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder +omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij +zich zelf: "_Behold_ (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode +Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en +haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende _boys_ +om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop +maar dat hij mij niet herkent." + +Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een +zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich +nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even +naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?" + +Deze vraag werd beantwoord met "neen". + +"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder +omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij +dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor." + +"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der +_boys_ aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u, +schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt." + +"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter; +ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den +droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen +een zoopje met hem maken." + +"Als hij maar mee wil doen!" + +"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging +zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u +te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering +te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet +men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar." + +"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten +dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft." + +"_Pshaw!_ Willen wij eens wedden?" + +"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt +voor ieder onzer drie borrels." + +"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel. + +"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om +revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels." + +"Met wie?" + +"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen, +zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog +staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen, +die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk +den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of +zijt gij bang voor hem?" + +Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de +kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode +apenbakkes? _Pshaw!_ Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus +betreft, tegen wien gij mij ophitst. _All devils_ (= alle duivels), +wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans +het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij +stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde, +dan met menschen van _ons_ kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan: +een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!" + +Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit, +dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en +iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje), +vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon +uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich +dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen, +reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen +nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk +zou worden aangeboden. + +De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op +den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een +geschikte plaats voor zich zocht. "_Good day, sir!_" zeide hij. "Mag ik +het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor +een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke +lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?" + +De zwarte baard van den toegesprokene verbreedde zich, en trok zich +toen weer ineen, waaruit men kon opmaken, dat er een lachje van +vergenoegdheid over zijn gelaat gleed. + +"Wel," antwoordde hij, "ik ben niet ongenegen u dat plezier te +doen; doch ik zou eerst gaarne weten, _wie_ mij deze verrassende +eer bewijst." + +"Natuurlijk, sir! Men moet weten met wien men drinkt. Ik heet Brinkley, +kornel Brinkley, als gij er niets tegen hebt. En gij?" + +"Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, om u te dienen. Dus op uw +gezondheid, kornel!" + +Hij dronk het glas leeg, waarbij ook de anderen hun glas ledigden, +en gaf het aan den kornel terug. Deze voelde zich als winner, nam hem +op een bijna beleedigende wijze met de oogen op van het hoofd tot de +voeten, en zeide: "Uw naam is Duitsch, als ik het wel heb. Gij zijt +dus een vervloekte Dutchman, is het niet zoo?" + +"Neen, ik ben een Germaan, sir!" antwoordde de Duitscher op een +minzamen toon, zonder zich door de grofheid van den andere tot drift +te laten vervoeren. "_Uw vervloekte Dutchman_ dient gij dus aan een +ander adres te bezorgen; op mij heeft die titel geen vat. Ik dank u +dus voor uw dronk, en daarmee basta!" + +Dit gezegd hebbende maakte hij rechtsomkeer, en verwijderde zich +schielijk terwijl hij bij zich zelf mompelde: "Ik heb mij dus niet +vergist; het _is_ die Brinkley. En hij noemt zich _kornel_! De kerel +heeft stellig niet veel goeds in den zin. Wie weet hoe lang hij nog +aan boord blijft. Ik zal hem ten minste in het oog houden." + +Brinkley had dus de eerste weddenschap gewonnen: doch zeer +triomfantelijk zag hij er niet uit, allesbehalve. Zijn gelaat was +geheel veranderd, er was duidelijk aan te zien, dat hij zich verbeet +van wrevel. Hij had gehoopt, dat Grosser zou weigeren, en zich dan door +de bedreigingen zou laten dwingen om te drinken. Maar Grosser was de +wijste geweest; hij had eerst gedronken, en toen vrij duidelijk gezegd, +dat hij te verstandig was om aanleiding te geven tot een twist. Dit +hinderde den kornel geweldig. En nadat hij zijn glas opnieuw had +laten vullen, ging hij naar zijn tweeden slachtoffer, den Indiaan. + +Te gelijk met Grosser, namelijk, waren twee Indsman aan boord gekomen, +een oude en een jongere, die naar gissing omstreeks vijftien jaar +oud kon zijn. Zij geleken zoo sprekend op elkander, dat men daaruit +terstond de juiste gevolgtrekking maken kon, dat zij vader en zoon +waren. Daarbij waren zij zoo volkomen eender gekleed en gewapend, +dat de zoon het verjongde evenbeeld van den vader was. + +Hun kleeding bestond uit lederen leggins, aan de zijden uitgesneden +als franje, en geel geverfde mokassins. Een jachthemd of jachtbuis +was niet te zien, doordien zij hun bovenlijf, van de schouders af, +gehuld hadden in een door weerschijn kleuren-wisselend tsoeni-kleed, +zooals er zijn die zestig dollars kosten. Hun zwarte hoofdhaar was +glad gekamd naar achteren, waar het op hun rug neerhing, hetgeen aan +hun uiterlijk iets vrouwelijks gaf. Hun gezichten waren gevuld en rond, +en hadden een in hooge mate goedige uitdrukking, die nog verhoogd werd, +doordien zij hun wangen met vermiljoen hoog rood hadden geverfd. De +geweren, zooals ieder hunner er een in zijn hand had, schenen te zamen +geen halven dollar waard te zijn. In het geheel zagen zij er beiden uit +als volkomen onschadelijk en tevens zoo nuchter, dat zij, gelijk reeds +is aangestipt, den lachlust der drinkers hadden gaande gemaakt. Zij +hadden zich, als waren zij bang voor andere menschen, schuchter van +de menigte afgezonderd, en leunden tegen een stevige houten kast, +een manslengte hoog en even breed en lang. Daar schenen zij op niets +acht te geven; en zelfs nu de kornel op hen toetrad, sloegen zij niet +eens hun oogen op, dan toen hij vlak voor hen stond, en hen aansprak: +"Mooi weer vandaag! Vindt gij dat ook niet, roode snaken? Dan smaakt +een borrel. Hier, oude! laat dit eens achter uw kiezen loopen." + +De Indiaan verroerde zich niet, en antwoordde in gebroken Engelsch: +"_Not to drink_--niet drinken." + +"Wat, gij wilt niet?" riep de eigenaar van den rooden keelbaard, +opvliegende als buskruit. "Het is een drink, verstaat gij, een +drink! Dien geweigerd te zien, is voor iederen echten gentleman, +zooals ik er een ben, een beleediging, die uitgewischt moet worden +met het mes. Doch eerst moet ik weten wie gij zijt. Hoe is uw naam?" + +"Nientropan-hawi," antwoordde de gevraagde bedaard en bescheiden. + +"Tot welken stam behoort gij?" + +"Tonkawa." + +"Zoo, dus tot de makke roodhuiden, die bang zijn voor een kat--verstaat +gij dat: bang voor een kat, al ware het 't kleinste poesje! Ik zal +geen lange morgenspraak met u maken. Dus, wilt gij drinken!" + +"Ik niet drinken vuurwater." + +Hij zeide dit, in weerwil van den dreigenden toon, waarop de kornel +gesproken had, even bedaard als vroeger. Laatstgenoemde gaf hem echter +een oorvijg, die klonk als een klok. + +"Ziedaar dan, roode lafaard!" riep hij uit. "Ik wil mij niet anders +wreken, omdat ik zulk een ellendeling te ver beneden mij acht." + +Terwijl de klap gegeven werd, greep de hand van den jongeren Indiaan +terstond onder zijn tsoeni-gewaad, ontwijfelbaar naar een wapen, +en tegelijk sloeg hij zijn oogen op naar zijn vader, om aan diens +gezicht te zien wat die nu doen en zeggen zou. + +Het gelaat van den oude was eensklaps zoo veranderd, dat men hem nu +ternauwernood herkend zou hebben. Zijn gestalte scheen plotseling +gegroeid, zijn oogen vlamden op en zijn gelaatstrekken teekenden een +opwelling van geestkracht. Doch even snel sloeg hij zijn oogen weder +neer, verdween de fierheid van zijn opgericht lichaam en zijn gelaat +stond weder in dezelfde goedige plooi van vroeger. + +"Nu, wat zegt gij daarvan?" vroeg de kornel hoonend. + +"Nientropan-hawi danken." + +"Is die muilpeer zoo naar uw zin geweest, dat gij er dankje voor +zegt? Daar hebt gij er dan nog een!" + +Dit zeggende voegde hij de daad bij het woord; doch doordien de Indiaan +snel als een gedachte bukte en den slag ontweek, sloeg hij met zijn +hand tegen de kast aan, tegen welke de Indianen leunden, en wel met +zooveel kracht, dat de slag het geheele schip over gehoord werd. En +dadelijk weerklonk uit de kast een kort, schel gebrom en geblaas, +dat schier terstond overging in een vervaarlijk woesten schreeuw, +onmiddellijk gevolgd door een gebrul zoo ontzettend, dat het was +alsof het schip er van dreunde. + +De kornel sprong van schrik achteruit, liet het glas uit zijn +hand vallen, en schreeuwde met een gillende stem: "_Heavens_ (= +lieve hemel)! wat is dat? Er zit een wild beest in die kast! Dat is +ongepermitteerd. Het is goed om een mensch den dood op het lijf te +jagen van schrik, of althans een beroerte!" + +De schrik had niet hem alleen bevangen, maar evenzeer de andere +passagiers. De zich op dek bevindende mannen gaven even luid uiting +aan hun ontsteltenis als de kornel. Slechts vier hunner hadden geen +schijn of blijk gegeven van onthutstheid, namelijk de zwartbaard, +die nu voor aan den boeg zat, het reusachtige heerschap, dat de kornel +nu nog tot een dronk moest uitnoodigen, en de twee Indianen. De vier +personen hadden evenmin als de anderen geweten, dat zich een wild +beest aan boord, en wel in die kast bevond; doch zij bezaten een zoo +groote en lang geoefende zelfbeheersching, dat het hun niet moeilijk +viel hun bevreemding te verbergen. + +Het gebrul was ook onder het dek in de kajuiten gehoord. Verscheidene +dames kwamen gillend naar boven, ten einde te weten te komen door +welk gevaar zij bedreigd werden. + +"Het is niets, _ladies_ en _messieurs_ (= dames en heeren)!" antwoordde +een zeer fatsoenlijk gekleed heer, die zooeven insgelijks uit zijn +kajuit was gekomen. "Slechts een pantertje, een klein pantertje, +anders niet! Een allerliefste _Felis pantera_, slechts een zwarte, +slechts een zwarte, messieurs!" + +"Wat? Een zwarte panter?" krijschte met een pieperige stem een klein +mannetje met een grooten bril op den neus, zoodat men hem slechts +behoefde aan te zien om te begrijpen, dat hij beter thuis was in de +zoölogische boeken dan in den practischen omgang met wilde dieren. "De +zwarte panter is een allergevaarlijkst verscheurend dier. Hij is +grooter en langer dan de leeuw en de tijger. Hij werpt zich op zijn +prooi uit louter bloeddorst, zelfs al heeft hij geen honger. Hoe oud +is hij al?" + +"Drie jaar pas, mijnheer! niet ouder." + +"Drie jaar pas? Noemt gij dàt _pas_? Dan is hij reeds +volwassen... Lieve hemel! En zulk een ondier bevindt zich hier aan +boord! Wie kan dat verantwoorden?" + +"Ik, mijnheer! ik," antwoordde de elegante onbekende; en nu een +buiging makende, zei hij: "Vergunt mij, _myladies_ en _gentlemen!_ +dat ik zelf mij aan u voorstel. Ik ben de beroemde menagerie-eigenaar +Jonathan Boyler, en bevind mij sedert eenigen tijd met mijn gezelschap +in Van Buren. Daar deze zwarte panter in Nieuw-Orleans voor mij +aangekomen was, ben ik hem daar gaan afhalen, vergezeld van mijn +knapsten dierentemmer. De kapitein van dit goede schip heeft mij, +tegen betaling van een hoog vrachtgeld, vergund, hem aan boord te +brengen, onder beding, dat de passagiers niet te weten mochten komen +in welk gezelschap zij zich bevonden. Daarom heb ik den panter niet +anders gevoederd dan in den nacht, en hem elken nacht een geheel kalf +gegeven, opdat hij zich zat zoude vreten, dat hij den ganschen dag +met slapen doorbrengt, en zich bijna niet verroeren kan. Wanneer men +echter met vuisten tegen de kast slaat, wordt hij wakker, en laat dan +ook zijn stem hooren. Ik hoop, dat de geëerde dames en heeren alsnu +van de aanwezigheid van mijn pantertje, dat overigens niemand hindert, +niet verder notitie zullen nemen." + +"Wat?" krijschte het manneke met den grooten bril, terwijl zijn +pieperig stemmetje bijna in zijn keel bleef steken. "Dat niemand +hindert? Niet verder notitie er van nemen? Ik moet zeggen, dat mij +zóó iets nog nooit van mijn leven overkomen is. Ik zou de reis met +deze boot moeten maken in gezelschap van een zwarten panter! Neen, +dat nooit, nooit in der eeuwigheid! Of dat beest zal van de boot af, +òf _ik_ ga er af! Smijt dat ondier in het water, of zet het met kast +en al aan wal!" + +"Maar, mijnheer! er is wezenlijk hoegenaamd geen gevaar bij," +verzekerde de menagerie-eigenaar. "Zie maar eens welk een stevige +kast, en...." + +"Wàt stevige kast!" viel het kleine mannetje hem met drift in de +rede. "Ik zou kans zien om die kast kapot te breken--hoeveel te eer +dan een panter!" + +"Ja maar, met uw welnemen: in die kast, die slechts tot omkleedsel +dient, zit de ijzeren kooi, die geen tien leeuwen of panters in staat +zouden zijn te breken." + +"Is dat waar? Laat ons dan die ijzeren kooi zien! Ik moet mij +overtuigen." + +"Ja, ja, de ijzeren kooi laten zien! Wij moeten weten waaraan wij +ons te houden hebben!" riepen twintig, dertig of meer stemmen tegelijk. + +De menagerie-eigenaar was een Yankee, en trok dadelijk partij van de +gelegenheid, om met dat algemeene verlangen zijn voordeel te doen. + +"Volgaarne, volgaarne," antwoordde hij. "Maar, _myladies_ en +_gentlemen_! het spreekt vanzelf, dat men de ijzeren kooi niet zien +kan zonder te gelijk den panter te zien, die er in zit. En dáárvoor +dient natuurlijk iets betaald te worden. Om het aantrekkelijke van dat +zeldzame schouwspel te verhoogen, zal ik het dier, terwijl het te kijk +is, laten voederen. Ik zal de plaatsen voor de toeschouwers indeelen +in drie rangen: de eerste rang zal een dollar kosten, de tweede rang +een halven dollar, de derde rang een kwartdollar. Aangezien ik hier +louter _ladies_ en echte _gentlemen_ om mij heen zie, begrijp ik, +dat er van tweeden en derden rang geen gebruik gemaakt zal worden; +die twee rangen vervallen dus--of, is er wellicht iemand op het dek +aanwezig, die liever slechts een halven dollar voor deze belangwekkende +vertooning wenscht te betalen, of zelfs slechts een kwartdollar?" + +Op deze vraag volgde natuurlijk geen antwoord. + +"Nu dan, enkel eersten rang! Asjeblieft, myladies en mylords! een +dollar per persoon!" + +Hij nam zijn hoed af, en ging daarin de dollars inzamelen, terwijl +zijn dierentemmer, dien hij inmiddels geroepen had, de noodige +toebereidselen voor de vertooning ging maken. + +De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij +de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden +de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er +zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te +vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een +kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de +eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs +de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning +met groote belangstelling te gemoet. + +De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen +het volgende voorstel te doen: "Luister eens, _boys_! Ik heb een +weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode +schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde +weddenschap zullen wij niet om drie glazen _brandy_ (= brandewijn) +maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt +gij dat goed?" + +De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er +niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen. + +"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van +brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw +en gretig die Goliath met mij drinken zal." + +Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden +persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten +reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan +de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was +zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin +gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en +zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik, +waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven, +waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners +en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks +veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens +zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een +levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder +hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling +van den panter bij te wonen. + +Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde +vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik +hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman +te zeggen wie gij zijt." + +De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en +wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door +dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen. + +"_Pooh!_" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet +niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij +te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u +den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman." + +De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan +den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?" + +"_Yes, sir!_ woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje +ten bescheid. + +"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb." + +"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "_Snaak_ noemt gij mij? En gij +weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan, +dien ik...." + +Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus +zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den +kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een +oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok +hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan. + +Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó +bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in +het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij +een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!" + +Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide +komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug; +en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was +lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk +een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten +onderste boven ging en over het dek rolde. + +"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath +dreigend. + +Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel, +en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee +zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand +uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had. + +"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein, +maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende. + +Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil, +en liet de pistool uit zijn hand vallen. + +"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen +uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan +gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor +uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...." + +"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet +weten. Uw persoon moet ik hebben, en _zal_ ik hebben. Gaat hem te +lijf jongens! _go on!_" + +Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan +allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels, +en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de +kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed +een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar, +wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!" + +Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met +de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als +aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek) +"wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?" + +"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij +moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in +een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u +allen het licht uit!" + +"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken." + +Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de +voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag +gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun +aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen +daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel +allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het +ontzag was, dat zij voor dien man hadden. + +Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond +zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had +hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een +aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad +onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en +bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte, +welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen +waren opgemerkt. + +De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten +toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik +moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is +een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben +betreden. Waarom hebt gij u toch _anders_ genoemd?" + +"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij +Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand, +altijd verderf brengt." + +"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze." + +"_Pshaw!_ Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat +evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende +krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid, +dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn." + +"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven." + +"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets +naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen +speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet +bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat +uw bemanning kwam opdagen tot ontzet." + +"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu +met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter +hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke +macht overleveren?" + +"Neen." + +"Of wil ik hen aan land zetten?" + +"Ook niet." + +"Maar gestraft dienen zij toch te worden." + +"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch +niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?" + +"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en +af te varen. + +"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande +te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in +staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen, +en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw +leven kon kosten." + +"Dat moesten zij eens probeeren!" + +"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen +waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten +aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou." + +Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die +naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan, +met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol +zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand +ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan +ik u in een of ander opzicht genoegen doen?" + +"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher. + +"En dat is?" + +"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u +verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan, +en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met +blijdschap denken, zoolang als ik leef." + +Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem, +dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem +de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?" + +"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen." + +"Dat is toch nog een goed eind." + +"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde +man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd +aanziet." + +"Waarom?" + +"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb." + +"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig +hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik +mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan +ook gedaan heb." + +"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens, +als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt, +is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet +denken, weet ik niet." + +"Hoe zoo?" + +"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen +volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen +met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen." + +"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger." + +"Kent gij dan den Indiaan?" + +"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van +hem gehoord." + +"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een +woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen." + +"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet +te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi, +zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en +de kleine beer." + +"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad +reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee +Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd, +en dolen in het gebergte en in de prairie rond." + +"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk +wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet +geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had." + +"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen." + +"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk +onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen +hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich +en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij +die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken +menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik +af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn +dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen, +totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil, +gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam +herkende. Wij zijn dus landslieden." + +"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd. + +"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs +met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben +om wat langer met elkander te praten." + +"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste +denkbare eer zijn." + +"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een +Westman, anders niet." + +"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk: +soldaat." + +"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij +stellig pas sedert kort in het Westen." + +"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig +poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en +van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren, +zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom." + +"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom, +de beroemde _rafter_ (= houtvlotter)?" + +"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik." + +"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!" + +"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel +daar moet mijn naam niet hooren." + +"Waarom niet?" + +"Omdat hij mij daaraan herkennen zou." + +"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?" + +"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent _gij_ hem niet?" + +"Ik zie hem vandaag voor het eerst." + +"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem +bovendien, dat zijn naam Brinkley is." + +"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd +schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen +bewijzen." + +"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend." + +"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de +vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man, +die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u +kunnen gebruiken." + +"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de +eer, bij _u_ te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik +heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben +mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt +laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af +weten te maken." + +"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander +kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne +vergoeden." + +"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij +vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al +mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier, +waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats +zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling +met den panter op het punt is om te beginnen." + +De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen +gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde +publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk, +voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het +schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken; +hij had den lust daartoe verloren. + +De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de +voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen +bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden, +daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig +maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus +volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als +naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe +schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel. + +Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De +meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De +tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn +aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een +Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger +genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij +dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst +wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema, +gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De +panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en +de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema +en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier +te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg +dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding, +toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi +werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden. + +Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts +had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht, +en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht, +en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen +knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem +zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong +hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met +schrik vervulde en achteruit deed schuiven. + +Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog, +en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn +voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde +die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging +kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn +donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte. + +"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op +verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort +eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De +echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in +Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even +sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund +in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u +overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint." + +De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen, +en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch +rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong +heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend, +dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden. + +Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid +niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd +hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te +gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein +een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige +slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan +het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij +even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe +stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging +tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden +voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd +opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde: +"Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij +misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den +praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen." + +Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van +de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers +gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde +bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen +de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die +eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi +zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet +u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is +nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende +de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn +dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich +bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter +in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten, +indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd." + +De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een +uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij +was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker, +dat was duidelijk aan hem te zien. + +De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van +het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte +beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig, +dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van +zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren, +dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak, +bij hem in de kooi te gaan. + +Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst +van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril, +antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek +bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel +iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?" + +"Honderd dollars!" + +"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?" + +"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich +blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is." + +"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne +bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie +draagt ook iets bij?" + +Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag +gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde +men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd +er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er +niet goed afbrengen zou. + +"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid +u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet +geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten." + +"Op mij?" lachte de kapitein. "_Pshaw!_ Ben _ik_ dan de vader, of +de moeder van den temmer? Heb ik hem bevelen te geven? Hier in dit +land heeft iedereen het recht, om met zijn leven te koop te loopen, +juist op de manier, die hij zelf goedvindt. Wordt hij door den panter +opgevreten, welnu, dat is een zaak tusschen hem en den panter, daar heb +ik niets hoegenaamd mee te maken. Dus, gentlemen! ik wil om honderd +dollars wedden, dat de man er niet zoo heelhuids uit zal komen als +hij er in gaat. Wie zet er honderd dollars tegen? Van alles wat door +de weddenschap gewonnen wordt, krijgt de temmer tien percent extra." + +Deze toespraak werkte electriseerend. Er werden verscheidene +weddenschappen aangegaan om vrij aanzienlijke sommen, en het bleek +dat die weddenschappen, ingeval de temmer er het waagstuk werkelijk +goed afbracht, hem nog een extra-voordeel zouden opleveren van circa +driehonderd dollars. + +Er was niet bepaald of de dierentemmer daarbij gewapend zoude zijn. Hij +haalde zijn ploertendooder, een soort zweep, met een ontplofbare +kogel in den knop. Viel de panter hem aan, dan had hij slechts een +fermen slag te geven om het dier oogenblikkelijk te dooden. + +"Ik heb zelfs in zulk een ploertendooder niet veel vertrouwen," zeide +Old Firehand tegen Zwarten Tom. "Ik zou een doelmatig ingericht stuk +vuurwerk veel practischer vinden. Daarvan zou het dier terugschrikken, +zonder er door gedood te worden. Doch, elk zijn meug, zei de boer. Ik +wil het waagstuk meeprijzen, maar niet voordat het gelukt is." + +Nu hield de dierentemmer een korte toespraak tot het publiek, en begaf +zich toen naar de kooi. Hij schoof eerst de zware grendels open, +en toen het smalle ijzeren tralie-hek, dat de ongeveer vijf voet +hooge deur vormde. Om naar binnen te komen moest hij bukken. Daarbij +had hij zijn beide handen noodig, om de deur vast te houden en die, +zoodra hij zich in de kooi bevond, weer te kunnen sluiten; daarom +had hij den ploertendooder tusschen zijn tanden genomen, en was dus, +ofschoon voor een oogenblik slechts, weerloos. Wel was hij reeds +verscheidene malen bij den panter in de kooi geweest, doch onder +geheel andere omstandigheden. Toen had het dier niet dagen achtereen +in volslagen duisternis doorgebracht, het had niet zooveel menschen om +zich heen gezien, en ook niet het eentonige stampen der machine en het +gedruisch en gebruis der schepraderen gehoord. Deze omstandigheden +had noch de menagerie-eigenaar, noch de dierentemmer voldoende in +aanmerking genomen, en--de gevolgen bleven niet uit. + +Zoodra de panter het gedruisch van de tralie-deur hoorde, keerde hij +zich om. Juist stak de temmer bukkende zijn hoofd naar binnen--een +bliksemsnelle beweging van het roofdier, en het hoofd, uit welks mond +de ploertendooder op den grond was gevallen, had het in zijn muil en +verbrijzelde het tusschen zijn geweldige tanden tot splinters en moes. + +Het geschreeuw en gegil, dat op dit oogenblik vóór de kooi van +den panter aangeheven werd, is met geen pen te beschrijven. Alle +toeschouwers sprongen op, en namen de vlucht. Slechts drie bleven daar: +de menagerie-eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. Eerstgenoemde wilde +de deur van de kooi dichtschuiven; maar dat bleek hem onmogelijk, +want het lijk lag half er binnen en half er buiten. Toen wilde hij +den doode bij diens beenen naar buiten trekken. + +"Om Godswil, dat niet!" riep Old Firehand. "De panter zou achteraan +meekomen. Schuif het lijk geheel naar binnen, de man is toch dood nu; +dan zal de deur toe kunnen!" + +De panter lag voor het onthoofde lijk. Met de beendersplinters in zijn +van bloed druipenden muil, vlamden zijn oogen zijn meester aan. Hij +scheen diens oogmerk te raden, want hij begon in gramschap te brullen +en kroop voorwaarts op het lijk, en hield dat door de zwaarte van zijn +eigen lichaam vast. Zijn kop was nu nog maar eenige duimen afstands +van de open deur af. + +"Weg, weg! Hij komt er uit!" riep Old Firehand. "Tom, uw geweer! uw +geweer! Een revolver zou de zaak nog erger maken." + +Zwarte Tom vloog naar zijn geweer. + +Van het oogenblik af waarop de temmer de kooi had betreden tot op dit +moment waren er hoogstens tien seconden verloopen. Niemand had nog den +tijd gehad, om zich volkomen in veiligheid te brengen. Het gansche +dek was een wartooneel van vluchtende en angstkreten aanheffende +personen. De deuren naar de kajuiten en onderdeks-verblijven waren +versperd. Menigeen dook achter vaten en kisten om zich te bergen, +doch sprong dadelijk weer op, daar men zich in zulk een schuilplaats +niet veilig kon achten. + +De kapitein was naar zijn commando-brug gesneld, en klom naar boven, +drie, vier treden tegelijk nemend. Old Firehand volgde hem. De +menagerie-eigenaar vluchtte naar de achterzijde van de ijzeren +kooi. Zwarte Tom ijlde weg, om zijn geweer te halen. Doch onderweg +herinnerde hij zich, dat hij zijn bijl daaraan vastgebonden had, zoodat +hij het vuurwapen toch niet terstond zou kunnen gebruiken. Hij bleef +dus bij de twee Indianen, die hij voorbij moest, staan, en rukte den +"ouden beer" diens vuurroer uit de hand. + +"Ik zelf schieten!" zei deze, tegelijk de hand uitstekende om zijn +geweer terug te grijpen. + +"Laat mij!" voegde de zwartbaard hem driftig toe. "Ik schiet in elk +geval beter dan gij." + +Hij draaide zich om de ijzeren kooi. De panter had die juist verlaten, +hief zijn kop op, en brulde. Zwarte Tom legde aan, en haalde den haan +over. Het schot knalde maar de kogel was niet raak. Schielijk rukte +hij nu ook den jongen Indiaan het geweer uit de hand, en brandde de +lading op het ondier af, maar het schot was andermaal mis. + +"Slecht schieten. Geweer niet kennen," zeide de "oude beer" zoo +bedaard, alsof hij in zijn veiligen wigwam bij zijn gebraden vleesch +zat. + +De Duitscher hoorde die woorden niet eens. Hij wierp het geweer weg, +en vloog naar de voorplecht, waar de geweren der mannen van den kornel +lagen. Die gentlemen hadden geen lust gehad om den strijd met het +dier op te vatten, maar waren ijlings weggekropen. + +Daar klonk dicht bij de commando-brug een hartverscheurende gil. Een +dame wilde naar boven vluchten. De panter kreeg haar in het oog juist +toen hij ophield met brullen. Hij dook neer, en vloog met groote +sprongen op haar aan. Zij zag dat, en gaf dien gil. Zij bevond zich +nog onder aan de brugtrap, terwijl Old Firehand reeds op de vijfde +of zesde trede stond. In een oogwenk had hij haar gegrepen, trok haar +omhoog, en tilde haar met zijn sterke armen over zijn hoofd heen naar +boven, waar de kapitein haar van hem aannam. Dat was het werk van twee +seconden geweest, en nu bevond zich de panter onder aan de trap. Hij +zette zijn twee voorklauwen op een der treden, en kromp zijn lichaam +reeds ineen, om naar boven te springen en zich op Old Firehand te +werpen. Deze gaf hem een duchtigen trap op zijn neus, en schoot hem +toen de nog restende drie kogels uit zijn revolver tegen den kop. + +Dit verweermiddel was eigenlijk belachelijk. Door een schop en eenige +revolver-kogeltjes niet grooter dan een erwt, laat een zwarte panter +zich niet afschrikken: maar Old Firehand bezat op dat oogenblik geen +ander middel om zich te verdedigen. Hij was overtuigd, dat het ondier +hem nu zou beetpakken; doch.... dat gebeurde niet, de panter, nog +altijd met zijn voorpooten op de trap staande, wendde langzaam zijn +kop zijwaarts, als wilde hij zich bezinnen op iets beters. Hadden de +op zulk een korten afstand afgeschoten kogels die hoogstens een duim +diep in zijn harde schedelhuid doorgedrongen konden zijn, hem in een +soort van duizeling gebracht? Of had de trap op zijn gevoeligen neus +hem te veel pijn veroorzaakt, zooveel is zeker, dat zijn oogen niet +meer op Old Firehand gericht waren, maar naar het voordek, waar nu een +omstreeks dertienjarig meisje onbeweeglijk stond, als versteend van +schrik, met de beide armpjes uitgestrekt naar de commando-brug. Het +was het dochtertje van de dame, die zooeven door Old Firehand gered +was. Het arme kind, zelf op de vlucht, had het gevaar gezien, waarin +haar moeder verkeerde, en was, van ontzetting daarover, als versteend +blijven staan waar het nu nog stond, gekleed in een wit jurkje, dat nu +den panter in het oog viel. Hij trok zijn voorpooten van de brugtrap +af, keerde zich om, en vloog toen, met sprongen telkens van zes à +acht ellen lang op het kind aan, dat wel die ijzingwekkende nadering +zag maar niet in staat was om zich te verroeren of geluid te geven. + +"Mijn kind, mijn kind!" jammerde de moeder. + +Allen, die het zagen, schreeuwden en jammerden mee; maar niemand +verroerde een vinger of een voet tot redding. Er was ook geen tijd +meer toe. Geen tijd meer? En verroerde zich werkelijk geen mensch? Ja +toch, één,--en wel diegene, van wien men zooveel stoutmoedigheid en +tegenwoordigheid van geest en goed overleg wel het allerminst zou +verwacht hebben, namelijk de jonge Indiaan. + +Hij had met zijn vader op ongeveer tien passen afstands van het +meisje af gestaan. Toen hij het gevaar zag, waarin het kind verkeerde, +vlamden zijn oogen op. Hij keek naar rechts en naar links, als zoekende +naar een middel tot redding; toen liet hij het tsoenikleed van zijn +schouders vallen, en riep zijn vader in de taal der Tokawa toe: +"Tiakaitat; sjai sjoyana--blijf staan, ik zal zwemmen!" + +In twee sprongen was hij bij het meisje, greep haar om haar middel, +snelde met haar naar het rasterwerk (hek of balustrade rondom het dek) +en was in een wip er bovenop. Daar bleef hij een oogenblik staan, +ten einde om te kijken. De panter was vlak achter hem, en maakte zich +reeds gereed om ingelijks op het hek te springen. Maar nauwelijks +waren de pooten van het dier van den grond af, of de jonge Indiaan +wierp zich in een schuinsche richting, ten einde niet op dezelfde +plek als het ondier in het water te komen, van de balustrade af in +den stroom. Hij verdween met zijn vracht onder de golven. Tegelijk +sprong de panter op het rasterwerk met zulk een vaart, dat hij zich +niet er op staande kon houden en regelrecht neerplofte in de rivier. + +"Stoppen! Stoppen!" commandeerde de kapitein, met veel tegenwoordigheid +van geest, door de spreektrompet, die uitkwam in de machine-ruimte. + +De machinist gaf dadelijk tegenstoom; de boot stopte, en bleef +zoodoende op de plaats liggen, daar de schepraderen nu slechts zooveel +water grepen als noodig was om het afdrijven te voorkomen. + +Daar het gevaar thans voor de passagiers voorbij was, snelden allen uit +hun schuilhoeken te voorschijn en naar de balustrade. De moeder van het +kind was in onmacht gevallen; de vader riep met een hartverscheurende +stem: "Ik geef duizend dollars voor de redding van mijn dochter--twee +duizend--drie duizend--vijf duizend en nog veel meer!" + +Niemand luisterde naar zijn angstkreten. Allen bogen over de +balustrade heen, om in het water te kijken. Daar lag de panter als een +voortreffelijk zwemmer met uitgespreide pooten, zich bovenhoudende +en rondkijkende naar zijn prooi--tevergeefs. De wakkere jongeling +met het meisje waren nergens te zien. + +"Ze zijn omgekomen in de raderen!" jammerde de vader, met beide handen +de haren uit zijn hoofd trekkende van wanhoop. + +Maar opeens klonk van de andere zijde van het schip de luide stem +van den ouden Indiaan: "Nientropan-homosj oolijk geweest. Onder het +schip wegzwemmen, om panter niet laten zien. Hier onder zijn." Nu +vloog alles naar stuurboord, en de kapitein commandeerde, touwen +uit te werpen. Ja waarlijk, daarbeneden, vlak naast het schip, +zwom langzaam op zijn rug, ten einde niet afgedreven te worden, de +"jonge beer", en had het bewustelooze meisje dwars over zijn lichaam +gelegd. Touwen waren spoedig uitgeworpen. + +De jongeling bond er een stevig onder de armen van het meisje; en +terwijl het arme kind omhooggetrokken werd, heesch hij zich zelf +behendig aan een tweede touw naar boven. + +Hij werd met een daverend gejubel begroet, maar stapte fier langs de +menigte weg zonder een woord te zeggen. Doch toen hij aan de plek kwam, +waar de kornel stond, die óók alles had aangezien, bleef hij vlak voor +hem stilstaan, en zei zoo luid dat iedereen het hooren kon: "Zeg eens, +is Tonkawa wel zoo erg bang voor een kleine kat? Kornel heeft zich +met zijn twintig helden schuilgehouden; maar Tonkawa heeft zich aan +groot gevaar blootgesteld, om meisje en passagiers te redden. Kornel +spoedig nog meer van Tonkawa hooren!" + +Het geredde meisje werd naar de kajuit gedragen. Nu strekte de +stuurman, die het beste uitzicht had, zijn hand uit naar bakboord, +en riep: "Kijkt den panter eens! En het vlot!" + +Nu snelden allen weder naar de andere zijde van het stoomschip, +waar zich een nieuw en niet minder in spanning brengend tooneel aan +hun blikken vertoonde. Men had namelijk, geheel en uitsluitend bezig +met het tot dusverre verhaalde, niet gelet op een klein van teenen +en riet gevlochten vaartuigje (eigenlijk niets meer dan een vlot), +waarin twee gestalten zaten, die van den rechter rivier-oever af op +de stoomboot aanstuurden. Zij werkten met van boomtakken vervaardigde +roeiriemen. De eene persoon was een jongeling; de andere scheen een +zeer zonderling gekleed vrouwspersoon. Men zag een hoofddeksel, veel +gelijkende op een oude klapmuts, en daaronder een rond gezicht met +roode koonen en kleine oogjes. Het overige der gestalte was omhuld +door een wijden zak of iets dergelijks, men kon met geen mogelijkheid +zeggen wat, daar de persoon gezeten was. Zwarte Tom stond naast Old +Firehand, en vroeg hem: "Kent gij die vrouw wel, sir?" + +"Neen," was het antwoord. "Is zij dan zóó beroemd, dat ik haar moest +kennen?" + +"Zeer zeker. Zij is namelijk in het geheel geen vrouw, maar een man, +een prairie-jager en vallen-opzetter. Ha, daar komt de panter aan. Let +nu eens op wat een vrouw, die een man is, in staat is te doen." + +Hij boog over de balustrade heen, en riep naar beneden: "Heila, Tante +Droll (Droll is Engelsch en beteekent: kluchtig), opgepast! Die snaak +wil u opeten." + +Het vlot was ongeveer nog vijftig passen van de stoomboot +verwijderd. De panter had daar, steeds zoekende naar zijn prooi, +aanhoudend langs die zijde van het schip heen en weer gezwommen. Nu +zag hij het vlot naderen, en hield terstond daarop aan. De zich er +op bevindende oogenschijnlijke vrouw, keek naar het dek op, herkende +hem die haar had toegeroepen, en antwoordde met een schelle fluitstem: +"_Good lack_ (= lieve hemel) zijt gij het, Tom? Het doet mij pleizier +u te zien, als het noodig is! Wat is dat voor een dier?" + +"Een zwarte panter, die van boord gesprongen is. Maak maar dat gij +wegkomt. Gauw, gauw!" + +"Een mooi ding! Tante Droll gaat voor geen mensch op den loop, en +voor een panter nog minder, hij mag er dan zwart of blauw of groen +uitzien. Mag men het ondier doodschieten?" + +"Natuurlijk! Maar dat zal u niet gelukken. Het behoorde tot een +menagerie, en is het gevaarlijkste roofdier, dat in de wereld +bestaat. Vlucht maar gauw naar de andere zijde van het schip." + +Niemand dan Tom alleen kende de potsierlijke gestalte: maar allen +riepen haar de waarschuwing toe om te vluchten. Zij scheen er echter +vermaak in te vinden, met den panter krijgertje te spelen. Zij +hanteerde het gebrekkige roer met bewonderenswaardige behendigheid, +en wist het dier telkens en telkens te ontwijken. Daarbij riep zij, +altoos met dezelfde fluitstem: "Ik zal het wel klaarspelen, oude +Tom! Waar moet zulk een creatuur geraakt worden, als het noodig is?" + +"In zijn oog," antwoordde Old Firehand. + +"Nu, dan zullen wij die waterrot eens wat dichterbij laten komen." + +Hij haalde de roeispaan binnen, en greep het geweer, dat naast hem +gelegen had. Vlot en panter naderden elkander snel. Het roofdier +staarde met wijd opengespalkte oogen den vijand aan, die het geweer +aanlegde, kort mikte, en twee schoten loste. Het geweer neerleggen, +het roer grijpen, en het vlot achteruit laten zwenken, was het werk +van een oogenblik. De panter was verdwenen. Daar, waar men hem het +laatst gezien had, verried een dwarreling in het water de plek van +zijn doodsstrijd; toen zag men hem een eind weegs verder weer boven +water komen, bewegeloos en dood: zoo dreef hij eenige seconden lang, +en verdween toen weer in de diepte. + +"Een meesterlijk schot!" riep Tom van het dek af, en al de passagiers +verklaarden vol geestdriftelijke bewondering hetzelfde, behalve +de menagerie-eigenaar, die den duren panter en zijn dierentemmer +verloren had. + +"Twee schoten zijn het geweest," antwoordde de zonderlinge gestalte: +"in ieder oog één. Waar gaat deze boot naar toe, als het noodig is?" + +"Zoo ver als we maar water genoeg vinden," was het antwoord van +den kapitein. + +"Wij wilden aan boord komen, en hebben ons daarom daarginds aan wal +dit vlot gebouwd. Wilt gij ons opnemen?" + +"Kunt gij de vracht betalen _ma'am_ (= madame) of _sir?_ Ik weet +waarlijk niet of ik u als man of als vrouw aan boord moet nemen." + +"Als tante, sir! Ik ben namelijk Tante Droll, begrepen, als het noodig +is. En wat de vracht betreft, ik ben altijd gewend met goed geld te +betalen, of zelfs met nuggets (= goudkorrels)." + +"Dan zal ik de touwladder voor u neerlaten. Komt dus maar gauw aan +boord. Wij moeten maken, dat wij van deze ongeluksplaats vandaan +komen." + +De touwladder werd neergelaten. Eerst klauterde de jongeling naar +boven, die ook met een geweer gewapend was; toen wierp de andere +zijn geweer over den schouder, stond op, greep de ladder, stiet het +vlot onder zich weg, en klom met de vlugheid van een kat tegen den +scheepswand op naar het dek, waar hij met groote, ijselijk verbaasde +oogen ontvangen werd. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE TRAMPS. + + +"De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil--of juister +gezegd ten gevolge--van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt +van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een +Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn." + +Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker +instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De +plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische +en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid +te vermelden de twistzoekende _loafers_ en _rowdies_, en dan ook +de zoogenaamde _runners_, die het bij voorkeur op de aankomende +landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft +zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat +aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders +gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller +ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door +behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen, +ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars +vormden, die slechts door het doortastende optreden van "Master Lynch" +vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook de _kukluxes_ +kunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna +zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste +landplaag ontwikkelden zich de _tramps_ als vertegenwoordigers van +het ruwste en brutaalste vagebondendom. + +Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden, +duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos +werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een +westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende +staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds +spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen +werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een +zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen +terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen +van den oogst, en werden daarom gewoonlijk _harvesters_ (= daggelders +tijdens den oogst) genoemd. + +De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van +rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden +daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid, +en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij +moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den +tuchtigenden arm der strafwet. + +Die _tramps_ (= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote +hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij +overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer +zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij +vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten +overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedig +op een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan +bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de +gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te +roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren. + +Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de "Dogfish", +zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen +aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch +geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was +slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de +overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling +aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het +oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg +volstrekt niet overbodig waren. + +De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die +op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij, +als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had +gelachen, toen Tom den wonderlijken naam "Tante Droll" uitsprak. Maar +nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed +kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen +hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen +men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord: +"die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil; +ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen." + +"Waarom? Kent gij hem dan? Is 't een man of een vrouw?" vroeg een +hunner. + +"Een man, natuurlijk." + +"Waarom dan die maskerade?" + +"Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel, +maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime +politie." + +"_Pshaw!_ Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan +alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier +gelooven; maar dat hij een _detectieve_ is, dat geloof ik nooit!" + +"En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll +gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar +grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar +nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is +een _detectieve_, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem +vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar +hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en +overleverde aan de galg--en wij waren toch over de veertig man sterk!" + +"Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn +lijf kunnen steken!" + +"Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan +met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij +ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een +onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan +met zijn slachtoffer, en dan opeens is het 'kip, ik heb je!' eer het +mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!" + +"En kent hij u?" + +"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens +opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben +ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, +ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid +op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen +kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den +weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager +van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als +een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel +gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, +en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let." + +Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er +waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om +bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, +hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, +wat eigenlijk zijn kostuum was. + +Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon +desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het +bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het +middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde +braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de +klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, +die over zijn ooren hingen. + +Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond +uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere +genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, +dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende +tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan +de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats +van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte +en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij +het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen +af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen +gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, +waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan +te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan +zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het +kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en +veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, +en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn +armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen +zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden. + +De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van +een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken +door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen +en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan +in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, +opdat hem toch niets ontgaan zou. + +Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich +jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, +en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders +in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem +aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, +wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der +beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen. + +In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig +reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog +ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien +was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een +toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat. + +De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien +jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn +gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend +zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te +weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond +uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van +leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver +gewapend. + +Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, +en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk +een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet +gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?" + +Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: +"Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik +mijn rafters in de bosschen heb." + +"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; +want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst +de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine +jongen, als het noodig is?" + +Deze vraag was tot den kapitein gericht. + +"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij +hebben wilt," was het antwoord. + +"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, +sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij +kunnen het _lasso_ altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?" + +"Ja, wat graag!" + +"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?" + +Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij +zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De +kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, +en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp +u vierkant over boord." + +"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water +zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, +als gij trek hebt." + +"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de +wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij +natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo +naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; +dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier." + +"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, +als het noodig is." + +"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor." + +Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen +gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge +personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op +een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien, +messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit +zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er +die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, +vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een +bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker +is dan hij er uitziet." + +Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen +belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij +de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet +naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, +zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde +hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die +mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, +en hij sprak hem aan: + +"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens +gezien?" + +"Dat ik weet niet," was het antwoord. + +"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij +bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?" + +"Neen." + +"In Fort-Sully ook niet?" + +"Dat ken ik niet eens." + +"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?" + +"Hoe zoo? Waarom?" + +"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij +bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe +hij heet." + +"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, +"mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg +zijn om u naar uw naam te vragen." + +"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik +voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd +geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke +dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten." + +"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?" + +"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als +het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er +volstrekt niet nieuwsgierig naar." + +Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich. + +"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard +tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!" + +"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner +volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben +met mijn vuist." + +"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!" + +"_Pshaw!_ Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van +spierkracht te verrichten." + +"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand +durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij +een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet +te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: +ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar +zaak voor ons, alle opzien te vermijden." + +Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de +twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem +zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij +aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, +snelde toen naar hen toe, en riep uit: "_Mira, el oso viejo y el oso +mozo_ (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!" + +Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet +te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden. + +"_Qué sorpresa, la tia Droll_ (= welk een verrassing, Tante Droll)," +antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen +hij nog op het vlot zat. + +"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll, +terwijl hij aan beiden de hand gaf. + +"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om +inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen +met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons +hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben." + +"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu +veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders +met hun naburen in vrede?" + +"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat +zij die niet weer behoeven op te graven." + +"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?" + +"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid +zou zijn; maar nu zal het wel langer duren." + +"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?" + +"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn +mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger." + +"Wie is dat?" + +"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden +Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven." + +"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch +weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, +en dat nog wel den Ouden Beer." + +"Hij schijnt niet te weten, dat _ik_ dat ben. Ik heb mijn naam genoemd +in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, +hem dien niet in het Engelsch te vertolken." + +"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders +zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar +de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog +dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten." + +En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader +van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat +zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden +vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel +op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den +moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll +had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het +hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar; +hij is geen kind meer, maar een volwassen man." + +"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken." + +"Ik heb hem eenige keeren ontmoet." + +"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven +stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het +hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande." + +"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw +gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist +als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij +hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu +en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen +van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en +of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen +ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig +uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel." + +"Heeft hij u daarvan gesproken?" + +"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld +heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man." + +"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de +Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit +lafhartigheid." + +"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd +tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig +is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij +een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, +dunkt mij, dan in de prairie." + +"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad +eens wie deze sir is!" + +"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, +het mij liever te zeggen?" + +"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient +er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is +namelijk een van onze beroemdste Westmannen." + +"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?" + +"Ja." + +"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, +die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, +bestaat er niet, voor zoover ik weet." + +Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met +het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje +hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk, +en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old +Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand +anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?" + +"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde. + +"_Egad?_" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl +hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij +inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den +lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar +... misschien is het toch maar fopperij?" + +"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte +hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem +zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, +en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer. + +Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed +geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken +volzinnen: "_Zounds_, sir! houdt gij mij voor den slinger van een +klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen +om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, +dat mijn _sleepinggown_ (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, +anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water +geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, +sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds +gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen +nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze +aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht +hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een +eenvoudige _trapper_ (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); +maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen +heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, +dan zult gij die niet terugwijzen." + +"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen +braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij +ons zoo kranig geïntroduceerd heeft." + +"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?" + +"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt." + +"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje +voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt +geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te +redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer +geweest ben." + +"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel +degelijk op _u_ gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, +want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal +kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen +gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen +het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader +leeren kennen." + +"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking +iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst +te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon." + +Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te +kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan +gretig door hem voldaan werd. + +Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die +niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te +voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om +voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij +met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien +kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel, +die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen. + +"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij +dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den +_steward_ (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet +hier voor de passagiers." + +Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke. + +"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen, +of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken." + +"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden +verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier +dat naar een glas brandy gelijkt." + +"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat +gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten." + +De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, +en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle +flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, +die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud +van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het +glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: +"Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, +dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, +hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken +zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten." + +"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik +heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een +zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, +dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, +begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen." + +"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt +inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje' +van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten +minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over +de brug komt met geld--_damn!_" + +"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?" + +"Ja, louter op mij." + +"Waarom?" + +"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon +elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn +dorstigheid van dag tot dag grooter wordt." + +"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te +goed zult kunnen doen of niet." + +"Hoe zoo dat?" + +"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een +dienst wilt doen?" + +"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een +na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, +dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen." + +"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de +rechte man wel voor wezen zult!" + +"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man." + +"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden." + +"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen +rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er +iets gebeurt dat niet in den haak is." + +"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders +te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders, +dan een beetje goed te luisteren." + +"Waar? En bij wien?" + +"In het salon." + +"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat +waarom, sir?" + +"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij +schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een +vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, +dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, +die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren +jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand +is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij +meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, +om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede +gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen +wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun +zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal +het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, +waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost +te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, +dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang." + +"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als +ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik +den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt." + +"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?" + +"Daar zit ik juist over te denken." + +"Moogt gij in het salon komen?" + +"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen." + +"Zoek dan maar een of ander voorwendsel." + +"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen +kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een +oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, +dat de moeite waard is." + +"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat +langer kwansuis bezig kunt blijven?" + +"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die +zou ik schoon kunnen gaan maken." + +"Zal dat geen argwaan geven?" + +"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet +gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is." + +"Maar dat is immers _uw_ werk niet?" + +"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar +die zal blij wezen als een ander het voor hem doet." + +"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?" + +"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel +drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat +ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy +geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet +ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar +hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?" + +"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie +dollars kunt gij in elk geval rekenen." + +"_All right!_ Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, +dan ga ik er dadelijk op uit." + +Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat +hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme +tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier +de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen +om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier +terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, +dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij +weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn." + +"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!" + +"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds +hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die +gelegenheid geen partij te trekken." + +"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan +boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de +voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het +stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen +alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten +doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen." + +"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets +is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel +van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, +om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn +raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken." + +"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar +niet iets op de mouw gespeld hebben." + +"_Pshaw!_ Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu +reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn +waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet +gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te +halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch +wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard +afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal." + +Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding +en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren +wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich +zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best +om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; +de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, +tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood. + +De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als +hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig +teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward +gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon +verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot +uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken +in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een +blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, +zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend +werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, +den Ouden en den Jongen Beer. + +"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het +er afgebracht?" + +De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven; +maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van +u zal krijgen dan de bedongen drie dollars." + +"Hoe zoo dat?" + +"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u +schromelijk vergist, sir!" + +"Waarin dan?" + +"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, +en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren +gevraagd hebben op zijn boerderij." + +"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand, +die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft. + +"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd +jager en wil ver het gebergte in." + +"Waarnaar toe?" + +"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van +het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met +den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten." + +"Wil hij alleen het gebergte in?" + +"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem +meegaan." + +"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren +hebben?" + +"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen." + +"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan +de knapste ingenieur." + +"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een +prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk +zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de +ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat +brengen." + +De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps +liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige +ontdekking. + +"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op +een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig +mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?" + +"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch +heb ik het verstaan." + +"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt +mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij +in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren." + +"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden." + +"Jongen het zijn zulke gewikste kerels." + +"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld +weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken." + +"Weet gij dan waar?" + +"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer +geheimzinnig en bedekt, opdat _ik_ het niet zien zou. Zoodra ik +dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe +staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; +maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk +zag alsof ik er bij zat." + +"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor +staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en +zijn linkerzijde rechts." + +"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar +wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk +een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de +banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen +viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes +geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat +ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten +andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet +zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, +in het Westen een verloren man zou zijn." + +"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan +dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?" + +"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren +zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas." + +"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen +tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood +hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus +vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, +en draagt ook denzelfden naam." + +"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur +de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak +van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij +verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn." + +"Waar zijn die dan?" + +"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar +dat is, weet ik niet." + +"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel +rafters zijn daar bijeen?" + +"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje +in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat +óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht +hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men +in de wildernis gaat reizen." + +"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch +behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, +waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn +die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet +begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk +een jong meisje bij zich heeft." + +"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, +en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om +een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er +zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar +besloten zijn vrouw en kind mee te nemen." + +"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?" + +"Ja." + +"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, +dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen +zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen +weten wat eigenlijk hun doel daarmede is." + +"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei +hem, dat hij dat later wel vernemen zou." + +"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, +dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, +die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het +onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij +de plaats niet weet, waar zij naar toe willen." + +"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard +en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden +met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, +naast elkander hebben." + +"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?" + +"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de +ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer +vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred." + +"Wie is dat?" + +"De jongen, die de Tante meegebracht heeft." + +"Is dat een zoon van Droll?" + +"Neen, voor zoover ik vermoeden kan." + +"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?" + +"Daar is geen woord over gesproken." + +"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?" + +"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den +ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch +over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor +u natuurlijk van geen belang." + +"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, +is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd +hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten +stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben +als wij maar verlangen kunnen." + +"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de +raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er +het slechts aan toe zijn, zijn _wij_ natuurlijk. Wij moeten, als wij +'s nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij +wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen +onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier +ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door +dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het +onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is +het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken." + +"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de +scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder +belangstelde. + +"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden." + +"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?" + +"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te +moeielijk." + +"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig +hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter." + +"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog +even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje +te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar +hoe staat het nu met mijn dollars?" + +"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal +betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, +en dáárvoor wil ik _u_ niet laten boeten. Hier zijn dus de drie +dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons +volstrekt niet gebaat heeft." + +"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel +brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een +nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan +asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen." + +Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder +in de schaduw van een groote baal liggen. + +De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten +zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige +zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten. + +"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn +tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars +aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) +of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar +kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer +welkom zal zijn." + +"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het +woord te doen. + +"Wij hebben het!" + +"Vooreerst nog in lang niet!" + +"Tut, tut! Als _ik_ zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!" + +"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig +worden?" + +"Ik zal het gaan halen." + +"Uit de slaapkajuit?" + +"Ja." + +"Gij zelf?" + +"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan +een ander over." + +"En als gij gesnapt wordt?" + +"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken." + +"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur +wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen +aan het dansen." + +"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben +wij de plaat gepoetst." + +"Hoe dat?" + +"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk." + +"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?" + +"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik +ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik +het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever +bijna niet zien kan." + +"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee +booten? Is dat de bedoeling?" + +"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat +het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, +die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht +kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk +zouden maken." + +"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal +ontdekt is." + +"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb +ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het +scheepskiel-ruim?" + +"Dat kan ik niet weten." + +"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw +oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?" + +"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn." + +"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en +verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer +een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor +en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?' + +"_Thunder-storm!_ Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep +de andere verbaasd. + +"Ja dat is juist wat ik van plan ben." + +"En maken, dat wij allen verzuipen!" + +"_Pshaw!_ Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij +hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan +wal aan te leggen." + +"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?" + +"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en +als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, +en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert." + +"Maar als men het te laat pas ontdekt?" + +"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen +zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet +door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet +blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, +dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben +om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn _wij_ +al lang geblazen." + +"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de +kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men +dient op alles bedacht te zijn." + +"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange +lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere +einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, +zou alwetend zijn.' + +"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip +af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren." + +"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen +kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim +vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze +beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of +een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, +zonder die te betalen." + +"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?" + +"Allereerst naar de Blackbear-rivier!" + +"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?" + +"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich +ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op +den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is +dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te +kunnen uitrusten." + +"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?" + +"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te +tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het +zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien +tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden +hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet +te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond +weer frisch en in staat om goed te marcheeren!" + +Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte +heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en +rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat +de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den +tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, +die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het +lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft. + +Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, +kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, +en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De +ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om +die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich +onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van +haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was +bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide +dames hen nog niet bedankt hadden. + +De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche +rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds +zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook +nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam. + +"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld +geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij +hen aan zag komen. + +Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid +is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, +met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen +snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn +vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op +het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem +toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, +en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij +niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben." + +Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: +"Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; +hij weten, dat ze waar zijn." + +"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij +herinnert. Mag ik dat doen?" + +Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, +en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek +naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, +maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een +klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, +met ettelijke teekens er op. + +"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van +Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar +komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten +eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, +en gehoorzamen zijn totem." + +Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde +dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat +hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar +zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te +fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben +kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig +geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij +de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en +antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets +van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die +geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder +van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: +"Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; +maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen +hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar +ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, +waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij +mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen +aannemen? Ik verzoek hem dat." + +Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan +de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die +aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij +doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als +een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, +zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik +die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede +menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!" + +Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu +kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht +zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij +zei tegen Butler: + +"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of +menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij +nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens +squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het +zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!" + +Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de +hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten. + +"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader. + +"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat +waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid +hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door +vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij +zoo trotsch was, een geschenk had gegeven. + +Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, +zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij +was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, +dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval +gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die +had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar +zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem +mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag +maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis +van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: +"Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?" + +"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij +ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende +verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen +bestaan." + +"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan +mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben +daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend +dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds +daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone +daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang +van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter +ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als +bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons +blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die +het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, +naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, +die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien." + +Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht. + +"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler. + +"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de +meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten +spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de +hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in +de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan, +hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, +ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en +zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden +'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem +bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie +den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te +verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun +vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur +der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u +bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is +door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan +het leven van verscheidene menschen afhangen." + +De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren +voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den +Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat +men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar +hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen +in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst +aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich +weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te +Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het +dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er +slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het +een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon +zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die +daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat +zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met +een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet +belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll +nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, +hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde +antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om +aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere +bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik +zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij +komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar +ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor +heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte +heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken +met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, +hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll." + +"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?" + +"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu +en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, +en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals +ge weet. Vandaar die naam." + +"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom +heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers +zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister +gehuld te willen houden?" + +"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik +mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, +die meer..... hoogere belangen raken." + +"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?" + +"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen +weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op +dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een +tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, +een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch." + +"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo +heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag." + +Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in +de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: +"Ik heet.... Pampel." + +"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord +natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel +om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine +noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die +naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, +die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; +zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?" + +"Ja." + +"En in de Vereenigde Staten geboren?" + +Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: +"Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch +echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!" + +"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie +zou dàt gedacht hebben!" + +"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen +dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van +de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn +eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?" + +"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij." + +"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want +juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen +later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, +zeg mij dan eens waar ik geboren ben?" + +"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas +(=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt." + +"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat +gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers +genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, +ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, +dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in +ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen +kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, +dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds +zoo lang hier in het land ben." + +Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek +zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want +eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe +geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen +aan een fermen _smoke_(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen +in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons +drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het +eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old +Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder +konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij +ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te +rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort +na middernacht moeten wij weer op!" + +Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten +uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven +lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere +achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo +ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier +en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er +voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer +wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te +zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk +niet meegerekend). + +Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand +van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks +boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom +het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand +daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep +spreekt vanzelf. + +"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die +naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een +man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat +ons in den weg." + +"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot +aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den +hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, +zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?". + +"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort +Gibson komen moeten we klaar zijn." + +"Eerst haalt gij het geld natuurlijk." + +"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en +ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles +mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, +is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan +den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede +verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht +gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik +wel hooren." + +Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en +zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De +tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte +hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog +verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, +die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, +stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk +te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers +verbranden. + +De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot +bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, +was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene +zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos +hier en daar. + +Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk +onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van +zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper +in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik, +waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed +was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water +sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te +worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het +eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam +hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg +daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het +blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand +nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, +ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde +moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen +onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik +door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich +toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die +pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die +eerst nog medenemen naar boven! + +Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend +of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat +hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging. + +Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan +weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend +eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, +waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu +slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde +en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, +ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken. + +Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de +kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die +lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts +vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier +niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel +van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw +lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler +nog wakker zijn, bezig met lezen misschien? + +Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten +licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd +juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, +terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij +trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder +het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit +te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over +hetgeen hij toen zag wel willen jubelen. + +Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van +onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder +lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand +gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand +stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs +en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, +als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er +naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het +mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet +zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende. + +"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan, +dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar +binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen." + +Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, +uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, +stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om +naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden +luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; +daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien, +die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met +inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, +schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om +uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En +ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een +plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet +om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende +officier hoorde dat ook, en snelde er op aan. + +"Wie is daar?" riep hij. + +"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord. + +"O, de Indiaan! Ga toch slapen!" + +"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij +te gauw weg!" + +"Waarheen?" + +"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest." + +"_Pshaw!_ Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen +hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!" + +"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is." + +De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste +geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over +maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had. + +Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, +die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen. + +"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water +komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt." + +"Onzin!" lachte de officier. + +"Kom dan even hier, en overtuig u." + +De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond +naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij +met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken +bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De +luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar +beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer +rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging +met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman. + +"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar +kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden +om aan te leggen." + +Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in +alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en +ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige +beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, +en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar +boven, om te zien wat er gaande was. + +"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein +hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat +er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan +wal gaan." + +Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een +tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om +redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles +draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn +op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever +parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen +bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en +de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan +bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis +van den nacht verdwenen. + +Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old +Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden +in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- +en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den +kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog +hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?" + +"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag +lag die er nog in." + +"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk +op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is." + +Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden +teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl +vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan +boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit +zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben +bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door +midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!" + +En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft +gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet +gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan +in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer +drinken; en alles vertellen moeten." + +Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en +de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles +nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een +eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw. + +"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd +kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn." + +En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, +en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord +ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien +zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, +die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien +naar overzijde." + +Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk +genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps +jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning +en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de +algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen +waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, +eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens +een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: +"De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te +wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot +vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote +Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden +de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De +kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs. + +Terwijl nu de _deckhands_ (= de manschap op het dek) een begin +maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker +in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo +in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er +gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, +en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, +met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn +verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, +opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal +slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke +vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden. + +Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig +werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een +kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers +kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten +het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men +zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens +iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de +lange reis was onderbroken. + +Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had +hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest +vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog +hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw +en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien." + +"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?" + +"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen." + +"Maar dat is immers gevaarlijk!" + +"_Pshaw!_ Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor +die tramps--want dat zijn ze stellig." + +"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever +die som voorgoed kwijt zijn." + +"Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, +maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook +Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier +wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij +daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij +het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa +vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan +den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en +zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?" + +"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig. + +"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen +vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, +dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!" + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +NACHTELIJKE GEVECHTEN. + + +Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel +stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, +om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, +waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou +hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, +dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar +op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een +regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, +en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit +laatste bestond uit zoogenaamde _clapboards_, planken die men ruw +uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het +voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter +weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde +het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig +woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen +tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren +geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten +door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk +gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; +misschien lag dat wel binnen in het blokhuis. + +Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, +waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee +uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of +mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker +vol vleeschnat uit den kokenden ketel. + +Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen +zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de +moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een +vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche +wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die +op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van +het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en +velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een +gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had. + +Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der +achterbosschen. + +Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de _farmers_ (= landbouwers) +en de _trappers_ (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst +nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste +woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, +volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje +gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij +trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene _county_ +(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, +zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, +eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout +velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, +er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden +boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, +dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de +plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan +een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en +bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, +maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het +buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen. + +De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist +vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij +vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het +bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij +kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en +kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen +die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken +en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen +geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag. + +En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want +hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, +ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te +lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er +verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam +zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter +aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want +met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun +leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar +een twist aanvangen. + +Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en +ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim +betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij +goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er +twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met +de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den +ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om +"vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun +dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een +moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere +versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch +eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden +optrekken--zelfs ingewand. + +Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, +scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij +waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte +zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde +elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men +indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die +men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, +geschikt om den lachlust gaande te maken. + +"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara," +zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man, +natuurlijk, en toch werd hij door iedereen _tante_ genoemd." + +"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een. + +"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens +ontmoet?" + +"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn +verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over +hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, +totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam +uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen." + +"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft +er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere +perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, +die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, +de hersens inslaan." + +"He, Blenter! gij? Waarom dat?" + +"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen +geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig +en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben +er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te +kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra +het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was +er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die +Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft +de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden +zien. Wij zijn den dans ontsprongen?" + +"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens." + +"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover +houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, +waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door +de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit +zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed +kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll." + +"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg +geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als +een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de +klem te komen." + +"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond +reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden." + +"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet +veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die +martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel." + +"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, +die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de +Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand +kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?" + +"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn +leven kosten." + +"En is deze plaats dan uw eigendom?" + +"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste +niets voor betaald." + +"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij +hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen +verzetten, veroordeelt gij hen." + +"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten +uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders." + +"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat +zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten +verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel +uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand +genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden +eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een _boy_ +(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag +als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met +de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te +maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als +onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om +maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij +en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna +afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan +de Roodhuiden of aan de Blanken?" + +"Dat kan _ik_ toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken." + +"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste +begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar +één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige +van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!" + +De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk +leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij +kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets +te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop +met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als +iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb +ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend +moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als +zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er +waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een +korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen +gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt +is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen +vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, +en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven +te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen." + +Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets +zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner +de vraag: + +"Zeg Blenter, wie was die kerel?" + +De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het +was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder +de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik +wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig +zelf ben: een rafter!" + +"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?" + +"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch +te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden +zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven +en spitsboeven." + +Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar +zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier, +waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen +om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons +wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren +toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, +overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen +diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?" + +Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet +dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg +ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten +met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren +bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een +grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, +moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij +hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig +genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een +korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland +af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste +ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde +ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die +bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden +zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, +messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart +geweest?" + +"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe +zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het +Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund +de doodstraf." + +"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel +vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond +te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel +van hen gevergd, geloof ik?" + +"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij +dat niet?" + +"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter +niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier +of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik +vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden +die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, +dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht, +hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen +om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu +natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord +met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en +anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn +geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder +scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem +dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn +vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, +ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, +om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang +voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu +was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie +dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons +blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en +ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij +waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een +spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken +onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen +van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter +een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk +zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, +zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig +niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn +zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong +dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en +het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die +zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor +zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog +vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette +het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen." + +"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten," +riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later +gewroken heeft." + +"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande +om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn +gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig +op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging +ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het +was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, +doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons +woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op +den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook +op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van +mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw +en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen +mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op +hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, +dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet +beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en +schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan +tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik +weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten." + +"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger +geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner +een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel +op zijn hoede wezen." + +"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later +heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot +ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar +luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met +geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat +ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik +den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester +gemaakt van mijn _brandy_ (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, +dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar +letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten +sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van +mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, +hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, +de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning +kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn +vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden +haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen +meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een +soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel +door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee +zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik +lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste +zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid +is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn +gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en +razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een +woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet +bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik +werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, +heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, +waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet +ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, +en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een +schot viel. Ik was bewusteloos geworden." + +"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!" + +"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de +omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, +die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt +had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, +dat mijn leven geen _penny_(= stuiver) meer waard was. Daarom had +hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een +schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, +niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens +ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die +verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij +kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, +daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een +loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te +ontkomen naar het bosch." + +"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn." + +"Westman? _Pshaw!_ Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is +de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!" + +"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op +den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!" + +"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij +een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten +om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou." + +"Winnetou, de Apache? _Good lack!_ Ja, dàn willen wij het wel +gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?" + +"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene +rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem +stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen +trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, +ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk +zijn verschijning alleen reeds maakt." + +"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?" + +"Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit +hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun +geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij +natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken +op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit +begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar +hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te +verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou +weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat +hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit +de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden +was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter +geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, +en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet +toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de +rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk +verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, +om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, +dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van +mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest +was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar +aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij +mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest +hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, +daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien +eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, +en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn +gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik +al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij +was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, +dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan +hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen +hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het +overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden." + +"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden +ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is +Winnetou niet met u meegegaan?" + +"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had +hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik +niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de +zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den +ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij +was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom +ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best +in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En +nu...._behold_ (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?" + +Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist +waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis +van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren +Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend +zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden +zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?" + +"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter. + +"Hij voor u weg, om te halen geld?" + +"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder +bij ons zijn." + +"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die +wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, +anders wijd gehoord worden." + +Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende +hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken +brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan +was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: +"Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen +honger hebben." + +Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der +rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te +zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, +zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet +precies alsof deze plaats aan u toebehoort." + +"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet +zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat +ondervinden." + +"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot +een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, +vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een +Pueblo zijt." + +"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn +Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon." + +"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de +Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?" + +"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje. + +"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal +welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons +zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?" + +"Wij komen, om rafters waarschuwen." + +"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?" + +"Groot gevaar." + +"Welk gevaar dan? Spreek!" + +"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken." + +Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen +een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen +zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen +wigwam. + +"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den +nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden +ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!' + +"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan +het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, +dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, +want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden." + +"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze +streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden +te verweren.' + +"Missouri-Blenter zich vergissen." + +"He, weet gij mijn naam?" + +"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht +praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch +komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs +door weinig vijanden." + +Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee +paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, +en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn +portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa +spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom +hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld." + +"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis +hebben." + +"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen." + +Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de +stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed +een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste +aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd +was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever +van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den +dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet +volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest +en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en +den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer +noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de +tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden +te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee +Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee +paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke +formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de +tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij +den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de +Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht +op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open +plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk +geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en +ander mededeeling te doen. + +"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude +Missouriër. + +"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen." + +"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch +den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig +gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?" + +"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is." + +"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht." + +"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk +doorrijden om rafters waarschuwen, want..." + +Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel +zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van +huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken." + +Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop +hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel +tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, +dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop +kwam de Tonkawa-hoofdman terug. + +"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes, +van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen +wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal +terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen +misschien beluisteren tramps." + +"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult +mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben +nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen +zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in +hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht +te weten wat zij van plan zijn te doen." + +"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier +dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, +maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn." + +"En wat doen onderwijl de anderen hier?" + +"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen." + +Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het +blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop +met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; +toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te +gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren. + +De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat +eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van +_Rolling-Prairie_ (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan +berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen +gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, +die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche +oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan +boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op +elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende +golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit +men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- +of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de +wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat +haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal +steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid +is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, +want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze +dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd. + +Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de +hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, +hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde +sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de +rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning +naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van +kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker +te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van +veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den +Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel +en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo +behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men +het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, +want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk +veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden. + +Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als +rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer +nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de +behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich +voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert +de duisternis van den nacht reeds begonnen was. + +Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in +een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht +begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende +beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier +ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen +met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen +en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders +reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van +het bosch bevonden. + +"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman +tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden +geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken +dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk +daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien." + +"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij +hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog +de vraag." + +"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij +staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk +bosch in." + +Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en +de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, +de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger +op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, +dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden +de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo +schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af +te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het +stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen +en weer slaan van hun staarten onderscheiden. + +Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader +en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij +van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De +tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht +opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de +tramps zaten. + +De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, +dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij +ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en +dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat +men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het +biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook +mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor +zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude +Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen +met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen +doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich +plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor +den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te +maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in +zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon. + +Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen +zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan +konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet +gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag +naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte +gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons +verteld hebt?" + +"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug. + +"Misschien óók wel om naar ons te zoeken." + +"Ja; bijna niet anders kunnen zijn." + +"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?" + +"Neen, hij dat niet zijn." + +"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?" + +"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met +handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel." + +"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; +en dien andere zult gij doodgestoken hebben." + +"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen." + +De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over +allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars +het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: +"Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het +zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren." + +"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De +houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch +waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren." + +"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te +dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En +zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; +wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen." + +"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op. + +"Waarom niet?" + +"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken +kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan +wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij +laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is +onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan." + +"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!" + +"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten +schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft +er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, +gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, +om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn +eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans +een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die +ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van +de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, +Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen +hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld +kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren +rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten +of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den +nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al +even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...." + +Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit +oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur +aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam +den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng +geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad." + +"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller +mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?" + +"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in +het geheel niet weerom; die is dood!" + +"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood +kan geen mensch hem gemaakt hebben." + +"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den +laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt +gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat +een ander hem in zijn hart heeft gestoken." + +Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar +het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij +niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; +en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: +"Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de +knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij +deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn +neus bracht ons bij de rafters." + +"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor +al de anderen. + +"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te +vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer +voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om +die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd +donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij +hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking +maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij +vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen +reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben. + +"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk +naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht +als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en +geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur +vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten +de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen +beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en +Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, +om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, +geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, +dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote +en de Jonge Beer van den Dogfish." + +De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het +niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid +aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat +de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo +zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne +weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik +een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg +en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter +Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken, +en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast +voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk +lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat +het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, +die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat +kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn +revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde +ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu +maakte ik mij ijlings uit de voeten." + +De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het +lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door +te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer +daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!' + +"Waarom dat?" werd er gevraagd. + +"Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak +kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk +morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den +doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best +mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, +zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder." + +"Maar waarnaar toe?" + +"Naar Eagle-tail." + +"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij +dus in den steek moeten laten." + +"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, +en...." + +Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van +verwondering, die de anderen niet begrepen. + +"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!" + +De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek +gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet +meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër +de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een +geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender +werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef +niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door +het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun +kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige +voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd +uit de biezen omhoogstak. + +"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen +achteruit. + +Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom +had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, +om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met +groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de +paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!" + +Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en +linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde +hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt +een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, +dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook +gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed +vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus +vooruit maar!" + +Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak, +draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar +de plek, waar hij het hoofd gezien had. + +De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en +scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen +fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging +achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook +was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij +stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: +"Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!" + +Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop +schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat +alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij +achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende +zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee +andere tramps dadelijk volgden. + +De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid +van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn +lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps +sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn +mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, +dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij +kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren +zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook +zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening +weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg. + +Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de +kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of +er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken." + +Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn +geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te +brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te +worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou +moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, +daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde +ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig +gauw weggegaan, om hulp te halen. + +Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel +over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, +scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: +"Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je +vroeger al eens gezien hebben?" + +De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval +was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat +kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer +onverschillig gezicht te zetten. + +"Ja, ik moet je ergens gezien hebben," herhaalde de kornel. "Wie zijt +gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?" + +"Ja," antwoordde de gevraagde. + +"Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?" + +"Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de +menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der +noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, +voor wie men zich in acht dient te nemen." + +"Rekent gij ook ons daaronder?" + +"Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten +blijken. Want ik ken u niet." + +"Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet +dus zeer goed wie en wat wij zijn." + +"Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons +bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om +te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om +te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist +op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt." + +Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis +gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij +vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde: + +"Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij +de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik +je. Wilt gij dat bekennen?" + +"Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet +mij voor een ander aan." + +"Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?" + +"Ja." + +"En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord +hebt?" + +"Ja, geen woord!" + +"Hoe is uw naam?" + +"Adams--ik heet Adams," loog de Missouriër, die alle reden meende te +hebben, om zijn waren naam niet te noemen. + +"Adams," zei de kornel hem peinzend na. "Adams! ... Ik heb nooit +een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd +houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet +gij hoe ik heet?" + +"Neen," verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid. "Maar +laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijke +Westmannen zijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten." + +"Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen," lachte de +roodbaard. "Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, +en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om +bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is +gedaan met u!" + +"Wat? Wilt gij mij vermoorden?" + +"Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog +beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult +sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel +morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden." En zich tot de +zijnen wendende: "Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid +van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; +hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij +hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte." + +Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte. + +"Verzuipen dus!" zeide de kornel. "Bindt zijn armen en zijn beenen +stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het +water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!" + +Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij +door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst +een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk +reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt +niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan +zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, +en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver +weg, in de doodsche stilte van den nacht. + +"_All lightnings_!" vloekte de roodbaard. "Laat hem toch niet zoo +hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, +zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!" + +Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de +hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, +want.... + +Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp +in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk +Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor +liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar +het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over +een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn +paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter +opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken +nauwlettend bekeken had, zeide hij: "De kerels zijn ons ongeveer een +Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur +oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen." + +"Waarom dat?" vroeg Tom. + +"Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij +ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben." + +"Is dat niet gevaarlijk voor ons?" + +"Voor zoover ik weet volstrekt niet." + +"Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordt +hun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen +precies in den mond loopen." + +"Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden +juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker +valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de +gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, +die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de +plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij +spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, +waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij +dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?" + +Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn +plat-Duitsch: "Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als +wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen +langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen +dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen +redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, +dat de boomen er van beginnen te waggelen." + +Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit +voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps +hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, +en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door +de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, +maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan +zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, +die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren. + +Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet +meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die +nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: "Wij hebben ruim een mijl +afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij +ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te +voet, en de paarden bij den toom leiden." + +Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden +afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, +zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het +viertal hield dus halt. + +"Wat nu?" vroeg Tom. "Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren." + +"Neen," antwoordde Droll. "Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes +door, totdat wij hen vinden." + +"Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!" + +"Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, +en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, +mijnheer Firehand?" + +"Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen," luidde zijn +antwoord. "Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting +van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; +dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat +meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen +ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij +ons gewaarworden." + +"En als zij geen vuur hebben?" wierp Tom tegen. + +"Dan ruiken wij hun paarden," zeide Droll. "In het bosch ruikt men +de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft +mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren +naar rechts." + +Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de +overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de +rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg +daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old +Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond +in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg +was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere +bosch slechts zeer langzaam kon gaan. + +Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden +ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier +terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps +heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat +kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old +Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich +te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof +Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: "Dat is rook; +die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat +ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar +lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur." + +Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp +gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en +tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den +teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn +fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In +de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog +van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps +een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old +Firehand greep toe, met beide handen. + +"Halt!" gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver +gehoord te worden. "Wie zijt gij?" + +"Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia (= ik weet niet, niemand)," antwoordde +de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen. + +Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des +nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke +handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal +iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig +van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand +vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: "Dat +is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt +toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt." + +De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde +schielijk in zijn gebroken Engelsch: "ik Nientropan-hawi; gij Old +Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?" + +"Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, +ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben +paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht +in de nabijheid; neem u dus in acht!" + +"Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen +doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand +mij vasthouden." + +"Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar +zijn zij?" + +"Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden." + +"Is de roodharige kornel bij hen?" + +"Ja, hij daar zijn." + +"Waar hebben zij hun paarden?" + +"Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan +vuur komen." + +"En waar zijn de rafters?" + +"Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken." + +Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand +antwoordde: "Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak +den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd +te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden +is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons +naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar +de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel +niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, +dat de houtvlotters onverwijld hier komen." + +De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun +paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het +bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter +voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, +de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de +paarden staan. + +Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien +of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, +en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old +Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij +meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder +der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te +ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, +toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die +door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, +van den ouden Missouriër. + +"Zij vermoorden hem!" zeide Old Firehand nog altijd +fluisterend. "Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade +voor wien zich verweert!" + +Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps +op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist +den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had +geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag +neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden +en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks +onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer +weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij +sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit +te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven. + +Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had +zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en +stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten +gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen +naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer +op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver +begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn +macht, om hun schrik te verhoogen. + +Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende +fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager +schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen +waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid +eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er +was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik +over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het +eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot +bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden +dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam +hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, +zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, +wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, +veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn +eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, +was er geen volle minuut verloopen. + +"Hen achterna!" riep Old Firehand. "Ik blijf hier. Laat hen niet aan +de paarden komen." + +Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar +de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, +die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen +er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder +het bosch in. + +Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, +op de terugkomst van hun twee verspieders--den Missouriër en den +Tonkawa-hoofdman--gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier +hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen +zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, +en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van +waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo +hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee +bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die +met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van +tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te +houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór +hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer. + +"Gauw komen, gauw!" riep hij. "Old Firehand daar zijn, en op de tramps +schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!" + +Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten +had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het +geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps +zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, +om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder +gehaast. Menig hunner liep tegen een boom, en liep zoodoende een +kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +AAN DE VERGELDING ONTKOMEN. + + +Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old +Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig +en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets +buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken +der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en +gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel. + +"Verduiveld!" riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. "Wij +dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham's +schoot." + +"Ben ook in levensgevaar geweest," antwoordde de oude; "op het punt +geweest om overgekolfd te worden in Abraham's schoot, namelijk door de +kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, +toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping +hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt +nog iets van hen kunnen leeren, _boys_ (= jongens)!" + +"En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?" + +"Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij +heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen +zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, +maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen +te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen +hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt +gij u iets kranigers voorstellen?" + +Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven +eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de +reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om +dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide +Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij +tegen hen zeide: "Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de +tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk +is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen +paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps +te doen kreegt." + +"De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik +verdien," antwoordde de Oude Beer bescheiden. "De tramps hebben maken +een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien +dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?' + +"Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts +bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu +hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij." + +Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa +ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: "Als hij niet gestorven +van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen +zijn bloed!" + +"Halt!" riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes +gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. "Die kerel +behoort niet aan u, hij is mijn!" + +De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, +en vroeg toen: "Gij ook verlangen wraak tegen hem?" + +"Ja, en welke!" + +"Bloed?" + +"Bloed en leven!" + +"Sedert wanneer?" + +"Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten +doodranselen." + +"Gij u niet vergissen?" vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging +te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der +prairie verplicht was. + +"Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk +herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten." + +"Gij hem dus dooden?" + +"Ja, zonder genade of medelijden." + +"Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, +en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; +ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?" + +"Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?" + +"Dan Tonkawa hem doodschieten terstond." + +"Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel +christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet +doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die +houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, +die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid +te betrachten." + +"Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?" vroeg de Indiaan, +daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht +nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch +ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: "Nu, dan ooren +mijn, en ik die nemen terstond." + +Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te +geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: "Wat +gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, +dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?" + +"Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks +spreken," antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst. + +"En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk +laten zien," voegde Old Firehand er bij. "Wij hebben uw zakken nog +niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit." + +Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den +gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de +brieventasch van den kornel. + +Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten +aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had. + +"Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!" lachte Old +Firehand. "Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij +zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient +geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt." + +De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman +stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn +voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide +oorvleugels af, die hij in de rivier smeet. + +"Ziezoo!" zei hij. "Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden." + +"Nu?" vroeg Old Firehand. "Wilt gij niet met mij rijden, niet althans +nog dezen nacht bij ons blijven?" + +"Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen +goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te +vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te +bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder +van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel +vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!" + +Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed +eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in. + +"Waar hebben zij hun paarden?" vroeg Old Firehand. + +"Hooger op, bij ons blokhuis," antwoordde de Missouriër. "Natuurlijk +gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht +den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel." + +"Maak u daarover volstrekt niet ongerust," zei de jager. "Zij kennen +den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, +zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij +moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het +is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij +zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen +zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?" + +"De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de +anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen +wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te +duchten hebben." + +"O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te +vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden +dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, +eenige wachten uitzetten." + +De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; +doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de +rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige +wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner +drie metgezellen halen, en toen kon het "Savannen-gerecht" beginnen. + +Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs +tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der +aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild +gevoerd hadden werden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies +van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt. Vannacht +zouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten +gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden. + +Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij +had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur +gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of +de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over +hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, +en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: "Hij is het, +hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!" + +Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: "Vergist gij u +niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn." + +"O ja, hij is het, hij is het stellig!" hield de jongeling vol. "Zie +maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst +voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu +alle hoop kan opgeven." + +"Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot +herkend hebben." + +"Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel +gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, +dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen." + +"Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt +mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, +en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is." + +De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn +voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad +een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: +"Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders." + +"Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die +sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden." + +"Dat wel niet," mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; +"maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode +pruik opzetten." + +"Och kom? zou dat hier....?" vroeg Droll, zonder zijn volzin te +voltooien. + +"Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten +bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van +mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft +een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, +dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik." + +"Onmogelijk!" zei Droll. "Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan +hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren +afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het +hoofd afgetrokken zijn!" + +"_Pshaw!_ Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn +hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen." + +De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij +was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze +moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen +hij onverschillig. Al zijn aandacht was op de woorden van de beide +sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, +als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking +van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, +zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn +triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de +kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, +vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik +af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar +hield vast; het was werkelijk eigen haar. + +"_All devils_, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!" riep +hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, +dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de +toestand zoo hoog ernstig geweest. + +Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, +en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: "Nu, leugenaar en +lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat +hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs +eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!" + +De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en +zei radeloos tegen laatstgenoemde: "Zeg mij nu toch, sir! wat gij +daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; +maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch +wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen +kunnen mij onmogelijk bedriegen." + +"En toch zoudt gij u kunnen vergissen," antwoordde de jager. "Naar +het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op +uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht." + +"Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen." + +"Doe ze dan beter open!" snauwde de kornel hoonend. "De duivel mag mij +halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord +of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!" + +"Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!" + +"Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom +de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig +abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde +als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongen _boy_ +niet, en...." + +Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt +of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk +herstellende, vervolgde hij: "....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij +beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij +mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, +veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig +moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden +Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel." + +Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor +bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; +hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem +optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, +waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, +die niemand bevreemden kon, daar het door het gaan-opzitten van den +roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, +en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man +nu--dat zoogenaamde lijk--was volstrekt niet dood; hij was niet eens +gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van +zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn +gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij +zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, +zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken +te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen +zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden +telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk +reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot +hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, +en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, +of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem +voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel +bevond, en sleepte hem naar de plaats waar de lijken moesten liggen. + +Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende +oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een +gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen +men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte +bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten +later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, +zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op +den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen +aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, +en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel +los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, +opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou +kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het +hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen +van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes +in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en +ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, +en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen +ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van +den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid +van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: "Waar _ik_ +iets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig +staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid +van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!" + +"Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen +verven?!" + +"O, dat is zoo onmogelijk niet," gaf de jager op veelbeteekenenden +toon ten bescheid. + +"Misschien met _ruddle_ (= roodsteen)?" vroeg de kornel met een half +spottenden lach. "Dat zou immers erg afgeven!" + +"Lach maar zoo hard als gij wilt," hernam Old Firehand ernstig; +"lang zult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen +draaien, mij evenwel niet!" + +Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden +afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den +gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: "Zoodra men +u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, +en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het +gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent +een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen." + +Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en +een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors +nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, +en vroeg hem: "Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die +bij u?" + +Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; +maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die +zeker is van zijn zaak: "Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand +zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had +ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; +het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje +hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er +in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?" + +Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig +uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze +antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: "Ja, +ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn +gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet +zulk een klein ding: een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen +doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en +het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, +een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (_Celtis occidentalis +L._). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van +dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; +bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?" + +"Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen +woord heb verstaan, veel minder begrepen," antwoordde de kornel +allesbehalve gepolijst. "Ik zou wel eens iemand willen zien, met +een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat +haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, +want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben." + +"Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier +alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad +hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn +haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, +als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de +man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, +zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken." + +"Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten," merkte Fred +aan. "Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen +is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met +het mes in de kuiten, aan de eene zijde er in en aan de andere zijde +er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, +waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens +nog te zien zijn." + +Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd +dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien +los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: "_Well_, beste +boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den +persoon vergist." Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred +de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg +eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide +voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En +meteen sprong de kornel overeind. + +"_Good bye_, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken," riep +hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee +rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte +over op het geboomte aan. + +Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had +gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, +dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee +uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde +bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen +verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd +hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere +eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle +vergelijking onmogelijk was. + +Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en +het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem +te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht +beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor +hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den +kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou +het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het +vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde +oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong +over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen +te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, +dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het +werk van een paar seconden. + +"Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!" riep hij, en wendde +zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den +tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, +en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen. + +Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer +te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat +hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, +onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen +zou hebben. + +De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll +rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig +reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen +"nachtjapon" aangehad had, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen +zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet +vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers +achternazette. + +"Staan blijven, Droll!" riep hij dezen daarbij toe. + +Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, +in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was +nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de +duisternis, die onder het geboomte heerschte. + +"Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!" schreeuwde +Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog +slechts vier passen van hem af. + +"Moet hem hebben, moet hem hebben!" antwoordde hijgend de in een +staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, +en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in. + +Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat +in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn +vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf +zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het +vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in +de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te +zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen. + +"He, komt gij alleen terug?" riep de oude Missouriër reeds van verre +Old Firehand toe. + +"Dat ziet gij," antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard. + +"Was hij dan niet te pakken te krijgen?" + +"Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo +onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp." + +"Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is." + +"Nu, oude Blenter! ik geloof niet dat _gij_ de man zijt, die het +recht heeft om het hardst daarover te klagen." + +"Hoe zoo dat?" + +"Wel omdat het eigenlijk gezegd _uw_ schuld is." + +"_Mijn_ schuld?" vroeg de oude verwonderd. "Dat vat ik niet. Gij +moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom +gij dat aan mij wijt?" + +"O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend +geworden is?" + +"Dat heb _ik_, natuurlijk." + +"En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets +overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En +wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?" + +"Ook dat heb _ik_." + +"Maar zijn mes hebt gij hem laten houden." + +"Hij had in het geheel geen mes." + +"O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende +alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen +losgesneden, waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar +hem tevens het mes gegeven." + +"Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?" vroeg Blenter verlegen. + +"Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers." + +Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door +bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, +dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen +greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin +als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als +waanzinnig uit: "Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een +oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles +is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, +dat hij degene was, waarvoor ik hem hield." + +"Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen +wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden +geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; +want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij +hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene +niet hier tegenwoordig is." + +Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte +terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij +onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling +achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen +onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was +blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch +of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den +terugtocht aangenomen. + +Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, +en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams +zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: "Maar hebt gij dan niet +gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te +blijven staan?" + +"Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord," was het antwoord. + +"En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?" + +"Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten." + +"En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?" + +"Wat had ik dan moeten doen? Had hij _mij_ misschien moeten naloopen?" + +"Neen, dat niet," hernam Old Firehand lachende. "Maar om iemand +in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of +althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, +worden de voetstappen van anderen onhoorbaar--begrepen?" + +"Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven +staan?" + +"Juist." + +"Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik +stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik +er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig +terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!" + +"Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, +dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij +zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij +te laten loopen." + +"Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom +moeten zijn om langer alleen te loopen." + +"En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde +malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra +wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen +gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij +zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting +die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend +of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een +heksenmeester, dat weet ik reeds." + +"Dat wil ik gelooven," antwoordde Droll, door die lofspraak +gestreeld. "Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, +dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar +misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge +dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?" + +"Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar +of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten +in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor +opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij +hem inhalen." + +Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude +Missouriër verklaarde: "Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel +paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode +kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor +vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik +hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas +sedert kort aan het werk." + +"Dat doet mij plezier," zei Old Firehand. "Ik heb onderweg reeds +besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, +wel zult aannemen." + +"En wat is dat?" + +"Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat +noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, +maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis." + +"Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?" + +"Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij +bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, +en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te +gaan nemen." + +"_Zounds!_ Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, +en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en +patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij +wegkomen." + +"Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen +bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, +om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit +het vuur meenemen." + +De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn +oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, +verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, +en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar +Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het +natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met +zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen, liep hij met zijn handen +vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de +gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij +was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond +zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou +zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, +zooveel als de duisternis dat slechts toeliet. + +Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het +was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier +was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, +bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen +op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen +hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij +eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden +mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf. + +"Nu hebben wij er ten minste reeds een," zei een dier mannen, +"en die zal boeten voor al de anderen." + +De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van +een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij +te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: +"Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!" + +Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem +van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: +"Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij +hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden." + +"Dat hadden ze ook," hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind +kwam; "maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen +zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd." + +"Wij hielden u voor een rafter." + +"Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn +slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, +dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, +ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven." + +"Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeft _mij_ hier gebracht. Ik +zou graag dit blokhuis in brand steken--dan zijn zij hun logies kwijt." + +"Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, +of daar niets van onze gading te vinden is." + +"Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij +alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij +den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden." + +"Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben +ze niet uitgeplunderd." + +"Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?" + +"Ja, alles!" + +"En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen +vallen?" + +"Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel +is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, +toen u overslag kwam." + +"Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, +om weer naar hier te komen." + +"Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat +wij weg waren?" + +"Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben." + +Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij +de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in +de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op +welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf +gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, +en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht. + +Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere +bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch +en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen +werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de +slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie +vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij +lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur +aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets +anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van +den wind door de toppen der boomen. + +"Zij komen nog niet," zei Woodward. "Wat nu?" + +"Maken dat wij wegkomen, natuurlijk," antwoordde de kornel. + +"Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend." + +"Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons +achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten." + +"Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water." + +"Welnu, dan zullen wij varen!" + +"Waarmee? Waarin?" + +"In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een +of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, +dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats." + +"Waar dat is weten wij niet." + +"Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan +al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen." + +Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, +en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den +waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps +spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had +gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs +den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon +vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden. + +Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in +de verte het geschreeuw van drie stemmen--dat waren die van den ouden +Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren +naar het blokhuis. + +"Zij zijn op de komst," zei de kornel. "Laat ons maar gauw maken, +dat wij een boot vinden." + +Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, +lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch +van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano's, +ieder met plaats voor vier personen. + +"Hangt de twee andere achteraan," gebood de roodbaard. "Wij moeten +die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die +kapot slaan." + +Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; +ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den +oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed +een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde. + +"Dat's verkeerd!" zei de aanvoerder tegen hem. "Wij moeten voor +stroom af." + +"Maar wij moeten immers verder Kansas in," antwoordde de man, "naar +de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps)." + +"Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; +die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus +morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, +om hem van ons spoor af te brengen." + +"Dan maken wij een ijselijken omweg!" + +"Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij +morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de +noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind +naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl +de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het +spoor te komen." + +De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het +schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen +vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, +en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik +toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis +bereikten. + +Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat +zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken +en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen +gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. "Het +is juist zooals ik gedacht heb," zeide hij; "ik begreep, dat de kornel +zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te +laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een +voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan +ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden." + +"Hoe dat?" vroeg de Missouriër. + +"Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er +niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is." + +De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets +verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij +Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts +gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd. + +"Eer ik begin messieurs!" sprak de jager, "moet ik u verzoeken mij +uw woord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, +aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn +voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, +op wier woord ik mij verlaten kan." + +Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: +"Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, +dat men het Zilvermeer noemt?" + +"Ik wel," antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. "Ieder +onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is +geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze +gentlemen opmaken mag." + +"_Well!_ Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude +mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet +uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen +zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een +uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een +groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische +kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet +zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen +noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, +en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen." + +"Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!" riep de oude Missouriër, +geheel in verrukking gebracht. "Dat Old Firehand goed en eerlijk +betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja +duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, +ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: +ik moet eerst den kornel hebben." + +"En ik ook," zei Droll, "ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet +zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven +zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot +het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, +want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen." + +Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, +terwijl hij antwoordde: "Ik hoor daar van u beiden een verlangen, +dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij +bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar +waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft +hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn +geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar +één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden +verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk +de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, +in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van +hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem +speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om +zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn +plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; +en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als +de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik +meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van +de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleen uit een +gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, +er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?" + +De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp +te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, +met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem +de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De +andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, +lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet +kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen +en den kornel verraden had. + +"Nu," richtte Old Firehand het woord tot hem, "gij ziet, dat ik niet +ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder +overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf +mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, +en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet +ge eigenlijk?" + +"Ik heet Nolley, sir!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met +tranen in de oogen de hand gaf. "Ik wil u niet lastig vallen met mijn +levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; +maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang +dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen." + +"En die zijn?" + +"Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij +aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, +morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal +die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden +worden door de visschen." + +"Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u +vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; +draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij +mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij +hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?" + +"Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons +alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, +die binnenkort gehouden zal worden." + +"_Heigh-day_ (= Ei ei)!" riep Droll nu. "Dan ben ik toch zoo kwaad +niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden +ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken +over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen +brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?" + +"Ja," antwoordde Nolley. "Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk +achter Harper, en de naam is Osage-nook." + +"He! Dien _nook_ (= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat +is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien +den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk +met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen +inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen +wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?" + +"Ja," knikte de oude. "Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir +Firehand kunnen blijven." + +"Wel," hernam de jager, "ik zie volstrekt niet in, waarom wij van +elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in +de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den +ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot +zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?" + +"O ja," antwoordde de bekeerde tramp. "Na afloop van de meeting +wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, +en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn." + +"Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting +vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail." + +"En mocht hij ook daar ontsnappen," hernam Nolley, "dan kunt gij hem +later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer." + +Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old +Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: +"Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?" + +"Daar wil hij een schat gaan halen." + +"Een schat? Zal die daar te vinden zijn?" + +"Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen +van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige +plattegrond-teekening waar men die zoeken moet." + +"Hebt gij die teekening gezien?" + +"Neen, die wil hij aan niemand laten zien." + +"Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles +afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een +teekening geleek." + +"Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij +die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde +meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar +begraven heeft." + +Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat +niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden +in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde +den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met +zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller +zweeg, riep Fred: "Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft +aan mijn vader toebehoord!" + +Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem +met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, +door te zeggen: "Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult +later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de +hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, +dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta." + +"Ik ook!" verklaarde de oude Missouriër op een toon vol +geestdrift. "Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, +en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch +allen ook mee, kameraden?" + +"Ja, ja, natuurlijk ja," klonk het uit den mond van al de rafters. + +"_Well!_" zei Old Firehand, "dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij +behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, +daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt +gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het +wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen +leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!" + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +INDIAANSCH MEESTERSTUK. + + +De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel +aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een +zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van +smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot +stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof +op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere +kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, +zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende +heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand +der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine +boot verdwalen zal in volle zee. + +In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen +te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee +zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in +beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, +die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed +zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der +golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer +zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, +niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, +maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest +en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een +waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de +achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, +zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn +te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins. + +De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn +gezicht--ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De +uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet +uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan +de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van +een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als +gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw +kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks +lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die +baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende +punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaam van "vadermoorder" +placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, +verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de +prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen. + +Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, +van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de +schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange +blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, +was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van +middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk +uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, +en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, +waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden +revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die +bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen. + +Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te +slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er +niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, +een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had. + +De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer +prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, +dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier +goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen +tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen +met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den +draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man +met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald +doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd. + +Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de +ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem--van waar eigenlijk +kon hij niet zien--deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: +"Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?" + +De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar +links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, +nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór +hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan +hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang +werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn +rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig +en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: +"Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op +de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien +is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen +aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!" + +De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker +weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig +dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen +met de hand achter zich, en antwoordde: "Daar vandaan!" + +"Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!" + +"Dien weg," antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor +zich uit. + +"Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!" lachte de nog altijd +onzichtbare vrager. "Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde +prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende +gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een +eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige +omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle +pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het +mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord +staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder +draaierij: Waar komt gij vandaan?" + +"Van het kasteel Castlepool," antwoordde de man, op den toon van +een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den +schoolmeester. + +"Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?" + +"Op de landkaart van Schotland," hernam de ruiter, terwijl zijn +gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was. + +"God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En +waar is de reis naar toe?" + +"Naar Calcutta." + +"Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?" + +"In Voor-Indië." + +"_Lack-a-day!_ Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit +Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?" + +"Ja, maar niet geheel en al." + +"O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt +waarschijnlijk een Engelschman?" + +"_Yes._" + +"Wat is uw beroep?" + +"Lord." + +"Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn +hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom, _uncle_ (= +oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben +volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van +Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meter _spleen_ +(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal." + +Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee +gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer +lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, +geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met +breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf +als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, +en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een +scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel--oude, zeer +lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne +met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog +een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor +beiden te wezen; want terwijl de lange nog geen woord gesproken had, +vervolgde hij nu: "Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want +anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander." + +"Willen wij eens wedden?" vroeg de Engelschman nu. + +"Wat wedden?" + +"Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar +wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij." + +"Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?" + +"Denkt gij dat? _Well_, laat ons dan wedden om honderd dollars!" + +Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, +maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die +boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan. + +"Master!" riep de kleine, "ik begin te gelooven, dat het werkelijk +meenens bij u is!" + +"Wat zou het anders zijn?" vroeg de Engelschman verwonderd. "Wedden +is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij +elke gelegenheid." + +"En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!" + +"Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om +honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?" + +"Wij hebben geen geld." + +"Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij +betalen kunt." + +Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep +ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: "Ons leenen +... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?" + +"O ja, dat weet ik zeker." + +"Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u +doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen." + +"Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner +zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb." + +"_Uncle_ (= oom)!" zeide de kleine hoofdschuddend tegen den +lange. "Zulk een _boy_ heb ik van mijn leven nog niet gezien of +gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te +bekijken." + +Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange +volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een +boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de +bultenaar: "Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan +niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand +die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, +het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, +wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, +hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de +proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!" + +Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den +teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, +en op een korten strengen toon riep deze: "Hand weg of ik schiet!" + +De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen. + +"Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!" + +De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een +volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele +wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid +en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan. + +"Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd +ben?" vervolgde hij. "En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien +gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan +vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u +geantwoord. Maar nu verlang _ik_ te weten wie ik vóór mij heb. Hoe +heet gij, en wat zijt gij?" + +Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens +goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen +indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: +"Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men +kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco [1] als eerlijke +jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, +om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen +aan te sluiten." + +"_Well!_ En uw namen!" + +"Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt +men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover +ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn +kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, +omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt +heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; +en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, +zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten." + +De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij +hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen +zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier +uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende +antwoordde hij: "Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave +en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien." + +De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; +toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange +met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de +kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: "Werkelijk een lord, +lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw +leven..." + +"_Pshaw!_" viel de lord hem in de rede. "Wat ik zoek? Ik wil de +prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De +geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de +Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan +elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat +ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij +paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb." + +"Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, +waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten." + +"Volg mij dan!" + +Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij +nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan +hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot +achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, +die men veilig met de gemeenzame benaming van "oude knollen" had +kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een +hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte +gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden. + +"Wat een venijnig kreng!" zei Humply-Bill. "Schijnt zeer ongezellig +te zijn." + +"O neen," antwoordde de lord. "Maar hij weet, dat ik nog niet op een +vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw +paarden ook nog geen kennis maken." + +"Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar +uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn." + +"Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte +Koerdische _hoezaan_ (= hengst), als gij het niet kwalijk neemt." + +"He! Waar ligt dat land?" + +"Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee +naar huis genomen." + +Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even +gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar +naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het +Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander +een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras +zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, +gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed +er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet +aan de anderen, maar aan hem toebehoorde. + +"Zoo gaat het goed!" zei de Bultenaar. "In de prairie moet men geen +complimenten maken." + +"Die maak ik ook niet," antwoordde hij. "Gij hebt gisteren uw vleesch +geschoten; vandaag of morgen schiet _ik_ wat op mijn beurt natuurlijk +voor u meteen." + +"Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen +zijn?" + +"O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien +dollars, of om meer, als gij wilt." + +Meteen greep hij naar zijn geldtasch. + +"Laat uw banknoten maar rusten," zei Humply. "Wedden doen wij niet!" + +"Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren." + +Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog +eens op met een scherpen blik, en zei toen: "Ik ben den Arkansas +komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids +aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal +uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, +dat echte prairie-mannen nergens beter te vinden zouden zijn, dan +in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij +met mij meegaan?" + +"Waar naar toe?" + +"Naar Frisco, aan gene zijde." + +"Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is." + +"Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een +rond jaar duurt, dat doet er niets toe." + +"Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren +kan?" + +"Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel +te ondervinden." + +"Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u +meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven +van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden +noodig zijn, naar Frisco maken." + +"Ik zal er u natuurlijk voor betalen." + +"O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan +te doen." + +"Kunt gij schieten?" vroeg de Engelschman. + +Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, +toen hij antwoordde: "Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna +nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten +kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult." + +"Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die +gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden +halen?" + +Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven +in de lucht, en antwoordde: "Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar +of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen +betwijfel ik sterk." + +Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen +nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen +als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is. + +"Schiet dan eens!" gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden +van den bultenaar te ergeren. + +Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen +los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg +fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, +doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens +sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel +als een baksteen loodrecht neer op den grond. + +"Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?" vroeg de kleine schutter. + +"Niet kwaad!" luidde het leuke antwoord. + +"Wat? Noemt gij dat leuk weg _niet kwaad_? Bedenk eens welk een hoogte, +en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, +want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een +meesterlijk schot genoemd hebben!" + +"_Well_, de tweede!" knikte de lord den langen jager toe, zonder op +de gemelijkheid van den kleine te letten. + +Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de +linkerhand op zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als +een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, +en sprak toen op pathetischen toon: "De roofgier zweeft in hooger +sfeer.--En blikt van daar op de aarde neer,--En hoopt op lekker aas +alweer,--Maar....'k schiet, en 't ondier leeft niet meer!" + +Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en +hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord +gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk +stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm +zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid +van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al +lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat +trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil. + +"Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is +een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, +en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als +hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete +klanken, dat wil zeggen op rijm." + +"_Well!_" knikte de Engelschman. "Of zijn mond van honigzoetheid houdt, +of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan +hij schieten?" + +De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, +de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van +verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer +in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den +grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn +dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood +van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed +eind verder af. + +"Hij is met geen mogelijkheid meer te raken," zei Humply. "Vindt gij +dat óók niet, uncle?" + +De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de +gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden +uit hun graf doen verrijzen: "Door zijn vleuglen weggedragen,--Zweeft +hij over berg en dal!--Ik behoef geen schot te wagen,--Daar hij toch +ontkomen zal.--Wie hem nu nog wenscht te kriegen,--Dient hem achterna +te vliegen!" + +"Onzin!" riep de lord. "Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer +te raken is?" + +"Ja, sir!" antwoordde Humply. "Geen Old Firehand, geen Winnetou en +geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te +halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen." + +"Zoo!" + +Terwijl de lord dit woordje "zoo" meer minachtend uitstiet dan +duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring +over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren +van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, +alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer +zitten, greep naar den reebout, om er zich nog een stuk van af te +snijden, en vroeg: "Nu, was hij te raken of niet?" + +Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste +verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, +want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende +slakkenlijn naar beneden. + +"_Wonderful!_" riep Humply vol geestdrift uit. "Als dat geen toeval +is, mylord!...." + +Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij +dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, +in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was +toch bijna niet te gelooven. + +"Maar, mylord!" vervolgde de bultenaar, "kijk toch eens even om! Gij +hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!" + +"Dat weet ik!" antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, +een stuk vleesch in zijn mond stekende. + +"Maar gij hebt hem immers nog niet gezien." + +"Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel +mist nooit!" + +"Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, +volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, +die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?" + +De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en +antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: "Dat schot is raak +geweest,--Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren..." + +"Hou nu maar op met leutren!" viel de Engelschman hem in de rede. "Al +die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen +zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, +en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, +en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?" + +De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden +toen met een bevredigend ja. + +"_Well!_ En hoeveel verlangt gij?" + +"Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben +nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling +kan bij _scouts_ (= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen +zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen." + +"_All right!_ Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt +mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een +honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal +ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen +gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en +doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, +dat wij beleven, vijftig dollars." + +"Sir!" lachte Humply, "dan worden wij rijke menschen, want aan +avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij +die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het +niet liggen; maar voor een vreemdeling is het raadzamer, de avonturen +te ontwijken, in plaats van die op te zoeken." + +"Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde +jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen +genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen +thans in het Westen?" + +"Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde +personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, +dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de +vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, +zich met een onbekende in te laten." + +"Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en +wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij +aantreffen, betaal ik u honderd dollars." + +"Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?" + +"Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld +betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen +daarmee?" + +"O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk +niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt." + +Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren +naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit. + +"Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf," zei hij. "Ik zal +aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven +ieders portret en zijn naam." + +"Onze portretten?" vroeg de bultenaar verwonderd. + +"Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij +nu zit!" + +Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, +dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het +papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien +wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, +en hun namen er bij. + +"Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig +zal worden," zeide hij nu. "Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit +boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik +u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk +uitbetalen." + +"Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!" merkte Humply aan. "Wij +willen echter niet hopen, dat.... _Behold_, uncle! kijk onze paarden +eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er +moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is +gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft +men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en +allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om +te zien of ik iets ontdekken kan." + +"Dan ga ik met u mee!" zei de lord. + +"Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!" + +"_Pshaw!_ Ik bederf niets." + +Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen +zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en +kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen +verscholen, en hun hoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als +noodig was om rond te kunnen zien. + +"Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting," prees +Humply. "Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet +gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?" + +"_Yes!_ Een Indiaan, schijnt het?" + +"Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker +van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken." + +De lord voldeed daaraan. + +De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend +naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd +richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook +dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, +was dat stellig slechts een vijand. + +De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, +en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor +zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te +herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, +zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, +gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider +stemme: "Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn +blanken vriend komen!" + +De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en +liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, +zoodat hij in het golvend dal verdween. + +"Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te +boeken hebben," zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer +neerdook. + +"Zullen wij een avontuur hebben?" + +"Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den +uitkijk naar vijanden." + +"Is het een hoofdman?" + +"Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen." + +"En kent gij hem?" + +"Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van +vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde +bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons." + +"_Well_, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, +er hoe meer hoe liever verwacht." + +"Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn +gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar +mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, +dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!" + +"Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?" + +"In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de +Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien +niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de +volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!" + +Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale +houding, Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn +rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten. + +Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond +daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren +van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren +kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met +versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen +was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen +was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had +stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit +alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd. + +In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat +hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen +tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee +jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in +zeer goed Engelsch: "Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder +en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten." + +"Ook wij verheugen ons daarover," antwoordde Humply, "daarvan kunt +gij u verzekerd houden." + +De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van +den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde +declameerend uit: + + + "Wees gegroet, gegroet, mijn waarde! + Telg des hemels op deze aarde! + Groote hoofdman, wees gegroet! + Zet u aan mijn zij met spoed + Eer uw vijand kan genaken, + En .... laat u 't restantje smaken + Van een reebout, dat wij nu, + Vriend een broeder, bieden u!" + + +Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, +dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met +ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden +willen zwichten. + +"Stil, uncle!" riep Humply, "er is nu waarlijk geen tijd voor uw +gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?" + +"O ja, + + + Gebonden, doch ontkomen, + Heeft de eedle zonder schromen + De vlucht naar hier genomen!" + + +was declameerende het antwoord. + +De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en +zei tegen den Osage: "Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, +en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid +van u en uw stam." + +Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: +"Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, +moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den +tomahawk!" + +"Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?" vroeg Humply. + +"Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die +mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon +ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten +loopen; maar de voeten van de 'Goede Zon' zijn even vlug en tegen +vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan +inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij +dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op +te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt +op mijn leven." + +"Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?" + +"Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was +ik reeds uit hun bereik." + +"Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, +de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?" + +"Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte +kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden." + +"Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze +afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?" + +"In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar +dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn +dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar +aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken +eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van +de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in +dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met +hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, +hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen +vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons +dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren +gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om +vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig +geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het +aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te +dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor +gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer +paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of +wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts +eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing +ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht +der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier +overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij +vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens +levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, +en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen +zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een +blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij +gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel +sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik +worstelde mij ten minste los; en op een oogenblik, toen de bewaker +zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen." + +"En uw vier kameraden?" vroeg Bill. + +"Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen +doen om hen op te sporen?" + +"O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen." + +"Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou +zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl +naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, +en daar hulp te gaan halen." + +Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: "Bijna onmogelijk! Van +Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens +als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe +zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen +uw kameraden afgemaakt worden!" + +"Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het +vlugste paard!" antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. "Mijn +vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen +en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp +zou dus nog wel bijtijds kunnen komen." + +"Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het +is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet +noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij +zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden." + +"Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!" riep de Indiaan op +een toon van blijde verrassing. + +"Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de +tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!" + +"Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, +en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!" + +"_Pshaw!_ gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, +om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere +koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, +ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegt _gij_ +daarvan, oude uncle?" + +De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in +geestvervoering zijn oogen dicht, en riep: + + + "Ik ben één van de vier! + En ik zeg 't zonder snoeven, + Ik rij mee met plezier + Naar het bivak der boeven; + En wij halen als buit, + De vier broeders er uit!" + + +"Mooi zoo! en gij, mylord?" + +De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam +van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, +en antwoordde: "Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?" + +"Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!" + +"Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als +wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben." + +"Hum ja!" hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd +aanzag. "Maar waar moeten wij dat vandaan halen--weet _gij_ dat?" + +"Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem +waarschijnlijk dicht op de hielen zitten." + +"Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, +dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze +roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?" + +"Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het +gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij +geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, +om ons zóó te posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, +geheel door ons omsingeld zullen zijn." + +De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe +langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, +en zei: + +"Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, +sir! Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?" + +"O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, +waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies +zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen +in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en +beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, +dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben +hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het +licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders +te zien krijgen, dan den rook uit de geweren." + +"Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, +is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?" + +"Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en +daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te +passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken." + +"_Well!_ Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen +zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik +juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons +eens, uncle!" + +De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, +en antwoordde: + + + "Ja, ja, zij worden ingesloten, + En tot den laatste doodgeschoten!" + + +"Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te +staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, +en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier +krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, +al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich +gedragen." + +"Dood maken niet!" opperde de lord. + +"Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen +eigenlijk geen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij +dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen +mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal +zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet +gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat +bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag +er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door +dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik +geloof, dat wij niet langer mogen talmen." + +Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, +waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, +in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de +dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn +kijker meegenomen. + +Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een +levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman +ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting +ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de +wacht hield, den luiden roep hooren: "Opgepast! ze zijn in aantocht." + +"Stil!" waarschuwde de gebochelde iets minder luid. + +"_Pshaw!"_ antwoordde de Engelschman. "Ze kunnen het onmogelijk +hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af." + +"Welken kant uit?" + +"Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, +die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van +den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden." + +"Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!" + +Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende +paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden +twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed +gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den +hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen +er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra +zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: "_Stop_, +messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!" + +Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, +daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij +zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: +"Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom +voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!" + +"Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen," klonk het +van boven. + +"Wij zijn ook jagers!" was het antwoord. "Zijt gij een eerlijk man, +laat u dan zien!" + +De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er +allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den +kleine: "Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier +hebt gij mij!" + +Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; +maar hij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste +of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon. + +"_Zounds_!" riep een hunner. "Als ik mij niet vergis, is het +Humply-Bill!" + +"Ja, zoo word ik genoemd." + +"Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn +altijd bij elkander." + +"Kent gij ons dan?" + +"Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u +te schillen!" + +"Maar ik ken u niet!" + +"Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien +... _Boys!