summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:19:25 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:19:25 -0700
commitda500c628d64f841077e14ad5e212f81b3cd6e9b (patch)
tree0d06fae40977ae8876cd90c25efac30c2d9b6b70
initial commit of ebook 20129HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--20129-8.txt15203
-rw-r--r--20129-8.zipbin0 -> 349166 bytes
-rw-r--r--20129-h.zipbin0 -> 5047850 bytes
-rw-r--r--20129-h/20129-h.htm11086
-rw-r--r--20129-h/images/p1087.jpgbin0 -> 75429 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1094.jpgbin0 -> 105435 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1095.jpgbin0 -> 110055 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1097.jpgbin0 -> 91152 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1102.jpgbin0 -> 71343 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1104.jpgbin0 -> 105817 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1109.jpgbin0 -> 94422 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1114.jpgbin0 -> 101531 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1116.jpgbin0 -> 97569 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1119.jpgbin0 -> 68283 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1120.jpgbin0 -> 94813 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1124.jpgbin0 -> 96766 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1127.jpgbin0 -> 63265 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1128.jpgbin0 -> 58888 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1131.jpgbin0 -> 66665 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1133.jpgbin0 -> 76566 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1134.jpgbin0 -> 67869 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1137.jpgbin0 -> 63569 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1139.jpgbin0 -> 76304 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1141.jpgbin0 -> 77223 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1142.jpgbin0 -> 73067 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1144.jpgbin0 -> 66959 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1147.jpgbin0 -> 65899 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1149.jpgbin0 -> 99877 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1151.jpgbin0 -> 104959 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1155.jpgbin0 -> 76104 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1156.jpgbin0 -> 89013 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1159.jpgbin0 -> 71376 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1161.jpgbin0 -> 51664 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1165.jpgbin0 -> 78478 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1168.jpgbin0 -> 91693 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1172.jpgbin0 -> 89020 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1174.jpgbin0 -> 78781 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1175.jpgbin0 -> 92362 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1176.jpgbin0 -> 99495 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1177.jpgbin0 -> 84995 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1189.jpgbin0 -> 93595 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1191.jpgbin0 -> 80431 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1192.jpgbin0 -> 79904 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1194.jpgbin0 -> 83979 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1195.jpgbin0 -> 88803 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1197.jpgbin0 -> 77318 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1198.jpgbin0 -> 93729 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1200-1.jpgbin0 -> 79355 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1200-2.jpgbin0 -> 89005 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1204.jpgbin0 -> 91356 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1205.jpgbin0 -> 88267 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1208.jpgbin0 -> 76534 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1211.jpgbin0 -> 75950 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1213.jpgbin0 -> 69665 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1217.jpgbin0 -> 117081 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1223.jpgbin0 -> 73393 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1225.jpgbin0 -> 89969 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1227.jpgbin0 -> 66863 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1233.jpgbin0 -> 113739 bytes
-rw-r--r--20129-h/images/p1237.jpgbin0 -> 77024 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
63 files changed, 26305 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/20129-8.txt b/20129-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1c8d10f
--- /dev/null
+++ b/20129-8.txt
@@ -0,0 +1,15203 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 4: De Roofdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: December 18, 2006 [EBook #20129]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+Vierde Orde.
+
+De Roofdieren (Carnivora).
+
+
+Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren
+aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor. Bijna
+alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige,
+en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn in deze
+orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar
+vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen Wezel--welk een
+aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier
+de evenredig gebouwde, lieftallige Kat, daar de logge Hyena; hier
+de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de
+krachtige, grove Hond; hier de logge, langzame, zwaarwichtige Beer,
+daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle
+tot één groep behooren?--En hoe kunnen zij alle in één beschrijving
+samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen,
+deels in het water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband
+met elkander behandelen.
+
+Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in
+de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in 't oog loopende
+gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al
+deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit de
+overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van 't voedsel
+afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam--voortvloeiend
+uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de
+spijsverteringsorganen--zoowel als die van den geest in hoofdzaak
+gelijkaardig moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden,
+van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in
+de orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen.
+
+Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige
+verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met meer of
+minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij
+liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid der zintuigen
+is in 't oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge
+schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten van tanden bestaat,
+bevat krachtige, scherpe--deels meer of minder slanke en éénspitsige,
+deels scherp getakte--in en tusschen elkander grijpende tanden, die
+met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken,
+waarvan de onderste door krachtige spieren bewogen wordt.
+
+De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de
+darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd
+kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke
+een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel is om
+zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere
+dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof tot het inwrijven
+van het vel.
+
+Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende,
+meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw op. Het
+skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele
+leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte van den kop is
+langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld
+als het aangezichtsgedeelte. De krachtige kammen en lijsten als ook
+de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen
+verschaffen aan de krachtige kauwspieren de voor hun bevestiging
+vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen
+gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen van den neus zeer uitgebreid:
+aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige
+ruimte aangeboden voor hun volledige ontwikkeling. Aan de wervels
+merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op;
+de lendewervels vergroeien dikwijls bijna volkomen met elkander; het
+aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen
+vertoonen, in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een
+groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle
+vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.
+
+De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan
+dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor
+hij geschikt wordt voor 't wroeten in den grond. Tevens zijn dan
+de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: de
+bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere
+soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren in staat
+om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen
+voor 't zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige terugtrekbaar,
+gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken
+zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen vormen. Andere soorten
+hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de
+beschutting van den voet of voor het woelen en graven in den grond
+kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter
+vast kan houden. Het gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan
+de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen;
+het kan hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede
+bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige spieren en
+pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning
+in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze uitgebreide en
+behendige bewegingen toelaat.
+
+Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij
+uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; dit
+gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige
+zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, dat bij alle
+Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk,
+bij andere het gezicht, bij enkele het gehoor op bewonderenswaardige
+wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke
+rol. Twee zinnen zijn in den regel zeer scherp: in de meeste gevallen
+zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.
+
+De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke
+begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig verstandige
+wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich
+weldra de list en de kunst van veinzen eigen maken, die voor hun
+roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat
+het bewustzijn van hun kracht hun moed en zelfvertrouwen verschaft,
+welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen
+worden. Maar juist uit deze eigenschappen vloeien weer andere voort,
+die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.
+
+Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij
+hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, weldra wreedheid
+en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst
+in den vollen zin van 't woord; deze hartstochten bezielen hen in die
+mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.
+
+Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest
+stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De Roofdieren wonen
+en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de
+kronen der boomen, op de gebergten zoowel als in de vlakten, in het
+woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer
+als in zuidelijke. Men treft onder hen even volkomene nachtdieren als
+dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht
+der zon, nog andere in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.
+
+Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer
+openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, overvallen
+het onverwachts--hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo
+lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, om door hun verschijnen
+niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het
+bewustzijn van hun zwakheid gedreven om zoo schielijk mogelijk een
+schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts
+bespeuren. Hoe meer zij van het daglicht houden, des te vroolijker,
+levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij
+aan den nacht de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger,
+schuwer en ongezelliger zijn zij.
+
+Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering
+gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige
+voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men
+"alleseters" en "vleescheters"; deze namen zijn echter niet volkomen
+steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan
+een flink stuk vleesch als de grootste en wildste Roofdieren. Alle
+leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers
+en moordenaars, onverschillig of zij kleine dan wel groote dieren
+dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als
+de gelegenheid schoon is, dat zij geen uitzondering willen maken op
+den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard
+der zaak, dat er tusschen de Roofdieren, wat betreft de keuze van het
+voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen
+bestaan als ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de
+verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het
+dierenrijk blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer
+roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde
+bepalen zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te
+versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren;
+de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De
+Honden, die eigenlijk echte "vleescheters" zijn, breiden hun jacht
+nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden
+wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend voeden met Visschen
+en Amphibiën; de Beren eindelijk zijn echte "alleseters"; zij eten
+werkelijk met evenveel smaak plantaardig als dierlijk voedsel. De
+Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de
+Roofdieren hunne liefhebbers of liever hunne vijanden. Onverschillig
+waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of
+tusschen de takken der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog
+boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden
+overal den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets
+gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke onderdoen.
+
+Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van
+het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt dit verbond
+echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet
+alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in dit tijdperk zijn de
+beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het
+jaar, gezamenlijk voeden, beschermen en verdedigen zij de jongen. Bij
+andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne
+spruiten als een welkomen buit te beschouwen; hij moet door de moeder
+teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap
+toevallig ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk
+de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van één worp
+wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering
+niet meer dan één. Bij nagenoeg alle Roofdieren worden de jongen
+blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend;
+zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk vlug. Hun moeder geeft
+hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en
+beschermt hen steeds zoo lang, als zij nog niet in staat zijn, om
+voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar
+zeer weinige moeders haar kroost in de armen of op den rug mede,
+de overige sleepen het met den bek weg.
+
+De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken
+strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming dienstbaar
+trachten te maken; met één hunner is hem dit echter in zoo hooge
+mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk geen tweede hiermede
+overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer
+of minder recht als schadelijke dieren beschouwd, fel gehaat en daarom
+zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige
+wordt het vleesch of het vet gegeten, van andere wordt de prachtige
+pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men
+tegen het dooden van deze dieren niets inbrengen; betreurenswaardig
+is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk,
+maar zelfs nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van
+de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze
+orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver
+geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en vijanden moet
+steeds van groot belang geacht worden.
+
+
+
+Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie
+van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele reeks
+te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de
+"koning der dieren" werd genoemd, aan den Leeuw, en geeft hem gaarne
+de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie
+der _Katten_ (_Felidae_).
+
+Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene
+roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen
+en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van
+lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren niet
+aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist
+daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel in zoo hooge
+mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type
+van de geheele groep beschouwen.
+
+De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het
+krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop met den sterken
+hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart
+en het zachte vel met zijn steeds aangename, met de omgeving innig
+harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen
+duidelijk voor den geest staan. Het lichaam van de Kat is met de
+meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De
+hoek- of grijptanden hebben den vorm van groote, sterke, bijna niet
+gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een
+waarlijk vernietigende uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden
+de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen
+zelfs de flinke scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds
+in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en
+onbeduidend voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne,
+hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte
+stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen
+overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens
+van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke
+werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van haar prooi of
+om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten
+onderscheiden zich vooral, doordat zij naar verhouding zulk een geringe
+lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn
+der laatste teenleden, die bij het gaan in 't geheel niet met den bodem
+in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer
+krachtige en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer
+stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van rust
+en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden,
+waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings bevestigd is,
+in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op 't oogenblik dat de
+klauw dienst moet doen, trekt de krachtige, diep gelegene buigspier,
+welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht,
+dit deel met geweld naar beneden; de voet wordt hierdoor gestrekt
+en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit
+maaksel van den voet heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen
+nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen
+waarneembaar zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt
+door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van
+den teen, die met den grond in aanraking komen.
+
+De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van
+haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid. Bijna
+alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de
+eigenschappen van het lichaam als door die van den geest, al is
+het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de
+andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij de andere schijnt achter
+te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder
+gedruisch te maken; zij loopen snel en zijn in staat tot het maken
+van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn
+dan haar lichaamslengte. Slechts weinige soorten, en wel de grootste,
+zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de
+meeste met veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor
+'t meerendeel een tegenzin hebben in 't water, zwemmen zij ingeval
+van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in 't
+water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van haar fraai
+gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote
+vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan de kunst om hiermede
+met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het
+loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog de naar verhouding zeer groote
+spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De
+grootste soorten kunnen met één slag van hare vreeselijke klauwen
+en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit
+ter aarde doen storten, al is het ook grooter, dan zij zelf zijn;
+ook kunnen zij groote lasten voortsleepen.
+
+De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die
+van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar gedurende
+hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch
+waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen; zij vernemen den zachtsten
+stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij
+nagenoeg geen van deze dieren bijzonder groot zijn, kunnen zij door
+het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het
+gezicht is minder goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak
+genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden
+zien, nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de
+grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt, neemt
+bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor
+groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich onder den invloed
+van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid
+of in de duisternis rondt zij zich tot een nagenoeg volledigen kring
+af.--Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks
+fijnheid zoowel uit het zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als
+uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid
+werkende prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk
+de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen
+boven de oogen, bij de Lossen misschien ook het haarkwastje aan het
+oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier
+in een hoogst onaangenamen toestand; het wordt letterlijk radeloos
+en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en
+onzekerheid, die later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels,
+weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer
+geschikt. De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle
+Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij toonen
+een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een
+groot behagen in aangename prikkels. Als men haar vacht gladstrijkt,
+zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij,
+groote ontevredenheid aan den dag leggen, als zij met vocht besprenkeld
+of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en
+de smaak staan waarschijnlijk ongeveer op gelijke hoogte; misschien
+is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn
+in weerwil van haar ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de
+merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten,
+zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar
+slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten wentelen zich,
+alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als
+'t ware in een roes; terwijl dieren met meer verfijnde reukorganen
+hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen.
+
+De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft,
+een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel lager,
+als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog
+verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden
+der beide familiën voortdurend twee typen voor oogen hebben, die
+geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men kan den
+Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den
+mensch ontwikkeld is, niet op één lijn stellen met de verwaarloosde
+en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten
+treden wel is waar de hoogere of edelere begaafdheden van den geest
+minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat,
+als hij goed behandeld wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor
+opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert
+vaak genoeg voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van
+een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet de
+moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen
+haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel en wordt hierdoor
+van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste
+soorten is een vereeniging van bedaarde omzichtigheid, volhardende
+sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap
+vertoonen zij zich weldra geheel anders dan in vrijen toestand; zij
+erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens
+haar meester, verlangen, dat hij haar zal vleien en liefkoozen,
+kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms
+hare diep ingewortelde, natuurlijke neigingen plotseling weder op den
+voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten
+valsch en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon
+is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen,
+een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der
+slavernij af te schudden.
+
+Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met
+uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar hoogstens
+verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de
+vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden zoowel als vochtige
+laagvlakten, het bosch zoowel als het veld.
+
+Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde
+Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren het meest
+aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij
+voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een kleine minderheid
+uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren,
+vooral van Schildpadden, nog andere gaan zelfs op de vischvangst uit.
+
+Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer
+op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden sluipen zij
+door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles,
+in alle richtingen loerend en scherp luisterend. Zelfs van het
+zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep
+gebogen houding gaan zij er op af, den buik bijna op den grond,
+zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder
+den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen van de nabijheid van het
+roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen
+worden. Eindelijk acht de Kat den afstand gering genoeg, om tot den
+aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi
+bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van
+het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige
+malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren,
+die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel
+zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in 't oog, en bijt opnieuw,
+zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele
+Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat
+evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook
+bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de
+afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar
+gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een
+eind ver loopen, om het echter steeds op 't rechte oogenblik weer
+te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit
+wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne
+wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met
+dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen
+hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij,
+ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn
+in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw,
+de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch,
+en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien
+hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze
+Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten
+goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een
+prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij
+die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve,
+waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier,
+dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen
+plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken,
+dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.
+
+In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij
+uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen
+van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld
+brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts
+bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer
+aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde
+openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder
+geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en
+zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou
+hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de
+jongen, dat men in 't geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van
+haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie
+ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in
+hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken,
+aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil
+in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt
+zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden,
+wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele
+kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen
+vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn,
+eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is
+vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede
+alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen
+wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen,
+wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En
+nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen
+gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke
+aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen,
+waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd
+oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der
+volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar
+aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de
+ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In 't eerst is de
+staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van
+dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige
+bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens
+bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter
+door deze plagerijen in 't minst niet storen en gaat voort met haar
+gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij
+laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed
+gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met
+allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin
+zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is
+het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht
+den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt,
+worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien,
+dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen
+liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude
+hun kleine, soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat
+zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere
+geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het
+later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede
+op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen,
+in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen,
+kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig
+zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden
+van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.
+
+De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de
+dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon
+groot. Men moet hierbij echter in 't oog houden, dat de groote soorten
+van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan
+dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten
+aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige
+Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect
+ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade,
+die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij
+ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels;
+vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon
+veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden
+en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel
+onmisbaar geworden, maar ook de in 't wild levende soorten van
+kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door
+belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel
+en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China,
+en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van
+Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het
+genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont,
+dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.
+
+De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met
+grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist
+wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer
+wereld rekenen.
+
+De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten
+biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te
+hebben om de _Lossen_ (_Lynx_), de _Geparden_ of _Jachtluipaarden_
+(_Cynailurus_) en de _Fretkat_ of _Fossa_ van Madagaskar
+(_Cryptoprocta_) van de overige vormen--van de _eigenlijke Katten_
+(_Felis_)--te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type
+van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat
+dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker
+hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen
+de Tijger zijn, onderscheiden de _Lossen_ zich door de kortheid van den
+staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de
+_Geparden_ door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid
+der klauwen; de _Fossa_ is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar
+onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig
+dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een
+"oerkat", zoo men wil.
+
+
+
+In de eerste plaats beschouwen wij de _Eigenlijke_ Katten; de soorten
+van de _Oude Wereld_ zullen wij gescheiden van die der _Nieuwe Wereld_
+behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben,
+op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en
+wel zoo, dat de _dwars gestreepte_, de _gevlekte_ en de _eenkleurige_
+Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.
+
+In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de
+_Tijger_, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de
+geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder
+manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk
+zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van
+alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos
+is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel
+waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude
+fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon
+en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de
+gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren
+moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe
+te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde
+verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In
+plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing
+van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij
+gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den
+mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de
+Leeuw, uit bevolkte gewesten zich terug te trekken, en het gevaar, dat
+hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig
+of listig te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover
+den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden
+en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en
+zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, of
+althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter
+geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen konden,
+was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.
+
+De _Koningstijger_, de _Bagh_, _Scher_ of _Nahar_ der Hindoes, de
+_Harimau_ der Maleiers (_Felis tigris_), is een prachtige, wonderschoon
+geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de
+Leeuw, staat de Tijger toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale
+lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die
+van het volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is
+80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 cM. Het
+gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij
+de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers was resp. 163.3
+en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder
+dan bij den Leeuw, de staart eindigt niet in een haarkwast, de beharing
+is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het
+wijfje is kleiner en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers,
+die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende
+het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die,
+welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. De teekening van
+het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er
+is een scherpe tegenstelling tusschen de lichte, roestgele grondkleur,
+en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten,
+is de grondkleur op den rug donkerder, aan de zijden lichter;
+de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel
+van den romp, de lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn
+wit. Bij den "Boschtijger" schijnt de grondkleur meer verzadigd te
+zijn dan bij den "Dsjungeltijger". Van den rug naar de borst en den
+buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen,
+die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge
+afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van deze strepen
+splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De
+staart is lichter van kleur dan de bovenzijde van het lichaam, maar
+eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren
+zijn meestal wit. Het groote oog, dat een ronde pupil heeft, ziet
+er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de
+ouden; bij hen heeft de grondkleur echter een iets lichtere tint.
+
+Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur
+aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in zeldzaam
+voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige
+zijdestrepen.
+
+Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een
+afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die het vervolgt. Dit
+is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen,
+dat de kleur bij de dieren in 't algemeen in nauw verband staat
+met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in
+'t bijzonder het geval; ik kan hier dus volstaan met te herinneren
+aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den
+Tijger als woonplaats worden gekozen, om de meening te weerleggen,
+dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk
+zouden kunnen zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden,
+dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed
+als andere dieren, volkomen over 't hoofd zien.
+
+Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het
+blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, en meer
+bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller
+werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa in uitgestrektheid
+verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB.,
+en wel tot in het zuidoosten van Siberië. De noordelijke grens van
+zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam:
+bovendien houde men hierbij in 't oog, dat Siberië een geheel ander
+en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten,
+die op gelijke breedte gelegen zijn. Indië kan echter als het
+eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit
+verbreidt hij zich naar 't noorden en oosten door geheel China tot in
+het stroomgebied van den Amoer, naar 't noorden en westen door het
+noordelijke deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den
+zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige
+oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden
+wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien wel nu
+en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen
+komen zij echter niet tot aan den Kaukasus of tot aan de Zwarte Zee. Op
+de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van
+Sumatra en Java, komt de Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op
+het eiland Ceylon.
+
+Over den Tijger op Java schrijft Dr. W. R. van Hoëvell o. a. het
+volgende: "Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten,
+op de bergen, overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn
+prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal
+bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen
+het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden acht weduwen,
+wier mannen door Tijgers waren geveld.
+
+"Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in 't wild. Daar is
+een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de zon aan den
+hemel schijnt--maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek,
+dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, dan slaapt hij.
+
+"De volle middag is in Indië het beeld van den dood--de nacht van
+kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu eens
+oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan
+weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, op schelle
+tonen een avondzang--dan belasten honderden Padden en Kikvorschen
+zich met de baspartij--nu en dan mengt zich het eentonig geschreeuw
+van de Gekko's er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.
+
+"Maar ziet--daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd
+door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender en
+harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het
+geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken afstand, diep
+in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden,
+ontvouwden ons de reden. 't Was het angstgeschreeuw der Apen, die
+deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls
+honderd voet hooge kruinen der boomen zich gerust aan den slaap heeft
+overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich
+aan den voet neer.
+
+"Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt,
+of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle ontwaken--alle
+zien den Koning der verschrikking beneden--alle schreeuwen en alleen
+de tegenwoordigheid van dat vreeselijke dier jaagt hun zulk een
+doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van
+tak tot tak springen en, onder huilen en jammeren, den een den ander
+verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen--maar
+onbewegelijk fonkelen zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk
+een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen
+en verslonden wordt.
+
+"De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java's
+wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet
+tegen in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht
+hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar ligt de
+moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn
+prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft den Stier reeds
+menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche,
+fraai geteekende, met sierlijke hoornen gekroonde dier. Rustig, van
+geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van
+zijne spieren en kop en hoornen kent, geniet het de geurige kruiden,
+door den dauw van den nacht besproeid.
+
+"De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn
+adem in, hij wacht--de Stier komt al grazende dichter bij--nog een
+kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn--en nu--slechts één
+enkele sprong--en de Tijger zit zijn prooi op den rug--hij heeft hem
+zijne klauwen in de breede borst geslagen--hij heeft hem de slagtanden
+in den korten, rimpeligen nek gezet--een vreeselijk gebrul weergalmt in
+den nacht en weerkaatst door het gebergte--de Stier ijlt, woedend van
+pijn, in 't dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde
+houding--de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der
+boomen, de Tijger verroert zich niet--de smarten doen den Stier al
+harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden en klauwen
+al dieper en dieper in het vleesch--de Stier werpt zich op den grond,
+wentelt zich om, de Tijger laat los, doet een enkelen sprong, zet
+de tanden in den strot van zijn slachtoffer--en weldra blaast het
+rochelend den laatsten adem uit."
+
+Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige
+bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. Tot in
+de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en
+zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja wordt hij slechts
+nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij
+voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden aan de rivieroevers,
+in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide
+plaatsen; ook vindt men hem dikwijls te midden van bouwvallen; niet
+zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in
+liggende houding gezien, soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder
+merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere
+dieren is zijn voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen;
+met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde
+plaatsen terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke
+nabijheid te vinden. "Het eerste het beste, met lang gras of riet
+begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand," schrijft Blanford,
+"de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in
+een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk
+volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken,
+de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde heuvelhelling,
+herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de
+vaste bewoner van dit plekje door een jager gedood wordt, zal weldra
+een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen."
+
+De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de
+overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de verschillende
+grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die
+der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone snelheid,
+behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt
+op zijne rooftochten schielijk afstanden van uren gaans, beweegt zich
+zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in 't springen
+heeft men dikwijls overdreven voorgesteld. Uit metingen aan de sporen
+van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere
+sprongwijdte dan van 5 M. gebleken. _Boomen beklimt hij niet_ of alleen
+bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is;
+gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet beklimmen. Wel springt
+hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van
+een boom met zachte schors op, en krabt deze spelenderwijs stuk.
+
+De Tijger is geen echt nachtdier. Evenals de meeste Katten zwerft hij
+op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat hij aan de uren
+kort vóór en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen
+waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken, op landwegen,
+woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In
+het zuidoosten van Siberië bezoekt hij gedurende den zomer iederen
+nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem
+uitweert, omdat hij, even goed als de daar woonachtige jagers,
+weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar
+ontmoet hij dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als
+hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten,
+Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is
+geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de grootste,
+en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne
+krachten aan den buitengewoon sterken Wilden Buffel; in den strijd met
+dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het
+onderspit; ook door een ouden, goed gewapenden mannetjes-Ever wordt
+hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook
+vergrijpt hij zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij
+echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood
+eet hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen
+voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen;
+Simson vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen
+volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door hem
+versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten
+van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt, gaat hij om
+zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus
+deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede te zijn.
+
+Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde
+roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten ook vele
+dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger
+opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring, wat hij op 't oog
+heeft, als hij begint rond te sluipen. Forsyth en anderen brengen
+voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de
+Apen begunstigd werd. "Eens," zoo verhaalt Forsyth, "werd ik bij het
+vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep,
+uitstekend geholpen door de talrijke Hoelmans, die in het struikgewas
+langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich
+zagen, snelden zij de eene na den anderen op de naastbijgelegene
+boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig,
+en schimpten en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de
+diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef
+leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had,
+en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare boomkruin
+begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer
+aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd was. Op deze wijze
+nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde,
+kon ik daar, waar de geul een bocht maakte, dwars oversteken, het
+Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam
+hij voor den dag met lange schreden, den staart tusschen de pooten, en
+zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar;
+zijn geweten was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het
+gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof
+hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging."--Een
+kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.
+
+De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij
+die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt,
+klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald
+wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden "A-o-oeng" voort,
+die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt,
+voorts een luid "Ha-oeb" of "Wau," als hij verrast en verschrikt wordt,
+verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten
+gelijkenden, korten schreeuw, die woede te kennen geeft, en dien hij
+bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.
+
+De Tijger is over 't algemeen geen moedig dier. Meestal is hij
+niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig,
+hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die
+voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op de vlucht,
+andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen;
+voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk geen enkele
+Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen
+als een zeer gemakkelijk te overmeesteren schepsel, en kan dan zeer
+gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze
+personen beloert en deze onverwachts overvalt. Zoo wordt hij in sommige
+gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.
+
+Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de
+bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet
+zelden wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad
+Singapoer, die in 1824 door Sir Stamford Raffles gesticht werd op
+een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een
+klein visschersdorp tot een stad van meer dan één millioen inwoners
+heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar
+geen Tijgers gevonden. In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was
+zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal,
+dat het eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er
+zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren
+worden verslonden.
+
+Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers
+gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote vrees, die zelfs
+deze van menschenvrees over 't algemeen vrije dieren voor het vuur
+en voor een troepje vastberaden mannen koesteren, een geregelde
+gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk
+door Tijgers geteisterd worden, nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de
+nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op
+klaarlichten dag menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo
+beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar
+loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven
+leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, zooals herders,
+houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg
+over hunne kudden. Ook de postboden zijn er slecht aan toe.
+
+Tegen het einde van het tijdperk 1860-1870 huisde in Maisoer een
+menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger een
+treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer
+grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed gemikte kogel
+hem trof. Forsyth bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental
+jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden
+hij verhaalt. De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners
+van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen
+met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van
+50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen geroofd hebben,
+vóór het Forsyth gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied
+roofde, volgens Fayrer, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869
+resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand
+geweer hem doodde. Een Tijgerin verdreef de bewoners van 13 plaatsen,
+stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante
+KM. en wist op de listigste wijze aan alle vervolgingen te ontkomen,
+totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.
+
+Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen,
+niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.
+
+De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden
+buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest verschillende
+omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft
+over den aard en de handelingen van de Tijgers in Indië. Nu het
+aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden--er zijn zelfs
+dames onder--, zeer groot geworden is, hebben de oude jachtverhalen
+en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van
+hun waarde verloren, en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van
+ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.
+
+Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een
+vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men deze
+Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone
+levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, de
+veeroovers en de menscheneters.
+
+De _wilddooder_ vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt
+zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van
+den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood
+gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere Tijgers; hij
+trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden
+andere verblijfplaatsen opzoekt, van de eene landstreek naar de andere,
+naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij
+aan de jachtliefhebbers een dikwijls zeer onaangename concurrentie
+aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer,
+daar hij hem in zekeren zin voor "veldkat" dient, en meer bepaaldelijk
+de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen
+de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in
+den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere Tijgers, ofschoon
+ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen
+verreweg de talrijkste afdeeling, en verzamelen zich gedurende den
+heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.
+
+De _veeroover_ zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn
+buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven
+worden of des nachts toevallig los in 't dorp rondloopen. Daar de
+boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis naar
+een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op
+klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van den namiddag,
+te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt
+zijn jachtgebied zich in den regel slechts over eenige dorpen uit;
+in 't tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een
+landschap van Maisoer, dat ongeveer 40 KM. lang en 20 KM. breed was,
+leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het
+spreekt van zelf, dat zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen,
+en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze
+toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig
+geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven bepalen; hij kiest
+zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed
+verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. Met de dorpelingen leeft hij
+op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden
+of vijfden dag ontneemt hij hun een Rund.
+
+Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de
+schade bepalen. Daar de Hindoes in 't geheel geen Runderen dooden, zijn
+er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren,
+die niemand voordeel aanbrengen, maar veeleer schade opleveren, omdat
+zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden
+zij nog het best besteed, wanneer zij als voedsel voor de Tijgers
+dienen.--Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de
+Herten en Zwijnen voeren, zou het in vele districten in 't geheel niet
+mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom
+zijn de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als
+van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, die
+hun als 't ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen,
+al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, buitengewoon
+sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van
+Sanderson neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om
+het lijk stonden: "Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig
+kwaad gedaan."
+
+_De menscheneter_ is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die
+ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door
+ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms
+is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje (vermoedelijk omdat
+dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een
+of andere wijze verminkt is en daarom niet meer op de gewone wijze
+aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en
+overmeesterd worden dan een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer
+hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi
+neemt, zoodra hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding
+gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder
+ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is,
+evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak en mager zijn.
+
+De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een
+menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden
+heen gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene
+veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen
+te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed
+dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, is hij
+even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en
+valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij zeer goed te
+onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze
+beter dan de andere Tijgers de gebaren van den mensch begrijpt, is hij
+moeielijker te jagen. "Deze vreeselijke geesel", schrijft Sanderson,
+"voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig
+zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort men bijna
+niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.
+
+"Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem
+op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, verdelgt. Men
+meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij
+het volk verbreide meening bestaat echter geen voldoende grond. Wel
+is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste
+veeroovers met alle mogelijke middelen op te sporen en te dooden;
+gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; zij hebben
+zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk
+geen Tijgers meer bestaan!"--Als ambtenaar belast met de vangst van
+Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman
+wegens zijn beroep in de wildernis te midden van de wilde dieren leven;
+hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten
+van Indië en is hierdoor beter dan de meeste menschen bevoegd om
+in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen
+te meer overwogen te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is,
+die tot deze slotsom geraakt. Sherwill zegt ronduit: "De Bengaalsche
+Tijger is over 't algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat
+alleen boosaardig en gevaarlijk wordt, wanneer het gewond is. Zelden
+valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters
+komen in Bengalen nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken
+der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta." Ook Fayrer,
+die voor 't overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent,
+verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de tijgerjacht niet
+vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.
+
+Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger
+anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk was. Hij is
+een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel
+doet dan schade, en dat slechts in zeldzame gevallen het "toonbeeld
+van verschrikkelijkheid" wordt, waarvoor tot dusver alle leden van
+deze soort zonder onderscheid aangezien werden.
+
+Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk
+op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, n.l. door op
+een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met
+een verraderlijken sprong op het slachtoffer neer te storten. De
+goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij
+onverwachts plaats heeft. Een dier, dat door den Tijger beloerd of
+bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer
+verwijderde prooi tracht hij met snelle sprongen te bereiken, een
+vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote
+dieren, de spieren en peezen van de achterpooten door woedende slagen
+met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht
+geslagen en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit
+te komen, om het nogmaals te overvallen.
+
+De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt,
+in een schuilhoek te midden van de struiken of van het riet te sleepen;
+soms _draagt_ hij haar zelfs over een korten afstand. Sanderson staat
+er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger
+een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei struiken heen meer
+dan 300 schreden ver _gedragen_ heeft. Als hij niet gestoord wordt,
+vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,--volgens betrouwbare berichten
+ongeveer 30 KG. vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een
+achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl
+hij zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige
+stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft hij
+zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan 't waden is, den
+kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en gorgelend, alsof
+hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in
+slaap; hij wijdt zich met een zekeren wellust aan de spijsverteering
+en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of
+althans tusschen 4 en 9 uur 's namiddags, keert hij naar zijn buit
+terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over
+is; want ook aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt
+een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering
+nemen zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon
+lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die
+in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer
+honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op den vijfden
+dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van
+Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer warm weder, aan alle
+zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden,
+en ook aan hunne wonden leden, gaven zij toch tot in hun laatste
+levensuur bewijzen van hun kracht.
+
+Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele
+andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden. Allerlei soorten
+van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede
+diensten bewijzen. Vroeger werd midden in zulk een kuil, die later met
+takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte
+paal in den grond geslagen; maar nadat een ongelukkige wandelaar den
+dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik
+ervan in de nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men,
+naar Haszkarl mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet
+deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door
+het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling
+in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende trekt hij aan
+een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op
+Sumatra stellen de inboorlingen, volgens H. O. Forbes, een lans,
+die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk
+een wijze, dat het wapen met groote kracht door het lichaam van het
+dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van
+het dorp wil kruipen en daarbij tegen een touw drukt. In Assam legt
+men, naar O. Flex verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het
+dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij
+aanraking van het toestel in 't lichaam doordringt, en zelfs bij
+de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen
+als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel
+gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas zich bevindt,
+automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting
+voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls gebruik gemaakt van
+strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen;
+dit vergif werkt echter, naar men zegt, niet meer, als het hiermede
+vergiftigde vleesch begint te verrotten.
+
+Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht
+behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van
+de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij
+bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral het
+vet, waarvan het dier gemiddeld 4 à 6 Liter bevat, en dat door de
+inboorlingen van Indië beschouwd wordt, als dienstig tegen rheumatiek
+en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch
+gegeten. Jagor verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In
+eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet
+en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden
+door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen,
+maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers
+beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door Aziatische
+en Europeesche dames als sieradiën gedragen. Het vel wordt, met de
+een of andere looistof toebereid en met een middel tot wering van
+de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van
+Europeanen of Chineezen. De Kirgisen schatten het hoog en versieren
+er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens Lomer,
+een tijgervel thans een waarde van 700 à 800 gulden, wanneer het zich
+door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt.
+
+De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door
+hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld ongeveer
+drie maanden vóór het begin van de lente in. In zuidelijke landen is
+de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden, zooals blijkt uit
+waarnemingen, die vooral in Indië verricht zijn. Omstreeks 100 à 105
+dagen later brengt het wijfje 2 à 3, somtijds 4, ja zelfs, naar men
+zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of
+6 jongen, op een ontoegankelijke, dicht met planten begroeide plaats
+ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een
+Huiskat en, evenals alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In
+de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan,
+als zij in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter
+het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt,
+strekt zij hare strooptochten verder uit.
+
+"Jonge Tijgers," zegt Sanderson, "zien er allerliefst uit en zijn
+buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat
+zij een maand oud zijn en voordat zij met het leven in de wildernis
+en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij
+niet meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid
+aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel en geven
+door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen,
+als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch begint te voeden,
+willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij
+ook zijn mogen, voor den melkpot den neus op. Het is mij voldoende
+gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw
+vleesch verwilderen, ongegrond is. Waar is het, dat zij alleen bij
+gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende
+hoeveelheid krijgen, kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier
+maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en
+kracht; men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een
+paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was; zij
+speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen
+Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die op deze wijze
+opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen
+aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk gevoederd worden. Ik
+had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in
+mijn slaapkamer te slapen. Nadat ik ingeslapen was, sprong hij niet
+zelden bij mij in 't bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem
+hiervoor stompte en weer uit het bed wierp."
+
+In den laatsten tijd heeft men ook dikwijls Tijgers gedresseerd. Zeer
+dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok te gaan, en met
+hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit
+blijft echter altijd een gevaarlijke zaak. Als een echte Kat, toont de
+Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen;
+ook beantwoordt hij wel liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder
+ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel
+staat te maken; waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij
+de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling
+welgevallen, die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een
+volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn
+kwaadaardigheid, dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht
+te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze
+Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt
+zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem aandoen wil,
+hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het
+onmogelijke vergen.
+
+Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene
+Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten en
+Buffels. Tachard zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk
+omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van
+pantser bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door
+twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot de
+grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen,
+kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met de slurf op den rug,
+zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem
+losgemaakt had, sprong hij op, brulde en wilde zich op de slurf van
+den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige
+dier, dat gelijktijdig den Tijger een stoot gaf met de slagtanden,
+waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen
+aanval meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op,
+alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen. Ten slotte
+dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem
+zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood bleef liggen en zijne
+aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd,
+zouden de woedende Dikhuidigen hem zeker gedood hebben.
+
+De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel
+wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts weinig van
+hem. Nearchos, een veldheer van Alexander _den Grooten_ had wel
+is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf;
+de Indiërs wisten hem echter te verhalen, dat het zoo groot was
+als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en
+kracht overtrof. Eerst Strabo maakt eenigszins uitvoeriger melding
+van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan Varro's tijd (111-26
+v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan
+het rijk der Parthen uitbreidden, leverden deze hun ook Tijgers, die
+naar Rome werden gebracht. Plinius schrijft, dat Scaurus (in het jaar
+11 v. C.) voor 't eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten
+zien. Claudius had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome,
+en Heliogabalus spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus
+zich aan het volk vertoonde. Avitus eindelijk liet in een schouwspel
+vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was.
+
+
+
+Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn
+geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten--waarvan
+een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde--zijn uitgestorven. Een
+Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende Kat--de
+_Nevelpanter_ (_Felis nebulosa_), de _Harimau dahan_ ("Boomtijger")
+der Maleiers--komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine
+pooten, den kleinen zeer stompen kop met de afgeronde ooren en de
+lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den
+Koningstijger herinnert, dezen het meest nabij. Hij is echter niet
+alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de
+in 't oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als 't
+lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw
+of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is,
+zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het
+onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken
+en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken
+zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug
+loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden
+zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den
+romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen
+zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een
+zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De
+lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92
+cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het
+omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.
+
+Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de
+verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men
+hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel
+slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren,
+dat hij in 't geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine
+Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen,
+moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote
+schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich
+in de Londensche diergaarde--een prachtig, tam, lief dier, waarmede
+de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken,
+behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.
+
+
+
+Dat de _Wilde Kat_ of _Boschkat_ (_Felis catus_) de stammoeder van onze
+Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht,
+wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door
+andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een
+gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde
+omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van
+jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al
+dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere
+lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is
+dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter,
+de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en
+krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde
+Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel
+tot de spits, en hier als 't ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat
+echter wordt hij van 't midden tot de spits allengs dunner. Bij de
+Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen
+geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een
+overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste
+helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij
+elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den
+staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits
+drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft
+geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet
+over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5
+maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.
+
+Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan
+de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde
+ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter
+deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal,
+waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de
+onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden,
+neus en lippen) zijn voor 't meerendeel zwart; de binnenzijde van
+het oor is echter rood- of geelachtig wit.
+
+De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt,
+bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij
+30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en
+zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus 1/3 grooter dan de Huiskat.
+
+De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs,
+soms zwartachtig, bij 't wijfje heeft zij een meer geelachtige
+tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde
+roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het
+voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin;
+de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij
+in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen
+begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de
+bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de
+beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een
+weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De
+buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte vlekken gestippeld; de
+pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend,
+hun kleur wordt in de nabijheid van de teenen geler; de binnenzijde
+van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies
+(van het oog) is geel; over dag is de pupil spleetvormig.
+
+De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering
+van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland is
+zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner
+van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt zij,
+van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot
+diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen ten
+naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt
+men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen begroeide
+Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan
+in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, in Frankrijk,
+in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men
+heeft haar niet eens in Groot-Britannië geheel kunnen uitroeien. Voor
+zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar
+verbreidingsgebied zich niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten
+Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia)
+waargenomen; haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet
+gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral
+in donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te
+duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige woudstreken geeft
+zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste
+schuilplaatsen verschaffen. Bovendien bewoont zij holen van Dassen
+en Vossen of groote holen in dikke boomen.
+
+Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog
+niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders altijd
+alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen
+levensonderhoud te jagen.
+
+Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met
+uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, onhoorbaar
+naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en
+middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met de list, die aan alle
+Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in
+zijn leger en het Konijn vóór zijn hol, misschien ook het Eekhoorntje
+op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de
+halsslagaders door. Als zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het
+dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in
+dit opzicht is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers
+bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine
+Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan:
+een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge Reeën en Edelherten
+overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de
+oevers van meren en beken loert zij ook op Visschen en watervogels,
+en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk
+wordt zij in wildparken, het schadelijkst nog in fazantentuinen.
+
+In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over 't algemeen een
+gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, even bloeddorstig
+is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan
+ook door de jagers fel gehaat en zonder genade vervolgd; want geen
+jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen
+aanbrengt, van eenige beteekenis. Hoeveel van deze schadelijke dieren
+zij vernielt, kan blijken uit een bericht van Tschudi, inhoudend,
+dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen
+gevonden heeft. De drek van zulk een dier, die door Zelebor onderzocht
+werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren
+van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, Hamster, Kat, Water-,
+Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van
+lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en boschvogels. Kleine Zoogdieren
+vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en,
+daar onder deze de Muizen veelvuldiger zijn dan alle overige, is
+het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt,
+werkelijk grooter is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen,
+mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende
+wijze samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den
+regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; haar
+werkzaamheid bevoordeelt _niet_ onze jacht, maar wel onze bosschen.
+
+De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als 't ware
+hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk
+op drijfjachten gedood. "De grootste moeite kost het," zegt Zelebor,
+"een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de
+sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke handschoenen
+beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten
+noodig, om de Kat er uit te trekken en in een zak te steken." Ik
+moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig
+voorkomt, daar alle andere berichten hierin overeenkomen, dat met
+een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. Winckell geeft den
+jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede
+schot niet te sparen, indien het eerste niet onmiddellijk den dood
+veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer
+weg kan komen, en haar ook dan nog door eenige flinke tikken op den
+neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich
+verder met haar bemoeit. Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in
+'t nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. "Neem u wel in acht,
+schutter," schrijft Tschudi, "en tracht het beest goed te raken! Als
+de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak
+dorstend op, nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en
+opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt
+op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch,
+liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken kan, en
+zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig
+vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, dikwijls vrijwillig
+van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De
+woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls scheuren in de huid,
+heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich
+met de hardnekkigste woede, zoolang er nog een vonkje van haar taai
+leven over is."
