diff options
Diffstat (limited to '20129-h/20129-h.htm')
| -rw-r--r-- | 20129-h/20129-h.htm | 11086 |
1 files changed, 11086 insertions, 0 deletions
diff --git a/20129-h/20129-h.htm b/20129-h/20129-h.htm new file mode 100644 index 0000000..63a9b4b --- /dev/null +++ b/20129-h/20129-h.htm @@ -0,0 +1,11086 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Het Leven der Dieren</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren"> +<meta name="DC.Date" content="### December 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument,p.note +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +p.question +{ +margin-bottom:0; +text-align:left; +} + +p.answer +{ +margin-top:0; +text-align:right; +} + +p.explanation +{ +font-size:smaller; +margin-left:0.9em; +margin-right:0.9em; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 4: De Roofdieren + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: December 18, 2006 [EBook #20129] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="body"><a id="d0e69"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e69">82</a>]</span><div class="div1"> +<h2 class="label">Vierde Orde.</h2> +<h2>De Roofdieren (<i>Carnivora</i>). +</h2> +<p>Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor. +Bijna alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige, en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn +in deze orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen +Wezel—welk een aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier de evenredig gebouwde, lieftallige Kat, +daar de logge Hyena; hier de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de krachtige, grove Hond; hier de +logge, langzame, zwaarwichtige Beer, daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle tot één groep behooren?—En +hoe kunnen zij alle in één beschrijving samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen, deels in het +water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband met elkander behandelen. + +</p> +<p>Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in ’t oog loopende +gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit +de overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van ’t voedsel afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam—voortvloeiend +uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de spijsverteringsorganen—zoowel als die van den geest in hoofdzaak gelijkaardig +moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden, van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in de +orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen. + +</p> +<p>Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met +meer of minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid +der zintuigen is in ’t oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten +van tanden bestaat, bevat krachtige, scherpe—deels meer of minder slanke en éénspitsige, deels scherp getakte—in en tusschen +elkander grijpende tanden, die met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken, waarvan de onderste door +krachtige spieren bewogen wordt. + +</p> +<p>De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd +kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel +is om zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof +tot het inwrijven van het vel. + +</p> +<p>Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende, meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw +op. Het skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte +van den kop is langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld als het aangezichtsgedeelte. De krachtige +kammen en lijsten als ook de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen verschaffen aan de krachtige kauwspieren +de voor hun bevestiging vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen +van den neus zeer uitgebreid: aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige ruimte aangeboden voor hun volledige +ontwikkeling. Aan de wervels merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op; de lendewervels vergroeien +dikwijls bijna volkomen met elkander; het aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen vertoonen, +in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle +vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging. + +</p> +<p>De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor +hij geschikt wordt voor ’t wroeten in den grond. Tevens zijn dan de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: +de bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren +in staat om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen voor ’t zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige +terugtrekbaar, gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen +vormen. Andere soorten hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de beschutting van den voet of voor +het woelen en graven in den grond kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter vast kan houden. Het +gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen; het kan +hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige +<a id="d0e90"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e90">83</a>]</span>spieren en pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze +uitgebreide en behendige bewegingen toelaat. + +</p> +<p>Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; +dit gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, +dat bij alle Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk, bij andere het gezicht, bij enkele het +gehoor op bewonderenswaardige wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke rol. Twee zinnen zijn in +den regel zeer scherp: in de meeste gevallen zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht. + +</p> +<p>De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig +verstandige wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich weldra de list en de kunst van veinzen eigen +maken, die voor hun roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat het bewustzijn van hun kracht hun moed +en zelfvertrouwen verschaft, welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen worden. Maar juist uit deze +eigenschappen vloeien weer andere voort, die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels. + +</p> +<p>Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, +weldra wreedheid en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst in den vollen zin van ’t woord; deze +hartstochten bezielen hen in die mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is. + +</p> +<p>Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De +Roofdieren wonen en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de kronen der boomen, op de gebergten zoowel +als in de vlakten, in het woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer als in zuidelijke. Men treft +onder hen even volkomene nachtdieren als dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht der zon, nog andere +in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken. + +</p> +<p>Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, +overvallen het onverwachts—hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, +om door hun verschijnen niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het bewustzijn van hun zwakheid gedreven +om zoo schielijk mogelijk een schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts bespeuren. Hoe meer zij +van het daglicht houden, des te vroolijker, levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij aan den nacht +de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger, schuwer en ongezelliger zijn zij. + +</p> +<p>Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige +voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men “alleseters” en “vleescheters”; deze namen zijn echter +niet volkomen steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan een flink stuk vleesch als de grootste en wildste +Roofdieren. Alle leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers en moordenaars, onverschillig of zij kleine +dan wel groote dieren dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als de gelegenheid schoon is, dat zij +geen uitzondering willen maken op den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard der zaak, dat er tusschen +de Roofdieren, wat betreft de keuze van het voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen bestaan als +ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het dierenrijk +blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde bepalen +zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren; +de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De Honden, die eigenlijk echte “vleescheters” zijn, breiden +hun jacht nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend +voeden met Visschen en Amphibiën; de Beren eindelijk zijn echte “alleseters”; zij eten werkelijk met evenveel smaak plantaardig +als dierlijk voedsel. De Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de Roofdieren hunne liefhebbers of +liever hunne vijanden. Onverschillig waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of tusschen de takken +der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden overal +den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke +onderdoen. + +</p> +<p>Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt +dit verbond echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in +dit tijdperk zijn de beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het jaar, gezamenlijk voeden, beschermen +en verdedigen zij de jongen. Bij andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne spruiten als een welkomen +buit te beschouwen; hij moet door de moeder teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap toevallig +ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van +één worp wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering niet meer dan één. Bij nagenoeg alle Roofdieren +worden de jongen blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend; zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk +vlug. Hun moeder geeft hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en beschermt hen steeds zoo lang, +als zij nog niet in staat zijn, om voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar zeer weinige moeders +haar kroost in de armen of op den rug mede, de overige sleepen het met den bek weg. + +</p> +<p>De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming +dienstbaar trachten te maken; met één hunner is hem dit echter in zoo hooge mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk +geen tweede hiermede overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer of minder recht als schadelijke +dieren beschouwd, fel gehaat en daarom zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige wordt het vleesch +of het vet gegeten, van <a id="d0e108"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e108">84</a>]</span>andere wordt de prachtige pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men tegen het dooden van deze +dieren niets inbrengen; betreurenswaardig is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk, maar zelfs +nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze +orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en +vijanden moet steeds van groot belang geacht worden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele +reeks te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de “koning der dieren” werd genoemd, aan den Leeuw, +en geeft hem gaarne de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie der <span class="letterspaced">Katten</span> (<i>Felidae</i>). + +</p> +<p>Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen +en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren +niet aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel +in zoo hooge mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type van de geheele groep beschouwen. + +</p> +<p>De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop +met den sterken hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart en het zachte vel met zijn steeds aangename, +met de omgeving innig harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen duidelijk voor den geest staan. Het +lichaam van de Kat is met de meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De hoek- of grijptanden hebben den +vorm van groote, sterke, bijna niet gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een waarlijk vernietigende +uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen zelfs de flinke +scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en onbeduidend +voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne, hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte +stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens +van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van +haar prooi of om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten onderscheiden zich vooral, doordat zij +naar verhouding zulk een geringe lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn der laatste teenleden, +die bij het gaan in ’t geheel niet met den bodem in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer krachtige +en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van +rust en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden, waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings +bevestigd is, in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op ’t oogenblik dat de klauw dienst moet doen, trekt de krachtige, +diep gelegene buigspier, welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht, dit deel met geweld naar beneden; +de voet wordt hierdoor gestrekt en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit maaksel van den voet +heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen waarneembaar +zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van +den teen, die met den grond in aanraking komen. + +</p> +<p>De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid. +Bijna alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de eigenschappen van het lichaam als door die van den +geest, al is het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij +de andere schijnt achter te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder gedruisch te maken; zij loopen +snel en zijn in staat tot het maken van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn dan haar lichaamslengte. +Slechts weinige soorten, en wel de grootste, zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de meeste met +veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor ’t meerendeel een tegenzin hebben in ’t water, zwemmen zij ingeval +van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in ’t water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van +haar fraai gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan +de kunst om hiermede met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog +de naar verhouding zeer groote spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De grootste soorten kunnen met +één slag van hare vreeselijke klauwen en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit ter aarde doen storten, +al is het ook grooter, dan zij zelf zijn; ook kunnen zij groote lasten voortsleepen. + +</p> +<p>De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar +gedurende hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen; +zij vernemen den zachtsten stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij nagenoeg geen van deze dieren +bijzonder groot zijn, kunnen zij door het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het gezicht is minder +goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden zien, +nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt, +neemt bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich +onder den invloed van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid of in de duisternis rondt zij zich +tot een nagenoeg volledigen kring af.—Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks fijnheid zoowel uit het +zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid werkende +prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen boven +de oogen, bij de Lossen misschien <a id="d0e128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e128">85</a>]</span>ook het haarkwastje aan het oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier in een hoogst onaangenamen +toestand; het wordt letterlijk radeloos en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en onzekerheid, die +later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels, weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer geschikt. +De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij +toonen een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een groot behagen in aangename prikkels. Als men haar +vacht gladstrijkt, zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij, groote ontevredenheid aan den dag +leggen, als zij met vocht besprenkeld of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en de smaak staan waarschijnlijk +ongeveer op gelijke hoogte; misschien is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn in weerwil van haar +ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten, +zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten +wentelen zich, alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als ’t ware in een roes; terwijl dieren met meer +verfijnde reukorganen hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen. + +</p> +<p>De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft, een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel +lager, als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden +der beide familiën voortdurend twee typen voor oogen hebben, die geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men +kan den Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den mensch ontwikkeld is, niet op één lijn stellen +met de verwaarloosde en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten treden wel is waar de hoogere of +edelere begaafdheden van den geest minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat, als hij goed behandeld +wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert vaak genoeg +voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet +de moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel +en wordt hierdoor van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste soorten is een vereeniging van bedaarde +omzichtigheid, volhardende sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap vertoonen zij zich weldra geheel +anders dan in vrijen toestand; zij erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens haar meester, verlangen, +dat hij haar zal vleien en liefkoozen, kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms hare diep ingewortelde, +natuurlijke neigingen plotseling weder op den voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten valsch +en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen, +een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der slavernij af te schudden. + +</p> +<p>Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar +hoogstens verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden +zoowel als vochtige laagvlakten, het bosch zoowel als het veld. + +</p> +<p>Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren +het meest aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een +kleine minderheid uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren, vooral van Schildpadden, nog andere gaan +zelfs op de vischvangst uit. + +</p> +<p>Bij ’t vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden +sluipen zij door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles, in alle richtingen loerend en scherp luisterend. +Zelfs van het zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep gebogen houding gaan zij er op af, den buik +bijna op den grond, zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen +van de nabijheid van het roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen worden. Eindelijk acht de Kat den +afstand gering genoeg, om tot den aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi bereikt. De vreeselijke +klauwen doorklieven den nek of de zijden van het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige malen achtereen +hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren, die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel +zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in ’t oog, en bijt opnieuw, zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven +opmerkt. Vele Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat evenzeer welgevallen als begeerigheid of +toorn te kennen geeft; ook bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de afschuwelijke gewoonte, haar +slachtoffer lang te martelen: schijnbaar gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een eind ver loopen, +om het echter steeds op ’t rechte oogenblik weer te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit wreede +spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht +met dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, +dat zij, ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. +Zelfs de Leeuw, de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch, en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; +zoodra zij evenwel gezien hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze Roofdieren zijne vreeselijkste +vijanden. Ofschoon bijna alle Katten goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een prooi na, wanneer haar +de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve, waar de +strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier, dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, +verborgen plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken, dat de bevrediging van den honger teweegbrengt. + +<a id="d0e138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e138">86</a>]</span></p> +<p>In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen +van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich +slechts bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid +en liefde openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan +een teederheid en zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig +en opmerkzaam op de jongen, dat men in ’t geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van haar liefde. Een zeer aangenamen +indruk maakt zulk een kattenfamilie ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in hun prille jeugd opwekt. +Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken, aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil in de +nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten +worden, wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms +ook tegen hun eigen vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn, eenvoudig opvreet, wanneer hij het +nest onbewaakt vindt. Dit is vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede alle Katten hare jongen zoo +goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen, wordt de zaak +anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen gezinde +dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen, +waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf +der volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers +spitsen de ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In ’t eerst is de staart van hun moeder een bron van groot vermaak. +Elke beweging van dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige bende haar best te doen om door pogingen +om den staart te grijpen diens bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter door deze plagerijen +in ’t minst niet storen en gaat voort met haar gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij laat +zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin +reeds met allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als +een kind. Dikwijls is het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht den staart van het andere te +grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt, worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien, dat de staart eenvoudig +een deel van hun eigen lichaam is, en willen liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude hun kleine, +soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere +geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude +de jongen mede op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen, in het toonen van zelfbeheersching, in +het onverhoeds aanvallen, kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig zijn geworden, verlaten zij +hun moeder of hunne beide ouders en leiden van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven. + +</p> +<p>De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon +groot. Men moet hierbij echter in ’t oog houden, dat de groote soorten van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk +rijk aan dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging +van sommige Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten +wordt de schade, die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij ons bewijzen. Zij maken alleen jacht +op kleine Zoogdieren en Vogels; vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon veel last en schade kunnen +aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel onmisbaar +geworden, maar ook de in ’t wild levende soorten van kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door belangrijke +diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China, en +ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken +schatten het genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont, dan wegens de innerlijke waarde, want +deze is niet bijzonder groot. + +</p> +<p>De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, +juist wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer wereld rekenen. + +</p> +<p>De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter +het recht te hebben om de <span class="letterspaced">Lossen</span> (<i>Lynx</i>), de <span class="letterspaced">Geparden</span> of <span class="letterspaced">Jachtluipaarden</span> (<i>Cynailurus</i>) en de <span class="letterspaced">Fretkat</span> of <span class="letterspaced">Fossa</span> van Madagaskar (<i>Cryptoprocta</i>) van de overige vormen—van de <span class="letterspaced">eigenlijke Katten</span> (<i>Felis</i>)—te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat +dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan +den anderen de Tijger zijn, onderscheiden de <span class="letterspaced">Lossen</span> zich door de kortheid van den staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de <span class="letterspaced">Geparden</span> door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid der klauwen; de <span class="letterspaced">Fossa</span> is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig dier doen +kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een “oerkat”, zoo men wil. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de eerste plaats beschouwen wij de <span class="letterspaced">Eigenlijke</span> Katten; de soorten van de <span class="letterspaced">Oude Wereld</span> zullen wij gescheiden van die der <span class="letterspaced">Nieuwe Wereld</span> behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben, op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van +het dier aanbiedt, en wel zoo, dat <a id="d0e199"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e199">88</a>]</span>de <span class="letterspaced">dwars gestreepte</span>, de <span class="letterspaced">gevlekte</span> en de <span class="letterspaced">eenkleurige</span> Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1087.jpg" alt="Tijger (Felis tigris)." width="358" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tijger</span> (<i>Felis tigris</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de <span class="letterspaced">Tijger</span>, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder manen, +met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van alle +Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel +waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een +schoon en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid +van de Zoogdieren moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe te kennen; want hij heeft zich tegenover +den beheerscher der aarde verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In plaats van verdreven en teruggedrongen +te zijn door de bebouwing van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij gedeeltelijk juist hierdoor meer +aangetrokken; zelfs heeft hij den mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de Leeuw, uit bevolkte gewesten +zich terug te trekken, en het gevaar, dat hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig of listig +te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden +en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, +of althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen +konden, was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Koningstijger</span>, de <span class="letterspaced">Bagh</span>, <span class="letterspaced">Scher</span> of <span class="letterspaced">Nahar</span> der Hindoes, de <span class="letterspaced">Harimau</span> der Maleiers (<i>Felis tigris</i>), is een prachtige, wonderschoon geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de Leeuw, staat de Tijger +toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die van het +volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is 80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 +cM. Het gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers +was resp. 163.3 en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder dan bij den Leeuw, de staart eindigt +niet in een haarkwast, de beharing is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het wijfje is kleiner +en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers, die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende +het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die, welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. +De teekening van het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er is een scherpe tegenstelling tusschen +de lichte, roestgele grondkleur, en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten, is de grondkleur op +den rug donkerder, aan de zijden lichter; de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel van den romp, de +lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn wit. Bij den “Boschtijger” schijnt de grondkleur meer verzadigd te zijn dan +bij den “Dsjungeltijger”. Van den rug naar de borst en den buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen, +die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van +deze strepen splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De staart is lichter van kleur dan de bovenzijde +van het lichaam, maar eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren zijn meestal wit. Het groote oog, +dat een ronde pupil heeft, ziet er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de ouden; bij hen heeft +de grondkleur echter een iets lichtere tint. + +</p> +<p>Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in +zeldzaam voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige zijdestrepen. + +</p> +<p>Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die +het vervolgt. Dit is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen, dat de kleur bij de dieren in ’t algemeen +in nauw verband staat met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in ’t bijzonder het geval; ik kan hier +dus volstaan met te herinneren aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den Tijger als woonplaats +worden gekozen, om de meening te weerleggen, dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk zouden kunnen +zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden, dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed +als andere dieren, volkomen over ’t hoofd zien. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, +en meer bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa +in uitgestrektheid verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB., en wel tot in het zuidoosten van Siberië. +De noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam: bovendien houde men hierbij in +’t oog, dat Siberië een geheel ander en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten, die op gelijke breedte +gelegen zijn. Indië kan echter als het eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit verbreidt hij zich +naar ’t noorden en oosten door geheel China tot in het stroomgebied van den Amoer, naar ’t noorden en westen door het noordelijke +deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige +oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien +wel nu en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen komen zij echter niet tot aan den <a id="d0e251"></a><span class="corr" title="Bron: Kaukakus">Kaukasus</span> of tot aan de Zwarte Zee. Op de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van Sumatra en Java, komt de +Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op het eiland Ceylon. + +</p> +<p>Over den Tijger op Java schrijft Dr. <span class="smallcaps">W. R. van Hoëvell</span> o. a. het volgende: “Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten, op de bergen<a id="d0e259"></a><span class="corr" title="Bron: ">,</span> overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal +bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden +acht <a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">89</a>]</span>weduwen, wier mannen door Tijgers waren geveld. + +</p> +<p>“Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in ’t wild. Daar is een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de +zon aan den hemel schijnt—maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek, dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, +dan slaapt hij. + +</p> +<p>“De volle middag is in Indië het beeld van den dood—de nacht van kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu +eens oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, +op schelle tonen een avondzang—dan belasten honderden Padden en Kikvorschen zich met de baspartij—nu en dan mengt zich het +eentonig geschreeuw van de Gekko’s er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen. + +</p> +<p>“Maar ziet—daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender +en harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken +afstand, diep in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden, ontvouwden ons de reden. ’t Was het angstgeschreeuw +der Apen, die deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls honderd voet hooge kruinen der boomen zich +gerust aan den slaap heeft overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich aan den voet neer. + +</p> +<p>“Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt, of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle +ontwaken—alle zien den Koning der verschrikking beneden—alle schreeuwen en alleen de tegenwoordigheid van dat vreeselijke +dier jaagt hun zulk een doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van tak tot tak springen en, onder +huilen en jammeren, den een den ander verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen—maar onbewegelijk fonkelen +zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen en +verslonden wordt. + +</p> +<p>“De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java’s wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet tegen +in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar +ligt de moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft +den Stier reeds menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche, fraai geteekende, met sierlijke hoornen +gekroonde dier. Rustig, van geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van zijne spieren en kop en +hoornen kent, geniet het de geurige kruiden, door den dauw van den nacht besproeid. + +</p> +<p>“De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn adem in, hij wacht—de Stier komt al grazende dichter +bij—nog een kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn—en nu—slechts één enkele sprong—en de Tijger zit zijn prooi +op den rug—hij heeft hem zijne klauwen in de breede borst geslagen—hij heeft hem de slagtanden in den korten, rimpeligen nek +gezet—een vreeselijk gebrul weergalmt in den nacht en weerkaatst door het gebergte—de Stier ijlt, woedend van pijn, in ’t +dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde houding—de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der +boomen, de Tijger verroert zich niet—de smarten doen den Stier al harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden +en klauwen al dieper en dieper in het vleesch—de Stier werpt zich op den grond, wentelt zich om, de Tijger laat los, doet +een enkelen sprong, zet de tanden in den strot van zijn slachtoffer—en weldra blaast het rochelend den laatsten adem uit.” + + +</p> +<p>Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. +Tot in de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja +wordt hij slechts nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden +aan de rivieroevers, in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide plaatsen; ook vindt men hem dikwijls +te midden van bouwvallen; niet zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in liggende houding gezien, +soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere dieren is zijn +voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen; met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde plaatsen +terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke nabijheid te vinden. “Het eerste het beste, met lang gras of riet +begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand,” schrijft <span class="smallcaps">Blanford</span>, “de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk +volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken, de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde +heuvelhelling, herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de vaste bewoner van dit plekje door een jager +gedood wordt, zal weldra een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen.” + +</p> +<p>De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de +verschillende grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone +snelheid, behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt op zijne rooftochten schielijk afstanden van +uren gaans, beweegt zich zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in ’t springen heeft men dikwijls overdreven +voorgesteld. Uit metingen aan de sporen van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere sprongwijdte +dan van 5 M. gebleken. <span class="letterspaced">Boomen beklimt hij niet</span> of alleen bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is; gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet +beklimmen. Wel springt hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van een boom met zachte schors op, en +krabt deze spelenderwijs stuk. + +</p> +<p>De Tijger is geen echt nachtdier. Evenals de meeste Katten zwerft hij op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat +hij aan de uren kort vóór en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken, +op landwegen, woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In het zuidoosten van Siberië bezoekt hij +gedurende den zomer iederen nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem uitweert, omdat hij, even goed +als de daar woonachtige jagers, weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar ontmoet hij <a id="d0e288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e288">90</a>]</span>dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten, +Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de +grootste, en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne krachten aan den buitengewoon sterken Wilden +Buffel; in den strijd met dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het onderspit; ook door een ouden, +goed gewapenden mannetjes-Ever wordt hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook vergrijpt hij +zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood eet +hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen; +<span class="smallcaps">Simson</span> vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door +hem versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt, +gaat hij om zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede +te zijn. + +</p> +<p>Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten +ook vele dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring, +wat hij op ’t oog heeft, als hij begint rond te sluipen. <span class="smallcaps">Forsyth</span> en anderen brengen voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de Apen begunstigd werd. “Eens,” zoo verhaalt +<span class="smallcaps">Forsyth</span>, “werd ik bij het vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep, uitstekend geholpen door de talrijke +Hoelmans, die in het struikgewas langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich zagen, snelden zij de +eene na den anderen op de naastbijgelegene boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig, en schimpten +en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef +leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had, en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare +boomkruin begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd +was. Op deze wijze nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde, kon ik daar, waar de geul een bocht +maakte, dwars oversteken, het Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam hij voor den dag met lange +schreden, den staart tusschen de pooten, en zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar; zijn geweten +was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof +hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging.”—Een kogel maakte een einde aan zijn loopbaan. + +</p> +<p>De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt, +klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden “A-o-oeng” +voort, die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt, voorts een luid “Ha-oeb” of “Wau,” als hij verrast +en verschrikt wordt, verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten gelijkenden, korten schreeuw, die +woede te kennen geeft, en dien hij bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot. + +</p> +<p>De Tijger is over ’t algemeen geen moedig dier. Meestal is hij niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig, +hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op +de vlucht, andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen; voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk +geen enkele Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen als een zeer gemakkelijk te overmeesteren +schepsel, en kan dan zeer gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze personen beloert en deze onverwachts +overvalt. Zoo wordt hij in sommige gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal. + +</p> +<p>Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet zelden +wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad Singapoer, die in 1824 door Sir <span class="smallcaps">Stamford Raffles</span> gesticht werd op een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een klein visschersdorp tot een stad van +meer dan één millioen inwoners heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar geen Tijgers gevonden. +In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal, dat het +eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren +worden verslonden. + +</p> +<p>Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote +vrees, die zelfs deze van menschenvrees over ’t algemeen vrije dieren voor het vuur en voor een troepje vastberaden mannen +koesteren, een geregelde gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk door Tijgers geteisterd worden, +nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op klaarlichten dag +menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar +loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, +zooals herders, houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg over hunne kudden. Ook de postboden zijn +er slecht aan toe. + +</p> +<p>Tegen het einde van het tijdperk 1860–1870 huisde in Maisoer een menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger +een treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed +gemikte kogel hem trof. <span class="smallcaps">Forsyth</span> bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden hij verhaalt. +De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen +met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van 50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen +geroofd hebben, vóór het <span class="smallcaps">Forsyth</span> gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied roofde, volgens <span class="smallcaps">Fayrer</span>, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869 resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand geweer hem doodde. +Een Tijgerin verdreef de bewoners van <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">91</a>]</span>13 plaatsen, stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante KM. en wist op de listigste wijze aan alle +vervolgingen te ontkomen, totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten. + +</p> +<p>Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen, niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn. + +</p> +<p>De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest +verschillende omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft over den aard en de handelingen van de +Tijgers in Indië. Nu het aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden—er zijn zelfs dames onder—, zeer groot geworden +is, hebben de oude jachtverhalen en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van hun waarde verloren, +en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden. + +</p> +<p>Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men +deze Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, +de veeroovers en de menscheneters. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">wilddooder</span> vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van +den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere +Tijgers; hij trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden andere verblijfplaatsen opzoekt, van de +eene landstreek naar de andere, naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij aan de jachtliefhebbers +een dikwijls zeer onaangename concurrentie aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer, daar hij +hem in zekeren zin voor “veldkat” dient, en meer bepaaldelijk de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen +de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere +Tijgers, ofschoon ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen verreweg de talrijkste afdeeling, en +verzamelen zich gedurende den heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">veeroover</span> zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven worden +of des nachts toevallig los in ’t dorp rondloopen. Daar de boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis +naar een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van +den namiddag, te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt zijn jachtgebied zich in den regel slechts +over eenige dorpen uit; in ’t tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een landschap van Maisoer, dat ongeveer +40 KM. lang en 20 KM. breed was, leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het spreekt van zelf, dat +zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen, en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze +toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven +bepalen; hij kiest zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. +Met de dorpelingen leeft hij op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden of vijfden dag ontneemt +hij hun een Rund. + +</p> +<p>Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de schade bepalen. Daar de Hindoes in ’t geheel geen Runderen +dooden, zijn er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren, die niemand voordeel aanbrengen, maar +veeleer schade opleveren, omdat zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden zij nog het best besteed, +wanneer zij als voedsel voor de Tijgers dienen.—Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de Herten en Zwijnen +voeren, zou het in vele districten in ’t geheel niet mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom zijn +de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, +die hun als ’t ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen, al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, +buitengewoon sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van <span class="smallcaps">Sanderson</span> neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om het lijk stonden: “Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig +kwaad gedaan.” + +</p> +<p><span class="letterspaced">De menscheneter</span> is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door +ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje +(vermoedelijk omdat dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een of andere wijze verminkt is en daarom +niet meer op de gewone wijze aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en overmeesterd worden dan +een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi neemt, zoodra +hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder +ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is, evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak +en mager zijn. + +</p> +<p>De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden heen +gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen +te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, +is hij even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij +zeer goed te onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze beter dan de andere Tijgers de gebaren van +den mensch begrijpt, is hij moeielijker te jagen. “Deze vreeselijke geesel”, schrijft <span class="smallcaps">Sanderson</span>, “voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort +men bijna niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester. + +</p> +<p>“Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, +verdelgt. Men meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij het volk verbreide meening bestaat echter +geen voldoende grond. Wel is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste veeroovers met alle mogelijke +middelen op te sporen en te dooden; gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; <a id="d0e357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e357">92</a>]</span>zij hebben zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk geen Tijgers meer bestaan!”—Als ambtenaar belast +met de vangst van Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman wegens zijn beroep in de wildernis te +midden van de wilde dieren leven; hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten van Indië en is hierdoor +beter dan de meeste menschen bevoegd om in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen te meer overwogen +te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is, die tot deze slotsom geraakt. <span class="smallcaps">Sherwill</span> zegt ronduit: “De Bengaalsche Tijger is over ’t algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat alleen boosaardig en gevaarlijk +wordt, wanneer het gewond is. Zelden valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters komen in Bengalen +nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta.” Ook <span class="smallcaps">Fayrer</span>, die voor ’t overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent, verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de +tijgerjacht niet vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland. + +</p> +<p>Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk +was. Hij is een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel doet dan schade, en dat slechts in zeldzame +gevallen het “toonbeeld van verschrikkelijkheid” wordt, waarvoor tot dusver alle leden van deze soort zonder onderscheid aangezien +werden. + +</p> +<p>Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, +n.l. door op een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met een verraderlijken sprong op het slachtoffer +neer te storten. De goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij onverwachts plaats heeft. Een dier, +dat door den Tijger beloerd of bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer verwijderde prooi tracht +hij met snelle sprongen te bereiken, een vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote dieren, de spieren +en peezen van de achterpooten door woedende slagen met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht geslagen +en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit te komen, om het nogmaals te overvallen. + +</p> +<p>De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt, in een schuilhoek te midden van de struiken of van +het riet te sleepen; soms <span class="letterspaced">draagt</span> hij haar zelfs over een korten afstand. <span class="smallcaps">Sanderson</span> staat er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei +struiken heen meer dan 300 schreden ver <span class="letterspaced">gedragen</span> heeft. Als hij niet gestoord wordt, vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,—volgens betrouwbare berichten ongeveer 30 KG. +vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl hij +zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft +hij zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan ’t waden is, den kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en +gorgelend, alsof hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in slaap; hij wijdt zich met een zekeren +wellust aan de spijsverteering en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of althans tusschen 4 en 9 +uur ’s namiddags, keert hij naar zijn buit terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over is; want ook +aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering nemen +zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die +in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op +den vijfden dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer +warm weder, aan alle zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden, en ook aan hunne wonden leden, gaven +zij toch tot in hun laatste levensuur bewijzen van hun kracht. + +</p> +<p>Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden. +Allerlei soorten van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede diensten bewijzen. Vroeger werd midden +in zulk een kuil, die later met takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte paal in den grond geslagen; +maar nadat een ongelukkige wandelaar den dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik ervan in de +nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men, naar <span class="smallcaps">Haszkarl</span> mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door +het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende +trekt hij aan een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op Sumatra stellen de inboorlingen, volgens +<span class="smallcaps">H. O. Forbes</span>, een lans, die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk een wijze, dat het wapen met groote kracht +door het lichaam van het dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van het dorp wil kruipen en daarbij +tegen een touw drukt. In Assam legt men, naar <span class="smallcaps">O. Flex</span> verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij aanraking +van het toestel in ’t lichaam doordringt, en zelfs bij de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen +als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas +zich bevindt, automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls +gebruik gemaakt van strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen; dit vergif werkt echter, naar men zegt, +niet meer, als het hiermede vergiftigde vleesch begint te verrotten. + +</p> +<p>Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van +de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral +het vet, waarvan het dier gemiddeld 4 à 6 Liter bevat, en dat door de inboorlingen van Indië beschouwd wordt, als dienstig +tegen rheumatiek en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch gegeten. <span class="smallcaps">Jagor</span> verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet +en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen, +maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door +<a id="d0e396"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e396">93</a>]</span>Aziatische en Europeesche dames als sieradiën gedragen. Het vel wordt, met de een of andere looistof toebereid en met een +middel tot wering van de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van Europeanen of Chineezen. De Kirgisen +schatten het hoog en versieren er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens <span class="smallcaps">Lomer</span>, een tijgervel thans een waarde van 700 à 800 gulden, wanneer het zich door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt. + + +</p> +<p>De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld +ongeveer drie maanden vóór het begin van de lente in. In zuidelijke landen is de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden, +zooals blijkt uit waarnemingen, die vooral in Indië verricht zijn. Omstreeks 100 à 105 dagen later brengt het wijfje 2 à 3, +somtijds 4, ja zelfs, naar men zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of 6 jongen, op een ontoegankelijke, +dicht met planten begroeide plaats ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een Huiskat en, evenals +alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan, als zij +in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt, +strekt zij hare strooptochten verder uit. + +</p> +<p>“Jonge Tijgers,” zegt <span class="smallcaps">Sanderson</span>, <a id="d0e408"></a><span class="corr" title="Bron: ">“</span>zien er allerliefst uit en zijn buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat zij een maand oud +zijn en voordat zij met het leven in de wildernis en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij niet +meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel +en geven door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen, als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch +begint te voeden, willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij ook zijn mogen, voor den melkpot den +neus op. Het is mij voldoende gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw vleesch verwilderen, ongegrond +is. Waar is het, dat zij alleen bij gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende hoeveelheid krijgen, +kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en kracht; +men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was; +zij speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die +op deze wijze opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk +gevoederd worden. Ik had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in mijn slaapkamer te slapen. Nadat +ik ingeslapen was, sprong hij niet zelden bij mij in ’t bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem hiervoor stompte en +weer uit het bed wierp.” + +</p> +<p>In den laatsten tijd heeft men ook dikwijls Tijgers gedresseerd. Zeer dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok +te gaan, en met hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit blijft echter altijd een gevaarlijke zaak. +Als een echte Kat, toont de Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen; ook beantwoordt hij wel +liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel staat te maken; +waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling welgevallen, +die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn kwaadaardigheid, +dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze +Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem +aandoen wil, hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het onmogelijke vergen. + +</p> +<p>Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten +en Buffels. <span class="smallcaps">Tachard</span> zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van pantser +bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot +de grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen, kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met +de slurf op den rug, zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem losgemaakt had, sprong hij op, +brulde en wilde zich op de slurf van den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige dier, dat gelijktijdig +den Tijger een stoot gaf met de slagtanden, waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen aanval +meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op, alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen. +Ten slotte dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood +bleef liggen en zijne aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd, zouden de woedende Dikhuidigen +hem zeker gedood hebben. + +</p> +<p>De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts +weinig van hem. <span class="smallcaps">Nearchos</span>, een veldheer van <span class="smallcaps">Alexander</span> <span class="letterspaced">den Grooten</span> had wel is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf; de Indiërs wisten hem echter te verhalen, dat het +zoo groot was als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en kracht overtrof. Eerst <span class="smallcaps">Strabo</span> maakt eenigszins uitvoeriger melding van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan <span class="smallcaps">Varro’s</span> tijd (111–26 v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan het rijk der Parthen uitbreidden, leverden +deze hun ook Tijgers, die naar Rome werden gebracht. <span class="smallcaps">Plinius</span> schrijft, dat <span class="smallcaps">Scaurus</span> (in het jaar 11 v. C.) voor ’t eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten zien. <span class="smallcaps">Claudius</span> had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome, en <span class="smallcaps">Heliogabalus</span> spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus zich aan het volk vertoonde. <span class="smallcaps">Avitus</span> eindelijk liet in een schouwspel vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten—waarvan +een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde—zijn uitgestorven. Een Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende +Kat—de <span class="letterspaced">Nevelpanter</span> (<i>Felis nebulosa</i>), de <span class="letterspaced">Harimau dahan</span> (“Boomtijger”) der Maleiers—komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine pooten, den kleinen zeer stompen kop met +de afgeronde <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">94</a>]</span>ooren en de lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den Koningstijger herinnert, dezen het meest +nabij. Hij is echter niet alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de in ’t oog loopend korte pooten +en den staart, die even lang is als ’t lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw of bruinachtig +grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is, zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het onderlijf +zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken zich +drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden +zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken +met hoekigen zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart +met grijze vlekken. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92 cM. Het verbreidingsgebied van dit +dier is vrij uitgestrekt; het omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1094.jpg" alt="Nevelpanter (Felis nebulosa). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="489"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Nevelpanter</span> (<i>Felis nebulosa</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet +men hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren, +dat hij in ’t geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten +buit vallen, moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde +Nevelpanter bevond zich in de Londensche diergaarde—een prachtig, tam, lief dier, waarmede de oppasser omging, alsof het een +goedaardige Huiskat was. Ik ken, behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Dat de <span class="letterspaced">Wilde Kat</span> of <span class="letterspaced">Boschkat</span> (<i>Felis catus</i>) de stammoeder van onze Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht, wegens het groote verschil, +dat er tusschen deze dieren bestaat. Door andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een gevolg van de domesticatie, +d. i. als een gevolg van de veranderde omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van jaren, die er verloopen +zijn<a id="d0e490"></a><span class="corr" title="Bron: .">,</span> sedert het een huisdier is geworden. Al dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere lichaamsbouw +en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter, +de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart +van de Wilde Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel tot de spits, en hier als ’t ware afgehakt +of afgeknot; bij de Huiskat echter wordt hij van ’t midden tot de spits allengs dunner. Bij de Huiskat is hij vóór de zwarte +spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een overlangsche, donkere +streep, van onderen alleen aan de achterste helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij elkander +komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte +spits drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft geteekend met vier smallere en minder duidelijke +ringen, die zich niet over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5 maal, bij de <a id="d0e493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e493">95</a>]</span>Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam. + +</p> +<p>Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de +onbehaarde ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter deze een groote, van voren tweelobbige, van +achteren drielobbige bal, waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de onbehaarde of weinig behaarde +deelen van het aangezicht (van oogleden, neus en lippen) zijn voor ’t meerendeel zwart; de binnenzijde van het oor is echter +rood- of geelachtig wit. + +</p> +<p>De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt, bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 +cM., waarbij 30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus ⅓ +grooter dan de Huiskat. + +</p> +<p>De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs, soms zwartachtig, bij ’t wijfje heeft zij een meer geelachtige tint; +het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het +voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin; de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat +zij in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen begint de zwarte streep, die zich over het midden van den +rug en de bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen +uit, die een weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte +vlekken gestippeld; de pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend, hun kleur wordt in de nabijheid van +de teenen geler; de binnenzijde van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies (van het oog) is geel; +over dag is de pupil spleetvormig. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1095.jpg" alt="Wilde Kat (Felis catus). ⅕ v. d. ware grootte." width="512" height="508"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wilde Kat</span> (<i>Felis catus</i>). ⅕ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland +is zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt +zij, van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen +ten naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen +begroeide Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, +in Frankrijk, in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men heeft haar niet eens in Groot-Britannië +geheel kunnen uitroeien. Voor zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar verbreidingsgebied zich +niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia) waargenomen; +haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral in +donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige <a id="d0e513"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e513">96</a>]</span>woudstreken geeft zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste schuilplaatsen verschaffen. Bovendien +bewoont zij holen van Dassen en Vossen of groote holen in dikke boomen. + +</p> +<p>Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders +altijd alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen levensonderhoud te jagen. + +</p> +<p>Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, +onhoorbaar naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met +de list, die aan alle Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in zijn leger en het Konijn vóór zijn +hol, misschien ook het Eekhoorntje op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de halsslagaders door. Als +zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in dit opzicht +is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine +Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan: een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge +Reeën en Edelherten overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de oevers van meren en beken loert zij +ook op Visschen en watervogels, en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk wordt zij in wildparken, +het schadelijkst nog in fazantentuinen. + +</p> +<p>In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over ’t algemeen een gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, +even bloeddorstig is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan ook door de jagers fel gehaat en zonder +genade vervolgd; want geen jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen aanbrengt, van eenige beteekenis. +Hoeveel van deze schadelijke dieren zij vernielt, kan blijken uit een bericht van <span class="smallcaps">Tschudi</span>, inhoudend, dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen gevonden heeft. De drek van zulk een dier, +die door <span class="smallcaps">Zelebor</span> onderzocht werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, +Hamster, Kat, Water-, Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en +boschvogels. Kleine Zoogdieren vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en, daar onder deze de Muizen +veelvuldiger zijn dan alle overige, is het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt, werkelijk grooter +is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen, mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende wijze +samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; +haar werkzaamheid bevoordeelt <span class="letterspaced">niet</span> onze jacht, maar wel onze bosschen. + +</p> +<p>De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als ’t ware hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk +op drijfjachten gedood. “De grootste moeite kost het,” zegt <span class="smallcaps">Zelebor</span>, “een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke +handschoenen beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten noodig, om de Kat er uit te trekken en +in een zak te steken.” Ik moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig voorkomt, daar alle andere +berichten hierin overeenkomen, dat met een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. <span class="smallcaps">Winckell</span> geeft den jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede schot niet te sparen, indien het eerste niet +onmiddellijk den dood veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer weg kan komen, en haar ook dan nog +door eenige flinke tikken op den neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich verder met haar bemoeit. +Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in ’t nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. “Neem u wel in acht, schutter,” +schrijft <span class="smallcaps">Tschudi</span>, “en tracht het beest goed te raken! Als de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak dorstend op, +nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt +op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch, liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken +kan, en zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, +dikwijls vrijwillig van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls +scheuren in de huid, heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich met de hardnekkigste woede, zoolang +er nog een vonkje van haar taai leven over is.” + +</p> +<p>Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig <span class="letterspaced">verwilderde</span> Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter +nimmer de grootte van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, +betreft, staan zij niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij, ingeval hare voorouders gedurende vele +opeenvolgende geslachten in ’t wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en teekening op haar Afrikaanschen +stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht der verwilderde +voorouders was. Alleen ontbreken haar de als ’t ware afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der +zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden +te doen. + +</p> +<p>De stammoeder van onze Huiskat, de <span class="letterspaced">Nubische Kat</span> (<i>Felis maniculata</i>), werd door <span class="smallcaps">Rüppell</span> ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen met +boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika +en ook in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den hieronder begrepen staart is een weinig meer dan +25 cM. Dit zijn wel is waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar toch komen zij die van “Poes” +tamelijk nabij. Ook door de teekening van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van onze Huiskat. + +</p> +<p>De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische +bouwvallen voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt te blijken, dat zij het was, die door de oude +Egyptenaars als huisdier werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit het zuiden <a id="d0e559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e559">97</a>]</span>van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden +van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1097.jpg" alt="Huiskat (Felis maniculata domestica). ⅕ v. d. ware grootte." width="512" height="427"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huiskat</span> (<i>Felis maniculata domestica</i>). ⅕ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens, +die <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor +dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke +vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat +in den eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde doel, als waarvoor deze dient, half of geheel +getemde Nubische Katten, die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten tijd zoozeer getemd worden, +dat zij zich aan de woning gewennen en in de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen, die hier buitengewoon +talrijk zijn. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>“De Kat,” zegt <span class="smallcaps">Ebers</span> in zijn “Egyptische Konings-dochter”, “was waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de Egyptenaars vereerden. +Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen in den reuk +van heiligheid. <span class="smallcaps">Herodotus</span> verhaalt, dat de Egyptenaars, als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten, voordat hun Kat gered was, +en dat zij als bewijs van rouw zich de haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde, werd, onverschillig +of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. <span class="smallcaps">Diodorus</span> bericht als ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die een Kat gedood had, van het leven beroofden, +hoewel de gezaghebbenden, om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan, om het volk tot bedaren te +brengen. De lijken der Katten werden op kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde dieren zijn +er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten.” + + +</p> +<p>De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars, +en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze +temming door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten; de geschiedenis van de andere volken levert in dezen +niet eens steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening wordt mijns inziens ook nog ondersteund door +het feit, dat men in de begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van den Moeras-Los; wijl hierdoor +het bewijs wordt geleverd, dat men ten tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend met de vangst +en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde Katten bezig hield. Vóór den tijd van <span class="smallcaps">Herodotus</span> komt de naam van de Kat bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit, dat deze naam door latere +Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam verbreid heeft. +De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet +men o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet <span class="smallcaps">Mohammed</span> is geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in ’t geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten +van Wales bevat een verordening, waarin <a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">98</a>]</span>de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen, waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd, vastgesteld +zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang, omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer +kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt +mag worden; want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge +dieren van deze soort, als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen. + +</p> +<p>Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste +gedeelten der wereld en, naar <span class="smallcaps">Tschudi</span> bericht, van den hoogsten gordel der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de geheele wereld rond, +ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts; overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch, van +zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van beginnende beschaving. + +</p> +<p>Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan +den mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht +aan het <span class="letterspaced">gezin</span>, hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter wordt haar gehechtheid aan het <span class="letterspaced">huis</span>, waarin zij groot gebracht werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en huiselijk wordt. Waar zij +aan zich zelf overgelaten is, komt het niet zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich in de bosschen +begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij ’t begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere woning +terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende haar verblijf in ’t bosch ter wereld bracht. Het komt echter +vooral in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in ’t geheel niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer +zij in zijn woning is teruggekeerd. Zoo leiden, naar <span class="smallcaps">Rengger</span> mededeelt, de Katten in Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk verwilderde Katten in de bosschen +voor; zelfs zijn zij verdwenen uit de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken achtergelaten werden. + + +</p> +<p>Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen +kan. Zij is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; +haar behendigheid is waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, +welker klauwen zorgvuldig teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar is. Bij elken stap openbaart +zich de haar eigen beweeglijkheid en deze gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen <a id="d0e617"></a><span class="corr" title="Bron: wannneer">wanneer</span> zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel +opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, +omdat zij met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. +Zij klimt gemakkelijk en behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen zijn of uit een zachte specie +bestaan), door er zich met hare klauwen aan vast te haken<a id="d0e620"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> In ’t vrije veld loopt zij niet bijzonder snel; zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote behendigheid +openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten +te recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat +die ik met den rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een stoel losliet, zoo te doen vallen, dat +zij met den rug het voorwerp bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en staat dan geheel ongedeerd +en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend voorwerp +bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te +begrijpen, omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt en hierdoor de richting van den val regelt. +Zij kan ook zwemmen, maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de onaangename noodzakelijkheid verkeert, +zich uit het water te moeten redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een zeer zeldzame uitzondering +op den regel; met ware angstvalligheid vermijdt zij zelfs den regen. (<span class="smallcaps">Haacke</span> kende evenwel een Kat, die in een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)—Zij zit, evenals de Hond, op haar achterdeel, +en ondersteunt dan het voorste deel van het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen en gaat op de +eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen, +dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi, waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. +Van zulk een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan. + +</p> +<p>Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat +de reuk het minst ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht zoo voor te leggen, dat zij het slechts +door den reuk kan vinden. Zij nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den kop zoo vele malen heen +en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen, gebruikt zij +hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen +houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden, vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt +het duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook, aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop +terugtrekt. Het tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig +is uitmuntend. Zij ziet evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken voor het zien bij licht van verschillende +sterkte, d. i. zij kan deze opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer vergrooten, dat het zintuig +haar zoowel in ’t eene als in ’t andere geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het gehoor bovenaan; +het is buitengewoon scherp. <span class="smallcaps">Lenz</span> verhaalt, dat een in de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong naar een Muis, die, zonder dat +zij door het katje gezien kon worden, van den eenen struik naar den anderen <a id="d0e631"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e631">99</a>]</span>liep over een gladden, steenen vloer, waarop zij natuurlijk in ’t geheel geen voor ons waarneembaar gedruisch veroorzaakte. +Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg. + +</p> +<p>Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, +arglistig dier, en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een onoverwinnelijken afschuw van haar. In +den regel vergelijkt men haar met den Hond, waarmede zij in ’t geheel niet vergeleken mag worden; omdat men bij haar niet +dadelijk diens eigenschappen vindt, bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van te voren als een +wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig beoordeeld. +Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met +de onderstaande, door <span class="smallcaps">Scheitlin</span> gegeven karakterschets, die, hoe men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient wegens haar oorspronkelijkheid, +en naar het mij voorkomt, zich door een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van den aard der Kat onderscheidt: +“De Kat is een edel dier. Reeds uit haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief leeuwtje, een tijger +in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan haar reeds de geringste +afwijking van den regel in het oog. Alles is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit de beschouwing +van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en verraadt +een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige, golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met +scherpe hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. ’t Is alsof zij geen beenderen heeft en uit niets anders dan een +zachte stof bestaat. Groot en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het doen van zintuigelijke waarnemingen. +Wij schatten de Katten gewoonlijk veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen, haar vijand, den Hond, +hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden. + +</p> +<p>“Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als ’t ware uit één +stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij, met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte +slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht bij ’t loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer +deze krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; +zonder ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste +orde liggen; om de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten en strijkt zich vervolgens hiermede over +den kop, zelfs de spits van den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in een door haar zelf in den +grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en is hiervoor +geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke zenuwen heeft.—Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden van +kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. +Zij heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er partij van. In de geheele buurt—in alle huizen, kamers, +kelders, onder alle daken, op alle hout- en hooizolders—is zij op bekend terrein. Zij is een echt <span class="letterspaced">huis</span>dier, meer gehecht aan het huis dan aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert weer naar ’t oude huis +terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd. + +</p> +<p>“Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond +bespeurt, krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden +moed, gepaard aan een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien wil zij weg, den vijand ontvluchten, +en springt daartoe, als zij in de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien zij echter jongen heeft, +dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert, vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem erbarmelijk +in de oogen, in ’t aangezicht. Als in dezen tijd een Hond haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen +op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam +kan zij met hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al komen vijf of meer Honden haar insluiten, +op haar aanspringen, toch wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen kunnen komen, maar weet, dat zij +dan verloren zou zijn, want de Hond kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben, eindelijk weggaat, +blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af en weerstaat +hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste, gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte. + +</p> +<p>“Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid +en tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de +Paarden, maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed; men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering +brengen. Men spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig wacht zij doodstil voor het muizengat; +listig kruipt zij ineen, wacht lang,—het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van de Kat fonkelen, toch bedwingt +zij zich. Zij is zich zelf meester, evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval. + +</p> +<p>“Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate; zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; +zij verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. +Als zij flink uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en komt weinig minuten later met onbezwaard +gemoed terug. Toch gevoelt zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na voor de eerste maal haar bekwaamheid +in het muizenvangen getoond te hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en aan de menschen te laten +zien. Zij komt dan ook later met haar buit in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid. +<a id="d0e649"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e649">100</a>]</span></p> +<p>“Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. +Als iemand haar uitmuntend bevalt—want zij kan innig liefhebben en ook innig haten—, strijkt zij dikwijls haar wang en hare +zijden langs de wang en de zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen, springt ’s morgens vroeg op zijn +bed, kruipt zoo dicht mogelijk tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen vertrouwen. Zij bijten +en krabben dikwijls, wanneer men dit in ’t geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel worden zij tot +dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar maar al te dikwijls in ’t geniep plaagt, zonder dat zij den plager +weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet +goedaardig is, niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame uitzonderingen, en zulke zijn er onder +de Honden ook, ofschoon nog veel zeldzamer. De uitdrukking ‘valsche hond’ is immers spreekwoordelijk geworden, waar het een +man geldt, evenals de benaming ‘valsche kat’ voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt, hebben dezen +invloed ook op de meest volkomen dieren.”<a id="d0e652"></a><span class="corr" title="Bron: —"></span> + +</p> +<p>Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in ’t einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede +maal in ’t begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter wereld, die blind geboren worden en niet vóór +den negenden dag leeren zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het begin van Mei plaats, de tweede +in het begin van Augustus. Vooraf zoekt de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of niet gebruikte +bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen, vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt. + +</p> +<p>De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor +de nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra +zij voor hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen, bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, +dat de poesjes er nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost alleen, om voedsel te halen. Vele +Katten weten met hare eerste jongen niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten eerst aangegeven +worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen, +is een uitgemaakt feit. + +</p> +<p>Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, +en zelfs haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten +opzichte van andere dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden van bekend, dat zoogende Katten +jongen van Honden, Vossen, Konijnen, Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten; ik zelf heb als +knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed +was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen, een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde +kind onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne +af met een echt moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, +nadat deze reeds weggegeven waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling met verdubbelde liefde te beschouwen. +Er ontstond tusschen de beide dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind begrepen elkander volkomen, +de Kat riep op de haar eigen wijze, het Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het zijn pleegmoeder +door het geheele huis en later ook in den tuin na. + +</p> +<p>Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer +zij goed en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan den mensch. Er zijn Katten—ik zelf heb er eenige +gekend—, die reeds verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere verhuisd zijn, zonder dat het haar +in de gedachten kwam naar de oude woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in dit geval meer waarde +heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe, vleien +en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij +zeer goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden, en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk +veel welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters +op een zeer aardige wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb twee Katers gekend, die zelfs de gasten +van haar meesteres op hoogst beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen medegingen, dan echter na liefkoozingen +en een welwillend gespin afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met menschen, maar ook met dieren vriendschap. +Vele voorbeelden van de innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak met de welbekende spreekwijze. + + +</p> +<p>Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het +jaar 1859 had onze Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht en daar zorgvuldig voor aller oogen +verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept en loopt naar de deur, +alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op den hooizolder, +komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop hooi. +De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek, dat de Kat bijna in ’t geheel geen zog meer had, en nadenkend +over een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest, om hare meesters met de zorg voor haar kroost te +belasten. + +</p> +<p>Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd +wordt, de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten +en te verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. +Wie nooit in een bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust rondspoken, weet in ’t geheel niet, +wat het zegt, <a id="d0e666"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e666">101</a>]</span>een goede Kat te hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en gezien heeft, hoe volkomen machteloos +de mensch tegenover hen is, als men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze afschuwelijke Knaagdieren +geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste huisdieren is, en +derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming, maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. <span class="letterspaced">Reeds de aanwezigheid van een Kat is voldoende</span>, om de overmoedige Knaagdieren van streek te brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat hen +van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel, dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst +gemerkt hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; +doen zij het niet, dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen. + +</p> +<p>Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen, zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel +niet alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij, althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze +echter niet op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden +is, laat zij ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers, Sprinkhanen en andere Insekten eet zij +tot afwisseling. Bij haar jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals alle leden van de Roofdieren-orde, +maakt ook zij zich trouwens wel eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog jong en hulpbehoevend +is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook wel op +de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden +tot ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast +plundert, zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, +echter veel grooter dan de schade, die zij aanricht. + +</p> +<p>Van de <span class="letterspaced">Kat</span> (<i>Felis maniculata domestica</i>) bestaan weinig verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest voor: Effen zwart met een witte vlek midden +op de borst; effen wit, lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde kleur getijgerd; effen blauwachtig +grijs; lichtgrijs met donkere strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig bruine en koolzwarte (of grijze) +vlekken. De blauwgrijze Katten zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen; de echte moeten echter zwarte +teenkussens en aan de achterpooten zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met donkergrijze of zwartachtig +bruine dwarsstrepen als een Tijger geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die op sommige plaatsen +voor heksen aangezien en daarom gedood worden, bijna zonder uitzondering wijfjes zijn. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Angora-kat</span> (<i>Felis maniculata domestica angorensis</i>) wordt bijna algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord; zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; +zij onderscheidt zich door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit, geelachtig, grijsachtig of ook wel +gemengd van kleur is; de lippen en de zolen zijn vleeschkleurig. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een enkele blik op het lichaam van den <span class="letterspaced">Leeuw</span>, op de uitdrukking van zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken, die dit dier leerden kennen, +van ganscher harte te doen deelen. De <span class="letterspaced">Leeuw</span> is de “koning” van de viervoetige roofdieren, de heerscher in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich +met het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: +de geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in de familie der Katten de eereplaats toe te kennen. + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Leeuwen</span> kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk +gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige +aangezicht, in den koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in den kwast die het einde van den staart +versiert. In vergelijking met de andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het geheele lichaam hierdoor +zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die reeds door +<span class="smallcaps">Aristoteles</span> werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde pupil, de +snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche, +koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte +van de borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar—te recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist +laten—verscheidene onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende afwijkingen zullen hieronder in ’t kort +beschreven worden; daarna moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een oordeel te vormen. In de eerste +plaats vestigen wij onze aandacht op den <span class="letterspaced">Leeuw van Barbarije</span>, want hij is het, die sinds overouden tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en lichaamskracht, dapperheid +en heldhaftigheid, door zijne adel en grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den naam van “koning +der dieren” heeft gekregen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Leeuw van Barbarije</span> (<i>Felis leo barbarus</i>) heeft, evenals zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks voorste gedeelte wegens de breede borst +en de versmalde liesstreek veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna vierhoekige kop verlengt zich +tot een breeden en stompen snuit, de ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar levendig en vurig, +de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig, de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook wel naar +evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten +doorn, die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur +bedekt het aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of +zijn geheel en al zwart, en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn door dichte manen omgeven. +Ook de benedenzijde van den romp is in het midden over haar geheele lengte met <a id="d0e720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e720">103</a>]</span>lange, dicht bijeengeplaatste, sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de voorste gedeelten der dijen +staan minstens nog eenige vlokken van zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte in de schoften +80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75 à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele lengte +van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren +Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed +bedekt; dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en aan den staart een teekening, die den in ’t +vergelijken van dieren geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze teekening verbleekt reeds in het +eerste levensjaar, hoewel zij, vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan de pooten en aan de onderzijde +van het lichaam zichtbaar blijft. De Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral door de beharing +onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het lichaam +een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het Atlas-gebergte en naburige gewesten. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1102.jpg" alt="Kaapsche Leeuw en Leeuwin (Felis leo capensis)." width="363" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kaapsche Leeuw</span> en <span class="letterspaced">Leeuwin</span> (<i>Felis leo capensis</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Senegal-Leeuw</span> (<i>Felis leo senegalensis</i>) verschilt van de zooeven genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende buikmanen; de manen aan ’t +voorste gedeelte van ’t lichaam zijn goed ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Kaapsche Leeuw</span> (<i>Felis leo capensis</i>), en, naar het schijnt, ook die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft donkere manen. Het verbreidingsgebied +van den Senegal-Leeuw en van den Kaapschen Leeuw—die misschien tot dezelfde ondersoort behooren—omvat alle landen van Middel- +en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den Blauwen en +Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld, in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor. + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Perzische Leeuw</span> (<i>Felis leo persicus</i>), die bleek isabelkleurig is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte haren bestaan, is van Perzië +tot Indië verbreid; wij kennen hem nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de Senegal-Leeuw dan wel +met die van Guzerate grootere overeenkomst vertoont. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Leeuw van Guzerate</span> (<i>Felis leo guseratensis</i>), zoo genoemd naar een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel “Manenlooze Leeuw,” en is ook niet altijd kleiner +dan zijne verwanten, zooals vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en al vaal roodachtig geel of +geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde, dicht bij +hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn. + +</p> +<p>De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend +jaren achter ons. Sedert dien tijd heeft de “koning der dieren” zich voor den “beheerscher der aarde” meer en meer teruggetrokken. +De mensch bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot nu, verder en verder terugdringen en eindelijk +geheel vernietigen. De Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten van Afrika verbreid en kwam in Egypte +niet veel minder veelvuldig voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van de bevolking en de toenemende +beschaving werd hij echter allengs verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer voorkomt en in nagenoeg +geen enkele kuststreek van de Middellandsche Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en Marokko niet +zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen geen ongewone verschijning. Vooral in <a id="d0e769"></a><span class="corr" title="Bron: Alegerië">Algerië</span> is het aantal Leeuwen sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen met de Arabieren zijn zij verdrongen; +de Fransche leeuwenjagers, van welke <span class="smallcaps"><a id="d0e773"></a><span class="corr" title="Bron: Julles">Jules</span> Gérard</span> vooral vermelding verdient, hebben hunne rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden: de inboorling +van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een geweer +gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen +mensch meer en meer teruggedrongen. + +</p> +<p>De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika +zijn eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. +In Zuid-Afrika komt het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote jacht-expedities. Volgens <span class="smallcaps">Livingstone</span> zwerven troepen van 6 à 8 stuks gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen zij tot nog talrijker +troepen bijeen. <span class="smallcaps">Selous</span>, wiens berichten uit den laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: “In het binnenland van Zuid-Afrika treft men troepen +van 4 <a id="d0e785"></a><span class="corr" title="Bron: á">à</span> 5 Leeuwen, die te zamen jagen, veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van 10 <a id="d0e788"></a><span class="corr" title="Bron: á">à</span> 12 stuks zijn niet zeldzaam.” + +</p> +<p>De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken +met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken, +onverschillig of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger; +hij rust hier één of meer dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan vestigt hij zich het liefst +in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de oevers der stroombeddingen, +die slechts gedurende een deel van het jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes van doornstruiken. +Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar, waar de morgen hem verrast. + +</p> +<p>Over ’t geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van +deze. Hij is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet van groote strooptochten, maar tracht het +zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Volgens de ervaringen van <span class="smallcaps">Selous</span>, wil de Zuid-Afrikaansche Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld is, dan het zelf te dooden. +Om dezelfde reden volgt hij elders, in Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook trekken. Hij +begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen, +<a id="d0e798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e798">104</a>]</span>en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen. + +</p> +<p>Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen, +maar ziet hem alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven. +In de nabuurschap van de dorpen komt hij niet vóór het derde uur van den nacht. “Drie maal,” zeggen de Arabieren, “kondigt +hij door gebrul zijn komst aan, en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan.” Deze goede meening berust ongelukkig +op zwakke grondslagen; want zoo vaak ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat hij zonder gedruisch +te maken naar het dorp was geslopen, en het een of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de Leeuw +zeer dikwijls zachtjes nadersluipt “als een dief in den nacht.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1104.jpg" alt="Senegal-Leeuwin (Felis leo senegalensis). 1/14 v. d. ware grootte." width="512" height="479"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Senegal-Leeuwin</span> (<i>Felis leo senegalensis</i>). 1/14 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen, onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring +geven van iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul geen waarschuwing is aan de dieren, die +de Leeuw als prooi verlangt, maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de dieren tot vluchten te nopen +en ze hierdoor toe te voeren aan den een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren, dan misschien aan +zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die tot +berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik +zal trachten een dergelijken rooftocht te beschrijven. + +</p> +<p>Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de “seriba” gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke, +uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa’s samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien +hij maken kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep +waakzame Honden houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt; de vrede van den nacht daalt op de legerplaats +neder. Vrouw en kind van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De mannen hebben hunne laatste bezigheden +verricht en zijn ook van plan hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten de langstaartige Geitenmelkers +hun nachtlied hooren, of dragen vliegend hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de seriba en ijlen +als geesten over de slapende kudde heen. Overigens is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar toch +niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt. + +</p> +<p>Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam “<span class="letterspaced">Essed</span>,” d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen +als zinneloos tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende Runderen dringen tot een verwarde troep +bijeen, de Kameel tracht, omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te verbreken, en de moedige Honden +die Luipaarden en Hyena’s bevochten, huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een geweldigen sprong is +de machtige vijand over den muur van doornen geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag met zijne +vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. +Dof brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen van roofgierigheid <a id="d0e821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e821">105</a>]</span>en van blijdschap over de behaalde zege; met den staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende dier +los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint +hij den terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht +noodig om met het Rund in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel: ik heb een meer dan manshooge +seriba gezien, waarover een Leeuw met een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel waargenomen, +achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil +in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag, voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die +door het voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi +verscheurd heeft. + +</p> +<p>Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen, vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet +echter niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn +een langgerekte toon, gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of gebrom; schrik wordt te kennen +gegeven door een kort gekuch, dat als “Hoef” of “Wau” klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden; menigeen, die +zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden, heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. +Men zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn soort en wordt, wat volheid van klank betreft, +door de stem van geen ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> opmerkt, door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden het zeer eigenaardig aan door het woord, “raäd”, +d. i. donderen. Diep uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze zal barsten. + +</p> +<p>Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt, +zij het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op; de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen +vol angst tot in de hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken; de blatende kudde houdt zich doodstil; +de beladen Kameel siddert, gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last en zijn berijder af en tracht +zich door een snelle vlucht te redden; het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug; de niet aan de jacht +gewende Hond zoekt huilend bescherming bij zijn meester. + +</p> +<p>De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen, zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt +dan zijne rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral +omdat hij bij zijne plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. “Als de Leeuw te oud wordt, om op het wild jacht +te maken,” bericht ook <span class="smallcaps">Livingstone</span>, “begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze +hem ten prooi vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren; als een van deze gevaarlijke Roofdieren +in een dorp is doorgedrongen en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn afgesleten; hij zal nu +spoedig een mensch dooden.” + +</p> +<p>Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit +hem op tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te ontkomen. Daarom beloert hij de in ’t wild levende +dieren, of besluipt hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap van andere dieren zijner soort; hij wacht +hiervoor volstrekt niet altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch zijn zulke jachten gedurende +den dag altijd uitzonderingen op den regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de schemering uit. De wilde +kudden volgt hij op hare reizen, evenals de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de nabijheid van de +meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren van +de wildernis hun dorst lesschen. + +</p> +<p>Volgens <span class="smallcaps">Livingstone</span> pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint te verslinden. +<span class="smallcaps">Selous</span> bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit steeds aan ’t achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten, en het +eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop +rolt en met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen +tegen de Gieren, die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt, zegt hij: “Volgens mijn ervaring overvalt +de Leeuw zijn prooi op zeer verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee Paard-antilopen gezien, die +door een beet in de keel gedood waren; daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra’s, bij welke de doodelijke +wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden, naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een halswervel, +die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den +nek plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten, die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden, +maar aan den nek on de schoften vreeselijk gebeten waren.” + +</p> +<p>De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt. +Uitdrukkelijk wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar, +een groote prooi te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat hij juist daar het veelvuldigst voorkomt, +waar veel wild of vee van de grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee, uit Zebras, Antilopen +en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt hij echter ook krengen niet. <span class="smallcaps">Selous</span> zegt: “De Zuid-Afrikaansche Leeuw is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers Olifanten gedood hebben, +verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische zon beschenen +spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken; verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug, +tot er geen vleesch meer overig is.” Zij worden hierbij vaak genoeg geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige +gelegenheid gebruik maken om met hun “koning” te dineeren. De luie en lafhartige Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden +het zeer gemakkelijk, een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn maal verlaat, zich vol <a id="d0e850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e850">106</a>]</span>daaraan. De “koning” duldt hen echter niet altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is, om deze reden +ernstige vechtpartijen voor. + +</p> +<p>De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van den man boezemt hem, naar ’t schijnt, ontzag in. In Soedan +althans, waar de “oproerverwekker” in sommige gewesten veelvuldig voorkomt, zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen +door Leeuwen opgegeten zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika +daarentegen zijn genoeg voorbeelden bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich om de wachtvuren te +bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van bij +het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van +zessen klare Leeuwin, van welke <span class="smallcaps">Selous</span> bericht, dat zij, ondanks de vuren, de wachtposten en de schoten, driemaal in één nacht het kamp overviel, eerst een Paard +en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood werd. +“Een hongerige Leeuw is een duivel,” zegt men in Zuid-Afrika. In zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als +oude en zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen, en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe +gemakkelijk deze prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk een gemakkelijke wijze een maal trachten +te verkrijgen. Werkelijke “menscheneters,” zooals onder de Tijgers in Indië voorkomen, worden de <a id="d0e857"></a><span class="corr" title="Bron: Zuik-Afrikaansche">Zuid-Afrikaansche</span> Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken. + +</p> +<p>Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker en nauwkeuriger wijze beschreven dan <span class="smallcaps">Selous</span>: “Mij is het steeds voorgekomen, dat het woord ‘majestueus’ bijzonder slecht toepasselijk is op een wilden Leeuw; over dag +heeft deze steeds iets onzekers en schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip ‘majesteit’. Om zoo genoemd te kunnen +worden, zou hij den kop hoog moeten dragen, en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog beneden den +ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan gewoonlijk +ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de +fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van +het lichaam zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit +verdient. Wanneer de Leeuw den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert, pas dan op! want dit is +bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den mensch bijna +altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter boos +maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig +ander Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger +in ’t aanvallen dan de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen +en de andere dieren, zijn echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat, al wat de eene doet, zonder nader +onderzoek ook van den anderen te verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig te noemen, omdat de +2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen zijn +bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze; +daar, althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan één Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels.” + +</p> +<p>De ontzagwekkende gestalte van den Leeuw, zijn geweldige kracht, zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En +al heeft ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid +niet bezit; geheel ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door de meest geachte natuuronderzoekers aan +den Leeuw zijn toegekend, ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader leerde kennen, die, zooals ik, +jaren lang dag in dag uit met een gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan is. Hij zal hem genegen +zijn en achten, zooals ooit een mensch voor een dier genegenheid en achting kan gevoelen. + +</p> +<p>Vijftien tot zestien weken of 100 à 108 dagen na de paring werpt de Leeuwin 1 à 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen +met geopende oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt +de leeuwin hare jongen met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel denken dan deze moeder met haar +kroost. De kleine, allerliefste diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt wel is waar ernstig, maar +toch met blijkbaar genoegen naar het spel van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het volstrekt geen +zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde +fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden; zelfs in reizende menagerieën, waar de dieren, zooals +bekend is, slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen, +worden Leeuwen geboren en grootgebracht. + +</p> +<p>Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen +nog later hunne kinderlijke spelen. In ’t eerst miauwen zij geheel als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller. +Bij hunne spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar +hebben zij de grootte van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes de eerste beginselen van manen +op, doch eerst in het zesde of zevende jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal van kleur. De +leeftijd dien zij bereiken kunnen, is geëveneedigd aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen, die +70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter, zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een +afgeleefd voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid. + +</p> +<p>Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem +des te meer genegenheid, <a id="d0e873"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e873">107</a>]</span>naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op deze wijze getemden +Leeuw, die zijn vrijheid—ik zou haast zeggen zijn koningschap—vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel is toegedaan. + + +</p> +<p>Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig. +Daarbij bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet. + +</p> +<p>Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo +erg als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar +hij zijn vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt +zich ook voedsel in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig +smakelijk maal. De streek waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij vinden hier nog dikwijls belangrijke +overblijfselen van het wild, dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens niet na, den roover van zijn +buit te verdrijven, opdat er zooveel mogelijk voor hen zal overschieten. + +</p> +<p>Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over +zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade, die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden +door het verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten +van Europeesche afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening +van <span class="smallcaps">Jules Gérard</span> veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000 +gulden: een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich +volgens denzelfden berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks groot en klein vee verslonden hebben. +Verder op in het binnenland is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die daar den eenigen tak van bestaan +van de bewoners uitmaakt, op veel uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw de overhand heeft. +Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden over +de verwoestingen, die de Leeuw aanricht<a id="d0e884"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> + +</p> +<p>In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoeïnenstam +al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch, waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten +door geschreeuw en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe, +dat hij gewoonlijk er het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige van zijne vervolgers leelijk toegetakeld +of gedood heeft. Ook “op den aanstand” (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De Arabieren graven een kuil, dekken +dezen van boven stevig toe, zoodat er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarvóór een pas gedood Wild Zwijn; ook gaan +zij wel in de boomen zitten om van hier uit te schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in valkuilen, +die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom +den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het +gekst stellen zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen het dier dood. Eerst als het volkomen +zonder beweging ligt, waagt iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten te binden, waarmede het lijk +met moeite wordt opgeheschen, want de volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap krijgt een stuk +van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft, +dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den Leeuw beveiligd is. + +</p> +<p>In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw, die door de Hebreërs met verschillende namen aangeduid +wordt. De Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen. + + +</p> +<p>Het Romeinsche volk werd voor ’t eerst op het schouwspel van een leeuwengevecht onthaald door den aedilis <span class="smallcaps">Scaevola</span>, voor de tweede maal door den dictator <span class="smallcaps">Sulla</span>. Deze had reeds 105 Leeuwen in den circus. <span class="smallcaps">Pompejus</span> liet 650, <span class="smallcaps">Julius Caesar</span> minstens 400 van deze dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk en geschiedde gewoonlijk met +behulp van valkuilen. Onder <span class="smallcaps">Claudius</span> ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier +werd hierdoor zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den circus werd dit middel later dikwijls toegepast. +M. <span class="smallcaps">Antonius</span> reed na den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd. +<span class="smallcaps">Hanno</span>, de ons reeds van vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden Leeuw met zijne handen regeerde. Hij +werd daarom echter uit zijn vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich met het temmen van een Leeuw +bezig hield, ook er naar streefde, de menschen aan zich te onderwerpen. <span class="smallcaps">Hadrianus</span> liet in den circus dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. <span class="smallcaps">Marcus Aurelius</span> liet er 100 met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten +in Afrika verbood, om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over te houden. Evenwel was eerst met de +uitvinding van het schietgeweer de macht van den “koning der dieren” voor goed gebroken. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>“Het is zeer wel mogelijk,” zegt Prof. <span class="smallcaps">Schlege</span>l, “dat de oude Grieken en Romeinen twee soorten van <span class="letterspaced">Luipaarden</span> gekend hebben, n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van Siberië. De oude Grieken hadden echter, +zooals men uit <span class="smallcaps">Xenophon</span> en <span class="smallcaps">Aristoteles</span> moet opmaken, slechts één naam, <i>Pardalis</i>, voor deze dieren. <span class="smallcaps">Plinius</span> benoemt de Luipaarden met den naam van <i>Pardus,</i> en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord <i>Panthera</i> (waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat, bedoelden). Daar hij beweert, dat de <i>Panthera</i> bijkans door niets, dan de witachtige kleur van den <i>Pardus</i> te onderscheiden is, zoo wordt het wederom waarschijnlijk, dat met den <a id="d0e954"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e954">108</a>]</span><i>Panthera</i> der Romeinen de Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar het witte trekt. De naam <i>Leopardus</i> is van nog lateren oorsprong, en komt voor het eerst voor bij <span class="smallcaps">Julius Capitolinus</span>, een schrijver uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit <i>Leo</i> (Leeuw) en <i>Pardus</i> samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord <i>Leontius</i> (kleine Leeuw) waarschijnlijk tot <i>Uncia</i>, <i>Onza</i> of <i>Onça</i> verbasterd, dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear werd toegepast. Wat het woord <i>Tigris</i> (Tijger) betreft, zoo lijdt het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger begrepen hebben. + +</p> +<p>“Deze benamingen zijn,—behalve die van <i>Pardalis</i> of <i>Pardus,</i> welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord (Pardel of Parder) bewaard is—van lieverlede in de meeste +nieuwe talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord ‘Luipaard’ schijnt veeleer als een verbastering +van <i>Leopardus</i> beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of, gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een +nader onderzoek leert ons echter, dat bij de verschillende natiën van Europa, deze woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen +worden toegepast. Zoo worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden of Panters genoemd; terwijl in +Holland de benaming van ‘Tijger’ voor deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of Panter, welken laatsten +naam men zelden of nooit uit den mond des volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste overige talen, en +in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch, om hem van +den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft.” + +</p> +<p>De “<span class="letterspaced">Luipaard</span>” (<i>Felis pardus</i>) heeft een lengte van 170 à 200 cM., waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de snuit steekt weinig +vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig, de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en sterk, +de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het voorste +gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig +wit over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals, de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, +bovenbeen en onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, +welker grootte afwisselt tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste gedeelte van den hals vormen +zij schuins naar voren gerichte reeksen; op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot onregelmatige vlekken +ineen, die reeksen vormen, welke van boven naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10 dwarsloopende +reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten ieder een “hof”, die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn ieder +uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook +aan ’t bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart; voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, +met uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde +der ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig +zwart, met uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog heeft een groenachtig gele iris en een ronde +pupil. Er bestaat geen belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes, als tusschen de oude dieren +en de zelfstandig geworden jongen. Sommige exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een glanzig bruinachtig +zwarte verscheidenheid, die alleen in ’t volle zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië <span class="letterspaced">Gesela</span> genoemd en om zijn vel ijverig vervolgd. + +</p> +<p>Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika bewoont. + +</p> +<p>Aan den “<span class="letterspaced">Panter</span>” (<i>Felis panthera</i>) worden de volgende kenmerken toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er ongeveer 82 à 96 op den staart +komen. De kop is matig groot en langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is kort, de romp krachtig maar +toch gestrekt, de stevige pooten zijn naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur, licht okergeel, gaat +op den rug in donker roodachtig geel, aan de onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig +wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan +bij dezen, de vlekken zelf zijn over ’t algemeen iets kleiner, en de kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den +kop, den nek, de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst vindt men alleen nog op de voorarmen en +onderbeenen volle vlekken, die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan zijn. De schouder en het bovenbeen +daarentegen zijn, evenals de rug en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken onderscheiden zich van +die van den Luipaard door haar aanzienlijkere grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende ring bestaat +uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken. + +</p> +<p>Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië +en de Kaukasus. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Soendaneesche</span> of <span class="letterspaced">Langstaartige Panter</span> (<i>Felis variegatus</i>) van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne +kenmerken worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer gestrekte romp, de staart die minstens even +lang is als de romp, de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende pooten. Bovendien vertoont de teekening +eigenaardigheden: de vlekken zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en dichter bijeengeplaatst +dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk zichtbaar +wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig +geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen zijn grijsachtig of geelachtig wit. + +</p> +<p>De onderscheiding van den zoogenaamden <span class="letterspaced">Zwarten Panter</span> of <span class="letterspaced">Zwarten Luipaard</span> (<i>Felis melas</i>) berust eenvoudig op een bij enkele individuen voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens <span class="smallcaps">Rosenberg</span>, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele, in een en hetzelfde nest <a id="d0e1044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1044">109</a>]</span>gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel als op de eilanden voor. Volgens <span class="smallcaps">Sanderson</span>, leven zij uitsluitend in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter gekleurde verwanten. Zwarte Panters +vindt men tegenwoordig in bijna alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar zwarte exemplaren, onderling +parend, een nakomelingschap van gelijke kleur voortbrengen. + +</p> +<p>Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne +levenswijze en uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt +toch deze onderscheiding door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden is. Voor hem vormen Panter en Luipaard +één soort: <i>Felis Pardus,</i> die door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen <span class="letterspaced">Ngo</span>, in Perzië <span class="letterspaced">Palang</span>, in Indië <span class="letterspaced">Tsjita</span>, <span class="letterspaced">Adnara</span>, <span class="letterspaced">Honiga</span>, <span class="letterspaced">Kerkal</span> en door de Maleiers <span class="letterspaced">Harimau-bintang</span> genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop, de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van den staart, +de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken, de +grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook +bruine (in alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt, +als het licht er op een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten van het verbreidingsgebied dezer +soort gevonden. Ook albino’s komen voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil in leeftijd, woonplaats +en voeding. + +</p> +<p>Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven, +of de beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals +wij zullen doen, aan de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard, aan de Aziatische den naam Panter +kunnen toekennen. Alle stemmen zij met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit bij verschillende +grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot +wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren, en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indië worden +zij dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel +grondiger doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk +varieeren, is althans niet meer twijfelachtig. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azië. In het +westen gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger, daarentegen blijven zij in ’t oosten ver bij hem achter. +Van Perzië aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azië en het daaraan grenzende Armenië aan den anderen kant verbreidt +de Panter zich tot in den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij toch nog steeds een vaste bewoner +van het zuiden van Daghestan. In de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de Zwarte Zee dringt hij, +naar men zegt, nog verder noordwaarts door; tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn woongebied nog +niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azië wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den +Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In Indië ontbreekt hij, volgens <span class="smallcaps">Blanford</span>, in Pandsjab en in gedeelten van Sinde; ook in Hoog-Azië komt hij niet voor. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1109.jpg" alt="Luipaard (Felis pardus). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="394"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Luipaard</span> (<i>Felis pardus</i>). 1/12 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men +klagende, aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij in de <a id="d0e1094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1094">110</a>]</span>wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren, dat volgens <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, ongeveer als “hoera-ak” klinkt; als zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men hetzelfde schor +geschreeuw, maar dan scherper, als ’t ware kuchend; dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke, ratelende +geknor, dat een woedende Hond laat hooren. + +</p> +<p>De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het +gevaarlijkste lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid +van lichaamsbouw, schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid, bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen +betreft, staan zij en alle overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt alles in zich, wat de verschillende +soorten van Katten ieder in het bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de geestesgaven van deze dieren +komen bij hem op de volledigste wijze tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met dat van onze poes; het +verbergt echter klauwen, die niet behoeven onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte; zijn gebit is +naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als behendig, +even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen ontwikkeld Roofdier. + +</p> +<p>Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit +moet vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk +voor het scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds na oppervlakkige kennismaking met de gewesten +die het dier bewoont, ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen aanschouwing kent, vindt het +zeer natuurlijk, dat tusschen de daar aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op geringen afstand, +over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen +voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet +zijn. Van met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij +dikwijls in akkers en aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne houdt hij zich op in het gebergte, +welks rijk begroeide hoogten hem niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit verschaffen. + +</p> +<p>In weerwil van zijn niet bijzonder aanzienlijke grootte is de Luipaard een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en +zelfs van den mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger +dan andere Roofdieren, verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te overrompelen. In het klimmen wordt hij +door slechts weinige Katten overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in het struikgewas verscholen. +Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede stroomen +te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd +is zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat. +Bij hem bemerkt men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in alle richtingen; de pooten worden zoo +zachtjes neergezet, alsof zij het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk, afgerond en zacht, kortom +een loopende of sluipende Luipaard levert aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts één andere, maar veel kleinere +roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan. + +</p> +<p>Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen +die wij stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig, wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig. +Zelfs geeft men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze +naam spreekwoordelijk geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk geen andere Kat van de oude Wereld +verdient meer dan hij om met het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te hebben. Hij moordt alle schepsels, +onverschillig of zij groot of klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder weerstand te bieden. Antilopen, +Jakhalzen en klein vee zullen wel zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de boomen, de Klipdassen +te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer zeker ook +de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak; volgens <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche’s</span> ervaringen verslindt hij echter ook de vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op de hielen; hij +verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid +op hoogten, waar hij niet komt. + +</p> +<p>Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij, naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen +nacht zal hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den veehouder meer gevreesd dan andere roovers, +die meestal met één dier tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen. + +</p> +<p>Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van +het Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat, +deed ons besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden bleven beneden in het dal om op de muildieren +te passen; wij klauterden langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en vuurden van hier uit op de omhoog +gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog, waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter raak; de getroffene +dieren stortten ter aarde of namen gewond de vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals getroffen +was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk +hoopten te vinden. + +</p> +<p>Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke +Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden, bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond; +aller oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer; eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den +rotswand naar beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu <a id="d0e1116"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1116">111</a>]</span>aangevallen zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het laden van de buksen. Toch bracht het geraas in +de diepte teweeg, dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen, +de menschen roepen, en verstonden eindelijk de woorden: “Help! Help! Een Luipaard!” Bij de berghelling langs ziende, herkenden +wij ook werkelijk het Roofdier, dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig hield met een voorwerp, +dat wij niet duidelijk konden onderscheiden, wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk daarna vielen +in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden. + +</p> +<p>Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven +ons daarom tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden, die in de meest verschillende houdingen allen +de oogen op een naburig kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden zij. Voorzichtig ging ik naar het +boschje, maar kon, hoe ik ook mijn best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden, zich vermannend, +naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij was +dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens gedoode Hamadryas. + +</p> +<p>Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van +het Roofdier gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal steeds vele malen door de naburige rotsen +was teruggekaatst. De naar het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard, welke zich in ’t geheel niet stoorde +aan de menschen, die hij gezien en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren zooveel schrik inboezemen, +en ondanks den helder lichten, zonnigen dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend ruiter, was hij op +den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer lieden. +De kok had, “in doodsangst”, naar hij bekende, de tweede buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven +en gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk +zonder recht te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard den Aap met de klauwen van de beide voorpooten +juist voor aan den bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten had hij getracht zich aan het zitvlak +van het dier vast te klemmen, of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten slepen. Onbegrijpelijk +was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden toegebracht, +kon hiervan de reden niet zijn. + +</p> +<p>In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen +van de bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn +prooi te laten ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden, ofschoon deze zich duchtig te weer stellen. +In vele gewesten van Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren stevige stallen van stijlen en planken +te bouwen, opdat zij althans ’s nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn. + +</p> +<p>Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als +een razende op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de roover, zonder op de een of andere wijze getergd +te zijn, den mensch aanvalt. In <a id="d0e1126"></a><span class="corr" title="Bron: Abessynie">Abessinië</span> komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor; zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen en gedood; +nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt hij menigmaal menschenlevens in gevaar. + +</p> +<p>Uit ambtelijke mededeelingen in Indië blijkt, dat in de 10 jaren 1876–1886 ieder jaar 194 à 300, in ’t geheel 2368 menschen +door Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder jaar 3047 à 5466 stuks vee roofden. Er wordt +hierbij (en ook bij de statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld, hoeveel van deze ongelukken door +getergde en gewonde dieren veroorzaakt zijn. <span class="smallcaps">Sanderson</span> zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen, dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch +wordt hierover in verschillende deelen van Indië geklaagd. <span class="smallcaps">Blanford</span> schrijft, dat zij “zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn, aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid, +tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers met gelijke gewoonten.” + +</p> +<p>Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat +er minder kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn +en zich overal op een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten blijkt bovendien, dat zij moediger zijn, +en op een behendiger wijze tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van den jager zeer. Een Panter, +verhaalt <span class="smallcaps">Sanderson</span>, wiens verblijfplaats door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte schutting op, wierp haar neder, +viel een der daarbij staande wachters aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen, voordat iemand hulp +kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter +hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden +om geduld te oefenen. <span class="smallcaps">Sanderson</span>, vergezeld door een vast aaneengesloten troep van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven ruimte +en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter +niet: hij sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel den derden man links van <span class="smallcaps">Sanderson</span> op den grond en wondde hem met de klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op deze wijze; vóórdat +een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij, rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet zijner +aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op één dag had dit dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder +een schram den dans ontsprongen. + +</p> +<p>De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen +zich dikwijls verscheidene mannetjes op één plaats en strijden woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen, +dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 à 5 jongen werpt, die blind ter wereld komen en op den <a id="d0e1150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1150">112</a>]</span>10<sup>en</sup> dag de oogen openen. Zij zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid als door hunne handelingen. Gelijk +Katten spelen zij vroolijk met elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed verdedigt. Zij heeft voor +haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van dicht struikgewas; +zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten, en zijn, +dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard +is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit +te voren, zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan. + +</p> +<p>Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter +niet zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door +grijnzen of zijn tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te kennen, en als ik maar een duim naderbij +kwam dan gewoonlijk, miste het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds op een oogenblik dat ik er +het minst op bedacht was. Ik had hem, evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting laten leggen, en +kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij als +razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten, blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder, +die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld +hebben, als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen, +des te grooter zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor +den dag, zijn bloeddorst ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige dieren met dood en verderf. Met +een door den schrik hun afgeperst, gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren omhoog, de Geiten blaatten +van angst, de Struisvogels renden als dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland aan. Deze trachtte +op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren en meermalen sloeg ons de schrik om ’t hart bij het zien van zijne woeste +pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en ’t +was haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in ’t geheel geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden, +liet hij ons zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij op hem afgingen, maakte hij zich tot een +sprong gereed. Wij moesten zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn eigendom niet was, moest ik +hem ontzien. Ik waagde het niet eens, gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die bij andere dieren +gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier in zijn +kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede +werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het +beste van alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten; daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende +diensten. Toen hij een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de spuit doornat geworden was, zocht hij, +zoo gauw hij kon, zijn kooi op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit alleen maar behoefde te toonen, +om hem oogenblikkelijk te nopen, in zijn schuilhoek terug te keeren. + +</p> +<p>Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen +kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azië veel talrijker dan thans. <span class="smallcaps">Caelius</span> schreef aan <span class="smallcaps">Cicero</span>, die toen landvoogd in Sicilië was: “Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal men de schuld op u +werpen.” <span class="smallcaps">Scaurus</span> was de eerste, die, terwijl hij de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht; hij liet er 150 tegelijk +vechten, <span class="smallcaps">Pompejus</span> echter 410 en <span class="smallcaps">Augustus</span> 420. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Waarschijnlijk is de <span class="letterspaced">Noordsche Luipaard</span>, <span class="letterspaced">Sneeuwluipaard</span> of <span class="letterspaced">Irbis</span> (<i>Felis uncia</i>) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is witachtig +grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten (p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit +van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en +ringvormig en breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen, die ieder een aan den rand lichten, in ’t midden +donkerden hof omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter +koudere gewesten bewoont dan de Luipaard. “Hij vervangt,” volgens A. <span class="smallcaps">Walter</span>, “den Panter in de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische gebergten, breidt zich door het zuidoosten +van Boekharije, den Pamir, Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit.” In den Himalaja voedt hij zich met Wilde +Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels, rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan; dat hij +ook menschen bespringt, is nooit gebleken. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. +De <span class="letterspaced">Gestippelde Kat</span> of <span class="letterspaced">Visschende Kat</span> (<i>Felis viverrina</i>) komt, wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft een grijsachtige grondkleur met over ’t geheele lichaam +verspreide stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische schiereiland, waar zij aan de oevers van +rivieren en moerassen Visschen vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook wel grootere Zoogdieren, +zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in de gevangenschap wild en moeilijk te temmen. + +</p> +<p>Nog kleiner—niet grooter dan de Huiskat—is de <span class="letterspaced">Koeëroek</span> of <span class="letterspaced">Dwergkat</span> (<i>Felis minuta</i>), die over geheel Oost-Azië verbreid is en o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar behendigheid +in ’t klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen. + +</p> +<p>Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den <span class="letterspaced">Serval</span> (<i>Felis serval</i>), den “Boschkat” van de Zuid-Afrikaansche Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in <a id="d0e1225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1225">113</a>]</span>’t oog vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels +op de zijden. In Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika, komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel +bestaat vooral uit Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is, wordt zij bij doelmatige behandeling +zeer tam; de oude dieren zijn echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt, komt onder den naam van “Afrikaansche +Tijgerkat” in den handel voor. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Onder de <span class="letterspaced">Katten der Nieuwe Wereld</span>, met welker beschrijving wij nu beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te vinden; ten onrechte werd +toen deze rang toegekend aan de <span class="letterspaced">éénkleurige Katten van Amerika</span>; want door haar in ’t oog loopend kleinen kop zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen zij +belangrijk van den “koning der dieren”. + +</p> +<p>De meest bekende soort van de genoemde groep is de <span class="letterspaced">Koegoear</span> of <span class="letterspaced">Poema</span> (<i>Felis concolor</i>). Dit dier kan 1.85 M. lang worden (waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65 cM. bedraagt. De +dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels donker +geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, +aan de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde zwart, in ’t midden naar rood zweemend. Boven en onder +het oog staat een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide soorten van vlekken kunnen echter ook wel +ontbreken. De kop is grijs, de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen verschil in kleur; de +jongen echter zijn geheel anders. De kleur van de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk; die +uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig +geel, of zelfs vaal bruinachtig grijs. + +</p> +<p>De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagonië tot Nieuw-Granada; +hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van Panama—Mexico en de Vereenigde Staten—en strekt zijne rooftochten +zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds +ten tijde van <span class="smallcaps">Azara</span>, die in ’t einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving van den Poema leverde. + +</p> +<p>De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft +hij aan het woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij zich echter op in den zoom van het woud +en in de met zeer hoog gras begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt om er te jagen; althans wanneer +hij hier door menschen vervolgd wordt, vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die in ’t geheel +geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te verbergen. +Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele +van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken +of in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een +enkelen nacht verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen dicht bij de plaats, waar hij een prooi +overmeesterd heeft. + +</p> +<p>Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen +maken van 6 M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op klaar lichten dag: evenwel schijnt hij +niet veel hinder te hebben van het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn gehoor daarentegen uiterst +scherp. Alleen in den grootsten nood toont hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden. + +</p> +<p>Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis, Agoetis en Pakas, Reeën, Schapen, jonge Kalveren en Veulens, +de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn +voor zijne aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den bodem. <span class="smallcaps">Rengger</span> zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker, en deed +hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw +hooren en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot +tak, van den eenen boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat zij hun drek lieten vallen, gaven zij +grooten schrik te kennen. Zij werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van den eenen boom op den anderen +begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde en verward samengebonden +takken door, waagde het, er langs te gaan, totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn doel niet +miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom. + +</p> +<p>Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig +het uitvloeiende bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het +voorste, en bedekt het overschot, gelijk <span class="smallcaps">Azara</span> zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot een zeer schadelijken +vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar doodde. Grootere +dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden, Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden, +hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert. + +</p> +<p>Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende, onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men +alle mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een +boom gejaagd en dan van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande vallen. De jacht op dit dier biedt +bijna geen gevaar aan. In het noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen, schoot <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> met groven hagel een grooten Poema, die naast hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in acht neemt, +heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, <a id="d0e1272"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1272">114</a>]</span>door pijn woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen. + +</p> +<p>Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger, +die in de Pampas Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend over den grond op de Vogels af. Hij had +om niet in ’t oog te vallen het hoofd en het lichaam omhuld met een “poncho”, den mantel dien men daar gewoonlijk draagt. +Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en voelde bijna in ’t zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het kleed +van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was +echter ook niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien +schreden van zijn tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met groote sprongen de vlucht. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1114.jpg" alt="Poema (Felis concolor), 1/10 v.d. ware grootte." width="512" height="502"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Poema</span> (<i>Felis concolor</i>), 1/10 <a id="d0e1285"></a><span class="corr" title="Bron: v.d. de">v.d.</span> ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, +en sterven vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar +vrij in huis laten rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan, likken hem de handen en gaan aan zijne +voeten liggen. Als zij gestreeld worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen zij ook wel in andere omstandigheden, +als zij zich recht op hun gemak gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun ontevredenheid door +een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen. + +</p> +<p>Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort +afgebroken gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde. + +</p> +<p>Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij, als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en +graag met hem speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens onverwachts op hem toe te springen; iets +dergelijks doen tamme Leeuwen ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs van genegenheid in sommige +gevallen kan zijn. + +</p> +<p>Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn +vleesch, dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij. + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De naaste stamverwant van den Poema is de <span class="letterspaced">Yagoearondi</span> (<i>Felis yaguarundi</i>), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop +is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder +haar is aan den wortel donker zwartachtig grijs, in ’t midden zwart en aan de spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een +weinig lichter van kleur dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear; want de lichaamslengte bedraagt +hoogstens 87 cM. (waarbij voor den staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM. + +</p> +<p>De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens <span class="smallcaps">O. Stoll</span> komt hij misschien ook in ’t zuiden van Guatemala voor, waar hij “Gato de monte” genoemd wordt. +<a id="d0e1312"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1312">115</a>]</span></p> +<p>Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden +deelt hij zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte der Wilde Katten is: <span class="smallcaps">Rengger’s</span> Honden joegen eens zes volwassene Yagoearondi’s op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit dier is niet gevaarlijk, +daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met Honden, +waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Rengger</span> heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede Yagoearondi’s in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de zachtmoedigste +Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de <span class="letterspaced">Jagoear</span> of <span class="letterspaced">Once</span> (<i>Felis onza</i>), is de grootste en sterkste van alle <span class="letterspaced">gevlekte</span> en <span class="letterspaced">overlangs gestreepte Amerikaansche Katten</span>. Reeds in de eerste berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu nog heeft bijna iedere reiziger iets +van hem te verhalen; uit deze mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid van den Jagoear sterk +overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den mond van +het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met vele fabelen doormengd. + +</p> +<p>De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van +den Luipaard of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen +Jagoear is, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van +den staart. <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span> maakt echter melding van sommige exemplaren, die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de Once ongeveer +80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste deel +van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat +de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde +van het oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde +der vier pooten, waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend, ten deele met kleine, zwarte vlekken, +die cirkelvormig, langwerpig rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en ringen, die geelachtig rood +zijn met zwarte randen en één of twee zwarte punten in ’t midden. De volle vlekken bevinden zich vooral aan den kop, den hals, +de onderzijde van het lichaam en de ledematen; daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter en onregelmatiger +dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter aan +de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks +spits zwart is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken mondhoek een zwarte vlek te vinden en een +dergelijke vlek (met een gele of witte stip in ’t midden) aan de buitenzijde van het oor. Op den rug vloeien de vlekken ineen +tot een regelmatige streep, die zich op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen zij min of meer +evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie vellen +in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over ’t algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij +heeft ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders, daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met +meer vlekken voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel +zulk een donkere grondkleur, dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende waarnemers verscheidene soorten +onderscheiden, moeten de afwijkingen van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens, wat de hoofdkenmerken +betreft, tamelijk bestendig zijn. + +</p> +<p>De naam “Jagoear” is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier “Jaguarette” d. i. “lichaam van den hond” noemen. Bij +de Spanjaarden heet hij “Tigre”, bij de Portugeezen “Onça”. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay +over geheel Zuid-Amerika tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Het talrijkst +is hij in de gematigde gewesten van Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds vooruitdringende +blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken, den zoom +van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien. +Op het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de +eene streek naar de andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder, in het dichtst van het woud of in +het hooge gras, en brengt hier den dag door. + +</p> +<p>In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en sterrenlicht, nooit echter op ’t midden van den dag of in +een zeer duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot +voedsel. Hij is in alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge schijnen, toch kan hij zich in geval +van nood gemakkelijk en vlug bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon groot, en kan alleen +met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht is +scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd +nog wel op eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk +kan worden. + +</p> +<p>De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond <span class="smallcaps">Azara</span> de stekels van een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, overblijfselen van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren belaagt. Men heeft trouwens waargenomen, +dat hij in het riet op watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water haalde. Reeds <span class="smallcaps">Pöppig</span> bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet met vrede gelaten wordt. “De Jagoear,” zegt <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span>, “de gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand, waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op +het zand, en keert haar om, om haar <a id="d0e1367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1367">116</a>]</span>gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear veel meer +van deze dieren omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan, maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid. +Men kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad +wordt er mede geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de beenderen waren losgemaakt.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1116.jpg" alt="Jagoear (Felix onza). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="451"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Jagoear</span> (<i>Felix onza</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Het valt een geoefenden jager niet moeielijk,” schrijft <span class="smallcaps">Rengger</span>, “den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar +hij vooral de Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft hij staan, alsof hij luistert, en kijkt +dan opmerkzaam in ’t rond; nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid, met den neus op den grond het +spoor van een dier gevolgd heeft. Als hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk veel geduld en omzichtigheid +aan, om het te naderen. Als een slang kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige minuten lang stil, om +de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt, te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats van een anderen +kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden, te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen, springt +hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met +den dood worstelende dier het bosch in.” + +</p> +<p>De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels +hebben veel van hem te lijden. + +</p> +<p>De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet +te beklimmen, wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze, waarop hij zich Visschen weet te verschaffen. +<span class="smallcaps">Rengger</span> bericht hierover het volgende: “Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht terugkeerend, in mijn schuit naar huis +voer, bemerkte mijn metgezel, een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden hem zooveel mogelijk en +verborgen ons, om te zien, wat hij zou doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever, waar het water eenigszins +sneller stroomde, de gewone verblijfplaats van een roofvisch, die hier te lande ‘Dorado’ heet. Onverpoosd tuurde hij in ’t +water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling +met den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze +als de Huiskat.” + +</p> +<p>Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals +van Paarden, Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het eene of andere stuk van ’t lichaam een bepaalde +voorkeur te toonen; de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch terug, verwijdert zich evenwel in +den regel niet meer dan een kwartier gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of den volgenden morgen +zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter. + +</p> +<p>Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, niet van een gedood dier; bedorven vleesch raakt hij in ’t geheel niet aan. Nooit doodt hij meer dan één stuk vee te gelijk, +en vormt hierdoor een gunstige uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is. + +</p> +<p>Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig +van uit de verte. Er is geen <a id="d0e1400"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1400">117</a>]</span>voorbeeld van bekend, dat een mensch in onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich in bewoonde +gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden, verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen +ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij zich ’s nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen, +die aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk +echter hebben deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de +Jagoear zich door het vuur niet laat afschrikken, is volkomen zeker. + +</p> +<p>Het veelbesprokene “gebrul” van den Jagoear kan niet bijzonder indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit +woord ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van +een ander dier, of van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een al te grootschen indruk kregen. De +reizigers uit lateren tijd spreken niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in den regel stilzwijgend; +hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte geëvenredigd is. + +</p> +<p>De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad +voedsel te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt +gedurende den nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te trekken, en wordt zelfs door zeer breede +stroomen niet teruggehouden, daar hij uitmuntend zwemmen kan. + +</p> +<p>“De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,” merkt <span class="smallcaps">Rengger</span> op, “verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde +gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden +van een stad, die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in ’t jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-Fé +aan wal stapten, verhaalde men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen hij de vroegmis wilde lezen, +onder de deur van de sacristie door een Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk, als zulk een +Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen +brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk, +niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp +zijn, zal elke verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan.” + +</p> +<p>De Jagoear leeft, naar <span class="smallcaps">Rengger</span> bericht, gedurende het grootste gedeelte van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter zoeken de beide +geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks 3 of 3½ maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2, zelden +3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden +boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger, +wanneer het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt +het met woede, en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver. + +</p> +<p>Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen worden, +daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten +ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen +blijdschap, als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden, ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger, +verzuimen zij niet, ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het baat niet veel, of men hun de hoek- +en snijtanden tot aan den wortel afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht stelt hen in staat ook +zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het moeielijk +baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid +voor zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar +in gevangenschap te houden zonder hem op te sluiten. + +</p> +<p>Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika +maken de Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze +van jagen is de volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel en wapent zich met een tweesnijdend mes +of dolk van omstreeks twee voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear op. Tegen zulk een gering aantal +Honden stelt deze zich dadelijk te weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien door woorden en gebaren. +Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan evenals onze +Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en stoot, +terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de linkerzijde van het Roofdier. + +</p> +<p>De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, +slepen hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken +wordt. Soms schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst +men bij een door den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de prooi aangrijpt. + +</p> +<p>Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken +gebruikt. Het vleesch van een Once, dat door <span class="smallcaps">Von den Steinen</span> gegeten werd, bleek taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten dier: “Het oncevleesch smaakt vet +als gebraden varkensvleesch; bij de coteletten zou roode kool zeer goed passen.” Sommige lichaamsdeelen van den Jagoear worden +als geneesmiddelen gebruikt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de <span class="letterspaced">Ocelot</span> of <span class="letterspaced">Pardelkat</span> (<i>Felis pardalis</i>). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40 à 45 cM. voor den staart), <a id="d0e1440"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1440">118</a>]</span>de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.; het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los, maar staat, wat +hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en afgerond, +de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht +en even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde +geelachtig wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen naar de ooren. Aan de bovenzijde van den +kop komen geen stippels voor; de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep uitgaat; over den rug loopen +verscheidene overlangsche strepen, meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van smalle, zwarte vlekken, +waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige strepen +voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken, en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen +zijn zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart +tot ringen worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer. + +</p> +<p>De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke +landen van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever op in de onbewoonde bosschen van het binnenland +dan in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open veld vindt men hem nooit, wel echter +in boschrijke, rotsachtige en moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale voor. Naar het schijnt, heeft +hij geen bepaald leger. Over dag slaapt hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar labyrint van bladen +en struiken, soms ook in holle boomen; in de morgen- en avondschemering, vooral echter ’s nachts gaat hij op roof uit; hij +doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam, +omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet +de eigenaar zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen, richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen +aan. In de vrije natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in den boom of op den grond in hunne nesten +besluipt, bovendien uit allerlei kleine Zoogdieren, jonge Reeën, Zwijnen, Apen, Agoetis, Pakas, Ratten, Muizen enz. + +</p> +<p>De Ocelot leeft bij paren in een bepaald gebied. De jager kan er zeker van zijn, dat hij, zoodra er één is opgejaagd, in de +onmiddellijke nabijheid den anderen zal ontmoeten. Meer dan één paar treft men echter nimmer in hetzelfde bosch aan. Het mannetje +en het wijfje gaan niet te zamen op roof uit, ieder jaagt voor zich; ook helpen zij elkander niet bij de jacht of bij vijandelijke +aanvallen. + +</p> +<p>Den mensch doet de Ocelot slechts weinig schade; hij vreest hem en de Honden te zeer, dan dat hij in de nabijheid van bevolkte +gewesten zou komen. Alleen woningen, die dicht bij bosschen gelegen zijn, worden nu en dan door hem bezocht; doch ook dan +neemt hij hoogstens een paar Hoenderen of een Bisam-eend weg, sleept ze in ’t naburige kreupelhout en verslindt ze onmiddellijk. +Als zijn eerste rooftocht gelukt is, komt hij gewoonlijk in de volgende nachten terug, tot hij gevangen of verjaagd wordt. +Men jaagt hem in Paraguay met Honden of vangt hem in vallen. Hij is zeer schuw, ziet den jager ’s nachts bij helder maanlicht +eerder, dan deze hem opmerkt en vlucht dan spoedig. + +</p> +<p>Ocelotten worden dikwijls jong gevangen en getemd. Als jonge Huiskatten stoeien zij met elkander, spelen met een stuk papier, +een kleinen sinaasappel en dergelijke voorwerpen. Hun verzorger leeren zij spoedig kennen, springen hem achterna, likken hem +de hand, leggen zich aan zijne voeten neder en klimmen bij hem op. Zij houden veel van liefkoozingen en beginnen oogenblikkelijk +te spinnen, wanneer men ze vleit. Nooit toonen zij valschheid. Met de Honden en Katten, waarmede zij samenleven, houden zij +zeer goed vrede; zij kunnen het echter niet laten, het gevogelte te vervolgen. Zonder zich aan vroegere straffen te storen, +springen zij, zoodra de lust hiertoe haar bekruipt, op een Hoen toe, en laten zich op ’t oogenblik van den roof door geen +tuchtiging weerhouden het dier te vermoorden. Wegens hun onuitroeibare roofzucht houdt men ze gewoonlijk in een kooi of vastgebonden +aan een touw. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Zoo nauw verwant aan den Ocelot, dat men haar wel eens als een variëteit van dezen heeft beschouwd, is de in Brazilië en Guyana +levende <span class="letterspaced">Margoeay</span> of <span class="letterspaced">Tijgerkat</span> (<i>Felis tigrina</i>). Deze is echter veel kleiner; daar zij slechts 80 cM. lang wordt (waarbij 30 cM. voor den staart), dus hoogstens zoo groot +als onze Huiskat. De grondkleur van het fraaie, zachte vel is van boven en aan de zijden vaal geel en, evenals bij de meeste +overige Katten, aan de onderzijde wit. De romp is met verscheidene overlangsche reeksen van donkere vlekken geteekend. Kleinere +vlekken versieren de pooten en den buik, ringen den staart. Twee donkere strepen loopen over de wangen, twee andere over de +kruin. De ooren zijn zwart met witte vlekken. + +</p> +<p>Bijna in alle opzichten komt de levenswijze van deze Kat met die van den Ocelot overeen. Jong gevangen is zij zeer leerzaam, +en wordt weldra zeer aan den mensch gehecht. <span class="smallcaps">Waterton</span> had er in Guyana een, die hem als een Hond volgde. Voortdurend in strijd met de Ratten en Muizen, wist de Margoeay het huis +van zijn meester in korten tijd grootendeels te bevrijden van de schadelijke Knaagdieren, die er de plaag van waren. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Veelvuldiger dan de Margoeay schijnt de <span class="letterspaced">Langstaartige Kat</span> (<i>Felis macrura</i>) in de Braziliaansche wouden voor te komen. “Langstaartig” is zij in vergelijking met de <span class="letterspaced">Tsjati</span> (<i>Felis mitis</i>), een iets grootere, eveneens in de Braziliaansche oerwouden levende Kat. De eerstgenoemde komt ongeveer met een flinke Huiskat +in grootte overeen (90 à 100 cM. lang, waarvan 30 à 35 cM. op den staart komen; schouderhoogte 25 à 30 cM.); maar staat veel +hooger op de pooten. Kenmerkend voor deze soort zijn de kleine kop, de groote oogen, de lancetvormig afgeronde ooren en de +sterk gekromde, witachtige klauwen. Haar grondkleur is roodachtig bruingrijs, aan de zijden lichter, van onderen wit. Het +geheele lichaam is met grijsbruine of zwartbruine, op overlangsche reeksen geplaatste vlekken geteekend; sommige vlekken bevatten +een lichteren hof. + +</p> +<p>Door hare slanke gedaante en bontgekleurde huid is zij een der schoonste leden van de Kattenfamilie. <a id="d0e1486"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1486">119</a>]</span>Door de Brazilianen wordt zij <span class="letterspaced">Gevlekte Wilde Kat</span> genoemd en wegens haar vel dikwijls geschoten. Daar zij behendig en met groot gemak klimt, begeeft zij zich bijzonder graag +langs de slingerplanten, die de boomstammen omstrengelen, op en af; zij doorzoekt de boomkronen en verslindt alle kleine dieren, +die zij daar vindt. Behalve voor de op boomen nestelende Vogels is zij ook gevaarlijk voor wilde en tamme Hoenderen, die zij +dikwijls in de nabijheid van de menschelijke woningen rooft. Als slaapplaats maakt zij gebruik van holle boomstammen, rotskloven +of holen in den grond, waarin zij ook, evenals onze Wilde Katten, hare jongen ter wereld brengt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van alle Katten is de <span class="letterspaced">Pampaskat</span> (<i>Felis pajeros</i>) het duidelijkst overlangs gestreept. Bij de overigens fraai zilvergrijs gekleurde vacht steken de meer of minder donker +roestbruinroode strepen sterk af. Ieder haar is bij den wortel grijs, verderop lichtgeel, aan de spits zilvergrijs; de spitsen +van de haren, die de strepen vormen, zijn echter licht roestkleurig geel. Op het midden van den rug zijn zwarte en donker +roestkleurig roode haren dooreengemengd; aan den kop zijn zij van onderen vaalgrijs, in ’t midden zwart en aan den top wit. +Over de bijna effen vaalgele wangen loopt een smalle roestroode streep. De ooren zijn van buiten licht-, aan den rand donker-roestbruin, +van binnen vaalwit. De staart heeft dezelfde kleur als de rug en is bij de spits voorzien met 4 à 6 donkerder ringen; de pooten +vertoonen 6 à 7 breede, regelmatige, roestroode strepen op geelachtigen grond; de onderzijde is onregelmatig, licht roestkleurig-rood +gestreept op witachtig vaalgelen grond. Door deze teekening van de huid wordt de Pampaskat in weerwil van de dofheid der kleuren +een der fraaiste soorten van de groep. Groote katers hebben een lengte van 120 à 130 cM., waarvan 30 cM. op den staart komen; +de schouderhoogte bedraagt 30 à 35 cM. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1119.jpg" alt="Tijgerkat (Felis tigrina). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="341"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tijgerkat</span> (<i>Felis tigrina</i>). 1/7 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Pampaskat komt voor in de steppen van Zuid-Amerika, in Patagonië tot aan de straat van Magalhaes, vooral aan de oevers +van den Rio Negro. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Bijna alle natuuronderzoekers zijn van oordeel, dat de <span class="letterspaced">Lossen</span> (<i>Lynx</i>) beschouwd moeten worden als een afzonderlijk geslacht. Zij onderscheiden zich van de overige Katten door de haarkwastjes +op de ooren van den tamelijk grooten kop. De meeste soorten hebben bovendien sterk ontwikkelde bakkebaarden, een zijdelings +samengedrukten, maar toch krachtigen romp, die op lange pooten rust, en een korten (bij de meeste soorten zelfs zeer korten) +staart. + +</p> +<p>In alle werelddeelen—met uitzondering van Australië, dat geheel van Katten verstoken is—komen Lossen voor, in Europa twee +duidelijk te onderscheiden soorten. Zij bewonen bij voorkeur aaneengesloten bosschen, en hiervan de moeielijkst toegankelijke +plaatsen; men vindt ze echter ook in steppen en woestijnen en zelfs in streken, die in cultuur gebracht zijn. Alle zonder +uitzondering mogen als hoog ontwikkelde Katten aangemerkt worden; zij zijn roofgierig en kunnen veel schade doen door het +dooden van wild en van huisdieren. + +</p> +<p>De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is de <span class="letterspaced">Gewone Los</span> (<i>Lynx vulgaris</i>). Voordat ik de exemplaren, die in het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe groot de Los worden +kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los is +minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten, dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond +worden. Zijn lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3 M. toenemen; de staart is 15 à 20 cM. lang; +de hoogte in de schoften bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs, naar men mij in Noorwegen verzekerde, +van 45 KG. bereiken. Dit dier heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw, stevige ledematen en forsche +teenen, gewapend met scherpe, groote klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren; het blijkt dus +reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit; +aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte, dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van +4 cM. lengte. Op de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange tastborstels. De dichte, zachte beharing +verlengt zich in ’t aangezicht tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten baard, die, <a id="d0e1533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1533">120</a>]</span>in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur +der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine +vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten, het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van +de oogspleet zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna +de geheele achterste helft van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van kleur. De voorste helft is +geteekend met onduidelijke ringen, die aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De vacht is in den +zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke afwijkingen +van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder duidelijke +vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1120.jpg" alt="Los (Lynx vulgaris). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="503"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Los</span> (<i>Lynx vulgaris</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren +gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder <span class="smallcaps">Pompejus</span> werd een Los uit Gallië levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt, +niets bekend; allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In de godenleer van de oude Germanen speelde +de Los ongeveer dezelfde rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan Freya gewijd en bestemd om haar +wagen te trekken. + +</p> +<p>Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en +fel vervolgd. In het einde van de 15<sup>e</sup> eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste, inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer dieren +in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen—aan het +ook nu nog door den Los bewoonde gebied—grenst, was hij tot in het einde van de vorige en het begin van deze eeuw een aan +alle jagers van beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het district Rottenschwangen buit gemaakt. +In het Thuringer Woud werden tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw, voor zoover mij bekend is, +slechts twee. De laatste Westfaalsche Los verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818 de beide +laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn) +vindt men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld. +Daar worden bijna ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in den laatsten tijd zoovele gedood, +dat er van uitroeiing dezer dieren nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span>, niet vaker voor dan de Wilde Kat; vóór 30 jaar was hij echter ook hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het +feit, dat er in Bünden alleen in één jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon +hij nog wel voorkomt in de hoog <a id="d0e1558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1558">121</a>]</span>gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten, evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over +het voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen, +dat hij reeds in Krain nog geregeld, in Karinthië nu en dan voorkomt. + +</p> +<p>Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar ’t Oosten een aanvang in de Karpathen en aan de Pruisisch-Russische +grenzen; hier beginnend, strekt het zich naar het noorden en oosten over geheel Rusland uit; ook in Skandinavië is de Los +nog vrij veelvuldig overal waar aaneengesloten bosschen voorkomen. Bovendien bewoont de Los het geheele oosten van Siberië, +waar het land bergachtig en met bosschen bedekt is, en verbreidt zich zuidwaarts minstens tot in Toerkestan en tot in den +Himalaja, waar hij tot in het bovenste gedeelte van het Indusdal aangetroffen wordt. + +</p> +<p>Voorwaarden voor het duurzaam verblijf van dit roofdier zijn uitgestrekte, aaneengesloten bosschen, die rijk zijn aan dicht +begroeide of om andere redenen moeielijk toegankelijke plaatsen en wild van allerlei soort bevatten. In dun bezette bosschen +vertoont de Los zich slechts bij uitzondering, nl. in den winter om daar Hazen te zoeken, of ook wel, wanneer een algemeene +ramp, bv. een boschbrand, hem tot verhuizingen noopt. In zulke omstandigheden kan het gebeuren, dat hij in de boomgaarden +van de dorpen vlucht. In tegenstelling met den Wolf, houdt de Los zich soms langen tijd achtereen in hetzelfde gebied op, +doorkruist het in alle richtingen, begeeft zich in één nacht mijlen ver, maakt daarbij niet zelden zonder eenigen schroom +van gewone wegen gebruik, en keert na verscheidene dagen weer in dezelfde streek terug, om haar op nieuw te doorzoeken. + +</p> +<p>Naar het schijnt, staat de Los wat de gaven van lichaam en geest betreft, bij geen enkele andere Kat achter. Hij loopt zeer +lang achtereen, springt als het zijn moet, uitstekend, doet werkelijk verbazende sprongen, klimt vrij goed en zwemt, naar +het schijnt, met gemak. Zonder twijfel staat onder zijne zinnen het gehoor bovenaan; het kwastje op zijne ooren kan dus als +een rechtmatig onderscheidingsteeken aangemerkt worden. Waarschijnlijk is zijn gezicht eveneens uitmuntend, hoewel de waarnemers +van onzen tijd geen feiten hebben opgemerkt, die een verklaring zouden kunnen geven van den oorsprong der oude sage, volgens +welke de Los door muren en andere ondoorzichtige voorwerpen heen kan zien. Vroegere waarnemers vergelijken de stem van de +Los met het gehuil van een Hond, maar beschrijven haar hierdoor zeer onjuist. Zijn geschreeuw is veeleer een brullende toon, +die hoog en fijn begint, maar dof en zwaar eindigt; in klank gelijkt het op het gebrul van een Beer. + +</p> +<p>De Los is, volgens <span class="smallcaps">Nolcken</span>, een volkomen nachtelijk Roofdier, dat zich bij ’t aanbreken van den dag verschuilt en dan, als het niet gestoord wordt, +liggen blijft, totdat het weer duister is; hierdoor onderscheidt de Los zich zeer van den Wolf. Als ligplaats kiest hij een +rotskloof of een dicht begroeide plaats, soms misschien ook wel een niet te klein hol, zelfs een woning van een Vos of een +Das. Als hij zich verschuilen of slapen wil, loopt hij bij voorkeur langs den een of anderen weg tot in de nabijheid van de +dicht begroeide plaats, die hij uitgekozen heeft, en begeeft zich dan met verscheidene groote sprongen er in. Altijd kiest +hij hiervoor de dichtste plekjes, die hij vinden kan, jong naaldhout b.v., zonder zich er voor ’t overige veel om te bekommeren, +of er in de nabijheid menschen komen. + +</p> +<p>Als de schemering begint, wordt hij wakker en geneigd om zich te bewegen. Gedurende den dag schijnt hij wel een steenen beeld, +dat, zoodra de avond valt, leven en beweging krijgt; hij wacht steeds den nacht af om zich op de jacht te begeven en blijft +dikwijls staan, evenals een Kat doet, die over een open plaats wil gaan, welke haar onveilig voorkomt. Zooveel mogelijk volgt +hij daarbij steeds hetzelfde pad. Zijn spoor zou alleen door iemand zonder eenige ervaring op dit gebied met dat van een ander +dier verward kunnen worden; wegens de onevenredig groote teenen is het zeer groot, grooter dan dat van een flinken Wolf; het +is in ’t oogloopend rond en, omdat de indruksels van de nagels ontbreken, van voren stomp: de stap is betrekkelijk kort. Het +spoor vormt een soort van parelsnoer, dat door iedereen, die het eens gezien heeft, gemakkelijk weer herkend zal worden. + +</p> +<p>De eigenaardige gedaante van den Los doet ieder zijner bewegingen vreemd en zelfs eenigszins plomp schijnen. Hij zet zijne +pooten niet zoo zachtjes neer en loopt meer wijdbeens dan de overige Katten. Hoewel hij de bevalligheid zijner verwanten mist, +staat hij in behendigheid niet bij hen achter; hij kan zeer goed klimmen, en, hoewel hij niet tot de uitstekende loopers behoort, +overtreft hij zijne verwanten door de snelheid en volharding zijner bewegingen. Wat hij doen kan, ziet men in de versch gevallen +sneeuw het duidelijkst vooral daar, waar hij een buit besprongen heeft. + +</p> +<p>Voor den Los schijnt elk dier, dat hij op de een of andere wijze meent te kunnen overmeesteren, een welkome prooi te zijn. +Te beginnen bij de kleinste Zoogdieren of Vogels is waarschijnlijk geen enkel warmbloedig dier, dat niet grooter is dan een +Ree, een Woerhaan of een Trap, veilig voor hem; vermoedelijk zullen slechts bij uitzondering zeer flinke Lossen zich aan Edelherten, +Elanden en Wilde Zwijnen wagen. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan groot wild boven klein; met het vangen van Muizen b.v. +schijnt hij zich niet in te laten. + +</p> +<p>In het Noorden waar het klein wild talrijk, het groot wild schaarsch is, veroorzaakt de Los betrekkelijk weinig schade. In +de gematigde gewesten daarentegen maakt hij zich zoowel bij den jager als bij den herder gehaat, niet alleen omdat hij veel +meer dieren doodt, dan hij voor zijn voeding noodig heeft, maar ook omdat hij van een prooi slechts het bloed oplekt en het +lekkerste stukje eet, het overige echter liggen laat ten buit voor de Wolven of Vossen. Hier keert hij hoogst zelden tot het +door hem gedoode dier terug; wel doet hij dit, in streken, die arm aan wild zijn, zooals Lijfland; zelfs zoo, dat hij gedurende +eenigen tijd in de nabuurschap blijft en de jacht nagenoeg geheel schijnt te laten varen. Geheel anders gedraagt hij zich +in streken, die rijk zijn aan wild en vee. In de Zwitsersche Alpen beloert hij, volgens <span class="smallcaps">Schinz</span>, Dassen, Marmotten, Hazen, Konijnen en Muizen, sluipt de Reeën in het bosch, de Gemzen op de Alpen na, overvalt Woer-, Berk-, +Hazel- en Sneeuwhoenderen en onderneemt rooftochten tegen de Schapen, Geiten en Kalveren. Volgens <span class="smallcaps">Bechstein</span> doodde een Los in één nacht 35 Schapen, volgens <span class="smallcaps">Schinz</span> moordde een dergelijk Roofdier in nog korter tijd er 30 à 40 stuks, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span> bracht een Los in een rooftocht meer dan 100 Schapen en Geiten om ’t leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even begeerig +zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken. + +</p> +<p>Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk <a id="d0e1593"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1593">122</a>]</span>tot de aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst. +<span class="smallcaps">Loewis</span> verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het volgende: “Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn +naam <span class="letterspaced">Lucy</span> goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden, die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los +steeds zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite +had gekost, was hij zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar hem verboden) jacht op Hazen, Vogels +of Schapen onmiddellijk staakte, zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan beschaamd op den grond +liggen, en hoopte als een Hond op genade voor recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de bevrediging +van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste +bij mij terug te doen komen. + +</p> +<p>“<span class="letterspaced">Lucy</span> maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme +Haas voor ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er +dadelijk jacht op. Ondanks zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield hij steeds zooveel overleg +om de verhouding tusschen zijn snelheid en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te schatten. Hij +luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij +beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over <span class="letterspaced">Lucy</span> baas worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het ontgelden. Bij ’t invallen van de duisternis, klom +zij op het dak van het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra laat in den avond of in den nacht +de wagen voor de overdekte ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen van het dak van het huis op +dat van den trap overgegaan; riep ik nu zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar beneden glijden +en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe, vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn +hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer, +waar het op de sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg. + +</p> +<p>“Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons +onder luid geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het huis, en koos een naburig berkenboschje tot +verblijfplaats, zonder voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij nog naar zijn gewone standplaats bij +den schoorsteen van het huis terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts terugkeerden, kende geen grenzen. +Als een bliksemstraal schoot hij van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij, dan weer mijn broeder, +bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde ’s avonds +weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die +ons iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend, gapend of duchtig snorkend.” + +</p> +<p>Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf +aan iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt, met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden +geregeld iederen winter Lossenjachten gehouden. + +</p> +<p>Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig +met ƒ 15 à ƒ 18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberië levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland +en Skandinavië ongeveer 9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberië komen uitsluitend in den Chineeschen handel, en worden +door de volken aan den Mongoolschen grens zeer begeerd. + +</p> +<p>Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend geroemd. <span class="smallcaps">Kobell</span> bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814 dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook, dat +in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het +Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht. +Het is malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit +opzicht nog het meest met dat van den Woerhaan overeen. + +</p> +<p>In het zuiden van Europa wordt de gewone Los door den <span class="letterspaced">Pardel-los</span> (<i>Lynx pardinus</i>) vervangen. Deze is veel kleiner dan zijn in noordelijker gewesten wonende neef; want zijn lichaamslengte bedraagt hoogstens +1 M. Door de kortheid van de beharing, de betrekkelijk zeer groote bakkebaarden en de lange haarkwastjes aan de ooren, en +ook door de zeer verschillende, meer samengestelde teekening onderscheidt hij zich. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De genoemde Europeesche soorten zijn in Noord-Amerika vervangen door den <span class="letterspaced">Pischoe</span> of <span class="letterspaced">Kanadeeschen Los</span> (<i>Lynx borealis</i>). Hij is een weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam bereikt slechts zelden een lengte van 1.15 +M. De beharing is korter en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is het deel van Noord-Amerika, +dat ten noorden van de groote meren en ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke gewesten geheel +op de wijze van onzen Los. + +</p> +<p>De Kanadeesche Los is met den <span class="letterspaced">Rooden Los</span> (<i>Lynx rufus</i>), die eveneens Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden +vellen van deze Lossen komen ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur en kwaliteit gesorteerd en +met verschillende namen aangeduid worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de <span class="letterspaced">Karakal</span> (<i>Lynx caracal</i> en <i>Caracal melanotis</i>), een echte woestijn- en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten in noordelijker gewesten, daar +zijn lichaamslengte slechts 65 à 75 cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij bewoont geheel Afrika, Voor-Azië en Indië, hij houdt zich +zoowel in woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn levenswijze gelijkt op die zijner verwanten. +Hij maakt <a id="d0e1664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1664">123</a>]</span>jacht op alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk +verzekerd door de Arabieren, die dit dier <span class="letterspaced">Khoet el Chala</span> noemen. En hiermede staat dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azië (vooral in Indië) voor de +jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste lid van +de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt +men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn hok toelaat. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Moeras-Los</span> (<i>Lynx Chaus</i>), die de moerassige en met bosch begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het meer van Arel, in Perzië, +Syrië, Egypte, Nubië en Abessinië bewoont, is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn staart is echter +langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn vacht is meer gevuld, over ’t algemeen van geelachtige grijze of groen-geel-grijsachtige +kleur, waarop onduidelijke donkere strepen zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan 26 à 27 cM. +op den staart komen. + +</p> +<p>Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt. +In dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik +maken van andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over +dag als ’s nachts rond om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten dicht bij de dorpen te komen; de +groote tuinen in de nabijheid zijn, naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem. + +</p> +<p>In de dierentuinen treft men ze <a id="d0e1683"></a><span class="corr" title="Bron: zeldeu">zelden</span> aan; die welke reeds oud zijn, als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge dieren daarentegen kunnen +door liefdevolle verzorging zeer gehecht worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog <span class="smallcaps">Dümichen</span> van een jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ruïne half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof: +“De Los deed, toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde +dier het voedsel, dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen +was, scheen hij volkomen te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider, volgde mij op den voet, waar +ik ook heenging, sprong bij mij op de Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubië door, en bleef, +terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond bestond +een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander.” + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen de Katten en de Honden volgen, n.l. de <span class="letterspaced">Jachtluipaarden</span> of <span class="letterspaced">Geparden</span>. Deze dragen hun geslachtsnaam (<i>Cynailurus</i>), die “Hondskat” beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig +de lange staart, hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten, die lang zijn en welker teenen slechts +gedeeltelijk de eigenschappen van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De geheele toestel voor het +intrekken en uitsteken der klauwen is nog aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en krachteloos, dat +de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom, evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in de +meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt. +Ook wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen; katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de +hondenaard blijkt echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt. + +</p> +<p>De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te maken, of het geslacht der Geparden meer dan één soort +omvat. Eenige onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren, +andere onderscheiden, behalve de <span class="letterspaced">Tschita</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Gepard</span> (<i>Cynailurus jubatus</i>) en de <span class="letterspaced">Fahhad</span> of <span class="letterspaced">Afrikaansche Gepard</span> (<i>C. guttatus</i>), nog de <span class="letterspaced">Gevlekte Gepard</span> (<i>C. Soemmeringii</i>) en de <span class="letterspaced">Wollige Gepard</span> (<i>C. laneus</i>). De Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als +een hondekop verlengd, dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft een ronde pupil; de beharing +is vrij lang en ruig, vooral op den rug, de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan zwarte en +bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn, ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten +en zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De +lichaamslengte van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76 +à 84 cM. De Fahhad heeft bijna in ’t geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna oranjegeel, de buik echter +is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart. + +</p> +<p>De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azië gevonden, en, als men den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika, +althans in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud +moet voorzien. + +</p> +<p>Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer +knap weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst +gevonden; gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig, +dat voor een niet te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren is. Hij maakt echter ook van sluwheid +en list gebruik om zijn prooi te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet, drukt hij den romp tegen +den grond aan, en kruipt nu als een slang, zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame oogen van het +wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen, +houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren +tot op den kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst geplaatste dier uit en stormt <a id="d0e1738"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1738">124</a>]</span>eindelijk met razende vaart op dezen buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door slagen met de klauwen +tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van een goed +geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen. + +</p> +<p>De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen, +die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om partij te trekken van de talenten van dit dier. Door +een eenvoudige dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein, +nagenoeg denzelfden dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indië is het jagen met den Jachtluipaard reeds +sinds eeuwen in zwang. <span class="smallcaps">Joseph Barbaro</span> zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst van Armenië. De shah van Perzië blijft aan deze oude gewoonte +getrouw; de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt, zijn uit Arabië afkomstig. Ook door sommige +Indische vorsten worden aanzienlijke sommen aan de jacht met deze “Kathonden” besteed. Aan ervaren personen is hun africhting +opgedragen; geoefende jagers, die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere valkeniers, moeten de dieren +gedurende de jacht vergezellen; goedkoop zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van de jacht aan +een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke, +lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen +b.v., te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers. +Men kan daarom met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt +de jager den Tschita den kap van ’t hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte aansporingen opmerkzaam op het wild. +Zoodra het uitmuntende jachtdier den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke jachtlust, en openbaren +zich de list en geslepenheid die hem eigen zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort, verlaat hij den +wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen +vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals +grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door, verzamelt het uitstroomende bloed +in een houten nap, geeft dit den Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1124.jpg" alt="Afrikaansche Gepard of Fahhad (Cynailurus Guttatus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="452"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Afrikaansche Gepard</span> of <span class="letterspaced">Fahhad</span> (<i>Cynailurus Guttatus</i>). 1/9 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessiniërs gebruiken den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen, +ofschoon in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. <span class="smallcaps">Geszner</span> maakt melding van twee voor de jacht afgerichte “Luipaarden” bij den koning van Frankrijk. <span class="smallcaps">Leopold</span> I, keizer van Duitschland, kreeg van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij dikwijls op de jacht ging. + + +</p> +<p>Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig +weet. Ik heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze +lieden, die het dier volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in strikken vangt, en, ondanks de wildheid, +die het aanvankelijk aan den dag legt, binnen korten tijd temt. +<a id="d0e1768"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1768">125</a>]</span></p> +<p>Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet +aan overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze +genegenheid te verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren zoo gemakkelijk getemd kan worden als +hij. Goed vertrouwen is de grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden Gepard in ’t geheel niet in, +het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met hem bezighoudt, +kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan, hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke +liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is, dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij +n.l. wakker is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang +onbeweeglijk in één richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op zulke oogenblikken verwaardigt hij de +Hoenderen, Duiven, Musschen, Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn gemoedelijke en droomige +stemming wordt alleen door andere Roofdieren verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op; hij houdt onmiddellijk +op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms bewegingen, +alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen. + +</p> +<p>Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield. +Zoolang hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij +werd dan telkens zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven, wat hij doen zou, indien hij een weinig meer +vrijheid van beweging had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 à 20 M. lengte, die ik mij losjes om de hand en den +elleboog wikkelde, en ging zoo met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den weg. <span class="letterspaced">Jack</span>, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde +van het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen +en kroop nu op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd en verwonderd het vreemde dier aankeken. +Hoe nader hij bij de Honden kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als een slang gleed hij over den +bodem. Eindelijk achtte hij den afstand klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de Honden toe, die +wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij sloeg +zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme +Hond kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat +kwamen in beweging, en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks +mijn Gepard medenemen, zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te hebben, wat hij met de Honden doen +wilde. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Uit de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Pollen</span> en <span class="smallcaps">Schlegel</span> is gebleken, dat een Roofdier, waaraan tot dusver den naam van <span class="letterspaced">Buidelfret</span> werd gegeven, en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen, nog tot de Katten gerekend, maar als +een overgangsvorm tusschen deze familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de Madagassen <span class="letterspaced">Fossa</span> heet, en dat wij <span class="letterspaced">Fretkat</span> (<i>Cryptoprocta ferox</i>) zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de +tamelijk ver terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn langwerpige gedaante, zijne korte pooten, +zijne korte, eivormige ooren, lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte van 1.5 M., waarvan 68 +cM. op den staart komen, en staat zeer laag op de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit korte maar +dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en aan de voeten als ’t ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig +gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren +dragen aan de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig +gele pupil, gelijkt op die van de Huiskat. + +</p> +<p>Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke +wijze gevreesd wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin +het een belangrijke rol speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De leden van de familie der <span class="letterspaced">Civetkatten</span> of <span class="letterspaced">Viverren</span> (<i>Viverridae</i>) onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen +hals met een spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een (bijna zonder uitzondering) langen staart, +die meestal over den grond sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot, meestal klein; de pooten +hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening bevinden +zich 2 of meer “aarsklieren”, die een eigenaardige, zelden welriekende vloeistof afscheiden. Vóór de aarsopening komen bij +sommigen bovendien nog “civetklieren” voor, welker afscheidingsproduct zich in een eigenaardigen “klierzak” verzamelt. + +</p> +<p>Over ’t geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters, die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen. +In andere opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot +het vermoeden, dat zij, meer dan hunne verwanten uit andere familiën, op de alleroudste Roofdieren gelijken. Van de Marters +onderscheiden zij zich vooral door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft. + +</p> +<p>De Viverren ontbreken in Australië geheel; zij bewonen de zuidelijke landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azië. +In Europa komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en +waarvan één alleen in Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de familie der Viverren zich door een +grooten vormenrijkdom, hoewel zij <a id="d0e1817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1817">126</a>]</span>een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen +droge, onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten +van Afrika en van het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten, vooral aan de oevers van rivieren of +aan dichte rietbosschen, boven alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van de nederzettingen der +menschen, andere blijven schuw in de duisternis der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere zich +alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen +in bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag, +waarop zij hunne krachten sparen. + +</p> +<p>De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren, die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht +bezighouden, zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in hunne schuilhoeken terugtrekken. + +</p> +<p>Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid +met de flinkste Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers, terwijl andere bij ’t gaan de geheele zool +op den grond laten rusten; enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen zijn zeer scherp, vooral de +drie edelste: het gezicht, het gehoor en de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk; slechts in de +eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate roofzuchtig +en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren, +Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht +op Reptiliën, Amphibiën, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed, die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste +Slangen toonen, werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen leerden kennen; van enkele soorten worden +naar aanleiding van dezen strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn, zwerven zij onverpoosd door hun +jachtgebied, bespieden en onderzoeken elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel als het dicht begroeide +bosch, de rietbosschen zoowel als de met steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi kunnen verwachten. +Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven zij +liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts weinige een vaste slaapplaats hebben.—Van sommige soorten hoort +men een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit; in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op +te merken. + +</p> +<p>Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten verbreiden. Deze is te danken aan het “civet”—een olieachtige of +vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren afgescheiden en in een zak vóór de aarsopening opgehoopt +wordt. + +</p> +<p>Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt +het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de +zorg voor de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als +goedaardig, als de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige +landen houdt men van sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het kostbare afscheidingsproduct der +civetklieren gemakkelijker te kunnen verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor de jacht op schadelijk +gedierte gebruikt. + +</p> +<p>Over ’t geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen, waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten<a id="d0e1829"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> In de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang +in, dat de Viverren hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals o.a. blijkt uit het voor heilig houden +van een der Viverren door de Egyptenaars der oudheid. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der <span class="letterspaced">Civetkatten</span> (in engeren zin) (<i>Viverra</i>) en dat der <span class="letterspaced">Mangoesten</span> (<i>Herpestes</i>), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze vooruitstekende nagels. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Civetkatten</span> (in engeren zin) hebben een langwerpig lichaam met slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk hoog +op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half +terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn: de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige +pupil, de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, vóór +de aarsopening gelegen klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren afgescheiden wordt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Afrikaansche Civetkat</span> (<i>Viverra civetta</i>) heeft ongeveer de grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen +betreft, ongeveer het midden tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk spits toeloopenden snuit, +kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal, krachtig gebouwd +in vergelijking met de meeste andere leden van de familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus middelmatig; +de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op +het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze “manen” zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de +fraaie, aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine +vlekken, welker grootte en rangschikking bij verschillende individuën zeer ongelijk kan zijn; op de zijden vormen zij duidelijk +dwarse strepen. De manen zijn zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde, en de zwarte vlekken zijn +hier duidelijker begrensd. De staart, die aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7 zwarte ringen +en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek, bevindt +zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70 cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de +schouders bedraagt 30 cM. +<a id="d0e1863"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1863">127</a>]</span></p> +<p>De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook +in het oosten van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste soorten der familie, is zij meer nachtdier +dan dagdier. Den dag brengt zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine Zoogdieren en Vogels, die +zij bemachtigen kan, sluipend te naderen of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn, en dat zij zeer +ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibiën, ja zelfs +vruchten en wortels. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1127.jpg" alt="Afrikaansche Civetkat (Viverra civetta). ⅙ v. d. ware grootte." width="512" height="313"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Afrikaansche Civetkat</span> (<i>Viverra civetta</i>). ⅙ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen; +hiertoe wordt het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi; met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en +de klieren, welker afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden, uitgedrukt. In den regel geschiedt dit +twee maal per week; de opgaven omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer uiteen. In verschen toestand +is het civet een witte schuimachtige stof, die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste soort is, +naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet +ook nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd, +daar de muscus meer en meer boven het civet wordt verkozen. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Alpinus</span> zag in <a id="d0e1882"></a><span class="corr" title="Bron: Kairo">Kaïro</span> bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te maken, dat +zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze +dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome, +Mantua, Venetië, Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap +gehouden. Jong gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter, dan exemplaren die op lateren leeftijd buit +gemaakt zijn en worden weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk, die deze dieren verbreiden, is voor +menschen met zwakke zenuwen bijna onverdraaglijk. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van de <span class="letterspaced">echte</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Civetkat</span> (<i>Viverra zibetha</i>), die in Indië <span class="letterspaced">Bagdos</span>, <span class="letterspaced">Bhran</span> of <span class="letterspaced">Khatas</span> wordt genoemd, en lang voor een verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt van deze echter niet +alleen door de kleur en de vlekkenteekening, maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser, haar romp schraler, +hare ooren zijn langer, en van manen is bij haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel, waarbij een +groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze +vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft +zonder den 56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van 38 cM.; het weegt 8 à 12 KG. + +</p> +<p>De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar <span class="letterspaced">Tinggalong</span> noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens <span class="smallcaps">Blanford</span>: Bengalen, Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den regel leeft dit dier eenzaam en zwerft ’s +nachts rond, niet zelden strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen uit, en rooft dan vooral Hoenderen +en Eenden. Voor het overige voedt het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met Insecten, Vorschen, +Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels, die het overmeesteren kan. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In den laatsten tijd komt een Civetkat, die <span class="letterspaced">Rasse</span> (<i>Viverra malaccensis</i>) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart; haar +lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks 50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk +groote ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de +staart is met verscheidene ringen geteekend. + +</p> +<p>De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het westen van Radschpoetana, geheel Indië van den voet van den +Himalaja tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook +andere eilanden van Zuidoost-Azië. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens het civet, waarvan door de Maleiers +een veelvuldig gebruik wordt gemaakt. <a id="d0e1927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1927">128</a>]</span>Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op deze +wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen onverdraaglijken geur. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Genetkatten</span> (<i>Genetta</i>) is gekenmerkt door den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op de zolen, de terugtrekbare klauwen +aan de vijf teenen der voor- en achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een ondiepe klierzak bevindt +zich vóór de aarsopening. + +</p> +<p>De meest bekende soort is de <span class="letterspaced">Genetkat</span> (<i>Viverra genetta</i>), de eenige in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige Europeesche vertegenwoordigers van de familie +der Viverren. In vele opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat de kleur betreft. Haar lichaam +is, zonder den 40 cM. langen staart, 50 cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 à 17 cM. Het lichaam staat zeer laag +op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine, van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede, in +een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat, over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig, +naar muscus riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte, dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend +lichtgrijs met donkere vlekken. + +</p> +<p>Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer +moord- en roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste +bewoner van de voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch- +en boomlooze als in boschrijke gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in de nabijheid van bronnen +en beken, boschrijke gewesten, berghellingen, die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij de voorkeur. +Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur +met die der omgeving te kort in ’t gezicht behoudt, om haar te kunnen treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid +van een Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig. +Ik ken geen enkel Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid van den Marter paart. De volmaaktheid +van hare bewegingen is werkelijk bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de Loango-expeditie van +<span class="smallcaps">Güszfeldt</span>, schreef <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>: “Civetkatten en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten zijn zeer onaardige dieren, die men nooit +recht vertrouwen kan, en welker reuk bovendien <a id="d0e1955"></a><span class="corr" title="Bron: overdraaglijk">onverdraaglijk</span> is; de Genetten echter worden zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op klaarlichten dag als Honden +na, en verschaffen op allerlei wijzen zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier van deze soort, die +zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt in groote +menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls +op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar +schuifelde het, terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar den ander, liet zich een oogenblikje +streelen en plagen, en verdween weldra zooals het gekomen was.”—In Noord-Amerika wordt dit dier, evenals onze Kat, voor het +bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers zeer gezocht. + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1128.jpg" alt="Maleische Palmroller of Koffierat (Paradoxurus hermaphroditus). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="284"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Maleische Palmroller</span> of <span class="letterspaced">Koffierat</span> (<i>Paradoxurus hermaphroditus</i>). 1/7 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het naast aan de Civetkatten komen de <span class="letterspaced">Palmrollers</span> of <span class="letterspaced">Rolmarters</span> (<i>Paradoxurus</i>). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart, die +tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid +valt echter niet bijzonder in ’t oog. De vijf teenen van voor- en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere +mate terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen. + +</p> +<p>Alle soorten bewonen Zuid-Azië en de naburige eilanden, gaan eerst na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug +en behendig genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te <a id="d0e1986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1986">129</a>]</span>naderen; zij voeden zich echter ook met vruchten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Indische Palmroller</span> (<i>Paradoxurus niger</i>) gelijkt door zijn gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij is ongeveer zoo groot als onze Huiskat: +het lichaam is 45 à 55 cM., de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De romp is langwerpig, maar dikker +dan bij de Genetkatten; de pooten zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als naar boven ineengerold +worden. De ooren zijn middelmatig groot; de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote, buitengemeen beweeglijke +pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar grondkleur +wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere streepen en reeksen van vlekken geteekend. + +</p> +<p>De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van +Voor-Indië, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel +in de wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals +alle leden der familie maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren en de jongen in het nest op, voedt +zich ook wel met Hagedissen, Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de ananas-kweekerijen richt hij +soms groote schade aan; in de koffietuinen is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber van palmwijn. +Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den <span class="letterspaced">Maleischen Palmroller</span>, <span class="letterspaced">Musang</span> of <span class="letterspaced">Koffie-rat</span> (<i>Paradoxurus hermaphroditus</i>). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook +bij hem veel variatie. + +</p> +<p>Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft +<span class="smallcaps">Junghuhn</span> een verslag gegeven: “Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden, meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen, +als volwassenen en kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken en met gevulde korven zich naar de +lager gelegene drogerijen begeven, ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend door de koffietuinen +loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen gave koffieboonen +bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden reuk +staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt +hij dan ook het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige gedeelte van den vruchtwand, en werpt de +koffieboonen onverteerd weer uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie, waarschijnlijk omdat +het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele Wilde +Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels, en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn +dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij +kan laten rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel <a id="d0e2021"></a><span class="corr" title="Bron: vootziet">voorziet</span> en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten zich door hem opnemen en streelen.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een in China en op Formosa levende soort is de <span class="letterspaced">Larfroller</span> (<i>Paradoxurus larvatus</i>). In grootte stemt hij ongeveer overeen met zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop grootendeels +zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs, aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige +streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep +is boven de oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits en de voeten zijn zwart. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste plaats genoemd worden de <span class="letterspaced">Mangoesten</span> of <span class="letterspaced">Ichneumons</span>, die sedert overouden tijd beroemd zijn. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Mangoesten</span> (<i>Herpestes</i>) onderscheiden zich door de volgende kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en rolvormig, de kop +klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of langwerpig rond, +het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt, van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig, de staart +kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat uit 40 voor ’t meerendeel krachtige tanden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het is billijk, dat wij aan den <span class="letterspaced">Ichneumon</span>, de “<span class="letterspaced">Pharao-rat</span>”, het heilige dier der oude Egyptenaars (<i>Herpestes ichneumon</i>) den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger +genoot. Reeds <span class="smallcaps">Herodotus</span> verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. <span class="smallcaps">Strabo</span> bericht, dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen, +maar dan ook zelfs over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift +een zwak mensch aan, die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. <span class="smallcaps">Aelianus</span> daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk +te wentelen en de slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen, dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut, +terwijl het den snuit tegen beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede echter nog niet voldaan, +maar dicht aan den moedigen strijder voor het algemeen belang nog andere daden toe, die ons door <span class="smallcaps">Plinius</span> medegedeeld worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig op een zandbank liggen en spert dan den +vreeselijk getanden muil ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te naderen. Slechts aan een kleinen +Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten, van daar weg +te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid van het monster, behalve de bedoelde Vogel en—de Ichneumon. Deze nadert +stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek, bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van +het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant <a id="d0e2077"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2077">130</a>]</span>zich nu, met bloed bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het monster naar buiten. Ook spoort de overal +rondsluipende Ichneumon de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren verborgen heeft; het graaft en woelt +den grond op, totdat het de diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de waakzaamheid van de moeder, +het geheele nest leeg en wordt hierdoor tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet te betwijfelen, +dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben, en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven genoemde +schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen +over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten +van dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut +van den Ichneumon in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als afgedaan kunnen beschouwen, indien niet +vele menschen al te hardnekkig bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn. + +</p> +<p>De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat, want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45 +cM. langen staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter korter dan hij is. Slechts zelden vindt men +volwassene mannetjes, die in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals bij alle Civetkatten, maar op +lange na niet zoo sierlijk als bij de Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer familie zelfs zeer +krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door korte spanvliezen +vereenigd. De lange staart schijnt door de lange beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij onmerkbaar +in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine, +vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht +is zeer eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van roestgeelachtige kleur, die echter overal door de +6 à 7 cM. lange bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd en loopen in een vaalgele spits uit. +Hierdoor verkrijgt het geheele haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de verblijfplaatsen van het +dier. Aan den kop en op den rug wordt de kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en de staartkwast +zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor. + +</p> +<p>De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een groot deel van Voor-Azië (Palestina b.v.) verbreid, maar +komt ook in Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij +waarschijnlijk door den mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar eigenlijke woonplaatsen in +Egypte zijn de dicht begroeide oevers van de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier houdt het dier +zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle, maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar +niet zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente- of eerste zomermaanden 2 à 4 jongen ter wereld, die +zeer lang gezoogd en nog veel langer door beide ouders opgepast worden. + +</p> +<p>Den naam Ichneumon, die “opspoorder” beteekent, verdient dit dier in ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt +de “opspoorder” op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename reuk hem eigen is en waarmede hij de +listigheid, de behendigheid in ’t stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate vreesachtig, voorzichtig +en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in ’t open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de grootste voorzichtigheid +voort, toch strekt hij zijne zwerftochten vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met zijn list +overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en +de Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen +heeft hij zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken +en duiventillen op de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt voor de hoendernesten, die daar geheel +op de wijze van de Vogels, die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet hij zoo goed als in ’t geheel +niet; tenzij men hem de verdelging van Slangen zeer hoog wil aanrekenen. + +</p> +<p>Zijn gang is hoogst eigenaardig: ’t is, alsof het dier over den grond voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de +korte pooten door de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden +ziet men hem zelden alleen, maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan, het wijfje volgt, en na de +moeder komen de jongen. Ieder lid van de familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen schijn van +dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange +slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift +als een hijgend dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor vrees bestaat, gaan alle in optocht verder; +als hij een buit bemerkt, kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om naderbij te komen en plotseling +ziet men hem 1 of 2 sprongen maken, zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij zonder beweging te +maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met grappige bedachtzaamheid na. + +</p> +<p>Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door +den reuk laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren en Vogels zuigt hij in den regel alleen het +bloed uit, en vreet de hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan. + +</p> +<p>Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding. +De Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij schel, eentonig gefluit laat hooren. + +</p> +<p>De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een +dorp te gaan, en daar te berichten, dat men de <span class="letterspaced">Nims</span>—zoo heet dit dier bij de Arabieren—wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om den gehaten schurk en gauwdief +te helpen dooden. Men gaat op weg naar een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats <a id="d0e2096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2096">131</a>]</span>en laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers +geraas beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren +verdrijven hem met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij zich genoodzaakt tot een ander rietveld +zijn toevlucht te nemen. Met groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert en snuffelt van tijd tot +tijd, maar hoort de vervolgers al nader en nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek, waar hij zich +niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet +te verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel en op korten afstand schieten, als men hem dooden +wil; want wegens de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht schot, en ontsnapt stellig nog, indien +hij niet dadelijk gedood wordt. + +</p> +<p>Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun +meester herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust, verschuiven alles in het huis en worden door +het omwerpen van allerlei zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer verdienstelijk. Een huis, waarin +men een Ichneumon houdt, is in den kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want het Roofdier houdt zich +onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en toont door zijn +grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet te verdedigen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met +de bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen achten, indien nog niet eenige andere soorten waard +waren besproken te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en deze in Indië vervangt, is de <span class="letterspaced">Mungo</span>, de <span class="letterspaced">Mungoose</span> der Engelschen (<i>Herpestes mungo</i>). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon; zijn lichaamslengte bedraagt 40 à 50 cM., de lengte van den staart is iets +geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een +lichtgrijze kleur ontstaan. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1131.jpg" alt="Mungo (Herpestes mungo). ⅕ v. d. ware grootte." width="512" height="317"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Mungo</span> (<i>Herpestes mungo</i>). ⅕ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Vóór-Indië, oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot +Afghanistan en <a id="d0e2125"></a><span class="corr" title="Bron: Beloetschistan">Beloetsjistan</span>, bovendien ook Ceylon. + +</p> +<p>De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen +bedekte hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden +groote schade aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt, +naar ’t schijnt, ook van sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij loopt van rots tot rots, +van steen tot steen, van ’t eene hol naar ’t andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht iets eetbaars +ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt, +brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft + +</p> +<p>Beroemd en geëerd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan +hij zelfs de Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De inboorlingen beweren, dat hij, na door een +vergiftige Slang gebeten te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den naam “Mangus wail” bekend is, uitgraaft, +door het gebruik van dit geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den strijd met de Slang kan voortzetten. +Zelfs nauwgezette onderzoekers verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans, dat de gebeten en afgematte +Mungo van de strijdplaats wegloopt, om wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. <span class="smallcaps">Blanford</span> noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar +zijn, waarom andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende soorten van Slangenarenden enz., zonder een +dergelijk middel de Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het bewustzijn van de onwerkzaamheid +van het gif hem zou nopen bij zijn aanval zonder eenigen schroom te handelen, <a id="d0e2135"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2135">132</a>]</span>terwijl men integendeel, behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en behendigheid moet bewonderen, waardoor +hij de vooruitschietende bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list, die hij bij den aanval ten toon +spreidt. Bovendien maken zijne stijve haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid het voor de Slang +veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander dier, +hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren. + +</p> +<p>In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd; sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging +van de Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen, die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat +wordt. + +</p> +<p>Van alle Mangoesten is de Mungo—die aan het geheele geslacht den naam heeft verschaft—het meest geschikt om getemd te worden, +omdat hij een bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Sterndale</span> bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indië zijn vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje was. “<span class="letterspaced">Pips</span>” wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra +de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen +op een hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig, ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond +te lijf, en bracht in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel +zulke wonden toe, dat hij stierf. <span class="letterspaced">Pips</span> doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot +was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk +tot bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland, en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij +kon een groot aantal kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op den kop op een stoel zitten, soldaatje +spelen en exerceeren. <span class="letterspaced">Pips</span> stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te +gebruiken. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Behalve de Ichneumon verdient de <span class="letterspaced">Melon</span> of <span class="letterspaced">Meloncillo</span> (<i>Herpestes Widdringtonii</i>) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan de Spaansche +jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn staartharen +voor ’t maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om +deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het overige weg. + +</p> +<p>Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinciën Estremadura en Andalusië, geheel op de wijze van den +Ichneumon. Hij bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een borstelgras, begroeide vlakten, komt echter +volstrekt niet in het gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M., waarvan de staart ongeveer 50 cM. in +beslag neemt. De over ’t geheel korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt bijna geheel aan het +voorste deel van den hals en aan het onderlijf, welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter gesprenkeld. + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de <span class="letterspaced">Zebra-Mangoeste</span>, de <span class="letterspaced">Sakie</span> der inboorlingen (<i>Herpestes fasciatus</i>.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte +van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individuën van deze soort gezien. + +</p> +<p>Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessinië en tot aan de overzijde, +in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor. + +</p> +<p>De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren, +Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan, uit eieren en stellig ook uit vruchten. + +</p> +<p>In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen, zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden. +Zij heeft hier een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug te keeren. Haar grappig voorkomen maakt +haar tot ieders lieveling; naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan huis en hof dan aan de menschen, +hoewel zij niet zelden voor sommige personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot klimt, en zich door +hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt zij +open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche +richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij ’t spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen +op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde buiten haar bereik te houden. <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> vond een dikke glazen flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was, in gruis tegen een blikken kist +liggen, en <span class="smallcaps">E. Teusz</span> verhaalde hem, dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer reeds meermalen flink tegen kasten en muren +had geworpen, voordat men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de <span class="letterspaced">Krabben-Mangoeste</span> of <span class="letterspaced">Urva</span> (<i>Herpestes urva</i>), daar zij een overgang schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De gedaante en het gebit van de +Urva verschillen niet belangrijk van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar gestalte echter aan die +van den Veelvraat. De snuit is langwerpig en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben groote spanvliezen +en de aarsklieren zijn in ’t oog loopend sterk ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de Urva op +de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn +gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een +witte, bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige +dwarsbanden. In grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar geslacht overtroffen; volwassen mannetjes +worden 80 <a id="d0e2207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2207">133</a>]</span>à 90 cM. lang, waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Hodgson</span> ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich +vooral met Vorschen en Krabben voedt. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet +gelegen is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en de zolen gedeeltelijk behaard zijn. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Vos-Mangoeste</span> of het <span class="letterspaced">Honds-fret</span> (<i>Cynictis penicillata</i>) bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De +tamelijk gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs +doormengd en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de oogen en op de lippen. + +</p> +<p>Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich +met Muizen, Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig; er wordt echter <a id="d0e2230"></a><span class="corr" title="Bron: weing">weinig</span> of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Surikate</span> (<i>Suricata</i> of <i>Rhyzaena tetradactyla</i>), tot dusver de eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De +kop met den langen puntigen snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig dun behaarde staart en het +gebit onderscheiden de Surikate van de haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten onrechte door de +Duitschers “Scharrthier” (Graafdier) wordt genoemd, het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen; +vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate +vrij gemakkelijk diepe gangen graven. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1133.jpg" alt="Surikate (Suricata tetradactyla). ¼ v. d. ware grootte." width="512" height="352"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Surikate</span> (<i>Suricata tetradactyla</i>). ¼ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 à 60 +cM. lang, de helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur +met geelachtige weerschijn; 8 à 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel van den rug bij de grondkleur af. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der <span class="letterspaced">Marters</span> (<i>Mustelidae</i>). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en het maaksel +van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig groote +of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp, die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben. +In de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende +stof af, zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste stinkers van de geheele orde behooren tot +de Marters. Het lichaam is gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen zijn van dieren uit deze groep +afkomstig. + +</p> +<p>De Marters verschenen in ’t tertiaire tijdvak voor ’t eerst op ’t wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen +(met uitzondering van Australië), alle klimaten en hoogtegordels, de vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen +zijn wouden of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren, +andere bewonen het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in ’t zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten +en holen in den grond of gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester van holen in boomen of ook +wel van de nesten van den Eekhoorn en van vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van bijna alle schuilplaatsen +partij weten te trekken: van de door de natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de donkere hoeken +in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene, <a id="d0e2270"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2270">134</a>]</span>uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden, die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste +woonplaats; vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten +bewonen, vervallen in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam. + +</p> +<p>Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren. +Bij ’t gaan zetten zij de geheele zool op den grond, bij ’t zwemmen gebruiken zij hunne pooten en den staart, bij ’t klimmen +weten zij zich, ondanks hunne stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te houden. Onder de zinnen +van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan, maar ook +de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn +hunne geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig, +wantrouwend en behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige +houden van gezelligheid, andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij dag als bij nacht werkzaam; de +meeste echter moeten als nachtdieren beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle uitsluitend na zonsondergang +op roof uit. Hun voedsel bestaat bij voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren, Kruipende Dieren +en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen; andere +voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In ’t +oog loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden, indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer +dieren dan zij voor hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk bedwelmd door het bloed, dat zij hunne +slachtoffers uitzuigen. + +</p> +<p>De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet, van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang +gezoogd en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept +ze, zoodra ze zich niet veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat een zorgvuldige opvoeding +ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem te jagen en +te visschen. De nakomelingen van één soort leven zelfs sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch +voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt. + +</p> +<p>Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch een niet onbelangrijke schade; over ’t geheel genomen overtreft +echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen, in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het +dooden van schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten, en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij +inbreuk maken op ons eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel de schade, die hij lijdt, slechts +aan zijn nalatigheid te wijten heeft. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1134.jpg" alt="Edelmarter (Mustela martes). ¼ v. d. ware grootte." width="512" height="345"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Edelmarter</span> (<i>Mustela martes</i>). ¼ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de +opbrengst van den pelterijhandel. Volgens <span class="smallcaps">Lomer</span> komen ieder jaar omstreeks 3 millioen vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer dan 12 millioen gulden, +in de handen van Europeanen en op de markt; hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers zelf gebruikt +worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren, +waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel +een middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten zijn door de pelsjagers bekend geworden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">135</a>]</span>met het geslacht der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten, welker leden, evenals de Eigenlijke +Marters, teengangers zijn. Zij vormen de eerste onderfamilie, die de <span class="letterspaced">Marters</span> (<i>Martidae</i>). Een tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige <span class="letterspaced">zoolgangers</span> der familie—de <span class="letterspaced">Dassen</span> (<i>Melidae</i>). Een derde onderfamilie eindelijk omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam <span class="letterspaced">Zwemvoetigen</span> van de overige <a id="d0e2317"></a><span class="corr" title="Bron: Matterachtige">Marterachtige</span> dieren onderscheiden—de <span class="letterspaced">Otters</span> (<i>Lutridae</i>). +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den <span class="letterspaced">Edelmarter</span> en de overige leden van zijn geslacht (<i>Mustela</i>). Deze zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte, kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden +kop, een toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige, aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig +groote, levendige oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een middelmatig langen staart, aarsklieren +die een muscus- of bisamachtige vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Marter</span>, <span class="letterspaced">Edelmarter</span> of <span class="letterspaced">Boommarter</span> (<i>Mustela martes</i>) is een even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30 cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen +donkerbruin, aan den snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden van den romp en aan den buik geelachtig, +aan de pooten zwartbruin en aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt zich onder de ooren uit. Tusschen +de achterpooten bevindt zich een roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil gele streep tot aan +de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze “bef” is het meest bekende kenteeken +van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, +die aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen +snorharen; bovendien zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en aan de keel. In den winter is de +algemeene kleur donkerder dan in den zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere kleur van den rug +en de minder duidelijke “bef”. Bij de jonge dieren zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur. + +</p> +<p>Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude +Wereld. In Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland, Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in +Azië tot aan den Altaï, zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. “Ook ons land schijnt hij in zijn geheele uitgestrektheid +te bewonen,” zegt <span class="smallcaps">Schlegel</span>, “ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts +hoogst zeldzaam voorkomt.” Volgens <span class="smallcaps">Staring</span> komt hij in ons land tegenwoordig alleen in de bosschen van “de graafschap” Zutfen voor. Volgens <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals +te begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral +wat de kleur van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht +en zoo langharig als die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine +exemplaren voor; de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren +(p. 138). De Edelmarters van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die van de Pyreneeën zijn groot +en forsch, maar eveneens licht van kleur, die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker. + +</p> +<p>De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen, zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder +de bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander +Roofdier hem hierin overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels en Eekhoorntjes kiest hij het liefst +tot verblijfplaats; zelden neemt hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk gedurende den geheelen +dag; met den aanvang van den nacht echter, meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan jacht op alle +dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel +Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters +hebben waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Reeën aanvalt. Een even groote slachting als onder de Zoogdieren richt +de Boom-Marter trouwens ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten hebben in hem een vreeselijken +vijand. Zacht, zonder gedruisch te maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich op boomen of op den +vlakken grond bevinden; nog voordat de anders zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft vermoed, +zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend +aan het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit, rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich +aan sappige vruchten—zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel +in ’t bosch schaarscher begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft hij zich naar de menschelijke +woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier, met uitzondering +van de andere soorten van zijn geslacht. + +</p> +<p>Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd +leger in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met +opofferende liefde voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit vrees van haar kroost te zullen verliezen. +Reeds na weinige weken volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de boomen; zij springen vlug en haastig +op de takken rond, worden door de voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen en bij het minste gevaar +gewaarschuwd en tot een snelle vlucht aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk opvoeden en lang in +’t leven houden, als men ze aanvankelijk met melk en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt. + +</p> +<p>“Den 29en Januari,” verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>, “kreeg ik een <a id="d0e2370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2370">136</a>]</span>jongen Edelmarter, welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk hij lauwe melk; ook at hij reeds in +melk geweekt wittebrood, weinige uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen waarnemen, hoe de smaak +zich ontwikkelt in overeenstemming met de omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge Edelmarter van +zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde. + +</p> +<p>“Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in ’t geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem +een levende Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den vierden dag liet ik hem honger lijden +en bood hem daarna een Kikvorsch, een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren, en wilde ook een jonge +Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij ’s nachts uit zijn hok, beet een in ’t nest zittenden Torenvalk dood en at den kop, +den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels +liever had dan iets anders. + +</p> +<p>“Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist +honger, toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd +had, dat het dier niet gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af; hij vrat dien op en droeg daarna +het dier in zijn nest, waar het hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit, beet nog een stuk van +het overgebleven staartstompje af; eerst na 2 uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te verscheuren. +Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm +niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter +verschrikt terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem +een versch gedoode, groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde zich, dat zij dood was, nam haar +op, droeg haar nu eens hier, dan weer daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem daarna een Hagedis, +die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open +en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger, +en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op. + +</p> +<p>“Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de +genoemde ervaringen is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze ’s winters, wanneer hij ze toevallig in weerloozen toestand +ontmoet, om ’t leven brengt en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls bitteren honger lijden, daar +hij zeer vraatzuchtig is. + +</p> +<p>“Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten, +als zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo. +Wel pakken zij de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter, zonder dat zij juist die bloedvaten treffen; +daarom zijn zij ook niet in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met het opslikken van het toevallig +uitvloeiende bloed. Daarna eten zij het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij dieren, die iets grooter +zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz., wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en meegeeft, +doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later. + +</p> +<p>“Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen, als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam +met hem te spelen, omdat hij bij ’t grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs wanneer hij het niet kwaad meende, alles +met de tanden stevig aan te pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen heen in ’t vleesch gebeten; +hij deed dit trouwens zonder eenige vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt niet uit zijne houding +en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan alleen +begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren, +dat eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig.” + + +</p> +<p>De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd, niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn +kostbaar vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden, als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet +alleen op den grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens +in ’t bosch liggen, gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk hem daar te schieten; als men hem gemist +heeft, kan men dikwijls nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager voortdurend blijft aanstaren. + + +</p> +<p>Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon +is woedend tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk +laat hij zich vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd en zeer verborgen geplaatst wordt; men +vangt hem echter ook in den zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een stukje brood, dat men +met een schijfje ui in ongezouten boter en honig gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit velerlei +sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid. + +</p> +<p>Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat +kwaliteit betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van een gedurende den winter gevangen Marter wordt +ƒ 10 à ƒ 12 betaald. De schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die van Schotland; de overige worden +geleverd door Italië, Zweden, Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland, Turkije en Hongarije. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Steen-</span> of <span class="letterspaced">Huismarter</span> (<i>Mustela foina</i>) verschilt van den Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding kortere pooten, den kop die, ondanks het +kortere aangezicht langer is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en de witte keel. De totale lengte +van het volwassen <a id="d0e2401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2401">137</a>]</span>mannetje bedraagt 70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De grijsbruine kleur van de vacht (met +wit wolhaar) wordt op de pooten en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de keelvlek die altijd kleiner +is dan bij den Edelmarter, bestaat uit zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige haren; de randen +van de ooren zijn met korte witachtige haren bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten, waar de Edelmarter +gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Italië (met uitzondering van Sardinië), Engeland, Zweden, het gematigde deel van Europeesch +Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus) en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland +van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van +niet minder dan 1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven den dennengordel, in den winter keert hij +gewoonlijk naar lagere streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig zeldzaam. Toch is hij in verscheidene +provinciën, Noord-Brabant, Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen waargenomen. In Noord-Brabant +wordt hij <span class="letterspaced">Fluwijn</span> genoemd. In de andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij +nadert de woningen der menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich bij voorkeur in dorpen en steden +ophoudt. Eenzaam gelegene schuren, stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote <a id="d0e2406"></a><span class="corr" title="Bron: houtmijtnn">houtmijten</span> in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken vijand van het tamme gevogelte bewoond. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1137.jpg" alt="Steenmarter of Fluwijn (Mustela foina). ⅙ v. d. ware grootte." width="512" height="313"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steenmarter</span> of <span class="letterspaced">Fluwijn</span> (<i>Mustela foina</i>). ⅙ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een +meester in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig, even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; +hij klimt zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken, zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en +kan door zeer nauwe openingen heendringen. + +</p> +<p>Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter; toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel +meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij +in de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, +Konijnen, allerlei Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren en Amphibiën. Eieren schijnen voor +hem een lekkernij te zijn; ook zijn allerlei soorten van vruchten—kersen, pruimen, peren, kruisbessen, lijsterbessen, hennep +en dergelijke—naar zijn smaak. + +</p> +<p>Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van +dit dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet +men echter voor hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn, dat hij door iedere opening, voor zoover +deze half zoo groot is als een rattengat, binnen dringen kan. + +</p> +<p>Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn, laten zich tot op zekere hoogte temmen.—In Schotland heeft +men eens op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd: Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich +in een dorp van het gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het hoenderengeslacht gepleegd. Met +behulp van goede Honden verdreef men hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in ’t open veld. Tevergeefs +wendde hij al zijn list en behendigheid aan, om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de hielen, +en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel +30 M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers +waren vast overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen daalde een van de lieden in den afgrond af +en lichtte den verongelukten Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde den persoon, die hem ving, +ook dadelijk door een flinken beet ten duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de gewonde man zijn +prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam hij +haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk +tam, misschien ten gevolge van <a id="d0e2430"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2430">138</a>]</span>den zwaren val of uit dankbaarheid voor de hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te gebruiken, +en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband +weten te sluiten,—met een van de Paarden <a id="d0e2432"></a><span class="corr" title="Bron: n.l..">n.l.</span> Zoo vaak men in den stal kwam, vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren zin trachtte te verdedigen. +Soms zat hij op den rug, soms op den hals van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met diens staart +of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig +werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes +in een val en werd den volgenden morgen dood gevonden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd vermaarde <span class="letterspaced">Sabeldier</span> (<i>Mustela zibellina</i>). Van den Edelmarter onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren, de hooge, krachtige pooten, de groote +voeten en het glanzige, zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger +van kleur is; vooral echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar ’t blauwachtig grijze zweemende, roodbruine +kleur van het wolhaar op den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des te geringer, hoe gelijkmatiger +van kleur en hoe donkerder het is, des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen zijn aan de bovendeelen +zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig kastanjebruin, +aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe +meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in ’t oog viel, des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood. + +</p> +<p>Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke +grensgebergten van Siberië tot op omstreeks 68° N.B.; bovendien omvatte het een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand +is het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen +naar de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azië; daar de mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor +zijn eigen leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden +tijd voor de handelaars in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de vangst van Sabeldieren opgericht; +sedert dien tijd echter is hun aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azië afgenomen. De vervolgingen +waaraan deze Marter van de zijde der jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij onderneemt echter +ook groote zwerftochten; volgens de meening van de inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn lievelingswild, +te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling over +breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker +reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt. + + +</p> +<p>In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor ’t +klimmen ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.; +het versmaadt echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt, +dat het zeer veel houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-“noten” acht het een zeer gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren, +die <span class="smallcaps">Radde</span> onderzocht, was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen en vangen van het Sabeldier alle weerbare +mannen van geheele stammen in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen ondernemen. Evenals in de vorige +eeuw (toen de Duitsche onderzoeker <span class="smallcaps">Steller</span> en later de Russische reiziger <span class="smallcaps">Schtschukin</span> Siberië doorreisden) komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen tusschen den Lena en de verder +oostwaarts gelegen zee; ook thans nog vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron van inkomsten van +de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van December. +De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de +Honden moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht +heeft in hoofdzaak nog steeds plaats op de door <span class="smallcaps">Steller</span> beschreven wijze<a id="d0e2461"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Vallen en strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt; ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van +het Sabeldier, omgeeft zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen of met het geweer. Het meest in +trek zijn die soorten van vallen, waarin het vel van het dier in ’t geheel niet beschadigd wordt. De jager en zijne gezellen +hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien; dikwijls +blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat +de jager door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten +moet om zijn leven te redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze in de val geraakt zijn, te kunnen +toekomen. Vaak is de jacht op het Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls blijkt het bij het einde +van den jachttijd, dat de gewonnen buit ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl de moeiten aan +het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden. + +</p> +<p>Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van +den aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere +getemde Sabeldieren speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om zoo beter te kunnen vechten, sprongen +opgeruimd in hun hok rond, en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten, hun toorn door grommen en +knorren te kennen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p><span class="letterspaced">Stinkmarters</span> (<i>Putorius</i> of <i>Foetorius</i>) heeten de leden van een ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap van den Bunzing, die bovenstaanden +naam zeer zeker verdient, wat van de andere soorten der groep geenszins gezegd kan <a id="d0e2478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2478">139</a>]</span>worden. De hiertoe behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk in breedte afnemenden kop, een toegespitsten +snuit, kort afgeronde, driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met lange teenen, en een ronden, vrij +lang behaarden staart, welks lengte geringer is dan de halve lichaamslengte. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bunzing</span> of <span class="letterspaced">Bonzing</span> (<i>Putorius foetidus</i>), in Holland ook wel <span class="letterspaced">Eierendief</span>, in Overijsel, Drente en Gelderland <span class="letterspaced">Ulk</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Meert</span> of <span class="letterspaced">Meerten</span>, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg <span class="letterspaced">Vis</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Mud</span> genoemd, heeft een lichaamslengte van 40 à 42 cM., zonder den 16 à 17 cM., langen staart. De vacht is aan de onderzijde effen +zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar) lichter, +gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en +de spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus, zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich +een niet zeer scherp begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de ooren beginnende streep samenvloeit. +Verscheidene afwijkingen—waarvan er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn—komen voor, o. a. albino’s en effen geel +gekleurde Bunzingen. Het wijfje onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle lichaamsdeelen, die bij +het mannetje geelachtig zijn. De vacht is wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter. + +</p> +<p>In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens den Bunzing een van zijne verwanten op: de <span class="letterspaced">Tijger-bunzing</span> (<i>Putorius sarmaticus</i>), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig, in sommige gedeelten van West-Azië zeer zeldzaam, in het zuiden +van Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen is. In levenswijze komen beide soorten geheel met +elkander overeen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1139.jpg" alt="Bunzing (Putorius foetidus). ⅓ v. d. ware grootte." width="512" height="346"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bunzing</span> (<i>Putorius foetidus</i>). ⅓ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel +uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije +en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, +is hem welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte, het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt +hij zich echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle +boomen, rotsspleeten, oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig ontmoet; ingeval van nood graaft hij +zelf een hol. Op het bouwland verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich op in de nabijheid van rotsen, +tusschen paalwerk, onder bruggen, in bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen: kortom hij neemt +iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is, laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij dit +zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op +zolders en zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van de Huiskat of van den Huismarter, evenals +deze legt ook hij van tijd tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken en andere woonplaatsen +van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten wel +geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid +van hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk +aantal Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt +dan een warme ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken, waar men hem even gaarne ziet, als men +hem op andere plaatsen haat. + +</p> +<p>Wij zijn het volkomen eens met <span class="smallcaps">Lenz</span>, waar hij iederen boschbeambte aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op zijn plaats; hier +doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland +bovendien zeer verdienstelijk <a id="d0e2536"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2536">140</a>]</span>maakt door het dooden van Hamsters. De genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen, waaruit bleek, +dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen, Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de Adders +niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden. + +</p> +<p>De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle +Mollen, Veld- en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen +zijn, naar het schijnt, een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote menigte en verzamelt ze bij dozijnen +in zijn woning. In geval van nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter ook op de vischvangst; bij beken, +meren en vijvers beloert hij de Visschen, springt hen plotseling in ’t water na, duikt en grijpt ze zeer behendig; naar men +zegt, haalt hij ze ’s winters zelfs van onder het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn bloedgierigheid +is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in het door +hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn +bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; +niet zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen, Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door +zijn behendigheid valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien. + +</p> +<p>Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen +en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik +van allerlei middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig, behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, +zeer scherpzinnig en, als hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om te bijten, dus volkomen geschikt +tot het verrichten van rooverijen op groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval van nood door +het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk +taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig +allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen. + +</p> +<p>Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, +4 à 5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen, verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt +ze tegen iederen vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen +te zijn, op menschen af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met de ouden op roof uit; na afloop +van de derde maand zijn zij bijna even groot geworden als deze. + +</p> +<p>Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van +hen, omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen +gedragen de in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen kunnen zij zelfs gevaarlijk worden. + +</p> +<p>“Te Verna, een dorp in Keur-Hessen,” verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>, “had een zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den weg neergezet, om het met minder moeite te +kunnen oppassen. Plotseling kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De eene beet zich in den nek vast, +de andere aan de zijde van het hoofd en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de knaap wilde het +te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen twee +mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen.” + +</p> +<p>Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen +doen hierbij dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten +gaan, en de moeite die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het herstellen en beter sluiten van de +hoenderhokken.—“Sommige lieden,” schrijft <span class="smallcaps">Rombouts</span>, “maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok gewapend +en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen +een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt +nog al voordeelen af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald.” + +</p> +<p>Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken +reuk veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van de lange staartharen maakt men penseelen; het +vleesch is volkomen onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte zaak, dat het <span class="letterspaced">Fret</span> (<i>Putorius furo</i>) een door gevangenschap en temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het Fret is reeds sinds overouden +tijd bekend, hoewel alleen in getemden toestand. <span class="smallcaps">Aristoteles</span> vermeldt het onder den naam <span class="letterspaced">Iktis</span>, <span class="smallcaps">Plinius</span> noemt het <span class="letterspaced">Viverra</span>. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer <span class="smallcaps">Augustus</span> om hulp smeekten. Hij zond eenige “Viverrae” over, die zich zeer verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen +gelaten en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner vijanden. + +</p> +<p>Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele +dieren het geval, die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den gevangen staat leven. De lichaamslengte +bedraagt 45 cM., zonder den 13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing voorkomt, die ook door den +bouw van het geraamte niet noemenswaard van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen als “Kakkerlak” +of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige exemplaren +hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen +doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen +dat het Fret een afzonderlijke soort is, <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">141</a>]</span>geen steek houden. Deze meening was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid, op de zachtaardigheid en +grootere geschiktheid om getemd te worden van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van den Bunzing. +Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige +wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken, dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar +over Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor deze meening bewijzen aan te voeren.—Het Fret komt +dus alleen in gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht; de Engelschen gebruiken het echter ook voor +de Rattenjacht, en achten de Fretten, die “Rattendooders” genoemd worden, veel hooger dan die, welke alleen voor de Konijnenjacht +kunnen dienen. Deze dieren worden in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi en stroo geven en ’s +winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid echter +veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren geeft. Volgens de ervaringen van <span class="smallcaps">Lenz</span> kan men ze met Kikvorschen, Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in ’t leven houden; want zij houden veel van allerlei Kruipende +Dieren en Amphibiën. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1141.jpg" alt="Fret (Putorius furo). ½ van de ware grootte." width="512" height="347"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Fret</span> (<i>Putorius furo</i>). ½ van de ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil, dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid +en rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in ’t wild levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd +is, valt het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze in den nek en laat ze niet eerder los, voordat +alle beweging van de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen +zijn, naar het schijnt, een lekkernij. Amphibiën nadert deze roover met grootere voorzichtigheid dan andere dieren, en van +de gevaarlijkheid van de Adder schijnt hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij, volgens <span class="smallcaps">Lenz</span>, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen, +bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit +valsch gedierte in ’t middelste gedeelte van ’t lichaam te bijten. Het Fret wordt door den beet van de Adder niet gedood, +maar wel ziek en lusteloos. + +</p> +<p>Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond +op den voet volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander +gebruik van hun vrijheid; zij begeven zich naar ’t bosch, vestigen zich in een Konijnenhol, dat hun gedurende den zomer als +leger en toevluchtsoord dient, en zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij niet weder gevangen +worden, sterven zij echter geregeld gedurende den winter, omdat zij veel te gevoelig zijn om aan de winterkoude weerstand +te kunnen bieden. + +</p> +<p>De stem van het Fret is een dof geknor, als het pijn lijdt een schel gekrijsch. Het laatstgenoemd geluid hoort men zelden; +gewoonlijk ligt het Fret volkomen stil ineengerold op zijn leger, en alleen als het zijn roofgierigheid bevredigen kan, wordt +het wakker en levendig. + +</p> +<p>Het wijfje werpt in het begin van Mei 5 à 8 jongen die 2 à 3 weken blind blijven. Zij worden door de moeder zeer zorgvuldig +verpleegd en na verloop van omstreeks 2 maanden gespeend; dan zijn zij geschikt om ieder afzonderlijk opgevoed te worden. + + +</p> +<p>Ofschoon het Fret bij de Konijnenjacht uitstekende diensten bewijst, is toch het voordeel, dat het aanbrengt, gering, in verhouding +tot de kosten die het veroorzaakt. + +</p> +<p>Des morgens begeeft men zich op de jacht. De Fretten worden in een zacht bekleeden korf of kist, soms ook in de weitasch meegedragen. +Bij het konijnenhol gekomen, zoekt men alle daarbij behoorende gangen op, legt voor ieder een zakvormig net van ongeveer 1 +M. lengte, dat om een grooten ring gevlochten en aan dezen vastgemaakt is; men laat nu het Fret in den hoofdgang gaan, die +vervolgens eveneens gesloten wordt. Zoodra de Konijntjes den in hunne woning gedrongen vijand bemerken, gaan zij verschrikt +op de vlucht, komen in het net en worden hier gedood. Het Fret zelf wordt door een kleinen muilkorf of door het afvijlen van +de tanden verhinderd, een Konijn in het <a id="d0e2615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2615">142</a>]</span>hol te dooden en krijgt een schel klinkend klokje aan den halsband, om te maken, dat men steeds weten zal, waar het zich bevindt. +Zoodra het Fret weder aan den ingang van het hol verschijnt, wordt het onmiddellijk opgenomen; want als het in het hol terugkeert, +gaat het daar slapen, en laat dan dikwijls uren lang op zich wachten. Van zeer veel belang is het, dit dier aan fluiten of +roepen te gewennen. Als het niet buiten wil komen, tracht men het hiertoe te bewegen door allerlei lokmiddelen. O. a. bindt +men aan een dunne lat een Konijn en steekt dit in het hol. Aan zulk een uitnoodiging tot bevrediging van de bloedgierigheid, +welke het Fret beheerscht, kan dit dier geen weerstand bieden; het slaat zijne tanden in het Konijn en laat zich met zijn +prooi uit den gang trekken. + +</p> +<p>In Engeland gebruikt men het Fret minder voor de jacht op Konijnen, dan wel voor die op Ratten en nog liever eenvoudig voor +den strijd met deze bijtlustige Knaagdieren. Een Fret, dat alleen voor de Konijnenjacht werd afgericht, is, naar men zegt, +volkomen onbruikbaar voor de Rattenjacht, omdat het voor elke groote Rat bang is. De Rattenjager moet dus opzettelijk voor +zijn bedrijf opgevoed worden. In den beginne laat men hem alleen met jonge en zwakke Ratten vechten; zoo gewent hij langzamerhand +aan den strijd en aan de zege. Dan wordt de aangeboren bloeddorst in hem wakker; de moed van den kleinen roover neemt toe, +en ten slotte krijgt hij zulk een bekwaamheid in den strijd met het bruine of zwarte wild, dat hij als ’t ware wonderen verricht. +Een volkomen goed gedresseerde Fret kan in één uur tijds 50 Ratten dooden, die zich in een ruimte van 2 bij 3 M. bevinden. + + +</p> +<p>Soms ontmoet het Fret bij de Konijnenjacht onder den grond een dier, dat een verlaten Konijnenhol als toevluchtsoord gebruikt, +b.v. een Bunzing; in dit geval ontstaat tusschen deze beide wezens een strijd op leven en dood, die geenszins de goedkeuring +wegdraagt van den eigenaar van het getemde lid der Marter-familie, omdat deze alle reden heeft om gevaar te duchten voor het +leven van zijn jachtgezel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De Wezel en hare naaste verwanten zijn nog veel slanker en gerekter dan de overige Marters. Alle hiertoe behoorende soorten +houden zich het liefst op in velden, tuinen, holen in den grond, spleten in ’t gesteente, onder steenen en houtmijten; zij +jagen bijna evenveel over dag als ’s nachts. Hoewel zij de kleinste leden van de Roofdieren-orde zijn, onderscheiden zij zich +zoozeer door moed en roofgierigheid, dat zij als echte toonbeelden van de Marter-familie beschouwd kunnen worden. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1142.jpg" alt="Wezel (Putorius vulgaris) in haar zomerkleed. ⅓ v. d. ware grootte." width="512" height="319"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wezel</span> (<i>Putorius vulgaris</i>) in haar zomerkleed. ⅓ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Wezel</span> (<i>Putorius vulgaris</i>), in Friesland ook wel <span class="letterspaced">Wezeling</span> genoemd, bereikt een lichaamslengte van 20 cM., waarbij 4½ cM. op het korte staartje komen. Het buitengewoon gerekte lichaam +ziet er, wegens het geringe verschil tusschen hals en kop, nog slanker uit dan het werkelijk is. Van den kop tot aan den staart +bijna overal even dik, is het lichaam slechts bij volwassenen in de liesstreek een weinig versmald; aan den snuit is het eenigszins +toegespitst. De romp rust op zeer korte en dunne pooten met zeer fijnen voet; de zool is tusschen de teenballen behaard; de +teenen zijn met dunne, spitse en scherpe klauwen gewapend. De betrekkelijk korte staart wordt van den wortel tot de spits +allengs dunner. De neus is stomp en door een overlangsche groeve eenigszins verdeeld. De breede en afgeronde ooren staan zijdelings +en ver naar achteren; de scheef geplaatste oogen zijn klein, maar zeer vurig. Een middelmatig lange, gladde beharing bedekt +het geheele lichaam en is alleen in de nabijheid van de spits van den snuit een weinig overvloediger. Bovendien, komen vóór +en boven de oogen lange snorren en onder de oogen enkele borstelharen voor. De kleur van de vacht is roodachtig bruin; de +rand van de bovenlip en de geheele onderzijde van ’t lichaam alsmede de binnenzijde van de pooten zijn wit. Achter elken mondhoek +staat een kleine, rondachtige, bruine vlek; soms bevinden zich ook enkele bruine vlekken op den lichtgekleurden buik. In gematigde +en zuidelijke gewesten blijft de kleur ’s zomers en ’s winters in hoofdzaak dezelfde; verder noordwaarts echter verkrijgt +de Wezel, evenals de Hermelijn, een winterkleed: wit met bruine vlekken of zuiver wit, echter zonder de fraaie, zwarte staartspits, +die den Hermelijn zoozeer onderscheidt. + +</p> +<p>De Wezel komt in geheel Europa vrij veelvuldig voor, hoewel misschien niet in zoo groot aantal als in Noord-Azië; zij bewoont +zoowel de vlakke als de bergachtige streken, boomlooze vlakten zoowel als bosschen, <a id="d0e2648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2648">143</a>]</span>bevolkte plaatsen in niet minder grooten getale dan eenzame. Hoe talrijk zij in ons land voorkomt, kan blijken uit het door +<span class="smallcaps">Van Bemmelen</span> medegedeelde feit, dat tijdens het betalen van premiën voor elk in ons land gedood Roofdier (tot in het jaar 1857 in gebruik) +5000 à 6000 Wezels ieder jaar werden aangegeven. Overal vindt zij een voor haar geschikte verblijfplaats, want zij weet van +de omstandigheden partij te trekken, en ontdekt overal een schuilhoek, die haar voldoende beveiligt tegen groote vijanden. +Zoo woont zij nu eens in holle boomen, in steenhoopen, in bouwvallen, dan weer onder holle oevers, in mollegangen, hamster- +en rattenholen, in den winter in wagenhuizen en schuren, kelders en stallen, op vlieringen enz., dikwijls ook in steden. Waar +zij met vrede wordt gelaten, zwerft zij ook over dag rond; waar zij zich vervolgd ziet, jaagt zij alleen des nachts, of neemt +over dag de uiterste voorzichtigheid in acht. + +</p> +<p>Als men oplettend en zonder gedruisch te maken, plaatsen voorbij gaat, waar zij zich verscholen heeft, kan men licht het genoegen +smaken, haar te beluisteren. Men hoort een onbeduidend geritsel in de afgevallen bladen en ziet een bruin diertje zich voortreppen, +dat, zoodra het den mensch bemerkt, argwaan toont en op de achterpooten gaat staan, om beter te kunnen rondkijken. Gewoonlijk +denkt het dwergje er niet aan, de vlucht te nemen; het kijkt integendeel moedig en vermetel de wereld in, en neemt een echt +uitdagende houding aan. Als men het tot op korten afstand nadert, is het ook wel driest genoeg, zelf nader bij den rustverstoorder +te komen en dezen met een onbeschrijfelijke onbeschaamdheid aan te kijken, alsof het wilde onderzoeken, wat deze ongenoode +gast hier eigenlijk te maken heeft. + +</p> +<p>Meer dan eens is het gebeurd, dat dit stoutmoedige dier zelfs den mensch aangevallen en eerst na langen strijd losgelaten +heeft. Ook heeft het zich wel eens met de tanden vastgehecht aan een poot van een voorbijgaand Paard, zoodat het eerst door +de vereende inspanning van paard en ruiter afgeschud kon worden. De moed gaat hier met een onvergelijkelijke tegenwoordigheid +van geest gepaard, waardoor de Wezel bijna altijd nog een uitweg vindt. Zelfs als zij door de klauwen van een Roofvogel gegrepen +is, acht zij zich nog niet verloren. Zoo heeft men eens een Wouw op het veld zien neerschieten om een klein Zoogdier op te +nemen, waarmede hij zich in de lucht verhief. Op eens begon de Vogel te slingeren; zijn beweging werd onvast; weldra stortte +hij dood ter aarde. De hierover verbaasde toeschouwer zag, toen hij nader kwam, een Wezel zich vlug voortreppen. Zij had haar +vreeselijken vijand behendig den hals stukgebeten en zoo haar eigen leven gered. + +</p> +<p>In de hoogste mate moedig en vermetel, is de Wezel een werkelijk weergalooze roover, die aan alle kleine Zoogdieren den oorlog +heeft verklaard, en onder hen dikwijls een ontzettende slachting aanricht. Van de Zoogdieren vallen haar ten buit: Huis-, +Bosch- en Veldmuizen, Water- en Huisratten, Mollen, jonge Hamsters, Hazen en Konijnen. Uit de klasse der Vogels rooft zij: +jonge Hoenderen en Duiven, Leeuweriken en andere op den grond levende Vogels, en zelfs zulke, die op boomen slapen; zij plundert +ook hunne nesten, voorzoover zij deze bereiken kan. Onder de Kruipende Dieren maakt zij jacht op Hagedissen, Hazelwormen en +Ringslangen en durft zelfs de gevaarlijke Adder aan te vallen, hoewel zij na eenige malen gebeten te zijn, bezwijkt. Bovendien +eet zij ook kikvorschen en Visschen, kortom zij gebruikt iedere soort van vleesch, zelfs dat van dieren van haar eigen soort. +Insecten van allerlei orden beschouwt zij als een lekkernij; als zij Kreeften kan machtig worden, weet zij hun harde schaal +behendig stuk te maken. Haar geringe grootte en ongeloofelijke vlugheid komen haar op de jacht goed te stade. Men kan gerust +zeggen, dat geen enkel klein dier veilig voor haar is. Men heeft zelfs waargenomen, dat zij in vereeniging met hare soortgenooten +jaagt, wat geen verwondering kan wekken, als men bedenkt, dat zij gezellig leeft, en op sommige plaatsen in grooten getale +gevonden wordt: zoo zag <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> een troep van zeven volwassen Wezels, waarschijnlijk tot één familie behoorend, over dag een met struiken begroeid terrein +doorzoeken; zij deden dit op de gewone wijze, zonder zich veel te bekommeren om de haar volgende toeschouwers. De Wezel pakt +kleine dieren in den nek of bij den kop; groote tracht zij aan den hals te grijpen. Eieren zuigt zij uit, zonder dat er een +druppel van den inhoud verloren gaat; behendig worden hiervoor aan het eene einde één of verscheidene gaten gemaakt. Groote +eieren klemt zij, naar men zegt, als zij ze vervoeren moet, tusschen de kin en de borst, kleinere draagt zij in den bek weg. +Bij grootere dieren stelt zij zich tevreden met het bloed, dat zij oplekt, zonder het vleesch aan te raken, kleinere dieren +verslindt zij geheel: die, welke zij eens gepakt heeft, laat zij niet weder los. In de onmiddellijke nabijheid van bewoonde +gebouwen jaagt zij bijna zonder eenigen schroom. + +</p> +<p>In Mei of Juni, na een draagtijd van vijf weken, krijgt het wijfje 3 à 8 jongen, die zij meestal in een hollen boom of in +een van hare onderaardsche schuilplaatsen ter wereld brengt, altijd echter op een verborgen plaats, in een nest, dat van stroo, +hooi, droge bladen en dergelijke materialen vervaardigd is, neerlegt. Zij koestert zeer veel genegenheid voor hare jongen, +zoogt ze gedurende langen tijd en voedert ze daarna nog verscheidene maanden achtereen met Huis-, Bosch- en Veldmuizen, die +zij hun in levenden toestand brengt. Als de jongen verontrust worden, draagt de moeder hen met den bek naar een andere plaats. +In tijd van gevaar verdedigt zij haar kroost met grenzenloozen moed. Zoodra deze alleraardigste diertjes volwassen zijn, spelen +zij over dag dikwijls met hun moeder; een even merkwaardig als aantrekkelijk familieleven aanschouwt men, als allen in het +felste zonnelicht zich vermaken op een weide, waarin vele onderaardsche gangen, vooral mollegaten, voorkomen. + +</p> +<p>Jonge Wezels, die de moeder nog niet verlaten hebben, zijn het best geschikt om getemd te worden. De meening, dat deze dieren +ontembaar zouden zijn, is sedert <span class="smallcaps">Buffon</span> van den eenen natuuronderzoeker op den anderen overgegaan; voor de volwassene is zij niet geheel ongegrond. Wezels, die sinds +haar kinderlijken leeftijd met den mensch verkeeren, worden echter buitengewoon tam en zijn dan allerliefst. Hierover komt +in <span class="smallcaps">Wood’s</span> “<i>Natural History</i>” een door vrouwenhand geschreven verhaal voor, waarvan ik een uittreksel zal geven. + +</p> +<p>“Als ik een weinig melk in mijn hand giet,” zegt de bedoelde dame, “drinkt mijn tamme Wezel daarvan een behoorlijke, hoeveelheid; +zij zal echter niet licht een druppel van deze haar zoo goed smakende vloeistof nemen, als ik haar niet de eer aandoe, mijn +hand als drinkbeker te mogen gebruiken. Zoodra zij verzadigd is, gaat zij slapen. Mijne kamer is haar gewone verblijfplaats, +daar ik een middel heb gevonden om den onaangenamen reuk van dit diertje door welriekende stoffen volkomen weg te nemen. Over +dag is haar slaapplaats een voetkussen, waarin zij heeft weten door <a id="d0e2677"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2677">144</a>]</span>te dringen; gedurende den nacht dient hiervoor een blikken doos in een kooi; zij houdt echter volstrekt niet van deze gevangenis +en verlaat haar met genoegen. Als zij haar vrijheid herkrijgt, voordat ik wakker word, komt zij in mijn bed en kruipt na tal +van kapriolen onder de dekens om in mijn hand of aan mijn boezem te rusten. Als ik bij haar komst al wakker ben, houdt zij +zich wel een half uur met mij bezig en liefkoost mij op allerlei wijzen. Zij speelt met mijne vingers als een hondje, springt +mij op het hoofd of in den nek, of klimt bij mijn arm of bij mijn lichaam op met zulke vlugge en sierlijke bewegingen, als +ik bij geen ander dier heb waargenomen. Als ik haar op een afstand van 1 M. mijn hand voorhoud, springt zij er in, zonder +ooit te vallen. Om in het een of ander geval haar zin te krijgen, handelt zij met veel overleg en list; dikwijls schijnt het, +alsof zij uit lust tot ongehoorzaamheid een verbod niet telt. + +</p> +<p>“Het diertje herkent mijn stem uit twintig andere, weet mij spoedig te vinden en springt over iedereen heen, om bij mij te +komen. + +</p> +<p>“Een bijzondere eigenschap van mijn bevallige beschermeling is haar nieuwsgierigheid. Het is letterlijk onmogelijk een kist, +een kastje of een doos te openen, ja zelfs eenvoudig naar een papier te kijken, zonder dat ook mijn Wezel het voorwerp beschouwt. +Als ik haar ergens heen wil lokken, heb ik niets anders te doen, dan een stuk papier of een boek te nemen en er aandachtig +naar te zien; dadelijk komt zij bij mij, loopt over mijn hand heen, en bekijkt het voorwerp dat ik bezie, met de grootste +opmerkzaamheid. Ten slotte moet ik er nog op wijzen, dat het dier graag speelt met een jonge Kat en een Hond, die beide reeds +tamelijk groot zijn.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1144.jpg" alt="Hermelijn (Putorius erminea) in zijn winterkleed. ⅓ v. d. ware grootte." width="512" height="334"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hermelijn</span> (<i>Putorius erminea</i>) in zijn winterkleed. ⅓ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Bij goede behandeling kan een Wezel 4 à 6 jaren in gevangenschap leven; waarschijnlijk kan het in den natuurstaat een leeftijd +van 8 à 10 jaar bereiken. Ongelukkig worden deze kleine, nuttige diertjes door onwetende menschen veel vervolgd en uit pure +baldadigheid gedood. In vallen met een lokaas van eieren, vogeltjes of Muizen kan men de Wezel gemakkelijk vangen. Dikwijls +vangt men haar in rattenvallen, waarin zij bij toeval geraakt. In plaats van dit voortreffelijk dier te vervolgen, zou men +het wegens het groote nut dat het sticht, zorgvuldig moeten beschermen. Gerust mag men beweren, dat geen enkel dier zoo uitmuntend +uitgerust is voor de muizenvangst als de Wezel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De naaste verwant van de Wezel is de <span class="letterspaced">Hermelijn</span> (<i>Mustela erminea</i>). In zijn zomerkleed wordt hij gewoonlijk, evenals <i>Mustela vulgaris</i>, “<span class="letterspaced">Wezel</span>” genoemd en met deze verward; terwijl hij in het winterkleed <span class="letterspaced">Hermelijntje</span> en <span class="letterspaced">Witte Wezel</span> heet, ook <span class="letterspaced">Harmpje</span>, <span class="letterspaced">Harmel</span> en <span class="letterspaced">Harmken</span> (in Gelderland en Overijsel). Hij gelijkt zeer veel op de Wezel door zijn gestalte en levenswijze, maar is aanmerkelijk grooter +dan zijn kleine geslachtsgenoot. Hij heeft een lengte van 32 à 33 cM., waarvan 9 cM. voor den staart; in noordelijker landen +wordt hij, zegt men, grooter dan bij ons. De bovendeelen en de staartwortelhelft zijn in den zomer bruinrood, in den winter +wit; zij hebben in ’t eerstgenoemde seizoen bruinroodachtig, in ’t laatstgenoemde wit wolhaar; de onderzijde is altijd wit +met een geelachtige tint; de achterste helft van den staart is altijd zwart<a id="d0e2726"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> + +</p> +<p>De kleursverandering, die de Hermelijn in den zomer en in den winter ondergaat, wordt door de natuuronderzoekers op verschillende +wijzen verklaard. Eenige nemen aan, dat dit dier twee maal verhaart; anderen, waarbij ik mij voeg, zijn van oordeel, dat het +zomerhaar tegen den winter, als het fel koud begint te worden, eenvoudig verbleekt, zooals men dit bij den Sneeuwhaas en den +Poolvos kan waarnemen. Over de kleursverandering in de lente heeft de Zweedsche onderzoeker <span class="smallcaps">Grill</span>, wiens interessante beschrijvingen wij zullen mededeelen, bij gevangene dieren zeer volledige gegevens verzameld: “Den 4en +Maart”, zegt hij, “kon ik voor ’t eerst eenige donkere haren tusschen de oogen bespeuren. Den 10en zag ik op dezelfde plaats +een bruine, hier en daar door wit afgebroken vlek, half zoo breed als het voorhoofd. Boven de oogen en om den neus vertoonden +zich nu verscheidene kleine, donkere vlekken. Als het dier zich kromde, zag men, dat de diepst gelegen deelen van de vacht +langs het midden van den rug, onder de schouders en op de kruin donker waren. De kleursverandering <a id="d0e2734"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2734">145</a>]</span>had zeer snel plaats, vooral in den beginne, zoodat er dagelijks, ja zelfs iederen halven dag verschil viel op te merken. +Den 3<sup>en</sup> April waren alleen de volgende deelen nog wit: de onderzijde van den hals en van de keel, de geheele buik, de ooren en de +ruimte tusschen deze en de oogen, die met een kleinen ring omgeven waren, een kort stuk vóór de zwarte helft van den staart, +en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft, de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van de +dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats +borstelig geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij elkander zitten en kleine vlekken vormen. +Eerst groeiden de donkere haren <span class="letterspaced">alle tegelijk</span> naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk heeft de eigenlijke +haarwisseling in de eerste helft van de maand Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich eenvoudig meer +uitgebreid en allengs het witte verdrongen.” + +</p> +<p>De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont +geheel Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyreneeën en van den Balkan gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en +Middel-Azië tot aan de oostkust van Siberië voor. In Klein-Azië, Perzië en Afghanistan heeft men hem eveneens waargenomen. +In geen dezer landen is hij zeldzaam; zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige Roofdieren. + +</p> +<p>Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op +de aangenaamst mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten +in muren, steenhoopen, boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden verschaffen hem een ligplaats +en een schuilplaats gedurende den dag, dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon het volstrekt geen +zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der menschen blootstelt. +Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te roeren. Wie omstreeks +dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en schrandere +dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt +uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als ’t noodig is, snel en onbeschroomd over een breed water. + +</p> +<p>De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn +kleine stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken +de grondtrekken van zijn karakter uit. + +</p> +<p>De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list +overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft +aanhoudend op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen +en Zwaluwen, die hij uit hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn niet veilig voor hem. + +</p> +<p>Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een +alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord +en delft steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het +Roofdier begint met alle holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of een dezer woningen op dit oogenblik +als rustplaats dient voor een of twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit belooft, gaat hij er +zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens door +het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den +nek boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen, glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter +door het hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet +een toeval haar redt. + +</p> +<p>Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit +het nest genomen Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen; men zegt dat sommige zoo tam worden, +dat men hun toestaan kan, naar verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond volgen. Maar ook met op +lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het temmen soms. + +</p> +<p>“Eenige dagen voor Kerstmis 1843,” verhaalt <span class="smallcaps">Grill</span>, “kreeg ik een mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde +oogen, de roodbruine neus en de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuwwitte vacht, die slechts aan den wortel en +aan de binnenste helft van den staart een fraaie, zwavelgele tint vertoonde. Het was een allerliefst, uiterst beweeglijk diertje. +Ik plaatste het aanvankelijk in een groote, onbewoonde kamer, waarin zich weldra de onaangename reuk verbreidde, die aan alle +leden van het Martergeslacht eigen is. Zijn vaardigheid in het klimmen, springen en zich verbergen was bewonderenswaardig. +Met gemak klauterde hij bij de venstergordijnen omhoog; als hij daarboven verschrikt werd, liet hij zich dikwijls met een +angstkreet op den vloer vallen. Op den tweeden dag klom hij bij de kachelpijp op, en bleef daar, zonder iets van zich te laten +hooren, totdat hij eindelijk, na verscheidene uren, met roet bedekt weer te voorschijn kwam. Dikwijls fopte hij mij uren achtereen, +als ik hem zocht, totdat ik hem eindelijk verscholen vond op een plaats, waar ik hem het minst vermoedde. Daar er in de kamer +niet gestookt werd, gebruikte hij een bedstede als leger, en koos voor zich een bepaalde plaats uit, die hij echter onmiddellijk +verliet, als iemand de deur binnenkwam. Het bed bleef echter van nu af zijn liefste schuilplaats. Gewoonlijk zoekt hij dit +op, als men snel op hem afgaat; wanneer men hem echter vriendelijk toespreekt en overigens geen beweging maakt, blijft hij +dikwijls staan of gaat nieuwsgierig eenige schreden vooruit, waarbij hij zijn langen hals vooruitsteekt, en een van de voorpooten +optilt. De nieuwsgierigheid van dit dier is algemeen bekend, en heeft aanleiding gegeven tot de in Zweden gebruikelijke spreekwijze: +‘het Wezeltje heeft er schik in, als men het prijst.’ Als hij zeer opmerkzaam is, of als iets hem verdacht voorkomt en hij +verder wil zien dan zijn geringe hoogte toelaat, gaat hij op de achterpooten <a id="d0e2759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2759">146</a>]</span>staan en richt het lichaam hoog op. Als men nadert, blaft hij, voordat hij vlucht, met een hard en schel geluid, dat nog het +meest op de stem van den Grooten Bonten Specht gelijkt. Nog vaker verneemt men van hem een gesis als dat van een Slang. + +</p> +<p>“Toen de Hermelijn op den derden dag in een groote kooi werd geplaatst, waaruit hij, naar hem duidelijk bleek, niet ontsnappen +kon, en waar hij zich veilig achtte, liet hij niemand naderen, zonder naar de traliën te springen, hevig met de tanden te +dreigen en het reeds genoemde geluid, gevolgd door een langen triller, die zeer veel op het tjakkeren van een Ekster geleek +te laten hooren. In de kooi was hij niet bang voor den Hond, wiens geblaf hij beantwoordde, terwijl beide dieren dicht bij +elkaar, maar ieder aan een andere zijde van de traliën, stonden. Als men een voorwerp, b.v. den vinger van een handschoen +door de traliën stak, beet hij er in en trok er met kracht aan. + +</p> +<p><a id="d0e2764"></a><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Als hij zeer boos is (en dit wordt hij reeds, als men hem van zijn leger opjaagt), staat elk haar van zijn langen staart overeind. +Over ’t geheel genomen is hij zeer boosaardig. Van muziek heeft hij een afkeer. Als iemand voor de kooi op de gitaar speelt, +springt hij, alsof hij gek is, bij de traliën op, en blaft en sist zoolang als de muziek aanhoudt. Hij tracht nooit de klauwen +voor het verscheuren van zijn prooi te gebruiken, maar pakt deze steeds met de tanden aan. + +</p> +<p>“Eerst op den 7den Mei, nadat ik het dier ongeveer 4½ maand gehad had, beproefde ik hem te streelen, maar had uit voorzorg +handschoenen aangetrokken. Hoewel hij zich hierin vastbeet, voelde ik de spitsen zijner tanden niet, en deze lieten dan ook +geen sporen achter. In ’t eerst trachtte hij mijne liefkoozingen te ontwijken; ten slotte bleek het echter duidelijk, dat +zij hem welgevallig waren: hij ging op den rug liggen en sloot de oogen. Den volgenden dag herhaalde ik mijne pogingen, daar +ik mij vast voorgenomen had, het dier zoo tam te maken, als mogelijk was. Weldra kon ik mij zonder handschoenen aan even veilig +als vroeger met hem bezighouden. Hij liet zich gewillig streelen en krauwen, zoolang ik dit verkoos; ik kon hem den poot oplichten, +ja zelfs den bek openen, zonder dat hij boos werd. Als ik echter zijn lichaam omvatte, gleed hij mij vlug en zonder inspanning +als een Aal door de vingers. Om hem niet bang te maken, moest men hem zachtjes naderen; bij de behandeling van deze en andere +wilde dieren komt het er vooral op aan te gelijker tijd te toonen, dat men niet bang is en dat men het dier geen kwaad wil +doen.” + +</p> +<p>Het vel van den Hermelijn levert bont, dat wegens zijn fraaiheid geschat wordt, maar niet duur is. Vroeger werd het alleen +door vorstelijke personen gedragen; het is nu veel algemeener geworden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Nerts</span> en zijne naaste verwanten komen veel met den Bunzing overeen; zij verschillen van dezen alleen door den iets platteren kop, +de meerdere grootte van de knobbelkies, de korte pooten, de spanvliezen tusschen de teenen, die vooral aan de achterpooten +duidelijk zichtbaar zijn, den naar verhouding iets langeren staart en het glanzige, met dicht bijeengeplaatste, glad neerliggende, +korte haren bedekte vel, hetwelk aan dat van den Vischotter herinnert, ook door de kleur, die zoowel van boven als aan de +onderzijde effen bruin is. Behalve de Europeesche <span class="letterspaced">Nerts</span> beschrijven wij den Amerikaanschen <span class="letterspaced">Mink</span>. Tot in den laatsten tijd wist men van de levenswijze dezer beide dieren slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de +bekend geworden onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort betreft. Aan de vriendelijkheid van een +jachtliefhebber uit de omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze bekendheid met den Nerts; over den +Mink hebben <span class="smallcaps">Audubon</span> en de <span class="letterspaced">prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> mededeelingen gedaan. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Nerts</span>, die ook wel <span class="letterspaced">Kreeftotter</span>, <span class="letterspaced">Steenhond</span>, <span class="letterspaced">Waterwezel</span> en bij Lubeck <span class="letterspaced">Menk</span> of <span class="letterspaced">Watermenk</span> (<i>Putorius lutreola</i>) wordt genoemd, bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart komen. Het lichaam is gerekt en slank; +het rust op korte pooten, en gelijkt over ’t geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is echter nog slanker dan bij +dit verwante dier. De voeten gelijken op die van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door vliezen +met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine +kleur, waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter +aan den nek en op het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart zijn gewoonlijk donkerder dan die +van de zijden van den romp. Aan de buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of witachtige vlek bevindt +zich aan de keel; de bovenlip is van voren, de onderlip over hare geheele lengte wit. + +</p> +<p>Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den <span class="letterspaced">Mink</span> (<i>Putorius vison</i>), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en zachter is. + +</p> +<p>Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij +wenschelijk voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den Nerts een overzicht van de belangrijkste +feiten uit de mededeelingen van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te laten voorafgaan. + +</p> +<p>Na den Hermelijn is, volgens <span class="smallcaps">Audubon’s</span> bericht, de Mink het ijverigste en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den Eenden-vijver van den landman +zwerft; de aanwezigheid van een of twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen van verscheidene jonge +Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel om den schadelijken roover kwijt te raken. <span class="smallcaps">Audubon</span> ondervond dit zelf bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in den steenen dam van een kleinen +vijver had genesteld. De vijver was eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water, aangelegd, en bood +dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht bij het +huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten afdalen om te drinken. Vóór het hol lagen twee groote stukken +graniet; zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in +dag uit uren lang op de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en Eenden, totdat onze berichtgever +aan zijn bedrijf een einde maakte, na lang op hem geloerd te hebben. + +</p> +<p>Vooral aan den Ohio trof <span class="smallcaps">Audubon</span> den Mink zeer veelvuldig aan; hij merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en Ratten. Behalve met +dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst bezig. +Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter, +jacht op de <a id="d0e2839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2839">147</a>]</span>snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders; +wanneer de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen, +Vinken en Eenden, aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt hij Oesters in en van den bodem +der rivieren haalt hij schelpdieren op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats in te richten en altijd +iets buit te maken. Als hij beangst is, verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk. + +</p> +<p>De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van April in holen onder overhangende oevers of op kleine +eilandjes, in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er +mede omgaan als met schoothondjes. <span class="smallcaps">Richardson</span> zag er een in het bezit van een Canadeesche vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich droeg. + +</p> +<p>De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid +van zijn leven heeft hij echter een goed schot noodig. + +</p> +<p>Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds <span class="smallcaps">Wildungen</span> zegt in zijn “Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers,” voor het jaar 1799, dat de Moerasotter een in Duitschland +zeer zeldzaam, aan menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is,—dat hij reeds lang gewenscht had, nader +met dit dier bekend te worden, en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide zorg van Graaf <span class="smallcaps">Mellin</span> te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker deelt hij eenige waarnemingen mede. “Door zijn loopen met gekromden rug, door +zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend +in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht, klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone +Vischotter, een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven. + +</p> +<p>“De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter schranderheid +aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de +Marter en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt; dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen; +ik heb nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen, +Kreeften, Slakken; waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen ten buit. Door den verlokkend hoogen +prijs van zijn vel, dat ook in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer wordende dier zeer in de hand +gewerkt; indien de thans heerschende zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het niet onmogelijk, +dat deze diersoort ook in Pommeren, waar <span class="smallcaps">Mellin</span> haar heeft weggenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1147.jpg" alt="Nerts (Putorius lutreola). ⅓ v. d. ware grootte." width="512" height="316"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Nerts</span> (<i>Putorius lutreola</i>). ⅓ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In deze mededeelingen is eigenlijk alles bevat, wat wij tot dusver van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland +geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden, maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts +komt in Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten +van Europa: Finland, Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den Oeral, van den Dwina tot de Zwarte +Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In Bessarabië, Zevenburgen en Galicië leeft hij ook. In Moravië behoort hij tot de zeer zeldzame +dieren; in Silezië wordt hij nu en dan gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover echter iets bepaalds +te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber, van den +houtvester <span class="smallcaps">Claudius</span>, berichten over dit dier ontving: + +</p> +<p>“De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een +hol in een damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest; hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij +het water, en voorziet het met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen in een andere richting of gangen +naar naburige dammen worden hier niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is, zich in geen geval te water +begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent, stort <a id="d0e2878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2878">148</a>]</span>de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in ’t water en wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich +op deze wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in ’t water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte +blijft en steeds op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is hij in het water, zelfs wanneer dit +beperkte afmetingen heeft, veilig.” + +</p> +<p>Jaren zijn voorbijgegaan, voordat <span class="smallcaps">Claudius</span>, en door zijn tusschenkomst ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een levenden Nerts. Eerst in het +begin van 1868 kon mijn ijverige vriend mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij hem gebracht was; +het dier werd met melk en versch vleesch gevoed en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de bedaarde +gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. “De Nerts is,” +zoo schreef <span class="smallcaps">Claudius</span> mij, “veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet +eens op mij; hij laat zich met een stokje over ’t vel strijken zonder boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen +kant van de kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften +te verrichten; des nachts wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene malen met geweld is losgebroken. +Alleen de eerste maal vond ik hem echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen; later vond ik hem, +als hij ’s nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was, des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk +uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen, en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen.” + + +</p> +<p>Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger +liet aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam, zond <span class="smallcaps">Claudius</span> hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende, bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing +in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd, dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik +mag wel zeggen, dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel genoegen veroorzaakte, als die van dezen +zeldzamen, reeds jaren lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem in den besten welstand behouden. +Hij verlaat zijn leger eerst vrij laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich gedurende den nacht +in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af, en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin men +over ’t algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van +den nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover +ik hierover kan oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte opgesloten gevangene, nog het meest +op die van den Bunzing. Hij heeft volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid in ’t klimmen, die +bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen, dat hij +geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik +in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk +gesplitst, om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk +nader, pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn +hol. + +</p> +<p>Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel, hoewel <span class="smallcaps">Claudius</span> meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het +heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter +tracht zelfs in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van het element, waarin hij zich t’huis gevoelt: +de Nerts denkt hier niet aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in te baden of er in te spelen. + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Veelvraat</span>, een van de plompste vormen van de familie der Marters, vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (<i>Gulo</i>), dat de volgende kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en zeer ruig, de hals dik en kort, +de rug omhoog gebogen, de kop groot, de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en sterk, de plompe +voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Veelvraat</span> (<i>Gulo borealis</i>) is 95 cM. à 1 M. lang, waarvan 12 à 15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 à 45 cM. hoog. Op den snuit zijn de +haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig, aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm, +het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte +met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze +vlek; een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het +wolhaar is grijs, aan de onderzijde meer bruin. + +</p> +<p>De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem +door geheel Noord-Azië en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op +lagere breedte gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de Alpen uit. <span class="smallcaps">Bechstein</span> verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein in Saksen, <span class="smallcaps">Zimmermann</span> van een anderen, die bij Helmbstedt op Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als verdwaalde dieren +beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts kwam. +Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland (vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberië, +Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied. + +</p> +<p>De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit +dier in vele talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men heeft zich tevergeefs beijverd het woord +Veelvraat uit het Zweedsch of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit “fjäl” en “fräsz” en “rotskat” +beteekent; <span class="smallcaps">Lenz</span> zegt echter, dat het woord <a id="d0e2929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2929">149</a>]</span>“fjälfräsz” als diernaam in ’t geheel niet tot de Zweedsche taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het +uit het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier <span class="letterspaced">Kampi</span>, waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen <span class="letterspaced">Rosomacha</span> of <span class="letterspaced">Rosomaka</span>, bij de Skandinaviërs <span class="letterspaced">Jerf</span>; de Kamtschadalen noemen het <span class="letterspaced">Dimug</span> en de Amerikanen <span class="letterspaced">Wolverene</span>. Hoogst waarschijnlijk is de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over dit dier de ronde deden, en +het is door letterlijke vertaling van de eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft, zou instemmen +moeten met het oude kinderrijmpje: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“De Veelvraat heet zoo, ’t is gewis, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Omdat hij zeer vraatzuchtig is.”</span></p> +</div> +</div> +<p><span class="smallcaps">Michow</span> zegt n.l.: “In Litauen en Moskovië leeft een dier, dat zeer vraatzuchtig is en <span class="letterspaced">Rosomaka</span> heet. Het is zoo groot als een Hond, heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen romp en een staart +als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt, vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan +wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door, om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw +en wringt zich nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden is. Het schijnt verder niets te doen dan +te vreten, te drinken en dan weer te vreten.” Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door <span class="smallcaps">Steller</span> weersproken, terwijl reeds door <span class="smallcaps">Pallas</span> een juiste levensbeschrijving van dit vreemdsoortige dier gegeven werd. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1149.jpg" alt="Veelvraat (Gulo borealis). ⅙ v. d. ware grootte." width="512" height="508"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Veelvraat</span> (<i>Gulo borealis</i>). ⅙ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de +voorkeur boven de ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken, ofschoon hij ook hier gevonden wordt. +In de minst bezochte wildernissen houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een andere woning telkens +als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt, verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft, zoowel +in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel +hij, evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust +wordt, niet aan een bepaalden regel; ook bij ’t zonlicht sluipt hij rond; hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet, +in de noordelijkste gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag en nacht boven de kim blijft. + +</p> +<p>In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd +te slapen, stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw te loopen; daar hij niet keurig is op zijn +voedsel, leidt hij over ’t algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te komen. De wijze, waarop +hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig; vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende dieren. Deze +bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij +hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot +staan te brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt +hij, dicht tegen den stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem langs <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">150</a>]</span>gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp. + +</p> +<p>Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen, die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan +hij een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft +hij bijna niet naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne rooftochten, in de hoop iets van hun buit +te kunnen rooven. In geval van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat hij Rendieren, en zelfs Elanden +aanvalt en doodt. <span class="smallcaps">Thunberg</span> vernam, dat hij zelfs koeien om ’t leven brengt, door haar den strot te verscheuren. <span class="smallcaps">Lôwenhjelm</span> vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland, dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. <span class="smallcaps">Erman</span> hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt en door beten doodt. Mijn jachtgezel <span class="smallcaps">Erik Swenson</span> verhaalde mij, dat de Veelvraat zich in Skandinavië, vooral als de sneeuw zeer hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de +plaatsen begeeft, waar de Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en zonder moeite doodt. De jagers +haten hem in hooge mate. Mijn geleider verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet zorgvuldig onder steenen +verborgen had, gedurende zijn afwezigheid door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het lokaas uit de vallen +op, en verslindt de hierin gevangen dieren ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberië en Amerika. In de hutten der +Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en +rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen, verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard +worden, en vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende den winter is hij bij dag en bij nacht in de +weer; als hij vermoeid is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen, en rust in deze nu warme slaapplaats +op zijn gemak uit. + +</p> +<p>Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een +tweeden maaltijd dienst te kunnen doen. + +</p> +<p>Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd +en gedood, ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten het echter zeer hoog, en zijn van oordeel, +dat geen huid beter dan deze voor bont geschikt is. + +</p> +<p>In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon +sterk, woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen, als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk +neemt hij bij ’t zien van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen, in een boom, of zoekt een toevlucht +op de hoogste rotspunten, waar zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij in vlakke, boomlooze landstreken +spoedig ingehaald; ook tegen hen verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid. + +</p> +<p>Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw +aan een paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer, schudt intusschen den kop en laat een grommend +geluid hooren. Als er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn, +is hij toch voortdurend in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een en dezelfde plaats. Een boom, die +in zijn kooi staat, beklimt hij met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de merkwaardige gymnastische +toeren, die hij in de takken verricht. + +</p> +<p>De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen +dierentuin waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier, n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er +op zeer jeugdigen leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker schepsels denken dan de beide jonge +dieren waren. Zeer zelden kwam het voor, dat zij zich gedurende korten tijd rustig hielden; het grootste deel van den dag +sleten zij met spelen, waarmede zij oorspronkelijk volstrekt geen booze bedoeling gehad schenen te hebben, maar die spoediger +ernstiger werden en van tijd tot tijd in een tweegevecht ontaardden, waarbij de beide helden <a id="d0e3007"></a><span class="corr" title="Bron: gebrnik">gebruik</span> maakten van hun gebit en hunne klauwen. Als het spel uit was, draafden de beide plompe dieren achter elkander aan, doorkruisten +hun hok in allerlei richtingen, doorsnuffelden alle hoeken en gaten, wierpen de etens- en drinkbakken het onderste boven, +ergerden de brave schoonmaaksters, die hun kooi moesten schoonmaken, door hun nimmer verflauwden ijver in het onderzoeken +van voorwerpen en gereedschappen, waarmede zij niets te maken hadden, werden nogmaals boos op elkander en hervatten het oude +spel, dat oplettende toeschouwers uren lang kon boeien. Geheel anders gedroegen zij zich in tegenwoordigheid van den oppasser, +die hun voedsel bracht. Van alle middelen, waardoor een dier zijn honger te kennen kan geven, maakten zij gebruik. De oorsprong +van den naam Veelvraat werd mij, toen ik ze voor de eerste maal zag voederen, op eens duidelijk. Jankend, huilend, knorrend, +keffend, tandenknarsend renden zij, elkander af en toe op oorvegen onthalend, de kooi rond, alsof zij dol en van zinnen waren; +begeerig keken zij naar het vleesch, wentelden zich, als de oppasser het hun niet oogenblikkelijk toereikte, als ’t ware vol +wanhoop over den grond, schoten, zoodra het stuk hun toegeworpen werd, er gretig op af, en kauwden nu, terwijl zij druk smakten, +knorden en bliezen, zoo ijverig, slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen, of de sprookjes van +de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het gedrag van +zulke gevangene Veelvraten. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>In Brazilië leven de <span class="letterspaced">Huronen</span> of <span class="letterspaced">Grisons</span> (<i>Galictis</i>). Deze slank gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken, van achteren verbreden kop, die bij +het begin van den snuit slechts weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk groote oogen; de romp rust +op korte pooten, welker matig groote voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte, eeltachtige zolen hebben; +de staart is middelmatig of tamelijk lang; het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat der overige +Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot +nu toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al +hunne bewegingen, klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine en middelmatig <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">151</a>]</span>groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten zijn +de <span class="letterspaced">Tayra</span> der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen <span class="letterspaced">Hyrare</span> noemen, (<i>Galictis barbara</i>), en de <span class="letterspaced">Grison</span> (<i>Galictis vittata</i>). +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande tweede onderafdeeling van de Marter-familie <span class="letterspaced">Dassen</span> (<i>Melidae</i>) en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen +reuk onderscheiden. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Das</span> is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige, slecht gehumeurde persoon, die als ’t ware met zichzelf in strijd +verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen, hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt, +niet miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als +de Wolf of de Vos, zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de jachtliefhebbers, die toch, zooals +bekend is, het meest houden van de dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig beschuldigen en +veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk +en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem +geveld wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien +zoo op zijn gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden +te doen verwerven. Wat mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne levenswijze en zijn voorkomen +vermaken mij. + +</p> +<p>Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen +en kleine, maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen aan de voorpooten, een korte, behaarde staart, +een dichte, grove vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen klierzak leidt, kenmerken het geslacht +<i>Meles</i>, dat door den Das wordt vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral de buitengewone grootte van +de eenige knobbelkies in de bovenkaak en de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in ’t oog. +</p> +<p class="tb"></p><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1151.jpg" alt="Das (Melus taxus). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="453"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Das</span> (<i>Melus taxus</i>). 1/7 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Das</span> (<i>Meles taxus</i>) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer 30 cM. +Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren +bestaande vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd, +omdat ieder haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan +de zijden van het lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen en de voeten zwartachtig bruin. De +kop is wit, maar een doffe, zwarte streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt zich over de oogen +en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes door hare +geringere grootte en breedte, alsook door de <a id="d0e3080"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3080">152</a>]</span>lichtere kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude +dieren dikwijls door de namen “Hondsdassen” en “Varkensdassen” wegens den vorm van den snuit. Volkomen witte Dassen zijn zeer +zeldzaam; nog zeldzamer zijn die, welke op een witten grond donker kastanjebruine vlekken hebben. + +</p> +<p>Met uitzondering van het eiland Sardinië en het noorden van Skandinavië bewoont de Das geheel Europa, zoo ook Azië van Syrië +af door Georgië en Perzië tot in Japan, en Siberië tot aan den Lena. Vroeger kwam hij vrij algemeen in ons geheele land voor, +nu is hij bijna overal zeldzaam, en vermindert daarenboven van jaar tot jaar; in Gelderland en Noord-Brabant is hij het algemeenst, +in de meeste streken van Utrecht, Overijsel, Drente, Groningen zeldzaam. Hij leeft eenzaam in holen, die hij zelf met zijne +sterke, kromme klauwen aan de zonzijde van met bosch begroeide heuvels uitgraaft, met 4 à 8 uitgangen en luchtgaten voorziet, +en van binnen op de gemakkelijkste wijze inricht. Het voornaamste gedeelte van de woning, de kamer, die met verscheidene, +ieder 8 à 10 M. lange gangen in gemeenschap staat, is meestal 1½ à 2 M., soms wel 5 M. diep onder de oppervlakte gelegen, +en zoo groot, dat zij een dik, zacht moskussen en het dier zelf benevens zijne jongen bevatten kan. Slechts weinige gangen +dienen om in en uit het hol te komen, de meeste doen alleen in geval van grooten nood dienst als vluchtwegen of ook als luchtgangen. +Overal heerscht de grootste zindelijkheid en reinheid; hierdoor onderscheidt het hol van den Das zich van bijna alle overige +dergelijke onderaardsche woningen van Zoogdieren. Boschranden, die niet ver van vlakten gelegen zijn, ja zelfs boomlooze hellingen +te midden van een vlakte worden bij voorkeur voor het aanleggen van deze woningen gebruikt; altijd echter zijn het stille +en eenzame plaatsen, die de kluizenaar hiervoor uitkiest. Hij houdt er van, een rustig en gemakkelijk leven te leiden en vooral +om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals +eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige minuten in den bodem verschuilen. + +</p> +<p>In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij +zich er op grooten afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in ’t midden van den zomer ook wel in de laatste uren van +den namiddag voor zijn genoegen buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op Rügen op klaarlichten dag +ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter tot de zeldzaamheden. “Van een jager,” verhaalt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, “die het zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen +wij een merkwaardig verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van een Das, dat aan den rand van een +ravijn aangelegd was en dus van de overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was blijkbaar een druk +gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer en zoo vastgetreden, +dat men niet zien kon, of er jongen in het hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de tegenoverliggende +zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept, nederzat, +maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo +vaak hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl +het daar zoo zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk +op de wijze van de Beren op de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn zoete rust op wreede wijze +verstoord door bloeddorstige parasieten, die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en klauwen ter +verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das, die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem +gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens +op zijn breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had, +naar het scheen, ergens de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle richtingen, zonder evenwel iets +te kunnen ontdekken. Toch scheen hij het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom zijn hol binnen.” + + +</p> +<p>In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het +jaar bewoont hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude, +uitgestrekte woningen dringt de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren bekommeren zich echter niet +veel om elkander; de Vos bewoont steeds de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door zijne uitwerpselen +den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje. + +</p> +<p>De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar ’t schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij +op zijn vlugst loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier +maakt een eigenaardigen indruk. In ’t eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een Roofdier houden; men moet, naar +het mij voorkomt, al eenigermate met zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor wat hij is. Aan het +Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem. + +</p> +<p>Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen, +bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe, +lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn, en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken +van de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond +leven. Hier en daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met larven gevulde en honigzoete raten op, +zonder zich veel te storen aan de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid en de daaronder gelegen +vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen, Vlinders en dergelijke +dieren, zoekt hij van de boomen af. In den herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen wel afgevallen +ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij eet zelfs +Hagedissen, Kikvorschen en Slangen. In de <a id="d0e3095"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3095">153</a>]</span>wijnbergen richt hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken zonder bezwaar met de pooten om en eet +zich letterlijk dik aan hunne zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de boerderijen, die in de +onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen, want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom alleen +dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over +’t geheel genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in +Europa niet aan, in alle gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door het wegvangen en verslinden +van allerlei ongedierte in bosch en veld, er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste; hij helpt +het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen: de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich +zelf en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd. + +</p> +<p>Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door +te brengen en maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt bladen in zijn hol en maakt er een warm +en dicht leger van. Totdat de eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden voorraad. Nu rolt hij zich +samen, gaat op den buik liggen, steekt den kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt echter, evenals +die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij dooi +en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms zelfs ’s nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk +warm weder begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit +te graven en, als het geluk hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het vasten bekomt hem echter slecht; +als hij in de lente weder voor den dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een rond buikje kon verheffen, +bijna zoo mager als een geraamte geworden. + +</p> +<p>In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het wijfje 3 à 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger +van mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das +is even zoo goed een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na +den zoogtijd zoo lang Wormen, wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf voedsel te zoeken. + +</p> +<p>Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van +het hol, ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander; +zij die zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten, roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst +blijven de jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren +geheel volwassen; zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar. + +</p> +<p>De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig +werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem +dood als hij er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt +hij aan dit dreigend gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou, voor de Honden te vluchten. Hij +tracht zich daarom, als hij in zijn hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar zeer snel zich dieper +ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan men +den Das ook wel op den “aanstand” (d. i. van een schuilhoek uit) beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst +vervelend, want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs. + +</p> +<p>Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig +voor goede behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch en boosaardig. Over dag verroeren zij zich +niet, alleen ’s nachts komen zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en zijn gevaarlijk, door iedereen +te bijten, die hen onvoorzichtig nadert. + +</p> +<p>Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend +of hoofdzakelijk plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht; zelfs kan hij er toe gebracht worden +zijn oppasser te volgen en op diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren. + +</p> +<p>Over een getemden Das schrijft <span class="smallcaps">Ludwig Beckmann</span> mij: “Ik heb vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was geworden. <span class="letterspaced">Kaspar</span>, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd, was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij wilde graag +met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename +ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige, verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend +had met allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie avonden echte kampspelen op; van heinde en +ver kwamen dierenliefhebbers mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond hoofdzakelijk hierin, +dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder staanden +Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong +over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen. +Gelukte het den Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige vechtpartij, die echter nooit in een +ernstigen strijd ontaardde. Als het <span class="letterspaced">Kaspar</span> te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan, +zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging +het haar en het geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen met den kop te hebben geschud en na een +kalmeerend geknor, dat als ‘hoe, goe, goe, goe’ klonk, begon het lieve leven weer van voren af. + +</p> +<p>“Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn, +bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop +nieuwsgierig <a id="d0e3122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3122">154</a>]</span>in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst, gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong +dan den Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden +kop op mijne knieën, en eischte nu met het gewone ‘hoe, goe, goe, goe’ een stukje vleesch, dat hij zeer behendig en zachtjes +met de voortanden van den vork trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat op den rug te leggen en +den breeden schaars behaarden buik aan de warmte bloot te stellen. + +</p> +<p>“In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde, +en bij iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij +een bruine Aardslak met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep vlak achter mijne hielen; hij begon +dan in den regel spoedig aan mijn broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet moedigde hem slechts +aan om met zijne lompe grappen voort te gaan; de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer uit zijn +humeur.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een ander geslacht is dat der <span class="letterspaced">Honigdassen</span> (<i>Mellivora</i>). Het bevat dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart; de romp is plomper dan bij onzen Das en diens +naaste verwanten, als ’t ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat, de snuit lang; de kleine oorschelpen +verheffen zich slechts weinig boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke pooten hebben naakte zolen; +de teenen van de voorpooten zijn met lange, voor ’t graven geschikte klauwen voorzien. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Honigdas</span> of <span class="letterspaced">Ratel</span> (<i>Mellivora capensis</i>) bereikt in volwassen toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer langen staart ongeveer 25 cM. +komen. Het haar is lang en stijf; het voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart zijn aschgrauw, +de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur, +scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in; +vooral door het bezit van deze streep onderscheidt de <span class="letterspaced">Afrikaansche Honigdas</span> zich van den <span class="letterspaced">Indischen</span>. + +</p> +<p>De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit +soort van werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien +hij niet de kunst verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk +een hol te graven, dat hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op hem afkomende vijand dichtbij genoeg +is om hem te grijpen. Hij leidt een nachtelijke levenswijze en gaat over dag slechts zelden <a id="d0e3157"></a><span class="corr" title="Bron: oproof">op roof</span> uit. Op onzen jachttocht naar de Bogoslanden, zagen wij hem tweemaal, telkens tegen den avond, maar toch voordat de zon was +ondergegaan. Des nachts daarentegen zwerft hij langzaam en op zijn gemak rond en maak jacht op kleine Zoogdieren (n.l. Muizen, +Springmuizen enz.), Vogels, Schildpadden, Slakken en Wormen, graaft wortels en knollen uit, of zoekt vruchten op. Eén liefhebberij +bepaalt zijn geheele levenswijze: hij is namelijk hartstochtelijk verlekkerd op honig en om deze reden een der ijverigste +bijenjagers. + +</p> +<p>In de boomlooze gewesten van Afrika bouwen de Bijen hare nesten hoofzakelijk in den grond en wel in verlaten holen van allerlei +aard, zooals sommige Hommels en Wespen bij ons doen. Zulke nesten nu zijn voor den Honigdas de meest gewenschte vondst; zoodra +hij zulk een schat ontdekt heeft, gaat hij hem onmiddellijk vol ijver opgraven. De Bijen verweren zich zoo goed zij kunnen +en trachten den aanrander met haar angel zooveel mogelijk te wonden; zijn dicht behaarde, zeer dikke huid is echter tegen +bijensteken het beste schild dat er bestaat, omdat zij zoo losjes verbonden is met de daaronder liggende vetlaag als waarschijnlijk +bij geen ander dier. Men beweert, dat de Ratel zich letterlijk in zijn vel zou kunnen omdraaien. De Bijen zijn volkomen machteloos +tegenover zulk een vijand en deze woelt nu gretig in hare woningen rond en verkwikt zich naar welgevallen aan haren kostelijken +inhoud. + +</p> +<p>De Ratel maakt trouwens niet alleen op honig jacht, maar houdt ook van krachtiger voedsel. <span class="smallcaps">Carmichael</span> zegt, dat de Honigdas door de eigenaars van hoenderhokken als een van de schadelijkste dieren wordt beschouwd. Bij de Algoa-baai +betwisten eens eenige Boeren elkander het eigendomsrecht op de eieren, die door de Hoenderen verlegd waren. De Ratel maakte +in één nacht aan dezen strijd een einde door eenvoudig alle Hoenderen, omstreeks 30 stuks, de keel door te bijten en drie +er van in zijn hol te sleepen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Indische Honigdas</span> (<i>Mellivora indica</i>) komt, wat levenswijze betreft, met den Afrikaanschen overeen; ook hij is wegens het bezoeken van hoenderhokken zeer schadelijk. +Hij is over geheel Indië ten westen en noordwesten van de golf van Bengalen tot aan den voet van den Himalaja verbreid, met +uitzondering echter van de kust van Malabar en van Beneden-Bengalen. Op Ceylon komt hij niet voor. + +</p> +<p>Jong gevangen Ratels worden tam en zijn zeer vermakelijk door de plompheid en zonderlingheid van hunne bewegingen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Stinkdas</span>, op Sumatra <span class="letterspaced">Tellego</span> of <span class="letterspaced">Teledoe</span>, op Java <span class="letterspaced">Segoeng</span>, op Borneo <span class="letterspaced">Saät</span> genoemd, (<i>Mydaus meliceps</i>, p. 155), is, zonder het ongeveer 2 cM. lange staartstompje, 35 cM. lang. Het dicht en lang behaarde vel is, met uitzondering +van het achterhoofd en den nek, effen donkerbruin van kleur. Een witte of geelachtig witte streep loopt langs den rug tot +aan de staartspits. De onderzijde van het lichaam is lichter gekleurd dan de bovenzijde. De vacht bestaat uit zijdeachtig +zachte wolharen en grof bovenhaar, dat aan de zijden en op den nek een soort van manen vormt. De Stinkdas bewoont Sumatra, +Java en Borneo; of hij ook op het Maleische Schiereiland en andere deelen van het vastland voorkomt, is nog niet uitgemaakt. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">Horsfield</span> heeft ons voor ’t eerst de levenswijze van dit eigenaardige dier leeren kennen. Zijn woning legt de Stinkdas met groote voorzichtigheid +en veel behendigheid op geringe diepte onder de oppervlakte aan. Als hij een plaats heeft gevonden, die door lange en stevige +boomwortels goed beveiligd is, graaft hij tusschen de wortels een hol, zoodat de bolvormige kamer, <a id="d0e3205"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3205">155</a>]</span>die bijna 1 M. middellijn heeft en regelmatig uitgegraven wordt, onder den boom komt te liggen. Van hier uit leiden gangen +van ongeveer 2 M. lengte naar de oppervlakte; zij zijn naar verschillende zijden gericht en hunne openingen zijn gewoonlijk +onder takken en droge bladen verborgen. Gedurende den dag blijft hij in zijn hol verscholen; na het invallen van den nacht +begint hij jacht te maken op allerlei larven en Wormen, vooral Aardwormen, die in de vruchtbare teelaarde in buitengewoon +grooten getale voorkomen. Hij wroet de Regenwormen als een Zwijn uit den grond, en richt hierdoor op de akkers schade aan. +Volgens <span class="smallcaps">Horsfield</span> is hij op Java uitsluitend beperkt tot hoogten die meer dan 2000 Meter boven den zeespiegel liggen, en komt hier even geregeld +voor als sommige plantensoorten. Door latere onderzoekers wordt deze mededeeling echter uitdrukkelijk weersproken. <span class="smallcaps">Karl Bock</span> verzekert, dat de Saäts, die in Zuidoostelijk Borneo “even overvloedig zijn als de Ratten,” daar gevonden worden op hoogten, +“die <a id="d0e3213"></a><span class="corr" title="Bron: 80 of 100">800 of 1000</span> voet niet te boven gaan. Ook op Sumatra,” zegt hij verder, “bedraagt de grootste hoogte, waarop de Saät wordt aangetroffen, +geen 1000 voet, en op deze hoogte komt hij slechts zelden voor.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1155.jpg" alt="Stinkdas (Mydaus meliceps) ¼ v. d. ware grootte." width="512" height="317"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Stinkdas</span> (<i>Mydaus meliceps</i>) ¼ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Alle bewegingen van den Stinkdas zijn langzaam; hij wordt daarom dikwijls door de inboorlingen gevangen, die volstrekt niet +bang voor hem zijn; naar gezegd wordt, eten zij zijn vleesch in de meening, dat ieder die dit durft doen, voortaan tegen ziekte +gevrijwaard is. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Horsfield</span> gaf gedurende zijn verblijf in het gebergte Prahoe op Java aan de inboorlingen last hem voor zijne onderzoekingen Stinkdassen +te verschaffen; deze werden hem in zoo groote menigte gebracht, dat hij er weldra geen enkele meer kon aannemen. “Men verzekerde +mij,” zegt deze onderzoeker, “dat het vleesch van den ‘Teledoe’ zeer goed smaakt; het was echter noodig, het dier schielijk +te dooden en zoo spoedig mogelijk de stinkklieren te verwijderen, voordat deze hun helschen stank aan de overige lichaamsdeelen +hadden medegedeeld. Van mijn Indischen jager vernam ik, dat de Stinkdas zijn stikvocht slechts op een afstand van hoogstens +60 cM. kan spuiten. Dit vocht is kleverig; zijn werking berust op de gemakkelijkheid waarmede het verdamt; soms worden de +omstreken van een dorp er geheel door verpest; in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze stof werd uitgespoten, +is de stank zoo hevig, dat sommige lieden flauw vallen, als zij genoodzaakt zijn eenigen tijd daar te blijven. De Amerikaansche +Stinkdieren verschillen van onzen Teledoe o. a. hierdoor, dat zij het vocht verder kunnen spuiten.” + +</p> +<p>“De Stinkdas is zachtaardig en vreedzaam van natuur en kan, als men hem jong vangt, gemakkelijk getemd worden. Een Exemplaar, +dat ik gevangen hield, werd weldra zeer lieftallig, schikte zich in zijne gevangenschap, herkende zijn oppasser en geraakte +nimmer in zulk een woede, dat hij van zijne stinkklieren gebruik maakte.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Men kan niet zeggen, dat eenig lid van de familie der Marters een aangenamen geur verspreidt; integendeel zelfs bij de inheemsche +soorten zijn er, welker stank spreekwoordelijk is geworden. Wat beteekent echter de stank van onzen Bunzing in vergelijking +met dien van eenige zijner in Amerika en Afrika levende verwanten en met dien van den zoo even beschreven Stinkdas uit het +zuidoostelijke gedeelte van de Oude Wereld! Zij zijn de stinkers bij uitnemendheid! Als men leest, welk een afschuw zij kunnen +inboezemen overal waar en zoodra zij zich vertoonen, begrijpt men eerst recht, welk een uitmuntend verweermiddel een echte +stinkklier is. Alle Amerikaansche reizigers en natuuronderzoekers verklaren eenstemmig, dat het niet mogelijk is, de werking +van het afscheidingsproduct der stinkklieren naar behooren te beschrijven. Geen scheikundig laboratorium, geen riool, geen +kreng, verbreidt een stank zoo hevig, zoo onuitstaanbaar als dien, waaraan de (voor het uitwendige zoo sierlijke) <span class="letterspaced">Stinkdieren</span> hun naam te danken hebben; weken, zelfs maanden lang blijft hij gebonden aan het hiermede bezoedelde voorwerp. Men noemt +dezen stank terecht een “pestlucht”; want iemand, die het ongeluk heeft, met een Stinkdier in aanraking te komen, wordt werkelijk +door iedereen gemeden als ware hij een pestlijder. Ondanks hun geringe grootte zijn de Stinkdieren zulke vreeselijke en machtige +vijanden van den mensch, dat zij ieder, dien zij met hun vreeselijk vocht bespuiten, in den letterlijken zin van ’t woord +uit de samenleving <a id="d0e3241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3241">156</a>]</span>verbannen; zij zijn dus bij machte hem een straf op te leggen, die al mee tot de zwaarste ontberingen behoort, die iemand +kunnen ten deel vallen. Zij zijn in staat een huis geheel onbewoonbaar te maken, of een met de kostbaarste goederen gevulde +schatkamer haar waarde te doen verliezen. + +</p> +<p>De Stinkdieren onderscheiden zich van de overige Dassen door den aanmerkelijk slankeren romp, den langen, dicht behaarden +staart, den grooten gezwollen neus, de zwarte grondkleur, die met witte banden geteekend is. De kop is klein in verhouding +tot het lichaam en loopt spits toe; de kleine oogen hebben een doordringenden blik; de ooren zijn kort en afgerond; de korte +pooten hebben matig groote voeten en vijf bijna geheel met elkander vergroeide teenen, die vrij lange, zwak gekromde nagels +dragen; van de zool zijn minstens de eeltballen onbehaard. De beide stinkklieren hebben een aanzienlijken omvang en monden +in den endeldarm uit; iedere klier bevat een holte ter grootte van een hazelnoot, bekleed met een klierlaag, die de gele, +olieachtige vloeistof afscheidt, welke de holte vult en voorts omgeven door een dikke spierlaag, die door haar samentrekking +het vocht verscheidene Meters ver voortstuwen kan. Van oude dieren en vooral van mannetjes heeft dit vocht, naar men zegt, +een heviger werking, dan van wijfjes en jongen. + +</p> +<p>De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten, die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven +de uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten +en in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren. +Hun gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibiën, Vogels en kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels. +Alleen als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner +aarsklieren om hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste +Katten op een behoorlijken afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn, den bedrijver van dit schelmstuk +met ware doodsverachting te lijf gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende soorten komen in levenswijze +met elkander overeen; wij kunnen daarom met de beschrijving van een of twee soorten volstaan. +</p> +<p class="tb"></p><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1156.jpg" alt="Surilho (Mephitis suffocans). ¼ v. d. ware grootte." width="512" height="412"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Surilho</span> (<i>Mephitis suffocans</i>). ¼ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier, dat bij de Brazilianen <span class="letterspaced">Surilho</span> heet (<i>Mephitis suffocans</i>); het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart, en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening. +Het dichte, lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te beginnen allengs langer wordt, verschilt in +kleur van zwartachtig bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden +door een strook ter breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch zelden ontbreken zij geheel, zoodat +het dier effen zwart is. <span class="smallcaps">Hensel</span> verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho’s te vinden zijn, die volkomen overeenstemmen. + +</p> +<p>De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch +alleen in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid +door de kleine, trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van ’t bosch in den met gras begroeiden bodem maakt met +het doel om Mistkevers te zoeken. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de slechts befaamde <span class="letterspaced">Skunk</span> (<i>Mephitis varians</i>). De lichaamslengte van dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de grondkleur van de glanzige +vacht. Aan den neus begint een smalle, witte streep, die tusschen de oogen <a id="d0e3282"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3282">157</a>]</span>doorloopt, zich op het voorhoofd tot een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt en eindelijk in +een band overgaat, die zich tusschen de schouders in twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en +zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan +de borst en den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken zich, zooals gezegd is, twee breede, witte +overlangsche strepen uit; soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze over dit lichaamsdeel verdeeld. + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Skunk</span> is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed +bekend, en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt; +het veelvuldigst wordt hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich naar het zuiden verbreidt. Hij +houdt zich in hoog gelegen gewesten op, voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers, ook wel in +rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het gesteente bewoont. + +</p> +<p>Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen, dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont. +Al zijne bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar alleen gaan en huppelen. Bij ’t gaan zet hij +nagenoeg de geheele zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart benedenwaarts gericht. Af en toe wroet +hij in den grond, of snuffelt rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet, blijft het rustig staan, +licht den staart, op, draait zich om, en spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als de honden het +staande houden, legt het, volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>, den staart als een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op hem aandringende vijanden, en maakt +uit toorn zonderlinge, huppelende bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De honden kennen het gevaarlijke +wapen van hun tegenstander zeer goed, en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige Honden hebben den +moed, het Stinkdier te grijpen en te dooden. Nooit verspilt het aangevallen dier zijn pestvocht voorbarig; het bepaalt zich +tot bedreigingen, zoolang de Honden eenige schreden ver van hem verwijderd blijven. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Audubon</span> ervoer de vreeselijkheid van het Stinkdier aan zichzelf. “Dit kleine, aardige diertje, dat er zoo onschuldig uitziet,” zegt +hij, “is niettemin in staat om iederen praalhans door het eerste schot op de vlucht te jagen, en hem van angst te doen schreeuwen. +Ik zelf heb eens als kleine schooljongen zulk een droevige ondervinding opgedaan. De zon was juist ondergegaan. Ik ging met +eenige vrienden langzaam mijns weegs. Op eens zagen wij een allerliefst, ons geheel onbekend diertje, dat bedaard rondsloop, +vervolgens staan bleef en ons aankeek, alsof het ons als een oude bekende opwachtte om ons gezelschap te houden. Het diertje +zag er zoo onschuldig en aanlokkelijk uit; het hield zijn ruigen staart recht omhoog, alsof het hierbij aangevat en in onze +armen naar huis gedragen wilde worden.—Ik was geheel verrukt, tastte vol blijde verwachting toe—en pats! daar schoot het duivelsche +beest mij zijn pestvocht in den neus, in den mond, in de oogen. Als door den bliksem getroffen, liet ik het monster vallen +en nam in doodsangst de vlucht.” + +</p> +<p>De in Zuid-Amerika levende Stinkdieren verschillen, wat de krachtige werking van hun pestvocht betreft, volstrekt niet van +de Noord-Amerikaansche. + +</p> +<p>In de gevangenschap ledigen de Stinkdieren hunne klieren niet, wanneer men zich zorgvuldig wacht hen te plagen. Zij worden +na korten tijd zeer tam en geraken eenigermate aan hun verzorger gewoon, ofschoon zij in ’t eerst met het achterdeel naar +hem gericht zich bewegen, den staart omhoog heffend, om voortdurend gereed te zijn den vijand de volle laag te geven. Hooi +is hun liefste leger. Zij bereiden zich een gemakkelijk bed en rollen zich daarop als een bal ineen. Na het eten poetsen zij +zich den snuit met de voorpooten; want zij zijn zindelijk en houden hun haar steeds netjes en glad; ook laten zij hun vuil +nimmer op hun leger vallen. Zij worden met vleesch gevoed; het liefst eten zij Vogels. + +</p> +<p>Het vel van den Skunk, waaraan men den onaangenamen reuk geheel kan ontnemen, vormt sedert 1860 een belangrijk handelsartikel. +Ieder jaar worden ongeveer 600.000 van deze vellen (welker prijs ƒ 3.60 à ƒ 7.20 bedraagt) uitgevoerd, voornamelijk naar Rusland +en Polen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>In Afrika vindt men in plaats van de Stinkdieren de <span class="letterspaced">Bandbunzingen</span>, die door hun vorm en andere uitwendige eigenschappen veel op de dieren van de vorige groep gelijken; hun gebit komt echter +meer met dat van de Marters dan met dat van de Stinkdieren overeen. Zij hebben behaarde zolen. + +</p> +<p>De best bekende soort van dit geslacht is de <span class="letterspaced">Zorilla</span>, de <span class="letterspaced">Muishond</span> van de Europeesche kolonisten in het Kaapland (<i>Rhabdogale mustelina</i>), een dier van 35 cM. lichaamslengte benevens 25 cM. staartlengte. + +</p> +<p>Hij is over geheel Afrika verbreid, gaat ook nog verder dan de landengte van Suez, komt in Klein-Azië voor, en wordt zelfs, +naar men zegt, in de nabijheid van Konstantinopel (natuurlijk alleen aan de Aziatische zijde van de zeeëngte) aangetroffen. +Bij voorkeur houdt hij zich in rotsachtige gewesten op. Hier leeft hij in spleten van het gesteente of in zelf gegraven holen +onder boomen en struiken. Hij heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; hierdoor komt het, dat hij over ’t geheel slechts +zelden gezien wordt. Zijn voedsel bestaat uit kleine Zoogdieren, voornamelijk uit Muizen, kleine Vogels, vogeleieren, Amphibiën +en Insecten. Niet zelden wordt hij gevaarlijk voor het pluimvee, omdat hij op de wijze van de Marters in de boerderijen sluipt +en als een Bunzing moordt. + +</p> +<p>Door zijne bewegingen gelijkt hij niet op de Marters; want hij is minder behendig en moet eerder traag genoemd worden. Het +klimmen verstaat hij niet, en ook voor het water heeft hij een grooten afschuw, ofschoon hij, als het zijn moet, zeer goed +zwemt. Zijne afschuwelijke wapens gebruikt hij geheel op dezelfde wijze als het Stinkdier. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de derde onderfamilie van de Marters vereenigt men de <span class="letterspaced">Otters</span> (<i>Lutridae</i>). De hiertoe behoorende soorten, ongeveer 20 in getal, zijn gekenmerkt door den gestrekten, platten, op korte pooten rustenden +romp, den platten kop met den stompen snuit, kleine, uitpuilende oogen en korte, ronde ooren, de zeer ontwikkelde zwemvliezen +tusschen de teenen, den langen, spits toeloopenden, eenigszins plat gedrukten staart en het korte, stijve, gladde, glanzige +haar. Hunne voor- en achterpooten hebben vijf teenen, de beide <a id="d0e3336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3336">158</a>]</span>middelste zijn slechts weinig langer dan de zijwaarts gerichte. In de aarsstreek komt geen klierzak voor; twee klieren monden +echter naast de aarsopening uit. Door het gebit en den bouw van het geraamte geleken de Otters nog zeer op de overige Marters. +Een zeer eigenaardig kenmerk, dat ook aan het geraamte zichtbaar is, levert echter de in ’t oog loopend platte kop, welks +breede schedel zich aan het voorhoofd sterk versmalt, en die in een korten snuit eindigt. + +</p> +<p>De Otters bewonen de rivieren en de zee; zij zijn over bijna alle deelen der aarde, met uitzondering van Australië en de Poolgewesten, +verbreid. Slechts door den nood gedwongen verwijderen zij zich van het water; ook dan doen zij dit alleen met de bedoeling +om een ander water op te zoeken. Zij zwemmen en duiken meesterlijk, kunnen langen tijd onder water blijven, loopen ondanks +hunne korte pooten tamelijk snel, zijn sterk, moedig en koen, verstandig en geschikt om getemd te worden; bijna overal leven +zij echter op gespannen voet met den mensch, omdat zij dezen zooveel nadeel doen, dat de kostbare pels, die zij leveren, daarvoor +op lange na geen vergoeding schenkt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Europa dient tot woonplaats aan een enkele soort van deze onderfamilie, de <span class="letterspaced">Otter</span> of <span class="letterspaced">Vischotter</span> (<i>Lutra vulgaris</i>), een Watermarter van ruim 1.2 M. lengte, waarvan 40 à 43 cM. op den staart komen. De kop is langwerpig rond, de snuit afgerond, +de oogen klein maar vurig; de romp is vrij slank, maar plat, de staart meer of minder rondachtig, aan de spits sterk versmald; +de zeer korte pooten, welker teenen met elkander verbonden zijn door zwemvliezen, die zich tot aan de klauwen uitstrekken, +worden met de geheele zool op den grond gezet. Een dichte en kort aanliggende beharing, die uit stevig, stijf, glanzig bovenhaar +van donkerbruine kleur bestaat, bedekt het lichaam; alleen aan de onderdeelen wordt de haarkleur iets lichter; onder den hals +en aan de zijden van den kop gaat zij over in witachtig grijsbruin, terwijl de in ’t haar verborgen rand van ’t oor een lichtbruine +kleur heeft; een lichte, wegsmeltende, witachtige vlek bevindt zich boven het midden van de onderlip; enkele onregelmatige, +zuiver witte of witachtige vlekjes komen aan de kin en tusschen de onderkaakshelften voor. Sommige exemplaren hebben eer een +grijsbruine dan een donkerbruine kleur. + +</p> +<p>Onze Vischotter bewoont geheel Europa en bovendien het grootste gedeelte van Noord- en Middel-Azië; in oostelijke richting +strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan den mond van den Amoer, zuidoostwaarts minstens tot aan de noordwestelijke +gedeelten van den Himalaja. In de Poolgewesten dringt hij, naar het schijnt, niet ver noordwaarts door, toch vindt men hem, +hoewel zelden, ook nog in Lapland; in Siberië komt hij niet binnen den Poolcirkel voor. In Indië, China en Japan wordt hij +door nauw verwante soorten vervangen, in Afrika en Amerika door soorten, die men tot afzonderlijke onder-geslachten brengt. +In Middel- en Zuid-Europa bewoont hij elk water, dat hem voedsel belooft, zelfs rivieren en beken van de volkrijkste gedeelten +van sterk bevolkte staten; in Middel-Azië ontbreekt hij evenmin op plaatsen die voor hem geschikt zijn. De Indische Otter +gaat zelfs in brak water en zeewater, leeft in de monden van rivieren en bezoekt nu en dan de zee. + +</p> +<p>De Vischotter was voorheen in de groote en kleine wateren van ons geheele land vrij algemeen; hij wordt echter elk jaar zeldzamer +en is in vele streken reeds geheel uitgeroeid. Het meest houdt hij van rivieren, welker oevers tot op grooten afstand met +bosch begroeid zijn. Hier woont hij in onderaardsche gangen, die geheel naar zijn smaak en in overeenstemming met zijne gewoonten +ingericht zijn. De ingang van het hol bevindt zich steeds onder water, gewoonlijk ½ M. onder den waterspiegel. Van hier gaat +een ongeveer 2 M. lange gang in schuinsche richting naar boven, en komt uit in een ruime kamer, die geregeld met gras bekleed +en steeds droog gehouden wordt. Een tweede, enge gang loopt van de kamer naar den bovenrand van den oever, en doet als luchtververschingskanaal +dienst. Steeds heeft de Otter verscheidene woningen, tenzij het water, waarin hij zich ophoudt, buitengewoon rijk aan Visschen +is, zoodat hij geen groote zwerftochten behoeft te ondernemen. Bij hoogen waterstand, als zijn hol overstroomd wordt, zoekt +hij een schuilplaats op nabijgelegen boomen of in holle stammen, en rust hier uit; ook ontspant hij zich hier, als hij van +zijn jachtterrein, van ’t water, terugkomt. + +</p> +<p>Aan eigenaars van vischwaters en aan hartstochtelijke hengelaars geeft de Otter, door de groote schade die hij aanricht, veel +stof tot ergernis; voor den natuuronderzoeker levert hij echter een zeer aantrekkelijk onderwerp van studie op. Het leven +van dit dier is zoo eigenaardig, dat het iederen vriend der natuur moet boeien. Aan den Vischotter is alles merkwaardig: zijn +handel en wandel in ’t water, zijne bewegingen, de wijze waarop hij zich voedsel verschaft, en zijne geestelijke vermogens. +Ontegenzeggelijk is hij een van de belangwekkendste dieren van ons werelddeel. Dat hij een echt waterdier is, ziet men dadelijk, +ook als hij zich op het land bevindt. Wegens zijne korte pooten gelijkt zijn gang, die echter volstrekt niet langzaam is, +op het kruipen van een Slang. + +</p> +<p>Geheel anders beweegt hij zich in ’t water, zijn eigenlijke woonplaats, die hij bij de geringste aanleiding tot vluchten tracht +te bereiken, om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke +wijze te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen +veranderde voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige +pels—al deze eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het water mogelijk. Voor het grijpen van den buit +dient hem het scherpe, voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp, hoe glad en glibberig het ook +zij, nooit weder loslaat. In den winter, als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het ijs op, waardoor +hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te vergissen +weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat +in ’t ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in +staat te stellen tot het jagen in het toegevroren water. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1159.jpg" alt="Vischotter (Lutra vulgaris)." width="512" height="335"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Vischotter</span> (<i>Lutra vulgaris</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding +vindt tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van +hem verneemt, als hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als de dikwijls en snel achtereenvolgens +herhaalde klank “gierk”; het is zoo <a id="d0e3373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3373">160</a>]</span>schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid. + + +</p> +<p>De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene +honderden schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk een verschijning is voor hem steeds een reden +om ten spoedigste naar het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan hij is blootgesteld, hebben hem +zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan zonder hem waar +te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig +houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden +tot op een afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen die aan groote rivieren of stroomen liggen, +meestal zonder dat men van zijn aanwezigheid iets bemerkt. + +</p> +<p>Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich +bij andere wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen +zij den stroom op, en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen terdege af; tevens bevisschen zij +tot op een afstand van een mijl van hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier uitmonden of met +haar in gemeenschap staan. + +</p> +<p>In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water +drijft hij de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt +hen, door meermalen met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of onder steenen te verschuilen, waar +zij hem dan zeker ten buit vallen. + +</p> +<p>De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn +lievelingsspijs zijn. + +</p> +<p>Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, +bij ons gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den +waterkant op een zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont hun veel liefde en verpleegt ze met de +grootste zorgvuldigheid. In het derde levensjaar zijn zij volwassen. + +</p> +<p>Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken +een soort van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht. + + +</p> +<p>Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een +trouwe Hond op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever +eet dan vleesch; dit kan zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in ’t geheel niet meer aanraakt. + +</p> +<p>“Een welbekend jager,” verhaalt <span class="smallcaps">Wood</span>, “bezat een Otter, die uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, <span class="letterspaced">Neptunus</span>, geroepen werd, antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, +en met de jaren namen zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond, en mocht naar welgevallen visschen. +Soms voorzag hij geheel alleen de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij hieraan het grootste deel +van den nacht. Des morgens stond <span class="letterspaced">Neptunus</span> steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande +Honden en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn +roem van dag tot dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch uitspraken, dat hij hun het dier voor een +of twee dagen zou leenen, opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen.” + +</p> +<p>De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht, onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid +zijn vele wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den +“aanstand” (d. i. van een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt, dat een mensch in de nabijheid is, +komt hij niet te voorschijn. In den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral als men in de nabijheid +van de wakken het dier opwacht. Het meest vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij het water verlaat, +zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer 5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos bedekt. +Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot, waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen +vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op +zulk een wijze vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren en vijvers vervolgt men hem in lichte +schuiten, en schiet op hem, zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen verraden den weg, dien hij +onder water aflegt, en geven den jagers de richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze van jagen +niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot +weer boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren, waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze +van jagen in praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door de rivier, en laat den Otter opjagen door +de voor dit doel afgerichte Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen staan bij de netten, of gaan, +zoo dit mogelijk is, met de Honden in de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en dragen het daarna +trotsch op de spiesen naar huis<a id="d0e3402"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Zoo jaagt men den Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers zich hierdoor een grooten naam verworven +hebben. De gevangen Otter sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht, en is dan ook zeer gevaarlijk +voor onvoorzichtige Honden, daar hij dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende Otterhonden weten trouwens +dergelijke aanvallen te ontwijken, en hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op ’t oogenblik van den dood laat +de Otter klagende en kermende geluiden hooren. + +</p> +<p>Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en andere winterkleederen; in <a id="d0e3407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3407">161</a>]</span>Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en vrouwen gedragen +worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen; in Kamtschatka +eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid tot zich +trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de +fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort +van de onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De <span class="letterspaced">Zeeotter</span> of <span class="letterspaced">Kalan</span> (<i>Enhydris lutris</i>), vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De kop is wel +is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond; +de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter +alleen door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen +hebben. De achterste ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van de Zeehonden, van welker achterste +vinvoeten zij zich onderscheiden, doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In vele opzichten gelijken +de achterpooten van den Zeeotter op die van den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte, zijdeachtige +haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange, stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine vacht +van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte +of bruinachtig grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen Zeeotters bereiken een totale lengte van +minstens 1.5 M., waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 à 40 KG. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in ’t noorden +ongeveer door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder +zuidwaarts dan langs de Aziatische, nl. tot 28° N.B.; ook hier wordt hij echter van jaar tot jaar zeldzamer. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1161.jpg" alt="Zeeotter (Enhydris Lutris). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="314"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zeeotter</span> (<i>Enhydris Lutris</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door <span class="smallcaps">Steller</span>, die in 1741 met <span class="smallcaps">Bering</span> op het Bering-eiland schipbreuk leed, en uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. “De huid van den Zeeotter,” +zegt <span class="smallcaps">Steller</span>, “is los verbonden met het vleesch en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing overtreft door lengte, +schoonheid en zwartheid van kleur het haar van alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen worden. +De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden +ingeruild, met 80 à 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed eetbaar en smakelijk. + +</p> +<p>“Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier; hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig +en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen +deze dieren familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen jongen en de zeer kleine zuigelingen. De +liefde van de ouders voor hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen, +en als zij hun ontnomen worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken zij zich dit verlies zoo sterk +aan, dat zij, naar wij uit tamelijk betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 à 14 dagen zoo mager worden als een geraamte, +ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er slechts +één en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den +bek; in de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen de voorpooten, zooals een moeder haar kind in +de armen houdt. Zij spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het omhoog en vangen het als een bal op, +stooten het in ’t water, opdat het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is, weer bij zich en kussen +het als een mensch. + +</p> +<p>“Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften, Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit <a id="d0e3449"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3449">162</a>]</span>waterplanten of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging +naar Rusland verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver of rivier voortplanten. Want het zeewater is +voor hun welzijn niet volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen achtereen op eilanden en in kleine +rivieren ophielden. Nog moet ik doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het bijna 6 maanden lang ons +uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders. + +</p> +<p>“De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich +geen schooner schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als ’t ware met zwarte, glanzige zijde bekleed +is. Ook is het merkwaardig, dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij een fraaiere vacht hebben. +De geheel witte dieren, die waarschijnlijk een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en laten zich bijna +niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en maken +zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden +wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag +op den kop geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten. + +</p> +<p>“In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn +die, welke in de maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar China. In Kamtschatka kent men geen +grooter staatsie dan een kleed, vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont afgezet. Eenige jaren +geleden droeg iedereen daar nog kleederen van Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden zijn; +bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier, warmer en duurzamer.” + +</p> +<p>De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam, +maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan naderen. <span class="letterspaced">Pechuel-Loesche</span>, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en er nu en dan +jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst +zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren, +wanneer men ze niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten kan. Met één enkele boot levert zulk +een jacht weinig kans op succes, want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan dikwijls op een andere +plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven. + +</p> +<p>De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer stil weder varen de jager in hunne “bidarkas,” die een lange +lijn beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats +waar het dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als hij zich opnieuw vertoont, door het werpen +met speren en een gillend geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt nogmaals een kring gevormd, +en deze handelwijze wordt voortgezet, totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te ademen, vermoeid +wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit gemaakt. Zulk een jacht kan 2 à 3 uren duren, voorzoover zij niet door +een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk +hun zeer dienstig is, misschien 40 à 50 Otters; ieder van deze dieren heeft voor hen een waarde van minstens 120 gulden. + +</p> +<p>Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten; zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren. +Bij stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter, +die aan gindsche zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel door den kop te jagen. Het geraas van +de branding, het omhoogspattende schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar te herkennen, zoodat de +volhardende schutter het den eenen kogel na den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen heeft, gaat +hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en meest +opwindende wijze van jagen is echter het “otterslaan”, daar dit bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen +en onder omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op +de afgelegene, eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch, door de al hooger stijgende branding in hun +rust gestoord, en zien zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen, dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst +vermetele jagers wagen hun leven om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere rustplaatsen te overrompelen. +Als de reis naar deze klippen gunstig afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den wind naar boven en +dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft het gedruisch, +dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op te +merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan één uur 78 Zeeotters buit gemaakt. + +</p> +<p>Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar +te beperken, is het te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop uitgeroeid zal zijn, en, evenals de +Zeekoe van <span class="smallcaps">Steller</span>, weldra tot de dieren zal behooren, die wij als ’t ware voor onze oogen van de aarde hebben zien verdwijnen.<a id="d0e3469"></a><span class="corr" title="Bron: ”"></span> +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de aandacht van het kijkgrage publiek meer in ’t bijzonder +gevestigd wordt door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich steeds beijveren om de bedoelde dieren, +de <span class="letterspaced">Hyenas</span> (<i>Hyaenidae</i>), voor te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid, +bloeddorst, arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt; +hij zal er bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken +in de gemoederen van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer <a id="d0e3481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3481">163</a>]</span>dieren onbekend zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware voorstellingen te doen verdwijnen; ten +spijt van de moeite, die velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de genoemde, sinds overouden tijd +opgedischte fabels ook thans nog geloof. + +</p> +<p>Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd +is geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden +hun stem en hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel; men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren +de stem van den mensch nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te vermoorden. Het merkwaardigste +van het geval is, dat deze verhalen weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de Hyenas bewonen. Zoo +vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen, die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en gewis, dat +menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden; zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige +toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd, +dat de Hyenas niets anders zijn dan <a id="d0e3485"></a><span class="corr" title="Bron: vermonde">vermomde</span> toovenaars, die over dag in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas veranderen om alle rechtvaardigen +te benadeelen. Mij zelf hebben zij verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena’s te schieten, waarbij +mij griezelige verhalen werden gedaan over de macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten. + +</p> +<p>Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke +verhalen gedaan en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas +bevestigd. Zij gelijken op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht is volstrekt niet aanlokkelijk, +maar beslist terugstootend. Alle Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als middelvormen tusschen Honden +en Katten; wij kunnen ons met deze zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere, eigenaardige gedaante +hebben. De romp is gedrongen, de hals dik, de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten zijn langer dan +de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren zijn +slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste, +wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals, de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht +reikt, en de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt tot manen, die op varkensborstels gelijken, de +doffe, nachtelijke kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk, dien het geheele dier maakt. Bovendien +zijn alle Hyenas nachtdieren, hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk soms op een afgrijselijk +gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig, verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna hinkende +bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk schoon +noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt, +dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij +te trekken van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn +zeer ontwikkeld, de hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich door hun sterk ingedrukte kroon, de +scheurkiezen door hun massieve ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met hoornachtige papillen +bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken van deze +dieren. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het omvat—waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen +gelegen landen van het westen—geheel Afrika en Zuid-Azië tot aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen +landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige +landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men +ze alleen dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan. +Dan eerst verneemt men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine gezelschappen vereenigd rondzwerven, +en op buit of op den afval van den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar afschuwelijk nachtgezang +laat hooren, zijn de andere gewoon in te vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet zoo afkeerwekkend, +als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende of knorrende. +Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend gelach. +Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker +herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer +waarschijnlijk, dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn, +dat het gehuil in een streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit nachtelijk concert het een of ander +te eten heeft gevonden. Zoolang de nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging; zij komen zelfs +onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug. + + +</p> +<p>Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door +een gewond dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten +of Runderen, die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen +heendringen. Zoodra zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven nu zoo onhoorbaar mogelijk (want +tot sluipen zijn zij niet in staat) met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en speuren telkens +als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de Gestreepte; +in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood +dier kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos <a id="d0e3494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3494">164</a>]</span>door dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren +schade aan. Maar ook met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte nadeelen soms zeer belangrijk. +<span class="smallcaps">Selous</span> verloor door haar in Zuid-Afrika twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een andere keer vraten zij +een ’s avonds door hem geschoten Leeuwin ’s nachts gedeeltelijk op<a id="d0e3499"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> In allen gevalle wagen zij den strijd met gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte dieren en geen +krengen kunnen vinden. + +</p> +<p>In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals +de Wolven met hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze op. Zulke jachtbedrijven moeten echter +als uitzonderingen beschouwd worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om ieder dergelijk voorwerp +is weldra een groot gezelschap Hyenas aan den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet te beschrijven. +Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles, +zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen +strijd geraken; door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach, dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig +mensch waarlijk op het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier bijeengekomen waren. + +</p> +<p>Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe +nut op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten +uit den weg geruimd.—De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken, worden steeds gevolgd door een of minder groot +aantal Hyenas, die als ’t ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze expedities haar ten deel zullen +vallen. + +</p> +<p>Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van +dezen aard bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht, dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid +boven allen twijfel verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk alleen dan een strijd met volwassenen, +wanneer deze ziek of afgemat zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter weerbare mannen. In eenige +streken van Afrika wordt zij daarom als een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte voorkomt. Wegens +de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele stammen +vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken, vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die +op zeer jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen +de gevangenschap zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind. + +</p> +<p>In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in +Middel-Europa veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer +dieren ten duidelijkste blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten van deze familie, de drie echte +Hyenas en de Aardwolf, die als een middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd mag worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gestippelde</span> of <span class="letterspaced">Gevlekte Hyena</span> (<i>Hyaena crocuta</i>) onderscheidt zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de Gestreepte Hyena, die veel vaker naar +Europa wordt overgebracht, en van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die nu eens wat meer, dan +weer wat minder naar ’t vaalgele zweemt, staan op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen bruine +vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig, de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart; +de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af: sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte +van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80 cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook +veel grootere exemplaren voor. + +</p> +<p>De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar +zij veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; +verder zuidwaarts echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de eenige. In Abessinië is zij algemeen, +in de gebergten komt zij tot op 4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en al op die van hare verwanten; +zij wordt echter wegens hare grootte en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk daarom als een onheilvoorspellend, +betooverd wezen beschouwd. Vele onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt en vooral slapende +en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt, volgens <span class="smallcaps">Rüppell</span>, ook door de Abessiniërs beweerd. + +</p> +<p>De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste +en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien +men het toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep +weldra tot op zekere hoogte temmen kan<a id="d0e3530"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen verricht, +kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen +behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt +zij op een en dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk dom om zich heen, schuurt zich aan de +traliën en laat van tijd tot tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd wordt, iemand door merg en +been dringt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Schabrak-Hyena</span> of <span class="letterspaced">Strandwolf</span> (<i>Hyaena brunnea</i>) onderscheidt zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden afhangende manen op den rug. De kleur +van het overal lange haar is effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit gegolfde plaatsen aan de +pooten; de kop is donker bruin en grijs, het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De haren van de rugmanen +zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf <a id="d0e3546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3546">165</a>]</span>is aanmerkelijk kleiner dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte. + +</p> +<p>Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige, westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt, +gewoonlijk in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte +Hyena, maar komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel +met die, welke door de zee op het strand geworpen worden. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1165.jpg" alt="Gevlekte Hyena (Hyaena crocuto). 1/11 v. d. ware grootte." width="512" height="423"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gevlekte Hyena</span> (<i>Hyaena crocuto</i>). 1/11 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gestreepte Hyena</span> (<i>Hyaena striata</i>) is het ons welbekende dier der reizende menagerieën. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst bij het onze gelegen is, +en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten van de voor +’t publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is, +kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de +geelachtig witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen hebben ook bij deze soort zwarte spitsen; +het voorste deel van den hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms gestreept. De kop is dik, de +snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen onbehaard. De jongen +gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte is 1 M., soms iets meer, soms iets minder. + +</p> +<p>Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied; het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste +westen, een groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azië van de Middellandsche Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals +alle Hyenas, houdt zij niet van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam, in schaars bevolkte streken +zelfs veelvuldig; zij is echter de minst schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar vaderland zijn +gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen, te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende +dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten; zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans +zeer dicht erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn later Gieren te schieten, kwamen des nachts +in den regel Hyenas af, die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten, slopen zij dikwijls tot bij ons +leger; meermalen hebben wij uit onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een uitstapje naar den Sinaï +schoot mijn vriend <span class="smallcaps">Heuglin</span> met hagel een Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk +nooit menschen, zelfs gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op, tenzij deze slechts met een dun laagje +zand of aarde bedekt zijn; aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald worden, is zij dus onschuldig. +Haar levenswijze gelijkt op die van de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor. + +</p> +<p>Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten +bij zoo groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel +zij een tijdlang in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks. +In ’t eerst beten zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij haar weerspannigheid te keer; drie maanden +na den dag waarop wij ze gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder eenige mishandeling te moeten duchten. +Van dag tot dag geraakten zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen, als ik bij haar kwam. Zij gedroegen +zich, toen zij meer dan half volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar stal kwam, stonden zij met +een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden mijn gelaat. +Later ben ik wel in Kaïro <a id="d0e3575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3575">166</a>]</span>met deze dieren, die ieder aan een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting van alle geloovigen. Soms +toonden zij mij haar gehechtheid door mij ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend als verontrustend +schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat schrander +en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit +deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij +bedankten ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds aangeduide wijze te begroeten, of althans onze +handen te besnuffelen. + +</p> +<p>Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt +hadden. Wij voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij voor haar schoten. + +</p> +<p>Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest, +hadden zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan, zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor +warme genegenheid vatbaar zijn. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Aardwolf</span> of <span class="letterspaced">Civet-Hyena</span> (<i>Proteles Lalandii</i>) vormt het tweede geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft, gelijkt dit dier, dat nog slechts +weinig bestudeerd is, in ’t oog loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten snuit, de hooge voorpooten, +den naar achteren afhellenden rug, de rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter en de voorpooten +hebben een korten duim, evenals die der Honden. + +</p> +<p>Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart +30 cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen +hebben een witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur. + +</p> +<p>De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk gedeelte. + +</p> +<p>Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag +in holen verbergt, welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond +worden. De drie door <span class="smallcaps">Verreaux’</span> gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit één hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven. +Zij kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich +in der haast weer in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij een merkwaardige behendigheid. Uit het +onderzoek van het hol bleek, dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote kamer leidden, die waarschijnlijk +tijdelijk aller gemeenschappelijke woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel van deze dieren hoofdzakelijk +uit lammeren bestaat, dat zij echter nu en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter hoofdzakelijk +alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen, hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor ’t overige is de +levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk scherp onderscheiden is, vereenigen wij de <span class="letterspaced">Honden</span> (<i>Canidae</i>). Hun lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon +tusschen de beide familiën vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden, vormen zij toch door uitwendig voorkomen +en inwendig maaksel, door levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In grootte staan zij alle bij +de grootste Katten-soorten achter; zij zijn ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun gestalte +is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten +rust, is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen +meestal 5, aan de achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp eindigende en niet terugtrekbare klauwen +dragen. De oogen zijn groot en voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten; de ooren zijn meest spitser +en grooter, de tepels aan de borst en den buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 à 48 tanden bestaat, zijn de +snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak, betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig; +de vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen (aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt +dan bij de Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven, 2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe +maaltanden, die het voedsel flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn; 7 halswervels, 20 rug- en +lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 à 22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door 13 paar ribben +(9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn +krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag; de eigenlijke darm is 4- à 7-maal langer dan het lichaam. + + +</p> +<p>Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor +het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen +zij in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij +de Katten ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid, zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het +gelaat van den Hond heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit op zulk een in ’t oog loopende +wijze het drieste zelfvertrouwen en de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt. + +</p> +<p>Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel +verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor. +In eenzame, stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen, +op dicht begroeide plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen bijna voortdurend rond en blijven hoogstens +zoo lang in een <a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">167</a>]</span>oord, als zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen beperkt worden; andere graven zich holen in +den grond, of maken gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin voor vast verblijf te houden. Sommige +soorten zijn ware nachtdieren, andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van het daglicht. Gene verbergen +zich gedurende den dag in hunne holen of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het riet of in het hooge +koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen; zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied, maken daarbij +in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen, jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden en +trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere +Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die +soorten, waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich in sommige omstandigheden tot grootere troepen +bijeen, men mag wel aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn. + +</p> +<p>Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun +niet te klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als +de Katten: voor ’t overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen +en toonen een ongeloofelijke volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen dit meesterlijk; zelfs treffen +wij bij hen reeds echte waterdieren aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven spelen. Bij het gaan +zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn +de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig +minder scherp dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk fijngevoelig; ook van het gezicht kan men +zeggen, dat het beter is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl +de over dag jagende hen beslist overtreffen. + +</p> +<p>Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken +van list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk +doen. De hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met +lichaam en ziel aan hen overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een trap van ontwikkeling hebben +bereikt, die bij geen ander dier wordt aangetroffen. De tamme Hond en de in ’t wild levende Vos handelen met schrander overleg +en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit, welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door zijn verstand +is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt; hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren. + +</p> +<p>De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren +niet liever dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer +graag beenderen; andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien +eten zij Kruipende Dieren, Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld- en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, +uitspruitsels, wortels, gras en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij verslinden kunnen; de bloeddorst +vertoont zich hier echter nooit in een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters; er is geen enkele +Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode slachtoffers met welgevallen bedwelmt. + +</p> +<p>De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten; het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen +van het voortplantingsvermogen der Zoogdieren in ’t algemeen. Men kan aannemen, dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; +het is echter wel eens gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat een Hond in een worp 18 en zelfs +23 jongen ter wereld bracht. Het komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond de jonge nakomelingschap +van een teef met moordzuchtige bedoelingen vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven en Vossen, +die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren +dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met ware zelfverloochening voor haar kroost. + +</p> +<p>Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, +die de geheele familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den mensch benadeelen, worden daarom overal +onbarmhartig vervolgd. Hier staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van schadelijke Knaagdieren en +Insecten of door het uit den weg ruimen van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien nog door hun +vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren. + +</p> +<p>Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten +de <span class="letterspaced">Wolven</span> of Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (<i>Canis</i>), de <span class="letterspaced">Vossen</span>, met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (<i>Vulpes</i>) en de <span class="letterspaced">Lepelhonden</span>, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit zeer vele tanden samengesteld gebit (<i>Otocyon</i>). +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen, is het volstrekt noodzakelijk, zijne in ’t wild levende verwanten, +de <span class="letterspaced">Wolven</span> (<i>Canis</i>), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken, te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende Honden tot +de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was, voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog +het oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier. + +</p> +<p>In het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Eigenlijke Wolven</span> (<i>Lupus</i>), vereenigen wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond), hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij +ook vertoonen, voorzoover hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een matig grooten kop met tamelijk +spitsen snuit. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Wolf</span> (<i>Canis lupus</i>, <i>Lupus vulgaris</i>), heeft ongeveer den vorm van een grooten, hoog op de <a id="d0e3678"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3678">168</a>]</span>pooten geplaatsten, schralen Hond, die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij nauwkeuriger vergelijking +merkt men de volgende punten van verschil op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren met dezen bouw +van den romp; de langharige staart hangt tot op het hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken, +gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. +De beharing wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont; zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar +verschillen. In de noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst aan het onderlijf en aan de bovenste +gedeelten der ledematen, ruig aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden; in zuidelijke streken is de +beharing over het algemeen korter en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een zwartachtige tint doormengd, +die aan de onderzijde lichter, dikwijls witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood, in den winter +is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het voorhoofd +is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig +en soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1168.jpg" alt="Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="462"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wolf</span> (<i>Canis lupus</i>). 1/9 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen +moet beschouwen. De Wolven in ’t gebergte zijn over ’t algemeen groot en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner +en zwakker, maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt +men algemeen de Rietwolven en de Boschwolven. + +</p> +<p>Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer +85 cM. Een flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin onderscheidt zich van den Wolf door een iets +zwakkeren lichaamsbouw, een spitseren snuit en een dunneren staart. + +</p> +<p>Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont +tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt +hij in alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is +hij tamelijk veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel- en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië +is hij geheel uitgeroeid; in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië, Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, +de Donau-vorstendommen, Polen, Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij ook thans nog in noemenswaardig +aantal voorkomt. Op IJsland en de eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden te hebben. In de Atlaslanden +wordt hij wel gevonden. Bovendien strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en Middel-Azië, door Afghanistan +en <a id="d0e3696"></a><span class="corr" title="Bron: Beloedsjistan">Beloetsjistan</span> tot in het stroomgebied van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In Noord-Amerika heeft hij verwanten, +die zoo zeer op hem gelijken, dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond binnen zijn verbreidingskring +heeft getrokken, en niet alleen den Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten heeft opgevat. + +<a id="d0e3699"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3699">169</a>]</span></p> +<p>De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet +slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne +bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht +dan verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof +van onze voorouders verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den “Wilden Jager” en zijne Wolven in diens Honden. Ten slotte +ontstond uit deze de als “Weerwolf” bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch verscheen, en een bron +van ontzetting was voor alle bijgeloovige lieden. + +</p> +<p>Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde +Europeesche landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in +geen der groote wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland, volgens officieele opgaven, altijd nog +duizenden van deze dieren gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In Pommeren alleen doodde men +er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102, 1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809: 43 stuks. Daarna +werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger, dat hun +lijken genoeg als voedsel verschafte. + +</p> +<p>“De Wolf,” zegt <span class="smallcaps">Van Bemmelen</span>, “was vroeger in de meeste streken van ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten bij honderden gedood. +Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en Heeswijk +in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche, +Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk +uit de Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald.” + +</p> +<p>De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en +droge gedeelten, in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk kleine en lage, wild groeiende bosschen, +op dammen in broekland en moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden, dikwijls in de onmiddellijke +nabijheid van bijeenstaande huizen. In dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering voor het aanbreken +van de schemering, in eenzame wouden daarentegen begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de namiddaguren +zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den +honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie +stuks; in den winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer of minder groot aantal individuën bestaan, +al naar de landstreek deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, +staan elkander bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De tot benden vereenigde Wolven zwerven +even ver rond als de afzonderlijk levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten, doorreizen, van het +eene bosch in het andere overgaande, geheele provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten, waarin +men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen, niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten +in een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke +sneeuwlaag ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, +op korten afstand van en achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden, zoodat het zelfs voor een +ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen, uit hoeveel individuën de bende bestaat. + +</p> +<p>Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem +zeer snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover +richt dan ook overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij +jacht op huisdieren en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter +ook wel met de kleinste en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel; hij eet, naar bericht wordt, maïs, +meloenen, komkommers, augurken, aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou, hoewel ook dan nog aanzienlijk, +toch misschien nog te dragen zijn, als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde bloeddorst liet vervoeren, +om veel meer dieren te dooden, dan hij voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een plaag voor de herders +en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan dan in den +winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild, nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende +soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen; van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens +eenig klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een +verschrikkelijke opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten, Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna +alle Hazen uit, maar valt de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende +langen tijd tevreden met de allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen over een afstand van honderden +wersten, en voedt zich dan uitsluitend met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en zamelt Meikevers +in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber; daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens slachtplaatsen +den disch schoon. + +</p> +<p>Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide +en spaart zoo min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen hebben alleen dan geen last van hem, +als zij aaneengesloten troepen vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd heeft. Als de winter +aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg, Moskou en +andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en Kroatische dorpen door, <a id="d0e3715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3715">170</a>]</span>doorloopt zelfs steden van de grootte van Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht bezig; vooral +de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk +kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling +sluipt hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak +van den vermetelen roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden, terwijl daarentegen de bewoners van +alle dorpen in de door Wolven bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden verliezen, op gelijke wijze +als de wolvenjager iederen zomer verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven zich tot benden vereenigen +om te jagen, vallen zij ook Paarden en Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland wordt verteld, +dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan, en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat de +Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang +hem dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die, evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en +door de fantazie op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine kern van waarheid. Een troep door den +honger gekwelde en door woede verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare volwassenen, aanvallen, +dooden en verslinden; de gevaren, die den mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet zoo verschrikkelijk +als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een krachtigen +man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen +en kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar. + +</p> +<p>Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle +volken die vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt +in een gewest geheel onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens <span class="smallcaps">Kobell</span>, voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten +gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade +op 8 à 10000 gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord “vrede” dezelfde beteekenis als “geen last van de Wolven”. Men +kent daar slechts één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die de levende have van de arme nomaden van +het noorden dikwijls op de gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven aanzienlijke verliezen. In Rusland +vallen hun ieder jaar omstreeks 180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten prooi; <span class="smallcaps">Lasarewski</span> begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt, +dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit alles komt nog, dat ook zij voor <i>rabies</i> (hondsdolheid) vatbaar zijn, en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden. + +</p> +<p>Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, +maar ook onder de dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig, wanneer zij de lucht krijgen van een +Wolf; de overige huisdieren, met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig vermoeden krijgen van de +nadering of van de aanwezigheid van den gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter genoegen te bestaan +dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden over ’t algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de gevaarlijkste +jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante +dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden. + +</p> +<p>Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf +gegraven holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in de Russische steppen des nachts voortdurend om +de kudden. Zij naderen de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende veulens, die zich te ver van de kudde +verwijderd hebben, te verrassen, of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en werpen ze ter aarde. +Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven van +de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, +als hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien +ten buit, een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik +om te vluchten, verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt, en daarna door hen met evenveel smaak +verslonden, als waarmede hij hen opgegeten zou hebben. + +</p> +<p>De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond: dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen +en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, +dat hij niet door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd aan zijn kracht. Zoolang de honger hem +niet kwelt, is hij een van de lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan niet alleen voor menschen +en Honden, voor een koe of een Bok, maar ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten en de koppen tegen +hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list, geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos, bezit veeleer +deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat +hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt, den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij +met even groote voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor +en het gezicht zijn alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts zorgvuldig speurt, maar ook reeds +op grooten afstand de lucht krijgt van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te bepalen, aan welk +dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere +sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend waarnemingsvermogen <a id="d0e3734"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3734">171</a>]</span>blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt. + +</p> +<p>Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen +brengt de Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4 à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 +dagen blind, groeien in ’t eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden, spelen vroolijk met elkander +of plukharen soms onder luid, op grooten afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel liefde, als +bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft +hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun +verblijfplaats verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben, of wanneer er werkelijk een gevaar +dreigt, draagt zij hare jongen in den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze dieren bereiken kunnen, +bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren. + +</p> +<p>Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin +bastaarden ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden houden niet altijd het midden tusschen den +Wolf en den Hond; ook kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den regel gelijken zij meer op den Wolf +dan op den Hond, ofschoon er ook bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen. + +</p> +<p>Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid +aan hun meester. <span class="smallcaps">Cuvier</span> maakt melding van een Wolf, die als een jonge Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan den “Jardin +des Plantes” werd geschonken. “Hier toonde hij zich gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en was volkomen +onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden; +het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. +De Wolf herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn +blijdschap.” + +</p> +<p>Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde +lokaas, de <a id="d0e3747"></a><span class="corr" title="Bron: verradelijke">verraderlijke</span> strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in +den winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap, trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine +hoeveelheden in het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het dus toebereide dier wordt, nadat de huid +er weer overheen getrokken is, neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf eet zich zat aan een +op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze handelwijze +is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep +en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne, buigzame takken, mos enz.; op ’t midden van dit dak wordt +een lokaas vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige nasporingen te doen, en om menschen, welke +dien weg langs gaan, niet in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven, waarover ieder die op het lokaas +belust is, moet heenspringen. + +</p> +<p>In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf +was en is het signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, +Litauen enz. heeft men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het bosch gehouwen en dit hierdoor in +kleine vierhoeken verdeeld. + +</p> +<p>Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. +Het opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd, totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen. + + +</p> +<p>Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, +een goede pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste vellen komen uit Skandinavië, het noorden van +Rusland, Siberië en het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien wordt in vele landen van regeeringswege +nog een premie betaald voor iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen, gevangen of vergiftigd werd. + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops vermelden: de <span class="letterspaced">Vale Wolf</span> (<i>Canis [Lupus] occidentalis</i>), een groot, maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks +kleur van vaalwit, door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, +alsmede de <span class="letterspaced">Jakhalswolf</span> of <span class="letterspaced">Aboe-el-Hossein</span> der Arabieren (<i>Canis [Lupus] anthus</i>), een kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals +uit afbeeldingen van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit eindigende kop draagt groote, breede +ooren; de romp rust op hooge pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. +Hij voedt zich met klein wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd, jacht op de Schapen- en Geitenkudden +van de inboorlingen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de <span class="letterspaced">Gestreepte Wolf</span> <i>(Canis [Lupus] adustus)</i>, een middelvorm tusschen den Wolf en den Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig toegespitsten +snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver vaneenstaan, +zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in ’t oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem. + +</p> +<p>“De Gestreepte Wolf,” zegt <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, die dit dier in Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd, heeft nagegaan, “is grooter en staat +hooger op de pooten dan onze Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in ’t gelaat, maar tevens edelere en ook goedaardige +trekken. Het is een buitengewoon behendig en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De inboorlingen +van Loango, die den Gestreepten Wolf <span class="letterspaced">Mboeloe</span> noemen, doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook de Honden der dorpelingen denken er niet aan, +met hem te twisten. In alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn langgerekt, <a id="d0e3793"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3793">172</a>]</span>schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend, dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen, wanneer +het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten +ons eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas, waar zulk een dier juist aan een groote Slang, +aan een Python, ten buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel te bevrijden. Eerst wist hij niet, +wat hem overkwam, maar weldra liep hij huilend weg. + +</p> +<p>“Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, +en werd zoo tam en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden toestaan. Hij liep niet slechts binnen +de omrastering rond, en bezocht de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen, als door de velden en heesterbosschen +van de omstreken. Daar zocht en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij spelenderwijs uit overmoed +achterna; hij maakte waarschijnlijk ook menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig hield hij zich +niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust, nadat +hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij +later nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was een zacht ‘Pst!’ of een verwijtend woord voldoende, +om hem op het pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig, maar verscheen toch altijd ’s avonds in de +eetkamer om eenige brokken in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte, vergat hem iets te geven, meldde +hij zich aan door zijn neus tegen ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie te leggen. Hij nam alles +dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch, vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter geen andere dan +dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als +een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk +aan die, welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er letterlijk door betooverd.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Jakhals</span> (<i>Canis [Lupus] aureus</i>) is het dier, dat door de ouden <span class="letterspaced">Thos</span> en <span class="letterspaced">Gulden Wolf</span> werd genoemd; de “Vossen,” die <span class="smallcaps">Simson</span> gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In ’t Oosten is dit +dier overal bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen, als waarmede men te onzent die van den Vos +gedenkt. + +</p> +<p>De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à +50 cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die +van den Vos; de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren zijn kort, de lichtbruine oogen hebben +een ronde pupil. Een ruige vacht van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren samengesteld is, bedekt +het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend, soms ook +zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den +kop, een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de keel en den buik in witachtig geel, aan de borst +in roodachtig geel, aan den onderhals in grijs over. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1172.jpg" alt="Gestreepte Wolf (Canis adustus). ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="417"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gestreepte Wolf</span> (<i>Canis adustus</i>). ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten +van dit werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië, Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn +verbreidingsgebied zich uit over Noord-Afrika en ook over een deel <a id="d0e3830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3830">173</a>]</span>van Europa, n.l. <a id="d0e3832"></a><span class="corr" title="Bron: Turkijë">Turkije</span>, Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open +landschappen, in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van 1000 M. + +</p> +<p>De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over +dag blijft hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om andere dieren van zijn soort tot zich te lokken +en zwerft dan met deze rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld jaagt. Misschien is hij wel de +brutaalste en lastigste van alle wilde Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den mensch, maar +dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van +zijn gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat +hij <a id="d0e3837"></a><span class="corr" title="Bron: meteen">met een</span> bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, +in de hoogste mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen Hond, maar zich door een grootere afwisseling +onderscheidt. Het moet volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige gemoedsstemming; want de Jakhalzen +huilen ook bij een overvloedig maal. + +</p> +<p>Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut +dat zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade, die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit +den weg ruimen van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door het vangen van Muizen; schadelijk zijn +zij door hunne onbeschaamde gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is, maar stelen bovendien nog +allerlei oneetbare zaken uit huis en hof, tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne lust en liefhebberij +voor ’t stelen is misschien even groot als hun vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen Reintje, +moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk +te gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, +vervolgen klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages +door hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. +De zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de +beste koffie opleveren. ’t Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken +is in de omstandigheid, dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn heengegaan, maar hierin, dat de +Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste vruchten uit te kiezen. + +</p> +<p>Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden +zeer gehecht aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; +zij komen als men ze roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij hebben eigenlijk alle zeden en +gewoonten van de Huishonden. Zelf als zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich na verloop van +tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk ook zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een welbekende Amerikaansche Wolf, de <span class="letterspaced">Huilwolf</span> of <span class="letterspaced">Steppenwolf</span>, <span class="letterspaced">Prairiewolf</span> of <span class="letterspaced">Coyote</span> (<i>Canis [Lupus] latrans</i>) doet zich voor als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze +komt hij door den bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen, zijn spits toeloopende snuit herinnert +aan dien van den Vos. Wegens de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog dikker, dan hij werkelijk +is; de hals is kort en krachtig; de van boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van den Wolf; het +oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De vacht +heeft een vuil geelachtig grijze kleur. + +</p> +<p>De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde ongeveer +door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de +landengte van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De +<span class="letterspaced">prins</span> <span class="smallcaps">Von Wied</span>, aan wien wij, nevens <span class="smallcaps">Audubon</span>, de beste beschrijving van de Coyotes te danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen en in levenswijze +met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid +op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het +niet zelden ook over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt en het zeer koud is. In den bronsttijd +bewoont de Prairiewolf holen, die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10 jongen. Omstreeks dezen tijd +hoort men in de Prairiën haar stem; een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is, en dat op het geluid +van onze Vossen gelijkt. + +</p> +<p>Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen +tijd een Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. +Als hij zijne vrienden zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam dicht bij de traliën van zijn hok +om zich te laten liefkoozen. Hij likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens rook hij er aan. Als +hij alleen was, verveelde hij zich en begon jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap gaf, mishandelde +hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten kon dan hij zelf. + +</p> +<p>De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde +zelfs het gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak, huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden +in een dergelijk geval doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen was evenwel niet zeer ernstig +gemeend. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op het noordelijk halfrond beschouwt men <a id="d0e3882"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3882">174</a>]</span>den <span class="letterspaced">Marterhond</span> (<i>Canis [Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus</i><a id="d0e3889"></a><span class="corr" title="Bron: ">)</span>, een eigenaardig dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China +en Japan inheemsch is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten +zijn volgens de nieuwste onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke wij den <span class="letterspaced">Maikong</span> of <i>Karasissi</i>, den <span class="letterspaced">Savanna-Hond</span> der kolonisten (<i>Canis [Lupus] cancrivorus),</i> en den Aguarachay of Braziliaanschen “Vos” (<i>Canis [Lupus] vetulus</i> of <i>Azarae</i>) vermelden. Het vaderland van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot den Atlantischen Oceaan, van +den evenaar tot aan de zuidspits van Patagonië. Als een in ’t oog vallende eigenaardigheid van dit dier wordt medegedeeld, +dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. <span class="smallcaps">Tschudi</span> vond in het hol van zulk een “Zorra”, zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een stijgbeugel, een spoor en een mes. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1174.jpg" alt="Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="411"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huilwolf</span> (<i>Canus latrans</i>). 1/9 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een tweede ondergeslacht van de Wolven (<i>Lycaon</i>) wordt gevormd door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten: de <span class="letterspaced">Hyena-Hond</span>. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor en +het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. +De matig hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten +slechts vier teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst +eigenaardige wijze gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Hyenahond</span>, <span class="letterspaced">Steppenhond</span>, <span class="letterspaced">Geteekende Hond</span> of <span class="letterspaced">Jachthyena</span> (<i>Canis [Lycaon] pictus</i>) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst vertoont. +Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee +dieren van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. +Wit, zwart en okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den anderen de zwarte kleur de overhand; een +van deze kan dus aangemerkt worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere vlekken scherp uitkomen. +Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls over het geheele +lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart, en deze +kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren +zijn zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in ’t midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel. + + +</p> +<p>De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; +in Oost-Afrika zag <span class="smallcaps">Böhm</span> hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer; <span class="smallcaps">Rüppell</span> ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens <span class="smallcaps">Schweinfurth</span>, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens <span class="smallcaps">Nachtigal</span>, van Kanem aan het meer Tsad. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Gordon Cumming</span> leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. “Deze Honden,” verhaalt hij, “jagen in benden, die soms uit een zestigtal individuën +bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor +zoover mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren +het dan onmiddellijk op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch toonen zij minder vrees dan eenig +ander Verscheurend Dier.” <span class="smallcaps">Heuglin</span> noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie <a id="d0e3971"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3971">175</a>]</span>kleur en schoone gestalte “een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier,” en zegt, dat het “zijne valschheid en arglistigheid +niet verloochenen kan”; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet schroomt, zelf den mensch aan te vallen. + + +</p> +<p>Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel +zijn, deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat +zich zeer goed kan verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij hare veerkrachtige pooten met de grootst +mogelijke snelheid beweegt, door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend, en op een onbeschrijfelijke +wijze luidruchtig; men zou dit geluid een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort gaat de jacht; de Antilope +vergeet door den grooten nood, waarin zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen, die zij gewoonlijk +met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een nooit +vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste, +die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben, de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang +de jacht duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In ’t bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het +hoofd aan hare moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens zich over den bodem. Al wordt ook de +een of andere vervolger gewond of misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na verloop van een +minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde, soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint +een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van ’t bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, +vermeerdert hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt, dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden +en het overige laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt, slechts weinig; <span class="smallcaps">Burchell</span> vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op het overschot +van het wild voor eigen gebruik. + +</p> +<p>Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond +zijn; maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter aan den wil van den mensch te onderwerpen. <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> zag in een “seriba” in Bongo-land “een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat voor zijn meester zoo volgzaam was als een +Hond.” In het jaar 1859 vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna volwassen Steppenhond in een +beestenspel te Leipzig. Later heb ik verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap gehad. Een onstuimige +uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt, onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om hierdoor pijn +te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door daden +te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond +op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid +zich openbaarde, vertoont zich in ’t volgende oogenblik als wildheid, bijtlust, roofzucht. “Het blaffen baat hier niet,” laat +<span class="smallcaps">Grandville</span> zijn Wolf zeggen, “gebeten moet er worden”: als hij den Steppenhond gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd +hebben. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1175.jpg" alt="Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="428"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hyenahond</span> (<i>Canis pictus</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p><span class="smallcaps">Sykes</span> beschreef een Wilden Hond van Indië, den <span class="letterspaced">Kolsoen</span>, waarin hij den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst +heeft met den Windhond dan met den Jakhals of den Wolf, behoort <a id="d0e4003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4003">176</a>]</span>tot een derde ondergeslacht (<i>Cyon</i>) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze over ’t geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij +heeft ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig grooten Windhond; de beharing is overal even dicht +en bestaat uit vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur wisselt af van fraai bruin- of roestrood +tot bruinachtig grijs, is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit, de ooren, de voeten en het puntje +van den staart. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1176.jpg" alt="Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="504"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Adjag</span> (<i>Canis rutilans</i>). 1/7 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen <span class="letterspaced">Son-Ram-koetta</span>, <span class="letterspaced">Dsjangli</span>, <span class="letterspaced">Kolsoen</span>, <span class="letterspaced">Kolsa</span> enz. en heet in den Himalaja <span class="letterspaced">Boeansoe</span> enz. (<i>Canis [Cyon] dukhunensis</i> en <i>primaevus</i>). Hij komt voor in den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir oostwaarts tot Assam, in het oostelijk +deel van Tibet en in alle boschrijke districten van Voor-Indië. + +</p> +<p>Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, +ook wel in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet +hij zich ook weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt, is hij nergens talrijk, en kan niet lang +in hetzelfde jachtgebied blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig maakt en verdrijft. Voor de jacht +vereenigen deze dieren zich tot troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere berichten uit 50 à 60) +individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op een angstig +jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van jagen +komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding, +of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar +men zegt, niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats, en is niet naar de keel gericht, maar naar de +flanken, naar de weeke deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door beten, welke bliksemsnel gedurende +de vervolging toegebracht worden, weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna het slachtoffer zeer +spoedig ter aarde stort. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Maleische Wilde Hond</span> of <span class="letterspaced">Adjag</span> (<i>Canis [Cyon] rutilans</i>) is kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de +onderzijde lichter gekleurd is. De staartspits is zwart. + +</p> +<p>De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat +hij groote dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java +gelegen en strekt zich, voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot aan het zeestrand, waar hij, volgens +<span class="smallcaps">Junghuhn</span>, in sommige tijden een zeer eigenaardige prooi vervolgt. “Toen ik,” zegt <span class="smallcaps">Junghuhn</span>, “den 14en Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand +overzag tot aan de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald: ‘Schildpaddenoorlog’) bevindt, kon ik +mij op een slagveld <a id="d0e4062"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4062">177</a>]</span>verplaatst wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen overal verspreid. Eenige waren door de zon +gebleekt en bestonden slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld met de verrottende, stinkende ingewanden, +nog andere waren versch en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden n.l. de Schildpadden gedurende hun +nachtelijke wandeling van den zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde Honden aangevallen. Deze +komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die een houvast +aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn reusachtige +grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het buikpantser +los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne +bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. +Ook kunnen de Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In vele nachten komt de beheerscher der +wildernis, de Koningstijger, uit het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende oogen het strand te +overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden van de Honden, +die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort +afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk +woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis +zwerft, reeds op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog in de lucht daarboven kringen beschrijven.” + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Dingo</span> of <span class="letterspaced">Warragal</span> (<i>Canis dingo</i>) de Wilde Hond van Australië, werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt, waarmede hij werkelijk in +vele opzichten overeenstemt. Deze meening vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering van eenige Vleermuizen +en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren behoort. +<span class="smallcaps">Mac Coy</span> en <span class="smallcaps">Nehring</span> hebben echter fossiele overblijfselen van den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en het bewijs +geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde Huishond is. Hij is aan den <span class="letterspaced">Indischen Wolf</span> of <span class="letterspaced">landjak</span> der Mahratten (<i>Canis pallipes</i>) nauw verwant en kwam over het land, dat in een gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van Azië verbond, +in het thans door hem bewoonde gebied. + +</p> +<p>De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp, +stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt +tot voorbij den hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een geringe hoogte hebben. De beharing +is vrij gelijkmatig. Bij de meeste exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig roode kleur een meer +of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter, terwijl +de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen, +treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1177.jpg" alt="Dingo (Canis dingo) ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="409"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Dingo</span> (<i>Canis dingo</i>) ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes +der steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten +vijand van ’t vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen. +<a id="d0e4106"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4106">178</a>]</span></p> +<p>Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige +plaatsen den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst in de nachtelijke uren rond om jacht te maken +op nagenoeg alle op den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook hierdoor, dat hij slechts zelden +tot groote gezelschappen vereenigd zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks, meestal een moeder +met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel, dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten beweren, +dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een +familie zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit jagen in dat van een andere bende, maar dulden +ook niet, dat deze de grenzen van hun jachtveld overschrijdt. + +</p> +<p>Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend +groot aantal Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen 3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen +en lammeren door de Dingo’s geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct gevolg zijn van den aanval van het +Roofdier, is de schade die er indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt, in zinneloozen angst wegrennen, +zonder te weten wat zij doen, in de wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo’s of van dorst bezwijken.—Bovendien +verslindt dit Roofdier allerlei soorten van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas levende dieren. +Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier, en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden +leven in voortdurende vijandschap met de Dingo’s; deze dieren vervolgen elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden +een Dingo zien, vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt den verdwaalden Huishond ten deel, als +hij onder de Dingo’s geraakt. + +</p> +<p>Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en +de geslepenheid van den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden in zijn belang gebruik te maken; +wanneer echter zijne vijanden hem dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen, draait hij zich +in wilde woede om en verweert zich met de razernij der vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid +gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van ’t leven van dit dier voert <span class="smallcaps">Bennett</span> bewijzen aan, die werkelijk aan ’t ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en zoo door hen geslagen, +dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter hadden +de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd, toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich +afschudden en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.—Alle mogelijke middelen worden toegepast om den Dingo uit +te roeien. De hand van een ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt hem met strychnine. Met het +geweer wordt hij slechts bij toeval gedood, want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen; ook bij drijfjachten +weet hij behendig zich uit de voeten te maken. + +</p> +<p>Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, +die in een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, +en hun wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten +zijn. Dat men echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen +werd, een algemeenen regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo’s van de dierentuin te Breslau. Een daarvan +is zoo tam geworden als een Hond, de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk feit is, mettertijd +op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in de +nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, +op dezelfde wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden dus een huil-duet op. <span class="smallcaps">Schlegel</span>, aan wien ik deze mededeelingen te danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze Dingos hoogst waarschijnlijk +zeer bruikbare helpers van den mensch zouden kunnen opleveren. + +</p> +<p>Werkelijk is dan ook <span class="smallcaps">King</span> er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar bleek te +zijn, en <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> zag aan boord van het Engelsche pantserschip “Defence” een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond op het geheele schip +rondliep, zonder ongeval de steile trappen op- en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>“<span class="letterspaced">Door het verstand van den Hond bestaat de wereld</span>,” leest men in den <i>Vendibad</i> (het “wetboek”), het oudste en echtste deel van de <i>Zendavesta</i>, een van de oudste boeken, die men kent. + +</p> +<p>Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als +de Hond. Hij maakte als ’t ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven en welzijn hij onontbeerlijk is. “De Hond,” +zegt <span class="smallcaps">Cuvier</span>, “is de merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons +eigendom geworden, ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe, richt zich naar diens gebruiken, kent +en verdedigt diens eigendom en blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen gevolg van nooddwang of vrees, +maar het uitvloeisel van zuivere liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone ontwikkeling van zijn reukzin, +is hij voor den mensch een machtige bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van de menschelijke maatschappij. +De Hond is het eenige dier, dat den mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft.” + +</p> +<p>De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde +en onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs +de armzaligste, onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot vriend, tot verdediger. Zoomin de +overlevering als het wetenschappelijk onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft over zijne voorouders: +over de afstamming van het belangrijkste van alle huisdieren loopen de <a id="d0e4149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4149">179</a>]</span>meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen aanleiding +gegeven. + +</p> +<p>“Om,” zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, “den Huishond als <span class="letterspaced">soort</span> van de overige Wolven te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan de naar links gekromde staart, welk +feit reeds door <span class="smallcaps">Linnaeus</span> werd vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel +heeft onderworpen en overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die door de belangrijkheid van hare gevolgen +eenig is in de geschiedenis der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven met dat van den mensch, de +Hond heeft zich, evenals de mensch, aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde natuurwerkingen, die +op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te veroveren +en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken natuurstaat +(en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn +geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel +niet mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn schedel of van zijn gebit met een in ’t wild levende +soort van Wolf, welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende soorten van Wolven scherp te onderscheiden. +Onze Europeesche Honden zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen tusschen den Wolf en den Jakhals, +maar zóó, dat deze eigenschappen op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn. + +</p> +<p>“De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico +troffen de Spanjaarden stomme Honden aan. <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span> bericht, dat de Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka <span class="smallcaps">Pachacutec</span> hen tot de zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; +schedels en mummiën van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten tijd gevonden. <span class="smallcaps">Tschudi</span> heeft deze schedels onderzocht, houdt ze voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel, dat zij tot +een afzonderlijke soort behooren, die hij <i>Canis ingae</i> noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, +die verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt, vooral den Europeanen vijandig gezind. + +</p> +<p>“Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van +Wolven naderen, nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook in uitwendige eigenschappen weder op de +wilde vormen beginnen te gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den vorm van het dier, van de rechtopstaande, +spitse ooren, de beharing enz. Reeds <span class="smallcaps">Olivier</span> vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en oosten +van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw +en ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig +voorkomen is het licht te begrijpen, dat, zooals <span class="smallcaps">Pallas</span> heeft opgemerkt, de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is een bekend feit, dat er bastaarden van +den Hond en den Wolf bestaan; ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden bastaarden voor. <span class="smallcaps">Pallas</span> zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd; blijkbaar +echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond. + +</p> +<p>“Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan, zich afvraagt, of <span class="letterspaced">de Hond een soort, een zelfstandige en goed gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos</span>, dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort +komen zulke groote afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute grootte voor, als bij den Huishond. +Maar ook de huisdieren, welke, naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en onvervalscht behouden hebben—die +dus slechts in minder belangrijke opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard, de Ezel, het Rund, +de Geit, het Zwijn—, bieden zulke tegenstellingen niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen van +Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen +afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn. + +</p> +<p>“En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk +geen anderen uitweg over, dan de door <span class="smallcaps">Pallas</span> uitgesproken meening te onderschrijven: <span class="letterspaced">dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen inheemsch +zijn</span>. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid zal +men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in +deze zaak de leerstellingen en meeningen van <span class="smallcaps">Buffon</span> ons op een dwaalspoor zouden brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van den Hond met den Wolf +en den Jakhals, is met de meening van <span class="smallcaps">Pallas</span> het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van +vorm en grootte der Honden—die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij Hoenderen, voorkomt—een analogie verschaft in dergelijke, +niet minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming +in vorm en kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat, en ook het samenleven en de vriendschap dezer +dieren, zijn eveneens feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij aanvankelijk meer en meer aan +de wilde gelijk. Geiten, die gedurende het grootste gedeelte van ’t jaar vrij in het gebergte rondzwerven, en welker voorouders +vele geslachten her ditzelfde leven leidden, zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken zeer +op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige +jaren jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn.” +<a id="d0e4206"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4206">180</a>]</span></p> +<p><span class="smallcaps">Darwin</span> zegt: “De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één +wilde soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en +ten tweede het feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene Hondenrassen bestonden, die zeer weinig +op elkander geleken, maar veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs geheel gelijk waren aan deze. +Zoo geeft <span class="smallcaps">Youatt</span> een teekening van een beeldhouwwerk uit de villa van <span class="smallcaps">Antoninus</span>, waarop twee jonge Windhonden voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640 v. C. is een zeer groote +Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die, welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische monumenten van de +4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400 tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor ’t meerendeel +aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die op +den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte +kromme pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een +der eigenaardigste: hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en een korten, omgekrulden staart. Hij is +nauw verwant aan een ras, dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen Everhond, waarvan <span class="smallcaps">E. Vernon Harcourt</span> getuigt, dat hij “een excentriek, hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede <span class="smallcaps">Cheops</span> eertijds ter jacht ging,” en dat hij “eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen Hertenhond.” In denzelfden tijd als +dit overoude ras bestond er een, dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat er reeds 4000 à 5000 +jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren, namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters, +Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, +dat een dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans levende, bezitten wij echter niet. + +</p> +<p>“In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten +tot ons gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen +van keukenafval) uit de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk +afkomstig van een Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd (het tijdperk der bronzen werktuigen) +vervangen door een grooter, eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode door een nog grootere verscheidenheid. +In Zwitserland bestond in de jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige grootte, wiens schedel ongeveer +evenveel afweek van dien van den Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden met onze Jachthonden en +Patrijshonden gemeen had. Gedurende den bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar uit zijne kaakbeenderen +blijkt, overeenkwam met een Hond, die in hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. <span class="smallcaps">Schmerling</span> vond in een hol overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk verschilden, doch waarvan men niet met +zekerheid gewaar kan worden, in welk tijdperk zij leefden.” + +</p> +<p>“De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in ’t wild levende +stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde +Honden en de wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst +gegrond is, slechts in weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier staat echter tegenover, dat er niets +onwaarschijnlijks gelegen is in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden getemd zouden zijn. In bijna +alle deelen der aarde worden leden van de familie der Honden in ’t wild aangetroffen, en verscheidene van deze soorten stemmen +vrij wel overeen met de verschillende rassen onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot het temmen van +allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene +soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang vervlogen tijd voor ’t eerst in een land zich vestigde, +hadden de daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem, en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, +dan thans. Toen de Falklands-eilanden voor ’t eerst door den mensch bezocht werden, kwam de groote <span class="letterspaced">Falklandsche Wolf</span> (<i>Canis antarcticus</i>) onbevreesd <span class="smallcaps">Byron’s</span> matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen +om hen te ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier ’s nachts dood te steken, terwijl hij een stuk +vleesch in de eene en een mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden stiet ik met den loop van +mijn geweer Valken van een tak af, en hield aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te drinken. +Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap +voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen +tegen de temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn op het bezit van Honden; zelfs half-getemde +dieren zijn hun hoogst nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden met Wolven, waardoor zij jachtgezellen +verkrijgen, die wel wilder, maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de jongen van twee soorten +van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht, na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen van Nieuw-Holland +met de jongen van den Dingo. Van <span class="smallcaps">King</span> vernam ik, dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar +bleek te zijn. Met het oog op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de mensch in verschillende landen +verschillende soorten van Wilde Honden getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij van de talrijke, +voor dit doel geschikte, in verschillende landen levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had. + +</p> +<p>“Vele feiten steunen de bedoelde meening: <span class="smallcaps">Richardson</span>, die als een nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen +gelijken op de Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan in de meerdere grootte en spierkracht +<a id="d0e4247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4247">181</a>]</span>van den Wolf. “Meer dan eens,” zegt hij, “heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van een bende Indianen aangezien, +want zelfs het gehuil van beide dieren bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor van de Indianen +somtijds het onderscheid niet opmerkt.” <span class="smallcaps">Kane</span> heeft bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote +waarde hechten), den neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In aard verschillen de Eskimohonden +weinig van Wolven; volgens <span class="smallcaps">Hayes</span>, zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester +aanvallen. Zij verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; +de Indianen nemen jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. <span class="smallcaps">Columbus</span> vond in West-Indië twee soorten van Honden; <span class="smallcaps">Fernandez</span> beschrijft er drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom, d. w. z. zij blaften niet. Sedert <span class="smallcaps">Buffon’s</span> tijd is het bekend, dat de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort, waarschijnlijk met den <span class="letterspaced">Maikong</span> of <span class="letterspaced">Karasisi</span> (<i>Canis cancrivorus</i>). + +</p> +<p>“<span class="smallcaps">Rengger</span> brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor ’t eerst door Europeanen +bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook +nu nog niet blaffen. <span class="smallcaps">Tschudi</span> zegt van hen, dat zij in de Cordilleras van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien, welke <span class="smallcaps">Tschudi</span> onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het +is onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, +dat de mensch, toen hij zich voor ’t eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische vaste land Honden medebracht, die niet +blaffen konden. Deze meening is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië afkomstige bewoners van Amerika +op hun weg naar het zuiden minstens twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds genoemde Grijze of +Vale Wolf (<i>Canis occidentalis</i>) en de Prairie-Wolf (<i>Canis latrans</i>), welke laatste soort, volgens <span class="smallcaps">Richardson</span>, volkomen overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen. + +</p> +<p>“Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche +vlakten er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen <span class="smallcaps">Paget</span> verhaalt van een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag. + +</p> +<p>“De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort +gehouden. De Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt, gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige +districten van Indië. + +</p> +<p>“De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen, dat <span class="smallcaps">Geoffroy St. Hilaire</span> geen standvastig verschil heeft kunnen vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige verwantschap ook +uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. <span class="smallcaps">Ehrenberg</span> is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij +onderzocht, van den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (<i>Canis lupaster</i>) afstammen, en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden, evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde +betrekking staan tot den Jakhals dezer gewesten. <span class="smallcaps">Pallas</span> beweert, dat de Jakhalzen en Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt uit Algerië bericht. De +tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6° Z.B. en ongeveer +tien dagreizen het binnenland in, komt, naar <span class="smallcaps">Erhard</span> mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. <span class="smallcaps">Lichtenstein</span> zegt, dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den +rug) met den Schabrak-Jakhals (<i>Canis mesomelas</i>) van Zuid Afrika. <span class="smallcaps">Layard</span> bericht, dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel +tam als wild voor. + +</p> +<p>“Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende landen op de wilde soorten, die daar nog leven,—wegens +de gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen worden,—wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan +half-getemde dieren hechten,—en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden, die het temmen van Honden begunstigen, is +het hoogst waarschijnlijk, dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed bepaalde soorten van Wolven—de Gewone +Wolf (<i>Canis lupus</i>) en de Huilwolf (<i>Canis latrans</i>)—en van twee of drie andere minder goed gekarakteriseerde soorten van Wolven—n.l. van de Europeesche, de Indische en de Noord-Amerikaansche—voorts +van minstens één, misschien twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene soorten van Jakhalzen en +misschien van één of meer uitgestorven soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten invloed toe op de eigenaardigheden +der dieren en meenen hierdoor de overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche wilde vormen te kunnen +verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend, die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat <a id="d0e4334"></a><span class="corr" title="Bron: speken">spreken</span>. + +</p> +<p>“Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is, dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele +soort van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als +wij de zeer groote ouderdom der verschillende rassen in ’t oog houden, en vooral, als wij ons de groote gelijkenis herinneren, +zoowel in uitwendig maaksel, als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen en de wilde soorten, welke +nog diezelfde landen bewonen, spreekt de groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren die nog steeds +kunnen worden aangevoerd, <span class="letterspaced">beslist ten gunste van den meervoudigen oorsprong onzer Honden</span>.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog <span class="smallcaps">Zittel</span>, aan wiens voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen, die op de geschiedenis van den Huishond gedurende +vroegere tijdperken betrekking heeft. + +</p> +<p>“Hoewel,” zegt <span class="smallcaps">Zittel</span>, “in beenderenholen dikwijls overblijfselen van den Huishond gevonden (en onder de namen <i>Canis familiaris ferus, C. ferus, C. Mikii</i> beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen, of dit <a id="d0e4357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4357">182</a>]</span>dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel +van den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, +in de Zwitsersche en Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen +gevonden zijn, wordt <span class="letterspaced">Turfhond</span> (<i>Canis familiaris palustris</i>) genoemd, en gelijkt, volgens <span class="smallcaps">Rütimeyer</span>, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren +snuit gekenmerkte <span class="letterspaced">Brons-hond</span> (<i>Canis familiaris matris optimae</i>), die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft +in den Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van.” +“De Turfhond is, volgens <span class="smallcaps">Jeitteles</span> en <span class="smallcaps">Naumann</span>, een getemde afstammeling van den Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (<i>Canis hiberniae</i>), maakt, dat <span class="smallcaps">Studer</span> de afstamming van <i>Canis Mikii</i>, waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden zijn, waarschijnlijker acht. Volgens <span class="smallcaps">Anutschin</span> vertoont de kleine Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in ’t oog loopende overeenkomst met den Turfhond. +Die verschillende rassen van het brons-tijdperk zijn, volgens <span class="smallcaps">Studer</span>, door teeltkeus uit den Turfhond ontstaan. <span class="smallcaps">Jeitteles</span> echter meent, dat zij uit den Indischen Wolf (<i>Canis pallipes</i>) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond van één enkelen +vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van +Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd.” + +</p> +<p>De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als een voortbrengsel van ’s menschen bemoeiingen, beschouwd +moeten worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Met den naam <span class="letterspaced">Paria-honden</span> zullen wij, in navolging van de Engelschen, de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die, hoewel zij +aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen, +want parias,—ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten dieren—zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid +om te doen en te laten wat hun goeddunkt,—parias, die dankbaar de hand likken, welke hun het juk der slavernij oplegt, die +gelukkig schijnen te zijn, als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen. + +</p> +<p>Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, +Griekenland en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; +zij komen ook wel in de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de Huishonden onmiddellijk verdreven +worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op Muizen en dergelijke +kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in ’t zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en zwerven +des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op de Kanarische Eilanden is het, volgens <span class="smallcaps">Bolle</span>, nog in den laatsten tijd voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden een aanzienlijke schade aanrichtten. + + +</p> +<p>Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen +gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer +aanzienlijken afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan verwilderde Honden, die alle tot een zelfde +ras behooren. Zij komen in grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben een onaangename gezichtsuitdrukking; +hun lange en tamelijk ruige staart wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige, verwarde vacht is +vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele exemplaren, +komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven, brengen +er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven ’s nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en +deze zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het +oosten, de andere naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn, dat zij van weerszijden aan den noordewind +blootgesteld zijn, dan graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant, dat zij evenwel alleen dan gebruiken, +wanneer zij in hun naar ’t oosten of naar ’t westen gerichte hol last hebben van den kouden wind. Des morgens tegen tienen +vindt men ze geregeld in het hol, welks opening naar ’t oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar, na de koelte van den morgen, +in de eerste stralen van de zon, om weer warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet, en noodzaken +hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar +het aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen +te schijnen, gaat de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang liggen blijft. + +</p> +<p>Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. +Men hoort blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een groot kreng verzamelen zij zich altijd in +groote menigte; een doode Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het schrokkerige gezelschap verslonden, +zoodat alleen de grootste beenderen blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag bij het aas, n.l. wanneer +het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in hun bedrijf +benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met +ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan +de Honden den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten; van hen hebben zij daarom het meest te lijden. +In alle omstandigheden is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook op de wijze van de Katten voor +de nesten van de Renmuizen loeren, en als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er bij geval voor +hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten, komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten <a id="d0e4419"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4419">183</a>]</span>rond. Hier worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet +vaak meer gebeuren, dat geloovige <a id="d0e4421"></a><span class="corr" title="Bron: Mohamedanen">Mohammedanen</span> hen bij uiterste wilbeschikking gedenken, zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op zekere hoogte +zorg dragen. + +</p> +<p>Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert, +vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar +oproer. Uit ieder hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk +blaffen. Meermalen heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren kennen, als om hun vleesch te gebruiken; +het diende mij tot lokaas bij ’t vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en Gieren. Bij deze jacht heb +ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen; onder andere +heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem +b.v. was het mij in ’t laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 +pas afstand lieten naderen. + +</p> +<p>Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk sterk en worden dan een ware plaag voor het land. <span class="smallcaps">Mohammed Ali</span> liet eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen met Honden, en deze in volle zee overboord werpen +om de zekerheid te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij slechts uiterst zelden gevaar loopen dol +te worden; er zijn werkelijk nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door een dollen Hond gebeten +werd. + +</p> +<p>Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke betrekking tusschen den mensch en de Honden. “Onafscheidbaar +van de straten van de hoofdstad,” zegt <span class="smallcaps">Hackländer</span>, “is de gedachte aan hare nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in tallooze menigte daar gevonden +worden. Gewoonlijk vormt men zich van zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en wordt daarom later +dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van ’t geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen lezen. +Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen, zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze +dieren veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige +betreft, komen zij nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen gekromden staart; ook hun haar is +anders, n.l. kort en vuil geel van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen, moet men erkennen, dat geen +dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen, zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt het van deze +Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af, of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden +op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet, gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een +Muzelman een van deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman hen uit zijn werkplaats de overblijfselen +van zijn maal toe. Alleen de Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid; door hun hand verliest +menige Hond in den Gouden Hoorn het leven. + +</p> +<p>“Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen +hebben; wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige +aanvielen, en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden, letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze +wel willen vergelijken met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van den bazar iets eetbaars kochten, dan +volgden ons alle Honden, die wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere straat binnengingen, waar ons +een andere troep Honden op dezelfde wijze begeleidde.” +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer <span class="letterspaced">Huishonden</span> zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door +<span class="smallcaps">Linnaeus</span>, op de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit +geen gemakkelijke zaak is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt ongeveer als volgt: “Vreet vleesch, +aas, melige plantaardige stoffen, geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt leppend; watert zijdelings, +in goed gezelschap dikwijls honderdmaal; beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt zijwaarts, gaat +op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn +slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes +gelijken op den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot van den mensch, kwispelstaart bij ’t naderen +van zijn meester, duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit, aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, +spoort verloren zaken op, doet ’s nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij goederen, houdt het vee van de +akkers af, houdt de Rendieren bijeen, bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen, drijft het wild +op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het braadspit, +trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt, als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet +gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars, valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en +kanker door likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen; onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend +onweer. Heeft last van den lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt zijn eigen lichaam. De Amerikaansche +Hond verleert het blaffen. De Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij onderzoekingen van den bloedsomloop +etc.” + +</p> +<p>Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten +vrijwel overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, +genoodzaakt worden hun levenswijze te veranderen. + +</p> +<p>De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker +en vlug. Als het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als ’s nachts, <a id="d0e4452"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4452">184</a>]</span>en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In ’t algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze +heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles, wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, +en beide in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins +bedorvene dan van het versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best opgevoede en best verzorgde Honden +verslinden gretig de uitwerpselen van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven al het andere voedsel, +andere schatten het minder hoog. Van de gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn, hun het best; als +zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk zijn +het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend +met brood voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs +mag hem heet voorgediend worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet, moet steeds zindelijk gehouden +worden. Een volwassen Hond krijgt genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan, tweemaal te voederen +is echter beter; een Hond die ’s avonds eten kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht laten omkoopen, +als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij wijze +van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen +blijven. + +</p> +<p>De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij +langs een steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve richting. Als hij hard loopt, kan hij groote +sprongen maken; tot plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden houden merkwaardig veel van ’t water +(p. 199); verwende Honden schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien klimmen. Hier klauteren zij +zeer behendig bij muren en bij de niet sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen veilig langs +zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik; +in ’t laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts, de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; +zelden strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts. + +</p> +<p>Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen +vergezeld, zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het knorren en het zachte blaffen gedurende den +slaap. Zij zijn bijzonder sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en vooral hun slaapplaats, moet +altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig; de speekselafscheiding +treedt voor de zweetvorming in de plaats; van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek laten hangen, +druppelt onophoudelijk speeksel af. + +</p> +<p>De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het +gezicht hebben naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van alle overige door een fijnere ontwikkeling +van het gehoor, andere door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken gevoelig zijn, kan niet ontkend +worden, hoewel deze zin zich bij hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne zintuigen te sterk aandoen, +hebben zij een afkeer. Het minst worden zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter voor schelle +en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan ’t huilen; als men hun +eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen +van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld, en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij +ons in ’t geheel geen denkbeeld kunnen vormen. + +</p> +<p>Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in ’t kort +te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door <span class="smallcaps">Scheitlin</span> gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende citaat ontleend is: “Hoe groot het verschil ook zij, +dat er in lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen +zijn volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer korten tijd. Sommige zijn in ’t geheel niet tembaar, +terwijl andere spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat +uit eigen beweging te water, de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man africhten, met den Poedel gelukt +dit niet. Alleen de Jachthond heeft een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen de achterpooten; alleen +de langlijvige Dashond, die, naar men zou kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond en heeft +zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen; hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor +het loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen. + +</p> +<p>De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend geschikt voor het bewaken van ’t vee; ook kan hij meesterlijk +graven, zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt +jacht op Wilde Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit +te water. Men gebruikt en misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische gronden te voorzien was, +steeds strijdlustiger wordt; vooral voor kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich niet verweren kunnen, +is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij ’t bijten en bij het +verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de Windhonden +wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien hebben +zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op +Hazen en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten, waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond +(en ieder ander dier) moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust heeft, voordat de mensch op het denkbeeld +komt hem hiervoor <a id="d0e4467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4467">185</a>]</span>af te richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij +haar op schoot te zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de kamer te blijven, met de vrouw uit +één glas te drinken, van één bord te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes en de Leeuwtjes gehouden. +Van den Jachthond worden de fijne reuk, de groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan zijn meester +geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken van ’s menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de +Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam, vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag +bijten en is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten +is gekenmerkt door onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, +maar kan toch gedurende langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer verstandig; zij zijn goede waakhonden, +door hunne woestheid en moed voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt; met ware doodsverachting +pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten zich op den +man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij ’t vechten vreeselijk +toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem +omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich +niet bewegen kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig meer verstand, dan men meent. Het laagst +ontwikkeld onder de Honden is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan en kan, zooals licht te begrijpen +is, zich zelf niet tot hooger peil verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat. + +</p> +<p>“Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien +indruk door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, +als een zoogdierenziel kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat het om geheel menschelijk te zijn, +niets anders mist dan de spraak, geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen van den gemoedsaard, geen +dier heeft de stof geleverd voor zooveel verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen, zijn herinneringsvermogen, +zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid, waakzaamheid, +liefde voor den meester, geduld bij ’t omgaan met kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden van zijn +meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld +van zijn geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt over een koord, hij staat op schildwacht, hij +bestormt en verdedigt vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den wagen; hij kent de noten, de getallen, +de kaarten, de letters; hij neemt een mensch de muts van ’t hoofd, brengt hem zijn <a id="d0e4471"></a><span class="corr" title="Bron: pantoffols">pantoffels</span> en tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken; hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele +andere zaken.” + +</p> +<p>“Ik heb Honden gekend,” zegt <span class="smallcaps">Lenz</span>, “die, naar het scheen, bijna ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden of sloten, den stoel, de +tafel op de bank binnendroegen, hem den hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk voorwerp opzochten +en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels te voorschijn +haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien, hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel +van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij +trekt, als hij thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een kruisweg gekomen is, omkijkt, om te +vernemen of hij rechts of links moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige daad, hoe beschaamd daarentegen, +als hij een dommen zet gedaan heeft; hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn meester het bemerkt, +liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar zich +verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend +spoedig leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten +is enz. Aardig is het ook om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt, waarvoor hij van nature in +’t geheel geen trek gevoelt, hoe een andere Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant, naarmate +hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft.” + +</p> +<p>Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht +van elkander afwijken. Hunne meest in ’t oogloopende karaktertrekken zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester, +onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, +een dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de +eene eigenschap meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond treden. De opvoeding heeft hierop grooter +invloed, dan men gewoonlijk meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding geven. De Hond is een getrouw +spiegelbeeld van zijn meester: hoe vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe beter en zindelijker men +hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt hij; juist +het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden, +van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt +ongelukkig gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord “hondsch” nog steeds in onteerenden zin gebezigd, +hoewel het eigenlijk juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel mede bedoelt. Door zijne veelzijdige +begaafdheden neemt de Hond den hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens onontbeerlijken metgezel. + + +</p> +<p>Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo huilen en blaffen vele bij ’t zien van de maan, zonder +dat men hiervoor een reden weet <a id="d0e4483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4483">186</a>]</span>aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig +of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen +zeker van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate +vijandig, zonder dat hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten en de Egels; als zij een der laatstgenoemde +dieren ontmoeten, scheppen zij er als ’t ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de stekelbekleeding te bijten, +ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen. + +</p> +<p>Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen +tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden +regen aan. + +</p> +<p>Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst +een wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien, en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere +gevoelens bij hen de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in ’t oog van de vriendschapsbanden, die soms +tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in nood. Ook met +andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan; zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen +Hond en Kat is wel eens onjuist. + +</p> +<p>De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à 10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 +of meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder +bemint hare kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt ze niet zelden van de eene plaats naar de +andere, waarbij zij ze met de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost is in één woord roerend: er +zijn voorbeelden van bekend, die ons niet alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo verhaalt <span class="smallcaps">Bechstein</span> een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: “Een schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen op het +Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl +hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar +huis terug te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had +telkens over kleine gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen, en op deze wijze de 18 mijlen dertien +malen achtereen afgelegd, ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde.” + +</p> +<p>Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De +kleintjes hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het noodige te verschaffen. Het spreekt van +zelf, dat de teef gedurende dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere eigenaar van een drachtige +teef moet voor haar van te voren in een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats, een zacht leger gereed +maken, en haar ook later op allerlei wijzen bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef zoogt, is +haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, +ja zelfs jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls +bij Honden waargenomen, maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor hare pleegkinderen waren dan Honden, +die, hoe goedhartig zij ook zijn, bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden zijn, zooals uit het rimpelen +van de huid van den neus blijkt. Zij zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers. + +</p> +<p>Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang +zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu +worden de diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of +4e levensmaand wisselen zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel meer om hun moeder. Als het +de bedoeling is, ze op te voeden, of, zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang uitgesteld worden. +De meening van ouderwetsche jagers en andere Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van zijn eerste +levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om te leeren, berust op een dwaling. <span class="smallcaps">Adolf</span> en <span class="smallcaps">Karl Müller</span>, beiden zeer ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra +deze behoorlijk loopen kunnen, en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden nooit met slagen bestraft, +krijgen bijna nooit een hard, hoogstens een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste gezellen en helpers +op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij gewillig +en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer +en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep, +zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders. + +</p> +<p>Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd +van 20, ja zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen +ouderdomsverzwakking, maar een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren, onderhevig zijn, een einde +aan hun leven. + +</p> +<p>Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger +meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, +die een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk +sterft meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden +zij alle gekweld door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij hebben dikwijls zeer veel te lijden +van Vlooien en Luizen en op sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van ongedierte kan men spoedig +<a id="d0e4508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4508">187</a>]</span>verdrijven door onder het strooleger van den Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier met Perzisch-insectenpoeder +in te wrijven. De Tieken, die den Hond het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn, pekel of tabakssap +te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door ’t zuigorgaan +veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren of zweren. + +</p> +<p>De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of <i>lyssa</i>, vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren, maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk +komt deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor, meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den +winter bij al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich +anders gedraagt dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn meester; voorts openbaren zich bij hem een +ongewone slaperigheid en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat dikwijls naar zijn voedsel zonder +te eten, drinkt gretig water, doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over ’t algemeen door zijne +handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier verandert, +dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan, +dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt +of verslindt, en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk +verstopping voor; de ooren worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat, de blik loensch. Later wordt +het oog rood en ontstoken. De dolle Hond laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn meester, wordt +steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de +wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. +Weldra knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook +van dorst versmacht, hij kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water in de keel giet, veroorzaakt +dit bij hem ademnood en een krampachtige samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere andere vloeistof +te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond. + +</p> +<p>Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken, +maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de +mondhoeken; de bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar beneden. Met den staart tusschen de pooten +en hangenden kop loopt de Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles wat hem in den weg komt, vooral +echter naar andere Honden. Ontmoet hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke richting te blijven +volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt dikwijls neder en hapt naar lucht. + +</p> +<p>Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts +weinig met speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen +ziektevorm is de Hond in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij hapt onwillekeurig naar Vliegen of +naar alles wat in zijne nabijheid komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten, lokt andere Honden +tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de ontstoken +tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond +druppelt. Van ’t water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem +voor den bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt, zelfs in zijn ketting. + +</p> +<p>De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in ’t zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel +in landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in ’t +geheel niet tot uitbarsting. + +</p> +<p>Van oudsher zijn vele middelen tegen de <i>lyssa</i> aangeprezen; het is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad, en wel voornamelijk niet, omdat men +geen zekerheid kon verkrijgen, dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid leed, of ten onrechte +verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan; dit moest +echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam +verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig +einde nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door <span class="smallcaps">Pasteur</span> ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk +is, door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken door inenting van koepokstof. Volgens de methode van +<span class="smallcaps">Pasteur</span> wordt het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene +malen achtereen onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg +verzwakt, en wordt het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte beschut. Sedert 1885 zijn duizenden +van menschen, die gebeten waren, op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld gebeten door dieren, +die ten onrechte van dolheid verdacht werden; er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest, die gebeten +waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil (misschien +zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed. + + +</p> +<p>Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de +oogen dof staan, als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn, dat het onpasselijk is. Als er in den toestand +van den patiënt niet spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een ervaren veearts voorgeschreven zijn, +niet baten, blijft er weinig hoop op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen zware ziekten doorstaan. +Verwondingen <a id="d0e4534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4534">188</a>]</span>genezen schielijk en volkomen, niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn zelfs ervaren geneeskundigen, +om van kwakzalvers niet eens te spreken, meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon snel verloop +hebben. + +</p> +<p>De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer +uit eigen ervaring; de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien nog meer noodig. Zijn vleesch wordt +gegeten op de Zuidzee-eilanden, door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen, Chineezen, Eskimos, de +Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn; zij hebben echter +veel last van de vijandige gezindheid van andere, nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In verband +met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij +ons een gevoel van afschuw te wekken. Nadat <span class="smallcaps">Bernardin de Saint-Pierre</span> het denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de +volkenkunde verrijkt geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de gewoonte om Honden te eten een +voorlooper, begeleider of overblijfsel is van het menscheneten. + +</p> +<p>Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel +en helper; zelfs den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld is gekomen dit dier een eigen naam te geven, +bewijst de Hond in de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. +Voor den bewoner der Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen +van zijn vaderland, of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In het noorden van Azië worden hondevellen +tot kleedingstukken verwerkt; in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen, banden en beenderen wordt +lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot dansschoenen, +aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk +enz.; het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die “Grieksch wit” (<i>Album graecum</i>) wordt genoemd, omdat de Grieken het voor ’t eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in den oorlog moesten +de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk aan +’s vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen +van de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe +rol: vele van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige +helden, die deel uitmaakten van de roofgierige benden der <i>Conquistadores</i>. Even als alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, +een evenredig aandeel van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, +die zich aan het gezag der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de wildernis op te sporen. + +</p> +<p>Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, +die men voor hen had, was echter zeer ongelijk: <span class="smallcaps">Socrates</span> was gewoon bij den Hond te zweren; <span class="smallcaps">Alexander <span class="letterspaced">de Groote</span></span> was over den dood van een zijner lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met tempels liet bouwen; +<span class="smallcaps">Homerus</span> bezingt <span class="letterspaced">Argos</span>, den Hond van <span class="smallcaps">Odysseus</span> op een waarlijk treffende wijze; <span class="smallcaps">Plinius</span> acht de Honden zeer hoog en verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat de Kolophoniërs, die voortdurend +oorlog voerden, met het oog hierop groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst aanvielen, en in geen +veldslag in gebreke bleven. Toen <span class="smallcaps">Alexander <span class="letterspaced">de Groote</span></span> naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij +liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen, maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. <span class="smallcaps">Alexander</span> meende, dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van +dezelfde soort met de boodschap, dat <span class="smallcaps">Alexander</span> geen zwakke dieren tegenover den Dog moest plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee zulke Honden +gehad; als <span class="smallcaps">Alexander</span> dezen liet dooden, had hij er geen meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een Leeuw, later met een +Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.—De oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer hoog, +zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen +uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de +Hond bij de oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen overwonnen waren, moesten deze eerst nog +een hevigen strijd voeren met de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen, naar <span class="smallcaps">Plinus</span> bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens <span class="smallcaps">Von Humboldt</span>, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen, tot de duisternis geweken was. + +</p> +<p>Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. +Nagenoeg al zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen. + +</p> +<p>Nu hebben wij den Hond in ’t algemeen beschouwd; het wordt tijd, dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen +diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat +het aantal rassen zoo verbazend groot is: <span class="smallcaps">Reichenbach</span> vermeldt er 195. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Windhonden</span> (<i>Canis familiaris grajus</i>) zijn kenbaar aan hun uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, +en in den regel ook de kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet, de vrij lange, smalle, met korte +haren begroeide ooren, die voor de helft overeind staan en voor ’t overige omgebogen zijn, de korte en strak gespannen lippen +verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, <a id="d0e4608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4608">189</a>]</span>die in de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, +daar de neusschelpen zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor de reukzenuw-eindtoestellen niet +over zulk een groote oppervlakte verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de lengte gerekt is, onderscheidt +de borst zich door groote breedte, diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk zeer groote longen, +die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een voldoende +hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon +sterk versmald, als ’t ware om aan het lichaam, dat door de krachtige borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. +Denzelfden lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij +vele dieren terug: een onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende langen tijd voortgezette beweging. +Buitengewoon fijn gebouwd zijn de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral ook de sterke pezen, waarin +deze spieren uitloopen. Maar ook aan den borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden zien er uit, +alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt +zich uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt +en een weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen +een grootere lengte, en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige rassen, waar zij fraai roodachtig geel +is. Een andere kleur dan deze treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië en van Centraal-Afrika, nagenoeg +niet aan. Gevlekte Windhonden zijn zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige. + +</p> +<p>De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; +in den regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester, maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont +genegenheid aan iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, +en toont dezen dan ook een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter, wanneer een ander persoon jegens +hem vriendelijker is dan zijn eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze trouweloosheid. Toen <span class="smallcaps">Eduard III</span> van Engeland stierf, verliet zijn Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het huis van Plantagenet. +Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele, die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet achterstaan +bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras vermeerderen. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1189.jpg" alt="Windhond (Canis familiaris grajus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="435"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Windhond</span> (<i>Canis familiaris grajus</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs +nagenoeg onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk +worden. Want ondanks zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint, trekt hij partij van zijn grootte, +houdt steeds den snoet boven den nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert, stevig beet, tracht hem +op te tillen, en schudt hem heen en weer, tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen staan echter +vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als +de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk +in <a id="d0e4627"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4627">190</a>]</span>alle steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen, Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken +van Middel-Afrika en Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls gelijk aan die van een goed Paard. +Bij de Arabische stammen van de woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara, bestaat het spreekwoord: + + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zijn meer dan twintig vrouwen waard,”</span></p> +</div> +</div> +<p>en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met deze menschen verkeerd heeft. + +</p> +<p>Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats +kunnen bereiken, zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert +een fraai schouwspel op. De Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren Hond menige poets. Met razenden +spoed snelt deze het wild achterna, maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden met die van de groote +Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2, 3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is hem reeds +op de hielen,—in ’t volgende oogenblik zal hij hem zeker grijpen—maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt +nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt +bijna op den grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt en ziet eindelijk den Haas, die reeds een +honderd vijftig schreden ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft het opnieuw bijna gegrepen, +daar maakt de Haas een tweeden zijsprong, en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht nooit tot een +einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in ’t veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den pas +afsnijdt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen, wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van +het zuiden in meerder of mindere mate tot één ras, waarmede de <span class="letterspaced">Steppenwindhond</span> ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel, +niet zelden naar ’t witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt +men dit ras onder andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld. + +</p> +<p>In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid +om den Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht +in hun onderhoud, hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden en Windhonden, de eerste bij hunne +schapenkudden, de laatste in het dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; vóór iedere deur zaten verscheidene +van deze prachtige dieren, het eene al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds hierdoor zeer van hunne +verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd met den +Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht +te leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk +om een geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid +in ’t klimmen. + +</p> +<p>Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een +hoorn: het was de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden en weldra trok de geheele jachtstoet in +geregelde orde het dorp uit, hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want reeds de naastbijgelegen +bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk gering, +dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men +een wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door, en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich +daar bevond. Men bracht mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen, die door de Honden gevangen waren. +Een Antilope ontkwam hun nooit, omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen. + +</p> +<p>Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt generaal <span class="smallcaps">Daumas</span> het volgende mede: “In de Sahara en in alle overige door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een verwaarloosde, +lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken +of het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting, de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel +als de armen beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke uitspanningen, waarvan de Bedoeïnen zooveel +werk maken. Men verzorgt dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte voedsel, laat hem bij wijze van +spreken met zich uit één schotel eten en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen. + +</p> +<p>“Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn +nabijheid Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na verloop van korten tijd toont het edele dier +reeds een groote en levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het reeds zooveel ervaring opgedaan, +dat het ook voor ’t vangen van andere, grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand begint men het +reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht +op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk, terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt +de aandacht der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt +de Windhond zich ook zonder bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig. + +</p> +<p>“Onder al die bedrijven is het edele dier één jaar oud geworden en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt +de ‘Sloegoei’ nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt; men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud +is. Maar na dien tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij volbrengt dien naar behooren. Als deze +Hond nu een kudde van 30 of 40 Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt zijn meester smeekend aan. +Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt <a id="d0e4658"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4658">191</a>]</span>den rug en den buik van ’t dier, in de overtuiging, dat het hierdoor, meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk +is de Windhond vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste +en mooiste exemplaar uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft, krijgt hij oogenblikkelijk het +stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het vleesch aan de ribben,—ingewanden zou hij met verachting laten liggen. + +</p> +<p>“De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen +vergoeding voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet +de Windhond jubelend uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel, om den meester, wiens uitblijven hij +betreurde, te liefkoozen. Dan zegt de Arabier tot hem: “Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede, het was noodzakelijk dat +ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel zoo goed zijn, +mij vleesch te verschaffen.” De Hond gedraagt zich bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis er +van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel; +voor een Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel als voor een mooi Paard.” + +</p> +<p>Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de zoogenaamde <span class="letterspaced">Italiaansche Windhond</span>, in vergelijking met andere Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg, bij wien alle lichaamsdeelen +volkomen met elkander harmonieeren. Zijn gewicht bedraagt zelden meer dan 3 à 5 KG., de alleruitmuntendste wegen zelfs niet +meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1191.jpg" alt="Italiaansche Windhond (Canis familiaris grajus italicus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="380"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Italiaansche Windhond</span> (<i>Canis familiaris grajus italicus</i>). 1/9 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den <span class="letterspaced">Naakten Hond</span> van Centraal-Afrika (<i>Canis familiaris africanus</i>) beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst +smal, de hals middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet +wordt naar voren smaller en spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende en half overeindstaande ooren +zijn, evenals het overige lichaam, onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort en strak gespannen. +Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge, tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en het ontbreken +van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen +eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur, +die bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi. +De lengte van het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35 cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden +vorm, treft men het ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan; alle zijn afschuwelijke beesten; +niet zelden hebben zij een verkleurd bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China, Middel- en Zuid-Amerika, +op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden. + +</p> +<p>Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan +in den regel niet lang in ’t leven gehouden worden. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een tweede groep van Honden is die der <span class="letterspaced">Doggen</span> (<i>Canis familiaris molossus</i>). Van deze noemen wij in de eerste plaats den <span class="letterspaced">Deenschen Hond</span>, hoewel hij als een bastaard van den <span class="letterspaced">Windhond</span> en den <span class="letterspaced">Bullebijter</span> wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van edelen vorm met slanke pooten, <a id="d0e4706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4706">192</a>]</span>gladden staart en groote, mooie oogen; de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele dier, toch nog veel +forscher dan die van den Windhond. In vroegere tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt; thans treft +men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1192.jpg" alt="Deensche Hond (Canis familiaris molossus danicus). 1/10 v. d. ware grootte." width="463" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Deensche Hond</span> (<i>Canis familiaris molossus danicus</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam <span class="letterspaced">Wachthond</span> of <span class="letterspaced">Slagershond</span> werd aangeduid (<span class="letterspaced">Mâtin</span> der Franschen, welk woord volgens sommigen letterlijk “huishond” beteekent), en waaruit zich, volgens <span class="smallcaps">Linnaeus</span>, in het noorden de Deensche Hond, in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door kruising verkregen afstammeling van dit dier, de <span class="letterspaced">Duitsche Dog</span>, die zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt, en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt, +in de mode is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen “<span class="letterspaced">Rijkshond</span>” gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef +dragen, en ook wel <span class="letterspaced">Ulmer Dog</span> werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam +<span class="letterspaced">Duitsche Dog</span>. + +</p> +<p>De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart, +licht- of donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht +grijs zijn, meestal met onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen niet zelden witte merken op +de borst en de teenen voor. De middelmatig groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond van dit ras, +van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan <span class="smallcaps">Gräszner</span> ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175 +cM. en een gewicht van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze zegsman, rector van een school in een +groote industrieele stad van Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats, en achtte het daarom noodig, +zich een flinken Hond aan te schaffen, tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. “Mijn keuze viel,” verhaalt +<span class="smallcaps">Gräszner</span> verder, “op een Duitschen Dog van 5 maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij de Hondenliefhebbers +van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond in +huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop +van eenige uren legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn nieuwe omgeving al eenigszins op zijn +gemak. Het spreekt van zelf, dat hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij deze gelegenheden +toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard, als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig hield, +verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf, ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen +en laten van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde, dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van +geharrewar en ruzie b.v. had hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige woordenwisseling geraakten, +schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend tusschen de +twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen. + +</p> +<p>“Zijn lichaamskracht was geëvenredigd aan zijn kolossale grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar +was, geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap, die hem in ’t voorbijgaan gestooten had, droeg hij, +zonder hem eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende +os, die met een aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan den hals vast, dat het dier luidkeels +brulde van pijn en ontsteld <a id="d0e4760"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4760">193</a>]</span>wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin +‘Tom’ eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende, sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij, +voordat hij aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op het punt stond, toe te schieten op iets, dat +zijn toorn had opgewekt, kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een kind omgeworpen en voortgesleept. + + +</p> +<p>“In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd, +bleef hij uren lang bij ’t bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend op diens gelaat gevestigd, en legde om +zijn medelijden te toonen zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken werd.... Als de post een pakje +had gebracht van een buitenshuis vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten, waarop de inhoud werd +uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle leden van +het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren, om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken. +Het was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden. + + +</p> +<p>“Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes +noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te +ontkapen, en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde voorwerp opzettelijk met in ’t oogvallenden +ijver zochten, had hij zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een onnoozel gezicht, om te laten zien, +dat hij van de oorzaak van de opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp gaf hij, sluw knipoogend, eerst +dan terug, als men zich direct tot hem wendde met de vraag: ‘<span class="letterspaced">Tom</span>! weet jij dan niet, waar dit of dat gebleven is?’ Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam hij, voordat men hem +deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd, ongeroepen +bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik +toe, die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te +nemen, en naar zijn plaats terug te keeren. + +</p> +<p>“Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze +Hond bezat, hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen +tot het mededeelen van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij, door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid +van het spoorwegstation, toen er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den voorbijsnellenden trein, +om te weten of er ook een bekend gezicht aan een der coupé-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat <span class="letterspaced">Tom</span> beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te +weten, of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: ‘Ja, <span class="letterspaced">Tom</span>! ga er heen!’ Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter den trein aan naar het station. Langs een korten omweg +ging ik zoo spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien, hoe <span class="letterspaced">Tom</span> in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten +ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert +dien tijd gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen, vooral als het donker was, van alle in een +nauwe betrekking tot ons huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein aankwam, drong <span class="letterspaced">Tom</span> door de dichte menschenmassa heen tot aan de waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun een stuk +van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs +den kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Bij den <span class="letterspaced">Bullenbijter</span> is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed en diep, +de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend +en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen), +beide zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w. +z. zij staan voor de helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De krachtige pooten zijn middelmatig +hoog. De staart is bij den wortel dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het hielgewricht, hij wordt +zelden rechtuit of naar achteren gestrekt, maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is òf vaal òf bruinachtig +geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals bij +alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor. + +</p> +<p>Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens +de zwaarte en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone +spierkracht, veel vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen +na, als de moedigste van alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de Bullenbijters bijzonder geschikt +voor een moeilijke en gevaarlijke jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn niet zoo uitmuntend als +die van vele andere Hondenrassen; zij staan echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt; want iedere +Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor +het bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als +reisgezel in gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt, dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 à 6 +roovers verdedigd heeft, en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk een ongelijken strijd te voorschijn +kwam in weerwil van de tallooze wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden Rundvee gebruikt, en is +in staat om zelfs den wildsten stier in toom te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik zijn tegenstander +met de tanden bij den bek te pakken <a id="d0e4792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4792">194</a>]</span>en zich zoo lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met +groote roofdieren, zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht worden. Tegenover andere Honden gedraagt +hij zich zeer loffelijk. Hij zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel welgevallen. Hij is trouw +en gehecht aan zijn meester, maar is voor vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting liggen; als hij +op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer te vreezen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1194.jpg" alt="Bullenbijter (Canis familiaris molossus hibernicus). ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="402"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bullenbijter</span> (<i>Canis familiaris molossus hibernicus</i>). ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke <span class="letterspaced">Doggen</span>, zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de +zijden over de onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit voortdurend zichtbaar blijft. De neus +is niet zelden gespleten, de vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter bont. In vroegere tijden, +toen het land minder veilig was dan thans, kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze alleen bij sommige +hondenliefhebbers aan. + +</p> +<p>Een der grootste rassen is de <span class="letterspaced">Engelsche Dog</span> (<i>Mastiff</i>), die vaak als wachthond dienst doet. + +</p> +<p>Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken +kan worden, dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier licht isabelkleurig; men krijgt echter ook +wel eens, hoewel minder dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bulhond</span>, <span class="letterspaced">Bulldog</span> of <span class="letterspaced">Boxer</span> wordt vooral in Engeland veelvuldig gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend, ongenaakbaar en stompzinnig +dier beschouwd; dit geldt echter niet van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen van trouw en gehechtheid; +maar alleen, als hij dezen volkomen heeft leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle omstandigheden +het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij +een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en +heerschzuchtig; het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat +zijn moed nog grooter is, dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte. + +</p> +<p>Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem +bij deze voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen, zonder dat hij zijn gebit opent. + +</p> +<p>De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend, en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze +dieren meer dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige spelen van het Circus te vervullen. + +</p> +<p>Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in +staat van beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig +niet meer zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest, als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige +dieren van dit ras komen in verstand den Poedel zeer nabij. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve mij de uitdrukking, n.l. de <span class="letterspaced">Mops</span>, eigenlijk een Bullenbijter in ’t klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die een kurketrekkervormig +gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem zeer veel op +de Bulhonden gelijken. + +</p> +<p>De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde +Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem. +<a id="d0e4847"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4847">195</a>]</span></p> +<p>Een groot ras van Bullenbijters, de <span class="letterspaced">Cubaansche Bloedhonden</span>, werd in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen, +of zelfs te dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden gebruik van dergelijke Honden in den strijd +tegen, of tot het opsporen van Indianen, en een van hen, <span class="letterspaced">Beçerillo</span> genaamd, is beroemd, of liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als door schranderheid uit. Hij +bekleedde een hoogen rang onder de Honden van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval was hij gewoon +zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen, één hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene weg +te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier +hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden +van de vijanden en deed hen geen leed. + +</p> +<p>Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het +echter geen Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht maakten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een andere <span class="letterspaced">Dog</span>, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was, is de <span class="letterspaced">Tibetaansche</span>, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige rassen, +bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de +wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd; +in alle dorpen van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis en van het vee. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1195.jpg" alt="Tibetaansche Dog (Canis familiaris molossus tibetanus). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="426"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tibetaansche Dog</span> (<i>Canis familiaris molossus tibetanus</i>). 1/12 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Dashonden</span> (<i>Canis familiaris vertago</i>), in Engeland <span class="letterspaced">Terrier</span> genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen +vorm en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug, +die op korte, verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het degelijke gebit, de hangende ooren, de groote +teenen met de scherpe klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten zijn zeer kort, plomp en sterk; de +voorste ledematen zijn naar binnen gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar te beginnen zijn zij +echter plotseling weder naar buiten gekromd; aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een klauw gewapenden +binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar binnen +gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde +gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt. +In den regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen. + +</p> +<p>De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in ’t duister. <span class="smallcaps">Xenophon</span> heeft hem, naar ’t schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe +grootte is de Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste +andere Honden, zou hij voor de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als hij niet de onhebbelijkheid +had, zich weinig of niet om het bevel van zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te “scheuren”, d. w. z. het +buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed en +verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt +worden; zelfs op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig <a id="d0e4896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4896">196</a>]</span>weten zij buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat hen wegens hun geringe hoogte toch al niet +zoo gemakkelijk pakken kan als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk en prettig in den omgang, +waakzaam, laten zich door vreemden niet licht tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig, en op +lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch. + +</p> +<p>Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken +ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij, geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra +een stuk wild: nu echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd geworden wegens zijn ongehoorzaamheid, +de jager moge hem fluiten, roepen, naar hem zoeken,—het baat alles niets: zoo lang hij het wild voor oogen heeft of het spoor +er van vervolgt, gaat hij zijn eigen gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden in deze mate voorkomt. +Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich verscholen +heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is, +gaat hij liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is de Dashond gewoonlijk slechts voor één jachtbedrijf +bruikbaar: n.l. om dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven. + +</p> +<p>Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen van een recht goede teef en houde ze gedurende den +zomer in een open hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden, wat hen schroomvallig zou kunnen maken; +want den moed, die hun van nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in stand gehouden worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van den bij ons zeer zeldzamen <span class="letterspaced">Otterhond</span>, die naar zijn vaderland <span class="letterspaced">Skije-terrier</span> heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend; volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen Terrier +met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft, en <span class="letterspaced">Spithond</span> genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk voor ’t draaien van ’t braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij +ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen. + +</p> +<p>De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp, rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende +ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige, verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs +of geel) van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom +veel voor de otter-jacht gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst; het heet daarom ook thans nog “<span class="letterspaced">Welsh Harrier</span>.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De groep der <span class="letterspaced">Jachthonden</span> (<i>Canis familiaris sagax</i>) omvat een veel grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij veel beter geschikt om goed afgericht +te worden voor de diensten, die men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten rang in onder de Huishonden. +Reeds bij ons is het aantal rassen niet onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittannië, waar men zich reeds +sinds lang met ijver op het veredelen van deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een doelmatige keuze +van de voor ’t fokken gebezigde rassen bereikt; steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen voortbrengen. +Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen +reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het +wild nog na verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen. + +</p> +<p>Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de <span class="letterspaced">Staande Honden</span>, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms gespleten, +het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen “het behang”); zij zijn òf kort en gladharig, òf langharig, òf ruigharig; +hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken; men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of +gele exemplaren aan. + +</p> +<p>De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans +door sommigen in ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam <span class="letterspaced">Staande Hond</span> soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de naam <span class="letterspaced">Patrijshond</span> meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd tot +aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond +heet <span class="letterspaced">Pointer</span>: dit dier “teekent” (d. w. z. wijst den jager het wild) door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk +te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht gericht (<span class="letterspaced">chien d’arrêt</span>). De langharige Engelsche staande Hond heet <span class="letterspaced">Setter</span>, omdat hij gewoon was te “teekenen” door te gaan zitten of liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (<span class="letterspaced">chien couchant</span>); tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen als de Pointer. + +</p> +<p>De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei +wild, en hiervoor in den letterlijken zin van ’t woord onontbeerlijk. Zij sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen +van het versche spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in gunstige omstandigheden kunnen zij het +kleine wild reeds op een afstand van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.—<span class="smallcaps">Diezel</span> roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit +dier echter alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral +een zeer scherpen reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet, om ieder woord, iederen wenk van den jager, +wiens metgezel hij zal worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze moet alle eigenschappen van een +goeden opvoeder, en wel in de eerste plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend schutter zijn. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Diezel</span> beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt: “Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide +Hond van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen met een <a id="d0e4964"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4964">197</a>]</span>steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij +even stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze +wenken worden zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het gezochte wild, wordt de beweging van den +staart, die vóór dien tijd geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op eens in een levend beeld. +Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige oogenblikken +later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien, of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door +den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn) den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos +zijn plaats verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad +en gebruikt heb, waren echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den eersten tijd, maar leerden het +eerst in latere jaren.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1197.jpg" alt="Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="403"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Staande Hond</span> (<i>Canis familiaris sagax avicularius</i>). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de +machtige invloed, dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen, duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden +Hond. Een goed onderwezen Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame jager wordt door den goed gedresseerden +Jachthond, die hem vergezelt, niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een Patrijshond gekend, <span class="letterspaced">Basko</span> genaamd, die alles deed, wat men van een dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend schutter, die +in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij +bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze +vraagt verlof een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens: “Schiet vooral goed, anders neemt <span class="letterspaced">Basko</span> het u erg kwalijk!” De jacht begint; <span class="letterspaced">Basko</span> krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en “staat” voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op te jagen. +De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele Vogel valt ter aarde. <span class="letterspaced">Basko</span> kijkt hoogst verbaasd om, en geeft duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij gaat echter nogmaals +mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op, die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond gaat dicht +bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren +daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond, die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het +veld mede te nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn hart geworteld. + +</p> +<p>Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. +De africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men +op gewelddadige wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet weinige africhters, die zich van deze +marteltuigen bedienen. Velen echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen hunne leerlingen niet als slaven, +maar als verstandige helpers; zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Speurhond</span> (in Duitschland <span class="letterspaced">Schweisshund</span>, in Schotland <span class="letterspaced">Bloodhound</span> of <span class="letterspaced">Talbot</span> genoemd), gelijkt in grootte en gestalte op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers bekend. De dieren, +die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd; hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot vaalgeel, +met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren; dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed, +weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar breeder dan bij de overige <a id="d0e5008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5008">198</a>]</span>Jachthonden; de lippen van den stompen snoet hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede, afhangende +ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart +neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, +zoodat ieder, die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1198.jpg" alt="Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="436"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hertenhond</span> (<i>Canis familiaris sagax acceptorius</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild: hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het +aangeschoten is. Aan de lijn gehouden (als <span class="letterspaced">leihond</span>) brengt hij bij het “nazoeken” den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde dier zich heeft neergelegd; +als men hem los laat loopen, en hij het wild gestorven vindt, dan slaat hij “dood” aan; als het wild nogmaals is gaan loopen, +vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert, en aan de jacht met een treffer een einde maakt. + +</p> +<p>In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook +beschermde hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar +men meent, is de Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, +zoo lang nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet zelden na een verwoeden tegenstand, door de +Honden gegrepen, of door den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt dus “par force” (door krachtsinspanning) +verkregen, en niet van uit de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden, die daarom <span class="letterspaced">Parforce-honden</span> of <span class="letterspaced">Brakken</span> (<span class="letterspaced">chiens courants</span>) heeten. + +</p> +<p>Eén van deze, de <span class="letterspaced">Schotsche Hertenhond</span> (<span class="letterspaced">Greyhound</span>, <span class="letterspaced">Deerhound</span>), die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt, +onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin +nog maar weinig van deze dieren. Vroeger was dit anders. <span class="smallcaps">George III</span> was een hartstochtelijk liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon deel nam. Niet zelden werd met +zulk een ijver gejaagd, dat van de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er nog maar 10 of 20 over waren, +als het wild door de Honden gegrepen werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht werd dikwijls zoo +lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden en zelfs vele Honden hierbij om ’t leven kwamen. Tegenwoordig gaat dit +niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze jacht te veel hinderpalen in den weg legt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een veel belangrijker dier is de <span class="letterspaced">Voshond</span>. Beroemde mannen hebben zich meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem geschreven, en ook nu +nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar ’t schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van geheele +volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond, den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond, +de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. +Een goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van +den <span class="letterspaced">hertog</span> <span class="smallcaps">van Richmond</span> b.v. vonden, naar <span class="smallcaps">Bell</span> verhaalt, ’s morgens om kwart voor acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur ’s avonds, <a id="d0e5070"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5070">199</a>]</span>dus na een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal van Paarden verwisselen en verscheidene van deze +dieren bezweken; van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de <span class="letterspaced">Spion</span> (<span class="letterspaced">Stöberhund Choupille</span>, <span class="letterspaced">Beagle</span>), wiens schouderhoogte slechts 35 cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en Dashond is. Hij jaagt +kort onder het geweer en “teekent” voor het wild zonder te “staan”. Vroeger werden koppels van deze dieren veel voor de drijfjacht +op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Onder den naam <span class="letterspaced">Zijdehonden</span> (<i>Canis familiaris extrarius</i>) vat men gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige +haren bestaande vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang, zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog +en rugwaarts gekromd gedragen wordt. Zij heeten ook wel <span class="letterspaced">Spaansche Honden</span> (<span class="letterspaced">Épagneul</span>, <span class="letterspaced">Spaniel</span>), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">Willem</span> I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit +ras verkregen. + +</p> +<p>Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en +een groot verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, +gebruikt; deze heeten Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, +daar zij van nature te driftig en te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen zij van begeerte bij +het vinden van een spoor, en zijn niet in staat hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna voortdurend. +Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden +ook in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige +Honden weldra bedorven zijn. Kapitein <span class="smallcaps">Williamson</span> verhaalt, dat hij eens een van deze kleine, vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los gaan. Het +vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in ’t eerst verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend +gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij, dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze +beide, in grootte en kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen, de groote, vreeselijke Tijger met +opgeheven staart als voorganger en het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan. + +</p> +<p>De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten <span class="letterspaced">King-Charles</span>, de allerkleinste <span class="letterspaced">Blenheim-Hondjes</span>; de eerste naam brengt in herinnering, dat Koning <span class="smallcaps">Karel II</span> van Engeland buitengewoon veel van deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden zich door hun +donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar +en het groote, lange “behang”. De allerbeste en meest gezochte van deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten +slechts 3,5 KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien, en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer +zij verstandig behandeld worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan: voortdurend op grappen bedacht, +laten zij zich met zeer geringe moeite tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename eigenschap van deze +dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook de <span class="letterspaced">Maltezer</span> en <span class="letterspaced">Bolognezer Schoothondjes</span> en de <span class="letterspaced">Leeuwtjes</span> behooren tot dit ras. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de <span class="letterspaced">Newfoundlander</span> of <span class="letterspaced">Terreneuve</span> is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal, sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten +snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker +teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte, lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige +haren vormen de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn +zwart met een heldere, roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan de voetgewrichten. Een weinig +minder veelvuldig komen zwart en wit, of bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor. + +</p> +<p>Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren +met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate +trouw en gehecht aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; +het water schijnt zijn eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van zwemmen en verstaat deze kunst +uitnemend; hij duikt als een zeedier en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze Honden in een wijde +inham van de zee, op mijlen afstands van de kust; men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen had. +Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den +wind, als voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp +uit het water, zelfs bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan hem op geen wijze meer genoegen +doen, dan door hem de gelegenheid te geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met hem te water begeeft, +vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch, evenals +hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu +eens zwemt hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde +dragen of ondersteunen, kortom, hij wil in ’t water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn meester zich vermoeid naar den +oever begeeft, tracht de Hond hem tot een nieuwen wedstrijd over te halen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1200-1.jpg" alt="Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="401"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Newfoundlander</span> (<i>Canis familiaris extrarius terrae novae</i>). 