summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/21875-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '21875-8.txt')
-rw-r--r--21875-8.txt26417
1 files changed, 26417 insertions, 0 deletions
diff --git a/21875-8.txt b/21875-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..420a6d6
--- /dev/null
+++ b/21875-8.txt
@@ -0,0 +1,26417 @@
+Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De schat in het Zilvermeer
+
+Author: Karl Friedrich May
+
+Release Date: June 20, 2007 [EBook #21875]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHAT IN HET ZILVERMEER ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN
+
+ DE SCHAT IN HET ZILVERMEER
+
+ VAN
+ DR. KARL MAY
+
+
+ NAAR HET 48STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE
+
+ MET PLATEN
+
+ DERDE DRUK
+
+ AMSTERDAM H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+
+ BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZWARTE PANTER.
+
+
+Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de
+"Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen
+van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der
+rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot
+van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken,
+om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan
+boord genomen moesten worden.
+
+De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten
+of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen
+achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig
+schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder
+een uitgespannen zeil een _Bed-and-Board_ (dat is een toeslaande
+beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden,
+welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende
+gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht
+van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te
+knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en
+dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord
+over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een
+groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den
+grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er
+werd om een _drink_ (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het
+spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel
+betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid
+een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.
+
+Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis
+gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar
+men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij
+met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van
+die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al
+de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem
+"kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel,"
+dat "overste" beteekent.
+
+Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met
+scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen
+keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos,
+wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed,
+dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding
+bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een
+nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg
+hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien,
+waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te
+worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde,
+bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel
+gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en
+twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog
+zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden,
+om als ransel op den rug gedragen te worden.
+
+De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed,
+maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien
+men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden
+met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was,
+en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en
+plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken,
+zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden
+stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten
+waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in
+geen geringere mate door den sterken drank.
+
+De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten,
+en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige
+noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde:
+"Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te
+dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn _boys_ (= jongens), die men
+maar liever _niet_ aan boord ziet komen."
+
+"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een
+hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor _harvesters_ (=
+oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen
+als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn,
+bij wien zij om werk kwamen aankloppen."
+
+"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte _tramps_ (= vagebonden);
+ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen
+houden."
+
+"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend
+zijn. Wij hebben _hands_ (= manschap) genoeg aan boord om hen allen
+in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar
+klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg
+in het gezicht komen."
+
+De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen
+noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen
+der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt
+oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal
+werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in
+moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden
+opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze
+kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.
+
+Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet
+aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel
+beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts
+ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten
+mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers
+bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den
+met de inning belasten beambte volstrekt niet als _gentlemen_ (=
+heeren van stand) behandeld werden.
+
+Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van
+lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó
+sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de
+oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg
+hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was
+geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben
+weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke
+gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond
+uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen
+gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine
+instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika
+als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met
+dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide
+gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was.
+
+Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over
+het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in
+te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel
+opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den
+kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting
+gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar,
+terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder
+omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij
+zich zelf: "_Behold_ (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode
+Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en
+haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende _boys_
+om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop
+maar dat hij mij niet herkent."
+
+Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een
+zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich
+nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even
+naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?"
+
+Deze vraag werd beantwoord met "neen".
+
+"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder
+omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij
+dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor."
+
+"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der
+_boys_ aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u,
+schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt."
+
+"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter;
+ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den
+droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen
+een zoopje met hem maken."
+
+"Als hij maar mee wil doen!"
+
+"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging
+zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u
+te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering
+te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet
+men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar."
+
+"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten
+dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft."
+
+"_Pshaw!_ Willen wij eens wedden?"
+
+"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt
+voor ieder onzer drie borrels."
+
+"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel.
+
+"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om
+revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels."
+
+"Met wie?"
+
+"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen,
+zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog
+staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen,
+die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk
+den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of
+zijt gij bang voor hem?"
+
+Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de
+kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode
+apenbakkes? _Pshaw!_ Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus
+betreft, tegen wien gij mij ophitst. _All devils_ (= alle duivels),
+wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans
+het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij
+stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde,
+dan met menschen van _ons_ kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan:
+een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!"
+
+Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit,
+dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en
+iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje),
+vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon
+uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich
+dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen,
+reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen
+nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk
+zou worden aangeboden.
+
+De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op
+den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een
+geschikte plaats voor zich zocht. "_Good day, sir!_" zeide hij. "Mag ik
+het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor
+een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke
+lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?"
+
+De zwarte baard van den toegesprokene verbreedde zich, en trok zich
+toen weer ineen, waaruit men kon opmaken, dat er een lachje van
+vergenoegdheid over zijn gelaat gleed.
+
+"Wel," antwoordde hij, "ik ben niet ongenegen u dat plezier te
+doen; doch ik zou eerst gaarne weten, _wie_ mij deze verrassende
+eer bewijst."
+
+"Natuurlijk, sir! Men moet weten met wien men drinkt. Ik heet Brinkley,
+kornel Brinkley, als gij er niets tegen hebt. En gij?"
+
+"Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, om u te dienen. Dus op uw
+gezondheid, kornel!"
+
+Hij dronk het glas leeg, waarbij ook de anderen hun glas ledigden,
+en gaf het aan den kornel terug. Deze voelde zich als winner, nam hem
+op een bijna beleedigende wijze met de oogen op van het hoofd tot de
+voeten, en zeide: "Uw naam is Duitsch, als ik het wel heb. Gij zijt
+dus een vervloekte Dutchman, is het niet zoo?"
+
+"Neen, ik ben een Germaan, sir!" antwoordde de Duitscher op een
+minzamen toon, zonder zich door de grofheid van den andere tot drift
+te laten vervoeren. "_Uw vervloekte Dutchman_ dient gij dus aan een
+ander adres te bezorgen; op mij heeft die titel geen vat. Ik dank u
+dus voor uw dronk, en daarmee basta!"
+
+Dit gezegd hebbende maakte hij rechtsomkeer, en verwijderde zich
+schielijk terwijl hij bij zich zelf mompelde: "Ik heb mij dus niet
+vergist; het _is_ die Brinkley. En hij noemt zich _kornel_! De kerel
+heeft stellig niet veel goeds in den zin. Wie weet hoe lang hij nog
+aan boord blijft. Ik zal hem ten minste in het oog houden."
+
+Brinkley had dus de eerste weddenschap gewonnen: doch zeer
+triomfantelijk zag hij er niet uit, allesbehalve. Zijn gelaat was
+geheel veranderd, er was duidelijk aan te zien, dat hij zich verbeet
+van wrevel. Hij had gehoopt, dat Grosser zou weigeren, en zich dan door
+de bedreigingen zou laten dwingen om te drinken. Maar Grosser was de
+wijste geweest; hij had eerst gedronken, en toen vrij duidelijk gezegd,
+dat hij te verstandig was om aanleiding te geven tot een twist. Dit
+hinderde den kornel geweldig. En nadat hij zijn glas opnieuw had
+laten vullen, ging hij naar zijn tweeden slachtoffer, den Indiaan.
+
+Te gelijk met Grosser, namelijk, waren twee Indsman aan boord gekomen,
+een oude en een jongere, die naar gissing omstreeks vijftien jaar
+oud kon zijn. Zij geleken zoo sprekend op elkander, dat men daaruit
+terstond de juiste gevolgtrekking maken kon, dat zij vader en zoon
+waren. Daarbij waren zij zoo volkomen eender gekleed en gewapend,
+dat de zoon het verjongde evenbeeld van den vader was.
+
+Hun kleeding bestond uit lederen leggins, aan de zijden uitgesneden
+als franje, en geel geverfde mokassins. Een jachthemd of jachtbuis
+was niet te zien, doordien zij hun bovenlijf, van de schouders af,
+gehuld hadden in een door weerschijn kleuren-wisselend tsoeni-kleed,
+zooals er zijn die zestig dollars kosten. Hun zwarte hoofdhaar was
+glad gekamd naar achteren, waar het op hun rug neerhing, hetgeen aan
+hun uiterlijk iets vrouwelijks gaf. Hun gezichten waren gevuld en rond,
+en hadden een in hooge mate goedige uitdrukking, die nog verhoogd werd,
+doordien zij hun wangen met vermiljoen hoog rood hadden geverfd. De
+geweren, zooals ieder hunner er een in zijn hand had, schenen te zamen
+geen halven dollar waard te zijn. In het geheel zagen zij er beiden uit
+als volkomen onschadelijk en tevens zoo nuchter, dat zij, gelijk reeds
+is aangestipt, den lachlust der drinkers hadden gaande gemaakt. Zij
+hadden zich, als waren zij bang voor andere menschen, schuchter van
+de menigte afgezonderd, en leunden tegen een stevige houten kast,
+een manslengte hoog en even breed en lang. Daar schenen zij op niets
+acht te geven; en zelfs nu de kornel op hen toetrad, sloegen zij niet
+eens hun oogen op, dan toen hij vlak voor hen stond, en hen aansprak:
+"Mooi weer vandaag! Vindt gij dat ook niet, roode snaken? Dan smaakt
+een borrel. Hier, oude! laat dit eens achter uw kiezen loopen."
+
+De Indiaan verroerde zich niet, en antwoordde in gebroken Engelsch:
+"_Not to drink_--niet drinken."
+
+"Wat, gij wilt niet?" riep de eigenaar van den rooden keelbaard,
+opvliegende als buskruit. "Het is een drink, verstaat gij, een
+drink! Dien geweigerd te zien, is voor iederen echten gentleman,
+zooals ik er een ben, een beleediging, die uitgewischt moet worden
+met het mes. Doch eerst moet ik weten wie gij zijt. Hoe is uw naam?"
+
+"Nientropan-hawi," antwoordde de gevraagde bedaard en bescheiden.
+
+"Tot welken stam behoort gij?"
+
+"Tonkawa."
+
+"Zoo, dus tot de makke roodhuiden, die bang zijn voor een kat--verstaat
+gij dat: bang voor een kat, al ware het 't kleinste poesje! Ik zal
+geen lange morgenspraak met u maken. Dus, wilt gij drinken!"
+
+"Ik niet drinken vuurwater."
+
+Hij zeide dit, in weerwil van den dreigenden toon, waarop de kornel
+gesproken had, even bedaard als vroeger. Laatstgenoemde gaf hem echter
+een oorvijg, die klonk als een klok.
+
+"Ziedaar dan, roode lafaard!" riep hij uit. "Ik wil mij niet anders
+wreken, omdat ik zulk een ellendeling te ver beneden mij acht."
+
+Terwijl de klap gegeven werd, greep de hand van den jongeren Indiaan
+terstond onder zijn tsoeni-gewaad, ontwijfelbaar naar een wapen,
+en tegelijk sloeg hij zijn oogen op naar zijn vader, om aan diens
+gezicht te zien wat die nu doen en zeggen zou.
+
+Het gelaat van den oude was eensklaps zoo veranderd, dat men hem nu
+ternauwernood herkend zou hebben. Zijn gestalte scheen plotseling
+gegroeid, zijn oogen vlamden op en zijn gelaatstrekken teekenden een
+opwelling van geestkracht. Doch even snel sloeg hij zijn oogen weder
+neer, verdween de fierheid van zijn opgericht lichaam en zijn gelaat
+stond weder in dezelfde goedige plooi van vroeger.
+
+"Nu, wat zegt gij daarvan?" vroeg de kornel hoonend.
+
+"Nientropan-hawi danken."
+
+"Is die muilpeer zoo naar uw zin geweest, dat gij er dankje voor
+zegt? Daar hebt gij er dan nog een!"
+
+Dit zeggende voegde hij de daad bij het woord; doch doordien de Indiaan
+snel als een gedachte bukte en den slag ontweek, sloeg hij met zijn
+hand tegen de kast aan, tegen welke de Indianen leunden, en wel met
+zooveel kracht, dat de slag het geheele schip over gehoord werd. En
+dadelijk weerklonk uit de kast een kort, schel gebrom en geblaas,
+dat schier terstond overging in een vervaarlijk woesten schreeuw,
+onmiddellijk gevolgd door een gebrul zoo ontzettend, dat het was
+alsof het schip er van dreunde.
+
+De kornel sprong van schrik achteruit, liet het glas uit zijn
+hand vallen, en schreeuwde met een gillende stem: "_Heavens_ (=
+lieve hemel)! wat is dat? Er zit een wild beest in die kast! Dat is
+ongepermitteerd. Het is goed om een mensch den dood op het lijf te
+jagen van schrik, of althans een beroerte!"
+
+De schrik had niet hem alleen bevangen, maar evenzeer de andere
+passagiers. De zich op dek bevindende mannen gaven even luid uiting
+aan hun ontsteltenis als de kornel. Slechts vier hunner hadden geen
+schijn of blijk gegeven van onthutstheid, namelijk de zwartbaard,
+die nu voor aan den boeg zat, het reusachtige heerschap, dat de kornel
+nu nog tot een dronk moest uitnoodigen, en de twee Indianen. De vier
+personen hadden evenmin als de anderen geweten, dat zich een wild
+beest aan boord, en wel in die kast bevond; doch zij bezaten een zoo
+groote en lang geoefende zelfbeheersching, dat het hun niet moeilijk
+viel hun bevreemding te verbergen.
+
+Het gebrul was ook onder het dek in de kajuiten gehoord. Verscheidene
+dames kwamen gillend naar boven, ten einde te weten te komen door
+welk gevaar zij bedreigd werden.
+
+"Het is niets, _ladies_ en _messieurs_ (= dames en heeren)!" antwoordde
+een zeer fatsoenlijk gekleed heer, die zooeven insgelijks uit zijn
+kajuit was gekomen. "Slechts een pantertje, een klein pantertje,
+anders niet! Een allerliefste _Felis pantera_, slechts een zwarte,
+slechts een zwarte, messieurs!"
+
+"Wat? Een zwarte panter?" krijschte met een pieperige stem een klein
+mannetje met een grooten bril op den neus, zoodat men hem slechts
+behoefde aan te zien om te begrijpen, dat hij beter thuis was in de
+zoölogische boeken dan in den practischen omgang met wilde dieren. "De
+zwarte panter is een allergevaarlijkst verscheurend dier. Hij is
+grooter en langer dan de leeuw en de tijger. Hij werpt zich op zijn
+prooi uit louter bloeddorst, zelfs al heeft hij geen honger. Hoe oud
+is hij al?"
+
+"Drie jaar pas, mijnheer! niet ouder."
+
+"Drie jaar pas? Noemt gij dàt _pas_? Dan is hij reeds
+volwassen... Lieve hemel! En zulk een ondier bevindt zich hier aan
+boord! Wie kan dat verantwoorden?"
+
+"Ik, mijnheer! ik," antwoordde de elegante onbekende; en nu een
+buiging makende, zei hij: "Vergunt mij, _myladies_ en _gentlemen!_
+dat ik zelf mij aan u voorstel. Ik ben de beroemde menagerie-eigenaar
+Jonathan Boyler, en bevind mij sedert eenigen tijd met mijn gezelschap
+in Van Buren. Daar deze zwarte panter in Nieuw-Orleans voor mij
+aangekomen was, ben ik hem daar gaan afhalen, vergezeld van mijn
+knapsten dierentemmer. De kapitein van dit goede schip heeft mij,
+tegen betaling van een hoog vrachtgeld, vergund, hem aan boord te
+brengen, onder beding, dat de passagiers niet te weten mochten komen
+in welk gezelschap zij zich bevonden. Daarom heb ik den panter niet
+anders gevoederd dan in den nacht, en hem elken nacht een geheel kalf
+gegeven, opdat hij zich zat zoude vreten, dat hij den ganschen dag
+met slapen doorbrengt, en zich bijna niet verroeren kan. Wanneer men
+echter met vuisten tegen de kast slaat, wordt hij wakker, en laat dan
+ook zijn stem hooren. Ik hoop, dat de geëerde dames en heeren alsnu
+van de aanwezigheid van mijn pantertje, dat overigens niemand hindert,
+niet verder notitie zullen nemen."
+
+"Wat?" krijschte het manneke met den grooten bril, terwijl zijn
+pieperig stemmetje bijna in zijn keel bleef steken. "Dat niemand
+hindert? Niet verder notitie er van nemen? Ik moet zeggen, dat mij
+zóó iets nog nooit van mijn leven overkomen is. Ik zou de reis met
+deze boot moeten maken in gezelschap van een zwarten panter! Neen,
+dat nooit, nooit in der eeuwigheid! Of dat beest zal van de boot af,
+òf _ik_ ga er af! Smijt dat ondier in het water, of zet het met kast
+en al aan wal!"
+
+"Maar, mijnheer! er is wezenlijk hoegenaamd geen gevaar bij,"
+verzekerde de menagerie-eigenaar. "Zie maar eens welk een stevige
+kast, en...."
+
+"Wàt stevige kast!" viel het kleine mannetje hem met drift in de
+rede. "Ik zou kans zien om die kast kapot te breken--hoeveel te eer
+dan een panter!"
+
+"Ja maar, met uw welnemen: in die kast, die slechts tot omkleedsel
+dient, zit de ijzeren kooi, die geen tien leeuwen of panters in staat
+zouden zijn te breken."
+
+"Is dat waar? Laat ons dan die ijzeren kooi zien! Ik moet mij
+overtuigen."
+
+"Ja, ja, de ijzeren kooi laten zien! Wij moeten weten waaraan wij
+ons te houden hebben!" riepen twintig, dertig of meer stemmen tegelijk.
+
+De menagerie-eigenaar was een Yankee, en trok dadelijk partij van de
+gelegenheid, om met dat algemeene verlangen zijn voordeel te doen.
+
+"Volgaarne, volgaarne," antwoordde hij. "Maar, _myladies_ en
+_gentlemen_! het spreekt vanzelf, dat men de ijzeren kooi niet zien
+kan zonder te gelijk den panter te zien, die er in zit. En dáárvoor
+dient natuurlijk iets betaald te worden. Om het aantrekkelijke van dat
+zeldzame schouwspel te verhoogen, zal ik het dier, terwijl het te kijk
+is, laten voederen. Ik zal de plaatsen voor de toeschouwers indeelen
+in drie rangen: de eerste rang zal een dollar kosten, de tweede rang
+een halven dollar, de derde rang een kwartdollar. Aangezien ik hier
+louter _ladies_ en echte _gentlemen_ om mij heen zie, begrijp ik,
+dat er van tweeden en derden rang geen gebruik gemaakt zal worden;
+die twee rangen vervallen dus--of, is er wellicht iemand op het dek
+aanwezig, die liever slechts een halven dollar voor deze belangwekkende
+vertooning wenscht te betalen, of zelfs slechts een kwartdollar?"
+
+Op deze vraag volgde natuurlijk geen antwoord.
+
+"Nu dan, enkel eersten rang! Asjeblieft, myladies en mylords! een
+dollar per persoon!"
+
+Hij nam zijn hoed af, en ging daarin de dollars inzamelen, terwijl
+zijn dierentemmer, dien hij inmiddels geroepen had, de noodige
+toebereidselen voor de vertooning ging maken.
+
+De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij
+de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden
+de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er
+zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te
+vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een
+kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de
+eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs
+de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning
+met groote belangstelling te gemoet.
+
+De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen
+het volgende voorstel te doen: "Luister eens, _boys_! Ik heb een
+weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode
+schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde
+weddenschap zullen wij niet om drie glazen _brandy_ (= brandewijn)
+maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt
+gij dat goed?"
+
+De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er
+niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen.
+
+"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van
+brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw
+en gretig die Goliath met mij drinken zal."
+
+Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden
+persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten
+reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan
+de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was
+zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin
+gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en
+zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik,
+waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven,
+waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners
+en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks
+veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens
+zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een
+levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder
+hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling
+van den panter bij te wonen.
+
+Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde
+vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik
+hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman
+te zeggen wie gij zijt."
+
+De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en
+wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door
+dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen.
+
+"_Pooh!_" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet
+niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij
+te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u
+den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman."
+
+De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan
+den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?"
+
+"_Yes, sir!_ woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje
+ten bescheid.
+
+"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb."
+
+"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "_Snaak_ noemt gij mij? En gij
+weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan,
+dien ik...."
+
+Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus
+zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den
+kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een
+oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok
+hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan.
+
+Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó
+bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in
+het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij
+een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!"
+
+Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide
+komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug;
+en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was
+lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk
+een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten
+onderste boven ging en over het dek rolde.
+
+"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath
+dreigend.
+
+Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel,
+en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee
+zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand
+uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had.
+
+"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein,
+maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende.
+
+Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil,
+en liet de pistool uit zijn hand vallen.
+
+"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen
+uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan
+gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor
+uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...."
+
+"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet
+weten. Uw persoon moet ik hebben, en _zal_ ik hebben. Gaat hem te
+lijf jongens! _go on!_"
+
+Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan
+allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels,
+en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de
+kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed
+een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar,
+wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!"
+
+Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met
+de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als
+aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek)
+"wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?"
+
+"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij
+moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in
+een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u
+allen het licht uit!"
+
+"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken."
+
+Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de
+voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag
+gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun
+aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen
+daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel
+allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het
+ontzag was, dat zij voor dien man hadden.
+
+Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond
+zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had
+hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een
+aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad
+onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en
+bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte,
+welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen
+waren opgemerkt.
+
+De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten
+toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik
+moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is
+een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben
+betreden. Waarom hebt gij u toch _anders_ genoemd?"
+
+"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij
+Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand,
+altijd verderf brengt."
+
+"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze."
+
+"_Pshaw!_ Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat
+evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende
+krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid,
+dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn."
+
+"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven."
+
+"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets
+naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen
+speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet
+bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat
+uw bemanning kwam opdagen tot ontzet."
+
+"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu
+met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter
+hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke
+macht overleveren?"
+
+"Neen."
+
+"Of wil ik hen aan land zetten?"
+
+"Ook niet."
+
+"Maar gestraft dienen zij toch te worden."
+
+"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch
+niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?"
+
+"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en
+af te varen.
+
+"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande
+te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in
+staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen,
+en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw
+leven kon kosten."
+
+"Dat moesten zij eens probeeren!"
+
+"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen
+waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten
+aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou."
+
+Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die
+naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan,
+met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol
+zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand
+ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan
+ik u in een of ander opzicht genoegen doen?"
+
+"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher.
+
+"En dat is?"
+
+"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u
+verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan,
+en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met
+blijdschap denken, zoolang als ik leef."
+
+Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem,
+dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem
+de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?"
+
+"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen."
+
+"Dat is toch nog een goed eind."
+
+"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde
+man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd
+aanziet."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb."
+
+"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig
+hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik
+mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan
+ook gedaan heb."
+
+"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens,
+als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt,
+is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet
+denken, weet ik niet."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen
+volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen
+met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen."
+
+"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger."
+
+"Kent gij dan den Indiaan?"
+
+"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van
+hem gehoord."
+
+"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een
+woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen."
+
+"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet
+te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi,
+zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en
+de kleine beer."
+
+"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad
+reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee
+Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd,
+en dolen in het gebergte en in de prairie rond."
+
+"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk
+wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet
+geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had."
+
+"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen."
+
+"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk
+onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen
+hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich
+en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij
+die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken
+menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik
+af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn
+dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen,
+totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil,
+gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam
+herkende. Wij zijn dus landslieden."
+
+"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd.
+
+"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs
+met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben
+om wat langer met elkander te praten."
+
+"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste
+denkbare eer zijn."
+
+"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een
+Westman, anders niet."
+
+"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk:
+soldaat."
+
+"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij
+stellig pas sedert kort in het Westen."
+
+"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig
+poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en
+van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren,
+zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom."
+
+"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom,
+de beroemde _rafter_ (= houtvlotter)?"
+
+"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik."
+
+"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!"
+
+"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel
+daar moet mijn naam niet hooren."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat hij mij daaraan herkennen zou."
+
+"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?"
+
+"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent _gij_ hem niet?"
+
+"Ik zie hem vandaag voor het eerst."
+
+"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem
+bovendien, dat zijn naam Brinkley is."
+
+"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd
+schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen
+bewijzen."
+
+"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend."
+
+"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de
+vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man,
+die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u
+kunnen gebruiken."
+
+"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de
+eer, bij _u_ te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik
+heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben
+mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt
+laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af
+weten te maken."
+
+"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander
+kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne
+vergoeden."
+
+"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij
+vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al
+mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier,
+waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats
+zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling
+met den panter op het punt is om te beginnen."
+
+De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen
+gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde
+publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk,
+voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het
+schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken;
+hij had den lust daartoe verloren.
+
+De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de
+voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen
+bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden,
+daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig
+maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus
+volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als
+naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe
+schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel.
+
+Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De
+meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De
+tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn
+aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een
+Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger
+genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij
+dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst
+wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema,
+gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De
+panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en
+de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema
+en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier
+te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg
+dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding,
+toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi
+werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden.
+
+Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts
+had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht,
+en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht,
+en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen
+knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem
+zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong
+hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met
+schrik vervulde en achteruit deed schuiven.
+
+Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog,
+en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn
+voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde
+die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging
+kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn
+donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte.
+
+"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op
+verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort
+eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De
+echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in
+Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even
+sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund
+in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u
+overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint."
+
+De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen,
+en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch
+rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong
+heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend,
+dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden.
+
+Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid
+niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd
+hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te
+gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein
+een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige
+slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan
+het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij
+even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe
+stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging
+tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden
+voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd
+opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde:
+"Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij
+misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den
+praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen."
+
+Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van
+de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers
+gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde
+bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen
+de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die
+eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi
+zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet
+u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is
+nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende
+de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn
+dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich
+bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter
+in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten,
+indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd."
+
+De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een
+uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij
+was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker,
+dat was duidelijk aan hem te zien.
+
+De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van
+het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte
+beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig,
+dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van
+zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren,
+dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak,
+bij hem in de kooi te gaan.
+
+Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst
+van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril,
+antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek
+bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel
+iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?"
+
+"Honderd dollars!"
+
+"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?"
+
+"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich
+blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is."
+
+"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne
+bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie
+draagt ook iets bij?"
+
+Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag
+gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde
+men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd
+er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er
+niet goed afbrengen zou.
+
+"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid
+u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet
+geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten."
+
+"Op mij?" lachte de kapitein. "_Pshaw!_ Ben _ik_ dan de vader, of
+de moeder van den temmer? Heb ik hem bevelen te geven? Hier in dit
+land heeft iedereen het recht, om met zijn leven te koop te loopen,
+juist op de manier, die hij zelf goedvindt. Wordt hij door den panter
+opgevreten, welnu, dat is een zaak tusschen hem en den panter, daar heb
+ik niets hoegenaamd mee te maken. Dus, gentlemen! ik wil om honderd
+dollars wedden, dat de man er niet zoo heelhuids uit zal komen als
+hij er in gaat. Wie zet er honderd dollars tegen? Van alles wat door
+de weddenschap gewonnen wordt, krijgt de temmer tien percent extra."
+
+Deze toespraak werkte electriseerend. Er werden verscheidene
+weddenschappen aangegaan om vrij aanzienlijke sommen, en het bleek
+dat die weddenschappen, ingeval de temmer er het waagstuk werkelijk
+goed afbracht, hem nog een extra-voordeel zouden opleveren van circa
+driehonderd dollars.
+
+Er was niet bepaald of de dierentemmer daarbij gewapend zoude zijn. Hij
+haalde zijn ploertendooder, een soort zweep, met een ontplofbare
+kogel in den knop. Viel de panter hem aan, dan had hij slechts een
+fermen slag te geven om het dier oogenblikkelijk te dooden.
+
+"Ik heb zelfs in zulk een ploertendooder niet veel vertrouwen," zeide
+Old Firehand tegen Zwarten Tom. "Ik zou een doelmatig ingericht stuk
+vuurwerk veel practischer vinden. Daarvan zou het dier terugschrikken,
+zonder er door gedood te worden. Doch, elk zijn meug, zei de boer. Ik
+wil het waagstuk meeprijzen, maar niet voordat het gelukt is."
+
+Nu hield de dierentemmer een korte toespraak tot het publiek, en begaf
+zich toen naar de kooi. Hij schoof eerst de zware grendels open,
+en toen het smalle ijzeren tralie-hek, dat de ongeveer vijf voet
+hooge deur vormde. Om naar binnen te komen moest hij bukken. Daarbij
+had hij zijn beide handen noodig, om de deur vast te houden en die,
+zoodra hij zich in de kooi bevond, weer te kunnen sluiten; daarom
+had hij den ploertendooder tusschen zijn tanden genomen, en was dus,
+ofschoon voor een oogenblik slechts, weerloos. Wel was hij reeds
+verscheidene malen bij den panter in de kooi geweest, doch onder
+geheel andere omstandigheden. Toen had het dier niet dagen achtereen
+in volslagen duisternis doorgebracht, het had niet zooveel menschen om
+zich heen gezien, en ook niet het eentonige stampen der machine en het
+gedruisch en gebruis der schepraderen gehoord. Deze omstandigheden
+had noch de menagerie-eigenaar, noch de dierentemmer voldoende in
+aanmerking genomen, en--de gevolgen bleven niet uit.
+
+Zoodra de panter het gedruisch van de tralie-deur hoorde, keerde hij
+zich om. Juist stak de temmer bukkende zijn hoofd naar binnen--een
+bliksemsnelle beweging van het roofdier, en het hoofd, uit welks mond
+de ploertendooder op den grond was gevallen, had het in zijn muil en
+verbrijzelde het tusschen zijn geweldige tanden tot splinters en moes.
+
+Het geschreeuw en gegil, dat op dit oogenblik vóór de kooi van
+den panter aangeheven werd, is met geen pen te beschrijven. Alle
+toeschouwers sprongen op, en namen de vlucht. Slechts drie bleven daar:
+de menagerie-eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. Eerstgenoemde wilde
+de deur van de kooi dichtschuiven; maar dat bleek hem onmogelijk,
+want het lijk lag half er binnen en half er buiten. Toen wilde hij
+den doode bij diens beenen naar buiten trekken.
+
+"Om Godswil, dat niet!" riep Old Firehand. "De panter zou achteraan
+meekomen. Schuif het lijk geheel naar binnen, de man is toch dood nu;
+dan zal de deur toe kunnen!"
+
+De panter lag voor het onthoofde lijk. Met de beendersplinters in zijn
+van bloed druipenden muil, vlamden zijn oogen zijn meester aan. Hij
+scheen diens oogmerk te raden, want hij begon in gramschap te brullen
+en kroop voorwaarts op het lijk, en hield dat door de zwaarte van zijn
+eigen lichaam vast. Zijn kop was nu nog maar eenige duimen afstands
+van de open deur af.
+
+"Weg, weg! Hij komt er uit!" riep Old Firehand. "Tom, uw geweer! uw
+geweer! Een revolver zou de zaak nog erger maken."
+
+Zwarte Tom vloog naar zijn geweer.
+
+Van het oogenblik af waarop de temmer de kooi had betreden tot op dit
+moment waren er hoogstens tien seconden verloopen. Niemand had nog den
+tijd gehad, om zich volkomen in veiligheid te brengen. Het gansche
+dek was een wartooneel van vluchtende en angstkreten aanheffende
+personen. De deuren naar de kajuiten en onderdeks-verblijven waren
+versperd. Menigeen dook achter vaten en kisten om zich te bergen,
+doch sprong dadelijk weer op, daar men zich in zulk een schuilplaats
+niet veilig kon achten.
+
+De kapitein was naar zijn commando-brug gesneld, en klom naar boven,
+drie, vier treden tegelijk nemend. Old Firehand volgde hem. De
+menagerie-eigenaar vluchtte naar de achterzijde van de ijzeren
+kooi. Zwarte Tom ijlde weg, om zijn geweer te halen. Doch onderweg
+herinnerde hij zich, dat hij zijn bijl daaraan vastgebonden had, zoodat
+hij het vuurwapen toch niet terstond zou kunnen gebruiken. Hij bleef
+dus bij de twee Indianen, die hij voorbij moest, staan, en rukte den
+"ouden beer" diens vuurroer uit de hand.
+
+"Ik zelf schieten!" zei deze, tegelijk de hand uitstekende om zijn
+geweer terug te grijpen.
+
+"Laat mij!" voegde de zwartbaard hem driftig toe. "Ik schiet in elk
+geval beter dan gij."
+
+Hij draaide zich om de ijzeren kooi. De panter had die juist verlaten,
+hief zijn kop op, en brulde. Zwarte Tom legde aan, en haalde den haan
+over. Het schot knalde maar de kogel was niet raak. Schielijk rukte
+hij nu ook den jongen Indiaan het geweer uit de hand, en brandde de
+lading op het ondier af, maar het schot was andermaal mis.
+
+"Slecht schieten. Geweer niet kennen," zeide de "oude beer" zoo
+bedaard, alsof hij in zijn veiligen wigwam bij zijn gebraden vleesch
+zat.
+
+De Duitscher hoorde die woorden niet eens. Hij wierp het geweer weg,
+en vloog naar de voorplecht, waar de geweren der mannen van den kornel
+lagen. Die gentlemen hadden geen lust gehad om den strijd met het
+dier op te vatten, maar waren ijlings weggekropen.
+
+Daar klonk dicht bij de commando-brug een hartverscheurende gil. Een
+dame wilde naar boven vluchten. De panter kreeg haar in het oog juist
+toen hij ophield met brullen. Hij dook neer, en vloog met groote
+sprongen op haar aan. Zij zag dat, en gaf dien gil. Zij bevond zich
+nog onder aan de brugtrap, terwijl Old Firehand reeds op de vijfde
+of zesde trede stond. In een oogwenk had hij haar gegrepen, trok haar
+omhoog, en tilde haar met zijn sterke armen over zijn hoofd heen naar
+boven, waar de kapitein haar van hem aannam. Dat was het werk van twee
+seconden geweest, en nu bevond zich de panter onder aan de trap. Hij
+zette zijn twee voorklauwen op een der treden, en kromp zijn lichaam
+reeds ineen, om naar boven te springen en zich op Old Firehand te
+werpen. Deze gaf hem een duchtigen trap op zijn neus, en schoot hem
+toen de nog restende drie kogels uit zijn revolver tegen den kop.
+
+Dit verweermiddel was eigenlijk belachelijk. Door een schop en eenige
+revolver-kogeltjes niet grooter dan een erwt, laat een zwarte panter
+zich niet afschrikken: maar Old Firehand bezat op dat oogenblik geen
+ander middel om zich te verdedigen. Hij was overtuigd, dat het ondier
+hem nu zou beetpakken; doch.... dat gebeurde niet, de panter, nog
+altijd met zijn voorpooten op de trap staande, wendde langzaam zijn
+kop zijwaarts, als wilde hij zich bezinnen op iets beters. Hadden de
+op zulk een korten afstand afgeschoten kogels die hoogstens een duim
+diep in zijn harde schedelhuid doorgedrongen konden zijn, hem in een
+soort van duizeling gebracht? Of had de trap op zijn gevoeligen neus
+hem te veel pijn veroorzaakt, zooveel is zeker, dat zijn oogen niet
+meer op Old Firehand gericht waren, maar naar het voordek, waar nu een
+omstreeks dertienjarig meisje onbeweeglijk stond, als versteend van
+schrik, met de beide armpjes uitgestrekt naar de commando-brug. Het
+was het dochtertje van de dame, die zooeven door Old Firehand gered
+was. Het arme kind, zelf op de vlucht, had het gevaar gezien, waarin
+haar moeder verkeerde, en was, van ontzetting daarover, als versteend
+blijven staan waar het nu nog stond, gekleed in een wit jurkje, dat nu
+den panter in het oog viel. Hij trok zijn voorpooten van de brugtrap
+af, keerde zich om, en vloog toen, met sprongen telkens van zes à
+acht ellen lang op het kind aan, dat wel die ijzingwekkende nadering
+zag maar niet in staat was om zich te verroeren of geluid te geven.
+
+"Mijn kind, mijn kind!" jammerde de moeder.
+
+Allen, die het zagen, schreeuwden en jammerden mee; maar niemand
+verroerde een vinger of een voet tot redding. Er was ook geen tijd
+meer toe. Geen tijd meer? En verroerde zich werkelijk geen mensch? Ja
+toch, één,--en wel diegene, van wien men zooveel stoutmoedigheid en
+tegenwoordigheid van geest en goed overleg wel het allerminst zou
+verwacht hebben, namelijk de jonge Indiaan.
+
+Hij had met zijn vader op ongeveer tien passen afstands van het
+meisje af gestaan. Toen hij het gevaar zag, waarin het kind verkeerde,
+vlamden zijn oogen op. Hij keek naar rechts en naar links, als zoekende
+naar een middel tot redding; toen liet hij het tsoenikleed van zijn
+schouders vallen, en riep zijn vader in de taal der Tokawa toe:
+"Tiakaitat; sjai sjoyana--blijf staan, ik zal zwemmen!"
+
+In twee sprongen was hij bij het meisje, greep haar om haar middel,
+snelde met haar naar het rasterwerk (hek of balustrade rondom het dek)
+en was in een wip er bovenop. Daar bleef hij een oogenblik staan,
+ten einde om te kijken. De panter was vlak achter hem, en maakte zich
+reeds gereed om ingelijks op het hek te springen. Maar nauwelijks
+waren de pooten van het dier van den grond af, of de jonge Indiaan
+wierp zich in een schuinsche richting, ten einde niet op dezelfde
+plek als het ondier in het water te komen, van de balustrade af in
+den stroom. Hij verdween met zijn vracht onder de golven. Tegelijk
+sprong de panter op het rasterwerk met zulk een vaart, dat hij zich
+niet er op staande kon houden en regelrecht neerplofte in de rivier.
+
+"Stoppen! Stoppen!" commandeerde de kapitein, met veel tegenwoordigheid
+van geest, door de spreektrompet, die uitkwam in de machine-ruimte.
+
+De machinist gaf dadelijk tegenstoom; de boot stopte, en bleef
+zoodoende op de plaats liggen, daar de schepraderen nu slechts zooveel
+water grepen als noodig was om het afdrijven te voorkomen.
+
+Daar het gevaar thans voor de passagiers voorbij was, snelden allen uit
+hun schuilhoeken te voorschijn en naar de balustrade. De moeder van het
+kind was in onmacht gevallen; de vader riep met een hartverscheurende
+stem: "Ik geef duizend dollars voor de redding van mijn dochter--twee
+duizend--drie duizend--vijf duizend en nog veel meer!"
+
+Niemand luisterde naar zijn angstkreten. Allen bogen over de
+balustrade heen, om in het water te kijken. Daar lag de panter als een
+voortreffelijk zwemmer met uitgespreide pooten, zich bovenhoudende
+en rondkijkende naar zijn prooi--tevergeefs. De wakkere jongeling
+met het meisje waren nergens te zien.
+
+"Ze zijn omgekomen in de raderen!" jammerde de vader, met beide handen
+de haren uit zijn hoofd trekkende van wanhoop.
+
+Maar opeens klonk van de andere zijde van het schip de luide stem
+van den ouden Indiaan: "Nientropan-homosj oolijk geweest. Onder het
+schip wegzwemmen, om panter niet laten zien. Hier onder zijn." Nu
+vloog alles naar stuurboord, en de kapitein commandeerde, touwen
+uit te werpen. Ja waarlijk, daarbeneden, vlak naast het schip,
+zwom langzaam op zijn rug, ten einde niet afgedreven te worden, de
+"jonge beer", en had het bewustelooze meisje dwars over zijn lichaam
+gelegd. Touwen waren spoedig uitgeworpen.
+
+De jongeling bond er een stevig onder de armen van het meisje; en
+terwijl het arme kind omhooggetrokken werd, heesch hij zich zelf
+behendig aan een tweede touw naar boven.
+
+Hij werd met een daverend gejubel begroet, maar stapte fier langs de
+menigte weg zonder een woord te zeggen. Doch toen hij aan de plek kwam,
+waar de kornel stond, die óók alles had aangezien, bleef hij vlak voor
+hem stilstaan, en zei zoo luid dat iedereen het hooren kon: "Zeg eens,
+is Tonkawa wel zoo erg bang voor een kleine kat? Kornel heeft zich
+met zijn twintig helden schuilgehouden; maar Tonkawa heeft zich aan
+groot gevaar blootgesteld, om meisje en passagiers te redden. Kornel
+spoedig nog meer van Tonkawa hooren!"
+
+Het geredde meisje werd naar de kajuit gedragen. Nu strekte de
+stuurman, die het beste uitzicht had, zijn hand uit naar bakboord,
+en riep: "Kijkt den panter eens! En het vlot!"
+
+Nu snelden allen weder naar de andere zijde van het stoomschip,
+waar zich een nieuw en niet minder in spanning brengend tooneel aan
+hun blikken vertoonde. Men had namelijk, geheel en uitsluitend bezig
+met het tot dusverre verhaalde, niet gelet op een klein van teenen
+en riet gevlochten vaartuigje (eigenlijk niets meer dan een vlot),
+waarin twee gestalten zaten, die van den rechter rivier-oever af op
+de stoomboot aanstuurden. Zij werkten met van boomtakken vervaardigde
+roeiriemen. De eene persoon was een jongeling; de andere scheen een
+zeer zonderling gekleed vrouwspersoon. Men zag een hoofddeksel, veel
+gelijkende op een oude klapmuts, en daaronder een rond gezicht met
+roode koonen en kleine oogjes. Het overige der gestalte was omhuld
+door een wijden zak of iets dergelijks, men kon met geen mogelijkheid
+zeggen wat, daar de persoon gezeten was. Zwarte Tom stond naast Old
+Firehand, en vroeg hem: "Kent gij die vrouw wel, sir?"
+
+"Neen," was het antwoord. "Is zij dan zóó beroemd, dat ik haar moest
+kennen?"
+
+"Zeer zeker. Zij is namelijk in het geheel geen vrouw, maar een man,
+een prairie-jager en vallen-opzetter. Ha, daar komt de panter aan. Let
+nu eens op wat een vrouw, die een man is, in staat is te doen."
+
+Hij boog over de balustrade heen, en riep naar beneden: "Heila, Tante
+Droll (Droll is Engelsch en beteekent: kluchtig), opgepast! Die snaak
+wil u opeten."
+
+Het vlot was ongeveer nog vijftig passen van de stoomboot
+verwijderd. De panter had daar, steeds zoekende naar zijn prooi,
+aanhoudend langs die zijde van het schip heen en weer gezwommen. Nu
+zag hij het vlot naderen, en hield terstond daarop aan. De zich er
+op bevindende oogenschijnlijke vrouw, keek naar het dek op, herkende
+hem die haar had toegeroepen, en antwoordde met een schelle fluitstem:
+"_Good lack_ (= lieve hemel) zijt gij het, Tom? Het doet mij pleizier
+u te zien, als het noodig is! Wat is dat voor een dier?"
+
+"Een zwarte panter, die van boord gesprongen is. Maak maar dat gij
+wegkomt. Gauw, gauw!"
+
+"Een mooi ding! Tante Droll gaat voor geen mensch op den loop, en
+voor een panter nog minder, hij mag er dan zwart of blauw of groen
+uitzien. Mag men het ondier doodschieten?"
+
+"Natuurlijk! Maar dat zal u niet gelukken. Het behoorde tot een
+menagerie, en is het gevaarlijkste roofdier, dat in de wereld
+bestaat. Vlucht maar gauw naar de andere zijde van het schip."
+
+Niemand dan Tom alleen kende de potsierlijke gestalte: maar allen
+riepen haar de waarschuwing toe om te vluchten. Zij scheen er echter
+vermaak in te vinden, met den panter krijgertje te spelen. Zij
+hanteerde het gebrekkige roer met bewonderenswaardige behendigheid,
+en wist het dier telkens en telkens te ontwijken. Daarbij riep zij,
+altoos met dezelfde fluitstem: "Ik zal het wel klaarspelen, oude
+Tom! Waar moet zulk een creatuur geraakt worden, als het noodig is?"
+
+"In zijn oog," antwoordde Old Firehand.
+
+"Nu, dan zullen wij die waterrot eens wat dichterbij laten komen."
+
+Hij haalde de roeispaan binnen, en greep het geweer, dat naast hem
+gelegen had. Vlot en panter naderden elkander snel. Het roofdier
+staarde met wijd opengespalkte oogen den vijand aan, die het geweer
+aanlegde, kort mikte, en twee schoten loste. Het geweer neerleggen,
+het roer grijpen, en het vlot achteruit laten zwenken, was het werk
+van een oogenblik. De panter was verdwenen. Daar, waar men hem het
+laatst gezien had, verried een dwarreling in het water de plek van
+zijn doodsstrijd; toen zag men hem een eind weegs verder weer boven
+water komen, bewegeloos en dood: zoo dreef hij eenige seconden lang,
+en verdween toen weer in de diepte.
+
+"Een meesterlijk schot!" riep Tom van het dek af, en al de passagiers
+verklaarden vol geestdriftelijke bewondering hetzelfde, behalve
+de menagerie-eigenaar, die den duren panter en zijn dierentemmer
+verloren had.
+
+"Twee schoten zijn het geweest," antwoordde de zonderlinge gestalte:
+"in ieder oog één. Waar gaat deze boot naar toe, als het noodig is?"
+
+"Zoo ver als we maar water genoeg vinden," was het antwoord van
+den kapitein.
+
+"Wij wilden aan boord komen, en hebben ons daarom daarginds aan wal
+dit vlot gebouwd. Wilt gij ons opnemen?"
+
+"Kunt gij de vracht betalen _ma'am_ (= madame) of _sir?_ Ik weet
+waarlijk niet of ik u als man of als vrouw aan boord moet nemen."
+
+"Als tante, sir! Ik ben namelijk Tante Droll, begrepen, als het noodig
+is. En wat de vracht betreft, ik ben altijd gewend met goed geld te
+betalen, of zelfs met nuggets (= goudkorrels)."
+
+"Dan zal ik de touwladder voor u neerlaten. Komt dus maar gauw aan
+boord. Wij moeten maken, dat wij van deze ongeluksplaats vandaan
+komen."
+
+De touwladder werd neergelaten. Eerst klauterde de jongeling naar
+boven, die ook met een geweer gewapend was; toen wierp de andere
+zijn geweer over den schouder, stond op, greep de ladder, stiet het
+vlot onder zich weg, en klom met de vlugheid van een kat tegen den
+scheepswand op naar het dek, waar hij met groote, ijselijk verbaasde
+oogen ontvangen werd.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE TRAMPS.
+
+
+"De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil--of juister
+gezegd ten gevolge--van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt
+van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een
+Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn."
+
+Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker
+instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De
+plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische
+en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid
+te vermelden de twistzoekende _loafers_ en _rowdies_, en dan ook
+de zoogenaamde _runners_, die het bij voorkeur op de aankomende
+landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft
+zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat
+aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders
+gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller
+ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door
+behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen,
+ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars
+vormden, die slechts door het doortastende optreden van "Master Lynch"
+vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook de _kukluxes_
+kunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna
+zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste
+landplaag ontwikkelden zich de _tramps_ als vertegenwoordigers van
+het ruwste en brutaalste vagebondendom.
+
+Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden,
+duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos
+werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een
+westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende
+staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds
+spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen
+werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een
+zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen
+terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen
+van den oogst, en werden daarom gewoonlijk _harvesters_ (= daggelders
+tijdens den oogst) genoemd.
+
+De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van
+rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden
+daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid,
+en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij
+moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den
+tuchtigenden arm der strafwet.
+
+Die _tramps_ (= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote
+hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij
+overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer
+zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij
+vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten
+overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedig
+op een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan
+bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de
+gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te
+roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.
+
+Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de "Dogfish",
+zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen
+aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch
+geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was
+slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de
+overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling
+aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het
+oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg
+volstrekt niet overbodig waren.
+
+De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die
+op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij,
+als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had
+gelachen, toen Tom den wonderlijken naam "Tante Droll" uitsprak. Maar
+nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed
+kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen
+hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen
+men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord:
+"die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil;
+ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen."
+
+"Waarom? Kent gij hem dan? Is 't een man of een vrouw?" vroeg een
+hunner.
+
+"Een man, natuurlijk."
+
+"Waarom dan die maskerade?"
+
+"Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel,
+maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime
+politie."
+
+"_Pshaw!_ Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan
+alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier
+gelooven; maar dat hij een _detectieve_ is, dat geloof ik nooit!"
+
+"En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll
+gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar
+grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar
+nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is
+een _detectieve_, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem
+vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar
+hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en
+overleverde aan de galg--en wij waren toch over de veertig man sterk!"
+
+"Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn
+lijf kunnen steken!"
+
+"Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan
+met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij
+ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een
+onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan
+met zijn slachtoffer, en dan opeens is het 'kip, ik heb je!' eer het
+mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!"
+
+"En kent hij u?"
+
+"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens
+opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben
+ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is,
+ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid
+op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen
+kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den
+weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager
+van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als
+een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel
+gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht,
+en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let."
+
+Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er
+waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om
+bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu,
+hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen,
+wat eigenlijk zijn kostuum was.
+
+Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon
+desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het
+bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het
+middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde
+braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de
+klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen,
+die over zijn ooren hingen.
+
+Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond
+uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere
+genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien,
+dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende
+tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan
+de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats
+van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte
+en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij
+het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen
+af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen
+gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek,
+waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan
+te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan
+zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het
+kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en
+veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid,
+en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn
+armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen
+zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.
+
+De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van
+een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken
+door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen
+en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan
+in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren,
+opdat hem toch niets ontgaan zou.
+
+Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich
+jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid,
+en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders
+in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem
+aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan,
+wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der
+beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.
+
+In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig
+reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog
+ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien
+was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een
+toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.
+
+De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien
+jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn
+gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend
+zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te
+weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond
+uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van
+leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver
+gewapend.
+
+Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe,
+en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk
+een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet
+gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?"
+
+Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde:
+"Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik
+mijn rafters in de bosschen heb."
+
+"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen;
+want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst
+de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine
+jongen, als het noodig is?"
+
+Deze vraag was tot den kapitein gericht.
+
+"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij
+hebben wilt," was het antwoord.
+
+"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit,
+sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij
+kunnen het _lasso_ altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?"
+
+"Ja, wat graag!"
+
+"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?"
+
+Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij
+zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De
+kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte,
+en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp
+u vierkant over boord."
+
+"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water
+zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens,
+als gij trek hebt."
+
+"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de
+wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij
+natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo
+naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast;
+dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier."
+
+"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel,
+als het noodig is."
+
+"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor."
+
+Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen
+gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge
+personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op
+een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien,
+messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit
+zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er
+die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt,
+vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een
+bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker
+is dan hij er uitziet."
+
+Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen
+belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij
+de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet
+naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen,
+zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde
+hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die
+mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht,
+en hij sprak hem aan:
+
+"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens
+gezien?"
+
+"Dat ik weet niet," was het antwoord.
+
+"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij
+bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?"
+
+"Neen."
+
+"In Fort-Sully ook niet?"
+
+"Dat ken ik niet eens."
+
+"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?"
+
+"Hoe zoo? Waarom?"
+
+"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij
+bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe
+hij heet."
+
+"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon,
+"mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg
+zijn om u naar uw naam te vragen."
+
+"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik
+voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd
+geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke
+dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten."
+
+"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?"
+
+"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als
+het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er
+volstrekt niet nieuwsgierig naar."
+
+Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.
+
+"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard
+tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!"
+
+"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner
+volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben
+met mijn vuist."
+
+"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!"
+
+"_Pshaw!_ Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van
+spierkracht te verrichten."
+
+"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand
+durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij
+een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet
+te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen:
+ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar
+zaak voor ons, alle opzien te vermijden."
+
+Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de
+twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem
+zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij
+aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag,
+snelde toen naar hen toe, en riep uit: "_Mira, el oso viejo y el oso
+mozo_ (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!"
+
+Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet
+te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.
+
+"_Qué sorpresa, la tia Droll_ (= welk een verrassing, Tante Droll),"
+antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen
+hij nog op het vlot zat.
+
+"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll,
+terwijl hij aan beiden de hand gaf.
+
+"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om
+inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen
+met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons
+hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben."
+
+"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu
+veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders
+met hun naburen in vrede?"
+
+"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat
+zij die niet weer behoeven op te graven."
+
+"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?"
+
+"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid
+zou zijn; maar nu zal het wel langer duren."
+
+"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?"
+
+"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn
+mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger."
+
+"Wie is dat?"
+
+"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden
+Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven."
+
+"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch
+weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven,
+en dat nog wel den Ouden Beer."
+
+"Hij schijnt niet te weten, dat _ik_ dat ben. Ik heb mijn naam genoemd
+in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder,
+hem dien niet in het Engelsch te vertolken."
+
+"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders
+zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar
+de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog
+dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten."
+
+En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader
+van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat
+zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden
+vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel
+op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den
+moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll
+had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het
+hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar;
+hij is geen kind meer, maar een volwassen man."
+
+"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken."
+
+"Ik heb hem eenige keeren ontmoet."
+
+"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven
+stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het
+hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande."
+
+"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw
+gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist
+als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij
+hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu
+en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen
+van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en
+of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen
+ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig
+uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel."
+
+"Heeft hij u daarvan gesproken?"
+
+"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld
+heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man."
+
+"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de
+Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit
+lafhartigheid."
+
+"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd
+tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig
+is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij
+een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons,
+dunkt mij, dan in de prairie."
+
+"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad
+eens wie deze sir is!"
+
+"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn,
+het mij liever te zeggen?"
+
+"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient
+er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is
+namelijk een van onze beroemdste Westmannen."
+
+"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?"
+
+"Ja."
+
+"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde,
+die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient,
+bestaat er niet, voor zoover ik weet."
+
+Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met
+het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje
+hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk,
+en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old
+Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand
+anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?"
+
+"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde.
+
+"_Egad?_" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl
+hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij
+inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den
+lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar
+... misschien is het toch maar fopperij?"
+
+"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte
+hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem
+zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel,
+en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.
+
+Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed
+geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken
+volzinnen: "_Zounds_, sir! houdt gij mij voor den slinger van een
+klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen
+om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig,
+dat mijn _sleepinggown_ (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is,
+anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water
+geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk,
+sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds
+gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen
+nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze
+aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht
+hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een
+eenvoudige _trapper_ (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken);
+maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen
+heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt,
+dan zult gij die niet terugwijzen."
+
+"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen
+braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij
+ons zoo kranig geïntroduceerd heeft."
+
+"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?"
+
+"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt."
+
+"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje
+voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt
+geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te
+redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer
+geweest ben."
+
+"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel
+degelijk op _u_ gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang,
+want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal
+kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen
+gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen
+het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader
+leeren kennen."
+
+"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking
+iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst
+te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon."
+
+Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te
+kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan
+gretig door hem voldaan werd.
+
+Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die
+niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te
+voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om
+voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij
+met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien
+kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel,
+die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.
+
+"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij
+dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den
+_steward_ (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet
+hier voor de passagiers."
+
+Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.
+
+"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen,
+of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken."
+
+"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden
+verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier
+dat naar een glas brandy gelijkt."
+
+"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat
+gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten."
+
+De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger,
+en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle
+flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel,
+die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud
+van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het
+glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen:
+"Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar,
+dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag,
+hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken
+zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten."
+
+"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik
+heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een
+zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk,
+dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal,
+begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen."
+
+"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt
+inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje'
+van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten
+minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over
+de brug komt met geld--_damn!_"
+
+"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?"
+
+"Ja, louter op mij."
+
+"Waarom?"
+
+"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon
+elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn
+dorstigheid van dag tot dag grooter wordt."
+
+"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te
+goed zult kunnen doen of niet."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een
+dienst wilt doen?"
+
+"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een
+na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst,
+dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen."
+
+"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de
+rechte man wel voor wezen zult!"
+
+"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man."
+
+"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden."
+
+"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen
+rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er
+iets gebeurt dat niet in den haak is."
+
+"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders
+te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders,
+dan een beetje goed te luisteren."
+
+"Waar? En bij wien?"
+
+"In het salon."
+
+"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat
+waarom, sir?"
+
+"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij
+schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een
+vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir,
+dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard,
+die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren
+jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand
+is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij
+meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij,
+om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede
+gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen
+wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun
+zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal
+het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen,
+waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost
+te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus,
+dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang."
+
+"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als
+ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik
+den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt."
+
+"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?"
+
+"Daar zit ik juist over te denken."
+
+"Moogt gij in het salon komen?"
+
+"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen."
+
+"Zoek dan maar een of ander voorwendsel."
+
+"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen
+kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een
+oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen,
+dat de moeite waard is."
+
+"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat
+langer kwansuis bezig kunt blijven?"
+
+"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die
+zou ik schoon kunnen gaan maken."
+
+"Zal dat geen argwaan geven?"
+
+"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet
+gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is."
+
+"Maar dat is immers _uw_ werk niet?"
+
+"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar
+die zal blij wezen als een ander het voor hem doet."
+
+"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?"
+
+"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel
+drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat
+ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy
+geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet
+ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar
+hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?"
+
+"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie
+dollars kunt gij in elk geval rekenen."
+
+"_All right!_ Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in,
+dan ga ik er dadelijk op uit."
+
+Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat
+hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme
+tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier
+de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen
+om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier
+terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben,
+dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij
+weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn."
+
+"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!"
+
+"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds
+hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die
+gelegenheid geen partij te trekken."
+
+"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan
+boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de
+voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het
+stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen
+alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten
+doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen."
+
+"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets
+is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel
+van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar,
+om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn
+raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken."
+
+"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar
+niet iets op de mouw gespeld hebben."
+
+"_Pshaw!_ Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu
+reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn
+waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet
+gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te
+halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch
+wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard
+afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal."
+
+Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding
+en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren
+wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich
+zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best
+om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde;
+de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan,
+tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.
+
+De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als
+hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig
+teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward
+gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon
+verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot
+uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken
+in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een
+blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette,
+zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend
+werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen,
+den Ouden en den Jongen Beer.
+
+"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het
+er afgebracht?"
+
+De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven;
+maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van
+u zal krijgen dan de bedongen drie dollars."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u
+schromelijk vergist, sir!"
+
+"Waarin dan?"
+
+"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer,
+en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren
+gevraagd hebben op zijn boerderij."
+
+"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand,
+die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.
+
+"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd
+jager en wil ver het gebergte in."
+
+"Waarnaar toe?"
+
+"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van
+het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met
+den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten."
+
+"Wil hij alleen het gebergte in?"
+
+"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem
+meegaan."
+
+"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren
+hebben?"
+
+"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen."
+
+"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan
+de knapste ingenieur."
+
+"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een
+prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk
+zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de
+ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat
+brengen."
+
+De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps
+liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige
+ontdekking.
+
+"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op
+een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig
+mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?"
+
+"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch
+heb ik het verstaan."
+
+"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt
+mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij
+in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren."
+
+"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden."
+
+"Jongen het zijn zulke gewikste kerels."
+
+"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld
+weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken."
+
+"Weet gij dan waar?"
+
+"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer
+geheimzinnig en bedekt, opdat _ik_ het niet zien zou. Zoodra ik
+dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe
+staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde;
+maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk
+zag alsof ik er bij zat."
+
+"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor
+staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en
+zijn linkerzijde rechts."
+
+"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar
+wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk
+een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de
+banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen
+viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes
+geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat
+ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten
+andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet
+zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is,
+in het Westen een verloren man zou zijn."
+
+"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan
+dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?"
+
+"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren
+zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas."
+
+"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen
+tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood
+hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus
+vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel,
+en draagt ook denzelfden naam."
+
+"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur
+de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak
+van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij
+verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn."
+
+"Waar zijn die dan?"
+
+"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar
+dat is, weet ik niet."
+
+"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel
+rafters zijn daar bijeen?"