+
+Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig _verwilderde_
+Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de
+bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter nimmer de grootte
+van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de
+gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, betreft, staan zij
+niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij,
+ingeval hare voorouders gedurende vele opeenvolgende geslachten in
+'t wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en
+teekening op haar Afrikaanschen stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor
+ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht
+der verwilderde voorouders was. Alleen ontbreken haar de als 't ware
+afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der
+zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen
+duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden te doen.
+
+De stammoeder van onze Huiskat, de _Nubische Kat_ (_Felis maniculata_),
+werd door Rüppell ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij
+Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen
+met boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel
+Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika en ook
+in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den
+hieronder begrepen staart is een weinig meer dan 25 cM. Dit zijn wel is
+waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar
+toch komen zij die van "Poes" tamelijk nabij. Ook door de teekening
+van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van
+onze Huiskat.
+
+De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die
+op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische bouwvallen
+voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt
+te blijken, dat zij het was, die door de oude Egyptenaars als huisdier
+werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit
+het zuiden van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en
+Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden
+van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de
+reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.
+
+Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de
+Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens,
+die Schweinfurth in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne
+mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor
+dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus
+het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke
+vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier
+beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat in den
+eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde
+doel, als waarvoor deze dient, half of geheel getemde Nubische Katten,
+die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten
+tijd zoozeer getemd worden, dat zij zich aan de woning gewennen en in
+de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen,
+die hier buitengewoon talrijk zijn.
+
+
+
+"De Kat," zegt Ebers in zijn "Egyptische Konings-dochter", "was
+waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de
+Egyptenaars vereerden. Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk
+vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen
+in den reuk van heiligheid. Herodotus verhaalt, dat de Egyptenaars,
+als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten,
+voordat hun Kat gered was, en dat zij als bewijs van rouw zich de
+haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde,
+werd, onverschillig of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk
+gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. Diodorus bericht als
+ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die
+een Kat gedood had, van het leven beroofden, hoewel de gezaghebbenden,
+om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan,
+om het volk tot bedaren te brengen. De lijken der Katten werden op
+kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde
+dieren zijn er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de
+zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten."
+
+De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de
+veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars,
+en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd
+werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze temming
+door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten;
+de geschiedenis van de andere volken levert in dezen niet eens
+steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening
+wordt mijns inziens ook nog ondersteund door het feit, dat men in de
+begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van
+den Moeras-Los; wijl hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat men ten
+tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend
+met de vangst en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde
+Katten bezig hield. Vóór den tijd van Herodotus komt de naam van de Kat
+bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit,
+dat deze naam door latere Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld
+wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam
+verbreid heeft. De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de
+eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet men
+o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet Mohammed is
+geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in
+'t geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten van Wales bevat
+een verordening, waarin de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen,
+waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd,
+vastgesteld zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang,
+omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer
+kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de
+Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt mag worden;
+want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet
+moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge dieren van deze soort,
+als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.
+
+Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die
+door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste
+gedeelten der wereld en, naar Tschudi bericht, van den hoogsten gordel
+der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de
+geheele wereld rond, ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts;
+overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch,
+van zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van
+beginnende beschaving.
+
+Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar
+zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan den
+mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich
+met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht aan het _gezin_,
+hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter
+wordt haar gehechtheid aan het _huis_, waarin zij groot gebracht
+werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en
+huiselijk wordt. Waar zij aan zich zelf overgelaten is, komt het niet
+zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich
+in de bosschen begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij
+'t begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere
+woning terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende
+haar verblijf in 't bosch ter wereld bracht. Het komt echter vooral
+in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in 't geheel
+niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer zij in zijn woning
+is teruggekeerd. Zoo leiden, naar Rengger mededeelt, de Katten in
+Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk
+verwilderde Katten in de bosschen voor; zelfs zijn zij verdwenen uit
+de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken
+achtergelaten werden.
+
+Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der
+Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen kan. Zij
+is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke
+beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; haar behendigheid is
+waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat
+zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, welker klauwen zorgvuldig
+teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar
+is. Bij elken stap openbaart zich de haar eigen beweeglijkheid en deze
+gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen
+wanneer zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt
+wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel
+opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan
+en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, omdat zij
+met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken
+en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. Zij klimt gemakkelijk en
+behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen
+zijn of uit een zachte specie bestaan), door er zich met hare klauwen
+aan vast te haken. In 't vrije veld loopt zij niet bijzonder snel;
+zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote
+behendigheid openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of
+gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten te
+recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens
+onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat die ik met den
+rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een
+stoel losliet, zoo te doen vallen, dat zij met den rug het voorwerp
+bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en
+staat dan geheel ongedeerd en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit
+doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend
+voorwerp bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij
+van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te begrijpen,
+omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt
+en hierdoor de richting van den val regelt. Zij kan ook zwemmen,
+maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de
+onaangename noodzakelijkheid verkeert, zich uit het water te moeten
+redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een
+zeer zeldzame uitzondering op den regel; met ware angstvalligheid
+vermijdt zij zelfs den regen. (Haacke kende evenwel een Kat, die in
+een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)--Zij zit, evenals de
+Hond, op haar achterdeel, en ondersteunt dan het voorste deel van
+het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen
+en gaat op de eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een
+zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen,
+dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi,
+waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. Van zulk
+een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.
+
+Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor
+uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat de reuk het minst
+ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht
+zoo voor te leggen, dat zij het slechts door den reuk kan vinden. Zij
+nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den
+kop zoo vele malen heen en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen
+kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen,
+gebruikt zij hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds
+meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen
+houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden,
+vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt het
+duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook,
+aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop terugtrekt. Het
+tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte
+kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig is uitmuntend. Zij ziet
+evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken
+voor het zien bij licht van verschillende sterkte, d. i. zij kan deze
+opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer
+vergrooten, dat het zintuig haar zoowel in 't eene als in 't andere
+geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het
+gehoor bovenaan; het is buitengewoon scherp. Lenz verhaalt, dat een in
+de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong
+naar een Muis, die, zonder dat zij door het katje gezien kon worden,
+van den eenen struik naar den anderen liep over een gladden, steenen
+vloer, waarop zij natuurlijk in 't geheel geen voor ons waarneembaar
+gedruisch veroorzaakte. Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de
+Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.
+
+Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel
+geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, arglistig dier,
+en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een
+onoverwinnelijken afschuw van haar. In den regel vergelijkt men
+haar met den Hond, waarmede zij in 't geheel niet vergeleken mag
+worden; omdat men bij haar niet dadelijk diens eigenschappen vindt,
+bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van
+te voren als een wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door
+sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig
+beoordeeld. Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid
+gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met
+de onderstaande, door Scheitlin gegeven karakterschets, die, hoe
+men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient
+wegens haar oorspronkelijkheid, en naar het mij voorkomt, zich door
+een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van
+den aard der Kat onderscheidt: "De Kat is een edel dier. Reeds uit
+haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief
+leeuwtje, een tijger in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn
+evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan
+haar reeds de geringste afwijking van den regel in het oog. Alles
+is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit
+de beschouwing van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een
+fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en
+verraadt een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige,
+golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met scherpe
+hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. 't Is alsof zij geen
+beenderen heeft en uit niets anders dan een zachte stof bestaat. Groot
+en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het
+doen van zintuigelijke waarnemingen. Wij schatten de Katten gewoonlijk
+veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen,
+haar vijand, den Hond, hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen
+houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.
+
+"Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste
+eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als 't ware uit
+één stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij,
+met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte
+slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht
+bij 't loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer deze
+krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam
+als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; zonder
+ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot
+aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste orde liggen; om
+de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten
+en strijkt zich vervolgens hiermede over den kop, zelfs de spits van
+den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in
+een door haar zelf in den grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam
+hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en
+is hiervoor geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke
+zenuwen heeft.--Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden
+van kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en
+zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. Zij
+heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er
+partij van. In de geheele buurt--in alle huizen, kamers, kelders,
+onder alle daken, op alle hout- en hooizolders--is zij op bekend
+terrein. Zij is een echt _huis_dier, meer gehecht aan het huis dan
+aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert
+weer naar 't oude huis terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar
+huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.
+
+"Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en
+kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond bespeurt,
+krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen
+glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden moed, gepaard aan
+een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien
+wil zij weg, den vijand ontvluchten, en springt daartoe, als zij in
+de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien
+zij echter jongen heeft, dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert,
+vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem
+erbarmelijk in de oogen, in 't aangezicht. Als in dezen tijd een Hond
+haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen
+op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in
+dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam kan zij met
+hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al
+komen vijf of meer Honden haar insluiten, op haar aanspringen, toch
+wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen
+kunnen komen, maar weet, dat zij dan verloren zou zijn, want de Hond
+kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben,
+eindelijk weggaat, blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij
+wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af
+en weerstaat hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste,
+gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.
+
+"Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging
+om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid en
+tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan
+de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de Paarden,
+maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed;
+men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering brengen. Men
+spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig
+wacht zij doodstil voor het muizengat; listig kruipt zij ineen, wacht
+lang,--het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van
+de Kat fonkelen, toch bedwingt zij zich. Zij is zich zelf meester,
+evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.
+
+"Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate;
+zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; zij
+verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als
+zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. Als zij flink
+uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en
+komt weinig minuten later met onbezwaard gemoed terug. Toch gevoelt
+zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na
+voor de eerste maal haar bekwaamheid in het muizenvangen getoond te
+hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en
+aan de menschen te laten zien. Zij komt dan ook later met haar buit
+in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.
+
+"Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook
+wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. Als iemand haar
+uitmuntend bevalt--want zij kan innig liefhebben en ook innig haten--,
+strijkt zij dikwijls haar wang en hare zijden langs de wang en de
+zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen,
+springt 's morgens vroeg op zijn bed, kruipt zoo dicht mogelijk
+tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen
+vertrouwen. Zij bijten en krabben dikwijls, wanneer men dit in 't
+geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel
+worden zij tot dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar
+maar al te dikwijls in 't geniep plaagt, zonder dat zij den plager
+weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond
+is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet goedaardig is,
+niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame
+uitzonderingen, en zulke zijn er onder de Honden ook, ofschoon nog veel
+zeldzamer. De uitdrukking 'valsche hond' is immers spreekwoordelijk
+geworden, waar het een man geldt, evenals de benaming 'valsche kat'
+voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt,
+hebben dezen invloed ook op de meest volkomen dieren."
+
+Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in 't
+einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede maal in
+'t begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter
+wereld, die blind geboren worden en niet vóór den negenden dag leeren
+zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het
+begin van Mei plaats, de tweede in het begin van Augustus. Vooraf zoekt
+de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of
+niet gebruikte bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen,
+vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.
+
+De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van
+de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor de
+nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen
+oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra zij voor
+hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen,
+bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, dat de poesjes er
+nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost
+alleen, om voedsel te halen. Vele Katten weten met hare eerste jongen
+niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten
+eerst aangegeven worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten
+gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen,
+is een uitgemaakt feit.
+
+Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat
+haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, en zelfs
+haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan
+te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten opzichte van andere
+dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden
+van bekend, dat zoogende Katten jongen van Honden, Vossen, Konijnen,
+Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten;
+ik zelf heb als knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan
+het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed
+was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen,
+een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde kind
+onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed
+mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne af met een echt
+moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne
+stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, nadat deze reeds weggegeven
+waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling
+met verdubbelde liefde te beschouwen. Er ontstond tusschen de beide
+dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind
+begrepen elkander volkomen, de Kat riep op de haar eigen wijze, het
+Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het
+zijn pleegmoeder door het geheele huis en later ook in den tuin na.
+
+Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men
+doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer zij goed
+en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan
+den mensch. Er zijn Katten--ik zelf heb er eenige gekend--, die reeds
+verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere
+verhuisd zijn, zonder dat het haar in de gedachten kwam naar de oude
+woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in
+dit geval meer waarde heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra
+zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe,
+vleien en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op
+allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij zeer
+goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden,
+en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk veel
+welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige
+Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters op een zeer aardige
+wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb
+twee Katers gekend, die zelfs de gasten van haar meesteres op hoogst
+beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen
+medegingen, dan echter na liefkoozingen en een welwillend gespin
+afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met
+menschen, maar ook met dieren vriendschap. Vele voorbeelden van de
+innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak
+met de welbekende spreekwijze.
+
+Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk
+dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het jaar 1859 had onze
+Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht
+en daar zorgvuldig voor aller oogen verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken
+later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept
+en loopt naar de deur, alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders
+volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op
+den hooizolder, komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het
+eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop
+hooi. De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek,
+dat de Kat bijna in 't geheel geen zog meer had, en nadenkend over
+een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest,
+om hare meesters met de zorg voor haar kroost te belasten.
+
+Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch
+in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd wordt,
+de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen
+over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten en te
+verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons
+bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. Wie nooit in een
+bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust
+rondspoken, weet in 't geheel niet, wat het zegt, een goede Kat te
+hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en
+gezien heeft, hoe volkomen machteloos de mensch tegenover hen is, als
+men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze
+afschuwelijke Knaagdieren geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand
+tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste
+huisdieren is, en derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming,
+maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. _Reeds de aanwezigheid
+van een Kat is voldoende_, om de overmoedige Knaagdieren van streek te
+brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat
+hen van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel,
+dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst gemerkt
+hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom
+liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; doen zij het niet,
+dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.
+
+Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen,
+zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel niet
+alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij,
+althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze echter niet
+op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters
+verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden is, laat zij
+ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers,
+Sprinkhanen en andere Insekten eet zij tot afwisseling. Bij haar
+jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals
+alle leden van de Roofdieren-orde, maakt ook zij zich trouwens wel
+eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog
+jong en hulpbehoevend is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote
+Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook
+wel op de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met
+de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden tot
+ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan
+een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast plundert,
+zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de
+waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, echter veel grooter
+dan de schade, die zij aanricht.
+
+Van de _Kat_ (_Felis maniculata domestica_) bestaan weinig
+verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest
+voor: Effen zwart met een witte vlek midden op de borst; effen wit,
+lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde
+kleur getijgerd; effen blauwachtig grijs; lichtgrijs met donkere
+strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig
+bruine en koolzwarte (of grijze) vlekken. De blauwgrijze Katten
+zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen;
+de echte moeten echter zwarte teenkussens en aan de achterpooten
+zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met
+donkergrijze of zwartachtig bruine dwarsstrepen als een Tijger
+geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die
+op sommige plaatsen voor heksen aangezien en daarom gedood worden,
+bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.
+
+De _Angora-kat_ (_Felis maniculata domestica angorensis_) wordt bijna
+algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord;
+zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; zij onderscheidt zich
+door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit,
+geelachtig, grijsachtig of ook wel gemengd van kleur is; de lippen
+en de zolen zijn vleeschkleurig.
+
+
+
+Een enkele blik op het lichaam van den _Leeuw_, op de uitdrukking van
+zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken,
+die dit dier leerden kennen, van ganscher harte te doen deelen. De
+_Leeuw_ is de "koning" van de viervoetige roofdieren, de heerscher
+in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich met
+het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet
+beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: de
+geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in
+de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.
+
+De _Leeuwen_ kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden
+worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk
+gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige
+beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige aangezicht, in den
+koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in
+den kwast die het einde van den staart versiert. In vergelijking met de
+andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het
+geheele lichaam hierdoor zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart
+eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die
+reeds door Aristoteles werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele
+latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde
+pupil, de snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke
+Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche,
+koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij
+volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte van de
+borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar--te
+recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist laten--verscheidene
+onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende
+afwijkingen zullen hieronder in 't kort beschreven worden; daarna
+moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een
+oordeel te vormen. In de eerste plaats vestigen wij onze aandacht
+op den _Leeuw van Barbarije_, want hij is het, die sinds overouden
+tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en
+lichaamskracht, dapperheid en heldhaftigheid, door zijne adel en
+grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den
+naam van "koning der dieren" heeft gekregen.
+
+
+
+De _Leeuw van Barbarije_ (_Felis leo barbarus_) heeft, evenals
+zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks
+voorste gedeelte wegens de breede borst en de versmalde liesstreek
+veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna
+vierhoekige kop verlengt zich tot een breeden en stompen snuit, de
+ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar
+levendig en vurig, de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig,
+de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook
+wel naar evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan
+bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten doorn,
+die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige
+vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur bedekt het
+aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige
+plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of zijn geheel en al zwart,
+en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn
+door dichte manen omgeven. Ook de benedenzijde van den romp is in het
+midden over haar geheele lengte met lange, dicht bijeengeplaatste,
+sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de
+voorste gedeelten der dijen staan minstens nog eenige vlokken van
+zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte
+in de schoften 80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75
+à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele
+lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot
+aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren
+Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een
+staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt;
+dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en
+aan den staart een teekening, die den in 't vergelijken van dieren
+geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze
+teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij,
+vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan
+de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De
+Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral
+door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren
+zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het
+lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het
+Atlas-gebergte en naburige gewesten.
+
+De _Senegal-Leeuw_ (_Felis leo senegalensis_) verschilt van de zooeven
+genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende
+buikmanen; de manen aan 't voorste gedeelte van 't lichaam zijn goed
+ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.
+
+De _Kaapsche Leeuw_ (_Felis leo capensis_), en, naar het schijnt, ook
+die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft
+donkere manen. Het verbreidingsgebied van den Senegal-Leeuw en van den
+Kaapschen Leeuw--die misschien tot dezelfde ondersoort behooren--omvat
+alle landen van Middel- en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de
+oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den
+Blauwen en Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld,
+in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.
+
+De _Perzische Leeuw_ (_Felis leo persicus_), die bleek isabelkleurig
+is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte
+haren bestaan, is van Perzië tot Indië verbreid; wij kennen hem
+nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de
+Senegal-Leeuw dan wel met die van Guzerate grootere overeenkomst
+vertoont.
+
+De _Leeuw van Guzerate_ (_Felis leo guseratensis_), zoo genoemd naar
+een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel "Manenlooze
+Leeuw," en is ook niet altijd kleiner dan zijne verwanten, zooals
+vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en
+al vaal roodachtig geel of geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering
+van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde,
+dicht bij hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.
+
+De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in
+de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend jaren
+achter ons. Sedert dien tijd heeft de "koning der dieren" zich voor
+den "beheerscher der aarde" meer en meer teruggetrokken. De mensch
+bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot
+nu, verder en verder terugdringen en eindelijk geheel vernietigen. De
+Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten
+van Afrika verbreid en kwam in Egypte niet veel minder veelvuldig
+voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van
+de bevolking en de toenemende beschaving werd hij echter allengs
+verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer
+voorkomt en in nagenoeg geen enkele kuststreek van de Middellandsche
+Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en
+Marokko niet zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen
+geen ongewone verschijning. Vooral in Algerië is het aantal Leeuwen
+sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen
+met de Arabieren zijn zij verdrongen; de Fransche leeuwenjagers,
+van welke Jules Gérard vooral vermelding verdient, hebben hunne
+rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden:
+de inboorling van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder
+dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een
+geweer gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts
+weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen
+mensch meer en meer teruggedrongen.
+
+De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn
+wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika zijn
+eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel
+met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. In Zuid-Afrika komt
+het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote
+jacht-expedities. Volgens Livingstone zwerven troepen van 6 à 8 stuks
+gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen
+zij tot nog talrijker troepen bijeen. Selous, wiens berichten uit den
+laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: "In het binnenland van
+Zuid-Afrika treft men troepen van 4 à 5 Leeuwen, die te zamen jagen,
+veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van
+10 à 12 stuks zijn niet zeldzaam."
+
+De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open
+veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken
+met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met
+armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken, onverschillig
+of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats
+kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger; hij rust hier één of meer
+dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan
+vestigt hij zich het liefst in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de
+voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de
+oevers der stroombeddingen, die slechts gedurende een deel van het
+jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes
+van doornstruiken. Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar,
+waar de morgen hem verrast.
+
+Over 't geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere
+Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van deze. Hij
+is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet
+van groote strooptochten, maar tracht het zich zoo gemakkelijk mogelijk
+te maken. Volgens de ervaringen van Selous, wil de Zuid-Afrikaansche
+Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld
+is, dan het zelf te dooden. Om dezelfde reden volgt hij elders, in
+Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook
+trekken. Hij begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar
+het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen,
+en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen.
+
+Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in
+het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen, maar ziet hem
+alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en
+door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven. In de nabuurschap
+van de dorpen komt hij niet vóór het derde uur van den nacht. "Drie
+maal," zeggen de Arabieren, "kondigt hij door gebrul zijn komst aan,
+en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan." Deze
+goede meening berust ongelukkig op zwakke grondslagen; want zoo vaak
+ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat
+hij zonder gedruisch te maken naar het dorp was geslopen, en het een
+of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de
+Leeuw zeer dikwijls zachtjes nadersluipt "als een dief in den nacht."
+
+Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen,
+onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring geven van
+iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul
+geen waarschuwing is aan de dieren, die de Leeuw als prooi verlangt,
+maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de
+dieren tot vluchten te nopen en ze hierdoor toe te voeren aan den
+een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren,
+dan misschien aan zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn
+inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die
+tot berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik
+aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik zal trachten
+een dergelijken rooftocht te beschrijven.
+
+Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de "seriba"
+gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke,
+uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa's
+samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien hij maken
+kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds
+gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep waakzame Honden
+houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt;
+de vrede van den nacht daalt op de legerplaats neder. Vrouw en kind
+van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De
+mannen hebben hunne laatste bezigheden verricht en zijn ook van plan
+hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten
+de langstaartige Geitenmelkers hun nachtlied hooren, of dragen vliegend
+hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de
+seriba en ijlen als geesten over de slapende kudde heen. Overigens
+is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar
+toch niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.
+
+Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke
+nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam "_Essed_,"
+d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste
+ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen als zinneloos
+tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende
+Runderen dringen tot een verwarde troep bijeen, de Kameel tracht,
+omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te
+verbreken, en de moedige Honden die Luipaarden en Hyena's bevochten,
+huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een
+geweldigen sprong is de machtige vijand over den muur van doornen
+geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag
+met zijne vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het
+krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. Dof
+brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen
+van roofgierigheid en van blijdschap over de behaalde zege; met den
+staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende
+dier los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw
+aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint hij den
+terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet
+achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht noodig om met het Rund
+in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel:
+ik heb een meer dan manshooge seriba gezien, waarover een Leeuw met
+een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel
+waargenomen, achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de
+omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil
+in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag,
+voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die door het
+voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen
+tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi verscheurd heeft.
+
+Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen,
+vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet echter
+niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis
+laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn een langgerekte toon,
+gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of
+gebrom; schrik wordt te kennen gegeven door een kort gekuch, dat als
+"Hoef" of "Wau" klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden;
+menigeen, die zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden,
+heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. Men
+zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn
+soort en wordt, wat volheid van klank betreft, door de stem van geen
+ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals Pechuel-Loesche opmerkt,
+door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden
+het zeer eigenaardig aan door het woord, "raäd", d. i. donderen. Diep
+uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze
+zal barsten.
+
+Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der
+dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt, zij
+het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op;
+de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen vol angst tot in de
+hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken;
+de blatende kudde houdt zich doodstil; de beladen Kameel siddert,
+gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last
+en zijn berijder af en tracht zich door een snelle vlucht te redden;
+het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug;
+de niet aan de jacht gewende Hond zoekt huilend bescherming bij
+zijn meester.
+
+De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen,
+zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt dan zijne
+rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman
+en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral omdat hij bij zijne
+plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. "Als de Leeuw
+te oud wordt, om op het wild jacht te maken," bericht ook Livingstone,
+"begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer
+hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze hem ten prooi
+vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren;
+als een van deze gevaarlijke Roofdieren in een dorp is doorgedrongen
+en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn
+afgesleten; hij zal nu spoedig een mensch dooden."
+
+Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de
+Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit hem op
+tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te
+ontkomen. Daarom beloert hij de in 't wild levende dieren, of besluipt
+hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap
+van andere dieren zijner soort; hij wacht hiervoor volstrekt niet
+altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch
+zijn zulke jachten gedurende den dag altijd uitzonderingen op den
+regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de
+schemering uit. De wilde kudden volgt hij op hare reizen, evenals
+de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de
+nabijheid van de meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt
+hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren
+van de wildernis hun dorst lesschen.
+
+Volgens Livingstone pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook
+wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint
+te verslinden. Selous bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit
+steeds aan 't achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten,
+en het eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft
+hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop rolt en
+met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor
+den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen tegen de Gieren,
+die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt,
+zegt hij: "Volgens mijn ervaring overvalt de Leeuw zijn prooi op zeer
+verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee
+Paard-antilopen gezien, die door een beet in de keel gedood waren;
+daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra's, bij welke
+de doodelijke wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden,
+naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een
+halswervel, die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den
+schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den nek
+plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten,
+die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden, maar aan den
+nek on de schoften vreeselijk gebeten waren."
+
+De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon
+hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt. Uitdrukkelijk
+wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen
+tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar, een groote prooi
+te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat
+hij juist daar het veelvuldigst voorkomt, waar veel wild of vee van de
+grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee,
+uit Zebras, Antilopen en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt
+hij echter ook krengen niet. Selous zegt: "De Zuid-Afrikaansche Leeuw
+is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers
+Olifanten gedood hebben, verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan
+de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische
+zon beschenen spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken;
+verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug,
+tot er geen vleesch meer overig is." Zij worden hierbij vaak genoeg
+geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige gelegenheid
+gebruik maken om met hun "koning" te dineeren. De luie en lafhartige
+Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden het zeer gemakkelijk,
+een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn
+maal verlaat, zich vol daaraan. De "koning" duldt hen echter niet
+altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is,
+om deze reden ernstige vechtpartijen voor.
+
+De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van
+den man boezemt hem, naar 't schijnt, ontzag in. In Soedan althans,
+waar de "oproerverwekker" in sommige gewesten veelvuldig voorkomt,
+zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen door Leeuwen opgegeten
+zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas
+dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika daarentegen zijn genoeg voorbeelden
+bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich
+om de wachtvuren te bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de
+omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van
+bij het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen
+door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van zessen
+klare Leeuwin, van welke Selous bericht, dat zij, ondanks de vuren,
+de wachtposten en de schoten, driemaal in één nacht het kamp overviel,
+eerst een Paard en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen
+greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood
+werd. "Een hongerige Leeuw is een duivel," zegt men in Zuid-Afrika. In
+zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als oude en
+zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen,
+en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe gemakkelijk deze
+prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk
+een gemakkelijke wijze een maal trachten te verkrijgen. Werkelijke
+"menscheneters," zooals onder de Tijgers in Indië voorkomen, worden de
+Zuid-Afrikaansche Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede
+zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken.
+
+Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker
+en nauwkeuriger wijze beschreven dan Selous: "Mij is het steeds
+voorgekomen, dat het woord 'majestueus' bijzonder slecht toepasselijk
+is op een wilden Leeuw; over dag heeft deze steeds iets onzekers en
+schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip 'majesteit'. Om
+zoo genoemd te kunnen worden, zou hij den kop hoog moeten dragen,
+en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog
+beneden den ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid
+bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan
+gewoonlijk ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als
+hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de
+fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een
+dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van het lichaam
+zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in
+zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit verdient. Wanneer de Leeuw
+den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert,
+pas dan op! want dit is bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk
+volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den
+mensch bijna altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich
+bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter
+boos maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn
+ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig ander
+Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter
+zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger in 't aanvallen dan
+de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel
+gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen en de andere dieren, zijn
+echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat,
+al wat de eene doet, zonder nader onderzoek ook van den anderen te
+verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig
+te noemen, omdat de 2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich
+niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen
+zijn bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald
+worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze; daar,
+althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan één
+Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels."
+
+De ontzagwekkende gestalte van den Leeuw, zijn geweldige kracht,
+zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En al heeft
+ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw
+eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid niet bezit; geheel
+ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door
+de meest geachte natuuronderzoekers aan den Leeuw zijn toegekend,
+ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader
+leerde kennen, die, zooals ik, jaren lang dag in dag uit met een
+gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan
+is. Hij zal hem genegen zijn en achten, zooals ooit een mensch voor
+een dier genegenheid en achting kan gevoelen.
+
+Vijftien tot zestien weken of 100 à 108 dagen na de paring werpt de
+Leeuwin 1 à 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen met geopende
+oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van
+een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt de leeuwin hare jongen
+met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel
+denken dan deze moeder met haar kroost. De kleine, allerliefste
+diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt
+wel is waar ernstig, maar toch met blijkbaar genoegen naar het spel
+van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het
+volstrekt geen zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap
+jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde
+fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden;
+zelfs in reizende menagerieën, waar de dieren, zooals bekend is,
+slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en
+dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen, worden Leeuwen geboren
+en grootgebracht.
+
+Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer
+hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen
+nog later hunne kinderlijke spelen. In 't eerst miauwen zij geheel
+als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller. Bij hunne
+spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt
+mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar hebben zij de grootte
+van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes
+de eerste beginselen van manen op, doch eerst in het zesde of zevende
+jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal
+van kleur. De leeftijd dien zij bereiken kunnen, is geëveneedigd
+aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen,
+die 70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter,
+zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een afgeleefd
+voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid.
+
+Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer
+tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem des
+te meer genegenheid, naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men
+kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op
+deze wijze getemden Leeuw, die zijn vrijheid--ik zou haast zeggen
+zijn koningschap--vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel
+is toegedaan.
+
+Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap
+verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig. Daarbij
+bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet.
+
+Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle
+middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo erg
+als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor
+den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar hij zijn
+vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij
+tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt zich ook voedsel
+in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs
+nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig smakelijk maal. De streek
+waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij
+vinden hier nog dikwijls belangrijke overblijfselen van het wild,
+dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens
+niet na, den roover van zijn buit te verdrijven, opdat er zooveel
+mogelijk voor hen zal overschieten.
+
+Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de
+verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over
+zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade,
+die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden door het
+verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van
+het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten van Europeesche
+afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan
+de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening van Jules Gérard
+veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de
+provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000 gulden:
+een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel
+per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich volgens denzelfden
+berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks
+groot en klein vee verslonden hebben. Verder op in het binnenland
+is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die
+daar den eenigen tak van bestaan van de bewoners uitmaakt, op veel
+uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw
+de overhand heeft. Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de
+arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden
+over de verwoestingen, die de Leeuw aanricht.
+
+In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen
+gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoeïnenstam
+al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch,
+waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten door geschreeuw
+en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den
+dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe, dat hij gewoonlijk er
+het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige
+van zijne vervolgers leelijk toegetakeld of gedood heeft. Ook "op
+den aanstand" (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De
+Arabieren graven een kuil, dekken dezen van boven stevig toe, zoodat
+er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarvóór een pas gedood
+Wild Zwijn; ook gaan zij wel in de boomen zitten om van hier uit te
+schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in
+valkuilen, die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke
+dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom
+den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen
+schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het gekst stellen
+zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen
+het dier dood. Eerst als het volkomen zonder beweging ligt, waagt
+iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten
+te binden, waarmede het lijk met moeite wordt opgeheschen, want de
+volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap
+krijgt een stuk van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De
+haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft,
+dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den
+Leeuw beveiligd is.
+
+In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw,
+die door de Hebreërs met verschillende namen aangeduid wordt. De
+Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige
+verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen.
+
+Het Romeinsche volk werd voor 't eerst op het schouwspel van
+een leeuwengevecht onthaald door den aedilis Scaevola, voor de
+tweede maal door den dictator Sulla. Deze had reeds 105 Leeuwen in
+den circus. Pompejus liet 650, Julius Caesar minstens 400 van deze
+dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk
+en geschiedde gewoonlijk met behulp van valkuilen. Onder Claudius
+ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij
+wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier werd hierdoor
+zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den
+circus werd dit middel later dikwijls toegepast. M. Antonius reed na
+den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een
+wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd. Hanno, de ons reeds van
+vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden
+Leeuw met zijne handen regeerde. Hij werd daarom echter uit zijn
+vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich
+met het temmen van een Leeuw bezig hield, ook er naar streefde,
+de menschen aan zich te onderwerpen. Hadrianus liet in den circus
+dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. Marcus Aurelius liet er 100
+met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen
+zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten in Afrika verbood,
+om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over
+te houden. Evenwel was eerst met de uitvinding van het schietgeweer
+de macht van den "koning der dieren" voor goed gebroken.
+
+
+
+"Het is zeer wel mogelijk," zegt Prof. Schlegel, "dat de oude
+Grieken en Romeinen twee soorten van _Luipaarden_ gekend hebben,
+n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van
+Siberië. De oude Grieken hadden echter, zooals men uit Xenophon en
+Aristoteles moet opmaken, slechts één naam, _Pardalis_, voor deze
+dieren. Plinius benoemt de Luipaarden met den naam van _Pardus,_
+en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord _Panthera_
+(waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat,
+bedoelden). Daar hij beweert, dat de _Panthera_ bijkans door niets,
+dan de witachtige kleur van den _Pardus_ te onderscheiden is, zoo wordt
+het wederom waarschijnlijk, dat met den _Panthera_ der Romeinen de
+Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar
+het witte trekt. De naam _Leopardus_ is van nog lateren oorsprong,
+en komt voor het eerst voor bij Julius Capitolinus, een schrijver
+uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit _Leo_ (Leeuw) en
+_Pardus_ samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en
+Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord _Leontius_ (kleine
+Leeuw) waarschijnlijk tot _Uncia_, _Onza_ of _Onça_ verbasterd,
+dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear
+werd toegepast. Wat het woord _Tigris_ (Tijger) betreft, zoo lijdt
+het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger
+begrepen hebben.
+
+"Deze benamingen zijn,--behalve die van _Pardalis_ of _Pardus,_
+welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord
+(Pardel of Parder) bewaard is--van lieverlede in de meeste nieuwe
+talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord
+'Luipaard' schijnt veeleer als een verbastering van _Leopardus_
+beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of,
+gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een nader onderzoek
+leert ons echter, dat bij de verschillende natiën van Europa, deze
+woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen worden toegepast. Zoo
+worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden
+of Panters genoemd; terwijl in Holland de benaming van 'Tijger' voor
+deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of
+Panter, welken laatsten naam men zelden of nooit uit den mond des
+volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste
+overige talen, en in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van
+den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch,
+om hem van den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den
+bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft."
+
+De "_Luipaard_" (_Felis pardus_) heeft een lengte van 170 à 200 cM.,
+waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de
+snuit steekt weinig vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig,
+de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en
+sterk, de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele
+grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het
+voorste gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de
+onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit
+over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals,
+de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, bovenbeen en
+onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet
+met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, welker grootte afwisselt
+tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste
+gedeelte van den hals vormen zij schuins naar voren gerichte reeksen;
+op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot
+onregelmatige vlekken ineen, die reeksen vormen, welke van boven
+naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10
+dwarsloopende reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten
+ieder een "hof", die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn
+ieder uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel
+tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook aan
+'t bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart;
+voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, met
+uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver
+wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde der
+ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee
+ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig zwart, met
+uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog
+heeft een groenachtig gele iris en een ronde pupil. Er bestaat geen
+belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes,
+als tusschen de oude dieren en de zelfstandig geworden jongen. Sommige
+exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een
+glanzig bruinachtig zwarte verscheidenheid, die alleen in 't volle
+zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië _Gesela_ genoemd en om
+zijn vel ijverig vervolgd.
+
+Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika
+bewoont.
+
+Aan den "_Panter_" (_Felis panthera_) worden de volgende kenmerken
+toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er
+ongeveer 82 à 96 op den staart komen. De kop is matig groot en
+langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is
+kort, de romp krachtig maar toch gestrekt, de stevige pooten zijn
+naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur,
+licht okergeel, gaat op den rug in donker roodachtig geel, aan de
+onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in
+geelachtig wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar
+komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan
+bij dezen, de vlekken zelf zijn over 't algemeen iets kleiner, en de
+kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den kop, den nek,
+de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst
+vindt men alleen nog op de voorarmen en onderbeenen volle vlekken,
+die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan
+zijn. De schouder en het bovenbeen daarentegen zijn, evenals de rug
+en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken
+onderscheiden zich van die van den Luipaard door haar aanzienlijkere
+grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende
+ring bestaat uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.
+
+Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het
+Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië en de
+Kaukasus.
+
+De _Soendaneesche_ of _Langstaartige Panter_ (_Felis variegatus_)
+van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden
+kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne kenmerken
+worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer
+gestrekte romp, de staart die minstens even lang is als de romp,
+de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende
+pooten. Bovendien vertoont de teekening eigenaardigheden: de vlekken
+zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en
+dichter bijeengeplaatst dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor
+verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk
+zichtbaar wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur
+is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig
+geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen
+zijn grijsachtig of geelachtig wit.
+
+De onderscheiding van den zoogenaamden _Zwarten Panter_ of _Zwarten
+Luipaard_ (_Felis melas_) berust eenvoudig op een bij enkele individuen
+voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens
+Rosenberg, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele,
+in een en hetzelfde nest gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel
+als op de eilanden voor. Volgens Sanderson, leven zij uitsluitend
+in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter
+gekleurde verwanten. Zwarte Panters vindt men tegenwoordig in bijna
+alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar
+zwarte exemplaren, onderling parend, een nakomelingschap van gelijke
+kleur voortbrengen.
+
+Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een
+meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne levenswijze en
+uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den
+grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt toch deze onderscheiding
+door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden
+is. Voor hem vormen Panter en Luipaard één soort: _Felis Pardus,_ die
+door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen _Ngo_, in Perzië _Palang_,
+in Indië _Tsjita_, _Adnara_, _Honiga_, _Kerkal_ en door de Maleiers
+_Harimau-bintang_ genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop,
+de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van
+den staart, de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en
+dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken,
+de grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen
+af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook bruine (in
+alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte
+dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt, als het licht er op
+een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten
+van het verbreidingsgebied dezer soort gevonden. Ook albino's komen
+voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil
+in leeftijd, woonplaats en voeding.
+
+Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze
+woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven, of de
+beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter
+of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals wij zullen doen, aan
+de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard,
+aan de Aziatische den naam Panter kunnen toekennen. Alle stemmen zij
+met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit
+bij verschillende grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met
+klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot
+wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren,
+en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indië worden zij
+dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen
+zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel grondiger
+doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere
+uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk varieeren,
+is althans niet meer twijfelachtig.
+
+Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het
+omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azië. In het westen
+gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger,
+daarentegen blijven zij in 't oosten ver bij hem achter. Van Perzië
+aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azië en het daaraan
+grenzende Armenië aan den anderen kant verbreidt de Panter zich tot in
+den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij
+toch nog steeds een vaste bewoner van het zuiden van Daghestan. In
+de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de
+Zwarte Zee dringt hij, naar men zegt, nog verder noordwaarts door;
+tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn
+woongebied nog niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azië
+wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den
+Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In
+Indië ontbreekt hij, volgens Blanford, in Pandsjab en in gedeelten
+van Sinde; ook in Hoog-Azië komt hij niet voor.
+
+Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem
+zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men klagende,
+aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij
+in de wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren,
+dat volgens Pechuel-Loesche, ongeveer als "hoera-ak" klinkt; als
+zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men
+hetzelfde schor geschreeuw, maar dan scherper, als 't ware kuchend;
+dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke,
+ratelende geknor, dat een woedende Hond laat hooren.
+
+De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt
+men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het gevaarlijkste
+lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den
+kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid van lichaamsbouw,
+schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid,
+bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen betreft, staan zij en alle
+overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt
+alles in zich, wat de verschillende soorten van Katten ieder in het
+bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de
+geestesgaven van deze dieren komen bij hem op de volledigste wijze
+tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met
+dat van onze poes; het verbergt echter klauwen, die niet behoeven
+onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte;
+zijn gebit is naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn
+koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als
+behendig, even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen
+ontwikkeld Roofdier.
+
+Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van
+den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit moet
+vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna
+langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk voor het
+scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds
+na oppervlakkige kennismaking met de gewesten die het dier bewoont,
+ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen
+aanschouwing kent, vindt het zeer natuurlijk, dat tusschen de daar
+aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op
+geringen afstand, over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal
+in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen
+voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen
+bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet zijn. Van
+met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe
+niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij dikwijls in akkers en
+aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne
+houdt hij zich op in het gebergte, welks rijk begroeide hoogten hem
+niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit
+verschaffen.
+
+In weerwil van zijn niet bijzonder aanzienlijke grootte is de Luipaard
+een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en zelfs van den
+mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk
+ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger dan andere Roofdieren,
+verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te
+overrompelen. In het klimmen wordt hij door slechts weinige Katten
+overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in
+het struikgewas verscholen. Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in
+een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede
+stroomen te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij
+zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd is
+zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het
+dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat. Bij hem bemerkt
+men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in
+alle richtingen; de pooten worden zoo zachtjes neergezet, alsof zij
+het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk,
+afgerond en zacht, kortom een loopende of sluipende Luipaard levert
+aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts één andere,
+maar veel kleinere roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan.
+
+Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de
+schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen die wij
+stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig,
+wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig. Zelfs geeft
+men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan
+den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze naam spreekwoordelijk
+geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk
+geen andere Kat van de oude Wereld verdient meer dan hij om met
+het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te
+hebben. Hij moordt alle schepsels, onverschillig of zij groot of
+klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder
+weerstand te bieden. Antilopen, Jakhalzen en klein vee zullen wel
+zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de
+boomen, de Klipdassen te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel
+de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer
+zeker ook de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak;
+volgens Pechuel-Loesche's ervaringen verslindt hij echter ook de
+vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op
+de hielen; hij verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke
+wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid
+op hoogten, waar hij niet komt.
+
+Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij,
+naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen nacht zal
+hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den
+veehouder meer gevreesd dan andere roovers, die meestal met één dier
+tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen.
+
+Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een
+treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van het
+Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor
+den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat, deed ons
+besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden
+bleven beneden in het dal om op de muildieren te passen; wij klauterden
+langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en
+vuurden van hier uit op de omhoog gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog,
+waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter
+raak; de getroffene dieren stortten ter aarde of namen gewond de
+vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals
+getroffen was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer
+en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk
+hoopten te vinden.
+
+Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden
+later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke
+Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden,
+bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond; aller
+oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer;
+eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den rotswand naar
+beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu aangevallen
+zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het
+laden van de buksen. Toch bracht het geraas in de diepte teweeg,
+dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons
+voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen, de menschen roepen, en
+verstonden eindelijk de woorden: "Help! Help! Een Luipaard!" Bij de
+berghelling langs ziende, herkenden wij ook werkelijk het Roofdier,
+dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig
+hield met een voorwerp, dat wij niet duidelijk konden onderscheiden,
+wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk
+daarna vielen in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde
+met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden.