_ die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij +gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens +daar van boven naar beneden blazen!" + +Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte +eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer. + +"_Heigh-day_, dat was goed gemikt!" jubelde de man. "Nu nog de +Gun-stick-Un...." + +Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet +geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn +beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der +drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van +hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af +naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De +lijken der tramps werden onderzocht. + +"Goed gewerkt!" sprak Bill. "Geen een schot heeft gemist! Ze zijn +alle vijf ineens morsdood geweest!" + +De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij +gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen +was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: "Het +geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het +is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan." + +"Dat geloof ik ook," knikte de Engelschman. "Ik heb die twee geweren +extra voor de prairie besteld." + +"Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd +bevervellen voor." + +"Het is niet te koop." + +"Dan geef ik er hem honderd en vijftig." + +"Dan ook nog niet." + +"Voor tweehonderd ook niet?" + +"Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden." + +"Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: +ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil." + +Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, +nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord +schudde zijn hoofd, en antwoordde: "Lord Castlepool ruilt nooit en +verkoopt ook nooit. Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers +op zijn minst even voortreffelijk als het uwe." + +"Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik +mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, +zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij +zich, dan ik noodig heb." + +Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking +der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden +alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken +onderzocht, zei Bill: "Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij +niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet +toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de +anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den +dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel +schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun +dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, +en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, +die wij willen gaan bevrijden." + +"Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?" vroeg de Engelschman. + +"Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond +den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop +afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, +dat achter hen ligt." + +"En deze lijken?" + +"Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die +schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven +worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!" + +Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; +maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; +in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de +mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te +zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen +brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, +om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een +tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, +en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen +verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, +steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, +doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan. + +De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps +kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen +spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon +zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een +donkere streep, en de Osage verklaarde: "Dat is de achterzijde van +het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, +en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de +graven van onze omgebrachte broeders." + +"Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien +hoek bereikt?" vroeg de lord. + +"Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier +gaans, om aan het bivak der tramps te komen," verklaarde de Roodhuid. + +Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een +woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden +dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman +steeg nu insgelijks af, doch zei: "Mij dunkt, dat wij geen oogenblik +te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier +met de handen in den schoot gaan zitten?" + +"Dat is geen goed doordachte vraag, sir!" antwoordde de +bultenaar. "Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, +als wij ons dood laten schieten?" + +"Dood laten schieten? Hoe dat?" + +"Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?" + +"Dat nu zoozeer niet....." + +"Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te +krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En +dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans +breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die +ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker +is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en +wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?" + +"_Well_," knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. "Ik had +niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn." + +"Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en +dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen +dollar te ontvangen." + +"Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?" + +"Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben." + +"Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt +ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf +tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan +reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur." + +"Ook weer voor vijftig dollars?" + +"Yes!" knikte de lord. + +"Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken," zei Bill lachende. "Als +gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult +gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult +weten waar het vandaan te halen." + +De lord glimlachte eens, en antwoordde: "Er zal wel genoeg zijn. Ik zal +wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan +te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?" + +"Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, +zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij +den neef van mijn uncle geen denken aan!" + +De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door +de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook +over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun +sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster +liet zich zien. + +Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan +den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het +open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den +teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd +bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, +achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan. + +De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat +het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, +die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen +ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, +niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen +der boomen. + +Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde +hem toe: "Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die +volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, +zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten." + +Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts +schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De +lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden +schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, +en fluisterde: "Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen +der tramps vernomen." + +Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet +vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, +dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen +gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor +het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden. + +"Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom," zei de Osage. + +Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende +oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze +hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees +eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond. + +"Wel?" vroeg Bill. "Wat nieuws brengt gij ons?" + +"Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer." + +"Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een +meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, +die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er +gesproken werd?" + +"Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De +tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een +bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een +toespraak hield." + +"Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?" + +"Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik +wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, +zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak." + +"Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?" + +"Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten +nadeele van de armen, zoodat men van de rijken behoort af te nemen +alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen +van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken +van al het geld, dat in de staatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al +de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, +als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen." + +"Wat nog meer? Vertel verder!" + +"Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim +voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar +verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats +in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn." + +"Waar is dat?" + +"Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, +elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, +die hem bewaakte." + +"Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen." + +"O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, +dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij +behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben +ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem +toegefluisterd, dat zij gered zullen worden." + +"Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat +zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde +verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is +een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden +nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden +door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, +regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, +terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen +los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!" + +De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het +mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo +naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden +tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer +dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman +gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den +drie blanken toe: "Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit +vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er +bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet +gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen +gebonden?" + +"Ja," antwoordde de bultenaar. "De toespraak, die de kerel met het +roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd +van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot +belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een +aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig +staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar +toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben." + +"Dat moest mijn broeder liever niet doen!" waarschuwde de hoofdman. + +"Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?" + +"Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het +bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden." + +"Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!" + +"Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig +den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk +worden, de Osagen te bevrijden!" + +"Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant +gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch +door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, +die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik +opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan +ons niets. Hier is mijn geweer uncle!" + +Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in +zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, +en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek +veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps +spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, +en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon. + +In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps +de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet +vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel +Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen +heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en +Humply-Bill hoorde hem zeggen: "Ik kan u dus een goeden buit beloven, +want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?" + +"Ja, ja, ja!" antwoordden de anderen. + +"En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók +meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk +of tien vrijwilligers werven?" + +"Neen, neen, wij doen natuurlijk mee," zei een der drie. "Ik zie niet +in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: +is het geld er al?" + +"Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl +ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij +kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder +dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, +en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de +schobberds, die hun aanvoerders zijn!" + +"Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?" + +"Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een +ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds +daar is." + +"Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?" + +"Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan +zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u +later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen +zal zijn." + +"Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand +liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen." + +"Zijt gij bang?" vroeg de roodharige spottend. + +"Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer +van die soort van menschen." + +"Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken"? Bedenk toch, dat wij hier over +de vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche +familie niet in hun schulp zouden kruipen.' + +"Gaan die allen mee naar Butler's boerderij?" + +"Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat +wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?" + +"Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?" + +"Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij +aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan +wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden." + +Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, +en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen +moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de +hoofdman viel hem in de rede, en zei: "Ik heb mijn blanke broeders +enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij +onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te +bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, +maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij +eerst dan helpen, als ik bemerkt word." + +"Wat gaat hij nu doen?" vroeg de Engelschman zacht. + +"Een meesterstuk," antwoordde Bill. "Wees zoo goed en ga weer liggen, +en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er +een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen +niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar +onze paarden te loopen." + +De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier +aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van +den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de +gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten +vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende +schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de +weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef +onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, +die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij +eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, +een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun +hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de +wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste +geluid of geritsel deed hooren. + +Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps +tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. "Is het +klaar?" vroeg Bill. "Ja," antwoordde de Roodhuid. + +"Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?" fluisterde +de lord hem toe. + +"Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn +mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en +toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip +ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te +gaan, waar ook die van ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan +is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen." + +"Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?" waarschuwde Bill. + +"Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra +gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan +zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw +der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de +plaats, waar wij afgestegen zijn. _Howgh!_" + +Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, +dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps +verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, +die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens +waren zij weg, als verzonken in den grond. + +"_Wonderful!_" fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde +toe. "Precies zooals men dat in romans leest." + +"Hum!" antwoordde de kleine "Gij zult bij ons nog menigen roman +beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken." + +"Moeten wij nu weg?" + +"Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels +zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje." + +Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats +een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden +schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van +Indianen kwamen--en toen een snuiven en stampen, en hinniken en +dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde. + +De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg +wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: +"De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen...." + +Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op +de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om +hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en +haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde +in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: +"Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?" + +"Indianen, Indianen!" werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, +waar de paarden gestaan hadden. + +"Te wapen! naar de paarden!" brulde de kornel. "Wij zijn +overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!" + +Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles +draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; +en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, +bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu +eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, +en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men +iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog +andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat +die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbij +hadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich +vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de +tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier +bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij +verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man +was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht. + +Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten +sprak de kornel: "Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor +ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te +veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken." + +"Waarom?" werd er gevraagd. + +"Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een +groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail +van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel +vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij +van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij." + +"En denkt gij dat zij dat verraden zullen?" + +"Natuurlijk!" + +"Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?" + +"Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons +te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden." + +"Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam +wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf +man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!" + +"Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch +gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te +vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, +en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben." + +"Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door +den nacht overvallen en verdwaald zijn--of zij hebben, om niet verdoold +te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg +wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, +want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan." + +Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter +gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want +later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang +aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER. + + +Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden +het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman +het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als +de duisternis toeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat +zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide +jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den +weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek +in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de +paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel. + +Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De +hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk +weten te vinden, als was het klaarlichten dag geweest. + +"Die tramps zijn blind en doof geweest," zei hij. "Wij konden er +verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden +hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen +nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der +Osagen te bedienen." + +"Wilt ge u dan wreken?" vroeg Bill. + +"Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht +Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier +anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der +Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het +spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht +uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert." + +"In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?" + +"Naar het Westen heen." + +"Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?" + +"Ja." + +"En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?" + +"De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als +men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt." + +"Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij +van Butler te redden." + +"Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de +Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?" + +"Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij +moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid +van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te +overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen." + +"Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, +dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen." + +Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook +de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop +tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat +zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden +geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers +in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht +op de streek aan, in welke Butler's boerderij lag, die de Osage had +willen bezoeken. + +In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op +klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, +om in die Rolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet +te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de +Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, +die naast hem reed, antwoordde deze: "Ja, sir! dat gij ook niet van +vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier +nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger +voor onmogelijk gehouden zoudt hebben." + +"Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?" + +"Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel +bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die +golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de +kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En +toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel +andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil." + +"Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?" + +"O neen! Zulk een Roodhuid _ruikt_ de richting en den weg, dien hij +gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard +weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn +meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is +zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te +zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch +galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; +en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden +halt zullen laten houden voor de poort van Butler's boerderij." + +"Zoo! He!" riep de Engelschman verheugd. "Wilt gij dat wedden? Dat is +heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; +en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, +ik ben dadelijk uw man!" + +"Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze +van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud +uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat +gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt." + +"Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en +vijftig voor de bevrijde Osagen." + +"En er zal spoedig nog meer bijkomen." + +"Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen +zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost." + +"Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; +maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars +zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar +hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old +Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen +te zien krijgt?" + +"Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?" + +"O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of +overmorgen Old Firehand zullen aantreffen." + +"Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?" + +"Ja; want hij wil ook naar Butler's boerderij komen." De vooraan +rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om +op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: +"Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?" + +"Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps." + +"Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden +heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, +of met hem gesproken misschien?" + +Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts +ging, wat hij gehoord had. + +"Oef!" riep de hoofdman, "Dan is de boerderij gered, want het hoofd +van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend +tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!" + +"Kent gij hem al?" + +"Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet +(= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet +kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, +want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich +spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons +spoor niet meer kunnen zien." + +Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de +oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer +moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder +spraakzaam. + +Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van +tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of +in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den +galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, +zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht +te snuiven. + +"Oef!" zei de Roodhuid fluisterend. "Er zijn stellig menschen voor +ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, +en de lucht goed door den neus inademen!" + +Men hield halt. + +"Een vuur!" fluisterde de hoofdman. + +"Er is niets van te zien," zei Bill. + +"Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt +te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel +beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt." + +De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel +aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de +Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem +stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en +beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven +kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere +handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond. + +"Hebt gij hem beet?" vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den +andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch. + +"Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan +geven," was het eveneens zacht gefluisterde antwoord. + +"Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te +doen hebben. Of is hij u te zwaar?" + +"Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, +die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij +schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te +lande een bochel noemen! Het zal toch niet...." + +"Wat?" + +"Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?" + +"Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij +zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot +dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten +op de terugkomst van deze twee." + +Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat +de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil +dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand--want +die was het--nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte +den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen +vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel +der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met +aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien +vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten. + +Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, +uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering. + +"Wat drommel!" riep Old Firehand. "Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman +van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen." + +"Sapperloot!" klonk de uitroep van Droll. "Het is warendig Bill zelf, +Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, +dat ik _u_ bij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken +of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, +heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van +hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, +beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, +zoo ver als ik dacht dat noodig was." + +De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit +dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk +naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen +staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, +den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche +stem: "Is het mogelijk? Tante Droll!" + +"De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!" antwoordde de +gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. "Natuurlijk ben _ik_ +het. Waarom mij niet dadelijk gezegd, dat _gij_ het zijt?" + +"Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo +stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!" + +Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug +om zich te bewegen. De druk van Firehand's vuisten was veel sterker +geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, +met de oogen dicht, roerloos op den grond. + +"Is hij dood?" vroeg Bill. + +"Neen," antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. "Hij +ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, +Bill! Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman +van de Osagen?" + +"Ik ken hem reeds sedert jaren." + +"Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den +Hoofdman?" + +"Ja, vier man." + +"Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?" + +"O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons--dien kent gij stellig +wel--en dan nog een Engelsche lord." + +"Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben +van ons niets te vreezen, en wij niet van hen." + +Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand +afgelegd, of hij riep vroolijk: "Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn +bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar." + +De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende +rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te +heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman +daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen +de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand +staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de +uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, +en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij +zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old +Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik +opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: "Welkom, mylord! Gij +zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?" + +"Hoe weet gij dat, sir?" vroeg de Engelschman. + +"Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van +den _bouton d'Alep_ (= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke +reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, +ofschoon...." + +Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, +diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van +een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, +waarin hij het mes hield, zakken, en riep: "Old Firehand! Hebt _gij_ +mij gegrepen?" + +"Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen +kon." + +"Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen +schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd +gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil +naar de boerderij van Butler?" + +"Ja. Hoe weet gij dat?" + +"Bleekgezichten zeiden dat." + +"Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis +de Osage-nook." + +"Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?" + +"Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, +allen tramps." + +"Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, +want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen." + +"Hoe weet gij dat?" + +"Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben +de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben +zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten +te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, +die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode +broeders te bevrijden." + +"Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?" + +"Ja." + +"Bill en de Uncle bivakkeerden hier?" + +"Zoo is het." + +"En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?" + +"Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?" + +"Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en +hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook +te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en...." + +"Sir!" viel Humply-Bill hem in de rede; "hoe weet gij, dat die mannen +tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben." + +"Een stuk papier heeft het mij verraden," was het antwoord. "Gij hebt +die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner +laten zitten." + +Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het +schijnsel van het vuur en las: "Een verzuim, dat men voor onmogelijk +zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau +der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de +regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er +in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter +dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht +geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te +zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, +40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres +land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten +noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans +gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde +algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven +bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling +van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het +niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën +ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en +is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting +zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt +dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken +van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en +veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, +zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan +uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en +voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts +hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar +voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebben van de rooverijen +dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, +dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door +de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren +toestand paal en perk worde gesteld." + +De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, +bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd +aan. + +"Is dat waar? Is dat mogelijk?" vroeg de lord. + +"Ik houd het voor waar," antwoordde Old Firehand. "Of dit bericht liegt +of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan +een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op +grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden." + +"Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?" vroeg de hoofdman. + +"Omdat ik u voor tramps moest houden." + +"Hoe zoo dat?" + +"Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf +werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de +anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het +binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou +zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, +dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting +van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik +liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u +te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen +gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij." + +"Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager +onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps +zijn persoonlijke vijanden?" + +"Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn +persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, +als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat +daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?" + +Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig +verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: "Gij ziet dus, sir! dat +wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te +stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden." + +"Neen. Dat zal ik niet doen." + +"Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps +aanbinden?" + +"Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik +weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt." + +"Grooter? Hoe dat?" + +"Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, +is het niet?" + +"Ja." + +"En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend +zullen beginnen." + +"Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag." + +"Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!" + +"Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?". + +"Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?" + +"In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat." + +"Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?" + +"Ja." + +"Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?" + +"Dat ook, ja." + +"Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, +moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler +zullen spoeden, om hem te waarschuwen?" + +"Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf." + +"Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen +ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil +wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de +dag aanbreekt, te paard te stijgen." + +"Wat wil mijn blanke broeder verder doen?" vroeg de Osage. + +"Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is +er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te +nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, +dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij +de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen +behoorlijk te kunnen ontvangen." + +"Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen +keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam." + +"Niet?" vroeg Firehand verwonderd. + +"Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, +en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn +blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij +had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, +en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke +dochter te koopen." + +"Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler +in Fort-Dodge denkt te blijven?" + +"Eenige dagen." + +"En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?" + +"Eergisteren, in den voormiddag." + +"Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!" riep Old Firehand, +opspringende. "Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt +brengen om ons te helpen?" + +"Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan +de boerderij zijn." + +"Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend +met de Sjeyennes en de Arapahoes?" + +"Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven." + +"Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van +hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik +opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?" + +De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op. + +"Rijd er naar toe," vervolgde Old Firehand, "en zeg aan de beide +hoofdlieden, dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd +man naar de boerderij van Butler te komen." + +"Is dat de geheele boodschap?" + +"Ja." + +De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard +aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht +verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde +onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend +en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel. + +"Messieurs!" zei hij, "wij hebben geen minuut te verliezen. Onze +paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het +nog uithouden. Voorwaarts!" + +In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met +zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk +de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop +zette de ruiterschaar zich in beweging. + +Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, +van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, +ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: "Old +Firehand zal toch niet verkeerd rijden?" + +"O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, +dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat." + +"Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?" + +"Die vrouw? O, die dame is een man." + +"Voor wie het gelooven wil." + +"Geloof het maar op mijn woord." + +"En ze noemen haar Tante!" + +"Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft +en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer +goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche +vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij +schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen +tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals +we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee +bezig te houden." + +En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen +deden--zoo goed en kwaad als het ging--hun best om hem bij te +houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds +dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had +hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, +zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er +te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden +beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn +zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen +enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies +het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was +nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch +rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was. + +Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, +met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er +viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze +geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van +voren roepen: "Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door +een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik +der paarden." + +Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, +in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende +oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld +door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog +een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord +hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was +alles nog even donker. + +"Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?" vroeg hij +aan Humply-Bill. + +"Aan de poort van Butler's boerderij," was het antwoord. + +"Ziet _gij_ dan iets van die boerderij?" + +"Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den +muur voelen." + +Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, +dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. "Wie +belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?" + +"Is master Butler al terug?" vroeg de jager. + +"Neen." + +"Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg +haar, dat Old Firehand hier is." + +"Old Firehand? _Well_, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma'am +(= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage +is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, +dat gij op de komst zijt." + +"Wat voor menschen zijn dat hier!" dacht de lord. "De hoofdman heeft +dus nog harder, veel harder gereden dan wij!" + +Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden +geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, +houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en +nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel +echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder +maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters +aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis +binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij +ma'am te komen. Voor de anderen werd op de gelijkvloers-verdieping +een groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een +zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken +en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels +stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in +gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, +dat de troep in aantocht was. + +De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en +tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet +gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich +als vanzelf zoo geschikt, dat de voornameren van het gezelschap aan +een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had +eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot +zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte +Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër. + +Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te +zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen +met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle +lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet +slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat. + +Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten +vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een +afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte +daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden +met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was +dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, +dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen. + +Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de +been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, +ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te +kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, +met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken. + +Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, +en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen +huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats +dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van +de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl +tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke +slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk. + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +IN DEN STRIJD OM BUTLER'S BOERDERIJ. + + +Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij +weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden +en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber +vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners +ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit +de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De +ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen +kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in +een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige +Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, +als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen +achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd +moest worden. + +Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een +hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten +waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, +als het noodig bleek om over den muur heen te schieten. + +Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker +waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af +zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien +nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk +gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid +had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien +nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten +brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort +Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht +reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen +van de tramps zouden vallen. + +Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, +van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op +de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, +goed bebouwde maïs- en andere akkers. + +"Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?" vroeg Droll. + +"Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, +kunnen zij nu wel spoedig hier zijn," antwoordde Firehand. + +"Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en +verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, +zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi +wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen +ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die +Sjeyennes en Arapahoes." + +"Ik ook niet," merkte Bill aan. "Die twee stammen zijn zeer klein, +en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen +gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn +hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering +kunnen voorbereiden." + +"Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de +kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien," zei Old Firehand. + +"Maar water," merkte Droll aan, "dat is toch een der voornaamste +behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet +uit de rivier gaan scheppen." + +"Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, +met zeer goed drinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd +door het kanaal." + +"Is hier dan een kanaal?" + +"Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de +mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een +houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van +eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, +dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier." + +"Is het diep?" + +"Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u +bijna tot aan de borst." + +"En is de gemeenschap met de rivier open?" + +"O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte +van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten." + +Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, +geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden +te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter +kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas. + +De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen +nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige +maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen +de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de +gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat +hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend +hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het +ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen +en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en +behoorlijk in orde was. + +Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het +huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht +wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd +na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden +in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de +verwachte hulptroepen, en de "Groote Zon" reed te paard aan het hoofd +van den troep. + +Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de +tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner +goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens +een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee +te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, +dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor +de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig. + +Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval +gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij +blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman +der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, +op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten +de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze +troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor +hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken +tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder +zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post. + +Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote +honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde +jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker +niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen +verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis +opleverden, almede niet gering waren te schatten. Bijzondere bevelen +konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke +wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen. + +Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst +afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler +het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam +niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar +en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij +zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, +een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, +die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand +zich verlaten kon. + +Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw +des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den +reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar +dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten +komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd +te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog +onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren +stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie +gestalten af, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, +niet te paard, maar te voet. + +"Aha! ze zenden verspieders vooruit," zei Old Firehand. "Die hebben +misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier +binnen mogen komen." + +"Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik," merkte de lord aan. + +"Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand +hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar +steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat +ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den +verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het +dak zien." + +De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het +huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich +verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, +moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk +zoogoed als onbewaakt was. + +Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander +optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij +gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde +zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, +werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat +men verlangde. + +"Is de landbouwer thuis?" vroeg een stem. + +"Neen, die is op reis," antwoordde hij. + +"Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?" + +"Neen." + +"Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben +een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen +wij niet een oogenblik binnenkomen?" + +Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in +het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger +heeft, eenig voedsel weigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle +landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die +behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en +zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid +jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor +de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, +een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen. + +Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer +dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis +aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon +zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, +waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en +alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op +een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: "Wij zijn arme +geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat +wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw +hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen." + +Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, +want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten +te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen +werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk +eten voorgezet. + +Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen +zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden. + +De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het +scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën +en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door +hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de +boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop +van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote +nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er +eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat +men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst +van de tramps spoedig verwachtten. + +Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den +verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun +verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, +zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze +weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men +uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen. + +Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke +gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare +plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd +vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old +Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, +naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende +naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat +hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten. + +"Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?" vroeg +Old Firehand hem met een barsche stem. + +De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: +"Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen +gaan." + +"Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, +naar de menschen, die zich daar bevinden." + +"Welke menschen bedoelt gij, sir?" vroeg de man met een goed +gehuichelde onnoozelheid. "Ik heb daar niemand gezien." + +"Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind +geweest." + +"Welke ruiters? Ik heb er geen gezien." + +"Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps +van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen +uitgezonden als spionnen." + +Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd +voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: "Wij? Wij +tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk +zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den +omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten +te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij +ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor +ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over +nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u +hier te komen overvallen, en dat _wij_ daartoe behoorden, met welk +doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, +dat ons zeer slecht bekomen kon?" + +"Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn +hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar +werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor +uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij +blijven zitten." + +"Wat?" viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in +zijn zak. + +Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei +dreigend: "Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets +van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd +spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording +roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd +zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder +die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn +wij klaar, dus opgerukt, marsch!" + +Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen +zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar +toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, +begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: +"Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens +goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers +korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!" + +"En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten +gelooven!" riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken +sein, waarop de tot nu toe achter het huis verscholen verdedigers te +voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf +nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den +vijand het oog te kunnen houden. + +De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, +en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet +verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de +rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven +hun paarden althans met dat doel er in. + +"Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, +zooals ik u gezegd heb", sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten +Tom. "En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij +schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze +op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er +geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle +noodeloos verbruik van ammunitie." + +"Goed zoo!" antwoordde Humply-Bill. "Ik zal stipt die volgorde in +acht nemen." + +En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn +manier: "Zij worden, als ze uit water komen,--Door één schot onder +mik genomen--Op rij af, en gaan een voor een,--Gezwinden pas naar +Satan heen!" + +Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de +plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk +waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden +bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden +van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps +dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander +om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; +want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door +een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den +tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden +zonder berijder op den oever rond. + +Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de +verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen +gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers +was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op +schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte +precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde +weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende +stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters +hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever +terug te keeren. + +"Afgeslagen!" zei de oude Blenter. "Ik ben benieuwd wat zij nu zullen +probeeren." + +"Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen," antwoordde Old +Firehand. "Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten +het bereik van onze kogels ligt." + +"En dan?" + +"Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim +aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen." + +"En wat noemt gij slim?" + +"Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten +zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten +tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, +dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, +want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te +verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, +dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen." + +"Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht +uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt +tegenover hen staan." + +"_Pshaw!_ Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar +zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug +te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, +en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt +niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij +schijnen te beraadslagen." + +De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden +afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten +niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, +was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen +zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, +totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij +kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, +vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was +regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de +verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand +met luider stemme: "Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij +willen de poort bestormen!" + +"Maar die kunnen zij toch niet openloopen!" merkte Blenter aan. + +"Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel +stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze +ons hier op het erf letterlijk dooddrukken." + +"Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!" + +"Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het +commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo's uit de +geweren met dubbelen loop, midden in den troep!" + +De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste +zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen +die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over +den muur heen konden schieten. + +Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien +had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort +aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen +van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te +vuren. Twee salvo's knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid +uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De +uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand's verwachting. Het +was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw +tegengehouden werden. Zij vormden een onbeschrijfelijken warklomp, +die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee +geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk +opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in +salvo, maar _ad libitum_, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der +aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle +richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het +uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De +paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct +op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen +te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, +om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, +aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de +gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep +boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden. + +Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en +drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men +dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder +de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen. + +"Zouden zij aftrekken?" vroeg Humply-Bill. "Ze hebben een duchtige +les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen." + +"Daar hebben zij volstrekt geen idee op," antwoordde Tante Droll. "Als +zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten +wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op +de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, +op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die +vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando +van hem vernemen zullen." + +"Een commando?" + +"Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen." + +Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps +waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; +maar Old Firehand had hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van +boven af roepen: "Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar +het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten." + +In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen +eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de +poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand +voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek +van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar +eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, +waarop hier en daar een plokje boschgroei. + +Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar +Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen +gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te +blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier +gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden +halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman +aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens +de daarbij gestelde gewapende bewakers. + +Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over +de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke +hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij +met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats +grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding +verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de +tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier +schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en +hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren +nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen +zouden worden, met het bloote oog te zien. + +De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke +menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe +kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten +getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden +zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met +geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden +een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit +de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze +niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de +verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder +den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder +een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan. + +Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn +taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht +bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, +zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat +begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel +der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te +rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal +zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, +en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde +geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar +nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering +gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten +kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, +zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem +het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die +beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens +het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich +nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de +Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps +zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, +waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich +in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich +daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, +blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de +Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk +vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, +en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; +er vielen verscheiden dooden, nog veel meer gekwetsten, niet alleen +onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, +zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was +een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken. + +"Nu vuren!" commandeerde hij. "Maar schiet enkel op de kerels, niet +op de paarden!" + +Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; +zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien +werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps +doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het +tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik. + +"Voort! voort!" brulde een stem uit hun midden. "Wij zijn +omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!" + +Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en +zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, +die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen +een zegevierend geschreeuw aanhieven. + +"Daar rukken zij uit!" lachte de oude Blenter. "Die komen niet +terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?" + +"Natuurlijk," antwoordde Zwarte Tom. "De stem kent men eens voor +al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit +voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet +achternazetten, sir?" + +Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: +"Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen +te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den +beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn +aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is +het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, +om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus +zoo gauw mogelijk terug." + +"En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden +gebeuren?" + +"Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd +meer verliezen, gauw naar onze paarden!" + +De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend +hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf +kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, +terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te +zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen +hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak +van het huis, om overal eens goed rond te zien. + +Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd +had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk +verijdeld was. + +"Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?" vroeg zij, terwijl zij +een diepen zucht loosde. "Nu die tramps zulke zware verliezen geleden +hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden +voort te zetten, vergaan zal zijn." + +"Misschien," antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was. + +"Hoe? Misschien maar?" + +"Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden +wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts +door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt +worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen +wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis +ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons +in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen +wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden." + +"Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?" + +"O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor +zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar +zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit +dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen." + +Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds +na verloop van een korte poos vervolgde hij: "Ha, ha, daar zijn ze +al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden +terug. Het is te vooronderstellen, dat..." + +Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien +meer naar het noorden gericht. + +"Wat is het?" vroeg de vrouw des huizes. "Waarom spreekt gij niet uit, +sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?" + +Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en +antwoordde: "Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet +geschikt is om onzen toestand te verbeteren." + +"Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?" vroeg zij op angstigen toon. + +Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of +niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, +doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de +tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te +antwoorden: "Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid +kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, +die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken." + +Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; +doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, +die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: "Ik had reden om de vrouw +des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en +tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?" + +De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: +"De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen." + +"Komen zij werkelijk?" + +"Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?" + +"Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat +die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?" + +"Neen, zij houden halt." + +"Met hun gezichten naar welken kant?" + +"Naar het noorden." + +"Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, +waarom de kerels halt gehouden hebben." + +"_Well_, sir! Ik zal kijken!" En een oogenblik later vervolgde hij: +"Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken." + +"Ruiters? Hebt gij dat wel?" + +"Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is +een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier." + +"En weet gij, wie die drie zijn?" + +"Neen. Hoe zou ik dat weten.... _heighho_, het zullen toch niet....?" + +"Ja, precies!" knikte Old Firehand ernstig. "Zij zijn het; de +landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien +wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen +misgereden te zijn." + +De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: "Dan moeten wij terstond +te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in +handen van de tramps!" + +Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, +en zei: "Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets +daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, +want het is reeds te laat. Zie, zie maar!" + +De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich +in beweging stelden en in galop op de drie aanreden. + +"_All devils_!" riep hij uit. "Ze zullen hen vermoorden!" + +"Dat komt niet in hen op!" zei Old Firehand. "Die kerels kennen hun +voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat +kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd +niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog +krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen +als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, +die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is +de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld. Wij hebben er niets +tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn +wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps." + +"_Well_, dat wil ik u toestemmen, sir!" sprak de lord. "Maar wee den +schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En +.... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten +afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met +zulk gespuis in onderhandeling trad!" + +Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, +en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een +soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: +"Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover +ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun +duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u +zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar +hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin +verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er +gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste +oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij +het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderen ten +goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen +kunnen belemmeren." + +"Mag ook geen mensch anders het weten?" + +"Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: +dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, +mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; +maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden +verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn +maatregelen nemen." + +De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was +aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde +al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun +midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde +plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en +legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking +of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat +daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich +tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, +gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, +die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: +"Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren +Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?" + +"Ja, zoo is het!" knikte Old Firehand. + +"Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen +de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op +hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat +zullen wij daarop antwoorden?" + +"Nu, wat zoudt gij denken?" vroeg Old Firehand, terwijl hij een +schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp. + +"Kunt gij dat nog vragen!" was het antwoord. "Geen duit, geen roode +duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld +te betalen?" + +"Zijn wij daartoe niet gedwongen?" + +"Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, +niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat +zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze +wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze +misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!" + +"Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben +wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen +gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven +ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze +hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, +zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen." + +"Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten +welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat +zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die +ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij +in het werk wezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit +de verknijping te halen." + +"Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij +misschien al een plan?" + +"Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten +wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij +handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet +wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste +oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij +wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten +waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, +en halen de gevangenen een voor een er uit." + +"Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke +partij wezen." + +"Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot +een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een +wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft +zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat +hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke +ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik +verbeeld mij, dat .... hola!" viel hij zich zelf in de rede. "Pas nu +op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij +wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze +als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten +worden. Zult gij hen te woord staan?" + +"Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van +ons hebben willen. Kom maar eens mee!" + +Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan +de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te +houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, +hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old +Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om +naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg +bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle +moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen +op hun gemak waren. + +"Sir! wij komen als afgevaardigden," sprak de een, "om u onze eischen +bekend te maken." + +"Zoo!" zei de jager op een toon van ironie. "Sedert wanneer durven +de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?" + +De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij +stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen +schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit +deed doen. + +"Wij zijn geen hazen, sir!" verstoutte de tramp zich te zeggen. + +"Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen +met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt +gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, +en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan." + +"Sir!" vloog de tramp op, "ik wil zulke beleedigingen niet..." + +"Zwijg, schobberd!" bulderde Old Firehand hem toe. "Verachtelijke +spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande +voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij +te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel +durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te +kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij +niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?" + +"Neen," antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar. + +"Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden +hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar +ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag +reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap +hebt gij hier te doen?" + +"Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer +en zijn nicht in onze handen gevallen is." + +"Dat weet ik al." + +"Die drie personen moeten sterven...." + +"_Pshaw_!" viel de jager hem in de rede. + +"... als gij onze voorwaarden niet aanneemt," voltooide de parlementair +zijn volzin. + +"Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst +van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en +zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zou _ik_ de man zijn." + +"Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder +voor uw oogen opgeknoopt." + +"Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg +voor u allen." + +Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men +het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek +verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: "Bedenk het +goed, drie menschenlevens!" + +"Dat bedenk ik zeer goed; _slechts_ drie menschenlevens! En daarvoor +zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is +dus geheel aan onze zijde." + +"Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen." + +"Hoe zoo dan?" + +"Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft." + +Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op +den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager +antwoordde: "Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?" + +"Neen!" + +"Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als +krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken." + +"Is u dat ernst, sir?" + +"Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het +met u gedaan!" + +Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het +hazenpad; doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te +blijven staan, en omkijkende te vragen: "Mogen wij nog eens terugkomen +als wij een ander voorstel hebben?" + +"Neen!" + +"Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?" + +"Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord +staan; maar slechts een oogenblik." + +"Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?" + +"Ja, mits hij mij niet beleedige." + +"Wij zullen het hem zeggen." + +Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te +vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden +man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de +boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting +als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, +daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af +te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou. + +Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst +waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen +te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; +maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon. + +Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist +had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar +hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, +maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: "_Good day sir!_ Gij hebt +gewenscht mij te spreken." + +"Dat is meer dan ik weet," antwoordde de Westman. "Ik heb eenvoudig +gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; +en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel +niet hadt laten zien." + +"Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!" + +"Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt +niet dien toon aan te slaan." + +Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst +neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: "Ik verbeeld mij, +dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben." + +"Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover +den overwinnaar--vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?" + +"Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe +behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het +in onze macht de rollen om te keeren." + +"Doe dat dan maar!" zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach. + +Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: "wij +behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!" + +"Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?" + +"Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild +hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen +wij, waren zij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons +bestand geweest." + +"Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt," +antwoordde hij. "Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat +dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste +bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft." + +"Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, +waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat +precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der +onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af +te snijden, dan was u onze gevangene geworden." + +"Zoo, zoudt ge dat denken?" + +"Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog +sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld +geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt." + +"Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste +plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd +zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet +bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij +omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen +moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is +nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben." + +"Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te +stellen, het leven van onze gevangenen te redden." + +"Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van +die menschen is volstrekt niet in gevaar." + +"Niet?" hernam de kornel met een spottend grijnslachje. "Dan vergist +gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, +worden zij zonder genade opgeknoopt." + +"Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen +wordt--allen, tot den laatsten man." + +"Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?" + +"O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik +daartegenover kan stellen?" + +"Ja, dat weet ik precies." + +"_Pshaw!_ Gij hebt ons niet kunnen tellen." + +"Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders +er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En +daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier +meegebracht hebt." + +Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij +verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte +van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij +uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden +juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk +weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: "Tel uw dooden +en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel +afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebt gij mijn Indianen gezien, +en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast. + +"De andere blanken?" lachte de tramp. "Er zijn geen anderen geweest +dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld +hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat +heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op +de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot +in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij +ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, +zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken." + +Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze +haalde minachtend de schouders op, en zei: "Wij zullen er verder +geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk +waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog +zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat +voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, +landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste +jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn +minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met +ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden +wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het +licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als +ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die +drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt." + +Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van +zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; +want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen +wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel +onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen +te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, +totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die +Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch +de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, +wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: "Nu, +wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier +staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven." + +"Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met +u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar +louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te +prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat +is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer +in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander." + +"Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft." + +"Mijn antwoord hebt gij al." + +"Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk +van het bezetten van de boerderij afzien." + +"O, dat is zeer vriendelijk van u, niets anders?" + +"Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; +daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft +gij ons de noodige runderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk +betaalt gij twintig duizend dollars losgeld--zooveel zal er wel op +de boerderij aanwezig zijn." + +"Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons +daarvoor?" + +"Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij +ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle +vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en +verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd." + +Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan +zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet +driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden +glimlach: "Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, +dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak +oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel +door den kop!" + +"Wat? Is dat...." + +"Marsch! Oogenblikkelijk!" viel de jager hem met stemverheffing in +de rede, meteen op hem aanleggende: "Een.... twee...." + +De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord "drie" niet af +te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een +dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand +gezien, dat die bij het woord "drie" vuur zou geven. De jager bleef +hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van +achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde +terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog +had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er +een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord. + +"Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!" verklaarde de lord. "Met zulke +schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen +zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, +dat zij nu beginnen zullen?" + +"Hum!" antwoordde de gevraagde. "De zon is reeds aan het ondergaan. Ik +vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog +eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat +hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien +of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen." + +"Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?" + +"Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd +veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op +tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het +oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op +uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, +bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als +vrijwilliger aan?" + +Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en +Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe +beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle: +deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast +te worden. + +Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep +der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat +was hen allen man voor man te onderscheiden, bleek het, dat zij +geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te +bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren +deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich +thans bevonden, niet dachten te blijven. + +Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, +alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden +gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk +eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, +werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, +ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het +openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden +plaatsen van den muur sterke lasso's stevig vastgemaakt en over den +muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren +om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in +petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar +buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop +was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in +volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens +den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering +van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al +kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd +door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij +men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen. + +Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging +zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat +ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn +eigenaardige manier: "De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,--In +massa elders heengetogen." + +"Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?" vroeg de jager, glimlachende +over het rijmpje. + +De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde +met het ernstigste gezicht van de wereld: "In 't kreupelhout, niet +ver van hier,--Daarginds aan d'oever der rivier." + +"Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden +wij hun paarden toch moeten hooren?" + +"Hun paarden, ja, zij dreven die--Uit voorzorg eerst op de prairie,--Om +hun bekomst aan gras te vreten,--Maar waar, dat kwam ik niet te weten." + +"En waar zijn Bill en Droll?" + +"Die zijn de schobberds achterna,--En slaan dus al hun gangen ga." + +"Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees +zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun +nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij +denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij +zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten." + +De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, +vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: "De vijand +bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, +en vóór zich den muur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere +zijden versperren, hebben wij hen in de val." + +"Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?" + +"Daartoe zal ik de Indianen halen, die hen aan de zuidzijde aanpakken +moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, +en tasten hen aan de noordzijde aan." + +"Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?" + +"Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij +zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op +den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik +ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te +kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als +onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden +zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige +daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben +wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen +wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend +inhalen en voorgoed onschadelijk maken." + +"_Well_, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet +erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft." + +Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de +paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed +kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige +instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er +niets ondernomen worden. + +Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet +zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen +gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden +passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om +bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen. + +Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle. + +"Alle drie?" vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. "Minstens +een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij." + +"Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is," antwoordde Droll, +weer in zijn gewonen spreektrant vervallende. + +"Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk." + +"Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; +ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen +hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze +vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen +zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij +verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad +wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig +niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen +aan het dansen gaan." + +"Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd +om de val toe te doen." + +"Welke val?" + +Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was. + +"Dat is overheerlijk, hihihihi!" lachte Droll binnensmonds, zooals hij +gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. "Dat zal +en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, +dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben +daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is." + +"En dat is?" + +"Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen +maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen." + +"Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb? Gelukkigerwijze +maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben +ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden +moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun +geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, +en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij +de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn +zij gekneveld?" + +"Ja, maar niet heel straf." + +"Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en +dan ..." + +"En dan met hen in het water," viel Droll hem in de rede. + +"In het water?" vroeg Old Firehand verwonderd. + +"Natuurlijk." + +"Ik geloof dat gij schertst, lieve tante." + +"Schertsen? Dat komt niet in mij op!" En toen hij de verwonderde +gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij +gichelend. "Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste +goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare +gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!" + +"Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen +inslaan." + +"Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later." + +"Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?" + +"Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog +voordat de aanval begint." + +"Houdt gij dat voor mogelijk?" + +"Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst +noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk +gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus +reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat is volstrekt +niet moeilijk." + +"Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos +zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak +een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos +verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien +ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?" + +"Dat zou ik haast wel denken." + +"Welnu, laat eens hooren!" + +"Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, +dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan +dat kanaal, dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier +loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, +en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen +tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats +gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan +de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een +kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het +kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar +aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, +binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, +dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om +te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de +mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen." + +"O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen," zei Old Firehand. "Gij +wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?" + +"Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor +iederen gevangene is er één noodig." + +"Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te +vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is." + +Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en +vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en +van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, +en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie +man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat +het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden. + +Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste +bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, +Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen +men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een +grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet +gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van +de boerderij af te brengen. + +Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den +muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, +dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had +en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun +bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn +meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst +reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, +revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange +Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den +ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn +manschappen op. + +De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide +er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open +zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te +trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om +die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De +overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde +gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan. + +De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het +besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven +zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het +vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, +keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat +zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der +tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, +totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven +cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op +welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn +medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, +dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken. + +Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar +het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad +hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het +bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen +er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan +den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven +wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het +terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam. + +"Wel?" vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld. + +"Het was geen gemakkelijke taak," antwoordde de Tante. "Het water +hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan +in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de +boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er +letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten +voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen +duisternis onze beste bondgenoot." + +"Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed +kunnen zien." + +"Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, +de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn +vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten +de gevangenen...." + +"Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de +heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden +worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te +bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; +want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!" + +"Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend +het oog op hen houdt." + +"Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?" + +"Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op +zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd." + +"Hebt gij dan al een plan?" + +"Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje +eenvoudig aan den walkant." + +"Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het +bootje telkens in de hoogte gaan." + +"Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren +is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen +aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij +brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; +gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den +bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te +snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij +veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, +op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij +dan het sein geven--den gierenschreeuw--gaan de poppen dadelijk aan +het dansen. Begrepen?" + +"_Well_, het is niet beter te bedenken." + +"En gij, Uncle?" + +"Juist zoo, als gij 't hebt uitgedacht--wordt heel 't fameuze werk +volbracht," antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier. + +"Mooi zoo, nu vooruit maar!" + +Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in +de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor +gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam +en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond. + +"Wij zijn waar wij wezen moeten," fluisterde hij hun toe; "nu wacht +gij maar tot ik terugkom." + +De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen +op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den +muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, +ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden +kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier +personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag +de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen +van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij +zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den +grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te +kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen +eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij +de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes +zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden +sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich +op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de +gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop +van eenige seconden zei het meisje: "He, vader! onze bewaker is weg!" + +"He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het +is misschien om ons op de proef te stellen." + +"Suut, suut!" fluisterde Droll hun toe. "Ze moeten u niet hooren. De +bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u +te redden." + +"Redden? _Heavens!_ Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!" + +"Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; +Droll, dien ze Tante noemen." + +"Groote Genade! Is het tòch waar?" + +"Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog +vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar +wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu +ben ik met twee ferme _boys_ naar hier geslopen, om u uit hun handen +te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht +niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, +door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!" + +Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije +gebruik van hun ledematen. + +"Ja, nu gelooven wij u, sir!" fluisterde de landbouwer, die tot nu +gezwegen had. "Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?" + +"Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en +hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleine _Miss_ +(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; +en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is." + +"De dans? Welke dans?" + +"Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben +de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de +boerderij--twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts +van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links +de Osagen-hoofdman de 'Goede Zon' met een troep Roodhuiden--zij wachten +slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat +sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan +zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, +en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet +totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij +er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten." + +"O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in +veiligheid brengen?" + +"Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, +korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u +eerst uit hun handen te halen." + +"Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van +onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat +wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in +den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons +waagt? Neen sir! dan vergist gij u." + +"Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man +meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss +kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in +veiligheid gebracht te worden." + +"Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal +te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons +afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een +mes afstaan? + +"Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; +maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, +is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal +ik ook wel gauw maken dat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een +van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig +een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt +wordt. Laat mij maar eens begaan!" + +In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die +de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij +kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: +"Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?" + +"Neen!" antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield. + +"_Well!_ Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost +het u uw kop. Begrepen?" + +"_Yes_. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!" + +Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit +met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man +over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een +schrede nader, boog voorover, en zei: "Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt +gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik...." + +Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen +om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo +geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er +volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles +stil, totdat Droll zachtkens zeide: "Ziezoo! die heeft u zijn wapen +gebracht; wel vriendelijk van hem." + +"Hebt gij hem dan beet?" vroeg de landbouwer. + +"Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij +geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer +maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen +de kleine Miss naar het bootje brengen." + +Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, +en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van +den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het +meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen +terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen +hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van +tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: "Nu zal het er toe +komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich +van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk +kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, +dan hebben wij geen nood." + +Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij +een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en +ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij +bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk +genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu +bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras +hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit +den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, +kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, +in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nog een oogenblik +heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand's +wijd in het rond klinkend commando: "Geeft acht! Vuurt!" + +Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij +geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop +klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil +der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden +regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen. + +"Nu de beurt ook aan ons!" commandeerde Droll. "Eerst de kogels, +en dan met de kolven er op los!" + +Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De +tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge +overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die +de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij +aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar +toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het +werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, +toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en +boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in +staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, +dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden +zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die +werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander +redmiddel, dan in de vlucht. + +"Voort, voort, naar de paarden!" hoorde men een stem roepen, of +juister gezegd brullen. "Dat is de kornel!" riep Droll. "Laat die +toch den dans niet ontspringen!" + +Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en +anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo +slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van +daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den +eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den +donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars +gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als +het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het +hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op +te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En +toen vluchtten zij in noordelijke richting. + +"Hen zoolang mogelijk achternazetten!" commandeerde Old Firehand. "Zij +moeten niet op verademing kunnen komen!" + +Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat +bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij +verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; +en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, +dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand +zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde +eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren +de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, +vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen +kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting +nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend +hoongehuil van de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende +paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn. + +"Omkeeren!" gebood Old Firehand. "Het eenige, dat wij nu nog te doen +hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen +om vervolgens te ontkomen." + +Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen +deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter +gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch +tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en +te scalpeeren. + +Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de +lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag +gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen--een +ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog +zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen. + +Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het +jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik +der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit +vernam, verklaarde hij aan haar vader: "Tot nu toe heb ik het voor +zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar +nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons +geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken." + +Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te +koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige +gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde +overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en +verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van +het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig +der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd +aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste +ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen +gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- +en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak +kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en +gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, +in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap. + +Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, +wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra +het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te +weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond +te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door +de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, +dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar +aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die +nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar +aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren +toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, +dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, +om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat +Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN DRAMA OP DE PRAIRIE. + + +Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een +zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, +daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die +man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van +een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van +een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange +geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder +een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek +en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee +een langdurende voetreis gepaard gaat. + +Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop +om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide +voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens +opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk +zijn gezicht eensklaps opklaarde--hij had daarginds aan den verren +horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van +de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit +gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden +tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag +al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef +stilstaan om hem dichterbij te laten komen. + +Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met +een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, +en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek +van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, +breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut +door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen +riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was +lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel +over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, +kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor +zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid +spreekwoordelijk is geworden. + +Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk +konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de +hoogte, en groette: "_Good day_, kameraad! Waar komt gij vandaan?" + +"Van Kinsley daarbeneden," antwoordde de gevraagde, met de hand +rugwaarts wijzende. "En gij?" + +"Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter +mij ligt." + +"En waar wilt gij naar toe?" + +"Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar +vóór ons ligt." + +"Ligt daar dan een boerderij?" + +"Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen +hebben eer wij daar zijn." + +"God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen +uithouden." + +Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij +naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, +want hij stond te waggelen op zijn beenen. + +"Niet langer uithouden? Waarom niet?" + +"Van den honger." + +"Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal +ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u +dadelijk wel iets te verorberen geven." + +Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den +hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok +twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, +een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: +"Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den +honger zijn ze probatum!" + +De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig +van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch +eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: "Gij zijt wel goed, +sir! Maar deze dingen zijn voor _u_ bestemd; en als _ik_ die nu opeet, +zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?" + +"Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij +zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil." + +"Zijt gij dan daar bekend?" + +"Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar +niet langer--eet liever." + +De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee +ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande +en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen +verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: +"Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel +eenigszins bijgekomen zijn?" + +"Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen +onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen +gekomen." + +"Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets +gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis +meegenomen?" + +"Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij +mijn vertrek." + +"Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een +maal eten kunnen aankloppen." + +"Ik heb de boerderijen moeten mijden." + +"O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier +of daar een stuk wild kunnen schieten." + +"Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan +raken, dan een hond die vlak voor mij zat." + +"Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?" + +"Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken." + +De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: "Hoor eens +master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij +schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken +sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?' + +"Naar Sheridan, aan den spoorweg." + +"Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, +man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in +nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de +schoen wringt. Misschien kan _ik_ u wel helpen." + +"Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou +ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet +Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land +over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij +kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles +geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden +schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley +aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou +kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal +eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en +dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik +had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een +duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen +voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; +het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij +kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend +mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De +gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, +maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, +toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den +haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar +mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het +geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette +het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten +minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had +een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het +Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en +gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om +mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, +om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief +mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, +om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel." + +Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan +den Yankee. Deze las: + + +"_Waarde Charoy!