+
+"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje
+in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat
+óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht
+hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men
+in de wildernis gaat reizen."
+
+"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch
+behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen,
+waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn
+die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet
+begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk
+een jong meisje bij zich heeft."
+
+"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem,
+en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om
+een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er
+zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar
+besloten zijn vrouw en kind mee te nemen."
+
+"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?"
+
+"Ja."
+
+"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn,
+dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen
+zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen
+weten wat eigenlijk hun doel daarmede is."
+
+"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei
+hem, dat hij dat later wel vernemen zou."
+
+"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien,
+dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is,
+die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het
+onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij
+de plaats niet weet, waar zij naar toe willen."
+
+"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard
+en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden
+met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien,
+naast elkander hebben."
+
+"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?"
+
+"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de
+ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer
+vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred."
+
+"Wie is dat?"
+
+"De jongen, die de Tante meegebracht heeft."
+
+"Is dat een zoon van Droll?"
+
+"Neen, voor zoover ik vermoeden kan."
+
+"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?"
+
+"Daar is geen woord over gesproken."
+
+"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?"
+
+"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den
+ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch
+over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor
+u natuurlijk van geen belang."
+
+"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb,
+is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd
+hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten
+stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben
+als wij maar verlangen kunnen."
+
+"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de
+raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er
+het slechts aan toe zijn, zijn _wij_ natuurlijk. Wij moeten, als wij
+'s nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij
+wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen
+onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier
+ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door
+dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het
+onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is
+het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken."
+
+"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de
+scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder
+belangstelde.
+
+"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden."
+
+"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?"
+
+"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te
+moeielijk."
+
+"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig
+hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter."
+
+"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog
+even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje
+te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar
+hoe staat het nu met mijn dollars?"
+
+"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal
+betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing,
+en dáárvoor wil ik _u_ niet laten boeten. Hier zijn dus de drie
+dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons
+volstrekt niet gebaat heeft."
+
+"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel
+brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een
+nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan
+asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen."
+
+Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder
+in de schaduw van een groote baal liggen.
+
+De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten
+zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige
+zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.
+
+"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn
+tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars
+aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes)
+of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar
+kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer
+welkom zal zijn."
+
+"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het
+woord te doen.
+
+"Wij hebben het!"
+
+"Vooreerst nog in lang niet!"
+
+"Tut, tut! Als _ik_ zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!"
+
+"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig
+worden?"
+
+"Ik zal het gaan halen."
+
+"Uit de slaapkajuit?"
+
+"Ja."
+
+"Gij zelf?"
+
+"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan
+een ander over."
+
+"En als gij gesnapt wordt?"
+
+"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken."
+
+"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur
+wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen
+aan het dansen."
+
+"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben
+wij de plaat gepoetst."
+
+"Hoe dat?"
+
+"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk."
+
+"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?"
+
+"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik
+ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik
+het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever
+bijna niet zien kan."
+
+"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee
+booten? Is dat de bedoeling?"
+
+"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat
+het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden,
+die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht
+kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk
+zouden maken."
+
+"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal
+ontdekt is."
+
+"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb
+ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het
+scheepskiel-ruim?"
+
+"Dat kan ik niet weten."
+
+"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw
+oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?"
+
+"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn."
+
+"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en
+verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer
+een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor
+en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?'
+
+"_Thunder-storm!_ Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep
+de andere verbaasd.
+
+"Ja dat is juist wat ik van plan ben."
+
+"En maken, dat wij allen verzuipen!"
+
+"_Pshaw!_ Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij
+hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan
+wal aan te leggen."
+
+"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?"
+
+"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en
+als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken,
+en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert."
+
+"Maar als men het te laat pas ontdekt?"
+
+"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen
+zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet
+door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet
+blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen,
+dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben
+om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn _wij_
+al lang geblazen."
+
+"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de
+kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men
+dient op alles bedacht te zijn."
+
+"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange
+lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere
+einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt,
+zou alwetend zijn.'
+
+"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip
+af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren."
+
+"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen
+kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim
+vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze
+beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of
+een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen,
+zonder die te betalen."
+
+"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?"
+
+"Allereerst naar de Blackbear-rivier!"
+
+"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?"
+
+"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich
+ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op
+den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is
+dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te
+kunnen uitrusten."
+
+"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?"
+
+"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te
+tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het
+zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien
+tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden
+hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet
+te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond
+weer frisch en in staat om goed te marcheeren!"
+
+Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte
+heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en
+rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat
+de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den
+tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling,
+die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het
+lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.
+
+Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen,
+kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden,
+en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De
+ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om
+die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich
+onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van
+haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was
+bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide
+dames hen nog niet bedankt hadden.
+
+De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche
+rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds
+zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook
+nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.
+
+"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld
+geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij
+hen aan zag komen.
+
+Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid
+is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand,
+met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen
+snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn
+vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op
+het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem
+toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk,
+en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij
+niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben."
+
+Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde:
+"Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren;
+hij weten, dat ze waar zijn."
+
+"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij
+herinnert. Mag ik dat doen?"
+
+Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af,
+en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek
+naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed,
+maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een
+klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst,
+met ettelijke teekens er op.
+
+"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van
+Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar
+komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten
+eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem,
+en gehoorzamen zijn totem."
+
+Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde
+dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat
+hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar
+zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te
+fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben
+kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig
+geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij
+de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en
+antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets
+van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die
+geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder
+van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader:
+"Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm;
+maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen
+hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar
+ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven,
+waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij
+mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen
+aannemen? Ik verzoek hem dat."
+
+Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan
+de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die
+aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij
+doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als
+een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote,
+zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik
+die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede
+menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!"
+
+Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu
+kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht
+zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij
+zei tegen Butler:
+
+"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of
+menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij
+nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens
+squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het
+zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!"
+
+Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de
+hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.
+
+"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader.
+
+"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat
+waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid
+hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door
+vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij
+zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.
+
+Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen,
+zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij
+was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend,
+dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval
+gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die
+had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar
+zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem
+mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag
+maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis
+van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem:
+"Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?"
+
+"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij
+ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende
+verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen
+bestaan."
+
+"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan
+mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben
+daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend
+dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds
+daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone
+daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang
+van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter
+ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als
+bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons
+blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die
+het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen,
+naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee,
+die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien."
+
+Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.
+
+"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler.
+
+"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de
+meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten
+spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de
+hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in
+de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan,
+hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el,
+ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en
+zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden
+'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem
+bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie
+den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te
+verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun
+vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur
+der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u
+bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is
+door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan
+het leven van verscheidene menschen afhangen."
+
+De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren
+voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den
+Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat
+men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar
+hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen
+in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst
+aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich
+weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te
+Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het
+dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er
+slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het
+een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon
+zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die
+daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat
+zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met
+een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet
+belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll
+nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag,
+hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde
+antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om
+aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere
+bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik
+zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij
+komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar
+ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor
+heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte
+heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken
+met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid,
+hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll."
+
+"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?"
+
+"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu
+en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs,
+en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals
+ge weet. Vandaar die naam."
+
+"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom
+heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers
+zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister
+gehuld te willen houden?"
+
+"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik
+mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen,
+die meer..... hoogere belangen raken."
+
+"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?"
+
+"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen
+weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op
+dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een
+tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat,
+een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch."
+
+"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo
+heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag."
+
+Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in
+de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden:
+"Ik heet.... Pampel."
+
+"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord
+natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel
+om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine
+noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die
+naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend,
+die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch;
+zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?"
+
+"Ja."
+
+"En in de Vereenigde Staten geboren?"
+
+Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde:
+"Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch
+echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!"
+
+"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie
+zou dàt gedacht hebben!"
+
+"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen
+dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van
+de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn
+eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?"
+
+"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij."
+
+"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want
+juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen
+later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus,
+zeg mij dan eens waar ik geboren ben?"
+
+"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas
+(=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt."
+
+"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat
+gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers
+genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij,
+ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd,
+dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in
+ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen
+kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken,
+dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds
+zoo lang hier in het land ben."
+
+Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek
+zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want
+eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe
+geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen
+aan een fermen _smoke_(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen
+in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons
+drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het
+eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old
+Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder
+konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij
+ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te
+rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort
+na middernacht moeten wij weer op!"
+
+Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten
+uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven
+lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere
+achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo
+ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier
+en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er
+voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer
+wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te
+zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk
+niet meegerekend).
+
+Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand
+van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks
+boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom
+het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand
+daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep
+spreekt vanzelf.
+
+"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die
+naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een
+man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat
+ons in den weg."
+
+"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot
+aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den
+hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien,
+zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?".
+
+"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort
+Gibson komen moeten we klaar zijn."
+
+"Eerst haalt gij het geld natuurlijk."
+
+"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en
+ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles
+mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb,
+is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan
+den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede
+verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht
+gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik
+wel hooren."
+
+Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en
+zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De
+tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte
+hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog
+verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af,
+die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen,
+stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk
+te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers
+verbranden.
+
+De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot
+bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden,
+was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene
+zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos
+hier en daar.
+
+Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk
+onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van
+zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper
+in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik,
+waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed
+was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water
+sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te
+worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het
+eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam
+hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg
+daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het
+blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand
+nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok,
+ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde
+moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen
+onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik
+door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich
+toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die
+pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die
+eerst nog medenemen naar boven!
+
+Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend
+of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat
+hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.
+
+Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan
+weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend
+eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande,
+waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu
+slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde
+en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang,
+ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.
+
+Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de
+kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die
+lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts
+vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier
+niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel
+van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw
+lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler
+nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?
+
+Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten
+licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd
+juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt,
+terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij
+trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder
+het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit
+te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over
+hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.
+
+Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van
+onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder
+lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand
+gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand
+stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs
+en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen,
+als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er
+naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het
+mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet
+zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.
+
+"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan,
+dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar
+binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen."
+
+Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij,
+uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord,
+stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om
+naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden
+luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan;
+daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien,
+die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met
+inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken,
+schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om
+uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En
+ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een
+plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet
+om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende
+officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.
+
+"Wie is daar?" riep hij.
+
+"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord.
+
+"O, de Indiaan! Ga toch slapen!"
+
+"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij
+te gauw weg!"
+
+"Waarheen?"
+
+"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest."
+
+"_Pshaw!_ Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen
+hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!"
+
+"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is."
+
+De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste
+geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over
+maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.
+
+Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man,
+die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.
+
+"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water
+komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt."
+
+"Onzin!" lachte de officier.
+
+"Kom dan even hier, en overtuig u."
+
+De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond
+naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij
+met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken
+bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De
+luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar
+beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer
+rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging
+met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.
+
+"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar
+kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden
+om aan te leggen."
+
+Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in
+alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en
+ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige
+beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van,
+en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar
+boven, om te zien wat er gaande was.
+
+"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein
+hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat
+er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan
+wal gaan."
+
+Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een
+tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om
+redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles
+draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn
+op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever
+parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen
+bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en
+de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan
+bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis
+van den nacht verdwenen.
+
+Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old
+Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden
+in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter-
+en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den
+kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog
+hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?"
+
+"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag
+lag die er nog in."
+
+"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk
+op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is."
+
+Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden
+teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl
+vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan
+boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit
+zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben
+bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door
+midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!"
+
+En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft
+gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet
+gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan
+in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer
+drinken; en alles vertellen moeten."
+
+Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en
+de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles
+nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een
+eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.
+
+"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd
+kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn."
+
+En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over,
+en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord
+ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien
+zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot,
+die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien
+naar overzijde."
+
+Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk
+genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps
+jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning
+en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de
+algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen
+waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen,
+eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens
+een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk:
+"De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te
+wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot
+vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote
+Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden
+de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De
+kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.
+
+Terwijl nu de _deckhands_ (= de manschap op het dek) een begin
+maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker
+in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo
+in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er
+gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief,
+en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd,
+met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn
+verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden,
+opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal
+slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke
+vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.
+
+Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig
+werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een
+kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers
+kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten
+het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men
+zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens
+iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de
+lange reis was onderbroken.
+
+Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had
+hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest
+vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog
+hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw
+en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien."
+
+"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?"
+
+"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen."
+
+"Maar dat is immers gevaarlijk!"
+
+"_Pshaw!_ Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor
+die tramps--want dat zijn ze stellig."
+
+"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever
+die som voorgoed kwijt zijn."
+
+"Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars,
+maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook
+Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier
+wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij
+daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij
+het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa
+vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan
+den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en
+zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?"
+
+"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.
+
+"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen
+vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken,
+dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!"
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+NACHTELIJKE GEVECHTEN.
+
+
+Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel
+stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat,
+om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen,
+waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou
+hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis,
+dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar
+op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een
+regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd,
+en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit
+laatste bestond uit zoogenaamde _clapboards_, planken die men ruw
+uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het
+voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter
+weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde
+het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig
+woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen
+tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren
+geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten
+door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk
+gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich;
+misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.
+
+Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel,
+waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee
+uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of
+mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker
+vol vleeschnat uit den kokenden ketel.
+
+Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen
+zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de
+moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een
+vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche
+wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die
+op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van
+het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en
+velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een
+gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.
+
+Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der
+achterbosschen.
+
+Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de _farmers_ (= landbouwers)
+en de _trappers_ (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst
+nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste
+woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde,
+volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje
+gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij
+trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene _county_
+(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen,
+zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent,
+eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout
+velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op,
+er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden
+boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid,
+dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de
+plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan
+een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en
+bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit,
+maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het
+buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.
+
+De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist
+vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij
+vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het
+bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij
+kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en
+kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen
+die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken
+en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen
+geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.
+
+En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want
+hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis,
+ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te
+lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er
+verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam
+zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter
+aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want
+met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun
+leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar
+een twist aanvangen.
+
+Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en
+ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim
+betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij
+goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er
+twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met
+de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den
+ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om
+"vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun
+dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een
+moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere
+versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch
+eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden
+optrekken--zelfs ingewand.
+
+Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was,
+scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij
+waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte
+zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde
+elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men
+indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die
+men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden,
+geschikt om den lachlust gaande te maken.
+
+"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,"
+zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man,
+natuurlijk, en toch werd hij door iedereen _tante_ genoemd."
+
+"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een.
+
+"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens
+ontmoet?"
+
+"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn
+verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over
+hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet,
+totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam
+uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen."
+
+"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft
+er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere
+perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder,
+die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken,
+de hersens inslaan."
+
+"He, Blenter! gij? Waarom dat?"
+
+"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen
+geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig
+en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben
+er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te
+kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra
+het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was
+er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die
+Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft
+de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden
+zien. Wij zijn den dans ontsprongen?"
+
+"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens."
+
+"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover
+houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen,
+waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door
+de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit
+zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed
+kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll."
+
+"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg
+geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als
+een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de
+klem te komen."
+
+"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond
+reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden."
+
+"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet
+veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die
+martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel."
+
+"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat,
+die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de
+Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand
+kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?"
+
+"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn
+leven kosten."
+
+"En is deze plaats dan uw eigendom?"
+
+"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste
+niets voor betaald."
+
+"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij
+hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen
+verzetten, veroordeelt gij hen."
+
+"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten
+uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders."
+
+"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat
+zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten
+verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel
+uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand
+genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden
+eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een _boy_
+(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag
+als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met
+de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te
+maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als
+onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om
+maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij
+en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna
+afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan
+de Roodhuiden of aan de Blanken?"
+
+"Dat kan _ik_ toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken."
+
+"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste
+begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar
+één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige
+van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!"
+
+De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk
+leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij
+kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets
+te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop
+met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als
+iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb
+ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend
+moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als
+zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er
+waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een
+korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen
+gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt
+is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen
+vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger,
+en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven
+te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen."
+
+Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets
+zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner
+de vraag:
+
+"Zeg Blenter, wie was die kerel?"
+
+De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het
+was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder
+de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik
+wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig
+zelf ben: een rafter!"
+
+"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?"
+
+"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch
+te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden
+zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven
+en spitsboeven."
+
+Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar
+zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier,
+waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen
+om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons
+wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren
+toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar,
+overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen
+diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?"
+
+Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet
+dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg
+ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten
+met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren
+bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een
+grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen,
+moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij
+hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig
+genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een
+korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland
+af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste
+ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde
+ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die
+bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden
+zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens,
+messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart
+geweest?"
+
+"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe
+zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het
+Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund
+de doodstraf."
+
+"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel
+vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond
+te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel
+van hen gevergd, geloof ik?"
+
+"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij
+dat niet?"
+
+"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter
+niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier
+of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik
+vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden
+die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen,
+dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht,
+hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen
+om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu
+natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord
+met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en
+anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn
+geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder
+scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem
+dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn
+vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen,
+ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis,
+om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang
+voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu
+was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie
+dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons
+blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en
+ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij
+waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een
+spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken
+onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen
+van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter
+een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk
+zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten,
+zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig
+niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn
+zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong
+dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en
+het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die
+zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor
+zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog
+vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette
+het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen."
+
+"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,"
+riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later
+gewroken heeft."
+
+"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande
+om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn
+gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig
+op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging
+ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het
+was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde,
+doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons
+woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op
+den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook
+op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van
+mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw
+en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen
+mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op
+hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil,
+dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet
+beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en
+schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan
+tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik
+weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten."
+
+"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger
+geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner
+een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel
+op zijn hoede wezen."
+
+"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later
+heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot
+ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar
+luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met
+geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat
+ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik
+den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester
+gemaakt van mijn _brandy_ (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat,
+dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar
+letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten
+sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van
+mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden,
+hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe,
+de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning
+kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn
+vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden
+haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen
+meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een
+soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel
+door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee
+zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik
+lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste
+zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid
+is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn
+gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en
+razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een
+woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet
+bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik
+werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving,
+heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand,
+waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet
+ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk,
+en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een
+schot viel. Ik was bewusteloos geworden."
+
+"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!"
+
+"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de
+omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd,
+die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt
+had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien,
+dat mijn leven geen _penny_(= stuiver) meer waard was. Daarom had
+hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een
+schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten,
+niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens
+ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die
+verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij
+kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen,
+daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een
+loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te
+ontkomen naar het bosch."
+
+"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn."
+
+"Westman? _Pshaw!_ Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is
+de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!"
+
+"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op
+den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!"
+
+"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij
+een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten
+om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou."
+
+"Winnetou, de Apache? _Good lack!_ Ja, dàn willen wij het wel
+gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?"
+
+"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene
+rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem
+stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen
+trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien,
+ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk
+zijn verschijning alleen reeds maakt."
+
+"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?"
+
+"Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit
+hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun
+geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij
+natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken
+op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit
+begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar
+hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te
+verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou
+weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat
+hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit
+de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden
+was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter
+geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn,
+en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet
+toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de
+rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk
+verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman,
+om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen,
+dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van
+mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest
+was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar
+aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij
+mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest
+hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand,
+daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien
+eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven,
+en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn
+gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik
+al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij
+was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord,
+dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan
+hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen
+hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het
+overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden."
+
+"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden
+ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is
+Winnetou niet met u meegegaan?"
+
+"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had
+hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik
+niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de
+zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den
+ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij
+was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom
+ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best
+in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En
+nu...._behold_ (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?"
+
+Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist
+waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis
+van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren
+Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend
+zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden
+zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?"
+
+"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter.
+
+"Hij voor u weg, om te halen geld?"
+
+"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder
+bij ons zijn."
+
+"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die
+wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten,
+anders wijd gehoord worden."
+
+Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende
+hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken
+brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan
+was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei:
+"Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen
+honger hebben."
+
+Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der
+rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te
+zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken,
+zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet
+precies alsof deze plaats aan u toebehoort."
+
+"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet
+zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat
+ondervinden."
+
+"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot
+een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen,
+vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een
+Pueblo zijt."
+
+"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn
+Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon."
+
+"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de
+Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?"
+
+"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.
+
+"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal
+welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons
+zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?"
+
+"Wij komen, om rafters waarschuwen."
+
+"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?"
+
+"Groot gevaar."
+
+"Welk gevaar dan? Spreek!"
+
+"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken."
+
+Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen
+een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen
+zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen
+wigwam.
+
+"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den
+nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden
+ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!'
+
+"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan
+het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden,
+dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig,
+want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden."
+
+"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze
+streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden
+te verweren.'
+
+"Missouri-Blenter zich vergissen."
+
+"He, weet gij mijn naam?"
+
+"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht
+praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch
+komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs
+door weinig vijanden."
+
+Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee
+paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel,
+en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn
+portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa
+spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom
+hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld."
+
+"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis
+hebben."
+
+"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen."
+
+Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de
+stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed
+een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste
+aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd
+was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever
+van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den
+dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet
+volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest
+en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en
+den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer
+noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de
+tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden
+te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee
+Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee
+paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke
+formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de
+tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij
+den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de
+Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht
+op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open
+plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk
+geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en
+ander mededeeling te doen.
+
+"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude
+Missouriër.
+
+"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen."
+
+"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch
+den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig
+gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?"
+
+"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is."
+
+"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht."
+
+"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk
+doorrijden om rafters waarschuwen, want..."
+
+Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel
+zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van
+huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken."
+
+Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop
+hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel
+tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil,
+dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop
+kwam de Tonkawa-hoofdman terug.
+
+"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes,
+van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen
+wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal
+terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen
+misschien beluisteren tramps."
+
+"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult
+mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben
+nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen
+zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in
+hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht
+te weten wat zij van plan zijn te doen."
+
+"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier
+dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen,
+maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn."
+
+"En wat doen onderwijl de anderen hier?"
+
+"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen."
+
+Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het
+blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop
+met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort;
+toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te
+gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.
+
+De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat
+eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van
+_Rolling-Prairie_ (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan
+berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen
+gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien,
+die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche
+oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan
+boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op
+elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende
+golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit
+men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras-
+of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de
+wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat
+haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal
+steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid
+is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland,
+want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze
+dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.
+
+Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de
+hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer,
+hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde
+sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de
+rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning
+naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van
+kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker
+te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van
+veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den
+Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel
+en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo
+behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men
+het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid,
+want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk
+veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.
+
+Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als
+rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer
+nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de
+behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich
+voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert
+de duisternis van den nacht reeds begonnen was.
+
+Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in
+een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht
+begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende
+beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier
+ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen
+met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen
+en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders
+reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van
+het bosch bevonden.
+
+"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman
+tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden
+geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken
+dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk
+daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien."
+
+"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij
+hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog
+de vraag."
+
+"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij
+staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk
+bosch in."
+
+Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en
+de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen,
+de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger
+op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden,
+dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden
+de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo
+schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af
+te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het
+stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen
+en weer slaan van hun staarten onderscheiden.
+
+Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader
+en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij
+van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De
+tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht
+opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de
+tramps zaten.
+
+De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas,
+dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij
+ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en
+dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat
+men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het
+biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook
+mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor
+zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude
+Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen
+met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen
+doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich
+plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor
+den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te
+maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in
+zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.
+
+Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen
+zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan
+konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet
+gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag
+naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte
+gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons
+verteld hebt?"
+
+"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug.
+
+"Misschien óók wel om naar ons te zoeken."
+
+"Ja; bijna niet anders kunnen zijn."
+
+"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?"
+
+"Neen, hij dat niet zijn."
+
+"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?"
+
+"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met
+handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel."
+
+"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad;
+en dien andere zult gij doodgestoken hebben."
+
+"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen."
+
+De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over
+allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars
+het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei:
+"Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het
+zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren."
+
+"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De
+houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch
+waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren."
+
+"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te
+dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En
+zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken;
+wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen."
+
+"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op.
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken
+kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan
+wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij
+laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is
+onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan."
+
+"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!"
+
+"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten
+schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft
+er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden,
+gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien,
+om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn
+eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans
+een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die
+ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van
+de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand,
+Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen
+hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld
+kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren
+rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten
+of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den
+nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al
+even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...."
+
+Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit
+oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur
+aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam
+den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng
+geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad."
+
+"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller
+mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?"
+
+"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in
+het geheel niet weerom; die is dood!"
+
+"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood
+kan geen mensch hem gemaakt hebben."
+
+"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den
+laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt
+gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat
+een ander hem in zijn hart heeft gestoken."
+
+Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar
+het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij
+niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte;
+en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling:
+"Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de
+knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij
+deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn
+neus bracht ons bij de rafters."
+
+"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor
+al de anderen.
+
+"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te
+vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer
+voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om
+die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd
+donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij
+hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking
+maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij
+vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen
+reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.
+
+"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk
+naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht
+als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en
+geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur
+vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten
+de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen
+beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en
+Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad,
+om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen,
+geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen,
+dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote
+en de Jonge Beer van den Dogfish."
+
+De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het
+niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid
+aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat
+de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo
+zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne
+weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik
+een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg
+en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter
+Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken,
+en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast
+voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk
+lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat
+het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug,
+die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat
+kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn
+revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde
+ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu
+maakte ik mij ijlings uit de voeten."
+
+De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het
+lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door
+te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer
+daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!'
+
+"Waarom dat?" werd er gevraagd.
+
+"Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak
+kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk
+morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den
+doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best
+mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen,
+zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder."
+
+"Maar waarnaar toe?"
+
+"Naar Eagle-tail."
+
+"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij
+dus in den steek moeten laten."
+
+"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen,
+en...."
+
+Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van
+verwondering, die de anderen niet begrepen.
+
+"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!"
+
+De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek
+gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet
+meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër
+de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een
+geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender
+werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef
+niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door
+het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun
+kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige
+voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd
+uit de biezen omhoogstak.
+
+"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen
+achteruit.
+
+Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom
+had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan,
+om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met
+groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de
+paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!"
+
+Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en
+linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde
+hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt
+een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb,
+dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook
+gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed
+vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus
+vooruit maar!"
+
+Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak,
+draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar
+de plek, waar hij het hoofd gezien had.
+
+De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en
+scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen
+fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging
+achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook
+was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij
+stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe:
+"Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!"
+
+Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop
+schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat
+alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij
+achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende
+zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee
+andere tramps dadelijk volgden.
+
+De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid
+van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn
+lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps
+sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn
+mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond,
+dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij
+kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren
+zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook
+zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening
+weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.
+
+Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de
+kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of
+er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken."
+
+Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn
+geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te
+brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te
+worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou
+moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden,
+daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde
+ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig
+gauw weggegaan, om hulp te halen.
+
+Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel
+over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen,
+scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij:
+"Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je
+vroeger al eens gezien hebben?"
+
+De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval
+was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat
+kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer
+onverschillig gezicht te zetten.
+
+"Ja, ik moet je ergens gezien hebben," herhaalde de kornel. "Wie zijt
+gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?"
+
+"Ja," antwoordde de gevraagde.
+
+"Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?"
+
+"Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de
+menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der
+noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed,
+voor wie men zich in acht dient te nemen."
+
+"Rekent gij ook ons daaronder?"
+
+"Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten
+blijken. Want ik ken u niet."
+
+"Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet
+dus zeer goed wie en wat wij zijn."
+
+"Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons
+bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om
+te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om
+te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist
+op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt."
+
+Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis
+gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij
+vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:
+
+"Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij
+de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik
+je. Wilt gij dat bekennen?"
+
+"Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet
+mij voor een ander aan."
+
+"Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?"
+
+"Ja."
+
+"En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord
+hebt?"
+
+"Ja, geen woord!"
+
+"Hoe is uw naam?"
+
+"Adams--ik heet Adams," loog de Missouriër, die alle reden meende te
+hebben, om zijn waren naam niet te noemen.
+
+"Adams," zei de kornel hem peinzend na. "Adams! ... Ik heb nooit
+een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd
+houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet
+gij hoe ik heet?"
+
+"Neen," verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid. "Maar
+laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijke
+Westmannen zijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten."
+
+"Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen," lachte de
+roodbaard. "Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken,
+en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om
+bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is
+gedaan met u!"
+
+"Wat? Wilt gij mij vermoorden?"
+
+"Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog
+beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult
+sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel
+morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden." En zich tot de
+zijnen wendende: "Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid
+van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond;
+hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij
+hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte."
+
+Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.
+
+"Verzuipen dus!" zeide de kornel. "Bindt zijn armen en zijn beenen
+stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het
+water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!"
+
+Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij
+door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst
+een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk
+reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt
+niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan
+zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten,
+en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver
+weg, in de doodsche stilte van den nacht.
+
+"_All lightnings_!" vloekte de roodbaard. "Laat hem toch niet zoo
+hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt,
+zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!"
+
+Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de
+hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren,
+want....
+
+Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp
+in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk
+Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor
+liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar
+het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over
+een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn
+paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter
+opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken
+nauwlettend bekeken had, zeide hij: "De kerels zijn ons ongeveer een
+Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur
+oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen."
+
+"Waarom dat?" vroeg Tom.
+
+"Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij
+ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben."
+
+"Is dat niet gevaarlijk voor ons?"
+
+"Voor zoover ik weet volstrekt niet."
+
+"Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordt
+hun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen
+precies in den mond loopen."
+
+"Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden
+juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker
+valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de
+gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters,
+die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de
+plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij
+spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht,
+waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij
+dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?"
+
+Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn
+plat-Duitsch: "Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als
+wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen
+langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen
+dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen
+redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen,
+dat de boomen er van beginnen te waggelen."
+
+Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit
+voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps
+hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht,
+en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door
+de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd,
+maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan
+zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen,
+die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.
+
+Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet
+meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die
+nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: "Wij hebben ruim een mijl
+afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij
+ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te
+voet, en de paarden bij den toom leiden."
+
+Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden
+afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling,
+zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het
+viertal hield dus halt.
+
+"Wat nu?" vroeg Tom. "Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren."
+
+"Neen," antwoordde Droll. "Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes
+door, totdat wij hen vinden."
+
+"Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!"
+
+"Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren,
+en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee,
+mijnheer Firehand?"
+
+"Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen," luidde zijn
+antwoord. "Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting
+van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben;
+dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat
+meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen
+ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij
+ons gewaarworden."
+
+"En als zij geen vuur hebben?" wierp Tom tegen.
+
+"Dan ruiken wij hun paarden," zeide Droll. "In het bosch ruikt men
+de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft
+mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren
+naar rechts."
+
+Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de
+overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de
+rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg
+daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old
+Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond
+in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg
+was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere
+bosch slechts zeer langzaam kon gaan.
+
+Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden
+ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier
+terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps
+heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat
+kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old
+Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich
+te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof
+Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: "Dat is rook;
+die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat
+ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar
+lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur."
+
+Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp
+gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en
+tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den
+teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn
+fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In
+de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog
+van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps
+een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old
+Firehand greep toe, met beide handen.
+
+"Halt!" gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver
+gehoord te worden. "Wie zijt gij?"
+
+"Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia (= ik weet niet, niemand)," antwoordde
+de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.
+
+Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des
+nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke
+handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal
+iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig
+van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand
+vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: "Dat
+is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt
+toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt."
+
+De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde
+schielijk in zijn gebroken Engelsch: "ik Nientropan-hawi; gij Old
+Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?"
+
+"Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja,
+ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben
+paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht
+in de nabijheid; neem u dus in acht!"
+
+"Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen
+doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand
+mij vasthouden."
+
+"Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar
+zijn zij?"
+
+"Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden."
+
+"Is de roodharige kornel bij hen?"
+
+"Ja, hij daar zijn."
+
+"Waar hebben zij hun paarden?"
+
+"Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan
+vuur komen."
+
+"En waar zijn de rafters?"
+
+"Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken."
+
+Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand
+antwoordde: "Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak
+den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd
+te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden
+is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons
+naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar
+de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel
+niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter,
+dat de houtvlotters onverwijld hier komen."
+
+De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun
+paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het
+bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter
+voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen,
+de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de
+paarden staan.
+
+Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien
+of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen,
+en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old
+Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij
+meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder
+der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te
+ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen,
+toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die
+door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp,
+van den ouden Missouriër.
+
+"Zij vermoorden hem!" zeide Old Firehand nog altijd
+fluisterend. "Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade
+voor wien zich verweert!"
+
+Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps
+op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist
+den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had
+geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag
+neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden
+en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks
+onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer
+weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij
+sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit
+te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.
+
+Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had
+zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en
+stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten
+gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen
+naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer
+op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver
+begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn
+macht, om hun schrik te verhoogen.
+
+Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende
+fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager
+schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen
+waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid
+eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er
+was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik
+over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het
+eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot
+bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden
+dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam
+hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen,
+zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen,
+wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte,
+veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn
+eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps,
+was er geen volle minuut verloopen.
+
+"Hen achterna!" riep Old Firehand. "Ik blijf hier. Laat hen niet aan
+de paarden komen."
+
+Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar
+de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps,
+die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen
+er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder
+het bosch in.
+
+Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op,
+op de terugkomst van hun twee verspieders--den Missouriër en den
+Tonkawa-hoofdman--gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier
+hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen
+zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis,
+en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van
+waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo
+hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee
+bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die
+met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van
+tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te
+houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór
+hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.
+
+"Gauw komen, gauw!" riep hij. "Old Firehand daar zijn, en op de tramps
+schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!"
+
+Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten
+had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het
+geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps
+zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven,
+om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder
+gehaast. Menig hunner liep tegen een boom, en liep zoodoende een
+kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.
+
+
+Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old
+Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig
+en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets
+buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken
+der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en
+gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.
+
+"Verduiveld!" riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. "Wij
+dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham's
+schoot."
+
+"Ben ook in levensgevaar geweest," antwoordde de oude; "op het punt
+geweest om overgekolfd te worden in Abraham's schoot, namelijk door de
+kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd,
+toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping
+hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt
+nog iets van hen kunnen leeren, _boys_ (= jongens)!"
+
+"En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?"
+
+"Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij
+heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen
+zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen,
+maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen
+te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen
+hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt
+gij u iets kranigers voorstellen?"
+
+Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven
+eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de
+reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om
+dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide
+Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij
+tegen hen zeide: "Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de
+tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk
+is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen
+paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps
+te doen kreegt."
+
+"De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik
+verdien," antwoordde de Oude Beer bescheiden. "De tramps hebben maken
+een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien
+dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?'
+
+"Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts
+bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu
+hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij."
+
+Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa
+ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: "Als hij niet gestorven
+van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen
+zijn bloed!"
+
+"Halt!" riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes
+gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. "Die kerel
+behoort niet aan u, hij is mijn!"
+
+De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen,
+en vroeg toen: "Gij ook verlangen wraak tegen hem?"
+
+"Ja, en welke!"
+
+"Bloed?"
+
+"Bloed en leven!"
+
+"Sedert wanneer?"
+
+"Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten
+doodranselen."
+
+"Gij u niet vergissen?" vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging
+te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der
+prairie verplicht was.
+
+"Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk
+herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten."
+
+"Gij hem dus dooden?"
+
+"Ja, zonder genade of medelijden."
+
+"Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed,
+en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf;
+ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?"
+
+"Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?"
+
+"Dan Tonkawa hem doodschieten terstond."
+
+"Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel
+christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet
+doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die
+houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer,
+die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid
+te betrachten."
+
+"Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?" vroeg de Indiaan,
+daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht
+nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch
+ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: "Nu, dan ooren
+mijn, en ik die nemen terstond."
+
+Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te
+geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: "Wat
+gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan,
+dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?"
+
+"Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks
+spreken," antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.
+
+"En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk
+laten zien," voegde Old Firehand er bij. "Wij hebben uw zakken nog
+niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit."
+
+Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den
+gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de
+brieventasch van den kornel.
+
+Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten
+aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.
+
+"Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!" lachte Old
+Firehand. "Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij
+zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient
+geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt."
+
+De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman
+stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn
+voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide
+oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.
+
+"Ziezoo!" zei hij. "Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden."
+
+"Nu?" vroeg Old Firehand. "Wilt gij niet met mij rijden, niet althans
+nog dezen nacht bij ons blijven?"
+
+"Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen
+goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te
+vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te
+bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder
+van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel
+vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!"
+
+Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed
+eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.
+
+"Waar hebben zij hun paarden?" vroeg Old Firehand.
+
+"Hooger op, bij ons blokhuis," antwoordde de Missouriër. "Natuurlijk
+gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht
+den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel."
+
+"Maak u daarover volstrekt niet ongerust," zei de jager. "Zij kennen
+den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft,
+zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij
+moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het
+is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij
+zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen
+zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?"
+
+"De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de
+anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen
+wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te
+duchten hebben."
+
+"O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te
+vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden
+dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn,
+eenige wachten uitzetten."
+
+De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn;
+doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de
+rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige
+wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner
+drie metgezellen halen, en toen kon het "Savannen-gerecht" beginnen.
+
+Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs
+tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der
+aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild
+gevoerd hadden werden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies
+van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt. Vannacht
+zouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten
+gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.
+
+Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij
+had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur
+gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of
+de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over
+hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde,
+en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: "Hij is het,
+hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!"
+
+Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: "Vergist gij u
+niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn."
+
+"O ja, hij is het, hij is het stellig!" hield de jongeling vol. "Zie
+maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst
+voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu
+alle hoop kan opgeven."
+
+"Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot
+herkend hebben."
+
+"Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel
+gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten,
+dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen."
+
+"Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt
+mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar,
+en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is."
+
+De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn
+voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad
+een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel:
+"Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders."
+
+"Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die
+sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden."
+
+"Dat wel niet," mengde de oude Missouriër zich in het gesprek;
+"maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode
+pruik opzetten."
+
+"Och kom? zou dat hier....?" vroeg Droll, zonder zijn volzin te
+voltooien.
+
+"Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten
+bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van
+mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft
+een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is,
+dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik."
+
+"Onmogelijk!" zei Droll. "Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan
+hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren
+afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het
+hoofd afgetrokken zijn!"
+
+"_Pshaw!_ Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn
+hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen."
+
+De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij
+was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze
+moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen
+hij onverschillig. Al zijn aandacht was op de woorden van de beide
+sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos,
+als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking
+van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop,
+zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn
+triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de
+kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding,
+vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik
+af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar
+hield vast; het was werkelijk eigen haar.
+
+"_All devils_, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!" riep
+hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht,
+dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de
+toestand zoo hoog ernstig geweest.
+
+Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach,
+en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: "Nu, leugenaar en
+lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat
+hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs
+eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!"
+
+De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en
+zei radeloos tegen laatstgenoemde: "Zeg mij nu toch, sir! wat gij
+daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar;
+maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch
+wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen
+kunnen mij onmogelijk bedriegen."
+
+"En toch zoudt gij u kunnen vergissen," antwoordde de jager. "Naar
+het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op
+uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht."
+
+"Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen."
+
+"Doe ze dan beter open!" snauwde de kornel hoonend. "De duivel mag mij
+halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord
+of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!"
+
+"Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!"
+
+"Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom
+de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig
+abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde
+als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongen _boy_
+niet, en...."
+
+Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt
+of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk
+herstellende, vervolgde hij: "....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij
+beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij
+mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende,
+veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig
+moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden
+Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel."
+
+Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor
+bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen;
+hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem
+optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk,
+waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt,
+die niemand bevreemden kon, daar het door het gaan-opzitten van den
+roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem,
+en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man
+nu--dat zoogenaamde lijk--was volstrekt niet dood; hij was niet eens
+gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van
+zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn
+gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij
+zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam,
+zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken
+te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen
+zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden
+telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk
+reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot
+hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes,
+en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan,
+of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem
+voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel
+bevond, en sleepte hem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.
+
+Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende
+oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een
+gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen
+men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte
+bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten
+later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee,
+zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op
+den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen
+aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw,
+en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel
+los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte,
+opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou
+kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het
+hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen
+van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes
+in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en
+ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor,
+en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen
+ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van
+den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid
+van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: "Waar _ik_
+iets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig
+staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid
+van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!"
+
+"Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen
+verven?!"
+
+"O, dat is zoo onmogelijk niet," gaf de jager op veelbeteekenenden
+toon ten bescheid.
+
+"Misschien met _ruddle_ (= roodsteen)?" vroeg de kornel met een half
+spottenden lach. "Dat zou immers erg afgeven!"
+
+"Lach maar zoo hard als gij wilt," hernam Old Firehand ernstig;
+"lang zult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen
+draaien, mij evenwel niet!"
+
+Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden
+afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den
+gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: "Zoodra men
+u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat,
+en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het
+gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent
+een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen."
+
+Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en
+een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors
+nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus,
+en vroeg hem: "Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die
+bij u?"
+
+Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was;
+maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die
+zeker is van zijn zaak: "Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand
+zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had
+ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament;
+het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje
+hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er
+in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?"
+
+Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig
+uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze
+antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: "Ja,
+ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn
+gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet
+zulk een klein ding: een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen
+doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en
+het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit,
+een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (_Celtis occidentalis
+L._). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van
+dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven;
+bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?"
+
+"Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen
+woord heb verstaan, veel minder begrepen," antwoordde de kornel
+allesbehalve gepolijst. "Ik zou wel eens iemand willen zien, met
+een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat
+haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis,
+want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben."
+
+"Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier
+alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad
+hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn
+haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven,
+als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de
+man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is,
+zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken."
+
+"Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten," merkte Fred
+aan. "Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen
+is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met
+het mes in de kuiten, aan de eene zijde er in en aan de andere zijde
+er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man,
+waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens
+nog te zien zijn."
+
+Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd
+dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien
+los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: "_Well_, beste
+boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den
+persoon vergist." Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred
+de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg
+eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide
+voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En
+meteen sprong de kornel overeind.
+
+"_Good bye_, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken," riep
+hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee
+rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte
+over op het geboomte aan.
+
+Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had
+gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht,
+dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee
+uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde
+bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen
+verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd
+hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere
+eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle
+vergelijking onmogelijk was.
+
+Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en
+het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem
+te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht
+beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor
+hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den
+kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou
+het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het
+vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde
+oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong
+over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen
+te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo,
+dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het
+werk van een paar seconden.
+
+"Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!" riep hij, en wendde
+zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den
+tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer,
+en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.
+
+Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer
+te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat
+hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan,
+onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen
+zou hebben.
+
+De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll
+rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig
+reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen
+"nachtjapon" aangehad had, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen
+zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet
+vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers
+achternazette.
+
+"Staan blijven, Droll!" riep hij dezen daarbij toe.
+
+Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door,
+in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was
+nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de
+duisternis, die onder het geboomte heerschte.
+
+"Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!" schreeuwde
+Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog
+slechts vier passen van hem af.
+
+"Moet hem hebben, moet hem hebben!" antwoordde hijgend de in een
+staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem,
+en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.
+
+Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat
+in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn
+vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf
+zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het
+vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in
+de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te
+zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.
+
+"He, komt gij alleen terug?" riep de oude Missouriër reeds van verre
+Old Firehand toe.
+
+"Dat ziet gij," antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.
+
+"Was hij dan niet te pakken te krijgen?"
+
+"Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo
+onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp."
+
+"Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is."
+
+"Nu, oude Blenter! ik geloof niet dat _gij_ de man zijt, die het
+recht heeft om het hardst daarover te klagen."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Wel omdat het eigenlijk gezegd _uw_ schuld is."
+
+"_Mijn_ schuld?" vroeg de oude verwonderd. "Dat vat ik niet. Gij
+moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom
+gij dat aan mij wijt?"
+
+"O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend
+geworden is?"
+
+"Dat heb _ik_, natuurlijk."
+
+"En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets
+overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En
+wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?"
+
+"Ook dat heb _ik_."
+
+"Maar zijn mes hebt gij hem laten houden."
+
+"Hij had in het geheel geen mes."
+
+"O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende
+alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen
+losgesneden, waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar
+hem tevens het mes gegeven."
+
+"Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?" vroeg Blenter verlegen.
+
+"Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers."
+
+Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door
+bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij,
+dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen
+greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin
+als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als
+waanzinnig uit: "Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een
+oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles
+is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd,
+dat hij degene was, waarvoor ik hem hield."
+
+"Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen
+wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden
+geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden;
+want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij
+hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene
+niet hier tegenwoordig is."
+
+Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte
+terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij
+onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling
+achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen
+onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was
+blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch
+of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den
+terugtocht aangenomen.
+
+Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat,
+en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams
+zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: "Maar hebt gij dan niet
+gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te
+blijven staan?"
+
+"Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord," was het antwoord.
+
+"En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?"
+
+"Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten."
+
+"En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?"
+
+"Wat had ik dan moeten doen? Had hij _mij_ misschien moeten naloopen?"
+
+"Neen, dat niet," hernam Old Firehand lachende. "Maar om iemand
+in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of
+althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt,
+worden de voetstappen van anderen onhoorbaar--begrepen?"
+
+"Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven
+staan?"
+
+"Juist."
+
+"Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik
+stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik
+er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig
+terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!"
+
+"Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden,
+dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij
+zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij
+te laten loopen."
+
+"Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom
+moeten zijn om langer alleen te loopen."
+
+"En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde
+malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra
+wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen
+gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij
+zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting
+die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend
+of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een
+heksenmeester, dat weet ik reeds."
+
+"Dat wil ik gelooven," antwoordde Droll, door die lofspraak
+gestreeld. "Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen,
+dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar
+misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge
+dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?"
+
+"Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar
+of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten
+in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor
+opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij
+hem inhalen."
+
+Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude
+Missouriër verklaarde: "Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel
+paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode
+kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor
+vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik
+hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas
+sedert kort aan het werk."
+
+"Dat doet mij plezier," zei Old Firehand. "Ik heb onderweg reeds
+besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop,
+wel zult aannemen."
+
+"En wat is dat?"
+
+"Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat
+noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen,
+maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis."
+
+"Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?"
+
+"Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij
+bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden,
+en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te
+gaan nemen."
+
+"_Zounds!_ Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap,
+en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en
+patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij
+wegkomen."
+
+"Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen
+bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen,
+om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit
+het vuur meenemen."
+
+De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn
+oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was,
+verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen,
+en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar
+Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het
+natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met
+zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen, liep hij met zijn handen
+vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de
+gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij
+was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond
+zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou
+zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden,
+zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.
+
+Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het
+was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier
+was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis,
+bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen
+op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen
+hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij
+eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden
+mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.
+
+"Nu hebben wij er ten minste reeds een," zei een dier mannen,
+"en die zal boeten voor al de anderen."
+
+De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van
+een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij
+te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen:
+"Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!"
+
+Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem
+van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei:
+"Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij
+hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden."
+
+"Dat hadden ze ook," hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind
+kwam; "maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen
+zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd."
+
+"Wij hielden u voor een rafter."
+
+"Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn
+slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen,
+dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee,
+ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven."
+
+"Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeft _mij_ hier gebracht. Ik
+zou graag dit blokhuis in brand steken--dan zijn zij hun logies kwijt."
+
+"Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken,
+of daar niets van onze gading te vinden is."
+
+"Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij
+alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij
+den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden."
+
+"Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben
+ze niet uitgeplunderd."
+
+"Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?"
+
+"Ja, alles!"
+
+"En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen
+vallen?"
+
+"Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel
+is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan,
+toen u overslag kwam."
+
+"Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen,
+om weer naar hier te komen."
+
+"Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat
+wij weg waren?"
+
+"Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben."
+
+Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij
+de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in
+de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op
+welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf
+gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan,
+en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.
+
+Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere
+bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch
+en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen
+werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de
+slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie
+vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij
+lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur
+aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets
+anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van
+den wind door de toppen der boomen.
+
+"Zij komen nog niet," zei Woodward. "Wat nu?"
+
+"Maken dat wij wegkomen, natuurlijk," antwoordde de kornel.
+
+"Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend."
+
+"Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons
+achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten."
+
+"Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water."
+
+"Welnu, dan zullen wij varen!"
+
+"Waarmee? Waarin?"
+
+"In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een
+of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed,
+dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats."
+
+"Waar dat is weten wij niet."
+
+"Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan
+al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen."
+
+Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis,
+en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den
+waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps
+spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had
+gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs
+den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon
+vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.
+
+Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in
+de verte het geschreeuw van drie stemmen--dat waren die van den ouden
+Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren
+naar het blokhuis.
+
+"Zij zijn op de komst," zei de kornel. "Laat ons maar gauw maken,
+dat wij een boot vinden."
+
+Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden,
+lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch
+van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano's,
+ieder met plaats voor vier personen.
+
+"Hangt de twee andere achteraan," gebood de roodbaard. "Wij moeten
+die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die
+kapot slaan."
+
+Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot;
+ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den
+oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed
+een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.
+
+"Dat's verkeerd!" zei de aanvoerder tegen hem. "Wij moeten voor
+stroom af."
+
+"Maar wij moeten immers verder Kansas in," antwoordde de man, "naar
+de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps)."
+
+"Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen;
+die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus
+morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts,
+om hem van ons spoor af te brengen."
+
+"Dan maken wij een ijselijken omweg!"
+
+"Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij
+morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de
+noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind
+naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl
+de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het
+spoor te komen."
+
+De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het
+schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen
+vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers,
+en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik
+toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis
+bereikten.
+
+Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat
+zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken
+en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen
+gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. "Het
+is juist zooals ik gedacht heb," zeide hij; "ik begreep, dat de kornel
+zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te
+laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een
+voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan
+ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden."
+
+"Hoe dat?" vroeg de Missouriër.
+
+"Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er
+niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is."
+
+De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets
+verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij
+Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts
+gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.
+
+"Eer ik begin messieurs!" sprak de jager, "moet ik u verzoeken mij
+uw woord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen,
+aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn
+voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt,
+op wier woord ik mij verlaten kan."
+
+Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij:
+"Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte,
+dat men het Zilvermeer noemt?"
+
+"Ik wel," antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. "Ieder
+onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is
+geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze
+gentlemen opmaken mag."
+
+"_Well!_ Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude
+mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet
+uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen
+zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een
+uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een
+groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische
+kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet
+zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen
+noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten,
+en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen."
+
+"Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!" riep de oude Missouriër,
+geheel in verrukking gebracht. "Dat Old Firehand goed en eerlijk
+betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja
+duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik,
+ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet:
+ik moet eerst den kornel hebben."
+
+"En ik ook," zei Droll, "ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet
+zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven
+zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot
+het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet,
+want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen."
+
+Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje,
+terwijl hij antwoordde: "Ik hoor daar van u beiden een verlangen,
+dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij
+bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar
+waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft
+hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn
+geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar
+één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden
+verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk
+de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen,
+in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van
+hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem
+speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om
+zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn
+plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden;
+en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als
+de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik
+meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van
+de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleen uit een
+gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening,
+er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?"
+
+De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp
+te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig,
+met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem
+de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De
+andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd,
+lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet
+kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen
+en den kornel verraden had.
+
+"Nu," richtte Old Firehand het woord tot hem, "gij ziet, dat ik niet
+ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder
+overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf
+mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap,
+en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet
+ge eigenlijk?"
+
+"Ik heet Nolley, sir!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met
+tranen in de oogen de hand gaf. "Ik wil u niet lastig vallen met mijn
+levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen;
+maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang
+dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen."
+
+"En die zijn?"
+
+"Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij
+aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij,
+morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal
+die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden
+worden door de visschen."
+
+"Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u
+vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen;
+draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij
+mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij
+hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?"
+
+"Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons
+alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting,
+die binnenkort gehouden zal worden."
+
+"_Heigh-day_ (= Ei ei)!" riep Droll nu. "Dan ben ik toch zoo kwaad
+niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden
+ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken
+over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen
+brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?"
+
+"Ja," antwoordde Nolley. "Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk
+achter Harper, en de naam is Osage-nook."
+
+"He! Dien _nook_ (= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat
+is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien
+den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk
+met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen
+inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen
+wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?"
+
+"Ja," knikte de oude. "Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir
+Firehand kunnen blijven."
+
+"Wel," hernam de jager, "ik zie volstrekt niet in, waarom wij van
+elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in
+de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den
+ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot
+zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?"
+
+"O ja," antwoordde de bekeerde tramp. "Na afloop van de meeting
+wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen,
+en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn."
+
+"Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting
+vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail."
+
+"En mocht hij ook daar ontsnappen," hernam Nolley, "dan kunt gij hem
+later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer."
+
+Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old
+Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg:
+"Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?"
+
+"Daar wil hij een schat gaan halen."
+
+"Een schat? Zal die daar te vinden zijn?"
+
+"Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen
+van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige
+plattegrond-teekening waar men die zoeken moet."
+
+"Hebt gij die teekening gezien?"
+
+"Neen, die wil hij aan niemand laten zien."
+
+"Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles
+afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een
+teekening geleek."
+
+"Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij
+die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde
+meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar
+begraven heeft."
+
+Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat
+niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden
+in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde
+den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met
+zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller
+zweeg, riep Fred: "Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft
+aan mijn vader toebehoord!"
+
+Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem
+met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan,
+door te zeggen: "Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult
+later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de
+hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan,
+dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta."
+
+"Ik ook!" verklaarde de oude Missouriër op een toon vol
+geestdrift. "Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld,
+en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch
+allen ook mee, kameraden?"
+
+"Ja, ja, natuurlijk ja," klonk het uit den mond van al de rafters.
+
+"_Well!_" zei Old Firehand, "dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij
+behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren,
+daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt
+gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het
+wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen
+leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!"
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+INDIAANSCH MEESTERSTUK.
+
+
+De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel
+aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een
+zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van
+smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot
+stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof
+op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere
+kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets,
+zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende
+heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand
+der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine
+boot verdwalen zal in volle zee.
+
+In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen
+te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee
+zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in
+beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn,
+die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed
+zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der
+golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer
+zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte,
+niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun,
+maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest
+en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een
+waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de
+achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking,
+zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn
+te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.
+
+De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn
+gezicht--ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De
+uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet
+uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan
+de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van
+een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als
+gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw
+kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks
+lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die
+baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende
+punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaam van "vadermoorder"
+placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag,
+verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de
+prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.
+
+Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer,
+van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de
+schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange
+blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen,
+was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van
+middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk
+uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder,
+en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken,
+waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden
+revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die
+bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.
+
+Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te
+slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er
+niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak,
+een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.
+
+De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer
+prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken,
+dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier
+goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen
+tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen
+met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den
+draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man
+met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald
+doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.
+
+Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de
+ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem--van waar eigenlijk
+kon hij niet zien--deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren:
+"Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?"
+
+De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar
+links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht,
+nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór
+hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan
+hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang
+werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn
+rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig
+en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren:
+"Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op
+de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien
+is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen
+aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!"
+
+De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker
+weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig
+dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen
+met de hand achter zich, en antwoordde: "Daar vandaan!"
+
+"Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!"
+
+"Dien weg," antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor
+zich uit.
+
+"Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!" lachte de nog altijd
+onzichtbare vrager. "Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde
+prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende
+gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een
+eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige
+omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle
+pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het
+mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord
+staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder
+draaierij: Waar komt gij vandaan?"
+
+"Van het kasteel Castlepool," antwoordde de man, op den toon van
+een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den
+schoolmeester.
+
+"Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?"
+
+"Op de landkaart van Schotland," hernam de ruiter, terwijl zijn
+gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.
+
+"God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En
+waar is de reis naar toe?"
+
+"Naar Calcutta."
+
+"Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?"
+
+"In Voor-Indië."
+
+"_Lack-a-day!_ Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit
+Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?"
+
+"Ja, maar niet geheel en al."
+
+"O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt
+waarschijnlijk een Engelschman?"
+
+"_Yes._"
+
+"Wat is uw beroep?"
+
+"Lord."
+
+"Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn
+hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom, _uncle_ (=
+oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben
+volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van
+Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meter _spleen_
+(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal."
+
+Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee
+gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer
+lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed,
+geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met
+breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf
+als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug,
+en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een
+scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel--oude, zeer
+lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne
+met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog
+een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor
+beiden te wezen; want terwijl de lange nog geen woord gesproken had,
+vervolgde hij nu: "Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want
+anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander."
+
+"Willen wij eens wedden?" vroeg de Engelschman nu.
+
+"Wat wedden?"
+
+"Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar
+wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij."
+
+"Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?"
+
+"Denkt gij dat? _Well_, laat ons dan wedden om honderd dollars!"
+
+Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren,
+maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die
+boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.
+
+"Master!" riep de kleine, "ik begin te gelooven, dat het werkelijk
+meenens bij u is!"
+
+"Wat zou het anders zijn?" vroeg de Engelschman verwonderd. "Wedden
+is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij
+elke gelegenheid."
+
+"En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!"
+
+"Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om
+honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?"
+
+"Wij hebben geen geld."
+
+"Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij
+betalen kunt."
+
+Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep
+ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: "Ons leenen
+... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?"
+
+"O ja, dat weet ik zeker."
+
+"Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u
+doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen."
+
+"Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner
+zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb."
+
+"_Uncle_ (= oom)!" zeide de kleine hoofdschuddend tegen den
+lange. "Zulk een _boy_ heb ik van mijn leven nog niet gezien of
+gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te
+bekijken."
+
+Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange
+volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een
+boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de
+bultenaar: "Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan
+niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand
+die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben,
+het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet,
+wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis,
+hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de
+proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!"
+
+Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den
+teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers,
+en op een korten strengen toon riep deze: "Hand weg of ik schiet!"
+
+De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.
+
+"Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!"
+
+De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een
+volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele
+wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid
+en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.
+
+"Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd
+ben?" vervolgde hij. "En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien
+gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan
+vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u
+geantwoord. Maar nu verlang _ik_ te weten wie ik vóór mij heb. Hoe
+heet gij, en wat zijt gij?"
+
+Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens
+goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen
+indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen:
+"Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men
+kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco [1] als eerlijke
+jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte,
+om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen
+aan te sluiten."
+
+"_Well!_ En uw namen!"
+
+"Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt
+men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover
+ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn
+kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle,
+omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt
+heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten;
+en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen,
+zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten."
+
+De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij
+hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen
+zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier
+uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende
+antwoordde hij: "Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave
+en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien."
+
+De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond;
+toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange
+met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de
+kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: "Werkelijk een lord,
+lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw
+leven..."
+
+"_Pshaw!_" viel de lord hem in de rede. "Wat ik zoek? Ik wil de
+prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De
+geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de
+Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan
+elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat
+ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij
+paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb."
+
+"Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel,
+waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten."
+
+"Volg mij dan!"
+
+Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij
+nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan
+hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot
+achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen,
+die men veilig met de gemeenzame benaming van "oude knollen" had
+kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een
+hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte
+gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.
+
+"Wat een venijnig kreng!" zei Humply-Bill. "Schijnt zeer ongezellig
+te zijn."
+
+"O neen," antwoordde de lord. "Maar hij weet, dat ik nog niet op een
+vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw
+paarden ook nog geen kennis maken."
+
+"Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar
+uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn."
+
+"Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte
+Koerdische _hoezaan_ (= hengst), als gij het niet kwalijk neemt."
+
+"He! Waar ligt dat land?"
+
+"Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee
+naar huis genomen."
+
+Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even
+gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar
+naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het
+Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander
+een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras
+zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden,
+gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed
+er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet
+aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.