+
+Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd
+niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven ons daarom
+tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden,
+die in de meest verschillende houdingen allen de oogen op een naburig
+kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden
+zij. Voorzichtig ging ik naar het boschje, maar kon, hoe ik ook mijn
+best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden,
+zich vermannend, naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats
+wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij
+was dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens
+gedoode Hamadryas.
+
+Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij
+ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van het Roofdier
+gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal
+steeds vele malen door de naburige rotsen was teruggekaatst. De naar
+het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard,
+welke zich in 't geheel niet stoorde aan de menschen, die hij gezien
+en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren
+zooveel schrik inboezemen, en ondanks den helder lichten, zonnigen
+dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend
+ruiter, was hij op den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en
+was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer
+lieden. De kok had, "in doodsangst", naar hij bekende, de tweede
+buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven en
+gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen
+had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk zonder recht
+te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard
+den Aap met de klauwen van de beide voorpooten juist voor aan den
+bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten
+had hij getracht zich aan het zitvlak van het dier vast te klemmen,
+of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten
+slepen. Onbegrijpelijk was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik
+had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden
+toegebracht, kon hiervan de reden niet zijn.
+
+In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de
+Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen van de
+bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan
+het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn prooi te laten
+ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden,
+ofschoon deze zich duchtig te weer stellen. In vele gewesten van
+Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren
+stevige stallen van stijlen en planken te bouwen, opdat zij althans
+'s nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn.
+
+Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij
+aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als een razende
+op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de
+roover, zonder op de een of andere wijze getergd te zijn, den mensch
+aanvalt. In Abessinië komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor;
+zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen
+en gedood; nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt
+hij menigmaal menschenlevens in gevaar.
+
+Uit ambtelijke mededeelingen in Indië blijkt, dat in de 10 jaren
+1876-1886 ieder jaar 194 à 300, in 't geheel 2368 menschen door
+Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder
+jaar 3047 à 5466 stuks vee roofden. Er wordt hierbij (en ook bij de
+statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld,
+hoeveel van deze ongelukken door getergde en gewonde dieren veroorzaakt
+zijn. Sanderson zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen,
+dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch
+wordt hierover in verschillende deelen van Indië geklaagd. Blanford
+schrijft, dat zij "zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn,
+aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid,
+tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers
+met gelijke gewoonten."
+
+Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te
+maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat er minder
+kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water
+hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn en zich overal op
+een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten
+blijkt bovendien, dat zij moediger zijn, en op een behendiger wijze
+tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van
+den jager zeer. Een Panter, verhaalt Sanderson, wiens verblijfplaats
+door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte
+schutting op, wierp haar neder, viel een der daarbij staande wachters
+aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen,
+voordat iemand hulp kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout
+verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter
+hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels
+die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden om geduld
+te oefenen. Sanderson, vergezeld door een vast aaneengesloten troep
+van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven
+ruimte en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de
+Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter niet: hij
+sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel
+den derden man links van Sanderson op den grond en wondde hem met de
+klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op
+deze wijze; vóórdat een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij,
+rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet
+zijner aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op één dag had dit
+dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder een
+schram den dans ontsprongen.
+
+De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het
+door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen
+zich dikwijls verscheidene mannetjes op één plaats en strijden
+woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen,
+dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 à 5 jongen werpt,
+die blind ter wereld komen en op den 10en dag de oogen openen. Zij
+zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid
+als door hunne handelingen. Gelijk Katten spelen zij vroolijk met
+elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed
+verdedigt. Zij heeft voor haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt
+in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van
+dicht struikgewas; zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat
+hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten,
+en zijn, dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in
+staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard
+is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de
+grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit te voren,
+zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan.
+
+Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd
+een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter niet
+zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding
+bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door grijnzen of zijn
+tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te
+kennen, en als ik maar een duim naderbij kwam dan gewoonlijk, miste
+het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds
+op een oogenblik dat ik er het minst op bedacht was. Ik had hem,
+evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting
+laten leggen, en kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit
+zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij
+als razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten,
+blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder,
+die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er
+geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld hebben,
+als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een
+touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen, des te grooter
+zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het
+in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor den dag, zijn bloeddorst
+ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige
+dieren met dood en verderf. Met een door den schrik hun afgeperst,
+gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren
+omhoog, de Geiten blaatten van angst, de Struisvogels renden als
+dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland
+aan. Deze trachtte op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren
+en meermalen sloeg ons de schrik om 't hart bij het zien van zijne
+woeste pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn
+hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en 't was
+haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in 't geheel
+geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden, liet hij ons
+zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij
+op hem afgingen, maakte hij zich tot een sprong gereed. Wij moesten
+zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn
+eigendom niet was, moest ik hem ontzien. Ik waagde het niet eens,
+gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die
+bij andere dieren gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het
+niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier
+in zijn kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en
+maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede
+werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets
+baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het beste van
+alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten;
+daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende diensten. Toen hij
+een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de
+spuit doornat geworden was, zocht hij, zoo gauw hij kon, zijn kooi
+op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit
+alleen maar behoefde te toonen, om hem oogenblikkelijk te nopen,
+in zijn schuilhoek terug te keeren.
+
+Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde
+dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen
+kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azië veel talrijker dan
+thans. Caelius schreef aan Cicero, die toen landvoogd in Sicilië was:
+"Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal
+men de schuld op u werpen." Scaurus was de eerste, die, terwijl hij
+de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht;
+hij liet er 150 tegelijk vechten, Pompejus echter 410 en Augustus 420.
+
+
+
+Waarschijnlijk is de _Noordsche Luipaard_, _Sneeuwluipaard_ of _Irbis_
+(_Felis uncia_) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In
+grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is
+witachtig grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten
+(p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit
+van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken
+zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en ringvormig en
+breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen,
+die ieder een aan den rand lichten, in 't midden donkerden hof
+omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door
+gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter koudere gewesten bewoont
+dan de Luipaard. "Hij vervangt," volgens A. Walter, "den Panter in
+de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische
+gebergten, breidt zich door het zuidoosten van Boekharije, den Pamir,
+Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit." In den Himalaja
+voedt hij zich met Wilde Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels,
+rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan;
+dat hij ook menschen bespringt, is nooit gebleken.
+
+
+
+Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met
+de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. De
+_Gestippelde Kat_ of _Visschende Kat_ (_Felis viverrina_) komt,
+wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft
+een grijsachtige grondkleur met over 't geheele lichaam verspreide
+stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische
+schiereiland, waar zij aan de oevers van rivieren en moerassen Visschen
+vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook
+wel grootere Zoogdieren, zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in
+de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.
+
+Nog kleiner--niet grooter dan de Huiskat--is de _Koeëroek_ of
+_Dwergkat_ (_Felis minuta_), die over geheel Oost-Azië verbreid is en
+o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar
+behendigheid in 't klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het
+is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.
+
+Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den
+_Serval_ (_Felis serval_), den "Boschkat" van de Zuid-Afrikaansche
+Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in 't oog
+vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel
+met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels op de zijden. In
+Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika,
+komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel bestaat vooral uit
+Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is,
+wordt zij bij doelmatige behandeling zeer tam; de oude dieren zijn
+echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt,
+komt onder den naam van "Afrikaansche Tijgerkat" in den handel voor.
+
+
+
+Onder de _Katten der Nieuwe Wereld_, met welker beschrijving wij nu
+beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te
+vinden; ten onrechte werd toen deze rang toegekend aan de _éénkleurige
+Katten van Amerika_; want door haar in 't oog loopend kleinen kop
+zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen
+zij belangrijk van den "koning der dieren".
+
+De meest bekende soort van de genoemde groep is de _Koegoear_
+of _Poema_ (_Felis concolor_). Dit dier kan 1.85 M. lang worden
+(waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65
+cM. bedraagt. De dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een
+weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels
+donker geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig
+wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, aan
+de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde
+zwart, in 't midden naar rood zweemend. Boven en onder het oog staat
+een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide
+soorten van vlekken kunnen echter ook wel ontbreken. De kop is grijs,
+de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen
+verschil in kleur; de jongen echter zijn geheel anders. De kleur van
+de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk;
+die uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in
+Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig geel,
+of zelfs vaal bruinachtig grijs.
+
+De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij
+komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagonië tot Nieuw-Granada;
+hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van
+Panama--Mexico en de Vereenigde Staten--en strekt zijne rooftochten
+zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in
+andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds ten tijde van
+Azara, die in 't einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving
+van den Poema leverde.
+
+De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door
+de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft hij aan het
+woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij
+zich echter op in den zoom van het woud en in de met zeer hoog gras
+begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt
+om er te jagen; althans wanneer hij hier door menschen vervolgd wordt,
+vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die
+in 't geheel geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig
+bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te
+verbergen. Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls
+overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele
+van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde
+woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken of
+in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof
+uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een enkelen nacht
+verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen
+dicht bij de plaats, waar hij een prooi overmeesterd heeft.
+
+Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen
+zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen maken van 6
+M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op
+klaar lichten dag: evenwel schijnt hij niet veel hinder te hebben van
+het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn
+gehoor daarentegen uiterst scherp. Alleen in den grootsten nood toont
+hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden.
+
+Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis,
+Agoetis en Pakas, Reeën, Schapen, jonge Kalveren en Veulens,
+de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden
+zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn voor zijne
+aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den
+bodem. Rengger zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep
+van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker,
+en deed hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens
+echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw hooren
+en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen
+behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot tak, van den eenen
+boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat
+zij hun drek lieten vallen, gaven zij grooten schrik te kennen. Zij
+werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van
+den eenen boom op den anderen begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke
+behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde
+en verward samengebonden takken door, waagde het, er langs te gaan,
+totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn
+doel niet miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom.
+
+Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk
+den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig het uitvloeiende
+bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren
+verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het voorste, en bedekt het
+overschot, gelijk Azara zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij
+het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot
+een zeer schadelijken vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij
+een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar
+doodde. Grootere dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden,
+Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden,
+hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert.
+
+Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende,
+onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men alle
+mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord
+Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een boom gejaagd en dan
+van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande
+vallen. De jacht op dit dier biedt bijna geen gevaar aan. In het
+noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen,
+schoot Pechuel-Loesche met groven hagel een grooten Poema, die naast
+hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in
+acht neemt, heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, door pijn
+woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen.
+
+Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard
+van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger, die in de Pampas
+Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend
+over den grond op de Vogels af. Hij had om niet in 't oog te vallen
+het hoofd en het lichaam omhuld met een "poncho", den mantel dien men
+daar gewoonlijk draagt. Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en
+voelde bijna in 't zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het
+kleed van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing
+een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was echter ook
+niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd
+aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien schreden van zijn
+tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met
+groote sprongen de vlucht.
+
+Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden
+soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven
+vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig
+volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten
+rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan,
+likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld
+worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen
+zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak
+gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun
+ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.
+
+Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door
+een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken
+gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.
+
+Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij,
+als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en graag met hem
+speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens
+onverwachts op hem toe te springen; iets dergelijks doen tamme Leeuwen
+ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs
+van genegenheid in sommige gevallen kan zijn.
+
+Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in
+het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn vleesch,
+dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters
+in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.
+
+
+
+De naaste stamverwant van den Poema is de _Yagoearondi_ (_Felis
+yaguarundi_), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt
+lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop
+is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing
+dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder haar is aan
+den wortel donker zwartachtig grijs, in 't midden zwart en aan de
+spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een weinig lichter van kleur
+dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear;
+want de lichaamslengte bedraagt hoogstens 87 cM. (waarbij voor den
+staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.
+
+De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens
+O. Stoll komt hij misschien ook in 't zuiden van Guatemala voor,
+waar hij "Gato de monte" genoemd wordt.
+
+Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en
+ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden deelt hij
+zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte
+der Wilde Katten is: Rengger's Honden joegen eens zes volwassene
+Yagoearondi's op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit
+dier is niet gevaarlijk, daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet
+het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met
+Honden, waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.
+
+Rengger heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede
+Yagoearondi's in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de
+zachtmoedigste Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men
+hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.
+
+
+
+Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de _Jagoear_ of
+_Once_ (_Felis onza_), is de grootste en sterkste van alle _gevlekte_
+en _overlangs gestreepte Amerikaansche Katten_. Reeds in de eerste
+berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu
+nog heeft bijna iedere reiziger iets van hem te verhalen; uit deze
+mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid
+van den Jagoear sterk overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten
+te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den
+mond van het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met
+vele fabelen doormengd.
+
+De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en
+is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van den Luipaard
+of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp
+korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen Jagoear is, volgens
+Rengger, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel
+van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van den
+staart. A. von Humboldt maakt echter melding van sommige exemplaren,
+die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de
+Once ongeveer 80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De
+vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste
+deel van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige
+lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat
+de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de
+meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde van het
+oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de
+buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde der vier pooten,
+waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend,
+ten deele met kleine, zwarte vlekken, die cirkelvormig, langwerpig
+rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en
+ringen, die geelachtig rood zijn met zwarte randen en één of twee
+zwarte punten in 't midden. De volle vlekken bevinden zich vooral
+aan den kop, den hals, de onderzijde van het lichaam en de ledematen;
+daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter
+en onregelmatiger dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms
+aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter
+aan de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de
+voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks spits zwart
+is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken
+mondhoek een zwarte vlek te vinden en een dergelijke vlek (met een
+gele of witte stip in 't midden) aan de buitenzijde van het oor. Op
+den rug vloeien de vlekken ineen tot een regelmatige streep, die zich
+op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen
+zij min of meer evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger
+beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie
+vellen in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over
+'t algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij heeft
+ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders,
+daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met meer vlekken
+voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn
+niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel zulk een donkere grondkleur,
+dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende
+waarnemers verscheidene soorten onderscheiden, moeten de afwijkingen
+van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens,
+wat de hoofdkenmerken betreft, tamelijk bestendig zijn.
+
+De naam "Jagoear" is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier
+"Jaguarette" d. i. "lichaam van den hond" noemen. Bij de Spanjaarden
+heet hij "Tigre", bij de Portugeezen "Onça". Zijn verbreidingsgebied
+strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay over geheel Zuid-Amerika
+tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten
+van Noord-Amerika. Het talrijkst is hij in de gematigde gewesten van
+Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds
+vooruitdringende blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de
+met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken,
+den zoom van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het
+moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien. Op
+het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij
+zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de eene streek naar de
+andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder,
+in het dichtst van het woud of in het hooge gras, en brengt hier den
+dag door.
+
+In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en
+sterrenlicht, nooit echter op 't midden van den dag of in een zeer
+duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde
+Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot voedsel. Hij is in
+alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge
+schijnen, toch kan hij zich in geval van nood gemakkelijk en vlug
+bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon
+groot, en kan alleen met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken
+worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht
+is scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de
+overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd nog wel op
+eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze
+uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk kan worden.
+
+De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond Azara de stekels van
+een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens Rengger, overblijfselen
+van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren
+belaagt. Men heeft trouwens waargenomen, dat hij in het riet op
+watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water
+haalde. Reeds Pöppig bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet
+met vrede gelaten wordt. "De Jagoear," zegt A. von Humboldt, "de
+gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand,
+waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op het zand, en keert
+haar om, om haar gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad
+kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear
+veel meer van deze dieren omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan,
+maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid. Men
+kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet
+genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad wordt er mede
+geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de
+beenderen waren losgemaakt."
+
+"Het valt een geoefenden jager niet moeielijk," schrijft Rengger,
+"den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de
+rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar hij vooral de
+Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft
+hij staan, alsof hij luistert, en kijkt dan opmerkzaam in 't rond;
+nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid,
+met den neus op den grond het spoor van een dier gevolgd heeft. Als
+hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk
+veel geduld en omzichtigheid aan, om het te naderen. Als een slang
+kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige
+minuten lang stil, om de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt,
+te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats
+van een anderen kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden,
+te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen,
+springt hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar
+op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met den
+dood worstelende dier het bosch in."
+
+De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet
+onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels
+hebben veel van hem te lijden.
+
+De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in
+de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet te beklimmen,
+wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze,
+waarop hij zich Visschen weet te verschaffen. Rengger bericht hierover
+het volgende: "Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht
+terugkeerend, in mijn schuit naar huis voer, bemerkte mijn metgezel,
+een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden
+hem zooveel mogelijk en verborgen ons, om te zien, wat hij zou
+doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever,
+waar het water eenigszins sneller stroomde, de gewone verblijfplaats
+van een roofvisch, die hier te lande 'Dorado' heet. Onverpoosd tuurde
+hij in 't water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de
+diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling met
+den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land
+werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze als de Huiskat."
+
+Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk
+met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals van Paarden,
+Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het
+eene of andere stuk van 't lichaam een bepaalde voorkeur te toonen;
+de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch
+terug, verwijdert zich evenwel in den regel niet meer dan een kwartier
+gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of
+den volgenden morgen zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden
+male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter.
+
+Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens Rengger, niet van een gedood
+dier; bedorven vleesch raakt hij in 't geheel niet aan. Nooit doodt
+hij meer dan één stuk vee te gelijk, en vormt hierdoor een gunstige
+uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is.
+
+Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt
+vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig van
+uit de verte. Er is geen voorbeeld van bekend, dat een mensch in
+onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich
+in bewoonde gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden,
+verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen
+ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij
+zich 's nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen, die
+aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden
+geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk echter hebben
+deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die
+voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de Jagoear zich door het vuur
+niet laat afschrikken, is volkomen zeker.
+
+Het veelbesprokene "gebrul" van den Jagoear kan niet bijzonder
+indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit woord
+ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel
+zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van een ander dier, of
+van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een
+al te grootschen indruk kregen. De reizigers uit lateren tijd spreken
+niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in
+den regel stilzwijgend; hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens
+een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte geëvenredigd is.
+
+De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan
+vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad voedsel
+te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij
+de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt gedurende den
+nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te
+trekken, en wordt zelfs door zeer breede stroomen niet teruggehouden,
+daar hij uitmuntend zwemmen kan.
+
+"De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,"
+merkt Rengger op, "verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch
+begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde
+gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote
+overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden van een stad,
+die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in 't
+jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-Fé aan wal stapten, verhaalde
+men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen
+hij de vroegmis wilde lezen, onder de deur van de sacristie door een
+Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk,
+als zulk een Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf
+van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen
+brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De
+wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk,
+niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de
+klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp zijn, zal elke
+verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan."
+
+De Jagoear leeft, naar Rengger bericht, gedurende het grootste gedeelte
+van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter
+zoeken de beide geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks
+3 of 3 1/2 maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2,
+zelden 3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een
+ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden
+boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van
+hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger, wanneer
+het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor
+haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt het met woede,
+en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver.
+
+Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot
+gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen
+worden, daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met
+jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten
+ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren
+hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen blijdschap,
+als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden,
+ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger, verzuimen zij niet,
+ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het
+baat niet veel, of men hun de hoek- en snijtanden tot aan den wortel
+afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht
+stelt hen in staat ook zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij
+nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het
+moeielijk baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid
+zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid voor
+zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is
+daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar in gevangenschap
+te houden zonder hem op te sluiten.
+
+Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op
+alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika maken de
+Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif
+gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze van jagen is de
+volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel
+en wapent zich met een tweesnijdend mes of dolk van omstreeks twee
+voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear
+op. Tegen zulk een gering aantal Honden stelt deze zich dadelijk te
+weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien
+door woorden en gebaren. Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn
+vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan
+evenals onze Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden
+arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en
+stoot, terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de
+linkerzijde van het Roofdier.
+
+De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear
+eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, slepen
+hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden
+lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken wordt. Soms
+schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken
+worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst men bij een door
+den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de
+prooi aangrijpt.
+
+Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde
+en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken gebruikt. Het
+vleesch van een Once, dat door Von den Steinen gegeten werd, bleek
+taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten
+dier: "Het oncevleesch smaakt vet als gebraden varkensvleesch; bij de
+coteletten zou roode kool zeer goed passen." Sommige lichaamsdeelen
+van den Jagoear worden als geneesmiddelen gebruikt.
+
+
+
+Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de _Ocelot_ of _Pardelkat_
+(_Felis pardalis_). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40
+à 45 cM. voor den staart), de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.;
+het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los,
+maar staat, wat hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is
+naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en
+afgerond, de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits
+dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht en
+even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is
+bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde geelachtig
+wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen
+naar de ooren. Aan de bovenzijde van den kop komen geen stippels voor;
+de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep
+uitgaat; over den rug loopen verscheidene overlangsche strepen,
+meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van
+smalle, zwarte vlekken, waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de
+zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige
+strepen voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken,
+en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen zijn
+zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de
+pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart tot ringen
+worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.
+
+De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat
+het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke landen
+van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever
+op in de onbewoonde bosschen van het binnenland dan in de nabijheid
+van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open
+veld vindt men hem nooit, wel echter in boschrijke, rotsachtige en
+moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale
+voor. Naar het schijnt, heeft hij geen bepaald leger. Over dag slaapt
+hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar
+labyrint van bladen en struiken, soms ook in holle boomen; in de
+morgen- en avondschemering, vooral echter 's nachts gaat hij op roof
+uit; hij doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als
+bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam,
+omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en
+daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet de eigenaar
+zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen,
+richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen aan. In de vrije
+natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in
+den boom of op den grond in hunne nesten besluipt, bovendien uit
+allerlei kleine Zoogdieren, jonge Reeën, Zwijnen, Apen, Agoetis,
+Pakas, Ratten, Muizen enz.
+
+De Ocelot leeft bij paren in een bepaald gebied. De jager kan er zeker
+van zijn, dat hij, zoodra er één is opgejaagd, in de onmiddellijke
+nabijheid den anderen zal ontmoeten. Meer dan één paar treft men
+echter nimmer in hetzelfde bosch aan. Het mannetje en het wijfje
+gaan niet te zamen op roof uit, ieder jaagt voor zich; ook helpen
+zij elkander niet bij de jacht of bij vijandelijke aanvallen.
+
+Den mensch doet de Ocelot slechts weinig schade; hij vreest hem en
+de Honden te zeer, dan dat hij in de nabijheid van bevolkte gewesten
+zou komen. Alleen woningen, die dicht bij bosschen gelegen zijn,
+worden nu en dan door hem bezocht; doch ook dan neemt hij hoogstens
+een paar Hoenderen of een Bisam-eend weg, sleept ze in 't naburige
+kreupelhout en verslindt ze onmiddellijk. Als zijn eerste rooftocht
+gelukt is, komt hij gewoonlijk in de volgende nachten terug, tot hij
+gevangen of verjaagd wordt. Men jaagt hem in Paraguay met Honden of
+vangt hem in vallen. Hij is zeer schuw, ziet den jager 's nachts bij
+helder maanlicht eerder, dan deze hem opmerkt en vlucht dan spoedig.
+
+Ocelotten worden dikwijls jong gevangen en getemd. Als jonge Huiskatten
+stoeien zij met elkander, spelen met een stuk papier, een kleinen
+sinaasappel en dergelijke voorwerpen. Hun verzorger leeren zij
+spoedig kennen, springen hem achterna, likken hem de hand, leggen
+zich aan zijne voeten neder en klimmen bij hem op. Zij houden veel van
+liefkoozingen en beginnen oogenblikkelijk te spinnen, wanneer men ze
+vleit. Nooit toonen zij valschheid. Met de Honden en Katten, waarmede
+zij samenleven, houden zij zeer goed vrede; zij kunnen het echter niet
+laten, het gevogelte te vervolgen. Zonder zich aan vroegere straffen te
+storen, springen zij, zoodra de lust hiertoe haar bekruipt, op een Hoen
+toe, en laten zich op 't oogenblik van den roof door geen tuchtiging
+weerhouden het dier te vermoorden. Wegens hun onuitroeibare roofzucht
+houdt men ze gewoonlijk in een kooi of vastgebonden aan een touw.
+
+
+
+Zoo nauw verwant aan den Ocelot, dat men haar wel eens als een
+variëteit van dezen heeft beschouwd, is de in Brazilië en Guyana
+levende _Margoeay_ of _Tijgerkat_ (_Felis tigrina_). Deze is echter
+veel kleiner; daar zij slechts 80 cM. lang wordt (waarbij 30 cM. voor
+den staart), dus hoogstens zoo groot als onze Huiskat. De grondkleur
+van het fraaie, zachte vel is van boven en aan de zijden vaal geel
+en, evenals bij de meeste overige Katten, aan de onderzijde wit. De
+romp is met verscheidene overlangsche reeksen van donkere vlekken
+geteekend. Kleinere vlekken versieren de pooten en den buik, ringen
+den staart. Twee donkere strepen loopen over de wangen, twee andere
+over de kruin. De ooren zijn zwart met witte vlekken.
+
+Bijna in alle opzichten komt de levenswijze van deze Kat met die van
+den Ocelot overeen. Jong gevangen is zij zeer leerzaam, en wordt weldra
+zeer aan den mensch gehecht. Waterton had er in Guyana een, die hem
+als een Hond volgde. Voortdurend in strijd met de Ratten en Muizen,
+wist de Margoeay het huis van zijn meester in korten tijd grootendeels
+te bevrijden van de schadelijke Knaagdieren, die er de plaag van waren.
+
+
+
+Veelvuldiger dan de Margoeay schijnt de _Langstaartige Kat_ (_Felis
+macrura_) in de Braziliaansche wouden voor te komen. "Langstaartig" is
+zij in vergelijking met de _Tsjati_ (_Felis mitis_), een iets grootere,
+eveneens in de Braziliaansche oerwouden levende Kat. De eerstgenoemde
+komt ongeveer met een flinke Huiskat in grootte overeen (90 à 100
+cM. lang, waarvan 30 à 35 cM. op den staart komen; schouderhoogte 25
+à 30 cM.); maar staat veel hooger op de pooten. Kenmerkend voor deze
+soort zijn de kleine kop, de groote oogen, de lancetvormig afgeronde
+ooren en de sterk gekromde, witachtige klauwen. Haar grondkleur is
+roodachtig bruingrijs, aan de zijden lichter, van onderen wit. Het
+geheele lichaam is met grijsbruine of zwartbruine, op overlangsche
+reeksen geplaatste vlekken geteekend; sommige vlekken bevatten een
+lichteren hof.
+
+Door hare slanke gedaante en bontgekleurde huid is zij een der
+schoonste leden van de Kattenfamilie. Door de Brazilianen wordt
+zij _Gevlekte Wilde Kat_ genoemd en wegens haar vel dikwijls
+geschoten. Daar zij behendig en met groot gemak klimt, begeeft zij
+zich bijzonder graag langs de slingerplanten, die de boomstammen
+omstrengelen, op en af; zij doorzoekt de boomkronen en verslindt alle
+kleine dieren, die zij daar vindt. Behalve voor de op boomen nestelende
+Vogels is zij ook gevaarlijk voor wilde en tamme Hoenderen, die zij
+dikwijls in de nabijheid van de menschelijke woningen rooft. Als
+slaapplaats maakt zij gebruik van holle boomstammen, rotskloven of
+holen in den grond, waarin zij ook, evenals onze Wilde Katten, hare
+jongen ter wereld brengt.
+
+
+
+Van alle Katten is de _Pampaskat_ (_Felis pajeros_) het duidelijkst
+overlangs gestreept. Bij de overigens fraai zilvergrijs gekleurde
+vacht steken de meer of minder donker roestbruinroode strepen sterk
+af. Ieder haar is bij den wortel grijs, verderop lichtgeel, aan de
+spits zilvergrijs; de spitsen van de haren, die de strepen vormen, zijn
+echter licht roestkleurig geel. Op het midden van den rug zijn zwarte
+en donker roestkleurig roode haren dooreengemengd; aan den kop zijn
+zij van onderen vaalgrijs, in 't midden zwart en aan den top wit. Over
+de bijna effen vaalgele wangen loopt een smalle roestroode streep. De
+ooren zijn van buiten licht-, aan den rand donker-roestbruin, van
+binnen vaalwit. De staart heeft dezelfde kleur als de rug en is bij
+de spits voorzien met 4 à 6 donkerder ringen; de pooten vertoonen 6
+à 7 breede, regelmatige, roestroode strepen op geelachtigen grond;
+de onderzijde is onregelmatig, licht roestkleurig-rood gestreept
+op witachtig vaalgelen grond. Door deze teekening van de huid wordt
+de Pampaskat in weerwil van de dofheid der kleuren een der fraaiste
+soorten van de groep. Groote katers hebben een lengte van 120 à 130
+cM., waarvan 30 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt
+30 à 35 cM.
+
+De Pampaskat komt voor in de steppen van Zuid-Amerika, in Patagonië tot
+aan de straat van Magalhaes, vooral aan de oevers van den Rio Negro.
+
+
+
+Bijna alle natuuronderzoekers zijn van oordeel, dat de _Lossen_
+(_Lynx_) beschouwd moeten worden als een afzonderlijk geslacht. Zij
+onderscheiden zich van de overige Katten door de haarkwastjes op de
+ooren van den tamelijk grooten kop. De meeste soorten hebben bovendien
+sterk ontwikkelde bakkebaarden, een zijdelings samengedrukten, maar
+toch krachtigen romp, die op lange pooten rust, en een korten (bij
+de meeste soorten zelfs zeer korten) staart.
+
+In alle werelddeelen--met uitzondering van Australië, dat geheel van
+Katten verstoken is--komen Lossen voor, in Europa twee duidelijk
+te onderscheiden soorten. Zij bewonen bij voorkeur aaneengesloten
+bosschen, en hiervan de moeielijkst toegankelijke plaatsen; men
+vindt ze echter ook in steppen en woestijnen en zelfs in streken,
+die in cultuur gebracht zijn. Alle zonder uitzondering mogen als hoog
+ontwikkelde Katten aangemerkt worden; zij zijn roofgierig en kunnen
+veel schade doen door het dooden van wild en van huisdieren.
+
+De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is
+de _Gewone Los_ (_Lynx vulgaris_). Voordat ik de exemplaren, die in
+het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe
+groot de Los worden kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts
+exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los
+is minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten,
+dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond worden. Zijn
+lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3
+M. toenemen; de staart is 15 à 20 cM. lang; de hoogte in de schoften
+bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs,
+naar men mij in Noorwegen verzekerde, van 45 KG. bereiken. Dit dier
+heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw,
+stevige ledematen en forsche teenen, gewapend met scherpe, groote
+klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren;
+het blijkt dus reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer
+krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit;
+aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte,
+dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van 4 cM. lengte. Op
+de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange
+tastborstels. De dichte, zachte beharing verlengt zich in 't aangezicht
+tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten
+baard, die, in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den
+kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur
+der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals
+en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine
+vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten,
+het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van de oogspleet
+zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan
+de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna de geheele achterste helft
+van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van
+kleur. De voorste helft is geteekend met onduidelijke ringen, die
+aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De
+vacht is in den zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter
+min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke
+afwijkingen van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het
+schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder
+duidelijke vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig.
+
+Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel
+zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren
+gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder Pompejus werd een
+Los uit Gallië levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren
+in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt, niets bekend;
+allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In
+de godenleer van de oude Germanen speelde de Los ongeveer dezelfde
+rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan
+Freya gewijd en bestemd om haar wagen te trekken.
+
+Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote
+bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en fel vervolgd. In
+het einde van de 15e eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste,
+inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer
+dieren in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze
+voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen--aan het ook nu
+nog door den Los bewoonde gebied--grenst, was hij tot in het einde
+van de vorige en het begin van deze eeuw een aan alle jagers van
+beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het
+district Rottenschwangen buit gemaakt. In het Thuringer Woud werden
+tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw,
+voor zoover mij bekend is, slechts twee. De laatste Westfaalsche Los
+verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818
+de beide laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de
+Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn) vindt
+men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de
+Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld. Daar worden bijna
+ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in
+den laatsten tijd zoovele gedood, dat er van uitroeiing dezer dieren
+nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens Tschudi,
+niet vaker voor dan de Wilde Kat; vóór 30 jaar was hij echter ook
+hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het feit, dat er
+in Bünden alleen in één jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig
+is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon hij nog wel voorkomt in de
+hoog gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten,
+evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over het
+voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het
+oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen, dat hij reeds
+in Krain nog geregeld, in Karinthië nu en dan voorkomt.
+
+Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar
+'t Oosten een aanvang in de Karpathen en aan de Pruisisch-Russische
+grenzen; hier beginnend, strekt het zich naar het noorden en oosten
+over geheel Rusland uit; ook in Skandinavië is de Los nog vrij
+veelvuldig overal waar aaneengesloten bosschen voorkomen. Bovendien
+bewoont de Los het geheele oosten van Siberië, waar het land bergachtig
+en met bosschen bedekt is, en verbreidt zich zuidwaarts minstens tot
+in Toerkestan en tot in den Himalaja, waar hij tot in het bovenste
+gedeelte van het Indusdal aangetroffen wordt.
+
+Voorwaarden voor het duurzaam verblijf van dit roofdier zijn
+uitgestrekte, aaneengesloten bosschen, die rijk zijn aan dicht
+begroeide of om andere redenen moeielijk toegankelijke plaatsen en
+wild van allerlei soort bevatten. In dun bezette bosschen vertoont de
+Los zich slechts bij uitzondering, nl. in den winter om daar Hazen te
+zoeken, of ook wel, wanneer een algemeene ramp, bv. een boschbrand,
+hem tot verhuizingen noopt. In zulke omstandigheden kan het gebeuren,
+dat hij in de boomgaarden van de dorpen vlucht. In tegenstelling met
+den Wolf, houdt de Los zich soms langen tijd achtereen in hetzelfde
+gebied op, doorkruist het in alle richtingen, begeeft zich in één
+nacht mijlen ver, maakt daarbij niet zelden zonder eenigen schroom
+van gewone wegen gebruik, en keert na verscheidene dagen weer in
+dezelfde streek terug, om haar op nieuw te doorzoeken.
+
+Naar het schijnt, staat de Los wat de gaven van lichaam en geest
+betreft, bij geen enkele andere Kat achter. Hij loopt zeer lang
+achtereen, springt als het zijn moet, uitstekend, doet werkelijk
+verbazende sprongen, klimt vrij goed en zwemt, naar het schijnt, met
+gemak. Zonder twijfel staat onder zijne zinnen het gehoor bovenaan; het
+kwastje op zijne ooren kan dus als een rechtmatig onderscheidingsteeken
+aangemerkt worden. Waarschijnlijk is zijn gezicht eveneens uitmuntend,
+hoewel de waarnemers van onzen tijd geen feiten hebben opgemerkt, die
+een verklaring zouden kunnen geven van den oorsprong der oude sage,
+volgens welke de Los door muren en andere ondoorzichtige voorwerpen
+heen kan zien. Vroegere waarnemers vergelijken de stem van de Los
+met het gehuil van een Hond, maar beschrijven haar hierdoor zeer
+onjuist. Zijn geschreeuw is veeleer een brullende toon, die hoog en
+fijn begint, maar dof en zwaar eindigt; in klank gelijkt het op het
+gebrul van een Beer.
+
+De Los is, volgens Nolcken, een volkomen nachtelijk Roofdier, dat
+zich bij 't aanbreken van den dag verschuilt en dan, als het niet
+gestoord wordt, liggen blijft, totdat het weer duister is; hierdoor
+onderscheidt de Los zich zeer van den Wolf. Als ligplaats kiest hij
+een rotskloof of een dicht begroeide plaats, soms misschien ook wel
+een niet te klein hol, zelfs een woning van een Vos of een Das. Als
+hij zich verschuilen of slapen wil, loopt hij bij voorkeur langs den
+een of anderen weg tot in de nabijheid van de dicht begroeide plaats,
+die hij uitgekozen heeft, en begeeft zich dan met verscheidene groote
+sprongen er in. Altijd kiest hij hiervoor de dichtste plekjes, die
+hij vinden kan, jong naaldhout b.v., zonder zich er voor 't overige
+veel om te bekommeren, of er in de nabijheid menschen komen.
+
+Als de schemering begint, wordt hij wakker en geneigd om zich te
+bewegen. Gedurende den dag schijnt hij wel een steenen beeld, dat,
+zoodra de avond valt, leven en beweging krijgt; hij wacht steeds den
+nacht af om zich op de jacht te begeven en blijft dikwijls staan,
+evenals een Kat doet, die over een open plaats wil gaan, welke haar
+onveilig voorkomt. Zooveel mogelijk volgt hij daarbij steeds hetzelfde
+pad. Zijn spoor zou alleen door iemand zonder eenige ervaring op dit
+gebied met dat van een ander dier verward kunnen worden; wegens de
+onevenredig groote teenen is het zeer groot, grooter dan dat van een
+flinken Wolf; het is in 't oogloopend rond en, omdat de indruksels
+van de nagels ontbreken, van voren stomp: de stap is betrekkelijk
+kort. Het spoor vormt een soort van parelsnoer, dat door iedereen,
+die het eens gezien heeft, gemakkelijk weer herkend zal worden.
+
+De eigenaardige gedaante van den Los doet ieder zijner bewegingen
+vreemd en zelfs eenigszins plomp schijnen. Hij zet zijne pooten niet
+zoo zachtjes neer en loopt meer wijdbeens dan de overige Katten. Hoewel
+hij de bevalligheid zijner verwanten mist, staat hij in behendigheid
+niet bij hen achter; hij kan zeer goed klimmen, en, hoewel hij niet
+tot de uitstekende loopers behoort, overtreft hij zijne verwanten
+door de snelheid en volharding zijner bewegingen. Wat hij doen kan,
+ziet men in de versch gevallen sneeuw het duidelijkst vooral daar,
+waar hij een buit besprongen heeft.
+
+Voor den Los schijnt elk dier, dat hij op de een of andere wijze
+meent te kunnen overmeesteren, een welkome prooi te zijn. Te beginnen
+bij de kleinste Zoogdieren of Vogels is waarschijnlijk geen enkel
+warmbloedig dier, dat niet grooter is dan een Ree, een Woerhaan of een
+Trap, veilig voor hem; vermoedelijk zullen slechts bij uitzondering
+zeer flinke Lossen zich aan Edelherten, Elanden en Wilde Zwijnen
+wagen. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan groot wild boven klein;
+met het vangen van Muizen b.v. schijnt hij zich niet in te laten.
+
+In het Noorden waar het klein wild talrijk, het groot wild schaarsch
+is, veroorzaakt de Los betrekkelijk weinig schade. In de gematigde
+gewesten daarentegen maakt hij zich zoowel bij den jager als bij
+den herder gehaat, niet alleen omdat hij veel meer dieren doodt,
+dan hij voor zijn voeding noodig heeft, maar ook omdat hij van een
+prooi slechts het bloed oplekt en het lekkerste stukje eet, het
+overige echter liggen laat ten buit voor de Wolven of Vossen. Hier
+keert hij hoogst zelden tot het door hem gedoode dier terug; wel
+doet hij dit, in streken, die arm aan wild zijn, zooals Lijfland;
+zelfs zoo, dat hij gedurende eenigen tijd in de nabuurschap blijft
+en de jacht nagenoeg geheel schijnt te laten varen. Geheel anders
+gedraagt hij zich in streken, die rijk zijn aan wild en vee. In de
+Zwitsersche Alpen beloert hij, volgens Schinz, Dassen, Marmotten,
+Hazen, Konijnen en Muizen, sluipt de Reeën in het bosch, de Gemzen
+op de Alpen na, overvalt Woer-, Berk-, Hazel- en Sneeuwhoenderen en
+onderneemt rooftochten tegen de Schapen, Geiten en Kalveren. Volgens
+Bechstein doodde een Los in één nacht 35 Schapen, volgens Schinz
+moordde een dergelijk Roofdier in nog korter tijd er 30 à 40 stuks,
+volgens Tschudi bracht een Los in een rooftocht meer dan 100 Schapen
+en Geiten om 't leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even
+begeerig zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken.
+
+Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk tot de
+aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een
+zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst. Loewis
+verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het
+volgende: "Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn naam
+_Lucy_ goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden,
+die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los steeds
+zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan
+mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite had gekost, was hij
+zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar
+hem verboden) jacht op Hazen, Vogels of Schapen onmiddellijk staakte,
+zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan
+beschaamd op den grond liggen, en hoopte als een Hond op genade voor
+recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de
+bevrediging van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem
+te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste
+bij mij terug te doen komen.
+
+"_Lucy_ maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den
+herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme Haas voor
+ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in
+de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er dadelijk jacht op. Ondanks
+zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield
+hij steeds zooveel overleg om de verhouding tusschen zijn snelheid
+en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te
+schatten. Hij luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de
+mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij
+beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over _Lucy_ baas
+worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het
+ontgelden. Bij 't invallen van de duisternis, klom zij op het dak van
+het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra
+laat in den avond of in den nacht de wagen voor de overdekte
+ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen
+van het dak van het huis op dat van den trap overgegaan; riep ik nu
+zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar
+beneden glijden en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe,
+vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn
+hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn
+kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer, waar het op de
+sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg.
+
+"Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig
+zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons onder luid
+geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het
+huis, en koos een naburig berkenboschje tot verblijfplaats, zonder
+voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij
+nog naar zijn gewone standplaats bij den schoorsteen van het huis
+terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts
+terugkeerden, kende geen grenzen. Als een bliksemstraal schoot hij
+van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij,
+dan weer mijn broeder, bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van
+stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde
+'s avonds weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend
+schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die ons
+iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend,
+gapend of duchtig snorkend."
+
+Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of
+het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf aan
+iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt,
+met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden geregeld iederen
+winter Lossenjachten gehouden.
+
+Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische
+vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig met f 15 à f
+18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberië
+levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland en Skandinavië ongeveer
+9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberië komen uitsluitend in
+den Chineeschen handel, en worden door de volken aan den Mongoolschen
+grens zeer begeerd.
+
+Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend
+geroemd. Kobell bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814
+dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook,
+dat in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen
+duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het
+Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar
+ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht. Het is
+malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft
+geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit opzicht nog het meest
+met dat van den Woerhaan overeen.
+
+In het zuiden van Europa wordt de gewone Los door den _Pardel-los_
+(_Lynx pardinus_) vervangen. Deze is veel kleiner dan zijn in
+noordelijker gewesten wonende neef; want zijn lichaamslengte bedraagt
+hoogstens 1 M. Door de kortheid van de beharing, de betrekkelijk zeer
+groote bakkebaarden en de lange haarkwastjes aan de ooren, en ook
+door de zeer verschillende, meer samengestelde teekening onderscheidt
+hij zich.
+
+
+
+De genoemde Europeesche soorten zijn in Noord-Amerika vervangen door
+den _Pischoe_ of _Kanadeeschen Los_ (_Lynx borealis_). Hij is een
+weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam
+bereikt slechts zelden een lengte van 1.15 M. De beharing is korter
+en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is
+het deel van Noord-Amerika, dat ten noorden van de groote meren en
+ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke
+gewesten geheel op de wijze van onzen Los.