_ + + +"Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij +geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar +heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoor +zijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen +tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem +op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras +over gegroeid is. Tot wederdienst bereid! + +Uw + +Bent Norton." + + + +Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het +stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief +weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een +half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: +"Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien +brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij +iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen +mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen +groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook +geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar +zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest +zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild." + +"O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij." + +"Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?" + +"O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, +opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was." + +"En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, +en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden." + +"O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, +zijn boezemvrienden." + +"En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?" + +"Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat +Mr. Charoy mij dat ook zal betalen." + +"Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, +dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken." + +"Wat? Is het tòch waar?" riep de klerk zichtbaar blij verrast. "Zestien +dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!" + +"Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen +sparen." + +"En waar is die betrekking? Bij wien?" + +"Bij mij." + +"Bij ... u?" klonk het op een toon van teleurstelling. + +"Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is." + +"Hum! Ik ken u niet." + +"Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, +geneesheer en veearts van mijn beroep." + +"Dus, arts voor menschen en voor paarden?" + +"Ja, arts voor menschen en dieren," knikte de Yankee. "Hebt gij er +zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, +dat ik gezegd heb." + +"Maar ik versta niets van dat vak," zeide Haller bescheiden. + +"Ik ook niet," bekende de dokter. + +"Niet?" vroeg de andere verwonderd. "Gij moet toch in de medicijnen +gestudeerd hebben?" + +"Dat is nooit in mij opgekomen." + +"Maar, als gij arts zijt, en dokter...." + +"Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, +want ik heb die zelf aan mij verleend." + +"Gij ... gij zelf?" + +"Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn +voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik +kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor +jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica +ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar +dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven +en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, +dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen +bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij +zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen +verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke +en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en +ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er +op na houd." + +Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van +binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die +met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd +waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de +eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling +van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen. + +"Dit is dus uw apotheek!" zei Haller. "Waar haalt gij al die +medicamenten?" + +"Die maak ik zelf." + +"Och kom! Gij verstaat er immers niets van?" + +"O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo +gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets +anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, +dat _aqua_ heet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de +andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: +een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij +hier opschriften als: _Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua +chimborassolaria, Aqua invocabulataria_ en zoo al meer. Gij kunt u +niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht +heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf +niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament +niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de +voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd +heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen +cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten +kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor +de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester +voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt +gij mijn famulus zijn?" + +"Hm!" mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. "Het ding komt +mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik." + +"Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn +patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor +worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar +eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik +naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen." + +"Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik +ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken." + +"Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig +eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: +mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet +het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek +op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij +oprukken. Vooruit maar!" + +Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen +op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, +zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te +zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden +de waardigheid van een arts was. + +Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar +naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De +overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden +op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie +paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar +bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de +landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw +des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in +den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen. + +"_Thunderstorm!_" riep een hunner. "Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat +ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, +de muzikant met de harmonica!" + +"Een kennis van u?" vroeg de tweede. "Hebt gij iets met hem aan de +hand gehad?" + +"O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol +dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat +ik óók goede zaken gemaakt heb." + +"Weet hij, dat gij dat geweest zijt?" + +"Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode +haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en +ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen." + +Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was. + +De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit +oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee +vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij +hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar +dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om +binnen te komen. + +"Messieurs!" riep zij den binnenzittenden toe, "daar komt een +hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap +van die heeren u wel aangenaam zal wezen." + +"Hooggeleerde arts!" mompelde de kornel half binnensmonds. "De +onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe +ik over hem denk!" + +De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan +de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley +hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei +dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te +gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes +bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, +waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor +de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, +op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen. + +Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de +landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven +aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende +vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, +om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door +een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die +tegen de _smartness_ (= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt +niet opgewassen waren. + +Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu +en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak +hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen +Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt +te ontvangen: "Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu +hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel +gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?" + +"Welk een zonderlinge vraag!" antwoordde de kwakzalver. "Ik ben arts +en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen +en dieren." + +"_Well_, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer +goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter +rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, +maar nooit gestudeerd hebben." + +"Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige +beunhaas!" hernam Hartley, een hooge borst zettende. "Hoe zou ik +mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet +gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u +wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen--van dieren die +legio zijn, spreek ik niet eens--aan mij hun leven en hun gezondheid +te danken hebben." + +"Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den +hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel +weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij +zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en +laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven." + +"_Pshaw!_ Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven +is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel +vertellen of er nog iets aan te doen is." + +Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw +te nemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig +gezicht, en zei: "Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier +zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft +bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; +morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng +mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje +met _Aqua sylvestropolia_ eens aan." + +Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje +op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan +men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu +kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het +begin van een wen, en kreeg _Aqua sumatralia_. De landbouwer leed +aan rheumatiek, en moest _Aqua sensationis_ innemen. De dochter, +een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten +om _Aqua furonia_ te nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, +die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de +gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen door _Aqua +ministerialia_. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of +hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd +en antwoordde: "Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend +als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, +kan kureer ik mij op de Zweedsche manier." + +"Hoe zoo?" + +"Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje +voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij +langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?" + +Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend +knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde +zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen +te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste +boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een +vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij +zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de +landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf +dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen +vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het +kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de +boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: "Wij zijn in westelijke +richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het +is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij +zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor +tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat +gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden." + +"In die hoop vergist gij u, sir!" antwoordde Haller. "Wat gij mij +biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten +bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet +kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn +geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen." + +Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat +alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl +hij medelijdend zijn hoofd schudde: "Ik heb het goed met u gemeend, +maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is." + +"Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw +kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen +gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk." + +"_Well!_ Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus +niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet +dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver +tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij +ten minste nog bij elkander blijven." + +Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, +waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den +klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast +elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, +totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij +keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij +aan tafel hadden gezeten. + +"_Woe to me!_" zuchtte Hartley onwillekeurig. "Dat schijnt op mij +gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom +rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben +meer weg van landloopers, dan van trappers." + +Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die +vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de +twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon +tot den kwakzalver: "Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu +zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden." + +"Mij vinden?" vroeg de Yankee. + +"Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met +uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk +achterna gegaan, om zijn geld terug te halen." + +"Onzin, sir!" + +"Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij +gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn +oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te +volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen." + +"Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken." + +"Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen +u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor +vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, +en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en +billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben +dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, +wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen +willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan." + +Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley +aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon +sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij +mocht zijn zoo goedkoop van hen af te komen. Daarom haalde hij drie +dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: +"Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik +in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn +eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een +grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop +gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken." + +"Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?" hernam de kornel +lachende. "Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite +zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling +was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij +moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij +reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig +sommetje bij u zult hebben." + +"O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet," zei Hartley ontsteld. + +"Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik +vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet +u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen +kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen +pijp tabak waard." + +Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon +alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, +doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, +dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar +hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij +had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich. + +Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken +doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden +zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, +dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit +onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het +gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist +moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden. + +De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: "Hum! Die +fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre +na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen +bodem in die kist is." + +Hartley's gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den +spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele +fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den +echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op +elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld +waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag. + +"Ha, ha!" lachte de kornel: "nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik +wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er +moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn." + +Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht +den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld +te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig +doodelijk getroffen hebben, indien hij niet in zulk een snelle beweging +geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn +schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer. + +"Goed zoo, schobbejak!" riep de kornel. "Gij moogt weer opstaan; +maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel +zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus +onder handen nemen." + +Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller +aan. + +"Ik ben zijn famulus niet," zei deze angstig. "Ik heb hem aangetroffen +pas kort eer wij op de boerderij aankwamen." + +"Zoo? Wie en wat zijt gij dan?" + +Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den +kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen +hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: +"Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen +dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden +heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken." En +zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: "Ik heb gesproken +van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens +te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar +afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij +u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen." + +Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon +dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee +mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld +terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, +was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed +met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende +naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, +en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar +het gebergte te begeven. + +Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat +zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun +drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen +zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar +zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord +en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden +buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een +der twee anderen tramps tegen den kornel: "Het is eigenlijk jammer, +dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij +verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft." + +"_Pshaw!_ Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn +hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet." + +"Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk +maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft +laten lezen?" + +"Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan." + +"Wat zegt gij? Is het toch waar?" riep de kerel uit. "En dien brief +hebt gij hem teruggegeven?" + +"Natuurlijk. Wat had _ik_ aan dat vod?" + +"Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo +iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief +ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen +maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee +gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst +goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein +verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der +kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten +houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van +ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou +hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid +gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden +dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen." + +"Verduiveld," riep de kornel. "Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel +kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen +zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn." + +"En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle +moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn +om dat verzuim te herstellen?" + +"O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De +weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij +hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen." + +"Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den +brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor +ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten." + +"Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder +een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan +zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige +te weten te komen en deelt dat mee aan ons." + +"Maar waar en hoe?" + +"Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult +ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail +loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik +zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult +gij stellig aantreffen, dat kan niet missen." + +"Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft." + +"Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor +te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij +vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, +dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg." + +"Uitmuntend!" merkte de tweede tramp, die Faller heette, op. "Werk +zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, +zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap +naar Eagle-tail te brengen." + +Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, +het ten uitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den +kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die +twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun +oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met +de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het +besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen. + +Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd +werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, +door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en +het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een +plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon +laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven +wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, +gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging: + +"Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij +dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet +ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun +bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn +geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog +achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken." + +"Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden," zei +Haller. "Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?" + +"Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig +wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In +elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen +gevonden hebben." + +"Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven +liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting +verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers +gaan wij nu uit?" + +"Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De +horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans +boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, +waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen." + +Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het +vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd +bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een +stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd +werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en +vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te +kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht. + +Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, +dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een +ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het +'t spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van +een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer +donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek +naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte +achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er +waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging, dat de +tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun +leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam +gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; +hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; +en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te +maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede +munt kon aannemen. + +Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; +en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, +dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet +door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde +hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten +eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij +beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige +kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en +die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht +worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg +de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi +liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken--zoo +redeneerde hij--want een kind des doods was de man anders toch. + +Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij +het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de +hooge toppen van enkele hickory's, eiken-, noteboomen en water-olmen +uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote +lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan +de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: +"Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot +niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil +hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de +richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, +en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen +achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig +middel om u al die moeite te besparen." + +"Zoo? waarin bestaat dat middel dan?" vroeg Haller argeloos. + +"Gij vervolgt in 's hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar +de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb." + +"Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u." + +"Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u +regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien +hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te +loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden." + +"Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik +heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou." + +"Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in +gevaar brengen." + +"In gevaar?" + +"Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het +gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff +van Kinsley. Wordt gij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen +één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus +regelrecht in den mond loopen." + +"Daar zal ik wel zalig op passen," zeide Haller verschrikt. "Wilt +gij werkelijk daar naar toe?" + +"Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u." + +Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en +met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk +eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, +uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander +af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, +en mompelde bij zich zelf: "Het spijt mij voor den man; maar het kan +niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet +ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen +oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, +zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw +dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind +waar ik mij schuilhouden kan!" + +Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat +hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook +wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te +maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, +waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te +nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte +hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter +veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet +achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: +doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, +waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk +in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te +werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks +had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en +den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, +dat het spoor van daar af slechts van één persoon was. + +De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, +dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De +tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden +in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij +keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem +bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke +richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting +naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, +en Haller stortte op den grond neer. + +"Het is afgeloopen," mompelde Hartley. "Wacht maar, +schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik +u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu +zullen doen." + +Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den +doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende +bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den +vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing +van den Yankee kwam die terug, terwijl zijn beide metgezellen niet +met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel +het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin +doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, +dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid +van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en +reed toen weg--waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den +hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil. + +Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna +berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was +ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk +als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om +die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij +vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo +verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot +hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij +nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, +dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was. + +Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede +paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al +spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om +af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, +toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep +hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor +terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij +weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een +geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend +op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks +vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet +een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het +kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans +dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar +het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht +insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het +minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, +en kwam nu ook naderbij. + +Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid +droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, +op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine +voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar +was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met +een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van +beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak. + +In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk +beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat +lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm +van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende +kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het +Amerikaansche ras. + +Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den +Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te +vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, +des te meer begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij van dien +man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens +nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog +verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den +ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, +om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, +en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den +Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in +een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met +hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien. + +Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een +half onderdrukte uitroep zijn oor trof. "Oef!" dat was de klank, +dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar +dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, +voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en +oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en +er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen +werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, +die vroeg: "Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt +hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te +laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars +van het bleekgezicht getogen zijn?" + +Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blanke +bowie-mes in de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden +bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor +den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: "Ik +heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de +derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, +omdat ik niet weet of hij weg is of niet." + +"Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten." + +"Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij +wel zeker dat hij niet meer hier is?" + +"O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de +eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het +bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is." + +De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop +hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet +aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, +en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op +een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen +vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende +oogen, en zei toen: "Van het zuiden af zijn twee mannen te voet +hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; +de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters +gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem +een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De +derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar +hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen +in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?" + +"Ja, zoo is het precies gebeurd," antwoordde Hartley. + +"Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken +broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt +gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, +die uw arm gekwetst hebben?" + +De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor +den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was +en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem +gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen +eensklaps met een doorborenden blik op hem: "Dus heeft uw kameraad +voor uw leven moeten boeten met het zijne?" + +De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: +"Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat +verkoos hij niet." + +"Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?" + +"Ja." + +"En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?" + +"Ja." + +"Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts +naar de boerderij gewezen?" + +"Om hem van den weg af te brengen." + +"Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad +getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet +alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, +dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; +uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?" + +"Neen," antwoordde Hartley met een bevende stem. + +"Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht +tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een +goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar +nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars +omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?" + +Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, +dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den +beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: "Ik heb het +u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet +zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben." + +"Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt +hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de +gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?" + +"Ja." + +"En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?" + +"Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun +dat met een brief, dien hij bij zich had." + +"Een brief? Hebben zij dien gehouden? + +"Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven." + +"Waar heeft hij dien geborgen?" + +"In den borstzak van zijn jas." + +"Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, +maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; +en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, +omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben." + +"Dat kan ik bezwaarlijk denken," zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De +Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, +en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk +uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met +messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; +en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen. + +De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij +op een toon van innige overtuiging: "Uw kameraad wilde naar Sheridan +gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen +ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat +zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom +hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om +hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij +mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor +Haller wil uitgeven." + +"Maar met welk doel?" + +"Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen." + +"Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?" + +"Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver +daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten +omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat +zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk +daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?" + +"Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm +tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever +naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd +hebben, nog wel terug." + +"Dus wilt gij met mij meerijden? + +"En mijn gekwetsten arm dan?" + +"Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder +wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald +heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van +het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen +doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat +mij uw arm maar eens zien." + +De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat +het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou +onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was +als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke +nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, +maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant +uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen +sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó +volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, +met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren. Toen +verklaarde hij: "Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts +zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet +voordat hij hoog en droog in Sheridan is." + +"Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde +moordenaar doet?" vroeg Hartley. + +"Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren +en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij +nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan +te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de +Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het +is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de +tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen +tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken +daar te waarschuwen." + +"Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor +vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij +dan geen argwaan krijgen?" + +"Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en +heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg." + +"En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?" + +"Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt." + +"Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig +in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet." + +"Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door +bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen +nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming +bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, +en dus later aankomen dan wij." + +"En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?" + +"Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op +het graf." + +De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men +geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil +had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin +gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop +zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij +werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig +in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het +westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, +hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan. + +"Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen," zei de roodhuid. "Het heeft +een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik +neem het andere." + +Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en +toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden +stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug +en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren. + +De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den +horizon; de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd +het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang. + +"Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?" + +"Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij +is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, +en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht +al de kamers van zijn huis kent." + +"Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan." + +"Winnetou's oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht +opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn +broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard +geen enkele misstap doen." + +Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid +paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den +draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en +het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren +moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam +boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, +geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag "waar +zijn wij nu?" Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die +zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, +dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het +geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over +het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen +keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden +te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na +middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley +moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen +de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij +zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten. + +In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de +omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een +dikke mist over de aarde hing. + +"Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier," verklaarde de +hoofdman. "Die zullen wij spoedig bereiken." + +Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij +liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van +waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag +zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, +en vloog voorbij, _ventre à terre_, pijlsnel als een bliksemflits. De +twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere +breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist +zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later +was zelfs de hoefslag niet meer te hooren. + +"Oef!" riep Winnetou verrast. "Een bleekgezicht! Zooals die man +reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, +maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het +Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in +Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?" + +"Old Firehand?" zeide de Yankee. "Dat is een hoogberoemde naam." + +"Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest +in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou +kent. Hij is hun vriend." + +"De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar +toe willen?" + +"Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, +en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier +te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen +we wel te weten komen wie die ruiter geweest is." + +De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind +uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich +liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den +Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare +plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik +der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk +was, die rivier over te steken. + +Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, +dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door +een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in +het oog kregen. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +LIST EN TEGENLIST. + + +Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan +een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte +van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen +van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste +opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het +beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen +wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig +samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere +plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen +stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam +"Charles Charoy, Ingenieur." Daarheen reden de twee; zij stegen +af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard +vastgebonden stond. + +"Oef!" zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een +kenner bekeek. "Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig +het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden." + +Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen +mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen +zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend +geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk +weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge +neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij +op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam +daar een nog jeugdig uitziende blanke te voorschijn, die den Apache +aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de +ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar +deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk +Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie. + +"Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?" vroeg hij, terwijl hij +voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte. + +"Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend +Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak. + +"_Well_, dat ben _ik_. Weest zoo goed, en komt binnen." + +Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden +volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen +liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den +ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen +met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee +ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend +staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: +"Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ..." + +"Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend," viel de ingenieur hem in +de rede. + +"Is dat u reeds bekend, sir?" vroeg de Roodhuid. "Hebt gij mij dan +al meer gezien?" + +"Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam +zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden +Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan +ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast +te willen zijn." + +De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: "Kent gij een +bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?" + +"Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden," was het +antwoord. + +"En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?" + +"Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet +bezocht." + +"Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een +aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw +kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar +als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen." + +"Hoe zoo dat?" + +"Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee +bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, +zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij +in hun schild voeren." + +"Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?" zei Charoy schertsend, +met een lachje. + +"Misschien ook dat wel," antwoordde Winnetou ernstig. "En niet alleen +u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps." + +"Voor tramps?" vroeg de ingenieur schielijk. "O, dat verandert. Ik +heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail +en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze +kas gemunt." + +"Van wien hebt gij dat vernomen?" + +"Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik +hem aan u voorstel in persoon." + +Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den +Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur +van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als +de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten +in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de +gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in +tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, +zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van +den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op +den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede +borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde +aandoening: "Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was +mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In +hoe lang hebben wij elkander niet gezien!" + +"Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak," antwoordde de +Indiaan, "toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen +zijt in een zee van mist!" + +"En gij hebt mij niet aangeroepen!" + +"De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een +stormwind over de vlakte waart gij voorbij." + +"Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest +ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, +dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de +tweehonderd tramps in aantocht." + +"Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, +die door hen vooruit zijn gezonden." + +"Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den +steel zit?" + +"De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de +daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal." + +Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te +voren beleefd had. + +Daarna deelde Old Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met +den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, +en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een +beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil +zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee +anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk +nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: +"Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn +haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk +toch in mijn handen zal krijgen." + +"Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden," zei de ingenieur +wrevelig. "Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en +brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze +redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig +op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige +gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de +uitbetaling doe aan mijn collega's. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij +komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen." + +"Waan u maar niet al te veilig!" waarschuwde Old Firehand. "Tweehonderd +desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen." + +"Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote +duizend baanwerkers bijeen hebben." + +"Die goed gewapend zijn?" + +"Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen +messen en spaden óók nog dienst doen." + +"Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een +bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording +zou nemen." + +"Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal +soldaten, om ons te helpen." + +"Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan +geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom +zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?" + +"Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij +aanraadt. Gij zijt een heel ander man, dan _ik_ ben; en als gij wilt +ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn +ondergeschikten aan u af te staan." + +"Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats +moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd +zijt. Zij moeten dus niet weten dat _wij_ ons hier bevinden. Ook onze +paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens +te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?" + +"Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!" + +"Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?" + +"Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier +aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen +de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en +stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid +brengen en goed verzorgen." + +"Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van +dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem +noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, +geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een +dokter hier?" + +"O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen." + +Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos +rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd +terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd +waren, zeide Old Firehand: "Ik heb alle beraadslaging in bijzijn +van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er +is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien +armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten +einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te +maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons +op elkaar kunnen verlaten." + +"Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?" vroeg de ingenieur met +merkbare belangstelling. + +"Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de +tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken +te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen +uitgezonden spionnen met u gesproken hebben." + +"Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben." + +Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een +ander gevoelen was, en zei: "Ieder krijgsman kan op tweeërlei +manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of +verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich +verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, +zekerder en ook dapperder." + +"Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel +niet weten?" vroeg Old Firehand. + +"Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman +der Apachen zich laten dwingen om naar _hun_ plan te werk te gaan, +indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne +te regelen?" + +"O, gij hebt dus reeds een plan?" + +"Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot +uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan +hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd +voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet +doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als +ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?" + +"Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?" + +"Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen +om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, +is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in +den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee +in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, +in het minst of geringst gemoeid hebben." + +"O, nu begin ik het te begrijpen!" sprak Old Firehand. "Welk een +plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw +bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?" + +"Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet +hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, +en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken." + +"Hen in een trein lokken?" vroeg de ingenieur. "Waar zou dat toe +dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op +den beganen grond. + +"Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten," +hernam Old Firehand. "Stormen zij daarentegen den trein in, zooals +ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zich +_moeten_ overgeven, zonder ons te kunnen schaden." + +"Maar zij zullen den trein niet ingaan!" + +"Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas." + +"Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?" + +Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur +niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging +met de hand; doch Old Firehand antwoordde: "Wie denkt er aan, dat +van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er +geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als +klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen +schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin +een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander +verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, +dan gaat het _full speed_ (= met vollen stoom) voort met hen." + +"Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk +als gij denkt." + +"Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen +trein te uwer beschikking?" + +"O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid +zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins +aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij +kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker +zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet +aan te twijfelen." + +"_Pshaw!_ Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker +speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan +daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De +bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij +niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag +aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar +toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen +slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels +zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, +want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt +gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?" + +"Natuurlijk." + +"Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet +zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen +verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand +ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen +kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken." + +De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: "Gij +spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar +mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken +wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En +hoe krijgen wij hen er in?" + +"Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat +gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid." + +"Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens +te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den +trein te doen ontsporen?" + +"Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, +dat er aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve +altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan +zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het +maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een +schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door +vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur +uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik +gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij +geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt +een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord +kunnen hooren, dat er gesproken wordt." + +"Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand +te spreken?" + +"Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm +uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de +tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk +mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte +eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen +blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendsel _niet_ aan het +werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te +kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren +wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer +de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij +rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, +en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp +zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk +houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar +aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, +dat alles naar wensch gaat!" + +"Howgh!" bevestigde de Indiaan. "Mijn blanke broeders kunnen nu een +geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als +zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal." + +"Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?" + +"Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie." + +"Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan +gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die +bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens +beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante +Droll is óók bij hen." + +"Oef!" riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een +vroolijke plooi kwam. "Die Tante is een ferm, dapper en verstandig +bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken." + +"Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen +vinden: Zwarten Tom, Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, +wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in +mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen." + +Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje +aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om +er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, +waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad +gehouden kon worden; want die lieden mochten nog niet weten, +dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de +inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de +voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de +stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over +den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam +weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was. + +De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht +doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet +ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen +werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte +plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte +hij tevreden, en zei: "Dat is goed! De honden zullen sidderen van +angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in +onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen +en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden." + +Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het +huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden. + +De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen +betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of +men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens +de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel +aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte. + +Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar +die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere +mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee +bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het +kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen +van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den +ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles +ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was. + +De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen +binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de +een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van +zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: +"Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe +maakt hij het?" + +Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en +antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, +die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte +nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming +was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn +duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en +zei toen: "Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, +dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, +dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom +zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; +maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook +vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt +gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?" + +"Sir!" antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die +blij is, "probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden +over mij zult wezen." + +"_Well_, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu +nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in +weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te +beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer +volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur +terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier +bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te +schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, +dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok +tien slaat 's avonds, wordt mijn deur gesloten." + +"Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het +tot nu toe gewend geweest," verzekerde de man, die zichtbaar verheugd +was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: +"Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou +u ook voor hem misschien eenig werk hebben?" + +"Wat soort van werk?" + +"Om het even wat, sir!" antwoordde de andere bescheiden. "Ik zal al +blij zijn, als ik maar _iets_ te doen krijg." + +"Hoe is uw naam?" + +"Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem +aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt." + +"Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op +elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op +elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller? + +"Ik ben lang _cow-boy_ (= koeien-hoeder) geweest op een boerderij +hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, +dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij +kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen +boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn +hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop +toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken +om te werken, als u mij eenig werk geven wilt." + +"Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf +dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens +aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!" + +De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande +raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, +hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen +den andere zei: "_All right_ (= alles in orde)! Als het einde zoo +mooi is als het begin...." + +Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, +en zei: "Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij +niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal +hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand +in een doek.' + +"Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom +hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?" + +"Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als +dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, +en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden." + +"Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal +toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met +anderen te houden." + +Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het +tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek +tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden +uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, +maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den +slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger +bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, +dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan. + +Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een +vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, +ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij +wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van +den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te +voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was +zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon. + +Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde +hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen +voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van +een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken +en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de +voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord +worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid +in acht te nemen. + +Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de +nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de +nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante +van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open. + +"Ezelskop!" bromde fluisterend een gemelijke stem; "maak dat licht +toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan." + +"Een ezelskop, die het mij zegt!" antwoordde de klerk. "Waarom komt +gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug." + +"Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?" + +"Ja, en wat goeds ook!" + +"Zoo?" + +"Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden +kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze +u zien zullen." + +Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van +het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien +nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar +dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman +is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals +gemeenlijk wanneer men wacht, ging zeer langzaam om; maar hij _ging +toch om_. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal +nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in +stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer +openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn +kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak +van voetstappen op den grond. + +"Faller!" fluisterde de klerk uit het raam naar beneden. + +"Ja," was het gefluisterde antwoord. + +"Waar staat gij? Ik zie u niet." + +"Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam." + +"Is alles donker in huis?" + +"Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch +meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?" + +"Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te +steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist +gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een +dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op +dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; +en dat loont de moeite niet." + +"En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij +dat dan gedroomd?" + +"Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij +niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal +honderd duizend dollars er in!" + +"Gekheid!" + +"Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van +overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar +dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn." + +"Weet ge dat zeker?" + +"Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle +ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog +beter te vertrouwen dan zich zelf." + +"Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?' + +"Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt." + +"Is het tòch waar?" + +"En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan." + +"Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?" + +"Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te +Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen +ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan +nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven." + +"En die daartoe aangewezen ambtenaar, zult _gij_ dat zijn?" + +"Ja. En _gij_ moet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met +mij mee." + +"Hoe zoo dat?" + +"De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij +moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, +kreeg ik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat +hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ik _u_ +gekozen heb." + +"Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet +een beetje vreemd?" + +"Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd +persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt +het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten +invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat +spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want +er is een maar bij." + +"He! Een maar?" + +"Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar +verbonden zijn." + +"O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig +genoeg gelegd?" + +"Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het +slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke +zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar +het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een +nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar +niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij +de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker +bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo +aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen +dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die +twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg +stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom +moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun +beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter +zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, +gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen +overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in +hun schild voeren." + +"Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te +waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, +en dan gaan wij met de dollars schuiven!" + +"Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de +stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het +hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet +brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen +dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk +lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een +andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, +en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht +kunnen zijn ... en dat is hier!" + +"En denkt gij, dat dàt gelukken zou?" + +"O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der +onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, +dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten." + +"Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal +onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend." + +"Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen +minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te +hebben. Geef dus uw paard goed de sporen--al rijdt gij het dood, +dat hindert niet!" + +"En wat moet ik zeggen?" + +"Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden +precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief +en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor +onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel +moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en +oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen +de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te +doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om +aan tegenweer te denken." + +"Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons +allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik +hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen." + +"Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat +onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, +en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het +waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had +ik dan ook al de dollars alleen." + +"Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke +gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk +maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald +zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten +te spelen?" + +"Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat +achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen +brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt +niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet +of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet +mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden." + +"Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met +een brief stuur...." + +"Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?" viel de klerk hem in de +rede. "Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik +weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het +huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, +en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg." + +"Goed!" + +"Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, +waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te +loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; +er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij +gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten +minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een +regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij +legt er een steen boven op--daar zal niemand erg in hebben." + +"Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet +te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen." + +"Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, +of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten +moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten +zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan +komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar +eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, +dat ik het daar vinden kan. Begrepen?' + +"Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?' + +"Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het +plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want +anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is +geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!" + +De ander zei ook "goedennacht", en spoedde zich weg. Het raam werd +zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en +schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te +klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: +"Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur." + +"Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!" + +Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk +geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem +alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak +uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander +gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen. + +Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor +hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer +moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; +maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het +moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, +en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, +en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt +was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch +dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan +het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, +dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist +afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte +zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer +dat over zijn schouder hing. + +"He, Humply-Bill!" zei hij op een toon van bevreemding. En ter +opheldering liet hij er op volgen: "Er is stellig onverwachts iets +bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, +dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo +te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan +u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij." + +De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill +het huis binnen. + +"Neem mij niet kwalijk sir!" zei hij. "Ik lees daar op dat bord, +dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?" + +"O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen." + +Hij bracht hem in Old Firehand's kamer, die den kleine ontving met de +vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. "Wees +gerust, sir! het is geen doodwond," antwoordde Bill. "Misschien is +het integendeel iets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij +dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik +ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op +een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid +naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan +hebben opgemerkt." + +"Goed!" knikte Old Firehand. "En wat is er gebeurd?" + +"Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u +bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote +blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden +man in hun midden te zien...." + +"Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig +niet heel goed verscholen?" + +"Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij +juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen +zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats +van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, +begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets +af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet +terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, +maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets +wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken +ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de +nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon +wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: +er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van +hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten +en dol maakte van blijdschap." + +"Aha, Faller!" + +"Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen +dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden." + +"Dat is richtig." + +"Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, +waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter +meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat +hij naar hen toe is, om het hun te vertellen." + +"Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een +deel van ons plan." + +"Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop +besloten is?" + +"Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te +weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn." + +"Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, +want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van +uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond +wel te hooren was. Faller heeft een slecht paard, en zal dus stellig +pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat +Winnetou mij naar u toe gezonden heeft." + +"Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij +weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij +onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel +meedeelen." + +Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop +men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill +luisterde aandachtig, en zei toen: "Uitstekend sir! Ik denk dat alles +precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben +het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één +kleinigheid na." + +"En dat is?" + +"De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te +Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein +altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, +dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein +te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de +schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun +bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten +afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen +op de openliggende lijn te stoppen." + +"Weet gij ook waar?" + +"Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den +weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen +de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten +worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?" + +"Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke +gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot +een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee +spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer +in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden +post moeten vatten? + +"Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug." + +"Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan +volgt de rest vanzelf." + +Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin +maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar +Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de +bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere +plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, +en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was. + +Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, +inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En +een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den +ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, +en deze hield zich even bij de regenton op. + +"Ontvang hem op uw kantoor," zeide Old Firehand, "en houd hem daar aan +den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, +dat hij terugbrengt." + +De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen +gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij +zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die +tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; +hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De +inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij +vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam +toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den +ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn +linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand +op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: +"Weet gij wie ik ben, master Faller?" + +"Neen," was het antwoord. + +"Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen +gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?" + +Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver +uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde +om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: "Wees zoo goed, +sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; +maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug." + +De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een +stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig +touw, aan de leuning van den stoel vast. + +"Sir?" sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; +"wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!" + +"Zwijg!" gebood de jager, meteen de revolver grijpende. "Als ik uw +geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u +een kogel door den kop!" + +De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer +bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, +om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, +maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield +zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou +kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag +het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar +van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl +van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende +schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde. + +"Master Haller! wilt gij even binnenkomen?" vroeg hij hem. + +De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het +gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare +verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn +kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde +zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem +verried van zijn inwendige ontroering. "Wat is dat voor een papier, +dat gij daar in uw zak gestoken hebt?" vroeg Old Firehand. + +"Een oud winkelzakje," antwoordde de tramp. + +"Zoo? Laat het mij eens even zien!" + +De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: "Hoe komt het in u +op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet +ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas +over mijn eigen zak, geloof ik." + +"Gij kent hem wel degelijk," viel de ingenieur in de rede. "Het is +Old Firehand!" + +"Old Fire...." riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste +lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn +wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht. + +"Ja, ik ben het!" bevestigde deze. "Hier hebt gij mij stellig niet +verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig +meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!" + +Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, +eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, +die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier. + +"Sir!" vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; "met welk recht +behandelt gij mij zoo?" + +"In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een +eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier +als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn +bevoegdheid aan mij opgedragen." + +"In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets +onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een +dief behandelt?" + +"Als een dief? _Pshaw!_ Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het +betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een +moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, +waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer +zou worden." + +"Sir! versta ik u wel goed?" riep de kerel met een goed gehuichelde +verbazing. "Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?" + +"Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd +moet worden." + +"Door wien dan?" + +"Door u!" + +"Door mij?" En de tramp schoot in den lach. "Neem mij niet kwalijk, +Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel +alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, +een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn." + +"Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en +ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij +behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen +hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van +Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein +wilden halen." + +Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de +nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van +iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: "Van al die +dingen weet ik niemendal." + +"En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af +te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten." + +"Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!" + +"Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat +hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander +gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord +voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de +roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik +weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps +hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in +den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de +spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, +om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, +om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen." + +"Sir!" stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst +te verbergen, "als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan +zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, +waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben +een eerlijk mensch, en....." + +"Zwijg!" gebood Old Firehand. "Een eerlijk mensch moordt niet!" + +"Wilt gij daarmee zeggen, dat _ik_ gemoord heb?" + +"Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende +dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel +vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief +noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor +den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk +te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?" + +"Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen," stotterde +de tramp. + +"Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij +geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den +pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de +armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden." + +Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te +ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem +terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig +vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller +van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, +waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die +hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: +"Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den +armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?" + +"Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in +handen krijgen!" antwoordde Old Firehand. "De kerels ontkennen alles!" + +"Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden +op doen. Ik hoop, dat _mijn_ woord geloofwaardiger is dan het hunne?" + +"Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebben +bewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden +hebben!" + +"Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?" + +"Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar +afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen." + +Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter +inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals +Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds +aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; +zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon. + +Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, +die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, +en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige +kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten +gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder +of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht +konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet +onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een +geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, +als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken. + +Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen +gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet +meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en +daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds +door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het +station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar +moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, +waar die zou worden overgenomen. + +Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, +dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, +om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +AAN DEN EAGLE-TAIL. [2] + + +De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij +wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het +zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou +uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van +het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen +echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de +ingenieur aan zijn _Overseeer of the workmen_ (= opzichter over het +werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel +opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op +het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij +van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen +argwaan konden krijgen. + +De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen +leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd, +was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch +had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor +hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een +Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet +gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den +Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven, +doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij +hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij +van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook +hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht +der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk, +zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen. + +Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij +hoorde wat er gebeuren zou. + +"De hemel zij gedankt, dat er eindelijk eens een kleine afwisseling zal +komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!" zei hij. "Mijn oude +geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar +verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk, +dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed +verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend +voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik +heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was; +maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft +mij bijna mijn leven gekost." + +"Waar en wanneer is dat geweest?" vroeg Old Firehand. + +"Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik +was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan +het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den +Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en +gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had +kunnen inbrengen." + +Old Firehand luisterde met alle aandacht. + +"Heette die man Engel?" vroeg hij. "Een onderneming, die u millioenen +had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?" + +"O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste +geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid, +doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt +mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof, +namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water +van het Zilvermeer verzonken ligt." + +De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde +de opzichter; "Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin +is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen, +en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het +vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij +althans niet lachen om hetgeen ik vertel." + +"Dat kan niet in mij opkomen," antwoordde de jager op een ernstigen +toon. "Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb +ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord, +dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt." + +"Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand +gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen +sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven +doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld +heeft, kan niet gelogen hebben." + +"Wie was dat dan?" + +"Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-, +stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij +uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd +zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons +eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat +die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet." + +"Maar ik weet het wel," zei Old Firehand. "De eerste naam behoort tot +de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis +van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder, +Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij +met dien Indiaan in kennis gekomen zijt." + +"Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij +in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik +door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en +hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den +honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen, +rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot +aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook +opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde +oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd +de Groote Beer en de Jonge Beer, die...." + +"O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?" viel Old Firehand hem in +de rede. + +"Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?" + +"Ja. Maar vertel verder, vertel verder!" + +"De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar +het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was +het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa's sneeuw heen +te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk +in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet +beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou +moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander +daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks +reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een +beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen +winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden +wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had +den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen +gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen, +om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede +van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer +oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees, +waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan +te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden +wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk +leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee +Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn +dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor +zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen +hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel +had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid." + +"Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?" vroeg +Old Firehand. + +"Neen." + +"Dat is zeer verkeerd van u geweest." + +"Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw +gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen +dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een +troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij +zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden +Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat +wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood +begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze +kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze +wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst +deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden, +tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan +voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen +wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen +hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar +naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten." + +"Was dat de roodharige Brinkley?" + +"Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen, +dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles; +alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die +Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde +ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij, +maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood +haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die +lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen, +wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft +onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig +had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel +en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den +schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons +gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om +vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan, +want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen +wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij +alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen, +om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes, +en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was +tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!" + +"Schandelijk!" riep Old Firehand. "Zijn plan was, om vervolgens ook +Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim +te komen." + +"Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich +toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam, +lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan, +die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen." + +"Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal +te zijn!" + +"In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds +verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn +zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij +alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij +ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren +was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant +te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had, +achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was, +dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van +verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó +snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp +te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was; +en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een +oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor +dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte, +en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals +ik later gehoord heb." + +"Ja, hij is het ontkomen," knikte Old Firehand. + +"Hoe?" vroeg de opzichter. "Weet gij dat, sir?" + +"Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder." + +"Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om +zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een +legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken +voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was, +en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting, +waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke +hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid +verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar +het oosten te komen." + +"Waar wilde u dan naar toe?" + +"Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen +was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had, +dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige +toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik +daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken +was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn +buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die +naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen, +en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe +woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman +was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb +den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had +Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe +en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu +weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met +dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor +mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof, +dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal." + +"Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben," merkte Old Firehand +aan. "Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks +gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe +kunt gij dat weten?" + +"Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep +ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben +en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten +had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige +oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de +borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker." + +"_Well!_ Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den +roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt +een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen, +dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken." + +"Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet +gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten." + +"Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra +het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden; +zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen +slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór +middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de +plaats der ontknooping zal brengen." + +"_Well_, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te +vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden." + +Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den +ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw +en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps, +en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van +de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond +toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die +taak het geschiktst achtte. + +Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den +ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten +betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat +betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis +niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een +bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest +verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de +kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het +verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de +stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen. + +Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning +uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht +verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op +de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde +natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten, +dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail. + +Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die +zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij +overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden +goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal +hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen +waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar +de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en +toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op +slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het +terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast +het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige +boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht +terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de +spionnen daar gezocht worden. + +Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van +die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra +hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder +de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat +zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige, +onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had +hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun +nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum, +dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den +grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken, +maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze +was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een +goede poos, eer een der twee zei: "Hebt gij bijgeval iets gehoord +van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?" + +"Neen, niets met zekerheid," was het antwoord. + +"Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand, +of althans slechts zeer weinigen." + +"De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om +zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen, +zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem +geweest zijn." + +"Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu, +die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u +niets gezegd?" + +"Onbestemde aanduidingen, anders niet." + +"Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden." + +"Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de +kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk +een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar +veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk +dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende +eensklaps verdwijnen zal." + +"Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?" + +"Hoe zoo om den tuin geleid?" + +"Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil, +morgen verdwijnt?" + +"Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn." + +"Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal." + +"Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo +onnoozel was." + +"Hoe zoo dat?" + +"Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen +zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim +zullen kunnen fluiten." + +"Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed +openhouden, en desnoods alarm maken." + +"Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier +heeft gezonden." + +"Wat beduidt dat?" + +"Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie +men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil +te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen +gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der +onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren, +maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt." + +"Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins +gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren +zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet, +wat gij door Woodward van zijn plannen weet?" + +"Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik +er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar +hoogerop, het gebergte in." + +"He! Het gebergte in?" + +"Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan +u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude +tijden een zeker volk gewoond--de naam is er mij van ontschoten. Dat +volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat +het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken." + +"Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders +verhuist." + +"Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk +uitgeroeid hebben." + +"Waar bestaan die schatten in? In geld?" + +"Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of +vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke +banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde +meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk +geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen +goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En +al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn +naam draagt." + +"Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den +bodem te vinden?" + +"Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee +aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de +plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid." + +"Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?" + +"Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik, +voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf, +dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat +uitbazuinen." + +"Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn, +vrees ik." + +"Hoe zoo dat?" + +"Wel, door de Indianen." + +"Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de +achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig +is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd." + +"Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit +heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten, +die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij, +hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik +voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?" + +"O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles +daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij, +gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze +oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige +voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken." + +"_Well!_ Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak +te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik +te maken." + +"Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van +hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil, +en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar +zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist +de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen +den trein; de kornel stapt er in, en neemt...." + +"Wacht even!" viel de andere hem in de rede. "Wie stapt den trein +in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen, +en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer +stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee, +en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en +hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan." + +"Wat verbeeldt gij u dan?" hernam de andere gemelijk. "Ik heb u immers +gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij, +gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in +den trein." + +"Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het +afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt +den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat +dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen." + +"Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf +te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet +probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor +ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te +behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als +ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen +naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten +wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder +den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?" + +"Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den +geldtrein uitgezonden zal worden." + +"Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt +immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer; +ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben." + +De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht +worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven +staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met +wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd +werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee +kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den +argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter +te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis +van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had. + +"_Well!_" zei deze, "dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar +de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen." + +"Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen, +en even voorbij de bocht, die de weg maakt--dat is ongeveer een +kwartier gaans--moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten +tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de +stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt, +zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat +de trein daar stilhoudt." + +"En hoeveel man houd ik hier?" + +"Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen +te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan +vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren +wat zij zeggen." + +Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met +elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien, +en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te +ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in +het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van +bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en +hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende +ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk +zou hebben kunnen onderscheiden. + +Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis +van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn +riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden: +"De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig." + +Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk +van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na +te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion +kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist, +en deze antwoordde even luid: "_Well_, sir! Blij dat ik eindelijk weg +kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt +u in Wallace nog iets te doen?" + +"Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te +spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu: +_Good road_ (= goede reis)!" + +"_Good night_, sir!" + +Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette +zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was, +zei de eene spion tegen den anderen: + +"Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?" + +"Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men +daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens, +alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het +bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen." + +"Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven +tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen." + +"Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te +koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open +zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen." + +"Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en +misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen." + +Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen +stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen +knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over +de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden +begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van +een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren +nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende, +want vijandelijkheden had men hier niet te wachten. + +De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen, +weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven +zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven +zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den +Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen +bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van +daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op +zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar +konden worden van hetgeen daarop voorviel. + +Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder +geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die +daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er +een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de +overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks +zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein, +die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige +wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog +hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of +uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein, +dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan, +en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: "Wat komt +gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?" + +"Ja," antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte, +die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van +het hoofd tot de voeten: "Maar wie zijt gij?" + +"Ik?" lachte het dikke ventje. "Ik ben Tante Droll." + +"Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders +te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!" + +"Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor +uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later +wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?" + +"Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen +beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later +afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden +van dien beroemden master?" + +"Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes: +de eenige tante, die er bij is, ben ik." + +"O neen, _miss_ of _mistress_! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar +waar zijn de tramps nu?" + +"Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken." + +"Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?" + +"Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de +locomotief staan, om u de noodige wenken te geven." + +"Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant +van dit legerkorps?" + +"Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier +ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen, +en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel +te staan komen." + +Toen Droll "Ziezoo, hier ben ik" zei, was hij meteen in een oogwenk +op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte +uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het +dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat +het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige +tante te gehoorzamen. + +"Nu, hoe zit het er mee?" vroeg Droll gebiedend. + +"Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?" + +"Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik +heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven +plakken." + +Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den +machinist. + +"Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn," +riep deze uit. "Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor +een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen +wie gij zijt?" + +"Praat toch geen verderen onzin," antwoordde de dikzak, nu op een zeer +ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. "Wij +bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over +en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst +mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren." + +"Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden." + +De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee +achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden +weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop +reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen +wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die +stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de +wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt, +den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht +kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel +de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan +het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd +konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs +verder, stopte toen, en reed vervolgens terug. + +Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de +zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was +door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden +in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien +kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de +anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts +en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven +uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange, +stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan, +bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den +tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden +te begroeten. + +"Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?" vroeg Droll aan den +machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het +vuur aantrad. + +"Yes, sir!" knikte deze. "Gij zijt een eerlijk man!" + +"En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig +u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij +zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden _à la prairie_. Wij +hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen +spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te +kunnen aanzitten." + +Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen +aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij +het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend +werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de +buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in +weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was. + +Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den +opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog +gezegd: "Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als +gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw +vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher, +dien gij onder de rafters zult vinden." + +"Kent die hem? Weet die iets van hem?" + +"Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan +hem geadresseerd hebben." + +Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook +aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of +die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had +hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het +echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht +naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur +plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij +wendde zich tot den laatstgenoemde: "Sir! houd mij een vraag ten goede: +Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt." + +"O ja," antwoordde Bill. "Zelfs verscheidenen." + +"Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?" + +"Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En +dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons +zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine +Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee +te rekenen." + +"Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet." + +"Zoo! Wien zoekt gij dan?" + +"Een zekeren Mr. Pampel." + +"Pam--pam--pam--pampel?" riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een +schaterend gelach. "_Heavens!