+
+"Zoo gaat het goed!" zei de Bultenaar. "In de prairie moet men geen
+complimenten maken."
+
+"Die maak ik ook niet," antwoordde hij. "Gij hebt gisteren uw vleesch
+geschoten; vandaag of morgen schiet _ik_ wat op mijn beurt natuurlijk
+voor u meteen."
+
+"Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen
+zijn?"
+
+"O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien
+dollars, of om meer, als gij wilt."
+
+Meteen greep hij naar zijn geldtasch.
+
+"Laat uw banknoten maar rusten," zei Humply. "Wedden doen wij niet!"
+
+"Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren."
+
+Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog
+eens op met een scherpen blik, en zei toen: "Ik ben den Arkansas
+komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids
+aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal
+uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht,
+dat echte prairie-mannen nergens beter te vinden zouden zijn, dan
+in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij
+met mij meegaan?"
+
+"Waar naar toe?"
+
+"Naar Frisco, aan gene zijde."
+
+"Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is."
+
+"Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een
+rond jaar duurt, dat doet er niets toe."
+
+"Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren
+kan?"
+
+"Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel
+te ondervinden."
+
+"Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u
+meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven
+van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden
+noodig zijn, naar Frisco maken."
+
+"Ik zal er u natuurlijk voor betalen."
+
+"O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan
+te doen."
+
+"Kunt gij schieten?" vroeg de Engelschman.
+
+Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan,
+toen hij antwoordde: "Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna
+nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten
+kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult."
+
+"Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die
+gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden
+halen?"
+
+Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven
+in de lucht, en antwoordde: "Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar
+of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen
+betwijfel ik sterk."
+
+Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen
+nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen
+als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.
+
+"Schiet dan eens!" gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden
+van den bultenaar te ergeren.
+
+Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen
+los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg
+fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden,
+doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens
+sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel
+als een baksteen loodrecht neer op den grond.
+
+"Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?" vroeg de kleine schutter.
+
+"Niet kwaad!" luidde het leuke antwoord.
+
+"Wat? Noemt gij dat leuk weg _niet kwaad_? Bedenk eens welk een hoogte,
+en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen,
+want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een
+meesterlijk schot genoemd hebben!"
+
+"_Well_, de tweede!" knikte de lord den langen jager toe, zonder op
+de gemelijkheid van den kleine te letten.
+
+Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de
+linkerhand op zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als
+een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel,
+en sprak toen op pathetischen toon: "De roofgier zweeft in hooger
+sfeer.--En blikt van daar op de aarde neer,--En hoopt op lekker aas
+alweer,--Maar....'k schiet, en 't ondier leeft niet meer!"
+
+Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en
+hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord
+gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk
+stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm
+zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid
+van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al
+lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat
+trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.
+
+"Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is
+een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest,
+en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als
+hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete
+klanken, dat wil zeggen op rijm."
+
+"_Well!_" knikte de Engelschman. "Of zijn mond van honigzoetheid houdt,
+of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan
+hij schieten?"
+
+De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering,
+de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van
+verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer
+in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den
+grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn
+dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood
+van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed
+eind verder af.
+
+"Hij is met geen mogelijkheid meer te raken," zei Humply. "Vindt gij
+dat óók niet, uncle?"
+
+De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de
+gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden
+uit hun graf doen verrijzen: "Door zijn vleuglen weggedragen,--Zweeft
+hij over berg en dal!--Ik behoef geen schot te wagen,--Daar hij toch
+ontkomen zal.--Wie hem nu nog wenscht te kriegen,--Dient hem achterna
+te vliegen!"
+
+"Onzin!" riep de lord. "Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer
+te raken is?"
+
+"Ja, sir!" antwoordde Humply. "Geen Old Firehand, geen Winnetou en
+geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te
+halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen."
+
+"Zoo!"
+
+Terwijl de lord dit woordje "zoo" meer minachtend uitstiet dan
+duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring
+over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren
+van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot,
+alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer
+zitten, greep naar den reebout, om er zich nog een stuk van af te
+snijden, en vroeg: "Nu, was hij te raken of niet?"
+
+Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste
+verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook,
+want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende
+slakkenlijn naar beneden.
+
+"_Wonderful!_" riep Humply vol geestdrift uit. "Als dat geen toeval
+is, mylord!...."
+
+Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij
+dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend,
+in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was
+toch bijna niet te gelooven.
+
+"Maar, mylord!" vervolgde de bultenaar, "kijk toch eens even om! Gij
+hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!"
+
+"Dat weet ik!" antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken,
+een stuk vleesch in zijn mond stekende.
+
+"Maar gij hebt hem immers nog niet gezien."
+
+"Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel
+mist nooit!"
+
+"Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft,
+volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen,
+die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?"
+
+De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en
+antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: "Dat schot is raak
+geweest,--Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren..."
+
+"Hou nu maar op met leutren!" viel de Engelschman hem in de rede. "Al
+die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen
+zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten,
+en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee,
+en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?"
+
+De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden
+toen met een bevredigend ja.
+
+"_Well!_ En hoeveel verlangt gij?"
+
+"Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben
+nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling
+kan bij _scouts_ (= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen
+zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen."
+
+"_All right!_ Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt
+mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een
+honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal
+ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen
+gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en
+doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur,
+dat wij beleven, vijftig dollars."
+
+"Sir!" lachte Humply, "dan worden wij rijke menschen, want aan
+avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij
+die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het
+niet liggen; maar voor een vreemdeling is het raadzamer, de avonturen
+te ontwijken, in plaats van die op te zoeken."
+
+"Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde
+jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen
+genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen
+thans in het Westen?"
+
+"Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde
+personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen,
+dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de
+vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal,
+zich met een onbekende in te laten."
+
+"Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en
+wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij
+aantreffen, betaal ik u honderd dollars."
+
+"Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?"
+
+"Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld
+betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen
+daarmee?"
+
+"O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk
+niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt."
+
+Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren
+naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.
+
+"Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf," zei hij. "Ik zal
+aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven
+ieders portret en zijn naam."
+
+"Onze portretten?" vroeg de bultenaar verwonderd.
+
+"Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij
+nu zit!"
+
+Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen,
+dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het
+papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien
+wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten,
+en hun namen er bij.
+
+"Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig
+zal worden," zeide hij nu. "Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit
+boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik
+u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk
+uitbetalen."
+
+"Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!" merkte Humply aan. "Wij
+willen echter niet hopen, dat.... _Behold_, uncle! kijk onze paarden
+eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er
+moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is
+gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft
+men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en
+allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om
+te zien of ik iets ontdekken kan."
+
+"Dan ga ik met u mee!" zei de lord.
+
+"Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!"
+
+"_Pshaw!_ Ik bederf niets."
+
+Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen
+zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en
+kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen
+verscholen, en hun hoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als
+noodig was om rond te kunnen zien.
+
+"Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting," prees
+Humply. "Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet
+gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?"
+
+"_Yes!_ Een Indiaan, schijnt het?"
+
+"Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker
+van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken."
+
+De lord voldeed daaraan.
+
+De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend
+naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd
+richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook
+dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte,
+was dat stellig slechts een vijand.
+
+De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat,
+en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor
+zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te
+herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind,
+zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag,
+gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider
+stemme: "Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn
+blanken vriend komen!"
+
+De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en
+liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden,
+zoodat hij in het golvend dal verdween.
+
+"Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te
+boeken hebben," zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer
+neerdook.
+
+"Zullen wij een avontuur hebben?"
+
+"Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den
+uitkijk naar vijanden."
+
+"Is het een hoofdman?"
+
+"Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen."
+
+"En kent gij hem?"
+
+"Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van
+vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde
+bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons."
+
+"_Well_, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders,
+er hoe meer hoe liever verwacht."
+
+"Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn
+gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar
+mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn,
+dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!"
+
+"Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?"
+
+"In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de
+Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien
+niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de
+volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!"
+
+Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale
+houding, Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn
+rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.
+
+Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond
+daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren
+van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren
+kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met
+versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen
+was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen
+was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had
+stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit
+alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.
+
+In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat
+hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen
+tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee
+jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in
+zeer goed Engelsch: "Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder
+en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten."
+
+"Ook wij verheugen ons daarover," antwoordde Humply, "daarvan kunt
+gij u verzekerd houden."
+
+De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van
+den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde
+declameerend uit:
+
+
+ "Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!
+ Telg des hemels op deze aarde!
+ Groote hoofdman, wees gegroet!
+ Zet u aan mijn zij met spoed
+ Eer uw vijand kan genaken,
+ En .... laat u 't restantje smaken
+ Van een reebout, dat wij nu,
+ Vriend een broeder, bieden u!"
+
+
+Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag,
+dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met
+ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden
+willen zwichten.
+
+"Stil, uncle!" riep Humply, "er is nu waarlijk geen tijd voor uw
+gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?"
+
+"O ja,
+
+
+ Gebonden, doch ontkomen,
+ Heeft de eedle zonder schromen
+ De vlucht naar hier genomen!"
+
+
+was declameerende het antwoord.
+
+De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en
+zei tegen den Osage: "Dit bleekgezicht is een meester in het schieten,
+en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid
+van u en uw stam."
+
+Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde:
+"Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven,
+moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den
+tomahawk!"
+
+"Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?" vroeg Humply.
+
+"Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die
+mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon
+ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten
+loopen; maar de voeten van de 'Goede Zon' zijn even vlug en tegen
+vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan
+inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij
+dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op
+te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt
+op mijn leven."
+
+"Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?"
+
+"Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was
+ik reeds uit hun bereik."
+
+"Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd,
+de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?"
+
+"Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte
+kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden."
+
+"Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze
+afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?"
+
+"In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar
+dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn
+dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar
+aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken
+eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van
+de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in
+dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met
+hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen,
+hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen
+vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons
+dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren
+gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om
+vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig
+geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het
+aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te
+dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor
+gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer
+paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of
+wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts
+eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing
+ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht
+der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier
+overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij
+vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens
+levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden,
+en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen
+zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een
+blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij
+gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel
+sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik
+worstelde mij ten minste los; en op een oogenblik, toen de bewaker
+zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen."
+
+"En uw vier kameraden?" vroeg Bill.
+
+"Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen
+doen om hen op te sporen?"
+
+"O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen."
+
+"Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou
+zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl
+naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben,
+en daar hulp te gaan halen."
+
+Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: "Bijna onmogelijk! Van
+Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens
+als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe
+zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen
+uw kameraden afgemaakt worden!"
+
+"Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het
+vlugste paard!" antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. "Mijn
+vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen
+en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp
+zou dus nog wel bijtijds kunnen komen."
+
+"Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het
+is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet
+noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij
+zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden."
+
+"Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!" riep de Indiaan op
+een toon van blijde verrassing.
+
+"Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de
+tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!"
+
+"Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen,
+en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!"
+
+"_Pshaw!_ gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben,
+om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere
+koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen,
+ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegt _gij_
+daarvan, oude uncle?"
+
+De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in
+geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:
+
+
+ "Ik ben één van de vier!
+ En ik zeg 't zonder snoeven,
+ Ik rij mee met plezier
+ Naar het bivak der boeven;
+ En wij halen als buit,
+ De vier broeders er uit!"
+
+
+"Mooi zoo! en gij, mylord?"
+
+De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam
+van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch,
+en antwoordde: "Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?"
+
+"Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!"
+
+"Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als
+wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben."
+
+"Hum ja!" hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd
+aanzag. "Maar waar moeten wij dat vandaan halen--weet _gij_ dat?"
+
+"Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem
+waarschijnlijk dicht op de hielen zitten."
+
+"Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof,
+dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze
+roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?"
+
+"Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het
+gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij
+geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking,
+om ons zóó te posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen,
+geheel door ons omsingeld zullen zijn."
+
+De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe
+langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik,
+en zei:
+
+"Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft,
+sir! Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?"
+
+"O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel,
+waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies
+zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen
+in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en
+beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels,
+dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben
+hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het
+licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders
+te zien krijgen, dan den rook uit de geweren."
+
+"Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk,
+is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?"
+
+"Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en
+daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te
+passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken."
+
+"_Well!_ Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen
+zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik
+juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons
+eens, uncle!"
+
+De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm,
+en antwoordde:
+
+
+ "Ja, ja, zij worden ingesloten,
+ En tot den laatste doodgeschoten!"
+
+
+"Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te
+staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links,
+en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier
+krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden,
+al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich
+gedragen."
+
+"Dood maken niet!" opperde de lord.
+
+"Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen
+eigenlijk geen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij
+dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen
+mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal
+zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet
+gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat
+bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag
+er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door
+dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik
+geloof, dat wij niet langer mogen talmen."
+
+Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek,
+waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had,
+in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de
+dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn
+kijker meegenomen.
+
+Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een
+levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman
+ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting
+ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de
+wacht hield, den luiden roep hooren: "Opgepast! ze zijn in aantocht."
+
+"Stil!" waarschuwde de gebochelde iets minder luid.
+
+"_Pshaw!"_ antwoordde de Engelschman. "Ze kunnen het onmogelijk
+hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af."
+
+"Welken kant uit?"
+
+"Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien,
+die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van
+den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden."
+
+"Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!"
+
+Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende
+paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden
+twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed
+gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den
+hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen
+er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra
+zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: "_Stop_,
+messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!"
+
+Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand,
+daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij
+zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde:
+"Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom
+voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!"
+
+"Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen," klonk het
+van boven.
+
+"Wij zijn ook jagers!" was het antwoord. "Zijt gij een eerlijk man,
+laat u dan zien!"
+
+De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er
+allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den
+kleine: "Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier
+hebt gij mij!"
+
+Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden;
+maar hij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste
+of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.
+
+"_Zounds_!" riep een hunner. "Als ik mij niet vergis, is het
+Humply-Bill!"
+
+"Ja, zoo word ik genoemd."
+
+"Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn
+altijd bij elkander."
+
+"Kent gij ons dan?"
+
+"Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u
+te schillen!"
+
+"Maar ik ken u niet!"
+
+"Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien
+... _Boys!_ die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij
+gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens
+daar van boven naar beneden blazen!"
+
+Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte
+eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.
+
+"_Heigh-day_, dat was goed gemikt!" jubelde de man. "Nu nog de
+Gun-stick-Un...."
+
+Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet
+geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn
+beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der
+drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van
+hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af
+naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De
+lijken der tramps werden onderzocht.
+
+"Goed gewerkt!" sprak Bill. "Geen een schot heeft gemist! Ze zijn
+alle vijf ineens morsdood geweest!"
+
+De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij
+gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen
+was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: "Het
+geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het
+is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan."
+
+"Dat geloof ik ook," knikte de Engelschman. "Ik heb die twee geweren
+extra voor de prairie besteld."
+
+"Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd
+bevervellen voor."
+
+"Het is niet te koop."
+
+"Dan geef ik er hem honderd en vijftig."
+
+"Dan ook nog niet."
+
+"Voor tweehonderd ook niet?"
+
+"Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden."
+
+"Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden:
+ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil."
+
+Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was,
+nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord
+schudde zijn hoofd, en antwoordde: "Lord Castlepool ruilt nooit en
+verkoopt ook nooit. Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers
+op zijn minst even voortreffelijk als het uwe."
+
+"Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik
+mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen,
+zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij
+zich, dan ik noodig heb."
+
+Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking
+der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden
+alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken
+onderzocht, zei Bill: "Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij
+niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet
+toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de
+anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den
+dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel
+schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun
+dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken,
+en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen,
+die wij willen gaan bevrijden."
+
+"Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?" vroeg de Engelschman.
+
+"Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond
+den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop
+afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen,
+dat achter hen ligt."
+
+"En deze lijken?"
+
+"Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die
+schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven
+worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!"
+
+Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd;
+maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid;
+in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de
+mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te
+zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen
+brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven,
+om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een
+tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven,
+en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen
+verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander,
+steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan,
+doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.
+
+De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps
+kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen
+spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon
+zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een
+donkere streep, en de Osage verklaarde: "Dat is de achterzijde van
+het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts,
+en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de
+graven van onze omgebrachte broeders."
+
+"Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien
+hoek bereikt?" vroeg de lord.
+
+"Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier
+gaans, om aan het bivak der tramps te komen," verklaarde de Roodhuid.
+
+Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een
+woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden
+dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman
+steeg nu insgelijks af, doch zei: "Mij dunkt, dat wij geen oogenblik
+te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier
+met de handen in den schoot gaan zitten?"
+
+"Dat is geen goed doordachte vraag, sir!" antwoordde de
+bultenaar. "Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden,
+als wij ons dood laten schieten?"
+
+"Dood laten schieten? Hoe dat?"
+
+"Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?"
+
+"Dat nu zoozeer niet....."
+
+"Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te
+krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En
+dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans
+breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die
+ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker
+is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en
+wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?"
+
+"_Well_," knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. "Ik had
+niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn."
+
+"Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en
+dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen
+dollar te ontvangen."
+
+"Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?"
+
+"Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben."
+
+"Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt
+ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf
+tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan
+reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur."
+
+"Ook weer voor vijftig dollars?"
+
+"Yes!" knikte de lord.
+
+"Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken," zei Bill lachende. "Als
+gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult
+gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult
+weten waar het vandaan te halen."
+
+De lord glimlachte eens, en antwoordde: "Er zal wel genoeg zijn. Ik zal
+wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan
+te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?"
+
+"Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden,
+zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij
+den neef van mijn uncle geen denken aan!"
+
+De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door
+de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook
+over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun
+sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster
+liet zich zien.
+
+Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan
+den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het
+open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den
+teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd
+bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het,
+achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.
+
+De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat
+het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord,
+die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen
+ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen,
+niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen
+der boomen.
+
+Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde
+hem toe: "Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die
+volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij,
+zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten."
+
+Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts
+schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De
+lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden
+schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan,
+en fluisterde: "Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen
+der tramps vernomen."
+
+Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet
+vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand,
+dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen
+gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor
+het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.
+
+"Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom," zei de Osage.
+
+Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende
+oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze
+hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees
+eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.
+
+"Wel?" vroeg Bill. "Wat nieuws brengt gij ons?"
+
+"Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer."
+
+"Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een
+meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen,
+die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er
+gesproken werd?"
+
+"Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De
+tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een
+bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een
+toespraak hield."
+
+"Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?"
+
+"Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik
+wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken,
+zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak."
+
+"Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?"
+
+"Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten
+nadeele van de armen, zoodat men van de rijken behoort af te nemen
+alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen
+van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken
+van al het geld, dat in de staatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al
+de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden,
+als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen."
+
+"Wat nog meer? Vertel verder!"
+
+"Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim
+voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar
+verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats
+in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn."
+
+"Waar is dat?"
+
+"Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij,
+elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp,
+die hem bewaakte."
+
+"Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen."
+
+"O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter,
+dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij
+behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben
+ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem
+toegefluisterd, dat zij gered zullen worden."
+
+"Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat
+zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde
+verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is
+een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden
+nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden
+door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren,
+regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om,
+terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen
+los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!"
+
+De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het
+mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo
+naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden
+tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer
+dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman
+gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den
+drie blanken toe: "Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit
+vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er
+bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet
+gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen
+gebonden?"
+
+"Ja," antwoordde de bultenaar. "De toespraak, die de kerel met het
+roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd
+van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot
+belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een
+aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig
+staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar
+toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben."
+
+"Dat moest mijn broeder liever niet doen!" waarschuwde de hoofdman.
+
+"Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?"
+
+"Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het
+bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden."
+
+"Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!"
+
+"Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig
+den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk
+worden, de Osagen te bevrijden!"
+
+"Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant
+gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch
+door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien,
+die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik
+opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan
+ons niets. Hier is mijn geweer uncle!"
+
+Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in
+zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen,
+en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek
+veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps
+spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen,
+en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.
+
+In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps
+de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet
+vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel
+Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen
+heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en
+Humply-Bill hoorde hem zeggen: "Ik kan u dus een goeden buit beloven,
+want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?"
+
+"Ja, ja, ja!" antwoordden de anderen.
+
+"En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók
+meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk
+of tien vrijwilligers werven?"
+
+"Neen, neen, wij doen natuurlijk mee," zei een der drie. "Ik zie niet
+in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is:
+is het geld er al?"
+
+"Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl
+ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij
+kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder
+dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg,
+en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de
+schobberds, die hun aanvoerders zijn!"
+
+"Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?"
+
+"Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een
+ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds
+daar is."
+
+"Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?"
+
+"Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan
+zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u
+later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen
+zal zijn."
+
+"Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand
+liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen."
+
+"Zijt gij bang?" vroeg de roodharige spottend.
+
+"Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer
+van die soort van menschen."
+
+"Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken"? Bedenk toch, dat wij hier over
+de vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche
+familie niet in hun schulp zouden kruipen.'
+
+"Gaan die allen mee naar Butler's boerderij?"
+
+"Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat
+wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?"
+
+"Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?"
+
+"Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij
+aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan
+wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden."
+
+Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden,
+en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen
+moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de
+hoofdman viel hem in de rede, en zei: "Ik heb mijn blanke broeders
+enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij
+onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te
+bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen,
+maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij
+eerst dan helpen, als ik bemerkt word."
+
+"Wat gaat hij nu doen?" vroeg de Engelschman zacht.
+
+"Een meesterstuk," antwoordde Bill. "Wees zoo goed en ga weer liggen,
+en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er
+een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen
+niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar
+onze paarden te loopen."
+
+De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier
+aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van
+den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de
+gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten
+vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende
+schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de
+weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef
+onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers,
+die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij
+eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een,
+een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun
+hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de
+wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste
+geluid of geritsel deed hooren.
+
+Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps
+tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. "Is het
+klaar?" vroeg Bill. "Ja," antwoordde de Roodhuid.
+
+"Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?" fluisterde
+de lord hem toe.
+
+"Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn
+mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en
+toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip
+ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te
+gaan, waar ook die van ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan
+is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen."
+
+"Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?" waarschuwde Bill.
+
+"Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra
+gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan
+zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw
+der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de
+plaats, waar wij afgestegen zijn. _Howgh!_"
+
+Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven,
+dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps
+verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen,
+die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens
+waren zij weg, als verzonken in den grond.
+
+"_Wonderful!_" fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde
+toe. "Precies zooals men dat in romans leest."
+
+"Hum!" antwoordde de kleine "Gij zult bij ons nog menigen roman
+beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken."
+
+"Moeten wij nu weg?"
+
+"Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels
+zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje."
+
+Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats
+een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden
+schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van
+Indianen kwamen--en toen een snuiven en stampen, en hinniken en
+dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.
+
+De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg
+wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel:
+"De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen...."
+
+Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op
+de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om
+hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en
+haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde
+in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend:
+"Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?"
+
+"Indianen, Indianen!" werd er op dat oogenblik geroepen van den kant,
+waar de paarden gestaan hadden.
+
+"Te wapen! naar de paarden!" brulde de kornel. "Wij zijn
+overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!"
+
+Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles
+draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken;
+en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen,
+bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu
+eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet,
+en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men
+iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog
+andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat
+die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbij
+hadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich
+vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de
+tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier
+bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij
+verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man
+was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.
+
+Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten
+sprak de kornel: "Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor
+ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te
+veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken."
+
+"Waarom?" werd er gevraagd.
+
+"Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een
+groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail
+van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel
+vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij
+van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij."
+
+"En denkt gij dat zij dat verraden zullen?"
+
+"Natuurlijk!"
+
+"Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?"
+
+"Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons
+te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden."
+
+"Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam
+wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf
+man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!"
+
+"Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch
+gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te
+vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen,
+en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben."
+
+"Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door
+den nacht overvallen en verdwaald zijn--of zij hebben, om niet verdoold
+te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg
+wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen,
+want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan."
+
+Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter
+gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want
+later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang
+aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER.
+
+
+Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden
+het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman
+het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als
+de duisternis toeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat
+zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide
+jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den
+weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek
+in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de
+paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.
+
+Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De
+hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk
+weten te vinden, als was het klaarlichten dag geweest.
+
+"Die tramps zijn blind en doof geweest," zei hij. "Wij konden er
+verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden
+hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen
+nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der
+Osagen te bedienen."
+
+"Wilt ge u dan wreken?" vroeg Bill.
+
+"Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht
+Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier
+anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der
+Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het
+spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht
+uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert."
+
+"In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?"
+
+"Naar het Westen heen."
+
+"Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?"
+
+"Ja."
+
+"En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?"
+
+"De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als
+men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt."
+
+"Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij
+van Butler te redden."
+
+"Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de
+Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?"
+
+"Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij
+moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid
+van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te
+overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen."
+
+"Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen,
+dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen."
+
+Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook
+de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop
+tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat
+zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden
+geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers
+in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht
+op de streek aan, in welke Butler's boerderij lag, die de Osage had
+willen bezoeken.
+
+In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op
+klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat,
+om in die Rolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet
+te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de
+Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill,
+die naast hem reed, antwoordde deze: "Ja, sir! dat gij ook niet van
+vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier
+nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger
+voor onmogelijk gehouden zoudt hebben."
+
+"Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?"
+
+"Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel
+bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die
+golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de
+kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En
+toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel
+andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil."
+
+"Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?"
+
+"O neen! Zulk een Roodhuid _ruikt_ de richting en den weg, dien hij
+gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard
+weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn
+meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is
+zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te
+zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch
+galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg;
+en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden
+halt zullen laten houden voor de poort van Butler's boerderij."
+
+"Zoo! He!" riep de Engelschman verheugd. "Wilt gij dat wedden? Dat is
+heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde;
+en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer,
+ik ben dadelijk uw man!"
+
+"Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze
+van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud
+uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat
+gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt."
+
+"Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en
+vijftig voor de bevrijde Osagen."
+
+"En er zal spoedig nog meer bijkomen."
+
+"Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen
+zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost."
+
+"Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet;
+maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars
+zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar
+hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old
+Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen
+te zien krijgt?"
+
+"Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?"
+
+"O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of
+overmorgen Old Firehand zullen aantreffen."
+
+"Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?"
+
+"Ja; want hij wil ook naar Butler's boerderij komen." De vooraan
+rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om
+op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg:
+"Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?"
+
+"Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps."
+
+"Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden
+heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien,
+of met hem gesproken misschien?"
+
+Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts
+ging, wat hij gehoord had.
+
+"Oef!" riep de hoofdman, "Dan is de boerderij gered, want het hoofd
+van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend
+tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!"
+
+"Kent gij hem al?"
+
+"Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet
+(= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet
+kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed,
+want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich
+spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons
+spoor niet meer kunnen zien."
+
+Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de
+oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer
+moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder
+spraakzaam.
+
+Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van
+tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of
+in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den
+galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan,
+zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht
+te snuiven.
+
+"Oef!" zei de Roodhuid fluisterend. "Er zijn stellig menschen voor
+ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren,
+en de lucht goed door den neus inademen!"
+
+Men hield halt.
+
+"Een vuur!" fluisterde de hoofdman.
+
+"Er is niets van te zien," zei Bill.
+
+"Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt
+te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel
+beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt."
+
+De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel
+aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de
+Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem
+stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en
+beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven
+kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere
+handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.
+
+"Hebt gij hem beet?" vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den
+andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.
+
+"Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan
+geven," was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.
+
+"Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te
+doen hebben. Of is hij u te zwaar?"
+
+"Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg,
+die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij
+schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te
+lande een bochel noemen! Het zal toch niet...."
+
+"Wat?"
+
+"Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?"
+
+"Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij
+zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot
+dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten
+op de terugkomst van deze twee."
+
+Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat
+de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil
+dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand--want
+die was het--nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte
+den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen
+vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel
+der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met
+aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien
+vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.
+
+Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk,
+uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.
+
+"Wat drommel!" riep Old Firehand. "Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman
+van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen."
+
+"Sapperloot!" klonk de uitroep van Droll. "Het is warendig Bill zelf,
+Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid,
+dat ik _u_ bij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken
+of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach,
+heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van
+hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind,
+beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar,
+zoo ver als ik dacht dat noodig was."
+
+De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit
+dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk
+naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen
+staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik,
+den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche
+stem: "Is het mogelijk? Tante Droll!"
+
+"De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!" antwoordde de
+gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. "Natuurlijk ben _ik_
+het. Waarom mij niet dadelijk gezegd, dat _gij_ het zijt?"
+
+"Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo
+stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!"
+
+Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug
+om zich te bewegen. De druk van Firehand's vuisten was veel sterker
+geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd,
+met de oogen dicht, roerloos op den grond.
+
+"Is hij dood?" vroeg Bill.
+
+"Neen," antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. "Hij
+ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom,
+Bill! Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman
+van de Osagen?"
+
+"Ik ken hem reeds sedert jaren."
+
+"Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den
+Hoofdman?"
+
+"Ja, vier man."
+
+"Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?"
+
+"O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons--dien kent gij stellig
+wel--en dan nog een Engelsche lord."
+
+"Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben
+van ons niets te vreezen, en wij niet van hen."
+
+Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand
+afgelegd, of hij riep vroolijk: "Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn
+bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar."
+
+De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende
+rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te
+heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman
+daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen
+de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand
+staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de
+uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op,
+en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij
+zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old
+Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik
+opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: "Welkom, mylord! Gij
+zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?"
+
+"Hoe weet gij dat, sir?" vroeg de Engelschman.
+
+"Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van
+den _bouton d'Alep_ (= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke
+reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen,
+ofschoon...."
+
+Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen,
+diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van
+een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand,
+waarin hij het mes hield, zakken, en riep: "Old Firehand! Hebt _gij_
+mij gegrepen?"
+
+"Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen
+kon."
+
+"Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen
+schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd
+gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil
+naar de boerderij van Butler?"
+
+"Ja. Hoe weet gij dat?"
+
+"Bleekgezichten zeiden dat."
+
+"Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis
+de Osage-nook."
+
+"Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?"
+
+"Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen,
+allen tramps."
+
+"Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij,
+want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen."
+
+"Hoe weet gij dat?"
+
+"Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben
+de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben
+zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten
+te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet,
+die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode
+broeders te bevrijden."
+
+"Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?"
+
+"Ja."
+
+"Bill en de Uncle bivakkeerden hier?"
+
+"Zoo is het."
+
+"En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?"
+
+"Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?"
+
+"Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en
+hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook
+te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en...."
+
+"Sir!" viel Humply-Bill hem in de rede; "hoe weet gij, dat die mannen
+tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben."
+
+"Een stuk papier heeft het mij verraden," was het antwoord. "Gij hebt
+die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner
+laten zitten."
+
+Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het
+schijnsel van het vuur en las: "Een verzuim, dat men voor onmogelijk
+zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau
+der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de
+regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er
+in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter
+dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht
+geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te
+zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek,
+40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres
+land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten
+noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans
+gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde
+algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven
+bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling
+van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het
+niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën
+ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en
+is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting
+zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt
+dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken
+van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en
+veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen,
+zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan
+uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en
+voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts
+hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar
+voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebben van de rooverijen
+dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd,
+dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door
+de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren
+toestand paal en perk worde gesteld."
+
+De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden,
+bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd
+aan.
+
+"Is dat waar? Is dat mogelijk?" vroeg de lord.
+
+"Ik houd het voor waar," antwoordde Old Firehand. "Of dit bericht liegt
+of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan
+een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op
+grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden."
+
+"Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?" vroeg de hoofdman.
+
+"Omdat ik u voor tramps moest houden."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf
+werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de
+anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het
+binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou
+zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten,
+dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting
+van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik
+liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u
+te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen
+gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij."
+
+"Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager
+onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps
+zijn persoonlijke vijanden?"
+
+"Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn
+persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten,
+als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat
+daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?"
+
+Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig
+verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: "Gij ziet dus, sir! dat
+wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te
+stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden."
+
+"Neen. Dat zal ik niet doen."
+
+"Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps
+aanbinden?"
+
+"Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik
+weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt."
+
+"Grooter? Hoe dat?"
+
+"Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken,
+is het niet?"
+
+"Ja."
+
+"En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend
+zullen beginnen."
+
+"Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag."
+
+"Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!"
+
+"Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?".
+
+"Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?"
+
+"In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat."
+
+"Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?"
+
+"Ja."
+
+"Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?"
+
+"Dat ook, ja."
+
+"Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn,
+moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler
+zullen spoeden, om hem te waarschuwen?"
+
+"Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf."
+
+"Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen
+ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil
+wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de
+dag aanbreekt, te paard te stijgen."
+
+"Wat wil mijn blanke broeder verder doen?" vroeg de Osage.
+
+"Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is
+er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te
+nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op,
+dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij
+de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen
+behoorlijk te kunnen ontvangen."
+
+"Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen
+keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam."
+
+"Niet?" vroeg Firehand verwonderd.
+
+"Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij,
+en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn
+blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij
+had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter,
+en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke
+dochter te koopen."
+
+"Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler
+in Fort-Dodge denkt te blijven?"
+
+"Eenige dagen."
+
+"En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?"
+
+"Eergisteren, in den voormiddag."
+
+"Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!" riep Old Firehand,
+opspringende. "Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt
+brengen om ons te helpen?"
+
+"Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan
+de boerderij zijn."
+
+"Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend
+met de Sjeyennes en de Arapahoes?"
+
+"Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven."
+
+"Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van
+hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik
+opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?"
+
+De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.
+
+"Rijd er naar toe," vervolgde Old Firehand, "en zeg aan de beide
+hoofdlieden, dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd
+man naar de boerderij van Butler te komen."
+
+"Is dat de geheele boodschap?"
+
+"Ja."
+
+De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard
+aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht
+verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde
+onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend
+en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.
+
+"Messieurs!" zei hij, "wij hebben geen minuut te verliezen. Onze
+paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het
+nog uithouden. Voorwaarts!"
+
+In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met
+zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk
+de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop
+zette de ruiterschaar zich in beweging.
+
+Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen,
+van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden,
+ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: "Old
+Firehand zal toch niet verkeerd rijden?"
+
+"O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs,
+dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat."
+
+"Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?"
+
+"Die vrouw? O, die dame is een man."
+
+"Voor wie het gelooven wil."
+
+"Geloof het maar op mijn woord."
+
+"En ze noemen haar Tante!"
+
+"Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft
+en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer
+goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche
+vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij
+schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen
+tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals
+we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee
+bezig te houden."
+
+En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen
+deden--zoo goed en kwaad als het ging--hun best om hem bij te
+houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds
+dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had
+hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis,
+zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er
+te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden
+beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn
+zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen
+enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies
+het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was
+nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch
+rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.
+
+Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur,
+met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er
+viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze
+geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van
+voren roepen: "Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door
+een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik
+der paarden."
+
+Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en,
+in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende
+oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld
+door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog
+een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord
+hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was
+alles nog even donker.
+
+"Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?" vroeg hij
+aan Humply-Bill.
+
+"Aan de poort van Butler's boerderij," was het antwoord.
+
+"Ziet _gij_ dan iets van die boerderij?"
+
+"Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den
+muur voelen."
+
+Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken,
+dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. "Wie
+belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?"
+
+"Is master Butler al terug?" vroeg de jager.
+
+"Neen."
+
+"Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg
+haar, dat Old Firehand hier is."
+
+"Old Firehand? _Well_, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma'am
+(= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage
+is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd,
+dat gij op de komst zijt."
+
+"Wat voor menschen zijn dat hier!" dacht de lord. "De hoofdman heeft
+dus nog harder, veel harder gereden dan wij!"
+
+Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden
+geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot,
+houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en
+nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel
+echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder
+maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters
+aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis
+binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij
+ma'am te komen. Voor de anderen werd op de gelijkvloers-verdieping
+een groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een
+zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken
+en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels
+stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in
+gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld,
+dat de troep in aantocht was.
+
+De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en
+tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet
+gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich
+als vanzelf zoo geschikt, dat de voornameren van het gezelschap aan
+een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had
+eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot
+zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte
+Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.
+
+Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te
+zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen
+met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle
+lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet
+slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.
+
+Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten
+vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een
+afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte
+daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden
+met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was
+dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen,
+dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.
+
+Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de
+been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen,
+ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te
+kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren,
+met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.
+
+Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk,
+en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen
+huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats
+dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van
+de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl
+tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke
+slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+IN DEN STRIJD OM BUTLER'S BOERDERIJ.
+
+
+Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij
+weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden
+en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber
+vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners
+ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit
+de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De
+ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen
+kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in
+een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige
+Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid,
+als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen
+achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd
+moest worden.
+
+Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een
+hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten
+waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan,
+als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.
+
+Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker
+waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af
+zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien
+nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk
+gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid
+had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien
+nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten
+brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort
+Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht
+reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen
+van de tramps zouden vallen.
+
+Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis,
+van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op
+de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte,
+goed bebouwde maïs- en andere akkers.
+
+"Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?" vroeg Droll.
+
+"Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft,
+kunnen zij nu wel spoedig hier zijn," antwoordde Firehand.
+
+"Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en
+verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht,
+zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi
+wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen
+ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die
+Sjeyennes en Arapahoes."
+
+"Ik ook niet," merkte Bill aan. "Die twee stammen zijn zeer klein,
+en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen
+gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn
+hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering
+kunnen voorbereiden."
+
+"Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de
+kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien," zei Old Firehand.
+
+"Maar water," merkte Droll aan, "dat is toch een der voornaamste
+behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet
+uit de rivier gaan scheppen."
+
+"Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron,
+met zeer goed drinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd
+door het kanaal."
+
+"Is hier dan een kanaal?"
+
+"Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de
+mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een
+houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van
+eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal,
+dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier."
+
+"Is het diep?"
+
+"Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u
+bijna tot aan de borst."
+
+"En is de gemeenschap met de rivier open?"
+
+"O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte
+van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten."
+
+Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg,
+geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden
+te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter
+kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.
+
+De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen
+nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige
+maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen
+de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de
+gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat
+hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend
+hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het
+ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen
+en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en
+behoorlijk in orde was.
+
+Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het
+huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht
+wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd
+na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden
+in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de
+verwachte hulptroepen, en de "Groote Zon" reed te paard aan het hoofd
+van den troep.
+
+Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de
+tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner
+goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens
+een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee
+te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten,
+dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor
+de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.
+
+Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval
+gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij
+blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman
+der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur,
+op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten
+de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze
+troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor
+hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken
+tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder
+zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.
+
+Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote
+honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde
+jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker
+niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen
+verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis
+opleverden, almede niet gering waren te schatten. Bijzondere bevelen
+konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke
+wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.
+
+Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst
+afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler
+het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam
+niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar
+en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij
+zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen,
+een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten,
+die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand
+zich verlaten kon.
+
+Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw
+des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den
+reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar
+dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten
+komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd
+te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog
+onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren
+stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie
+gestalten af, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij,
+niet te paard, maar te voet.
+
+"Aha! ze zenden verspieders vooruit," zei Old Firehand. "Die hebben
+misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier
+binnen mogen komen."
+
+"Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik," merkte de lord aan.
+
+"Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand
+hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar
+steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat
+ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den
+verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het
+dak zien."
+
+De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het
+huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich
+verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen,
+moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk
+zoogoed als onbewaakt was.
+
+Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander
+optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij
+gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde
+zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam,
+werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat
+men verlangde.
+
+"Is de landbouwer thuis?" vroeg een stem.
+
+"Neen, die is op reis," antwoordde hij.
+
+"Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?"
+
+"Neen."
+
+"Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben
+een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen
+wij niet een oogenblik binnenkomen?"
+
+Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in
+het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger
+heeft, eenig voedsel weigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle
+landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die
+behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en
+zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid
+jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor
+de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen,
+een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.
+
+Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer
+dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis
+aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon
+zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik,
+waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en
+alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op
+een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: "Wij zijn arme
+geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat
+wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw
+hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen."
+
+Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was,
+want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten
+te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen
+werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk
+eten voorgezet.
+
+Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen
+zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.
+
+De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het
+scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën
+en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door
+hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de
+boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop
+van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote
+nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er
+eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat
+men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst
+van de tramps spoedig verwachtten.
+
+Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den
+verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun
+verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken,
+zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze
+weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men
+uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.
+
+Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke
+gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare
+plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd
+vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old
+Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden,
+naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende
+naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat
+hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.
+
+"Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?" vroeg
+Old Firehand hem met een barsche stem.
+
+De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde:
+"Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen
+gaan."
+
+"Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier,
+naar de menschen, die zich daar bevinden."
+
+"Welke menschen bedoelt gij, sir?" vroeg de man met een goed
+gehuichelde onnoozelheid. "Ik heb daar niemand gezien."
+
+"Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind
+geweest."
+
+"Welke ruiters? Ik heb er geen gezien."
+
+"Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps
+van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen
+uitgezonden als spionnen."
+
+Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd
+voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: "Wij? Wij
+tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk
+zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den
+omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten
+te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij
+ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor
+ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over
+nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u
+hier te komen overvallen, en dat _wij_ daartoe behoorden, met welk
+doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn,
+dat ons zeer slecht bekomen kon?"
+
+"Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn
+hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar
+werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor
+uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij
+blijven zitten."
+
+"Wat?" viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in
+zijn zak.
+
+Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei
+dreigend: "Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets
+van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd
+spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording
+roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd
+zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder
+die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn
+wij klaar, dus opgerukt, marsch!"
+
+Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen
+zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar
+toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was,
+begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden:
+"Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens
+goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers
+korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!"
+
+"En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten
+gelooven!" riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken
+sein, waarop de tot nu toe achter het huis verscholen verdedigers te
+voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf
+nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den
+vijand het oog te kunnen houden.
+
+De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt,
+en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet
+verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de
+rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven
+hun paarden althans met dat doel er in.
+
+"Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening,
+zooals ik u gezegd heb", sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten
+Tom. "En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij
+schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze
+op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er
+geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle
+noodeloos verbruik van ammunitie."
+
+"Goed zoo!" antwoordde Humply-Bill. "Ik zal stipt die volgorde in
+acht nemen."
+
+En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn
+manier: "Zij worden, als ze uit water komen,--Door één schot onder
+mik genomen--Op rij af, en gaan een voor een,--Gezwinden pas naar
+Satan heen!"
+
+Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de
+plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk
+waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden
+bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden
+van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps
+dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander
+om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen;
+want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door
+een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den
+tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden
+zonder berijder op den oever rond.
+
+Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de
+verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen
+gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers
+was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op
+schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte
+precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde
+weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende
+stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters
+hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever
+terug te keeren.
+
+"Afgeslagen!" zei de oude Blenter. "Ik ben benieuwd wat zij nu zullen
+probeeren."
+
+"Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen," antwoordde Old
+Firehand. "Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten
+het bereik van onze kogels ligt."
+
+"En dan?"
+
+"Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim
+aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen."
+
+"En wat noemt gij slim?"
+
+"Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten
+zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten
+tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken,
+dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan,
+want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te
+verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen,
+dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen."
+
+"Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht
+uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt
+tegenover hen staan."
+
+"_Pshaw!_ Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar
+zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug
+te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is,
+en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt
+niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij
+schijnen te beraadslagen."
+
+De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden
+afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten
+niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten,
+was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen
+zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden,
+totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij
+kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren,
+vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was
+regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de
+verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand
+met luider stemme: "Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij
+willen de poort bestormen!"
+
+"Maar die kunnen zij toch niet openloopen!" merkte Blenter aan.
+
+"Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel
+stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze
+ons hier op het erf letterlijk dooddrukken."
+
+"Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!"
+
+"Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het
+commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo's uit de
+geweren met dubbelen loop, midden in den troep!"
+
+De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste
+zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen
+die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over
+den muur heen konden schieten.
+
+Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien
+had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort
+aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen
+van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te
+vuren. Twee salvo's knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid
+uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De
+uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand's verwachting. Het
+was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw
+tegengehouden werden. Zij vormden een onbeschrijfelijken warklomp,
+die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee
+geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk
+opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in
+salvo, maar _ad libitum_, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der
+aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle
+richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het
+uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De
+paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct
+op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen
+te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden,
+om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd,
+aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de
+gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep
+boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.
+
+Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en
+drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men
+dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder
+de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.
+
+"Zouden zij aftrekken?" vroeg Humply-Bill. "Ze hebben een duchtige
+les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen."
+
+"Daar hebben zij volstrekt geen idee op," antwoordde Tante Droll. "Als
+zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten
+wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op
+de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven,
+op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die
+vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando
+van hem vernemen zullen."
+
+"Een commando?"
+
+"Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen."
+
+Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps
+waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon;
+maar Old Firehand had hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van
+boven af roepen: "Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar
+het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten."
+
+In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen
+eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de
+poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand
+voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek
+van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar
+eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld,
+waarop hier en daar een plokje boschgroei.
+
+Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar
+Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen
+gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te
+blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier
+gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden
+halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman
+aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens
+de daarbij gestelde gewapende bewakers.
+
+Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over
+de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke
+hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij
+met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats
+grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding
+verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de
+tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier
+schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en
+hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren
+nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen
+zouden worden, met het bloote oog te zien.
+
+De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke
+menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe
+kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten
+getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden
+zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met
+geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden
+een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit
+de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze
+niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de
+verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder
+den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder
+een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.
+
+Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn
+taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht
+bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven,
+zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat
+begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel
+der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te
+rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal
+zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop,
+en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde
+geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar
+nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering
+gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten
+kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon,
+zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem
+het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die
+beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens
+het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich
+nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de
+Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps
+zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid,
+waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich
+in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich
+daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe,
+blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de
+Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk
+vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten,
+en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit;
+er vielen verscheiden dooden, nog veel meer gekwetsten, niet alleen
+onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden,
+zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was
+een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.
+
+"Nu vuren!" commandeerde hij. "Maar schiet enkel op de kerels, niet
+op de paarden!"
+
+Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn;
+zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien
+werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps
+doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het
+tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.
+
+"Voort! voort!" brulde een stem uit hun midden. "Wij zijn
+omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!"
+
+Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en
+zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in,
+die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen
+een zegevierend geschreeuw aanhieven.
+
+"Daar rukken zij uit!" lachte de oude Blenter. "Die komen niet
+terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?"
+
+"Natuurlijk," antwoordde Zwarte Tom. "De stem kent men eens voor
+al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit
+voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet
+achternazetten, sir?"
+
+Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde:
+"Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen
+te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den
+beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn
+aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is
+het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden,
+om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus
+zoo gauw mogelijk terug."
+
+"En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden
+gebeuren?"
+
+"Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd
+meer verliezen, gauw naar onze paarden!"
+
+De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend
+hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf
+kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat,
+terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te
+zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen
+hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak
+van het huis, om overal eens goed rond te zien.
+
+Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd
+had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk
+verijdeld was.
+
+"Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?" vroeg zij, terwijl zij
+een diepen zucht loosde. "Nu die tramps zulke zware verliezen geleden
+hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden
+voort te zetten, vergaan zal zijn."
+
+"Misschien," antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.
+
+"Hoe? Misschien maar?"
+
+"Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden
+wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts
+door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt
+worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen
+wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis
+ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons
+in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen
+wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden."
+
+"Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?"
+
+"O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor
+zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar
+zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit
+dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen."
+
+Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds
+na verloop van een korte poos vervolgde hij: "Ha, ha, daar zijn ze
+al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden
+terug. Het is te vooronderstellen, dat..."
+
+Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien
+meer naar het noorden gericht.
+
+"Wat is het?" vroeg de vrouw des huizes. "Waarom spreekt gij niet uit,
+sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?"
+
+Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en
+antwoordde: "Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet
+geschikt is om onzen toestand te verbeteren."
+
+"Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?" vroeg zij op angstigen toon.
+
+Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of
+niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt,
+doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de
+tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te
+antwoorden: "Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid
+kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden,
+die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken."
+
+Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg;
+doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord,
+die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: "Ik had reden om de vrouw
+des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en
+tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?"
+
+De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen:
+"De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen."
+
+"Komen zij werkelijk?"
+
+"Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?"
+
+"Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat
+die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?"
+
+"Neen, zij houden halt."
+
+"Met hun gezichten naar welken kant?"
+
+"Naar het noorden."
+
+"Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel,
+waarom de kerels halt gehouden hebben."
+
+"_Well_, sir! Ik zal kijken!" En een oogenblik later vervolgde hij:
+"Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken."
+
+"Ruiters? Hebt gij dat wel?"
+
+"Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is
+een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier."
+
+"En weet gij, wie die drie zijn?"
+
+"Neen. Hoe zou ik dat weten.... _heighho_, het zullen toch niet....?"
+
+"Ja, precies!" knikte Old Firehand ernstig. "Zij zijn het; de
+landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien
+wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen
+misgereden te zijn."
+
+De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: "Dan moeten wij terstond
+te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in
+handen van de tramps!"
+
+Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast,
+en zei: "Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets
+daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen,
+want het is reeds te laat. Zie, zie maar!"
+
+De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich
+in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.
+
+"_All devils_!" riep hij uit. "Ze zullen hen vermoorden!"
+
+"Dat komt niet in hen op!" zei Old Firehand. "Die kerels kennen hun
+voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat
+kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd
+niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog
+krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen
+als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen,
+die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is
+de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld. Wij hebben er niets
+tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn
+wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps."
+
+"_Well_, dat wil ik u toestemmen, sir!" sprak de lord. "Maar wee den
+schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En
+.... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten
+afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met
+zulk gespuis in onderhandeling trad!"
+
+Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op,
+en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een
+soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij:
+"Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover
+ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun
+duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u
+zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar
+hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin
+verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er
+gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste
+oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij
+het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderen ten
+goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen
+kunnen belemmeren."
+
+"Mag ook geen mensch anders het weten?"
+
+"Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen:
+dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij,
+mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun;
+maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden
+verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn
+maatregelen nemen."
+
+De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was
+aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde
+al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun
+midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde
+plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en
+legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking
+of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat
+daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich
+tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen,
+gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord,
+die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg:
+"Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren
+Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?"
+
+"Ja, zoo is het!" knikte Old Firehand.
+
+"Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen
+de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op
+hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat
+zullen wij daarop antwoorden?"
+
+"Nu, wat zoudt gij denken?" vroeg Old Firehand, terwijl hij een
+schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.
+
+"Kunt gij dat nog vragen!" was het antwoord. "Geen duit, geen roode
+duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld
+te betalen?"
+
+"Zijn wij daartoe niet gedwongen?"
+
+"Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten,
+niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat
+zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze
+wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze
+misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!"
+
+"Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben
+wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen
+gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven
+ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze
+hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen,
+zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen."
+
+"Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten
+welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat
+zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die
+ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij
+in het werk wezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit
+de verknijping te halen."
+
+"Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij
+misschien al een plan?"
+
+"Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten
+wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij
+handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet
+wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste
+oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij
+wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten
+waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen,
+en halen de gevangenen een voor een er uit."
+
+"Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke
+partij wezen."
+
+"Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot
+een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een
+wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft
+zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat
+hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke
+ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik
+verbeeld mij, dat .... hola!" viel hij zich zelf in de rede. "Pas nu
+op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij
+wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze
+als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten
+worden. Zult gij hen te woord staan?"
+
+"Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van
+ons hebben willen. Kom maar eens mee!"
+
+Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan
+de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te
+houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren,
+hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old
+Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om
+naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg
+bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle
+moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen
+op hun gemak waren.
+
+"Sir! wij komen als afgevaardigden," sprak de een, "om u onze eischen
+bekend te maken."
+
+"Zoo!" zei de jager op een toon van ironie. "Sedert wanneer durven
+de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?"
+
+De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij
+stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen
+schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit
+deed doen.
+
+"Wij zijn geen hazen, sir!" verstoutte de tramp zich te zeggen.
+
+"Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen
+met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt
+gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben,
+en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan."
+
+"Sir!" vloog de tramp op, "ik wil zulke beleedigingen niet..."
+
+"Zwijg, schobberd!" bulderde Old Firehand hem toe. "Verachtelijke
+spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande
+voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij
+te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel
+durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te
+kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij
+niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?"
+
+"Neen," antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.
+
+"Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden
+hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar
+ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag
+reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap
+hebt gij hier te doen?"
+
+"Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer
+en zijn nicht in onze handen gevallen is."
+
+"Dat weet ik al."
+
+"Die drie personen moeten sterven...."
+
+"_Pshaw_!" viel de jager hem in de rede.
+
+"... als gij onze voorwaarden niet aanneemt," voltooide de parlementair
+zijn volzin.
+
+"Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst
+van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en
+zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zou _ik_ de man zijn."
+
+"Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder
+voor uw oogen opgeknoopt."
+
+"Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg
+voor u allen."
+
+Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men
+het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek
+verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: "Bedenk het
+goed, drie menschenlevens!"
+
+"Dat bedenk ik zeer goed; _slechts_ drie menschenlevens! En daarvoor
+zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is
+dus geheel aan onze zijde."
+
+"Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen."
+
+"Hoe zoo dan?"
+
+"Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft."
+
+Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op
+den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager
+antwoordde: "Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?"
+
+"Neen!"
+
+"Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als
+krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken."
+
+"Is u dat ernst, sir?"
+
+"Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het
+met u gedaan!"
+
+Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het
+hazenpad; doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te
+blijven staan, en omkijkende te vragen: "Mogen wij nog eens terugkomen
+als wij een ander voorstel hebben?"
+
+"Neen!"
+
+"Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?"
+
+"Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord
+staan; maar slechts een oogenblik."
+
+"Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?"
+
+"Ja, mits hij mij niet beleedige."
+
+"Wij zullen het hem zeggen."
+
+Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te
+vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden
+man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de
+boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting
+als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd,
+daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af
+te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.
+
+Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst
+waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen
+te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben;
+maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.
+
+Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist
+had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar
+hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden,
+maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: "_Good day sir!_ Gij hebt
+gewenscht mij te spreken."
+
+"Dat is meer dan ik weet," antwoordde de Westman. "Ik heb eenvoudig
+gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u;
+en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel
+niet hadt laten zien."
+
+"Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!"
+
+"Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt
+niet dien toon aan te slaan."
+
+Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst
+neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: "Ik verbeeld mij,
+dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben."
+
+"Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover
+den overwinnaar--vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?"
+
+"Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe
+behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het
+in onze macht de rollen om te keeren."
+
+"Doe dat dan maar!" zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.
+
+Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: "wij
+behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!"
+
+"Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?"
+
+"Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild
+hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen
+wij, waren zij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons
+bestand geweest."
+
+"Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt,"
+antwoordde hij. "Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat
+dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste
+bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft."
+
+"Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk,
+waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat
+precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der
+onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af
+te snijden, dan was u onze gevangene geworden."
+
+"Zoo, zoudt ge dat denken?"
+
+"Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog
+sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld
+geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt."
+
+"Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste
+plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd
+zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet
+bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij
+omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen
+moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is
+nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben."
+
+"Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te
+stellen, het leven van onze gevangenen te redden."
+
+"Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van
+die menschen is volstrekt niet in gevaar."
+
+"Niet?" hernam de kornel met een spottend grijnslachje. "Dan vergist
+gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt,
+worden zij zonder genade opgeknoopt."
+
+"Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen
+wordt--allen, tot den laatsten man."
+
+"Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?"
+
+"O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik
+daartegenover kan stellen?"
+
+"Ja, dat weet ik precies."
+
+"_Pshaw!_ Gij hebt ons niet kunnen tellen."
+
+"Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders
+er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En
+daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier
+meegebracht hebt."
+
+Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij
+verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte
+van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij
+uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden
+juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk
+weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: "Tel uw dooden
+en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel
+afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebt gij mijn Indianen gezien,
+en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.
+
+"De andere blanken?" lachte de tramp. "Er zijn geen anderen geweest
+dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld
+hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat
+heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op
+de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot
+in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij
+ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen,
+zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken."
+
+Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze
+haalde minachtend de schouders op, en zei: "Wij zullen er verder
+geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk
+waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog
+zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat
+voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden,
+landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste
+jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn
+minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met
+ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden
+wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het
+licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als
+ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die
+drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt."
+
+Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van
+zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg;
+want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen
+wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel
+onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen
+te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een,
+totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die
+Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch
+de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op,
+wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: "Nu,
+wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier
+staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven."
+
+"Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met
+u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar
+louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te
+prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat
+is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer
+in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander."
+
+"Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft."
+
+"Mijn antwoord hebt gij al."
+
+"Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk
+van het bezetten van de boerderij afzien."
+
+"O, dat is zeer vriendelijk van u, niets anders?"
+
+"Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug;
+daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft
+gij ons de noodige runderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk
+betaalt gij twintig duizend dollars losgeld--zooveel zal er wel op
+de boerderij aanwezig zijn."
+
+"Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons
+daarvoor?"
+
+"Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij
+ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle
+vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en
+verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd."
+
+Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan
+zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet
+driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden
+glimlach: "Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin,
+dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak
+oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel
+door den kop!"
+
+"Wat? Is dat...."
+
+"Marsch! Oogenblikkelijk!" viel de jager hem met stemverheffing in
+de rede, meteen op hem aanleggende: "Een.... twee...."
+
+De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord "drie" niet af
+te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een
+dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand
+gezien, dat die bij het woord "drie" vuur zou geven. De jager bleef
+hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van
+achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde
+terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog
+had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er
+een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.
+
+"Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!" verklaarde de lord. "Met zulke
+schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen
+zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij,
+dat zij nu beginnen zullen?"
+
+"Hum!" antwoordde de gevraagde. "De zon is reeds aan het ondergaan. Ik
+vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog
+eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat
+hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien
+of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen."
+
+"Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?"
+
+"Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd
+veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op
+tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het
+oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op
+uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken,
+bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als
+vrijwilliger aan?"
+
+Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en
+Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe
+beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle:
+deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast
+te worden.
+
+Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep
+der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat
+was hen allen man voor man te onderscheiden, bleek het, dat zij
+geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te
+bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren
+deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich
+thans bevonden, niet dachten te blijven.
+
+Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen,
+alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden
+gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk
+eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden,
+werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij,
+ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het
+openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden
+plaatsen van den muur sterke lasso's stevig vastgemaakt en over den
+muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren
+om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in
+petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar
+buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop
+was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in
+volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens
+den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering
+van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al
+kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd
+door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij
+men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.
+
+Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging
+zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat
+ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn
+eigenaardige manier: "De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,--In
+massa elders heengetogen."
+
+"Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?" vroeg de jager, glimlachende
+over het rijmpje.
+
+De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde
+met het ernstigste gezicht van de wereld: "In 't kreupelhout, niet
+ver van hier,--Daarginds aan d'oever der rivier."
+
+"Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden
+wij hun paarden toch moeten hooren?"
+
+"Hun paarden, ja, zij dreven die--Uit voorzorg eerst op de prairie,--Om
+hun bekomst aan gras te vreten,--Maar waar, dat kwam ik niet te weten."
+
+"En waar zijn Bill en Droll?"
+
+"Die zijn de schobberds achterna,--En slaan dus al hun gangen ga."
+
+"Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees
+zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun
+nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij
+denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij
+zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten."
+
+De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had,
+vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: "De vijand
+bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water,
+en vóór zich den muur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere
+zijden versperren, hebben wij hen in de val."
+
+"Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?"
+
+"Daartoe zal ik de Indianen halen, die hen aan de zuidzijde aanpakken
+moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit,
+en tasten hen aan de noordzijde aan."
+
+"Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?"
+
+"Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij
+zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op
+den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik
+ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te
+kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als
+onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden
+zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige
+daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben
+wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen
+wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend
+inhalen en voorgoed onschadelijk maken."
+
+"_Well_, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet
+erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft."
+
+Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de
+paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed
+kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige
+instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er
+niets ondernomen worden.
+
+Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet
+zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen
+gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden
+passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om
+bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.
+
+Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.
+
+"Alle drie?" vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. "Minstens
+een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij."
+
+"Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is," antwoordde Droll,
+weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.
+
+"Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk."