+
+De Kanadeesche Los is met den _Rooden Los_ (_Lynx rufus_), die eveneens
+Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel
+gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden vellen van deze Lossen komen
+ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur
+en kwaliteit gesorteerd en met verschillende namen aangeduid worden.
+
+
+
+Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de
+_Karakal_ (_Lynx caracal_ en _Caracal melanotis_), een echte woestijn-
+en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten
+in noordelijker gewesten, daar zijn lichaamslengte slechts 65 à 75
+cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart.
+
+Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij
+bewoont geheel Afrika, Voor-Azië en Indië, hij houdt zich zoowel in
+woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn
+levenswijze gelijkt op die zijner verwanten. Hij maakt jacht op
+alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook
+Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk verzekerd door de
+Arabieren, die dit dier _Khoet el Chala_ noemen. En hiermede staat
+dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azië
+(vooral in Indië) voor de jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt
+afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste
+lid van de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot
+dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt
+men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn
+hok toelaat.
+
+
+
+De _Moeras-Los_ (_Lynx Chaus_), die de moerassige en met bosch
+begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het
+meer van Arel, in Perzië, Syrië, Egypte, Nubië en Abessinië bewoont,
+is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn
+staart is echter langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn
+vacht is meer gevuld, over 't algemeen van geelachtige grijze of
+groen-geel-grijsachtige kleur, waarop onduidelijke donkere strepen
+zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan
+26 à 27 cM. op den staart komen.
+
+Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte
+is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt. In
+dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou
+kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik maken van
+andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en
+korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over dag als 's nachts rond
+om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten
+dicht bij de dorpen te komen; de groote tuinen in de nabijheid zijn,
+naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem.
+
+In de dierentuinen treft men ze zelden aan; die welke reeds oud zijn,
+als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge
+dieren daarentegen kunnen door liefdevolle verzorging zeer gehecht
+worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog Dümichen van een
+jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ruïne
+half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof: "De Los deed,
+toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet
+zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde dier het voedsel,
+dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam
+en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen was, scheen hij volkomen
+te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider,
+volgde mij op den voet, waar ik ook heenging, sprong bij mij op de
+Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubië
+door, en bleef, terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te
+kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond
+bestond een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten
+nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander."
+
+
+
+Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen
+de Katten en de Honden volgen, n.l. de _Jachtluipaarden_ of
+_Geparden_. Deze dragen hun geslachtsnaam (_Cynailurus_), die
+"Hondskat" beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half
+Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig de lange staart,
+hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten,
+die lang zijn en welker teenen slechts gedeeltelijk de eigenschappen
+van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De
+geheele toestel voor het intrekken en uitsteken der klauwen is nog
+aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en
+krachteloos, dat de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom,
+evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in
+de meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden
+zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt. Ook
+wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen;
+katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de hondenaard blijkt
+echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt.
+
+De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te
+maken, of het geslacht der Geparden meer dan één soort omvat. Eenige
+onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische
+Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren, andere onderscheiden,
+behalve de _Tschita_ of _Aziatische Gepard_ (_Cynailurus jubatus_) en
+de _Fahhad_ of _Afrikaansche Gepard_ (_C. guttatus_), nog de _Gevlekte
+Gepard_ (_C. Soemmeringii_) en de _Wollige Gepard_ (_C. laneus_). De
+Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de
+eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als een hondekop verlengd,
+dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft
+een ronde pupil; de beharing is vrij lang en ruig, vooral op den rug,
+de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan
+zwarte en bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn,
+ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten en
+zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de
+nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De lichaamslengte
+van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart
+hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76 à 84 cM. De Fahhad heeft
+bijna in 't geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna
+oranjegeel, de buik echter is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken
+een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart.
+
+De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azië gevonden, en, als men
+den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika, althans
+in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door
+kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud moet voorzien.
+
+Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en
+kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer knap
+weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen
+bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst gevonden;
+gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op
+lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig, dat voor een niet
+te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren
+is. Hij maakt echter ook van sluwheid en list gebruik om zijn prooi
+te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet,
+drukt hij den romp tegen den grond aan, en kruipt nu als een slang,
+zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame
+oogen van het wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle
+eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen,
+houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde
+den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren tot op den
+kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst
+geplaatste dier uit en stormt eindelijk met razende vaart op dezen
+buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door
+slagen met de klauwen tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens
+bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van
+een goed geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen
+op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen.
+
+De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard
+aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen,
+die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om
+partij te trekken van de talenten van dit dier. Door een eenvoudige
+dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van
+gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein, nagenoeg denzelfden
+dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indië is
+het jagen met den Jachtluipaard reeds sinds eeuwen in zwang. Joseph
+Barbaro zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst
+van Armenië. De shah van Perzië blijft aan deze oude gewoonte getrouw;
+de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt,
+zijn uit Arabië afkomstig. Ook door sommige Indische vorsten worden
+aanzienlijke sommen aan de jacht met deze "Kathonden" besteed. Aan
+ervaren personen is hun africhting opgedragen; geoefende jagers,
+die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere
+valkeniers, moeten de dieren gedurende de jacht vergezellen; goedkoop
+zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van
+de jacht aan een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de
+kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke,
+lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht
+met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen b.v.,
+te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een
+kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers. Men kan daarom
+met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden
+ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt de jager den Tschita den
+kap van 't hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte
+aansporingen opmerkzaam op het wild. Zoodra het uitmuntende jachtdier
+den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke
+jachtlust, en openbaren zich de list en geslepenheid die hem eigen
+zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort,
+verlaat hij den wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de
+dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen
+vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met
+eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den
+grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door,
+verzamelt het uitstroomende bloed in een houten nap, geeft dit den
+Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop.
+
+Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessiniërs gebruiken
+den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen, ofschoon
+in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. Geszner
+maakt melding van twee voor de jacht afgerichte "Luipaarden" bij
+den koning van Frankrijk. Leopold I, keizer van Duitschland, kreeg
+van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij
+dikwijls op de jacht ging.
+
+Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den
+natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig weet. Ik
+heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen
+trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze lieden, die het dier
+volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in
+strikken vangt, en, ondanks de wildheid, die het aanvankelijk aan
+den dag legt, binnen korten tijd temt.
+
+Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk
+zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet aan
+overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid
+van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze genegenheid te
+verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren
+zoo gemakkelijk getemd kan worden als hij. Goed vertrouwen is de
+grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden
+Gepard in 't geheel niet in, het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk
+te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met
+hem bezighoudt, kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan,
+hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke
+liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is,
+dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij n.l. wakker
+is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig
+zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang onbeweeglijk in één
+richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op
+zulke oogenblikken verwaardigt hij de Hoenderen, Duiven, Musschen,
+Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn
+gemoedelijke en droomige stemming wordt alleen door andere Roofdieren
+verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op;
+hij houdt onmiddellijk op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk
+eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms
+bewegingen, alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen.
+
+Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem
+in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield. Zoolang
+hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit
+werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij werd dan telkens
+zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven,
+wat hij doen zou, indien hij een weinig meer vrijheid van beweging
+had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 à 20 M. lengte,
+die ik mij losjes om de hand en den elleboog wikkelde, en ging zoo
+met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den
+weg. _Jack_, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte
+zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde van
+het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte
+had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen en kroop nu
+op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd
+en verwonderd het vreemde dier aankeken. Hoe nader hij bij de Honden
+kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als
+een slang gleed hij over den bodem. Eindelijk achtte hij den afstand
+klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de
+Honden toe, die wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp
+hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij
+sloeg zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig
+met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme Hond
+kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon
+jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat kwamen in beweging,
+en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde
+zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks mijn Gepard medenemen,
+zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te
+hebben, wat hij met de Honden doen wilde.
+
+
+
+Uit de onderzoekingen van Pollen en Schlegel is gebleken, dat een
+Roofdier, waaraan tot dusver den naam van _Buidelfret_ werd gegeven,
+en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen,
+nog tot de Katten gerekend, maar als een overgangsvorm tusschen deze
+familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de
+Madagassen _Fossa_ heet, en dat wij _Fretkat_ (_Cryptoprocta ferox_)
+zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van
+den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de tamelijk ver
+terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn
+langwerpige gedaante, zijne korte pooten, zijne korte, eivormige ooren,
+lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte
+van 1.5 M., waarvan 68 cM. op den staart komen, en staat zeer laag op
+de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit
+korte maar dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en
+aan de voeten als 't ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig
+gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar
+afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren dragen aan
+de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn
+deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig gele pupil,
+gelijkt op die van de Huiskat.
+
+Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier
+algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke wijze gevreesd
+wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den
+Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin het een belangrijke rol
+speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend.
+
+
+
+De leden van de familie der _Civetkatten_ of _Viverren_ (_Viverridae_)
+onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden
+romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen hals met een
+spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een
+(bijna zonder uitzondering) langen staart, die meestal over den grond
+sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot,
+meestal klein; de pooten hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die
+bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening
+bevinden zich 2 of meer "aarsklieren", die een eigenaardige, zelden
+welriekende vloeistof afscheiden. Vóór de aarsopening komen bij
+sommigen bovendien nog "civetklieren" voor, welker afscheidingsproduct
+zich in een eigenaardigen "klierzak" verzamelt.
+
+Over 't geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters,
+die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen. In andere
+opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan
+de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot het vermoeden, dat zij,
+meer dan hunne verwanten uit andere familiën, op de alleroudste
+Roofdieren gelijken. Van de Marters onderscheiden zij zich vooral
+door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft.
+
+De Viverren ontbreken in Australië geheel; zij bewonen de zuidelijke
+landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azië. In Europa
+komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de
+landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en waarvan één alleen in
+Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de
+familie der Viverren zich door een grooten vormenrijkdom, hoewel zij
+een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren
+zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen droge,
+onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten
+of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten van Afrika en van
+het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten,
+vooral aan de oevers van rivieren of aan dichte rietbosschen, boven
+alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van
+de nederzettingen der menschen, andere blijven schuw in de duisternis
+der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere
+zich alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge
+boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen in
+bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne
+woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag, waarop zij
+hunne krachten sparen.
+
+De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren,
+die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht bezighouden,
+zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in
+hunne schuilhoeken terugtrekken.
+
+Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen
+noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid met de flinkste
+Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers,
+terwijl andere bij 't gaan de geheele zool op den grond laten rusten;
+enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen
+zijn zeer scherp, vooral de drie edelste: het gezicht, het gehoor en
+de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk;
+slechts in de eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die
+tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate
+roofzuchtig en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen
+te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren,
+Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun
+voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht op Reptiliën,
+Amphibiën, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed,
+die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste Slangen toonen,
+werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen
+leerden kennen; van enkele soorten worden naar aanleiding van dezen
+strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn,
+zwerven zij onverpoosd door hun jachtgebied, bespieden en onderzoeken
+elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel
+als het dicht begroeide bosch, de rietbosschen zoowel als de met
+steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi
+kunnen verwachten. Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot
+een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven
+zij liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts
+weinige een vaste slaapplaats hebben.--Van sommige soorten hoort men
+een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit;
+in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op te merken.
+
+Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten
+verbreiden. Deze is te danken aan het "civet"--een olieachtige of
+vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren
+afgescheiden en in een zak vóór de aarsopening opgehoopt wordt.
+
+Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren
+het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt
+het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar
+kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de zorg voor
+de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk
+getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als goedaardig, als
+de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de
+gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige landen houdt men van
+sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het
+kostbare afscheidingsproduct der civetklieren gemakkelijker te kunnen
+verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor
+de jacht op schadelijk gedierte gebruikt.
+
+Over 't geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen,
+waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten. In
+de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen
+den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang in, dat de Viverren
+hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals
+o.a. blijkt uit het voor heilig houden van een der Viverren door de
+Egyptenaars der oudheid.
+
+
+
+De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der
+_Civetkatten_ (in engeren zin) (_Viverra_) en dat der _Mangoesten_
+(_Herpestes_), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze
+vooruitstekende nagels.
+
+De _Civetkatten_ (in engeren zin) hebben een langwerpig lichaam met
+slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk
+hoog op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn
+teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half
+terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn:
+de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige pupil,
+de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het
+zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, vóór de aarsopening gelegen
+klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren
+afgescheiden wordt.
+
+
+
+De _Afrikaansche Civetkat_ (_Viverra civetta_) heeft ongeveer de
+grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van
+een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen betreft, ongeveer het midden
+tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk
+spits toeloopenden snuit, kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste
+oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal,
+krachtig gebouwd in vergelijking met de meeste andere leden van de
+familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus
+middelmatig; de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange
+beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op
+het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze "manen"
+zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de fraaie,
+aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich
+duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine vlekken, welker
+grootte en rangschikking bij verschillende individuën zeer ongelijk kan
+zijn; op de zijden vormen zij duidelijk dwarse strepen. De manen zijn
+zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde,
+en de zwarte vlekken zijn hier duidelijker begrensd. De staart, die
+aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7
+zwarte ringen en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange
+vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek,
+bevindt zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70
+cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de schouders
+bedraagt 30 cM.
+
+De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten
+van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook in het oosten
+van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste
+soorten der familie, is zij meer nachtdier dan dagdier. Den dag brengt
+zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine
+Zoogdieren en Vogels, die zij bemachtigen kan, sluipend te naderen
+of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn,
+en dat zij zeer ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij
+zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibiën,
+ja zelfs vruchten en wortels.
+
+Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht
+zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen; hiertoe wordt
+het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi;
+met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en de klieren, welker
+afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden,
+uitgedrukt. In den regel geschiedt dit twee maal per week; de opgaven
+omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer
+uiteen. In verschen toestand is het civet een witte schuimachtige stof,
+die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste
+soort is, naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel
+van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet ook
+nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig
+is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd, daar de muscus
+meer en meer boven het civet wordt verkozen.
+
+Alpinus zag in Kaïro bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren
+kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te
+maken, dat zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en
+goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze
+dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In
+vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome, Mantua, Venetië,
+Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland
+met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap gehouden. Jong
+gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter,
+dan exemplaren die op lateren leeftijd buit gemaakt zijn en worden
+weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk,
+die deze dieren verbreiden, is voor menschen met zwakke zenuwen
+bijna onverdraaglijk.
+
+
+
+Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van
+de _echte_ of _Aziatische Civetkat_ (_Viverra zibetha_), die in
+Indië _Bagdos_, _Bhran_ of _Khatas_ wordt genoemd, en lang voor een
+verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt
+van deze echter niet alleen door de kleur en de vlekkenteekening,
+maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser,
+haar romp schraler, hare ooren zijn langer, en van manen is bij
+haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel,
+waarbij een groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode
+vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze
+vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij
+zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft zonder den
+56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van
+38 cM.; het weegt 8 à 12 KG.
+
+De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar _Tinggalong_
+noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens Blanford: Bengalen,
+Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den
+regel leeft dit dier eenzaam en zwerft 's nachts rond, niet zelden
+strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen
+uit, en rooft dan vooral Hoenderen en Eenden. Voor het overige voedt
+het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met
+Insecten, Vorschen, Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels,
+die het overmeesteren kan.
+
+
+
+In den laatsten tijd komt een Civetkat, die _Rasse_ (_Viverra
+malaccensis_) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is
+aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart;
+haar lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks
+50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk groote
+ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en
+zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de staart is met
+verscheidene ringen geteekend.
+
+De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het
+westen van Radschpoetana, geheel Indië van den voet van den Himalaja
+tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische
+Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook andere eilanden van
+Zuidoost-Azië. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens
+het civet, waarvan door de Maleiers een veelvuldig gebruik wordt
+gemaakt. Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere
+geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op
+deze wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen
+onverdraaglijken geur.
+
+
+
+Het ondergeslacht der _Genetkatten_ (_Genetta_) is gekenmerkt door
+den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op
+de zolen, de terugtrekbare klauwen aan de vijf teenen der voor- en
+achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een
+ondiepe klierzak bevindt zich vóór de aarsopening.
+
+De meest bekende soort is de _Genetkat_ (_Viverra genetta_), de eenige
+in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige
+Europeesche vertegenwoordigers van de familie der Viverren. In vele
+opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat
+de kleur betreft. Haar lichaam is, zonder den 40 cM. langen staart, 50
+cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 à 17 cM. Het lichaam
+staat zeer laag op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine,
+van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede,
+in een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat,
+over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig, naar muscus
+riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte,
+dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend lichtgrijs met
+donkere vlekken.
+
+Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat
+een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer moord- en
+roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa
+voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste bewoner van de
+voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden
+ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch- en boomlooze als in boschrijke
+gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in
+de nabijheid van bronnen en beken, boschrijke gewesten, berghellingen,
+die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij
+de voorkeur. Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager
+opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur
+met die der omgeving te kort in 't gezicht behoudt, om haar te kunnen
+treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid van een
+Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen
+zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig. Ik ken geen enkel
+Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid
+van den Marter paart. De volmaaktheid van hare bewegingen is werkelijk
+bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de
+Loango-expeditie van Güszfeldt, schreef Pechuel-Loesche: "Civetkatten
+en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten
+zijn zeer onaardige dieren, die men nooit recht vertrouwen kan, en
+welker reuk bovendien onverdraaglijk is; de Genetten echter worden
+zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op
+klaarlichten dag als Honden na, en verschaffen op allerlei wijzen
+zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier
+van deze soort, die zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar
+het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt
+in groote menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke
+kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls
+op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en
+wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar schuifelde het,
+terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar
+den ander, liet zich een oogenblikje streelen en plagen, en verdween
+weldra zooals het gekomen was."--In Noord-Amerika wordt dit dier,
+evenals onze Kat, voor het bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in
+de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers
+zeer gezocht.
+
+
+
+Het naast aan de Civetkatten komen de _Palmrollers_ of _Rolmarters_
+(_Paradoxurus_). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte
+van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart,
+die tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij
+verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid
+valt echter niet bijzonder in 't oog. De vijf teenen van voor-
+en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere mate
+terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van
+de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen.
+
+Alle soorten bewonen Zuid-Azië en de naburige eilanden, gaan eerst
+na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug en behendig
+genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te naderen;
+zij voeden zich echter ook met vruchten.
+
+
+
+De _Indische Palmroller_ (_Paradoxurus niger_) gelijkt door zijn
+gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij
+is ongeveer zoo groot als onze Huiskat: het lichaam is 45 à 55 cM.,
+de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De
+romp is langwerpig, maar dikker dan bij de Genetkatten; de pooten
+zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als
+naar boven ineengerold worden. De ooren zijn middelmatig groot;
+de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote,
+buitengemeen beweeglijke pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd
+kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar
+grondkleur wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere
+streepen en reeksen van vlekken geteekend.
+
+De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met
+uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van
+Voor-Indië, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich
+daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel in de
+wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich
+niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals alle leden der familie
+maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren
+en de jongen in het nest op, voedt zich ook wel met Hagedissen,
+Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de
+ananas-kweekerijen richt hij soms groote schade aan; in de koffietuinen
+is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber
+van palmwijn. Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok.
+
+
+
+De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische
+Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den
+_Maleischen Palmroller_, _Musang_ of _Koffie-rat_ (_Paradoxurus
+hermaphroditus_). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart
+is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook
+bij hem veel variatie.
+
+Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van
+zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft Junghuhn een
+verslag gegeven: "Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden,
+meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen, als volwassenen en
+kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken
+en met gevulde korven zich naar de lager gelegene drogerijen begeven,
+ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend
+door de koffietuinen loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes
+liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen
+gave koffieboonen bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal
+van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden
+reuk staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt
+hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt hij dan ook
+het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige
+gedeelte van den vruchtwand, en werpt de koffieboonen onverteerd weer
+uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie,
+waarschijnlijk omdat het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve
+met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele
+Wilde Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels,
+en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn
+dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo
+gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij kan laten
+rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel
+voorziet en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten
+zich door hem opnemen en streelen."
+
+
+
+Een in China en op Formosa levende soort is de _Larfroller_
+(_Paradoxurus larvatus_). In grootte stemt hij ongeveer overeen met
+zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop
+grootendeels zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs,
+aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige
+streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over
+het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep is boven de
+oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits
+en de voeten zijn zwart.
+
+
+
+Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste
+plaats genoemd worden de _Mangoesten_ of _Ichneumons_, die sedert
+overouden tijd beroemd zijn.
+
+De _Mangoesten_ (_Herpestes_) onderscheiden zich door de volgende
+kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en
+rolvormig, de kop klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit
+toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of
+langwerpig rond, het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt,
+van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig,
+de staart kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat
+uit 40 voor 't meerendeel krachtige tanden.
+
+
+
+Het is billijk, dat wij aan den _Ichneumon_, de "_Pharao-rat_",
+het heilige dier der oude Egyptenaars (_Herpestes ichneumon_)
+den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de
+oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger
+genoot. Reeds Herodotus verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad
+op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. Strabo bericht,
+dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder
+eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen, maar dan ook zelfs
+over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt
+zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift een zwak mensch aan,
+die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. Aelianus
+daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar
+listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk te wentelen en de
+slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen,
+dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut, terwijl het den snuit tegen
+beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede
+echter nog niet voldaan, maar dicht aan den moedigen strijder voor het
+algemeen belang nog andere daden toe, die ons door Plinius medegedeeld
+worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig
+op een zandbank liggen en spert dan den vreeselijk getanden muil
+ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te
+naderen. Slechts aan een kleinen Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de
+stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten,
+van daar weg te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid
+van het monster, behalve de bedoelde Vogel en--de Ichneumon. Deze
+nadert stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek,
+bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van
+het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant zich nu, met bloed
+bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het
+monster naar buiten. Ook spoort de overal rondsluipende Ichneumon
+de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren
+verborgen heeft; het graaft en woelt den grond op, totdat het de
+diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de
+waakzaamheid van de moeder, het geheele nest leeg en wordt hierdoor
+tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet
+te betwijfelen, dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben,
+en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven
+genoemde schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige
+onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen
+over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten
+tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten van
+dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al
+eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut van den Ichneumon
+in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als
+afgedaan kunnen beschouwen, indien niet vele menschen al te hardnekkig
+bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn.
+
+De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat,
+want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45 cM. langen
+staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter
+korter dan hij is. Slechts zelden vindt men volwassene mannetjes, die
+in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals
+bij alle Civetkatten, maar op lange na niet zoo sierlijk als bij de
+Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer
+familie zelfs zeer krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen
+onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door
+korte spanvliezen vereenigd. De lange staart schijnt door de lange
+beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij
+onmerkbaar in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen
+kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine,
+vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor
+den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht is zeer
+eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van
+roestgeelachtige kleur, die echter overal door de 6 à 7 cM. lange
+bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd
+en loopen in een vaalgele spits uit. Hierdoor verkrijgt het geheele
+haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de
+verblijfplaatsen van het dier. Aan den kop en op den rug wordt de
+kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en
+de staartkwast zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor.
+
+De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een
+groot deel van Voor-Azië (Palestina b.v.) verbreid, maar komt ook in
+Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit
+werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij waarschijnlijk door den
+mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar
+eigenlijke woonplaatsen in Egypte zijn de dicht begroeide oevers van
+de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier
+houdt het dier zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle,
+maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar niet
+zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente-
+of eerste zomermaanden 2 à 4 jongen ter wereld, die zeer lang gezoogd
+en nog veel langer door beide ouders opgepast worden.
+
+Den naam Ichneumon, die "opspoorder" beteekent, verdient dit dier in
+ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt de "opspoorder"
+op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename
+reuk hem eigen is en waarmede hij de listigheid, de behendigheid in
+'t stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate
+vreesachtig, voorzichtig en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in
+'t open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de
+grootste voorzichtigheid voort, toch strekt hij zijne zwerftochten
+vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met
+zijn list overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn
+dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en de
+Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen
+enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen heeft hij
+zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op
+den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken en duiventillen op
+de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt
+voor de hoendernesten, die daar geheel op de wijze van de Vogels,
+die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet
+hij zoo goed als in 't geheel niet; tenzij men hem de verdelging van
+Slangen zeer hoog wil aanrekenen.
+
+Zijn gang is hoogst eigenaardig: 't is, alsof het dier over den grond
+voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de korte pooten door
+de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter
+nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden ziet men hem zelden alleen,
+maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan,
+het wijfje volgt, en na de moeder komen de jongen. Ieder lid van de
+familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen
+schijn van dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen
+vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange
+slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij
+richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift als een hijgend
+dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor
+vrees bestaat, gaan alle in optocht verder; als hij een buit bemerkt,
+kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om
+naderbij te komen en plotseling ziet men hem 1 of 2 sprongen maken,
+zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij
+zonder beweging te maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met
+grappige bedachtzaamheid na.
+
+Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet
+althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door den reuk
+laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren
+en Vogels zuigt hij in den regel alleen het bloed uit, en vreet de
+hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan.
+
+Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten
+wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding. De
+Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij
+schel, eentonig gefluit laat hooren.
+
+De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste
+mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een dorp te gaan,
+en daar te berichten, dat men de _Nims_--zoo heet dit dier bij de
+Arabieren--wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om
+den gehaten schurk en gauwdief te helpen dooden. Men gaat op weg naar
+een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats en
+laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer
+goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers geraas
+beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit
+baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren verdrijven hem
+met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij
+zich genoodzaakt tot een ander rietveld zijn toevlucht te nemen. Met
+groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert
+en snuffelt van tijd tot tijd, maar hoort de vervolgers al nader en
+nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek,
+waar hij zich niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon
+in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet te
+verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel
+en op korten afstand schieten, als men hem dooden wil; want wegens
+de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht
+schot, en ontsnapt stellig nog, indien hij niet dadelijk gedood wordt.
+
+Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich
+gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun meester
+herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust,
+verschuiven alles in het huis en worden door het omwerpen van allerlei
+zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer
+verdienstelijk. Een huis, waarin men een Ichneumon houdt, is in den
+kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want
+het Roofdier houdt zich onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren
+bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en
+toont door zijn grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet
+te verdedigen.
+
+
+
+Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste
+komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met de
+bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen
+achten, indien nog niet eenige andere soorten waard waren besproken
+te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en
+deze in Indië vervangt, is de _Mungo_, de _Mungoose_ der Engelschen
+(_Herpestes mungo_). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon;
+zijn lichaamslengte bedraagt 40 à 50 cM., de lengte van den staart
+is iets geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits
+breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een
+lichtgrijze kleur ontstaan.
+
+Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Vóór-Indië,
+oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot Afghanistan
+en Beloetsjistan, bovendien ook Ceylon.
+
+De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met
+bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen bedekte
+hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich
+bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden groote schade
+aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den
+grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt, naar 't schijnt, ook van
+sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij
+loopt van rots tot rots, van steen tot steen, van 't eene hol naar
+'t andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht
+iets eetbaars ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een
+of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt,
+brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier
+mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft
+
+Beroemd en geëerd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met
+de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan hij zelfs de
+Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De
+inboorlingen beweren, dat hij, na door een vergiftige Slang gebeten
+te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den
+naam "Mangus wail" bekend is, uitgraaft, door het gebruik van dit
+geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den
+strijd met de Slang kan voortzetten. Zelfs nauwgezette onderzoekers
+verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans,
+dat de gebeten en afgematte Mungo van de strijdplaats wegloopt, om
+wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. Blanford
+noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo
+over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar zijn, waarom
+andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende
+soorten van Slangenarenden enz., zonder een dergelijk middel de
+Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het
+bewustzijn van de onwerkzaamheid van het gif hem zou nopen bij zijn
+aanval zonder eenigen schroom te handelen, terwijl men integendeel,
+behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en
+behendigheid moet bewonderen, waardoor hij de vooruitschietende
+bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list,
+die hij bij den aanval ten toon spreidt. Bovendien maken zijne stijve
+haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid
+het voor de Slang veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer
+haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander
+dier, hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer
+optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren.
+
+In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd;
+sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging van de
+Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen,
+die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat wordt.
+
+Van alle Mangoesten is de Mungo--die aan het geheele geslacht den naam
+heeft verschaft--het meest geschikt om getemd te worden, omdat hij een
+bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is.
+
+Sterndale bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indië zijn
+vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje
+was. "_Pips_" wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde
+schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra
+de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer
+zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen op een
+hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig,
+ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond te lijf, en bracht
+in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal
+zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel zulke wonden toe, dat hij
+stierf. _Pips_ doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond
+zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot
+was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn
+meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk tot
+bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland,
+en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij kon een groot aantal
+kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op
+den kop op een stoel zitten, soldaatje spelen en exerceeren. _Pips_
+stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn
+meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te gebruiken.
+
+
+
+Behalve de Ichneumon verdient de _Melon_ of _Meloncillo_ (_Herpestes
+Widdringtonii_) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche
+vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan
+de Spaansche jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in
+handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn
+staartharen voor 't maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn
+en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om
+deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het
+overige weg.
+
+Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinciën
+Estremadura en Andalusië, geheel op de wijze van den Ichneumon. Hij
+bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een
+borstelgras, begroeide vlakten, komt echter volstrekt niet in het
+gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M.,
+waarvan de staart ongeveer 50 cM. in beslag neemt. De over 't geheel
+korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt
+bijna geheel aan het voorste deel van den hals en aan het onderlijf,
+welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter
+gesprenkeld.
+
+
+
+Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de
+_Zebra-Mangoeste_, de _Sakie_ der inboorlingen (_Herpestes
+fasciatus_.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele
+geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte
+van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individuën van
+deze soort gezien.
+
+Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van
+de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessinië en tot aan de overzijde,
+in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor.
+
+De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar
+bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren,
+Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan,
+uit eieren en stellig ook uit vruchten.
+
+In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen,
+zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden. Zij heeft hier
+een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug
+te keeren. Haar grappig voorkomen maakt haar tot ieders lieveling;
+naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan
+huis en hof dan aan de menschen, hoewel zij niet zelden voor sommige
+personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot
+klimt, en zich door hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij
+haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt
+zij open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog
+vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche
+richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij 't
+spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen
+op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde
+buiten haar bereik te houden. Pechuel-Loesche vond een dikke glazen
+flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was,
+in gruis tegen een blikken kist liggen, en E. Teusz verhaalde hem,
+dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer
+reeds meermalen flink tegen kasten en muren had geworpen, voordat
+men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef.
+
+
+
+Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de
+_Krabben-Mangoeste_ of _Urva_ (_Herpestes urva_), daar zij een overgang
+schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De
+gedaante en het gebit van de Urva verschillen niet belangrijk
+van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar
+gestalte echter aan die van den Veelvraat. De snuit is langwerpig
+en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben
+groote spanvliezen en de aarsklieren zijn in 't oog loopend sterk
+ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de
+Urva op de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw
+met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn
+gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls
+donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een witte,
+bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan
+den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige dwarsbanden. In
+grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar
+geslacht overtroffen; volwassen mannetjes worden 80 à 90 cM. lang,
+waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen.
+
+Hodgson ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens
+haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich
+vooral met Vorschen en Krabben voedt.
+
+
+
+Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker
+voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet gelegen
+is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en
+de zolen gedeeltelijk behaard zijn.
+
+De _Vos-Mangoeste_ of het _Honds-fret_ (_Cynictis penicillata_)
+bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte
+van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De tamelijk
+gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de
+ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs doormengd
+en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de
+oogen en op de lippen.
+
+Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap
+de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich met Muizen,
+Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig;
+er wordt echter weinig of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft
+nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven.
+
+
+
+De _Surikate_ (_Suricata_ of _Rhyzaena tetradactyla_), tot dusver de
+eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer
+Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De kop met den langen puntigen
+snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig
+dun behaarde staart en het gebit onderscheiden de Surikate van de
+haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten
+onrechte door de Duitschers "Scharrthier" (Graafdier) wordt genoemd,
+het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen;
+vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan
+bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate vrij
+gemakkelijk diepe gangen graven.
+
+Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden
+tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 à 60 cM. lang, de
+helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk
+ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur met geelachtige
+weerschijn; 8 à 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel
+van den rug bij de grondkleur af.
+
+
+
+Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der _Marters_
+(_Mustelidae_). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren
+toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en
+het maaksel van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige
+andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig
+groote of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp,
+die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben. In
+de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de
+meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende stof af,
+zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste
+stinkers van de geheele orde behooren tot de Marters. Het lichaam is
+gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen
+zijn van dieren uit deze groep afkomstig.
+
+De Marters verschenen in 't tertiaire tijdvak voor 't eerst op
+'t wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen (met
+uitzondering van Australië), alle klimaten en hoogtegordels, de
+vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen zijn wouden
+of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen
+en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren, andere bewonen
+het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in
+'t zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten en holen in den grond of
+gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester
+van holen in boomen of ook wel van de nesten van den Eekhoorn en van
+vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van
+bijna alle schuilplaatsen partij weten te trekken: van de door de
+natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de
+donkere hoeken in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene,
+uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden,
+die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste woonplaats;
+vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe
+dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten bewonen, vervallen
+in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam.
+
+Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in
+alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren. Bij 't gaan zetten
+zij de geheele zool op den grond, bij 't zwemmen gebruiken zij hunne
+pooten en den staart, bij 't klimmen weten zij zich, ondanks hunne
+stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te
+houden. Onder de zinnen van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en
+het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan,
+maar ook de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt
+worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn hunne
+geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen
+trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig, wantrouwend en
+behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne
+jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige houden van gezelligheid,
+andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij
+dag als bij nacht werkzaam; de meeste echter moeten als nachtdieren
+beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle
+uitsluitend na zonsondergang op roof uit. Hun voedsel bestaat bij
+voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren,
+Kruipende Dieren en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften
+en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen;
+andere voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het
+plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In 't oog
+loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden,
+indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer dieren dan zij voor
+hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk
+bedwelmd door het bloed, dat zij hunne slachtoffers uitzuigen.
+
+De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet,
+van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang gezoogd
+en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze
+met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept ze, zoodra ze zich niet
+veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat
+een zorgvuldige opvoeding ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er
+toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem
+te jagen en te visschen. De nakomelingen van één soort leven zelfs
+sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch
+voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt.
+
+Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch
+een niet onbelangrijke schade; over 't geheel genomen overtreft
+echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen,
+in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het dooden van
+schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten,
+en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij inbreuk maken op ons
+eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel
+de schade, die hij lijdt, slechts aan zijn nalatigheid te wijten heeft.
+
+Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood
+worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de opbrengst van
+den pelterijhandel. Volgens Lomer komen ieder jaar omstreeks 3 millioen
+vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer
+dan 12 millioen gulden, in de handen van Europeanen en op de markt;
+hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers
+zelf gebruikt worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen
+leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren,
+waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang
+innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel een
+middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten
+zijn door de pelsjagers bekend geworden.
+
+
+
+Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze met het geslacht
+der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten,
+welker leden, evenals de Eigenlijke Marters, teengangers zijn. Zij
+vormen de eerste onderfamilie, die de _Marters_ (_Martidae_). Een
+tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige _zoolgangers_
+der familie--de _Dassen_ (_Melidae_). Een derde onderfamilie eindelijk
+omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam
+_Zwemvoetigen_ van de overige Marterachtige dieren onderscheiden--de
+_Otters_ (_Lutridae_).
+
+
+
+Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den
+_Edelmarter_ en de overige leden van zijn geslacht (_Mustela_). Deze
+zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte,
+kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden kop, een
+toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige,
+aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig groote, levendige
+oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een
+middelmatig langen staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige
+vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.
+
+De _Marter_, _Edelmarter_ of _Boommarter_ (_Mustela martes_) is een
+even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30
+cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen donkerbruin, aan den
+snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden
+van den romp en aan den buik geelachtig, aan de pooten zwartbruin en
+aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt
+zich onder de ooren uit. Tusschen de achterpooten bevindt zich een
+roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil
+gele streep tot aan de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den
+hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze "bef" is het meest bekende
+kenteeken van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat
+uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, die
+aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig
+geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen snorharen; bovendien
+zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en
+aan de keel. In den winter is de algemeene kleur donkerder dan in den
+zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere
+kleur van den rug en de minder duidelijke "bef". Bij de jonge dieren
+zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.
+
+Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch
+begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude Wereld. In
+Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland,
+Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in Azië tot aan den Altaï,
+zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. "Ook ons land schijnt
+hij in zijn geheele uitgestrektheid te bewonen," zegt Schlegel,
+"ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking
+op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts hoogst zeldzaam
+voorkomt." Volgens Staring komt hij in ons land tegenwoordig alleen
+in de bosschen van "de graafschap" Zutfen voor. Volgens Ritzema
+Bos wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in
+de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals te
+begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men
+bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral wat de kleur
+van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de
+vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht en zoo langharig als
+die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche
+komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine exemplaren voor;
+de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls
+bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren (p. 138). De Edelmarters
+van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die
+van de Pyreneeën zijn groot en forsch, maar eveneens licht van kleur,
+die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker.
+
+De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen,
+zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder de
+bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt
+boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander Roofdier hem hierin
+overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels
+en Eekhoorntjes kiest hij het liefst tot verblijfplaats; zelden neemt
+hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk
+gedurende den geheelen dag; met den aanvang van den nacht echter,
+meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan
+jacht op alle dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen
+bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel
+Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en
+doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters hebben
+waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Reeën aanvalt. Een even
+groote slachting als onder de Zoogdieren richt de Boom-Marter trouwens
+ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten
+hebben in hem een vreeselijken vijand. Zacht, zonder gedruisch te
+maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich
+op boomen of op den vlakken grond bevinden; nog voordat de anders
+zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft
+vermoed, zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten
+den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend aan
+het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit,
+rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich aan sappige
+vruchten--zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als
+aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel in 't bosch schaarscher
+begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft
+hij zich naar de menschelijke woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en
+duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier,
+met uitzondering van de andere soorten van zijn geslacht.
+
+Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van
+April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd leger
+in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een
+Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met opofferende liefde
+voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit
+vrees van haar kroost te zullen verliezen. Reeds na weinige weken
+volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de
+boomen; zij springen vlug en haastig op de takken rond, worden door de
+voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen
+en bij het minste gevaar gewaarschuwd en tot een snelle vlucht
+aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk
+opvoeden en lang in 't leven houden, als men ze aanvankelijk met melk
+en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt.
+
+"Den 29en Januari," verhaalt Lenz, "kreeg ik een jongen Edelmarter,
+welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk
+hij lauwe melk; ook at hij reeds in melk geweekt wittebrood, weinige
+uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen
+waarnemen, hoe de smaak zich ontwikkelt in overeenstemming met de
+omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge
+Edelmarter van zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich
+ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde.
+
+"Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in
+'t geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem een levende
+Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den
+vierden dag liet ik hem honger lijden en bood hem daarna een Kikvorsch,
+een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren,
+en wilde ook een jonge Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij 's
+nachts uit zijn hok, beet een in 't nest zittenden Torenvalk dood en
+at den kop, den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand
+gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels liever
+had dan iets anders.
+
+"Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig
+was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist honger,
+toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het
+dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd had, dat het dier niet
+gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af;
+hij vrat dien op en droeg daarna het dier in zijn nest, waar het
+hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit,
+beet nog een stuk van het overgebleven staartstompje af; eerst na 2
+uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te
+verscheuren. Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand
+met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm
+niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist
+wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter verschrikt
+terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig
+was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem een versch gedoode,
+groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde
+zich, dat zij dood was, nam haar op, droeg haar nu eens hier, dan weer
+daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem
+daarna een Hagedis, die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje
+liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open
+en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak
+niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger,
+en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een
+uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op.
+
+"Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van
+Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de genoemde ervaringen
+is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze 's winters, wanneer
+hij ze toevallig in weerloozen toestand ontmoet, om 't leven brengt
+en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls
+bitteren honger lijden, daar hij zeer vraatzuchtig is.
+
+"Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij
+algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten, als
+zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de
+hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo. Wel pakken zij
+de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter,
+zonder dat zij juist die bloedvaten treffen; daarom zijn zij ook niet
+in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met
+het opslikken van het toevallig uitvloeiende bloed. Daarna eten zij
+het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij
+dieren, die iets grooter zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz.,
+wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en
+meegeeft, doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later.
+
+"Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen,
+als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam met hem te
+spelen, omdat hij bij 't grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs
+wanneer hij het niet kwaad meende, alles met de tanden stevig aan te
+pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen
+heen in 't vleesch gebeten; hij deed dit trouwens zonder eenige
+vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt
+niet uit zijne houding en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit
+kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan
+alleen begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in
+zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren, dat
+eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit
+van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig."
+
+De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd,
+niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn kostbaar
+vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden,
+als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet alleen op den
+grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan
+volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens in 't bosch liggen,
+gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk
+hem daar te schieten; als men hem gemist heeft, kan men dikwijls
+nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager
+voortdurend blijft aanstaren.
+
+Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink
+toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon is woedend
+tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond
+licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk laat hij zich
+vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd
+en zeer verborgen geplaatst wordt; men vangt hem echter ook in den
+zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een
+stukje brood, dat men met een schijfje ui in ongezouten boter en honig
+gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit
+velerlei sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid.
+
+Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door
+inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat kwaliteit
+betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van
+een gedurende den winter gevangen Marter wordt f 10 à f 12 betaald. De
+schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die
+van Schotland; de overige worden geleverd door Italië, Zweden,
+Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland,
+Turkije en Hongarije.
+
+
+
+De _Steen-_ of _Huismarter_ (_Mustela foina_) verschilt van den
+Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding
+kortere pooten, den kop die, ondanks het kortere aangezicht langer
+is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en
+de witte keel. De totale lengte van het volwassen mannetje bedraagt
+70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De
+grijsbruine kleur van de vacht (met wit wolhaar) wordt op de pooten
+en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de
+keelvlek die altijd kleiner is dan bij den Edelmarter, bestaat uit
+zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige
+haren; de randen van de ooren zijn met korte witachtige haren
+bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten,
+waar de Edelmarter gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Italië
+(met uitzondering van Sardinië), Engeland, Zweden, het gematigde deel
+van Europeesch Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus)
+en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland
+van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel
+van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van niet minder dan
+1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven
+den dennengordel, in den winter keert hij gewoonlijk naar lagere
+streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig
+zeldzaam. Toch is hij in verscheidene provinciën, Noord-Brabant,
+Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen
+waargenomen. In Noord-Brabant wordt hij _Fluwijn_ genoemd. In de
+andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal
+veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij nadert de woningen der
+menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich
+bij voorkeur in dorpen en steden ophoudt. Eenzaam gelegene schuren,
+stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote houtmijten
+in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken
+vijand van het tamme gevogelte bewoond.