1/12 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1200-2.jpg" alt="St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="432"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">St. Bernardshond</span> (<i>Canis familiaris extrarius st. Bernhardi</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging in ’t water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer +dikwijls heeft hij aan verdrinkende <a id="d0e5169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5169">200</a>]</span><a id="d0e5170"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5170">201</a>]</span>menschen het leven gered. In plaatsen, die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste kinderoppasser, +dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen; men +kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast +is. Bij deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid +voor ontvangen weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een onrechtvaardige behandeling of straf, die hij +ondergaan heeft; voor lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Met den Newfoundlander heeft de <span class="letterspaced">St. Bernards</span>- of <span class="letterspaced">Bernhardinerhond</span> eenige overeenkomst. “De St. Bernhardshonden,” zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, “zijn groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en lang ‘behang’; zij zijn buitengewoon scherpzinnig +en <a id="d0e5185"></a><span class="corr" title="Bron: touw">trouw</span>. Door vier geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne +trouwe diensten door lawinen om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke verschilt, wordt nu gefokt, +en een jong dier dikwijls zeer duur verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van den St. Bernard, dat +2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9 maanden +duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken, in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die +zoo fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt +de wind dit ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden en afgronden bedekken en bij den geringsten +schok in de diepte storten. + +</p> +<p>“De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen +en in den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden +reiziger met vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een +spleet, de andere wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt +en in de wildernis van honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. +Zonder de echt christelijke en zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas ieder jaar slechts gedurende +weinige weken of maanden begaanbaar zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van de verzorging en redding +der reizigers. Kosteloos vinden deze in ’t klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het haardvuur nooit +uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen is +echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag +gaan twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het +klooster naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd; +verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de ‘zoekers,’ die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven, draagbaren +en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de Honden +wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms +dagen achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij +langs den kortsten weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed staande monniken naar den ongelukkige. +Als zij een lawine ontmoeten, onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken, en als hun fijne neus hun daarvan +de zekerheid geeft, beginnen zij onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen en groote lichaamskracht +hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn, op den +rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken +van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De beroemdste Hond van dit ras was <span class="letterspaced">Barry</span>, een onvermoeid werkzaam dier, dat aan meer dan 40 menschen het leven redde.” + +</p> +<p>Een dichter heeft dezen Hond bezongen; <span class="smallcaps">Tschudi</span> haalt dit gedicht in zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in gebonden taal geschreven is, +n.l. de beschrijving, die <span class="smallcaps">Scheitlin</span> van <span class="letterspaced">Barry</span> geeft. “De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen,” zegt hij, “was niet die, welke de wachten van den Akropolis van +Korinthe deed ontwaken, ook niet de Bloedhond <span class="letterspaced">Beçerillo</span>, die honderden van naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter, die op bevel van zijn meester, +een beangste reiziger vergezelde en beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook niet <span class="smallcaps">Dryden’s</span> ‘<span class="letterspaced">Draak</span>,’ die na een wenk van zijn meester, op vier bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven redde, niet +die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar in ’t water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug +te Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in de golven ontrukte, ook niet <span class="smallcaps">Aubry’s</span> Hond, die woedend den moordenaar van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid van den koning plaats +had, verscheurde, ook niet de Hond van <span class="smallcaps">Benvenuto Cellini</span>, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen stelen wilde, maar <span class="letterspaced">Barry</span>, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij, <span class="letterspaced">Barry</span>, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een +warme ziel voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met een korfje vol brood en zoete, versterkende +lafenis aan den hals, verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder, dag aan dag, om ingesneeuwde, door +lawinen bedekte ongelukkigen op te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek, snel naar huis te rennen, +opdat de kloosterbroeders met u kwamen en met spaden u bij ’t graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een doodgraver, +gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen +maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster +te laten dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige <a id="d0e5225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5225">202</a>]</span>poort, om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging over te geven. En toen de zoete last u afgenomen +was, sneldet gij dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door iedere naar wensch geslaagde poging nam +uw ervaring toe en werdt gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad, dat zij voortdurend goede gevolgen +teweegbrengt!” + +</p> +<p>Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en alle andere hospitiën worden, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span>, uitmuntende Honden gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls Newfoundlanders of kruisingsproducten +van deze. De hospitiumbewoners op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter het naderen van slecht +weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo beroemd als +<span class="letterspaced">Barry</span> is geen hunner echter geworden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een Zijdehond is ook de algemeen bekende <span class="letterspaced">Poedel</span>. Hem te beschrijven, komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel <a id="d0e5242"></a><span class="corr" title="Bron: eignaardigheden">eigenaardigheden</span> heeft, die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam met de lange, wollige, vlokkige haren, die op +vele plaatsen echte lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de lange en breede ooren onderscheiden +hem van zijne verwanten. Een fraaie Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn overigens zuiver +zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben. + +</p> +<p>De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden, doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en +gaarne, en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; +in dit opzicht doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter te schetsen, ontleen ik de woorden aan <span class="smallcaps">Scheitlin</span>, een zijner warmste vereerders. “Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft den fraaist gevormden kop, den +best gebouwden romp, de schoonste gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet hoog en niet laag, +niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden voor +allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem +aan, zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt +hij gewaar, dat hij het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij +onderscheidt de spijzen zeer goed en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een zoek geraakt kind +een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken, kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind terugvinden. +Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn; +voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem +zijns meesters, merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de klokken en schellen, herkent de huisgenooten +aan hun wijze van gaan en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter minder ontwikkeld: hij ziet niet +goed, hij herkent zijn meester door het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is. + +</p> +<p>“De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In +de stad of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt, met de zekerheid het te zullen vinden, het een of +ander huis, waar hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is, en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. +Daarom kan men hem leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij +onderscheidt den Zondag van de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van den maaltijd; ook is hij goed +op de hoogte van de dagen waarop in het slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en onderscheidt hieraan +de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak, andere +niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen; daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend +opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend +leert verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren +lang onthoudt hij den weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig, omdat hij met zijn reukzin veel +onderscheiden kan; veel meer aanspraak maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers in ’t dagelijksch +leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het +geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel; hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid +en zijn gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan, pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met +een troep Honden een hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne kameraden komedie spelen enz. Het +is bekend, dat men ook aan Paarden en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren. + +</p> +<p>“Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. +z. zijn ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na, wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. +Hij is een echte oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van zijn meester: ‘wat hij doet, is wel gedaan; +ik moet (of mag) het ook doen.’ Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een tusschen de pooten of wil dien +met den bek grijpen en spant zich dus noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een wetenschappelijk +doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de pooten +te graven. Als zijn meester aan ’t venster zit, springt de Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn +en kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid +er een ziet medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer, gaat van den een naar den ander, om te laten +zien hoe knap hij is en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen bekommert hij zich in het geheel +niet om andere Honden; hij veracht ze, naar ’t schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij hem achting toedragen. + + +</p> +<p>“De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en ook de meest geliefde Hond, omdat hij <a id="d0e5256"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5256">203</a>]</span>de goedaardigste is. Kinderen vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te bijten en ongeduldig te worden +toelaat, dat zij hem op allerlei wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig hij ook is, toch kan men +hem de brokken dikwijls weer uit den bek halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens geschoren heeft, +kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder te scheren, +dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn +meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs, staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen +hoek van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt, snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. +Ook is het de moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht +te zijn, bij hem langs tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan, en plotseling, als men niet naar +hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot optilt, alsof hij, +om te maken dat men hem de deur laat uitgaan, van plan is daar zijn behoefte te doen. + +</p> +<p>“Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, +naarmate hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen, heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch +wil aanhitsen, kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij denkt: “het kan toch de bedoeling van +mijn meester niet zijn, dat ik een van zijns gelijken zou aanvallen.” Men zou zijn meester kunnen dooden, zonder dat hij voor +hem in de bres sprong. Steeds is hij in de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen diens slagen, +maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord, den dreigend opgeheven vinger. + +</p> +<p>“De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond +zit graag aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen +tracht hij te breken of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt vaak als een mensch, als hij losgemaakt +wordt, en doet soms, alsof hij gek is van blijdschap.” + +</p> +<p>Van ’t geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door <span class="smallcaps">Giebel</span> een aardig geval medegedeeld: “In een groote stad, waar een hondenbelasting geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, +alle Honden zonder belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en leelijk, in een groot hok, waar +zij zich den tijd kortten door zoo luid mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil, schijnbaar +in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis, en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. +De weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan ’t werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, +opende de deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw +trokken zij voorbij de poortwachters, die in ’t geweer kwamen, de stad binnen, en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester +terug.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Rattenvangers</span> (de <span class="letterspaced">Pintscher</span> van de Duitschers), die nu aan de beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend; werkelijk hebben zij +(eenige hunner althans) door hun beharing en door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid en trouw, +vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw +van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men +onderscheidt ze in <span class="letterspaced">gladharige</span> en <span class="letterspaced">ruigharige</span>. De eerstgenoemde gelijken door hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door de hoogere en rechte pooten +en de geheel rechtopstaande of slechts aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur, gevlekte komen zeldzamer +voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts gericht +met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog +en recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn, den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden. + + +</p> +<p>Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren, die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun +grootste genoegen Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met +waarlijk onvermoeiden ijver vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet onvoorwaardelijk aan te bevelen, +daar zij wegens hun voortdurende onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen verschaffen; daarentegen zijn +zij uitnemend geschikt voor menschen, die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger vergezelt zijn meester +het liefst, wanneer hij terdege rennen en loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog tijd te vinden +om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en tegen +den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft +een tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de voorpooten in den grond en heeft in ’t volgende oogenblik +het in den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, +naar <span class="smallcaps">Lenz</span> verzekert, gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel 14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, +maar begraaft ze; Muizen eet hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg. + +</p> +<p>De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen +de Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om +de belangstelling in dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed; hierdoor gelijkt dit volksvermaak +veel op een hazardspel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft, is de <span class="letterspaced">Kleine Ruigharige Rattenvanger</span>, bij ons gewoonlijk <span class="letterspaced">Smousje</span> genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers +zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier, den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en +liefkoozend jegens zijne vrienden <a id="d0e5300"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5300">204</a>]</span>en zeer dapper in den strijd tegen andere Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt, en wordt zelfs hier +en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar +meer nog dan de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de <span class="letterspaced">Huishonden</span> in engeren zin (<i>Canis familiaris domesticus</i>.) Tot deze groep behooren de <span class="letterspaced">Herdershonden</span>, de <span class="letterspaced">Keeshonden</span>, de <span class="letterspaced">Wolfshonden</span>, de <span class="letterspaced">Honden der noordelijke volken</span> (<span class="letterspaced">Lappen</span>, <span class="letterspaced">Kamtschadalen</span>, <span class="letterspaced">Eskimos</span>, <span class="letterspaced">Hazen-Indianen</span> enz.), de <span class="letterspaced">Zigeuner-Hond</span>, de <span class="letterspaced">Chineesche Hond</span>, de <span class="letterspaced">IJslandsche Hond</span> enz. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1204.jpg" alt="Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte." width="512" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Ruigharige Rattenvanger</span> (<i>Canis familiaris gryphus hirsutus</i>). ⅙ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De eigenlijke <span class="letterspaced">Herdershond</span> verschilt van alle overige Huishonden, doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den regel slank gebouwd, +mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte aanmerkelijk +achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk +een weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, +die tot aanvulling van het beeld van dit dier kunnen dienen. + +</p> +<p>In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid +volledig verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende +huisdieren een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet steeds letten op zijn meester en acht geven +op diens bevelen. De Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten, want anders zijn zij niet bevreesd +voor hem. Als hij de koe voor zich uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den staart of in de zijden, +en nog veel minder in de uiers. Als een koe achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt, maar toch +het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, +toch nog baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven hangen. De Spaansche herders gebruiken bij +het veehoeden ook nog den slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen bestraft geworden is door +een steen, die de herder hem tegen den kop werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt den weerspannige +goed in ’t oog en beperkt zijne bewegingen reeds na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder moet +sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit +aanpakken, maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil. + +</p> +<p>Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de +Duitsche even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. +Zoekt de herder zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, +dan helpt de Hond hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of viervoetige roovers: de Hond neemt deel +aan de gevechten, die hierbij noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn Hond een zachtaardig wezen +zijn. De beide bondgenooten komen in aard overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die als ’t ware ieder +woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig opmerker verhaalde mij hiervan een <a id="d0e5364"></a><span class="corr" title="Bron: staalje">staaltje</span>, waarvan hij ooggetuige was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed <a id="d0e5367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5367">205</a>]</span>op het “raapzaad” moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen, waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder +had gehoord. Tarwe en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor hem, van raapzaad had hij echter +geen begrip. Na een korte overdenking ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers en bleef eindelijk +staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn, en ’t +was werkelijk zoo! +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Wat de Herdershond is voor het vee, is de <span class="letterspaced">Keeshond</span> (de <span class="letterspaced">Spitz</span> of <span class="letterspaced">Pommer</span> van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en +langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht +bekleed met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering +ook zwarte kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan ’t voorhoofd, en witte merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, +zoodat men hem niet licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den voorkeur aan die, welke lange, zachte, +zuiver witte haren hebben. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1205.jpg" alt="Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="422"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Keeshond</span> (<i>Canis familiaris domesticus pomeranus</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op +boerenerven voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den +voerman ontbreekt hij in Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te vervullen; door zijn vroolijken +aard verschaft hij den man bij zijn moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De Keeshond wordt het meest +geschikt geacht voor het genoemde doel, omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester onderscheidt, +zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich neervleit +daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast +te liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn. + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Wolfshonden</span>, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op de Herdershonden, +welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen, moge de <span class="letterspaced">Eskimo-hond</span> dienen; deze gelijkt op de leden van de beide laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de onbeschaafde +volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen echter +forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren, +de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild +dier, hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft +hij verwanten, die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor ’t hoeden van ’t vee als voor het trekken van de slede. + + +</p> +<p>Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf +niet verschaft, door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele maanden alleen uit vel en beenderen schijnt +te bestaan. Hij staat tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij in slavenketenen ligt, en tracht deze +ketenen te verbreken. Er is iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn geest. Door zijn dicht haarkleed, +de overeind staande ooren, de breedte van den bovenkop en de spitsheid van den <a id="d0e5408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5408">206</a>]</span>snoet gelijkt hij zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in ’t geheel niet van elkander onderscheiden +kan. De Eskimo-hond rooft en steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch deemoedig, als slechts +een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die onder +de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt; van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon +zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan +hem bevestigd is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander aangespannen. Soms beginnen zij gedurende +de reis samen te plukharen; het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen, bijten, razen dooreen; niet +eens de met kracht op hen neerkomende zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk is de verwarring +zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van elkander losmaken +en opnieuw aanspannen.—Zonder deze Huisdieren zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De Honden bewijzen +hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10 à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige jachttochten. +6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één +dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM., en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild +bespeuren, loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne +meesters, als deze in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten. + +</p> +<p>De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden worden. “Zonder deze Honden”, zegt <span class="smallcaps">Steller</span>, “kan iemand hier evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend +van kleur: de meeste echter zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik- en langharig. Zij voeden zich +met visch. Van de lente tot laat in ’t najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd loopen zij overal vrij +rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij genoeg +Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren, alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October +verzamelt iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan laat men ze terdege honger lijden, om te +maken, dat zij hun vet verliezen, voor ’t loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra de eerste sneeuw valt, begint +hun ellende; dan hoort men ze dag en nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den winter krijgen +zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in hooge +mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit +’s morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen. + +</p> +<p>“Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere +slede gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1½ poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading +voor vier Honden is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol en gevaarlijk is, en men zich er bijna +nog meer bij moet inspannen, dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het besturen van een hondenslede +zoo moede wordt als een Hond, biedt dit middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst begaanbare plaatsen +van het eene oord naar het andere kan komen, en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw, ook voor +voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn. + +</p> +<p>“Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men +zoowel van de afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei +soort van kleedingstukken verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote waarde zijn.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Vossen</span> (<i>Vulpes</i>) verschillen door hun langwerpigen romp, den langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den regel langwerpig +rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van de Wolven, +dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die +der andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht ten zeerste waardig zijn. + +</p> +<p>Onder de in ons vaderland in ’t wild levende Zoogdieren staat de <span class="letterspaced">Vos</span> (<i>Vulpes vulgaris</i>) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze +vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid, van de lust tot het plegen van overtredingen en, om +het zoo eens uit te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord, hem prijst de sage, hem verheerlijkt +het gedicht; Duitschlands grootste dichter <span class="smallcaps">Goethe</span>, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. “De +Vos van de sage en van de dichters,” schrijft <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, “en de Vos van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij +hem niet in buitengewone mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list en vindingrijkheid, ook niet +de onovertroffene fijnheid van zinnen, welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt hij zich van de +andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven, door geen enkele in ’t oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men toegeven, +dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet +bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder +begrepen, zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere +jager, die met deze roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat er ook zeer vele niet-schrandere, +ja zelfs werkelijk domme schepsels onder zijn—en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook sommige oude dieren. De +Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen; hij is vermetel, +maar alleen als de honger hem kwelt, en <a id="d0e5443"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5443">207</a>]</span>wanneer hij jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest +of van overleg, maar geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch maar recht lomp gesteld zijn, en +laat zich herhaaldelijk op deze wijze beetnemen; in ’t open veld laat hij de sleden, die zich in een kring om hem heen bewegen, +binnen het bereik van een schot naderen; hij is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem schrik aan +te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar +bij een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit de voeten te maken—om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer +vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft, in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, +niet geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere +Reintje van de overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt +zich door geen enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren.” + +</p> +<p>Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld, in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder +met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op +den staart komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed, het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling +smaller wordt, is lang en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet breed zijn en naar boven spitser +worden, staan rechtop. De romp schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid buitengemeen slank; toch is +hij buitengewoon krachtig en voor de meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de staart is lang +en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn +rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past +even goed bij de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om ’t even of zij hoog of laag zijn, ook +is het even goed geschikt voor de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen bodem. Meer dan bij andere +dieren schijnt bij den Vos het kleed zich naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont met die der +noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe +en in de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien, de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. +Bij nauwkeurige beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer de volgende verdeeling van kleuren op: Aan +de geheele bovenzijde is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en het achterste deel van den rug tot +aan den staartwortel zijn met wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een witten top eindigt; de +lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw, de flanken +witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood, +met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar +in elkander over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor komt het, dat het geheele haarkleed voor alle +omstandigheden recht goed geschikt is. + +</p> +<p>Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, +Noord Afrika, het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan, het westelijk deel van den Himalaja en Tibet +er bij voegen, want de daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen worden. Nergens ontbreekt hij geheel; +in vele gewesten komt hij veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte woonplaatsen vinden, waar andere +Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen hem in staat om zich +in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos zijn. Daar +de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt +daar echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert. + +</p> +<p>Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime +kamer uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen +niet zelf, maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich +te storen aan diens afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen +aangelegd. Voorzoover hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een berghelling, zoodat de gangen naar boven +gericht zijn, zonder te dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de kamer dikwijls dicht onder de +oppervlakte. In den herfst en den winter vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen opeengestapeld +rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken +als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer +gedurende de grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; +bij gunstig weer echter doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste geschikte plekje, dat hier te vinden +is, als rustplaats. In vlakten, die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van Onder-Egypte, graven +de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit land jaar +in jaar uit in de open lucht leven. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1208.jpg" alt="Vos (Vulpes vulgaris)." width="343" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Vos</span> (<i>Vulpes vulgaris</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Vos houdt zijne rooftochten liever ’s nachts dan over dag; op stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij ’t licht der +zon. In de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van zijn gebied dikwijls verscheidene uren vóór zonsondergang +met zijne jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt, rust hij, naar ’t schijnt, alleen gedurende +de morgenuren uit; hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op +warmte gesteld. Bij fraai weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om zich in de zon te koesteren en +verdroomt dan in de verkwikkelijkste gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft <a id="d0e5463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5463">209</a>]</span>hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt +zoo vast, dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd gevestigd, hem soms in dezen toestand kan +verrassen en bespieden. Met het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij zijn rooftocht. Uiterst +voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne wegen, +passen of “wissels” (<a id="d0e5465"></a><span class="corr" title="Bron: d.z.">d.w.z.</span> de paden, waarlangs hij het bosch binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen, hoog gras en dergelijke +dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel van ’t woud; +hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als ’t ware een brug vormen, +waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de “passen” van +den Vos zeer goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in de op dat tijdstip bestaande omstandigheden +zal kiezen. + +</p> +<p>Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever, vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel +van zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de +jongen van Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op den bodem broedende Vogels, welker eieren en +jongen hij verslindt, maar tracht ook de oude, in ’t vliegen ervaren Vogels door list te overmeesteren en bereikt niet zelden +zijn doel. Hij zwemt en waadt door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende Vogels te bereiken; er zijn +voorbeelden van bekend, dat hij broedende Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt des nachts tot +op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op klaarlichten +dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen, vangt +hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz., of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij +de beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van +de visschers leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed +voorzien is, en hij alleen dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon bemoeilijkt. Dan behelpt hij +zich met al wat eetbaar is, niet alleen met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en, evenals vele Honden +bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne bezoekt +hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen +prooi speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze, voordat hij haar doodt. + +</p> +<p>Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan +en als hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. +In dit geval echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar +voor de oogen van de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den haal. Slechts in den uitersten nood laat +hij een zoo moeilijk verworven prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien, of hij haar toch niet medenemen +kan. Dezelfde driestheid toont hij soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig maken. Zoo pakte een +Vos, die bij een drijfjacht door de Honden achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had hooren fluiten, +in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het door de +jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog +schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring van drijvers en schutters. De houtvester <span class="smallcaps">Liebig</span> verhaalt, dat een Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen, met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, +nogmaals verdreven werd, ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot. + +</p> +<p>De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een +onhoorbare wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden +zijn zeer zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna in horizontale richting achterwaarts gestrekt, +bij langzamer beweging sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik op den grond; om te rusten gaat +hij niet zelden, evenals de Hond, ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls zit hij ook geheel op +de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water is hij +volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en snel zwemmen; ook in ’t klimmen is hij niet onervaren; soms vindt +men hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben, hoog boven den grond. + +</p> +<p>De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen “blaffen” +alleen, als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen +en keffen telkens als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in gevaar verkeert, laat hij een woedend +gesnater hooren; een smartkreet verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is, of wanneer een schot +hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als het sneeuwt +en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan +van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf, deels aan dat van den Pauw herinneren. + +</p> +<p>Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen +in hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan, in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert +zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor +andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, +met den Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking +tot Grimbaard moet niet als een vriendschappelijke verhouding opgevat <a id="d0e5481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5481">210</a>]</span>worden; het is Reintje volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen. + +</p> +<p>Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het einde van April of in ’t begin van Mei, werpt de moervos +jongen, welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. +De moeder behandelt ze met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in ’t geheel niet, later slechts +gedurende korten tijd als de schemering reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht hun verblijfplaats +geheim te houden. + +</p> +<p>Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur +vóór het hol, om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun steeds bereidwillige moeder te spelen. +Deze brengt hun voedsel in overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen, Vogeltjes, Vorschen en Kevers; +zij leert hare hoopvolle spruiten de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in dezen tijd voorzichtiger +dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste gedruisch +in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol; +zelfs wanneer zij zeer in ’t nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden +gelukt het den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een zekere grootte bereikt hebben, liggen zij +bij goed weder ’s morgens en ’s avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst van de moeder af; als +het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge dieren +de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje +te verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich +met hun moeder naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen veiligheid verschaffen. Na den oogst +zoeken zij dicht struikgewas, heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde jagers en sluwe struikroovers +en verlaten eindelijk in het laatst van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken. + +</p> +<p>Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. +Zij worden, als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen. + + +</p> +<p>“Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht,” verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>; “van deze was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij nog zeer jong was. Hij was juist begonnen +zelf te eten, maar was toen reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje vóór zich had, voortdurend +knorde, en, hoewel niemand hem hinderde, toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke behandeling werd +hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en, in plaats +daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over ’t algemeen speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met +mij, was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even +vriendelijk was hij voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen afstands, als zij den hoek van ’t huis +omgingen, dadelijk reeds van mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem te komen, welke eer hij mij +en mijn broeder, die hem gewoonlijk met voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat hij wist, dat wij +toch wel zouden komen.” + +</p> +<p>Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor +hem bestaat geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen (zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, +delft hem op uit zijn veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op drijfjachten tot hij dood neervalt, +haalt hem met boren en tangen uit den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van het standpunt van +den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk +een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij +het niet. Want de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen, Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen +en Fazanten aangelegd, bebouwd en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het is daarom de plicht +van allen, die zich met boschkultuur, landbouw en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te doen verdwijnen, +wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren, +dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel +als schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte schade over ’t hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen +kan men niet. + +</p> +<p>Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich +toe op en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals +reeds gezegd is, zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel, als hij voor zijn levensonderhoud noodig +heeft, n.l. 20 à 30 stuks bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot tijdverdrijf dood, die hij laat +liggen. Hierdoor is hij in allen gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem vrij te pleiten van de misdrijven, +waaraan hij zich schuldig maakt; want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont, vele nuttige Vogels verslindt +en hunne nesten plundert, in de pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt; hiervoor echter geeft +hij een voldoende vergoeding door het nut, dat hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen en op +de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg; dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en +vervolgt, terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt. + +</p> +<p>De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, +dikwijls schiet men hem “op den aanstand”, na hem door het nabootsen van het geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te +hebben, of doodt hem bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen neergelegd zijn. Wanneer hij ’s +winters over de besneeuwde velden op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke <a id="d0e5500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5500">211</a>]</span>wijze jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den +regel geen gebruik maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters plaatst. De door een schot gewonde +Vos laat zelden klaagtonen hooren; soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten: <span class="smallcaps">Winckell</span> had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde +poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en +nu even hard wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai van leven. Verscheidene voorbeelden zijn +er bekend, dat Vossen, die voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1211.jpg" alt="Poolvos (Vulpes lagopus) in zijn winterkleed, ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="414"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Poolvos</span> (<i>Vulpes lagopus</i>) in zijn winterkleed, ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest echter in “zwanehalzen”; dit zijn ijzeren vallen met +slagveeren, die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men +het ijzer op de hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, +haar te bezoeken. Eerst wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen, wordt het schoongemaakte ijzer, +dat met een weinig sterk riekend lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen gesteld met versche lokbrokken +er om heen en met den vangbrok er op. + +</p> +<p>De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden +hebben zulk een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige +en zoogende moervossen dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in ’t geheel niet vervolgd worden. De overige Zoogdieren +kunnen Reintje niets doen: onder de Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De Havik neemt zonder +bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. <span class="smallcaps">Tschudi</span> maakt melding van zulk een geval: “Een Vos die over een gletscher liep, werd door een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde +in de lucht. Weldra echter begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken, daalde en kwam achter een +rotspunt terecht. De persoon, die dit had waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem pijlsnel voorbijloopen; +aan den anderen kant vond hij den stervenden Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende zijn +onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte +hij nu heen, maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle luchtvaart behouden hebben.” In de overige +klassen van het dierenrijk heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden, wel echter zulke, die hem het +leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek te nemen, zich langzaam +te water te begeven, zoodat achtereenvolgens alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en meteen door +de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos aanlanden, +en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel. + +</p> +<p>Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten, waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste +van allen, de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag +in dorpen doordrongen, en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens <span class="smallcaps">Noll</span> komt de genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt zij zich dan over een groot gebied. +<a id="d0e5527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5527">212</a>]</span></p> +<p>Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, +naar den geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt opgemerkt bij den <span class="letterspaced">Poolvos</span>, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk van hem onderscheidt; +hij is een der onnoozelste en tevens een der indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van het Vossengeslacht. + +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Poolvos</span>, <span class="letterspaced">IJsvos</span> of <span class="letterspaced">Steenvos</span> (<i>Vulpes lagopus</i>) is kenbaar aan de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de teenen, die, evenals het overige lichaam, +dicht behaard zijn, den zeer ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij is aanmerkelijk kleiner dan +onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in kleur met die +van den grond of van de rotsen overeen; in den winter is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in den +winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde “Blauwe Vossen” moeten, +evenals de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor. + + +</p> +<p>De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden, zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de +eilanden niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte +van de aarde verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; +men vond ze als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend groot aantal op eilanden, die ver van alle +andere, door hen bewoonde streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger tijd hierheen verhuisd zijn. +Alleen wanneer er slecht weer ophanden is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt de Poolvos een schuilplaats +in holen in het gesteente, of ook wel in door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen ’s nachts, om op roof +uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij +zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen, struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats +bieden, op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst +maakt hij jacht op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in groote troepen hunne woonplaatsen in de +gebergten verlaten, om zich naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren over. Uit de klasse der Vogels +rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren, Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote slachting aan. +Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de kust worden geworpen. + +</p> +<p>De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen; er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen; +integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. +De eene pakt den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij +van oordeel is, dat hij hem genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten; terwijl zij, als zij ongeduldig +worden, met schelle stem huilen. + +</p> +<p>De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar toch komen bij ’t nagaan van zijne talenten de zonderlingste +tegenstrijdigheden aan ’t licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid, +kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij +echter een domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten +’s avonds een van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de buks <span class="letterspaced">zeven maal op hem</span>, zonder hem te treffen. In plaats van nu te vluchten, <span class="letterspaced">volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang</span>, zooals een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, +acht hij het raadzaam om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin verdrijven, als hij zich aan de dicht +bij hem langs fluitende kogels had gestoord. + +</p> +<p>De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd reeds in de vorige eeuw door <span class="smallcaps">Steller</span> gegeven: “Op Bering-eiland komen geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen, die er zonder twijfel +op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk vermenigvuldigd. +Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid bij +hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren +aard dezer dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als ’s <a id="d0e5566"></a><span class="corr" title="Bron: nacht">nachts</span> drongen zij in onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden, ook voorwerpen, die voor hen niets nut +waren, zooals messen, stokken, zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze wisten zij een last van +ettelijke poeds gewicht van onze vaten met leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat wij aanvankelijk +bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het dikwijls, +dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden +rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen +op te sporen, maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven; gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander +zooveel mogelijk. Als wij iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond om den paal weg, zoodat deze omviel; +soms ook klauterde een hunner als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop bevond, met ongeloofelijke +behendigheid en list naar beneden. Zij gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook deden. Als de zee +een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet +alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en brokken naar het gebergte en begroeven het onder de +steenen om het voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er nog wat over te brengen was, stonden eenige +van hen op schildwacht, om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in de verte zagen aankomen, begon +de geheele troep gemeenschappelijk in ’t zand <a id="d0e5569"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5569">213</a>]</span>te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken. +Des nachts, als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van ’t hoofd, de handschoenen onder ’t hoofd weg, +en namen ook de huiden van Bevers”—zoo werden in <span class="smallcaps">Steller</span>’s tijd de Zee-otters genoemd,—“en andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door ons gedooden Bever +gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen, vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden +uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen, om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze +dieren te kunnen slaan en verjagen.” + +</p> +<p>De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien, gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van +de kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de +bodem met een dikke sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door de met spaden van rendier-geweien +gewapende Ostjaken en Samojeden worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en met den kop tegen den +grond geslingerd om het te dooden. + +</p> +<p><span class="smallcaps">H. Elliot</span>, die gedurende het tijdperk van 1880–90 het Bering-eiland bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren +en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos niets, wat aan de ervaringen van <span class="smallcaps">Steller</span> herinnert, maar geeft van dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat de bewoners van Attoe, het westelijkste +eiland van den eilandenketen der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd hebben, hem daar als het +ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was op Attoe reeds +uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker huiden +minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen, waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd; +bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige +kruising kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen +erkend wordt; de inboorlingen brengen ieder jaar 200 à 300 van deze huiden in den handel. + +</p> +<p>De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje +in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg +of aan den rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door het middel dat zij aanwenden om hun kroost +voor gevaren te beveiligen, verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een mensch, al is deze nog +ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van hun hol +verwijderd te houden. + +</p> +<p>Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel +in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij +ook door Zee-arenden vervolgd: <span class="smallcaps">Steller</span> zag, dat een Zee-arend een IJsvos met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem door den val te dooden. +Voor ons is alleen het vel van dit dier van belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel eens zijn vleesch +gegeten, maar getuigen <a id="d0e5590"></a><span class="corr" title="Bron: eenstem-stemmig">eenstemmig</span>, dat het geen lekkernij is. + +</p> +<p>Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal +zeer prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren +dan vurig en valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in één hok zijn opgesloten, houden zij geen vrede. +</p> +<p class="tb"></p><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1213.jpg" alt="Korsak (Vulpes corsac). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="309"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Korsak</span> (<i>Vulpes corsac</i>). 1/7 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder +eigenaardige levenswijze of door een in ’t oog vallende kleur zeer onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort +de <span class="letterspaced">Steppenvos</span>, die door de Russen <span class="letterspaced">Korsak</span>, door de Mongolen <span class="letterspaced">Kirsa</span> of <span class="letterspaced">Kirassoe</span> genoemd wordt (<i>Vulpes corsac</i>.) Hij is aanmerkelijk kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 à 60 cM. bedraagt, ongerekend den 35 +cM. langen staart. In gestalte en aard gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht varieert minder +dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af met den tijd van ’t jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige kleur, +het winterhaar heeft een breeden, <a id="d0e5624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5624">214</a>]</span>zilverwitten ring onder de donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier soms meer vaalwit is. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen om de Kaspische Zee tot aan Mongolië; men vindt het dier +echter alleen in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen, nooit in bosschen en diensvolgens evenmin +in gebergten. In den regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen, maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig +onder den blooten hemel, of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik, misschien nadat hij het een weinig +wijder heeft gemaakt. In zulke Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd minstens twee) Korsaks +bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien maakt hij jacht +op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen. + +</p> +<p>Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in +vallen en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden; ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven +en daarna door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op +den Korsak afgericht, n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de arme schelm natuurlijk niet ontkomen. + + +</p> +<p>Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan +geen noemenswaard verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is een van de gelukkigste bewoners van +een dierentuin, gevoelt zich in de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte als de winterkoude, en +stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op den steenen +vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos. + +</p> +<p>Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van Azië. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in ’t algemeen +en van het Vossengeslacht in ’t bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden +zij zich van hunne verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone verhoudingen ver overschrijden, +maar die ook bij de verwante soorten de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze <span class="letterspaced">Grootoorige Vossen</span> of <span class="letterspaced">Feneks</span> genoemd; hun gebit komt met dat van de andere Vossen overeen. + +</p> +<p>Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel +zoeken, herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan, +haar dagwerk of liever haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd +hongerig rondzwerven om voedsel te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen: het is noodig nog een +andere woestijnroover, en wel de sierlijkste en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de <span class="letterspaced">Fenek</span> of <span class="letterspaced">Woestijnvos</span> (<i>Vulpes zerdo</i>), een dier, dat nog beter zelfs dan de Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer en fijn, listig, +geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon groote +oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de +overige leden der Hondenfamilie slechts één hem in dit opzicht nabij komt. Op de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust +een slanke romp, die in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen van dit dier blijkt, dat het even +vlug als behendig moet zijn; van de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare afdeelingen dezer organen +een voorgevoel. + +</p> +<p>Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer +het u meeloopt, tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen, +uiterst bedachtzaam, uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en luisterend. Niets ontgaat aan het +waarnemingsvermogen van dezen goed voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een sprong doet, voor hij +zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden; meer door +nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge Hagedis +heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk +uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik, die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt! +Hij is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied +gedachtig, een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd! +Hij behoeft er niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal, genoeg voor hem en misschien ook voor +zijn hongerig gezin. Gij moest hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft van een toom Woestijn-Hoenderen! +Misschien heeft slechts één van hen het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is voldoende. Na een zorgvuldig +onderzoek van het spoor, gaat hij met den neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek kent de Woestijn-Hoenderen +wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen of aardhoopen, +die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den +buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den +kop in de vederen gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het bezorgde, reeds half-slapende mannetje +maakt, als het de omgeving bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn, die het spoor van den Vogel kenmerkt: +den Fenek ontgaat dit alles niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu naderbij, bijna op den buik +kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe gloeien zijne +oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich +veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven, en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele +ziel van den Vos <a id="d0e5653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5653">215</a>]</span>ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel +schijnt uit te maken. Op eens, één enkele sprong, door een kortstondig gefladder gevolgd: het <a id="d0e5655"></a><span class="corr" title="Bron: Woenstijnhoen">Woestijnhoen</span> is bezweken. Snel vliegen de andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos dwalen zij in ’t nachtelijk +duister rond en laten zich na korten tijd weer op den <a id="d0e5658"></a><span class="corr" title="Bron: boden">bodem</span> neder, misschien zonder nog recht te weten, welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt. + +</p> +<p>De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart, welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens +65 cM. lang en wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop +loopt zeer spits toe, de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin regenboogvlies omgeven is. Het meest +vallen voorzeker de ooren op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half zoo breed. Het dier krijgt hierdoor +een vreemdsoortig uitzicht; het heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden der ooren zijn wit +behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening twee haarbosjes zich verheffen, die zich als ’t ware in een baard voortzetten, +welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits, maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange, borstelvormige +snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt, +zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar, dat bij ’t verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn +lichaam langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen, dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte +vacht noodig heeft; maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en een flinke beschutting hiertegen +niet te kunnen ontberen. De kleur van de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand, de onderzijde is +wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek, daarvóór echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna geheel +okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel; +bovendien wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter. + +</p> +<p>In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke, +hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo +aan den mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en ’s avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk +zijn zij voor hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld; dikwijls is het gebeurd, dat zij zich +aan de nog gloeiende haardasch haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de <span class="letterspaced">Lepelhond</span> (<i>Otocyon megalotis</i>), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest op den +Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet +is veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos en zijn bijna even groot. + +</p> +<p>Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte; hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden +van de Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren, goed verborgen in het dichte struikgewas of in +de door Aardvarkens uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen +in de nabijheid van de bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van dierlijke stoffen, vooral echter +uit Treksprinkhanen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">laatste familie</span> van de Orde der Roofdieren is die der <span class="letterspaced">Beren</span> (<i>Ursidae</i>). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens +hun zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn, ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten +van de eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier +wel op hun plaats zijn. + +</p> +<p>De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, +met naar voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet; de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren +zijn kort en de oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor- en achterpooten beide komen vijf teenen +voor; de groote, gekromde klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een weinig) terugtrekbaar en daardoor +aan de spits dikwijls zeer sterk afgesleten. De voetzolen, die bij ’t gaan over hun geheele lengte den bodem aanraken, zijn +bijna geheel onbehaard. + +</p> +<p>Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), +voorts, bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden +der familie òf 6, òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn, evenals bij de overige Roofdieren, +knobbelkiezen; de voorste of kleine kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de scheurkies, die +bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel +van de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn +kegelvormig en vertakt, of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden zijn betrekkelijk groot en hebben +dikwijls een gelobde kroon; de hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien. + +</p> +<p>Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor ’t sluiten +van den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels +zijn kort en stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of 15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen +bestaat uit 3 à 5, de staart uit 7 à 34 wervels. + +</p> +<p>De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt +geheel. + +</p> +<p>De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, +Azië en Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even goed <a id="d0e5700"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5700">216</a>]</span>de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich +op in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke +of vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken, meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van +droge gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt +zij op drijvende ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan alle andere soorten; zij doorkruist +de Noordelijke IJszee en begeeft zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van alle overige Beren blijven +binnen engere kringen beperkt. De meeste leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op; eenige zijn +gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een +schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang +op roof uit en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen. + +</p> +<p>Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt, alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen +zich geruimen tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij eten niet alleen allerlei sappige vruchten, +maar ook zaden, graan in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene +Beren heeft men langen tijd achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering van hun welstand op te merken. +In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste soorten de voorkeur +aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook dieren en +wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven, Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, +deze echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In de nabijheid van menschelijke woningen richten +zij schade aan; de sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer de honger hen kwelt ook groote dieren +aan te vallen en vooral onder het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo stoutmoedig, dat zij tot +in de dorpen doordringen. Voor den mensch worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk, wanneer hij hen +stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze uitdaagt. + +</p> +<p>Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder +vlug en behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten echter bewegen zich uiterst flink en snel. De +Beren zetten bij het gaan de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot na den anderen; wanneer zij +echter in drift geraken, gaat hun gang in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt, maar hun beweging +zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De +logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, +maar toch niet onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden van deze familie kunnen vrij goed klimmen, +hoewel zij, wegens hun zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar, de groote soorten althans, op meer +gevorderden leeftijd, in ’t geheel niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de overige uitmuntend +zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen van +de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote +spierkracht zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te verrichten, en bezwaren te overwinnen, die +voor andere dieren in de hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze eigenschap hun soms zeer goed +te pas; zij zien er niet tegen op, wild en vee van de grootste soort mede te voeren. + +</p> +<p>Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder +en het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit<a id="d0e5708"></a><span class="corr" title="Bron: .">,</span> een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar +bereiken nimmer een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam, maar laten geen bijzondere gehechtheid aan +hun meester en verzorger blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard bij hen meer en meer voor den +dag komt; zij worden dan valsch en prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan gevaarlijk. De Beren +geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige stem, die +uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat. + +</p> +<p>Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij +den aanvang van den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter <span class="letterspaced">geen echten</span>, <span class="letterspaced">onafgebroken winterslaap</span>, maar verkeeren in een half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts gebeurt, zijn zij dadelijk bij de +hand. Zij verlaten echter hoogst zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van voedsel. Opmerkelijk is +het, dat alleen de Land-Beren den winter op de genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs bij +de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw +zelf een woning voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen. + +</p> +<p>Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht leger, en werpt hier 1 à 6 <a id="d0e5721"></a><span class="corr" title="Bron: jongen jongen">jongen</span>, die bij de geboorte blind zijn, en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd, beschermd en verdedigd +worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling van de toeschouwers +door hunne potsierlijkheid en speelschheid. + +</p> +<p>De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich +alleen in weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten +wordt het vel gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, +terwijl ook hunne beenderen, pezen en darmen dienst doen. +</p> +<hr class="tb"><p> +<a id="d0e5728"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5728">217</a>]</span></p> +<p>Wij verdeelen de Berenfamilie in <span class="letterspaced">drie onder-familiën</span>, waarvan de eerste de <span class="letterspaced">Groote Beren</span> (<i>Ursinae</i>) omvat, de logste vormen van de geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine oogen en ooren, middelmatig +lange pooten, voeten met vijf teenen en een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort staartje en een +dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze onderfamilie bevat twee geslachten: de <span class="letterspaced">Eigenlijke Beren</span> (<i>Ursus</i>) en de <span class="letterspaced">Lippenberen</span> (<i>Melursus</i>). +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Hoewel iedereen onzen <span class="letterspaced">Gewonen Beer</span> meent te kennen, zijn de dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne verschillende afwijkingen in één soort +vereenigen of over verscheidene soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan mag men niet uit het +oog verliezen, dat deze, de <span class="letterspaced">Landbeer</span>, <span class="letterspaced">Bruine</span>, <span class="letterspaced">Gewone</span> of <span class="letterspaced">Aasbeer</span> (<i>Ursus arctos</i>), zeer vele afwijkingen vertoont, niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte en vooral den schedelvorm +betreft. De over ’t algemeen dichte vacht, die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is dan aan de +overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten +van zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, +die bij jonge dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig, of komt dan weder, evenals in de jeugd, +te voorschijn. De snuit is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat, de romp soms zeer ineengedrongen, +soms een weinig slanker; de pooten zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa inheemsche vormen +in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden samengevat onder den naam <span class="letterspaced">Aasbeer</span> (<i>Ursus arctos</i>); deze heeft een door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met hoog voorhoofd en langen snuit; zijn +uit sluike haren samengestelde vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen de groep, die <span class="letterspaced">Bruine Beer</span> <a id="d0e5783"></a><span class="corr" title="Bron: ">of</span> <span class="letterspaced">Mierenbeer</span> (<i>Ursus formicarius</i>) heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter +voorhoofd en een korteren snuit heeft. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1217.jpg" alt="Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte." width="512" height="509"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Landbeer</span> (<i>ursus arctos</i>). 1/16 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2 M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen +150 en 250 KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen. + +</p> +<p>Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, +van Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het <a id="d0e5806"></a><span class="corr" title="Bron: westeijk">westelijk</span> gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, +Karpaten, Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en +een deel van de omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en Middel-Azië (met uitzondering van de kale +steppen), Syrië, Palestina, Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika eindelijk den Atlas. Hij +komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied, Turkije en Griekenland; +hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden in Zwitserland +en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid <a id="d0e5809"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5809">218</a>]</span>in Frankrijk en in de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland, België, Nederland, Denemarken en +Groot-Britannië. Enkele overloopers vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië, Stiermarken, Moravië +en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke of +althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen +of in rotsen, donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden verschaffen hun een schuilplaats, waar +zij zich trachten te beveiligen tegen hun aartsvijand, den mensch. + +</p> +<p>De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig +wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij ’t gaan +de pooten van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen, schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer +hij echter zijne schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit en kan met gemak een mensch inhalen; ook +in andere omstandigheden merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van hem verwacht zou hebben. Hij +kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen; op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij echter niet meer +in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den +Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor +en de reuk uit; het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt, zeer goed ontwikkeld. + +</p> +<p>De opperhoutvester <span class="smallcaps">Krementz</span> heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk geschrift openbaar +gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op, dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren in andere +gewesten toepasselijk zou zijn. “Over ’t algemeen,” zegt <span class="smallcaps">Krementz</span>, “kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn, +dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging +verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, +dat hij bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal integendeel in de meeste dergelijke gevallen +ten spoedigste vluchten, of in ’t volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als wij geen acht slaan, hoogstens +zal hij zijn verstoordheid te kennen geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer is veeleer goedig +van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is; vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord +worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt +een zekere openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid, die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust +van den Wolf en de arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij zelfs een zekeren galgenhumor.” + +</p> +<p>Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk +voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. +In den regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal; kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke +dienen als toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden, verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde +rogge of met het malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen, paddenstoelen enz., wroet onder de +bedrijven Mierennesten open, en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen dieren, welker eigenaardige +zure smaak hem welgevallig schijnt, of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een smakelijk dessert verschaft. +In het zuidelijk gedeelte van Karinthië brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in overeenstemming +met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek +bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok +zulk een zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, +den houtvester <span class="smallcaps">Wippel</span>. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over +den grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken, en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te +lastig maken; hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar keert toch vroeger of later terug, om den +strijd tegen de bezitters der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten. + +</p> +<p>Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan +en te bespieden; wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die geregeld door hem bezocht worden, zooals +op drinkplaatsen, kan men hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor weinig licht verspreid wordt over +de in vele opzichten nog duistere levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen van het dier op den +besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van zulke sporen +verkregen zijn: “De middelmatig groote Beer verliet vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland, keerde +een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht +er naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, +om uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl +hij door ’t bosch verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met afgevallen bladen bedekten grond, het +uiteenwerpen van mierenhoopen, het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen, het afvreten van boschbessen +en paddestoelen. Op enkele plaatsen had hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen van een verschen +drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of moerassig +gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in doorgedrongen was, ging hij plotseling links af <a id="d0e5828"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5828">219</a>]</span>naar het bosch terug, waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar verscheidene Hazelhoenderen in het +bosch, zooals uit de vederen bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de overhaaste vlucht der overrompelde +dieren. Vervolgens keerde hij in ’t broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde gelegen bosch, zonder +onderweg iets te doen wat vermelding verdiend; in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar, trachtte met +klauwen en tanden de opening van een holte in een eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen te kunnen +komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen +van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het, dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker +wegen hij ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude +sparren bezet terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den stam van een dooden spar, krabde den grond +los, zette zich met zijn achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar ’t scheen, heen en weer bewoog, want de +afdrukken van de klauwen waren hier in grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten en de sterke +drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover +naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; +terwijl hij hier doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder den boven den grond uitstekenden wortel +van een scheef staanden spar door, gleed bij ’t loopen over een op den grond liggenden esp uit, en zonk met het achterste +deel van ’t lichaam tamelijk diep in het moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een nabijgelegen, dicht +met sparren bezet terrein en verdween hierin, zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd.” + +</p> +<p>Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of +als hij aan dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier in de letterlijke beteekenis van het woord. +Hij tracht zijn buit te beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem nagejaagd, tot het uitgeput is; +wanneer het op hooge bergen graast, drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten, waarna hij voorzichtig +naar beneden klautert en zich aan het door den val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn vermetelheid +toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms ’s +nachts door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de +weide grazende Paarden zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager, <span class="smallcaps">Von Beckmann</span>, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout begroeid +terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit +het kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten +en zoo snel mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig +korten tijd in, sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen van voren in ’t aangezicht, wierp het op +den grond en scheurde het de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren lam was en niet ontsnappen kon, +verliet hij de neergevelde prooi, liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het eveneens. Gedurende +den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig. + +</p> +<p>Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, +of in het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht +stelt hem in staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht van groote Beren geeft <span class="smallcaps">Krementz</span> verscheidene voorbeelden. Een Beer brak in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam een pas door +hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een beek +naar het bosch. Een bij ’t vuur zittende boschwachter werd van achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats +opgeschrikten Beer, “die hem door een geweldigen slag en ruk met de voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk +dood was.” Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven +en sleepte hem een halve KM. ver door het moeras. + +</p> +<p>Hoewel Herten, Reeën en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in +’t noorden van Skandinavië gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze +te verschalken, den loop der rivieren over een grooten afstand. + +</p> +<p>Vóór den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats gereed, hetzij tusschen rotsen, òf in een reeds bestaand +hol, dat hij zoo noodig verwijdt, òf in een door hem zelf gegraven hol, òf in een hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas +of op een droog eiland in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de Beer zijn schuilplaats op en brengt +hier het koude jaargetijde in slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de woning betrokken wordt, hangt +af van het klimaat in iedere streek en van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal reeds in het begin +van November te ruste begeeft, zwerft de Beer, naar ik zelf in Kroatië door het volgen van een spoor gewaar werd, nog in het +midden van December rond, om ’t even, of er sneeuw ligt en strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische +berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere, +wanneer hij in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden in den winter begint te dooien, verlaat +de Beer zelfs in Rusland en Siberië somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens voedsel op. Dat hij in Lijfland +3 à 4 maanden lang geheel onder de sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt en met volkomen ledig +spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker. + +</p> +<p>Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk +in ’t geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen, <a id="d0e5846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5846">220</a>]</span>die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap en gedragen zich over ’t algemeen in den winter nagenoeg +op dezelfde wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk; +in zachte winters slapen zij weinig meer dan in den zomer. + +</p> +<p>De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter 5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een +volslagen nest gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op de sneeuw neerlegt. Als het kroost door +een gevaar bedreigd wordt, draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is het dat de moeder, als zij +in grooten nood verkeert, hare jongen, zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in den steek laat, terwijl +zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij zich als alleenheerscheres +in de streek, die zij als verblijfplaats heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken aanval. In enkele +gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer +geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde +levensmaand zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen; deze oefent hen vlijtig in ’t klimmen, brengt +hen op de hoogte van de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele den Beer noodzakelijke kundigheden. + + +</p> +<p>De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden, zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid +van het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne +met andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren en jagers, die door <span class="smallcaps">Eversmann</span> voor ’t eerst bekend werd gemaakt, maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht op deze vereenigingen. +Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig tot deze +dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige, met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer “Pestoen”, +d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt <span class="smallcaps">Eversmann</span> het volgende: “Toen de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen haar langzaam nasloop, zonder +de jongere kinderen, die nog aan den anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij binnen haar bereik +is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg, die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der beide +jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen. +Toen hij dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht +doet, en de familie in vrede verder trekt.” Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberië wordt algemeen verhaald, dat +iedere berin hare jongen door een Pestoen laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in ’t dichte +geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt, of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren +kan; hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een +ander in zijn plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen Pestoen bij een Berenfamilie. + +</p> +<p>Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk +en niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij +houden bijzonder veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in de boomen, plukharen met elkander als +levenslustige knapen, springen in ’t water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen uit. Hun verzorger +toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den eenen +persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt +als een vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen; +men kan hun genegenheid spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig, vergeetachtig, onachtzaam, +sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit. + +</p> +<p>De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die +hierover vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon +bevreesd voor goede Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den jager beschouwd worden. In het zuidoosten +van Europa doodt men de Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten, zeldzamer “op den aanstand” en slechts +bij uitzondering in of vóór zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den winter bij voorkeur op. Daar +de Beer zich laat drijven en altijd op dezelfde wijze “wisselt,” d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij ’t verlaten en +binnenkomen van ’t bosch, kunnen ervaren jagers, die het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij ’t schieten +op den “aanstand” (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk +dat zij de “wissels” kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten +van een berenjager. + +</p> +<p>“De veelvuldig verbreide meening,” schrijft <span class="smallcaps">Krementz</span>, “dat de Beer bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist; +in dit geval zou men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer hij op vier pooten blijft gaan. Ik +heb eigenhandig 29 Beren geschoten en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat Beren van allerlei +grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts éénmaal een Beer +en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan, en zóó, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs +te gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen, +maar alleen, dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en in andere wetenschappelijke werken melding wordt +gemaakt, uiterst zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling en snel; soms zoekt hij door een snelle +en hevige, zijwaartsche beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft hij zich gedurende den snellen gang +plotseling op de achterpooten in de <a id="d0e5867"></a><span class="corr" title="Bron: onmiddelijke">onmiddellijke</span> nabijheid van <a id="d0e5870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5870">221</a>]</span>zijn vijand, en tracht dezen door een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt hij hem hiermede een +hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat, en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen en Honden +in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op, maar kiest spoedig het hazenpad.” + +</p> +<p>De Beer wordt echter niet alleen op “jachtmatige wijze,” maar ook met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht +worden mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden +dikwijls tot list hun toevlucht nemen. In Galicië en Zevenburgen legt men op zijne “wissels” en boschpaden zware klemmen, +die aan een ketting bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok is vastgehecht. Vroeg of laat trapt +de Beer op een van deze klemmen, zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit lastig en pijnlijk aanhangsel +te ontdoen of de hieraan gehechte ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt, waarna het dier, door nuttelooze +pogingen om los te komen uitgeput, ellendig om ’t leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de “wissels” langs gaat, +vindt den Beer door het nagaan van het spoor van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok. + +</p> +<p>“De Aziaten,” verhaalt <span class="smallcaps">Steller</span>, “vereenigen vele balken, die zij op elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert, zoodra deze op +de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten en aan +de spits in ’t vuur geharden paal, die zich eenige voeten hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil +maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van een touw plaatsen zij thans een buigzaam ‘schrikhout,’ +dat, als de Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig verschrikt, dat het hard aan den loop gaat, +en minder voorzichtig is dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal en dus zelfmoord pleegt.” + +</p> +<p>Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat +staan zich met de plank het uitzicht beneemt;—hoe hij in blinde drift vecht met een blok hout, dat voor de opening van een +hollen boom, waarin Wilde Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan de helling van een berg is +neergelegd, welke strijd in beide gevallen eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;—hoe hij met stukken +hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,—en andere stukjes meer, +kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm, ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen +er voor in staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor, dat geoefende, stoutmoedige jagers, door +eenige Honden vergezeld, zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met hem op leven en dood strijden. + + +</p> +<p>Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed; +het berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen, wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is +wit, wordt nooit hard, en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart; de onaangename smaak, die het +in verschen toestand heeft, verdwijnt na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een fijnen, aangenamen +smaak; de pooten van oude, vette Beren worden, gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers houden het +meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van ’t haar en voor +de keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den +Beer gaat door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer verschillend; het vel van kleine exemplaren +brengt niet veel op; voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens <span class="smallcaps">Lomer</span>, al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 à 150 gulden betaald. + +</p> +<p>Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk +vermaak. Met dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. “<span class="smallcaps">August</span> <span class="letterspaced">de Sterke</span>”, verhaalt <span class="smallcaps">Von Flemming</span>, “had er twee. Eens gebeurde het, dat één van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte, in een slagerswinkel een +vierde deel van een kalf van den haak rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare kinderen om ’t leven +bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het doodschoten.” De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats gereden +in een hok, dat door één ruk aan een touw van uit de verte op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden +neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden, +kon hij zonder groot bezwaar door één man afgemaakt worden. In de Dresdener slottuin hadden in ’t jaar 1630 binnen 8 dagen +drie berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten, +van welke er vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van 400 KG. De Beren werden bovendien nog door +voetzoekers getergd en met een in ’t rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als de Honden hen vasthielden, +door de groote heeren eigenhandig gedood; <span class="smallcaps">August</span> <span class="letterspaced">de Sterke</span> was gewoon hun den kop af te houwen. + +</p> +<p>Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten +te Madrid laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen +Beren, die aan den ketting lagen. <span class="smallcaps">Kobell</span>, die getuige was van een dergelijk schouwspel, verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen met zijne +kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij +er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden +toebracht en ter zijde slingerde. + +</p> +<p>De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon, maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye +hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van dit dier bevatten vele fabelen. <span class="smallcaps">Plinius</span> schreef <span class="smallcaps">Aristoteles</span> na, maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels +toe. <span class="smallcaps">Oppianus</span> geeft een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der Armeniërs aan den Tigris. <span class="smallcaps">Julius Capitolinus</span> eindelijk beschrijft de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat <a id="d0e5922"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5922">222</a>]</span><span class="smallcaps">Gordianus</span> <span class="letterspaced">de eerste</span> op één dag 1000 Beren in het strijdperk bracht. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika verbreide <span class="letterspaced">Grijze Beer</span> of <span class="letterspaced">Grisli-beer</span>, die schertsenderwijs door de Amerikanen ook wel <span class="letterspaced">Old Ephraïm</span> wordt genoemd (<i>Ursus cinereus</i>, <i>U. ferox</i>). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher dan deze. +De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met +een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit +of geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche jagers zijn daarom gewoon van den <span class="letterspaced">Eigenlijken Grisli-beer</span>, den <span class="letterspaced">Bruinen Beer</span> en den <span class="letterspaced">Kaneelbeer</span> te onderscheiden, en beschouwen den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als den gevaarlijksten. Zijn +verbreidingsgebied omvat het westen van Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten ongeveer beginnend +bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota) reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is, des +te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts komt hij nog in de hooglanden van <a id="d0e5957"></a><span class="corr" title="Bron: Mexiko">Mexico</span> voor; noordwaarts gaat hij tot aan den Poolcirkel en nog verder. + +</p> +<p>De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust; +zijn gang is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende +zijn jeugd in staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten niet meer verrichten; hier staat tegenover, +dat hij met gemak zelfs over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots sterk genoeg, om ieder schepsel +in zijn vaderland te overwinnen. In vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig dier genoemd. +Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees, maar valt hem zonder aarzeling aan, om ’t even of hij te paard rijdt +dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om +al deze redenen verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old Ephraïm, de bewondering en hoogachting +van alle mannen, die van hem hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden van dit Roofdier zonder +voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van een halsketen, +die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat, aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter nauwernood +aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en +door eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen, +welke hij ziet, vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt, als hij de lucht van hen krijgt, zonder +ze te zien. In even hooge mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door het waarnemen van de lucht van den +mensch, vreezen alle dieren de zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van een Leeuw of van een Tijger, +en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren zelfs, dat ook de +overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren<a id="d0e5962"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> + +</p> +<p>Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke) mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven +zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het “Verre Westen” nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke +verhalen een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe Wereld een soortgelijke rol te spelen, als +de meest beruchte Roofdieren van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen met één dier van deze soort, +werden als kenschetsend voor al deze dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een schrikbeeld van +het onbekende “Verre Westen”. Wel is reeds menig mensch door den Grijzen Beer om ’t leven gebracht; maar dit kan evenzeer +van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd; overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd +achtten, hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen +is echter de Grijze Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot, en evenmin toont hij meer moed dan deze; +integendeel over ’t algemeen komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen. + +</p> +<p>De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien +moet hij zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die +hij vastgetreden heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken; +de richting en de loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best doet er gebruik van te maken, om langs +den kortsten weg van de eene plaats naar de andere te komen. “Aan de steile verhevenheden van de bergachtige kust aan de westzijde +van Cook’s Invaart,” schrijft <span class="smallcaps">Elliot</span>, “kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien, die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben +echter geen groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt +er niet algemeen jacht op gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle jagers onder de inboorlingen, +voor hen een groote achting gevoelen, en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat zij trachten hen +te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt +de omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle +zeer goed weten, dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen.” + +</p> +<p>Een jonge Grijze Beer kan gemakkelijk getemd worden, en is, evenals onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig +dier. Zijn vel is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van kleur, dat het den kleinen klant zeer +goed staat. <span class="smallcaps">Palliser</span>, die een Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en speelde met de matrozen en vermaakte alle +reizigers, zoodat de kapitein van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan, als hij op iedere reis +een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope, die zijn +reisgenoot was en verdedigde haar <a id="d0e5977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5977">223</a>]</span>eens op zeer ridderlijke wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van ’t schip door de straten werd geleid, kwam een kolossale +Bullebijter op haar toeschieten en greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw en de stokslagen +der geleiders. Gelukkig gingen <span class="smallcaps">Palliser</span> en zijn Beer denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel, of hij rukte zich los, had in ’t volgende +oogenblik den vijand van zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft, dat de Hond jammerlijk huilend +wegliep. + +</p> +<p>Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen +dierentuin waren er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de veeartsenijkunde ondervonden. Zij +werden in hun jeugd door een hevige oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men besloot ze te genezen. +Nadat men de beide patiënten van elkander gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om en trokken +den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de traliën, om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder +den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier +bewusteloos en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust naar binnen gaan om de operatie te verrichten. +Juist toen men bezig was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof het dronken was, heen en weer, en +scheen des te onvaster van beweging te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs scheen de Beer +echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht, +was hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen; duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht +aangenaam vond, of althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht, waarin hij vroeger verkeerde, en den +klaarlichten dag, dien hij nu waarnam. + +</p> +<p>De meest bekende Beer van Amerika, de <span class="letterspaced">Baribal</span>, <span class="letterspaced">Moeskwa</span> of <span class="letterspaced">Zwarte Beer</span> (<i>Ursus americanus</i>), een wijd verbreid en betrekkelijk goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze Beer en de Landbeer, +bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt hij zich +hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de zeer +korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die +alleen aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel +overgaande. Een vlek van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer ziet men Baribals met wit gerande +lippen en witte strepen op de borst en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in ’t begin van hun tweede levensjaar +het donkere haarkleed van hunne ouders, maar eerst later even lange haren als deze. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1223.jpg" alt="Baribal (Ursus americanus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="356"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Baribal</span> (<i>Ursus americanus</i>). 1/10 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen +van Kalifornië en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert +echter van verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt +hij gewoonlijk zijn voedsel in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte bosschen, die de oevers der +stroomen en meren omzoomen; in den zomer trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke woud; in den +winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met +tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen “winterslaap” loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen, +dat slechts sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de overigen ook in den winter van de eene plaats +naar de andere zwerven, ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen; andere meenen, dat dit alleen in +zachte winters geschiedt, en dat gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel althans is zeker, +dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt. +<a id="d0e6010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6010">224</a>]</span></p> +<p>De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend +dier. Hij loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat hij uitmuntend en in het klimmen is hij een +baas. Hij is althans in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met wien hij overigens in vele opzichten +overeenstemt. Niet dan hoogst zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij ’t zien van dezen, zijn ergsten vijand vlucht +hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen uitweg meer +ziet, gevaarlijk kan worden. + +</p> +<p>Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer +verschillende soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft, evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare +Runderen aanvallen. Voor den landman is hij altijd schadelijk, om ’t even of hij de aanplantingen plundert of de kudden verontrust; +hem valt daarom hetzelfde lot ten deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op allerlei wijzen uitgeroeid, +zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid van den mensch te vertoonen. + +</p> +<p>De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste +echter met de buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten, daar zij de nabijheid van den Beer door +blaffen aankondigen, of hem nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn gemak te mikken en hem op de +juiste plaats te treffen. + +</p> +<p>Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen +van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken, en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering +van dit dier. <span class="smallcaps">Alexander Henry</span>, die de door pelsjagers bezochte gewesten bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover een zooeven door +hem gedooden Beer. “Onmiddellijk na den dood van het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De ‘oude moeder,’ +zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer +duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die +dit deden, maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder +lang; kort daarna werd een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen hielpen mede om de huid, het vleesch +en het vet van het dier te dragen en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd de berenkop versierd +met zilveren armbanden en andere versierselen, die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde voor +zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon +gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid. +Nadat de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde +te doen, omdat ik, die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn +welwillenden en vriendelijken gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde; mijne woorden vonden echter +geen geloof. Ten slotte hield mijn gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken, en eerst daarna begonnen +wij van het Berenvleesch te smullen.” + +</p> +<p>Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in ’t oogloopend +van hunne verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den +mensch en laten zich met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den oppasser als deze voor hen. Zij zijn +echter ook bang voor ieder ander dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde Baribals werd geleid, +bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij daar +beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein, +moedig dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen. + +</p> +<p>Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens +door verschrikt worden, springen zij met één afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de eerste takken van een gladden eikenstam en +klimmen dan zeer snel en met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude berin in haar hok wilde drijven, +sprong zij over hem heen in den boom. + +</p> +<p>De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel zwakker en klagender. + +</p> +<p>Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden, +en herinneren hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan +het bedelen gewend; zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden; de houdingen, die zij aannemen, als zij +de armen uitstrekken, zijn zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid te brengen, dat iedereen er +door tot mildheid wordt bewogen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is de <span class="letterspaced">Kraag-beer</span>, de <span class="letterspaced">Zwarte Himalaja-beer</span> van de Engelsche jagers, de <span class="letterspaced">Kama</span> van de Japaneezen (<i>Ursus torquatus</i>). Hij is betrekkelijk slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den neus ongevoelig in elkander overgaan, +eindigt in een spitsen snuit, de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang, de voeten kort, de teenen +met korte, maar krachtige nagels gewapend. De beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien het namelijk +waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">Wallich</span> vond dezen Beer in Nepal; <span class="smallcaps">Siebold</span> zegt in zijn werk over de dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan, maar ook in de meeste gebergten +van het vasteland en van de eilanden van Zuid-Azië veelvuldig voorkomt. In Noord-Indië en Kaschmir bewoont de Kraag-beer bij +voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberië daarentegen +de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam +<span class="smallcaps">Radde</span>, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de kronen der boomen prieeltjes maakt door takken <a id="d0e6056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6056">225</a>]</span>naar elkander toe te buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in holle boomen slaapt, dat hij lafhartig +en niet gevaarlijk is, omdat hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals de Landbeer, ook scheuren. <span class="smallcaps">Adams</span> kreeg geheel andere berichten; hij verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van Indië zeer gevreesd +wordt. <span class="smallcaps">Blanford</span> zegt van hem, dat hij meer dan de andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee en Herten, maar ook +Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1225.jpg" alt="Kraag-beer (Ursus torquatus). 1/15 v. d. ware grootte." width="469" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kraag-beer</span> (<i>Ursus torquatus</i>). 1/15 v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op +den Baribal, hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze, staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg +op dezelfde hoogte en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van hunne bewegingen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de <span class="letterspaced">Maleische Beer</span>, de <span class="letterspaced">Broean</span>, of—zooals, volgens <span class="smallcaps">Von Rosenberg</span>, de naam eigenlijk luidt—de <span class="letterspaced">Biroeang</span> der Maleiers (<i>Ursus malayanus</i>) aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren, +zeer kleine, onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange, krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij +1.4 M., zijn hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden +van den snuit en een gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig +is. + +</p> +<p>De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig +bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan, misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft +hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij +nu en dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. <a id="d0e6097"></a><span class="corr" title="Bron: Volgels">Volgens</span> <span class="smallcaps">Marsden</span> richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge +uitspruitsels van op te eten. + +</p> +<p>Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen +en onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten +rondloopen. <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Stamford Raffles</span>, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting te +leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde +hij zich een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos eten en niets anders dan champagne drinken <a id="d0e6111"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6111">226</a>]</span>wilde. Van dezen wijn was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor +hij, naar het scheen, zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel een glas wijn. Iedereen in huis hield +van hem; hij gedroeg zich in alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier geen kwaad. + +</p> +<p>Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen +zit: hij is dom, maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij ook verzorgd wordt, toont hij zich +toch maar zelden vriendschappelijk gezind jegens zijn oppasser. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze, +dat bij onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar, +dat men den <span class="letterspaced">IJsbeer</span> (<i>Ursus maritimus</i>) als vertegenwoordiger van een zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen Beer melding hebben gemaakt, +meenden trouwens in hem slechts een verscheidenheid van onzen “Bruin” te ontdekken, wiens vel door het klimaat der koude poolgewesten +met de hun eigenaardige sneeuwkleur was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer spoedig de belangrijke +punten van verschil opmerkte, die tusschen de Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich van de +tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten, +welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren, en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op +de helft van hun lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van alle Beren, want bij een schouderhoogte +van 1.3 à 1.4 M. bereikt hij een lengte van 2.5 à 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder vetten toestand zelfs 800 +KG. + +</p> +<p>De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen +Beer, de kop langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren +dikke snuit is van voren spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder geopend en de muil minder +diep gespleten dan bij den Landbeer. De dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is zeer kort, dik +en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte +wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan den kop, den hals en den rug het kortst, aan ’t achterdeel, +de buik en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op de lippen en boven de oogen bevinden zich een +gering aantal borstelige haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een donkeren ring om de oogen, +van den onbehaarden top van den neus, van de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig; bij de jonge +dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een +geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten invloed op de kleur uit. + +</p> +<p>De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar +het water gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts +begeeft, kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft +hij hem als levenslustige bewoner van den aan ’t leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl hij in zuidelijke richting slechts +bij uitzondering nog op den 55en NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een der drie noordelijke +werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht, trotseert hij +onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld kunnen +vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over de haar bedekkende ijsmassa’s, dan weer door de onstuimige +golven; in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting, een leger leveren. Aan de oostkust van ’t noordelijkste +deel van Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen +en andere eilanden, is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te vinden, in Azië is het dubbel-eiland +Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel; hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op het vasteland aangetroffen, +hoewel dit laatste alleen dan geschiedt, als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal op Lapland en ook +wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten afstand +van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd voor. <span class="smallcaps">Scoresby</span> bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100 IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland +St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze +dieren. Honderden IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat +zijn zij veelvuldig; waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich dikwijls in grooten getale. “Wij zagen,” +schrijft <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, “op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond. +Deze bleef niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch was naar den rand van het ijsveld gedreven; de +Beren hadden zich tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in ’t wit gekleede feestelingen, waarvan +sommige zich op afschuwelijke wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den vleeschberg, hun strandrecht +uitoefenden. Over onze komst waren zij volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen, om hun buit tegen +de naderende boot te verdedigen. Toen echter de stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter aarde stortte +en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen +afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen.” + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1227.jpg" alt="IJsbeer (Ursus maritimus)." width="353" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">IJsbeer</span> (<i>Ursus maritimus</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De IJsbeer is over ’t geheel genomen log van beweging, maar in de hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij ’t zwemmen, +in welke kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder +bijzondere inspanning door het water beweegt, wordt door <span class="smallcaps">Scoresby</span> op 4 à 5 KM. per uur geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij ’t zwemmen uitmuntend te <a id="d0e6150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6150">228</a>]</span>pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij +zich dagen lang in ’t water ophouden; hij doorkruist onafzienbare watervlakten en wordt dikwijls ver van ’t land en van het +drijfijs in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van +<span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop +hij zich er in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend als hij zich aan de oppervlakte van het water +beweegt, verstaat hij de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid +in ’t duiken blijkt, die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is hij volstrekt niet zoo onbeholpen en +onbekwaam, als zijn gewone, langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn schijnbaar plompen draf of +galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid; hij weet +daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon +scherp, vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat, beklimt hij, volgens <span class="smallcaps">Scoresby</span>, de ijsblokken, en ziet rond naar buit. Doode Walvisschen of een in ’t vuur geworpen stuk spek ruikt hij op ongeloofelijk +grooten afstand. + +</p> +<p>Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen. +Zijn vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds +genoemde behendigheid in ’t water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild +zijn de Zeehonden, en hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren te overmeesteren. Als hij van +verre een Rob op het droge ziet liggen, begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in naar zijn slachtoffer +toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid, en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van het +dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van +het ijs, waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte +van de zee voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen +Zeehonden vertoont zich plotseling, als ’t ware in hun eigen huis, in den eenigen gang, waardoor zij anders misschien hadden +kunnen ontvluchten. Visschen weet de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen, of door ze in de met +water gevulde spleten van het ijs te drijven, en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het hem aan ander +voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn echter in ’t geheel niet veilig voor zijne aanslagen. <span class="smallcaps">Osborne</span> zag een wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen te voorzien, en <span class="smallcaps">Brown</span> heeft, evenals <span class="smallcaps">Kükenthal</span> opgemerkt, dat hij in grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk toegankelijke broedplaatsen van +zeevogels worden over ’t algemeen geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den overvloed van eieren +en nestvogels der arctische kusten moet hij in sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode dieren +eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de +zeeën, die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden +en Walvisschen hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend +vleescheter; hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals +herhaaldelijk werd opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele oude dieren zijn, naar het schijnt, +in den zomer op gunstig gelegen plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud van de maag van gedoode +exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs. + +</p> +<p>Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren +te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan +de zeekust of op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen regel; zij zoeken tegen den aanvang van +den winter een schuilplaats op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort na de paring, die, naar gezegd +wordt, in Juli plaats heeft, maakt de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende ijsblokken. Soms bepaalt +zij zich tot het graven van een kuil in de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid sneeuw, welke +op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De +berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert +zij gedurende den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat. +Intusschen heeft zij hare jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer begeleiden deze hun moeder +op hare reistochten. Zij worden door haar zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs wanneer zij +reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille jeugd +leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine, +aardige diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren, maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk +op; zelfs wanneer zij reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van hun moeder als rustplaats, zoodra +zij vermoeid zijn van den arbeid. + +</p> +<p>De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de +IJsberin voor hare jongen. “Een berin,” verhaalt <span class="smallcaps">Scoresby</span>, “die twee jongen bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld vervolgd. In den beginne scheen zij de +jongen tot grooteren spoed te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken, ook trachtte zij door eigenaardige +gebaren en een bijzondere, angstige toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag dat hare vervolgers +haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij gelukkig +met haar kroost.” + +</p> +<p>De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken; menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging +om zulk een dier met onvoldoende <a id="d0e6178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6178">229</a>]</span>wapens te bevechten, met zijn leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in reisbeschrijvingen uit vroegeren +tijd, zelden echter in die van den laatsten tijd. Op tweeërlei wijze kan men deze soms zeer sterk in ’t oog loopende tegenstrijdigheid +verklaren: het kan zijn, dat men vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft; ’t is ook wel mogelijk, dat +zijn grimmige aard zich langzamerhand, misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch, aanmerkelijk gewijzigd +heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling, die men <a id="d0e6180"></a><span class="corr" title="Bron: intertijd">indertijd</span> van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg, door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is niet juist. +De ervaringen van hen die in laatste tientallen van jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben, is hiermede +geheel in tegenspraak. <span class="smallcaps">Lamont</span>, die voor zijn genoegen, in zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht, schrijft over den IJsbeer: +“Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame gevallen +uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij hem ontwijken kan.” <span class="smallcaps">Nordenskiöld</span> vat zijn eigene ervaringen en die van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende volzinnen samen: “Een +ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw kunnen +verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond +wordt, neemt hij <a id="d0e6189"></a><span class="corr" title="Bron: alijd">altijd</span> de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een +gat in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen +plaatsen zijn tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die gedurende den nacht de tent besnuffeld +heeft, zonder het te wagen er in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik bij de Noordpoolreizigers, +thans echter aarzelen de zeedieren-jagers niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan te vallen. Op +het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met den +lans gedood. Mij is slechts één enkel geval bekend, waarin een Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd.” + +</p> +<p>De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de zooeven genoemde mededeelingen overeen. “Ontmoetingen +met IJsberen,” schrijven <span class="smallcaps">Copeland</span> en <span class="smallcaps">Payer</span> “hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij wegens gebrek +aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken, +die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval +geen ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij +zij den kop steeds daarheen gericht houden. <span class="smallcaps">Klentzer</span>, een van onze matrozen, heeft echter eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk als komisch was. +<span class="smallcaps">Klentzer</span> liep ongewapend langs de hellingen van den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van het schip dicht achter +zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt, was hem bekend; +ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van tijd +tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep +nader bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer +een voor een vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk +om hulp riep, het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist +van zijn middel had losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk +mogelijk, maar het ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer +tien maal te verscheuren, maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering, ons geroep en onze schoten op +de vlucht konden drijven. Over steil afhellende rotsmassa’s holde hij terug—en was als weggeblazen.” + +</p> +<p>“In het gebied van de oostkust van Spitsbergen,” schrijft ons <span class="smallcaps">Kükenthal</span>, “aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot +aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden en 2 levend vingen.” + +</p> +<p>De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren, +lansen en vallen; sommige jagers maken ook, volgens <span class="smallcaps">Seemann</span>, van de volgende list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje +samen, omgeven het met Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op, plagen hem door een pijlschot, +werpen den vetklomp neer en vluchten. De Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar is, en brengt +door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt de +ingewanden. Wij willen in ’t midden laten of dergelijke verdachte stukken vet door het wantrouwige en “geplaagde” dier werkelijk +in hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen, als zij zich veilig achten, de meest verschillende +en vreemdsoortige voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den voorraad, dien de Poolreizigers hier +en daar in de ijswoestijnen voor latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het is gebleken, dat het +beste middel om deze rooverijen te keer te gaan, bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met water +overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield, +steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze +door hun keelgat kunnen krijgen. <span class="smallcaps">Kane</span> verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag opvraten, kortom +den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van +<span class="smallcaps">Mc. Cluze</span>, gedurende een van de expedities tot redding van <span class="smallcaps">Franklin</span> gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch, tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen +in een der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers +de meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de <a id="d0e6225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6225">230</a>]</span>ijssporen, verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de +kaoetsjoekflesschen en de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met het onderzoek van een belangrijk +dagboek waren zij gelukkig nog maar juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden. + +</p> +<p>Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok +bezoekt; ook stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt niet. Zelfs in hun vaderland en in hun +prille jeugd gevoelen zij zich binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen aandoen, dan door hun te veroorlooven, +zich in de sneeuw en op het ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd waterbekken, zooals tegenwoordig +in een goed ingerichten dierentuin voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren lang speelt hij in +’t water met zijne medegevangenen, of ook wel met blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar en hartstochtelijk. +Tegenover andere dieren van zijn soort is hij, zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd, hoewel +het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven +door elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk, IJsberen verscheidene jaren lang in ’t leven te houden. + + +</p> +<p>Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche +jagers gebruiken het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet onsmakelijk; zij beweren echter, dat het +gebruik van dit vleesch dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier heeft, naar men zegt, een zeer +schadelijke werking, en wordt door sommigen ronduit vergiftig genoemd. + +</p> +<p>Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt +er 120 à 300 gulden voor betaald. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Lippenbeer</span> of <span class="letterspaced">Honigbeer</span>, de <span class="letterspaced">Slothbear</span> der Engelschen, die in Indië <span class="letterspaced">Aswail</span> heet (<i>Melursus labiatus</i>), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte en aard in ’t oog loopend verschilt +van de tot dusver behandelde Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken romp, korte pooten, vrij groote +voeten, welker teenen met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe spits en lippen, +die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang, vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver naar +beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit den naam <span class="letterspaced">Beerachtige Luiaard</span> (<i>Bradypus ursinus</i>), waaronder het voor ’t eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als “het naamlooze dier” aangeduid. In Europa +werd de Lippenbeer tegen het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd hij voor ’t eerst levend naar +hier gebracht. + +</p> +<p>De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 à 12 cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in +de schoften is dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle, spits toeloopende, slurfvormige snuit, +die hoogst eigenaardige eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk, maar worden in dit opzicht nog +overtroffen door de lange, uiterst rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor de kaken uit; zij +kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd, vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort +van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt +mede tot het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet alleen om voorwerpen van allerlei aard te +grijpen en naar zich toe te trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan den kop nog op te merken +de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins aan varkensoogen +herinneren; men ziet echter van den geheelen kop maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels bedekt +wordt door de in ’t oog loopend lange, borstelige haren van de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar; +terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde, ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen +de hier dooreen gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het +geheele voorste deel van het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog belangrijk toeneemt door den plompen, +loggen romp en de korte, dikke pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange, scherpe en gekromde klauwen +maken een bijzonder eigenaardigen indruk, waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit krijgt door +het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht, dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de +grove haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor. +Soms hebben ook de teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig hoornkleurig, de zolen echter zwart. +De jongen onderscheiden zich van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en de schouders, waardoor de +betrekkelijk groote ooren duidelijker voor den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter de ooren geelachtig +bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst geelachtig wit. + +</p> +<p>De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indië, bijna van den voet van den Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij +houdt van heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de +veelvuldigst voorkomende groote dieren van Indië; in enkele gewesten is hij trouwens zoo goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt +hij zich, naar <span class="smallcaps">Tennent</span> bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte +wordt hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het gebied van Karetschie was hij gedurende een lang +aanhoudende droogte zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en wasschingen in de rivieren geheel moesten +opgeven, daar zij niet alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het water bevonden deze dieren zich +zeer tegen hun zin; zij waren bij het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er niet weder uitkomen. +Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf <a id="d0e6265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6265">231</a>]</span>gegraven holen, vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen, verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere +beharing heeft hij niet veel last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren van den dag in de een of +andere koele schuilplaats door en komt eerst ’s nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en avonduren. +Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in ’t geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt +niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich, +wanneer hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde +doen echter ook andere Beren. + +</p> +<p>Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren; naar +men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij +geen grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren verslinden. <span class="smallcaps">Sanderson</span> en <span class="smallcaps">Mc. Master</span> vermelden ieder één dergelijk geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje, een anderen keer een door +een Tijger gedooden Os. De jongen, die in gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om ’t even of het +gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (<i>Bassia latifolia</i>), die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten, zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij +jonge dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem +zeer goede diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de +stevige woningen van de Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting aan. <span class="smallcaps">Sanderson</span> verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap +uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 à 8 M. hooge stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin +men het sap opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou +hun wel eenige liters van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen niet zooveel potten braken. De benadeelde +inboorlingen beweren, dat de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te klauteren, maar zich eenvoudig +op den grond laten vallen, en ook, dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Tennent’s</span> berichten over den aard van den Lippenbeer worden door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In Oost-Indië +verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij omvat +zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor +lid te verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet +zelden zijn poging om te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te verdedigen, tot den aanval over. Zijn +aanval is in zulke omstandigheden zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste Roofdieren beschouwen. +<span class="smallcaps">Sanderson</span> schrijft: “De Lippenberen zijn voor ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere menschen, die in wouden +en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren zijn zij het +gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden.” + + +</p> +<p>De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens +in het met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is; men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van +zijn schuilplaats, en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert; men laat ten slotte gedeelten van +den dsjungel, waar men Beren heeft gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en schiet de dieren, zoodra +zij zich vertoonen. + +</p> +<p>Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen zoowel in Indië als in Europa. In zijn vaderland trekken +kunstenmakers en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei +kunstjes af. Men voedert hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd, dat hij aan brood en ooft duidelijk +de <a id="d0e6292"></a><span class="corr" title="Bron: voorkenr">voorkeur</span> geeft boven ander voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold, van de eene zijde op de andere, springt in +’t rond, buitelt over den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op de zonderlingste wijze, als hem +het een of ander stuk voedsel wordt gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk en oprecht uiterlijk. + +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Drie merkwaardige dieren van Oost-Azië vereenigen wij tot de tweede onderfamilie van de Beren, welker leden wij <span class="letterspaced">Katberen</span> (<i>Ailurinae</i>) zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne +voeten, welker behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins aan die van de Katten herinneren.— + +</p> +<p>De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20 jaren door <span class="smallcaps">David</span> ontdekte <span class="letterspaced">Kattenpootbeer</span> (<i>Ailuropus melanoleucus</i>), daar hij als ’t ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan +onze Gewone Landbeer, van ’t puntje van den staart tot aan de spits van den snuit ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen +zijn behaard en komen niet over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft een korten snuit en is naar verhouding +breeder dan bij eenig ander Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels wit is; zwart van kleur zijn +een ring om de oogen, de ooren, de voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van den staart.—Van de levenswijze +van dit dier in den natuurstaat is nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van de gebergten van Oost-Tibet. + +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie, de <span class="letterspaced">Panda</span> of <span class="letterspaced">Roode Katbeer</span> (<i>Ailurus fulgens</i>), houdt in sommige opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn romp schijnt wegens de dichte en +zachte vacht plomper dan hij is; de lang behaarde kop is zeer breed en <a id="d0e6329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6329">232</a>]</span>kort, de snuit eveneens; de lange staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren zijn klein en afgerond, +de oogen klein; de korte pooten hebben dicht behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken, en korte +teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht +en lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd, aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat +hier de haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart, zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker +kastanjeroode dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood, met onduidelijke, lichtere, smalle ringen. + + +</p> +<p>De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit +even fraai gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of familiën komt hij in de wouden voor, beklimt de +boomen en kiest de daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats; hij begeeft zich echter ook veel op +den bodem om voedsel te zoeken. Dit bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert hij, naar men zegt, +de Vogelnesten; ook eet hij Insekten. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd door den <span class="letterspaced">Binturong</span> (<i>Arctitis binturong</i>). Deze is grooter dan de Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 à 1.5 M., waarvan bijna de helft op den zeer langen rolstaart komt. +De romp is krachtig, de kop dik, de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben naakte zolen, en vijf +teenen, die met tamelijk stevige, een weinig terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang- en ruigharige +vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn +met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans. +De kleur van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige, aan de ledematen een bruinachtige tint. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java, Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam +en Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk +leven, houdt zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine +Zoogdieren, Vogels, Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen +bewoont en verborgen leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een luid gehuil. Hoewel de Binturong +woest en kwaadaardig van natuur is, worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam en zijn even zachtmoedig +als speelsch. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote, tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l. +de <span class="letterspaced">Kleine Beren</span> (<i>Procyoninae</i>). + +</p> +<p>Het geslacht der <span class="letterspaced">Waschberen</span> (<i>Procyon</i>) onderscheidt zich door de volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van achteren zeer verbreed, de snuit +kort; de groote oogen liggen dicht bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden van den kop geplaatst; +de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en tamelijk forsche, +zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang, de beharing overvloedig, lang en sluik. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gewone Waschbeer</span> of <span class="letterspaced">Schoep</span>, de <span class="letterspaced">Raccoon</span> der Amerikanen (<i>Procyon lotor</i>) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25 cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 à 35 cM. De vacht is geelachtig grijs, +met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek begrensd +wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om +het oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt. +De voeten zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig +gele staart is met zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen van deze kleuren steekt sterk bij +de andere af; gezamenlijk brengen zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke kleur even goed bij die +van de boomschors als bij die van den met versch of droog gras begroeiden bodem past. + +</p> +<p>Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel +zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten +wegens de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft +men hem echter niet geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch bedekte streken, komt hij nog in menigte +voor. Het liefst houdt hij zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint hij eerst te jagen, als de +schemering invalt, en brengt hij den dag slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen, of op dikke, +bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in ’t geheel niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd, +maar zwerft zoowel over dag als ’s nachts door zijn uitgestrekt gebied. + +</p> +<p>De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij +onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, <a id="d0e6383"></a><span class="corr" title="Bron: krompt">kromt</span> den rug naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet, +die hem belangstelling inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt, verandert zijn voorkomen geheel. +Het ruige vel wordt glad, de breede ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan, vervolgt daarna vlug +huppelend of loopend zijn weg, of klimt met een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet alleen bij schuins +geplaatste en loodrechte stammen naar boven, maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als langs de onderzijde. +Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs horizontale takken +voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap in ’t +klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk +op den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig, +<a id="d0e6386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6386">233</a>]</span>plaagzuchtig en belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is, en bij het bekruipen van zijn prooi listig +als een Vos. Met zijne soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is, speelt hij uren achtereen met +andere dieren van zijn soort, in de gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil. + +</p> +<p>De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar ’t schijnt, een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet, +altijd de beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft +van allerlei soort, kastanjes, wilde druiven, maïs, zoolang de kolven nog week zijn; hij zoekt echter ook de Vogels in hunne +nesten op, weet listig een Hoen of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het verborgenste nest op +te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren, die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets van +hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven +en hunne nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de “farmers” in geen goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting +betalen. Behendig vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls +ver in de zee. De dikke larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal voor hem; Sprinkhanen weet hij +zeer behendig te vangen. Hij heeft de eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het tusschen zijne +voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als dit +wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender +wijs verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft. + +</p> +<p>In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom. + + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1233.jpg" alt="Gewone Waschbeer (Procyon lotor). ⅛ v. d. ware grootte." width="512" height="500"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Waschbeer</span> (<i>Procyon lotor</i>). ⅛ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood. +Wanneer men alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en vallen van allerlei soort, die met een Visch +of een stukje vleesch als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De Amerikanen geven zich met een +waren hartstocht aan dit vermaak over, en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men jaagt hem namelijk +niet over dag, maar des nachts, met behulp van Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten heeft, +en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt, als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder +den invloed van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren Hond volgt het spoor, en de geheele troep +rent den nu vluchtenden, behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom klimt, en zich hier in de donkerste +gedeelten van de kroon tusschen de takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een kring, blaffend en +huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar komen +de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen +bedekt, zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden. +Nu begeeft een in ’t klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt <a id="d0e6404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6404">234</a>]</span>boven in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat +eindelijk de Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop een anderen boom te zullen bereiken. Zijn +vervolger snelt hem na zoo ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het beklagenswaardige dier moet +zich nu stevig vasthouden, om niet op den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader en nader komt zijn vijand, +steeds moeielijker wordt het den Beer om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort hij naar beneden. +Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet de Waschbeer +nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter wordt +hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders, en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit. + +</p> +<p>Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door +de ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig +voorkomen, verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont +toch nimmer een groote gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en knort intusschen zachtjes van pret, +evenals jonge Honden in dit geval gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan de gebaren der Apen. +Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden; niets van ’t geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne wandelingen +door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel +als op het erf en in den tuin. + +</p> +<p>“Tot de meest in ’t oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,” schrijft <span class="smallcaps">L. Beckmann</span>, “behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten te doorsnuffelen. +Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd tusschen +deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet, +dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid; +even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid +dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching +en schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn begeerigheid geprikkeld is.” + +</p> +<p>“In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft, doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven. +Soms zit hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich +een stroohalm over den neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken, met de teenen van een zijner +achterpooten of grijpt naar de heen en weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt hij op den rug, +heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door +zijn staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe +nagels de kalk uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting aan. Evenals <span class="smallcaps">Jeremia</span> op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht, +uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op. + +</p> +<p>“Na een langdurige droogte kan hij bij ’t zien van een gevulde watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke +moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat, +want alleen de pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende voorwerpen af te wasschen; hij zelf +houdt er volstrekt niet van, tot aan den hals in ’t water te staan. Als het onderzoek een bevredigende uitkomst heeft opgeleverd, +begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander voorwerp, +dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot, een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden +dadelijk onder handen genomen. + +</p> +<p>“De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne +met hem samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn +eigen weg wilde gaan. Zoodra hij ’s morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong hij vroolijk heen, om zijn vriend op te +zoeken. Op de achterpooten staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten, en vleide zijn kop zeer +teeder tegen dien van zijn vriend; daarna betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij dagelijks nieuwe +schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed, +trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken. + +</p> +<p>“Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag; toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om +zulk een krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit +en hapte intusschen in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den geringden, heen en weer slingerenden +staart. + +</p> +<p>“Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken. +Muizen, Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij, +hoe hij ook rukte en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel.” + +</p> +<p>Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke +bewoners van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk +van Waschberen is een zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen, van het wolhaar vilt voor hoeden, +de geheele staart wordt als “boa” gebruikt. + +</p> +<p>Een tweede soort, de <span class="letterspaced">Krabben-Waschbeer</span> of <span class="letterspaced">Aguara</span> (<i>Procyon cancrivorus</i>), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een weinig +hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een +geelachtig geringden, <a id="d0e6439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6439">235</a>]</span>ruigen staart en donkerkleurig aangezicht; boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen de <span class="letterspaced">Neusberen</span> (<i>Nasua</i>) in de nabijheid van de Waschberen te staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken, bijna marterachtigen +romp, met korten hals en langen, spitsen kop, hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam evenaart +en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte zolen. Het meest in ’t oog loopende kenteeken van deze dieren +is de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen. +De ooren zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn +met lange en spitse, maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van den Waschbeer, de tanden zijn echter +een weinig slanker. + +</p> +<p>Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig +slechts twee als goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten, omdat deze dieren in sommige opzichten +nogal uiteenloopen, en ook, zooals <span class="smallcaps">Hensel</span> overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in levenswijze verschillen. <span class="letterspaced">De Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> onderscheidde in Brazilië twee soorten, de <span class="letterspaced">gezellige</span> en de <span class="letterspaced">eenzame Neusbeer</span>. Volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>’s onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil; de “eenzame” Neusberen zijn eenvoudig brommige, +oude mannetjes, die zich van de in troepen levende “gezellige” afgescheiden hebben. Anders is het gesteld met de beide soorten, +die hieronder genoemd worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De bekendste soort van het geslacht is de <span class="letterspaced">Coati</span>, in Guyana <span class="letterspaced">Koeassie</span> genoemd, die wij meer bepaaldelijk <span class="letterspaced">Neusbeer</span> zullen noemen (<i>Nasua rufa</i>), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt. +In ’t geheel is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 à 105 cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27 +à 30 cM. Het dichte en tamelijk lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige bovenharen, die zich +aan den staart verlengen, en uit kort, zacht, eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden dicht bijeenstaat. +De grondkleur, die op den rug tusschen rood en grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige tint +over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de +voorzijde grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor, een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls +ineenvloeiende vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel van den neus naar beneden. De staart is +met ringen geteekend, die bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Witsnuitbeer</span> (<i>Nasua narica</i>) van Middel-Amerika moet, volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over +’t algemeen aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker, al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer +op den achtergrond treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om ’t oog, een boven het oog beginnende, naar het puntje +van den neus gerichte streep, de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn geelachtig wit; iets donkerder +zijn de zijden van den hals en de keel; de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Hensel</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span> en de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> hebben uitvoerige beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen toestand. + +</p> +<p>“De Neusbeer,” zegt <span class="smallcaps">Hensel</span>, “is in Brazilië zoo menigvuldig, dat ik niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door onderlinge +vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging gekomen, +dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen +door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den +paartijd tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig +door de jacht van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel degelijk in de nabijheid bevindt, maar +voor den jager verborgen bleef. + +</p> +<p>“De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. +Gedurende den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken dan hun neus in elke voor hen toegankelijke +ruimte. Hun voedsel bestaat vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het dierenrijk ontleende eetwaren. +Gaarne bezoeken zij de plantages om maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn.” + +</p> +<p>Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen +te zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze +prooi te overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd tot tijd den neus in het door hun gegraven +gat, en speuren, zooals onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat zij hun doel eindelijk bereikt +hebben. Onder geschreeuw en gefluit, gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij; als het heeter wordt +in ’t bosch, maakt de bende aanstalten om een geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig gelegen +boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. +Des namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. +Als de Coatis een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk kennis door luide, fluitende geluiden +en klimmen ten spoedigste in een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het geheele gezelschap over de +takken van de kroon verdeeld. Als men ze achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen den stam te slaan, +gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij niet gestoord +worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar +achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken begeven zij zich <a id="d0e6525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6525">236</a>]</span>voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen, b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak, hoewel +zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der +boomen zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij en houden den staart loodrecht omhoog gericht, +of maken korte sprongen; hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in aanraking. Alleen als zij +staan, of zich op de achterpooten verheffen, rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt zeer onbeholpen, +hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar het schijnt, zijn zij bang voor ’t water, waarin zij zich alleen in +den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken. + + +</p> +<p>Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in, daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak +en het gevoel betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; +het gevoel zetelt, naar het schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun voornaamste tastwerktuig +is. + +</p> +<p>Naar <span class="smallcaps">Rengger</span> bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October 3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in +een met dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat +het haar op al hare zwerftochten kan volgen. + +</p> +<p>Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin deed <span class="smallcaps">Mützel</span> de volgende ervaringen op: “De eerste indruk, dien het geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de diepste +stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever lag op het breede gedeelte van ’t heiligbeen op haar strooleger; +hare uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde tegen den wand van ’t hok; zij besnuffelde en belekte +hare kinderen, die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de moeder zag men niet anders dan het aangezicht +en de voorpooten, terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen, ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, +straalswijs de moeder omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn tegenwoordigheid leidde de aandacht +van de moeder van hare jongen af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar nakomelingschap te bewegen de +tepels los te laten; deze bleven er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus langs den bodem meegesleept +naar het traliewerk; het eene jong, dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde, schoof zij eenvoudig +op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de jongen +het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn; zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt +kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden te beschouwen<a id="d0e6539"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne +gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus, die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht, +de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen, die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring +van 3 of 4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de wangen, die een wit en bruin getakte teekening +vertoonen, de gewelfde kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in beweging zijn, het beerachtig afgeronde +lichaam, de lange, ruige, met ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig, potsierlijk geheel, vooral +als de dieren loopen of klimmen. Al hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en boeien voortdurend de +aandacht van den toeschouwer, die zich door de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze kleine dieren +ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt. + +</p> +<p>“Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje +eerst hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor zich op den grond en begon, terwijl zij den buit +met de voorpooten vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen +gewoonlijk hun prooi bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere dieren aan het kopeinde. Bij het tweede +gerecht, een doode Rat, vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een beet in den kop, werd daarna beroken +en van achteren af verslonden; op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den romp, terwijl de kop voor +’t laatst bewaard bleef. De Muis was na weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter langer aan. Zooals +te verwachten was, gaven de jongen het verlangen te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter niet +toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; +in allen gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven +aandringen, met de voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren dadelijk weer op de been, en omringden +opnieuw de smullende moeder; zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende, den snuffelenden neus onophoudelijk +in beweging, alle vijf staartjes omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van den staart kleine kringen +beschrijvend—vormden zij een prachtige voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke gerecht verslonden, +op een klein stukje na; ook dit was echter niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar gat gebracht, +ongeveer ½ M. boven den bodem, en met den langen, beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer prettig +gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende +vermakelijke schouwspel vertoond werd. + +</p> +<p>“De moeder had bij vergissing twee stukjes van ’t vel van de Rat laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den +maaltijd vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond +een kibbelpartij, die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige lichamen, de vijf omhoog geheven +staarten geraakten in elkander verward en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen, vielen en buitelden +over en door elkander, rolden over den vloer, huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af, en deden +dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite kostte, een van hen voortdurend in ’t oog te houden.” +<a id="d0e6546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6546">237</a>]</span></p> +<p>De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich +in de bosschen met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij het zien van de Honden vluchten de Neusberen +luid schreeuwend op de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf hunner helpers in kennis worden gesteld, +zijn nu in de gelegenheid om te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden te doen tuimelen, moet +men hem doodelijk treffen, want de gewonde dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen slechts met +groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende +Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig +om, schreeuwt van woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn leven duur genoeg en stelt niet zelden +5 of 6 Honden buiten gevecht, voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen door de inboorlingen, +maar ook door de Europeanen gaarne gegeten. + +</p> +<p>Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in ’t leven te houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer +een bijzondere voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne +huisgenooten uit het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij ’t eten mag men hem echter volstrekt niet +storen, want zelfs het tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel willen ontrukken. In vele opzichten +toont hij een groote mate van zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich volstrekt niet aan den wil +van den mensch, maar geraakt in drift, als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem gehoorzaamheid +leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed als +ieder ander. + +</p> +<p>Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk +den Neusbeer ergens toe af te richten. <span class="smallcaps">Rengger</span> zag er een, die op bevel van zijn meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van een geweer als dood +op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden. + +</p> +<p>Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen +om. Hij kan met den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote behendigheid gebruik maken. Niets laat +hij onaangeroerd. Als hij zich van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door afwisselend beide voorpooten +snel in beweging te brengen. Geeft men hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging; als hij een voorwerp +ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij er eerst met den <a id="d0e6558"></a><span class="corr" title="Bron: rechter">rechter-</span>, daarna met de linkerpoot een slag tegen, totdat het op den grond valt. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1237.jpg" alt="Rolstaartbeer (Cercoleptes caudivolvulus). ¼ v. d. ware grootte." width="512" height="355"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rolstaartbeer</span> (<i>Cercoleptes caudivolvulus</i>). ¼ v. d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij +aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel +van de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers +trok. Dit raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als in ’t geheel niet kende. Eenigen hielden +hem voor een Lemuride. Anderen meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen zeer verschillend gebit, hem +bij de Civetkatten te moeten voegen, en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was het bezit van een rolstaart +niet best te rijmen; terwijl ook het gebit—dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt, en op het gebruik van +plantaardig en dierlijk voedsel wijst—niet veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk gaf men hem (met +eenige andere, niet minder eigenaardige wezens) een plaats in de familie der Beren. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Rolstaartbeer</span>, <span class="letterspaced">Kinkajoe</span>, <span class="letterspaced">Manaviri</span> <a id="d0e6586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6586">238</a>]</span>of <span class="letterspaced">Cuchumbi</span>, zooals het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt (<i>Cercoleptes coudivolvulus</i>), voltooit de reeks van overgangsvormen van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp staat laag op +de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de vijf +teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van +het lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand +is de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen, terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, +tamelijk lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig +geel met een flauw roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den kop en in den nek duidelijk zichtbaar +zijn. + +</p> +<p>Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele +noorden van Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij +leeft in de oerwouden, vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; +den dag brengt hij slapend in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig; hij klimt dan buitengewoon +behendig en vlug in de kronen der hooge boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart hem uitmuntende +diensten. Wat vaardigheid in ’t klimmen betreft, wordt hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn +uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich +zoo goed aan een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom afdalen kan. Bij ’t gaan laat hij de geheele +zool op den grond rusten. + +</p> +<p>Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan, verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig +en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester +herkent en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger over te halen met hem te spelen of zich met hem +te bemoeien en behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten van de inboorlingen. Ook in den gevangen +staat slaapt hij bijna den geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met den staart. Hij eet al wat +men hem voorzet: brood, vleesch, ooft, gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt melk, koffie, +water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen +ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het bloed uit en laat het overige liggen. <span class="smallcaps">Kappler</span>, die den Rolstaartbeer in Guyana leerde kennen, zegt van hem: “Hij voedt zich uitsluitend met vruchten en wordt bijzonder +tam. Ik kreeg van de Indianen een jong dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag ophield. Zoodra +wij ’s avonds aan tafel gingen zitten, kwam <span class="letterspaced">Wawa</span>, zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang +tongetje in den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen en andere vruchten. Als men het huis sloot, +werd Wawa buiten de deur gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen, want op den grond hield hij zich +niet graag op. Ik had hem meer dan een jaar gehad, toen hij plotseling stierf.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast +aan de zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is het <span class="letterspaced">Katfret</span> (<i>Bassaris astuta</i>), dat, zooals reeds in 1651 door <span class="smallcaps">Hernandez</span> werd medegedeeld, bij de Mexicanen <span class="letterspaced">Cacamizli</span> heet. Het volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM., waarvan twee vijfden op den staart komen. Door +zijn gestalte herinnert dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen. + +</p> +<p>Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn, bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, +in Texas hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig voor; <span class="smallcaps">Charlesworth</span> meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van Hoenderen +het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite door de jacht in zijn onderhoud te voorzien. + +</p> +<p>De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert +en hieraan zijn Mexicaanschen naam “Kateekhoorn” dankt. Als het uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke +houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter +niet met de zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen, maar loopt, wanneer het verschrikt wordt +gemaakt, zoo lang mogelijk op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te bereiken. Soms ziet men het, +op de bovenzijde van een tak liggend, zich in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging, alsof het sliep; +bij het geringste teeken van gevaar sluipt het echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na het ondergaan +van de zon weer te voorschijn. + +</p> +<p>Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd +in een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door +de Mexicanen als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten is hij als huisdier nuttig. + + +</p> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org + + +</p> +<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van +de regel zijn hersteld. + +</p> +<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>13-DEC-2006 begonnen.</li> +</ul> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e251">Bladzijde 88</a></td> +<td width="40%">Kaukakus</td> +<td width="40%">Kaukasus</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e259">Bladzijde 88</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e408">Bladzijde 93</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e490">Bladzijde 94</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e617">Bladzijde 98</a></td> +<td width="40%">wannneer</td> +<td width="40%">wanneer</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e620">Bladzijde 98</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e652">Bladzijde 100</a></td> +<td width="40%">—</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e769">Bladzijde 103</a></td> +<td width="40%">Alegerië</td> +<td width="40%">Algerië</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e773">Bladzijde 103</a></td> +<td width="40%">Julles</td> +<td width="40%">Jules</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e785">Bladzijde 103</a></td> +<td width="40%">á</td> +<td width="40%">à</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e788">Bladzijde 103</a></td> +<td width="40%">á</td> +<td width="40%">à</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e857">Bladzijde 106</a></td> +<td width="40%">Zuik-Afrikaansche</td> +<td width="40%">Zuid-Afrikaansche</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e884">Bladzijde 107</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1126">Bladzijde 111</a></td> +<td width="40%">Abessynie</td> +<td width="40%">Abessinië</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1285">Bladzijde 114</a></td> +<td width="40%">v.d. de</td> +<td width="40%">v.d.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1683">Bladzijde 123</a></td> +<td width="40%">zeldeu</td> +<td width="40%">zelden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1829">Bladzijde 126</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1882">Bladzijde 127</a></td> +<td width="40%">Kairo</td> +<td width="40%">Kaïro</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1955">Bladzijde 128</a></td> +<td width="40%">overdraaglijk</td> +<td width="40%">onverdraaglijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2021">Bladzijde 129</a></td> +<td width="40%">vootziet</td> +<td width="40%">voorziet</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2125">Bladzijde 131</a></td> +<td width="40%">Beloetschistan</td> +<td width="40%">Beloetsjistan</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2230">Bladzijde 133</a></td> +<td width="40%">weing</td> +<td width="40%">weinig</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2317">Bladzijde 135</a></td> +<td width="40%">Matterachtige</td> +<td width="40%">Marterachtige</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2406">Bladzijde 137</a></td> +<td width="40%">houtmijtnn</td> +<td width="40%">houtmijten</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2432">Bladzijde 138</a></td> +<td width="40%">n.l..</td> +<td width="40%">n.l.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2461">Bladzijde 138</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2726">Bladzijde 144</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2764">Bladzijde 146</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3007">Bladzijde 150</a></td> +<td width="40%">gebrnik</td> +<td width="40%">gebruik</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3157">Bladzijde 154</a></td> +<td width="40%">oproof</td> +<td width="40%">op roof</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3213">Bladzijde 155</a></td> +<td width="40%">80 of 100</td> +<td width="40%">800 of 1000</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3402">Bladzijde 160</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3469">Bladzijde 162</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3485">Bladzijde 163</a></td> +<td width="40%">vermonde</td> +<td width="40%">vermomde</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3499">Bladzijde 164</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3530">Bladzijde 164</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3696">Bladzijde 168</a></td> +<td width="40%">Beloedsjistan</td> +<td width="40%">Beloetsjistan</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3747">Bladzijde 171</a></td> +<td width="40%">verradelijke</td> +<td width="40%">verraderlijke</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3832">Bladzijde 173</a></td> +<td width="40%">Turkijë</td> +<td width="40%">Turkije</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3837">Bladzijde 173</a></td> +<td width="40%">meteen</td> +<td width="40%">met een</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3889">Bladzijde 174</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">)</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4334">Bladzijde 181</a></td> +<td width="40%">speken</td> +<td width="40%">spreken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4421">Bladzijde 183</a></td> +<td width="40%">Mohamedanen</td> +<td width="40%">Mohammedanen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4471">Bladzijde 185</a></td> +<td width="40%">pantoffols</td> +<td width="40%">pantoffels</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5185">Bladzijde 201</a></td> +<td width="40%">touw</td> +<td width="40%">trouw</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5242">Bladzijde 202</a></td> +<td width="40%">eignaardigheden</td> +<td width="40%">eigenaardigheden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5364">Bladzijde 204</a></td> +<td width="40%">staalje</td> +<td width="40%">staaltje</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5465">Bladzijde 209</a></td> +<td width="40%">d.z.</td> +<td width="40%">d.w.z.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5566">Bladzijde 212</a></td> +<td width="40%">nacht</td> +<td width="40%">nachts</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5590">Bladzijde 213</a></td> +<td width="40%">eenstem-stemmig</td> +<td width="40%">eenstemmig</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5655">Bladzijde 215</a></td> +<td width="40%">Woenstijnhoen</td> +<td width="40%">Woestijnhoen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5658">Bladzijde 215</a></td> +<td width="40%">boden</td> +<td width="40%">bodem</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5708">Bladzijde 216</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5721">Bladzijde 216</a></td> +<td width="40%">jongen jongen</td> +<td width="40%">jongen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5783">Bladzijde 217</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">of</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5806">Bladzijde 217</a></td> +<td width="40%">westeijk</td> +<td width="40%">westelijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5867">Bladzijde 220</a></td> +<td width="40%">onmiddelijke</td> +<td width="40%">onmiddellijke</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5957">Bladzijde 222</a></td> +<td width="40%">Mexiko</td> +<td width="40%">Mexico</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5962">Bladzijde 222</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6097">Bladzijde 225</a></td> +<td width="40%">Volgels</td> +<td width="40%">Volgens</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6180">Bladzijde 229</a></td> +<td width="40%">intertijd</td> +<td width="40%">indertijd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6189">Bladzijde 229</a></td> +<td width="40%">alijd</td> +<td width="40%">altijd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6292">Bladzijde 231</a></td> +<td width="40%">voorkenr</td> +<td width="40%">voorkeur</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6383">Bladzijde 232</a></td> +<td width="40%">krompt</td> +<td width="40%">kromt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6539">Bladzijde 236</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6558">Bladzijde 237</a></td> +<td width="40%">rechter</td> +<td width="40%">rechter-</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 20129-h.htm or 20129-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/0/1/2/20129/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