+
+"Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren;
+ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen
+hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze
+vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen
+zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij
+verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad
+wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig
+niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen
+aan het dansen gaan."
+
+"Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd
+om de val toe te doen."
+
+"Welke val?"
+
+Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.
+
+"Dat is overheerlijk, hihihihi!" lachte Droll binnensmonds, zooals hij
+gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. "Dat zal
+en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden,
+dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben
+daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is."
+
+"En dat is?"
+
+"Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen
+maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen."
+
+"Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb? Gelukkigerwijze
+maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben
+ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden
+moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun
+geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid,
+en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij
+de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn
+zij gekneveld?"
+
+"Ja, maar niet heel straf."
+
+"Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en
+dan ..."
+
+"En dan met hen in het water," viel Droll hem in de rede.
+
+"In het water?" vroeg Old Firehand verwonderd.
+
+"Natuurlijk."
+
+"Ik geloof dat gij schertst, lieve tante."
+
+"Schertsen? Dat komt niet in mij op!" En toen hij de verwonderde
+gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij
+gichelend. "Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste
+goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare
+gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!"
+
+"Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen
+inslaan."
+
+"Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later."
+
+"Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?"
+
+"Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog
+voordat de aanval begint."
+
+"Houdt gij dat voor mogelijk?"
+
+"Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst
+noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk
+gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus
+reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat is volstrekt
+niet moeilijk."
+
+"Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos
+zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak
+een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos
+verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien
+ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?"
+
+"Dat zou ik haast wel denken."
+
+"Welnu, laat eens hooren!"
+
+"Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij,
+dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan
+dat kanaal, dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier
+loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd,
+en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen
+tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats
+gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan
+de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een
+kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het
+kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar
+aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel,
+binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich,
+dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om
+te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de
+mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen."
+
+"O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen," zei Old Firehand. "Gij
+wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?"
+
+"Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor
+iederen gevangene is er één noodig."
+
+"Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te
+vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is."
+
+Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en
+vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en
+van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon,
+en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie
+man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat
+het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.
+
+Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste
+bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll,
+Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen
+men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een
+grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet
+gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van
+de boerderij af te brengen.
+
+Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den
+muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen,
+dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had
+en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun
+bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn
+meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst
+reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen,
+revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange
+Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den
+ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn
+manschappen op.
+
+De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide
+er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open
+zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te
+trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om
+die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De
+overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde
+gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.
+
+De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het
+besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven
+zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het
+vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden,
+keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat
+zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der
+tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder,
+totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven
+cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op
+welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn
+medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten,
+dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.
+
+Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar
+het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad
+hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het
+bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen
+er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan
+den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven
+wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het
+terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.
+
+"Wel?" vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.
+
+"Het was geen gemakkelijke taak," antwoordde de Tante. "Het water
+hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan
+in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de
+boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er
+letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten
+voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen
+duisternis onze beste bondgenoot."
+
+"Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed
+kunnen zien."
+
+"Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu,
+de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn
+vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten
+de gevangenen...."
+
+"Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de
+heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden
+worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te
+bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water;
+want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!"
+
+"Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend
+het oog op hen houdt."
+
+"Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?"
+
+"Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op
+zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd."
+
+"Hebt gij dan al een plan?"
+
+"Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje
+eenvoudig aan den walkant."
+
+"Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het
+bootje telkens in de hoogte gaan."
+
+"Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren
+is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen
+aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij
+brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast;
+gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den
+bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te
+snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij
+veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is,
+op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij
+dan het sein geven--den gierenschreeuw--gaan de poppen dadelijk aan
+het dansen. Begrepen?"
+
+"_Well_, het is niet beter te bedenken."
+
+"En gij, Uncle?"
+
+"Juist zoo, als gij 't hebt uitgedacht--wordt heel 't fameuze werk
+volbracht," antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.
+
+"Mooi zoo, nu vooruit maar!"
+
+Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in
+de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor
+gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam
+en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.
+
+"Wij zijn waar wij wezen moeten," fluisterde hij hun toe; "nu wacht
+gij maar tot ik terugkom."
+
+De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen
+op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den
+muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen,
+ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden
+kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier
+personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag
+de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen
+van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij
+zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den
+grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te
+kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen
+eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij
+de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes
+zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden
+sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich
+op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de
+gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop
+van eenige seconden zei het meisje: "He, vader! onze bewaker is weg!"
+
+"He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het
+is misschien om ons op de proef te stellen."
+
+"Suut, suut!" fluisterde Droll hun toe. "Ze moeten u niet hooren. De
+bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u
+te redden."
+
+"Redden? _Heavens!_ Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!"
+
+"Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas;
+Droll, dien ze Tante noemen."
+
+"Groote Genade! Is het tòch waar?"
+
+"Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog
+vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar
+wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu
+ben ik met twee ferme _boys_ naar hier geslopen, om u uit hun handen
+te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht
+niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen,
+door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!"
+
+Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije
+gebruik van hun ledematen.
+
+"Ja, nu gelooven wij u, sir!" fluisterde de landbouwer, die tot nu
+gezwegen had. "Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?"
+
+"Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en
+hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleine _Miss_
+(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent;
+en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is."
+
+"De dans? Welke dans?"
+
+"Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben
+de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de
+boerderij--twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts
+van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links
+de Osagen-hoofdman de 'Goede Zon' met een troep Roodhuiden--zij wachten
+slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat
+sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan
+zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast,
+en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet
+totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij
+er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten."
+
+"O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in
+veiligheid brengen?"
+
+"Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten,
+korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u
+eerst uit hun handen te halen."
+
+"Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van
+onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat
+wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in
+den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons
+waagt? Neen sir! dan vergist gij u."
+
+"Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man
+meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss
+kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in
+veiligheid gebracht te worden."
+
+"Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal
+te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons
+afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een
+mes afstaan?
+
+"Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig;
+maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt,
+is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal
+ik ook wel gauw maken dat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een
+van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig
+een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt
+wordt. Laat mij maar eens begaan!"
+
+In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die
+de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij
+kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg:
+"Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?"
+
+"Neen!" antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.
+
+"_Well!_ Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost
+het u uw kop. Begrepen?"
+
+"_Yes_. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!"
+
+Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit
+met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man
+over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een
+schrede nader, boog voorover, en zei: "Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt
+gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik...."
+
+Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen
+om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo
+geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er
+volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles
+stil, totdat Droll zachtkens zeide: "Ziezoo! die heeft u zijn wapen
+gebracht; wel vriendelijk van hem."
+
+"Hebt gij hem dan beet?" vroeg de landbouwer.
+
+"Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij
+geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer
+maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen
+de kleine Miss naar het bootje brengen."
+
+Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand,
+en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van
+den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het
+meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen
+terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen
+hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van
+tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: "Nu zal het er toe
+komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich
+van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk
+kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen,
+dan hebben wij geen nood."
+
+Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij
+een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en
+ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij
+bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk
+genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu
+bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras
+hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit
+den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt,
+kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op,
+in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nog een oogenblik
+heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand's
+wijd in het rond klinkend commando: "Geeft acht! Vuurt!"
+
+Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij
+geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop
+klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil
+der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden
+regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.
+
+"Nu de beurt ook aan ons!" commandeerde Droll. "Eerst de kogels,
+en dan met de kolven er op los!"
+
+Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De
+tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge
+overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die
+de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij
+aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar
+toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het
+werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen,
+toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en
+boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in
+staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren,
+dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden
+zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die
+werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander
+redmiddel, dan in de vlucht.
+
+"Voort, voort, naar de paarden!" hoorde men een stem roepen, of
+juister gezegd brullen. "Dat is de kornel!" riep Droll. "Laat die
+toch den dans niet ontspringen!"
+
+Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en
+anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo
+slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van
+daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den
+eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den
+donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars
+gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als
+het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het
+hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op
+te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En
+toen vluchtten zij in noordelijke richting.
+
+"Hen zoolang mogelijk achternazetten!" commandeerde Old Firehand. "Zij
+moeten niet op verademing kunnen komen!"
+
+Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat
+bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij
+verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren;
+en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis,
+dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand
+zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde
+eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren
+de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel,
+vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen
+kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting
+nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend
+hoongehuil van de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende
+paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.
+
+"Omkeeren!" gebood Old Firehand. "Het eenige, dat wij nu nog te doen
+hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen
+om vervolgens te ontkomen."
+
+Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen
+deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter
+gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch
+tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en
+te scalpeeren.
+
+Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de
+lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag
+gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen--een
+ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog
+zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.
+
+Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het
+jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik
+der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit
+vernam, verklaarde hij aan haar vader: "Tot nu toe heb ik het voor
+zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar
+nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons
+geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken."
+
+Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te
+koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige
+gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde
+overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en
+verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van
+het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig
+der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd
+aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste
+ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen
+gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs-
+en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak
+kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en
+gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden,
+in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.
+
+Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen,
+wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra
+het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te
+weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond
+te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door
+de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen,
+dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar
+aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die
+nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar
+aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren
+toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende,
+dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan,
+om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat
+Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.
+
+
+Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een
+zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit,
+daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die
+man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van
+een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van
+een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange
+geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder
+een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek
+en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee
+een langdurende voetreis gepaard gaat.
+
+Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop
+om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide
+voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens
+opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk
+zijn gezicht eensklaps opklaarde--hij had daarginds aan den verren
+horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van
+de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit
+gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden
+tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag
+al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef
+stilstaan om hem dichterbij te laten komen.
+
+Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met
+een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel,
+en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek
+van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten,
+breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut
+door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen
+riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was
+lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel
+over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige,
+kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor
+zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid
+spreekwoordelijk is geworden.
+
+Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk
+konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de
+hoogte, en groette: "_Good day_, kameraad! Waar komt gij vandaan?"
+
+"Van Kinsley daarbeneden," antwoordde de gevraagde, met de hand
+rugwaarts wijzende. "En gij?"
+
+"Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter
+mij ligt."
+
+"En waar wilt gij naar toe?"
+
+"Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar
+vóór ons ligt."
+
+"Ligt daar dan een boerderij?"
+
+"Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen
+hebben eer wij daar zijn."
+
+"God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen
+uithouden."
+
+Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij
+naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien,
+want hij stond te waggelen op zijn beenen.
+
+"Niet langer uithouden? Waarom niet?"
+
+"Van den honger."
+
+"Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal
+ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u
+dadelijk wel iets te verorberen geven."
+
+Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den
+hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok
+twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing,
+een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei:
+"Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den
+honger zijn ze probatum!"
+
+De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig
+van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch
+eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: "Gij zijt wel goed,
+sir! Maar deze dingen zijn voor _u_ bestemd; en als _ik_ die nu opeet,
+zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?"
+
+"Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij
+zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil."
+
+"Zijt gij dan daar bekend?"
+
+"Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar
+niet langer--eet liever."
+
+De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee
+ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande
+en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen
+verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij:
+"Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel
+eenigszins bijgekomen zijn?"
+
+"Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen
+onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen
+gekomen."
+
+"Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets
+gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis
+meegenomen?"
+
+"Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij
+mijn vertrek."
+
+"Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een
+maal eten kunnen aankloppen."
+
+"Ik heb de boerderijen moeten mijden."
+
+"O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier
+of daar een stuk wild kunnen schieten."
+
+"Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan
+raken, dan een hond die vlak voor mij zat."
+
+"Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?"
+
+"Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken."
+
+De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: "Hoor eens
+master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij
+schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken
+sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?'
+
+"Naar Sheridan, aan den spoorweg."
+
+"Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een,
+man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in
+nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de
+schoen wringt. Misschien kan _ik_ u wel helpen."
+
+"Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou
+ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet
+Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land
+over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij
+kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles
+geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden
+schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley
+aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou
+kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal
+eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en
+dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik
+had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een
+duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen
+voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken;
+het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij
+kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend
+mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De
+gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden,
+maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik,
+toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den
+haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar
+mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het
+geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette
+het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten
+minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had
+een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het
+Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en
+gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om
+mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad,
+om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief
+mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen,
+om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel."
+
+Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan
+den Yankee. Deze las:
+
+
+"_Waarde Charoy!_
+
+
+"Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij
+geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar
+heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoor
+zijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen
+tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem
+op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras
+over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!
+
+Uw
+
+Bent Norton."
+
+
+
+Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het
+stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief
+weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een
+half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde:
+"Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien
+brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij
+iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen
+mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen
+groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook
+geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar
+zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest
+zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild."
+
+"O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij."
+
+"Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?"
+
+"O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden,
+opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was."
+
+"En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden,
+en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden."
+
+"O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan,
+zijn boezemvrienden."
+
+"En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?"
+
+"Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat
+Mr. Charoy mij dat ook zal betalen."
+
+"Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt,
+dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken."
+
+"Wat? Is het tòch waar?" riep de klerk zichtbaar blij verrast. "Zestien
+dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!"
+
+"Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen
+sparen."
+
+"En waar is die betrekking? Bij wien?"
+
+"Bij mij."
+
+"Bij ... u?" klonk het op een toon van teleurstelling.
+
+"Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is."
+
+"Hum! Ik ken u niet."
+
+"Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley,
+geneesheer en veearts van mijn beroep."
+
+"Dus, arts voor menschen en voor paarden?"
+
+"Ja, arts voor menschen en dieren," knikte de Yankee. "Hebt gij er
+zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld,
+dat ik gezegd heb."
+
+"Maar ik versta niets van dat vak," zeide Haller bescheiden.
+
+"Ik ook niet," bekende de dokter.
+
+"Niet?" vroeg de andere verwonderd. "Gij moet toch in de medicijnen
+gestudeerd hebben?"
+
+"Dat is nooit in mij opgekomen."
+
+"Maar, als gij arts zijt, en dokter...."
+
+"Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best,
+want ik heb die zelf aan mij verleend."
+
+"Gij ... gij zelf?"
+
+"Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn
+voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik
+kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor
+jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica
+ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar
+dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven
+en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze,
+dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen
+bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij
+zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen
+verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke
+en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en
+ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er
+op na houd."
+
+Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van
+binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die
+met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd
+waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de
+eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling
+van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.
+
+"Dit is dus uw apotheek!" zei Haller. "Waar haalt gij al die
+medicamenten?"
+
+"Die maak ik zelf."
+
+"Och kom! Gij verstaat er immers niets van?"
+
+"O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo
+gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets
+anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water,
+dat _aqua_ heet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de
+andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd:
+een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij
+hier opschriften als: _Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua
+chimborassolaria, Aqua invocabulataria_ en zoo al meer. Gij kunt u
+niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht
+heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf
+niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament
+niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de
+voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd
+heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen
+cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten
+kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor
+de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester
+voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt
+gij mijn famulus zijn?"
+
+"Hm!" mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. "Het ding komt
+mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik."
+
+"Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn
+patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor
+worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar
+eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik
+naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen."
+
+"Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik
+ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken."
+
+"Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig
+eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is:
+mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet
+het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek
+op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij
+oprukken. Vooruit maar!"
+
+Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen
+op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben,
+zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te
+zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden
+de waardigheid van een arts was.
+
+Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar
+naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De
+overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden
+op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie
+paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar
+bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de
+landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw
+des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in
+den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.
+
+"_Thunderstorm!_" riep een hunner. "Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat
+ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley,
+de muzikant met de harmonica!"
+
+"Een kennis van u?" vroeg de tweede. "Hebt gij iets met hem aan de
+hand gehad?"
+
+"O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol
+dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat
+ik óók goede zaken gemaakt heb."
+
+"Weet hij, dat gij dat geweest zijt?"
+
+"Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode
+haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en
+ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen."
+
+Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.
+
+De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit
+oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee
+vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij
+hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar
+dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om
+binnen te komen.
+
+"Messieurs!" riep zij den binnenzittenden toe, "daar komt een
+hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap
+van die heeren u wel aangenaam zal wezen."
+
+"Hooggeleerde arts!" mompelde de kornel half binnensmonds. "De
+onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe
+ik over hem denk!"
+
+De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan
+de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley
+hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei
+dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te
+gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes
+bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel,
+waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor
+de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was,
+op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.
+
+Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de
+landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven
+aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende
+vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats,
+om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door
+een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die
+tegen de _smartness_ (= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt
+niet opgewassen waren.
+
+Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu
+en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak
+hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen
+Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt
+te ontvangen: "Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu
+hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel
+gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?"
+
+"Welk een zonderlinge vraag!" antwoordde de kwakzalver. "Ik ben arts
+en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen
+en dieren."
+
+"_Well_, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer
+goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter
+rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven,
+maar nooit gestudeerd hebben."
+
+"Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige
+beunhaas!" hernam Hartley, een hooge borst zettende. "Hoe zou ik
+mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet
+gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u
+wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen--van dieren die
+legio zijn, spreek ik niet eens--aan mij hun leven en hun gezondheid
+te danken hebben."
+
+"Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den
+hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel
+weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij
+zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en
+laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven."
+
+"_Pshaw!_ Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven
+is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel
+vertellen of er nog iets aan te doen is."
+
+Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw
+te nemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig
+gezicht, en zei: "Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier
+zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft
+bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif;
+morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng
+mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje
+met _Aqua sylvestropolia_ eens aan."
+
+Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje
+op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan
+men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu
+kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het
+begin van een wen, en kreeg _Aqua sumatralia_. De landbouwer leed
+aan rheumatiek, en moest _Aqua sensationis_ innemen. De dochter,
+een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten
+om _Aqua furonia_ te nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht,
+die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de
+gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen door _Aqua
+ministerialia_. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of
+hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd
+en antwoordde: "Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend
+als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld,
+kan kureer ik mij op de Zweedsche manier."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje
+voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij
+langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?"
+
+Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend
+knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde
+zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen
+te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste
+boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een
+vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij
+zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de
+landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf
+dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen
+vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het
+kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de
+boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: "Wij zijn in westelijke
+richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het
+is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij
+zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor
+tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat
+gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden."
+
+"In die hoop vergist gij u, sir!" antwoordde Haller. "Wat gij mij
+biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten
+bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet
+kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn
+geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen."
+
+Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat
+alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl
+hij medelijdend zijn hoofd schudde: "Ik heb het goed met u gemeend,
+maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is."
+
+"Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw
+kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen
+gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk."
+
+"_Well!_ Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus
+niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet
+dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver
+tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij
+ten minste nog bij elkander blijven."
+
+Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen,
+waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den
+klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast
+elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit,
+totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij
+keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij
+aan tafel hadden gezeten.
+
+"_Woe to me!_" zuchtte Hartley onwillekeurig. "Dat schijnt op mij
+gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom
+rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben
+meer weg van landloopers, dan van trappers."
+
+Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die
+vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de
+twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon
+tot den kwakzalver: "Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu
+zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden."
+
+"Mij vinden?" vroeg de Yankee.
+
+"Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met
+uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk
+achterna gegaan, om zijn geld terug te halen."
+
+"Onzin, sir!"
+
+"Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij
+gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn
+oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te
+volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen."
+
+"Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken."
+
+"Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen
+u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor
+vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden,
+en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en
+billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben
+dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet,
+wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen
+willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan."
+
+Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley
+aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon
+sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij
+mocht zijn zoo goedkoop van hen af te komen. Daarom haalde hij drie
+dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei:
+"Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik
+in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn
+eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een
+grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop
+gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken."
+
+"Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?" hernam de kornel
+lachende. "Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite
+zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling
+was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij
+moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij
+reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig
+sommetje bij u zult hebben."
+
+"O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet," zei Hartley ontsteld.
+
+"Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik
+vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet
+u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen
+kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen
+pijp tabak waard."
+
+Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon
+alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden,
+doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht,
+dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar
+hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij
+had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.
+
+Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken
+doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden
+zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen,
+dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit
+onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het
+gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist
+moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.
+
+De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: "Hum! Die
+fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre
+na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen
+bodem in die kist is."
+
+Hartley's gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den
+spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele
+fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den
+echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op
+elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld
+waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.
+
+"Ha, ha!" lachte de kornel: "nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik
+wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er
+moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn."
+
+Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht
+den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld
+te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig
+doodelijk getroffen hebben, indien hij niet in zulk een snelle beweging
+geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn
+schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.
+
+"Goed zoo, schobbejak!" riep de kornel. "Gij moogt weer opstaan;
+maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel
+zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus
+onder handen nemen."
+
+Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller
+aan.
+
+"Ik ben zijn famulus niet," zei deze angstig. "Ik heb hem aangetroffen
+pas kort eer wij op de boerderij aankwamen."
+
+"Zoo? Wie en wat zijt gij dan?"
+
+Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den
+kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen
+hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel:
+"Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen
+dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden
+heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken." En
+zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: "Ik heb gesproken
+van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens
+te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar
+afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij
+u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen."
+
+Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon
+dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee
+mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld
+terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte,
+was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed
+met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende
+naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was,
+en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar
+het gebergte te begeven.
+
+Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat
+zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun
+drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen
+zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar
+zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord
+en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden
+buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een
+der twee anderen tramps tegen den kornel: "Het is eigenlijk jammer,
+dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij
+verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft."
+
+"_Pshaw!_ Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn
+hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet."
+
+"Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk
+maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft
+laten lezen?"
+
+"Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan."
+
+"Wat zegt gij? Is het toch waar?" riep de kerel uit. "En dien brief
+hebt gij hem teruggegeven?"
+
+"Natuurlijk. Wat had _ik_ aan dat vod?"
+
+"Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo
+iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief
+ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen
+maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee
+gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst
+goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein
+verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der
+kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten
+houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van
+ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou
+hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid
+gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden
+dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen."
+
+"Verduiveld," riep de kornel. "Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel
+kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen
+zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn."
+
+"En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle
+moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn
+om dat verzuim te herstellen?"
+
+"O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De
+weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij
+hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen."
+
+"Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den
+brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor
+ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten."
+
+"Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder
+een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan
+zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige
+te weten te komen en deelt dat mee aan ons."
+
+"Maar waar en hoe?"
+
+"Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult
+ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail
+loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik
+zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult
+gij stellig aantreffen, dat kan niet missen."
+
+"Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft."
+
+"Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor
+te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij
+vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt,
+dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg."
+
+"Uitmuntend!" merkte de tweede tramp, die Faller heette, op. "Werk
+zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet,
+zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap
+naar Eagle-tail te brengen."
+
+Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen,
+het ten uitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den
+kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die
+twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun
+oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met
+de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het
+besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.
+
+Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd
+werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was,
+door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en
+het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een
+plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon
+laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven
+wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren,
+gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:
+
+"Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij
+dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet
+ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun
+bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn
+geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog
+achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken."
+
+"Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden," zei
+Haller. "Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?"
+
+"Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig
+wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In
+elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen
+gevonden hebben."
+
+"Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven
+liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting
+verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers
+gaan wij nu uit?"
+
+"Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De
+horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans
+boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden,
+waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen."
+
+Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het
+vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd
+bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een
+stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd
+werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en
+vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te
+kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.
+
+Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte,
+dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een
+ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het
+'t spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van
+een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer
+donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek
+naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte
+achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er
+waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging, dat de
+tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun
+leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam
+gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo;
+hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze;
+en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te
+maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede
+munt kon aannemen.
+
+Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers;
+en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard,
+dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet
+door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde
+hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten
+eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij
+beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige
+kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en
+die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht
+worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg
+de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi
+liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken--zoo
+redeneerde hij--want een kind des doods was de man anders toch.
+
+Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij
+het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de
+hooge toppen van enkele hickory's, eiken-, noteboomen en water-olmen
+uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote
+lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan
+de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei:
+"Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot
+niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil
+hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de
+richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden,
+en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen
+achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig
+middel om u al die moeite te besparen."
+
+"Zoo? waarin bestaat dat middel dan?" vroeg Haller argeloos.
+
+"Gij vervolgt in 's hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar
+de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb."
+
+"Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u."
+
+"Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u
+regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien
+hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te
+loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden."
+
+"Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik
+heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou."
+
+"Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in
+gevaar brengen."
+
+"In gevaar?"
+
+"Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het
+gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff
+van Kinsley. Wordt gij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen
+één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus
+regelrecht in den mond loopen."
+
+"Daar zal ik wel zalig op passen," zeide Haller verschrikt. "Wilt
+gij werkelijk daar naar toe?"
+
+"Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u."
+
+Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en
+met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk
+eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand,
+uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander
+af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na,
+en mompelde bij zich zelf: "Het spijt mij voor den man; maar het kan
+niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet
+ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen
+oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen,
+zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw
+dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind
+waar ik mij schuilhouden kan!"
+
+Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat
+hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook
+wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te
+maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit,
+waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te
+nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte
+hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter
+veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet
+achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit:
+doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken,
+waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk
+in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te
+werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks
+had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en
+den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken,
+dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.
+
+De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo,
+dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De
+tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden
+in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij
+keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem
+bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke
+richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting
+naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot,
+en Haller stortte op den grond neer.
+
+"Het is afgeloopen," mompelde Hartley. "Wacht maar,
+schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik
+u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu
+zullen doen."
+
+Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den
+doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende
+bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den
+vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing
+van den Yankee kwam die terug, terwijl zijn beide metgezellen niet
+met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel
+het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin
+doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo,
+dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid
+van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en
+reed toen weg--waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den
+hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.
+
+Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna
+berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was
+ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk
+als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om
+die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij
+vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo
+verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot
+hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij
+nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar,
+dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.
+
+Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede
+paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al
+spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om
+af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen,
+toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep
+hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor
+terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij
+weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een
+geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend
+op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks
+vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet
+een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het
+kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans
+dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar
+het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht
+insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het
+minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld,
+en kwam nu ook naderbij.
+
+Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid
+droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd,
+op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine
+voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar
+was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met
+een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van
+beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.
+
+In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk
+beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat
+lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm
+van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende
+kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het
+Amerikaansche ras.
+
+Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den
+Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te
+vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek,
+des te meer begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij van dien
+man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens
+nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog
+verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den
+ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op,
+om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren,
+en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den
+Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in
+een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met
+hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.
+
+Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een
+half onderdrukte uitroep zijn oor trof. "Oef!" dat was de klank,
+dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar
+dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen,
+voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en
+oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en
+er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen
+werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem,
+die vroeg: "Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt
+hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te
+laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars
+van het bleekgezicht getogen zijn?"
+
+Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blanke
+bowie-mes in de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden
+bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor
+den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: "Ik
+heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de
+derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden,
+omdat ik niet weet of hij weg is of niet."
+
+"Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten."
+
+"Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij
+wel zeker dat hij niet meer hier is?"
+
+"O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de
+eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het
+bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is."
+
+De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop
+hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet
+aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam,
+en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op
+een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen
+vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende
+oogen, en zei toen: "Van het zuiden af zijn twee mannen te voet
+hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij;
+de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters
+gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem
+een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De
+derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar
+hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen
+in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?"
+
+"Ja, zoo is het precies gebeurd," antwoordde Hartley.
+
+"Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken
+broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt
+gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest,
+die uw arm gekwetst hebben?"
+
+De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor
+den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was
+en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem
+gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen
+eensklaps met een doorborenden blik op hem: "Dus heeft uw kameraad
+voor uw leven moeten boeten met het zijne?"
+
+De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend:
+"Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat
+verkoos hij niet."
+
+"Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?"
+
+"Ja."
+
+"En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?"
+
+"Ja."
+
+"Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts
+naar de boerderij gewezen?"
+
+"Om hem van den weg af te brengen."
+
+"Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad
+getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet
+alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat,
+dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen;
+uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?"
+
+"Neen," antwoordde Hartley met een bevende stem.
+
+"Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht
+tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een
+goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar
+nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars
+omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?"
+
+Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist,
+dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den
+beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: "Ik heb het
+u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet
+zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben."
+
+"Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt
+hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de
+gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?"
+
+"Ja."
+
+"En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?"
+
+"Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun
+dat met een brief, dien hij bij zich had."
+
+"Een brief? Hebben zij dien gehouden?
+
+"Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven."
+
+"Waar heeft hij dien geborgen?"
+
+"In den borstzak van zijn jas."
+
+"Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht,
+maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen;
+en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden,
+omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben."
+
+"Dat kan ik bezwaarlijk denken," zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De
+Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch,
+en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk
+uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met
+messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig;
+en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.
+
+De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij
+op een toon van innige overtuiging: "Uw kameraad wilde naar Sheridan
+gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen
+ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat
+zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom
+hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om
+hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij
+mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor
+Haller wil uitgeven."
+
+"Maar met welk doel?"
+
+"Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen."
+
+"Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?"
+
+"Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver
+daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten
+omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat
+zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk
+daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?"
+
+"Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm
+tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever
+naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd
+hebben, nog wel terug."
+
+"Dus wilt gij met mij meerijden?
+
+"En mijn gekwetsten arm dan?"
+
+"Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder
+wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald
+heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van
+het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen
+doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat
+mij uw arm maar eens zien."
+
+De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat
+het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou
+onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was
+als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke
+nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd,
+maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant
+uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen
+sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó
+volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem,
+met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren. Toen
+verklaarde hij: "Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts
+zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet
+voordat hij hoog en droog in Sheridan is."
+
+"Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde
+moordenaar doet?" vroeg Hartley.
+
+"Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren
+en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij
+nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan
+te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de
+Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het
+is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de
+tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen
+tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken
+daar te waarschuwen."
+
+"Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor
+vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij
+dan geen argwaan krijgen?"
+
+"Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en
+heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg."
+
+"En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?"
+
+"Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt."
+
+"Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig
+in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet."
+
+"Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door
+bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen
+nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming
+bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren,
+en dus later aankomen dan wij."
+
+"En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?"
+
+"Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op
+het graf."
+
+De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men
+geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil
+had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin
+gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop
+zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij
+werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig
+in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het
+westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij,
+hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.
+
+"Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen," zei de roodhuid. "Het heeft
+een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik
+neem het andere."
+
+Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en
+toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden
+stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug
+en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.
+
+De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den
+horizon; de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd
+het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.
+
+"Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?"
+
+"Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij
+is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt,
+en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht
+al de kamers van zijn huis kent."
+
+"Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan."
+
+"Winnetou's oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht
+opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn
+broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard
+geen enkele misstap doen."
+
+Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid
+paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den
+draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en
+het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren
+moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam
+boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond,
+geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag "waar
+zijn wij nu?" Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die
+zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid,
+dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het
+geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over
+het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen
+keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden
+te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na
+middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley
+moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen
+de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij
+zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.
+
+In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de
+omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een
+dikke mist over de aarde hing.
+
+"Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier," verklaarde de
+hoofdman. "Die zullen wij spoedig bereiken."
+
+Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij
+liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van
+waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag
+zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan,
+en vloog voorbij, _ventre à terre_, pijlsnel als een bliksemflits. De
+twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere
+breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist
+zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later
+was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.
+
+"Oef!" riep Winnetou verrast. "Een bleekgezicht! Zooals die man
+reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand,
+maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het
+Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in
+Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?"
+
+"Old Firehand?" zeide de Yankee. "Dat is een hoogberoemde naam."
+
+"Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest
+in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou
+kent. Hij is hun vriend."
+
+"De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar
+toe willen?"
+
+"Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail,
+en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier
+te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen
+we wel te weten komen wie die ruiter geweest is."
+
+De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind
+uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich
+liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den
+Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare
+plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik
+der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk
+was, die rivier over te steken.
+
+Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch,
+dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door
+een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in
+het oog kregen.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+LIST EN TEGENLIST.
+
+
+Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan
+een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte
+van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen
+van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste
+opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het
+beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen
+wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig
+samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere
+plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen
+stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam
+"Charles Charoy, Ingenieur." Daarheen reden de twee; zij stegen
+af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard
+vastgebonden stond.
+
+"Oef!" zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een
+kenner bekeek. "Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig
+het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden."
+
+Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen
+mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen
+zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend
+geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk
+weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge
+neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij
+op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam
+daar een nog jeugdig uitziende blanke te voorschijn, die den Apache
+aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de
+ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar
+deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk
+Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.
+
+"Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?" vroeg hij, terwijl hij
+voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.
+
+"Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend
+Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.
+
+"_Well_, dat ben _ik_. Weest zoo goed, en komt binnen."
+
+Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden
+volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen
+liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den
+ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen
+met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee
+ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend
+staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon:
+"Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ..."
+
+"Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend," viel de ingenieur hem in
+de rede.
+
+"Is dat u reeds bekend, sir?" vroeg de Roodhuid. "Hebt gij mij dan
+al meer gezien?"
+
+"Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam
+zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden
+Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan
+ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast
+te willen zijn."
+
+De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: "Kent gij een
+bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?"
+
+"Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden," was het
+antwoord.
+
+"En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?"
+
+"Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet
+bezocht."
+
+"Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een
+aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw
+kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar
+als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee
+bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt,
+zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij
+in hun schild voeren."
+
+"Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?" zei Charoy schertsend,
+met een lachje.
+
+"Misschien ook dat wel," antwoordde Winnetou ernstig. "En niet alleen
+u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps."
+
+"Voor tramps?" vroeg de ingenieur schielijk. "O, dat verandert. Ik
+heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail
+en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze
+kas gemunt."
+
+"Van wien hebt gij dat vernomen?"
+
+"Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik
+hem aan u voorstel in persoon."
+
+Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den
+Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur
+van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als
+de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten
+in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de
+gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in
+tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen,
+zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van
+den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op
+den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede
+borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde
+aandoening: "Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was
+mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In
+hoe lang hebben wij elkander niet gezien!"
+
+"Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak," antwoordde de
+Indiaan, "toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen
+zijt in een zee van mist!"
+
+"En gij hebt mij niet aangeroepen!"
+
+"De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een
+stormwind over de vlakte waart gij voorbij."
+
+"Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest
+ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht,
+dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de
+tweehonderd tramps in aantocht."
+
+"Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders,
+die door hen vooruit zijn gezonden."
+
+"Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den
+steel zit?"
+
+"De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de
+daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal."
+
+Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te
+voren beleefd had.
+
+Daarna deelde Old Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met
+den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters,
+en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een
+beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil
+zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee
+anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk
+nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager:
+"Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn
+haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk
+toch in mijn handen zal krijgen."
+
+"Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden," zei de ingenieur
+wrevelig. "Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en
+brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze
+redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig
+op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige
+gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de
+uitbetaling doe aan mijn collega's. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij
+komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen."
+
+"Waan u maar niet al te veilig!" waarschuwde Old Firehand. "Tweehonderd
+desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen."
+
+"Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote
+duizend baanwerkers bijeen hebben."
+
+"Die goed gewapend zijn?"
+
+"Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen
+messen en spaden óók nog dienst doen."
+
+"Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een
+bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording
+zou nemen."
+
+"Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal
+soldaten, om ons te helpen."
+
+"Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan
+geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom
+zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?"
+
+"Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij
+aanraadt. Gij zijt een heel ander man, dan _ik_ ben; en als gij wilt
+ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn
+ondergeschikten aan u af te staan."
+
+"Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats
+moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd
+zijt. Zij moeten dus niet weten dat _wij_ ons hier bevinden. Ook onze
+paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens
+te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?"
+
+"Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!"
+
+"Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?"
+
+"Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier
+aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen
+de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en
+stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid
+brengen en goed verzorgen."
+
+"Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van
+dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem
+noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is,
+geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een
+dokter hier?"
+
+"O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen."
+
+Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos
+rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd
+terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd
+waren, zeide Old Firehand: "Ik heb alle beraadslaging in bijzijn
+van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er
+is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien
+armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten
+einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te
+maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons
+op elkaar kunnen verlaten."
+
+"Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?" vroeg de ingenieur met
+merkbare belangstelling.
+
+"Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de
+tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken
+te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen
+uitgezonden spionnen met u gesproken hebben."
+
+"Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben."
+
+Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een
+ander gevoelen was, en zei: "Ieder krijgsman kan op tweeërlei
+manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of
+verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich
+verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller,
+zekerder en ook dapperder."
+
+"Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel
+niet weten?" vroeg Old Firehand.
+
+"Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman
+der Apachen zich laten dwingen om naar _hun_ plan te werk te gaan,
+indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne
+te regelen?"
+
+"O, gij hebt dus reeds een plan?"
+
+"Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot
+uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan
+hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd
+voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet
+doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als
+ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?"
+
+"Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?"
+
+"Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen
+om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen,
+is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in
+den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee
+in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen,
+in het minst of geringst gemoeid hebben."
+
+"O, nu begin ik het te begrijpen!" sprak Old Firehand. "Welk een
+plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw
+bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?"
+
+"Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet
+hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan,
+en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken."
+
+"Hen in een trein lokken?" vroeg de ingenieur. "Waar zou dat toe
+dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op
+den beganen grond.
+
+"Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten,"
+hernam Old Firehand. "Stormen zij daarentegen den trein in, zooals
+ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zich
+_moeten_ overgeven, zonder ons te kunnen schaden."
+
+"Maar zij zullen den trein niet ingaan!"
+
+"Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas."
+
+"Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?"
+
+Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur
+niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging
+met de hand; doch Old Firehand antwoordde: "Wie denkt er aan, dat
+van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er
+geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als
+klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen
+schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin
+een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander
+verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens,
+dan gaat het _full speed_ (= met vollen stoom) voort met hen."
+
+"Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk
+als gij denkt."
+
+"Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen
+trein te uwer beschikking?"
+
+"O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid
+zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins
+aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij
+kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker
+zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet
+aan te twijfelen."
+
+"_Pshaw!_ Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker
+speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan
+daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De
+bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij
+niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag
+aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar
+toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen
+slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels
+zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken,
+want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt
+gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet
+zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen
+verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand
+ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen
+kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken."
+
+De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: "Gij
+spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar
+mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken
+wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En
+hoe krijgen wij hen er in?"
+
+"Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat
+gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid."
+
+"Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens
+te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den
+trein te doen ontsporen?"
+
+"Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt,
+dat er aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve
+altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan
+zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het
+maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een
+schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door
+vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur
+uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik
+gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij
+geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt
+een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord
+kunnen hooren, dat er gesproken wordt."
+
+"Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand
+te spreken?"
+
+"Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm
+uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de
+tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk
+mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte
+eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen
+blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendsel _niet_ aan het
+werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te
+kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren
+wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer
+de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij
+rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen,
+en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp
+zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk
+houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar
+aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien,
+dat alles naar wensch gaat!"
+
+"Howgh!" bevestigde de Indiaan. "Mijn blanke broeders kunnen nu een
+geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als
+zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal."
+
+"Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?"
+
+"Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie."
+
+"Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan
+gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die
+bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens
+beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante
+Droll is óók bij hen."
+
+"Oef!" riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een
+vroolijke plooi kwam. "Die Tante is een ferm, dapper en verstandig
+bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken."
+
+"Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen
+vinden: Zwarten Tom, Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen,
+wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in
+mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen."
+
+Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje
+aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om
+er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen,
+waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad
+gehouden kon worden; want die lieden mochten nog niet weten,
+dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de
+inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de
+voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de
+stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over
+den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam
+weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.
+
+De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht
+doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet
+ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen
+werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte
+plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte
+hij tevreden, en zei: "Dat is goed! De honden zullen sidderen van
+angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in
+onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen
+en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden."
+
+Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het
+huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.
+
+De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen
+betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of
+men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens
+de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel
+aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.
+
+Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar
+die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere
+mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee
+bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het
+kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen
+van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den
+ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles
+ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.
+
+De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen
+binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de
+een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van
+zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk:
+"Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe
+maakt hij het?"
+
+Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en
+antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen,
+die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte
+nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming
+was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn
+duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en
+zei toen: "Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan,
+dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie,
+dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom
+zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk;
+maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook
+vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt
+gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?"
+
+"Sir!" antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die
+blij is, "probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden
+over mij zult wezen."
+
+"_Well_, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu
+nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in
+weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te
+beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer
+volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur
+terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier
+bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te
+schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld,
+dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok
+tien slaat 's avonds, wordt mijn deur gesloten."
+
+"Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het
+tot nu toe gewend geweest," verzekerde de man, die zichtbaar verheugd
+was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij:
+"Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou
+u ook voor hem misschien eenig werk hebben?"
+
+"Wat soort van werk?"
+
+"Om het even wat, sir!" antwoordde de andere bescheiden. "Ik zal al
+blij zijn, als ik maar _iets_ te doen krijg."
+
+"Hoe is uw naam?"
+
+"Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem
+aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt."
+
+"Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op
+elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op
+elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?
+
+"Ik ben lang _cow-boy_ (= koeien-hoeder) geweest op een boerderij
+hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven,
+dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij
+kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen
+boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn
+hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop
+toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken
+om te werken, als u mij eenig werk geven wilt."
+
+"Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf
+dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens
+aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!"
+
+De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande
+raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond,
+hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen
+den andere zei: "_All right_ (= alles in orde)! Als het einde zoo
+mooi is als het begin...."
+
+Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen,
+en zei: "Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij
+niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal
+hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand
+in een doek.'
+
+"Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom
+hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?"
+
+"Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als
+dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien,
+en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden."
+
+"Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal
+toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met
+anderen te houden."
+
+Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het
+tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek
+tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden
+uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde,
+maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den
+slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger
+bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen,
+dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.
+
+Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een
+vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland,
+ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij
+wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van
+den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te
+voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was
+zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.
+
+Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde
+hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen
+voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van
+een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken
+en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de
+voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord
+worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid
+in acht te nemen.
+
+Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de
+nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de
+nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante
+van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.
+
+"Ezelskop!" bromde fluisterend een gemelijke stem; "maak dat licht
+toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan."
+
+"Een ezelskop, die het mij zegt!" antwoordde de klerk. "Waarom komt
+gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug."
+
+"Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?"
+
+"Ja, en wat goeds ook!"
+
+"Zoo?"
+
+"Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden
+kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze
+u zien zullen."
+
+Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van
+het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien
+nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar
+dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman
+is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals
+gemeenlijk wanneer men wacht, ging zeer langzaam om; maar hij _ging
+toch om_. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal
+nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in
+stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer
+openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn
+kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak
+van voetstappen op den grond.
+
+"Faller!" fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.
+
+"Ja," was het gefluisterde antwoord.
+
+"Waar staat gij? Ik zie u niet."
+
+"Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam."
+
+"Is alles donker in huis?"
+
+"Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch
+meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?"
+
+"Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te
+steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist
+gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een
+dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op
+dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars;
+en dat loont de moeite niet."
+
+"En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij
+dat dan gedroomd?"
+
+"Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij
+niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal
+honderd duizend dollars er in!"
+
+"Gekheid!"
+
+"Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van
+overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar
+dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn."
+
+"Weet ge dat zeker?"
+
+"Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle
+ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog
+beter te vertrouwen dan zich zelf."
+
+"Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?'
+
+"Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt."
+
+"Is het tòch waar?"
+
+"En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan."
+
+"Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?"
+
+"Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te
+Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen
+ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan
+nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven."
+
+"En die daartoe aangewezen ambtenaar, zult _gij_ dat zijn?"
+
+"Ja. En _gij_ moet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met
+mij mee."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij
+moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen,
+kreeg ik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat
+hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ik _u_
+gekozen heb."
+
+"Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet
+een beetje vreemd?"
+
+"Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd
+persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt
+het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten
+invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat
+spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want
+er is een maar bij."
+
+"He! Een maar?"
+
+"Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar
+verbonden zijn."
+
+"O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig
+genoeg gelegd?"
+
+"Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het
+slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke
+zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar
+het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een
+nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar
+niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij
+de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker
+bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo
+aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen
+dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die
+twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg
+stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom
+moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun
+beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter
+zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij,
+gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen
+overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in
+hun schild voeren."
+
+"Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te
+waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden,
+en dan gaan wij met de dollars schuiven!"
+
+"Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de
+stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het
+hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet
+brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen
+dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk
+lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een
+andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen,
+en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht
+kunnen zijn ... en dat is hier!"
+
+"En denkt gij, dat dàt gelukken zou?"
+
+"O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der
+onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak,
+dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten."
+
+"Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal
+onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend."
+
+"Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen
+minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te
+hebben. Geef dus uw paard goed de sporen--al rijdt gij het dood,
+dat hindert niet!"
+
+"En wat moet ik zeggen?"
+
+"Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden
+precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief
+en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor
+onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel
+moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en
+oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen
+de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te
+doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om
+aan tegenweer te denken."
+
+"Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons
+allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik
+hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen."
+
+"Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat
+onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid,
+en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het
+waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had
+ik dan ook al de dollars alleen."
+
+"Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke
+gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk
+maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald
+zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten
+te spelen?"
+
+"Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat
+achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen
+brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt
+niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet
+of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet
+mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden."
+
+"Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met
+een brief stuur...."
+
+"Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?" viel de klerk hem in de
+rede. "Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik
+weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het
+huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven,
+en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg."
+
+"Goed!"
+
+"Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen,
+waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te
+loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben;
+er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij
+gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten
+minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een
+regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij
+legt er een steen boven op--daar zal niemand erg in hebben."
+
+"Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet
+te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen."
+
+"Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen,
+of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten
+moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten
+zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan
+komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar
+eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik,
+dat ik het daar vinden kan. Begrepen?'
+
+"Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?'
+
+"Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het
+plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want
+anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is
+geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!"
+
+De ander zei ook "goedennacht", en spoedde zich weg. Het raam werd
+zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en
+schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te
+klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem:
+"Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur."
+
+"Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!"
+
+Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk
+geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem
+alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak
+uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander
+gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.
+
+Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor
+hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer
+moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer;
+maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het
+moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken,
+en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was,
+en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt
+was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch
+dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan
+het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen,
+dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist
+afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte
+zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer
+dat over zijn schouder hing.
+
+"He, Humply-Bill!" zei hij op een toon van bevreemding. En ter
+opheldering liet hij er op volgen: "Er is stellig onverwachts iets
+bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop,
+dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo
+te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan
+u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij."
+
+De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill
+het huis binnen.
+
+"Neem mij niet kwalijk sir!" zei hij. "Ik lees daar op dat bord,
+dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?"
+
+"O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen."
+
+Hij bracht hem in Old Firehand's kamer, die den kleine ontving met de
+vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. "Wees
+gerust, sir! het is geen doodwond," antwoordde Bill. "Misschien is
+het integendeel iets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij
+dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik
+ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op
+een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid
+naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan
+hebben opgemerkt."
+
+"Goed!" knikte Old Firehand. "En wat is er gebeurd?"
+
+"Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u
+bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote
+blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden
+man in hun midden te zien...."
+
+"Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig
+niet heel goed verscholen?"
+
+"Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij
+juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen
+zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats
+van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden,
+begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets
+af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet
+terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde,
+maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets
+wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken
+ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de
+nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon
+wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet:
+er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van
+hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten
+en dol maakte van blijdschap."
+
+"Aha, Faller!"
+
+"Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen
+dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden."
+
+"Dat is richtig."
+
+"Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik,
+waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter
+meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat
+hij naar hen toe is, om het hun te vertellen."
+
+"Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een
+deel van ons plan."
+
+"Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop
+besloten is?"
+
+"Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te
+weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn."
+
+"Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten,
+want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van
+uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond
+wel te hooren was. Faller heeft een slecht paard, en zal dus stellig
+pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat
+Winnetou mij naar u toe gezonden heeft."
+
+"Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij
+weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij
+onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel
+meedeelen."
+
+Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop
+men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill
+luisterde aandachtig, en zei toen: "Uitstekend sir! Ik denk dat alles
+precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben
+het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één
+kleinigheid na."
+
+"En dat is?"
+
+"De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te
+Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein
+altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel,
+dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein
+te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de
+schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun
+bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten
+afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen
+op de openliggende lijn te stoppen."
+
+"Weet gij ook waar?"
+
+"Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den
+weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen
+de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten
+worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?"
+
+"Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke
+gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot
+een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee
+spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer
+in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden
+post moeten vatten?
+
+"Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug."
+
+"Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan
+volgt de rest vanzelf."
+
+Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin
+maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar
+Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de
+bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere
+plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken,
+en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.
+
+Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan,
+inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En
+een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den
+ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog,
+en deze hield zich even bij de regenton op.
+
+"Ontvang hem op uw kantoor," zeide Old Firehand, "en houd hem daar aan
+den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen,
+dat hij terugbrengt."
+
+De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen
+gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij
+zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die
+tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte;
+hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De
+inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij
+vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam
+toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den
+ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn
+linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand
+op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg:
+"Weet gij wie ik ben, master Faller?"
+
+"Neen," was het antwoord.
+
+"Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen
+gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?"
+
+Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver
+uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde
+om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: "Wees zoo goed,
+sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is;
+maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug."
+
+De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een
+stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig
+touw, aan de leuning van den stoel vast.
+
+"Sir?" sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit;
+"wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!"
+
+"Zwijg!" gebood de jager, meteen de revolver grijpende. "Als ik uw
+geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u
+een kogel door den kop!"
+
+De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer
+bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem,
+om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan,
+maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield
+zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou
+kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag
+het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar
+van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl
+van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende
+schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.
+
+"Master Haller! wilt gij even binnenkomen?" vroeg hij hem.
+
+De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het
+gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare
+verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn
+kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde
+zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem
+verried van zijn inwendige ontroering. "Wat is dat voor een papier,
+dat gij daar in uw zak gestoken hebt?" vroeg Old Firehand.
+
+"Een oud winkelzakje," antwoordde de tramp.
+
+"Zoo? Laat het mij eens even zien!"
+
+De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: "Hoe komt het in u
+op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet
+ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas
+over mijn eigen zak, geloof ik."
+
+"Gij kent hem wel degelijk," viel de ingenieur in de rede. "Het is
+Old Firehand!"
+
+"Old Fire...." riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste
+lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn
+wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.
+
+"Ja, ik ben het!" bevestigde deze. "Hier hebt gij mij stellig niet
+verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig
+meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!"
+
+Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten,
+eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver,
+die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.
+
+"Sir!" vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; "met welk recht
+behandelt gij mij zoo?"
+
+"In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een
+eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier
+als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn
+bevoegdheid aan mij opgedragen."
+
+"In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets
+onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een
+dief behandelt?"
+
+"Als een dief? _Pshaw!_ Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het
+betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een
+moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein,
+waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer
+zou worden."
+
+"Sir! versta ik u wel goed?" riep de kerel met een goed gehuichelde
+verbazing. "Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?"
+
+"Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd
+moet worden."
+
+"Door wien dan?"
+
+"Door u!"
+
+"Door mij?" En de tramp schoot in den lach. "Neem mij niet kwalijk,
+Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel
+alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers,
+een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn."
+
+"Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en
+ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij
+behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen
+hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van
+Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein
+wilden halen."
+
+Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de
+nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van
+iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: "Van al die
+dingen weet ik niemendal."
+
+"En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af
+te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten."
+
+"Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!"
+
+"Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat
+hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander
+gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord
+voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de
+roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik
+weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps
+hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in
+den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de
+spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet,
+om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen,
+om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen."
+
+"Sir!" stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst
+te verbergen, "als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan
+zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden,
+waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben
+een eerlijk mensch, en....."
+
+"Zwijg!" gebood Old Firehand. "Een eerlijk mensch moordt niet!"
+
+"Wilt gij daarmee zeggen, dat _ik_ gemoord heb?"
+
+"Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende
+dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel
+vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief
+noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor
+den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk
+te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?"
+
+"Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen," stotterde
+de tramp.
+
+"Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij
+geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den
+pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de
+armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden."
+
+Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te
+ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem
+terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig
+vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller
+van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht,
+waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die
+hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep:
+"Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den
+armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?"
+
+"Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in
+handen krijgen!" antwoordde Old Firehand. "De kerels ontkennen alles!"
+
+"Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden
+op doen. Ik hoop, dat _mijn_ woord geloofwaardiger is dan het hunne?"
+
+"Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebben
+bewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden
+hebben!"
+
+"Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?"
+
+"Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar
+afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen."
+
+Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter
+inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals
+Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds
+aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer;
+zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.
+
+Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten,
+die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag,
+en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige
+kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten
+gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder
+of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht
+konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet
+onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een
+geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten,
+als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.
+
+Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen
+gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet
+meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en
+daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds
+door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het
+station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar
+moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt,
+waar die zou worden overgenomen.
+
+Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace,
+dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden,
+om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+AAN DEN EAGLE-TAIL. [2]
+
+
+De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij
+wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het
+zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou
+uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van
+het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen
+echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de
+ingenieur aan zijn _Overseeer of the workmen_ (= opzichter over het
+werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel
+opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op
+het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij
+van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen
+argwaan konden krijgen.
+
+De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen
+leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd,
+was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch
+had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor
+hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een
+Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet
+gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den
+Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven,
+doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij
+hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij
+van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook
+hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht
+der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk,
+zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen.
+
+Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij
+hoorde wat er gebeuren zou.
+
+"De hemel zij gedankt, dat er eindelijk eens een kleine afwisseling zal
+komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!" zei hij. "Mijn oude
+geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar
+verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk,
+dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed
+verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend
+voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik
+heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was;
+maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft
+mij bijna mijn leven gekost."
+
+"Waar en wanneer is dat geweest?" vroeg Old Firehand.
+
+"Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik
+was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan
+het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den
+Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en
+gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had
+kunnen inbrengen."
+
+Old Firehand luisterde met alle aandacht.
+
+"Heette die man Engel?" vroeg hij. "Een onderneming, die u millioenen
+had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?"
+
+"O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste
+geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid,
+doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt
+mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof,
+namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water
+van het Zilvermeer verzonken ligt."
+
+De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde
+de opzichter; "Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin
+is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen,
+en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het
+vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij
+althans niet lachen om hetgeen ik vertel."
+
+"Dat kan niet in mij opkomen," antwoordde de jager op een ernstigen
+toon. "Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb
+ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord,
+dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt."
+
+"Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand
+gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen
+sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven
+doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld
+heeft, kan niet gelogen hebben."
+
+"Wie was dat dan?"
+
+"Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-,
+stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij
+uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd
+zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons
+eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat
+die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet."
+
+"Maar ik weet het wel," zei Old Firehand. "De eerste naam behoort tot
+de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis
+van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder,
+Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij
+met dien Indiaan in kennis gekomen zijt."
+
+"Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij
+in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik
+door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en
+hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den
+honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen,
+rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot
+aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook
+opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde
+oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd
+de Groote Beer en de Jonge Beer, die...."
+
+"O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?" viel Old Firehand hem in
+de rede.
+
+"Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?"
+
+"Ja. Maar vertel verder, vertel verder!"
+
+"De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar
+het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was
+het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa's sneeuw heen
+te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk
+in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet
+beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou
+moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander
+daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks
+reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een
+beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen
+winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden
+wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had
+den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen
+gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen,
+om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede
+van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer
+oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees,
+waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan
+te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden
+wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk
+leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee
+Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn
+dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor
+zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen
+hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel
+had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid."
+
+"Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?" vroeg
+Old Firehand.
+
+"Neen."
+
+"Dat is zeer verkeerd van u geweest."
+
+"Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw
+gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen
+dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een
+troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij
+zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden
+Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat
+wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood
+begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze
+kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze
+wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst
+deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden,
+tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan
+voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen
+wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen
+hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar
+naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten."
+
+"Was dat de roodharige Brinkley?"
+
+"Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen,
+dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles;
+alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die
+Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde
+ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij,
+maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood
+haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die
+lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen,
+wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft
+onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig
+had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel
+en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den
+schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons
+gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om
+vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan,
+want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen
+wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij
+alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen,
+om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes,
+en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was
+tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!"
+
+"Schandelijk!" riep Old Firehand. "Zijn plan was, om vervolgens ook
+Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim
+te komen."
+
+"Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich
+toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam,
+lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan,
+die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen."
+
+"Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal
+te zijn!"
+
+"In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds
+verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn
+zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij
+alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij
+ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren
+was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant
+te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had,
+achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was,
+dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van
+verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó
+snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp
+te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was;
+en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een
+oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor
+dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte,
+en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals
+ik later gehoord heb."
+
+"Ja, hij is het ontkomen," knikte Old Firehand.
+
+"Hoe?" vroeg de opzichter. "Weet gij dat, sir?"
+
+"Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder."
+
+"Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om
+zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een
+legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken
+voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was,
+en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting,
+waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke
+hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid
+verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar
+het oosten te komen."
+
+"Waar wilde u dan naar toe?"
+
+"Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen
+was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had,
+dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige
+toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik
+daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken
+was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn
+buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die
+naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen,
+en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe
+woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman
+was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb
+den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had
+Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe
+en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu
+weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met
+dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor
+mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof,
+dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal."
+
+"Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben," merkte Old Firehand
+aan. "Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks
+gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe
+kunt gij dat weten?"
+
+"Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep
+ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben
+en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten
+had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige
+oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de
+borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker."
+
+"_Well!_ Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den
+roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt
+een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen,
+dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken."
+
+"Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet
+gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten."
+
+"Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra
+het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden;
+zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen
+slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór
+middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de
+plaats der ontknooping zal brengen."
+
+"_Well_, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te
+vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden."
+
+Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den
+ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw
+en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps,
+en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van
+de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond
+toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die
+taak het geschiktst achtte.
+
+Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den
+ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten
+betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat
+betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis
+niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een
+bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest
+verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de
+kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het
+verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de
+stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen.
+
+Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning
+uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht
+verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op
+de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde
+natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten,
+dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail.
+
+Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die
+zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij
+overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden
+goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal
+hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen
+waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar
+de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en
+toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op
+slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het
+terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast
+het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige
+boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht
+terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de
+spionnen daar gezocht worden.
+
+Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van
+die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra
+hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder
+de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat
+zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige,
+onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had
+hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun
+nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum,
+dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den
+grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken,
+maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze
+was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een
+goede poos, eer een der twee zei: "Hebt gij bijgeval iets gehoord
+van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?"
+
+"Neen, niets met zekerheid," was het antwoord.
+
+"Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand,
+of althans slechts zeer weinigen."
+
+"De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om
+zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen,
+zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem
+geweest zijn."
+
+"Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu,
+die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u
+niets gezegd?"
+
+"Onbestemde aanduidingen, anders niet."
+
+"Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden."
+
+"Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de
+kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk
+een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar
+veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk
+dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende
+eensklaps verdwijnen zal."
+
+"Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?"
+
+"Hoe zoo om den tuin geleid?"
+
+"Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil,
+morgen verdwijnt?"
+
+"Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn."
+
+"Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal."
+
+"Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo
+onnoozel was."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen
+zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim
+zullen kunnen fluiten."
+
+"Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed
+openhouden, en desnoods alarm maken."
+
+"Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier
+heeft gezonden."
+
+"Wat beduidt dat?"
+
+"Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie
+men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil
+te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen
+gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der
+onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren,
+maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt."
+
+"Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins
+gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren
+zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet,
+wat gij door Woodward van zijn plannen weet?"
+
+"Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik
+er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar
+hoogerop, het gebergte in."
+
+"He! Het gebergte in?"
+
+"Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan
+u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude
+tijden een zeker volk gewoond--de naam is er mij van ontschoten. Dat
+volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat
+het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken."
+
+"Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders
+verhuist."
+
+"Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk
+uitgeroeid hebben."
+
+"Waar bestaan die schatten in? In geld?"
+
+"Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of
+vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke
+banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde
+meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk
+geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen
+goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En
+al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn
+naam draagt."