+
+De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele
+opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een meester
+in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig,
+even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; hij klimt
+zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken,
+zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en kan door zeer nauwe
+openingen heendringen.
+
+Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter;
+toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel
+meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te
+brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij in
+de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke
+bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, Konijnen, allerlei
+Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren
+en Amphibiën. Eieren schijnen voor hem een lekkernij te zijn; ook zijn
+allerlei soorten van vruchten--kersen, pruimen, peren, kruisbessen,
+lijsterbessen, hennep en dergelijke--naar zijn smaak.
+
+Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een
+eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van dit
+dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum
+te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet men echter voor
+hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn,
+dat hij door iedere opening, voor zoover deze half zoo groot is als
+een rattengat, binnen dringen kan.
+
+Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn,
+laten zich tot op zekere hoogte temmen.--In Schotland heeft men eens
+op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd:
+Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich in een dorp van het
+gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het
+hoenderengeslacht gepleegd. Met behulp van goede Honden verdreef men
+hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in
+'t open veld. Tevergeefs wendde hij al zijn list en behendigheid aan,
+om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de
+hielen, en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna
+gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel 30
+M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden
+als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers waren vast
+overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen
+daalde een van de lieden in den afgrond af en lichtte den verongelukten
+Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde
+den persoon, die hem ving, ook dadelijk door een flinken beet ten
+duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de
+gewonde man zijn prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den
+hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam
+hij haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk
+en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk tam,
+misschien ten gevolge van den zwaren val of uit dankbaarheid voor de
+hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te
+gebruiken, en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in
+korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband weten
+te sluiten,--met een van de Paarden n.l. Zoo vaak men in den stal kwam,
+vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren
+zin trachtte te verdedigen. Soms zat hij op den rug, soms op den hals
+van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met
+diens staart of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over
+de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig
+werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De
+Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes in een val
+en werd den volgenden morgen dood gevonden.
+
+
+
+Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd
+vermaarde _Sabeldier_ (_Mustela zibellina_). Van den Edelmarter
+onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren,
+de hooge, krachtige pooten, de groote voeten en het glanzige,
+zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate
+de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger van kleur is; vooral
+echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar
+'t blauwachtig grijze zweemende, roodbruine kleur van het wolhaar op
+den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des
+te geringer, hoe gelijkmatiger van kleur en hoe donkerder het is,
+des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen
+zijn aan de bovendeelen zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs
+gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig
+kastanjebruin, aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor
+heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe
+meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in 't oog viel,
+des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood.
+
+Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van
+den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke grensgebergten
+van Siberië tot op omstreeks 68° N.B.; bovendien omvatte het
+een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand is
+het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen,
+waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen naar
+de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azië; daar de
+mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor zijn eigen
+leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en
+wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden tijd voor de handelaars
+in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de
+vangst van Sabeldieren opgericht; sedert dien tijd echter is hun
+aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azië
+afgenomen. De vervolgingen waaraan deze Marter van de zijde der
+jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij
+onderneemt echter ook groote zwerftochten; volgens de meening van de
+inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn
+lievelingswild, te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren
+zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling
+over breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer
+gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker
+reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij
+in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt.
+
+In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den
+Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor 't klimmen
+ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
+uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.; het versmaadt
+echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas
+in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt, dat het zeer veel
+houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-"noten" acht het een zeer
+gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren, die Radde onderzocht,
+was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen
+en vangen van het Sabeldier alle weerbare mannen van geheele stammen
+in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen
+ondernemen. Evenals in de vorige eeuw (toen de Duitsche onderzoeker
+Steller en later de Russische reiziger Schtschukin Siberië doorreisden)
+komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen
+tusschen den Lena en de verder oostwaarts gelegen zee; ook thans nog
+vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron
+van inkomsten van de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De
+jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van
+December. De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het
+jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de Honden
+moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen
+voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht heeft in hoofdzaak
+nog steeds plaats op de door Steller beschreven wijze. Vallen en
+strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt;
+ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van het Sabeldier, omgeeft
+zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen
+of met het geweer. Het meest in trek zijn die soorten van vallen,
+waarin het vel van het dier in 't geheel niet beschadigd wordt. De
+jager en zijne gezellen hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen
+op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien;
+dikwijls blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier
+den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat de jager
+door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den
+terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten moet om zijn leven te
+redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze
+in de val geraakt zijn, te kunnen toekomen. Vaak is de jacht op het
+Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls
+blijkt het bij het einde van den jachttijd, dat de gewonnen buit
+ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl
+de moeiten aan het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden.
+
+Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de
+berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van den
+aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen
+goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere getemde Sabeldieren
+speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om
+zoo beter te kunnen vechten, sprongen opgeruimd in hun hok rond,
+en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten,
+hun toorn door grommen en knorren te kennen.
+
+
+
+_Stinkmarters_ (_Putorius_ of _Foetorius_) heeten de leden van een
+ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap
+van den Bunzing, die bovenstaanden naam zeer zeker verdient, wat van
+de andere soorten der groep geenszins gezegd kan worden. De hiertoe
+behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk
+in breedte afnemenden kop, een toegespitsten snuit, kort afgeronde,
+driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met
+lange teenen, en een ronden, vrij lang behaarden staart, welks lengte
+geringer is dan de halve lichaamslengte.
+
+
+
+De _Bunzing_ of _Bonzing_ (_Putorius foetidus_), in Holland ook wel
+_Eierendief_, in Overijsel, Drente en Gelderland _Ulk_, in Groningen
+_Meert_ of _Meerten_, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg
+_Vis_, in Friesland _Mud_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 40
+à 42 cM., zonder den 16 à 17 cM., langen staart. De vacht is aan de
+onderzijde effen zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van
+romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar)
+lichter, gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den
+buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en de
+spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus,
+zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich een niet zeer scherp
+begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de
+ooren beginnende streep samenvloeit. Verscheidene afwijkingen--waarvan
+er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn--komen voor,
+o. a. albino's en effen geel gekleurde Bunzingen. Het wijfje
+onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle
+lichaamsdeelen, die bij het mannetje geelachtig zijn. De vacht is
+wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter.
+
+In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens
+den Bunzing een van zijne verwanten op: de _Tijger-bunzing_ (_Putorius
+sarmaticus_), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig,
+in sommige gedeelten van West-Azië zeer zeldzaam, in het zuiden van
+Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen
+is. In levenswijze komen beide soorten geheel met elkander overeen.
+
+De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en
+Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel
+uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons
+werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije
+en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot
+in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, is hem
+welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte,
+het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt hij zich
+echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote
+boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle boomen, rotsspleeten,
+oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig
+ontmoet; ingeval van nood graaft hij zelf een hol. Op het bouwland
+verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich
+op in de nabijheid van rotsen, tusschen paalwerk, onder bruggen, in
+bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen:
+kortom hij neemt iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is,
+laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij
+dit zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn
+verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op zolders en
+zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van
+de Huiskat of van den Huismarter, evenals deze legt ook hij van tijd
+tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken
+en andere woonplaatsen van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van
+den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten
+wel geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst
+hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid van
+hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden
+om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk aantal
+Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen
+bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt dan een warme
+ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken,
+waar men hem even gaarne ziet, als men hem op andere plaatsen haat.
+
+Wij zijn het volkomen eens met Lenz, waar hij iederen boschbeambte
+aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op
+zijn plaats; hier doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen
+van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland
+bovendien zeer verdienstelijk maakt door het dooden van Hamsters. De
+genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen,
+waaruit bleek, dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen,
+Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de
+Adders niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.
+
+De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij
+overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle Mollen, Veld-
+en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van
+alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen zijn, naar het schijnt,
+een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote
+menigte en verzamelt ze bij dozijnen in zijn woning. In geval van
+nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter
+ook op de vischvangst; bij beken, meren en vijvers beloert hij de
+Visschen, springt hen plotseling in 't water na, duikt en grijpt ze
+zeer behendig; naar men zegt, haalt hij ze 's winters zelfs van onder
+het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn
+bloedgierigheid is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke
+Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in
+het door hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste
+dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn
+bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van
+Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; niet
+zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen,
+Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door zijn behendigheid
+valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.
+
+Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en
+doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen
+en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den
+dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik van allerlei
+middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig,
+behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, zeer scherpzinnig en, als
+hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om
+te bijten, dus volkomen geschikt tot het verrichten van rooverijen op
+groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval
+van nood door het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls
+schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk
+taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van
+een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig
+allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.
+
+Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in
+een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, 4 à
+5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen,
+verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt ze tegen iederen
+vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de
+nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen te zijn, op menschen
+af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met
+de ouden op roof uit; na afloop van de derde maand zijn zij bijna
+even groot geworden als deze.
+
+Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze
+daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van hen,
+omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan
+ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen gedragen de
+in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen
+kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.
+
+"Te Verna, een dorp in Keur-Hessen," verhaalt Lenz, "had een
+zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den
+weg neergezet, om het met minder moeite te kunnen oppassen. Plotseling
+kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De
+eene beet zich in den nek vast, de andere aan de zijde van het hoofd
+en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de
+knaap wilde het te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere
+Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen
+twee mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van
+de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen."
+
+Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna
+overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen doen hierbij
+dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou
+het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten gaan, en de moeite
+die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het
+herstellen en beter sluiten van de hoenderhokken.--"Sommige lieden,"
+schrijft Rombouts, "maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij
+nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok
+gewapend en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven
+af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen
+een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een
+roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt nog al voordeelen
+af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald."
+
+Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat
+echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken reuk
+veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van
+de lange staartharen maakt men penseelen; het vleesch is volkomen
+onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.
+
+
+
+Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte
+zaak, dat het _Fret_ (_Putorius furo_) een door gevangenschap en
+temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het
+Fret is reeds sinds overouden tijd bekend, hoewel alleen in getemden
+toestand. Aristoteles vermeldt het onder den naam _Iktis_, Plinius
+noemt het _Viverra_. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de
+Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer Augustus
+om hulp smeekten. Hij zond eenige "Viverrae" over, die zich zeer
+verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen gelaten
+en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner
+vijanden.
+
+Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel
+is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele dieren het geval,
+die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den
+gevangen staat leven. De lichaamslengte bedraagt 45 cM., zonder den
+13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing
+voorkomt, die ook door den bouw van het geraamte niet noemenswaard
+van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen
+als "Kakkerlak" of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen
+iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige
+exemplaren hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig
+voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen
+doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen
+vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen dat
+het Fret een afzonderlijke soort is, geen steek houden. Deze meening
+was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid,
+op de zachtaardigheid en grootere geschiktheid om getemd te worden
+van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van
+den Bunzing. Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de
+overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige
+wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken,
+dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar over
+Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor
+deze meening bewijzen aan te voeren.--Het Fret komt dus alleen in
+gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht;
+de Engelschen gebruiken het echter ook voor de Rattenjacht, en achten
+de Fretten, die "Rattendooders" genoemd worden, veel hooger dan die,
+welke alleen voor de Konijnenjacht kunnen dienen. Deze dieren worden
+in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi
+en stroo geven en 's winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk
+worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid
+echter veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren
+geeft. Volgens de ervaringen van Lenz kan men ze met Kikvorschen,
+Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in 't leven houden; want zij
+houden veel van allerlei Kruipende Dieren en Amphibiën.
+
+In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil,
+dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid en
+rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in 't wild
+levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd is, valt
+het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze
+in den nek en laat ze niet eerder los, voordat alle beweging van
+de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de
+wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen zijn, naar het schijnt, een
+lekkernij. Amphibiën nadert deze roover met grootere voorzichtigheid
+dan andere dieren, en van de gevaarlijkheid van de Adder schijnt
+hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij,
+volgens Lenz, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor
+de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen,
+bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst
+voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit valsch gedierte in
+'t middelste gedeelte van 't lichaam te bijten. Het Fret wordt door
+den beet van de Adder niet gedood, maar wel ziek en lusteloos.
+
+Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter
+voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond op den voet
+volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij
+uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander gebruik van hun vrijheid;
+zij begeven zich naar 't bosch, vestigen zich in een Konijnenhol,
+dat hun gedurende den zomer als leger en toevluchtsoord dient, en
+zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij
+niet weder gevangen worden, sterven zij echter geregeld gedurende
+den winter, omdat zij veel te gevoelig zijn om aan de winterkoude
+weerstand te kunnen bieden.
+
+De stem van het Fret is een dof geknor, als het pijn lijdt een schel
+gekrijsch. Het laatstgenoemd geluid hoort men zelden; gewoonlijk ligt
+het Fret volkomen stil ineengerold op zijn leger, en alleen als het
+zijn roofgierigheid bevredigen kan, wordt het wakker en levendig.
+
+Het wijfje werpt in het begin van Mei 5 à 8 jongen die 2 à 3 weken
+blind blijven. Zij worden door de moeder zeer zorgvuldig verpleegd
+en na verloop van omstreeks 2 maanden gespeend; dan zijn zij geschikt
+om ieder afzonderlijk opgevoed te worden.
+
+Ofschoon het Fret bij de Konijnenjacht uitstekende diensten bewijst,
+is toch het voordeel, dat het aanbrengt, gering, in verhouding tot
+de kosten die het veroorzaakt.
+
+Des morgens begeeft men zich op de jacht. De Fretten worden in een
+zacht bekleeden korf of kist, soms ook in de weitasch meegedragen. Bij
+het konijnenhol gekomen, zoekt men alle daarbij behoorende gangen
+op, legt voor ieder een zakvormig net van ongeveer 1 M. lengte,
+dat om een grooten ring gevlochten en aan dezen vastgemaakt is;
+men laat nu het Fret in den hoofdgang gaan, die vervolgens eveneens
+gesloten wordt. Zoodra de Konijntjes den in hunne woning gedrongen
+vijand bemerken, gaan zij verschrikt op de vlucht, komen in het net
+en worden hier gedood. Het Fret zelf wordt door een kleinen muilkorf
+of door het afvijlen van de tanden verhinderd, een Konijn in het hol
+te dooden en krijgt een schel klinkend klokje aan den halsband, om
+te maken, dat men steeds weten zal, waar het zich bevindt. Zoodra
+het Fret weder aan den ingang van het hol verschijnt, wordt het
+onmiddellijk opgenomen; want als het in het hol terugkeert, gaat het
+daar slapen, en laat dan dikwijls uren lang op zich wachten. Van zeer
+veel belang is het, dit dier aan fluiten of roepen te gewennen. Als
+het niet buiten wil komen, tracht men het hiertoe te bewegen door
+allerlei lokmiddelen. O. a. bindt men aan een dunne lat een Konijn
+en steekt dit in het hol. Aan zulk een uitnoodiging tot bevrediging
+van de bloedgierigheid, welke het Fret beheerscht, kan dit dier geen
+weerstand bieden; het slaat zijne tanden in het Konijn en laat zich
+met zijn prooi uit den gang trekken.
+
+In Engeland gebruikt men het Fret minder voor de jacht op Konijnen, dan
+wel voor die op Ratten en nog liever eenvoudig voor den strijd met deze
+bijtlustige Knaagdieren. Een Fret, dat alleen voor de Konijnenjacht
+werd afgericht, is, naar men zegt, volkomen onbruikbaar voor de
+Rattenjacht, omdat het voor elke groote Rat bang is. De Rattenjager
+moet dus opzettelijk voor zijn bedrijf opgevoed worden. In den beginne
+laat men hem alleen met jonge en zwakke Ratten vechten; zoo gewent hij
+langzamerhand aan den strijd en aan de zege. Dan wordt de aangeboren
+bloeddorst in hem wakker; de moed van den kleinen roover neemt toe,
+en ten slotte krijgt hij zulk een bekwaamheid in den strijd met het
+bruine of zwarte wild, dat hij als 't ware wonderen verricht. Een
+volkomen goed gedresseerde Fret kan in één uur tijds 50 Ratten dooden,
+die zich in een ruimte van 2 bij 3 M. bevinden.
+
+Soms ontmoet het Fret bij de Konijnenjacht onder den grond een dier,
+dat een verlaten Konijnenhol als toevluchtsoord gebruikt, b.v. een
+Bunzing; in dit geval ontstaat tusschen deze beide wezens een strijd
+op leven en dood, die geenszins de goedkeuring wegdraagt van den
+eigenaar van het getemde lid der Marter-familie, omdat deze alle
+reden heeft om gevaar te duchten voor het leven van zijn jachtgezel.
+
+
+
+De Wezel en hare naaste verwanten zijn nog veel slanker en gerekter
+dan de overige Marters. Alle hiertoe behoorende soorten houden zich
+het liefst op in velden, tuinen, holen in den grond, spleten in 't
+gesteente, onder steenen en houtmijten; zij jagen bijna evenveel over
+dag als 's nachts. Hoewel zij de kleinste leden van de Roofdieren-orde
+zijn, onderscheiden zij zich zoozeer door moed en roofgierigheid,
+dat zij als echte toonbeelden van de Marter-familie beschouwd kunnen
+worden.
+
+De _Wezel_ (_Putorius vulgaris_), in Friesland ook wel _Wezeling_
+genoemd, bereikt een lichaamslengte van 20 cM., waarbij 4 1/2 cM. op
+het korte staartje komen. Het buitengewoon gerekte lichaam ziet er,
+wegens het geringe verschil tusschen hals en kop, nog slanker uit
+dan het werkelijk is. Van den kop tot aan den staart bijna overal
+even dik, is het lichaam slechts bij volwassenen in de liesstreek
+een weinig versmald; aan den snuit is het eenigszins toegespitst. De
+romp rust op zeer korte en dunne pooten met zeer fijnen voet; de
+zool is tusschen de teenballen behaard; de teenen zijn met dunne,
+spitse en scherpe klauwen gewapend. De betrekkelijk korte staart wordt
+van den wortel tot de spits allengs dunner. De neus is stomp en door
+een overlangsche groeve eenigszins verdeeld. De breede en afgeronde
+ooren staan zijdelings en ver naar achteren; de scheef geplaatste
+oogen zijn klein, maar zeer vurig. Een middelmatig lange, gladde
+beharing bedekt het geheele lichaam en is alleen in de nabijheid
+van de spits van den snuit een weinig overvloediger. Bovendien,
+komen vóór en boven de oogen lange snorren en onder de oogen enkele
+borstelharen voor. De kleur van de vacht is roodachtig bruin; de
+rand van de bovenlip en de geheele onderzijde van 't lichaam alsmede
+de binnenzijde van de pooten zijn wit. Achter elken mondhoek staat
+een kleine, rondachtige, bruine vlek; soms bevinden zich ook enkele
+bruine vlekken op den lichtgekleurden buik. In gematigde en zuidelijke
+gewesten blijft de kleur 's zomers en 's winters in hoofdzaak dezelfde;
+verder noordwaarts echter verkrijgt de Wezel, evenals de Hermelijn,
+een winterkleed: wit met bruine vlekken of zuiver wit, echter zonder
+de fraaie, zwarte staartspits, die den Hermelijn zoozeer onderscheidt.
+
+De Wezel komt in geheel Europa vrij veelvuldig voor, hoewel misschien
+niet in zoo groot aantal als in Noord-Azië; zij bewoont zoowel
+de vlakke als de bergachtige streken, boomlooze vlakten zoowel
+als bosschen, bevolkte plaatsen in niet minder grooten getale dan
+eenzame. Hoe talrijk zij in ons land voorkomt, kan blijken uit het
+door Van Bemmelen medegedeelde feit, dat tijdens het betalen van
+premiën voor elk in ons land gedood Roofdier (tot in het jaar 1857
+in gebruik) 5000 à 6000 Wezels ieder jaar werden aangegeven. Overal
+vindt zij een voor haar geschikte verblijfplaats, want zij weet van de
+omstandigheden partij te trekken, en ontdekt overal een schuilhoek,
+die haar voldoende beveiligt tegen groote vijanden. Zoo woont zij nu
+eens in holle boomen, in steenhoopen, in bouwvallen, dan weer onder
+holle oevers, in mollegangen, hamster- en rattenholen, in den winter
+in wagenhuizen en schuren, kelders en stallen, op vlieringen enz.,
+dikwijls ook in steden. Waar zij met vrede wordt gelaten, zwerft zij
+ook over dag rond; waar zij zich vervolgd ziet, jaagt zij alleen des
+nachts, of neemt over dag de uiterste voorzichtigheid in acht.
+
+Als men oplettend en zonder gedruisch te maken, plaatsen voorbij gaat,
+waar zij zich verscholen heeft, kan men licht het genoegen smaken, haar
+te beluisteren. Men hoort een onbeduidend geritsel in de afgevallen
+bladen en ziet een bruin diertje zich voortreppen, dat, zoodra het
+den mensch bemerkt, argwaan toont en op de achterpooten gaat staan,
+om beter te kunnen rondkijken. Gewoonlijk denkt het dwergje er niet
+aan, de vlucht te nemen; het kijkt integendeel moedig en vermetel de
+wereld in, en neemt een echt uitdagende houding aan. Als men het tot
+op korten afstand nadert, is het ook wel driest genoeg, zelf nader
+bij den rustverstoorder te komen en dezen met een onbeschrijfelijke
+onbeschaamdheid aan te kijken, alsof het wilde onderzoeken, wat deze
+ongenoode gast hier eigenlijk te maken heeft.
+
+Meer dan eens is het gebeurd, dat dit stoutmoedige dier zelfs den
+mensch aangevallen en eerst na langen strijd losgelaten heeft. Ook
+heeft het zich wel eens met de tanden vastgehecht aan een poot van
+een voorbijgaand Paard, zoodat het eerst door de vereende inspanning
+van paard en ruiter afgeschud kon worden. De moed gaat hier met een
+onvergelijkelijke tegenwoordigheid van geest gepaard, waardoor de Wezel
+bijna altijd nog een uitweg vindt. Zelfs als zij door de klauwen van
+een Roofvogel gegrepen is, acht zij zich nog niet verloren. Zoo heeft
+men eens een Wouw op het veld zien neerschieten om een klein Zoogdier
+op te nemen, waarmede hij zich in de lucht verhief. Op eens begon de
+Vogel te slingeren; zijn beweging werd onvast; weldra stortte hij dood
+ter aarde. De hierover verbaasde toeschouwer zag, toen hij nader kwam,
+een Wezel zich vlug voortreppen. Zij had haar vreeselijken vijand
+behendig den hals stukgebeten en zoo haar eigen leven gered.
+
+In de hoogste mate moedig en vermetel, is de Wezel een werkelijk
+weergalooze roover, die aan alle kleine Zoogdieren den oorlog
+heeft verklaard, en onder hen dikwijls een ontzettende slachting
+aanricht. Van de Zoogdieren vallen haar ten buit: Huis-, Bosch-
+en Veldmuizen, Water- en Huisratten, Mollen, jonge Hamsters, Hazen
+en Konijnen. Uit de klasse der Vogels rooft zij: jonge Hoenderen
+en Duiven, Leeuweriken en andere op den grond levende Vogels, en
+zelfs zulke, die op boomen slapen; zij plundert ook hunne nesten,
+voorzoover zij deze bereiken kan. Onder de Kruipende Dieren maakt
+zij jacht op Hagedissen, Hazelwormen en Ringslangen en durft zelfs de
+gevaarlijke Adder aan te vallen, hoewel zij na eenige malen gebeten
+te zijn, bezwijkt. Bovendien eet zij ook kikvorschen en Visschen,
+kortom zij gebruikt iedere soort van vleesch, zelfs dat van dieren
+van haar eigen soort. Insecten van allerlei orden beschouwt zij
+als een lekkernij; als zij Kreeften kan machtig worden, weet zij
+hun harde schaal behendig stuk te maken. Haar geringe grootte en
+ongeloofelijke vlugheid komen haar op de jacht goed te stade. Men
+kan gerust zeggen, dat geen enkel klein dier veilig voor haar is. Men
+heeft zelfs waargenomen, dat zij in vereeniging met hare soortgenooten
+jaagt, wat geen verwondering kan wekken, als men bedenkt, dat zij
+gezellig leeft, en op sommige plaatsen in grooten getale gevonden
+wordt: zoo zag Pechuel-Loesche een troep van zeven volwassen Wezels,
+waarschijnlijk tot één familie behoorend, over dag een met struiken
+begroeid terrein doorzoeken; zij deden dit op de gewone wijze, zonder
+zich veel te bekommeren om de haar volgende toeschouwers. De Wezel
+pakt kleine dieren in den nek of bij den kop; groote tracht zij aan
+den hals te grijpen. Eieren zuigt zij uit, zonder dat er een druppel
+van den inhoud verloren gaat; behendig worden hiervoor aan het eene
+einde één of verscheidene gaten gemaakt. Groote eieren klemt zij,
+naar men zegt, als zij ze vervoeren moet, tusschen de kin en de borst,
+kleinere draagt zij in den bek weg. Bij grootere dieren stelt zij
+zich tevreden met het bloed, dat zij oplekt, zonder het vleesch aan
+te raken, kleinere dieren verslindt zij geheel: die, welke zij eens
+gepakt heeft, laat zij niet weder los. In de onmiddellijke nabijheid
+van bewoonde gebouwen jaagt zij bijna zonder eenigen schroom.
+
+In Mei of Juni, na een draagtijd van vijf weken, krijgt het wijfje
+3 à 8 jongen, die zij meestal in een hollen boom of in een van hare
+onderaardsche schuilplaatsen ter wereld brengt, altijd echter op een
+verborgen plaats, in een nest, dat van stroo, hooi, droge bladen en
+dergelijke materialen vervaardigd is, neerlegt. Zij koestert zeer
+veel genegenheid voor hare jongen, zoogt ze gedurende langen tijd
+en voedert ze daarna nog verscheidene maanden achtereen met Huis-,
+Bosch- en Veldmuizen, die zij hun in levenden toestand brengt. Als
+de jongen verontrust worden, draagt de moeder hen met den bek naar
+een andere plaats. In tijd van gevaar verdedigt zij haar kroost met
+grenzenloozen moed. Zoodra deze alleraardigste diertjes volwassen zijn,
+spelen zij over dag dikwijls met hun moeder; een even merkwaardig als
+aantrekkelijk familieleven aanschouwt men, als allen in het felste
+zonnelicht zich vermaken op een weide, waarin vele onderaardsche
+gangen, vooral mollegaten, voorkomen.
+
+Jonge Wezels, die de moeder nog niet verlaten hebben, zijn het best
+geschikt om getemd te worden. De meening, dat deze dieren ontembaar
+zouden zijn, is sedert Buffon van den eenen natuuronderzoeker
+op den anderen overgegaan; voor de volwassene is zij niet geheel
+ongegrond. Wezels, die sinds haar kinderlijken leeftijd met den
+mensch verkeeren, worden echter buitengewoon tam en zijn dan
+allerliefst. Hierover komt in Wood's "_Natural History_" een door
+vrouwenhand geschreven verhaal voor, waarvan ik een uittreksel
+zal geven.
+
+"Als ik een weinig melk in mijn hand giet," zegt de bedoelde dame,
+"drinkt mijn tamme Wezel daarvan een behoorlijke, hoeveelheid; zij zal
+echter niet licht een druppel van deze haar zoo goed smakende vloeistof
+nemen, als ik haar niet de eer aandoe, mijn hand als drinkbeker te
+mogen gebruiken. Zoodra zij verzadigd is, gaat zij slapen. Mijne kamer
+is haar gewone verblijfplaats, daar ik een middel heb gevonden om den
+onaangenamen reuk van dit diertje door welriekende stoffen volkomen
+weg te nemen. Over dag is haar slaapplaats een voetkussen, waarin
+zij heeft weten door te dringen; gedurende den nacht dient hiervoor
+een blikken doos in een kooi; zij houdt echter volstrekt niet van
+deze gevangenis en verlaat haar met genoegen. Als zij haar vrijheid
+herkrijgt, voordat ik wakker word, komt zij in mijn bed en kruipt na
+tal van kapriolen onder de dekens om in mijn hand of aan mijn boezem
+te rusten. Als ik bij haar komst al wakker ben, houdt zij zich wel een
+half uur met mij bezig en liefkoost mij op allerlei wijzen. Zij speelt
+met mijne vingers als een hondje, springt mij op het hoofd of in den
+nek, of klimt bij mijn arm of bij mijn lichaam op met zulke vlugge en
+sierlijke bewegingen, als ik bij geen ander dier heb waargenomen. Als
+ik haar op een afstand van 1 M. mijn hand voorhoud, springt zij er
+in, zonder ooit te vallen. Om in het een of ander geval haar zin te
+krijgen, handelt zij met veel overleg en list; dikwijls schijnt het,
+alsof zij uit lust tot ongehoorzaamheid een verbod niet telt.
+
+"Het diertje herkent mijn stem uit twintig andere, weet mij spoedig
+te vinden en springt over iedereen heen, om bij mij te komen.
+
+"Een bijzondere eigenschap van mijn bevallige beschermeling is haar
+nieuwsgierigheid. Het is letterlijk onmogelijk een kist, een kastje
+of een doos te openen, ja zelfs eenvoudig naar een papier te kijken,
+zonder dat ook mijn Wezel het voorwerp beschouwt. Als ik haar ergens
+heen wil lokken, heb ik niets anders te doen, dan een stuk papier of
+een boek te nemen en er aandachtig naar te zien; dadelijk komt zij bij
+mij, loopt over mijn hand heen, en bekijkt het voorwerp dat ik bezie,
+met de grootste opmerkzaamheid. Ten slotte moet ik er nog op wijzen,
+dat het dier graag speelt met een jonge Kat en een Hond, die beide
+reeds tamelijk groot zijn."
+
+Bij goede behandeling kan een Wezel 4 à 6 jaren in gevangenschap leven;
+waarschijnlijk kan het in den natuurstaat een leeftijd van 8 à 10
+jaar bereiken. Ongelukkig worden deze kleine, nuttige diertjes door
+onwetende menschen veel vervolgd en uit pure baldadigheid gedood. In
+vallen met een lokaas van eieren, vogeltjes of Muizen kan men de
+Wezel gemakkelijk vangen. Dikwijls vangt men haar in rattenvallen,
+waarin zij bij toeval geraakt. In plaats van dit voortreffelijk
+dier te vervolgen, zou men het wegens het groote nut dat het sticht,
+zorgvuldig moeten beschermen. Gerust mag men beweren, dat geen enkel
+dier zoo uitmuntend uitgerust is voor de muizenvangst als de Wezel.
+
+
+
+De naaste verwant van de Wezel is de _Hermelijn_ (_Mustela
+erminea_). In zijn zomerkleed wordt hij gewoonlijk, evenals _Mustela
+vulgaris_, "_Wezel_" genoemd en met deze verward; terwijl hij in het
+winterkleed _Hermelijntje_ en _Witte Wezel_ heet, ook _Harmpje_,
+_Harmel_ en _Harmken_ (in Gelderland en Overijsel). Hij gelijkt
+zeer veel op de Wezel door zijn gestalte en levenswijze, maar is
+aanmerkelijk grooter dan zijn kleine geslachtsgenoot. Hij heeft een
+lengte van 32 à 33 cM., waarvan 9 cM. voor den staart; in noordelijker
+landen wordt hij, zegt men, grooter dan bij ons. De bovendeelen en
+de staartwortelhelft zijn in den zomer bruinrood, in den winter
+wit; zij hebben in 't eerstgenoemde seizoen bruinroodachtig, in
+'t laatstgenoemde wit wolhaar; de onderzijde is altijd wit met een
+geelachtige tint; de achterste helft van den staart is altijd zwart.
+
+De kleursverandering, die de Hermelijn in den zomer en in den winter
+ondergaat, wordt door de natuuronderzoekers op verschillende wijzen
+verklaard. Eenige nemen aan, dat dit dier twee maal verhaart; anderen,
+waarbij ik mij voeg, zijn van oordeel, dat het zomerhaar tegen den
+winter, als het fel koud begint te worden, eenvoudig verbleekt,
+zooals men dit bij den Sneeuwhaas en den Poolvos kan waarnemen. Over
+de kleursverandering in de lente heeft de Zweedsche onderzoeker
+Grill, wiens interessante beschrijvingen wij zullen mededeelen, bij
+gevangene dieren zeer volledige gegevens verzameld: "Den 4en Maart",
+zegt hij, "kon ik voor 't eerst eenige donkere haren tusschen de oogen
+bespeuren. Den 10en zag ik op dezelfde plaats een bruine, hier en daar
+door wit afgebroken vlek, half zoo breed als het voorhoofd. Boven de
+oogen en om den neus vertoonden zich nu verscheidene kleine, donkere
+vlekken. Als het dier zich kromde, zag men, dat de diepst gelegen
+deelen van de vacht langs het midden van den rug, onder de schouders en
+op de kruin donker waren. De kleursverandering had zeer snel plaats,
+vooral in den beginne, zoodat er dagelijks, ja zelfs iederen halven
+dag verschil viel op te merken. Den 3en April waren alleen de volgende
+deelen nog wit: de onderzijde van den hals en van de keel, de geheele
+buik, de ooren en de ruimte tusschen deze en de oogen, die met een
+kleinen ring omgeven waren, een kort stuk vóór de zwarte helft van
+den staart, en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft,
+de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van
+de dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van
+den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats borstelig
+geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij
+elkander zitten en kleine vlekken vormen. Eerst groeiden de donkere
+haren _alle tegelijk_ naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte
+hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk
+heeft de eigenlijke haarwisseling in de eerste helft van de maand
+Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich
+eenvoudig meer uitgebreid en allengs het witte verdrongen."
+
+De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het
+noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont geheel
+Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyreneeën en van den Balkan
+gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en Middel-Azië tot aan de
+oostkust van Siberië voor. In Klein-Azië, Perzië en Afghanistan heeft
+men hem eveneens waargenomen. In geen dezer landen is hij zeldzaam;
+zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige
+Roofdieren.
+
+Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere
+plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op de aangenaamst
+mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen
+en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten in muren, steenhoopen,
+boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden
+verschaffen hem een ligplaats en een schuilplaats gedurende den dag,
+dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon
+het volstrekt geen zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht
+in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der
+menschen blootstelt. Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst
+met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te
+roeren. Wie omstreeks dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen
+voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en
+schrandere dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn
+een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt
+uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als 't noodig is, snel en
+onbeschroomd over een breed water.
+
+De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met
+zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn kleine
+stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die
+aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken de grondtrekken van
+zijn karakter uit.
+
+De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op
+alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list
+overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem
+in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft aanhoudend
+op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met
+de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen en Zwaluwen, die hij uit
+hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn
+niet veilig voor hem.
+
+Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste
+jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een
+alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door
+den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord en delft
+steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze
+Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het Roofdier begint met alle
+holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of
+een dezer woningen op dit oogenblik als rustplaats dient voor een of
+twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit
+belooft, gaat hij er zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen
+beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens
+door het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor
+haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den nek
+boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen,
+glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter door het
+hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding
+de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet een toeval haar redt.
+
+Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in
+rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit het nest genomen
+Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen;
+men zegt dat sommige zoo tam worden, dat men hun toestaan kan, naar
+verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond
+volgen. Maar ook met op lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het
+temmen soms.
+
+"Eenige dagen voor Kerstmis 1843," verhaalt Grill, "kreeg ik een
+mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg
+zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde oogen, de roodbruine neus en
+de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuwwitte vacht, die
+slechts aan den wortel en aan de binnenste helft van den staart een
+fraaie, zwavelgele tint vertoonde. Het was een allerliefst, uiterst
+beweeglijk diertje. Ik plaatste het aanvankelijk in een groote,
+onbewoonde kamer, waarin zich weldra de onaangename reuk verbreidde,
+die aan alle leden van het Martergeslacht eigen is. Zijn vaardigheid
+in het klimmen, springen en zich verbergen was bewonderenswaardig. Met
+gemak klauterde hij bij de venstergordijnen omhoog; als hij daarboven
+verschrikt werd, liet hij zich dikwijls met een angstkreet op den
+vloer vallen. Op den tweeden dag klom hij bij de kachelpijp op, en
+bleef daar, zonder iets van zich te laten hooren, totdat hij eindelijk,
+na verscheidene uren, met roet bedekt weer te voorschijn kwam. Dikwijls
+fopte hij mij uren achtereen, als ik hem zocht, totdat ik hem eindelijk
+verscholen vond op een plaats, waar ik hem het minst vermoedde. Daar er
+in de kamer niet gestookt werd, gebruikte hij een bedstede als leger,
+en koos voor zich een bepaalde plaats uit, die hij echter onmiddellijk
+verliet, als iemand de deur binnenkwam. Het bed bleef echter van nu
+af zijn liefste schuilplaats. Gewoonlijk zoekt hij dit op, als men
+snel op hem afgaat; wanneer men hem echter vriendelijk toespreekt
+en overigens geen beweging maakt, blijft hij dikwijls staan of gaat
+nieuwsgierig eenige schreden vooruit, waarbij hij zijn langen hals
+vooruitsteekt, en een van de voorpooten optilt. De nieuwsgierigheid
+van dit dier is algemeen bekend, en heeft aanleiding gegeven tot de in
+Zweden gebruikelijke spreekwijze: 'het Wezeltje heeft er schik in, als
+men het prijst.' Als hij zeer opmerkzaam is, of als iets hem verdacht
+voorkomt en hij verder wil zien dan zijn geringe hoogte toelaat, gaat
+hij op de achterpooten staan en richt het lichaam hoog op. Als men
+nadert, blaft hij, voordat hij vlucht, met een hard en schel geluid,
+dat nog het meest op de stem van den Grooten Bonten Specht gelijkt. Nog
+vaker verneemt men van hem een gesis als dat van een Slang.
+
+"Toen de Hermelijn op den derden dag in een groote kooi werd geplaatst,
+waaruit hij, naar hem duidelijk bleek, niet ontsnappen kon, en waar hij
+zich veilig achtte, liet hij niemand naderen, zonder naar de traliën
+te springen, hevig met de tanden te dreigen en het reeds genoemde
+geluid, gevolgd door een langen triller, die zeer veel op het tjakkeren
+van een Ekster geleek te laten hooren. In de kooi was hij niet bang
+voor den Hond, wiens geblaf hij beantwoordde, terwijl beide dieren
+dicht bij elkaar, maar ieder aan een andere zijde van de traliën,
+stonden. Als men een voorwerp, b.v. den vinger van een handschoen
+door de traliën stak, beet hij er in en trok er met kracht aan.
+
+"Als hij zeer boos is (en dit wordt hij reeds, als men hem van zijn
+leger opjaagt), staat elk haar van zijn langen staart overeind. Over
+'t geheel genomen is hij zeer boosaardig. Van muziek heeft hij een
+afkeer. Als iemand voor de kooi op de gitaar speelt, springt hij,
+alsof hij gek is, bij de traliën op, en blaft en sist zoolang als
+de muziek aanhoudt. Hij tracht nooit de klauwen voor het verscheuren
+van zijn prooi te gebruiken, maar pakt deze steeds met de tanden aan.
+
+"Eerst op den 7den Mei, nadat ik het dier ongeveer 4 1/2 maand gehad
+had, beproefde ik hem te streelen, maar had uit voorzorg handschoenen
+aangetrokken. Hoewel hij zich hierin vastbeet, voelde ik de spitsen
+zijner tanden niet, en deze lieten dan ook geen sporen achter. In
+'t eerst trachtte hij mijne liefkoozingen te ontwijken; ten slotte
+bleek het echter duidelijk, dat zij hem welgevallig waren: hij ging
+op den rug liggen en sloot de oogen. Den volgenden dag herhaalde ik
+mijne pogingen, daar ik mij vast voorgenomen had, het dier zoo tam te
+maken, als mogelijk was. Weldra kon ik mij zonder handschoenen aan
+even veilig als vroeger met hem bezighouden. Hij liet zich gewillig
+streelen en krauwen, zoolang ik dit verkoos; ik kon hem den poot
+oplichten, ja zelfs den bek openen, zonder dat hij boos werd. Als ik
+echter zijn lichaam omvatte, gleed hij mij vlug en zonder inspanning
+als een Aal door de vingers. Om hem niet bang te maken, moest men hem
+zachtjes naderen; bij de behandeling van deze en andere wilde dieren
+komt het er vooral op aan te gelijker tijd te toonen, dat men niet
+bang is en dat men het dier geen kwaad wil doen."
+
+Het vel van den Hermelijn levert bont, dat wegens zijn fraaiheid
+geschat wordt, maar niet duur is. Vroeger werd het alleen door
+vorstelijke personen gedragen; het is nu veel algemeener geworden.
+
+
+
+De _Nerts_ en zijne naaste verwanten komen veel met den Bunzing
+overeen; zij verschillen van dezen alleen door den iets platteren kop,
+de meerdere grootte van de knobbelkies, de korte pooten, de spanvliezen
+tusschen de teenen, die vooral aan de achterpooten duidelijk zichtbaar
+zijn, den naar verhouding iets langeren staart en het glanzige, met
+dicht bijeengeplaatste, glad neerliggende, korte haren bedekte vel,
+hetwelk aan dat van den Vischotter herinnert, ook door de kleur, die
+zoowel van boven als aan de onderzijde effen bruin is. Behalve de
+Europeesche _Nerts_ beschrijven wij den Amerikaanschen _Mink_. Tot
+in den laatsten tijd wist men van de levenswijze dezer beide dieren
+slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de bekend geworden
+onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort
+betreft. Aan de vriendelijkheid van een jachtliefhebber uit de
+omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze
+bekendheid met den Nerts; over den Mink hebben Audubon en de _prins_
+von Wied mededeelingen gedaan.
+
+De _Nerts_, die ook wel _Kreeftotter_, _Steenhond_, _Waterwezel_ en
+bij Lubeck _Menk_ of _Watermenk_ (_Putorius lutreola_) wordt genoemd,
+bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart
+komen. Het lichaam is gerekt en slank; het rust op korte pooten, en
+gelijkt over 't geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is
+echter nog slanker dan bij dit verwante dier. De voeten gelijken op die
+van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door
+vliezen met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte
+en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine kleur,
+waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich
+bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter aan den nek en op
+het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart
+zijn gewoonlijk donkerder dan die van de zijden van den romp. Aan de
+buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of
+witachtige vlek bevindt zich aan de keel; de bovenlip is van voren,
+de onderlip over hare geheele lengte wit.
+
+Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den _Mink_ (_Putorius
+vison_), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en
+zachter is.
+
+Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk
+in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij wenschelijk
+voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den
+Nerts een overzicht van de belangrijkste feiten uit de mededeelingen
+van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te
+laten voorafgaan.
+
+Na den Hermelijn is, volgens Audubon's bericht, de Mink het ijverigste
+en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den
+Eenden-vijver van den landman zwerft; de aanwezigheid van een of
+twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen
+van verscheidene jonge Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel
+om den schadelijken roover kwijt te raken. Audubon ondervond dit zelf
+bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in
+den steenen dam van een kleinen vijver had genesteld. De vijver was
+eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water,
+aangelegd, en bood dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied
+aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht
+bij het huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten
+afdalen om te drinken. Vóór het hol lagen twee groote stukken graniet;
+zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij
+en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in dag uit uren lang op
+de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en
+Eenden, totdat onze berichtgever aan zijn bedrijf een einde maakte,
+na lang op hem geloerd te hebben.