_ Wat een naam is dat? Wie kan zulk +een naam over zijn lippen krijgen. Pam--pam--pam--hoe was het ook al +weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan." + +"Mr. Pampel," herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels +met Humply-Bill mee te lachen. + +Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte +overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche +verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O, +ja wel! Droll's gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot +stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken +daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en +onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende +lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de +stem van Bill zich weer hooren: "Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd +ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet." + +"En Old Firehand heeft het mij laten zeggen," antwoordde Watson. + +"Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed +onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel +door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te +maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?" + +Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: "Een kogel? Dat zou +niet in mij op kunnen komen." + +"Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll +heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de +menschen zoudt gaan." + +"Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?" + +Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde +eens aankeek, en toen vroeg: "Dus gij, gij lacht niet om dien naam?" + +"Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden +bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen." + +"Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?" + +"Zeer zeker." + +"Verduiveld! Wie is het dan?" + +"Ik ben het zelf." + +Nu sprong Bill overeind, en riep: "Gij, gij zelf zijt die +Pam--pam--pam!" + +Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig +zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig +werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig +bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van +het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en +de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn +laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om +zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: "Messieurs! nu +moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt; +en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst, +en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den +donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!" + +Er volgde een diepe stilte. + +"Maar, Droll!" zei Humply-Bill vriendelijk, "wie kon denken, dat +_gij_ zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar +wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat +ik gezegd heb--dat verzoek ik u dringend--ik heb er spijt van. Kom, +kom maar weer bij mij zitten." + +"_Well_, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want +ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij +weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid +zult laten." + +"Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu +toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger +leven niet graag spreekt." + +"Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den +tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad +om er over te spreken." + +"Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat +wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen +vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere +op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed +als niets." + +"Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou +hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend." + +"Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen +wij dat weten?" + +"O ja, waarom niet!" antwoordde Droll met een glimlachje. "Die was +meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben +tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog +tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend +te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver, +doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier +en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles." + +Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei +scherts was of ernst. + +"Gij kunt mij gerust gelooven!" verzekerde hij. "Dat alles is +hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn +geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel +was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn +medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve +vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het +zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen....." + +"Een oogenblik!" viel de opzichter hem in de rede. "Gij voldoet aan +den wensch van de anderen, sir! maar _ik_ ben degene, die naar u +gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven...." + +"Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet." + +".....omdat ik van u te weten zou kunnen komen," vervolgde Watson, +"wat er geworden is van uw landsman Engel." + +"Engel? Welken Engel bedoelt gij?" + +"Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is, +aan het Zilvermeer." + +"O, die? Meent gij dien?" vroeg Droll met zichtbare bevreemding. "Hebt +gij hem gekend?" + +"Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?" + +"Neen, hij is dood." + +"Weet gij dat stellig?" + +"Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?" + +"Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen +winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de +sneeuw....." + +"Is uw naam dan Watson?" viel Droll hem in de rede. + +"Ja, sir! zoo heet ik." + +"Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het +is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn +leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn +eigen zak ken." + +"Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?" + +"De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred +Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met +mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken." + +"Is zijn vader dan vermoord?" vroeg Watson, terwijl hij den jongeling +zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte. + +"Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die...." + +"Alweer een teekening!" viel de opzichter hem in de rede. "Kent gij +den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!" + +"Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het." + +"Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn +hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies +gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan, +die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie +ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder, +is de beroemdste man onder de Indianen en heet....." + +Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte +zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een +bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden +Winnetou af, die op verkenning was geweest. + +"Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der +Apachen!" riep de opzichter uit: "Hij is daar, hij is hier! Wat een +geluk! Winnetou! Winnetou!" + +Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die +aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl +diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk +glimlachje, antwoordde hij: "Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij +de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen, +dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De +goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft +laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen, +om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het +u verder gegaan is tot op den dag van heden." + +Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps +te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden +en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig +goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak--de +aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden--afleidde, en die +vestigde op één persoon--den opzichter--dan moest hij daarmee zijn +goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest, +volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men +gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps. + +Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien +Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond +kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist +zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij +alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: "En gij, +master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad +geworden is?" + +"Ja, dat weet ik u te zeggen," antwoordde de dikke. "Er is een lijk +van hem geworden." + +"Dus heeft de kornel hem vermoord?" + +"Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme +drommel gestorven." + +"Vertel, vertel, sir!" + +"Dat is gauw verteld, daar heb ik niet veel woorden toe noodig. Toen +de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken, +dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig +van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee +gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu +begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u +een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig +rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk +genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn +schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in +zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van +een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed +hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn +aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte +heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich +te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en +bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij +doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te +lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich +had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat +de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden, +om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald +dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven; +en dan was de Roodbaard stellig op Engel's spoor gekomen, en zou hem +vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen, +had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat +deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo +gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert, +en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en +vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een +oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de +ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van +zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor +van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen, +en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen +zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts +op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte +strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af, +en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop +van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te +zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks, +en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog +wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu +dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver +uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van +de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een +uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen +winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem +hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij +hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde +hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water +vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op +aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij +voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde, +snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever +over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van +een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan, +en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd, +welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog +ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in +het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan, +want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van +opgewondenheid beefde als een riet!" + +"En van overspanning en angst!" voegde Watson er bij. "Neem mij niet +kwalijk. Vertel verder asjeblieft." + +"De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet +zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer +naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar +hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden, +ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug +zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte +en in het kreupelhout verdween." + +"Hij is bepaald teruggekeerd," zei Humply-Bill. "Toen hij aan +de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de +vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was." + +"Juist," knikte Droll. "Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier +een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze +zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij +de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze +bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij +niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker +was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door, +regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen." + +"Was hij niet gekwetst?" + +"Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder +den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het +water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder +acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij +stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens +verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd +ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden +honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende +maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den +avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was +zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was; +hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand +ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen +was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende +koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van +moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren, +en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die +hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy +had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij +Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was, +en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam +van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel, +dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon +te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas." + +"Dus niet naar Pueblo," zei de opzichter; "anders zou ik, toen ik +later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed +hij vervolgens?" + +"Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens +oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij +daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te +zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van +daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een +voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton, +Arkansas, zou vinden." + +"O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet +geweest ben," zei Watson. "Maar hoe stond het met de teekening, +die hij bij zich droeg?" + +"Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest +die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was +volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze +bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals +men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon +te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De +dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na +de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het +koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd." + +"Dus heeft de kornel dan toch Engel's dood op zijn geweten!" + +"Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden +hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te +vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel, +namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde +en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen, +een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee +kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het +werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel +gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde +dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is +ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel +heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de +broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee +de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling +aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht +over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op +het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak +daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald +en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed +gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in +een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een +kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de +mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de +sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu +was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor +zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De +jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich, +dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had +hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij +stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken, +de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en +ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet +noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die +was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets +langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen +hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit, +het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en +kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar +deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om +hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde +tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij +daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de +vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand +bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die +hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten, +Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van +ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen +de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het +daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen, +en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam, +vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig +nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er +komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als +hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders +af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden +nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton +stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig +naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in +allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij +echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand +stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit +de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen, +dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op +de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het +hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer +te bereiken waren, moest men laten verbranden." + +"Afschuwelijk! IJzingwekkend!" klonk het uit aller mond, toen Droll +een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide +handen zijn gelaat bedekt, en weende. + +"Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!" zei Droll. "Het verwekte dan +ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan +in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden +in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die +loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen +van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam +zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van +Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad." + +"Beter gevolg?" vroeg Watson. "De moordenaar is immers nog op vrije +voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is." + +"Ja, op vrije voeten is hij nog," antwoordde Droll; "maar hij is +nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest, +om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan +hebben, en...." + +"Gij? Waarom gij?" + +"Om die vijf duizend dollars te verdienen." + +"Het waren er immers tien duizend?" + +"Ja, maar het honorarium wordt gedeeld," zei Droll. "De eene helft +krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective." + +"He, sir! zijt _gij_ dan een detective?" + +"Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen, +waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken; +en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik +ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het +verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig +waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen +blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom +ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien +reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent, +volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet +te pas; ik heb nu over den moord te spreken." + +Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men +hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective +was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn +persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk +uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar +dengene, dien hij wilde vatten. + +"Ik wendde mij dus," vervolgde hij, "in de allereerste plaats tot Fred, +en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld +en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij +had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners +des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord, +om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk +gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik +moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus +herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps +zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag +tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in +mijn handen vallen." + +"In _uwe_ handen?" vroeg de oude Blenter. "Wat denkt gij dan met hem +te doen?" + +"Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden." + +"Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?" + +"Misschien wèl!" + +"Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer +recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik +met hem te vereffenen heb." + +"En ik!" riep de opzichter. + +"En wij andere rafters ook!" klonk het van verscheiden zijden. + +"Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!" antwoordde +Droll. + +"Wij hebben hem!" beweerde Blenter. "Hij zal bepaald wel de allereerste +zijn, die in den trein klimt." + +"Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten, +of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij +volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet +mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik +daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie +als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken, +en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is." + +Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen +echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog +lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps +een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden. + +Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende +tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij +volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot +er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk. + +Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den +ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand +ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat +Charoy's neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van +den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee +tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht +volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur, +en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan. + +"Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!" zei Charoy. "Zijt gij toch +óók niet een beetje bevreesd, sir?" + +"Bevreesd?" antwoordde de jager verwonderd. "Zou ik dan dit zaakje +uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?" + +"Of althans ongerust?" + +"Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen +zal." + +"Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u +schieten zullen." + +"Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak +u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik +afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat +de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles +hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel +een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen +zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is." + +Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post +moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat +de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De +ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren +als de beide tramps. + +Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den +jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle +voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al +wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die +telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de +komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen +die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief +met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in, +en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen +stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er +niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist +en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen +had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer +hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei: +"Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere +bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen." + +"Zoo? waarom dat?" + +"Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen; +daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te +laten doodschieten." + +"Wie spreekt dan van doodschieten?" + +"Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter." + +"Er is geen mensch, die aan schieten zal denken." + +"Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde +neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word, +dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik +mijn post te verlaten." + +"Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u +hier zullen voorschrijven?" + +"Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden +met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat +behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat +ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van +mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel +af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in." + +"Is dat bepaald uw besluit?" + +"Ja." + +"En gij, sir?" vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele +gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen. + +"Ik verlaat de locomotief niet," antwoordde de brave, onvervaarde man. + +"Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of +ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan." + +"En u niet, sir?" + +"O ja, dat spreekt vanzelf." + +"Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet +ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is." + +"Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar +Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats +wel innemen." + +"_Well_, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop," prevelde +de stoker, terwijl hij zich verwijderde. + +Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf +nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij +zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies +als een stoker uit. De trein zette zich in beweging. + +De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van +achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te +komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde +tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter +beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig, +want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna +geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en +geweerkogels er op te doen afstuiten. + +De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was +niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den +machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den +trein verder gaan. + +Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte +van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel +zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen +sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen +groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter +zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander +uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: "Wat +gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die +meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en +evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een +enkelen dollar van dat halve millioen af te staan--zij krijgen niets!" + +"Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen." + +"Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan." + +"Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in +den trein te komen." + +"Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen +bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit +den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien +wat er gebeurt." + +"Hoe staat het dan met ons beiden?" + +"Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden +heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar +Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen, +die ik van plan ben bij mij te houden." + +Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde, +die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles +lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er +op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet, +dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om +drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte, +brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken. + +Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het +rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de +machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie +andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks +honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde +hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde, +de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan. + +Tot nu toe hadden de tramps in ongerustheid verkeerd, of het den +nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en +den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen, +begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar +den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel +wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om +den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg: +"Alles richtig, boys?" + +"_Well!_" antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver +op de borst hield. "Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie +maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur." + +Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt, +en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd +volkomen verschalkt. "Mooi zoo!" zei hij. "Gij hebt uw taak goed +gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven, +tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de +locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst +te sterven, en kunnen zij doorrijden." + +Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had +niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de +werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden +klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover, +om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan; +maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde, +dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden. + +"Vooruit! Vooruit!" gebood de jager aan den machinist. "En niet +langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de +wagens, weer uit." + +De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de +stoompijp deed fluiten. + +"Halt, halt!" schreeuwde een stem. "Schiet de honden +neer! Schiet! Schiet!" + +Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet +herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was, +die dat riep. + +De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer +hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was +bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old +Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op +hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd +geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief +vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de +twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken. + +"Old Firehand!" bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der +ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. "Die hond is +het! Rijd naar de hel." + +Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar +Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en +bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn +revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den +wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden +insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden +richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was +de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en +de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden. + +Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de +lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het +oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten, +niet in korte tempo's maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen +einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende +mannen van de nadering van den trein verwittigen. + +Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht +waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu +aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen +tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden +te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en +jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang +van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en +aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij +dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak +op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den +trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde, +gebood hij aan zijn mannen: "Het vuur aanmaken!" + +Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den +hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak, +sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende, +den trein af te wachten. + +Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den +tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe: +"Achter ons het vuur aanmaken!" + +Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist +waar de opzichter die verwacht had. + +"Slechts een oogenblik!" + +Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen, +haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De +locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor +en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan +geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had, +om die te beveiligen voor de vuurhitte. + +Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest +om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de +tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij +zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein +zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand +op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was; +maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil +zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden +krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het +hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil, +en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken, +grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander +om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein +te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen, +donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur +staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen, +dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend +kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste +gedachte. + +"Een tunnel, een tunnel!" riep hij verschrikt; en "een tunnel, een +tunnel! wij zitten in een tunnel!" riepen al de anderen hem na. "Er +uit! Wij moeten er uit!" + +Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan +de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk +uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde +tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel +van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en +verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen +gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om +zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op +hen lagen. + +En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel +brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht +werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind +in den tunnel gedreven werd. + +"Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!" riep +een krijschende stem. "Er uit! Er uit!" + +Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in +waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide +uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide +vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit +wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn +kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden +zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen +bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de +nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden, +die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest +in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste +het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk +alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest +te vieren. + +Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen. + +"Wij behoeven niets te doen," riep een der baanwerkers hem toe. "De +beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan, +dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden." + +"Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander," antwoordde hij. "Maar +het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang +een beetje vrij van het vuur!" + +"Wilt gij er dan in?" + +"Ja." + +"Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!" + +"Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich +te redden." + +Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen +de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één +man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond +hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en +razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó +duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn +zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had +hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man +in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen. + +"_Hallo, silence!_" weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw +van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. "Hoort wat ik u zeg!" + +"Old Firehand!" riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze +onvervaardheid. + +"Ja, dat ben _ik_!" antwoordde hij. "En gij hebt het ondervonden, waar +_ik_ ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt, +legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor +één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten +springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk +neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt +ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers, +rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer +te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een +hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u +overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren +gericht om niemand door te laten." + +Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed +verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel +uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die +voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk, +dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat +niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen. + +Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening +van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een +poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te +ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander +beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De +omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken, +want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer +en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel +verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij +zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij +zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er +kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond +daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd, +dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit, +en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in +ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde +plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien +van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de +brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die +na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel +gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar +alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een +kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de +overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der +laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men +aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel +met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest +was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al +de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest, +dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden. + +Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest, +den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking +van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand +en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor +van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had +gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar +Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid +daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet +zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee +vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden, +omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan +ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last, +om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van +het plan gelukt was. + +Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein +af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden +geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet- +en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps +ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en +natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle +richtingen uiteengejaagd. + +"Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan," zei Old Firehand. "Had +hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor +zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor +zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven +paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het +zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij +zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste +dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij +moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen." + +"Mijn blanke broeder vergist zich misschien," antwoordde Winnetou. "Dat +bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst +te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu +zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen." + +"Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist +is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij +zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich +in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen +om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd +te loor laten gaan." + +"Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen +inhalen." + +"Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen +volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze +verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee +gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen +kunnen gaan." + +"Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!" + +"Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus +volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht +naar het Zilvermeer." + +"Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?" + +"O ja, stellig." + +"Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?" + +"Ja, in weerwil daarvan." + +"Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun +voornemen maar niet liever opgeven?" + +"O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te +doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen +zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood +ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij +onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke +manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer +zullen gaan." + +"Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen, +waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn." + +Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren +genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor +niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier, +en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was +zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het +uit het oog te kunnen verliezen. + +Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt +gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut +door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan, +waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de +gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt. + +De jagers en de rafters volgden het spoor nog wel een half uur lang, +en keerden toen, toen zij precies wisten welke richting de vluchtenden +ingeslagen waren, terug naar de brug. De tramps hadden hun koers naar +de Busch-Creek genomen, een bijna zeker teeken, dat zij van plan +waren, zich naar Colorado te begeven, en dan van daar stellig naar +het Zilvermeer. + +Ondertusschen waren de vier rafters uit Sheridan teruggekeerd. Zij +hadden ook Hartley en den ingenieur Charoy meegebracht, die insgelijks +naar Fort Wallace wilden, waar hun getuigenis van gewicht was. De +baanwerkers gingen te voet naar Sheridan; als belooning mochten zij al +de wapenen meenemen, die de tramps hadden moeten achterlaten. Voor het +transport van de laatstbedoelden waren er wagens genoeg aanwezig. De +bouwtrein stond ook daar, en zoo ook de "geldtrein", waarin trouwens +geen geld vervoerd was. Zoodra de gevangenen in de wagens geladen waren +stapten de anderen in en de twee treinen zetten zich in beweging. De +dragonders echter keerden te paard naar Fort Wallace terug. + +Daar was intusschen het groote nieuws reeds ten deele bekend geworden; +en de bevolking brandde van ongeduld, om te vernemen hoe alles +was afgeloopen. Toen de treinen aankwamen, verdrongen de menschen +elkander om er bij te komen, en de tramps werden ontvangen op een +manier, die hun een voorproefje gaf van hetgeen zij hier later, na +hun veroordeeling, te wachten hadden. Ware hun aantal niet zoo groot +geweest, en had hun escorte het niet weten te beletten, dan zouden +zij stellig gelyncht geworden zijn. + +Zij hadden overigens groote verliezen geleden, daar bijna het +vierde gedeelte van hun aanvankelijk aantal dood in den tunnel +gevonden was. Nog heden ten dage vertelt men elkander gaarne, in die +streek, deze vermaarde uitrookerij van de tramps uit den tunnel van +Eagle-tail, waarbij natuurlijk de namen van Old Firehand en Winnetou +met bewondering genoemd worden. + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +IN DE KLEM. + + +Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich +verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras +was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch +boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is +buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder +de aandacht trekken van ieder, die hen zag. + +Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste +was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals +die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte +was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van +groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen +en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door +een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd +van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had +opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, +en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van +ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren +riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee +revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar +schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van +biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten +stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, +ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van +den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld +lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, +versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen +vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop +en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te +zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang +en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, +maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die +"berendooders" genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van +het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde +jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij +een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag. + +Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een +blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen +knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een +zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijn +broeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten +in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze +ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn +lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders +denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden +af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank +genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één +been een weinig kreupel liep. + +Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook +des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks +de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg +een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf +gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds +zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter +aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren +hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder +dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek +gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen +was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal +jaren geleden een lichtgrijze "cylinder" was geweest. Misschien had +die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was +vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, +totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den +tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig +beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had +hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van +dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik +touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee +revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden +zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen +kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een +mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat +het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het +voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over +zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, +waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was +kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom +van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat +die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen +beleefd hadden. + +De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, +zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van +het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil +dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter +in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd +bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit +kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van +de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk +niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij +was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer +bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte. + +Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet +anders bekend, dan onder de namen "Lange Davy" en "Dikke Gemmy". Die +twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder +dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher +en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze +twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich +ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als +die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast +elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een +legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden +te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, +en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen +en likken elkander te liefkoozen. + +Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier +ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet +enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren +bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters +zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan +kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst +afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die +in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: "Dus zullen +wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog +hier vandaan?" + +"Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen," antwoordde +de gevraagde. + +"Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al +sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik +ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt +gij dat ook niet?" + +"Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen +wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden." + +"O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar +ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste +buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar +sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; +ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, +ga ik bepaald dood!" + +"Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen." + +"Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een +gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden +is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een +ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?" + +"Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, +en rijd met de anderen maar langzaam door." + +"Zoo?" zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. "Hebt _gij_ +al iets in het oog? _Ik_ zie nog niemendal." + +Hij nam de teugels van Old Shatterhand's paard, en reed met Davy en +Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een +aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie +van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende +stem genoemd worden. Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar +zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met +ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij +op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en +bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel +weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander +stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren +niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, +maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij +echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren +om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op +alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen +nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te +houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter +niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen +en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet +hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist +Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de +zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen +te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide +in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van +een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, +namelijk, om dichterbij te komen. + +Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, +en zei op een toon van bezorgdheid: "Heerejéminie! Wat zal ons nu +overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als +iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!" + +"Belladonna, wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy. + +"Zwijg!" gebood de kleine. "Belladonna beduidt niemendal. Het heet +Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel +weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik +heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!" + +Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter +elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een +draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te +rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden +geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te +paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: +"Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan +zal ik u vriendelijk bedanken, sir!" + +"Waarom dat?" + +"Zulk spul lust ik niet." + +"Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?" + +"Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen." + +"Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar +is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?" + +"Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!" antwoordde Frank +terwijl bij met zijn tong smakte; "òf ik dat gegeten heb! Dat's een +vleeschje voor koningen en prinsen!" + +"Zoo, vindt gij dat?" vroeg Old Shatterhand glimlachende. + +"Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen +tweede bestaat." + +"En duizenden trekken er den neus voor op!" + +"Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij +Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste +natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook +en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin +korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den +Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, +als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- +en feestdagen gebraden sikjes." + +"Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt." + +"Lapijn? Wat is dat voor een ding?" + +"Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De +eigenlijke naam is konijn." + +"O, karniekl! A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste +plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis +altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch +als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!" + +"En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden +zeggen." + +"Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders +vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste +vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, +dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet." + +"Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik +ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, +dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker +als uw karniekl." + +"Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!" + +"Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, +dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?" + +Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten +bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of +het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers +reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep +gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters +waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: +het waren soldaten. + +Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar +zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en +kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando +van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, +hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een +somberen blik, en vroeg: "Waar komt gijlieden vandaan, boys?" + +"Wel heb ik ooit!" prevelde Hobble-Frank. "Zullen wij ons nu met het +woord _boys_ (= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien +dat wij tot den goeden stand behooren." + +"Wat fluistert gij daar?" riep de luitenant op strengen toon. "Ik +wil weten waar gij vandaan komt." + +Frank, Jemmy en Davy keken naar Old Shatterhand, wat die doen of +zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: "Uit Leadville." + +"En waar wilt gij naar toe?" + +"Naar de Elk Mountains." + +"Dat is een leugen!" + +Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond +het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd +op denzelfden bedaarden toon: + +"Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?" + +"Ja." + +"Welke reden dan?" + +"Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort." + +"Daarin vergist gij u." + +"Ik vergis mij niet. Ik ken u." + +"Zoo? Wie zijn wij dan?" + +"De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen." + +"Ei! En als wij het nu eens niet doen?" + +"Dan neem ik u mee!" + +"En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?" + +"Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat +wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren +naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!" + +"Meent gij dat?" vroeg Old Shatterhand met een glimlachje. "Probeer +dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!" + +Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van +pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver +uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur +te geven. + +"Wat...." riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen +naar zijn gordel grijpende. "Ik...." + +"Halt!" viel Old Shatterhand's geweldige stem hem in de rede. "Hand +weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!" + +In oogenblikken als dit--indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen +hier het geval niet was--komt het er maar op aan, wie het eerst zijn +wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, +om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van +de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte +niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want +dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn +onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij +verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van +vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich +overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden +dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in +de hoogte. + +Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed +gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te +zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand's +doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: "Zoo! Wat +denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?" + +"Schiet maar toe!" antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht +was. "Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft." + +"_Pshaw!_ Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen +aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige +schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen +omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij +daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij +zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees +altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet +gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, met _boy_ +aanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet +overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders +allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de +derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij +denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar +hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te +moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals +op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: +wij zijn geen _boys_, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen +weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten." + +Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; +zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook +de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van +schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: "Hoe hebt gij het +hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen? Weet gij wel, +dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?" + +"De macht?" vroeg Old Shatterhand lachende. "Den lust, ja, dat +begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk +genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij +het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog +belachelijker zoudt maken dan daareven." + +"Wacht! nu zal ik u wel....." + +Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den +gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag +gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, +die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel +als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, +nogmaals lachende, uitriep: "Spreek verder, sir: U wilde nog iets +zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, +gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!" + +Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, +behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo +verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en +driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam. + +"Wat ... (alweer met een vloek)!" schreeuwde de officier; doch hij +waagde het niet een vinger te verroeren: "Wat begint gij nu? Laat +mij los." + +"Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij +met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te +verbeelden. Voor zooveel man, als gij hier bij u hebt, zijn wij +volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan +zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en +hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal." + +Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het +paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: +"Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?" + +"Neen!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij +gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten +blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een +allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel +getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch +na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op +zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. "Ik ken zoo min +den persoon als zijn naam," bromde de officier. + +"Dus niet?" zei de jager. "En toch ben ik overtuigd, dat gij ons +kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft +men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak +vóór u." + +"Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel +eens gehoord?" + +"Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?" + +"Juist!" + +"_Pshaw!_ Dat geloof ik niet." + +"Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest +gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan +bewijzen dat het waar is." + +"Old Shat.....!" riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede +achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing +aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in +de keel blijven steken. + +Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, +of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één +"O!" van verbazing dat over hun lippen kwam. + +"Ja, Old Shatterhand!" zei deze. "Kent gij dien naam?" + +"Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt +gij.....gij die man zijn, sir?" + +Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak +nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het +geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl +eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op +volgen: "_Behold!_ Is dat niet een Henry-karabijn sir?' + +"Natuurlijk!" zei Old Shatterhand met een bevestigend +hoofdknikje. "Kent gij die soort van geweren?" + +"Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige +beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest +zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, +dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als +deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem +vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand +moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit." + +"Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het +geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; +de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen." + +"Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, +die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier +op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag +doodslaat?" + +"Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan +twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, +maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn +vuist. Wilt gij er van gediend zijn?" + +Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, +en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere +sprong schielijk achteruit, en riep: "Dank u sir! dank u. Ik wil u +veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één +hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij +mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk +niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden +scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, +ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even +verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere +eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn." + +"Waar naar toe?" + +"Wij moeten naar Fort Mormon." + +"Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen +gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, +om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen." + +"Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat +sir?" + +"Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van +daar gaan wij naar de Book Mountains." + +"Dan moet ik u waarschuwen sir!" zei de officier die nu een toon +aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber +van zijn korps stond. + +"Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?" + +"Voor de Roodhuiden." + +"Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens +weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De +Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, +en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert +jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen +opwekken." + +"Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger +verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun +strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort +Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden." + +"Zoo? Daarvan weten wij nog niets." + +"Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan +dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het +territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand +bij de Roodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar +toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben +alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen." + +"Waarom dat?" + +"Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs +overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de +Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij +verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De +aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun +handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den +volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen +volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens +gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook +slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes +bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar +Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor +ieder paard een ander, voor de andere verloren voorwerpen ineens een +som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden +en een geweer." + +"Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?" + +"Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden +het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is +onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks +opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het +territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, +om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten +omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die +tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt." + +"En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?" + +"Alles wat zij buitmaken." + +Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde +zijn hoofd, en zei: "Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, +en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de +boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van +de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men +de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de +beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich +tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, +en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!" + +"Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, +en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze +mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet +dezelfde zijn." + +"Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en +mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan +zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de +Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde +natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, +om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke +beschaving, maar van haar verlangt, dat zij in een ommezien +tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke +maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen +ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, +om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn. _Good b'ye, Sir!_" + +Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, +weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft +nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had +hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal +vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij +thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is +"Broeder Jonathan" aan het verstand te willen brengen dat hij geen +grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot +oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te +voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder +ergens medelijden te hebben gevonden. + +Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen +ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans +de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder +wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: "Daar +ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, +dan zullen wij er in vijf minuten zijn." + +De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier +ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten +scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar +Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, +dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een +zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden +begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van +zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, +doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn +metgezellen hem te volgen. + +Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, +en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste +gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, +in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, +ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, +wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard +door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij +stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken +viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer +belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een +ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar +Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, +verloren geweest zijn. + +Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open +vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde +rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: "Hier +is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, +en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben +wij ook, zooals gij ziet." + +Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, +dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar +werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om +hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te +maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en +ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij +hier veilig waren. + +Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd +dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer +in het midden. + +Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon +te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen +keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den +anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg +over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat +hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen +overrompeling te vreezen had. + +Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand +nam er een stuk van. + +"Hum!" bromde Hobble-Frank. "Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger +in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten +vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik +hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen +zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren." + +"Maar 't is geen hond!" zei Jemmy. "Gij hebt immers gehoord, dat +dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een +keffende stem heeft." + +"Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog +erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen +er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot +vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien." + +Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar +zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, +en zei kauwende: "Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, +maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees +dat er van die twee honden niet veel over zal blijven." + +"Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren," antwoordde +Jemmy. "Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten." + +"Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór +den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, +ben ik voorshands alweer tevreden." + +"Morpheus heet hij," verbeterde Jemmy. + +"Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet +krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe +zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een +zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels +zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er +van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: +In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, +en eet uw prairie-hond liever zonder praatjesmakerij, die met een man +van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; +maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, +dan word ik allicht een beetje kitteloorig!" + +Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, +opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette +niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging +van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank. + +Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een +groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van +twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan. + +De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, +die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand +en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun +paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij +te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen +waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos +uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten +tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, +die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, +en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen +doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats. + +"Wat denkt gij van dit spoor, Knox?" vroeg een der twee. "Zouden wij +misschien Roodhuiden voor ons hebben?" + +"Neen," antwoordde de andere zeer bepaald. + +"Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?" + +"De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, +zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander." + +"En met hun hoeveel zijn zij?" + +"Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!" + +"Behalve wanneer het soldaten zijn." + +"_Pshaw!_ Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten +zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig +verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit +ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, +dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?" + +"Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch +somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed +heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door +de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten +overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van +ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn +tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen." + +"Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; +en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen +troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust +meer te maken." + +"Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren." + +"Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den +benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, +zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan +als vanzelf." + +"En waarin bestaat dat middel?" + +"Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons +kunnen aansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, +en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, +die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt +hebben om hun oorlogstuig op te graven." + +"En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?" + +"Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen." + +Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij +spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen +zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, +bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den +roodharigen kornel. + +Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de +twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, +trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol +onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg +gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te +weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal +aanhangers te werven. Dat waren natuurlijk allen menschen zonder middel +van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder +hen bevonden zich ook Knox en Hilton, de twee, die nu op het bosch +aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, +dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel +monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten +zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La +Veta over de Rocky Mountains gaan, en de andere helft zou de richting +naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te +komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten +die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op +zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en +hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het +ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero +hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt +hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit +van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een +troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en +verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden +zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, +en de twee aanvoerders, Knox en Hilton, waren de eenigen, die het +geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen. + +Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar +aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten +zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij +tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was. + +Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden +zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden +slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden. + +"Dus, jagers, begrepen?" fluisterde Knox tegen Hilton. + +"Ja," antwoordde deze. "Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan +komen!" + +"Dan laat gij mij maar antwoorden." + +Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar +bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in +de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het +hoofd tot de voeten. + +"_Good day_, messieurs!" groette Knox. "Is het ons vergund, hier bij +u een weinig uit te rusten?" + +"Ieder eerlijk man is ons welkom," antwoordde Old Shatterhand, +terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen +hun paarden opnam. + +"Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt," zei +Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, +goed doorstond. + +"Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb +leeren kennen." + +"Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven." + +De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden +stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het +gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken +er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen +tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen +te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, +werd dus zwijgend doorgebracht. + +De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch +aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old +Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; +maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de +in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze +zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een +bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want +zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, +langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen. + +De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan +de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De +meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en +boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, +die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer +van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn +gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan +het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De +voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, +zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een +paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat +dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door +zijn waarschuwende handbeweging tot de grootste stilte aanmaande, +moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje +voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort +eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, +zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den +Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: "Er is hier een bleekgezicht +geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te +loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de +boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken." + +De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old +Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote +Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur +later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij +floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te +voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, +waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden. + +"Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen," sprak hij tot hen. "Dat +zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten +vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen +mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij +zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, +totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop +de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden +zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te +bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het +dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven +hier om de vastgebonden paarden te bewaken. _Howgh!_" + +Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde +beteekenis als onze woorden: "Het zij zoo" of "basta" of "daarmee +afgepraat!" Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee +te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld. + +Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch +in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord +werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte +uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte +te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht +hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte +van de Indianen, was dat mogelijk. + +De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof +zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen +verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: "Nu hebben wij gegeten +en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór +den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken." + +"Ja," merkte Jemmy aan. "Maar vóór alles dienen wij toch elkander te +leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen." + +"Juist!" zeide Knox, met een vriendelijk hoofdknikje. "Als ik vragen +mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?" + +"Wij rijden naar de Elk-bergen." + +"Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis +gezamenlijk doen." + +Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, +om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als +hij den tijd daartoe gekomen achtte. + +"Dat vind ik niet kwaad," antwoordde de dikke. "En waar wilt gij dan +verder heen?" + +"Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers +te zoeken." + +"Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen +wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, +beverjagers?" + +"Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton." + +"Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die +niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik." + +"Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven +ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan +een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er niets tegen, +dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?" + +"Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden." + +"Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?" + +"Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman +rechts..." + +"Stellig den langen Davy?" viel Knox hem schielijk in de rede. + +"Juist! Dat hebt gij goed geraden." + +"Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke +Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En +die kleine master hier aan uw linkerhand?" + +"Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig +genoeg blijken zal." + +Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, +en deze vervolgde: "En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, +is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, +dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken." + +"Old Shatterhand?" riep Knox, met alle kenteekenen van aangename +verrassing. "Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?" + +"Waarom zou dat niet waar zijn?" antwoordde de genoemde. + +"Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen +doet, kennis met u te maken." + +Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig +Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: +"Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij +bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen." + +Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet +zag, en antwoordde ijskoud: "Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is +het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen." + +"Waarom niet, sir?" + +"Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen +genoegen kan doen kennis te maken." + +"Hoe bedoelt ge dat?" vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door +zulk een onverbloemd antwoord. "Ik houd het er voor, dat gij schertst, +sir!" + +"Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk +een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers." + +"Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen +laten welgevallen?" + +"Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?" + +"Kent gij ons dan?" + +"Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn." + +"Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, +met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij +ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?" + +"Waarom zou ik dat niet kunnen?" + +"Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt +niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, +dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?" + +"_Pshaw!_ Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in 's +hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden +van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag +heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden +zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer +is dat geweest?" + +"Vier dagen geleden." + +"Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?" + +"Ja." + +"Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een +leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de +open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het +bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt +gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, +goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen." + +"Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien +hebben." + +"Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik +reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En +nu verder: Waar hebt gij uw zadels?" + +"Die hebben ze ook gestolen." + +"En het paardetuig?" + +"Dat ook." + +"Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!" riep +Old Shatterhand, vol minachting lachende. "Dus gij hebt zadels en +paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u +alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn +paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?" + +"Die hebben wij van een Roodhuid gekocht." + +"En de paarden ook misschien?" + +"Neen," antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen +zou kunnen staande houden--die zou al te groot, al te onbeschaamd +geweest zijn. + +"Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog +niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?" + +"Die hebben wij gekocht van Fort Dodge." + +"Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas +zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een +paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, +ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet +beslagen zijn?" + +"Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons +verkocht heeft." + +"Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!" + +"Wat dan?" + +"Gestolen!" + +"Sir?" riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte +met de hand naar zijn gordel. + +"Laat de messen maar zitten, of ik sla u beiden neer als een paar +kegelpoppen," dreigde Old Shatterhand. "Of denkt gij, dat ik niet +gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?" + +"Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien +rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij +ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel +te vellen." + +"Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander +blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden +behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft." + +Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid +van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden +in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam +ten laatste zijn toevlucht tot grofheden. + +"Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch +gehouden," zei hij. "Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie +zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig +zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen +om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik +begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en +om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, +zullen wij opbreken." + +Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, +vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: "Gij blijft hier!" + +"Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?" + +"Natuurlijk!" + +"Hebt gij dan iets over ons te zeggen?" + +"Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen." + +"Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche +dressuur!" + +Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en +men kon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, +als hij moeite deed om te schijnen. + +"Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur," +antwoordde de jager, "Dat uw paarden aan de Utah's toebehoord hebben, +blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?" + +Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren +gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht +trok. Zij hielden namelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich +om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, +als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan. + +"Ja, wat kan dàt zijn?" riep ook Jemmy. "Er zijn Roodhuiden in de +nabijheid." + +Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den +omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: "Wij zijn omsingeld, +stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; +en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen." + +"Wat dan?" vroeg Davy. "Moeten wij ons verweren?" + +"Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets +te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!" + +Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, +zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, +eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg. + +"Nu gauw de rots op!" gebood Old Shatterhand; "dààr zijn wij gedekt, +hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten." De kolossale +steenmassa's waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, +als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf +voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden +waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, +waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der +twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De +hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch +hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee +andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; +daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen. + +Nu deed "de Groote Wolf" aan zich zelf de vraag, wat hij, in de +gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, +die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, +en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren +zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, +en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden +tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de +overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die +verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, +dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het +wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; +maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan +gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, +waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep +dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, +om met hen te beraadslagen. + +De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of +juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een +luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en +de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed +hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, +kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom +staande, riep: "De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, +en kunnen naar beneden komen." + +Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De +Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog +geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: "Als de blanke mannen +niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!" Daarop gaf Old Shatterhand +nu ten antwoord: "Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, +dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?" + +"Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden +geroofd hebben." + +"Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; +die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat +zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij +zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer +gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen." + +"Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!" + +"Neen." + +"Ik geloof u niet." + +"Wie zijt gij? Hoe is uw naam?" + +"Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs." + +"Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is +de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, +en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen +doen boeten." + +"Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u +onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is +uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?" + +"Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden +niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een +muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons +voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens +bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat +is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der +Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf +daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag +hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der +Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten +noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe +(= de doodende hand) genoemd." + +De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte +duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den +jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de +stem van den Grooten Wolf zich weer hooren: "Het bleekgezicht wil ons +wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij +weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting +staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te +ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt." + +"Hoe dat zoo?" vroeg de jager. + +"Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed +benomen, om u aan ons te vertoonen." + +"Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst +dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele +gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier +man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, +dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!" + +Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste +punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de +hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit +de kogel hem raken kon. + +"Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!" klonken luid verscheiden stemmen +(= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel). + +Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien +hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: +"Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, +dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?" + +"Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel +verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan." + +"Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere +mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn +dood ontzettend aan u gewroken worden." + +"Wij zijn niet bang voor wraak." + +"Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor +zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en +mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is +hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem +zoekt te dooden?" + +"De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand +alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En +daarom zal hij zich nu óók laten zien." + +Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale +gestalte duidelijk te zien kwam. + +"Is Old Shatterhand nu voldaan?" vroeg hij. + +"Neen!" + +"Wat verlangt hij dan nog meer?" + +"Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat +uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, +die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet +komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke +krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen." + +"Wilt gij niet liever bij ons komen?" + +"Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den +andere halverwegen tegemoet te komen." + +"Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut +blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen." + +"Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden +alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan +waart gij natuurlijk een verloren man." + +"Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat +is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de +groote blanke jager gewapend zijn?" + +"Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat +het vrij, te doen zooals gij goedvindt." + +"De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en +vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!" + +De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, +en wachtte toen Old Shatterhand af. + +"Gij waagt te veel," antwoordde Jemmy hem. "Zijt gij inderdaad +overtuigd, dat gij het durft besteken?" + +"Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen +te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik +argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik +hem vertrouwen." + +"En wat moeten wij ondertusschen doen?" + +"Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem +aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word." + +Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander +aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand +den hoofdman de hand toe, en zei: "Ik heb den Grooten Wolf nog nooit +gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging +de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij +dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te +kunnen begroeten." + +De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand +aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de +voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: "Laat ons gaan +zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen +de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, +dien ik als vriend begroeten kan." + +Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover +hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en +Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten +zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand's +mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem +had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de +rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had +het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, +ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren +nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier +van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, +waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden. + +Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen +beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, +en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen +kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den +blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, +maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de +breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te +duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere +voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals +hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, +toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: +"De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte +is daaraan niet geëvenredigd." + +Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen +van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt +niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als +een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: +"Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van +mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte +van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, +is daaraan niet geëvenredigd?" + +"Dat zou een beleediging zijn," antwoordde de Roodhuid met +vlammenschietende oogen, "waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel +te geven den strijd te beginnen." + +"Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn +gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, +maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik +ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u +spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, +voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet +tot een gewenscht doel kunnen leiden." + +Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den +Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, +des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op +dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin +hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen. + +"Er is maar één doel en geen ander," verklaarde de Groote Wolf. + +"En dat is?" + +"Uw dood!" + +"Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan." + +"Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!" + +"Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts +overvallen hebben?" + +"Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan +teruggehouden hebben." + +"Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?" + +"Omdat gij met hen meegereden zijt." + +"Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij +zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en +toen ons spoor hebben gevolgd." + +"Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons +in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van +onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze +bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, +om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te +vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de +tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, +iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed +moeten wij houden, en gij zijt een blanke." + +"Maar een blanke, die onschuldig is." + +"Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet +onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, +dan onze tegenstanders en moordenaars?" + +"Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een +vriend der roode mannen ben." + +"Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de +onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, +vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en +zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal +dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en +rechtvaardiger te handelen." + +Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de +gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar +toch antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf denkt slechts aan +zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter +dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen +en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten +strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal +des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen +geweest zijn." + +"Wij--dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie +metgezellen? Wie zijn dat dan?" + +"De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; +maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: +den dikken Jemmy en den langen Davy." + +"Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, +en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar +juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der +blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze +afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij +zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde +mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u +kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes +zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche +land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe +reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer +geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende +bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult." + +Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote +onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter +niets daarvan blijken, en antwoordde: "Uw bedoeling is zeer goed, +en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, +zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn." + +"Ik belach hen; zij kunnen komen!" + +"Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij +honderdtallen zult kunnen tellen?" + +"Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet +gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen +zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, +van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, +van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van +de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: +zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!" + +"Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke +krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, +waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!" + +"Wie dan alzoo?" + +"Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand." + +"Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder +prairie-honden is," erkende de hoofdman. "Maar dat zou ook de eenige +zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen." + +"O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts +één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult." + +"Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook +moeten sterven; hij is onze vijand." + +"Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders." + +"Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen +zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die +tegen ons opgehitst." + +"Weet gij dat al?" + +"De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan +het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den +stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand +beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt." + +"En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de +krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der +krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, +Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas +en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die +allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets +anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en +de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke +vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?" + +De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte +pauze: "Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen +van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is +gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het +dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger +sterft en spoediger vernietigd wordt? De blik, dien gij mij in de +toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer +aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons +te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite, het blijft bij hetgeen +ik gezegd heb." + +"Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?' + +"Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben +aangekondigd?" + +"Ja," antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid +als in verrassing uitriep: "Geef dan uw wapenen maar over!" + +"Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!" + +"En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!" riep de andere op +een toon van groote verwondering. + +"Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons +aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, +die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?" + +"Ja, dat heb ik gezegd," knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar +nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden. + +"Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op +dit oogenblik is dat het geval nog niet." + +"Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?" + +"Zeer zeker denk ik dat." + +"Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik +bij mij heb? Over de tweehonderd!" + +"Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, +dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij +te vangen of vast te houden." + +"Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel +gaatje waardoor gij ontsnappen kunt." + +"Dan zullen wij zulk een gaatje maken." + +"Daarbij wordt gij immers gedood!" + +"Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven +inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor +zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig +het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt." + +Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem +vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach +uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: +"Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, +maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?" + +"O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?" + +"Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het +oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik +niets van; want dat is een onmogelijkheid." + +"Wil ik u dat eens laten zien?" + +"Ja, laat mij dat eens zien!" riep de hoofdman, als geëlectriseerd +door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover +zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien. + +Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, +moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote +overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste +middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de +Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, +dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk +te maken. + +"Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!" + +De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die +terstond weer achteruit, en vroeg: "Mag ook iemand anders dan gij +het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, +aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen." + +Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij +trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over +moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit +te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten +minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde +Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: "De geheimen van +dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer +het zelf maar eens." + +Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij +dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, +onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de +minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep +van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte +stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij +elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een +schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, +maar stellig den een of den ander moest raken. + +Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen +of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar +hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. "Zou ik het wagen, of +zou ik het niet doen?" Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer +gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide +handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt +zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De +nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij +greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, +dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het +schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De +Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, +en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was. + +"Heb _ik_ hem gekwetst?" vroeg de hoofdman ontsteld. + +"Wie anders?" antwoordde Old Shatterhand. "Dat is nu maar gebeurd, +om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens +aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij +gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de +tweede kogel......" + +"Neen, neen!" riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een +afwerende beweging maakte. "Het is werkelijk een toovergeweer, en +bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en +met dat schot raakt hij zijn eigen vrienden, of misschien wel zich +zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!" + +"Dat is zeer verstandig van u," sprak Old Shatterhand op een ernstigen +toon. "Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één +keer afgegaan is. Het zal louter geweest zijn om u een klein lesje +te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u +eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje +daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal +er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van +elkander af zullen staan." + +Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den +haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: "Ga nu +eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare +keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, +dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart +zou kunnen raken, als ik dat wilde." + +De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat +hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden +Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de +schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van dat oogenblik maakte +de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch +bewegenden bol te schuiven. + +"Oef! Oef! Oef!" hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad +reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, +in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet +één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt +hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het +andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een +beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn +voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren +zonder iets te zeggen, en sprak toen: "Ik zie dat gij een uitverkorene +van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, +maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, +wat er van verteld wordt, waarheid is." + +"Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons +gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij +dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal +in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen +opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven." + +"Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult +u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft +te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden +u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen +neer te leggen." + +"Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, +en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier +paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver +zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga +voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor +en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien." + +"Wij zullen achter de boomen staan!" + +"Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem +u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een +vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u +te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, +en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen +alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij +niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden." + +Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde +lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen +beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: "Als wij niet +gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden +wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen +eed moet men houden." + +"Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men +terugnemen." + +"Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad." + +"Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad." + +"Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met +wien zou ik dus te rade kunnen gaan!" + +Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die +van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager +kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had +nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste +was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, +en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen. + +Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat +stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat +gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier +in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang +duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: +"De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; +meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen +terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft." + +"Wacht nog even!" antwoordde de Roodhuid schielijk. "Zult gij ons +niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te +gaan vechten?" + +"O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij +behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder +mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd +den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de +overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; +maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet +dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt +gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs +ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds +tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, +om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, +hen hier noodeloos dood te laten schieten." + +"Gij hebt gelijk," antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht +van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man +genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. "Ik zelf kan mijn +eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van +ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons +meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal." + +"En als wij nu eens weigeren dat te doen?" + +"Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met +kogels te overstelpen." + +"Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen +en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, +wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, +en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden." + +"Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets +zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat +wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij +dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt." + +Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar +Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: "Dat is niet zoo +gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden +is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post +vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot +te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op +alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van +roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik +bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, +en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op +dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien +zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke +voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan +alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, +of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd +niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien +gij vermijden wilt." + +"Oef!" riep de hoofdman onwillekeurig. "Uw woorden treffen evengoed +als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, +maar ook een meester in de redekunst." + +"Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het +uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen +de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor +u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van +uw vijand te moeten zijn?" + +De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk +had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde +hij: "Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering +gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten +de wapenen maar beslissen." + +"Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en ik +twijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; +maar niet als gevangenen, dat nooit!" + +"Als wat dan anders?" + +"Als begeleiders." + +"Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten +binden?" + +"Neen, in geen geval!" + +"Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet +daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw +toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt +uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen +precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover +moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan +het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!" + +Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer +zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen +tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast +hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun +handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor +het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met +mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel +van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering +der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf moet +erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen +gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord +geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken." + +"Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo +handelen zult." + +Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed +wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks +(= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, +toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: +"Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!" + +"Howgh!" knikte de hoofdman. "Nu is het goed!" + +"Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen," verklaarde Old +Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood. + +Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem +gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte +gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden +waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar +hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, +blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, +en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: "Aan de vier blanken +zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der +oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!" + +Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en +Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren. + +"Neen," antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het +gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd +hadden opgetild, om rond te kijken. "Zij zijn niet dood; zij zijn +niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, +in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen." + +"Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn +voeten!" riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen +schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer +den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo +groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet +eens in hen opkwam. + +"Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen," zei de +hoofdman op zeer strengen toon. "Maar de groote Manitou heeft u nu +in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, +zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle +bleekgezichten in het gebergte het hooren." + +De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak +tamelijk goed Engelsch. + +"Moorden?" vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te +ontkennen. "Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?" + +"Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw +toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt." + +Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en +ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet +gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem +beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij +zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als +zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; +hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden +zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: "Natuurlijk +moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee +komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest." + +"Lieg niet!" + +"Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u +wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie +wij door u aangezien worden." + +"Vlei u niet met die ijdele hoop!" voegde Old Shatterhand hem toe. "Als +gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de +welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, +mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat +heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen +dezelfde als toen." + +Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe. + +"Maar sir!" riep Knox. "Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: +ons leven is er mee gemoeid!" + +"Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, +die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik +heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de +bres te stellen." + +"Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, +dan weet ik ook wat _mij_ te doen staat. Gij wilt ons niet redden, +dan sleepen wij u mee in het verderf." En zich nu van Old Shatterhand +afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. "Waarom behandelt +gij de vier met verschooning?" vroeg hij. "Zij hebben immers evengoed +paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, +en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!" + +Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte +een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij +bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op +zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten +eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: +"Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden +alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te +schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom +zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds +hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, +om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!" + +Die twee Utah-woorden beduiden: "mijn mes, mijn mes!" Hij riep dat +toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden. + +"Om Godswil neen!" gilde de bedreigde. "Mij levend scalpeeren, +neen, neen!" + +Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als +hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige +vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een +Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam +het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer--drie +vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van +den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in +de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf +gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op. + +"Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan +onschuldigen daarvan beticht!" riep de Groote Wolf, terwijl hij den +scalp in zijn gordel stak. + +Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn +kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg +langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid +te geven. + +De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; +weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden +met riemen geboeid. + +Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand +weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche +schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat +hij bereikt had. + +"Dat ziet er niet best uit," merkte Jemmy aan. "Hebt gij ons niet +geheel en al vrij kunnen krijgen?" + +"Neen, dat was een onmogelijkheid." + +"Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht +hadt laten komen." + +"Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost +hebben." + +"Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die +de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, +niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, +ons te na te komen." + +"Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten +doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in +overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever +van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten." + +"Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de +vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden +natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn." + +"En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, +beroofd zijn geweest." + +"De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel +gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De +Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter +elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, +vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar +een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden +wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad--twee +schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest." + +"En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden +zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd +hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk +opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door +hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, +zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen +hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens +alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren." + +"Dat is zeer juist gezien," merkte Hobble-Frank aan. "Ik begrijp ook +niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan +opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt +altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old +Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor +een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, +dat Davy er ook zoo over denkt." + +"Dat spreekt vanzelf," antwoordde deze. "Een gevecht zou onvermijdelijk +tot onzen ondergang geleid hebben." + +"Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?" vroeg +Jemmy. "Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten +ons ook als vijanden behandelen zal." + +"Dat zou ik hun maar niet raden," dreigde Frank. "Bij die geschiedenis +heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal +ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met +hand en tand tegen verzetten." + +"Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen +alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor +zoete koek." + +"Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige +zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft +waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig..." + +"Astronomischen wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy. + +"Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen," zei +de kleine driftig. "Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe +noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij +nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles +voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de +viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen +denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan +over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen +geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat +is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen +wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van +het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria." + +Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen +van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar +Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: +"Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht +niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen +bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog +wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan +den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met +het tegenwoordige oogenblik." + +"En dan is allereerst de vraag," merkte Davy op, "of wij den Roodhuid +kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?" + +"Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij +hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging +kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat +ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De +Roodhuiden maken aanstalten om op te breken." + +Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden +vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos +was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had +bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het +smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, +om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was +juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men +verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden +nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, +dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte +van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte. + +Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom +van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de +boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich +in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan. + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +OP DOOD EN LEVEN + + +De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in +vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der +bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan +beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden +zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen +duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het +klaarlichte dag. + +Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht +met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich +stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de +nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf +aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der +krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers +aan dat bevel, en reden weg. + +Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, +welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander +afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het +thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het +bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water +reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men +in de verte de vuren zag branden. + +"Oef!" liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn +stem hooren. "Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw +lot beslist worden." + +"Vandaag nog?" vroeg Old Shatterhand. + +"Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal +langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den +slaap nieuwe krachten geput hebt." + +"Dat klonk niet onakelig!" zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet +door de Roodhuiden verstaan te worden. "Onze doodsstrijd! Hij schijnt +dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt +gij daarvan, oude Frank?" + +"Vooreerst nog niemendal," antwoordde de kleine Saks. "Spreken zal ik +eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft +geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een +uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil +ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg +voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als +zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij +mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ik van plan toch ook +een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er +dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal +zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar +de Elize geëxpediëerd heb." + +"Bedoelt gij naar het Elyzee?" vroeg de dikke. + +"Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, +en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met +een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken +hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het +minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in +pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; +de leege vaten klinken het hardst." + +Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing +waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd +daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik +van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich +opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen +hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, +daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende +om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter +wilde beesten bestond. + +Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen +vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist +had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele +krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De +bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om +over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De +vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes +bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap +daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat +zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk +heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten. + +Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die +bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken +vervaardigde hutten--tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in +welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van +de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van +den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der +Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De +krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de +vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang +om de blanken heen te dansen. + +Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het +is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle +eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen +heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt +voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot +nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep +zijn metgezellen eenige woorden toe, waarop zij neerknielden en hun +geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de +knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn +aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil. + +"Wat is dat?" riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. "Zijn wij +gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig +gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik +heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben +met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander +beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden +behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden +wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs +indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de +vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij +zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij +honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand +te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem +voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer +gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, +den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren +laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van +hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die +voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!" + +De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager +den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te +treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde +hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar +dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes +trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen +fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden +"Old Shatterhand" en "Geweer des doods" duidelijk gehoord werden. Er +traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, +en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog +altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old +Shatterhand zich bediend had, sprak hij: "De hoofdman der Yampa-Utahs +is niet trouweloos; hij houdt den calumet der beraadslaging in eere, +en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal +over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang +zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee +anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te +maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van +bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?" + +"Ja," antwoordde deze. "Maar ik verlang, dat onze paarden in de +nabijheid van onze tent zullen blijven." + +"Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht +Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans +heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door +een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk +ontkomen kan." + +"Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; +gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat +toch doen, dan heb ik er niets tegen." + +"Komt dan maar mee." + +Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen +zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, +keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, +die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden +lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie +adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, +dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was. + +De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik +openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor +het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, +legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; +doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een +betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle +kanten ten scherpste bewaakt werd. + +Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee +voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord +te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met +water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken +vleesch lagen. + +"Oho!" zei Hobble-Frank lachende. "Dat is vast ons avondeten. Een pot +vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten +verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En +buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven +hebben met rattenkruit?" + +"Rattenkruit?" lachte de dikke. "Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan +halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel." + +"Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat +ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar +schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u +redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, +waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid +verheven acht boven uw pigment-gestalte." + +"Pygmeën-gestalte," verbeterde Jemmy. + +"Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!" gebood de kleine. "Breng +mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, +waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht +aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo +populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare +kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen." + +"Ja, braad maar!" knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den +kleine een afleiding te geven. + +"Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan +laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de +tent uit mag om aan het vuur te komen." + +"Dat zult gij dienen te probeeren!" + +"Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden +mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of +dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang +ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft; +_feni, fidi, fidzji_--ik ga er uit!" + +Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor +kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd +werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de +open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade. + +De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle +schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren +boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende +zilverstreep naar beneden kronkelde, een riviertje, of juister gezegd +een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een +meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken +vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen +was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; +de omtrek van dat meer was vlak en effen. + +Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden +bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om +langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik +op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en +evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun +toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old +Shatterhand en zijn metgezellen. + +Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in +de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een +toon van groote zelfvoldoening: "Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd +naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets +om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent +heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien." + +"Op welke manier?" vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even +boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, +en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de +tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht. + +"Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder +genoemd mag worden," antwoordde de kleine. "Ik heb eens gelezen, dat +houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren--en dat mankeert ons +hier--maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje +is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds +allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen +en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam +daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen +kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist +daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, +die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn +als hij het proeft." + +"O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan +van uw verstand beroofd!" + +"Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; +en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan +toch al lang overtuigd moest wezen. De asch is een chemisch product, +dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons +elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer +goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten +schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel +ten onder gebracht zou worden." + +"Maar," hernam Jemmy hoofdschuddende, "gij zegt zelf, dat de vlam +eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of +aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden." + +"Praat niet, maar kauw!" viel Frank uit. "Het is zeer ongezond, +onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep +van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in +de maag in de milt terecht." + +"Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog +vleesch?" + +Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder +zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een +donkere, vettige laag asch. + +"Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?" antwoordde +Frank. + +"Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet." + +"Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen +gij proeft." + +"Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven." + +"Neen, die wordt er eerst afgeveegd." + +"Doe mij dat dan eens voor." + +"Met koninklijk gemak!" + +Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren +wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat. + +"Dat doet men zoo!" sprak hij triomfantelijk. "Het mankeert u altijd +aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En +nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van +afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat...." + +Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn +twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, +keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan. + +"Nu," lachte Jemmy, "bijt maar toe!" + +"Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst +als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat +er stil bij." + +"Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude +pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij +die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen." + +"Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden +door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat +malscher kunnen kloppen?" + +"Probeer dat maar eens!" zei Old Shatterhand lachende. "Maar ik, +ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is." + +"Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel +vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het +afvegen." + +Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar +waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank +was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje +zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er +gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel. + +Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere +blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden +een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom +begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, +dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat +voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf +hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom +eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, +vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit +hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo +niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst +waagstuk geweest zijn. + +Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op. + +Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd +te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, +neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden +vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen. + +"Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!" sprak +Davy. "Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen +op de eeuwige jachtgronden." + +"Ten minste een of twee of drie van ons." antwoordde Jemmy. + +"Hoe dat zoo?" vroeg Old Shatterhand. + +"Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te +vergrijpen." + +"Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers +bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat +den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te +sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van +hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste +van ons vieren viel." + +"Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult." + +"Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet +beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; +en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te +wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang +voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot +onzen dood zullen besluiten." + +"Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?" + +"Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik +moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen +bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen +geven. Maar onze namen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij +zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, +dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen +voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons +een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet +leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten." + +"Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde +zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de +voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten." + +"Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De +blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel +list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren +betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en +het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, +dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits +de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots +der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen +tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden +wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken." + +"Maar," zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, "het +vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve +bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken +als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, +gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere +drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de +genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben." + +"Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden +Elandsvleesch?" vroeg Jemmy. + +"Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, +dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven +te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch +mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op +middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en +ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch +vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land +op te jagen?" + +"Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders," +merkte Jemmy aan. + +Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: "Nu wordt het al +te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel +van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude +temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen +van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik +verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen. _Requiriescat +in pänem_!" + +Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje +van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg +er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, +en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd +dan nu en dan door het geknapper van het vuur. + +Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden +die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep +deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid +keek naar binnen, en zei: "De bleekgezichten kunnen opstaan en met +mij medegaan." + +Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem. + +Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode +gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het +feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij +traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, +wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid +sprak, dan bepaald vijandige gezindheid. + +"Wat scheelt dat volkje?" vroeg Frank. "Zij staan mij aan te gapen, +zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil." + +"Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op," antwoordde Old +Shatterhand. "Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is +geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij +zullen om ons leven moeten wedstrijden." + +"Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt +gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?" + +Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag +kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich +zelf dacht. + +"Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk +is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu +zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven." + +Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht +daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner +was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, +en zei: "Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten +zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk +de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven." + +"Wij zouden dat liever niet willen zien," antwoordde Old Shatterhand. + +"Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende +bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, +en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden." + +"Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe +genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet." + +"Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt +gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den +dood gestraft." + +Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij +zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, +indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde +hij met tegenzin: "Welnu, wij zullen blijven." + +"Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, +zal u een _eervolle_ dood beschoren zijn." + +Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De +andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen +hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en +verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil +beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel +zou aanvangen. + +De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de +palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen +ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van +een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was. + +Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij +niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten +worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van +kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas +zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend +uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel +met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, +dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor +reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden. + +De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn +borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met +hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de +vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: "Redt mij, messieurs! redt +mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen +zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u +te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?" + +"Neen," antwoordde Old Shatterhand; "wij zijn zelf gedwongen hier, +en kunnen niets voor u doen!" + +"Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De +Roodhuiden zullen wel naar u luisteren." + +"Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed +heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er +voor te dragen." + +"Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft +Knox gedaan!" + +"Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op +hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat +gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld +hiernamaals!" + +"Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!" + +Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en +wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn +vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een +teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem +gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende +manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en +schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in +vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat +met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de +Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnen te rammelen en +kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld +waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een +aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, +verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te +bewegen een goed woord voor hem te doen. + +"Nu, ik zal het probeeren," zei deze. "Van den dood zal ik u niet +kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling +wat spoediger ten einde brengen." + +Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had +om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid +toe: "Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik +dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het +niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt +heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor +zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun +woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over +u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft +te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt +gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan." + +"Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen." Dit +was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven. + +"Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen +of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen +vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te +dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op +de straf, die de daders ondergaan zullen." + +Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een +dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog +eens tot Old Shatterhand, en zei: "Dit zijn de bloedverwanten van hen, +die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, +de strafoefening te beginnen." + +"Waarin bestaat die?" vroeg de jager. + +"In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar +hen geworpen." + +Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, +zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, +die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, +maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het +messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de +verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt +moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt +die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de +gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken. + +"Den rechterduim!" gebood de Groote Wolf. + +De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij +hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee +groepjes, het eene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen +een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste +nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie +vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van +pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat +van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam. + +"Den wijsvinger!" gebood de hoofdman. + +Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt +moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu +brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen +zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos +om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, +en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend +gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep +hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden +voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat +zou achten. + +Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening +voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de +handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd +ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, +en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen +duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd +ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun +oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij +blijven aanhooren. + +Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van +lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, +dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of +verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder +gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan +den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen +met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, +en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit +te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal +is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, +wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt +de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, +die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door +hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige +ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het +voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden. + +Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van +Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten +uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten +van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, +werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe +pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich +daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand +zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannen op, en sprak: +"Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de +hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen +dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, +diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw +aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd." + +Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen +en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om +er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in +de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen. + +Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een +vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden +zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar +wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, +voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte +van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken +begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der +Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: +"Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen +Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want +hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de +eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en +vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!" + +Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old +Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, +een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk +een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af +te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het +voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, +om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, +en zei: "De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; +zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, +werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, +die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in +een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn." + +Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, +en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij +zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars +wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door +honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde. + +Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts +nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot +nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, +dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende +menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; +en toen werd alles weer stil. + +"Luister!" zei Jemmy. "Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij +die twee door de honden laten opvreten." + +"Het is mogelijk, maar ik geloof het niet," antwoordde Old +Shatterhand. "Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw +overspannen verbeelding. Ook de mijne is in een zeer opgewonden +toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen +hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien." + +Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der +terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de +legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden +aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken +rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek +om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok +hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van +schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat +geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige +woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, +omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn +geweer aan, en mikte. + +"Niet schieten!" gebood Old Shatterhand. "De Roodhuiden zouden het ons +zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil +hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag." + +Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles +veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den +ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden +afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, +zijn handen naar omlaag houdende. + +"Gij zijt verloren!" riep de Groote Wolf hem toe. + +"Wacht het af!" antwoordde de jager. + +Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek +wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn +tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, +en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich +reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het +beest te gemoet--een botsing van hond en mensch.--Old Shatterhand +sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was +gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, +dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen +adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar +beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den +kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, +en smeet hem toen op den grond. + +"Daar ligt hij!" riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. "Laat hem +vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen." + +"Oef, oegh, oegh, oef!" klonk het van de lippen der verbaasde +Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden +zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, +om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei +op bewonderenden toon: "Mijn blanke broeder is een held! In plaats +van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, +heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid +had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch +ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de +ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?" + +"Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen." + +"Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had." + +"_Pshaw!_ Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat +denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?" + +"Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is +gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?" + +"Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik +genegen ben om met u medelijden te hebben." + +De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als +bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den +kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van +de beraadslaging konden afluisteren. + +Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier +gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange +rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf +nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; +de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden +eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig +spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er +zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven +hebben. + +De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, +wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde +een algemeen met luider stemme geroepen "howgh" het einde van de +vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in +den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De +Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. "De +vier bleekgezichten," sprak hij, "hebben reeds gehoord waarom wij de +strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij +hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen +vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij +zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou +worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult +verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, +en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, +die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar +gij zult om uw leven mogen kampen." + +Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, +om de vraag tot hem te richten: "Met wie? Wij met ons vieren tegen u +allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige +opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door +zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd." + +Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in +staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de +hand, en antwoordde: "Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal +slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, +en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden." + +"Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om +onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?" + +"Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich +vrijwilligers voor aanmelden." + +"En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?" + +"Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen." + +"O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?" + +"Neen." + +"Dat is onbillijk." + +"Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet +in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, +en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen." + +"Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?" + +"Wel, zoo velen tegen vier!" + +"_Pshaw!_ Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des +Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem +iets zal voorgeven." + +"Die bang is?" vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. "Wilt +gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, dat _wij_ +bang zijn?" + +"Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht +looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk +een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij +mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor +betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, +als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen." + +De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij +kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij +hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: "Wij hebben reeds zooveel +inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons +verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp +wel gewaarworden." + +"Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden." + +"Hoe bedoelt gij dat?" + +"Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te +dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, +kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?" + +"Ja." + +"Dus zal niemand mij dan iets doen?" + +"Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal +overwinnen!" + +"Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den +aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten +delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, +dat het anders uitvalt dan gij denkt." + +"Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een +voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar +zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft." + +"Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk +niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden." + +"Word niet te stekelig, pas op!" snauwde de hoofdman hem driftig +toe. "Gij hebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, +ja of neen." + +"En als wij dat nu eens niet doen?" + +"Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet +aan denken zult u te verzetten." + +"Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk +onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en +behandeld zal worden als vriend." + +"Dat beloof ik u!" + +"Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!" + +"Gelooft gij mij dan niet?" riep de Groote Wolf. + +Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest +houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige +bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: "Kom aan, ik +geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd +maar op!" + +Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en +drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei +tegen zijn metgezellen: "Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet +al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik +ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik." + +"Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen +waren," zei de lange Davy. + +"Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De +Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één +zal opkomen om met mij aan te binden." + +"O, zeer zeker." + +"Wie dan?" + +"De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij +de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, +een echte olifant." + +"Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste +tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd +zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo +zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht +te kiezen." + +"Wij zullen het maar afwachten," zei Jemmy. "Al maken wij ons nòg +zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig +en de oogen maar open houden." + +"En het hoofd op de rechte plaats," voegde Hobble-Frank er bij. "Wat +mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik +weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, +ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag +een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, +dat de vonken heel tot Groenland spatten." + +Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring +werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor +het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende +vrijwilligers. + +"Wijs nu dan de paren maar aan," verzocht Old Shatterhand. + +De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: "Hier +staat Pagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om +zijn leven wil zwemmen." + +De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, +skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn +element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde +heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch +gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den +ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, +dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik +vol minachting, die hij op Davy wierp. + +Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens +spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, +plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: "Dit hier is +Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht +worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een +mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, +mag hem doodsteken." + +De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk +groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er +aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke +Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had. + +Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, +ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen +en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: +"Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met +dit bleekgezicht om het leven te harddraven." + +Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen +twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, +de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel! + +"En wie is mijn tegenstander?" vroeg Old Shatterhand. + +"Ik!" antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn +giganten-gestalte met fierheid oprichtte. "Gij hebt zeker gedacht, +dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin +vergist hebt." + +"Dat doet mij genoegen," antwoordde de blanke vriendelijk. "Ik heb +tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht." + +"Gij zult het onderspit delven." + +"Old Shatterhand wordt nooit overwonnen." + +"En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, +dat hij mij overwonnen heeft!" + +"Dat zal _ik_ vandaag reeds vertellen." + +"En zal _ik_ meester van uw leven zijn." + +"Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!" + +Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer +goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk +antwoordde deze schielijk: "Ik heb niets met uw Geweer van den Dood +te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen." + +"Ook dat vind ik goed." + +"Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u +is dus ook uw paard, mijn eigendom." + +"Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer +heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?" + +"Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte +naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn +beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan +kan het daar verroesten en verrotten." + +"Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want +anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs +brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de +verschillende wedkampen zullen plaats hebben." + +"Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen +gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden +daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen." + +De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, +om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden +kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden +krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets +bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich +nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten +dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij +zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur +stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar +hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel +geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht. + +"De Roode Visch!" mompelde hij. "Dien naam hebben ze natuurlijk aan +den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is." + +"En gij?" vroeg Old Shatterhand. "Ik heb u wel eens zien zwemmen, +maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een +rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?" + +"Niet al te best." + +"O wee!" + +"Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit +zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel +zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind." + +"Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur +van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?" + +"Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar +wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen +hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten." + +"Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt +gij wel eens op uw rug gezwommen?" + +"Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan." + +"Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende +menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug +liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer +regelmatig en druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd +dan de handen onder den rug." + +"_Well!_ Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het +loodje wel laten leggen." + +"Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt." + +"Welke list?" + +"Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in." + +"Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?" + +"Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren." + +"Wij weten niet eens _waar_ gezwommen moet worden." + +"Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver +is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd +passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater +stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, +op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs +dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de +uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, +zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander +slaat." + +"Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, +moet ik dan den kerel overhoopsteken?" + +"Hebt gij daar trek in?" + +"Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele +beetje goed, dat ik bezit." + +"Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, +is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten." + +"Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes +op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?" + +"In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht +wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn." + +"_Well_, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, +en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?" + +"Niets beter," antwoordde de dikke. "Mijn tegenstander heet Groote +Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?" + +"Nu?" + +"Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten +onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die +twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een +nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken." + +"Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!" troostte Old +Shatterhand. "Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is +vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk +wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer +spierkracht heb, dan hij." + +"Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik +zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is +toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist +ik ook maar zulk een list te bedenken." + +"Dat behoeft niet!" viel Hobble-Frank hem in de rede. "Die list ligt +voor de hand. Als _ik_ het met dien platvoeter moest uitvechten, +zou ik mij volstrekt niet ongerust maken." + +"Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!" + +"Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest +moet men overwinnen. Vat ge mij?" + +"Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?" + +"Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar +nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren +daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij +spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit." + +"Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt." + +"Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; +ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand +in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt +u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld +van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes +in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn +tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men +in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk +door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel +kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, +of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik +gelijk of niet?" + +"Ja. Maar verder." + +"Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt +geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander +op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met +den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer +licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander +gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de +Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, +een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar +zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, +niet anders kan strekken dan tot uw voordeel." + +"Hoe zoo dan? Maak het kort!" drong Jemmy. + +"Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik +spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u +van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te +doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable +dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden +later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op +slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, +tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, +waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van +uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar +dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het +mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?" + +Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: "Frank! gij zijt geen +kwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw +raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed +einde leiden." + +Over Frank's eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen +hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: "Genoeg, genoeg, +beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, +kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien +geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant +door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden +wordt. Daarom...." + +"Kiezelsteen, niet tegelsteen!" viel Jemmy hem in de rede. "Lieve +hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een +tegelsteen had!" + +"Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke +kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, +red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen +tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken +heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?" + +"Neen." + +"Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt." + +"Hebt gij er dan een gevonden?" + +"Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik +vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog +jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote +waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens +een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van +twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd +onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb +om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd +en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik +u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder +mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om +aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste +levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met +raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te +zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, +waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, +en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het +nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken." + +"Dat is zeer juist gedacht," merkte Old Shatterhand aan. "Wij hebben +nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal +er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart +wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, +beste Frank?" + +"Beste Frank!" herhaalde de kleine. "Wat een heerlijke acoustiek ligt +er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, +als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, +harddraven! Wat zou ik anders doen?" + +"Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven." + +"Dat weet ik wel." + +"Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er +één doet." + +"Dat is jammer genoeg." + +"De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, +en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?" + +"O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den +ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan +ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen +genoeg van gegeven." + +"Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen +zijn." + +"Hum! Dat zullen wij zien." + +"Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, +vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap." + +"Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het +eind van den rit kom." + +"Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen." + +"Oho! Waarom niet?" + +"Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens +bij de zijne!" + +"O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?" + +"Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij +het om dood en leven gaat?" + +"Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de +hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan." + +"Daar loopt men toch niet mee!" + +"Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen +zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij +terugkomen? Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij +niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, +en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd +moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af." + +"Ik begrijp u niet," zei Old Shatterhand, verwonderd over de +bedaardheid van den kleine. + +"Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, +dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of +sprongen, die het doel voorbijstreven." + +"Hebt gij dan zulk een gedachte?" + +"Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, +verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik +weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat +bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel +zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige +tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet +den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; +en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij +hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun +bescheiden deel gehad hebben." + +Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen, +om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van +menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar +zou de zwemwedstrijd plaats hebben. + +Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden +juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer +had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde +stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de +linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde +op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet +heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna +drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, +was hij misschien gered. + +De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den +oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, +want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de +twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol +zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is +van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; +zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, +was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging. + +Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: +"Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?" + +"O ja," antwoordde de gevraagde; "maar wij kennen de nadere bepalingen +nog niet." + +"Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te +water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, +steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, +waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever +af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, +is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere +overhoop." + +"Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar +links?" + +"Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug." + +"Moeten zij naast elkander zwemmen?" + +"Natuurlijk." + +"Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de +linkerhand?" + +"Neen, omgekeerd." + +"Waarom?" + +"Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den +versten afstand af te leggen heeft." + +"Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten +zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, +dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van +wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever +en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, +en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug." + +"Gij hebt gelijk," verklaarde de hoofdman. "Maar wie moet rechts en +wie moet links?" + +"Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten +beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers +trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, +wie den kortsten trekt naar rechts." + +"Goed, zoo zal het zijn. Howgh!" + +Dat laatste woord werd tot Davy's geluk gesproken, want het bewees +dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand +had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot +waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, +toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt +een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en +moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer +gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, +waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht +van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend +tegen Old Shatterhand: "Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, +weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste +zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat +moeite hebben om er tegen op te komen." + +Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water +staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn +handen--een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en +zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs +den oever naar rechts. + +"Houd u goed, Davy!" riep Hobble-Frank zijn vriend achterna. + +Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te +bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als +iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht +voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar +hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy +zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en +moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat +niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging +het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch +zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich +nu beiden op de lange zijde van het meer. + +Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste +taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af +te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en +bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming +sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men +spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met +de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat +zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak. + +Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, +maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij +kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige +regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel +bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde +daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor +verdubbelde zijn snelheid, en weldra was hij den Rooden Visch vooruit, +hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, +in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij +later te boven zou moeten zien te komen. + +Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde +ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, +en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den +Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing. + +Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade +te slaan. + +"De Roodhuid haalt hem weer in," zei Jemmy op angstigen toon. "Hij +zal verliezen!" + +"Als hij zich nog maar drie el verder werkt," antwoordde Old +Shatterhand, "dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering +overwonnen, en dan is hij behouden." + +"Ja, ja," merkte Frank aan; "hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie +eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; +hij is er overheen. Hoera, hoera!" + +Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij +in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, +terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg +nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan. + +De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven +te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, +bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het +dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de +plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep +hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van +de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den +rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij. + +"Hoera!" riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De +Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar +woedend gebrul. + +Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename +uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te +roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, +hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; +maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij +zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte +hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich +omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, +en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming. + +Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden +weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten +doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, +en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de +dooden verrezene, te begroeten. + +"Wie had dat gedacht!" zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen +drukte. "Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!" + +"Door een grashalm!" antwoordde de jager met een glimlachje. + +"Hoe hebt gij dat toch bewerkt?" + +"Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die +echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw +leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door +benadeeld werden." + +"Zoo is het!" zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde +over de door zijn vriend behaalde overwinning. "Uw leven heeft niet +aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook +bij het wedloopen. De beenen alleen doen het 'm niet, dat gelijkt +er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, +de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd +komt het 't meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!" + +De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf +minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, +met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden +keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den +overwonnene den doodsteek zou geven. + +Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den +overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte +beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, +gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen +moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: +"Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!" + +Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij +nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en +zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: +"No wiesj--not pokai!" + +Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs +hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: "Waarom doodt +gij hem niet?" + +"Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven." + +"Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben." + +"Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij +mag leven." + +"Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, +vrouw en kinderen?" + +"Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat +hij heeft." + +"Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn." + +Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, +die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren +over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan +hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De +Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke +hem niet doodstak en scalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, +en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken. + +Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange +toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot +hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven +steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch. + +Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, +of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte +toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te +breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar +werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden +de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den +dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen +listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden. + +De twee kampioenen ontblootten het bovenlijf en gingen toen met den rug +tegen elkander staan. De kruin van Jemmy's hoofd reikte niet eens tot +aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand +waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid +over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het +voordeel van laatstbedoelde, reikten de einden van de lasso juist zoo +ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest. + +"Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den +strik open te trekken," zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem. + +Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon +beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn +voorbeeld. + +"Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen," riep +Hobble-Frank. "Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor +geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch +niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, +en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet." + +Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen +te hooren. Hij antwoordde: "Ik ben geen Groote Visch, die zich laat +overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, +spoedig dooddrukken en verpletteren." + +Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; +hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste +vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde +gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het +lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te +beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over. + +Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met +een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen +hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, +om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen +zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste +boven ging. + +Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de +blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig +geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe +harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte +des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen +adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te +verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste +of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het +einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken +list van den Indiaan. + +Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan +te brengen, dat er geen andere aanval volgen kon of zou. Maar nu +greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van +voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar +niet geheel. + +Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich +gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy +was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het +verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den +dikke schielijk toe: "Gooi hem overboord; hij draait zich om!" + +"Ik weet het!" antwoordde Jemmy. + +Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn +draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy +snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, +en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid +greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy's hoofd, +zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de +snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met +de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes +op de hartstreek. + +Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te +geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige +tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden +hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield +bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den +hoofdman, en vroeg: "Ziet gij, dat hij verloren is?" + +"Neen!" antwoordde de gevraagde, naderbij tredende. + +"Waarom niet?" vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij +was gekomen. + +"Hij is niet overwonnen." + +"Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen." + +"Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt." + +"Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, +en daarbij den riem losgewrongen." + +"Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, +en de worsteling moet van voren af aan beginnen." + +"Neen, Jemmy! laat hem niet los!" gebood de jager. "Zoodra hij zich +verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!" + +Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: "Wie heeft +hier te bevelen, gij of ik?" + +"Gij en ik, wij beiden." + +"Wie zegt dat?" + +"Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder +der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over +de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden +niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar +en bedrieger." + +"Gij--gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al +mijn roode krijgslieden?" + +"Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang +eerlijkheid en trouw. Wanneer _ik_ niet meer spreken mag, welnu, +dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken." + +Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die +op een veelzeggende manier in de hand. + +"Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?" vroeg de hoofdman op een vrij +wat minder hoogen toon. + +"Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?" + +"Ja." + +"Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is +dat eerlijk? En dat _moet_ gij gezien hebben!" + +"Ja, dat is zoo," antwoordde de hoofdman aarzelend. + +"En hij zou moeten sterven, die den ander boven zich zou krijgen op +den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?" + +"Ja, zoo is het." + +"Welnu, wie ligt er nu onder?" + +"De Groote Voet." + +"Wie is dus de overwonnene?" + +"Hij ......" antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old +Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van +den hoofdman aanraakte. + +"Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?" + +Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een +machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van +zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: +"Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij +hem doodsteken kan." + +"Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar +hij zal het niet doen." + +"Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?" + +"Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet +geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken +los te wringen." + +"Waarom hem te binden? Hij zal u niet ontvluchten." + +"Staat gij mij daar borg voor?" + +"Ja." + +"Waarmee?" + +"Met alles wat ik bezit." + +"Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar +tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden +afgeloopen zijn." + +Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote +Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der +Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting +zouden geven of niet. + +Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, +die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een +manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun +hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het +hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn +persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis +en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden. + +De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van +zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, +naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu +viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere +luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende +Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de +overwinning zeker. + +Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old +Shatterhand, en zei: "Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, +en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw +kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?" + +"Neen!" + +"Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald +te hebben." + +"Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder +strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk +gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn +tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt +gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die +met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?" + +"Oef!" riep het Springende Hert. "Ik durf een wedloop aan met een ree." + +Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den +lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in +staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar +de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte +van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men +er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon. + +Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het +Hert bekeken. + +"Wel, wat denkt gij van hem?" vroeg hem Old Shatterhand. + +"Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op +de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan," antwoordde +de kleine. + +"Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?" + +"Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat +den kop betreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te +doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij +te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en +gauwer, dan hij met zijn beenen." + +Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: +"Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?" + +"Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen." + +Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen +uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar +het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar +het zuiden, en zei: "Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen +hier en het bosch?" + +"Ja." + +"Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen +loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar." + +Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder +zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal +hij veel beter sprak dan Duitsch: "Maar ik hoop, dat alles eerlijk +zal gaan!" + +"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?" vroeg +de hoofdman schamper. + +"Ja." + +"Moet ik u neerslaan?" + +"Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou +iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet +omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te +werk gaan?" + +"Dat was niet oneerlijk, maar listig." + +"O! En zijn zulke listen geoorloofd?" + +De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij "ja" zei, was daarmee +de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien +zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te +nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht +had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; +en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een +achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: "List is geen +bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?" + +"Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?" + +"Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden." + +"Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te +beginnen. Waar is honk?" + +"Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen +en ook eindigen." + +Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen +stonden. + +"Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik," zei Old Shatterhand. + +"Ja; kunt gij dat aan mij zien?" + +"Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest." + +"Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met +zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer +grooten dienst mee gedaan." + +"Hoe zoo?" + +"Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch, +waar wij driemaal omheen moeten dansen?" + +"Een beukeboom." + +"En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een +boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?" + +"Een pijnboom." + +"Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?" + +"Naar den beuk." + +"Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan." + +"Zijt gij dwaas!" + +"Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met +mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is." + +"Maar wat beoogt gij daarmee?" + +"Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof +niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat +domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen +mogelijkheid vergissen." + +"Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is." + +"Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij +waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen, +zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den +hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik +immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt +niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later +in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet +kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een +Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen +ze mij niet kunnen nageven." + +"Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog +wel een goeden raad geven." + +"Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven; +en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg +mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?" + +"Owomb." + +"Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen +pijnboom?" + +"Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden." + +"Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?" + +"Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar +komt de hoofdman aan!" + +De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond, +en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou. + +"In welke kleeding?" vroeg Hobble-Frank. + +"Naar ieders verkiezing." + +Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende +Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek +op zijn tegenstander neer met een blik, die den superlatief van +minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld +van idiotismus in den hoogsten graad. + +"Frank, pas op, hoor!" maande Jemmy hem aan. "Denk er om, dat Davy +en ik overwonnen hebben." + +"Huilt maar niet," troostte de kleine. "Als gij nog niet weet of ik +goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren." + +Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw +uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine +Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer +op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu, +na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de +overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit, +en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden +jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken, +dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven. + +Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes +manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en +toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn, +alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen. + +De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen +van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk, +dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende: +De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte +richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie +duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend +voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee +loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag +men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op +den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als +zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk, +dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was. + +"Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben," riep de hoofdman +Old Shatterhand toe. + +"Neen!" + +"Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!" + +"Ja, juist." + +"Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn." + +"Neen!" + +"Niet?" vroeg de Groote Wolf verwonderd. + +"Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund." + +"Oef, oef! Ja." En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen +de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach +verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich. + +Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar +driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander +gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een +driehonderdtal schreden zijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef +verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan. + +Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand +naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet +hooren wat hij daarbij zeide. + +"Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen +pijnboom)!" riep hij namelijk den Roodhuid toe. + +Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten +hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman +verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de +pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was +intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak +zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven +was er immers mee gemoeid! + +De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den +pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij, +en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan. + +Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden +en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te +grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy, +toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken. + +Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was +gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij +er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar +loopen kon den terugtocht aan. Vier vijfde gedeelten van den afstand +legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens +naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan +den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen +als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien, +dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet +hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te +kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen. + +Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het +nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een +wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar +daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman +aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: "Wel, oude kameraad! wie +heeft overwonnen?" + +"Hij die de voorwaarden vervuld heeft," antwoordde de Roodhuid barsch. + +"Dat ben ik." + +"Gij?" + +"Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?" + +"Dat heb ik gezien." + +"En ik ben immers het eerst weder hier?" + +"Dat zie ik." + +"Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom +heen gedaan?" + +"Waarom twee keeren meer?" + +"Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens +omheen was geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee +keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet +over hem te klagen zou hebben." + +"Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?" + +"Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij, +dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien +zelf wel zeggen." + +"Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?" + +"Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een +pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had, hij of ik." + +"Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?" + +"Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later +evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand." + +Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van +den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna +sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: "Hebt gij het Springende +Hert misschien bedrogen?" + +"Bedrogen? Moet ik u neerslaan?" voer de kleine schijnbaar in drift +uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman +vroeger zelf gebezigd had. + +"Of hebt gij een list gebruikt?" + +"Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?" + +"Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen." + +"Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten +schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den +eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als +hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij +behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd +hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen +om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij +blameert er u mee." + +De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het +heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen +en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op +zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen +rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen. + +Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des +te hartelijker vreugde verwelkomd werd. + +"'k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?" vroeg hij aan +Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop +begon. + +"Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een +meesterstuk." + +"Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd +op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht +in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet +springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt +geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is +dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien +Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het 'm niet, +zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het 't meest aan!" + +Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar +de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: "Wie +heeft overwonnen?" + +"Het bleekgezicht," luidde bedeesd het antwoord. + +"Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?" + +"Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de +eindpaal was." + +Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar +uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den +hoofdman: "Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd +hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag +hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol +bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen +kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj +owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er +toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog +een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!" + +Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich +van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor +nog toorniger, en hij riep: "Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar; +maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn +tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp +en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u." + +"Neen, neen!" zei de kleine afwerend. "Ik wil er niets van hebben. Houd +hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er +weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben." + +Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de +hoofdman grauwde hem toe: "Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar +later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw +gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal +een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken +en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang +duren." + +"Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij." + +"Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old +Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het +stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in +ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom." + +"Maak maar geen misrekening," waarschuwde Old Shatterhand ernstig. "Ik +lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt +is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor +dat van een ander willen inruilen." + +"Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder +de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel +veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden, +als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste, +grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen." + +De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan. + +"Heb ik misschien iets te veel gezegd?" vroeg Hobble-Frank op een +toon van bezorgdheid. + +"Volstrekt niet," antwoordde Old Shatterhand. "Het is heel goed, +dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein +kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den +hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren; +want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in +het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan +zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben, +houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam +zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man +besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun +schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. De hoofdzaak is, +dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden, +en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen, +dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij, +Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt; +maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem +aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen +klein te maken. Daartoe zal _ik_ mijn best doen, nu ik mij met hem +ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen +willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden, +want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker." + +Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door +de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren +zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp. + +Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso's +bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der +legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het +trof Old Shatterhand's opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden +allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet +geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in +den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die +zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso's wijzende, +vroeg deze: "Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?" + +"Neen, maar dat kan ik wel begrijpen," antwoordde de jager. "Wij +moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn." + +"Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal +om ons lijf gebonden worden." + +"Waarom dat?" + +"Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen +bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten." + +"Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in +mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij +verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar +minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden, +om met mijn goede eigenschappen mijn voordeel te doen. Enfin, het is +mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?" + +"Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de +linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden +dood is." + +Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen +had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old +Shatterhand antwoordde doodbedaard: "Ik zal er genoegen mee nemen." + +"Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig +overwonnen." + +"Dat zullen we afwachten." + +"Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt." + +Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij +bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden +in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte, +om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen +met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging +een "oef!" van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de +kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: "Hij houdt zich maar zoo, +om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker, +dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een +voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten, +totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden +waar Abram den mosterd haalt." + +De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje +van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich +overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van +gemoedelijkheid: "Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten +zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik +vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint." + +"Dank u, dat is niet noodig," antwoordde Old Shatterhand kalm. "Ik zal +mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke +man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!" + +"Dat zal ik. Wie zou mij helpen?" + +"Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk +dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend, +alsof zij moeten gaan vechten?" + +"Zijn uw metgezellen dan ongewapend?" + +"Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat +is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen +blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid +de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven, +dat ook gij een dapper man zijt?" + +"Wilt gij mij beleedigen?" riep de Roodhuid driftig. "Ik heb geen +hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in +de tenten brengen, als de uwen dat ook doen." + +"Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn +mes behouden." + +Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy +deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch: +"Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt, +schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier +terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht +gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de +tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig." + +"Wat hebt gij met dien man te praten?" grauwde de hoofdman hem toe. "En +waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?" + +"Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat." + +"Wat hebt gij tegen hem gezegd?" + +"Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven +om ze te bewaken." + +"Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?" + +"Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet +gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het +afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt." + +"Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar +zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in +het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken." + +Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af, +en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook +Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn +bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te +worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon, +zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer +licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug, +om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op +het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den +kleinen Saks. + +"Nu hebt gij uw zin gehad," zei de Groote Wolf. "Willen we nu +beginnen?" + +"Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij +mij doodt?" + +"Die zullen onze gevangenen zijn." + +"Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar +zij willen." + +"Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als +gijzelaars." + +"Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig, +daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval +dat ik u dood?" + +"Dat zal het geval niet worden," antwoordde de Roodhuid hooghartig. + +"Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken." + +"Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!" + +"En zal niemand ons tegenhouden?" + +"Geen mensch!" + +"Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen." + +"Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier +hebt gij een tomahawk." + +Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk +ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde +die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even, +en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring. + +"Wat doet gij?" vroeg de hoofdman verwonderd. + +"Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is +van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters +gevlogen zijn." + +"Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?" + +"Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders +niets." + +Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht +wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht +van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een +spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: "Het stond u vrij de +bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere." + +"Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, +waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan." + +"Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn +tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt +niet zoo sterk als ik ben." + +"Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, +merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten +oordeelen wie de sterkste is, gij of ik." + +Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de +Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn +gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven +zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij +bleef liggen. + +"Doe mij dat eens na!" riep hij den Roodhuid toe. + +"Oef, oef, oef!" klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman +antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van +den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst +na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: "Verbeeldt gij u, +dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en +uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!" + +"Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen," +antwoordde Old Shatterhand glimlachende. "Dus, gij zoudt graag mijn +scalp hebben?" + +"Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den +overwinnaar ... Bindt ons maar vast!" + +Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den +hoofdman en Old Shatterhand de lasso's om de heupen bonden, en toen +achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die +twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn +de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, +dat de twee lasso's een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de +een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid +had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old +Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist. + +De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een +den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem +zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen +bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij +zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren +ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; +te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand +hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet +naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een +stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte +in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, +zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon. + +Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander +gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te +laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den +aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit +beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf +zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand +een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; +doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo +zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid +en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo +dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp +te ontwijken. + +Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te +werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware +de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden. + +Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden +verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig +te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te +laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te +beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; +zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard +en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring +bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk +tot vlug en krachtig handelen over te gaan. + +De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, +dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan +een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid +te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht +het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, +zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een +luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, +den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds +dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel +lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts +overeind--het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; +de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar +het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond +viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den +Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke +zijn tegenstander, zoo snel dat niemand er iets van zag, met het harde +heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, +dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old +Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: "Wie is de overwinnaar?" + +Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden +dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het +zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er +verslagen van. + +"Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den +overwinnaar toebehoort," vervolgde Old Shatterhand. "Zijn scalp is dus +mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en +een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien +heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode +broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar +mijn tent." + +Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, +en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich +eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij +verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers +hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, +en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden. + +"Vlug te paard en voort!" gebood Old Shatterhand. "Praten kunnen +wij naderhand." + +In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst +langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij +door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats +waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op +hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten +die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm +maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, +die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen +en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de +echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst. + +De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende +naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old +Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van +die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was +overtuigd, dat de Utah's dadelijk zouden opbreken om hen achterna +te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar +het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor +te volgen. + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND. + + +Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs +de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen +getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met +Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met +den Engelschen lord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het +reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen +hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, +om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de +ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de +boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl +het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te +stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het +meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, +uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in +een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel +vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing. + +Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe +hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, +die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en +over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun +ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren +bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij +hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen +waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde +misschien nog hulp te kunnen brengen. + +Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen +opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten +niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden +hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, +en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen. + +Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met +zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een +mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, +dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde +vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd +geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te +vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou +vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de +plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte +te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en +wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed +teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg +bij was: "Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?" + +"Ja, hen en hun legerplaats." + +"En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?" + +"Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven." + +"Waaraan hebt gij dat ontdekt?" + +"Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, +dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden +vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd +van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in +het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen +dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard." + +"Hoe groot is hun aantal wel?" + +"Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn +minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er +ook nog wel geweest zijn." + +"Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch +misschien opgejaagd naar één kant?" + +"Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de +menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, +en keken allen in het water." + +"Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in +het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?" + +Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de +Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd +begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof +hij er bij gestaan en alles gezien had: "Neen, zij willen hen niet +verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven." + +"Hebt gij reden om dat te vermoeden?" + +"Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand +is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs +dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken +als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn +vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt +hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem +een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij +zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt +dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem +zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren." + +"Zoo is het," zei Old Firehand; "ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij +hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat +zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; +ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij +moeten ons haasten, om hen te redden." + +"Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om +zelf te sterven." + +"Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit +als een vijand van de Utahs heb doen kennen." + +"Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de +strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun +besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden +ook u niet sparen." + +"Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!" + +"Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van +dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou +kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien." + +"Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?" + +"Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht +ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben. + +"Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren." + +"Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het +tegendeel doen denken." + +"En die redenen zijn?" + +"Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden +niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in +den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te +gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik +weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen." + +"En ten tweede?" + +De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: +"Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de +zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken." + +"Wie is dat?" + +"Old Shatterhand." + +"Wat!" riep de jager, van verwondering opspringende. "Old Shatterhand, +dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die +werkelijk reeds hier zijn?" + +"Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster +aan den hemel." + +"Hebt gij hem gezien?" + +"Neen." + +"Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?" + +"Ik wist dat gisteren reeds." + +"Zonder het mij te zeggen?" + +"Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd +had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard +gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben." + +"Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?" + +"Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, +vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels +uit Old Shatterhand's wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij +heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen +dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben." + +"Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als +Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons +niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is +te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen +wij doen? Wat stelt gij ons voor?" + +"Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter +elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten +aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!" + +Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen +of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men +hem volgde. + +De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander +geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend +klimmende bergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte +was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt +met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom +van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen +beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, +die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen +op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer. + +Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste +punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich +eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van +waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien +konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren +niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween +om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en +meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah +daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het +zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, +was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak +der Utahs te kunnen begluren. + +Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de +legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den +grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old +Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: +"Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds +ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein +kereltje." + +Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen +blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: "Oef! dat is +Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij +kan den Roodhuid onmogelijk inhalen." + +"Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?" vroeg Old Firehand. "Dan +mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij +moeten een besluit nemen!" + +"Nu nog niet!" zei de Apache. "Er is nu nog geen gevaar. Old +Shatterhand is immers bij hen?" + +De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den +wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; +men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, +dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch +hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, +dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed. + +"Frank het eerst!" riep Old Firehand. "Hoe is dat mogelijk!" + +"Door list," antwoordde Winnetou. "Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat +aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed +schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats +terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken." + +"Ik ook," riep Droll. "Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en +die kleine Hobble-Frank." + +Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der +genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, +om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een +kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: +"Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun +wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn." + +"Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, +om er ruiterlijk naar toe te rijden." + +"Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf +hier," antwoordde de Apache zeer beslist. "Old Shatterhand kent de +omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al +de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht +zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal +zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt." + +Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de +boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de +mededeeling: "Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan +den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee +kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die +bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun +de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen." + +"En heimelijk? Dus vluchten?" vroeg Old Firehand. "Dan vatten wij +post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet." + +"Noch het een, noch het ander," hernam de Apache hoofdschuddende. + +"Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens +op tegenspraak te stuiten!" + +"Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de +Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?" + +"Dan zullen zij hen achternazetten." + +"Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden +heeft men daartoe noodig?" + +"Wel twintig--zeg dertig." + +"Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons +ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te +doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen." + +"Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet +blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons +hoe velen wij zijn." + +"Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, +dat zich achter hen bevindt." + +"O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?" + +"Juist." + +"Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?" + +"Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en +ik. Luister! Wat is dat?" + +Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk +daarop zag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren +blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het +meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, +en daarlangs berg-op te rijden. + +"Daar komen zij aan," zei Winnetou. "Old Firehand kan mij volgen. Maar +mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het +bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden +meenemen." + +Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds +den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan +een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, +zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan. + +Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn +metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de +Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, +klonk het van boven: "Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een +oogenblik halt houden." + +De vier kortten den teugel, en keken naar boven. + +"Winnetou, Winnetou!" riepen alle vier tegelijk. + +"Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen," antwoordde deze. "En +hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is." + +Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn. + +"Old Firehand!" riep Old Shatterhand. "Gij hier, gij! Ik moet naar +boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!" + +In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een +beweging om van zijn paard af te springen. + +"Blijf zitten, blijf zitten!" riep Old Firehand hem toe. "En naar u +toe komen kan ik ook niet!" + +"Waarom niet?" + +"De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij +hier zijn." + +"O! Zijt gij alleen?" + +"Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere +westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu +geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?" + +"Naar het Zilvermeer." + +"Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, +komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!" + +"Heerlijk, heerlijk!" riep Old Shatterhand. "Welk een blijdschap en +welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd +om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er +gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?" + +"Ja." + +"Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het +noodigste vertellen." + +De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in +waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in +woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar +met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid +van die mannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee +klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: +"Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten +Night-Canon genoemd wordt?" + +"Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest." + +"Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden +verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, +die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te +beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?" + +"Ja, zeer goed." + +"Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte +over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar +zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij +heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met +zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als +zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, +want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders +meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten +of zich over te geven." + +"Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog +één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het +Zilvermeer?" + +"Dat zal ik u zeggen," antwoordde Old Firehand. "Er ligt daarboven een +uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek +heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid +is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor +ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer +daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen +opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten +eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft." + +Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk +glimlachje, toen hij zei: "Een mijn? Wie heeft die ontdekt?" + +"Ik ben zelf ook daarbij geweest." + +"Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij +twee vliegen in één klap slaan." + +"Hoe bedoelt gij dat?" + +"Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, +in vergelijking, niets is." + +"O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?" + +"Natuurlijk." + +"Wat weet gij daarvan?" + +"Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat +meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien +zijt gij dat te weten gekomen?" + +"Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de +legerplaats komen." + +"Hierheen?" + +"Ja, te paard." + +"Hoeveel?" + +"Vijf." + +"_Pshaw!_ Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet +u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het +oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit +dus! Tot weerziens in den Night-Canon!" + +Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen +weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het +oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, +opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden +welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden. + +Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch +teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van +de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand +wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar +viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het +meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch +te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: +"Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van +de plannen harer krijgslieden te weten komen." + +"Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen," antwoordde +de Apache. + +Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar +in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het +kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water +neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of +althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel +niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef +achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard +geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag +hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: +"Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel +vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten." + +"En wat is dat?" werd er gevraagd. + +"Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor +van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig +anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf." + +"Dus is die niet gekwetst?" + +"Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand +lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij +teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over +den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, +om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos +zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den +ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt +het kamp opgebroken." + +"Waar gaan zij naar toe?" + +"De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar +zij veilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf +achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken." + +"Waar is dat?" + +"Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen +hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg." + +"Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf +met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, +bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk +een overmacht tegen vier blanken!" + +"Old Shatterhand is mijn vriend en leerling," zei Winnetou met fiere +zelfvoldoening. "Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang +te zijn." + +Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer +de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, +zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de +hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, +met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een +draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien +ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel +op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met +den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat +sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak +bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit +het legerkamp. + +Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, +en nog tien minuten daarna braken de anderen op. + +Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig +berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog +water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen +lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, +vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke +hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling +van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was +overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling +had het langs de beek aangericht. + +Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als +men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden +had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te +zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat +de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; +en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, +was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen. + +De richting naar den _Night_-canon liep op de smalste plaats der +Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond +werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen +kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun +toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier +en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was +week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep. + +Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat +men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij +wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden +aanwenden. + +Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer +opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, +en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken +zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel +grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde +malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de +andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar +niet voor lang, want reeds na verloop van eenige minuten was men er +doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen +af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid +met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees. + +Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen +der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte +en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, +van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie +zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen +lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen +was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk +te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte +daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten +te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen +elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, +een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden +die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, +die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal. + +"Dat is de _Night_-canon," zei Old Firehand, naar die rots-spleet +wijzende. "Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en +smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het +in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht +is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den +middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, +daarbeneden!" + +Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet +verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren +ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een +gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de +rotsspleet verdwenen. + +Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale +steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, +die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het +Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old +Firehand aan. "Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet +ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een +levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier +op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij +sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!" + +"En toch _moeten_ wij naar omlaag," zei Old Firehand. "Stijg uit den +zadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten +het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af +gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, +zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen." + +Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men +verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken +gegaan; de daling duurde wel een groot half uur. + +Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om +den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs +het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan +was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, +naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de +rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De +troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk +grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal +baanwerkers daarbij aangesloten had. + +Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet +veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der +paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, +terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, +ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit. + +Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de +enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden +rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts +de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het +daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te +stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, +en men bewoog zich in een akelig schemerduister. + +En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets +breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen +rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men +vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de +paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed +mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden. + +Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen--allen bleven +onwillekeurig stilstaan--hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen +tegelijk afgeschoten werden. + +"Lieve hemel, wat is dat?" vroeg Butler, de ingenieur. "Storten de +rotsen in?" + +"Het was een geweerschot!" antwoordde Old Firehand. "Het oogenblik +is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen +voortreden! Afstijgen!" + +In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in +de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental +passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar +hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag. + +"De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!" klonk een +forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, +of uit den grond naar boven. + +"Neer de wapenen!" bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, +dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als +het rollende gerommel van donder. + +Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij +uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn +van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht +van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer +van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en +gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren. + +Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij +voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, +en vormde een ruimte, die men genoeglijk een "ridderzaal in de rots" +zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er +naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water +stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog +schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien. + +De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij +hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij +dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat +hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en +dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te +waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen +hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond +Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat +Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden +schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand +niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten +gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden +bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun +paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van +de schoten schichtig waren geworden. + +"Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!" klonk opnieuw de stem van +Old Shatterhand. + +En van de andere zijde klonk het: "Hier staat Old Firehand! Als +gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!" + +En terstond daarop riep de Apache: "Wie kent Winnetou, den hoofdman der +Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!" + +Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór +zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden +was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, +fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, +maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll +met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden +geweerloopen blinken. + +Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij +keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen +zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel +beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige +onderhandeling, dat konden zij niet van zich verkrijgen. Hun talmen +ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman +aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: "Werp uw +geweer neer of ik schiet u overhoop!" + +De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte +aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn +rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen. + +"Ook den tomahawk en het mes!" klonk het gebiedend. + +De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde +wapens er uit, en wierp die op den grond. + +"Nu uw lasso!" gebood Droll. + +Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, +en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen +nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den +Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: "Kom hier, onkel! en +bindt _gij_ nu zijn handen!" + +De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde: + + + "Bloed behoeft er niet te vloeien! + 'k Heb hem in mijn macht, om vlug + Zijn handen op zijn rug + Met zijn eigen riem te boeien!" + + +Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat +hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was +alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij +verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten +zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en +geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken +zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen. + +Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy +waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, +om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende +men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken +dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten +Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men +vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter +dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters. + +Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden +hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig +noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander +veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en +Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind +voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, +klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste +voren in het zadel zitten. + +"_Heavens!_ Wat heeft dàt te beteekenen?" vroeg Frank. "Wilt gij +komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown +werkzaam geweest?" + +"Neen, master!" antwoordde de dikke. "Ik heb louter de gewoonte om +de feestdagen zoo te vieren als zij vallen." + +"Hoe bedoelt gij dat?" + +"Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen +gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig +Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop +geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het +oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, +een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik." + +"Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet +kwalijk nemen: ik keer mij óók om." + +Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de +Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, +of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; +daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was +klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, +zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk +kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: +"Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar +naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien." + +"Waar dan?" + +"In mijn verbeelding." + +"Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding +huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het +met het opzeggen van de huur?" + +"Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af +aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag +aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs +van u gehoord." + +"Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?" + +"Voor Tante Droll." + +"En waar hebt gij van die tante gehoord?" + +"Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou +geweest ben." + +"Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?" + +"Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park +en zaten ook in het Estacato." + +"Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?" + +"Ineens geraden! Kent gij mij?" + +"Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag +nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd." + +"Een.... kleinen held!" zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig +lachje over zijn gelaat gleed. "Een.... kleinen.... held! Dat moet +ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu +weet ik nog niet of _ik_ goed geraden heb?" + +"Voor wien houdt gij mij dan?" + +"Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll." + +"Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!" + +"Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier." + +"Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?" + +"In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik heb +dikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus +vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der +Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders +dan die tante." + +"Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek +niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik +gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?" + +"Ja, dat is waar." + +"Dus een Duitscher?" + +"Ja." + +"Waar vandaan dan?" + +"Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks." + +"Wel drommels! Wat voor +een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?" + +"Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt +gij bijgeval ook een Duitscher?" + +"Natuurlijk." + +"Waar vandaan?" vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd. + +"Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg." + +"Wel, sapperloot!" riep de kleine uit. "Ook een Saks, en ook een +Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het +platteland, he?" + +"Niet uit de residentie, maar uit Langenleube." + +"Langen...leube?" vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef +staan. "Langenleube-Niederhain?" + +"Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, +bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als +de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar +in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken +gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp +weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den +Altenburger plattelandskost." + +"Precies!" zei Droll met een hoofdknikje. "Wat kermishouden is, weten +wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie +bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?" + +"Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft +een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder +getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een +zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel." + +"Zoo. En wat deed die voor den kost?" + +"Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een +man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, +dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor +bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, +en ook...." + +"Stop!" viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm +grijpende. "Hoe was zijn naam?" + +"Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn +'van' was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel." + +"Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?" riep Droll. "Had hij kinderen?" + +"Ja, een zwerm!" + +"Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?" + +"Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik +mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel." + +"Bastel, dus Sebastiaan." + +"Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik +geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette--dien naam hebben in +Altenburg van de tien menschen negen." + +"Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet +gij ook wat er van hem geworden is?" + +"Tot mijn leedwezen, neen!" + +"Kijk _mij_ eens aan! Kijk mij eens goed aan!" + +"Waarom?" + +"Omdat _ik_ het ben wat er van hem geworden is." + +"Gij.... gij?" vroeg de kleine. + +"Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op +de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later +knecht bij den boschwachter geworden is." + +"Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in +de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen +en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, +broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!" + +"Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!" + +Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar +beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder +gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen. + +De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren +der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet +om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, +met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun +jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest +zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, +namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een +grooteren en veel breederen canon. + +Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er +den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij +een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in +de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst +behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in +den omtrek bevonden. + +Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem +stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs +dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen. + +De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten +weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige +oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd +dan ook behoorlijk gebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander +bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen +waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, +Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten. + +De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd +allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist +worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old +Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te +stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak +zijn gevoelen uit als volgt: "Totdat de wedstrijden afgeloopen waren +zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de +vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te +vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan +zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden." + +"Dat ben ik volkomen met u eens," zei Old Shatterhand; "maar zij +hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook +niet gedaan." + +"_Well!_ Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de +daad nemen." + +"En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?" + +"Ja, dat is moeilijk te beslissen." + +"Toch niet met den dood?" + +"Neen." + +"Met gevangenschap, met tuchthuis?" + +"_Pshaw!_ Ransel hen goed af." + +"Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want +er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij +zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland." + +"Leg hun dan een geldboete op." + +"Hebben zij geld?" + +"Neen; maar zij hebben paarden en wapenen." + +"Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig +zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in +handen van hun vijanden vallen." + +"Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje +zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, +dat _gij_ zoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het +ergst vergrepen hebben." + +"En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen +hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over +hun lot te beslissen hebben." + +"Doe dan met hen, zooals gij verkiest!" zei de lord, terwijl hij +zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old +Shatterhand en vroeg: "Willen wij eens wedden?" + +"Waarover?" + +"Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te +zachtmoedig behandelt." + +"Neen." + +"Ik wed om tien dollars." + +"Ik niet." + +"Ik zet twintig dollars tegen tien!" + +"En ik wed in 't geheel niet!" + +"Nooit?" + +"Neen." + +"Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, +op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid +gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u +gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt +ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen +zooals gij verkiest!" + +Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van +het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; +maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, +dat beviel hem niet erg. + +De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de +eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden +te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een +beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak +eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden +overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen +verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus +nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het +niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn +onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien +dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede +trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven +woord gestand te doen. + +Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de +Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den +canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er +soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou +en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men +kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid. + +"Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?" vroeg +Old Shatterhand in de taal der Utahs. + +De gevraagde gaf geen antwoord. + +"De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet." + +Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den +jager aan, en zei: "Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, +is hij een leugenaar." + +"Geef dan antwoord! Overigens moogt _gij_ niet van leugens spreken; +want gij zijt het, die zich er van bediend heeft." + +"Dat is niet waar." + +"Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, +heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat +hebt gij mij daarop geantwoord?" + +"Dat gij dan heen kondt gaan." + +"Was dat geen leugen?" + +"Neen, wat gij zijt immers gegaan." + +"Maar gij hebt ons vervolgd!" + +"Neen!" + +"Wilt gij dat ontkennen?" + +"Ja, dat ontken ik." + +"Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?" + +"Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te +vervolgen." + +"Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?" + +"Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en +als dat gebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid +beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke +richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten +vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; +maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van +onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet." + +"Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is +er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?" + +"Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had." + +"Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die +wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt." + +"Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te +kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij +gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel +uitgelegd." + +"Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar +het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of +uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt." + +Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun +laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming +met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van +zins waren geweest. + +"Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken," vervolgde +hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. "Maar ik heb een +onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak +geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was +ons te dooden." + +"Dat vermoedt gij maar." + +"Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen +opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats +der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de +ouden in het gebergte. Is dat waar?" + +"Ja." + +"Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook +waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht +hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?" + +De Groote Wolf gaf geen antwoord. + +"Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons +te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; +gij hebt dus meer verdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn +christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en +wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan +niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt +zal worden." + +"Zegt uw tong dat of uw hart?" vroeg de hoofdman, met een ongeloovig +uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende. + +"Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid +mij die belofte te geven?" + +"Ja." + +"Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, +van dit oogenblik af aan broeders zijn?" + +"Ja." + +"Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?" + +"Ja." + +"En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?" + +"Ja, daar ben ik bereid toe." + +Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit +was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De +uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikke verfkorst, +die er op zat. + +"Dan zullen wij de pijp laten rondgaan," vervolgde Old Shatterhand. "Ik +zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet." + +"Zeg ze, ik zal ze nazeggen." + +Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den +goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten +er een waarschuwing bij te voegen: "Ik hoop, dat gij het dezen keer +eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; +ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat +het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als +gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten +met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!" + +De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den +sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals +hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de +boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de +bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: "Ik ben de Groote +Wolf, de hoofdman der Yampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze +mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de +bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle +anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al +die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij +zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit +door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan +hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn +eed. Ik heb gezegd, Howgh!" + +Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, +en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden. Zelfs +de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen +belang mocht men haar niet daarvan verschoonen. + +Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets +gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren +de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in +de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en +vroeg toen aan Old Shatterhand: "Heeft mijn broeder ons de vrijheid +volkomen teruggegeven?" + +"Ja, volkomen." + +"Dus mogen wij wegrijden?" + +"Ja, waarheen gij wilt." + +"Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren." + +"O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst +gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?" + +"Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat +zouden komen. Wij gaan terug." + +"Door de rotsspleet?" + +"Ja. Vaarwel!" + +Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet +in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, +nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden. + +"En de kerel is toch een schobberd!" zei de oude Blenter. "Als de verf +niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit +hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!" + +Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: "Mijn broeder kan gelijk +hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van +nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren." + +Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij +gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had. + +Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan +te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen +dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even +onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en +vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, +dan iets anders. + +De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker +werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een +bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, +en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men +moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en +niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug. + +Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een +vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een +bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed +had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer +over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke +gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok +in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, +en bovendien conserven, meel en zooal meer, welk een en ander men +uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust. + +Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de +stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende +oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de +lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen +tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de +steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het +bosch verdwenen. + +Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde +van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere +wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en +aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze +was voor volkomen veiligheid gezorgd. + +Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na +middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht +eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt +werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de +volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het +vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon. + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +GEVANGEN EN BEVRIJD. + + +Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; +zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt +gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk +gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden +terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden +afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar +de rotsspleet in de laagte, en zei: "Zij zullen ons denkelijk wel in +het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke +hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren." + +"Doen wij dat dan niet?" vroeg een zijner onderhebbenden, die zich +waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste +zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven. + +"Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?" voer +de Groote Wolf tegen hem uit. "Wraak moeten wij hebben, wraak moeten +wij nemen op dat blanke ontuig." + +"En het zijn nu onze vrienden en broeders?" + +"Neen." + +"Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?" + +"Van wien was die pijp?" + +"Van Old Shatterhand." + +"Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waarom +is hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt +gij dat niet?" + +"De Groote Wolf heeft altijd gelijk," antwoordde de man, die het met +de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging +moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn. + +"Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige +jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen," vervolgde +de hoofdman. + +"Wilt gij hen overrompelen?" + +"Ja." + +"Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de +rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken." + +"Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, +als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger +op in het P'a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger +op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen +te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er +bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts." + +Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts +smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de +Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde +naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam +de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; +trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen +hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een +enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als +de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de +Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf +met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans +in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, +en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op +een goed onderhouden straatweg. + +Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de +Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het +veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de +vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam +te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts +en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend +hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de +verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel +vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden +op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde +en tot steen verschroeide vlakte. + +Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van +den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, +en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een +soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de +wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P'a mow, het Woud van het Water, +waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde. + +Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te +kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het +was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in +oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode +krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, +hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden +even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van +alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht. + +Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, +steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten +wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam "Nanap neaw" +toe. Die twee woorden beteekenden "oude hoofdman". Daarmede was stellig +de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene +stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een +groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten +vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner +moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet +geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, +sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn +minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, +als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden +blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; +ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te +zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; +toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: "De boom werpt +in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, +deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden +droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?" + +Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf +niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend +verwijt in. + +"Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel +de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen," antwoordde de +Groote Wolf. + +"Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de +onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer +dragen mag?" + +"Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de +handen van honderd andere blanke mannen." + +"Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand." + +"Die is het!" + +"Oef!" ontsnapte het aan de lippen van den oude, en "oef!" klonk het +ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: "Dus heeft de Groote +Wolf dien beroemden blanke gezien?" + +"Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en +den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben +gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen." + +De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; +vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; +maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen +schok aan hun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging +onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering +en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van +spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was. + +"De Groote Wolf kan vertellen!" zei hij. + +Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed +zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te +stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de +grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: +"En wat wil de Groote Wolf nu doen?" + +"Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden +overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog +eer de dag van morgen aanbreekt." + +De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn +wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp. + +"Nog eer de dag van morgen aanbreekt?" vroeg hij. "Zijn dat woorden +van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en +beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, +om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen +ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de +Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen +heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een +kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die +woorden van den Grooten Wolf?" + +"De blanken moeten aan den martelpaal!" antwoordde een der hoofdmannen. + +"Wij moeten hen levend vangen!" sprak de tweede. + +"Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!" was +het oordeel van den derde. + +"Mijn broeders hebben goed gesproken," prees de oude. "Wij zullen +die honden levend grijpen." + +"De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn," +waarschuwde de Groote Wolf. "Old Shatterhand duwt den kop van +een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem +onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is +een groot krijgsman...." + +"Maar een Apache," viel de oude hem driftig in de rede. "Behooren de +Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij +is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de +bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die +beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben +krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste +recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd +krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen." + +"Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps +nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?" + +"Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te voren +gedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven +van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij +u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed +bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij +goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de +manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, +zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, +zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen." + +Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het +andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de +driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden +te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen +konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering +wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke +gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen +stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor +de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old +Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, +zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben. + +Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, +maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden +onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, +waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden +zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog +niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De +Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de +nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering +van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die +paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif +alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte +zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: "Hier is +een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden." + +De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van +zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen +streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie +bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon +doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd +terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met +salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, +dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien +merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, +van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de +Roodhuiden was. + +Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun +geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De +blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in +het geheel niet tot een gevecht kon komen. + +Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drie +Engelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen +voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het +raadzaam voorzichtiger te zijn. + +Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit +voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die +gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder +ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd +voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje +werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er +geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf +stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het +oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman +had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk +een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; +en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden. + +Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te +volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig +bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand +na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de +Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier +anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; +hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, +met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem +zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat +onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem +van den canon doordrong. + +Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der +zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan +het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar +dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan +de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, +en kropen aan den anderen kant verder--een niet zeer gevaarlijke +tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van +het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken +afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, +en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de +Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, +gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en +voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht +in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter +zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel +met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden +bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, +om nu den grooten slag te gaan slaan. + +De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee +schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar +het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen +zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil +van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, +ook zijn manschappen het water te laten oversteken. Dit geschiedde +inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde +aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een +honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het +bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, +dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten +bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander +lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde +toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van +onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn. + +"Voorwaarts!" klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden +verstaan wordende stem van den Grooten Wolf. + +Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet +een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat +nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij +elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich +behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, +wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den +slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk +een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den +slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, +eer zij nog goed wakker waren geworden. + +En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun +oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder +geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, +hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke +stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst +werd. + +Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de +duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie +afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins +te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, +zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old +Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote +tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de +anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, +en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu +verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht +van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar +hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten +echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende +vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden +door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk +was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, +half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been +dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling +gelukt was. + +Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen +daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de +steken en schoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden +gekwetst en eenigen zelfs gedood waren. + +"Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!" zei +de hoofdman grimmig. "Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam +snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en +niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel +aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen +der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren." + +"Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?" vroeg +er een. "Dat gaat vanzelf af, en doodt hem, die het aanraakt, en nog +vele anderen bovendien." + +"Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat +geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?" + +Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen +de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen +antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, +opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en +die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, +om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat +was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; +maar de karabijn zag men nergens. + +De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old +Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien +lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind +weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, +maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die +twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke +eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der +anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer +zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige +oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op +zijn gemak was: "Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van +hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij +mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt." + +Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de +Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen +uur verstreken. + +"Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel +aanschouwen!" had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in +zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals +reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een +schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien +weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die +schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest +worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, +om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen +praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe +duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de +rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, +en zij hadden elkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst +volstrekt niet ontbrak aan stof. + +Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een +gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken. + +"Luister!" fluisterde Frank zijn neef (?) toe. "Hebt gij óók iets +gehoord?" + +"Ja, ik heb óók iets gehoord," antwoordde de Tante zacht. "Wat kan +dat geweest zijn?" + +"Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn." + +"Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen +op de been zijn--naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, +op zijn minst wel een paar honderd...." + +Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en +hoorde men hun stemmen. + +"Verduiveld, er wordt gevochten!" vervolgde Hobble-Frank. "Ik geloof +warendig dat wij overrompeld zijn." + +"Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker," antwoordde Droll; "dat +moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is." + +Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen +weergalmde de oorlogskreet der Indianen. + +"God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!" riep Frank. "Er op +los, er op los! Gauw, gauw!" + +Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar +deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei +met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was: + +"Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu +bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen +bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst +afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, +wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en +voorwaarts kruipen." + +Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan +den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat +hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was +te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten +van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen +weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der +rotsspleet was de baan vrij. + +"Gauw achter mij en het water over!" fluisterde Droll. + +Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank +volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard +lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. "Old +Shatterhand's Henry-karabijn!" Dat was zijn eerste gedachte. En hij +nam het geweer mee. + +Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de +overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok +hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht +gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun +voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat +de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den +rotswand en het water zoo smal, dat Droll aanried: "Wij moeten weer het +water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn." + +Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds +ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen, +of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand +of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de +stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank +zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: "Blijf toch +eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt +gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat +strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt +ge dan geen ambitie meer in je lijf?" + +"Ambitie?" antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten +adem van het loopen. "Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie +er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf +in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd." + +"Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!" + +"Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?" + +"Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden." + +"Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd +zoudt hebben." + +"Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten +wurgen en doodsteken." + +"Hihihihi! Wurgen en doodsteken," lachte Droll met zijn onnavolgbaar +eigenaardig lachje. "Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden +hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden +hebben." + +"Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar +gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of +doodgeslagen?" + +"Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet +ik zeker." + +"Dat zou mij gerust kunnen stellen." + +"Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?" + +"Ja." + +"En wie hebben dan geschoten? De Indianen?" + +"Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten." + +"Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt; +zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve +gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom +ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij +voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden +laten nemen." + +"Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een +zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden +Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft +gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen, +dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak +om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één +woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament +ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk +kapot van!" + +"Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk +den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou, +Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten +eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen, +maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten +het dus maar bedaard afwachten." + +"Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest +zijn?" + +"Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd; +maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid +bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben." + +"De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons +gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?" + +"Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar +hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij +zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke +richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel +verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen +kunnen." + +"En dan?" + +"Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken +wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten, +wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!" + +Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan. + +"Wat?" vroeg hij. "Hebt gij twee geweren?" + +"Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat +is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn." + +"O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar +kunt gij er wel mee schieten?" + +"Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat +ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden +op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen +zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar +leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te +kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen, +als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt +wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen +en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele +wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals +ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd +een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en +diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld." + +"Of gekregen," antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok. + +"Zwijg!" zei deze. "Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar +wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van +beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de +sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij +Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor +Moreau allebei zijn beenen--de twee eenige, die hij had; aan de +Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn +boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maar aanraden, het bij +mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben +geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen, +morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zon +_dos à dos_ met het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet +op het bloedige slagveld!" + +Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit +van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit +oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in +de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde, +als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was. + +En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en +voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later, +tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te +worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende +duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links, +liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de +canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden +hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan, +zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder +aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den +hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: "Halt! Hier moeten +wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links." + +"Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken," antwoordde +Frank. "Wij moeten het zijdal in." + +"Waarom?" + +"Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat +de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den +zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen +vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt +ge dat óók niet?" + +"Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het +zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen." + +"Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende +stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij +zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons +naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in +onze imponderabele positie de hoofdzaak is." + +Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu +geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden, +dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde +een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij +moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te +worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan, +toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De +rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met +een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar +lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud, +zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig +kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk een dicht +loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even +doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun +legerkamp hadden opgeslagen. + +De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar +het Zuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans +verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men +twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan +de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk +Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het +westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een +rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte +bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten +diepe wegen had ingevreten. + +"Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door +een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!" zei Frank. "Beter +konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats, +zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat +óók niet?" + +"Neen!" antwoordde Tante Droll. "Dit woud komt mij verdacht voor, +of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet." + +"Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun +nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?" + +"Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te +zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even +gevaarlijk zijn." + +"Wat voor creaturen dan?" + +"Indianen." + +"Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel." + +"Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens +zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk." + +"Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch +te expliceeren?" + +Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden +hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan +werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: "Wie zal wel beter weten, dat +hier een woud is, wij of de Roodhuiden?" + +"De Indianen natuurlijk." + +"Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud +het best verschuilen kan?" + +"Natuurlijk." + +"Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen +moeten zijn?" + +"Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald." + +"Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon, +of in het gemakkelijke woud?" + +"In het woud natuurlijk." + +"Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben +overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn." + +"Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?" + +"Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?" + +"Neen, hoegenaamd niets." + +"Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar +de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd, +of er leven in de kist is. Vooruit maar!" + +In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte +over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij +hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht +in, en vroeg zacht: "Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En +jij niet?" + +"Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half +zweempje van een kwartspoor van rook." + +"Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er +naar toe sluipen." + +Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig +voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus +meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen, +des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts +langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen +de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend: +"Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons +niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet +comprimeeren kan?" + +"Een gevaar is het zeer zeker," antwoordde Droll; "maar wij moeten +het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden." + +"Hier?" + +"Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij +regelrecht hierheen komen." + +"Dat zou een buitenkansje wezen!" + +"Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven +kosten." + +"Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al +niet meer aan terugkeeren." + +"Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan +geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!" + +Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het +schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken +als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu +meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen +spoedig nog meer vuren. + +"Een groot, zeer groot bivak," fluisterde Droll. "Dat zullen de +Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen +de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen." + +"Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met +Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet...." + +Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit +honderden kelen--geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel. + +"O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht," sprak Droll. "De +Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu +moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen." + +Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den +vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen +verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand, +die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij +verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan +hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het +vuur der hoofdmannen brandde. + +"Een vijver of een meer," fluisterde Droll. "Dat heb ik wel +gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder +voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer +naar links." + +Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den +westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten +hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom +bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen +grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur +geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten, +die nu gebracht werden. + +"Nu is goed oppassen de boodschap," zei Droll. "Kunt gij in een boom +klimmen, neef?" + +"Als een eekhoorn." + +"Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel +vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden." + +Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte, +zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken. + +De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet +geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer +plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze +Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag +gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en +mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn +oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken; +maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het +eerst het woord te nemen. + +De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar +den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam. + +"Wie zijt gij?" vroeg hij hem. "Hebt gij een naam, en hoe heet de +schurftige hond, dien gij uw vader noemt?" + +Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet +zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: "Wie mij niet +kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou, +de hoofdman der Apachen." + +"Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode +rat!" voegde de oude hem hoonend toe. "Al deze bleekgezichten zullen +een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier +in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften." + +"Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien, +en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te +weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der +Apachen is bereid, om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen +laat hij zich door een Utah niet." + +"Wat wilt gij mij maken?" lachte de oude hardop. "Uw armen zijn +geboeid!" + +"Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man +gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar +waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten +zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte +wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben." + +"Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken, +waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt +gij. De stank, dien gij...." + +Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de +kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met +een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen, +dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel +eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar +de plaats waar hij gestaan had. + +Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe +stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd, +toen deze riep: "Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft +niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen." + +De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den +toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts +ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De +roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende, +en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de +daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede; +maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn, +te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij +gebood: "Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf +zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op +hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft +buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit +iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt +den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke +honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan +zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en +Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!" + +"Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!" riep Old +Shatterhand hem toe. + +"Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen, +die ik nog te leven heb?" + +"Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd +zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben." + +"Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan +zal ik ze laten uitsteken!" + +"Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht +noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid +heeft gesproken?" + +"Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een." + +"De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren +blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons +leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden, +en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken +u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij +hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u +het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet, +omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en +gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden +en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon +daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus +gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb, +eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?" + +"De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden +van een bleekgezicht." + +"Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd, +als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood +zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult +gij sterven!" + +"Wanneer?" grijnsde de Wolf. + +"Morgen." + +"Door wiens hand?" + +"Door de mijne." + +"Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!" + +"Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven +in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt +gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode +mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is, +maar dat hij ook weet te straffen." + +"Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld, +en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en +zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige +dagen zullen duren, totdat gij sterft." + +De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud +gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het +te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen +neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen, +om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans +een volslagen onmogelijkheid te zijn. + +Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk +gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd +vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij +ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen +verstaan. Nu kwam het er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de +gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen. + +Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen +en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur +zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet +werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling +beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante +Droll als een groote geruststelling beschouwde. + +Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er +moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden +naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en +Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, +klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan +een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder +ophouden, nu eens zachter en dan weer harder. + +"Weet gij wat dat is?" vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef. + +"Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, +geloof ik." + +"Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog 't lijk ijskoud +is geworden.' + +"Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen +zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen +bepaald opzoeken." + +"Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij +hen toch niet." + +"Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De +hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de +plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen +af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is +een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren +zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, +daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen +en ontwijken." + +"Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer +voorwaarts! Ik kruip voorop." + +"Waarom gij?" + +"Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen +beter afgericht ben dan gij." + +"Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw +hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden +van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs +het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn +begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij +absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er +oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde +neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, +asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar +te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek +laten zal ik u niet!" + +De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in +een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In +weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en +zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het +moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, +partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen. + +Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen +voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig +bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll +was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet +op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch +gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar +kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid +hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk +ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden +Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen +op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten +neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, +om een uur te slapen. + +Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, +waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, +en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden +moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee +te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat +doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van +brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een +wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te +herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind +weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij +dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: "Het oogenblik +schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?" + +"Ja, hij is hier vlak bij, de eerste." + +"Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij +óók geboeid zijt." + +"En gij?" + +"Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou." + +"Dat is gevaarlijk." + +"Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, +als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!" + +Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een +voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo +erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat +men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der +schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer +dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken +van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten. + +Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen +rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar +zijn buurman toe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf +aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam +vastgebonden waren. + +"Frank, gij?" vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op +een toon van verwondering. "Waar is Droll?" + +"Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou." + +"God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt +bij mij hebt kunnen komen." + +"Wist ge dan, dat wij komen zouden?" + +"Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, +dat je niet onder de gevangenen was." + +"Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij +gepakt konden worden!" + +"_Pshaw!_ De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen +was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, +en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb +mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, +dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen." + +"Dat is kras! Dat is veel gedurfd!" + +"Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!" + +"Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet +tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en +verplichtingen niet punktueel nagekomen?" + +"Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!" + +"Ja, zonder ons was u happa geweest." + +"Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren +geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter +hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je +niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten +helpen. Zie maar eens hier!" + +Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien. + +"Deze hand heb ik reeds losgemaakt," vervolgde de jager; "de andere +zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, +verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, +zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden +hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, +die daarginds bij de hoofdmannen liggen ..." + +"Weet gij dat óók?" + +"Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid +had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en +daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe +gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen +zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?" + +"Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij." + +"Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?" + +"Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar +het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar +wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het +dag was, het spoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij +voor u konden doen." + +"O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch +gevonden hebt?" + +"Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het +toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het +ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn +geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen." + +"Gij wordt ironiek." + +"Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, +dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen +heen met u te assimileeren." + +"Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw +leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt +gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het +kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn +buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken." + +"En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de +wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink." + +"Neen, dat niet; wij blijven hier!" + +"Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij +dat redding?" + +"Ja." + +"Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel +voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den +hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!" + +"Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar +de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, +dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand +zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen +vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden +konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij +moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen." + +"Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik +heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch +gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden +te verstaan heb." + +"De hoofdmannen." + +"O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!" + +"Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij +maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons +niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de +schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen." + +Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, +deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in +omloop. Daarop ging Old Shatterhand's bevel zacht van mond tot mond, +dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur +uitgebluscht had. + +"Het vuur uitgebluscht?" bromde Frank. "Hoe wilt gij dat klaren?" + +"Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het +worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten." + +Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het +vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, +waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij +op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, +en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal +heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik +uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, +eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun +waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen +stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was +de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou. + +De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het +was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste +martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden +sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen +zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der +schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten +der bevrijden op zich aanstormen--eenige seconden later waren zij op +den grond geworpen, ontwapend en geboeid. + +Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder +zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de +schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, +zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige +blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de +hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken +met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, +en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al +de anderen deed aansnellen. + +Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid +verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, +indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, +dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun +aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou. + +Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en +leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen +stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het +heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, +bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de +harten der hoofdmannen doorboren. + +"Blijft daar!" riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. "Ik zal met +de bleekgezichten spreken." + +"Met u hebben wij niets te maken," voegde Old Shatterhand hem toe. "De +anderen kunnen spreken." + +"Waarom _ik_ niet?" + +"Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens." + +"Ik zal waarheid spreken." + +"Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te +houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, +als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar +gij zijt de mijne; en nu gebied _ik_ u precies hetzelfde. Als gij +spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes +door uw hart.--Hoe is uw naam?" + +Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: +"Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met +u spreken." + +"Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, +en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van +u verlangen." + +"Wat verlangt gij dan? De vrijheid?" + +"Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten +ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!" + +"Wat moeten die?" + +"Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; +want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen +hun geduld te verliezen." + +"Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal." + +Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel +werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand's bevel te voldoen. In +de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om +alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er +niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk +noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten +aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den +grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te +vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets +anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, +had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij +die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol +ontzetting riep hij uit: "Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft +het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het +niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!" + +"Het toovergeweer, het toovergeweer!" hoorde men de stemmen der +verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen. + +Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart. + +"Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, +die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra +de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf +krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen +houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die +allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren." + +"Oef! Dat is te veel van ons gevergd," antwoordde Vuurhart. "Dat +kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van +zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan." + +"Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten +wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te +laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen +geweest, en toch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen +roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, +daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer +wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is +geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd +en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren." + +"Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze +macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; +en nu zijn _wij_ de geknevelden, en gij schrijft aan _ons_ de wet +voor!" + +"Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn +voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij +het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier +zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele +anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden +krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun +plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!" + +Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: +"Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar +toe te rijden?" + +"Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken," +antwoordde Old Shatterhand. "Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan +de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als +wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij +ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen +bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd +gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen +te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!" + +Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er +geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of +andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart +liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord +feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de +verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid +waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid +naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, +bijna fluisterende stem hooren: "Mai iwe!" + +Die twee woorden beteekenen: "Kijk hierheen!" Ze waren niet +toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; +ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest +zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg +gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen +beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand +en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van +waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder +hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een +paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het +als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op +elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds +door hen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel +van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart. + +De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al +de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich +daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes +gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den +rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die +vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk +op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, +volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de +omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, +evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een +stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer +dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk +mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen. + +Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen +acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het +dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, +zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens +geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen +hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en +naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den +hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere +tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden. + +Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; +maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen +van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin +nog knapper was dan zij. + +Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien +tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee +Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren +klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, +dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart +merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem +ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke +richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, +om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche +opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, +die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het +meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam +naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem +nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: +"De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder +gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?" + +"Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, +van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg." + +"Nu, wat hebben zij gezegd?" + +"De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de +Sampietsje-Utahs, wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben +Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden." + +"Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen." + +"Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, +loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= +Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- +en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te +verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op +die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, +dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen +terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te +waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen +hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak +verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers +in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is." + +"Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode +broeder daarvan?" + +"Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één +groot gebrek." + +"En dat is?" + +"Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij +wat ons te doen staat." + +"Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn +een omweg van minstens een dagreis of vier te maken." + +"Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet +in handen van de Utahs vallen." + +"Is dat mogelijk?" + +"Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben +ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd +dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, +doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, +en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden +is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere +keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan +de keus wel niet twijfelachtig zijn." + +"Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?" + +"Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter +den rug hebben." + +"Maar den Grooten Wolf?" vroeg Old Shatterhand. "Zullen wij dien óók +weer vrijlaten?" + +"Wilt gij hem dooden?" vroeg Winnetou. + +"Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade +schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, +als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft +hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, +dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet +alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, +dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te +houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor +alle andere Roodhuiden." + +"Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de +Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling +den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden +voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden +begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos +breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen +zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande +nog niet te verklaren." + +Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan +Vuurhart: "De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?" + +"Eer ik dat zeggen kan," antwoordde de gevraagde, "dien ik precies +te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt." + +"Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij +geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar +het Teywipah." + +"En dan?" + +"Hooger op naar het Zilvermeer." + +"En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos +kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden +dooden." + +"Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan +tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen +wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij." + +"Is dat waar?" + +"Ja." + +"Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?" + +"Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de +anderen." + +"Neem dan uw calumet en steek die aan." + +"Neem liever de uwe." + +"Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de +uwe slechts wolken van onwaarheid?" + +"Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de +pijp der roode mannen is niet te vertrouwen." + +Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn +oogen van woede vlammen schoten: "Was ik niet geboeid, dan zou ik +u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid +te betichten?" + +"Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft +ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, +doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, +er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, +dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit +spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen." + +"Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen." + +"Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik +zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen." + +Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te +antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven +er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, +stopte die, en stak die aan. + +Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de +vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de +tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, +indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart +werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de +twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier +hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, +en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke +belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. + +Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende +voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, +dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden +de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op +het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden +het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij +moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten +hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid +kon geven om er hun voordeel mee te doen. + +De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun +paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee +blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval +de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten +willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, +uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren +geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, +waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over +aangaande de gevoelens, die hen bezielden. + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN INDIANEN-GEVECHT. + + +Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht +trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men +dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden +achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, +liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en +zei: "Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die +Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten +wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?" + +"O ja!" knikte Frank. "Het is een streek van genie geweest, zoo +mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de +voornaamste matadors daarbij geweest zijn?" + +"Nu?" + +"Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen +de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die +jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever." + +"Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets +op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als +Winnetou, Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den +martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in +de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog." + +"Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan +zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet +onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich +uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet +trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, +als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone +geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs +het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, +om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan +goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, +zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, +tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente +bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in +dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons +geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche +landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten." + +Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf +naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon +te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als +gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die +de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, +waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters +besloten den trein. + +Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was +gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als +de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van +hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en +die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand +uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet +op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde +de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen! + +De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer +een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de +donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide +Winnetou zich om en zei: "Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons +volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand +tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken." + +Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als +met het oog op Ellen's draagstoel en de hitten, die hem droegen, +doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een +voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een +troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en +dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag. + +De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te +eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het +dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de +zonnestralen zoo brandend heet uit de lucht kwamen, dat zij mensch +en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, +welke plek glooiend afliep. + +"Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen," +zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof +hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend +dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden +rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot +manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, +totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien +engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water +naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, +zoodat de dorstige paarden weldra konden drinken. En, opmerkelijk, +deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had +lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het +uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe +langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, +het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet. + +Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend +natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van +den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; +de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een +grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden +rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, +regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden +vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, +evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende +zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras +bijna verschroeide. + +Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag +men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, +waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de +hand. "Die beek," zei hij, "moeten wij volgen naar boven; die loopt +naar het Hertendal." + +"Maar hoe komen wij er overheen?" vroeg Butler, die natuurlijk +allereerst om zijn dochter dacht. "De rivier heeft wel geen sterke +strooming, maar schijnt nog al diep te zijn." + +"Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare +plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar +stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen +mij volgen!" + +Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich +bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, +ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te +bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan +de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen +volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan +zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever +aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep +hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had. + +"Wat is het?" vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. "Heeft +het stroombed zich verlegd?" + +"Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden." + +Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old +Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het +spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich +nog niet geheel weder opgericht. + +"Dat is opmerkelijk!" zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was +gekomen. "Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de +anderen in het water te blijven." + +Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor +met hun kennersblik in oogenschouw. + +"Het zijn bleekgezichten geweest," zei Winnetou. + +"Ja," bevestigde Old Shatterhand. "Indianen zouden achter elkander +gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed +als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, +die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op +dertig à veertig personen. + +"Ik ook," zei Old Firehand. "Maar blanken, hier, onder de tegenwoordige +omstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, +die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan." + +"Hum!" bromde Old Shatterhand. "Ik geloof dat ik het wel raden kan +welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben." + +"Nu, wie dan?" + +"Den roodharigen kornel met zijn bende." + +"Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels +hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton +vernomen hebt. Wij moeten het spoor...." + +Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was +gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: "Mijn broeders kunnen +hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest." + +Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, +en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag +er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters +over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep. + +"Eer die ruiters er over gegaan zijn," verklaarde de Apache, "is +één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te +onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn +oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de +beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen +mijn broeders mij zeggen." + +"Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat +is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft," +antwoordde Old Firehand. + +"Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar +graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen +kornel." + +"Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het +voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn." + +"Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn," zei Old +Shatterhand; "en dat betwijfel ik." + +"Op grond waarvan?' + +"In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, +die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de +sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; +resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote +troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige +kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren." + +"Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop +zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River +naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij +rijden dus de Utahs regelrecht in den mond." + +"Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets +daaraan veranderen." + +"Oho!" riep Old Firehand. "Wij _moeten_ het veranderen." + +"Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?" + +"Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen +heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te +weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen." + +"Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen +te waarschuwen?" + +"Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te +hakken." + +"Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!" + +Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei +toen op een toon van teleurstelling: "Jammer! Het is reeds vijf uur +geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier +naar het Hertendal?" + +"Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid +bereiken." + +"Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht +der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar +hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat +dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, +en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt." + +"Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan," +verklaarde Winnetou. "Te voet is de weg veel korter, daar een +mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden +breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar +wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen." + +"Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?" + +"Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg +af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen +willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, +dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; +dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij +zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en +niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide +blanke broeders verstaan de kunst, om een spoor onleesbaar te maken, +Hobble-Frank en Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het +ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras +oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, +zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet +gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als +dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar +wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn." + +Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; +terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden +de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De +genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd +passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, +terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond +achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het +doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit +bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald +denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór +zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek +heen en stegen weer in den zadel. + +De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert +het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord +gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom +maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden +zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te +volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich +verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: +"Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?" + +"Ruiters," antwoordde de gevraagde kort. + +"Waar zijn die naar toe?" + +"Dat weet ik niet." + +"Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?" + +"Om uw krijgslieden." + +"Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?" + +"Zij zullen het niet zien." + +"Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn +krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters." + +"Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen." + +"Geloof dat maar niet." + +"Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig." + +"Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de +hielen zitten?" + +"Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal +kampeeren." + +Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij +herstelde zich dadelijk, en zei: "Mijn blanke broeder heeft dat +waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt." + +"Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee +jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens +evengoed verstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet +bedrogen hebt." + +"Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest." + +"Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb +ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!" + +De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het +spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden +worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, +dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger +stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het +hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat +hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne +op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun +boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken +zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, +door hun bewakers heen te breken. + +De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar +boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en +boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, +uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier +haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, +waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan +eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde +en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, +hield hij halt, en zei: "Hier hebben wij een uitmuntende plaats om +te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, +en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders +kunnen afstijgen en de antilopen braden." + +"Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid +inhalen!" merkte Old Firehand aan. + +"Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in +het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een +man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte +zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet +bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken." + +"Maar wat een tijd verliezen wij hier!" + +"Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons +nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij +aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel +te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn +broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb." + +De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men +hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een +schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, +de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, +over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon +het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens +water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had. + +Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om +avonturen te zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit +had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om +de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds +schuldig was. + +"Willen wij eens wedden?" vroeg hij aan Humply-Bill. + +"Waarover?" + +"Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?" + +"Neen, ik wed niet." + +"Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben." + +"Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel +weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, +dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven." + +"Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de +grap gaat al aan den gang, zie ik!" + +De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij +wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de +rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal +voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal +schreden ver af. + +Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin +posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun +bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er +uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet +op de ruiters. + +De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het +spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te +zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders +vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig +en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten +neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den +ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, +en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig. + +"Zie zoo!" zei Old Shatterhand. "Die weten nu ten minste dat +wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij +moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen +besluipen. Dus, voorwaarts!" + +In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich +in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts +langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat +men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te +zullen komen. + +Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen +bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit +verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt +schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, +woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje +groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm +en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts +als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd +een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort. + +Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend +spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband +gestooten of door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps +dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: +"Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, +groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand +en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paarden zoolang aan andere +handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk +ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, +dat wij een zijweg ingeslagen zijn." + +Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van +steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer +te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde +richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos +geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze +woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen +sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij +elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen +oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had. + +Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte +hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was +reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit +plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield +halt, wees met de hand naar voren, en zei: "Nog vijf honderd passen +verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in +de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt +beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft +slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, +en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik +en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, +wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik +zal hem u wijzen." + +Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen +rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat +men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij +verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem +een voor een. + +Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin +men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep +die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden, +dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom +vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten +was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar +beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo +gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich +zonder vrees daarop wagen kon. + +In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen, +want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig +rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam, +des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard +gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was +alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps +de neerwaartsche glooiing ophield, de grond effen en gelijk werd, +en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder +plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: "Wij zijn bijna +in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat +om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij +kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet +kunnen schreeuwen." + +De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom +waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer, +en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden +roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar +die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten +te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte +van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine +kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet. + +Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke +gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in +verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een +uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander +konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet +zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht, +natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje +verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen +zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid +en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet +door de toppen der boomen kon doordringen. + +De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam +berichtte hij: "Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts, +branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de +Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus +heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij +daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet +hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal +zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich +niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen +wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat +donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat +ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij +ons doodstil houden." + +Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de +plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen +in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden +en waar een uitweg te vinden was. + +De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder +afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds +vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid, +dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte. + +Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit +te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde +zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een +alleenstaande bespieder zeer licht in het geheel niet terugkeerde, en +dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze +men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met +hem meegaan. + +Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten +het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er +wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden +des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende, +konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag. + +Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer +naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet +vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de +zware steenmassa's die, boomen verpletterende, neergestort waren en +zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel +vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links +van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder +vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf +hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun +hoofden getooid waren. + +Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn +naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met +schel-gele verf besmeerd. "T'ab-wahgare (= de gele zon)," fluisterde +Winnetou. "Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als +een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en +wat een breede borst!" + +De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze +was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk. + +"Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels)," verklaarde Old +Shatterhand. "Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren +met vier pijlschoten gedood heeft." + +Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en +verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten +inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter +bij den rotswand. + +"Ha!" zei Old Shatterhand. "Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt +gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?" + +"Levend en wel?" + +"Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den +eerste, en ik den tweede!" + +De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter +elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op--twee +duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond. + +"Goed zoo!" fluisterde Old Firehand. "Die twee hebben wij. Nu gauw +naar onze schuilplaats met hen!" + +Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven +wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte +in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die +binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar +Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand +uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde, +voordat zij terugkeerden. + +Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de +drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend +noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn +kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats +omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand +gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen. + +Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker; +dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet +voldoende waren, moesten de handen helpen om op den tast verder te +komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij +stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt "Oef!" hooren. De +andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste +spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht: +"Is er onraad?" + +"Neen, maar toch een mensch!" antwoordde de Apache. + +"Waar?" + +"Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand." + +"Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!" + +"Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!" + +"Hebt gij hem gewurgd?" + +"Hij was al dood; hij hangt aan den paal!" + +"Wat? Misschien wel aan den martelpaal?" + +"Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is +al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed." + +"Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de +martelplaats. Laat ons even zoeken!" + +Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden +zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen +en boomen vastgebonden. + +"Ontzettend!" zuchtte Old Shatterhand. "Ik dacht, dat ik die menschen +nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen +dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar +hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het." + +"Het jammerste is," merkte Old Firehand aan, "dat die teekening nu +verloren is." + +"Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien +kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?" + +"Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is." + +"Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de +belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt +tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke +vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op +staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed, +waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels." + +"Zoo, waarom dan?" + +"Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn +er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg +stellig; en komen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar +ons uitzenden." + +"De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen +er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet," zei Winnetou als zijn gevoelen. + +"Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd, +eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de +rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend +vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het +in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar +komen zij!" + +Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden, +deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de +benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil +van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed +moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren +en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren +getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te +gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het +drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden. + +"Wij moeten maken dat wij wegkomen," zei Old Firehand. "Maar +waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen." + +"In de boomen!" antwoordde Old Shatterhand. "In het dichte gebladerte +zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins +tot bedaren is gekomen." + +"Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven." + +Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een +boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen +volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom. + +Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en +hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht +werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat +waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa's wilden +maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij +waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd, +allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef +een raadsel. + +Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat +Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid +bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die +deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren +in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden. + +Toen de Yampa's hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld +waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de +lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen +te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden +een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel +afgrijselijk was. De Yampa's erkenden, dat dit niet de lijken waren +van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen +op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde +dit tooneel niet lang; er werd een einde aan gemaakt op een wijze, +die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden. + +Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte +gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren, +om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van +een mensch. + +"Oef!" riep een der onder de boomen staande hoofdmannen +verschrikt. "Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels +daarginder." + +Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk +daarop knalden verscheiden schoten. + +"De Navajos, de Navajos!" schreeuwde de hoofdman. "Winnetou, +Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te +wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat +de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!" + +Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de +wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het +gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde +van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter +en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom +naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren. + +De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en +daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand +te bieden. + +Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen, +maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde +schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De +doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold +het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet +aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte. + +De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat +men dan--althans bij de toestanden daar te lande--het diepst in +slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te +verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt +konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun +vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was, +had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren +dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies. + +Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij +het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij +bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht +ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was +voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel: +wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er +twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar +was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten +hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem, +om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna +van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden. + +Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen +er twee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de +hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen +een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht, +en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de +veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs +toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij +staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven, +en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand +te vervolgen. + +Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie +onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De +weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien +een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars +terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun +schuilplaats te komen. + +Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil +van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog +altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte. + +"Nu maken dat wij wegkomen," zei Winnetou. "Later zullen er +vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn." + +"Nemen wij dien hoofdman mee?" vroeg Old Shatterhand. + +"Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik +zal...." + +Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem +te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven +steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht, +een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer, +en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen +pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in +de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch +duidelijk verstaanbare woorden: "Wat Old Shatterhand en Old Firehand +kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook." + +"Dat is Hobble-Frank!" zei Old Shatterhand verwonderd. + +"Ja dat is Frank!" bevestigde Old Firehand. "Dat ventje is gek. Wij +moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken +méér doet." + +"Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje, +dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten, +en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer +geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem +beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook +de onze." + +Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds +bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór +hen een schot. + +"Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen +...." wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond +hoorden zij de lachende stem: "Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij +doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar +hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!" + +Een geluid als van een zwaren slag--toen was alles stil. De drie +drongen vooruit, en stieten op den kleine. + +"Terug!" gebood hij. "Hier wordt geschoten en gestoken!" + +"Halt, schiet niet!" waarschuwde Old Shatterhand. "Wat hebt gij toch +hier te zoeken?" + +"Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken, +want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van +geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan +uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef, +kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen +bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is, +om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij +u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op +mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts +verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!" + +In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke +jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het +oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus +zonder gevaar de vraag doen: "Maar wie heeft u permissie gegeven om +de schuilplaats te verlaten?" + +"Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn +eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u +heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een +gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren +gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn +zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later +begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om +mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid +aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid +lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om +kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik +verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis +konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild; +ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom, +als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een +verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te +liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve +veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar; +daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje +uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag +mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij, +en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de +kolf van _mijn_ geweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij +naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee +slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch +ijselijk veel malheur in deze wereld!" + +"Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat +eer gekomen, dan was je verloren geweest!" + +"Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer, +of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet +er nu met die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel +om hen te versjouwen." + +"Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het +schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug +zullen komen." + +De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de +schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een +prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand +post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel. + +Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel +getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om +in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden +de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is. + +Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil +aangeheven--treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De +lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden +verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten +zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen, +oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een +spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede +krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog +aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot +een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden +gehouden. + +Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit +te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden +besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden +zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle +voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig +niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden +aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden +in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden, +daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er +besloten zou worden. + +Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden +uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen +hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen +de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te +wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden, +moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs +vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig +doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige +toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het +krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden. + +Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van +de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die +dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich +van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op +de gedachte, dat de gevangenen toch vervoerd moesten worden, drie +hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen +mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem, +daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht +het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel, +en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie +andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden +door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht. + +Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was +zóóveel te vertellen, aan te hooren, en--te luisteren. Hobble-Frank +was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen +liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest, +en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en +één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had, +was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den +kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan +uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht +aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen +dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden +naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht +over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den +anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift, +maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad +werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden +lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu +haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde +van den kleine, en vroeg hem: "Frank! willen wij eens wedden?" + +"Ik wed nooit," gaf deze ten antwoord. + +"Waarom niet?' + +"Ik heb geen geld om te wedden." + +"Dan zal ik het u leenen." + +"Borgen baart zorgen," zeggen wij Saksen. "Overigens is het niet zeer +christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen, +om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij +mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al +heb ik het niet." + +"Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de +winner werdt." + +"Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk +worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele +grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van +mijn stuk laat brengen." + +"Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen +verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw +heldendaad." + +"Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn +eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en +heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds +verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens +is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en +helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan +toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap, maar +rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen +zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn +persoonlijkheid niet anders ingevoerd." + +"Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk +aanbood?" + +"Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank +niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar +een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een +souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden, +zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn +gemoed te zullen componeeren tot een wanklank." + +"Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u +genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen." + +Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar +Frank schoof het naar hem terug, en zei: "Hoor eens, mylord! Alle +gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik +juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte; +maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn +uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de +gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen, +dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe +heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf." + +"Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst." + +"Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?" + +"Ja," antwoordde de Engelschman. + +"En het aan mij vereeren als _bona immobilia_?" + +"Zoo is het!" + +"Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw +krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang, +gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn +onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede +juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb +gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk +geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend +noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even, +dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis +betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus, +of een interimistische omhelzing?" + +"Een handdruk is voldoende." + +"Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die +nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen +doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking, +voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die +schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef +uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle +hoogachting beschoren heeft?" + +"Ja," antwoordde de Altenburger. "Als je een ander was zou ik u +benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit +grond van mijn hart. Ik feliciteer u!" + +"Dank u, van 's gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaag +af aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder +advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen +furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand, +druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met +pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd +potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd +wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van +vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra +ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft +volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te +halen--ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee--sang fassong, +zegt de Franschman." + +Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar +doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting +te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem +aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de +lachende gezichten van zijn vrienden niet zien. + +Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn, +werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men +den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde +gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en +toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat +de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel. + +Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache +uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra +keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah +meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden, +welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim +genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename +verblijfplaats te zijn. + +Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan +den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens +nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig +bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken +van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door +verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die +ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar +het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste +streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven +ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen, +en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is +niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als +hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is, +wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus +de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan +ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden. + +Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op +den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand +te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan +te moeten doorbrengen. Dat de paarden drinken en gras eten mochten, +om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf. + +Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit +den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De +Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had +lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen, +en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot +Old Shatterhand: "Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons +durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?" + +"Weet gij wie wij zijn?' vroeg de jager hem op zijn beurt. + +"Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand +zich bij hem bevinden." + +"Ik ben Shatterhand, en _mijn_ arm heeft u op den grond geslagen." + +"Waarom?" + +"Om u onschadelijk te maken." + +"Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?" + +"Ja." + +"Dat is onwaar." + +"Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij +moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de +vredespijp gerookt hebben. De Yampa's hebben u gisteren boodschappers +gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij +verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij +ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt." + +De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam +nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen +had, het woord: "De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs." + +"Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons, +wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden." + +"De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten +opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet +bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de +bleekgezichten te helpen?" + +"Ja, dat weet ik." + +"De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk, +Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie +hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman +van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?" + +"Bedoelt gij daarmee u zelf?" + +"Ja. Ik ben een Navajo." + +"Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?" + +"Om mij te kunnen wreken." + +"En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken +waren?" + +"Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn +zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn +lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers +reeds geweken waren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had +mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp +hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem +wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en +een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem +doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen +ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een +gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar +als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah, +maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers +overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd, +om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden." + +"Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn." + +Nu riep de Gele Zon driftig: "Hij is een Utah, een van mijn +onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te +redden." + +"Zwijg," gebood Old Shatterhand. "Als hij werkelijk een der uwen was, +zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst +voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman; +maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!" + +"Beleedig mij niet!" bulderde de andere uit, "Ik heb de macht, om +u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u +vergiffenis schenken. Maar als gij dat _niet_ doet, zullen duizend +onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen." + +"Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt in _onze_ macht, en wij zullen +met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt, +des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er +geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen." + +Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man +was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit, +en verzocht toen: "Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp +kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij +u bedriegen." + +"Gij hebt met hen niets te maken," antwoordde Old Shatterhand. "Gij +zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt, +hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen +dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk +nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden." + +"Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?" vroeg de roodhuid +minachtend. "Die honden zijn tot niets nut!" + +"Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot +de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil." + +Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de +vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders +kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem +aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp +van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den +man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er +stellig geen oplettender en onvermoeider bewaker te vinden kon zijn, +dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen. + +Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken +in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het +best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen +gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds +veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van +afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen +doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden +aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het +ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den +martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen, +van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander +verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien. + +"Dat is jammer!" zei Old Firehand. "Hadden wij maar wat eer kunnen +komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!" + +"_Pshaw!_" antwoordde de oude Blenter. "Hebt gij inderdaad nog +meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen, +en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch +hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem +gesproken hebben." + +"Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet, +ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood +had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij +zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En +die is nu weg; stellig reddeloos verloren!" + +"Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel +weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of +andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren, +die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken." + +"Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet, +die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens +bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe +zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en +de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft, +is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen." + +"Gij vergeet," merkte Watson, de voormalige opzichter over de +baanwerkers te Sheridan, aan, "dat die hoofdman een zoon had, en een +kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk +bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel +zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus, +hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe +te brengen zijn, het aan ons mee te deelen." + +"Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er +goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten +blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden." + +"De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De +twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind." + +"De twee Beren?" vroeg Old Firehand. "Heetten zij zoo?" + +"Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer." + +"Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht +heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa's die met +ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj--de +Groote Beer en de Jonge Beer--juist, zoo heetten zij!" + +"Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer," bevestigde +Winnetou. "Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de +bleekgezichten altijd zeer genegen geweest." + +"Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans, +dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op +dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen +ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen." + +"Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij; +want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden +heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken, +zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar +kunnen zijn." + +"Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan +deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch +dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen +bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar +wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk +zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst +te komen." + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +AAN HET ZILVERMEER. + + +Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der +blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun +moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden +canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa's zich +verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen +verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere +staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, +schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den +hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte +wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende +hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische +citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die +grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid +onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder +lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden +glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper +fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen +die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan +al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was +geen droppel water tusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel +op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke +muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, +waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen. + +Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en +in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan +weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de +thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend +water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado +ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet +ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich +niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien +bruisenden stroom. + +De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde +steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf +een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde +steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, +dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten. + +Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste +wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men +kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem +stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in +de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, +die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te +worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een +nauwlettend oog, en zeide: "Hier moet het wezen, waar ik er destijds +uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, +dat ik mij vergis." + +"En wilt gij daar ingaan?" vroeg Old Shatterhand. + +"Ja. En gij moet met mij mee!" + +"Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig +ten einde loopt." + +"Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis." + +Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in +te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte +zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker +voelende: "Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, +die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden +veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon." + +"Kent gij dan deze engte?" vroeg Old Firehand verwonderd. + +"Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; +gij weet, dat hij zich nooit vergist." + +"Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert +dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan +ook de streek, waar die weg naar toe loopt?' + +"Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend +breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, +die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt." + +"Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die +tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er +dan? Weet gij dat?" + +"De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in +de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg +kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van +het Zilvermeer." + +"Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?" + +"Ja." + +"Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?" + +"Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, +geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien +eeuwig dorren steengrond." + +"Dan zal _ik_ u bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog +veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water +en gras." + +"Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?" + +"Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien +rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij +zullen hier zijwaarts zwenken." + +Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee +naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden +verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische +pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de +rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, +die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende +rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, +regelrechte grondlijn vormde. + +Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een +ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging +niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde +wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de +ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker +voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou +gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere +streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, +door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam. + +Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, +dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar +de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk +van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun +de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, +en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten +zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden. + +Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; +maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de +rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, +om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard +gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van +de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning. + +De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond +bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor 't +meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van +groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen +had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er +partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De +laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: +"Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is +hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in +aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping +is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de +rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder +kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en +zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den +neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen +bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder +het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef +op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest." + +"Wij behoeven niet te graven," antwoordde Old Firehand. "Het is +immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van +dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken +aanwezig is." + +"Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, +dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen +bezwangerd." + +"Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren." + +Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De +anderen volgden hem in de grootste spanning. + +"Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting," zei Hobble-Frank +tegen Tante Droll. "Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik +mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar +mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden +van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend +tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te +laten zien wat een man in bonis ik geworden ben." + +"En ik," antwoordde Droll, "koop mij een boerenplaats, met twintig +paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas +en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het +Altenburgsche." + +"En als wij niemendal vinden?" + +"Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets +uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het +spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer +ook zilver te vinden moet zijn." + +Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan +den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld +scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog +verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met +die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke +oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige +wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: +"Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen een proef +meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe +Butler er over denkt." + +Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen +en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur +zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: "Lieve +hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier +in deze rotsspleet gezeten?" + +"Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer +diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn." + +"Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel +beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, +die gedegen metaal bevatten." + +"En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien," +glimlachte Old Firehand. + +Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te +voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim +twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: +"Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid +af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier +te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet." + +"Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd." + +"Met hoeveel percent?" + +"Vijf en zeventig percent zuiver zilver." + +"Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk +zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?" + +"Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader +met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?" + +Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, +alle ter grootte van een hazelnoot. + +"Nuggets, goud!" riep de ingenieur. "Ook van hier?" + +"Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, +daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en +daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook +vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond +ik in menigte." + +"Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old +Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, +schatrijk man!" + +"Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de +ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De +voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, +dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen." + +Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen +einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader +aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, +dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden +lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar +Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: "Niet +te voortvarend, messieurs! Wij hebben allereerst nog aan iets anders +te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!" + +"Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest," merkte de lord aan, +die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel +van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen +daarover verheugde. + +"Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die +zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer +nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren +na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig +onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons +daarop voor te bereiden." + +"Dat is waar," gaf Old Firehand hem toe. "Maar ik zou toch wel willen +weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en +dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus +Butler! wat is uw gevoelen daarover?" + +Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek +gaan, en zei toen: "Water hebben wij noodig; het allereerste, dat +wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?" + +"In het Zilvermeer zelf." + +"Hoe ver is dat nog van hier?" + +"In twee uur zijn wij daar." + +"Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?" + +"Ja, aanmerkelijk veel hooger." + +"Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: +bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?" + +"De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt +immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer." + +"Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding +van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar +wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, +dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?" + +"In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch." + +"Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen +afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs +van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open +in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, +om de noodige drukking te krijgen." + +"O, voor de spuiten?" + +"Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met +houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water +besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij +buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water +behandeld." + +"Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want +anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken." + +"Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten +wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk +wel voldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over +welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door +de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, +zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de +zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, +en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een +maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee +dingen, die mij met bezorgdheid vervullen." + +"En dat is?" + +"In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons +van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?" + +"Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou +en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, +dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden." + +"Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?" + +"Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen +besluiten, om den grond aan ons te verkoopen." + +"En zal de hooge regeering dien koop erkennen?" + +"Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven +betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust." + +"Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water +uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den +rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat +ons gaan!" + +De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, +en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het +gezelschap te paard, om den rit te vervolgen. + +De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn +gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien +en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was +uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte +een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop +was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht +een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te +voorschijn te brengen. + +De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed +plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de +rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag +men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door +de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij +gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom +stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over +de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen +waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken +rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten. + +De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij +verslag van zijn bevinding: "Tot dusver ben ik zeer tevreden," zei hij; +"het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook +voor het transport van alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het +verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in +de hand werkt." + +"Hoort gij dat?" zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een +por in de ribben gaf. "Mijn villa komt stellig nog terecht." + +"En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de +beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig +ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!" + +"Nu nog niet!" zei Frank afwerend. "Nog liggen de schatten verborgen in +den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten +als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw +boerderij nog altijd in een substantieel Niet verscholen liggen. Maar +als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet +aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen +absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, +zoo ver zijn we nog niet. Ik ben...." + +Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: +"Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!" + +Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen +weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk +begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid +van het naburige meer was rondom op den grond van invloed; vandaar +dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, +des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, +dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al +plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier +bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist +toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen--drie +gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, +doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel +tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug +en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee +hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond +dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in +gebroken Engelsch: "Stil anders dood!" + +De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje +behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop +van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen +eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij +meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven. + +Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit +op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met +kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd +door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen +in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk +opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het +meisje zagen aankomen. + +Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij +zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat +zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps +het "Totem", dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, +en dat hij er toen bij gezegd had, dat dit schrift haar beveiligen +zou tegen iedere vijandelijkheid. "Zijn schaduw is mijn schaduw, +en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder", dat was +de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het +totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien +zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield. + +"Nientropan-homosj," zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, +dat de "Jonge Beer" in zijn eigen taal zoo heette. + +De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet +van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand +tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, +die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar: + +"Wie--geven--u?" + +"Nientropan-homosj," antwoordde zij. + +"Jong opperhoofd?" + +"Ja," knikte zij. + +"Waar?" + +"Op het schip." + +"Groote vuurkano?" + +"Ja." + +"Op den Arkansas?" + +"Ja." + +"Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas +geweest. Wie--mannen--daar?" Hij wees achterwaarts naar het ravijn. + +"Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand." + +"Oef!" riep hij uit, en "Oef!" riepen ook de anderen. Hij wilde nog +verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, +met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, +om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men +was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer +te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De +bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; +vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk. + +"De groote hoofdman der Apachen!" riep hij uit. "Dit blanke meisje +bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij +hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie +zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren." + +De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, +vroeg Winnetou hun: "Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?" + +"Ja." + +"Wie is uw aanvoerder?" + +"Tsjia-nietfas." ("Het lange oor.") Waarschijnlijk was deze man door +zijn scherp gehoor beroemd. + +"Waar is hij?" vroeg Winnetou verder. + +"Aan het meer." + +"Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?" + +"Honderd man." + +"Zijn er nog andere stammen ook hier?" + +"Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om +tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, +om de scalps der Utahs te halen." + +"Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten +uitgezet?" + +"Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen." + +"Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer +aan het meer?" + +"Ja, en de Jonge Beer ook." + +"Brengt ons bij hen!" + +Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het +ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men +klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand +was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de +ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter. + +Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling +een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond +weer, en al spoedig zag men het water. + +"Het Zilvermeer," zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen +wendende. "Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht." + +"Maar rust zullen wij hier niet vinden," zei Old Firehand. "Wij zullen +waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen." + +Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; +het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden. + +Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen +gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans +lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich +telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende +boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In +de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; +hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich +uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts +een smalle grasstrook vrij liet. + +Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig +gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het +scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners +nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de +grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige +kano's aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, +en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude +gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige +gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en +heesters beplant. + +Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en +de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch +groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer +als zilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo +iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met +kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien. + +In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd +Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken +zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den +stoet zagen, stelde hen spoedig gerust. + +De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje +traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache +bracht zijn hand aan den mond, en riep: "Nientropan-homosj! Winnetou +is aangekomen!" + +Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano +stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader +en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was +stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen +de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en +zei: "Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, +verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, +en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest." + +Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de +eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, +en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: "Mijn blanke broeder is +een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!" + +Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon +was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers +op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de +kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel +was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier +dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten +zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het +hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: +"De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit +de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?" + +"Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer," antwoordde zij. + +Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet +geheel kon verbergen. + +"Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?" vroeg hij. + +"Ja, nog al lang zelfs!" antwoordde zij. + +"Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet +alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer +gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar +nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal +zij mij dat vergunnen?" + +"Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik +alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt." + +Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, +en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman. + +De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in +het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman +was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu +langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie +van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen +en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet +minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst +van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, +hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen +als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en +keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken +had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam +naar hem toe, en zei: "Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil +hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?" + +De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar +Droll antwoordde: "Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik +niet geleerd." + +De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde +Droll: "Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, +dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij +allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben." + +"Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?" + +"De Utahs." + +"O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen +zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen." + +"Dan vergist gij u!" + +"Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier +als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!" + +"Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos +hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; +de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het +Zilvermeer zijn." + +"Oef!" zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond +bleef staan. + +Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing. + +"Is het mogelijk?" vroeg de Groote Beer. "Spreekt deze blanke tante +de waarheid?" + +"Ja," antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek +van het Zilvermeer het best kende. "Wij zullen u alles uitvoerig +vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den +vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier +zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den +canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen." + +"Ik ook mee!" verzocht Hobble-Frank. + +"Ik ook asjeblieft!" zei Droll. + +"Goed," antwoordde Winnetou. "Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar +beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daar +achter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende +rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos +dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te +bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden +ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp +komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want +daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven." + +Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, +die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in +overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het +meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, +om hun dorst te lesschen. + +Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te +vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te +mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende +het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid +kon hun van veel nut zijn. + +Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het +was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het +noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, +terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, +dat in die richting den uitgang van het dal vormde. + +Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten +veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen +voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde +noodig. + +Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, +moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering +niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval +ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er +echter tusschen het meer en den canon een tamelijk breede, op een dijk +gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was +die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, +dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk +voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk +stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met +welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in +staat om deze vraag te beantwoorden? + +Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk +over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el +breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager +die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze +zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men +den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra +was er zelfs geen grashalm meer te bekennen. + +Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van +den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, +en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook +reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk +maakten. Na het derde kwartier werd de canon eensklaps breeder, +dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren +niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen +vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilen rustten, +welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon. + +"Hier moeten wij stilhouden," zei de Jonge Beer, die met de blanken +voorop reed. "Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen +verbergen." + +"En de paarden brengen wij een eind terug," zei Droll, "anders zouden +ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden." + +Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf +en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De +blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht +noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als +een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, +en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch +des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan +den dag legde. + +"Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch +bedachtzame mannen," zei hij: "doch de Navajos zijn doof en blind +geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog +niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs +hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben +ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps +moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht +zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan...." + +"Dan zullen wij een woordje meespreken," viel Droll hem in de rede. + +"Ja, dat zullen we," zei Frank. "Het zou mij plezier doen als ik het +geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels +kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?" + +"Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het +keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet." + +"En de Navajos?" + +"Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien +weg gebruik te maken, want de weg is...." + +Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een +geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het +struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een +oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard +bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij +was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard +met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan. + +De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de +Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: +"Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos +reeds aangekomen?" + +"Nog niet." + +"Dan zijn wij verloren!" + +"Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!" + +"De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden +der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen +te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, +en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; +zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen +houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen +aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons +dicht op de hielen." + +"Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?" + +"Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het +gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want +wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden +zijn. Nu zijn onze mannen verloren!" + +"Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel +hulp komen." + +Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier +blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van +den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; +daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij +hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: "Als het zoo gesteld is, +moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk +een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen +opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de +overige Timbabatsjen te halen." + +"Hoe komt het in u op!" viel Hobble-Frank hem weersprekend in de +rede. "Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!" + +"Hoe zoo?" vroeg Droll verwonderd. "Denkt gij, dat ik geen Westman +ben?" + +"De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben +zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen +vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den +voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, +tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullen _wij_ zorgen." + +"Bravo, Frank! gij hebt gelijk," riep Humply-Bill. + +En de Gunstick-Uncle voegde er bij: "Ja, ja, zij moeten vechtend +blijven--tot wij al de Utahs daar verdrijven!" + +"Goed gesproken!" knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die +zijn plan vond. "Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar +het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, +om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen +loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!" + +Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, +met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen +zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang +onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien +vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, +konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het +geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog. + +Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels +doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters +verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en +zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen +gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, +doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van +de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die +te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden +rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon +innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, +opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor +de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou +er niet één hunner in leven gebleven zijn. + +Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp +opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den +canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik +van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven +vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog +vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen +over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten. + +Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig +meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te +groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden +laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed. + +Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met +goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, +die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de +blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal. + +Naast de jagers lag de "Jonge Beer", en gebruikte zijn geweer, +dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs +weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch +hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet +komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: "Wij met ons vijven +blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg +hun dat!" + +De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk +sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de +blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst +nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er +hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen +had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar +de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was +eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen +snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen +zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen +dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft. + +Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den +Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd +werden. De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden +hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht +voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder +achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en +hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger +verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich +snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte +dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte +Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij +tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd +geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men +het verder verloop van den strijd gerust afwachten. + +En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten +Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste +trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: "Ik heb de Navajos +nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun +krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich +óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende +afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot +ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden." + +"Volstrekt niet!" zei Old Shatterhand. "Zij zijn immers nog niet +vernietigd?" + +"Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der +Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, +moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij +gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in +de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats +grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van +hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of +de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is +erg te betwijfelen." + +"Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?' + +"Ja." + +"Dan verkeert gij in het grootste gevaar." + +"O neen!" + +"Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos +verwacht?" + +"Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij +louter en alleen op mij zelf." + +"Dan begrijp ik u niet." + +"Ik ben voor geen duizend Utahs bang." + +"Daar heb ik geen hoogte van." + +"Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen +verloren. In één oogenblik dood ik hen allen." + +"Hum! Allen?" + +"Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet +begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op +zulk een gedachte zou niet een der uwen komen." + +Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even +rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, +terwijl er een glimlachje om zijn lippen speelde: "Maar gij, gij zelf, +zijt ook niet op die gedachte gekomen." + +"Niet? Wie zegt u dat?" + +"Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat +wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw +hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen." + +"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend +vijanden bang ben?" + +"Ja, juist." + +"Zeg het dan!" + +"Moet ik daardoor uw geheim verraden?" + +"Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven +er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik." + +"En ik!" + +"Onmogelijk! Of bewijs het mij!" + +"Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?" + +"Ja." + +"Wanneer zij zich in den canon bevinden?" + +"Ja." + +"Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander +wapentuig geschieden." + +"Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij +niet weten." + +"O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door +luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus +door water?" + +"Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!" + +"Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel +menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar +het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; +het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is +het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, +die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt +en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, +waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier +verandert. Heb ik het geraden?" + +In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, +onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote +Beer op, en riep: "Heer zijt gij alwetend?" + +"Neen, maar ik denk na." + +"Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben +ik aan het geheim gekomen?" + +"Door erfenis." + +"En hoe wordt de dam geopend?" + +"Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag +zeer spoedig beantwoorden." + +"Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom +die dam daar opgeworpen is?" + +"Ja." + +"Nu?" + +"Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der +zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was +voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om +hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten." + +"En wat is de andere reden?" + +"De schat." + +"De schat?" vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit +deed. "Wat weet gij van een schat?" + +"Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen +omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen +meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, +zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand +hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden +tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk +in, dat het 't onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien +slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al +het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, +om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, +stomme bewakers van dien schat zouden zijn." + +"Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!" riep +de Groote Beer verschrikt uit. "Laten wij niet verder over den schat, +maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan +duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den +canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?" + +"Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang +te houden!" + +"Welke dan? Wapenen?" + +"Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat +zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te +redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen +gevangengenomen en meegebracht." + +"Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen." + +"Weet gij daartoe een geschikte plaats?" + +"Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen +brengen." + +De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch +en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van +eenige Timbabatsjen in de kano's gebracht, die aan den oever van +het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook +naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van +dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één +verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was +afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere +was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren +er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, +dat was alles. + +"Moeten de gevangenen hier blijven?" vroeg Old Shatterhand. + +"Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel +betere plaats." + +Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van +dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder +de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met +inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom +naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu +de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg +licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig +kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel +naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van +tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening +bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter +was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar +geen toegang naar beneden te zien geweest. + +De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander +gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; +toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: "Zij kunnen +voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren +van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze +streek wisten zeer goed wat zij deden." + +Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, +zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder +klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm +van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en +vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen +mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat +verborgen liggen? + +Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, +want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer +naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van +het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt +vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano's gebracht, om op den +oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, +verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp +had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote +Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen +en snelden naar de paarden. + +Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder +bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel +te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De +Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien +en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, +bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel +gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos +raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, +en stak van wal, toen de anderen wegreden. + +Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement +gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en +dun, en in een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste +vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de +paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, +lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel +mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder +door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, +waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden. + +Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig +hulp kwam opdagen. Humply-Bill vertelde wat er was voorgevallen, en +Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over +hetgeen hij gedaan had. + +De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben +met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door +snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde +hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De +verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, +zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden +mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen. + +Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten +uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten +voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten +verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte +dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler +gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat +hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte +om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn +sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen. + +"Halt!" riep hij met zijn donderende stem. "Laat die menschen liggen." + +"Waarom? Hun scalps komen ons toe!" antwoordde het Lange Oor. + +Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn +schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij +hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: "Doe één snee, +en ik schiet!" + +Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Wat kunt gij +daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren." + +"Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, +ten minste niet bij de levenden." + +"Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik +die nemen." + +"Met welk recht?" + +"Ik begrijp u niet!" antwoordde de Roodhuid verbaasd. "Een verslagen +vijand moet toch gescalpeerd worden!" + +"Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?" + +"Neen. Ik heb er één geraakt." + +"Welken?" + +"Dat weet ik niet." + +"Is hij dood?" + +"Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen." + +"Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; +dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!" + +De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn +volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de +afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl +de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed +kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, +en hoorde men hen roepen: "Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het +toovergeweer!" + +Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn +tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op +hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar +hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: +"Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die." + +Een der aanvoerders antwoordde: "Gij zult op ons schieten!" + +"Neen." + +"Spreekt gij waarheid?" + +"Old Shatterhand liegt nooit." + +Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug. + +Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij +dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te +vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande +beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek +laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, +twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden +en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen +ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, +en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar +buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: +"Blijft! Er zal u niets geschieden." Zij bleven angstvallig staan; +hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: "Hoeveel hoofdmannen zijn er +nu bij u?" + +"Vier." + +"Wie is de voornaamste van hen?" + +"Nanap varrenton (= de oude donder)." + +"Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den +weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het +midden; wapenen brengen wij niet mee!" + +Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: +"Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee." + +"Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal +kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen." + +Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, +Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den +afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige +hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De +hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun +gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die +er opgesmeerd waren; doch uit hun blikken sprak de verbazing, dat +zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo +keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste +der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te +spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: "Toen +de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, +en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen...." + +"Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet," +viel Old Shatterhand hem in de rede. "Maar de bleekgezichten drukken +zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen." + +Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn +woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd +hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den +pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, +half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: "De Oude +Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old +Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te +laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden +zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!" + +"Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren +tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak +van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maar _wij_ +willen over den dag van heden spreken. En daar _ik_ degene ben, die +u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik +van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!" + +Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden +aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom +vervolgde hij: "Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent +gij ook de beide krijgslieden, die hier naast mij zitten?" + +"Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen." + +"Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode +mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, +zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben +behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige +wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden +moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?" + +"Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt." + +"Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat +wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen +naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij +hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden." + +"Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld +en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?" + +"Weder louter, om ons eigen leven te redden." + +"En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze +vijanden zijn." + +"Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten +hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen +zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten." + +"Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst." + +"Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen +het als onzen plicht, u vrede aan te bieden." + +"Wij zijn de overwinnaars." + +"Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet +meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is +onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons +leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u +had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, +zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal." + +"Wat weet gij daarvan?" + +"Alles. Wij hebben hun lijken begraven." + +"Zijt gij dan daar geweest?" + +"Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs +zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen +de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen +hebt." + +"Dat is onmogelijk; dat is niet waar." + +"Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der +Utahs, die er bij geweest zijn." + +"Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen." + +"Waarheen?" + +"Weten wij dat?" + +"Zijn zij door de Navajos gedood?" + +"Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken +niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; +maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één +gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen +gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos." + +"Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!" + +"De Groote Geest heeft hen tot zich genomen." + +"Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke +mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd." + +"In uw handen?" + +"Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet." + +"Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af +te dwingen." + +"Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen +wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie +hoofdmannen gevangengenomen." + +"Zonder dat hun krijgslieden het merkten?" + +"Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, +zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old +Shatterhand genoemd!" + +"Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben." + +"Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die +gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?" + +Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde +knoopen, vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien +riem zien. + +"Oef!" riep de Oude Donder verschrikt. "De wampoen van de Gele Zon. Ik +ken hem goed." + +"En dezen hier?" + +Hij bracht een tweeden riem te voorschijn. + +"De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook." + +"En dezen derden wampoen?" + +Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna +in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte +bijna stotterend: "Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem +heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien +persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?" + +"Ja." + +"Waar zijn zij?" + +"In onze macht, terdege opgesloten." + +"Aan het Zilvermeer?" + +"Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons +bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, +die later stellig ook hoofdmannen zullen worden." + +"Wat zult gij met hen doen?" + +"Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de +Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!" + +"Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, +man tegen man." + +"Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt +gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig +krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk +dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, +dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen." + +"En den buit rekent gij niet." + +"Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen +buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij +tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs +geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, +en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen +wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij +zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, +zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!" + +Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet +nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op +den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had +nog meer kracht bij te zetten: "Uw hoofdmannen hebben ons naar het +leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus +niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden +om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij +het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te +sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wij weten zeer goed, +dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is." + +Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige +gestalte uit: en zei: "Pshaw! Waartoe al die woorden--wij hebben immers +wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede +wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem +geven, wat hem toekomt: Leven of dood!" + +Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: "Zoo spoedig +kunnen wij geen besluit nemen." + +"Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?" + +"Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met +onze onderhebbenden spreken." + +"Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet +noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere +list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u +tegen onze vuisten helpen." + +"Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het +betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, +wat er zal moeten geschieden." + +"Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!" + +"Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie +verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid +roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!" + +Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de +overigen volgden zijn voorbeeld. + +"Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!" bromde Old Firehand gemelijk. + +"Mijn broeder heeft te driftig gesproken," zei Winnetou op zijn +zachtzinnige manier. "Hij had Old Shatterhand verder moeten laten +begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt +om toe te geven." + +Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij +antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het +Lange Oor hun: "Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw +drieën gegaan?" + +"Omdat wij dat voldoende achtten," antwoordde Old Firehand norsch. + +"Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht +om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij." + +"Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde +er bij noodig." + +Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke +laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, +hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, +Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, +door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, +die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, +dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste. + +Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel +niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, +maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke +overrompeling te verijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet +worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen +der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk +weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan +de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en +drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen. + +Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden +dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten +rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop +vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem +reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, +die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door +te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon +eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter +elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug. + +Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het +ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de +hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een +bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou +zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van +gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens +iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze +gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten +uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch +het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de +afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange +gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen +vóór hem was. Weer rolde er een steen--naast hem dook iets donkers op, +voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een +schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; +hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos. + +Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten +hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel +gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij +zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten +toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: "Wij hebben het Lange +Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig +is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal +hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door +een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!" + +De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen +tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het +was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den +waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, +welke hij ondervonden had. + +"Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, +wanneer ik hem de prop uit den mond neem," vervolgde de andere. + +De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch +de Oude Donder gaf hem de vermaning: "Als gij luid spreekt, zult gij +sterven. Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles +vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!" + +Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder +gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den +Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen +schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog +nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was +hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan. + +"Ik haat en veracht deze bleekgezichten," antwoordde hij. "Als gij +mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen." + +"En de Beren ook?" + +"Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven." + +"Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?" + +"Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten +hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben." + +"Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk +met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen." + +"Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, +dan gij nu kunt vermoeden." + +"Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze +hoofdmannen gevangen houden!" + +"Dat is waar. Ik heb hen gezien." + +"Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, +want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen +een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?" + +"In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt." + +"Door wie worden zij bewaakt?" + +"Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is." + +"Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en +beroemde krijgslieden! Gij liegt!" + +"Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid +zijn." + +"Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden +bevinden zich op den oever?" + +"Niet één." + +"Man! waar is uw verstand?" + +"Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, +anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen +ulieden te vechten." + +"Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?" + +"Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor +onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk +naar het meer kunt komen." + +"Is dat dan mogelijk?" + +"Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen." + +"Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er +nog een andere?" + +"Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen." + +"Waar is dat pad?" + +"Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een +kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, +waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den +Grooten Beer gereden." + +"En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?" + +"Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten +intusschen aangekomen zijn." + +"Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier +naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd +gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer +te bereiken?" + +"Drie uur." + +"Dat is lang, zeer lang!" + +"Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij +bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en....." + +Hij bleef steken. + +"En.... spreek verder!" + +"En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een +gevonden is." + +"Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder +is er toch niets bij hen te vinden?" + +"Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het +Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, +goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte." + +"Wie heeft u dat wijsgemaakt?" + +"Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een +avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven +vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken +zij over die onmetelijke schatten." + +"Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?" + +"Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze +daar in veiligheid gebracht." + +"Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, +hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten +leegscheppen?" + +"Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat +volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen +toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, +en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen +breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen +afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer +herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje +uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar +het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met +steenen volgestopt." + +"Is dat alles waar?" + +"Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen +heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen +fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt +op den bodem van het meer naar het eilandje, naar den toren, in welks +onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, +om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die +zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; +dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, +en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen." + +"Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten +eens konden laten verzuipen!" + +"Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden +omkomen." + +"Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd +hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het +eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?" + +"Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom +zal _ik_ krijgen?" + +"Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de +waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten +geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren." + +De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de +Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk +zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten +de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal +waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den +nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden +bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging +tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het +keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien +de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder +moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, +en werd vrij helder beschenen. + +Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, +toen de Utahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden +halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten +of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, +viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later +keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood. + +"De bleekgezichten zijn niet meer in den canon," rapporteerden +zij. "Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons +geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij +was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten." + +Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, +dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken +in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich +opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het +bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, +dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen +niet kon koesteren, en voegde er bij: "De bleekgezichten, die veel +zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis +van den canon en zijn naar het meer opgerukt, waar zij dachten niet +door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, +dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, +vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; +doch gij zult hen in den rug aanvallen. + +"Hoe is dat mogelijk?" + +"Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts +enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te +halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door +die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar +boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano's, +waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van +den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn +Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel." + +"Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt +ons in de gang. Wijs ons den weg!" + +De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen +zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen +tegen de rots. + +"Die steenen moeten weg," zei de Timbabatsj, "dan zult gij de opening +zien." + +De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat +van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, +en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die +alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= +prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak +die aan. Daarop begaf men zich de gang in. + +De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang +moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde +bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het +water van het meer. + +Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog +slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel +mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, +waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen. + +"Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn," +zei het Lange Oor. "Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, +waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?" + +"Ja," antwoordde de Oude Donder. "Maar lang moeten wij ons daarmee +niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te +komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben." + +Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het +schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene +beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een +beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; +deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het +afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, +eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die +naar boven leidden; zij gaven slechts plaatsruimte voor één persoon; +daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan. + +Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de +bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, +gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef +staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen +ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde +het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels +wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter +halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, +die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond +in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren +eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven +redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, +om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand +vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, +dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er +reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; +zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander--tevergeefs. + +Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij +nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden +slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door +een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, +waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden. + +"Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!" gebood de hoofdman der +Utahs aan den Timbabatsj. + +Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er +ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het +water intusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de +opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, +zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg. + +Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich +van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch +nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, +en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te +verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood +te schieten; dat ziende riep hij uit: "Houdt op, want anders werp ik +het licht in het water, en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, +waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen." Dit +hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer +zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel. + +"Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!" antwoordde de Oude +Donder. "Later zult gij er voor boeten!" + +De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer +kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De +bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist +dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, +wanneer de Utahs in het water omkwamen. Daarom bleef hij staan toen +hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij +het hoofd Van den Ouden Donder. + +"Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken," riep hij hem +toe. "Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug +in het water!" + +Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman +achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later +verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en +viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, +want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water +kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven. + +Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met +dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De +opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden +meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen +den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping +zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: "Halt, blijf beneden, +anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn +zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!" + +Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem. + +"Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!" antwoordde hij in doodsangst. + +"Wie zijt gij dan?" + +"Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen." + +"O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den dood verdiend, +want gij zijt een afvallige, een verrader." + +"Neen, neen! Gij vergist u!" + +"Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester +gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij +verdrinken juist zooals zij verdronken zijn." + +"Ik heb niets verraden!" betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij +stond reeds tot aan zijn knieën in het water. + +"Lieg niet!" + +"Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!" + +"Neen, gij blijft beneden!" + +Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: +"Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij +zal zijn schuld bekennen." + +"Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!" verzekerde het +Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel. + +"Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor +dankbaar zult betoonen." + +"Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, +en ik zal het doen!" + +"Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!" + +De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te +kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij +zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor +de openstaande deur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, +zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg +neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, +doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: "Voort, voort, +naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!" + +"Blijf maar hier!" antwoordde de Groote Beer. "Gij hebt van het water +niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger +stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons +vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt." + +Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, +was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen +lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op +hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs +naderbij zouden sluipen. + +Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op +den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer +naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had +gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij +geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman +weggeslopen was. + +"Waar naar toe?" + +"Naar de Utahs. Hij is nog niet terug." + +"Hoe lang is hij weg?" + +"Sedert ongeveer een uur." + +"Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien." + +De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar +hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren +weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den +canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old +Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar +Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem +zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te +halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle +moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, +zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, +dat de Utahs verdwenen waren. + +"Zij hebben hem stellig ingepakt," zei de Groote Beer; "hij heeft te +veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan." + +"En misschien ook met ons," zei Old Shatterhand. + +"Hoe zoo met ons?" + +"Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een +zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen +gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen +aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij +de hoofdman echter betrokken is." + +"Welke reden kan dat zijn?' + +"Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad." + +"Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit +vijandig jegens ons gedragen." + +"Dat is wel mogelijk; maar toch is hij de man niet, op wien ik mij +zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?" + +"Ja." + +"Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?" + +"Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest." + +"Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer +te komen." + +"Waarom?" + +"Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben." + +"Daartoe acht ik hem niet in staat!" + +"Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij +niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar +dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg +zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen." + +"Dat denk ik ook," zei Old Firehand. + +"Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk," merkte Winnetou op. "Mijn +broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar +eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen." + +Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote +Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen +een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op, +zoogoed als het in de duisternis gaan wilde. + +Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin +zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken, +daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer +blindelings vertrouwen mocht. + +Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in +het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander +spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat +klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar +vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te +gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht +werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij +te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats, +van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf +opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo +alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren +zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden. + +Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het +voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De +overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden +een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over +het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich +overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was +gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk +voor hen verzwegen. + +Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter +over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer +te spreken, en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht +bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid: +"Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij +eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert +mij reeds vroeger gezien te hebben." + +De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen: +"Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar +ik herken hem toch." + +"Welnu, wie ben ik dan?" + +"Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter +doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader, +die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf." + +"Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij +gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel +herinneren zal." + +"Ik weet het," zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op +een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde. + +"Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een +schat, die hier verborgen ligt." + +"Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim +sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak, +dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover +ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim, +dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn +kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn +eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het +bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen." + +"Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?" + +"Dat kan ik u niet verbieden." + +"Wij hebben een teekening daarvan gehad." + +"Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets +vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht." + +"En mag ik niet weten waar?" + +"Neen." + +"Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?" + +"Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij +zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet +aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen +wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen." + +"Is dat u ernst?" vroeg Old Firehand. + +"Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken +worden." + +"Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven." + +"Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen." + +"Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?" + +"Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het +eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten." + +"Kunt gij uw recht daarop bewijzen?" + +"Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangen +een papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten +maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is +ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver +als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik +kan er mee doen, wat mij goeddunkt." + +"En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier +gekomen zijn?" + +"Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele +streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke +Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de +Timbabatsjen is." + +"Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij +willen?" + +"Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen." + +"Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!" + +"Doe het!" + +"Hebt gij er niets tegen?" + +"Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen." + +"Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou +zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen." + +"Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal +wonen?" + +"Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt +tot aan uw grenzen." + +Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid +aan, toen hij vroeg: "Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen +wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De +blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik +raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u." + +"Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij +water kunnen bekomen." + +"Neemt dan water uit het meer!" + +"Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde." + +"Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt." + +"Mag ik een waterleiding aanleggen?" + +"Ja." + +"Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?" + +"Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den +prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst +bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen; +en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het +eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim +hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik +ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal +op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij +genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting." + +"Ons karretje rijdt op een zandweg," fluisterde Hobble-Frank tegen +zijn neef. "Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het +hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij +spoedig Crassussen worden." + +"Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest, +die zoo schatrijk was?" + +"Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de +verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als +gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!" + +Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de +rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken +sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen, +vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch +als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen +genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen, +en wachtten in spanning wat er komen zou. + +Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten +werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen +naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich, +die zij met argus-oogen bespiedden. + +"Zeg," fluisterde Frank, "beweegt zich niet iets daar links van +het houtgewas?" + +"Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn." + +"Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben +van een puikpuik geweer." + +Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings +over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het +schot uit Frank's geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst +getroffen, neer. Zijn beide kameraden snelden naar hem toe, om hem in +veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet; +zij verdwenen met den doode. + +Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was +wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen +liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer +een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old +Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte: +"De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene +helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg +uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin +van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen." + +"Een gat?" vroeg de Beer verschrikt. "Dan kennen zij de onderaardsche +gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben +dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij +mee! Ik moet zien, of het waar is." + +Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen +volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon, +onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd, +en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche +gang ingingen. + +"Ja, zij kennen mijn geheim," zei de Groote Beer. "Zij willen naar +het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn +schatten meester maken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet +vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met +mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien." + +Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt, +waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige +centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen, +die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een +dier steenen, en zeide: "Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het +eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit +rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel +achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort." + +"Waarom moet het rotsblok het water in?" vroeg Winnetou. + +"Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen; +ik moet weg. Gauw." + +Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur +aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in +een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging, +grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal, +en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de +boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout; +dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand. + +"Nu moeten mijn broeders luisteren!" zei hij, met de hand in de +richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven. + +Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het +sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water, +en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte. + +"Het is gelukt!" riep de Groote Beer, diep adem scheppende. "De Utahs +zijn verloren. Komt mee naar binnen!" + +Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de +haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen, +op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de +minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar, +waarboven de Beer luisterde. + +"Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen," zei hij. "Nu +moet gauw het water er in!" + +Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij +daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij +terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer, +en zei: "Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar +een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken, +en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb." + +"Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!" riep +Shatterhand. + +"Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!" + +"Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?" + +"Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij +daarbeneden gezien heeft." + +"Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!" + +"Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten +zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven +kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder +water. Komt even binnen!" + +De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden +gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang +naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat +beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen. + +"Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?" vroeg Old +Shatterhand. "Die verdrinken immers ook!" + +"Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk, +moeten wij hen er uit halen. Luister!" + +Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een +fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde +hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die +wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid, +of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten, +en de trechtervormige draaikolk was verdwenen. + +Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet +mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover +hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon: +"Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs +in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik +hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?" + +"Ja," bekende de andere. + +"Wie heeft dat aan u verraden?" + +"Gij zelf." + +"Dat is niet waar!" + +"Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met +uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen +hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche +gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert +gij u dat?" + +"Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan +praten. Wij dachten dat wij alleen waren." + +"Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar +die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een +hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop +te verwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen +wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander." + +"En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen +te verraden!" + +"Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om +mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland +gesproken." + +"Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u +verdwenen was, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden +reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien, +wat beneden in het eiland lag?" + +"Ja." + +"En hebt gij de pakketten geopend?" + +"Maar één er van." + +"En wat zat daarin?" + +"Een god, van zuiver goud vervaardigd." + +"Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat +denkt gij wel dat gij verdiend hebt?" + +De Timbabatsj zweeg. + +"Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en +kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet +zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij +doet wat ik van u verlang." + +"Wat verlangt gij?" + +"Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit +of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het +eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt." + +"Ik ben bereid te zweren." + +"Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat +Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen +wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken +prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het +meer loopt." + +"Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut; +wij kunnen er geen paard laten grazen." + +"Nu, wat vraagt gij er voor?" + +"Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken." + +"Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij +zelf dan moeten bepalen. Daarom zal _ik_ u nu maar zeggen, wat gij +moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit, +tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is +niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?" + +"Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen." + +"Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den +dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop +daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder +geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij +verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet, +dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw +best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen +van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde +moeten brengen, anders verdrinken die ook nog." + +Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd, +dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van +hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en +sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die +zijde den kelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer +moeten duren, of de Utahs waren verdronken. + +Zij werden in de kano's naar den overkant gebracht, en onder de +bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen +gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij +moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun +post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet +terug hadden getrokken. + +Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar +het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen, +toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd +ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo +volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer +niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den +Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon +wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen. + +De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren +verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te +vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de +gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen, +die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland +te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden +de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut, +of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop +verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de +ramp waren omgekomen. + +Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde +plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden +zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand +onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun +aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen +verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij +elkander waren, zei Old Shatterhand: "Weet gij, dat wij verscheiden +van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?" + +"Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen," antwoordde +de aangesprokene somber. + +"En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang +binnengedrongen waren, gebeurd is?' + +"Neen." + +"De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen; +zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans +ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos +aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar +uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet, +dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat +een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij +geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden +zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij +er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u +bij de hoofdmannen brengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar +hier terugkeeren." + +De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: "Old +Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug +laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee." + +Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn +wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte +leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij +brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te +wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest +om hen tot vrede-sluiten over te halen. + +De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder +voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad +bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar +hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende +ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen; +zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen +hulp meer te wachten hadden. + +Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten, +dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen. + +Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan +de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde +verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten +slotte de vredespijp de ronde deed. + +Het resultaat was een "eeuwige" vrede tusschen alle partijen; +boetedoening werd van niemand verlangd:--de gevangenen werden op vrije +voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden +de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten +te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn. + +Hierop volgde een groote jacht, die tot 's avonds duurde en een rijken +buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van +wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit +feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen +de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in +te slapen. + +Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had, +die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn. + +Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk +te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had; +hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd +alles vergeven. + +Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep; +pas den morgen daarna ging men van elkander af. + +De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen +keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop +van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te +zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding, +dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den +door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat +nu nog gedaan moest worden, was den gesloten koop door de bevoegde +overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen. + +Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon +een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er +werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen +gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk, +de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem +naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden +die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij +hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer +waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog +een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het +goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde +veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg +om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele +poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt +kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen +op avonturen in de bergen uit te gaan. + +Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange +Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar +konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld +worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris +te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele +akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop +hij aanspraak had. + +Eindelijk, na verloop van bijna anderhalve maand, kwam de tijding, +dat de machines afgehaald konden worden. Men brak tot dat doel op, +en de lord maakte van de gelegenheid gebruik, om in hun gezelschap +naar bewoonde plaatsen te komen, waar hij gemakkelijk andere gidsen +zou kunnen vinden. + +Toen het gezelschap in Fillmore City aankwam, verwekte het niet weinig +opzien. Men begreep, dat het hier een groote mijnonderneming gold, +en gaf zich alle moeite om iets naders daarvan te vernemen. Doch de +personen, die er belang bij hadden, bewaarden het diepste stilzwijgen, +daar het niet in hun plan kon liggen allerlei gespuis in hun nabijheid +te krijgen. + +Toen men alle machines boven aan het meer bijeen had, begon de +ingenieur zijn werkkracht te ontwikkelen. De waterleiding werd +aangelegd, en toen in de eerste plaats het zand op den bodem van +het keteldal ontgonnen. Wat de voeding betrof, men had meel en andere +benoodigdheden in groote hoeveelheden medegenomen. Voor vleesch zorgden +iederen dag afwisselend drie personen, die uit jagen moesten gaan, +terwijl de anderen in het dal werkten. Voor het toebereiden van de +spijzen zorgde Ellen, wier tegenwoordigheid een ware weldaad was voor +de geharde mannen. + +De verwachting, die men van dit dal gehad had, bleek alleszins juist +te zijn. Het zand was rijk aan goud, en men mocht veronderstellen, +dat de vaste rotslagen niet minder zouden opleveren. De hoeveelheid +stofgoud en nuggets werd elken dag grooter; iederen avond werd +er opnieuw gewogen en getaxeerd, en wanneer het resultaat, zooals +gewoonlijk, verblijdend was, fluisterde Droll vergenoegd tegen zijn +neef: "Als het zoo voortgaat, zal ik de boerderij spoedig kunnen +koopen. De dingen gaan zoo mooi als het maar behoeft." + +En Hobble-Frank antwoordde: "En mijn villa is om zoo te zeggen al +klaar, ten minste in mijn hoofd. Dat zal een composant gebouw worden +aan het heerlijke strand van de Elbe; en de naam, dien ik er aan zal +geven, zal nog veel composanter worden. Ik heb gezegd. Howgh!" + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Verkorte benaming voor San Francisco. + +[2] _Eagle-tail_ = Adelaars-staart. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHAT IN HET ZILVERMEER *** + +***** This file should be named 21875-8.txt or 21875-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/1/8/7/21875/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