+
+"Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den
+bodem te vinden?"
+
+"Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee
+aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de
+plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid."
+
+"Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?"
+
+"Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik,
+voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf,
+dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat
+uitbazuinen."
+
+"Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn,
+vrees ik."
+
+"Hoe zoo dat?"
+
+"Wel, door de Indianen."
+
+"Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de
+achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig
+is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd."
+
+"Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit
+heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten,
+die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij,
+hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik
+voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?"
+
+"O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles
+daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij,
+gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze
+oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige
+voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken."
+
+"_Well!_ Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak
+te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik
+te maken."
+
+"Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van
+hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil,
+en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar
+zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist
+de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen
+den trein; de kornel stapt er in, en neemt...."
+
+"Wacht even!" viel de andere hem in de rede. "Wie stapt den trein
+in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen,
+en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer
+stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee,
+en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en
+hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan."
+
+"Wat verbeeldt gij u dan?" hernam de andere gemelijk. "Ik heb u immers
+gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij,
+gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in
+den trein."
+
+"Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het
+afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt
+den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat
+dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen."
+
+"Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf
+te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet
+probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor
+ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te
+behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als
+ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen
+naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten
+wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder
+den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?"
+
+"Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den
+geldtrein uitgezonden zal worden."
+
+"Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt
+immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer;
+ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben."
+
+De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht
+worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven
+staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met
+wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd
+werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee
+kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den
+argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter
+te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis
+van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had.
+
+"_Well!_" zei deze, "dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar
+de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen."
+
+"Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen,
+en even voorbij de bocht, die de weg maakt--dat is ongeveer een
+kwartier gaans--moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten
+tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de
+stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt,
+zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat
+de trein daar stilhoudt."
+
+"En hoeveel man houd ik hier?"
+
+"Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen
+te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan
+vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren
+wat zij zeggen."
+
+Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met
+elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien,
+en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te
+ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in
+het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van
+bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en
+hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende
+ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk
+zou hebben kunnen onderscheiden.
+
+Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis
+van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn
+riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden:
+"De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig."
+
+Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk
+van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na
+te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion
+kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist,
+en deze antwoordde even luid: "_Well_, sir! Blij dat ik eindelijk weg
+kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt
+u in Wallace nog iets te doen?"
+
+"Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te
+spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu:
+_Good road_ (= goede reis)!"
+
+"_Good night_, sir!"
+
+Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette
+zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was,
+zei de eene spion tegen den anderen:
+
+"Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?"
+
+"Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men
+daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens,
+alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het
+bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen."
+
+"Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven
+tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen."
+
+"Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te
+koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open
+zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen."
+
+"Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en
+misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen."
+
+Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen
+stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen
+knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over
+de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden
+begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van
+een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren
+nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende,
+want vijandelijkheden had men hier niet te wachten.
+
+De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen,
+weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven
+zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven
+zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den
+Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen
+bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van
+daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op
+zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar
+konden worden van hetgeen daarop voorviel.
+
+Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder
+geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die
+daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er
+een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de
+overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks
+zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein,
+die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige
+wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog
+hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of
+uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein,
+dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan,
+en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: "Wat komt
+gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?"
+
+"Ja," antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte,
+die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van
+het hoofd tot de voeten: "Maar wie zijt gij?"
+
+"Ik?" lachte het dikke ventje. "Ik ben Tante Droll."
+
+"Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders
+te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!"
+
+"Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor
+uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later
+wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?"
+
+"Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen
+beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later
+afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden
+van dien beroemden master?"
+
+"Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes:
+de eenige tante, die er bij is, ben ik."
+
+"O neen, _miss_ of _mistress_! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar
+waar zijn de tramps nu?"
+
+"Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken."
+
+"Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?"
+
+"Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de
+locomotief staan, om u de noodige wenken te geven."
+
+"Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant
+van dit legerkorps?"
+
+"Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier
+ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen,
+en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel
+te staan komen."
+
+Toen Droll "Ziezoo, hier ben ik" zei, was hij meteen in een oogwenk
+op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte
+uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het
+dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat
+het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige
+tante te gehoorzamen.
+
+"Nu, hoe zit het er mee?" vroeg Droll gebiedend.
+
+"Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?"
+
+"Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik
+heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven
+plakken."
+
+Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den
+machinist.
+
+"Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn,"
+riep deze uit. "Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor
+een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen
+wie gij zijt?"
+
+"Praat toch geen verderen onzin," antwoordde de dikzak, nu op een zeer
+ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. "Wij
+bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over
+en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst
+mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren."
+
+"Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden."
+
+De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee
+achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden
+weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop
+reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen
+wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die
+stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de
+wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt,
+den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht
+kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel
+de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan
+het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd
+konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs
+verder, stopte toen, en reed vervolgens terug.
+
+Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de
+zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was
+door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden
+in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien
+kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de
+anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts
+en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven
+uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange,
+stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan,
+bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den
+tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden
+te begroeten.
+
+"Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?" vroeg Droll aan den
+machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het
+vuur aantrad.
+
+"Yes, sir!" knikte deze. "Gij zijt een eerlijk man!"
+
+"En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig
+u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij
+zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden _à la prairie_. Wij
+hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen
+spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te
+kunnen aanzitten."
+
+Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen
+aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij
+het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend
+werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de
+buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in
+weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was.
+
+Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den
+opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog
+gezegd: "Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als
+gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw
+vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher,
+dien gij onder de rafters zult vinden."
+
+"Kent die hem? Weet die iets van hem?"
+
+"Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan
+hem geadresseerd hebben."
+
+Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook
+aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of
+die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had
+hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het
+echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht
+naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur
+plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij
+wendde zich tot den laatstgenoemde: "Sir! houd mij een vraag ten goede:
+Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt."
+
+"O ja," antwoordde Bill. "Zelfs verscheidenen."
+
+"Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?"
+
+"Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En
+dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons
+zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine
+Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee
+te rekenen."
+
+"Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet."
+
+"Zoo! Wien zoekt gij dan?"
+
+"Een zekeren Mr. Pampel."
+
+"Pam--pam--pam--pampel?" riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een
+schaterend gelach. "_Heavens!_ Wat een naam is dat? Wie kan zulk
+een naam over zijn lippen krijgen. Pam--pam--pam--hoe was het ook al
+weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan."
+
+"Mr. Pampel," herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels
+met Humply-Bill mee te lachen.
+
+Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte
+overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche
+verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O,
+ja wel! Droll's gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot
+stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken
+daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en
+onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende
+lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de
+stem van Bill zich weer hooren: "Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd
+ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet."
+
+"En Old Firehand heeft het mij laten zeggen," antwoordde Watson.
+
+"Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed
+onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel
+door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te
+maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?"
+
+Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: "Een kogel? Dat zou
+niet in mij op kunnen komen."
+
+"Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll
+heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de
+menschen zoudt gaan."
+
+"Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?"
+
+Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde
+eens aankeek, en toen vroeg: "Dus gij, gij lacht niet om dien naam?"
+
+"Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden
+bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen."
+
+"Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?"
+
+"Zeer zeker."
+
+"Verduiveld! Wie is het dan?"
+
+"Ik ben het zelf."
+
+Nu sprong Bill overeind, en riep: "Gij, gij zelf zijt die
+Pam--pam--pam!"
+
+Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig
+zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig
+werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig
+bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van
+het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en
+de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn
+laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om
+zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: "Messieurs! nu
+moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt;
+en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst,
+en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den
+donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!"
+
+Er volgde een diepe stilte.
+
+"Maar, Droll!" zei Humply-Bill vriendelijk, "wie kon denken, dat
+_gij_ zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar
+wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat
+ik gezegd heb--dat verzoek ik u dringend--ik heb er spijt van. Kom,
+kom maar weer bij mij zitten."
+
+"_Well_, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want
+ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij
+weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid
+zult laten."
+
+"Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu
+toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger
+leven niet graag spreekt."
+
+"Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den
+tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad
+om er over te spreken."
+
+"Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat
+wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen
+vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere
+op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed
+als niets."
+
+"Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou
+hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend."
+
+"Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen
+wij dat weten?"
+
+"O ja, waarom niet!" antwoordde Droll met een glimlachje. "Die was
+meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben
+tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog
+tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend
+te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver,
+doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier
+en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles."
+
+Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei
+scherts was of ernst.
+
+"Gij kunt mij gerust gelooven!" verzekerde hij. "Dat alles is
+hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn
+geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel
+was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn
+medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve
+vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het
+zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen....."
+
+"Een oogenblik!" viel de opzichter hem in de rede. "Gij voldoet aan
+den wensch van de anderen, sir! maar _ik_ ben degene, die naar u
+gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven...."
+
+"Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet."
+
+".....omdat ik van u te weten zou kunnen komen," vervolgde Watson,
+"wat er geworden is van uw landsman Engel."
+
+"Engel? Welken Engel bedoelt gij?"
+
+"Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is,
+aan het Zilvermeer."
+
+"O, die? Meent gij dien?" vroeg Droll met zichtbare bevreemding. "Hebt
+gij hem gekend?"
+
+"Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?"
+
+"Neen, hij is dood."
+
+"Weet gij dat stellig?"
+
+"Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?"
+
+"Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen
+winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de
+sneeuw....."
+
+"Is uw naam dan Watson?" viel Droll hem in de rede.
+
+"Ja, sir! zoo heet ik."
+
+"Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het
+is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn
+leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn
+eigen zak ken."
+
+"Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?"
+
+"De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred
+Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met
+mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken."
+
+"Is zijn vader dan vermoord?" vroeg Watson, terwijl hij den jongeling
+zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte.
+
+"Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die...."
+
+"Alweer een teekening!" viel de opzichter hem in de rede. "Kent gij
+den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!"
+
+"Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het."
+
+"Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn
+hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies
+gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan,
+die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie
+ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder,
+is de beroemdste man onder de Indianen en heet....."
+
+Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte
+zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een
+bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden
+Winnetou af, die op verkenning was geweest.
+
+"Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der
+Apachen!" riep de opzichter uit: "Hij is daar, hij is hier! Wat een
+geluk! Winnetou! Winnetou!"
+
+Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die
+aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl
+diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk
+glimlachje, antwoordde hij: "Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij
+de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen,
+dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De
+goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft
+laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen,
+om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het
+u verder gegaan is tot op den dag van heden."
+
+Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps
+te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden
+en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig
+goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak--de
+aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden--afleidde, en die
+vestigde op één persoon--den opzichter--dan moest hij daarmee zijn
+goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest,
+volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men
+gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps.
+
+Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien
+Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond
+kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist
+zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij
+alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: "En gij,
+master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad
+geworden is?"
+
+"Ja, dat weet ik u te zeggen," antwoordde de dikke. "Er is een lijk
+van hem geworden."
+
+"Dus heeft de kornel hem vermoord?"
+
+"Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme
+drommel gestorven."
+
+"Vertel, vertel, sir!"
+
+"Dat is gauw verteld, daar heb ik niet veel woorden toe noodig. Toen
+de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken,
+dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig
+van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee
+gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu
+begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u
+een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig
+rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk
+genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn
+schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in
+zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van
+een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed
+hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn
+aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte
+heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich
+te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en
+bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij
+doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te
+lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich
+had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat
+de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden,
+om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald
+dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven;
+en dan was de Roodbaard stellig op Engel's spoor gekomen, en zou hem
+vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen,
+had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat
+deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo
+gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert,
+en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en
+vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een
+oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de
+ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van
+zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor
+van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen,
+en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen
+zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts
+op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte
+strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af,
+en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop
+van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te
+zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks,
+en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog
+wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu
+dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver
+uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van
+de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een
+uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen
+winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem
+hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij
+hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde
+hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water
+vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op
+aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij
+voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde,
+snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever
+over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van
+een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan,
+en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd,
+welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog
+ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in
+het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan,
+want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van
+opgewondenheid beefde als een riet!"
+
+"En van overspanning en angst!" voegde Watson er bij. "Neem mij niet
+kwalijk. Vertel verder asjeblieft."
+
+"De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet
+zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer
+naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar
+hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden,
+ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug
+zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte
+en in het kreupelhout verdween."
+
+"Hij is bepaald teruggekeerd," zei Humply-Bill. "Toen hij aan
+de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de
+vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was."
+
+"Juist," knikte Droll. "Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier
+een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze
+zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij
+de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze
+bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij
+niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker
+was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door,
+regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen."
+
+"Was hij niet gekwetst?"
+
+"Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder
+den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het
+water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder
+acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij
+stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens
+verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd
+ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden
+honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende
+maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den
+avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was
+zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was;
+hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand
+ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen
+was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende
+koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van
+moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren,
+en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die
+hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy
+had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij
+Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was,
+en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam
+van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel,
+dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon
+te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas."
+
+"Dus niet naar Pueblo," zei de opzichter; "anders zou ik, toen ik
+later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed
+hij vervolgens?"
+
+"Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens
+oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij
+daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te
+zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van
+daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een
+voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton,
+Arkansas, zou vinden."
+
+"O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet
+geweest ben," zei Watson. "Maar hoe stond het met de teekening,
+die hij bij zich droeg?"
+
+"Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest
+die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was
+volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze
+bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals
+men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon
+te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De
+dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na
+de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het
+koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd."
+
+"Dus heeft de kornel dan toch Engel's dood op zijn geweten!"
+
+"Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden
+hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te
+vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel,
+namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde
+en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen,
+een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee
+kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het
+werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel
+gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde
+dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is
+ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel
+heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de
+broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee
+de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling
+aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht
+over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op
+het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak
+daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald
+en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed
+gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in
+een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een
+kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de
+mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de
+sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu
+was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor
+zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De
+jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich,
+dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had
+hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij
+stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken,
+de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en
+ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet
+noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die
+was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets
+langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen
+hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit,
+het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en
+kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar
+deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om
+hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde
+tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij
+daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de
+vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand
+bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die
+hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten,
+Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van
+ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen
+de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het
+daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen,
+en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam,
+vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig
+nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er
+komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als
+hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders
+af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden
+nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton
+stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig
+naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in
+allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij
+echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand
+stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit
+de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen,
+dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op
+de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het
+hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer
+te bereiken waren, moest men laten verbranden."
+
+"Afschuwelijk! IJzingwekkend!" klonk het uit aller mond, toen Droll
+een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide
+handen zijn gelaat bedekt, en weende.
+
+"Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!" zei Droll. "Het verwekte dan
+ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan
+in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden
+in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die
+loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen
+van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam
+zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van
+Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad."
+
+"Beter gevolg?" vroeg Watson. "De moordenaar is immers nog op vrije
+voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is."
+
+"Ja, op vrije voeten is hij nog," antwoordde Droll; "maar hij is
+nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest,
+om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan
+hebben, en...."
+
+"Gij? Waarom gij?"
+
+"Om die vijf duizend dollars te verdienen."
+
+"Het waren er immers tien duizend?"
+
+"Ja, maar het honorarium wordt gedeeld," zei Droll. "De eene helft
+krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective."
+
+"He, sir! zijt _gij_ dan een detective?"
+
+"Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen,
+waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken;
+en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik
+ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het
+verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig
+waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen
+blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom
+ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien
+reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent,
+volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet
+te pas; ik heb nu over den moord te spreken."
+
+Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men
+hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective
+was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn
+persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk
+uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar
+dengene, dien hij wilde vatten.
+
+"Ik wendde mij dus," vervolgde hij, "in de allereerste plaats tot Fred,
+en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld
+en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij
+had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners
+des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord,
+om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk
+gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik
+moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus
+herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps
+zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag
+tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in
+mijn handen vallen."
+
+"In _uwe_ handen?" vroeg de oude Blenter. "Wat denkt gij dan met hem
+te doen?"
+
+"Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden."
+
+"Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?"
+
+"Misschien wèl!"
+
+"Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer
+recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik
+met hem te vereffenen heb."
+
+"En ik!" riep de opzichter.
+
+"En wij andere rafters ook!" klonk het van verscheiden zijden.
+
+"Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!" antwoordde
+Droll.
+
+"Wij hebben hem!" beweerde Blenter. "Hij zal bepaald wel de allereerste
+zijn, die in den trein klimt."
+
+"Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten,
+of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij
+volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet
+mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik
+daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie
+als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken,
+en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is."
+
+Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen
+echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog
+lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps
+een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden.
+
+Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende
+tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij
+volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot
+er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk.
+
+Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den
+ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand
+ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat
+Charoy's neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van
+den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee
+tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht
+volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur,
+en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan.
+
+"Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!" zei Charoy. "Zijt gij toch
+óók niet een beetje bevreesd, sir?"
+
+"Bevreesd?" antwoordde de jager verwonderd. "Zou ik dan dit zaakje
+uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?"
+
+"Of althans ongerust?"
+
+"Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen
+zal."
+
+"Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u
+schieten zullen."
+
+"Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak
+u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik
+afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat
+de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles
+hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel
+een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen
+zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is."
+
+Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post
+moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat
+de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De
+ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren
+als de beide tramps.
+
+Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den
+jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle
+voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al
+wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die
+telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de
+komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen
+die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief
+met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in,
+en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen
+stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er
+niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist
+en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen
+had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer
+hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei:
+"Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere
+bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen."
+
+"Zoo? waarom dat?"
+
+"Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen;
+daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te
+laten doodschieten."
+
+"Wie spreekt dan van doodschieten?"
+
+"Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter."
+
+"Er is geen mensch, die aan schieten zal denken."
+
+"Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde
+neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word,
+dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik
+mijn post te verlaten."
+
+"Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u
+hier zullen voorschrijven?"
+
+"Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden
+met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat
+behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat
+ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van
+mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel
+af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in."
+
+"Is dat bepaald uw besluit?"
+
+"Ja."
+
+"En gij, sir?" vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele
+gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen.
+
+"Ik verlaat de locomotief niet," antwoordde de brave, onvervaarde man.
+
+"Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of
+ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan."
+
+"En u niet, sir?"
+
+"O ja, dat spreekt vanzelf."
+
+"Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet
+ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is."
+
+"Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar
+Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats
+wel innemen."
+
+"_Well_, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop," prevelde
+de stoker, terwijl hij zich verwijderde.
+
+Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf
+nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij
+zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies
+als een stoker uit. De trein zette zich in beweging.
+
+De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van
+achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te
+komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde
+tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter
+beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig,
+want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna
+geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en
+geweerkogels er op te doen afstuiten.
+
+De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was
+niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den
+machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den
+trein verder gaan.
+
+Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte
+van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel
+zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen
+sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen
+groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter
+zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander
+uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: "Wat
+gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die
+meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en
+evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een
+enkelen dollar van dat halve millioen af te staan--zij krijgen niets!"
+
+"Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen."
+
+"Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan."
+
+"Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in
+den trein te komen."
+
+"Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen
+bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit
+den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien
+wat er gebeurt."
+
+"Hoe staat het dan met ons beiden?"
+
+"Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden
+heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar
+Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen,
+die ik van plan ben bij mij te houden."
+
+Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde,
+die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles
+lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er
+op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet,
+dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om
+drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte,
+brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken.
+
+Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het
+rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de
+machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie
+andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks
+honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde
+hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde,
+de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.
+
+Tot nu toe hadden de tramps in ongerustheid verkeerd, of het den
+nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en
+den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen,
+begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar
+den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel
+wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om
+den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg:
+"Alles richtig, boys?"
+
+"_Well!_" antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver
+op de borst hield. "Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie
+maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur."
+
+Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt,
+en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd
+volkomen verschalkt. "Mooi zoo!" zei hij. "Gij hebt uw taak goed
+gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven,
+tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de
+locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst
+te sterven, en kunnen zij doorrijden."
+
+Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had
+niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de
+werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden
+klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover,
+om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan;
+maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde,
+dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden.
+
+"Vooruit! Vooruit!" gebood de jager aan den machinist. "En niet
+langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de
+wagens, weer uit."
+
+De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de
+stoompijp deed fluiten.
+
+"Halt, halt!" schreeuwde een stem. "Schiet de honden
+neer! Schiet! Schiet!"
+
+Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet
+herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was,
+die dat riep.
+
+De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer
+hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was
+bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old
+Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op
+hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd
+geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief
+vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de
+twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken.
+
+"Old Firehand!" bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der
+ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. "Die hond is
+het! Rijd naar de hel."
+
+Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar
+Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en
+bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn
+revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den
+wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden
+insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden
+richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was
+de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en
+de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden.
+
+Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de
+lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het
+oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten,
+niet in korte tempo's maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen
+einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende
+mannen van de nadering van den trein verwittigen.
+
+Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht
+waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu
+aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen
+tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden
+te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en
+jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang
+van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en
+aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij
+dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak
+op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den
+trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde,
+gebood hij aan zijn mannen: "Het vuur aanmaken!"
+
+Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den
+hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak,
+sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende,
+den trein af te wachten.
+
+Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den
+tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe:
+"Achter ons het vuur aanmaken!"
+
+Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist
+waar de opzichter die verwacht had.
+
+"Slechts een oogenblik!"
+
+Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen,
+haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De
+locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor
+en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan
+geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had,
+om die te beveiligen voor de vuurhitte.
+
+Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest
+om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de
+tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij
+zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein
+zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand
+op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was;
+maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil
+zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden
+krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het
+hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil,
+en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken,
+grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander
+om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein
+te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen,
+donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur
+staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen,
+dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend
+kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste
+gedachte.
+
+"Een tunnel, een tunnel!" riep hij verschrikt; en "een tunnel, een
+tunnel! wij zitten in een tunnel!" riepen al de anderen hem na. "Er
+uit! Wij moeten er uit!"
+
+Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan
+de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk
+uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde
+tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel
+van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en
+verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen
+gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om
+zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op
+hen lagen.
+
+En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel
+brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht
+werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind
+in den tunnel gedreven werd.
+
+"Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!" riep
+een krijschende stem. "Er uit! Er uit!"
+
+Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in
+waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide
+uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide
+vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit
+wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn
+kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden
+zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen
+bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de
+nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden,
+die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest
+in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste
+het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk
+alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest
+te vieren.
+
+Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen.
+
+"Wij behoeven niets te doen," riep een der baanwerkers hem toe. "De
+beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan,
+dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden."
+
+"Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander," antwoordde hij. "Maar
+het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang
+een beetje vrij van het vuur!"
+
+"Wilt gij er dan in?"
+
+"Ja."
+
+"Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!"
+
+"Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich
+te redden."
+
+Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen
+de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één
+man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond
+hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en
+razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó
+duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn
+zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had
+hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man
+in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen.
+
+"_Hallo, silence!_" weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw
+van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. "Hoort wat ik u zeg!"
+
+"Old Firehand!" riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze
+onvervaardheid.
+
+"Ja, dat ben _ik_!" antwoordde hij. "En gij hebt het ondervonden, waar
+_ik_ ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt,
+legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor
+één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten
+springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk
+neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt
+ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers,
+rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer
+te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een
+hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u
+overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren
+gericht om niemand door te laten."
+
+Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed
+verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel
+uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die
+voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk,
+dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat
+niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen.
+
+Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening
+van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een
+poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te
+ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander
+beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De
+omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken,
+want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer
+en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel
+verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij
+zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij
+zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er
+kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond
+daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd,
+dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit,
+en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in
+ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde
+plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien
+van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de
+brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die
+na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel
+gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar
+alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een
+kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de
+overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der
+laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men
+aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel
+met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest
+was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al
+de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest,
+dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden.
+
+Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest,
+den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking
+van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand
+en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor
+van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had
+gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar
+Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid
+daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet
+zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee
+vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden,
+omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan
+ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last,
+om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van
+het plan gelukt was.
+
+Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein
+af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden
+geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet-
+en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps
+ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en
+natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle
+richtingen uiteengejaagd.
+
+"Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan," zei Old Firehand. "Had
+hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor
+zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor
+zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven
+paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het
+zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij
+zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste
+dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij
+moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen."
+
+"Mijn blanke broeder vergist zich misschien," antwoordde Winnetou. "Dat
+bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst
+te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu
+zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen."
+
+"Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist
+is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij
+zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich
+in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen
+om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd
+te loor laten gaan."
+
+"Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen
+inhalen."
+
+"Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen
+volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze
+verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee
+gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen
+kunnen gaan."
+
+"Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!"
+
+"Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus
+volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht
+naar het Zilvermeer."
+
+"Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?"
+
+"O ja, stellig."
+
+"Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?"
+
+"Ja, in weerwil daarvan."
+
+"Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun
+voornemen maar niet liever opgeven?"
+
+"O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te
+doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen
+zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood
+ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij
+onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke
+manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer
+zullen gaan."
+
+"Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen,
+waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn."
+
+Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren
+genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor
+niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier,
+en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was
+zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het
+uit het oog te kunnen verliezen.
+
+Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt
+gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut
+door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan,
+waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de
+gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt.
+
+De jagers en de rafters volgden het spoor nog wel een half uur lang,
+en keerden toen, toen zij precies wisten welke richting de vluchtenden
+ingeslagen waren, terug naar de brug. De tramps hadden hun koers naar
+de Busch-Creek genomen, een bijna zeker teeken, dat zij van plan
+waren, zich naar Colorado te begeven, en dan van daar stellig naar
+het Zilvermeer.
+
+Ondertusschen waren de vier rafters uit Sheridan teruggekeerd. Zij
+hadden ook Hartley en den ingenieur Charoy meegebracht, die insgelijks
+naar Fort Wallace wilden, waar hun getuigenis van gewicht was. De
+baanwerkers gingen te voet naar Sheridan; als belooning mochten zij al
+de wapenen meenemen, die de tramps hadden moeten achterlaten. Voor het
+transport van de laatstbedoelden waren er wagens genoeg aanwezig. De
+bouwtrein stond ook daar, en zoo ook de "geldtrein", waarin trouwens
+geen geld vervoerd was. Zoodra de gevangenen in de wagens geladen waren
+stapten de anderen in en de twee treinen zetten zich in beweging. De
+dragonders echter keerden te paard naar Fort Wallace terug.
+
+Daar was intusschen het groote nieuws reeds ten deele bekend geworden;
+en de bevolking brandde van ongeduld, om te vernemen hoe alles
+was afgeloopen. Toen de treinen aankwamen, verdrongen de menschen
+elkander om er bij te komen, en de tramps werden ontvangen op een
+manier, die hun een voorproefje gaf van hetgeen zij hier later, na
+hun veroordeeling, te wachten hadden. Ware hun aantal niet zoo groot
+geweest, en had hun escorte het niet weten te beletten, dan zouden
+zij stellig gelyncht geworden zijn.
+
+Zij hadden overigens groote verliezen geleden, daar bijna het
+vierde gedeelte van hun aanvankelijk aantal dood in den tunnel
+gevonden was. Nog heden ten dage vertelt men elkander gaarne, in die
+streek, deze vermaarde uitrookerij van de tramps uit den tunnel van
+Eagle-tail, waarbij natuurlijk de namen van Old Firehand en Winnetou
+met bewondering genoemd worden.
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE KLEM.
+
+
+Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich
+verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras
+was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch
+boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is
+buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder
+de aandacht trekken van ieder, die hen zag.
+
+Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste
+was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals
+die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte
+was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van
+groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen
+en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door
+een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd
+van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had
+opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand,
+en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van
+ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren
+riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee
+revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar
+schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van
+biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten
+stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden,
+ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van
+den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld
+lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp,
+versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen
+vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop
+en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te
+zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang
+en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model,
+maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die
+"berendooders" genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van
+het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde
+jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij
+een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.
+
+Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een
+blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen
+knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een
+zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijn
+broeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten
+in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze
+ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn
+lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders
+denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden
+af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank
+genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één
+been een weinig kreupel liep.
+
+Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook
+des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks
+de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg
+een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf
+gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds
+zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter
+aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren
+hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder
+dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek
+gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen
+was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal
+jaren geleden een lichtgrijze "cylinder" was geweest. Misschien had
+die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was
+vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval,
+totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den
+tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig
+beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had
+hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van
+dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik
+touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee
+revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden
+zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen
+kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een
+mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat
+het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het
+voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over
+zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen,
+waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was
+kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom
+van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat
+die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen
+beleefd hadden.
+
+De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer,
+zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van
+het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil
+dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter
+in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd
+bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit
+kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van
+de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk
+niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij
+was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer
+bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.
+
+Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet
+anders bekend, dan onder de namen "Lange Davy" en "Dikke Gemmy". Die
+twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder
+dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher
+en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze
+twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich
+ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als
+die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast
+elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een
+legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden
+te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen,
+en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen
+en likken elkander te liefkoozen.
+
+Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier
+ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet
+enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren
+bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters
+zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan
+kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst
+afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die
+in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: "Dus zullen
+wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog
+hier vandaan?"
+
+"Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen," antwoordde
+de gevraagde.
+
+"Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al
+sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik
+ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt
+gij dat ook niet?"
+
+"Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen
+wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden."
+
+"O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar
+ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste
+buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar
+sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad;
+ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg,
+ga ik bepaald dood!"
+
+"Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen."
+
+"Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een
+gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden
+is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een
+ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?"
+
+"Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel,
+en rijd met de anderen maar langzaam door."
+
+"Zoo?" zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. "Hebt _gij_
+al iets in het oog? _Ik_ zie nog niemendal."
+
+Hij nam de teugels van Old Shatterhand's paard, en reed met Davy en
+Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een
+aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie
+van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende
+stem genoemd worden. Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar
+zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met
+ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij
+op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en
+bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel
+weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander
+stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren
+niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is,
+maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij
+echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren
+om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op
+alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen
+nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te
+houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter
+niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen
+en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet
+hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist
+Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de
+zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen
+te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide
+in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van
+een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen,
+namelijk, om dichterbij te komen.
+
+Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen,
+en zei op een toon van bezorgdheid: "Heerejéminie! Wat zal ons nu
+overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als
+iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!"
+
+"Belladonna, wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.
+
+"Zwijg!" gebood de kleine. "Belladonna beduidt niemendal. Het heet
+Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel
+weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik
+heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!"
+
+Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter
+elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een
+draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te
+rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden
+geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te
+paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen:
+"Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan
+zal ik u vriendelijk bedanken, sir!"
+
+"Waarom dat?"
+
+"Zulk spul lust ik niet."
+
+"Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?"
+
+"Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen."
+
+"Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar
+is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?"
+
+"Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!" antwoordde Frank
+terwijl bij met zijn tong smakte; "òf ik dat gegeten heb! Dat's een
+vleeschje voor koningen en prinsen!"
+
+"Zoo, vindt gij dat?" vroeg Old Shatterhand glimlachende.
+
+"Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen
+tweede bestaat."
+
+"En duizenden trekken er den neus voor op!"
+
+"Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij
+Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste
+natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook
+en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin
+korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den
+Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen,
+als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon-
+en feestdagen gebraden sikjes."
+
+"Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt."
+
+"Lapijn? Wat is dat voor een ding?"
+
+"Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De
+eigenlijke naam is konijn."
+
+"O, karniekl! A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste
+plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis
+altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch
+als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!"
+
+"En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden
+zeggen."
+
+"Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders
+vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste
+vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje,
+dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet."
+
+"Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik
+ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien,
+dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker
+als uw karniekl."
+
+"Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!"
+
+"Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u,
+dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?"
+
+Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten
+bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of
+het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers
+reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep
+gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters
+waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform:
+het waren soldaten.
+
+Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar
+zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en
+kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando
+van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd,
+hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een
+somberen blik, en vroeg: "Waar komt gijlieden vandaan, boys?"
+
+"Wel heb ik ooit!" prevelde Hobble-Frank. "Zullen wij ons nu met het
+woord _boys_ (= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien
+dat wij tot den goeden stand behooren."
+
+"Wat fluistert gij daar?" riep de luitenant op strengen toon. "Ik
+wil weten waar gij vandaan komt."
+
+Frank, Jemmy en Davy keken naar Old Shatterhand, wat die doen of
+zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: "Uit Leadville."
+
+"En waar wilt gij naar toe?"
+
+"Naar de Elk Mountains."
+
+"Dat is een leugen!"
+
+Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond
+het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd
+op denzelfden bedaarden toon:
+
+"Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?"
+
+"Ja."
+
+"Welke reden dan?"
+
+"Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort."
+
+"Daarin vergist gij u."
+
+"Ik vergis mij niet. Ik ken u."
+
+"Zoo? Wie zijn wij dan?"
+
+"De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen."
+
+"Ei! En als wij het nu eens niet doen?"
+
+"Dan neem ik u mee!"
+
+"En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?"
+
+"Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat
+wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren
+naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!"
+
+"Meent gij dat?" vroeg Old Shatterhand met een glimlachje. "Probeer
+dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!"
+
+Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van
+pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver
+uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur
+te geven.
+
+"Wat...." riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen
+naar zijn gordel grijpende. "Ik...."
+
+"Halt!" viel Old Shatterhand's geweldige stem hem in de rede. "Hand
+weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!"
+
+In oogenblikken als dit--indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen
+hier het geval niet was--komt het er maar op aan, wie het eerst zijn
+wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op,
+om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van
+de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte
+niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want
+dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn
+onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij
+verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van
+vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich
+overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden
+dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in
+de hoogte.
+
+Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed
+gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te
+zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand's
+doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: "Zoo! Wat
+denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?"
+
+"Schiet maar toe!" antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht
+was. "Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft."
+
+"_Pshaw!_ Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen
+aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige
+schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen
+omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij
+daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij
+zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees
+altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet
+gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, met _boy_
+aanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet
+overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders
+allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de
+derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij
+denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar
+hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te
+moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals
+op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist:
+wij zijn geen _boys_, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen
+weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten."
+
+Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug;
+zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook
+de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van
+schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: "Hoe hebt gij het
+hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen? Weet gij wel,
+dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?"
+
+"De macht?" vroeg Old Shatterhand lachende. "Den lust, ja, dat
+begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk
+genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij
+het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog
+belachelijker zoudt maken dan daareven."
+
+"Wacht! nu zal ik u wel....."
+
+Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den
+gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag
+gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand,
+die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel
+als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen,
+nogmaals lachende, uitriep: "Spreek verder, sir: U wilde nog iets
+zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert,
+gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!"
+
+Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht,
+behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo
+verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en
+driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.
+
+"Wat ... (alweer met een vloek)!" schreeuwde de officier; doch hij
+waagde het niet een vinger te verroeren: "Wat begint gij nu? Laat
+mij los."
+
+"Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij
+met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te
+verbeelden. Voor zooveel man, als gij hier bij u hebt, zijn wij
+volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan
+zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en
+hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal."
+
+Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het
+paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij:
+"Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?"
+
+"Neen!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij
+gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten
+blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een
+allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel
+getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch
+na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op
+zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. "Ik ken zoo min
+den persoon als zijn naam," bromde de officier.
+
+"Dus niet?" zei de jager. "En toch ben ik overtuigd, dat gij ons
+kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft
+men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak
+vóór u."
+
+"Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel
+eens gehoord?"
+
+"Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?"
+
+"Juist!"
+
+"_Pshaw!_ Dat geloof ik niet."
+
+"Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest
+gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan
+bewijzen dat het waar is."
+
+"Old Shat.....!" riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede
+achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing
+aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in
+de keel blijven steken.
+
+Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-,
+of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één
+"O!" van verbazing dat over hun lippen kwam.
+
+"Ja, Old Shatterhand!" zei deze. "Kent gij dien naam?"
+
+"Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt
+gij.....gij die man zijn, sir?"
+
+Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak
+nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het
+geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl
+eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op
+volgen: "_Behold!_ Is dat niet een Henry-karabijn sir?'
+
+"Natuurlijk!" zei Old Shatterhand met een bevestigend
+hoofdknikje. "Kent gij die soort van geweren?"
+
+"Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige
+beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest
+zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was,
+dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als
+deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem
+vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand
+moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit."
+
+"Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het
+geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet;
+de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen."
+
+"Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand,
+die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier
+op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag
+doodslaat?"
+
+"Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan
+twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen,
+maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn
+vuist. Wilt gij er van gediend zijn?"
+
+Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier,
+en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere
+sprong schielijk achteruit, en riep: "Dank u sir! dank u. Ik wil u
+veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één
+hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij
+mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk
+niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden
+scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben,
+ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even
+verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere
+eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn."
+
+"Waar naar toe?"
+
+"Wij moeten naar Fort Mormon."
+
+"Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen
+gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting,
+om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen."
+
+"Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat
+sir?"
+
+"Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van
+daar gaan wij naar de Book Mountains."
+
+"Dan moet ik u waarschuwen sir!" zei de officier die nu een toon
+aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber
+van zijn korps stond.
+
+"Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?"
+
+"Voor de Roodhuiden."
+
+"Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens
+weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De
+Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken,
+en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert
+jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen
+opwekken."
+
+"Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger
+verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun
+strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort
+Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden."
+
+"Zoo? Daarvan weten wij nog niets."
+
+"Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan
+dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het
+territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand
+bij de Roodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar
+toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben
+alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen."
+
+"Waarom dat?"
+
+"Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs
+overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de
+Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij
+verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De
+aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun
+handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den
+volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen
+volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens
+gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook
+slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes
+bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar
+Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor
+ieder paard een ander, voor de andere verloren voorwerpen ineens een
+som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden
+en een geweer."
+
+"Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?"
+
+"Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden
+het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is
+onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks
+opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het
+territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten,
+om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten
+omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die
+tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt."
+
+"En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?"
+
+"Alles wat zij buitmaken."
+
+Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde
+zijn hoofd, en zei: "Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd,
+en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de
+boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van
+de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men
+de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de
+beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich
+tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn,
+en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!"
+
+"Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang,
+en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze
+mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet
+dezelfde zijn."
+
+"Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en
+mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan
+zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de
+Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde
+natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft,
+om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke
+beschaving, maar van haar verlangt, dat zij in een ommezien
+tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke
+maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen
+ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit,
+om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn. _Good b'ye, Sir!_"
+
+Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen,
+weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft
+nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had
+hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal
+vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij
+thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is
+"Broeder Jonathan" aan het verstand te willen brengen dat hij geen
+grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot
+oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te
+voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder
+ergens medelijden te hebben gevonden.
+
+Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen
+ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans
+de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder
+wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: "Daar
+ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen,
+dan zullen wij er in vijf minuten zijn."
+
+De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier
+ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten
+scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar
+Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan,
+dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een
+zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden
+begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van
+zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon,
+doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn
+metgezellen hem te volgen.
+
+Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje,
+en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste
+gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten,
+in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht,
+ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn,
+wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard
+door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij
+stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken
+viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer
+belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een
+ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar
+Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet,
+verloren geweest zijn.
+
+Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open
+vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde
+rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: "Hier
+is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen,
+en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben
+wij ook, zooals gij ziet."
+
+Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn,
+dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar
+werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om
+hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te
+maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en
+ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij
+hier veilig waren.
+
+Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd
+dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer
+in het midden.
+
+Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon
+te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen
+keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den
+anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg
+over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat
+hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen
+overrompeling te vreezen had.
+
+Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand
+nam er een stuk van.
+
+"Hum!" bromde Hobble-Frank. "Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger
+in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten
+vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik
+hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen
+zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren."
+
+"Maar 't is geen hond!" zei Jemmy. "Gij hebt immers gehoord, dat
+dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een
+keffende stem heeft."
+
+"Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog
+erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen
+er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot
+vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien."
+
+Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar
+zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond,
+en zei kauwende: "Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl,
+maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees
+dat er van die twee honden niet veel over zal blijven."
+
+"Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren," antwoordde
+Jemmy. "Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten."
+
+"Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór
+den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen,
+ben ik voorshands alweer tevreden."
+
+"Morpheus heet hij," verbeterde Jemmy.
+
+"Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet
+krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe
+zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een
+zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels
+zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er
+van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig:
+In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis,
+en eet uw prairie-hond liever zonder praatjesmakerij, die met een man
+van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel;
+maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen,
+dan word ik allicht een beetje kitteloorig!"
+
+Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest,
+opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette
+niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging
+van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.
+
+Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een
+groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van
+twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.
+
+De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters,
+die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand
+en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun
+paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij
+te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen
+waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos
+uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten
+tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof,
+die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd,
+en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen
+doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.
+
+"Wat denkt gij van dit spoor, Knox?" vroeg een der twee. "Zouden wij
+misschien Roodhuiden voor ons hebben?"
+
+"Neen," antwoordde de andere zeer bepaald.
+
+"Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?"
+
+"De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander,
+zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander."
+
+"En met hun hoeveel zijn zij?"
+
+"Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!"
+
+"Behalve wanneer het soldaten zijn."
+
+"_Pshaw!_ Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten
+zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig
+verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit
+ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen,
+dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?"
+
+"Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch
+somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed
+heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door
+de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten
+overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van
+ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn
+tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen."
+
+"Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding;
+en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen
+troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust
+meer te maken."
+
+"Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren."
+
+"Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den
+benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk,
+zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan
+als vanzelf."
+
+"En waarin bestaat dat middel?"
+
+"Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons
+kunnen aansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan,
+en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden,
+die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt
+hebben om hun oorlogstuig op te graven."
+
+"En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?"
+
+"Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen."
+
+Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij
+spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen
+zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden,
+bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den
+roodharigen kornel.
+
+Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de
+twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond,
+trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol
+onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg
+gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te
+weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal
+aanhangers te werven. Dat waren natuurlijk allen menschen zonder middel
+van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder
+hen bevonden zich ook Knox en Hilton, de twee, die nu op het bosch
+aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden,
+dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel
+monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten
+zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La
+Veta over de Rocky Mountains gaan, en de andere helft zou de richting
+naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te
+komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten
+die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op
+zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en
+hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het
+ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero
+hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt
+hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit
+van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een
+troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en
+verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden
+zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen,
+en de twee aanvoerders, Knox en Hilton, waren de eenigen, die het
+geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.
+
+Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar
+aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten
+zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij
+tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.
+
+Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden
+zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden
+slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.
+
+"Dus, jagers, begrepen?" fluisterde Knox tegen Hilton.
+
+"Ja," antwoordde deze. "Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan
+komen!"
+
+"Dan laat gij mij maar antwoorden."
+
+Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar
+bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in
+de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het
+hoofd tot de voeten.
+
+"_Good day_, messieurs!" groette Knox. "Is het ons vergund, hier bij
+u een weinig uit te rusten?"
+
+"Ieder eerlijk man is ons welkom," antwoordde Old Shatterhand,
+terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen
+hun paarden opnam.
+
+"Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt," zei
+Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen,
+goed doorstond.
+
+"Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb
+leeren kennen."
+
+"Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven."
+
+De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden
+stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het
+gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken
+er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen
+tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen
+te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden,
+werd dus zwijgend doorgebracht.
+
+De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch
+aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old
+Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest;
+maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de
+in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze
+zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een
+bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want
+zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan,
+langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.
+
+De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan
+de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De
+meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en
+boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte,
+die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer
+van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn
+gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan
+het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De
+voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren,
+zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een
+paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat
+dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door
+zijn waarschuwende handbeweging tot de grootste stilte aanmaande,
+moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje
+voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort
+eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende,
+zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den
+Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: "Er is hier een bleekgezicht
+geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te
+loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de
+boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken."
+
+De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old
+Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote
+Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur
+later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij
+floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te
+voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk,
+waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.
+
+"Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen," sprak hij tot hen. "Dat
+zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten
+vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen
+mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij
+zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links,
+totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop
+de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden
+zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te
+bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het
+dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven
+hier om de vastgebonden paarden te bewaken. _Howgh!_"
+
+Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde
+beteekenis als onze woorden: "Het zij zoo" of "basta" of "daarmee
+afgepraat!" Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee
+te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.
+
+Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch
+in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord
+werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte
+uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte
+te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht
+hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte
+van de Indianen, was dat mogelijk.
+
+De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof
+zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen
+verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: "Nu hebben wij gegeten
+en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór
+den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken."
+
+"Ja," merkte Jemmy aan. "Maar vóór alles dienen wij toch elkander te
+leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen."
+
+"Juist!" zeide Knox, met een vriendelijk hoofdknikje. "Als ik vragen
+mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?"
+
+"Wij rijden naar de Elk-bergen."
+
+"Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis
+gezamenlijk doen."
+
+Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy,
+om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als
+hij den tijd daartoe gekomen achtte.
+
+"Dat vind ik niet kwaad," antwoordde de dikke. "En waar wilt gij dan
+verder heen?"
+
+"Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers
+te zoeken."
+
+"Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen
+wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers,
+beverjagers?"
+
+"Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton."
+
+"Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die
+niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik."
+
+"Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven
+ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan
+een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er niets tegen,
+dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?"
+
+"Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden."
+
+"Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?"
+
+"Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman
+rechts..."
+
+"Stellig den langen Davy?" viel Knox hem schielijk in de rede.
+
+"Juist! Dat hebt gij goed geraden."
+
+"Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke
+Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En
+die kleine master hier aan uw linkerhand?"
+
+"Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig
+genoeg blijken zal."
+
+Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker,
+en deze vervolgde: "En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb,
+is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel,
+dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken."
+
+"Old Shatterhand?" riep Knox, met alle kenteekenen van aangename
+verrassing. "Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?"
+
+"Waarom zou dat niet waar zijn?" antwoordde de genoemde.
+
+"Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen
+doet, kennis met u te maken."
+
+Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig
+Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf:
+"Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij
+bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen."
+
+Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet
+zag, en antwoordde ijskoud: "Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is
+het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen."
+
+"Waarom niet, sir?"
+
+"Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen
+genoegen kan doen kennis te maken."
+
+"Hoe bedoelt ge dat?" vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door
+zulk een onverbloemd antwoord. "Ik houd het er voor, dat gij schertst,
+sir!"
+
+"Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk
+een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers."
+
+"Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen
+laten welgevallen?"
+
+"Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?"
+
+"Kent gij ons dan?"
+
+"Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn."
+
+"Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch,
+met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij
+ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?"
+
+"Waarom zou ik dat niet kunnen?"
+
+"Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt
+niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen,
+dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?"
+
+"_Pshaw!_ Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in 's
+hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden
+van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag
+heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden
+zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer
+is dat geweest?"
+
+"Vier dagen geleden."
+
+"Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?"
+
+"Ja."
+
+"Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een
+leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de
+open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het
+bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt
+gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen,
+goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen."
+
+"Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien
+hebben."
+
+"Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik
+reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En
+nu verder: Waar hebt gij uw zadels?"
+
+"Die hebben ze ook gestolen."
+
+"En het paardetuig?"
+
+"Dat ook."
+
+"Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!" riep
+Old Shatterhand, vol minachting lachende. "Dus gij hebt zadels en
+paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u
+alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn
+paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?"
+
+"Die hebben wij van een Roodhuid gekocht."
+
+"En de paarden ook misschien?"
+
+"Neen," antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen
+zou kunnen staande houden--die zou al te groot, al te onbeschaamd
+geweest zijn.
+
+"Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog
+niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?"
+
+"Die hebben wij gekocht van Fort Dodge."
+
+"Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas
+zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een
+paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen,
+ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet
+beslagen zijn?"
+
+"Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons
+verkocht heeft."
+
+"Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!"
+
+"Wat dan?"
+
+"Gestolen!"
+
+"Sir?" riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte
+met de hand naar zijn gordel.
+
+"Laat de messen maar zitten, of ik sla u beiden neer als een paar
+kegelpoppen," dreigde Old Shatterhand. "Of denkt gij, dat ik niet
+gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?"
+
+"Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien
+rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij
+ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel
+te vellen."
+
+"Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander
+blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden
+behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft."
+
+Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid
+van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden
+in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam
+ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.
+
+"Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch
+gehouden," zei hij. "Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie
+zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig
+zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen
+om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik
+begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en
+om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren,
+zullen wij opbreken."
+
+Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op,
+vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: "Gij blijft hier!"
+
+"Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?"
+
+"Natuurlijk!"
+
+"Hebt gij dan iets over ons te zeggen?"
+
+"Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen."
+
+"Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche
+dressuur!"
+
+Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en
+men kon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was,
+als hij moeite deed om te schijnen.
+
+"Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur,"
+antwoordde de jager, "Dat uw paarden aan de Utah's toebehoord hebben,
+blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?"
+
+Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren
+gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht
+trok. Zij hielden namelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich
+om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen,
+als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.
+
+"Ja, wat kan dàt zijn?" riep ook Jemmy. "Er zijn Roodhuiden in de
+nabijheid."
+
+Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den
+omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: "Wij zijn omsingeld,
+stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is;
+en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen."
+
+"Wat dan?" vroeg Davy. "Moeten wij ons verweren?"
+
+"Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets
+te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!"
+
+Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap,
+zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton,
+eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.
+
+"Nu gauw de rots op!" gebood Old Shatterhand; "dààr zijn wij gedekt,
+hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten." De kolossale
+steenmassa's waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden,
+als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf
+voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden
+waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken,
+waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der
+twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De
+hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch
+hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee
+andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde;
+daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.
+
+Nu deed "de Groote Wolf" aan zich zelf de vraag, wat hij, in de
+gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen,
+die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven,
+en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren
+zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen,
+en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden
+tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de
+overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die
+verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien,
+dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het
+wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs;
+maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan
+gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen,
+waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep
+dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich,
+om met hen te beraadslagen.
+
+De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of
+juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een
+luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en
+de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed
+hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg,
+kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom
+staande, riep: "De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld,
+en kunnen naar beneden komen."
+
+Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De
+Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog
+geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: "Als de blanke mannen
+niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!" Daarop gaf Old Shatterhand
+nu ten antwoord: "Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan,
+dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?"
+
+"Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden
+geroofd hebben."
+
+"Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier;
+die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat
+zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij
+zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer
+gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen."
+
+"Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!"
+
+"Neen."
+
+"Ik geloof u niet."
+
+"Wie zijt gij? Hoe is uw naam?"
+
+"Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs."
+
+"Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is
+de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn,
+en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen
+doen boeten."
+
+"Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u
+onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is
+uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?"
+
+"Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden
+niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een
+muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons
+voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens
+bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat
+is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der
+Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf
+daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag
+hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der
+Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten
+noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe
+(= de doodende hand) genoemd."
+
+De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte
+duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den
+jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de
+stem van den Grooten Wolf zich weer hooren: "Het bleekgezicht wil ons
+wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij
+weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting
+staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te
+ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt."
+
+"Hoe dat zoo?" vroeg de jager.
+
+"Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed
+benomen, om u aan ons te vertoonen."
+
+"Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst
+dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele
+gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier
+man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen,
+dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!"
+
+Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste
+punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de
+hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit
+de kogel hem raken kon.
+
+"Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!" klonken luid verscheiden stemmen
+(= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).
+
+Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien
+hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe:
+"Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu,
+dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?"
+
+"Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel
+verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan."
+
+"Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere
+mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn
+dood ontzettend aan u gewroken worden."
+
+"Wij zijn niet bang voor wraak."
+
+"Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor
+zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en
+mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is
+hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem
+zoekt te dooden?"
+
+"De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand
+alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En
+daarom zal hij zich nu óók laten zien."
+
+Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale
+gestalte duidelijk te zien kwam.
+
+"Is Old Shatterhand nu voldaan?" vroeg hij.
+
+"Neen!"
+
+"Wat verlangt hij dan nog meer?"
+
+"Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat
+uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand,
+die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet
+komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke
+krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen."
+
+"Wilt gij niet liever bij ons komen?"
+
+"Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den
+andere halverwegen tegemoet te komen."
+
+"Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut
+blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen."
+
+"Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden
+alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan
+waart gij natuurlijk een verloren man."
+
+"Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat
+is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de
+groote blanke jager gewapend zijn?"
+
+"Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat
+het vrij, te doen zooals gij goedvindt."
+
+"De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en
+vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!"
+
+De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras,
+en wachtte toen Old Shatterhand af.
+
+"Gij waagt te veel," antwoordde Jemmy hem. "Zijt gij inderdaad
+overtuigd, dat gij het durft besteken?"
+
+"Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen
+te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik
+argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik
+hem vertrouwen."
+
+"En wat moeten wij ondertusschen doen?"
+
+"Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem
+aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word."
+
+Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander
+aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand
+den hoofdman de hand toe, en zei: "Ik heb den Grooten Wolf nog nooit
+gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging
+de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij
+dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te
+kunnen begroeten."
+
+De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand
+aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de
+voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: "Laat ons gaan
+zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen
+de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke,
+dien ik als vriend begroeten kan."
+
+Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover
+hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en
+Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten
+zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand's
+mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem
+had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de
+rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had
+het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy,
+ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren
+nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier
+van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften,
+waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.
+
+Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen
+beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken,
+en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen
+kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den
+blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat,
+maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de
+breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te
+duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere
+voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals
+hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek,
+toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte:
+"De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte
+is daaraan niet geëvenredigd."
+
+Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen
+van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt
+niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als
+een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand:
+"Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van
+mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte
+van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid,
+is daaraan niet geëvenredigd?"
+
+"Dat zou een beleediging zijn," antwoordde de Roodhuid met
+vlammenschietende oogen, "waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel
+te geven den strijd te beginnen."
+
+"Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn
+gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen,
+maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik
+ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u
+spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen,
+voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet
+tot een gewenscht doel kunnen leiden."
+
+Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den
+Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad,
+des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op
+dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin
+hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.
+
+"Er is maar één doel en geen ander," verklaarde de Groote Wolf.
+
+"En dat is?"
+
+"Uw dood!"
+
+"Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan."
+
+"Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!"
+
+"Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts
+overvallen hebben?"
+
+"Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan
+teruggehouden hebben."
+
+"Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?"
+
+"Omdat gij met hen meegereden zijt."
+
+"Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij
+zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en
+toen ons spoor hebben gevolgd."
+
+"Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons
+in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van
+onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze
+bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd,
+om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te
+vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de
+tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is,
+iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed
+moeten wij houden, en gij zijt een blanke."
+
+"Maar een blanke, die onschuldig is."
+
+"Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet
+onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn,
+dan onze tegenstanders en moordenaars?"
+
+"Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een
+vriend der roode mannen ben."
+
+"Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de
+onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten,
+vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en
+zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal
+dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en
+rechtvaardiger te handelen."
+
+Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de
+gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar
+toch antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf denkt slechts aan
+zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter
+dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen
+en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten
+strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal
+des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen
+geweest zijn."
+
+"Wij--dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie
+metgezellen? Wie zijn dat dan?"
+
+"De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen;
+maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord:
+den dikken Jemmy en den langen Davy."
+
+"Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien,
+en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar
+juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der
+blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze
+afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij
+zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde
+mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u
+kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes
+zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche
+land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe
+reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer
+geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende
+bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult."
+
+Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote
+onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter
+niets daarvan blijken, en antwoordde: "Uw bedoeling is zeer goed,
+en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen,
+zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn."
+
+"Ik belach hen; zij kunnen komen!"
+
+"Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij
+honderdtallen zult kunnen tellen?"
+
+"Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet
+gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen
+zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa,
+van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks,
+van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van
+de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs:
+zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!"
+
+"Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke
+krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan,
+waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!"
+
+"Wie dan alzoo?"
+
+"Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand."
+
+"Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder
+prairie-honden is," erkende de hoofdman. "Maar dat zou ook de eenige
+zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen."
+
+"O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts
+één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult."
+
+"Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook
+moeten sterven; hij is onze vijand."
+
+"Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders."
+
+"Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen
+zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die
+tegen ons opgehitst."
+
+"Weet gij dat al?"
+
+"De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan
+het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den
+stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand
+beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt."
+
+"En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de
+krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der
+krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas,
+Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas
+en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die
+allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets
+anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en
+de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke
+vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?"
+
+De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte
+pauze: "Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen
+van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is
+gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het
+dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger
+sterft en spoediger vernietigd wordt? De blik, dien gij mij in de
+toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer
+aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons
+te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite, het blijft bij hetgeen
+ik gezegd heb."
+
+"Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?'
+
+"Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben
+aangekondigd?"
+
+"Ja," antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid
+als in verrassing uitriep: "Geef dan uw wapenen maar over!"
+
+"Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!"
+
+"En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!" riep de andere op
+een toon van groote verwondering.
+
+"Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons
+aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke,
+die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?"
+
+"Ja, dat heb ik gezegd," knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar
+nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.
+
+"Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op
+dit oogenblik is dat het geval nog niet."
+
+"Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?"
+
+"Zeer zeker denk ik dat."
+
+"Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik
+bij mij heb? Over de tweehonderd!"
+
+"Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen,
+dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij
+te vangen of vast te houden."
+
+"Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel
+gaatje waardoor gij ontsnappen kunt."
+
+"Dan zullen wij zulk een gaatje maken."
+
+"Daarbij wordt gij immers gedood!"
+
+"Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven
+inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor
+zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig
+het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt."
+
+Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem
+vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach
+uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij:
+"Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager,
+maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?"
+
+"O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?"
+
+"Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het
+oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik
+niets van; want dat is een onmogelijkheid."
+
+"Wil ik u dat eens laten zien?"
+
+"Ja, laat mij dat eens zien!" riep de hoofdman, als geëlectriseerd
+door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover
+zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.
+
+Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden,
+moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote
+overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste
+middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de
+Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer,
+dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk
+te maken.
+
+"Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!"
+
+De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die
+terstond weer achteruit, en vroeg: "Mag ook iemand anders dan gij
+het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder,
+aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen."
+
+Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij
+trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over
+moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit
+te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten
+minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde
+Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: "De geheimen van
+dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer
+het zelf maar eens."
+
+Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij
+dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine,
+onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de
+minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep
+van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte
+stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij
+elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een
+schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon,
+maar stellig den een of den ander moest raken.
+
+Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen
+of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar
+hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. "Zou ik het wagen, of
+zou ik het niet doen?" Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer
+gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide
+handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt
+zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De
+nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij
+greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand,
+dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het
+schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De
+Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen,
+en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.
+
+"Heb _ik_ hem gekwetst?" vroeg de hoofdman ontsteld.
+
+"Wie anders?" antwoordde Old Shatterhand. "Dat is nu maar gebeurd,
+om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens
+aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij
+gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de
+tweede kogel......"
+
+"Neen, neen!" riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een
+afwerende beweging maakte. "Het is werkelijk een toovergeweer, en
+bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en
+met dat schot raakt hij zijn eigen vrienden, of misschien wel zich
+zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!"
+
+"Dat is zeer verstandig van u," sprak Old Shatterhand op een ernstigen
+toon. "Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één
+keer afgegaan is. Het zal louter geweest zijn om u een klein lesje
+te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u
+eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje
+daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal
+er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van
+elkander af zullen staan."
+
+Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den
+haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: "Ga nu
+eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare
+keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen,
+dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart
+zou kunnen raken, als ik dat wilde."
+
+De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat
+hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden
+Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de
+schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van dat oogenblik maakte
+de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch
+bewegenden bol te schuiven.
+
+"Oef! Oef! Oef!" hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad
+reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden,
+in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet
+één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt
+hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het
+andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een
+beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn
+voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren
+zonder iets te zeggen, en sprak toen: "Ik zie dat gij een uitverkorene
+van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord,
+maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles,
+wat er van verteld wordt, waarheid is."
+
+"Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons
+gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij
+dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal
+in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen
+opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven."
+
+"Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult
+u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft
+te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden
+u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen
+neer te leggen."
+
+"Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken,
+en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier
+paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver
+zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga
+voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor
+en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien."
+
+"Wij zullen achter de boomen staan!"
+
+"Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem
+u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een
+vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u
+te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren,
+en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen
+alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij
+niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden."