+
+Vooral aan den Ohio trof Audubon den Mink zeer veelvuldig aan; hij
+merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en
+Ratten. Behalve met dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij
+zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst
+bezig. Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de
+Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter, jacht op
+de snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood
+behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders; wanneer
+de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In
+het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen, Vinken en Eenden,
+aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt
+hij Oesters in en van den bodem der rivieren haalt hij schelpdieren
+op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats
+in te richten en altijd iets buit te maken. Als hij beangst is,
+verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk.
+
+De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van
+April in holen onder overhangende oevers of op kleine eilandjes,
+in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit
+het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er mede omgaan als met
+schoothondjes. Richardson zag er een in het bezit van een Canadeesche
+vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich
+droeg.
+
+De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt
+even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid van zijn leven
+heeft hij echter een goed schot noodig.
+
+Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds Wildungen
+zegt in zijn "Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers," voor
+het jaar 1799, dat de Moerasotter een in Duitschland zeer zeldzaam, aan
+menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is,--dat
+hij reeds lang gewenscht had, nader met dit dier bekend te worden,
+en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide
+zorg van Graaf Mellin te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker
+deelt hij eenige waarnemingen mede. "Door zijn loopen met gekromden
+rug, door zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen
+gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend
+in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht,
+klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone Vischotter,
+een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven.
+
+"De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn
+woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter
+schranderheid aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch
+soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de Marter
+en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt;
+dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen; ik heb
+nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn
+gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen, Kreeften, Slakken;
+waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen
+ten buit. Door den verlokkend hoogen prijs van zijn vel, dat ook
+in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer
+wordende dier zeer in de hand gewerkt; indien de thans heerschende
+zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het
+niet onmogelijk, dat deze diersoort ook in Pommeren, waar Mellin haar
+heeft weggenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn."
+
+In deze mededeelingen is eigenlijk alles bevat, wat wij tot dusver
+van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland
+geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden,
+maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts komt in
+Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering
+aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten van Europa: Finland,
+Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den
+Oeral, van den Dwina tot de Zwarte Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In
+Bessarabië, Zevenburgen en Galicië leeft hij ook. In Moravië behoort
+hij tot de zeer zeldzame dieren; in Silezië wordt hij nu en dan
+gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover
+echter iets bepaalds te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het
+mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber,
+van den houtvester Claudius, berichten over dit dier ontving:
+
+"De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken
+van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een hol in een
+damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest;
+hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij het water, en voorziet het
+met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen
+in een andere richting of gangen naar naburige dammen worden hier
+niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is,
+zich in geen geval te water begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in
+de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent,
+stort de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in 't water en
+wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich op deze
+wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in 't
+water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte blijft en steeds
+op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is
+hij in het water, zelfs wanneer dit beperkte afmetingen heeft, veilig."
+
+Jaren zijn voorbijgegaan, voordat Claudius, en door zijn tusschenkomst
+ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een
+levenden Nerts. Eerst in het begin van 1868 kon mijn ijverige vriend
+mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij
+hem gebracht was; het dier werd met melk en versch vleesch gevoed
+en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de
+bedaarde gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de
+val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. "De Nerts is," zoo
+schreef Claudius mij, "veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten
+en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet
+eens op mij; hij laat zich met een stokje over 't vel strijken zonder
+boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen kant van de
+kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant
+gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften te verrichten; des nachts
+wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene
+malen met geweld is losgebroken. Alleen de eerste maal vond ik hem
+echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen;
+later vond ik hem, als hij 's nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was,
+des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk
+uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen,
+en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen."
+
+Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had
+en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger liet
+aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam,
+zond Claudius hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende,
+bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing
+in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd,
+dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik mag wel zeggen,
+dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel
+genoegen veroorzaakte, als die van dezen zeldzamen, reeds jaren
+lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem
+in den besten welstand behouden. Hij verlaat zijn leger eerst vrij
+laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich
+gedurende den nacht in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af,
+en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin
+men over 't algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van
+dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van den
+nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het
+moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover ik hierover kan
+oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte
+opgesloten gevangene, nog het meest op die van den Bunzing. Hij heeft
+volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid
+in 't klimmen, die bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en
+evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen,
+dat hij geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich
+beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik
+in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele
+ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk gesplitst,
+om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem
+nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk nader,
+pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het
+met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn hol.
+
+Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel,
+hoewel Claudius meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en
+alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het
+heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van
+het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter tracht zelfs
+in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van
+het element, waarin hij zich t'huis gevoelt: de Nerts denkt hier niet
+aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in
+te baden of er in te spelen.
+
+
+
+De _Veelvraat_, een van de plompste vormen van de familie der Marters,
+vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (_Gulo_), dat de volgende
+kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en
+zeer ruig, de hals dik en kort, de rug omhoog gebogen, de kop groot,
+de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en
+sterk, de plompe voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde
+en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn.
+
+De _Veelvraat_ (_Gulo borealis_) is 95 cM. à 1 M. lang, waarvan 12 à
+15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 à 45 cM. hoog. Op
+den snuit zijn de haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig,
+aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm,
+het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen
+langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte
+met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn
+donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze vlek;
+een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich
+langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het wolhaar is grijs,
+aan de onderzijde meer bruin.
+
+De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen
+bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem door
+geheel Noord-Azië en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de
+zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op lagere breedte
+gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de
+Alpen uit. Bechstein verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein
+in Saksen, Zimmermann van een anderen, die bij Helmbstedt op
+Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als
+verdwaalde dieren beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is,
+dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts
+kwam. Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland
+(vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberië,
+Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied.
+
+De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de
+fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit dier in vele
+talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men
+heeft zich tevergeefs beijverd het woord Veelvraat uit het Zweedsch
+of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit
+"fjäl" en "fräsz" en "rotskat" beteekent; Lenz zegt echter, dat het
+woord "fjälfräsz" als diernaam in 't geheel niet tot de Zweedsche
+taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het uit
+het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier _Kampi_,
+waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen _Rosomacha_
+of _Rosomaka_, bij de Skandinaviërs _Jerf_; de Kamtschadalen noemen
+het _Dimug_ en de Amerikanen _Wolverene_. Hoogst waarschijnlijk is
+de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over
+dit dier de ronde deden, en het is door letterlijke vertaling van de
+eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft,
+zou instemmen moeten met het oude kinderrijmpje:
+
+
+ "De Veelvraat heet zoo, 't is gewis,
+ Omdat hij zeer vraatzuchtig is."
+
+
+Michow zegt n.l.: "In Litauen en Moskovië leeft een dier, dat zeer
+vraatzuchtig is en _Rosomaka_ heet. Het is zoo groot als een Hond,
+heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen
+romp en een staart als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt,
+vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan
+wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door,
+om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw en wringt zich
+nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden
+is. Het schijnt verder niets te doen dan te vreten, te drinken en
+dan weer te vreten." Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door Steller
+weersproken, terwijl reeds door Pallas een juiste levensbeschrijving
+van dit vreemdsoortige dier gegeven werd.
+
+De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft
+aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de voorkeur boven de
+ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken,
+ofschoon hij ook hier gevonden wordt. In de minst bezochte wildernissen
+houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een
+andere woning telkens als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt,
+verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft,
+zoowel in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten
+vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel hij,
+evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich
+in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust wordt,
+niet aan een bepaalden regel; ook bij 't zonlicht sluipt hij rond;
+hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet, in de noordelijkste
+gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag
+en nacht boven de kim blijft.
+
+In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten
+uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd te slapen,
+stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw
+te loopen; daar hij niet keurig is op zijn voedsel, leidt hij over 't
+algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te
+komen. De wijze, waarop hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig;
+vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende
+dieren. Deze bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke
+gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij
+hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite
+in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot staan te
+brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte
+beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt hij, dicht tegen den
+stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem
+langs gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook
+het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp.
+
+Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen,
+die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan hij
+een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote
+veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft hij bijna niet
+naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne
+rooftochten, in de hoop iets van hun buit te kunnen rooven. In geval
+van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat
+hij Rendieren, en zelfs Elanden aanvalt en doodt. Thunberg vernam,
+dat hij zelfs koeien om 't leven brengt, door haar den strot te
+verscheuren. Lôwenhjelm vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland,
+dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. Erman
+hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt
+en door beten doodt. Mijn jachtgezel Erik Swenson verhaalde mij,
+dat de Veelvraat zich in Skandinavië, vooral als de sneeuw zeer
+hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de plaatsen begeeft, waar de
+Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en
+zonder moeite doodt. De jagers haten hem in hooge mate. Mijn geleider
+verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet
+zorgvuldig onder steenen verborgen had, gedurende zijn afwezigheid
+door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het
+lokaas uit de vallen op, en verslindt de hierin gevangen dieren
+ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberië en Amerika. In
+de hutten der Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen
+aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en
+rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen,
+verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard worden, en
+vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende
+den winter is hij bij dag en bij nacht in de weer; als hij vermoeid
+is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen,
+en rust in deze nu warme slaapplaats op zijn gemak uit.
+
+Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een
+grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een tweeden
+maaltijd dienst te kunnen doen.
+
+Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat
+wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd en gedood,
+ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten
+het echter zeer hoog, en zijn van oordeel, dat geen huid beter dan
+deze voor bont geschikt is.
+
+In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat
+geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon sterk,
+woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen,
+als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk neemt hij bij 't zien
+van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen,
+in een boom, of zoekt een toevlucht op de hoogste rotspunten, waar
+zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij
+in vlakke, boomlooze landstreken spoedig ingehaald; ook tegen hen
+verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid.
+
+Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer
+grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw aan een
+paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer,
+schudt intusschen den kop en laat een grommend geluid hooren. Als
+er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon
+zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn, is hij toch voortdurend
+in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een
+en dezelfde plaats. Een boom, die in zijn kooi staat, beklimt hij
+met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de
+merkwaardige gymnastische toeren, die hij in de takken verricht.
+
+De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in
+gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen dierentuin
+waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier,
+n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er op zeer jeugdigen
+leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker
+schepsels denken dan de beide jonge dieren waren. Zeer zelden
+kwam het voor, dat zij zich gedurende korten tijd rustig hielden;
+het grootste deel van den dag sleten zij met spelen, waarmede zij
+oorspronkelijk volstrekt geen booze bedoeling gehad schenen te hebben,
+maar die spoediger ernstiger werden en van tijd tot tijd in een
+tweegevecht ontaardden, waarbij de beide helden gebruik maakten van
+hun gebit en hunne klauwen. Als het spel uit was, draafden de beide
+plompe dieren achter elkander aan, doorkruisten hun hok in allerlei
+richtingen, doorsnuffelden alle hoeken en gaten, wierpen de etens-
+en drinkbakken het onderste boven, ergerden de brave schoonmaaksters,
+die hun kooi moesten schoonmaken, door hun nimmer verflauwden ijver in
+het onderzoeken van voorwerpen en gereedschappen, waarmede zij niets
+te maken hadden, werden nogmaals boos op elkander en hervatten het
+oude spel, dat oplettende toeschouwers uren lang kon boeien. Geheel
+anders gedroegen zij zich in tegenwoordigheid van den oppasser,
+die hun voedsel bracht. Van alle middelen, waardoor een dier zijn
+honger te kennen kan geven, maakten zij gebruik. De oorsprong van
+den naam Veelvraat werd mij, toen ik ze voor de eerste maal zag
+voederen, op eens duidelijk. Jankend, huilend, knorrend, keffend,
+tandenknarsend renden zij, elkander af en toe op oorvegen onthalend,
+de kooi rond, alsof zij dol en van zinnen waren; begeerig keken
+zij naar het vleesch, wentelden zich, als de oppasser het hun niet
+oogenblikkelijk toereikte, als 't ware vol wanhoop over den grond,
+schoten, zoodra het stuk hun toegeworpen werd, er gretig op af, en
+kauwden nu, terwijl zij druk smakten, knorden en bliezen, zoo ijverig,
+slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen,
+of de sprookjes van de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in
+zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het
+gedrag van zulke gevangene Veelvraten.
+
+
+
+In Brazilië leven de _Huronen_ of _Grisons_ (_Galictis_). Deze slank
+gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken,
+van achteren verbreden kop, die bij het begin van den snuit slechts
+weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk
+groote oogen; de romp rust op korte pooten, welker matig groote
+voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte,
+eeltachtige zolen hebben; de staart is middelmatig of tamelijk lang;
+het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat
+der overige Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige
+plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot nu
+toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen
+en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al hunne bewegingen,
+klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine
+en middelmatig groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of
+Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten
+zijn de _Tayra_ der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen _Hyrare_
+noemen, (_Galictis barbara_), en de _Grison_ (_Galictis vittata_).
+
+
+
+Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande
+tweede onderafdeeling van de Marter-familie _Dassen_ (_Melidae_)
+en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de
+geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen reuk
+onderscheiden.
+
+De _Das_ is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige,
+slecht gehumeurde persoon, die als 't ware met zichzelf in strijd
+verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen,
+hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt, niet
+miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche
+Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als de Wolf of de Vos,
+zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de
+jachtliefhebbers, die toch, zooals bekend is, het meest houden van de
+dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig
+beschuldigen en veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn
+wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk
+en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze
+is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem geveld
+wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en
+dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien zoo op zijn
+gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn
+zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden te doen verwerven. Wat
+mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne
+levenswijze en zijn voorkomen vermaken mij.
+
+Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange
+kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen en kleine,
+maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen
+aan de voorpooten, een korte, behaarde staart, een dichte, grove
+vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen
+klierzak leidt, kenmerken het geslacht _Meles_, dat door den Das wordt
+vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral
+de buitengewone grootte van de eenige knobbelkies in de bovenkaak en
+de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in 't oog.
+
+De _Das_ (_Meles taxus_) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een
+lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer
+30 cM. Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een
+glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren bestaande
+vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur
+is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd, omdat ieder
+haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden
+zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan de zijden van het
+lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen
+en de voeten zwartachtig bruin. De kop is wit, maar een doffe, zwarte
+streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt
+zich over de oogen en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek
+allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes
+door hare geringere grootte en breedte, alsook door de lichtere
+kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige
+wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door
+de namen "Hondsdassen" en "Varkensdassen" wegens den vorm van den
+snuit. Volkomen witte Dassen zijn zeer zeldzaam; nog zeldzamer zijn
+die, welke op een witten grond donker kastanjebruine vlekken hebben.
+
+Met uitzondering van het eiland Sardinië en het noorden van Skandinavië
+bewoont de Das geheel Europa, zoo ook Azië van Syrië af door Georgië
+en Perzië tot in Japan, en Siberië tot aan den Lena. Vroeger kwam
+hij vrij algemeen in ons geheele land voor, nu is hij bijna overal
+zeldzaam, en vermindert daarenboven van jaar tot jaar; in Gelderland en
+Noord-Brabant is hij het algemeenst, in de meeste streken van Utrecht,
+Overijsel, Drente, Groningen zeldzaam. Hij leeft eenzaam in holen,
+die hij zelf met zijne sterke, kromme klauwen aan de zonzijde van met
+bosch begroeide heuvels uitgraaft, met 4 à 8 uitgangen en luchtgaten
+voorziet, en van binnen op de gemakkelijkste wijze inricht. Het
+voornaamste gedeelte van de woning, de kamer, die met verscheidene,
+ieder 8 à 10 M. lange gangen in gemeenschap staat, is meestal 1 1/2 à
+2 M., soms wel 5 M. diep onder de oppervlakte gelegen, en zoo groot,
+dat zij een dik, zacht moskussen en het dier zelf benevens zijne
+jongen bevatten kan. Slechts weinige gangen dienen om in en uit het
+hol te komen, de meeste doen alleen in geval van grooten nood dienst
+als vluchtwegen of ook als luchtgangen. Overal heerscht de grootste
+zindelijkheid en reinheid; hierdoor onderscheidt het hol van den
+Das zich van bijna alle overige dergelijke onderaardsche woningen
+van Zoogdieren. Boschranden, die niet ver van vlakten gelegen zijn,
+ja zelfs boomlooze hellingen te midden van een vlakte worden bij
+voorkeur voor het aanleggen van deze woningen gebruikt; altijd echter
+zijn het stille en eenzame plaatsen, die de kluizenaar hiervoor
+uitkiest. Hij houdt er van, een rustig en gemakkelijk leven te leiden
+en vooral om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door
+zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals
+eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige
+minuten in den bodem verschuilen.
+
+In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst
+als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij zich er op grooten
+afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in 't midden van den
+zomer ook wel in de laatste uren van den namiddag voor zijn genoegen
+buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op Rügen
+op klaarlichten dag ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter
+tot de zeldzaamheden. "Van een jager," verhaalt Tschudi, "die het
+zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende
+langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen wij een merkwaardig
+verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van
+een Das, dat aan den rand van een ravijn aangelegd was en dus van de
+overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was
+blijkbaar een druk gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor
+den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer
+en zoo vastgetreden, dat men niet zien kon, of er jongen in het
+hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de
+tegenoverliggende zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra
+een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept,
+nederzat, maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen
+scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo vaak
+hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met
+gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl het daar zoo
+zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen
+nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk op de wijze van de Beren op
+de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn
+zoete rust op wreede wijze verstoord door bloeddorstige parasieten,
+die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en
+klauwen ter verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das,
+die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem
+gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding
+aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens op zijn
+breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang
+duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had, naar het scheen, ergens
+de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle
+richtingen, zonder evenwel iets te kunnen ontdekken. Toch scheen hij
+het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom
+zijn hol binnen."
+
+In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel
+niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het jaar bewoont
+hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere
+dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude, uitgestrekte woningen dringt
+de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren
+bekommeren zich echter niet veel om elkander; de Vos bewoont steeds
+de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door
+zijne uitwerpselen den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een
+door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje.
+
+De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar 't
+schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij op zijn vlugst
+loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed
+voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier maakt een eigenaardigen
+indruk. In 't eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een
+Roofdier houden; men moet, naar het mij voorkomt, al eenigermate met
+zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor
+wat hij is. Aan het Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem.
+
+Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit
+wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen,
+bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge
+Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe,
+lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn,
+en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken van
+de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die
+op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond leven. Hier en
+daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met
+larven gevulde en honigzoete raten op, zonder zich veel te storen aan
+de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid
+en de daaronder gelegen vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen
+voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen,
+Vlinders en dergelijke dieren, zoekt hij van de boomen af. In den
+herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen
+wel afgevallen ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine
+Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij
+eet zelfs Hagedissen, Kikvorschen en Slangen. In de wijnbergen richt
+hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken
+zonder bezwaar met de pooten om en eet zich letterlijk dik aan hunne
+zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de
+boerderijen, die in de onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen,
+want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom
+alleen dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen
+veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over 't geheel
+genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in
+zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in Europa niet aan, in alle
+gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door
+het wegvangen en verslinden van allerlei ongedierte in bosch en veld,
+er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste;
+hij helpt het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen:
+de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich zelf
+en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd.
+
+Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans
+denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door te brengen en
+maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt
+bladen in zijn hol en maakt er een warm en dicht leger van. Totdat de
+eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden
+voorraad. Nu rolt hij zich samen, gaat op den buik liggen, steekt den
+kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt
+echter, evenals die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer
+de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij
+dooi en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms
+zelfs 's nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk warm weder
+begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van
+tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit te graven en, als het geluk
+hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het
+vasten bekomt hem echter slecht; als hij in de lente weder voor den
+dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een
+rond buikje kon verheffen, bijna zoo mager als een geraamte geworden.
+
+In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het
+wijfje 3 à 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger van
+mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol
+bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das is even zoo goed
+een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar
+liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na den zoogtijd zoo lang Wormen,
+wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf
+voedsel te zoeken.
+
+Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door
+hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van het hol,
+ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen
+zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander; zij die
+zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten,
+roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst blijven de
+jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder
+zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren geheel volwassen;
+zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar.
+
+De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel
+uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig
+werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men
+hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem dood als hij
+er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat
+zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt hij aan dit dreigend
+gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou,
+voor de Honden te vluchten. Hij tracht zich daarom, als hij in zijn
+hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar
+zeer snel zich dieper ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak
+genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan
+men den Das ook wel op den "aanstand" (d. i. van een schuilhoek uit)
+beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst vervelend,
+want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht
+en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs.
+
+Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt
+werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig voor goede
+behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch
+en boosaardig. Over dag verroeren zij zich niet, alleen 's nachts komen
+zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en
+zijn gevaarlijk, door iedereen te bijten, die hen onvoorzichtig nadert.
+
+Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig
+opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend of hoofdzakelijk
+plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht;
+zelfs kan hij er toe gebracht worden zijn oppasser te volgen en op
+diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren.
+
+Over een getemden Das schrijft Ludwig Beckmann mij: "Ik heb
+vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was
+geworden. _Kaspar_, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd,
+was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij
+wilde graag met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne
+ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename
+ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige,
+verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend had met
+allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie
+avonden echte kampspelen op; van heinde en ver kwamen dierenliefhebbers
+mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond
+hoofdzakelijk hierin, dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud
+te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder
+staanden Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den
+kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong
+over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet
+zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen. Gelukte het den
+Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige
+vechtpartij, die echter nooit in een ernstigen strijd ontaardde. Als
+het _Kaspar_ te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind
+weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan,
+zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen
+voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging het haar en het
+geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen
+met den kop te hebben geschud en na een kalmeerend geknor, dat als
+'hoe, goe, goe, goe' klonk, begon het lieve leven weer van voren af.
+
+"Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij
+rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn,
+bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter
+eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop nieuwsgierig
+in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst,
+gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong dan den
+Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten
+staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden kop op mijne knieën,
+en eischte nu met het gewone 'hoe, goe, goe, goe' een stukje vleesch,
+dat hij zeer behendig en zachtjes met de voortanden van den vork
+trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat
+op den rug te leggen en den breeden schaars behaarden buik aan de
+warmte bloot te stellen.
+
+"In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht
+boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde, en bij
+iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of
+trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij een bruine Aardslak
+met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep
+vlak achter mijne hielen; hij begon dan in den regel spoedig aan mijn
+broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet
+moedigde hem slechts aan om met zijne lompe grappen voort te gaan;
+de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer
+uit zijn humeur."
+
+
+
+Een ander geslacht is dat der _Honigdassen_ (_Mellivora_). Het bevat
+dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart;
+de romp is plomper dan bij onzen Das en diens naaste verwanten, als
+'t ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat,
+de snuit lang; de kleine oorschelpen verheffen zich slechts weinig
+boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke
+pooten hebben naakte zolen; de teenen van de voorpooten zijn met lange,
+voor 't graven geschikte klauwen voorzien.
+
+
+
+De _Honigdas_ of _Ratel_ (_Mellivora capensis_) bereikt in volwassen
+toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer
+langen staart ongeveer 25 cM. komen. Het haar is lang en stijf; het
+voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart
+zijn aschgrauw, de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van
+den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur,
+scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een
+lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in; vooral door
+het bezit van deze streep onderscheidt de _Afrikaansche Honigdas_
+zich van den _Indischen_.
+
+De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven
+worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit soort van
+werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne
+vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien hij niet de kunst
+verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in
+den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk een hol te graven, dat
+hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op
+hem afkomende vijand dichtbij genoeg is om hem te grijpen. Hij leidt
+een nachtelijke levenswijze en gaat over dag slechts zelden op roof
+uit. Op onzen jachttocht naar de Bogoslanden, zagen wij hem tweemaal,
+telkens tegen den avond, maar toch voordat de zon was ondergegaan. Des
+nachts daarentegen zwerft hij langzaam en op zijn gemak rond en maak
+jacht op kleine Zoogdieren (n.l. Muizen, Springmuizen enz.), Vogels,
+Schildpadden, Slakken en Wormen, graaft wortels en knollen uit, of
+zoekt vruchten op. Eén liefhebberij bepaalt zijn geheele levenswijze:
+hij is namelijk hartstochtelijk verlekkerd op honig en om deze reden
+een der ijverigste bijenjagers.
+
+In de boomlooze gewesten van Afrika bouwen de Bijen hare nesten
+hoofzakelijk in den grond en wel in verlaten holen van allerlei aard,
+zooals sommige Hommels en Wespen bij ons doen. Zulke nesten nu zijn
+voor den Honigdas de meest gewenschte vondst; zoodra hij zulk een
+schat ontdekt heeft, gaat hij hem onmiddellijk vol ijver opgraven. De
+Bijen verweren zich zoo goed zij kunnen en trachten den aanrander
+met haar angel zooveel mogelijk te wonden; zijn dicht behaarde,
+zeer dikke huid is echter tegen bijensteken het beste schild dat er
+bestaat, omdat zij zoo losjes verbonden is met de daaronder liggende
+vetlaag als waarschijnlijk bij geen ander dier. Men beweert, dat
+de Ratel zich letterlijk in zijn vel zou kunnen omdraaien. De Bijen
+zijn volkomen machteloos tegenover zulk een vijand en deze woelt nu
+gretig in hare woningen rond en verkwikt zich naar welgevallen aan
+haren kostelijken inhoud.
+
+De Ratel maakt trouwens niet alleen op honig jacht, maar houdt ook
+van krachtiger voedsel. Carmichael zegt, dat de Honigdas door de
+eigenaars van hoenderhokken als een van de schadelijkste dieren wordt
+beschouwd. Bij de Algoa-baai betwisten eens eenige Boeren elkander het
+eigendomsrecht op de eieren, die door de Hoenderen verlegd waren. De
+Ratel maakte in één nacht aan dezen strijd een einde door eenvoudig
+alle Hoenderen, omstreeks 30 stuks, de keel door te bijten en drie
+er van in zijn hol te sleepen.
+
+
+
+De _Indische Honigdas_ (_Mellivora indica_) komt, wat levenswijze
+betreft, met den Afrikaanschen overeen; ook hij is wegens het
+bezoeken van hoenderhokken zeer schadelijk. Hij is over geheel Indië
+ten westen en noordwesten van de golf van Bengalen tot aan den voet
+van den Himalaja verbreid, met uitzondering echter van de kust van
+Malabar en van Beneden-Bengalen. Op Ceylon komt hij niet voor.
+
+Jong gevangen Ratels worden tam en zijn zeer vermakelijk door de
+plompheid en zonderlingheid van hunne bewegingen.
+
+
+
+De _Stinkdas_, op Sumatra _Tellego_ of _Teledoe_, op Java _Segoeng_,
+op Borneo _Saät_ genoemd, (_Mydaus meliceps_, p. 155), is, zonder het
+ongeveer 2 cM. lange staartstompje, 35 cM. lang. Het dicht en lang
+behaarde vel is, met uitzondering van het achterhoofd en den nek,
+effen donkerbruin van kleur. Een witte of geelachtig witte streep
+loopt langs den rug tot aan de staartspits. De onderzijde van het
+lichaam is lichter gekleurd dan de bovenzijde. De vacht bestaat uit
+zijdeachtig zachte wolharen en grof bovenhaar, dat aan de zijden en
+op den nek een soort van manen vormt. De Stinkdas bewoont Sumatra,
+Java en Borneo; of hij ook op het Maleische Schiereiland en andere
+deelen van het vastland voorkomt, is nog niet uitgemaakt.
+
+Horsfield heeft ons voor 't eerst de levenswijze van dit eigenaardige
+dier leeren kennen. Zijn woning legt de Stinkdas met groote
+voorzichtigheid en veel behendigheid op geringe diepte onder de
+oppervlakte aan. Als hij een plaats heeft gevonden, die door lange en
+stevige boomwortels goed beveiligd is, graaft hij tusschen de wortels
+een hol, zoodat de bolvormige kamer, die bijna 1 M. middellijn heeft
+en regelmatig uitgegraven wordt, onder den boom komt te liggen. Van
+hier uit leiden gangen van ongeveer 2 M. lengte naar de oppervlakte;
+zij zijn naar verschillende zijden gericht en hunne openingen
+zijn gewoonlijk onder takken en droge bladen verborgen. Gedurende
+den dag blijft hij in zijn hol verscholen; na het invallen van
+den nacht begint hij jacht te maken op allerlei larven en Wormen,
+vooral Aardwormen, die in de vruchtbare teelaarde in buitengewoon
+grooten getale voorkomen. Hij wroet de Regenwormen als een Zwijn
+uit den grond, en richt hierdoor op de akkers schade aan. Volgens
+Horsfield is hij op Java uitsluitend beperkt tot hoogten die meer dan
+2000 Meter boven den zeespiegel liggen, en komt hier even geregeld
+voor als sommige plantensoorten. Door latere onderzoekers wordt deze
+mededeeling echter uitdrukkelijk weersproken. Karl Bock verzekert,
+dat de Saäts, die in Zuidoostelijk Borneo "even overvloedig zijn als
+de Ratten," daar gevonden worden op hoogten, "die 800 of 1000 voet
+niet te boven gaan. Ook op Sumatra," zegt hij verder, "bedraagt de
+grootste hoogte, waarop de Saät wordt aangetroffen, geen 1000 voet,
+en op deze hoogte komt hij slechts zelden voor."
+
+Alle bewegingen van den Stinkdas zijn langzaam; hij wordt daarom
+dikwijls door de inboorlingen gevangen, die volstrekt niet bang voor
+hem zijn; naar gezegd wordt, eten zij zijn vleesch in de meening,
+dat ieder die dit durft doen, voortaan tegen ziekte gevrijwaard is.
+
+Horsfield gaf gedurende zijn verblijf in het gebergte Prahoe op Java
+aan de inboorlingen last hem voor zijne onderzoekingen Stinkdassen te
+verschaffen; deze werden hem in zoo groote menigte gebracht, dat hij
+er weldra geen enkele meer kon aannemen. "Men verzekerde mij," zegt
+deze onderzoeker, "dat het vleesch van den 'Teledoe' zeer goed smaakt;
+het was echter noodig, het dier schielijk te dooden en zoo spoedig
+mogelijk de stinkklieren te verwijderen, voordat deze hun helschen
+stank aan de overige lichaamsdeelen hadden medegedeeld. Van mijn
+Indischen jager vernam ik, dat de Stinkdas zijn stikvocht slechts op
+een afstand van hoogstens 60 cM. kan spuiten. Dit vocht is kleverig;
+zijn werking berust op de gemakkelijkheid waarmede het verdamt;
+soms worden de omstreken van een dorp er geheel door verpest; in de
+onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze stof werd uitgespoten,
+is de stank zoo hevig, dat sommige lieden flauw vallen, als zij
+genoodzaakt zijn eenigen tijd daar te blijven. De Amerikaansche
+Stinkdieren verschillen van onzen Teledoe o. a. hierdoor, dat zij
+het vocht verder kunnen spuiten."
+
+"De Stinkdas is zachtaardig en vreedzaam van natuur en kan, als men
+hem jong vangt, gemakkelijk getemd worden. Een Exemplaar, dat ik
+gevangen hield, werd weldra zeer lieftallig, schikte zich in zijne
+gevangenschap, herkende zijn oppasser en geraakte nimmer in zulk een
+woede, dat hij van zijne stinkklieren gebruik maakte."
+
+
+
+Men kan niet zeggen, dat eenig lid van de familie der Marters een
+aangenamen geur verspreidt; integendeel zelfs bij de inheemsche
+soorten zijn er, welker stank spreekwoordelijk is geworden. Wat
+beteekent echter de stank van onzen Bunzing in vergelijking met dien
+van eenige zijner in Amerika en Afrika levende verwanten en met dien
+van den zoo even beschreven Stinkdas uit het zuidoostelijke gedeelte
+van de Oude Wereld! Zij zijn de stinkers bij uitnemendheid! Als men
+leest, welk een afschuw zij kunnen inboezemen overal waar en zoodra
+zij zich vertoonen, begrijpt men eerst recht, welk een uitmuntend
+verweermiddel een echte stinkklier is. Alle Amerikaansche reizigers
+en natuuronderzoekers verklaren eenstemmig, dat het niet mogelijk is,
+de werking van het afscheidingsproduct der stinkklieren naar behooren
+te beschrijven. Geen scheikundig laboratorium, geen riool, geen kreng,
+verbreidt een stank zoo hevig, zoo onuitstaanbaar als dien, waaraan de
+(voor het uitwendige zoo sierlijke) _Stinkdieren_ hun naam te danken
+hebben; weken, zelfs maanden lang blijft hij gebonden aan het hiermede
+bezoedelde voorwerp. Men noemt dezen stank terecht een "pestlucht";
+want iemand, die het ongeluk heeft, met een Stinkdier in aanraking
+te komen, wordt werkelijk door iedereen gemeden als ware hij een
+pestlijder. Ondanks hun geringe grootte zijn de Stinkdieren zulke
+vreeselijke en machtige vijanden van den mensch, dat zij ieder, dien
+zij met hun vreeselijk vocht bespuiten, in den letterlijken zin van
+'t woord uit de samenleving verbannen; zij zijn dus bij machte hem een
+straf op te leggen, die al mee tot de zwaarste ontberingen behoort,
+die iemand kunnen ten deel vallen. Zij zijn in staat een huis geheel
+onbewoonbaar te maken, of een met de kostbaarste goederen gevulde
+schatkamer haar waarde te doen verliezen.
+
+De Stinkdieren onderscheiden zich van de overige Dassen door den
+aanmerkelijk slankeren romp, den langen, dicht behaarden staart, den
+grooten gezwollen neus, de zwarte grondkleur, die met witte banden
+geteekend is. De kop is klein in verhouding tot het lichaam en loopt
+spits toe; de kleine oogen hebben een doordringenden blik; de ooren
+zijn kort en afgerond; de korte pooten hebben matig groote voeten
+en vijf bijna geheel met elkander vergroeide teenen, die vrij lange,
+zwak gekromde nagels dragen; van de zool zijn minstens de eeltballen
+onbehaard. De beide stinkklieren hebben een aanzienlijken omvang en
+monden in den endeldarm uit; iedere klier bevat een holte ter grootte
+van een hazelnoot, bekleed met een klierlaag, die de gele, olieachtige
+vloeistof afscheidt, welke de holte vult en voorts omgeven door een
+dikke spierlaag, die door haar samentrekking het vocht verscheidene
+Meters ver voortstuwen kan. Van oude dieren en vooral van mannetjes
+heeft dit vocht, naar men zegt, een heviger werking, dan van wijfjes
+en jongen.
+
+De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten,
+die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven de
+uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag
+liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten en
+in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en
+huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren. Hun
+gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibiën, Vogels en
+kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels. Alleen
+als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het
+bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner aarsklieren om
+hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede
+zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste Katten op een behoorlijken
+afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn,
+den bedrijver van dit schelmstuk met ware doodsverachting te lijf
+gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende
+soorten komen in levenswijze met elkander overeen; wij kunnen daarom
+met de beschrijving van een of twee soorten volstaan.
+
+Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier,
+dat bij de Brazilianen _Surilho_ heet (_Mephitis suffocans_);
+het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart,
+en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening. Het dichte,
+lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te
+beginnen allengs langer wordt, verschilt in kleur van zwartachtig
+bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het
+voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden door een strook ter
+breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch
+zelden ontbreken zij geheel, zoodat het dier effen zwart is. Hensel
+verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho's te vinden zijn,
+die volkomen overeenstemmen.
+
+De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die
+der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch alleen
+in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het
+gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid door de kleine,
+trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van 't bosch in den
+met gras begroeiden bodem maakt met het doel om Mistkevers te zoeken.
+
+
+
+In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de
+slechts befaamde _Skunk_ (_Mephitis varians_). De lichaamslengte van
+dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de
+grondkleur van de glanzige vacht. Aan den neus begint een smalle, witte
+streep, die tusschen de oogen doorloopt, zich op het voorhoofd tot
+een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt
+en eindelijk in een band overgaat, die zich tusschen de schouders in
+twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en
+zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan
+de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan de borst en
+den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken
+zich, zooals gezegd is, twee breede, witte overlangsche strepen uit;
+soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze
+over dit lichaamsdeel verdeeld.
+
+De _Skunk_ is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze
+gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed bekend,
+en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn
+verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt; het veelvuldigst wordt
+hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich
+naar het zuiden verbreidt. Hij houdt zich in hoog gelegen gewesten op,
+voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers,
+ook wel in rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het
+gesteente bewoont.
+
+Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen,
+dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont. Al zijne
+bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar
+alleen gaan en huppelen. Bij 't gaan zet hij nagenoeg de geheele
+zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart
+benedenwaarts gericht. Af en toe wroet hij in den grond, of snuffelt
+rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet,
+blijft het rustig staan, licht den staart, op, draait zich om, en
+spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als
+de honden het staande houden, legt het, volgens Hensel, den staart als
+een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op
+hem aandringende vijanden, en maakt uit toorn zonderlinge, huppelende
+bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De
+honden kennen het gevaarlijke wapen van hun tegenstander zeer goed,
+en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige
+Honden hebben den moed, het Stinkdier te grijpen en te dooden. Nooit
+verspilt het aangevallen dier zijn pestvocht voorbarig; het bepaalt
+zich tot bedreigingen, zoolang de Honden eenige schreden ver van hem
+verwijderd blijven.
+
+Audubon ervoer de vreeselijkheid van het Stinkdier aan zichzelf. "Dit
+kleine, aardige diertje, dat er zoo onschuldig uitziet," zegt hij,
+"is niettemin in staat om iederen praalhans door het eerste schot
+op de vlucht te jagen, en hem van angst te doen schreeuwen. Ik zelf
+heb eens als kleine schooljongen zulk een droevige ondervinding
+opgedaan. De zon was juist ondergegaan. Ik ging met eenige vrienden
+langzaam mijns weegs. Op eens zagen wij een allerliefst, ons geheel
+onbekend diertje, dat bedaard rondsloop, vervolgens staan bleef en ons
+aankeek, alsof het ons als een oude bekende opwachtte om ons gezelschap
+te houden. Het diertje zag er zoo onschuldig en aanlokkelijk uit; het
+hield zijn ruigen staart recht omhoog, alsof het hierbij aangevat en
+in onze armen naar huis gedragen wilde worden.--Ik was geheel verrukt,
+tastte vol blijde verwachting toe--en pats! daar schoot het duivelsche
+beest mij zijn pestvocht in den neus, in den mond, in de oogen. Als
+door den bliksem getroffen, liet ik het monster vallen en nam in
+doodsangst de vlucht."
+
+De in Zuid-Amerika levende Stinkdieren verschillen, wat de
+krachtige werking van hun pestvocht betreft, volstrekt niet van de
+Noord-Amerikaansche.
+
+In de gevangenschap ledigen de Stinkdieren hunne klieren niet, wanneer
+men zich zorgvuldig wacht hen te plagen. Zij worden na korten tijd
+zeer tam en geraken eenigermate aan hun verzorger gewoon, ofschoon
+zij in 't eerst met het achterdeel naar hem gericht zich bewegen,
+den staart omhoog heffend, om voortdurend gereed te zijn den vijand
+de volle laag te geven. Hooi is hun liefste leger. Zij bereiden zich
+een gemakkelijk bed en rollen zich daarop als een bal ineen. Na het
+eten poetsen zij zich den snuit met de voorpooten; want zij zijn
+zindelijk en houden hun haar steeds netjes en glad; ook laten zij
+hun vuil nimmer op hun leger vallen. Zij worden met vleesch gevoed;
+het liefst eten zij Vogels.
+
+Het vel van den Skunk, waaraan men den onaangenamen reuk geheel kan
+ontnemen, vormt sedert 1860 een belangrijk handelsartikel. Ieder jaar
+worden ongeveer 600.000 van deze vellen (welker prijs f 3.60 à f 7.20
+bedraagt) uitgevoerd, voornamelijk naar Rusland en Polen.
+
+
+
+In Afrika vindt men in plaats van de Stinkdieren de _Bandbunzingen_,
+die door hun vorm en andere uitwendige eigenschappen veel op de
+dieren van de vorige groep gelijken; hun gebit komt echter meer met
+dat van de Marters dan met dat van de Stinkdieren overeen. Zij hebben
+behaarde zolen.
+
+De best bekende soort van dit geslacht is de _Zorilla_, de _Muishond_
+van de Europeesche kolonisten in het Kaapland (_Rhabdogale mustelina_),
+een dier van 35 cM. lichaamslengte benevens 25 cM. staartlengte.
+
+Hij is over geheel Afrika verbreid, gaat ook nog verder dan de
+landengte van Suez, komt in Klein-Azië voor, en wordt zelfs, naar men
+zegt, in de nabijheid van Konstantinopel (natuurlijk alleen aan de
+Aziatische zijde van de zeeëngte) aangetroffen. Bij voorkeur houdt
+hij zich in rotsachtige gewesten op. Hier leeft hij in spleten van
+het gesteente of in zelf gegraven holen onder boomen en struiken. Hij
+heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; hierdoor komt het, dat hij
+over 't geheel slechts zelden gezien wordt. Zijn voedsel bestaat uit
+kleine Zoogdieren, voornamelijk uit Muizen, kleine Vogels, vogeleieren,
+Amphibiën en Insecten. Niet zelden wordt hij gevaarlijk voor het
+pluimvee, omdat hij op de wijze van de Marters in de boerderijen
+sluipt en als een Bunzing moordt.
+
+Door zijne bewegingen gelijkt hij niet op de Marters; want hij is
+minder behendig en moet eerder traag genoemd worden. Het klimmen
+verstaat hij niet, en ook voor het water heeft hij een grooten afschuw,
+ofschoon hij, als het zijn moet, zeer goed zwemt. Zijne afschuwelijke
+wapens gebruikt hij geheel op dezelfde wijze als het Stinkdier.
+
+
+
+In de derde onderfamilie van de Marters vereenigt men de _Otters_
+(_Lutridae_). De hiertoe behoorende soorten, ongeveer 20 in getal,
+zijn gekenmerkt door den gestrekten, platten, op korte pooten rustenden
+romp, den platten kop met den stompen snuit, kleine, uitpuilende oogen
+en korte, ronde ooren, de zeer ontwikkelde zwemvliezen tusschen de
+teenen, den langen, spits toeloopenden, eenigszins plat gedrukten
+staart en het korte, stijve, gladde, glanzige haar. Hunne voor- en
+achterpooten hebben vijf teenen, de beide middelste zijn slechts weinig
+langer dan de zijwaarts gerichte. In de aarsstreek komt geen klierzak
+voor; twee klieren monden echter naast de aarsopening uit. Door het
+gebit en den bouw van het geraamte geleken de Otters nog zeer op
+de overige Marters. Een zeer eigenaardig kenmerk, dat ook aan het
+geraamte zichtbaar is, levert echter de in 't oog loopend platte kop,
+welks breede schedel zich aan het voorhoofd sterk versmalt, en die
+in een korten snuit eindigt.
+
+De Otters bewonen de rivieren en de zee; zij zijn over bijna alle
+deelen der aarde, met uitzondering van Australië en de Poolgewesten,
+verbreid. Slechts door den nood gedwongen verwijderen zij zich van
+het water; ook dan doen zij dit alleen met de bedoeling om een ander
+water op te zoeken. Zij zwemmen en duiken meesterlijk, kunnen langen
+tijd onder water blijven, loopen ondanks hunne korte pooten tamelijk
+snel, zijn sterk, moedig en koen, verstandig en geschikt om getemd
+te worden; bijna overal leven zij echter op gespannen voet met den
+mensch, omdat zij dezen zooveel nadeel doen, dat de kostbare pels,
+die zij leveren, daarvoor op lange na geen vergoeding schenkt.