+
+Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde
+lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen
+beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: "Als wij niet
+gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden
+wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen
+eed moet men houden."
+
+"Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men
+terugnemen."
+
+"Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad."
+
+"Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad."
+
+"Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met
+wien zou ik dus te rade kunnen gaan!"
+
+Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die
+van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager
+kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had
+nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste
+was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij,
+en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.
+
+Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat
+stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat
+gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier
+in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang
+duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan:
+"De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan;
+meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen
+terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft."
+
+"Wacht nog even!" antwoordde de Roodhuid schielijk. "Zult gij ons
+niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te
+gaan vechten?"
+
+"O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij
+behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder
+mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd
+den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de
+overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is;
+maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet
+dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt
+gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs
+ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds
+tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben,
+om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn,
+hen hier noodeloos dood te laten schieten."
+
+"Gij hebt gelijk," antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht
+van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man
+genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. "Ik zelf kan mijn
+eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van
+ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons
+meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal."
+
+"En als wij nu eens weigeren dat te doen?"
+
+"Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met
+kogels te overstelpen."
+
+"Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen
+en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij,
+wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken,
+en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden."
+
+"Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets
+zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat
+wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij
+dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt."
+
+Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar
+Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: "Dat is niet zoo
+gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden
+is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post
+vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot
+te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op
+alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van
+roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik
+bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend,
+en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op
+dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien
+zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke
+voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan
+alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren,
+of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd
+niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien
+gij vermijden wilt."
+
+"Oef!" riep de hoofdman onwillekeurig. "Uw woorden treffen evengoed
+als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd,
+maar ook een meester in de redekunst."
+
+"Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het
+uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen
+de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor
+u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van
+uw vijand te moeten zijn?"
+
+De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk
+had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde
+hij: "Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering
+gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten
+de wapenen maar beslissen."
+
+"Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en ik
+twijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden;
+maar niet als gevangenen, dat nooit!"
+
+"Als wat dan anders?"
+
+"Als begeleiders."
+
+"Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten
+binden?"
+
+"Neen, in geen geval!"
+
+"Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet
+daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw
+toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt
+uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen
+precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover
+moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan
+het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!"
+
+Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer
+zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen
+tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast
+hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun
+handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor
+het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met
+mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel
+van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering
+der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf moet
+erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen
+gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord
+geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken."
+
+"Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo
+handelen zult."
+
+Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed
+wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks
+(= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts,
+toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei:
+"Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!"
+
+"Howgh!" knikte de hoofdman. "Nu is het goed!"
+
+"Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen," verklaarde Old
+Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.
+
+Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem
+gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte
+gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden
+waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar
+hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp,
+blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde,
+en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: "Aan de vier blanken
+zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der
+oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!"
+
+Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en
+Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.
+
+"Neen," antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het
+gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd
+hadden opgetild, om rond te kijken. "Zij zijn niet dood; zij zijn
+niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn,
+in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen."
+
+"Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn
+voeten!" riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen
+schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer
+den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo
+groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet
+eens in hen opkwam.
+
+"Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen," zei de
+hoofdman op zeer strengen toon. "Maar de groote Manitou heeft u nu
+in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt,
+zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle
+bleekgezichten in het gebergte het hooren."
+
+De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak
+tamelijk goed Engelsch.
+
+"Moorden?" vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te
+ontkennen. "Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?"
+
+"Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw
+toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt."
+
+Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en
+ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet
+gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem
+beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij
+zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als
+zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke;
+hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden
+zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: "Natuurlijk
+moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee
+komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest."
+
+"Lieg niet!"
+
+"Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u
+wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie
+wij door u aangezien worden."
+
+"Vlei u niet met die ijdele hoop!" voegde Old Shatterhand hem toe. "Als
+gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de
+welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen,
+mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat
+heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen
+dezelfde als toen."
+
+Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.
+
+"Maar sir!" riep Knox. "Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten:
+ons leven is er mee gemoeid!"
+
+"Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen,
+die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik
+heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de
+bres te stellen."
+
+"Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen,
+dan weet ik ook wat _mij_ te doen staat. Gij wilt ons niet redden,
+dan sleepen wij u mee in het verderf." En zich nu van Old Shatterhand
+afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. "Waarom behandelt
+gij de vier met verschooning?" vroeg hij. "Zij hebben immers evengoed
+paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij,
+en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!"
+
+Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte
+een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij
+bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op
+zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten
+eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe:
+"Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden
+alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te
+schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom
+zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds
+hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven,
+om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!"
+
+Die twee Utah-woorden beduiden: "mijn mes, mijn mes!" Hij riep dat
+toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.
+
+"Om Godswil neen!" gilde de bedreigde. "Mij levend scalpeeren,
+neen, neen!"
+
+Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als
+hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige
+vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een
+Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam
+het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer--drie
+vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van
+den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in
+de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf
+gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.
+
+"Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan
+onschuldigen daarvan beticht!" riep de Groote Wolf, terwijl hij den
+scalp in zijn gordel stak.
+
+Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn
+kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg
+langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid
+te geven.
+
+De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen;
+weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden
+met riemen geboeid.
+
+Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand
+weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche
+schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat
+hij bereikt had.
+
+"Dat ziet er niet best uit," merkte Jemmy aan. "Hebt gij ons niet
+geheel en al vrij kunnen krijgen?"
+
+"Neen, dat was een onmogelijkheid."
+
+"Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht
+hadt laten komen."
+
+"Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost
+hebben."
+
+"Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die
+de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik,
+niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben,
+ons te na te komen."
+
+"Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten
+doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in
+overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever
+van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten."
+
+"Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de
+vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden
+natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn."
+
+"En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen,
+beroofd zijn geweest."
+
+"De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel
+gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De
+Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter
+elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen,
+vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar
+een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden
+wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad--twee
+schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest."
+
+"En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden
+zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd
+hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk
+opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door
+hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen,
+zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen
+hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens
+alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren."
+
+"Dat is zeer juist gezien," merkte Hobble-Frank aan. "Ik begrijp ook
+niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan
+opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt
+altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old
+Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor
+een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig,
+dat Davy er ook zoo over denkt."
+
+"Dat spreekt vanzelf," antwoordde deze. "Een gevecht zou onvermijdelijk
+tot onzen ondergang geleid hebben."
+
+"Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?" vroeg
+Jemmy. "Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten
+ons ook als vijanden behandelen zal."
+
+"Dat zou ik hun maar niet raden," dreigde Frank. "Bij die geschiedenis
+heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal
+ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met
+hand en tand tegen verzetten."
+
+"Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen
+alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor
+zoete koek."
+
+"Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige
+zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft
+waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig..."
+
+"Astronomischen wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.
+
+"Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen," zei
+de kleine driftig. "Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe
+noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij
+nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles
+voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de
+viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen
+denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan
+over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen
+geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat
+is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen
+wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van
+het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria."
+
+Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen
+van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar
+Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen:
+"Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht
+niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen
+bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog
+wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan
+den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met
+het tegenwoordige oogenblik."
+
+"En dan is allereerst de vraag," merkte Davy op, "of wij den Roodhuid
+kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?"
+
+"Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij
+hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging
+kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat
+ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De
+Roodhuiden maken aanstalten om op te breken."
+
+Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden
+vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos
+was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had
+bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het
+smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken,
+om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was
+juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men
+verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden
+nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen,
+dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte
+van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.
+
+Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom
+van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de
+boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich
+in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+OP DOOD EN LEVEN
+
+
+De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in
+vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der
+bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan
+beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden
+zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen
+duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het
+klaarlichte dag.
+
+Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht
+met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich
+stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de
+nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf
+aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der
+krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers
+aan dat bevel, en reden weg.
+
+Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte,
+welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander
+afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het
+thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het
+bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water
+reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men
+in de verte de vuren zag branden.
+
+"Oef!" liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn
+stem hooren. "Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw
+lot beslist worden."
+
+"Vandaag nog?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal
+langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den
+slaap nieuwe krachten geput hebt."
+
+"Dat klonk niet onakelig!" zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet
+door de Roodhuiden verstaan te worden. "Onze doodsstrijd! Hij schijnt
+dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt
+gij daarvan, oude Frank?"
+
+"Vooreerst nog niemendal," antwoordde de kleine Saks. "Spreken zal ik
+eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft
+geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een
+uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil
+ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg
+voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als
+zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij
+mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ik van plan toch ook
+een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er
+dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal
+zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar
+de Elize geëxpediëerd heb."
+
+"Bedoelt gij naar het Elyzee?" vroeg de dikke.
+
+"Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu,
+en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met
+een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken
+hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het
+minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in
+pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven;
+de leege vaten klinken het hardst."
+
+Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing
+waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd
+daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik
+van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich
+opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen
+hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens,
+daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende
+om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter
+wilde beesten bestond.
+
+Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen
+vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist
+had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele
+krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De
+bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om
+over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De
+vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes
+bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap
+daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat
+zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk
+heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.
+
+Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die
+bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken
+vervaardigde hutten--tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in
+welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van
+de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van
+den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der
+Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De
+krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de
+vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang
+om de blanken heen te dansen.
+
+Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het
+is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle
+eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen
+heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt
+voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot
+nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep
+zijn metgezellen eenige woorden toe, waarop zij neerknielden en hun
+geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de
+knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn
+aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.
+
+"Wat is dat?" riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. "Zijn wij
+gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig
+gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik
+heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben
+met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander
+beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden
+behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden
+wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs
+indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de
+vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij
+zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij
+honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand
+te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem
+voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer
+gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben,
+den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren
+laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van
+hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die
+voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!"
+
+De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager
+den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te
+treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde
+hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar
+dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes
+trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen
+fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden
+"Old Shatterhand" en "Geweer des doods" duidelijk gehoord werden. Er
+traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan,
+en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog
+altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old
+Shatterhand zich bediend had, sprak hij: "De hoofdman der Yampa-Utahs
+is niet trouweloos; hij houdt den calumet der beraadslaging in eere,
+en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal
+over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang
+zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee
+anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te
+maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van
+bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?"
+
+"Ja," antwoordde deze. "Maar ik verlang, dat onze paarden in de
+nabijheid van onze tent zullen blijven."
+
+"Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht
+Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans
+heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door
+een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk
+ontkomen kan."
+
+"Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten;
+gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat
+toch doen, dan heb ik er niets tegen."
+
+"Komt dan maar mee."
+
+Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen
+zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep,
+keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent,
+die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden
+lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie
+adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden,
+dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.
+
+De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik
+openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor
+het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen,
+legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich;
+doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een
+betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle
+kanten ten scherpste bewaakt werd.
+
+Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee
+voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord
+te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met
+water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken
+vleesch lagen.
+
+"Oho!" zei Hobble-Frank lachende. "Dat is vast ons avondeten. Een pot
+vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten
+verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En
+buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven
+hebben met rattenkruit?"
+
+"Rattenkruit?" lachte de dikke. "Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan
+halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel."
+
+"Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat
+ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar
+schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u
+redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen,
+waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid
+verheven acht boven uw pigment-gestalte."
+
+"Pygmeën-gestalte," verbeterde Jemmy.
+
+"Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!" gebood de kleine. "Breng
+mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting,
+waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht
+aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo
+populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare
+kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen."
+
+"Ja, braad maar!" knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den
+kleine een afleiding te geven.
+
+"Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan
+laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de
+tent uit mag om aan het vuur te komen."
+
+"Dat zult gij dienen te probeeren!"
+
+"Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden
+mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of
+dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang
+ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft;
+_feni, fidi, fidzji_--ik ga er uit!"
+
+Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor
+kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd
+werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de
+open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.
+
+De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle
+schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren
+boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende
+zilverstreep naar beneden kronkelde, een riviertje, of juister gezegd
+een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een
+meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken
+vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen
+was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn;
+de omtrek van dat meer was vlak en effen.
+
+Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden
+bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om
+langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik
+op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en
+evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun
+toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old
+Shatterhand en zijn metgezellen.
+
+Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in
+de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een
+toon van groote zelfvoldoening: "Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd
+naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets
+om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent
+heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien."
+
+"Op welke manier?" vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even
+boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte,
+en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de
+tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.
+
+"Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder
+genoemd mag worden," antwoordde de kleine. "Ik heb eens gelezen, dat
+houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren--en dat mankeert ons
+hier--maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje
+is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds
+allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen
+en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam
+daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen
+kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist
+daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder,
+die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn
+als hij het proeft."
+
+"O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan
+van uw verstand beroofd!"
+
+"Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog;
+en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan
+toch al lang overtuigd moest wezen. De asch is een chemisch product,
+dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons
+elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer
+goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten
+schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel
+ten onder gebracht zou worden."
+
+"Maar," hernam Jemmy hoofdschuddende, "gij zegt zelf, dat de vlam
+eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of
+aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden."
+
+"Praat niet, maar kauw!" viel Frank uit. "Het is zeer ongezond,
+onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep
+van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in
+de maag in de milt terecht."
+
+"Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog
+vleesch?"
+
+Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder
+zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een
+donkere, vettige laag asch.
+
+"Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?" antwoordde
+Frank.
+
+"Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet."
+
+"Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen
+gij proeft."
+
+"Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven."
+
+"Neen, die wordt er eerst afgeveegd."
+
+"Doe mij dat dan eens voor."
+
+"Met koninklijk gemak!"
+
+Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren
+wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.
+
+"Dat doet men zoo!" sprak hij triomfantelijk. "Het mankeert u altijd
+aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En
+nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van
+afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat...."
+
+Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn
+twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open,
+keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.
+
+"Nu," lachte Jemmy, "bijt maar toe!"
+
+"Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst
+als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat
+er stil bij."
+
+"Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude
+pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij
+die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen."
+
+"Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden
+door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat
+malscher kunnen kloppen?"
+
+"Probeer dat maar eens!" zei Old Shatterhand lachende. "Maar ik,
+ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is."
+
+"Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel
+vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het
+afvegen."
+
+Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar
+waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank
+was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje
+zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er
+gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.
+
+Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere
+blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden
+een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom
+begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben,
+dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat
+voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf
+hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom
+eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten,
+vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit
+hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo
+niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst
+waagstuk geweest zijn.
+
+Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.
+
+Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd
+te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende,
+neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden
+vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.
+
+"Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!" sprak
+Davy. "Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen
+op de eeuwige jachtgronden."
+
+"Ten minste een of twee of drie van ons." antwoordde Jemmy.
+
+"Hoe dat zoo?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te
+vergrijpen."
+
+"Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers
+bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat
+den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te
+sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van
+hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste
+van ons vieren viel."
+
+"Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult."
+
+"Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet
+beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren;
+en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te
+wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang
+voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot
+onzen dood zullen besluiten."
+
+"Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?"
+
+"Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik
+moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen
+bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen
+geven. Maar onze namen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij
+zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor,
+dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen
+voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons
+een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet
+leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten."
+
+"Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde
+zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de
+voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten."
+
+"Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De
+blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel
+list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren
+betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en
+het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom,
+dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits
+de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots
+der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen
+tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden
+wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken."
+
+"Maar," zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, "het
+vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve
+bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken
+als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte,
+gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere
+drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de
+genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben."
+
+"Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden
+Elandsvleesch?" vroeg Jemmy.
+
+"Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is,
+dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven
+te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch
+mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op
+middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en
+ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch
+vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land
+op te jagen?"
+
+"Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders,"
+merkte Jemmy aan.
+
+Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: "Nu wordt het al
+te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel
+van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude
+temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen
+van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik
+verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen. _Requiriescat
+in pänem_!"
+
+Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje
+van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg
+er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort,
+en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd
+dan nu en dan door het geknapper van het vuur.
+
+Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden
+die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep
+deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid
+keek naar binnen, en zei: "De bleekgezichten kunnen opstaan en met
+mij medegaan."
+
+Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.
+
+Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode
+gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het
+feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij
+traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden,
+wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid
+sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.
+
+"Wat scheelt dat volkje?" vroeg Frank. "Zij staan mij aan te gapen,
+zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil."
+
+"Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op," antwoordde Old
+Shatterhand. "Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is
+geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij
+zullen om ons leven moeten wedstrijden."
+
+"Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt
+gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?"
+
+Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag
+kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich
+zelf dacht.
+
+"Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk
+is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu
+zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven."
+
+Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht
+daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner
+was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe,
+en zei: "Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten
+zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk
+de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven."
+
+"Wij zouden dat liever niet willen zien," antwoordde Old Shatterhand.
+
+"Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende
+bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen,
+en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden."
+
+"Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe
+genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet."
+
+"Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt
+gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den
+dood gestraft."
+
+Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij
+zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen,
+indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde
+hij met tegenzin: "Welnu, wij zullen blijven."
+
+"Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt,
+zal u een _eervolle_ dood beschoren zijn."
+
+Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De
+andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen
+hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en
+verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil
+beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel
+zou aanvangen.
+
+De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de
+palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen
+ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van
+een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.
+
+Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij
+niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten
+worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van
+kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas
+zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend
+uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel
+met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen,
+dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor
+reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.
+
+De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn
+borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met
+hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de
+vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: "Redt mij, messieurs! redt
+mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen
+zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u
+te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?"
+
+"Neen," antwoordde Old Shatterhand; "wij zijn zelf gedwongen hier,
+en kunnen niets voor u doen!"
+
+"Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De
+Roodhuiden zullen wel naar u luisteren."
+
+"Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed
+heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er
+voor te dragen."
+
+"Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft
+Knox gedaan!"
+
+"Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op
+hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat
+gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld
+hiernamaals!"
+
+"Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!"
+
+Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en
+wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn
+vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een
+teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem
+gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende
+manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en
+schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in
+vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat
+met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de
+Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnen te rammelen en
+kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld
+waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een
+aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had,
+verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te
+bewegen een goed woord voor hem te doen.
+
+"Nu, ik zal het probeeren," zei deze. "Van den dood zal ik u niet
+kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling
+wat spoediger ten einde brengen."
+
+Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had
+om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid
+toe: "Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik
+dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het
+niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt
+heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor
+zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun
+woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over
+u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft
+te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt
+gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan."
+
+"Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen." Dit
+was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.
+
+"Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen
+of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen
+vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te
+dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op
+de straf, die de daders ondergaan zullen."
+
+Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een
+dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog
+eens tot Old Shatterhand, en zei: "Dit zijn de bloedverwanten van hen,
+die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe,
+de strafoefening te beginnen."
+
+"Waarin bestaat die?" vroeg de jager.
+
+"In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar
+hen geworpen."
+
+Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven,
+zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen,
+die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg,
+maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het
+messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de
+verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt
+moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt
+die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de
+gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.
+
+"Den rechterduim!" gebood de Groote Wolf.
+
+De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij
+hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee
+groepjes, het eene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen
+een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste
+nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie
+vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van
+pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat
+van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.
+
+"Den wijsvinger!" gebood de hoofdman.
+
+Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt
+moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu
+brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen
+zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos
+om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht,
+en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend
+gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep
+hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden
+voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat
+zou achten.
+
+Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening
+voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de
+handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd
+ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier,
+en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen
+duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd
+ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun
+oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij
+blijven aanhooren.
+
+Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van
+lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver,
+dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of
+verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder
+gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan
+den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen
+met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang,
+en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit
+te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal
+is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt,
+wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt
+de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken,
+die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door
+hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige
+ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het
+voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.
+
+Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van
+Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten
+uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten
+van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden,
+werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe
+pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich
+daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand
+zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannen op, en sprak:
+"Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de
+hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen
+dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft,
+diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw
+aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd."
+
+Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen
+en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om
+er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in
+de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.
+
+Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een
+vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden
+zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar
+wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen,
+voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte
+van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken
+begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der
+Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak:
+"Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen
+Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want
+hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de
+eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en
+vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!"
+
+Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old
+Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het,
+een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk
+een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af
+te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het
+voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich,
+om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken,
+en zei: "De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd;
+zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden,
+werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke,
+die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in
+een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn."
+
+Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht,
+en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij
+zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars
+wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door
+honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.
+
+Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts
+nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot
+nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf,
+dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende
+menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen;
+en toen werd alles weer stil.
+
+"Luister!" zei Jemmy. "Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij
+die twee door de honden laten opvreten."
+
+"Het is mogelijk, maar ik geloof het niet," antwoordde Old
+Shatterhand. "Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw
+overspannen verbeelding. Ook de mijne is in een zeer opgewonden
+toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen
+hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien."
+
+Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der
+terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de
+legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden
+aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken
+rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek
+om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok
+hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van
+schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat
+geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige
+woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten,
+omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn
+geweer aan, en mikte.
+
+"Niet schieten!" gebood Old Shatterhand. "De Roodhuiden zouden het ons
+zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil
+hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag."
+
+Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles
+veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den
+ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden
+afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg,
+zijn handen naar omlaag houdende.
+
+"Gij zijt verloren!" riep de Groote Wolf hem toe.
+
+"Wacht het af!" antwoordde de jager.
+
+Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek
+wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn
+tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht,
+en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich
+reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het
+beest te gemoet--een botsing van hond en mensch.--Old Shatterhand
+sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was
+gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan,
+dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen
+adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar
+beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den
+kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet,
+en smeet hem toen op den grond.
+
+"Daar ligt hij!" riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. "Laat hem
+vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen."
+
+"Oef, oegh, oegh, oef!" klonk het van de lippen der verbaasde
+Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden
+zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel,
+om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei
+op bewonderenden toon: "Mijn blanke broeder is een held! In plaats
+van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren,
+heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid
+had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch
+ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de
+ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?"
+
+"Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen."
+
+"Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had."
+
+"_Pshaw!_ Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat
+denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?"
+
+"Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is
+gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?"
+
+"Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik
+genegen ben om met u medelijden te hebben."
+
+De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als
+bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den
+kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van
+de beraadslaging konden afluisteren.
+
+Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier
+gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange
+rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf
+nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks;
+de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden
+eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig
+spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er
+zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven
+hebben.
+
+De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen,
+wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde
+een algemeen met luider stemme geroepen "howgh" het einde van de
+vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in
+den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De
+Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. "De
+vier bleekgezichten," sprak hij, "hebben reeds gehoord waarom wij de
+strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij
+hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen
+vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij
+zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou
+worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult
+verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt,
+en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten,
+die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar
+gij zult om uw leven mogen kampen."
+
+Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok,
+om de vraag tot hem te richten: "Met wie? Wij met ons vieren tegen u
+allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige
+opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door
+zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd."
+
+Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in
+staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de
+hand, en antwoordde: "Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal
+slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert,
+en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden."
+
+"Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om
+onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?"
+
+"Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich
+vrijwilligers voor aanmelden."
+
+"En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?"
+
+"Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen."
+
+"O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?"
+
+"Neen."
+
+"Dat is onbillijk."
+
+"Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet
+in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben,
+en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen."
+
+"Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?"
+
+"Wel, zoo velen tegen vier!"
+
+"_Pshaw!_ Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des
+Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem
+iets zal voorgeven."
+
+"Die bang is?" vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. "Wilt
+gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, dat _wij_
+bang zijn?"
+
+"Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht
+looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk
+een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij
+mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor
+betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik,
+als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen."
+
+De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij
+kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij
+hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: "Wij hebben reeds zooveel
+inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons
+verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp
+wel gewaarworden."
+
+"Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden."
+
+"Hoe bedoelt gij dat?"
+
+"Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te
+dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood,
+kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?"
+
+"Ja."
+
+"Dus zal niemand mij dan iets doen?"
+
+"Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal
+overwinnen!"
+
+"Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den
+aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten
+delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk,
+dat het anders uitvalt dan gij denkt."
+
+"Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een
+voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar
+zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft."
+
+"Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk
+niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden."
+
+"Word niet te stekelig, pas op!" snauwde de hoofdman hem driftig
+toe. "Gij hebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt,
+ja of neen."
+
+"En als wij dat nu eens niet doen?"
+
+"Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet
+aan denken zult u te verzetten."
+
+"Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk
+onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en
+behandeld zal worden als vriend."
+
+"Dat beloof ik u!"
+
+"Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!"
+
+"Gelooft gij mij dan niet?" riep de Groote Wolf.
+
+Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest
+houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige
+bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: "Kom aan, ik
+geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd
+maar op!"
+
+Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en
+drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei
+tegen zijn metgezellen: "Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet
+al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik
+ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik."
+
+"Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen
+waren," zei de lange Davy.
+
+"Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De
+Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één
+zal opkomen om met mij aan te binden."
+
+"O, zeer zeker."
+
+"Wie dan?"
+
+"De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij
+de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel,
+een echte olifant."
+
+"Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste
+tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd
+zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo
+zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht
+te kiezen."
+
+"Wij zullen het maar afwachten," zei Jemmy. "Al maken wij ons nòg
+zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig
+en de oogen maar open houden."
+
+"En het hoofd op de rechte plaats," voegde Hobble-Frank er bij. "Wat
+mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik
+weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid,
+ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag
+een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren,
+dat de vonken heel tot Groenland spatten."
+
+Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring
+werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor
+het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende
+vrijwilligers.
+
+"Wijs nu dan de paren maar aan," verzocht Old Shatterhand.
+
+De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: "Hier
+staat Pagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om
+zijn leven wil zwemmen."
+
+De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen,
+skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn
+element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde
+heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch
+gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den
+ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam,
+dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik
+vol minachting, die hij op Davy wierp.
+
+Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens
+spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren,
+plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: "Dit hier is
+Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht
+worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een
+mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt,
+mag hem doodsteken."
+
+De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk
+groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er
+aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke
+Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.
+
+Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang,
+ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen
+en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei:
+"Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met
+dit bleekgezicht om het leven te harddraven."
+
+Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen
+twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja,
+de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!
+
+"En wie is mijn tegenstander?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Ik!" antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn
+giganten-gestalte met fierheid oprichtte. "Gij hebt zeker gedacht,
+dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin
+vergist hebt."
+
+"Dat doet mij genoegen," antwoordde de blanke vriendelijk. "Ik heb
+tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht."
+
+"Gij zult het onderspit delven."
+
+"Old Shatterhand wordt nooit overwonnen."
+
+"En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen,
+dat hij mij overwonnen heeft!"
+
+"Dat zal _ik_ vandaag reeds vertellen."
+
+"En zal _ik_ meester van uw leven zijn."
+
+"Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!"
+
+Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer
+goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk
+antwoordde deze schielijk: "Ik heb niets met uw Geweer van den Dood
+te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen."
+
+"Ook dat vind ik goed."
+
+"Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u
+is dus ook uw paard, mijn eigendom."
+
+"Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer
+heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?"
+
+"Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte
+naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn
+beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan
+kan het daar verroesten en verrotten."
+
+"Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want
+anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs
+brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de
+verschillende wedkampen zullen plaats hebben."
+
+"Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen
+gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden
+daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen."
+
+De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten,
+om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden
+kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden
+krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets
+bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich
+nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten
+dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij
+zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur
+stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar
+hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel
+geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.
+
+"De Roode Visch!" mompelde hij. "Dien naam hebben ze natuurlijk aan
+den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is."
+
+"En gij?" vroeg Old Shatterhand. "Ik heb u wel eens zien zwemmen,
+maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een
+rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?"
+
+"Niet al te best."
+
+"O wee!"
+
+"Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit
+zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel
+zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind."
+
+"Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur
+van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?"
+
+"Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar
+wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen
+hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten."
+
+"Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt
+gij wel eens op uw rug gezwommen?"
+
+"Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan."
+
+"Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende
+menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug
+liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer
+regelmatig en druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd
+dan de handen onder den rug."
+
+"_Well!_ Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het
+loodje wel laten leggen."
+
+"Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt."
+
+"Welke list?"
+
+"Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in."
+
+"Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?"
+
+"Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren."
+
+"Wij weten niet eens _waar_ gezwommen moet worden."
+
+"Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver
+is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd
+passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater
+stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt,
+op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs
+dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de
+uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is,
+zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander
+slaat."
+
+"Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt,
+moet ik dan den kerel overhoopsteken?"
+
+"Hebt gij daar trek in?"
+
+"Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele
+beetje goed, dat ik bezit."
+
+"Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn,
+is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten."
+
+"Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes
+op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?"
+
+"In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht
+wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn."
+
+"_Well_, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval,
+en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?"
+
+"Niets beter," antwoordde de dikke. "Mijn tegenstander heet Groote
+Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?"
+
+"Nu?"
+
+"Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten
+onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die
+twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een
+nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken."
+
+"Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!" troostte Old
+Shatterhand. "Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is
+vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk
+wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer
+spierkracht heb, dan hij."
+
+"Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik
+zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is
+toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist
+ik ook maar zulk een list te bedenken."
+
+"Dat behoeft niet!" viel Hobble-Frank hem in de rede. "Die list ligt
+voor de hand. Als _ik_ het met dien platvoeter moest uitvechten,
+zou ik mij volstrekt niet ongerust maken."
+
+"Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!"
+
+"Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest
+moet men overwinnen. Vat ge mij?"
+
+"Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?"
+
+"Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar
+nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren
+daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij
+spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit."
+
+"Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt."
+
+"Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig;
+ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand
+in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt
+u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld
+van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes
+in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn
+tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men
+in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk
+door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel
+kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen,
+of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik
+gelijk of niet?"
+
+"Ja. Maar verder."
+
+"Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt
+geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander
+op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met
+den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer
+licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander
+gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de
+Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen,
+een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar
+zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt,
+niet anders kan strekken dan tot uw voordeel."
+
+"Hoe zoo dan? Maak het kort!" drong Jemmy.
+
+"Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik
+spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u
+van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te
+doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable
+dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden
+later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op
+slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag,
+tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door,
+waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van
+uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar
+dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het
+mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?"
+
+Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: "Frank! gij zijt geen
+kwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw
+raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed
+einde leiden."
+
+Over Frank's eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen
+hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: "Genoeg, genoeg,
+beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt,
+kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien
+geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant
+door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden
+wordt. Daarom...."
+
+"Kiezelsteen, niet tegelsteen!" viel Jemmy hem in de rede. "Lieve
+hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een
+tegelsteen had!"
+
+"Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke
+kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand,
+red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen
+tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken
+heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?"
+
+"Neen."
+
+"Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt."
+
+"Hebt gij er dan een gevonden?"
+
+"Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik
+vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog
+jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote
+waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens
+een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van
+twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd
+onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb
+om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd
+en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik
+u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder
+mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om
+aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste
+levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met
+raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te
+zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden,
+waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen,
+en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het
+nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken."
+
+"Dat is zeer juist gedacht," merkte Old Shatterhand aan. "Wij hebben
+nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal
+er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart
+wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen,
+beste Frank?"
+
+"Beste Frank!" herhaalde de kleine. "Wat een heerlijke acoustiek ligt
+er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair,
+als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel,
+harddraven! Wat zou ik anders doen?"
+
+"Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven."
+
+"Dat weet ik wel."
+
+"Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er
+één doet."
+
+"Dat is jammer genoeg."
+
+"De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben,
+en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?"
+
+"O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den
+ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan
+ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen
+genoeg van gegeven."
+
+"Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen
+zijn."
+
+"Hum! Dat zullen wij zien."
+
+"Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen,
+vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap."
+
+"Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het
+eind van den rit kom."
+
+"Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen."
+
+"Oho! Waarom niet?"
+
+"Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens
+bij de zijne!"
+
+"O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?"
+
+"Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij
+het om dood en leven gaat?"
+
+"Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de
+hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan."
+
+"Daar loopt men toch niet mee!"
+
+"Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen
+zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij
+terugkomen? Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij
+niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren,
+en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd
+moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af."
+
+"Ik begrijp u niet," zei Old Shatterhand, verwonderd over de
+bedaardheid van den kleine.
+
+"Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts,
+dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of
+sprongen, die het doel voorbijstreven."
+
+"Hebt gij dan zulk een gedachte?"
+
+"Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven,
+verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik
+weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat
+bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel
+zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige
+tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet
+den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren;
+en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij
+hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun
+bescheiden deel gehad hebben."
+
+Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen,
+om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van
+menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar
+zou de zwemwedstrijd plaats hebben.
+
+Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden
+juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer
+had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde
+stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de
+linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde
+op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet
+heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna
+drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken,
+was hij misschien gered.
+
+De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den
+oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde,
+want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de
+twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol
+zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is
+van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls;
+zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden,
+was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.
+
+Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag:
+"Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?"
+
+"O ja," antwoordde de gevraagde; "maar wij kennen de nadere bepalingen
+nog niet."
+
+"Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te
+water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen,
+steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond,
+waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever
+af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten,
+is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere
+overhoop."
+
+"Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar
+links?"
+
+"Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug."
+
+"Moeten zij naast elkander zwemmen?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de
+linkerhand?"
+
+"Neen, omgekeerd."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den
+versten afstand af te leggen heeft."
+
+"Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten
+zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen,
+dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van
+wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever
+en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander,
+en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug."
+
+"Gij hebt gelijk," verklaarde de hoofdman. "Maar wie moet rechts en
+wie moet links?"
+
+"Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten
+beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers
+trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links,
+wie den kortsten trekt naar rechts."
+
+"Goed, zoo zal het zijn. Howgh!"
+
+Dat laatste woord werd tot Davy's geluk gesproken, want het bewees
+dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand
+had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot
+waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen,
+toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt
+een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en
+moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer
+gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel,
+waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht
+van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend
+tegen Old Shatterhand: "Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben,
+weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste
+zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat
+moeite hebben om er tegen op te komen."
+
+Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water
+staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn
+handen--een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en
+zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs
+den oever naar rechts.
+
+"Houd u goed, Davy!" riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.
+
+Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te
+bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als
+iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht
+voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar
+hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy
+zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en
+moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat
+niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging
+het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch
+zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich
+nu beiden op de lange zijde van het meer.
+
+Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste
+taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af
+te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en
+bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming
+sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men
+spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met
+de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat
+zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.
+
+Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker,
+maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij
+kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige
+regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel
+bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde
+daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor
+verdubbelde zijn snelheid, en weldra was hij den Rooden Visch vooruit,
+hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen,
+in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij
+later te boven zou moeten zien te komen.
+
+Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde
+ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan,
+en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den
+Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.
+
+Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade
+te slaan.
+
+"De Roodhuid haalt hem weer in," zei Jemmy op angstigen toon. "Hij
+zal verliezen!"
+
+"Als hij zich nog maar drie el verder werkt," antwoordde Old
+Shatterhand, "dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering
+overwonnen, en dan is hij behouden."
+
+"Ja, ja," merkte Frank aan; "hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie
+eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit;
+hij is er overheen. Hoera, hoera!"
+
+Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij
+in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich,
+terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg
+nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.
+
+De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven
+te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd,
+bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het
+dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de
+plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep
+hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van
+de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den
+rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.
+
+"Hoera!" riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De
+Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar
+woedend gebrul.
+
+Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename
+uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te
+roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand,
+hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden;
+maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij
+zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte
+hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich
+omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had,
+en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.
+
+Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden
+weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten
+doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan,
+en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de
+dooden verrezene, te begroeten.
+
+"Wie had dat gedacht!" zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen
+drukte. "Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!"
+
+"Door een grashalm!" antwoordde de jager met een glimlachje.
+
+"Hoe hebt gij dat toch bewerkt?"
+
+"Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die
+echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw
+leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door
+benadeeld werden."
+
+"Zoo is het!" zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde
+over de door zijn vriend behaalde overwinning. "Uw leven heeft niet
+aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook
+bij het wedloopen. De beenen alleen doen het 'm niet, dat gelijkt
+er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja,
+de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd
+komt het 't meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!"
+
+De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf
+minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten,
+met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden
+keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den
+overwonnene den doodsteek zou geven.
+
+Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den
+overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte
+beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af,
+gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen
+moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe:
+"Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!"
+
+Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij
+nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en
+zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was:
+"No wiesj--not pokai!"
+
+Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs
+hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: "Waarom doodt
+gij hem niet?"
+
+"Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven."
+
+"Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben."
+
+"Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij
+mag leven."
+
+"Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden,
+vrouw en kinderen?"
+
+"Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat
+hij heeft."
+
+"Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn."
+
+Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken,
+die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren
+over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan
+hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De
+Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke
+hem niet doodstak en scalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn,
+en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.
+
+Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange
+toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot
+hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven
+steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.
+
+Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg,
+of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte
+toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te
+breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar
+werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden
+de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den
+dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen
+listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.
+
+De twee kampioenen ontblootten het bovenlijf en gingen toen met den rug
+tegen elkander staan. De kruin van Jemmy's hoofd reikte niet eens tot
+aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand
+waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid
+over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het
+voordeel van laatstbedoelde, reikten de einden van de lasso juist zoo
+ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.
+
+"Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den
+strik open te trekken," zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.
+
+Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon
+beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn
+voorbeeld.
+
+"Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen," riep
+Hobble-Frank. "Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor
+geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch
+niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil,
+en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet."
+
+Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen
+te hooren. Hij antwoordde: "Ik ben geen Groote Visch, die zich laat
+overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt,
+spoedig dooddrukken en verpletteren."
+
+Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig;
+hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste
+vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde
+gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het
+lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te
+beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.
+
+Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met
+een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen
+hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof,
+om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen
+zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste
+boven ging.
+
+Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de
+blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig
+geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe
+harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte
+des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen
+adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te
+verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste
+of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het
+einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken
+list van den Indiaan.
+
+Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan
+te brengen, dat er geen andere aanval volgen kon of zou. Maar nu
+greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van
+voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar
+niet geheel.
+
+Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich
+gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy
+was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het
+verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den
+dikke schielijk toe: "Gooi hem overboord; hij draait zich om!"
+
+"Ik weet het!" antwoordde Jemmy.
+
+Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn
+draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy
+snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte,
+en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid
+greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy's hoofd,
+zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de
+snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met
+de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes
+op de hartstreek.
+
+Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te
+geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige
+tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden
+hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield
+bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den
+hoofdman, en vroeg: "Ziet gij, dat hij verloren is?"
+
+"Neen!" antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.
+
+"Waarom niet?" vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij
+was gekomen.
+
+"Hij is niet overwonnen."
+
+"Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen."
+
+"Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt."
+
+"Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid,
+en daarbij den riem losgewrongen."
+
+"Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen,
+en de worsteling moet van voren af aan beginnen."
+
+"Neen, Jemmy! laat hem niet los!" gebood de jager. "Zoodra hij zich
+verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!"
+
+Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: "Wie heeft
+hier te bevelen, gij of ik?"
+
+"Gij en ik, wij beiden."
+
+"Wie zegt dat?"
+
+"Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder
+der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over
+de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden
+niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar
+en bedrieger."
+
+"Gij--gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al
+mijn roode krijgslieden?"
+
+"Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang
+eerlijkheid en trouw. Wanneer _ik_ niet meer spreken mag, welnu,
+dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken."
+
+Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die
+op een veelzeggende manier in de hand.
+
+"Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?" vroeg de hoofdman op een vrij
+wat minder hoogen toon.
+
+"Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?"
+
+"Ja."
+
+"Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is
+dat eerlijk? En dat _moet_ gij gezien hebben!"
+
+"Ja, dat is zoo," antwoordde de hoofdman aarzelend.
+
+"En hij zou moeten sterven, die den ander boven zich zou krijgen op
+den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?"
+
+"Ja, zoo is het."
+
+"Welnu, wie ligt er nu onder?"
+
+"De Groote Voet."
+
+"Wie is dus de overwonnene?"
+
+"Hij ......" antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old
+Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van
+den hoofdman aanraakte.
+
+"Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?"
+
+Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een
+machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van
+zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf:
+"Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij
+hem doodsteken kan."
+
+"Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar
+hij zal het niet doen."
+
+"Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?"
+
+"Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet
+geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken
+los te wringen."
+
+"Waarom hem te binden? Hij zal u niet ontvluchten."
+
+"Staat gij mij daar borg voor?"
+
+"Ja."
+
+"Waarmee?"
+
+"Met alles wat ik bezit."
+
+"Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar
+tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden
+afgeloopen zijn."
+
+Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote
+Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der
+Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting
+zouden geven of niet.
+
+Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke,
+die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een
+manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun
+hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het
+hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn
+persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis
+en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.
+
+De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van
+zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die,
+naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu
+viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere
+luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende
+Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de
+overwinning zeker.
+
+Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old
+Shatterhand, en zei: "Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind,
+en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw
+kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?"
+
+"Neen!"
+
+"Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald
+te hebben."
+
+"Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder
+strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk
+gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn
+tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt
+gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die
+met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?"
+
+"Oef!" riep het Springende Hert. "Ik durf een wedloop aan met een ree."
+
+Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den
+lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in
+staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar
+de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte
+van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men
+er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.
+
+Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het
+Hert bekeken.
+
+"Wel, wat denkt gij van hem?" vroeg hem Old Shatterhand.
+
+"Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op
+de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan," antwoordde
+de kleine.
+
+"Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?"
+
+"Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat
+den kop betreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te
+doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij
+te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en
+gauwer, dan hij met zijn beenen."
+
+Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg:
+"Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?"
+
+"Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen."
+
+Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen
+uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar
+het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar
+het zuiden, en zei: "Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen
+hier en het bosch?"
+
+"Ja."
+
+"Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen
+loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar."
+
+Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder
+zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal
+hij veel beter sprak dan Duitsch: "Maar ik hoop, dat alles eerlijk
+zal gaan!"
+
+"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?" vroeg
+de hoofdman schamper.
+
+"Ja."
+
+"Moet ik u neerslaan?"
+
+"Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou
+iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet
+omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te
+werk gaan?"
+
+"Dat was niet oneerlijk, maar listig."
+
+"O! En zijn zulke listen geoorloofd?"
+
+De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij "ja" zei, was daarmee
+de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien
+zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te
+nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht
+had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver;
+en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een
+achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: "List is geen
+bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?"
+
+"Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?"
+
+"Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden."
+
+"Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te
+beginnen. Waar is honk?"
+
+"Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen
+en ook eindigen."
+
+Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen
+stonden.
+
+"Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik," zei Old Shatterhand.
+
+"Ja; kunt gij dat aan mij zien?"
+
+"Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest."
+
+"Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met
+zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer
+grooten dienst mee gedaan."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch,
+waar wij driemaal omheen moeten dansen?"
+
+"Een beukeboom."
+
+"En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een
+boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?"
+
+"Een pijnboom."
+
+"Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?"
+
+"Naar den beuk."
+
+"Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan."
+
+"Zijt gij dwaas!"
+
+"Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met
+mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is."
+
+"Maar wat beoogt gij daarmee?"
+
+"Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof
+niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat
+domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen
+mogelijkheid vergissen."
+
+"Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is."
+
+"Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij
+waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen,
+zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den
+hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik
+immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt
+niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later
+in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet
+kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een
+Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen
+ze mij niet kunnen nageven."
+
+"Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog
+wel een goeden raad geven."
+
+"Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven;
+en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg
+mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?"
+
+"Owomb."
+
+"Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen
+pijnboom?"
+
+"Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden."
+
+"Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?"
+
+"Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar
+komt de hoofdman aan!"
+
+De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond,
+en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.
+
+"In welke kleeding?" vroeg Hobble-Frank.
+
+"Naar ieders verkiezing."
+
+Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende
+Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek
+op zijn tegenstander neer met een blik, die den superlatief van
+minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld
+van idiotismus in den hoogsten graad.
+
+"Frank, pas op, hoor!" maande Jemmy hem aan. "Denk er om, dat Davy
+en ik overwonnen hebben."
+
+"Huilt maar niet," troostte de kleine. "Als gij nog niet weet of ik
+goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren."
+
+Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw
+uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine
+Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer
+op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu,
+na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de
+overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit,
+en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden
+jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken,
+dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.
+
+Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes
+manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en
+toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn,
+alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.
+
+De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen
+van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk,
+dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende:
+De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte
+richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie
+duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend
+voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee
+loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag
+men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op
+den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als
+zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk,
+dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.
+
+"Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben," riep de hoofdman
+Old Shatterhand toe.
+
+"Neen!"
+
+"Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!"
+
+"Ja, juist."
+
+"Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn."
+
+"Neen!"
+
+"Niet?" vroeg de Groote Wolf verwonderd.
+
+"Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund."
+
+"Oef, oef! Ja." En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen
+de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach
+verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.
+
+Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar
+driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander
+gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een
+driehonderdtal schreden zijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef
+verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.
+
+Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand
+naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet
+hooren wat hij daarbij zeide.
+
+"Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen
+pijnboom)!" riep hij namelijk den Roodhuid toe.
+
+Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten
+hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman
+verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de
+pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was
+intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak
+zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven
+was er immers mee gemoeid!
+
+De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den
+pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij,
+en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.
+
+Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden
+en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te
+grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy,
+toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.
+
+Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was
+gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij
+er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar
+loopen kon den terugtocht aan. Vier vijfde gedeelten van den afstand
+legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens
+naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan
+den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen
+als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien,
+dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet
+hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te
+kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.
+
+Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het
+nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een
+wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar
+daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman
+aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: "Wel, oude kameraad! wie
+heeft overwonnen?"
+
+"Hij die de voorwaarden vervuld heeft," antwoordde de Roodhuid barsch.
+
+"Dat ben ik."
+
+"Gij?"
+
+"Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?"
+
+"Dat heb ik gezien."
+
+"En ik ben immers het eerst weder hier?"
+
+"Dat zie ik."
+
+"Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom
+heen gedaan?"
+
+"Waarom twee keeren meer?"
+
+"Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens
+omheen was geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee
+keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet
+over hem te klagen zou hebben."
+
+"Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?"
+
+"Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij,
+dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien
+zelf wel zeggen."
+
+"Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?"
+
+"Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een
+pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had, hij of ik."
+
+"Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?"
+
+"Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later
+evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand."
+
+Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van
+den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna
+sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: "Hebt gij het Springende
+Hert misschien bedrogen?"
+
+"Bedrogen? Moet ik u neerslaan?" voer de kleine schijnbaar in drift
+uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman
+vroeger zelf gebezigd had.
+
+"Of hebt gij een list gebruikt?"
+
+"Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?"
+
+"Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen."
+
+"Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten
+schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den
+eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als
+hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij
+behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd
+hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen
+om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij
+blameert er u mee."
+
+De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het
+heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen
+en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op
+zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen
+rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.
+
+Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des
+te hartelijker vreugde verwelkomd werd.
+
+"'k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?" vroeg hij aan
+Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop
+begon.
+
+"Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een
+meesterstuk."
+
+"Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd
+op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht
+in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet
+springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt
+geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is
+dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien
+Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het 'm niet,
+zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het 't meest aan!"
+
+Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar
+de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: "Wie
+heeft overwonnen?"
+
+"Het bleekgezicht," luidde bedeesd het antwoord.
+
+"Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?"
+
+"Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de
+eindpaal was."
+
+Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar
+uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den
+hoofdman: "Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd
+hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag
+hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol
+bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen
+kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj
+owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er
+toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog
+een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!"
+
+Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich
+van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor
+nog toorniger, en hij riep: "Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar;
+maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn
+tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp
+en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u."
+
+"Neen, neen!" zei de kleine afwerend. "Ik wil er niets van hebben. Houd
+hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er
+weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben."
+
+Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de
+hoofdman grauwde hem toe: "Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar
+later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw
+gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal
+een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken
+en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang
+duren."
+
+"Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij."
+
+"Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old
+Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het
+stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in
+ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom."
+
+"Maak maar geen misrekening," waarschuwde Old Shatterhand ernstig. "Ik
+lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt
+is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor
+dat van een ander willen inruilen."
+
+"Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder
+de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel
+veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden,
+als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste,
+grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen."
+
+De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.
+
+"Heb ik misschien iets te veel gezegd?" vroeg Hobble-Frank op een
+toon van bezorgdheid.
+
+"Volstrekt niet," antwoordde Old Shatterhand. "Het is heel goed,
+dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein
+kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den
+hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren;
+want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in
+het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan
+zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben,
+houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam
+zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man
+besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun
+schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. De hoofdzaak is,
+dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden,
+en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen,
+dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij,
+Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt;
+maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem
+aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen
+klein te maken. Daartoe zal _ik_ mijn best doen, nu ik mij met hem
+ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen
+willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden,
+want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker."
+
+Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door
+de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren
+zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.
+
+Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso's
+bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der
+legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het
+trof Old Shatterhand's opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden
+allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet
+geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in
+den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die
+zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso's wijzende,
+vroeg deze: "Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?"
+
+"Neen, maar dat kan ik wel begrijpen," antwoordde de jager. "Wij
+moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn."
+
+"Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal
+om ons lijf gebonden worden."
+
+"Waarom dat?"
+
+"Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen
+bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten."
+
+"Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in
+mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij
+verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar
+minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden,
+om met mijn goede eigenschappen mijn voordeel te doen. Enfin, het is
+mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?"
+
+"Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de
+linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden
+dood is."
+
+Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen
+had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old
+Shatterhand antwoordde doodbedaard: "Ik zal er genoegen mee nemen."
+
+"Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig
+overwonnen."
+
+"Dat zullen we afwachten."
+
+"Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt."
+
+Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij
+bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden
+in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte,
+om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen
+met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging
+een "oef!" van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de
+kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: "Hij houdt zich maar zoo,
+om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker,
+dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een
+voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten,
+totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden
+waar Abram den mosterd haalt."
+
+De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje
+van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich
+overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van
+gemoedelijkheid: "Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten
+zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik
+vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint."
+
+"Dank u, dat is niet noodig," antwoordde Old Shatterhand kalm. "Ik zal
+mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke
+man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!"
+
+"Dat zal ik. Wie zou mij helpen?"
+
+"Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk
+dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend,
+alsof zij moeten gaan vechten?"
+
+"Zijn uw metgezellen dan ongewapend?"
+
+"Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat
+is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen
+blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid
+de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven,
+dat ook gij een dapper man zijt?"
+
+"Wilt gij mij beleedigen?" riep de Roodhuid driftig. "Ik heb geen
+hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in
+de tenten brengen, als de uwen dat ook doen."
+
+"Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn
+mes behouden."
+
+Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy
+deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch:
+"Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt,
+schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier
+terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht
+gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de
+tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig."
+
+"Wat hebt gij met dien man te praten?" grauwde de hoofdman hem toe. "En
+waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?"
+
+"Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat."
+
+"Wat hebt gij tegen hem gezegd?"
+
+"Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven
+om ze te bewaken."
+
+"Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?"
+
+"Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet
+gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het
+afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt."
+
+"Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar
+zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in
+het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken."
+
+Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af,
+en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook
+Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn
+bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te
+worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon,
+zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer
+licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug,
+om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op
+het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den
+kleinen Saks.
+
+"Nu hebt gij uw zin gehad," zei de Groote Wolf. "Willen we nu
+beginnen?"
+
+"Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij
+mij doodt?"
+
+"Die zullen onze gevangenen zijn."
+
+"Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar
+zij willen."
+
+"Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als
+gijzelaars."
+
+"Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig,
+daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval
+dat ik u dood?"
+
+"Dat zal het geval niet worden," antwoordde de Roodhuid hooghartig.
+
+"Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken."
+
+"Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!"
+
+"En zal niemand ons tegenhouden?"
+
+"Geen mensch!"
+
+"Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen."
+
+"Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier
+hebt gij een tomahawk."
+
+Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk
+ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde
+die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even,
+en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.
+
+"Wat doet gij?" vroeg de hoofdman verwonderd.
+
+"Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is
+van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters
+gevlogen zijn."
+
+"Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?"
+
+"Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders
+niets."
+
+Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht
+wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht
+van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een
+spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: "Het stond u vrij de
+bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere."
+
+"Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen,
+waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan."
+
+"Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn
+tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt
+niet zoo sterk als ik ben."
+
+"Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben,
+merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten
+oordeelen wie de sterkste is, gij of ik."
+
+Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de
+Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn
+gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven
+zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij
+bleef liggen.
+
+"Doe mij dat eens na!" riep hij den Roodhuid toe.
+
+"Oef, oef, oef!" klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman
+antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van
+den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst
+na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: "Verbeeldt gij u,
+dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en
+uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!"
+
+"Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen,"
+antwoordde Old Shatterhand glimlachende. "Dus, gij zoudt graag mijn
+scalp hebben?"
+
+"Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den
+overwinnaar ... Bindt ons maar vast!"
+
+Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den
+hoofdman en Old Shatterhand de lasso's om de heupen bonden, en toen
+achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die
+twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn
+de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo,
+dat de twee lasso's een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de
+een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid
+had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old
+Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.
+
+De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een
+den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem
+zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen
+bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij
+zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren
+ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou;
+te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand
+hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet
+naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een
+stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte
+in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog,
+zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.
+
+Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander
+gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te
+laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den
+aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit
+beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf
+zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand
+een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen;
+doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo
+zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid
+en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo
+dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp
+te ontwijken.
+
+Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te
+werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware
+de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.
+
+Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden
+verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig
+te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te
+laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te
+beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets;
+zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard
+en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring
+bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk
+tot vlug en krachtig handelen over te gaan.
+
+De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting,
+dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan
+een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid
+te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht
+het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren,
+zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een
+luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe,
+den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds
+dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel
+lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts
+overeind--het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht;
+de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar
+het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond
+viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den
+Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke
+zijn tegenstander, zoo snel dat niemand er iets van zag, met het harde
+heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek,
+dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old
+Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: "Wie is de overwinnaar?"
+
+Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden
+dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het
+zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er
+verslagen van.
+
+"Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den
+overwinnaar toebehoort," vervolgde Old Shatterhand. "Zijn scalp is dus
+mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en
+een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien
+heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode
+broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar
+mijn tent."
+
+Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten,
+en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich
+eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij
+verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers
+hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen,
+en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.
+
+"Vlug te paard en voort!" gebood Old Shatterhand. "Praten kunnen
+wij naderhand."
+
+In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst
+langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij
+door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats
+waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op
+hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten
+die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm
+maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken,
+die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen
+en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de
+echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.
+
+De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende
+naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old
+Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van
+die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was
+overtuigd, dat de Utah's dadelijk zouden opbreken om hen achterna
+te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar
+het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor
+te volgen.
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.
+
+
+Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs
+de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen
+getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met
+Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met
+den Engelschen lord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het
+reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen
+hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken,
+om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de
+ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de
+boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl
+het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te
+stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het
+meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat,
+uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in
+een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel
+vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.
+
+Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe
+hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg,
+die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en
+over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun
+ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren
+bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij
+hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen
+waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde
+misschien nog hulp te kunnen brengen.
+
+Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen
+opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten
+niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden
+hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden,
+en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.
+
+Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met
+zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een
+mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij,
+dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde
+vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd
+geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te
+vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou
+vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de
+plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte
+te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en
+wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed
+teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg
+bij was: "Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?"
+
+"Ja, hen en hun legerplaats."
+
+"En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?"
+
+"Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven."
+
+"Waaraan hebt gij dat ontdekt?"
+
+"Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan,
+dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden
+vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd
+van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in
+het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen
+dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard."
+
+"Hoe groot is hun aantal wel?"
+
+"Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn
+minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er
+ook nog wel geweest zijn."
+
+"Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch
+misschien opgejaagd naar één kant?"
+
+"Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de
+menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil,
+en keken allen in het water."
+
+"Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in
+het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?"
+
+Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de
+Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd
+begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof
+hij er bij gestaan en alles gezien had: "Neen, zij willen hen niet
+verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven."
+
+"Hebt gij reden om dat te vermoeden?"
+
+"Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand
+is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs
+dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken
+als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn
+vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt
+hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem
+een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij
+zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt
+dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem
+zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren."
+
+"Zoo is het," zei Old Firehand; "ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij
+hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat
+zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen;
+ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij
+moeten ons haasten, om hen te redden."
+
+"Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om
+zelf te sterven."
+
+"Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit
+als een vijand van de Utahs heb doen kennen."
+
+"Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de
+strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun
+besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden
+ook u niet sparen."
+
+"Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!"
+
+"Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van
+dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou
+kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien."
+
+"Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?"
+
+"Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht
+ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.
+
+"Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren."
+
+"Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het
+tegendeel doen denken."
+
+"En die redenen zijn?"
+
+"Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden
+niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in
+den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te
+gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik
+weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen."
+
+"En ten tweede?"
+
+De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde:
+"Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de
+zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken."
+
+"Wie is dat?"
+
+"Old Shatterhand."
+
+"Wat!" riep de jager, van verwondering opspringende. "Old Shatterhand,
+dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die
+werkelijk reeds hier zijn?"
+
+"Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster
+aan den hemel."
+
+"Hebt gij hem gezien?"
+
+"Neen."
+
+"Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?"
+
+"Ik wist dat gisteren reeds."
+
+"Zonder het mij te zeggen?"
+
+"Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd
+had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard
+gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben."
+
+"Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?"
+
+"Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten,
+vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels
+uit Old Shatterhand's wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij
+heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen
+dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben."
+
+"Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als
+Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons
+niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is
+te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen
+wij doen? Wat stelt gij ons voor?"
+
+"Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter
+elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten
+aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!"
+
+Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen
+of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men
+hem volgde.
+
+De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander
+geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend
+klimmende bergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte
+was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt
+met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom
+van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen
+beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts,
+die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen
+op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.
+
+Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste
+punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich
+eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van
+waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien
+konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren
+niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween
+om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en
+meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah
+daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het
+zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden,
+was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak
+der Utahs te kunnen begluren.
+
+Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de
+legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den
+grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old
+Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk:
+"Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds
+ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein
+kereltje."
+
+Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen
+blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: "Oef! dat is
+Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij
+kan den Roodhuid onmogelijk inhalen."
+
+"Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?" vroeg Old Firehand. "Dan
+mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij
+moeten een besluit nemen!"
+
+"Nu nog niet!" zei de Apache. "Er is nu nog geen gevaar. Old
+Shatterhand is immers bij hen?"
+
+De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den
+wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen;
+men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd,
+dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch
+hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen,
+dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.
+
+"Frank het eerst!" riep Old Firehand. "Hoe is dat mogelijk!"
+
+"Door list," antwoordde Winnetou. "Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat
+aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed
+schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats
+terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken."
+
+"Ik ook," riep Droll. "Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en
+die kleine Hobble-Frank."
+
+Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der
+genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord,
+om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een
+kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei:
+"Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun
+wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn."
+
+"Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor,
+om er ruiterlijk naar toe te rijden."
+
+"Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf
+hier," antwoordde de Apache zeer beslist. "Old Shatterhand kent de
+omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al
+de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht
+zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal
+zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt."
+
+Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de
+boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de
+mededeeling: "Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan
+den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee
+kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die
+bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun
+de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen."
+
+"En heimelijk? Dus vluchten?" vroeg Old Firehand. "Dan vatten wij
+post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet."
+
+"Noch het een, noch het ander," hernam de Apache hoofdschuddende.
+
+"Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens
+op tegenspraak te stuiten!"
+
+"Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de
+Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?"
+
+"Dan zullen zij hen achternazetten."
+
+"Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden
+heeft men daartoe noodig?"
+
+"Wel twintig--zeg dertig."
+
+"Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons
+ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te
+doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen."
+
+"Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet
+blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons
+hoe velen wij zijn."
+
+"Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor,
+dat zich achter hen bevindt."
+
+"O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?"
+
+"Juist."
+
+"Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?"
+
+"Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en
+ik. Luister! Wat is dat?"
+
+Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk
+daarop zag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren
+blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het
+meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken,
+en daarlangs berg-op te rijden.
+
+"Daar komen zij aan," zei Winnetou. "Old Firehand kan mij volgen. Maar
+mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het
+bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden
+meenemen."
+
+Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds
+den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan
+een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien,
+zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.
+
+Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn
+metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de
+Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte,
+klonk het van boven: "Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een
+oogenblik halt houden."
+
+De vier kortten den teugel, en keken naar boven.
+
+"Winnetou, Winnetou!" riepen alle vier tegelijk.
+
+"Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen," antwoordde deze. "En
+hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is."
+
+Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.
+
+"Old Firehand!" riep Old Shatterhand. "Gij hier, gij! Ik moet naar
+boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!"
+
+In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een
+beweging om van zijn paard af te springen.
+
+"Blijf zitten, blijf zitten!" riep Old Firehand hem toe. "En naar u
+toe komen kan ik ook niet!"
+
+"Waarom niet?"
+
+"De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij
+hier zijn."
+
+"O! Zijt gij alleen?"
+
+"Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere
+westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu
+geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?"
+
+"Naar het Zilvermeer."
+
+"Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn,
+komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!"
+
+"Heerlijk, heerlijk!" riep Old Shatterhand. "Welk een blijdschap en
+welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd
+om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er
+gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?"
+
+"Ja."
+
+"Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het
+noodigste vertellen."
+
+De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in
+waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in
+woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar
+met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid
+van die mannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee
+klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand:
+"Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten
+Night-Canon genoemd wordt?"
+
+"Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest."
+
+"Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden
+verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden,
+die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te
+beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?"
+
+"Ja, zeer goed."
+
+"Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte
+over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar
+zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij
+heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met
+zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als
+zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer,
+want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders
+meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten
+of zich over te geven."
+
+"Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog
+één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het
+Zilvermeer?"
+
+"Dat zal ik u zeggen," antwoordde Old Firehand. "Er ligt daarboven een
+uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek
+heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid
+is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor
+ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer
+daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen
+opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten
+eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft."
+
+Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk
+glimlachje, toen hij zei: "Een mijn? Wie heeft die ontdekt?"
+
+"Ik ben zelf ook daarbij geweest."
+
+"Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij
+twee vliegen in één klap slaan."
+
+"Hoe bedoelt gij dat?"
+
+"Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn,
+in vergelijking, niets is."
+
+"O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"Wat weet gij daarvan?"
+
+"Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat
+meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien
+zijt gij dat te weten gekomen?"
+
+"Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de
+legerplaats komen."
+
+"Hierheen?"
+
+"Ja, te paard."
+
+"Hoeveel?"
+
+"Vijf."
+
+"_Pshaw!_ Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet
+u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het
+oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit
+dus! Tot weerziens in den Night-Canon!"
+
+Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen
+weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het
+oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit,
+opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden
+welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.
+
+Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch
+teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van
+de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand
+wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar
+viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het
+meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch
+te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei:
+"Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van
+de plannen harer krijgslieden te weten komen."
+
+"Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen," antwoordde
+de Apache.
+
+Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar
+in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het
+kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water
+neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of
+althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel
+niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef
+achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard
+geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag
+hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling:
+"Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel
+vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten."
+
+"En wat is dat?" werd er gevraagd.
+
+"Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor
+van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig
+anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf."
+
+"Dus is die niet gekwetst?"
+
+"Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand
+lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij
+teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over
+den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden,
+om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos
+zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den
+ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt
+het kamp opgebroken."
+
+"Waar gaan zij naar toe?"
+
+"De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar
+zij veilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf
+achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken."
+
+"Waar is dat?"
+
+"Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen
+hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg."
+
+"Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf
+met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt,
+bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk
+een overmacht tegen vier blanken!"
+
+"Old Shatterhand is mijn vriend en leerling," zei Winnetou met fiere
+zelfvoldoening. "Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang
+te zijn."
+
+Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer
+de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij,
+zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de
+hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd,
+met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een
+draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien
+ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel
+op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met
+den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat
+sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak
+bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit
+het legerkamp.
+
+Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen,
+en nog tien minuten daarna braken de anderen op.
+
+Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig
+berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog
+water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen
+lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit,
+vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke
+hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling
+van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was
+overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling
+had het langs de beek aangericht.
+
+Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als
+men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden
+had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te
+zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat
+de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren;
+en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had,
+was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.
+
+De richting naar den _Night_-canon liep op de smalste plaats der
+Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond
+werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen
+kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun
+toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier
+en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was
+week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.
+
+Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat
+men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij
+wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden
+aanwenden.
+
+Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer
+opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch,
+en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken
+zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel
+grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde
+malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de
+andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar
+niet voor lang, want reeds na verloop van eenige minuten was men er
+doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen
+af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid
+met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.
+
+Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen
+der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte
+en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts,
+van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie
+zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen
+lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen
+was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk
+te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte
+daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten
+te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen
+elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom,
+een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden
+die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen,
+die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.
+
+"Dat is de _Night_-canon," zei Old Firehand, naar die rots-spleet
+wijzende. "Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en
+smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het
+in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht
+is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den
+middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens,
+daarbeneden!"
+
+Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet
+verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren
+ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een
+gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de
+rotsspleet verdwenen.
+
+Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale
+steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte,
+die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het
+Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old
+Firehand aan. "Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet
+ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een
+levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier
+op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij
+sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!"
+
+"En toch _moeten_ wij naar omlaag," zei Old Firehand. "Stijg uit den
+zadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten
+het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af
+gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben,
+zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen."
+
+Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men
+verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken
+gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.
+
+Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om
+den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs
+het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan
+was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand,
+naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de
+rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De
+troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk
+grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal
+baanwerkers daarbij aangesloten had.
+
+Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet
+veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der
+paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en,
+terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd,
+ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.
+
+Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de
+enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden
+rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts
+de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het
+daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te
+stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht,
+en men bewoog zich in een akelig schemerduister.
+
+En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets
+breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen
+rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men
+vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de
+paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed
+mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.
+
+Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen--allen bleven
+onwillekeurig stilstaan--hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen
+tegelijk afgeschoten werden.
+
+"Lieve hemel, wat is dat?" vroeg Butler, de ingenieur. "Storten de
+rotsen in?"
+
+"Het was een geweerschot!" antwoordde Old Firehand. "Het oogenblik
+is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen
+voortreden! Afstijgen!"
+
+In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in
+de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental
+passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar
+hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.
+
+"De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!" klonk een
+forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden,
+of uit den grond naar boven.
+
+"Neer de wapenen!" bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo,
+dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als
+het rollende gerommel van donder.
+
+Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij
+uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn
+van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht
+van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer
+van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en
+gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.
+
+Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij
+voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder,
+en vormde een ruimte, die men genoeglijk een "ridderzaal in de rots"
+zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er
+naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water
+stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog
+schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.
+
+De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij
+hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij
+dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat
+hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en
+dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te
+waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen
+hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond
+Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat
+Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden
+schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand
+niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten
+gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden
+bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun
+paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van
+de schoten schichtig waren geworden.
+
+"Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!" klonk opnieuw de stem van
+Old Shatterhand.
+
+En van de andere zijde klonk het: "Hier staat Old Firehand! Als
+gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!"
+
+En terstond daarop riep de Apache: "Wie kent Winnetou, den hoofdman der
+Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!"
+
+Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór
+zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden
+was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke,
+fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem,
+maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll
+met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden
+geweerloopen blinken.
+
+Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij
+keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen
+zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel
+beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige
+onderhandeling, dat konden zij niet van zich verkrijgen. Hun talmen
+ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman
+aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: "Werp uw
+geweer neer of ik schiet u overhoop!"
+
+De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte
+aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn
+rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.
+
+"Ook den tomahawk en het mes!" klonk het gebiedend.
+
+De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde
+wapens er uit, en wierp die op den grond.
+
+"Nu uw lasso!" gebood Droll.
+
+Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso,
+en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen
+nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den
+Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: "Kom hier, onkel! en
+bindt _gij_ nu zijn handen!"
+
+De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:
+
+
+ "Bloed behoeft er niet te vloeien!
+ 'k Heb hem in mijn macht, om vlug
+ Zijn handen op zijn rug
+ Met zijn eigen riem te boeien!"
+
+
+Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat
+hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was
+alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij
+verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten
+zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en
+geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken
+zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.
+
+Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy
+waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd,
+om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende
+men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken
+dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten
+Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men
+vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter
+dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.
+
+Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden
+hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig
+noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander
+veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en
+Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind
+voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels,
+klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste
+voren in het zadel zitten.
+
+"_Heavens!_ Wat heeft dàt te beteekenen?" vroeg Frank. "Wilt gij
+komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown
+werkzaam geweest?"
+
+"Neen, master!" antwoordde de dikke. "Ik heb louter de gewoonte om
+de feestdagen zoo te vieren als zij vallen."
+
+"Hoe bedoelt gij dat?"
+
+"Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen
+gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig
+Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop
+geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het
+oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is,
+een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik."
+
+"Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet
+kwalijk nemen: ik keer mij óók om."
+
+Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de
+Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders,
+of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken;
+daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was
+klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos,
+zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk
+kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon:
+"Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar
+naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien."
+
+"Waar dan?"
+
+"In mijn verbeelding."
+
+"Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding
+huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het
+met het opzeggen van de huur?"
+
+"Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af
+aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag
+aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs
+van u gehoord."
+
+"Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?"
+
+"Voor Tante Droll."
+
+"En waar hebt gij van die tante gehoord?"
+
+"Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou
+geweest ben."
+
+"Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?"
+
+"Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park
+en zaten ook in het Estacato."
+
+"Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?"
+
+"Ineens geraden! Kent gij mij?"
+
+"Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag
+nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd."
+
+"Een.... kleinen held!" zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig
+lachje over zijn gelaat gleed. "Een.... kleinen.... held! Dat moet
+ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu
+weet ik nog niet of _ik_ goed geraden heb?"
+
+"Voor wien houdt gij mij dan?"
+
+"Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll."
+
+"Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!"
+
+"Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier."
+
+"Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?"
+
+"In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik heb
+dikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus
+vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der
+Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders
+dan die tante."
+
+"Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek
+niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik
+gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?"
+
+"Ja, dat is waar."
+
+"Dus een Duitscher?"
+
+"Ja."
+
+"Waar vandaan dan?"
+
+"Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks."
+
+"Wel drommels! Wat voor
+een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?"
+
+"Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt
+gij bijgeval ook een Duitscher?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"Waar vandaan?" vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.
+
+"Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg."
+
+"Wel, sapperloot!" riep de kleine uit. "Ook een Saks, en ook een
+Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het
+platteland, he?"
+
+"Niet uit de residentie, maar uit Langenleube."
+
+"Langen...leube?" vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef
+staan. "Langenleube-Niederhain?"
+
+"Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede,
+bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als
+de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar
+in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken
+gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp
+weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den
+Altenburger plattelandskost."
+
+"Precies!" zei Droll met een hoofdknikje. "Wat kermishouden is, weten
+wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie
+bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?"
+
+"Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft
+een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder
+getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een
+zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel."
+
+"Zoo. En wat deed die voor den kost?"
+
+"Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een
+man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende,
+dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor
+bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder,
+en ook...."
+
+"Stop!" viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm
+grijpende. "Hoe was zijn naam?"
+
+"Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn
+'van' was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel."
+
+"Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?" riep Droll. "Had hij kinderen?"
+
+"Ja, een zwerm!"
+
+"Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?"
+
+"Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik
+mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel."
+
+"Bastel, dus Sebastiaan."
+
+"Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik
+geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette--dien naam hebben in
+Altenburg van de tien menschen negen."
+
+"Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet
+gij ook wat er van hem geworden is?"
+
+"Tot mijn leedwezen, neen!"
+
+"Kijk _mij_ eens aan! Kijk mij eens goed aan!"
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat _ik_ het ben wat er van hem geworden is."
+
+"Gij.... gij?" vroeg de kleine.
+
+"Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op
+de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later
+knecht bij den boschwachter geworden is."
+
+"Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in
+de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen
+en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier,
+broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!"
+
+"Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!"
+
+Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar
+beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder
+gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.
+
+De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren
+der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet
+om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander,
+met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun
+jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest
+zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had,
+namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een
+grooteren en veel breederen canon.
+
+Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er
+den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij
+een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in
+de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst
+behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in
+den omtrek bevonden.
+
+Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem
+stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs
+dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.
+
+De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten
+weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige
+oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd
+dan ook behoorlijk gebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander
+bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen
+waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand,
+Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.
+
+De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd
+allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist
+worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old
+Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te
+stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak
+zijn gevoelen uit als volgt: "Totdat de wedstrijden afgeloopen waren
+zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de
+vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te
+vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan
+zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden."
+
+"Dat ben ik volkomen met u eens," zei Old Shatterhand; "maar zij
+hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook
+niet gedaan."
+
+"_Well!_ Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de
+daad nemen."
+
+"En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?"
+
+"Ja, dat is moeilijk te beslissen."
+
+"Toch niet met den dood?"
+
+"Neen."
+
+"Met gevangenschap, met tuchthuis?"
+
+"_Pshaw!_ Ransel hen goed af."
+
+"Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want
+er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij
+zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland."
+
+"Leg hun dan een geldboete op."
+
+"Hebben zij geld?"
+
+"Neen; maar zij hebben paarden en wapenen."
+
+"Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig
+zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in
+handen van hun vijanden vallen."
+
+"Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje
+zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij,
+dat _gij_ zoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het
+ergst vergrepen hebben."
+
+"En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen
+hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over
+hun lot te beslissen hebben."
+
+"Doe dan met hen, zooals gij verkiest!" zei de lord, terwijl hij
+zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old
+Shatterhand en vroeg: "Willen wij eens wedden?"
+
+"Waarover?"
+
+"Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te
+zachtmoedig behandelt."
+
+"Neen."
+
+"Ik wed om tien dollars."
+
+"Ik niet."
+
+"Ik zet twintig dollars tegen tien!"
+
+"En ik wed in 't geheel niet!"
+
+"Nooit?"
+
+"Neen."
+
+"Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier,
+op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid
+gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u
+gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt
+ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen
+zooals gij verkiest!"
+
+Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van
+het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken;
+maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde,
+dat beviel hem niet erg.
+
+De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de
+eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden
+te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een
+beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak
+eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden
+overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen
+verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus
+nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het
+niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn
+onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien
+dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede
+trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven
+woord gestand te doen.
+
+Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de
+Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den
+canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er
+soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou
+en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men
+kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.
+
+"Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?" vroeg
+Old Shatterhand in de taal der Utahs.
+
+De gevraagde gaf geen antwoord.
+
+"De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet."
+
+Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den
+jager aan, en zei: "Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben,
+is hij een leugenaar."
+
+"Geef dan antwoord! Overigens moogt _gij_ niet van leugens spreken;
+want gij zijt het, die zich er van bediend heeft."
+
+"Dat is niet waar."
+
+"Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden,
+heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat
+hebt gij mij daarop geantwoord?"
+
+"Dat gij dan heen kondt gaan."
+
+"Was dat geen leugen?"
+
+"Neen, wat gij zijt immers gegaan."
+
+"Maar gij hebt ons vervolgd!"
+
+"Neen!"
+
+"Wilt gij dat ontkennen?"
+
+"Ja, dat ontken ik."
+
+"Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?"
+
+"Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te
+vervolgen."
+
+"Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?"
+
+"Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en
+als dat gebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid
+beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke
+richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten
+vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden;
+maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van
+onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet."
+
+"Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is
+er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?"
+
+"Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had."
+
+"Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die
+wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt."
+
+"Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te
+kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij
+gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel
+uitgelegd."
+
+"Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar
+het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of
+uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt."
+
+Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun
+laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming
+met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van
+zins waren geweest.
+
+"Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken," vervolgde
+hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. "Maar ik heb een
+onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak
+geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was
+ons te dooden."
+
+"Dat vermoedt gij maar."
+
+"Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen
+opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats
+der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de
+ouden in het gebergte. Is dat waar?"
+
+"Ja."
+
+"Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook
+waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht
+hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?"
+
+De Groote Wolf gaf geen antwoord.
+
+"Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons
+te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven;
+gij hebt dus meer verdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn
+christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en
+wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan
+niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt
+zal worden."
+
+"Zegt uw tong dat of uw hart?" vroeg de hoofdman, met een ongeloovig
+uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.
+
+"Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid
+mij die belofte te geven?"
+
+"Ja."
+
+"Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen,
+van dit oogenblik af aan broeders zijn?"
+
+"Ja."
+
+"Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?"
+
+"Ja."
+
+"En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?"
+
+"Ja, daar ben ik bereid toe."
+
+Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit
+was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De
+uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikke verfkorst,
+die er op zat.
+
+"Dan zullen wij de pijp laten rondgaan," vervolgde Old Shatterhand. "Ik
+zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet."
+
+"Zeg ze, ik zal ze nazeggen."
+
+Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den
+goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten
+er een waarschuwing bij te voegen: "Ik hoop, dat gij het dezen keer
+eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest;
+ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat
+het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als
+gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten
+met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!"
+
+De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den
+sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals
+hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de
+boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de
+bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: "Ik ben de Groote
+Wolf, de hoofdman der Yampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze
+mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de
+bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle
+anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al
+die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij
+zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit
+door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan
+hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn
+eed. Ik heb gezegd, Howgh!"
+
+Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd,
+en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden. Zelfs
+de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen
+belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.
+
+Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets
+gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren
+de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in
+de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en
+vroeg toen aan Old Shatterhand: "Heeft mijn broeder ons de vrijheid
+volkomen teruggegeven?"
+
+"Ja, volkomen."
+
+"Dus mogen wij wegrijden?"
+
+"Ja, waarheen gij wilt."
+
+"Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren."
+
+"O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst
+gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?"
+
+"Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat
+zouden komen. Wij gaan terug."
+
+"Door de rotsspleet?"
+
+"Ja. Vaarwel!"
+
+Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet
+in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem,
+nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.
+
+"En de kerel is toch een schobberd!" zei de oude Blenter. "Als de verf
+niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit
+hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!"
+
+Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: "Mijn broeder kan gelijk
+hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van
+nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren."
+
+Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij
+gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.
+
+Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan
+te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen
+dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even
+onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en
+vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter,
+dan iets anders.
+
+De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker
+werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een
+bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden,
+en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men
+moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en
+niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.
+
+Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een
+vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een
+bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed
+had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer
+over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke
+gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok
+in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch,
+en bovendien conserven, meel en zooal meer, welk een en ander men
+uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.
+
+Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de
+stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende
+oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de
+lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen
+tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de
+steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het
+bosch verdwenen.
+
+Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde
+van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere
+wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en
+aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze
+was voor volkomen veiligheid gezorgd.
+
+Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na
+middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht
+eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt
+werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de
+volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het
+vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GEVANGEN EN BEVRIJD.
+
+
+Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen;
+zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt
+gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk
+gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden
+terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden
+afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar
+de rotsspleet in de laagte, en zei: "Zij zullen ons denkelijk wel in
+het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke
+hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren."
+
+"Doen wij dat dan niet?" vroeg een zijner onderhebbenden, die zich
+waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste
+zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.
+
+"Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?" voer
+de Groote Wolf tegen hem uit. "Wraak moeten wij hebben, wraak moeten
+wij nemen op dat blanke ontuig."
+
+"En het zijn nu onze vrienden en broeders?"
+
+"Neen."
+
+"Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?"
+
+"Van wien was die pijp?"
+
+"Van Old Shatterhand."
+
+"Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waarom
+is hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt
+gij dat niet?"
+
+"De Groote Wolf heeft altijd gelijk," antwoordde de man, die het met
+de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging
+moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.
+
+"Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige
+jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen," vervolgde
+de hoofdman.
+
+"Wilt gij hen overrompelen?"
+
+"Ja."
+
+"Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de
+rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken."
+
+"Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden,
+als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger
+op in het P'a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger
+op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen
+te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er
+bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts."
+
+Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts
+smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de
+Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde
+naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam
+de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden;
+trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen
+hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een
+enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als
+de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de
+Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf
+met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans
+in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer,
+en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op
+een goed onderhouden straatweg.
+
+Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de
+Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het
+veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de
+vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam
+te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts
+en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend
+hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de
+verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel
+vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden
+op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde
+en tot steen verschroeide vlakte.
+
+Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van
+den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren,
+en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een
+soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de
+wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P'a mow, het Woud van het Water,
+waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.
+
+Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te
+kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het
+was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in
+oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode
+krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken,
+hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden
+even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van
+alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.
+
+Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt,
+steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten
+wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam "Nanap neaw"
+toe. Die twee woorden beteekenden "oude hoofdman". Daarmede was stellig
+de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene
+stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een
+groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten
+vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner
+moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet
+geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang,
+sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn
+minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier,
+als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden
+blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten;
+ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te
+zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos;
+toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: "De boom werpt
+in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest,
+deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden
+droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?"
+
+Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf
+niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend
+verwijt in.
+
+"Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel
+de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen," antwoordde de
+Groote Wolf.
+
+"Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de
+onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer
+dragen mag?"
+
+"Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de
+handen van honderd andere blanke mannen."
+
+"Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand."
+
+"Die is het!"
+
+"Oef!" ontsnapte het aan de lippen van den oude, en "oef!" klonk het
+ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: "Dus heeft de Groote
+Wolf dien beroemden blanke gezien?"
+
+"Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en
+den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben
+gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen."
+
+De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen;
+vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd;
+maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen
+schok aan hun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging
+onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering
+en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van
+spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.
+
+"De Groote Wolf kan vertellen!" zei hij.
+
+Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed
+zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te
+stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de
+grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen:
+"En wat wil de Groote Wolf nu doen?"
+
+"Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden
+overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog
+eer de dag van morgen aanbreekt."
+
+De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn
+wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.
+
+"Nog eer de dag van morgen aanbreekt?" vroeg hij. "Zijn dat woorden
+van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en
+beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan,
+om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen
+ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de
+Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen
+heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een
+kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die
+woorden van den Grooten Wolf?"
+
+"De blanken moeten aan den martelpaal!" antwoordde een der hoofdmannen.
+
+"Wij moeten hen levend vangen!" sprak de tweede.
+
+"Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!" was
+het oordeel van den derde.
+
+"Mijn broeders hebben goed gesproken," prees de oude. "Wij zullen
+die honden levend grijpen."
+
+"De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn,"
+waarschuwde de Groote Wolf. "Old Shatterhand duwt den kop van
+een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem
+onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is
+een groot krijgsman...."
+
+"Maar een Apache," viel de oude hem driftig in de rede. "Behooren de
+Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij
+is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de
+bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die
+beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben
+krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste
+recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd
+krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen."
+
+"Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps
+nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?"
+
+"Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te voren
+gedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven
+van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij
+u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed
+bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij
+goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de
+manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven,
+zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen,
+zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen."
+
+Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het
+andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de
+driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden
+te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen
+konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering
+wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke
+gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen
+stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor
+de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old
+Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem,
+zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.
+
+Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was,
+maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden
+onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht,
+waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden
+zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog
+niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De
+Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de
+nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering
+van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die
+paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif
+alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte
+zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: "Hier is
+een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden."
+
+De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van
+zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen
+streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie
+bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon
+doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd
+terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met
+salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen,
+dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien
+merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was,
+van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de
+Roodhuiden was.
+
+Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun
+geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De
+blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in
+het geheel niet tot een gevecht kon komen.
+
+Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drie
+Engelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen
+voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het
+raadzaam voorzichtiger te zijn.
+
+Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit
+voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die
+gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder
+ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd
+voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje
+werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er
+geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf
+stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het
+oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman
+had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk
+een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog;
+en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.
+
+Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te
+volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig
+bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand
+na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de
+Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier
+anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen;
+hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid,
+met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem
+zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat
+onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem
+van den canon doordrong.
+
+Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der
+zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan
+het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar
+dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan
+de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen,
+en kropen aan den anderen kant verder--een niet zeer gevaarlijke
+tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van
+het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken
+afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend,
+en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de
+Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij,
+gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en
+voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht
+in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter
+zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel
+met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden
+bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over,
+om nu den grooten slag te gaan slaan.
+
+De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee
+schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar
+het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen
+zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil
+van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam,
+ook zijn manschappen het water te laten oversteken. Dit geschiedde
+inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde
+aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een
+honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het
+bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen,
+dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten
+bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander
+lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde
+toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van
+onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.
+
+"Voorwaarts!" klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden
+verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.
+
+Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet
+een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat
+nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij
+elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich
+behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer,
+wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den
+slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk
+een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den
+slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden,
+eer zij nog goed wakker waren geworden.
+
+En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun
+oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder
+geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden,
+hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke
+stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst
+werd.
+
+Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de
+duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie
+afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins
+te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd,
+zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old
+Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote
+tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de
+anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen,
+en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu
+verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht
+van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar
+hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten
+echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende
+vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden
+door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk
+was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken,
+half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been
+dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling
+gelukt was.
+
+Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen
+daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de
+steken en schoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden
+gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.
+
+"Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!" zei
+de hoofdman grimmig. "Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam
+snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en
+niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel
+aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen
+der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren."
+
+"Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?" vroeg
+er een. "Dat gaat vanzelf af, en doodt hem, die het aanraakt, en nog
+vele anderen bovendien."
+
+"Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat
+geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?"
+
+Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen
+de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen
+antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden,
+opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en
+die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen,
+om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat
+was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen;
+maar de karabijn zag men nergens.
+
+De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old
+Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien
+lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind
+weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout,
+maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die
+twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke
+eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der
+anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer
+zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige
+oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op
+zijn gemak was: "Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van
+hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij
+mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt."
+
+Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de
+Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen
+uur verstreken.
+
+"Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel
+aanschouwen!" had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in
+zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals
+reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een
+schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien
+weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die
+schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest
+worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan,
+om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen
+praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe
+duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de
+rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid,
+en zij hadden elkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst
+volstrekt niet ontbrak aan stof.
+
+Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een
+gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.
+
+"Luister!" fluisterde Frank zijn neef (?) toe. "Hebt gij óók iets
+gehoord?"
+
+"Ja, ik heb óók iets gehoord," antwoordde de Tante zacht. "Wat kan
+dat geweest zijn?"
+
+"Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn."
+
+"Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen
+op de been zijn--naar het gescharrel met de voeten te oordeelen,
+op zijn minst wel een paar honderd...."
+
+Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en
+hoorde men hun stemmen.
+
+"Verduiveld, er wordt gevochten!" vervolgde Hobble-Frank. "Ik geloof
+warendig dat wij overrompeld zijn."
+
+"Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker," antwoordde Droll; "dat
+moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is."
+
+Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen
+weergalmde de oorlogskreet der Indianen.
+
+"God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!" riep Frank. "Er op
+los, er op los! Gauw, gauw!"
+
+Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar
+deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei
+met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:
+
+"Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu
+bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen
+bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst
+afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij,
+wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en
+voorwaarts kruipen."
+
+Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan
+den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat
+hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was
+te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten
+van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen
+weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der
+rotsspleet was de baan vrij.
+
+"Gauw achter mij en het water over!" fluisterde Droll.
+
+Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank
+volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard
+lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. "Old
+Shatterhand's Henry-karabijn!" Dat was zijn eerste gedachte. En hij
+nam het geweer mee.
+
+Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de
+overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok
+hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht
+gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun
+voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat
+de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den
+rotswand en het water zoo smal, dat Droll aanried: "Wij moeten weer het
+water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn."
+
+Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds
+ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen,
+of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand
+of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de
+stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank
+zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: "Blijf toch
+eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt
+gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat
+strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt
+ge dan geen ambitie meer in je lijf?"
+
+"Ambitie?" antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten
+adem van het loopen. "Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie
+er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf
+in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd."
+
+"Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!"
+
+"Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?"
+
+"Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden."
+
+"Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd
+zoudt hebben."
+
+"Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten
+wurgen en doodsteken."
+
+"Hihihihi! Wurgen en doodsteken," lachte Droll met zijn onnavolgbaar
+eigenaardig lachje. "Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden
+hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden
+hebben."
+
+"Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar
+gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of
+doodgeslagen?"
+
+"Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet
+ik zeker."
+
+"Dat zou mij gerust kunnen stellen."
+
+"Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?"
+
+"Ja."
+
+"En wie hebben dan geschoten? De Indianen?"
+
+"Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten."
+
+"Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt;
+zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve
+gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom
+ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij
+voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden
+laten nemen."
+
+"Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een
+zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden
+Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft
+gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen,
+dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak
+om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één
+woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament
+ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk
+kapot van!"
+
+"Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk
+den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou,
+Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten
+eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen,
+maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten
+het dus maar bedaard afwachten."
+
+"Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest
+zijn?"
+
+"Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd;
+maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid
+bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben."
+
+"De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons
+gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?"
+
+"Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar
+hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij
+zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke
+richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel
+verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen
+kunnen."
+
+"En dan?"
+
+"Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken
+wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten,
+wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!"
+
+Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.
+
+"Wat?" vroeg hij. "Hebt gij twee geweren?"
+
+"Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat
+is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn."
+
+"O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar
+kunt gij er wel mee schieten?"
+
+"Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat
+ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden
+op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen
+zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar
+leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te
+kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen,
+als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt
+wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen
+en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele
+wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals
+ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd
+een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en
+diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld."
+
+"Of gekregen," antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.
+
+"Zwijg!" zei deze. "Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar
+wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van
+beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de
+sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij
+Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor
+Moreau allebei zijn beenen--de twee eenige, die hij had; aan de
+Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn
+boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maar aanraden, het bij
+mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben
+geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen,
+morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zon
+_dos à dos_ met het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet
+op het bloedige slagveld!"
+
+Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit
+van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit
+oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in
+de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde,
+als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.
+
+En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en
+voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later,
+tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te
+worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende
+duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links,
+liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de
+canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden
+hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan,
+zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder
+aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den
+hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: "Halt! Hier moeten
+wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links."
+
+"Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken," antwoordde
+Frank. "Wij moeten het zijdal in."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat
+de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den
+zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen
+vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt
+ge dat óók niet?"
+
+"Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het
+zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen."
+
+"Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende
+stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij
+zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons
+naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in
+onze imponderabele positie de hoofdzaak is."
+
+Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu
+geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden,
+dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde
+een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij
+moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te
+worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan,
+toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De
+rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met
+een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar
+lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud,
+zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig
+kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk een dicht
+loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even
+doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun
+legerkamp hadden opgeslagen.
+
+De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar
+het Zuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans
+verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men
+twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan
+de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk
+Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het
+westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een
+rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte
+bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten
+diepe wegen had ingevreten.
+
+"Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door
+een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!" zei Frank. "Beter
+konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats,
+zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat
+óók niet?"
+
+"Neen!" antwoordde Tante Droll. "Dit woud komt mij verdacht voor,
+of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet."
+
+"Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun
+nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?"
+
+"Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te
+zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even
+gevaarlijk zijn."
+
+"Wat voor creaturen dan?"
+
+"Indianen."
+
+"Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel."
+
+"Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens
+zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk."
+
+"Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch
+te expliceeren?"
+
+Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden
+hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan
+werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: "Wie zal wel beter weten, dat
+hier een woud is, wij of de Roodhuiden?"
+
+"De Indianen natuurlijk."
+
+"Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud
+het best verschuilen kan?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen
+moeten zijn?"
+
+"Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald."
+
+"Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon,
+of in het gemakkelijke woud?"
+
+"In het woud natuurlijk."
+
+"Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben
+overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn."
+
+"Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?"
+
+"Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?"
+
+"Neen, hoegenaamd niets."
+
+"Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar
+de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd,
+of er leven in de kist is. Vooruit maar!"
+
+In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte
+over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij
+hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht
+in, en vroeg zacht: "Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En
+jij niet?"
+
+"Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half
+zweempje van een kwartspoor van rook."
+
+"Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er
+naar toe sluipen."
+
+Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig
+voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus
+meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen,
+des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts
+langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen
+de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend:
+"Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons
+niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet
+comprimeeren kan?"
+
+"Een gevaar is het zeer zeker," antwoordde Droll; "maar wij moeten
+het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden."
+
+"Hier?"
+
+"Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij
+regelrecht hierheen komen."
+
+"Dat zou een buitenkansje wezen!"
+
+"Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven
+kosten."
+
+"Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al
+niet meer aan terugkeeren."
+
+"Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan
+geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!"
+
+Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het
+schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken
+als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu
+meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen
+spoedig nog meer vuren.
+
+"Een groot, zeer groot bivak," fluisterde Droll. "Dat zullen de
+Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen
+de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen."
+
+"Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met
+Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet...."
+
+Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit
+honderden kelen--geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.
+
+"O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht," sprak Droll. "De
+Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu
+moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen."
+
+Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den
+vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen
+verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand,
+die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij
+verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan
+hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het
+vuur der hoofdmannen brandde.
+
+"Een vijver of een meer," fluisterde Droll. "Dat heb ik wel
+gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder
+voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer
+naar links."
+
+Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den
+westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten
+hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom
+bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen
+grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur
+geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten,
+die nu gebracht werden.
+
+"Nu is goed oppassen de boodschap," zei Droll. "Kunt gij in een boom
+klimmen, neef?"
+
+"Als een eekhoorn."
+
+"Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel
+vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden."
+
+Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte,
+zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.
+
+De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet
+geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer
+plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze
+Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag
+gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en
+mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn
+oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken;
+maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het
+eerst het woord te nemen.
+
+De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar
+den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.
+
+"Wie zijt gij?" vroeg hij hem. "Hebt gij een naam, en hoe heet de
+schurftige hond, dien gij uw vader noemt?"
+
+Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet
+zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: "Wie mij niet
+kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou,
+de hoofdman der Apachen."
+
+"Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode
+rat!" voegde de oude hem hoonend toe. "Al deze bleekgezichten zullen
+een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier
+in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften."
+
+"Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien,
+en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te
+weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der
+Apachen is bereid, om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen
+laat hij zich door een Utah niet."
+
+"Wat wilt gij mij maken?" lachte de oude hardop. "Uw armen zijn
+geboeid!"
+
+"Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man
+gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar
+waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten
+zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte
+wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben."
+
+"Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken,
+waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt
+gij. De stank, dien gij...."
+
+Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de
+kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met
+een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen,
+dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel
+eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar
+de plaats waar hij gestaan had.
+
+Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe
+stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd,
+toen deze riep: "Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft
+niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen."
+
+De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den
+toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts
+ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De
+roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende,
+en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de
+daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede;
+maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn,
+te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij
+gebood: "Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf
+zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op
+hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft
+buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit
+iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt
+den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke
+honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan
+zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en
+Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!"
+
+"Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!" riep Old
+Shatterhand hem toe.
+
+"Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen,
+die ik nog te leven heb?"
+
+"Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd
+zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben."
+
+"Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan
+zal ik ze laten uitsteken!"
+
+"Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht
+noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid
+heeft gesproken?"
+
+"Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een."
+
+"De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren
+blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons
+leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden,
+en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken
+u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij
+hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u
+het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet,
+omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en
+gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden
+en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon
+daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus
+gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb,
+eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?"
+
+"De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden
+van een bleekgezicht."
+
+"Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd,
+als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood
+zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult
+gij sterven!"
+
+"Wanneer?" grijnsde de Wolf.
+
+"Morgen."
+
+"Door wiens hand?"
+
+"Door de mijne."
+
+"Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!"
+
+"Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven
+in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt
+gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode
+mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is,
+maar dat hij ook weet te straffen."
+
+"Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld,
+en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en
+zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige
+dagen zullen duren, totdat gij sterft."
+
+De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud
+gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het
+te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen
+neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen,
+om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans
+een volslagen onmogelijkheid te zijn.
+
+Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk
+gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd
+vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij
+ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen
+verstaan. Nu kwam het er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de
+gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.
+
+Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen
+en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur
+zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet
+werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling
+beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante
+Droll als een groote geruststelling beschouwde.
+
+Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er
+moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden
+naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en
+Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige,
+klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan
+een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder
+ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.
+
+"Weet gij wat dat is?" vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.
+
+"Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn,
+geloof ik."
+
+"Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog 't lijk ijskoud
+is geworden.'
+
+"Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen
+zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen
+bepaald opzoeken."
+
+"Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij
+hen toch niet."
+
+"Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De
+hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de
+plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen
+af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is
+een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren
+zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel,
+daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen
+en ontwijken."
+
+"Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer
+voorwaarts! Ik kruip voorop."
+
+"Waarom gij?"
+
+"Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen
+beter afgericht ben dan gij."
+
+"Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw
+hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden
+van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs
+het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn
+begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij
+absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er
+oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde
+neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op,
+asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar
+te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek
+laten zal ik u niet!"
+
+De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in
+een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In
+weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en
+zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het
+moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande,
+partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.
+
+Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen
+voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig
+bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll
+was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet
+op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch
+gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar
+kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid
+hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk
+ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden
+Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen
+op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten
+neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd,
+om een uur te slapen.
+
+Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte,
+waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom,
+en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden
+moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee
+te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat
+doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van
+brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een
+wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te
+herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind
+weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij
+dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: "Het oogenblik
+schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?"
+
+"Ja, hij is hier vlak bij, de eerste."
+
+"Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij
+óók geboeid zijt."
+
+"En gij?"
+
+"Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou."
+
+"Dat is gevaarlijk."
+
+"Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn,
+als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!"
+
+Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een
+voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo
+erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat
+men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der
+schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer
+dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken
+van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.
+
+Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen
+rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar
+zijn buurman toe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf
+aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam
+vastgebonden waren.
+
+"Frank, gij?" vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op
+een toon van verwondering. "Waar is Droll?"
+
+"Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou."
+
+"God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt
+bij mij hebt kunnen komen."
+
+"Wist ge dan, dat wij komen zouden?"
+
+"Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk,
+dat je niet onder de gevangenen was."
+
+"Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij
+gepakt konden worden!"
+
+"_Pshaw!_ De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen
+was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug,
+en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb
+mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten,
+dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen."
+
+"Dat is kras! Dat is veel gedurfd!"
+
+"Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!"
+
+"Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet
+tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en
+verplichtingen niet punktueel nagekomen?"
+
+"Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!"
+
+"Ja, zonder ons was u happa geweest."
+
+"Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren
+geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter
+hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je
+niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten
+helpen. Zie maar eens hier!"
+
+Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.
+
+"Deze hand heb ik reeds losgemaakt," vervolgde de jager; "de andere
+zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein,
+verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn,
+zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden
+hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld,
+die daarginds bij de hoofdmannen liggen ..."
+
+"Weet gij dat óók?"
+
+"Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid
+had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en
+daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe
+gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen
+zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?"
+
+"Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij."
+
+"Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?"
+
+"Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar
+het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar
+wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het
+dag was, het spoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij
+voor u konden doen."
+
+"O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch
+gevonden hebt?"
+
+"Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het
+toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het
+ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn
+geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen."
+
+"Gij wordt ironiek."
+
+"Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben,
+dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen
+heen met u te assimileeren."
+
+"Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw
+leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt
+gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het
+kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn
+buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken."
+
+"En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de
+wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink."
+
+"Neen, dat niet; wij blijven hier!"
+
+"Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij
+dat redding?"
+
+"Ja."
+
+"Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel
+voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den
+hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!"
+
+"Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar
+de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan,
+dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand
+zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen
+vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden
+konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij
+moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen."
+
+"Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik
+heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch
+gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden
+te verstaan heb."
+
+"De hoofdmannen."
+
+"O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!"
+
+"Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij
+maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons
+niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de
+schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen."
+
+Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman,
+deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in
+omloop. Daarop ging Old Shatterhand's bevel zacht van mond tot mond,
+dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur
+uitgebluscht had.
+
+"Het vuur uitgebluscht?" bromde Frank. "Hoe wilt gij dat klaren?"
+
+"Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het
+worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten."
+
+Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het
+vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen,
+waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij
+op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd,
+en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal
+heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik
+uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was,
+eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun
+waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen
+stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was
+de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.
+
+De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het
+was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste
+martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden
+sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen
+zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der
+schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten
+der bevrijden op zich aanstormen--eenige seconden later waren zij op
+den grond geworpen, ontwapend en geboeid.
+
+Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder
+zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de
+schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen,
+zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige
+blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de
+hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken
+met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit,
+en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al
+de anderen deed aansnellen.
+
+Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid
+verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden,
+indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde,
+dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun
+aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.
+
+Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en
+leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen
+stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het
+heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen,
+bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de
+harten der hoofdmannen doorboren.
+
+"Blijft daar!" riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. "Ik zal met
+de bleekgezichten spreken."
+
+"Met u hebben wij niets te maken," voegde Old Shatterhand hem toe. "De
+anderen kunnen spreken."
+
+"Waarom _ik_ niet?"
+
+"Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens."
+
+"Ik zal waarheid spreken."
+
+"Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te
+houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken,
+als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar
+gij zijt de mijne; en nu gebied _ik_ u precies hetzelfde. Als gij
+spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes
+door uw hart.--Hoe is uw naam?"
+
+Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde:
+"Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met
+u spreken."
+
+"Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben,
+en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van
+u verlangen."
+
+"Wat verlangt gij dan? De vrijheid?"
+
+"Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten
+ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!"
+
+"Wat moeten die?"
+
+"Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw;
+want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen
+hun geduld te verliezen."
+
+"Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal."
+
+Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel
+werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand's bevel te voldoen. In
+de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om
+alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er
+niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk
+noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten
+aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den
+grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te
+vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets
+anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden,
+had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij
+die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol
+ontzetting riep hij uit: "Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft
+het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het
+niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!"
+
+"Het toovergeweer, het toovergeweer!" hoorde men de stemmen der
+verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.
+
+Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.
+
+"Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen,
+die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra
+de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf
+krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen
+houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die
+allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren."
+
+"Oef! Dat is te veel van ons gevergd," antwoordde Vuurhart. "Dat
+kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van
+zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan."
+
+"Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten
+wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te
+laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen
+geweest, en toch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen
+roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen,
+daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer
+wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is
+geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd
+en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren."
+
+"Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze
+macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak;
+en nu zijn _wij_ de geknevelden, en gij schrijft aan _ons_ de wet
+voor!"
+
+"Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn
+voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij
+het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier
+zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele
+anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden
+krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun
+plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!"
+
+Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg:
+"Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar
+toe te rijden?"
+
+"Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken,"
+antwoordde Old Shatterhand. "Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan
+de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als
+wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij
+ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen
+bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd
+gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen
+te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!"
+
+Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er
+geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of
+andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart
+liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord
+feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de
+verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid
+waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid
+naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide,
+bijna fluisterende stem hooren: "Mai iwe!"
+
+Die twee woorden beteekenen: "Kijk hierheen!" Ze waren niet
+toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken;
+ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest
+zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg
+gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen
+beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand
+en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van
+waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder
+hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een
+paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het
+als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op
+elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds
+door hen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel
+van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.
+
+De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al
+de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich
+daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes
+gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den
+rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die
+vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk
+op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie,
+volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de
+omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis,
+evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een
+stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer
+dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk
+mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.
+
+Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen
+acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het
+dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde,
+zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens
+geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen
+hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en
+naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den
+hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere
+tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.
+
+Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was;
+maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen
+van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin
+nog knapper was dan zij.
+
+Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien
+tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee
+Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren
+klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden,
+dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart
+merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem
+ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke
+richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug,
+om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche
+opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen,
+die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het
+meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam
+naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem
+nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend:
+"De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder
+gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?"
+
+"Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin,
+van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg."
+
+"Nu, wat hebben zij gezegd?"
+
+"De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de
+Sampietsje-Utahs, wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben
+Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden."
+
+"Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen."
+
+"Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen,
+loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (=
+Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie-
+en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te
+verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op
+die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen,
+dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen
+terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te
+waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen
+hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak
+verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers
+in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is."
+
+"Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode
+broeder daarvan?"
+
+"Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één
+groot gebrek."
+
+"En dat is?"
+
+"Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij
+wat ons te doen staat."
+
+"Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn
+een omweg van minstens een dagreis of vier te maken."
+
+"Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet
+in handen van de Utahs vallen."
+
+"Is dat mogelijk?"
+
+"Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben
+ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd
+dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen,
+doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons,
+en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden
+is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere
+keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan
+de keus wel niet twijfelachtig zijn."
+
+"Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?"
+
+"Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter
+den rug hebben."
+
+"Maar den Grooten Wolf?" vroeg Old Shatterhand. "Zullen wij dien óók
+weer vrijlaten?"
+
+"Wilt gij hem dooden?" vroeg Winnetou.
+
+"Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade
+schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten,
+als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft
+hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel,
+dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet
+alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden,
+dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te
+houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor
+alle andere Roodhuiden."
+
+"Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de
+Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling
+den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden
+voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden
+begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos
+breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen
+zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande
+nog niet te verklaren."
+
+Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan
+Vuurhart: "De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?"
+
+"Eer ik dat zeggen kan," antwoordde de gevraagde, "dien ik precies
+te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt."
+
+"Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij
+geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar
+het Teywipah."
+
+"En dan?"
+
+"Hooger op naar het Zilvermeer."
+
+"En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos
+kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden
+dooden."
+
+"Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan
+tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen
+wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij."
+
+"Is dat waar?"
+
+"Ja."
+
+"Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?"
+
+"Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de
+anderen."
+
+"Neem dan uw calumet en steek die aan."
+
+"Neem liever de uwe."
+
+"Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de
+uwe slechts wolken van onwaarheid?"
+
+"Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de
+pijp der roode mannen is niet te vertrouwen."
+
+Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn
+oogen van woede vlammen schoten: "Was ik niet geboeid, dan zou ik
+u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid
+te betichten?"
+
+"Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft
+ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt,
+doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus,
+er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet,
+dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit
+spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen."
+
+"Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen."
+
+"Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik
+zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen."
+
+Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te
+antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven
+er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals,
+stopte die, en stak die aan.
+
+Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de
+vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de
+tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen,
+indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart
+werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de
+twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier
+hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp,
+en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke
+belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.
+
+Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende
+voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd,
+dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden
+de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op
+het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden
+het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij
+moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten
+hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid
+kon geven om er hun voordeel mee te doen.
+
+De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun
+paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee
+blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval
+de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten
+willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon,
+uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren
+geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken,
+waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over
+aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN INDIANEN-GEVECHT.
+
+
+Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht
+trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men
+dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden
+achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren,
+liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en
+zei: "Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die
+Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten
+wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?"
+
+"O ja!" knikte Frank. "Het is een streek van genie geweest, zoo
+mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de
+voornaamste matadors daarbij geweest zijn?"
+
+"Nu?"
+
+"Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen
+de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die
+jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever."
+
+"Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets
+op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als
+Winnetou, Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den
+martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in
+de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog."
+
+"Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan
+zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet
+onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich
+uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet
+trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording,
+als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone
+geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs
+het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom,
+om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan
+goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven,
+zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen,
+tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente
+bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in
+dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons
+geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche
+landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten."
+
+Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf
+naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon
+te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als
+gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die
+de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel,
+waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters
+besloten den trein.
+
+Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was
+gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als
+de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van
+hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en
+die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand
+uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet
+op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde
+de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!
+
+De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer
+een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de
+donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide
+Winnetou zich om en zei: "Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons
+volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand
+tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken."
+
+Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als
+met het oog op Ellen's draagstoel en de hitten, die hem droegen,
+doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een
+voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een
+troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en
+dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.
+
+De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te
+eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het
+dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de
+zonnestralen zoo brandend heet uit de lucht kwamen, dat zij mensch
+en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte,
+welke plek glooiend afliep.
+
+"Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen,"
+zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof
+hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend
+dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden
+rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot
+manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger,
+totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien
+engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water
+naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende,
+zoodat de dorstige paarden weldra konden drinken. En, opmerkelijk,
+deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had
+lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het
+uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe
+langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang,
+het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.
+
+Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend
+natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van
+den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed;
+de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een
+grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden
+rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden,
+regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden
+vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje,
+evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende
+zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras
+bijna verschroeide.
+
+Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag
+men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding,
+waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de
+hand. "Die beek," zei hij, "moeten wij volgen naar boven; die loopt
+naar het Hertendal."
+
+"Maar hoe komen wij er overheen?" vroeg Butler, die natuurlijk
+allereerst om zijn dochter dacht. "De rivier heeft wel geen sterke
+strooming, maar schijnt nog al diep te zijn."
+
+"Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare
+plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar
+stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen
+mij volgen!"
+
+Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich
+bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen,
+ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te
+bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan
+de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen
+volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan
+zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever
+aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep
+hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.
+
+"Wat is het?" vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. "Heeft
+het stroombed zich verlegd?"
+
+"Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden."
+
+Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old
+Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het
+spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich
+nog niet geheel weder opgericht.
+
+"Dat is opmerkelijk!" zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was
+gekomen. "Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de
+anderen in het water te blijven."
+
+Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor
+met hun kennersblik in oogenschouw.
+
+"Het zijn bleekgezichten geweest," zei Winnetou.
+
+"Ja," bevestigde Old Shatterhand. "Indianen zouden achter elkander
+gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed
+als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager,
+die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op
+dertig à veertig personen.
+
+"Ik ook," zei Old Firehand. "Maar blanken, hier, onder de tegenwoordige
+omstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen,
+die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan."
+
+"Hum!" bromde Old Shatterhand. "Ik geloof dat ik het wel raden kan
+welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben."
+
+"Nu, wie dan?"
+
+"Den roodharigen kornel met zijn bende."
+
+"Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels
+hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton
+vernomen hebt. Wij moeten het spoor...."
+
+Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was
+gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: "Mijn broeders kunnen
+hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest."
+
+Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater,
+en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag
+er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters
+over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.
+
+"Eer die ruiters er over gegaan zijn," verklaarde de Apache, "is
+één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te
+onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn
+oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de
+beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen
+mijn broeders mij zeggen."
+
+"Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat
+is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft,"
+antwoordde Old Firehand.
+
+"Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar
+graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen
+kornel."
+
+"Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het
+voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn."
+
+"Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn," zei Old
+Shatterhand; "en dat betwijfel ik."
+
+"Op grond waarvan?'
+
+"In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding,
+die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de
+sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen;
+resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote
+troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige
+kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren."
+
+"Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop
+zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River
+naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij
+rijden dus de Utahs regelrecht in den mond."
+
+"Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets
+daaraan veranderen."
+
+"Oho!" riep Old Firehand. "Wij _moeten_ het veranderen."
+
+"Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?"
+
+"Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen
+heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te
+weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen."
+
+"Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen
+te waarschuwen?"
+
+"Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te
+hakken."
+
+"Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!"
+
+Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei
+toen op een toon van teleurstelling: "Jammer! Het is reeds vijf uur
+geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier
+naar het Hertendal?"
+
+"Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid
+bereiken."
+
+"Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht
+der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar
+hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat
+dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken,
+en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt."
+
+"Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan,"
+verklaarde Winnetou. "Te voet is de weg veel korter, daar een
+mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden
+breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar
+wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen."
+
+"Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?"
+
+"Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg
+af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen
+willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel,
+dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien;
+dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij
+zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en
+niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide
+blanke broeders verstaan de kunst, om een spoor onleesbaar te maken,
+Hobble-Frank en Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het
+ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras
+oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is,
+zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet
+gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als
+dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar
+wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn."
+
+Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk;
+terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden
+de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De
+genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd
+passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op,
+terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond
+achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het
+doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit
+bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald
+denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór
+zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek
+heen en stegen weer in den zadel.
+
+De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert
+het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord
+gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom
+maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden
+zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te
+volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich
+verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand:
+"Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?"
+
+"Ruiters," antwoordde de gevraagde kort.
+
+"Waar zijn die naar toe?"
+
+"Dat weet ik niet."
+
+"Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?"
+
+"Om uw krijgslieden."
+
+"Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?"
+
+"Zij zullen het niet zien."
+
+"Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn
+krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters."
+
+"Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen."
+
+"Geloof dat maar niet."
+
+"Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig."
+
+"Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de
+hielen zitten?"
+
+"Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal
+kampeeren."
+
+Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij
+herstelde zich dadelijk, en zei: "Mijn blanke broeder heeft dat
+waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt."
+
+"Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee
+jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens
+evengoed verstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet
+bedrogen hebt."
+
+"Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest."
+
+"Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb
+ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!"
+
+De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het
+spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden
+worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen,
+dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger
+stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het
+hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat
+hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne
+op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun
+boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken
+zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was,
+door hun bewakers heen te breken.
+
+De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar
+boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en
+boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen,
+uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier
+haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen,
+waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan
+eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde
+en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was,
+hield hij halt, en zei: "Hier hebben wij een uitmuntende plaats om
+te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger,
+en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders
+kunnen afstijgen en de antilopen braden."
+
+"Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid
+inhalen!" merkte Old Firehand aan.
+
+"Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in
+het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een
+man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte
+zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet
+bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken."
+
+"Maar wat een tijd verliezen wij hier!"
+
+"Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons
+nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij
+aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel
+te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn
+broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb."
+
+De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men
+hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een
+schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden,
+de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren,
+over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon
+het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens
+water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.
+
+Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om
+avonturen te zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit
+had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om
+de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds
+schuldig was.
+
+"Willen wij eens wedden?" vroeg hij aan Humply-Bill.
+
+"Waarover?"
+
+"Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?"
+
+"Neen, ik wed niet."
+
+"Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben."
+
+"Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel
+weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk,
+dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven."
+
+"Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de
+grap gaat al aan den gang, zie ik!"
+
+De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij
+wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de
+rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal
+voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal
+schreden ver af.
+
+Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin
+posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun
+bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er
+uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet
+op de ruiters.
+
+De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het
+spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te
+zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders
+vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig
+en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten
+neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den
+ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde,
+en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.
+
+"Zie zoo!" zei Old Shatterhand. "Die weten nu ten minste dat
+wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij
+moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen
+besluipen. Dus, voorwaarts!"
+
+In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich
+in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts
+langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat
+men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te
+zullen komen.
+
+Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen
+bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit
+verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt
+schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte,
+woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje
+groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm
+en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts
+als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd
+een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.
+
+Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend
+spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband
+gestooten of door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps
+dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei:
+"Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote,
+groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand
+en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paarden zoolang aan andere
+handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk
+ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken,
+dat wij een zijweg ingeslagen zijn."
+
+Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van
+steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer
+te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde
+richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos
+geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze
+woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen
+sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij
+elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen
+oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.
+
+Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte
+hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was
+reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit
+plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield
+halt, wees met de hand naar voren, en zei: "Nog vijf honderd passen
+verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in
+de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt
+beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft
+slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn,
+en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik
+en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen,
+wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik
+zal hem u wijzen."
+
+Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen
+rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat
+men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij
+verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem
+een voor een.
+
+Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin
+men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep
+die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden,
+dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom
+vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten
+was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar
+beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo
+gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich
+zonder vrees daarop wagen kon.
+
+In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen,
+want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig
+rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam,
+des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard
+gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was
+alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps
+de neerwaartsche glooiing ophield, de grond effen en gelijk werd,
+en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder
+plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: "Wij zijn bijna
+in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat
+om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij
+kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet
+kunnen schreeuwen."
+
+De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom
+waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer,
+en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden
+roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar
+die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten
+te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte
+van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine
+kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.
+
+Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke
+gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in
+verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een
+uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander
+konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet
+zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht,
+natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje
+verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen
+zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid
+en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet
+door de toppen der boomen kon doordringen.
+
+De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam
+berichtte hij: "Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts,
+branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de
+Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus
+heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij
+daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet
+hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal
+zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich
+niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen
+wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat
+donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat
+ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij
+ons doodstil houden."
+
+Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de
+plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen
+in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden
+en waar een uitweg te vinden was.
+
+De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder
+afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds
+vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid,
+dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.
+
+Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit
+te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde
+zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een
+alleenstaande bespieder zeer licht in het geheel niet terugkeerde, en
+dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze
+men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met
+hem meegaan.
+
+Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten
+het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er
+wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden
+des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende,
+konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.
+
+Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer
+naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet
+vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de
+zware steenmassa's die, boomen verpletterende, neergestort waren en
+zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel
+vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links
+van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder
+vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf
+hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun
+hoofden getooid waren.
+
+Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn
+naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met
+schel-gele verf besmeerd. "T'ab-wahgare (= de gele zon)," fluisterde
+Winnetou. "Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als
+een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en
+wat een breede borst!"
+
+De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze
+was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.
+
+"Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels)," verklaarde Old
+Shatterhand. "Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren
+met vier pijlschoten gedood heeft."
+
+Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en
+verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten
+inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter
+bij den rotswand.
+
+"Ha!" zei Old Shatterhand. "Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt
+gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?"
+
+"Levend en wel?"
+
+"Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den
+eerste, en ik den tweede!"
+
+De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter
+elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op--twee
+duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.
+
+"Goed zoo!" fluisterde Old Firehand. "Die twee hebben wij. Nu gauw
+naar onze schuilplaats met hen!"
+
+Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven
+wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte
+in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die
+binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar
+Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand
+uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde,
+voordat zij terugkeerden.
+
+Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de
+drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend
+noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn
+kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats
+omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand
+gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.
+
+Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker;
+dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet
+voldoende waren, moesten de handen helpen om op den tast verder te
+komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij
+stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt "Oef!" hooren. De
+andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste
+spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht:
+"Is er onraad?"
+
+"Neen, maar toch een mensch!" antwoordde de Apache.
+
+"Waar?"
+
+"Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand."
+
+"Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!"
+
+"Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!"
+
+"Hebt gij hem gewurgd?"
+
+"Hij was al dood; hij hangt aan den paal!"
+
+"Wat? Misschien wel aan den martelpaal?"
+
+"Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is
+al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed."
+
+"Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de
+martelplaats. Laat ons even zoeken!"
+
+Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden
+zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen
+en boomen vastgebonden.
+
+"Ontzettend!" zuchtte Old Shatterhand. "Ik dacht, dat ik die menschen
+nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen
+dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar
+hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het."
+
+"Het jammerste is," merkte Old Firehand aan, "dat die teekening nu
+verloren is."
+
+"Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien
+kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?"
+
+"Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is."
+
+"Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de
+belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt
+tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke
+vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op
+staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed,
+waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels."
+
+"Zoo, waarom dan?"
+
+"Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn
+er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg
+stellig; en komen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar
+ons uitzenden."
+
+"De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen
+er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet," zei Winnetou als zijn gevoelen.
+
+"Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd,
+eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de
+rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend
+vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het
+in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar
+komen zij!"
+
+Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden,
+deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de
+benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil
+van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed
+moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren
+en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren
+getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te
+gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het
+drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.
+
+"Wij moeten maken dat wij wegkomen," zei Old Firehand. "Maar
+waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen."
+
+"In de boomen!" antwoordde Old Shatterhand. "In het dichte gebladerte
+zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins
+tot bedaren is gekomen."
+
+"Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven."
+
+Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een
+boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen
+volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.
+
+Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en
+hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht
+werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat
+waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa's wilden
+maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij
+waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd,
+allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef
+een raadsel.
+
+Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat
+Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid
+bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die
+deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren
+in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.
+
+Toen de Yampa's hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld
+waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de
+lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen
+te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden
+een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel
+afgrijselijk was. De Yampa's erkenden, dat dit niet de lijken waren
+van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen
+op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde
+dit tooneel niet lang; er werd een einde aan gemaakt op een wijze,
+die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.
+
+Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte
+gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren,
+om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van
+een mensch.
+
+"Oef!" riep een der onder de boomen staande hoofdmannen
+verschrikt. "Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels
+daarginder."
+
+Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk
+daarop knalden verscheiden schoten.
+
+"De Navajos, de Navajos!" schreeuwde de hoofdman. "Winnetou,
+Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te
+wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat
+de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!"
+
+Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de
+wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het
+gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde
+van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter
+en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom
+naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.
+
+De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en
+daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand
+te bieden.
+
+Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen,
+maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde
+schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De
+doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold
+het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet
+aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.