+
+
+
+Europa dient tot woonplaats aan een enkele soort van deze onderfamilie,
+de _Otter_ of _Vischotter_ (_Lutra vulgaris_), een Watermarter van
+ruim 1.2 M. lengte, waarvan 40 à 43 cM. op den staart komen. De kop
+is langwerpig rond, de snuit afgerond, de oogen klein maar vurig; de
+romp is vrij slank, maar plat, de staart meer of minder rondachtig,
+aan de spits sterk versmald; de zeer korte pooten, welker teenen met
+elkander verbonden zijn door zwemvliezen, die zich tot aan de klauwen
+uitstrekken, worden met de geheele zool op den grond gezet. Een dichte
+en kort aanliggende beharing, die uit stevig, stijf, glanzig bovenhaar
+van donkerbruine kleur bestaat, bedekt het lichaam; alleen aan de
+onderdeelen wordt de haarkleur iets lichter; onder den hals en aan de
+zijden van den kop gaat zij over in witachtig grijsbruin, terwijl de
+in 't haar verborgen rand van 't oor een lichtbruine kleur heeft; een
+lichte, wegsmeltende, witachtige vlek bevindt zich boven het midden
+van de onderlip; enkele onregelmatige, zuiver witte of witachtige
+vlekjes komen aan de kin en tusschen de onderkaakshelften voor. Sommige
+exemplaren hebben eer een grijsbruine dan een donkerbruine kleur.
+
+Onze Vischotter bewoont geheel Europa en bovendien het grootste
+gedeelte van Noord- en Middel-Azië; in oostelijke richting strekt
+zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan den mond van den Amoer,
+zuidoostwaarts minstens tot aan de noordwestelijke gedeelten van
+den Himalaja. In de Poolgewesten dringt hij, naar het schijnt,
+niet ver noordwaarts door, toch vindt men hem, hoewel zelden,
+ook nog in Lapland; in Siberië komt hij niet binnen den Poolcirkel
+voor. In Indië, China en Japan wordt hij door nauw verwante soorten
+vervangen, in Afrika en Amerika door soorten, die men tot afzonderlijke
+onder-geslachten brengt. In Middel- en Zuid-Europa bewoont hij elk
+water, dat hem voedsel belooft, zelfs rivieren en beken van de
+volkrijkste gedeelten van sterk bevolkte staten; in Middel-Azië
+ontbreekt hij evenmin op plaatsen die voor hem geschikt zijn. De
+Indische Otter gaat zelfs in brak water en zeewater, leeft in de
+monden van rivieren en bezoekt nu en dan de zee.
+
+De Vischotter was voorheen in de groote en kleine wateren van ons
+geheele land vrij algemeen; hij wordt echter elk jaar zeldzamer en
+is in vele streken reeds geheel uitgeroeid. Het meest houdt hij van
+rivieren, welker oevers tot op grooten afstand met bosch begroeid
+zijn. Hier woont hij in onderaardsche gangen, die geheel naar zijn
+smaak en in overeenstemming met zijne gewoonten ingericht zijn. De
+ingang van het hol bevindt zich steeds onder water, gewoonlijk 1/2
+M. onder den waterspiegel. Van hier gaat een ongeveer 2 M. lange gang
+in schuinsche richting naar boven, en komt uit in een ruime kamer,
+die geregeld met gras bekleed en steeds droog gehouden wordt. Een
+tweede, enge gang loopt van de kamer naar den bovenrand van den oever,
+en doet als luchtververschingskanaal dienst. Steeds heeft de Otter
+verscheidene woningen, tenzij het water, waarin hij zich ophoudt,
+buitengewoon rijk aan Visschen is, zoodat hij geen groote zwerftochten
+behoeft te ondernemen. Bij hoogen waterstand, als zijn hol overstroomd
+wordt, zoekt hij een schuilplaats op nabijgelegen boomen of in holle
+stammen, en rust hier uit; ook ontspant hij zich hier, als hij van
+zijn jachtterrein, van 't water, terugkomt.
+
+Aan eigenaars van vischwaters en aan hartstochtelijke hengelaars
+geeft de Otter, door de groote schade die hij aanricht, veel stof
+tot ergernis; voor den natuuronderzoeker levert hij echter een zeer
+aantrekkelijk onderwerp van studie op. Het leven van dit dier is
+zoo eigenaardig, dat het iederen vriend der natuur moet boeien. Aan
+den Vischotter is alles merkwaardig: zijn handel en wandel in 't
+water, zijne bewegingen, de wijze waarop hij zich voedsel verschaft,
+en zijne geestelijke vermogens. Ontegenzeggelijk is hij een van de
+belangwekkendste dieren van ons werelddeel. Dat hij een echt waterdier
+is, ziet men dadelijk, ook als hij zich op het land bevindt. Wegens
+zijne korte pooten gelijkt zijn gang, die echter volstrekt niet
+langzaam is, op het kruipen van een Slang.
+
+Geheel anders beweegt hij zich in 't water, zijn eigenlijke woonplaats,
+die hij bij de geringste aanleiding tot vluchten tracht te bereiken,
+om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van
+zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke wijze
+te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de
+korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen veranderde
+voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als
+roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige pels--al deze
+eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het
+water mogelijk. Voor het grijpen van den buit dient hem het scherpe,
+voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp,
+hoe glad en glibberig het ook zij, nooit weder loslaat. In den winter,
+als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het
+ijs op, waardoor hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt
+om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te
+vergissen weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken
+van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat in 't
+ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor
+hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in staat te stellen
+tot het jagen in het toegevroren water.
+
+In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder
+dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding vindt
+tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men
+hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van hem verneemt, als
+hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als
+de dikwijls en snel achtereenvolgens herhaalde klank "gierk"; het is
+zoo schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw
+verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.
+
+De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert
+en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene honderden
+schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk
+een verschijning is voor hem steeds een reden om ten spoedigste naar
+het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan
+hij is blootgesteld, hebben hem zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer
+listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan
+zonder hem waar te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang
+op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig
+houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke
+jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden tot op een
+afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen
+die aan groote rivieren of stroomen liggen, meestal zonder dat men
+van zijn aanwezigheid iets bemerkt.
+
+Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven
+echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich bij andere
+wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan
+gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen zij den stroom op,
+en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen
+terdege af; tevens bevisschen zij tot op een afstand van een mijl van
+hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier
+uitmonden of met haar in gemeenschap staan.
+
+In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en
+den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water drijft hij
+de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen
+en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt hen, door meermalen
+met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of
+onder steenen te verschuilen, waar zij hem dan zeker ten buit vallen.
+
+De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine
+en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn
+lievelingsspijs zijn.
+
+Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in
+elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, bij ons
+gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude
+boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den waterkant op een
+zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont
+hun veel liefde en verpleegt ze met de grootste zorgvuldigheid. In
+het derde levensjaar zijn zij volwassen.
+
+Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood
+gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken een soort
+van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft
+men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.
+
+Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn
+meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een trouwe Hond
+op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig
+voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever eet dan vleesch; dit kan
+zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in 't geheel niet meer aanraakt.
+
+"Een welbekend jager," verhaalt Wood, "bezat een Otter, die
+uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, _Neptunus_, geroepen werd,
+antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn
+jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, en met de jaren namen
+zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond,
+en mocht naar welgevallen visschen. Soms voorzag hij geheel alleen
+de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij
+hieraan het grootste deel van den nacht. Des morgens stond _Neptunus_
+steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit
+vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande Honden
+en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn
+bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn roem van dag tot
+dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch
+uitspraken, dat hij hun het dier voor een of twee dagen zou leenen,
+opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen."
+
+De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht,
+onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid zijn vele
+wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of
+onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den "aanstand" (d. i. van
+een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt,
+dat een mensch in de nabijheid is, komt hij niet te voorschijn. In
+den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral
+als men in de nabijheid van de wakken het dier opwacht. Het meest
+vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij
+het water verlaat, zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer
+5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos
+bedekt. Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot,
+waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen
+vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De
+weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op zulk een wijze
+vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren
+en vijvers vervolgt men hem in lichte schuiten, en schiet op hem,
+zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen
+verraden den weg, dien hij onder water aflegt, en geven den jagers de
+richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze
+van jagen niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den
+bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot weer
+boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren,
+waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze van jagen in
+praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door
+de rivier, en laat den Otter opjagen door de voor dit doel afgerichte
+Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen
+staan bij de netten, of gaan, zoo dit mogelijk is, met de Honden in
+de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en
+dragen het daarna trotsch op de spiesen naar huis. Zoo jaagt men den
+Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers
+zich hierdoor een grooten naam verworven hebben. De gevangen Otter
+sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht,
+en is dan ook zeer gevaarlijk voor onvoorzichtige Honden, daar hij
+dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende
+Otterhonden weten trouwens dergelijke aanvallen te ontwijken, en
+hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op 't oogenblik
+van den dood laat de Otter klagende en kermende geluiden hooren.
+
+Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en
+andere winterkleederen; in Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde
+ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en
+vrouwen gedragen worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er
+pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen;
+in Kamtschatka eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare
+sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid
+tot zich trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet
+behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de
+fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.
+
+
+
+Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op
+sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort van de
+onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De _Zeeotter_ of
+_Kalan_ (_Enhydris lutris_), vertegenwoordiger van een afzonderlijk
+geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De
+kop is wel is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan
+bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond;
+de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht
+behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter alleen
+door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte
+huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen hebben. De achterste
+ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van
+de Zeehonden, van welker achterste vinvoeten zij zich onderscheiden,
+doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In
+vele opzichten gelijken de achterpooten van den Zeeotter op die van
+den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte,
+zijdeachtige haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange,
+stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine
+vacht van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne
+wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte of bruinachtig
+grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen
+Zeeotters bereiken een totale lengte van minstens 1.5 M., waarvan
+ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 à 40 KG.
+
+Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke
+gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in 't noorden ongeveer
+door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd
+wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder zuidwaarts dan
+langs de Aziatische, nl. tot 28° N.B.; ook hier wordt hij echter van
+jaar tot jaar zeldzamer.
+
+De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door Steller,
+die in 1741 met Bering op het Bering-eiland schipbreuk leed, en
+uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. "De huid
+van den Zeeotter," zegt Steller, "is los verbonden met het vleesch
+en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing
+overtreft door lengte, schoonheid en zwartheid van kleur het haar van
+alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen
+worden. De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk
+met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden
+ingeruild, met 80 à 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed
+eetbaar en smakelijk.
+
+"Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier;
+hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig
+en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn
+beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen deze dieren
+familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen
+jongen en de zeer kleine zuigelingen. De liefde van de ouders voor
+hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest
+klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen, en als zij hun ontnomen
+worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken
+zij zich dit verlies zoo sterk aan, dat zij, naar wij uit tamelijk
+betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 à 14 dagen zoo mager worden
+als een geraamte, ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken
+willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er
+slechts één en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met
+een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den bek; in
+de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen
+de voorpooten, zooals een moeder haar kind in de armen houdt. Zij
+spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het
+omhoog en vangen het als een bal op, stooten het in 't water, opdat
+het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is,
+weer bij zich en kussen het als een mensch.
+
+"Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften,
+Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit waterplanten
+of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich
+de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging naar Rusland
+verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver
+of rivier voortplanten. Want het zeewater is voor hun welzijn niet
+volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen
+achtereen op eilanden en in kleine rivieren ophielden. Nog moet ik
+doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het
+bijna 6 maanden lang ons uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een
+heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders.
+
+"De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij
+zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich geen schooner
+schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als 't
+ware met zwarte, glanzige zijde bekleed is. Ook is het merkwaardig,
+dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij
+een fraaiere vacht hebben. De geheel witte dieren, die waarschijnlijk
+een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en
+laten zich bijna niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij
+gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en
+maken zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer
+vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden
+wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen
+den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag op den kop
+geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten.
+
+"In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en
+worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn die, welke in de
+maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar
+China. In Kamtschatka kent men geen grooter staatsie dan een kleed,
+vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont
+afgezet. Eenige jaren geleden droeg iedereen daar nog kleederen van
+Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden
+zijn; bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier,
+warmer en duurzamer."
+
+De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens
+zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam,
+maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan
+naderen. _Pechuel-Loesche_, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam
+bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en
+er nu en dan jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich
+door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst
+zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet
+onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren, wanneer men ze
+niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten
+kan. Met één enkele boot levert zulk een jacht weinig kans op succes,
+want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan
+dikwijls op een andere plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven.
+
+De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer
+stil weder varen de jager in hunne "bidarkas," die een lange lijn
+beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze
+onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats waar het
+dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als
+hij zich opnieuw vertoont, door het werpen met speren en een gillend
+geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt
+nogmaals een kring gevormd, en deze handelwijze wordt voortgezet,
+totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te
+ademen, vermoeid wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit
+gemaakt. Zulk een jacht kan 2 à 3 uren duren, voorzoover zij niet
+door een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op
+deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk hun zeer
+dienstig is, misschien 40 à 50 Otters; ieder van deze dieren heeft
+voor hen een waarde van minstens 120 gulden.
+
+Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten;
+zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren. Bij
+stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind
+gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter, die aan gindsche
+zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel
+door den kop te jagen. Het geraas van de branding, het omhoogspattende
+schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar
+te herkennen, zoodat de volhardende schutter het den eenen kogel na
+den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen
+heeft, gaat hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind
+en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en
+meest opwindende wijze van jagen is echter het "otterslaan", daar dit
+bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen en onder
+omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren
+opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op de afgelegene,
+eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch,
+door de al hooger stijgende branding in hun rust gestoord, en zien
+zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen,
+dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst vermetele jagers wagen hun leven
+om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere
+rustplaatsen te overrompelen. Als de reis naar deze klippen gunstig
+afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den
+wind naar boven en dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar
+vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft
+het gedruisch, dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de
+nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op
+te merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan één
+uur 78 Zeeotters buit gemaakt.
+
+Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats
+had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar te beperken, is het
+te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop
+uitgeroeid zal zijn, en, evenals de Zeekoe van Steller, weldra tot
+de dieren zal behooren, die wij als 't ware voor onze oogen van de
+aarde hebben zien verdwijnen.
+
+
+
+Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de
+aandacht van het kijkgrage publiek meer in 't bijzonder gevestigd wordt
+door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich
+steeds beijveren om de bedoelde dieren, de _Hyenas_ (_Hyaenidae_), voor
+te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen
+toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid, bloeddorst,
+arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste
+beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt; hij zal er
+bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en
+hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken in de gemoederen
+van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer dieren onbekend
+zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware
+voorstellingen te doen verdwijnen; ten spijt van de moeite, die
+velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de
+genoemde, sinds overouden tijd opgedischte fabels ook thans nog geloof.
+
+Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel
+wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd is
+geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste
+dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden hun stem en
+hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel;
+men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren de stem van den mensch
+nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te
+vermoorden. Het merkwaardigste van het geval is, dat deze verhalen
+weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de
+Hyenas bewonen. Zoo vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen,
+die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en
+gewis, dat menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden;
+zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige
+toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke
+bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd, dat
+de Hyenas niets anders zijn dan vermomde toovenaars, die over dag
+in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas
+veranderen om alle rechtvaardigen te benadeelen. Mij zelf hebben zij
+verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena's
+te schieten, waarbij mij griezelige verhalen werden gedaan over de
+macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten.
+
+Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende
+gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke verhalen gedaan
+en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante
+hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas bevestigd. Zij gelijken
+op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht
+is volstrekt niet aanlokkelijk, maar beslist terugstootend. Alle
+Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als
+middelvormen tusschen Honden en Katten; wij kunnen ons met deze
+zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere,
+eigenaardige gedaante hebben. De romp is gedrongen, de hals dik,
+de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten
+zijn langer dan de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden
+stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren
+zijn slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef
+geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste,
+wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals,
+de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht reikt, en
+de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt
+tot manen, die op varkensborstels gelijken, de doffe, nachtelijke
+kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk,
+dien het geheele dier maakt. Bovendien zijn alle Hyenas nachtdieren,
+hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk
+soms op een afgrijselijk gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig,
+verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna
+hinkende bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk
+iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk
+schoon noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten
+merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt,
+dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone
+stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij te trekken
+van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste
+beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn zeer ontwikkeld, de
+hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich
+door hun sterk ingedrukte kroon, de scheurkiezen door hun massieve
+ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met
+hoornachtige papillen bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige
+klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken
+van deze dieren.
+
+Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het
+omvat--waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen
+gelegen landen van het westen--geheel Afrika en Zuid-Azië tot
+aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen
+landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en
+met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige
+landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van
+echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men ze alleen
+dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan
+zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan. Dan eerst verneemt
+men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine
+gezelschappen vereenigd rondzwerven, en op buit of op den afval van
+den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar
+afschuwelijk nachtgezang laat hooren, zijn de andere gewoon in te
+vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet
+zoo afkeerwekkend, als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche
+geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende
+of knorrende. Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de
+Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend
+gelach. Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte
+huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker
+herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan
+der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer waarschijnlijk,
+dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst
+uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn, dat het gehuil in een
+streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit
+nachtelijk concert het een of ander te eten heeft gevonden. Zoolang de
+nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging;
+zij komen zelfs onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de
+Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug.
+
+Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door
+het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door een gewond
+dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke
+gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten of Runderen,
+die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom
+het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen heendringen. Zoodra
+zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven
+nu zoo onhoorbaar mogelijk (want tot sluipen zijn zij niet in staat)
+met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en
+speuren telkens als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om
+weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de
+Gestreepte; in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd
+erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood dier
+kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos door
+dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij
+richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren schade aan. Maar ook
+met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte
+nadeelen soms zeer belangrijk. Selous verloor door haar in Zuid-Afrika
+twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een
+andere keer vraten zij een 's avonds door hem geschoten Leeuwin 's
+nachts gedeeltelijk op. In allen gevalle wagen zij den strijd met
+gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte
+dieren en geen krengen kunnen vinden.
+
+In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en
+jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals de Wolven met
+hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze
+op. Zulke jachtbedrijven moeten echter als uitzonderingen beschouwd
+worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om
+ieder dergelijk voorwerp is weldra een groot gezelschap Hyenas aan
+den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet
+te beschrijven. Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij
+zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles,
+zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls
+gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen strijd geraken;
+door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach,
+dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig mensch waarlijk op
+het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier
+bijeengekomen waren.
+
+Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt
+de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe nut
+op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode
+dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten uit den
+weg geruimd.--De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken,
+worden steeds gevolgd door een of minder groot aantal Hyenas, die als
+'t ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze
+expedities haar ten deel zullen vallen.
+
+Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en
+ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van dezen aard
+bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht,
+dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid boven allen twijfel
+verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk
+alleen dan een strijd met volwassenen, wanneer deze ziek of afgemat
+zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter
+weerbare mannen. In eenige streken van Afrika wordt zij daarom als
+een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte
+voorkomt. Wegens de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden
+zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele
+stammen vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken,
+vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die op zeer
+jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en
+worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen de gevangenschap
+zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.
+
+In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de
+aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in Middel-Europa
+veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en
+uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer dieren ten duidelijkste
+blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten
+van deze familie, de drie echte Hyenas en de Aardwolf, die als een
+middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd
+mag worden.
+
+
+
+De _Gestippelde_ of _Gevlekte Hyena_ (_Hyaena crocuta_) onderscheidt
+zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de
+Gestreepte Hyena, die veel vaker naar Europa wordt overgebracht, en
+van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die
+nu eens wat meer, dan weer wat minder naar 't vaalgele zweemt, staan
+op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen
+bruine vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig,
+de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart;
+de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af:
+sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte
+van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80
+cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook veel grootere
+exemplaren voor.
+
+De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van
+de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar zij
+veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en
+Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; verder zuidwaarts
+echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de
+eenige. In Abessinië is zij algemeen, in de gebergten komt zij tot op
+4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en
+al op die van hare verwanten; zij wordt echter wegens hare grootte
+en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk
+daarom als een onheilvoorspellend, betooverd wezen beschouwd. Vele
+onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt
+en vooral slapende en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt,
+volgens Rüppell, ook door de Abessiniërs beweerd.
+
+De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld
+wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste
+en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de
+inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien men het
+toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte
+familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep weldra tot op zekere
+hoogte temmen kan. Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam
+als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen
+verricht, kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden
+dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen
+behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok
+al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt zij op een en
+dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk
+dom om zich heen, schuurt zich aan de traliën en laat van tijd tot
+tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd
+wordt, iemand door merg en been dringt.
+
+
+
+De _Schabrak-Hyena_ of _Strandwolf_ (_Hyaena brunnea_) onderscheidt
+zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden
+afhangende manen op den rug. De kleur van het overal lange haar is
+effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit
+gegolfde plaatsen aan de pooten; de kop is donker bruin en grijs,
+het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De
+haren van de rugmanen zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens
+zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf is aanmerkelijk kleiner
+dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte.
+
+Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige,
+westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt, gewoonlijk
+in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal
+in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte Hyena, maar
+komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus
+hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel met die, welke door de
+zee op het strand geworpen worden.
+
+De _Gestreepte Hyena_ (_Hyaena striata_) is het ons welbekende dier
+der reizende menagerieën. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst
+bij het onze gelegen is, en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst
+tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten
+van de voor 't publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in
+de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is,
+kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig
+en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de geelachtig
+witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen
+hebben ook bij deze soort zwarte spitsen; het voorste deel van den
+hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms
+gestreept. De kop is dik, de snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd
+nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen
+onbehaard. De jongen gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte
+is 1 M., soms iets meer, soms iets minder.
+
+Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied;
+het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste westen, een
+groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azië van de Middellandsche
+Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals alle Hyenas, houdt zij niet
+van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam,
+in schaars bevolkte streken zelfs veelvuldig; zij is echter de minst
+schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar
+vaderland zijn gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen,
+te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende
+dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten;
+zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans zeer dicht
+erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn
+later Gieren te schieten, kwamen des nachts in den regel Hyenas af,
+die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten,
+slopen zij dikwijls tot bij ons leger; meermalen hebben wij uit
+onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een
+uitstapje naar den Sinaï schoot mijn vriend Heuglin met hagel een
+Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen
+mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk nooit menschen, zelfs
+gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op,
+tenzij deze slechts met een dun laagje zand of aarde bedekt zijn;
+aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald
+worden, is zij dus onschuldig. Haar levenswijze gelijkt op die van
+de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor.
+
+Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge
+Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten bij zoo
+groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs
+wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel zij een tijdlang
+in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op
+in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks. In 't eerst beten
+zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij
+haar weerspannigheid te keer; drie maanden na den dag waarop wij ze
+gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder
+eenige mishandeling te moeten duchten. Van dag tot dag geraakten
+zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen,
+als ik bij haar kwam. Zij gedroegen zich, toen zij meer dan half
+volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar
+stal kwam, stonden zij met een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij
+op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden
+mijn gelaat. Later ben ik wel in Kaïro met deze dieren, die ieder aan
+een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting
+van alle geloovigen. Soms toonden zij mij haar gehechtheid door mij
+ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend
+als verontrustend schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien
+zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat
+schrander en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede
+Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit
+deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een
+zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij bedankten
+ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds
+aangeduide wijze te begroeten, of althans onze handen te besnuffelen.
+
+Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met
+smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt hadden. Wij
+voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij
+voor haar schoten.
+
+Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als
+de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest, hadden
+zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan,
+zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor warme genegenheid
+vatbaar zijn.
+
+
+
+De _Aardwolf_ of _Civet-Hyena_ (_Proteles Lalandii_) vormt het tweede
+geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft,
+gelijkt dit dier, dat nog slechts weinig bestudeerd is, in 't oog
+loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten
+snuit, de hooge voorpooten, den naar achteren afhellenden rug, de
+rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter
+en de voorpooten hebben een korten duim, evenals die der Honden.
+
+Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit
+geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart 30
+cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur
+van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen hebben een
+witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur.
+
+De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk
+gedeelte.
+
+Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het
+een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag in holen verbergt,
+welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door
+verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond worden. De drie door Verreaux'
+gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit
+één hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven. Zij
+kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en
+staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich in der haast weer
+in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij
+een merkwaardige behendigheid. Uit het onderzoek van het hol bleek,
+dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote
+kamer leidden, die waarschijnlijk tijdelijk aller gemeenschappelijke
+woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel
+van deze dieren hoofdzakelijk uit lammeren bestaat, dat zij echter nu
+en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter
+hoofdzakelijk alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen,
+hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor 't overige is de
+levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend.
+
+
+
+In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk
+scherp onderscheiden is, vereenigen wij de _Honden_ (_Canidae_). Hun
+lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij
+vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon tusschen de beide
+familiën vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden,
+vormen zij toch door uitwendig voorkomen en inwendig maaksel, door
+levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In
+grootte staan zij alle bij de grootste Katten-soorten achter; zij zijn
+ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun
+gestalte is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt
+vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten rust,
+is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort
+en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen meestal 5, aan de
+achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp
+eindigende en niet terugtrekbare klauwen dragen. De oogen zijn groot en
+voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten;
+de ooren zijn meest spitser en grooter, de tepels aan de borst en den
+buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 à 48 tanden bestaat,
+zijn de snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak,
+betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig; de
+vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen
+(aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt dan bij de
+Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven,
+2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe maaltanden, die het voedsel
+flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn;
+7 halswervels, 20 rug- en lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 à
+22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door
+13 paar ribben (9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is
+onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn
+krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag;
+de eigenlijke darm is 4- à 7-maal langer dan het lichaam.
+
+Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet
+uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor
+het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en
+bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen zij
+in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en
+bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij de Katten
+ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid,
+zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het gelaat van den Hond
+heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit
+op zulk een in 't oog loopende wijze het drieste zelfvertrouwen en
+de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt.
+
+Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven
+allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel
+verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld
+verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor. In eenzame,
+stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn
+dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen, op dicht begroeide
+plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen
+bijna voortdurend rond en blijven hoogstens zoo lang in een oord, als
+zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen
+beperkt worden; andere graven zich holen in den grond, of maken
+gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin
+voor vast verblijf te houden. Sommige soorten zijn ware nachtdieren,
+andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van
+het daglicht. Gene verbergen zich gedurende den dag in hunne holen
+of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het
+riet of in het hooge koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen;
+zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied,
+maken daarbij in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen,
+jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden
+en trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten
+den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere
+Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als
+des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die soorten,
+waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich
+in sommige omstandigheden tot grootere troepen bijeen, men mag wel
+aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn.
+
+Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij
+de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun niet te
+klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen
+zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als de Katten: voor
+'t overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam
+zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen en toonen een ongeloofelijke
+volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen
+dit meesterlijk; zelfs treffen wij bij hen reeds echte waterdieren
+aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven
+spelen. Bij het gaan zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op
+den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn
+de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer
+goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig minder scherp
+dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk
+fijngevoelig; ook van het gezicht kan men zeggen, dat het beter
+is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in
+dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl de over dag jagende hen
+beslist overtreffen.
+
+Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs
+de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken van
+list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere
+in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk doen. De
+hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de
+menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met lichaam en ziel aan hen
+overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een
+trap van ontwikkeling hebben bereikt, die bij geen ander dier wordt
+aangetroffen. De tamme Hond en de in 't wild levende Vos handelen
+met schrander overleg en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit,
+welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door
+zijn verstand is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt;
+hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.
+
+De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral
+met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren niet liever
+dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur
+schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer graag beenderen;
+andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk
+lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien eten zij Kruipende Dieren,
+Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld-
+en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, uitspruitsels, wortels, gras
+en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij
+verslinden kunnen; de bloeddorst vertoont zich hier echter nooit in
+een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters;
+er is geen enkele Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode
+slachtoffers met welgevallen bedwelmt.
+
+De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten;
+het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen van het
+voortplantingsvermogen der Zoogdieren in 't algemeen. Men kan aannemen,
+dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; het is echter wel eens
+gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat
+een Hond in een worp 18 en zelfs 23 jongen ter wereld bracht. Het
+komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond
+de jonge nakomelingschap van een teef met moordzuchtige bedoelingen
+vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven
+en Vossen, die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten
+niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren
+dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met
+ware zelfverloochening voor haar kroost.
+
+Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten
+zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, die de geheele
+familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den
+mensch benadeelen, worden daarom overal onbarmhartig vervolgd. Hier
+staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van
+schadelijke Knaagdieren en Insecten of door het uit den weg ruimen
+van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien
+nog door hun vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.
+
+Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder
+in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten de _Wolven_ of
+Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (_Canis_), de _Vossen_,
+met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (_Vulpes_) en de
+_Lepelhonden_, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit
+zeer vele tanden samengesteld gebit (_Otocyon_).
+
+
+
+Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen,
+is het volstrekt noodzakelijk, zijne in 't wild levende verwanten,
+de _Wolven_ (_Canis_), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken,
+te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende
+Honden tot de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was,
+voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog het
+oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men
+wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.
+
+In het ondergeslacht der _Eigenlijke Wolven_ (_Lupus_), vereenigen
+wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond),
+hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij ook vertoonen, voorzoover
+hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een
+matig grooten kop met tamelijk spitsen snuit.
+
+De _Wolf_ (_Canis lupus_, _Lupus vulgaris_), heeft ongeveer den
+vorm van een grooten, hoog op de pooten geplaatsten, schralen Hond,
+die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij
+nauwkeuriger vergelijking merkt men de volgende punten van verschil
+op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren
+met dezen bouw van den romp; de langharige staart hangt tot op het
+hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken,
+gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen
+zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. De beharing
+wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont;
+zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar verschillen. In de
+noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst
+aan het onderlijf en aan de bovenste gedeelten der ledematen, ruig
+aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden;
+in zuidelijke streken is de beharing over het algemeen korter
+en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een
+zwartachtige tint doormengd, die aan de onderzijde lichter, dikwijls
+witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood,
+in den winter is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert
+zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het
+voorhoofd is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter
+met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig en
+soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.
+
+Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die
+men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen moet
+beschouwen. De Wolven in 't gebergte zijn over 't algemeen groot
+en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner en zwakker,
+maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot
+den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt men algemeen de
+Rietwolven en de Boschwolven.
+
+Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45
+cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 85 cM. Een
+flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin
+onderscheidt zich van den Wolf door een iets zwakkeren lichaamsbouw,
+een spitseren snuit en een dunneren staart.
+
+Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied
+is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont
+tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste
+gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt hij in
+alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten
+geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is hij tamelijk
+veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel-
+en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië is hij geheel uitgeroeid;
+in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië,
+Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, de Donau-vorstendommen, Polen,
+Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij
+ook thans nog in noemenswaardig aantal voorkomt. Op IJsland en de
+eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden
+te hebben. In de Atlaslanden wordt hij wel gevonden. Bovendien
+strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en
+Middel-Azië, door Afghanistan en Beloetsjistan tot in het stroomgebied
+van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In
+Noord-Amerika heeft hij verwanten, die zoo zeer op hem gelijken,
+dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond
+binnen zijn verbreidingskring heeft getrokken, en niet alleen den
+Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten
+heeft opgevat.
+
+De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en
+Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet
+slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan
+heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne
+bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche
+mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht dan
+verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later
+teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof van onze voorouders
+verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den "Wilden Jager" en zijne
+Wolven in diens Honden. Ten slotte ontstond uit deze de als "Weerwolf"
+bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch
+verscheen, en een bron van ontzetting was voor alle bijgeloovige
+lieden.
+
+Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch
+de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde Europeesche
+landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de
+vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in geen der groote
+wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland,
+volgens officieele opgaven, altijd nog duizenden van deze dieren
+gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In
+Pommeren alleen doodde men er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102,
+1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809:
+43 stuks. Daarna werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote
+menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger,
+dat hun lijken genoeg als voedsel verschafte.
+
+"De Wolf," zegt Van Bemmelen, "was vroeger in de meeste streken van
+ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten
+bij honderden gedood. Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden
+zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en
+Heeswijk in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden
+gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche,
+Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren
+of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk uit de
+Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald."
+
+De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel
+dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en droge gedeelten,
+in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk
+kleine en lage, wild groeiende bosschen, op dammen in broekland en
+moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden,
+dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van bijeenstaande huizen. In
+dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering
+voor het aanbreken van de schemering, in eenzame wouden daarentegen
+begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de
+namiddaguren zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande
+om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den
+honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer
+leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie stuks; in den
+winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer
+of minder groot aantal individuën bestaan, al naar de landstreek
+deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende
+verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, staan elkander
+bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De
+tot benden vereenigde Wolven zwerven even ver rond als de afzonderlijk
+levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten,
+doorreizen, van het eene bosch in het andere overgaande, geheele
+provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten,
+waarin men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen,
+niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten in
+een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk
+gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke sneeuwlaag
+ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze
+dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, op korten afstand van en
+achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden,
+zoodat het zelfs voor een ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen,
+uit hoeveel individuën de bende bestaat.
+
+Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote
+arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem zeer
+snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid
+voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover richt dan ook
+overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor
+hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij jacht op huisdieren
+en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan
+wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter ook wel met de kleinste
+en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel;
+hij eet, naar bericht wordt, maïs, meloenen, komkommers, augurken,
+aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou,
+hoewel ook dan nog aanzienlijk, toch misschien nog te dragen zijn,
+als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde
+bloeddorst liet vervoeren, om veel meer dieren te dooden, dan hij
+voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een
+plaag voor de herders en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten
+vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan
+dan in den winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild,
+nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende
+soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen;
+van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens eenig
+klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats
+graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een verschrikkelijke
+opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten,
+Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna alle Hazen uit, maar valt
+de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering
+aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende langen tijd tevreden met de
+allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen
+over een afstand van honderden wersten, en voedt zich dan uitsluitend
+met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en
+zamelt Meikevers in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber;
+daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens
+slachtplaatsen den disch schoon.
+
+Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter
+op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide en spaart zoo
+min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen
+hebben alleen dan geen last van hem, als zij aaneengesloten troepen
+vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd
+heeft. Als de winter aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer
+en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg,
+Moskou en andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en
+Kroatische dorpen door, doorloopt zelfs steden van de grootte van
+Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht
+bezig; vooral de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn
+de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk
+kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden
+trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling sluipt
+hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het
+kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak van den vermetelen
+roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden,
+terwijl daarentegen de bewoners van alle dorpen in de door Wolven
+bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden
+verliezen, op gelijke wijze als de wolvenjager iederen zomer
+verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven
+zich tot benden vereenigen om te jagen, vallen zij ook Paarden en
+Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland
+wordt verteld, dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan,
+en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat
+de Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen
+overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang hem
+dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die,
+evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en door de fantazie
+op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine
+kern van waarheid. Een troep door den honger gekwelde en door woede
+verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare
+volwassenen, aanvallen, dooden en verslinden; de gevaren, die den
+mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet
+zoo verschrikkelijk als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk
+jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een
+krachtigen man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij
+allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen en
+kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.
+
+Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk
+de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle volken die
+vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er
+zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt in een gewest geheel
+onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens Kobell,
+voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee
+en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten
+gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid
+wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade op 8 à 10000
+gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord "vrede" dezelfde
+beteekenis als "geen last van de Wolven". Men kent daar slechts
+één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die
+de levende have van de arme nomaden van het noorden dikwijls op de
+gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven
+aanzienlijke verliezen. In Rusland vallen hun ieder jaar omstreeks
+180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten
+prooi; Lasarewski begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de
+huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt,
+dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit
+alles komt nog, dat ook zij voor _rabies_ (hondsdolheid) vatbaar zijn,
+en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.
+
+Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar
+zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, maar ook onder de
+dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig,
+wanneer zij de lucht krijgen van een Wolf; de overige huisdieren,
+met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig
+vermoeden krijgen van de nadering of van de aanwezigheid van den
+gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter
+genoegen te bestaan dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden
+over 't algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de
+gevaarlijkste jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar
+toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante
+dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.
+
+Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In
+de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf gegraven
+holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in
+de Russische steppen des nachts voortdurend om de kudden. Zij naderen
+de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende
+veulens, die zich te ver van de kudde verwijderd hebben, te verrassen,
+of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en
+werpen ze ter aarde. Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij
+onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven
+van de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de
+tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, als
+hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht
+te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien ten buit,
+een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen
+last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik om te vluchten,
+verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt,
+en daarna door hen met evenveel smaak verslonden, als waarmede hij
+hen opgegeten zou hebben.
+
+De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond:
+dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen
+en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel
+minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, dat hij niet
+door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd
+aan zijn kracht. Zoolang de honger hem niet kwelt, is hij een van de
+lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan
+niet alleen voor menschen en Honden, voor een koe of een Bok, maar
+ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten
+en de koppen tegen hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list,
+geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos,
+bezit veeleer deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel
+laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat
+hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt,
+den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij met even groote
+voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt
+hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor en het gezicht zijn
+alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts
+zorgvuldig speurt, maar ook reeds op grooten afstand de lucht krijgt
+van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te
+bepalen, aan welk dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne
+zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere
+sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend
+waarnemingsvermogen blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.
+
+Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December
+en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen brengt de
+Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4
+à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 dagen blind, groeien in
+'t eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden,
+spelen vroolijk met elkander of plukharen soms onder luid, op grooten
+afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel
+liefde, als bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden
+wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft
+hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend
+angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun verblijfplaats
+verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben,
+of wanneer er werkelijk een gevaar dreigt, draagt zij hare jongen in
+den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze
+dieren bereiken kunnen, bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren.
+
+Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van
+een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin bastaarden
+ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden
+houden niet altijd het midden tusschen den Wolf en den Hond; ook
+kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den
+regel gelijken zij meer op den Wolf dan op den Hond, ofschoon er ook
+bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.
+
+Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld
+zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid aan
+hun meester. Cuvier maakt melding van een Wolf, die als een jonge
+Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan
+den "Jardin des Plantes" werd geschonken. "Hier toonde hij zich
+gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en
+was volkomen onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij
+eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden;
+het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze
+kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. De Wolf
+herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men
+hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn blijdschap."
+
+Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet
+alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde lokaas, de
+verraderlijke strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De
+meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in den
+winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap,
+trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine hoeveelheden in
+het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het
+dus toebereide dier wordt, nadat de huid er weer overheen getrokken is,
+neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf
+eet zich zat aan een op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer
+spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze
+handelwijze is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men
+ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep
+en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne,
+buigzame takken, mos enz.; op 't midden van dit dak wordt een lokaas
+vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige
+nasporingen te doen, en om menschen, welke dien weg langs gaan, niet
+in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven,
+waarover ieder die op het lokaas belust is, moet heenspringen.
+
+In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven
+uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf was en is het
+signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote
+houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, Litauen enz. heeft
+men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het
+bosch gehouwen en dit hierdoor in kleine vierhoeken verdeeld.
+
+Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische
+steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. Het
+opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd,
+totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.
+
+Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn
+huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, een goede
+pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste
+vellen komen uit Skandinavië, het noorden van Rusland, Siberië en
+het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien
+wordt in vele landen van regeeringswege nog een premie betaald voor
+iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen,
+gevangen of vergiftigd werd.
+
+
+
+Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops
+vermelden: de _Vale Wolf_ (_Canis [Lupus] occidentalis_), een groot,
+maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele
+noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks kleur van vaalwit,
+door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken
+met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, alsmede de _Jakhalswolf_
+of _Aboe-el-Hossein_ der Arabieren (_Canis [Lupus] anthus_), een
+kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt
+en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals uit afbeeldingen
+van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit
+eindigende kop draagt groote, breede ooren; de romp rust op hooge
+pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert
+aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. Hij voedt zich met klein
+wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd,
+jacht op de Schapen- en Geitenkudden van de inboorlingen.
+
+
+
+Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de _Gestreepte Wolf_
+_(Canis [Lupus] adustus)_, een middelvorm tusschen den Wolf en den
+Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig
+toegespitsten snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen
+zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver
+vaneenstaan, zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in
+'t oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.
+
+"De Gestreepte Wolf," zegt Pechuel-Loesche, die dit dier in
+Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd,
+heeft nagegaan, "is grooter en staat hooger op de pooten dan onze
+Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in 't gelaat, maar tevens
+edelere en ook goedaardige trekken. Het is een buitengewoon behendig
+en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De
+inboorlingen van Loango, die den Gestreepten Wolf _Mboeloe_ noemen,
+doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook
+de Honden der dorpelingen denken er niet aan, met hem te twisten. In
+alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn
+langgerekt, schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend,
+dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen,
+wanneer het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp
+weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten ons
+eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas,
+waar zulk een dier juist aan een groote Slang, aan een Python, ten
+buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel
+te bevrijden. Eerst wist hij niet, wat hem overkwam, maar weldra liep
+hij huilend weg.
+
+"Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een
+van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, en werd zoo tam
+en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden
+toestaan. Hij liep niet slechts binnen de omrastering rond, en bezocht
+de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen,
+als door de velden en heesterbosschen van de omstreken. Daar zocht
+en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij
+spelenderwijs uit overmoed achterna; hij maakte waarschijnlijk ook
+menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig
+hield hij zich niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf
+een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust,
+nadat hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij
+op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij later
+nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was
+een zacht 'Pst!' of een verwijtend woord voldoende, om hem op het
+pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig,
+maar verscheen toch altijd 's avonds in de eetkamer om eenige brokken
+in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte,
+vergat hem iets te geven, meldde hij zich aan door zijn neus tegen
+ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie
+te leggen. Hij nam alles dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch,
+vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter
+geen andere dan dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en
+hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als
+een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem
+maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk aan die,
+welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er
+letterlijk door betooverd."
+
+
+
+De _Jakhals_ (_Canis [Lupus] aureus_) is het dier, dat door de
+ouden _Thos_ en _Gulden Wolf_ werd genoemd; de "Vossen," die Simson
+gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn
+waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In 't Oosten is dit dier overal
+bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen,
+als waarmede men te onzent die van den Vos gedenkt.
+
+De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een
+lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à 50
+cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit
+is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die van den Vos;
+de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren
+zijn kort, de lichtbruine oogen hebben een ronde pupil. Een ruige vacht
+van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren
+samengesteld is, bedekt het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of
+grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend,
+soms ook zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der
+zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den kop,
+een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de
+keel en den buik in witachtig geel, aan de borst in roodachtig geel,
+aan den onderhals in grijs over.
+
+Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij
+Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten van dit
+werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië,
+Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn verbreidingsgebied zich
+uit over Noord-Afrika en ook over een deel van Europa, n.l. Turkije,
+Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft
+men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open landschappen,
+in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van
+1000 M.