+
+De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat
+men dan--althans bij de toestanden daar te lande--het diepst in
+slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te
+verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt
+konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun
+vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was,
+had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren
+dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.
+
+Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij
+het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij
+bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht
+ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was
+voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel:
+wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er
+twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar
+was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten
+hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem,
+om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna
+van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.
+
+Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen
+er twee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de
+hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen
+een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht,
+en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de
+veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs
+toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij
+staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven,
+en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand
+te vervolgen.
+
+Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie
+onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De
+weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien
+een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars
+terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun
+schuilplaats te komen.
+
+Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil
+van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog
+altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.
+
+"Nu maken dat wij wegkomen," zei Winnetou. "Later zullen er
+vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn."
+
+"Nemen wij dien hoofdman mee?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik
+zal...."
+
+Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem
+te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven
+steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht,
+een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer,
+en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen
+pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in
+de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch
+duidelijk verstaanbare woorden: "Wat Old Shatterhand en Old Firehand
+kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook."
+
+"Dat is Hobble-Frank!" zei Old Shatterhand verwonderd.
+
+"Ja dat is Frank!" bevestigde Old Firehand. "Dat ventje is gek. Wij
+moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken
+méér doet."
+
+"Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje,
+dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten,
+en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer
+geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem
+beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook
+de onze."
+
+Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds
+bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór
+hen een schot.
+
+"Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen
+...." wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond
+hoorden zij de lachende stem: "Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij
+doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar
+hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!"
+
+Een geluid als van een zwaren slag--toen was alles stil. De drie
+drongen vooruit, en stieten op den kleine.
+
+"Terug!" gebood hij. "Hier wordt geschoten en gestoken!"
+
+"Halt, schiet niet!" waarschuwde Old Shatterhand. "Wat hebt gij toch
+hier te zoeken?"
+
+"Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken,
+want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van
+geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan
+uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef,
+kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen
+bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is,
+om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij
+u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op
+mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts
+verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!"
+
+In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke
+jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het
+oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus
+zonder gevaar de vraag doen: "Maar wie heeft u permissie gegeven om
+de schuilplaats te verlaten?"
+
+"Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn
+eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u
+heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een
+gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren
+gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn
+zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later
+begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om
+mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid
+aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid
+lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om
+kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik
+verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis
+konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild;
+ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom,
+als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een
+verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te
+liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve
+veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar;
+daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje
+uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag
+mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij,
+en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de
+kolf van _mijn_ geweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij
+naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee
+slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch
+ijselijk veel malheur in deze wereld!"
+
+"Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat
+eer gekomen, dan was je verloren geweest!"
+
+"Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer,
+of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet
+er nu met die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel
+om hen te versjouwen."
+
+"Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het
+schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug
+zullen komen."
+
+De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de
+schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een
+prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand
+post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.
+
+Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel
+getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om
+in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden
+de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.
+
+Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil
+aangeheven--treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De
+lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden
+verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten
+zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen,
+oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een
+spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede
+krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog
+aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot
+een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden
+gehouden.
+
+Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit
+te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden
+besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden
+zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle
+voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig
+niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden
+aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden
+in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden,
+daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er
+besloten zou worden.
+
+Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden
+uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen
+hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen
+de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te
+wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden,
+moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs
+vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig
+doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige
+toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het
+krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.
+
+Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van
+de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die
+dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich
+van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op
+de gedachte, dat de gevangenen toch vervoerd moesten worden, drie
+hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen
+mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem,
+daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht
+het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel,
+en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie
+andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden
+door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.
+
+Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was
+zóóveel te vertellen, aan te hooren, en--te luisteren. Hobble-Frank
+was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen
+liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest,
+en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en
+één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had,
+was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den
+kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan
+uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht
+aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen
+dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden
+naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht
+over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den
+anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift,
+maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad
+werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden
+lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu
+haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde
+van den kleine, en vroeg hem: "Frank! willen wij eens wedden?"
+
+"Ik wed nooit," gaf deze ten antwoord.
+
+"Waarom niet?'
+
+"Ik heb geen geld om te wedden."
+
+"Dan zal ik het u leenen."
+
+"Borgen baart zorgen," zeggen wij Saksen. "Overigens is het niet zeer
+christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen,
+om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij
+mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al
+heb ik het niet."
+
+"Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de
+winner werdt."
+
+"Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk
+worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele
+grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van
+mijn stuk laat brengen."
+
+"Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen
+verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw
+heldendaad."
+
+"Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn
+eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en
+heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds
+verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens
+is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en
+helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan
+toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap, maar
+rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen
+zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn
+persoonlijkheid niet anders ingevoerd."
+
+"Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk
+aanbood?"
+
+"Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank
+niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar
+een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een
+souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden,
+zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn
+gemoed te zullen componeeren tot een wanklank."
+
+"Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u
+genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen."
+
+Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar
+Frank schoof het naar hem terug, en zei: "Hoor eens, mylord! Alle
+gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik
+juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte;
+maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn
+uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de
+gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen,
+dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe
+heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf."
+
+"Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst."
+
+"Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?"
+
+"Ja," antwoordde de Engelschman.
+
+"En het aan mij vereeren als _bona immobilia_?"
+
+"Zoo is het!"
+
+"Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw
+krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang,
+gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn
+onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede
+juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb
+gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk
+geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend
+noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even,
+dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis
+betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus,
+of een interimistische omhelzing?"
+
+"Een handdruk is voldoende."
+
+"Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die
+nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen
+doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking,
+voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die
+schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef
+uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle
+hoogachting beschoren heeft?"
+
+"Ja," antwoordde de Altenburger. "Als je een ander was zou ik u
+benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit
+grond van mijn hart. Ik feliciteer u!"
+
+"Dank u, van 's gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaag
+af aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder
+advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen
+furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand,
+druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met
+pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd
+potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd
+wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van
+vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra
+ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft
+volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te
+halen--ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee--sang fassong,
+zegt de Franschman."
+
+Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar
+doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting
+te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem
+aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de
+lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.
+
+Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn,
+werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men
+den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde
+gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en
+toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat
+de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.
+
+Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache
+uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra
+keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah
+meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden,
+welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim
+genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename
+verblijfplaats te zijn.
+
+Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan
+den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens
+nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig
+bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken
+van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door
+verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die
+ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar
+het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste
+streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven
+ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen,
+en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is
+niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als
+hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is,
+wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus
+de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan
+ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.
+
+Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op
+den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand
+te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan
+te moeten doorbrengen. Dat de paarden drinken en gras eten mochten,
+om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.
+
+Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit
+den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De
+Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had
+lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen,
+en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot
+Old Shatterhand: "Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons
+durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?"
+
+"Weet gij wie wij zijn?' vroeg de jager hem op zijn beurt.
+
+"Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand
+zich bij hem bevinden."
+
+"Ik ben Shatterhand, en _mijn_ arm heeft u op den grond geslagen."
+
+"Waarom?"
+
+"Om u onschadelijk te maken."
+
+"Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?"
+
+"Ja."
+
+"Dat is onwaar."
+
+"Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij
+moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de
+vredespijp gerookt hebben. De Yampa's hebben u gisteren boodschappers
+gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij
+verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij
+ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt."
+
+De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam
+nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen
+had, het woord: "De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs."
+
+"Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons,
+wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden."
+
+"De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten
+opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet
+bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de
+bleekgezichten te helpen?"
+
+"Ja, dat weet ik."
+
+"De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk,
+Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie
+hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman
+van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?"
+
+"Bedoelt gij daarmee u zelf?"
+
+"Ja. Ik ben een Navajo."
+
+"Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?"
+
+"Om mij te kunnen wreken."
+
+"En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken
+waren?"
+
+"Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn
+zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn
+lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers
+reeds geweken waren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had
+mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp
+hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem
+wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en
+een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem
+doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen
+ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een
+gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar
+als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah,
+maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers
+overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd,
+om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden."
+
+"Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn."
+
+Nu riep de Gele Zon driftig: "Hij is een Utah, een van mijn
+onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te
+redden."
+
+"Zwijg," gebood Old Shatterhand. "Als hij werkelijk een der uwen was,
+zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst
+voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman;
+maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!"
+
+"Beleedig mij niet!" bulderde de andere uit, "Ik heb de macht, om
+u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u
+vergiffenis schenken. Maar als gij dat _niet_ doet, zullen duizend
+onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen."
+
+"Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt in _onze_ macht, en wij zullen
+met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt,
+des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er
+geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen."
+
+Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man
+was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit,
+en verzocht toen: "Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp
+kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij
+u bedriegen."
+
+"Gij hebt met hen niets te maken," antwoordde Old Shatterhand. "Gij
+zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt,
+hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen
+dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk
+nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden."
+
+"Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?" vroeg de roodhuid
+minachtend. "Die honden zijn tot niets nut!"
+
+"Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot
+de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil."
+
+Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de
+vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders
+kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem
+aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp
+van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den
+man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er
+stellig geen oplettender en onvermoeider bewaker te vinden kon zijn,
+dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.
+
+Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken
+in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het
+best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen
+gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds
+veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van
+afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen
+doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden
+aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het
+ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den
+martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen,
+van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander
+verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.
+
+"Dat is jammer!" zei Old Firehand. "Hadden wij maar wat eer kunnen
+komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!"
+
+"_Pshaw!_" antwoordde de oude Blenter. "Hebt gij inderdaad nog
+meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen,
+en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch
+hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem
+gesproken hebben."
+
+"Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet,
+ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood
+had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij
+zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En
+die is nu weg; stellig reddeloos verloren!"
+
+"Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel
+weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of
+andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren,
+die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken."
+
+"Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet,
+die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens
+bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe
+zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en
+de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft,
+is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen."
+
+"Gij vergeet," merkte Watson, de voormalige opzichter over de
+baanwerkers te Sheridan, aan, "dat die hoofdman een zoon had, en een
+kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk
+bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel
+zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus,
+hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe
+te brengen zijn, het aan ons mee te deelen."
+
+"Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er
+goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten
+blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden."
+
+"De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De
+twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind."
+
+"De twee Beren?" vroeg Old Firehand. "Heetten zij zoo?"
+
+"Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer."
+
+"Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht
+heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa's die met
+ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj--de
+Groote Beer en de Jonge Beer--juist, zoo heetten zij!"
+
+"Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer," bevestigde
+Winnetou. "Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de
+bleekgezichten altijd zeer genegen geweest."
+
+"Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans,
+dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op
+dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen
+ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen."
+
+"Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij;
+want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden
+heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken,
+zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar
+kunnen zijn."
+
+"Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan
+deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch
+dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen
+bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar
+wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk
+zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst
+te komen."
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+AAN HET ZILVERMEER.
+
+
+Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der
+blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun
+moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden
+canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa's zich
+verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen
+verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere
+staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende,
+schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den
+hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte
+wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende
+hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische
+citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die
+grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid
+onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder
+lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden
+glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper
+fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen
+die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan
+al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was
+geen droppel water tusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel
+op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke
+muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje,
+waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.
+
+Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en
+in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan
+weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de
+thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend
+water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado
+ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet
+ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich
+niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien
+bruisenden stroom.
+
+De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde
+steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf
+een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde
+steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo,
+dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.
+
+Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste
+wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men
+kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem
+stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in
+de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten,
+die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te
+worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een
+nauwlettend oog, en zeide: "Hier moet het wezen, waar ik er destijds
+uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet,
+dat ik mij vergis."
+
+"En wilt gij daar ingaan?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Ja. En gij moet met mij mee!"
+
+"Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig
+ten einde loopt."
+
+"Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis."
+
+Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in
+te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte
+zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker
+voelende: "Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg,
+die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden
+veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon."
+
+"Kent gij dan deze engte?" vroeg Old Firehand verwonderd.
+
+"Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig;
+gij weet, dat hij zich nooit vergist."
+
+"Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert
+dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan
+ook de streek, waar die weg naar toe loopt?'
+
+"Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend
+breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte,
+die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt."
+
+"Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die
+tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er
+dan? Weet gij dat?"
+
+"De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in
+de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg
+kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van
+het Zilvermeer."
+
+"Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?"
+
+"Ja."
+
+"Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?"
+
+"Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water,
+geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien
+eeuwig dorren steengrond."
+
+"Dan zal _ik_ u bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog
+veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water
+en gras."
+
+"Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?"
+
+"Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien
+rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij
+zullen hier zijwaarts zwenken."
+
+Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee
+naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden
+verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische
+pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de
+rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek,
+die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende
+rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe,
+regelrechte grondlijn vormde.
+
+Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een
+ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging
+niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde
+wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de
+ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker
+voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou
+gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere
+streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte,
+door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.
+
+Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil,
+dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar
+de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk
+van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun
+de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen,
+en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten
+zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.
+
+Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien;
+maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de
+rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen,
+om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard
+gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van
+de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.
+
+De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond
+bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor 't
+meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van
+groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen
+had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er
+partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De
+laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen:
+"Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is
+hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in
+aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping
+is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de
+rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder
+kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en
+zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den
+neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen
+bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder
+het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef
+op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest."
+
+"Wij behoeven niet te graven," antwoordde Old Firehand. "Het is
+immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van
+dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken
+aanwezig is."
+
+"Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig,
+dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen
+bezwangerd."
+
+"Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren."
+
+Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De
+anderen volgden hem in de grootste spanning.
+
+"Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting," zei Hobble-Frank
+tegen Tante Droll. "Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik
+mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar
+mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden
+van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend
+tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te
+laten zien wat een man in bonis ik geworden ben."
+
+"En ik," antwoordde Droll, "koop mij een boerenplaats, met twintig
+paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas
+en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het
+Altenburgsche."
+
+"En als wij niemendal vinden?"
+
+"Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets
+uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het
+spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer
+ook zilver te vinden moet zijn."
+
+Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan
+den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld
+scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog
+verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met
+die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke
+oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige
+wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei:
+"Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen een proef
+meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe
+Butler er over denkt."
+
+Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen
+en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur
+zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: "Lieve
+hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier
+in deze rotsspleet gezeten?"
+
+"Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer
+diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn."
+
+"Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel
+beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven,
+die gedegen metaal bevatten."
+
+"En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,"
+glimlachte Old Firehand.
+
+Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te
+voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim
+twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen:
+"Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid
+af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier
+te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet."
+
+"Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd."
+
+"Met hoeveel percent?"
+
+"Vijf en zeventig percent zuiver zilver."
+
+"Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk
+zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?"
+
+"Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader
+met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?"
+
+Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn,
+alle ter grootte van een hazelnoot.
+
+"Nuggets, goud!" riep de ingenieur. "Ook van hier?"
+
+"Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg,
+daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en
+daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook
+vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond
+ik in menigte."
+
+"Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old
+Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk,
+schatrijk man!"
+
+"Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de
+ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De
+voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel,
+dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen."
+
+Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen
+einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader
+aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen,
+dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden
+lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar
+Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: "Niet
+te voortvarend, messieurs! Wij hebben allereerst nog aan iets anders
+te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!"
+
+"Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest," merkte de lord aan,
+die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel
+van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen
+daarover verheugde.
+
+"Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die
+zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer
+nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren
+na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig
+onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons
+daarop voor te bereiden."
+
+"Dat is waar," gaf Old Firehand hem toe. "Maar ik zou toch wel willen
+weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en
+dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus
+Butler! wat is uw gevoelen daarover?"
+
+Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek
+gaan, en zei toen: "Water hebben wij noodig; het allereerste, dat
+wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?"
+
+"In het Zilvermeer zelf."
+
+"Hoe ver is dat nog van hier?"
+
+"In twee uur zijn wij daar."
+
+"Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?"
+
+"Ja, aanmerkelijk veel hooger."
+
+"Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag:
+bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?"
+
+"De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt
+immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer."
+
+"Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding
+van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar
+wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer,
+dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?"
+
+"In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch."
+
+"Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen
+afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs
+van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open
+in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar,
+om de noodige drukking te krijgen."
+
+"O, voor de spuiten?"
+
+"Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met
+houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water
+besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij
+buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water
+behandeld."
+
+"Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want
+anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken."
+
+"Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten
+wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk
+wel voldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over
+welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door
+de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer,
+zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de
+zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben,
+en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een
+maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee
+dingen, die mij met bezorgdheid vervullen."
+
+"En dat is?"
+
+"In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons
+van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?"
+
+"Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou
+en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend,
+dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden."
+
+"Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?"
+
+"Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen
+besluiten, om den grond aan ons te verkoopen."
+
+"En zal de hooge regeering dien koop erkennen?"
+
+"Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven
+betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust."
+
+"Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water
+uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den
+rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat
+ons gaan!"
+
+De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht,
+en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het
+gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.
+
+De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn
+gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien
+en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was
+uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte
+een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop
+was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht
+een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te
+voorschijn te brengen.
+
+De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed
+plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de
+rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag
+men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door
+de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij
+gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom
+stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over
+de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen
+waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken
+rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.
+
+De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij
+verslag van zijn bevinding: "Tot dusver ben ik zeer tevreden," zei hij;
+"het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook
+voor het transport van alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het
+verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in
+de hand werkt."
+
+"Hoort gij dat?" zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een
+por in de ribben gaf. "Mijn villa komt stellig nog terecht."
+
+"En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de
+beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig
+ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!"
+
+"Nu nog niet!" zei Frank afwerend. "Nog liggen de schatten verborgen in
+den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten
+als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw
+boerderij nog altijd in een substantieel Niet verscholen liggen. Maar
+als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet
+aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen
+absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken,
+zoo ver zijn we nog niet. Ik ben...."
+
+Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon:
+"Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!"
+
+Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen
+weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk
+begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid
+van het naburige meer was rondom op den grond van invloed; vandaar
+dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam,
+des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn,
+dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al
+plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier
+bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist
+toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen--drie
+gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen,
+doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel
+tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug
+en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee
+hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond
+dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in
+gebroken Engelsch: "Stil anders dood!"
+
+De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje
+behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop
+van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen
+eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij
+meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.
+
+Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit
+op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met
+kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd
+door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen
+in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk
+opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het
+meisje zagen aankomen.
+
+Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij
+zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat
+zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps
+het "Totem", dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had,
+en dat hij er toen bij gezegd had, dat dit schrift haar beveiligen
+zou tegen iedere vijandelijkheid. "Zijn schaduw is mijn schaduw,
+en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder", dat was
+de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het
+totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien
+zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.
+
+"Nientropan-homosj," zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had,
+dat de "Jonge Beer" in zijn eigen taal zoo heette.
+
+De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet
+van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand
+tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene,
+die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:
+
+"Wie--geven--u?"
+
+"Nientropan-homosj," antwoordde zij.
+
+"Jong opperhoofd?"
+
+"Ja," knikte zij.
+
+"Waar?"
+
+"Op het schip."
+
+"Groote vuurkano?"
+
+"Ja."
+
+"Op den Arkansas?"
+
+"Ja."
+
+"Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas
+geweest. Wie--mannen--daar?" Hij wees achterwaarts naar het ravijn.
+
+"Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand."
+
+"Oef!" riep hij uit, en "Oef!" riepen ook de anderen. Hij wilde nog
+verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken,
+met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn,
+om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men
+was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer
+te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De
+bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt;
+vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.
+
+"De groote hoofdman der Apachen!" riep hij uit. "Dit blanke meisje
+bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij
+hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie
+zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren."
+
+De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende,
+vroeg Winnetou hun: "Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?"
+
+"Ja."
+
+"Wie is uw aanvoerder?"
+
+"Tsjia-nietfas." ("Het lange oor.") Waarschijnlijk was deze man door
+zijn scherp gehoor beroemd.
+
+"Waar is hij?" vroeg Winnetou verder.
+
+"Aan het meer."
+
+"Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?"
+
+"Honderd man."
+
+"Zijn er nog andere stammen ook hier?"
+
+"Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om
+tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken,
+om de scalps der Utahs te halen."
+
+"Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten
+uitgezet?"
+
+"Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen."
+
+"Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer
+aan het meer?"
+
+"Ja, en de Jonge Beer ook."
+
+"Brengt ons bij hen!"
+
+Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het
+ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men
+klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand
+was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de
+ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.
+
+Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling
+een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond
+weer, en al spoedig zag men het water.
+
+"Het Zilvermeer," zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen
+wendende. "Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht."
+
+"Maar rust zullen wij hier niet vinden," zei Old Firehand. "Wij zullen
+waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen."
+
+Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien;
+het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.
+
+Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen
+gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans
+lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich
+telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende
+boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In
+de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas;
+hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich
+uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts
+een smalle grasstrook vrij liet.
+
+Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig
+gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het
+scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners
+nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de
+grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige
+kano's aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond,
+en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude
+gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige
+gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en
+heesters beplant.
+
+Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en
+de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch
+groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer
+als zilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo
+iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met
+kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.
+
+In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd
+Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken
+zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den
+stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.
+
+De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje
+traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache
+bracht zijn hand aan den mond, en riep: "Nientropan-homosj! Winnetou
+is aangekomen!"
+
+Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano
+stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader
+en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was
+stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen
+de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en
+zei: "Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt,
+verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken,
+en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest."
+
+Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de
+eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen,
+en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: "Mijn blanke broeder is
+een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!"
+
+Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon
+was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers
+op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de
+kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel
+was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier
+dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten
+zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het
+hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch:
+"De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit
+de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?"
+
+"Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer," antwoordde zij.
+
+Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet
+geheel kon verbergen.
+
+"Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?" vroeg hij.
+
+"Ja, nog al lang zelfs!" antwoordde zij.
+
+"Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet
+alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer
+gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar
+nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal
+zij mij dat vergunnen?"
+
+"Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik
+alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt."
+
+Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen,
+en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.
+
+De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in
+het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman
+was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu
+langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie
+van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen
+en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet
+minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst
+van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht,
+hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen
+als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en
+keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken
+had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam
+naar hem toe, en zei: "Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil
+hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?"
+
+De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar
+Droll antwoordde: "Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik
+niet geleerd."
+
+De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde
+Droll: "Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten,
+dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij
+allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben."
+
+"Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?"
+
+"De Utahs."
+
+"O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen
+zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen."
+
+"Dan vergist gij u!"
+
+"Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier
+als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!"
+
+"Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos
+hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen;
+de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het
+Zilvermeer zijn."
+
+"Oef!" zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond
+bleef staan.
+
+Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.
+
+"Is het mogelijk?" vroeg de Groote Beer. "Spreekt deze blanke tante
+de waarheid?"
+
+"Ja," antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek
+van het Zilvermeer het best kende. "Wij zullen u alles uitvoerig
+vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den
+vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier
+zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den
+canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen."
+
+"Ik ook mee!" verzocht Hobble-Frank.
+
+"Ik ook asjeblieft!" zei Droll.
+
+"Goed," antwoordde Winnetou. "Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar
+beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daar
+achter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende
+rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos
+dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te
+bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden
+ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp
+komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want
+daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven."
+
+Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen,
+die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in
+overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het
+meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld,
+om hun dorst te lesschen.
+
+Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te
+vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te
+mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende
+het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid
+kon hun van veel nut zijn.
+
+Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het
+was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het
+noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof,
+terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn,
+dat in die richting den uitgang van het dal vormde.
+
+Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten
+veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen
+voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde
+noodig.
+
+Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht,
+moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering
+niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval
+ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er
+echter tusschen het meer en den canon een tamelijk breede, op een dijk
+gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was
+die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand,
+dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk
+voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk
+stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met
+welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in
+staat om deze vraag te beantwoorden?
+
+Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk
+over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el
+breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager
+die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze
+zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men
+den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra
+was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.
+
+Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van
+den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier,
+en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook
+reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk
+maakten. Na het derde kwartier werd de canon eensklaps breeder,
+dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren
+niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen
+vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilen rustten,
+welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.
+
+"Hier moeten wij stilhouden," zei de Jonge Beer, die met de blanken
+voorop reed. "Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen
+verbergen."
+
+"En de paarden brengen wij een eind terug," zei Droll, "anders zouden
+ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden."
+
+Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf
+en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De
+blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht
+noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als
+een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen,
+en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch
+des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan
+den dag legde.
+
+"Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch
+bedachtzame mannen," zei hij: "doch de Navajos zijn doof en blind
+geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog
+niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs
+hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben
+ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps
+moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht
+zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan...."
+
+"Dan zullen wij een woordje meespreken," viel Droll hem in de rede.
+
+"Ja, dat zullen we," zei Frank. "Het zou mij plezier doen als ik het
+geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels
+kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?"
+
+"Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het
+keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet."
+
+"En de Navajos?"
+
+"Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien
+weg gebruik te maken, want de weg is...."
+
+Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een
+geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het
+struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een
+oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard
+bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij
+was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard
+met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.
+
+De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de
+Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd:
+"Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos
+reeds aangekomen?"
+
+"Nog niet."
+
+"Dan zijn wij verloren!"
+
+"Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!"
+
+"De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden
+der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen
+te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren,
+en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons;
+zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen
+houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen
+aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons
+dicht op de hielen."
+
+"Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?"
+
+"Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het
+gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want
+wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden
+zijn. Nu zijn onze mannen verloren!"
+
+"Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel
+hulp komen."
+
+Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier
+blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van
+den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren;
+daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij
+hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: "Als het zoo gesteld is,
+moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk
+een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen
+opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de
+overige Timbabatsjen te halen."
+
+"Hoe komt het in u op!" viel Hobble-Frank hem weersprekend in de
+rede. "Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!"
+
+"Hoe zoo?" vroeg Droll verwonderd. "Denkt gij, dat ik geen Westman
+ben?"
+
+"De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben
+zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen
+vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den
+voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden,
+tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullen _wij_ zorgen."
+
+"Bravo, Frank! gij hebt gelijk," riep Humply-Bill.
+
+En de Gunstick-Uncle voegde er bij: "Ja, ja, zij moeten vechtend
+blijven--tot wij al de Utahs daar verdrijven!"
+
+"Goed gesproken!" knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die
+zijn plan vond. "Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar
+het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden,
+om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen
+loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!"
+
+Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken,
+met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen
+zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang
+onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien
+vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren,
+konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het
+geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.
+
+Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels
+doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters
+verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en
+zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen
+gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los,
+doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van
+de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die
+te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden
+rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon
+innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten,
+opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor
+de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou
+er niet één hunner in leven gebleven zijn.
+
+Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp
+opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den
+canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik
+van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven
+vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog
+vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen
+over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.
+
+Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig
+meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te
+groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden
+laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.
+
+Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met
+goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs,
+die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de
+blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.
+
+Naast de jagers lag de "Jonge Beer", en gebruikte zijn geweer,
+dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs
+weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch
+hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet
+komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: "Wij met ons vijven
+blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg
+hun dat!"
+
+De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk
+sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de
+blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst
+nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er
+hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen
+had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar
+de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was
+eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen
+snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen
+zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen
+dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.
+
+Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den
+Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd
+werden. De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden
+hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht
+voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder
+achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en
+hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger
+verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich
+snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte
+dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte
+Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij
+tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd
+geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men
+het verder verloop van den strijd gerust afwachten.
+
+En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten
+Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste
+trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: "Ik heb de Navajos
+nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun
+krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich
+óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende
+afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot
+ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden."
+
+"Volstrekt niet!" zei Old Shatterhand. "Zij zijn immers nog niet
+vernietigd?"
+
+"Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der
+Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten,
+moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij
+gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in
+de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats
+grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van
+hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of
+de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is
+erg te betwijfelen."
+
+"Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?'
+
+"Ja."
+
+"Dan verkeert gij in het grootste gevaar."
+
+"O neen!"
+
+"Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos
+verwacht?"
+
+"Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij
+louter en alleen op mij zelf."
+
+"Dan begrijp ik u niet."
+
+"Ik ben voor geen duizend Utahs bang."
+
+"Daar heb ik geen hoogte van."
+
+"Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen
+verloren. In één oogenblik dood ik hen allen."
+
+"Hum! Allen?"
+
+"Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet
+begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op
+zulk een gedachte zou niet een der uwen komen."
+
+Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even
+rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij,
+terwijl er een glimlachje om zijn lippen speelde: "Maar gij, gij zelf,
+zijt ook niet op die gedachte gekomen."
+
+"Niet? Wie zegt u dat?"
+
+"Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat
+wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw
+hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen."
+
+"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend
+vijanden bang ben?"
+
+"Ja, juist."
+
+"Zeg het dan!"
+
+"Moet ik daardoor uw geheim verraden?"
+
+"Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven
+er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik."
+
+"En ik!"
+
+"Onmogelijk! Of bewijs het mij!"
+
+"Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?"
+
+"Ja."
+
+"Wanneer zij zich in den canon bevinden?"
+
+"Ja."
+
+"Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander
+wapentuig geschieden."
+
+"Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij
+niet weten."
+
+"O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door
+luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus
+door water?"
+
+"Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!"
+
+"Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel
+menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar
+het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen;
+het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is
+het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu,
+die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt
+en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden,
+waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier
+verandert. Heb ik het geraden?"
+
+In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman,
+onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote
+Beer op, en riep: "Heer zijt gij alwetend?"
+
+"Neen, maar ik denk na."
+
+"Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben
+ik aan het geheim gekomen?"
+
+"Door erfenis."
+
+"En hoe wordt de dam geopend?"
+
+"Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag
+zeer spoedig beantwoorden."
+
+"Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom
+die dam daar opgeworpen is?"
+
+"Ja."
+
+"Nu?"
+
+"Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der
+zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was
+voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om
+hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten."
+
+"En wat is de andere reden?"
+
+"De schat."
+
+"De schat?" vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit
+deed. "Wat weet gij van een schat?"
+
+"Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen
+omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen
+meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan,
+zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand
+hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden
+tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk
+in, dat het 't onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien
+slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al
+het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op,
+om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke,
+stomme bewakers van dien schat zouden zijn."
+
+"Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!" riep
+de Groote Beer verschrikt uit. "Laten wij niet verder over den schat,
+maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan
+duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den
+canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?"
+
+"Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang
+te houden!"
+
+"Welke dan? Wapenen?"
+
+"Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat
+zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te
+redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen
+gevangengenomen en meegebracht."
+
+"Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen."
+
+"Weet gij daartoe een geschikte plaats?"
+
+"Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen
+brengen."
+
+De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch
+en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van
+eenige Timbabatsjen in de kano's gebracht, die aan den oever van
+het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook
+naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van
+dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één
+verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was
+afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere
+was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren
+er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede,
+dat was alles.
+
+"Moeten de gevangenen hier blijven?" vroeg Old Shatterhand.
+
+"Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel
+betere plaats."
+
+Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van
+dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder
+de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met
+inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom
+naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu
+de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg
+licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig
+kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel
+naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van
+tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening
+bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter
+was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar
+geen toegang naar beneden te zien geweest.
+
+De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander
+gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken;
+toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: "Zij kunnen
+voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren
+van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze
+streek wisten zeer goed wat zij deden."
+
+Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet,
+zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder
+klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm
+van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en
+vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen
+mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat
+verborgen liggen?
+
+Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen,
+want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer
+naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van
+het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt
+vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano's gebracht, om op den
+oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam,
+verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp
+had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote
+Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen
+en snelden naar de paarden.
+
+Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder
+bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel
+te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De
+Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien
+en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen,
+bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel
+gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos
+raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee,
+en stak van wal, toen de anderen wegreden.
+
+Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement
+gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en
+dun, en in een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste
+vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de
+paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af,
+lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel
+mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder
+door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen,
+waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.
+
+Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig
+hulp kwam opdagen. Humply-Bill vertelde wat er was voorgevallen, en
+Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over
+hetgeen hij gedaan had.
+
+De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben
+met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door
+snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde
+hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De
+verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen,
+zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden
+mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.
+
+Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten
+uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten
+voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten
+verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte
+dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler
+gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat
+hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte
+om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn
+sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.
+
+"Halt!" riep hij met zijn donderende stem. "Laat die menschen liggen."
+
+"Waarom? Hun scalps komen ons toe!" antwoordde het Lange Oor.
+
+Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn
+schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij
+hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: "Doe één snee,
+en ik schiet!"
+
+Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Wat kunt gij
+daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren."
+
+"Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet,
+ten minste niet bij de levenden."
+
+"Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik
+die nemen."
+
+"Met welk recht?"
+
+"Ik begrijp u niet!" antwoordde de Roodhuid verbaasd. "Een verslagen
+vijand moet toch gescalpeerd worden!"
+
+"Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?"
+
+"Neen. Ik heb er één geraakt."
+
+"Welken?"
+
+"Dat weet ik niet."
+
+"Is hij dood?"
+
+"Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen."
+
+"Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is;
+dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!"
+
+De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn
+volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de
+afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl
+de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed
+kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem,
+en hoorde men hen roepen: "Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het
+toovergeweer!"
+
+Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn
+tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op
+hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar
+hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij:
+"Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die."
+
+Een der aanvoerders antwoordde: "Gij zult op ons schieten!"
+
+"Neen."
+
+"Spreekt gij waarheid?"
+
+"Old Shatterhand liegt nooit."
+
+Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.
+
+Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij
+dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te
+vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande
+beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek
+laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming,
+twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden
+en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen
+ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster,
+en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar
+buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe:
+"Blijft! Er zal u niets geschieden." Zij bleven angstvallig staan;
+hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: "Hoeveel hoofdmannen zijn er
+nu bij u?"
+
+"Vier."
+
+"Wie is de voornaamste van hen?"
+
+"Nanap varrenton (= de oude donder)."
+
+"Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den
+weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het
+midden; wapenen brengen wij niet mee!"
+
+Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord:
+"Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee."
+
+"Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal
+kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen."
+
+Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand,
+Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den
+afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige
+hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De
+hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun
+gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die
+er opgesmeerd waren; doch uit hun blikken sprak de verbazing, dat
+zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo
+keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste
+der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te
+spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: "Toen
+de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde,
+en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen...."
+
+"Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,"
+viel Old Shatterhand hem in de rede. "Maar de bleekgezichten drukken
+zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen."
+
+Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn
+woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd
+hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den
+pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd,
+half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: "De Oude
+Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old
+Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te
+laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden
+zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!"
+
+"Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren
+tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak
+van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maar _wij_
+willen over den dag van heden spreken. En daar _ik_ degene ben, die
+u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik
+van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!"
+
+Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden
+aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom
+vervolgde hij: "Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent
+gij ook de beide krijgslieden, die hier naast mij zitten?"
+
+"Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen."
+
+"Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode
+mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem,
+zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben
+behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige
+wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden
+moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?"
+
+"Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt."
+
+"Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat
+wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen
+naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij
+hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden."
+
+"Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld
+en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?"
+
+"Weder louter, om ons eigen leven te redden."
+
+"En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze
+vijanden zijn."
+
+"Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten
+hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen
+zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten."
+
+"Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst."
+
+"Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen
+het als onzen plicht, u vrede aan te bieden."
+
+"Wij zijn de overwinnaars."
+
+"Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet
+meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is
+onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons
+leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u
+had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven,
+zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal."
+
+"Wat weet gij daarvan?"
+
+"Alles. Wij hebben hun lijken begraven."
+
+"Zijt gij dan daar geweest?"
+
+"Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs
+zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen
+de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen
+hebt."
+
+"Dat is onmogelijk; dat is niet waar."
+
+"Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der
+Utahs, die er bij geweest zijn."
+
+"Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen."
+
+"Waarheen?"
+
+"Weten wij dat?"
+
+"Zijn zij door de Navajos gedood?"
+
+"Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken
+niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren;
+maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één
+gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen
+gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos."
+
+"Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!"
+
+"De Groote Geest heeft hen tot zich genomen."
+
+"Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke
+mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd."
+
+"In uw handen?"
+
+"Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet."
+
+"Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af
+te dwingen."
+
+"Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen
+wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie
+hoofdmannen gevangengenomen."
+
+"Zonder dat hun krijgslieden het merkten?"
+
+"Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen,
+zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old
+Shatterhand genoemd!"
+
+"Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben."
+
+"Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die
+gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?"
+
+Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde
+knoopen, vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien
+riem zien.
+
+"Oef!" riep de Oude Donder verschrikt. "De wampoen van de Gele Zon. Ik
+ken hem goed."
+
+"En dezen hier?"
+
+Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.
+
+"De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook."
+
+"En dezen derden wampoen?"
+
+Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna
+in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte
+bijna stotterend: "Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem
+heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien
+persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?"
+
+"Ja."
+
+"Waar zijn zij?"
+
+"In onze macht, terdege opgesloten."
+
+"Aan het Zilvermeer?"
+
+"Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons
+bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden,
+die later stellig ook hoofdmannen zullen worden."
+
+"Wat zult gij met hen doen?"
+
+"Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de
+Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!"
+
+"Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen,
+man tegen man."
+
+"Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt
+gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig
+krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk
+dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen,
+dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen."
+
+"En den buit rekent gij niet."
+
+"Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen
+buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij
+tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs
+geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan,
+en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen
+wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij
+zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit,
+zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!"
+
+Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet
+nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op
+den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had
+nog meer kracht bij te zetten: "Uw hoofdmannen hebben ons naar het
+leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus
+niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden
+om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij
+het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te
+sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wij weten zeer goed,
+dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is."
+
+Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige
+gestalte uit: en zei: "Pshaw! Waartoe al die woorden--wij hebben immers
+wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede
+wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem
+geven, wat hem toekomt: Leven of dood!"
+
+Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: "Zoo spoedig
+kunnen wij geen besluit nemen."
+
+"Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?"
+
+"Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met
+onze onderhebbenden spreken."
+
+"Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet
+noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere
+list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u
+tegen onze vuisten helpen."
+
+"Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het
+betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen,
+wat er zal moeten geschieden."
+
+"Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!"
+
+"Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie
+verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid
+roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!"
+
+Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de
+overigen volgden zijn voorbeeld.
+
+"Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!" bromde Old Firehand gemelijk.
+
+"Mijn broeder heeft te driftig gesproken," zei Winnetou op zijn
+zachtzinnige manier. "Hij had Old Shatterhand verder moeten laten
+begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt
+om toe te geven."
+
+Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij
+antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het
+Lange Oor hun: "Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw
+drieën gegaan?"
+
+"Omdat wij dat voldoende achtten," antwoordde Old Firehand norsch.
+
+"Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht
+om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij."
+
+"Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde
+er bij noodig."
+
+Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke
+laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien,
+hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim,
+Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd,
+door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard,
+die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok,
+dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.
+
+Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel
+niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen,
+maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke
+overrompeling te verijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet
+worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen
+der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk
+weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan
+de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en
+drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.
+
+Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden
+dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten
+rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop
+vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem
+reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden,
+die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door
+te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon
+eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter
+elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.
+
+Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het
+ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de
+hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een
+bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou
+zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van
+gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens
+iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze
+gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten
+uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch
+het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de
+afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange
+gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen
+vóór hem was. Weer rolde er een steen--naast hem dook iets donkers op,
+voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een
+schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan;
+hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.
+
+Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten
+hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel
+gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij
+zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten
+toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: "Wij hebben het Lange
+Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig
+is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal
+hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door
+een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!"
+
+De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen
+tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het
+was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den
+waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging,
+welke hij ondervonden had.
+
+"Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken,
+wanneer ik hem de prop uit den mond neem," vervolgde de andere.
+
+De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch
+de Oude Donder gaf hem de vermaning: "Als gij luid spreekt, zult gij
+sterven. Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles
+vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!"
+
+Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder
+gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den
+Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen
+schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog
+nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was
+hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.
+
+"Ik haat en veracht deze bleekgezichten," antwoordde hij. "Als gij
+mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen."
+
+"En de Beren ook?"
+
+"Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven."
+
+"Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?"
+
+"Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten
+hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben."
+
+"Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk
+met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen."
+
+"Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen,
+dan gij nu kunt vermoeden."
+
+"Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze
+hoofdmannen gevangen houden!"
+
+"Dat is waar. Ik heb hen gezien."
+
+"Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest,
+want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen
+een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?"
+
+"In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt."
+
+"Door wie worden zij bewaakt?"
+
+"Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is."
+
+"Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en
+beroemde krijgslieden! Gij liegt!"
+
+"Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid
+zijn."
+
+"Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden
+bevinden zich op den oever?"
+
+"Niet één."
+
+"Man! waar is uw verstand?"
+
+"Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest,
+anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen
+ulieden te vechten."
+
+"Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?"
+
+"Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor
+onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk
+naar het meer kunt komen."
+
+"Is dat dan mogelijk?"
+
+"Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen."
+
+"Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er
+nog een andere?"
+
+"Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen."
+
+"Waar is dat pad?"
+
+"Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een
+kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt,
+waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den
+Grooten Beer gereden."
+
+"En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?"
+
+"Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten
+intusschen aangekomen zijn."
+
+"Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier
+naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd
+gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer
+te bereiken?"
+
+"Drie uur."
+
+"Dat is lang, zeer lang!"
+
+"Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij
+bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en....."
+
+Hij bleef steken.
+
+"En.... spreek verder!"
+
+"En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een
+gevonden is."
+
+"Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder
+is er toch niets bij hen te vinden?"
+
+"Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het
+Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen,
+goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte."
+
+"Wie heeft u dat wijsgemaakt?"
+
+"Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een
+avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven
+vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken
+zij over die onmetelijke schatten."
+
+"Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?"
+
+"Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze
+daar in veiligheid gebracht."
+
+"Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog,
+hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten
+leegscheppen?"
+
+"Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat
+volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen
+toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep,
+en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen
+breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen
+afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer
+herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje
+uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar
+het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met
+steenen volgestopt."
+
+"Is dat alles waar?"
+
+"Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen
+heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen
+fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt
+op den bodem van het meer naar het eilandje, naar den toren, in welks
+onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen,
+om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die
+zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend;
+dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon,
+en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen."
+
+"Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten
+eens konden laten verzuipen!"
+
+"Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden
+omkomen."
+
+"Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd
+hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het
+eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?"
+
+"Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom
+zal _ik_ krijgen?"
+
+"Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de
+waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten
+geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren."
+
+De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de
+Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk
+zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten
+de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal
+waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den
+nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden
+bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging
+tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het
+keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien
+de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder
+moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep,
+en werd vrij helder beschenen.
+
+Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen,
+toen de Utahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden
+halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten
+of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren,
+viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later
+keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.
+
+"De bleekgezichten zijn niet meer in den canon," rapporteerden
+zij. "Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons
+geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij
+was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten."
+
+Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht,
+dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken
+in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich
+opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het
+bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in,
+dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen
+niet kon koesteren, en voegde er bij: "De bleekgezichten, die veel
+zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis
+van den canon en zijn naar het meer opgerukt, waar zij dachten niet
+door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal,
+dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus,
+vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren;
+doch gij zult hen in den rug aanvallen.
+
+"Hoe is dat mogelijk?"
+
+"Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts
+enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te
+halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door
+die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar
+boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano's,
+waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van
+den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn
+Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel."
+
+"Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt
+ons in de gang. Wijs ons den weg!"
+
+De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen
+zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen
+tegen de rots.
+
+"Die steenen moeten weg," zei de Timbabatsj, "dan zult gij de opening
+zien."
+
+De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat
+van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in,
+en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die
+alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (=
+prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak
+die aan. Daarop begaf men zich de gang in.
+
+De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang
+moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde
+bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het
+water van het meer.
+
+Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog
+slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel
+mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam,
+waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.
+
+"Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,"
+zei het Lange Oor. "Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten,
+waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?"
+
+"Ja," antwoordde de Oude Donder. "Maar lang moeten wij ons daarmee
+niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te
+komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben."
+
+Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het
+schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene
+beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een
+beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking;
+deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het
+afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren,
+eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die
+naar boven leidden; zij gaven slechts plaatsruimte voor één persoon;
+daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.
+
+Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de
+bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet,
+gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef
+staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen
+ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde
+het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels
+wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter
+halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen,
+die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond
+in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren
+eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven
+redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg,
+om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand
+vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel,
+dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er
+reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen;
+zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander--tevergeefs.
+
+Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij
+nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden
+slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door
+een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping,
+waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.
+
+"Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!" gebood de hoofdman der
+Utahs aan den Timbabatsj.
+
+Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er
+ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het
+water intusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de
+opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige,
+zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.
+
+Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich
+van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch
+nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich,
+en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te
+verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood
+te schieten; dat ziende riep hij uit: "Houdt op, want anders werp ik
+het licht in het water, en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien,
+waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen." Dit
+hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer
+zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.
+
+"Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!" antwoordde de Oude
+Donder. "Later zult gij er voor boeten!"
+
+De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer
+kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De
+bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist
+dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben,
+wanneer de Utahs in het water omkwamen. Daarom bleef hij staan toen
+hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij
+het hoofd Van den Ouden Donder.
+
+"Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken," riep hij hem
+toe. "Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug
+in het water!"
+
+Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman
+achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later
+verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en
+viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen,
+want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water
+kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.
+
+Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met
+dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De
+opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden
+meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen
+den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping
+zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: "Halt, blijf beneden,
+anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn
+zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!"
+
+Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.
+
+"Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!" antwoordde hij in doodsangst.
+
+"Wie zijt gij dan?"
+
+"Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen."
+
+"O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den dood verdiend,
+want gij zijt een afvallige, een verrader."
+
+"Neen, neen! Gij vergist u!"
+
+"Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester
+gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij
+verdrinken juist zooals zij verdronken zijn."
+
+"Ik heb niets verraden!" betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij
+stond reeds tot aan zijn knieën in het water.
+
+"Lieg niet!"
+
+"Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!"
+
+"Neen, gij blijft beneden!"
+
+Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand:
+"Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij
+zal zijn schuld bekennen."
+
+"Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!" verzekerde het
+Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.
+
+"Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor
+dankbaar zult betoonen."
+
+"Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt,
+en ik zal het doen!"
+
+"Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!"
+
+De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te
+kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij
+zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor
+de openstaande deur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan,
+zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg
+neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst,
+doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: "Voort, voort,
+naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!"
+
+"Blijf maar hier!" antwoordde de Groote Beer. "Gij hebt van het water
+niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger
+stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons
+vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt."
+
+Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had,
+was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen
+lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op
+hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs
+naderbij zouden sluipen.
+
+Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op
+den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer
+naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had
+gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij
+geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman
+weggeslopen was.
+
+"Waar naar toe?"
+
+"Naar de Utahs. Hij is nog niet terug."
+
+"Hoe lang is hij weg?"
+
+"Sedert ongeveer een uur."
+
+"Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien."
+
+De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar
+hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren
+weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den
+canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old
+Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar
+Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem
+zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te
+halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle
+moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door,
+zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging,
+dat de Utahs verdwenen waren.
+
+"Zij hebben hem stellig ingepakt," zei de Groote Beer; "hij heeft te
+veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan."
+
+"En misschien ook met ons," zei Old Shatterhand.
+
+"Hoe zoo met ons?"
+
+"Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een
+zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen
+gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen
+aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij
+de hoofdman echter betrokken is."
+
+"Welke reden kan dat zijn?'
+
+"Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad."
+
+"Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit
+vijandig jegens ons gedragen."
+
+"Dat is wel mogelijk; maar toch is hij de man niet, op wien ik mij
+zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?"
+
+"Ja."
+
+"Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?"
+
+"Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest."
+
+"Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer
+te komen."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben."
+
+"Daartoe acht ik hem niet in staat!"
+
+"Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij
+niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar
+dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg
+zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen."
+
+"Dat denk ik ook," zei Old Firehand.
+
+"Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk," merkte Winnetou op. "Mijn
+broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar
+eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen."
+
+Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote
+Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen
+een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op,
+zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.
+
+Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin
+zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken,
+daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer
+blindelings vertrouwen mocht.
+
+Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in
+het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander
+spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat
+klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar
+vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te
+gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht
+werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij
+te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats,
+van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf
+opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo
+alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren
+zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.
+
+Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het
+voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De
+overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden
+een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over
+het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich
+overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was
+gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk
+voor hen verzwegen.
+
+Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter
+over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer
+te spreken, en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht
+bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid:
+"Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij
+eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert
+mij reeds vroeger gezien te hebben."
+
+De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen:
+"Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar
+ik herken hem toch."
+
+"Welnu, wie ben ik dan?"
+
+"Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter
+doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader,
+die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf."
+
+"Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij
+gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel
+herinneren zal."
+
+"Ik weet het," zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op
+een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.
+
+"Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een
+schat, die hier verborgen ligt."
+
+"Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim
+sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak,
+dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover
+ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim,
+dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn
+kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn
+eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het
+bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen."
+
+"Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?"
+
+"Dat kan ik u niet verbieden."
+
+"Wij hebben een teekening daarvan gehad."
+
+"Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets
+vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht."
+
+"En mag ik niet weten waar?"
+
+"Neen."
+
+"Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?"
+
+"Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij
+zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet
+aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen
+wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen."
+
+"Is dat u ernst?" vroeg Old Firehand.
+
+"Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken
+worden."
+
+"Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven."
+
+"Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen."
+
+"Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?"
+
+"Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het
+eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten."
+
+"Kunt gij uw recht daarop bewijzen?"
+
+"Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangen
+een papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten
+maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is
+ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver
+als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik
+kan er mee doen, wat mij goeddunkt."
+
+"En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier
+gekomen zijn?"
+
+"Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele
+streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke
+Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de
+Timbabatsjen is."
+
+"Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij
+willen?"
+
+"Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen."
+
+"Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!"
+
+"Doe het!"
+
+"Hebt gij er niets tegen?"
+
+"Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen."
+
+"Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou
+zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen."
+
+"Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal
+wonen?"
+
+"Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt
+tot aan uw grenzen."
+
+Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid
+aan, toen hij vroeg: "Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen
+wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De
+blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik
+raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u."
+
+"Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij
+water kunnen bekomen."
+
+"Neemt dan water uit het meer!"
+
+"Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde."
+
+"Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt."
+
+"Mag ik een waterleiding aanleggen?"
+
+"Ja."
+
+"Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?"
+
+"Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den
+prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst
+bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen;
+en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het
+eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim
+hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik
+ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal
+op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij
+genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting."
+
+"Ons karretje rijdt op een zandweg," fluisterde Hobble-Frank tegen
+zijn neef. "Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het
+hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij
+spoedig Crassussen worden."
+
+"Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest,
+die zoo schatrijk was?"
+
+"Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de
+verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als
+gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!"
+
+Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de
+rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken
+sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen,
+vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch
+als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen
+genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen,
+en wachtten in spanning wat er komen zou.
+
+Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten
+werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen
+naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich,
+die zij met argus-oogen bespiedden.
+
+"Zeg," fluisterde Frank, "beweegt zich niet iets daar links van
+het houtgewas?"
+
+"Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn."
+
+"Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben
+van een puikpuik geweer."
+
+Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings
+over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het
+schot uit Frank's geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst
+getroffen, neer. Zijn beide kameraden snelden naar hem toe, om hem in
+veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet;
+zij verdwenen met den doode.
+
+Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was
+wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen
+liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer
+een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old
+Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte:
+"De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene
+helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg
+uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin
+van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen."
+
+"Een gat?" vroeg de Beer verschrikt. "Dan kennen zij de onderaardsche
+gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben
+dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij
+mee! Ik moet zien, of het waar is."
+
+Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen
+volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon,
+onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd,
+en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche
+gang ingingen.
+
+"Ja, zij kennen mijn geheim," zei de Groote Beer. "Zij willen naar
+het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn
+schatten meester maken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet
+vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met
+mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien."
+
+Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt,
+waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige
+centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen,
+die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een
+dier steenen, en zeide: "Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het
+eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit
+rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel
+achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort."
+
+"Waarom moet het rotsblok het water in?" vroeg Winnetou.
+
+"Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen;
+ik moet weg. Gauw."
+
+Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur
+aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in
+een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging,
+grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal,
+en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de
+boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout;
+dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.
+
+"Nu moeten mijn broeders luisteren!" zei hij, met de hand in de
+richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.
+
+Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het
+sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water,
+en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.
+
+"Het is gelukt!" riep de Groote Beer, diep adem scheppende. "De Utahs
+zijn verloren. Komt mee naar binnen!"
+
+Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de
+haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen,
+op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de
+minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar,
+waarboven de Beer luisterde.
+
+"Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen," zei hij. "Nu
+moet gauw het water er in!"
+
+Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij
+daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij
+terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer,
+en zei: "Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar
+een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken,
+en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb."
+
+"Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!" riep
+Shatterhand.
+
+"Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!"
+
+"Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?"
+
+"Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij
+daarbeneden gezien heeft."
+
+"Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!"
+
+"Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten
+zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven
+kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder
+water. Komt even binnen!"
+
+De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden
+gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang
+naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat
+beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.
+
+"Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?" vroeg Old
+Shatterhand. "Die verdrinken immers ook!"
+
+"Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk,
+moeten wij hen er uit halen. Luister!"
+
+Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een
+fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde
+hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die
+wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid,
+of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten,
+en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.
+
+Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet
+mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover
+hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon:
+"Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs
+in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik
+hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?"
+
+"Ja," bekende de andere.
+
+"Wie heeft dat aan u verraden?"
+
+"Gij zelf."
+
+"Dat is niet waar!"
+
+"Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met
+uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen
+hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche
+gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert
+gij u dat?"
+
+"Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan
+praten. Wij dachten dat wij alleen waren."
+
+"Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar
+die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een
+hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop
+te verwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen
+wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander."
+
+"En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen
+te verraden!"
+
+"Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om
+mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland
+gesproken."
+
+"Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u
+verdwenen was, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden
+reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien,
+wat beneden in het eiland lag?"
+
+"Ja."
+
+"En hebt gij de pakketten geopend?"
+
+"Maar één er van."
+
+"En wat zat daarin?"
+
+"Een god, van zuiver goud vervaardigd."
+
+"Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat
+denkt gij wel dat gij verdiend hebt?"
+
+De Timbabatsj zweeg.
+
+"Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en
+kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet
+zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij
+doet wat ik van u verlang."
+
+"Wat verlangt gij?"
+
+"Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit
+of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het
+eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt."
+
+"Ik ben bereid te zweren."
+
+"Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat
+Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen
+wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken
+prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het
+meer loopt."
+
+"Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut;
+wij kunnen er geen paard laten grazen."
+
+"Nu, wat vraagt gij er voor?"
+
+"Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken."
+
+"Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij
+zelf dan moeten bepalen. Daarom zal _ik_ u nu maar zeggen, wat gij
+moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit,
+tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is
+niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?"
+
+"Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen."
+
+"Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den
+dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop
+daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder
+geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij
+verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet,
+dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw
+best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen
+van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde
+moeten brengen, anders verdrinken die ook nog."
+
+Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd,
+dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van
+hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en
+sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die
+zijde den kelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer
+moeten duren, of de Utahs waren verdronken.
+
+Zij werden in de kano's naar den overkant gebracht, en onder de
+bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen
+gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij
+moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun
+post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet
+terug hadden getrokken.
+
+Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar
+het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen,
+toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd
+ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo
+volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer
+niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den
+Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon
+wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.
+
+De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren
+verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te
+vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de
+gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen,
+die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland
+te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden
+de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut,
+of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop
+verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de
+ramp waren omgekomen.
+
+Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde
+plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden
+zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand
+onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun
+aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen
+verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij
+elkander waren, zei Old Shatterhand: "Weet gij, dat wij verscheiden
+van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?"
+
+"Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen," antwoordde
+de aangesprokene somber.
+
+"En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang
+binnengedrongen waren, gebeurd is?'
+
+"Neen."
+
+"De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen;
+zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans
+ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos
+aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar
+uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet,
+dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat
+een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij
+geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden
+zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij
+er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u
+bij de hoofdmannen brengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar
+hier terugkeeren."
+
+De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: "Old
+Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug
+laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee."
+
+Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn
+wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte
+leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij
+brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te
+wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest
+om hen tot vrede-sluiten over te halen.
+
+De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder
+voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad
+bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar
+hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende
+ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen;
+zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen
+hulp meer te wachten hadden.
+
+Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten,
+dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.
+
+Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan
+de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde
+verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten
+slotte de vredespijp de ronde deed.
+
+Het resultaat was een "eeuwige" vrede tusschen alle partijen;
+boetedoening werd van niemand verlangd:--de gevangenen werden op vrije
+voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden
+de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten
+te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.
+
+Hierop volgde een groote jacht, die tot 's avonds duurde en een rijken
+buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van
+wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit
+feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen
+de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in
+te slapen.
+
+Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had,
+die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.
+
+Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk
+te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had;
+hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd
+alles vergeven.
+
+Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep;
+pas den morgen daarna ging men van elkander af.
+
+De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen
+keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop
+van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te
+zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding,
+dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den
+door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat
+nu nog gedaan moest worden, was den gesloten koop door de bevoegde
+overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.
+
+Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon
+een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er
+werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen
+gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk,
+de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem
+naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden
+die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij
+hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer
+waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog
+een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het
+goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde
+veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg
+om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele
+poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt
+kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen
+op avonturen in de bergen uit te gaan.
+
+Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange
+Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar
+konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld
+worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris
+te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele
+akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop
+hij aanspraak had.
+
+Eindelijk, na verloop van bijna anderhalve maand, kwam de tijding,
+dat de machines afgehaald konden worden. Men brak tot dat doel op,
+en de lord maakte van de gelegenheid gebruik, om in hun gezelschap
+naar bewoonde plaatsen te komen, waar hij gemakkelijk andere gidsen
+zou kunnen vinden.
+
+Toen het gezelschap in Fillmore City aankwam, verwekte het niet weinig
+opzien. Men begreep, dat het hier een groote mijnonderneming gold,
+en gaf zich alle moeite om iets naders daarvan te vernemen. Doch de
+personen, die er belang bij hadden, bewaarden het diepste stilzwijgen,
+daar het niet in hun plan kon liggen allerlei gespuis in hun nabijheid
+te krijgen.
+
+Toen men alle machines boven aan het meer bijeen had, begon de
+ingenieur zijn werkkracht te ontwikkelen. De waterleiding werd
+aangelegd, en toen in de eerste plaats het zand op den bodem van
+het keteldal ontgonnen. Wat de voeding betrof, men had meel en andere
+benoodigdheden in groote hoeveelheden medegenomen. Voor vleesch zorgden
+iederen dag afwisselend drie personen, die uit jagen moesten gaan,
+terwijl de anderen in het dal werkten. Voor het toebereiden van de
+spijzen zorgde Ellen, wier tegenwoordigheid een ware weldaad was voor
+de geharde mannen.
+
+De verwachting, die men van dit dal gehad had, bleek alleszins juist
+te zijn. Het zand was rijk aan goud, en men mocht veronderstellen,
+dat de vaste rotslagen niet minder zouden opleveren. De hoeveelheid
+stofgoud en nuggets werd elken dag grooter; iederen avond werd
+er opnieuw gewogen en getaxeerd, en wanneer het resultaat, zooals
+gewoonlijk, verblijdend was, fluisterde Droll vergenoegd tegen zijn
+neef: "Als het zoo voortgaat, zal ik de boerderij spoedig kunnen
+koopen. De dingen gaan zoo mooi als het maar behoeft."
+
+En Hobble-Frank antwoordde: "En mijn villa is om zoo te zeggen al
+klaar, ten minste in mijn hoofd. Dat zal een composant gebouw worden
+aan het heerlijke strand van de Elbe; en de naam, dien ik er aan zal
+geven, zal nog veel composanter worden. Ik heb gezegd. Howgh!"
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Verkorte benaming voor San Francisco.
+
+[2] _Eagle-tail_ = Adelaars-staart.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHAT IN HET ZILVERMEER ***
+
+***** This file should be named 21875-8.txt or 21875-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/1/8/7/21875/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.