+
+De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf
+en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over dag blijft
+hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om
+andere dieren van zijn soort tot zich te lokken en zwerft dan met deze
+rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld
+jaagt. Misschien is hij wel de brutaalste en lastigste van alle wilde
+Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den
+mensch, maar dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook
+boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van zijn
+gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer
+en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat hij met een
+bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht
+werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, in de hoogste
+mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen
+Hond, maar zich door een grootere afwisseling onderscheidt. Het moet
+volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige
+gemoedsstemming; want de Jakhalzen huilen ook bij een overvloedig maal.
+
+Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen
+trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut dat
+zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade,
+die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit den weg ruimen
+van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door
+het vangen van Muizen; schadelijk zijn zij door hunne onbeschaamde
+gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is,
+maar stelen bovendien nog allerlei oneetbare zaken uit huis en hof,
+tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne
+lust en liefhebberij voor 't stelen is misschien even groot als hun
+vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen
+Reintje, moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even
+onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk te
+gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van
+de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, vervolgen
+klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men
+zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages door
+hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen
+schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. De
+zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden
+ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de beste koffie
+opleveren. 't Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van
+de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken is in de omstandigheid,
+dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn
+heengegaan, maar hierin, dat de Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste
+vruchten uit te kiezen.
+
+Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer
+tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden zeer gehecht
+aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich
+liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; zij komen als men ze
+roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij
+hebben eigenlijk alle zeden en gewoonten van de Huishonden. Zelf als
+zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich
+na verloop van tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk
+ook zijn.
+
+
+
+Een welbekende Amerikaansche Wolf, de _Huilwolf_ of _Steppenwolf_,
+_Prairiewolf_ of _Coyote_ (_Canis [Lupus] latrans_) doet zich voor
+als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij
+onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze komt hij door den
+bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen,
+zijn spits toeloopende snuit herinnert aan dien van den Vos. Wegens
+de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog
+dikker, dan hij werkelijk is; de hals is kort en krachtig; de van
+boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van
+den Wolf; het oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven
+echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De
+vacht heeft een vuil geelachtig grijze kleur.
+
+De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in
+de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde
+ongeveer door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van
+Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de landengte
+van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië
+en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De _prins_ Von Wied, aan
+wien wij, nevens Audubon, de beste beschrijving van de Coyotes te
+danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen
+en in levenswijze met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven
+alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid
+op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in
+de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het niet zelden ook
+over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt
+en het zeer koud is. In den bronsttijd bewoont de Prairiewolf holen,
+die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10
+jongen. Omstreeks dezen tijd hoort men in de Prairiën haar stem;
+een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is,
+en dat op het geluid van onze Vossen gelijkt.
+
+Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van
+eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen tijd een
+Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige
+Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. Als hij zijne vrienden
+zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam
+dicht bij de traliën van zijn hok om zich te laten liefkoozen. Hij
+likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens
+rook hij er aan. Als hij alleen was, verveelde hij zich en begon
+jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap
+gaf, mishandelde hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten
+kon dan hij zelf.
+
+De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het
+gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde zelfs het
+gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak,
+huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden in een dergelijk geval
+doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen
+was evenwel niet zeer ernstig gemeend.
+
+
+
+Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op
+het noordelijk halfrond beschouwt men den _Marterhond_ (_Canis
+[Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus_), een eigenaardig
+dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten
+van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China en Japan inheemsch
+is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met
+Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten zijn volgens de nieuwste
+onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke
+wij den _Maikong_ of _Karasissi_, den _Savanna-Hond_ der kolonisten
+(_Canis [Lupus] cancrivorus),_ en den Aguarachay of Braziliaanschen
+"Vos" (_Canis [Lupus] vetulus_ of _Azarae_) vermelden. Het vaderland
+van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot
+den Atlantischen Oceaan, van den evenaar tot aan de zuidspits van
+Patagonië. Als een in 't oog vallende eigenaardigheid van dit dier
+wordt medegedeeld, dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen
+dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. Tschudi vond in het hol van
+zulk een "Zorra", zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een
+stijgbeugel, een spoor en een mes.
+
+
+
+Een tweede ondergeslacht van de Wolven (_Lycaon_) wordt gevormd
+door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten:
+de _Hyena-Hond_. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de
+kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor
+en het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna
+onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. De matig
+hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige
+Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten slechts vier
+teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en
+het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst eigenaardige wijze
+gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.
+
+De _Hyenahond_, _Steppenhond_, _Geteekende Hond_ of _Jachthyena_
+(_Canis [Lycaon] pictus_) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig
+grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst
+vertoont. Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk
+van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee dieren
+van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft
+alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. Wit, zwart en
+okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den
+anderen de zwarte kleur de overhand; een van deze kan dus aangemerkt
+worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere
+vlekken scherp uitkomen. Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens
+kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls
+over het geheele lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn
+echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart,
+en deze kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en
+ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren zijn
+zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in
+'t midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.
+
+De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet
+nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; in Oost-Afrika zag
+Böhm hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer;
+Rüppell ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens
+Schweinfurth, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens Nachtigal,
+van Kanem aan het meer Tsad.
+
+Gordon Cumming leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. "Deze
+Honden," verhaalt hij, "jagen in benden, die soms uit een zestigtal
+individuën bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs
+de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor zoover
+mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen
+het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren het dan onmiddellijk
+op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch
+toonen zij minder vrees dan eenig ander Verscheurend Dier." Heuglin
+noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie kleur en schoone
+gestalte "een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier," en
+zegt, dat het "zijne valschheid en arglistigheid niet verloochenen
+kan"; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet
+schroomt, zelf den mensch aan te vallen.
+
+Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in
+hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel zijn,
+deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij
+hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat zich zeer goed kan
+verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij
+hare veerkrachtige pooten met de grootst mogelijke snelheid beweegt,
+door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend,
+en op een onbeschrijfelijke wijze luidruchtig; men zou dit geluid
+een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort
+gaat de jacht; de Antilope vergeet door den grooten nood, waarin
+zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen,
+die zij gewoonlijk met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht
+aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een
+nooit vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met
+overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste,
+die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben,
+de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang de jacht
+duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In
+'t bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het hoofd aan hare
+moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens
+zich over den bodem. Al wordt ook de een of andere vervolger gewond of
+misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na
+verloop van een minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde,
+soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint
+een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van
+'t bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, vermeerdert
+hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt,
+dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden en het overige
+laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt,
+slechts weinig; Burchell vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan
+alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op
+het overschot van het wild voor eigen gebruik.
+
+Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede
+uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond zijn;
+maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter
+aan den wil van den mensch te onderwerpen. Schweinfurth zag in een
+"seriba" in Bongo-land "een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat
+voor zijn meester zoo volgzaam was als een Hond." In het jaar 1859
+vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna
+volwassen Steppenhond in een beestenspel te Leipzig. Later heb ik
+verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap
+gehad. Een onstuimige uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt,
+onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om
+hierdoor pijn te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven
+om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door
+daden te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit
+dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond
+op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke
+bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid zich
+openbaarde, vertoont zich in 't volgende oogenblik als wildheid,
+bijtlust, roofzucht. "Het blaffen baat hier niet," laat Grandville
+zijn Wolf zeggen, "gebeten moet er worden": als hij den Steppenhond
+gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd hebben.
+
+Sykes beschreef een Wilden Hond van Indië, den _Kolsoen_, waarin hij
+den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat
+volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst heeft met den Windhond
+dan met den Jakhals of den Wolf, behoort tot een derde ondergeslacht
+(_Cyon_) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze
+over 't geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij heeft
+ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig
+grooten Windhond; de beharing is overal even dicht en bestaat uit
+vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur
+wisselt af van fraai bruin- of roestrood tot bruinachtig grijs,
+is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit,
+de ooren, de voeten en het puntje van den staart.
+
+De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen _Son-Ram-koetta_,
+_Dsjangli_, _Kolsoen_, _Kolsa_ enz. en heet in den Himalaja _Boeansoe_
+enz. (_Canis [Cyon] dukhunensis_ en _primaevus_). Hij komt voor in
+den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir
+oostwaarts tot Assam, in het oostelijk deel van Tibet en in alle
+boschrijke districten van Voor-Indië.
+
+Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op
+in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, ook wel
+in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn
+verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet hij zich ook
+weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt,
+is hij nergens talrijk, en kan niet lang in hetzelfde jachtgebied
+blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig
+maakt en verdrijft. Voor de jacht vereenigen deze dieren zich tot
+troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere
+berichten uit 50 à 60) individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi
+in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op
+een angstig jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers
+verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van
+jagen komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een
+dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding,
+of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi
+te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar men zegt,
+niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats,
+en is niet naar de keel gericht, maar naar de flanken, naar de weeke
+deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door
+beten, welke bliksemsnel gedurende de vervolging toegebracht worden,
+weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna
+het slachtoffer zeer spoedig ter aarde stort.
+
+De _Maleische Wilde Hond_ of _Adjag_ (_Canis [Cyon] rutilans_) is
+kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig
+vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de onderzijde lichter
+gekleurd is. De staartspits is zwart.
+
+De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het
+schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat hij groote
+dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem
+vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java gelegen en strekt zich,
+voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot
+aan het zeestrand, waar hij, volgens Junghuhn, in sommige tijden een
+zeer eigenaardige prooi vervolgt. "Toen ik," zegt Junghuhn, "den 14en
+Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van
+den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand overzag tot aan
+de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald:
+'Schildpaddenoorlog') bevindt, kon ik mij op een slagveld verplaatst
+wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen
+overal verspreid. Eenige waren door de zon gebleekt en bestonden
+slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld
+met de verrottende, stinkende ingewanden, nog andere waren versch
+en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden
+n.l. de Schildpadden gedurende hun nachtelijke wandeling van den
+zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde
+Honden aangevallen. Deze komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen
+de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die
+een houvast aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het
+achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn
+reusachtige grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te
+liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het
+buikpantser los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en
+de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne
+bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam
+rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. Ook kunnen de
+Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In
+vele nachten komt de beheerscher der wildernis, de Koningstijger, uit
+het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende
+oogen het strand te overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort
+zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden
+van de Honden, die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast
+naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort
+afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren
+zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk
+woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht
+wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis zwerft, reeds
+op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog
+in de lucht daarboven kringen beschrijven."
+
+
+
+De _Dingo_ of _Warragal_ (_Canis dingo_) de Wilde Hond van Australië,
+werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt,
+waarmede hij werkelijk in vele opzichten overeenstemt. Deze meening
+vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering
+van eenige Vleermuizen en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige
+Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren
+behoort. Mac Coy en Nehring hebben echter fossiele overblijfselen van
+den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en
+het bewijs geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde
+Huishond is. Hij is aan den _Indischen Wolf_ of _landjak_ der Mahratten
+(_Canis pallipes_) nauw verwant en kwam over het land, dat in een
+gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van
+Azië verbond, in het thans door hem bewoonde gebied.
+
+De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen
+Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp,
+stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong
+breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt tot voorbij den
+hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een
+geringe hoogte hebben. De beharing is vrij gelijkmatig. Bij de meeste
+exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig
+roode kleur een meer of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De
+kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter,
+terwijl de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur
+onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen,
+treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.
+
+Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van
+Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes der
+steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en
+overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten vijand
+van 't vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.
+
+Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen
+Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige plaatsen
+den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst
+in de nachtelijke uren rond om jacht te maken op nagenoeg alle op
+den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook
+hierdoor, dat hij slechts zelden tot groote gezelschappen vereenigd
+zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks,
+meestal een moeder met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel,
+dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten
+beweren, dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren
+bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een familie
+zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit
+jagen in dat van een andere bende, maar dulden ook niet, dat deze de
+grenzen van hun jachtveld overschrijdt.
+
+Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand
+van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend groot aantal
+Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen
+3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen en lammeren door de
+Dingo's geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct
+gevolg zijn van den aanval van het Roofdier, is de schade die er
+indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt,
+in zinneloozen angst wegrennen, zonder te weten wat zij doen, in de
+wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo's of van
+dorst bezwijken.--Bovendien verslindt dit Roofdier allerlei soorten
+van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas
+levende dieren. Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier,
+en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden
+leven in voortdurende vijandschap met de Dingo's; deze dieren vervolgen
+elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden een Dingo zien,
+vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt
+den verdwaalden Huishond ten deel, als hij onder de Dingo's geraakt.
+
+Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog
+tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en de geslepenheid van
+den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden
+in zijn belang gebruik te maken; wanneer echter zijne vijanden hem
+dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen,
+draait hij zich in wilde woede om en verweert zich met de razernij der
+vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid
+gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van
+'t leven van dit dier voert Bennett bewijzen aan, die werkelijk aan
+'t ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en
+zoo door hen geslagen, dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen
+zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter
+hadden de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd,
+toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich afschudden
+en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.--Alle mogelijke
+middelen worden toegepast om den Dingo uit te roeien. De hand van een
+ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt
+hem met strychnine. Met het geweer wordt hij slechts bij toeval gedood,
+want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen;
+ook bij drijfjachten weet hij behendig zich uit de voeten te maken.
+
+Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de
+inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, die in
+een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche
+dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, en hun
+wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne
+oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten zijn. Dat men
+echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit
+hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen werd, een algemeenen
+regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo's van de
+dierentuin te Breslau. Een daarvan is zoo tam geworden als een Hond,
+de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk
+feit is, mettertijd op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den
+regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in
+de nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen
+huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, op dezelfde
+wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden
+dus een huil-duet op. Schlegel, aan wien ik deze mededeelingen te
+danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze
+Dingos hoogst waarschijnlijk zeer bruikbare helpers van den mensch
+zouden kunnen opleveren.
+
+Werkelijk is dan ook King er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden
+en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar
+bleek te zijn, en Pechuel-Loesche zag aan boord van het Engelsche
+pantserschip "Defence" een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond
+op het geheele schip rondliep, zonder ongeval de steile trappen op-
+en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.
+
+
+
+"_Door het verstand van den Hond bestaat de wereld_," leest men in
+den _Vendibad_ (het "wetboek"), het oudste en echtste deel van de
+_Zendavesta_, een van de oudste boeken, die men kent.
+
+Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde
+achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als de Hond. Hij
+maakte als 't ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven
+en welzijn hij onontbeerlijk is. "De Hond," zegt Cuvier, "is de
+merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch
+ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons eigendom geworden,
+ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe,
+richt zich naar diens gebruiken, kent en verdedigt diens eigendom en
+blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen
+gevolg van nooddwang of vrees, maar het uitvloeisel van zuivere
+liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone
+ontwikkeling van zijn reukzin, is hij voor den mensch een machtige
+bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van
+de menschelijke maatschappij. De Hond is het eenige dier, dat den
+mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft."
+
+De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij
+schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde en
+onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk
+geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs de armzaligste,
+onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot
+vriend, tot verdediger. Zoomin de overlevering als het wetenschappelijk
+onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft
+over zijne voorouders: over de afstamming van het belangrijkste van
+alle huisdieren loopen de meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander
+dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen
+aanleiding gegeven.
+
+"Om," zegt Blasius, "den Huishond als _soort_ van de overige Wolven
+te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan
+de naar links gekromde staart, welk feit reeds door Linnaeus werd
+vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt
+op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel heeft onderworpen en
+overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die
+door de belangrijkheid van hare gevolgen eenig is in de geschiedenis
+der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven
+met dat van den mensch, de Hond heeft zich, evenals de mensch,
+aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde
+natuurwerkingen, die op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten
+onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te
+veroveren en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen
+ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken
+natuurstaat (en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter
+alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn
+geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn
+geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel niet
+mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn
+schedel of van zijn gebit met een in 't wild levende soort van Wolf,
+welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende
+soorten van Wolven scherp te onderscheiden. Onze Europeesche Honden
+zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen
+tusschen den Wolf en den Jakhals, maar zóó, dat deze eigenschappen
+op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.
+
+"De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond
+door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico troffen
+de Spanjaarden stomme Honden aan. A. von Humboldt bericht, dat de
+Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka Pachacutec hen tot de
+zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne
+priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; schedels en mummiën
+van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten
+tijd gevonden. Tschudi heeft deze schedels onderzocht, houdt ze
+voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel,
+dat zij tot een afzonderlijke soort behooren, die hij _Canis ingae_
+noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal
+Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, die
+verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt,
+vooral den Europeanen vijandig gezind.
+
+"Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door
+den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van Wolven naderen,
+nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook
+in uitwendige eigenschappen weder op de wilde vormen beginnen te
+gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den
+vorm van het dier, van de rechtopstaande, spitse ooren, de beharing
+enz. Reeds Olivier vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de
+omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en
+oosten van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen
+rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw en
+ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou
+kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig voorkomen
+is het licht te begrijpen, dat, zooals Pallas heeft opgemerkt,
+de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is
+een bekend feit, dat er bastaarden van den Hond en den Wolf bestaan;
+ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden
+bastaarden voor. Pallas zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van
+den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd;
+blijkbaar echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.
+
+"Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan,
+zich afvraagt, of _de Hond een soort, een zelfstandige en goed
+gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos_,
+dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend
+antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort komen zulke groote
+afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute
+grootte voor, als bij den Huishond. Maar ook de huisdieren, welke,
+naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en
+onvervalscht behouden hebben--die dus slechts in minder belangrijke
+opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard,
+de Ezel, het Rund, de Geit, het Zwijn--, bieden zulke tegenstellingen
+niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen
+van Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort
+van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen
+afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot
+dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.
+
+"En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit
+vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk
+geen anderen uitweg over, dan de door Pallas uitgesproken meening te
+onderschrijven: _dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming
+en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen
+inheemsch zijn_. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere
+meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid
+zal men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en
+Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in deze zaak de
+leerstellingen en meeningen van Buffon ons op een dwaalspoor zouden
+brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van
+den Hond met den Wolf en den Jakhals, is met de meening van Pallas
+het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang
+ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van vorm en
+grootte der Honden--die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij
+Hoenderen, voorkomt--een analogie verschaft in dergelijke, niet
+minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende
+planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming in vorm en
+kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat,
+en ook het samenleven en de vriendschap dezer dieren, zijn eveneens
+feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij
+aanvankelijk meer en meer aan de wilde gelijk. Geiten, die gedurende
+het grootste gedeelte van 't jaar vrij in het gebergte rondzwerven,
+en welker voorouders vele geslachten her ditzelfde leven leidden,
+zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken
+zeer op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur
+aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige jaren
+jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn."
+
+Darwin zegt: "De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen
+zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één wilde
+soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen
+onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en ten tweede het
+feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene
+Hondenrassen bestonden, die zeer weinig op elkander geleken, maar
+veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs
+geheel gelijk waren aan deze. Zoo geeft Youatt een teekening van een
+beeldhouwwerk uit de villa van Antoninus, waarop twee jonge Windhonden
+voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640
+v. C. is een zeer groote Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die,
+welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische
+monumenten van de 4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400
+tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor
+'t meerendeel aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit
+een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die
+op den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger
+toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte kromme
+pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op
+de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een der eigenaardigste:
+hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en
+een korten, omgekrulden staart. Hij is nauw verwant aan een ras,
+dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen
+Everhond, waarvan E. Vernon Harcourt getuigt, dat hij "een excentriek,
+hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede Cheops eertijds ter jacht
+ging," en dat hij "eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen
+Hertenhond." In denzelfden tijd als dit overoude ras bestond er een,
+dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat
+er reeds 4000 à 5000 jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren,
+namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters,
+Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere
+mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, dat een
+dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans
+levende, bezitten wij echter niet.
+
+"In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór
+den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten tot ons
+gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat
+in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen van keukenafval) uit
+de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen
+werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk afkomstig van een
+Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd
+(het tijdperk der bronzen werktuigen) vervangen door een grooter,
+eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode
+door een nog grootere verscheidenheid. In Zwitserland bestond in de
+jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige
+grootte, wiens schedel ongeveer evenveel afweek van dien van den
+Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden
+met onze Jachthonden en Patrijshonden gemeen had. Gedurende den
+bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar
+uit zijne kaakbeenderen blijkt, overeenkwam met een Hond, die in
+hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. Schmerling vond in een hol
+overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk
+verschilden, doch waarvan men niet met zekerheid gewaar kan worden,
+in welk tijdperk zij leefden."
+
+"De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de
+verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in 't wild levende
+stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men
+in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde Honden en de
+wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het
+vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst gegrond is, slechts in
+weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier
+staat echter tegenover, dat er niets onwaarschijnlijks gelegen is
+in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden
+getemd zouden zijn. In bijna alle deelen der aarde worden leden van
+de familie der Honden in 't wild aangetroffen, en verscheidene van
+deze soorten stemmen vrij wel overeen met de verschillende rassen
+onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot
+het temmen van allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren
+worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene
+soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang
+vervlogen tijd voor 't eerst in een land zich vestigde, hadden de
+daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem,
+en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, dan thans. Toen
+de Falklands-eilanden voor 't eerst door den mensch bezocht werden,
+kwam de groote _Falklandsche Wolf_ (_Canis antarcticus_) onbevreesd
+Byron's matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende
+nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen om hen te
+ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier 's
+nachts dood te steken, terwijl hij een stuk vleesch in de eene en een
+mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden
+stiet ik met den loop van mijn geweer Valken van een tak af, en hield
+aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te
+drinken. Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten
+van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap
+voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen
+staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen tegen de
+temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn
+op het bezit van Honden; zelfs half-getemde dieren zijn hun hoogst
+nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden
+met Wolven, waardoor zij jachtgezellen verkrijgen, die wel wilder,
+maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de
+jongen van twee soorten van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht,
+na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen
+van Nieuw-Holland met de jongen van den Dingo. Van King vernam ik,
+dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen
+te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar bleek te zijn. Met het oog
+op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de
+mensch in verschillende landen verschillende soorten van Wilde Honden
+getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij
+van de talrijke, voor dit doel geschikte, in verschillende landen
+levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had.
+
+"Vele feiten steunen de bedoelde meening: Richardson, die als een
+nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de
+in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen gelijken op de
+Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan
+in de meerdere grootte en spierkracht van den Wolf. "Meer dan eens,"
+zegt hij, "heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van
+een bende Indianen aangezien, want zelfs het gehuil van beide dieren
+bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor
+van de Indianen somtijds het onderscheid niet opmerkt." Kane heeft
+bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een
+kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote waarde hechten), den
+neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In
+aard verschillen de Eskimohonden weinig van Wolven; volgens Hayes,
+zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat
+zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester aanvallen. Zij
+verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo
+groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; de Indianen nemen
+jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. Columbus vond
+in West-Indië twee soorten van Honden; Fernandez beschrijft er
+drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom,
+d. w. z. zij blaften niet. Sedert Buffon's tijd is het bekend, dat
+de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort,
+waarschijnlijk met den _Maikong_ of _Karasisi_ (_Canis cancrivorus_).
+
+"Rengger brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de
+bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor 't eerst door
+Europeanen bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden
+kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook
+nu nog niet blaffen. Tschudi zegt van hen, dat zij in de Cordilleras
+van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien,
+welke Tschudi onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij
+zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het is
+onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn
+van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, dat de mensch,
+toen hij zich voor 't eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische
+vaste land Honden medebracht, die niet blaffen konden. Deze meening
+is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië
+afkomstige bewoners van Amerika op hun weg naar het zuiden minstens
+twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds
+genoemde Grijze of Vale Wolf (_Canis occidentalis_) en de Prairie-Wolf
+(_Canis latrans_), welke laatste soort, volgens Richardson, volkomen
+overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.
+
+"Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden
+gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche vlakten
+er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen Paget verhaalt van
+een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.
+
+"De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen
+en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort gehouden. De
+Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt,
+gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige districten van Indië.
+
+"De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen,
+dat Geoffroy St. Hilaire geen standvastig verschil heeft kunnen
+vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige
+verwantschap ook uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. Ehrenberg
+is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte
+en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij onderzocht, van
+den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (_Canis lupaster_) afstammen,
+en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden,
+evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde betrekking staan
+tot den Jakhals dezer gewesten. Pallas beweert, dat de Jakhalzen en
+Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt
+uit Algerië bericht. De tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom
+en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6°
+Z.B. en ongeveer tien dagreizen het binnenland in, komt, naar Erhard
+mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der
+inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. Lichtenstein zegt,
+dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen
+zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den rug) met den
+Schabrak-Jakhals (_Canis mesomelas_) van Zuid Afrika. Layard bericht,
+dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond
+gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel tam als wild voor.
+
+"Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende
+landen op de wilde soorten, die daar nog leven,--wegens de
+gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen
+worden,--wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan half-getemde
+dieren hechten,--en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden,
+die het temmen van Honden begunstigen, is het hoogst waarschijnlijk,
+dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed
+bepaalde soorten van Wolven--de Gewone Wolf (_Canis lupus_) en de
+Huilwolf (_Canis latrans_)--en van twee of drie andere minder goed
+gekarakteriseerde soorten van Wolven--n.l. van de Europeesche, de
+Indische en de Noord-Amerikaansche--voorts van minstens één, misschien
+twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene
+soorten van Jakhalzen en misschien van één of meer uitgestorven
+soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten
+invloed toe op de eigenaardigheden der dieren en meenen hierdoor de
+overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche
+wilde vormen te kunnen verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend,
+die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat spreken.
+
+"Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is,
+dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele soort
+van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige
+diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als wij de zeer groote
+ouderdom der verschillende rassen in 't oog houden, en vooral, als
+wij ons de groote gelijkenis herinneren, zoowel in uitwendig maaksel,
+als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen
+en de wilde soorten, welke nog diezelfde landen bewonen, spreekt de
+groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren
+die nog steeds kunnen worden aangevoerd, _beslist ten gunste van den
+meervoudigen oorsprong onzer Honden_."
+
+
+
+Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog Zittel, aan wiens
+voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen,
+die op de geschiedenis van den Huishond gedurende vroegere tijdperken
+betrekking heeft.
+
+"Hoewel," zegt Zittel, "in beenderenholen dikwijls overblijfselen
+van den Huishond gevonden (en onder de namen _Canis familiaris ferus,
+C. ferus, C. Mikii_ beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen,
+of dit dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste
+afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel van
+den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den
+steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, in de Zwitsersche en
+Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het
+ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen gevonden zijn, wordt
+_Turfhond_ (_Canis familiaris palustris_) genoemd, en gelijkt, volgens
+Rütimeyer, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op
+den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren
+snuit gekenmerkte _Brons-hond_ (_Canis familiaris matris optimae_),
+die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel
+van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft in den
+Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men
+onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van." "De Turfhond
+is, volgens Jeitteles en Naumann, een getemde afstammeling van den
+Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (_Canis
+hiberniae_), maakt, dat Studer de afstamming van _Canis Mikii_,
+waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden
+zijn, waarschijnlijker acht. Volgens Anutschin vertoont de kleine
+Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in 't oog
+loopende overeenkomst met den Turfhond. Die verschillende rassen
+van het brons-tijdperk zijn, volgens Studer, door teeltkeus uit den
+Turfhond ontstaan. Jeitteles echter meent, dat zij uit den Indischen
+Wolf (_Canis pallipes_) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de
+afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond
+van één enkelen vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige
+rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van
+Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising
+en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd."
+
+De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als
+een voortbrengsel van 's menschen bemoeiingen, beschouwd moeten worden.
+
+
+
+Met den naam _Paria-honden_ zullen wij, in navolging van de Engelschen,
+de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die,
+hoewel zij aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van
+den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen,
+want parias,--ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten
+dieren--zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid om te doen
+en te laten wat hun goeddunkt,--parias, die dankbaar de hand likken,
+welke hun het juk der slavernij oplegt, die gelukkig schijnen te zijn,
+als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.
+
+Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere
+verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, Griekenland
+en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met
+scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; zij komen ook wel in
+de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de
+Huishonden onmiddellijk verdreven worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk
+met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op
+Muizen en dergelijke kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in
+'t zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en
+zwerven des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op
+de Kanarische Eilanden is het, volgens Bolle, nog in den laatsten tijd
+voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden
+een aanzienlijke schade aanrichtten.
+
+Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van
+de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen
+gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste
+dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer aanzienlijken
+afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan
+verwilderde Honden, die alle tot een zelfde ras behooren. Zij komen in
+grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben
+een onaangename gezichtsuitdrukking; hun lange en tamelijk ruige staart
+wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige,
+verwarde vacht is vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar
+grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele
+exemplaren, komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij
+leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven,
+brengen er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven 's
+nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en deze
+zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft
+iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het oosten, de andere
+naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn,
+dat zij van weerszijden aan den noordewind blootgesteld zijn, dan
+graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant,
+dat zij evenwel alleen dan gebruiken, wanneer zij in hun naar 't
+oosten of naar 't westen gerichte hol last hebben van den kouden
+wind. Des morgens tegen tienen vindt men ze geregeld in het hol,
+welks opening naar 't oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar,
+na de koelte van den morgen, in de eerste stralen van de zon, om weer
+warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet,
+en noodzaken hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de
+andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar het
+aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer
+de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen te schijnen, gaat
+de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang
+liggen blijft.
+
+Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er
+vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. Men hoort
+blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een
+groot kreng verzamelen zij zich altijd in groote menigte; een doode
+Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het
+schrokkerige gezelschap verslonden, zoodat alleen de grootste beenderen
+blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag
+bij het aas, n.l. wanneer het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste
+concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in
+hun bedrijf benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in
+de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met
+ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk
+niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan de Honden
+den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten;
+van hen hebben zij daarom het meest te lijden. In alle omstandigheden
+is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook
+op de wijze van de Katten voor de nesten van de Renmuizen loeren, en
+als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er
+bij geval voor hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten,
+komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten rond. Hier
+worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er
+niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet vaak meer gebeuren,
+dat geloovige Mohammedanen hen bij uiterste wilbeschikking gedenken,
+zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op
+zekere hoogte zorg dragen.
+
+Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden
+tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert,
+vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men
+een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar oproer. Uit ieder
+hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen
+der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk blaffen. Meermalen
+heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren
+kennen, als om hun vleesch te gebruiken; het diende mij tot lokaas bij
+'t vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en
+Gieren. Bij deze jacht heb ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat
+de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen;
+onder andere heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds
+na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem
+b.v. was het mij in 't laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden
+met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 pas afstand
+lieten naderen.
+
+Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk
+sterk en worden dan een ware plaag voor het land. Mohammed Ali liet
+eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen
+met Honden, en deze in volle zee overboord werpen om de zekerheid
+te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij
+slechts uiterst zelden gevaar loopen dol te worden; er zijn werkelijk
+nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door
+een dollen Hond gebeten werd.
+
+Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke
+betrekking tusschen den mensch en de Honden. "Onafscheidbaar van de
+straten van de hoofdstad," zegt Hackländer, "is de gedachte aan hare
+nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in
+tallooze menigte daar gevonden worden. Gewoonlijk vormt men zich van
+zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en
+wordt daarom later dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van
+'t geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen
+lezen. Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen,
+zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze dieren
+veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij
+behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige betreft, komen zij
+nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen
+gekromden staart; ook hun haar is anders, n.l. kort en vuil geel
+van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen,
+moet men erkennen, dat geen dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen,
+zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt
+het van deze Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af,
+of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden
+op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet,
+gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een Muzelman een van
+deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman
+hen uit zijn werkplaats de overblijfselen van zijn maal toe. Alleen de
+Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid;
+door hun hand verliest menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.
+
+"Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals
+in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen hebben;
+wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls
+heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige aanvielen,
+en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden,
+letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze wel willen vergelijken
+met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van
+den bazar iets eetbaars kochten, dan volgden ons alle Honden, die
+wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere
+straat binnengingen, waar ons een andere troep Honden op dezelfde
+wijze begeleidde."
+
+
+
+Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer _Huishonden_
+zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten
+voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door Linnaeus, op
+de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar
+zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit geen gemakkelijke zaak
+is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt
+ongeveer als volgt: "Vreet vleesch, aas, melige plantaardige stoffen,
+geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt
+leppend; watert zijdelings, in goed gezelschap dikwijls honderdmaal;
+beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt
+zijwaarts, gaat op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de
+tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn
+slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De
+teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes gelijken op
+den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot
+van den mensch, kwispelstaart bij 't naderen van zijn meester,
+duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit,
+aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, spoort verloren zaken op,
+doet 's nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij
+goederen, houdt het vee van de akkers af, houdt de Rendieren bijeen,
+bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen,
+drijft het wild op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert
+het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het
+braadspit, trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt,
+als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet
+gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars,
+valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en kanker door
+likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen;
+onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend onweer. Heeft last van den
+lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt
+zijn eigen lichaam. De Amerikaansche Hond verleert het blaffen. De
+Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij
+onderzoekingen van den bloedsomloop etc."
+
+Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te
+breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten vrijwel
+overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten
+van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, genoodzaakt worden
+hun levenswijze te veranderen.
+
+De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even
+goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker en vlug. Als
+het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als
+'s nachts, en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In
+'t algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze
+heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles,
+wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, en beide
+in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij
+van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins bedorvene dan van het
+versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best
+opgevoede en best verzorgde Honden verslinden gretig de uitwerpselen
+van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven
+al het andere voedsel, andere schatten het minder hoog. Van de
+gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn,
+hun het best; als zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur
+boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk
+zijn het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn
+daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend met brood
+voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel
+op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs mag hem heet voorgediend
+worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet,
+moet steeds zindelijk gehouden worden. Een volwassen Hond krijgt
+genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan,
+tweemaal te voederen is echter beter; een Hond die 's avonds eten
+kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht
+laten omkoopen, als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel
+en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij
+wijze van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen
+spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen blijven.
+
+De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig
+klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij langs een
+steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve
+richting. Als hij hard loopt, kan hij groote sprongen maken; tot
+plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden
+houden merkwaardig veel van 't water (p. 199); verwende Honden
+schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien
+klimmen. Hier klauteren zij zeer behendig bij muren en bij de niet
+sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen
+veilig langs zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond
+op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik;
+in 't laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts,
+de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; zelden
+strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.
+
+Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun
+slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen vergezeld,
+zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het
+knorren en het zachte blaffen gedurende den slaap. Zij zijn bijzonder
+sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en
+vooral hun slaapplaats, moet altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs
+bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig;
+de speekselafscheiding treedt voor de zweetvorming in de plaats;
+van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek
+laten hangen, druppelt onophoudelijk speeksel af.
+
+De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen
+niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het gezicht hebben
+naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van
+alle overige door een fijnere ontwikkeling van het gehoor, andere
+door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken
+gevoelig zijn, kan niet ontkend worden, hoewel deze zin zich bij
+hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne
+zintuigen te sterk aandoen, hebben zij een afkeer. Het minst worden
+zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter
+voor schelle en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het
+reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan 't huilen; als men
+hun eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke
+stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen
+van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld,
+en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij ons in
+'t geheel geen denkbeeld kunnen vormen.
+
+Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men
+boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in 't kort
+te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door Scheitlin
+gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende
+citaat ontleend is: "Hoe groot het verschil ook zij, dat er in
+lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt
+nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen zijn
+volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer
+korten tijd. Sommige zijn in 't geheel niet tembaar, terwijl andere
+spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere
+zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat uit eigen beweging te water,
+de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man
+africhten, met den Poedel gelukt dit niet. Alleen de Jachthond heeft
+een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen
+de achterpooten; alleen de langlijvige Dashond, die, naar men zou
+kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond
+en heeft zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen;
+hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor het
+loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.
+
+De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend
+geschikt voor het bewaken van 't vee; ook kan hij meesterlijk graven,
+zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond
+durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt jacht op Wilde
+Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht
+aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit te water. Men gebruikt en
+misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische
+gronden te voorzien was, steeds strijdlustiger wordt; vooral voor
+kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich
+niet verweren kunnen, is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst
+is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij 't bijten
+en bij het verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren
+aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de
+Windhonden wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna
+niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien
+hebben zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden
+laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op Hazen
+en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten,
+waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond (en ieder ander dier)
+moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust
+heeft, voordat de mensch op het denkbeeld komt hem hiervoor af te
+richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten
+dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij haar op schoot te
+zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de
+kamer te blijven, met de vrouw uit één glas te drinken, van één bord
+te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes
+en de Leeuwtjes gehouden. Van den Jachthond worden de fijne reuk, de
+groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan
+zijn meester geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken
+van 's menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de
+Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam,
+vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag bijten en
+is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch
+en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten is gekenmerkt door
+onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en
+geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, maar kan toch gedurende
+langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer
+verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed
+voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt;
+met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders
+aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten
+zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen
+en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij 't vechten
+vreeselijk toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten
+mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem
+omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij
+houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich niet bewegen
+kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig
+meer verstand, dan men meent. Het laagst ontwikkeld onder de Honden
+is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan
+en kan, zooals licht te begrijpen is, zich zelf niet tot hooger peil
+verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.
+
+"Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een
+te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien indruk
+door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te
+geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, als een zoogdierenziel
+kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat
+het om geheel menschelijk te zijn, niets anders mist dan de spraak,
+geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen
+van den gemoedsaard, geen dier heeft de stof geleverd voor zooveel
+verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen,
+zijn herinneringsvermogen, zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van
+zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid,
+waakzaamheid, liefde voor den meester, geduld bij 't omgaan met
+kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden
+van zijn meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten
+voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld van zijn
+geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt
+over een koord, hij staat op schildwacht, hij bestormt en verdedigt
+vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den
+wagen; hij kent de noten, de getallen, de kaarten, de letters; hij
+neemt een mensch de muts van 't hoofd, brengt hem zijn pantoffels en
+tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken;
+hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele andere zaken."
+
+"Ik heb Honden gekend," zegt Lenz, "die, naar het scheen, bijna
+ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden
+of sloten, den stoel, de tafel op de bank binnendroegen, hem den
+hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk
+voorwerp opzochten en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen
+vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels
+te voorschijn haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien,
+hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel
+van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als
+hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij trekt, als hij
+thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een
+kruisweg gekomen is, omkijkt, om te vernemen of hij rechts of links
+moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige
+daad, hoe beschaamd daarentegen, als hij een dommen zet gedaan heeft;
+hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn
+meester het bemerkt, liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap
+of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar
+zich verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot
+tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend spoedig
+leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk
+onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten is enz. Aardig is het ook
+om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt,
+waarvoor hij van nature in 't geheel geen trek gevoelt, hoe een andere
+Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant,
+naarmate hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft."
+
+Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht
+onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht van
+elkander afwijken. Hunne meest in 't oogloopende karaktertrekken
+zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester,
+onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette
+waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, een
+dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij
+alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de eene eigenschap
+meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond
+treden. De opvoeding heeft hierop grooter invloed, dan men gewoonlijk
+meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding
+geven. De Hond is een getrouw spiegelbeeld van zijn meester: hoe
+vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe
+beter en zindelijker men hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger
+men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt
+hij; juist het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld
+wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden,
+van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn
+ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt ongelukkig
+gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord
+"hondsch" nog steeds in onteerenden zin gebezigd, hoewel het eigenlijk
+juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel
+mede bedoelt. Door zijne veelzijdige begaafdheden neemt de Hond den
+hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens
+onontbeerlijken metgezel.
+
+Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo
+huilen en blaffen vele bij 't zien van de maan, zonder dat men hiervoor
+een reden weet aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging
+geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig
+of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het
+te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen zeker
+van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen
+sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate vijandig, zonder dat
+hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten
+en de Egels; als zij een der laatstgenoemde dieren ontmoeten, scheppen
+zij er als 't ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de
+stekelbekleeding te bijten, ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel
+leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.
+
+Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van
+weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen
+tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den
+onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden regen aan.
+
+Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als
+twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst een
+wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien,
+en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere gevoelens bij hen
+de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in 't oog van
+de vriendschapsbanden, die soms tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden
+twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in
+nood. Ook met andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan;
+zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen
+Hond en Kat is wel eens onjuist.
+
+De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à
+10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 of
+meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds
+hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder bemint hare
+kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt
+ze niet zelden van de eene plaats naar de andere, waarbij zij ze met
+de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost
+is in één woord roerend: er zijn voorbeelden van bekend, die ons niet
+alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo
+verhaalt Bechstein een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: "Een
+schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen
+op het Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op
+dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl
+hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder
+zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar huis terug
+te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met
+zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had telkens over kleine
+gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen,
+en op deze wijze de 18 mijlen dertien malen achtereen afgelegd,
+ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde."
+
+Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare
+jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes
+hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het
+noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende
+dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere
+eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in
+een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats,
+een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen
+bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef
+zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde
+vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs
+jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk
+gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen,
+maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor
+hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn,
+bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden
+zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij
+zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.
+
+Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden
+zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang
+zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat
+zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de
+diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de
+eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen
+zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel
+meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of,
+zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang
+uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere
+Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van
+zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om
+te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer
+ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het
+dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen,
+en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden
+nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens
+een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste
+gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden
+als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij
+gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van
+hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer
+en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die
+hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep,
+zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.
+
+Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn
+trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja
+zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame
+uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar
+een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren,
+onderhevig zijn, een einde aan hun leven.
+
+Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door
+woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger
+meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van
+onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die
+een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst
+voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft
+meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt
+althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld
+door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij
+hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op
+sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van
+ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den
+Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier
+met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond
+het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn,
+pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld
+uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door
+'t zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren
+of zweren.
+
+De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of _lyssa_,
+vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren,
+maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt
+deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor,
+meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij
+al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte
+is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt
+dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn
+meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid
+en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat
+dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water,
+doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over
+'t algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke
+kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier
+verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat
+zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan,
+dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij
+graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt,
+en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding
+bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren
+worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat,
+de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond
+laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn
+meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of
+vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de
+wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt
+uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra
+knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte
+zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij
+kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water
+in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige
+samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere
+andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt
+met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.
+
+Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in
+den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken,
+maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls
+ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de
+bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar
+beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de
+Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles
+wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet
+hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke
+richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt
+dikwijls neder en hapt naar lucht.
+
+Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt
+het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met
+speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds
+in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond
+in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij
+hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid
+komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten,
+lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat
+de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de
+ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen
+mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond
+druppelt. Van 't water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch
+nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den
+bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt,
+zelfs in zijn ketting.
+
+De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in
+'t zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in
+landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel
+behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in 't geheel niet tot
+uitbarsting.
+
+Van oudsher zijn vele middelen tegen de _lyssa_ aangeprezen; het
+is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad,
+en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen,
+dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid
+leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal
+helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan;
+dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet
+gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam
+verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de
+mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde
+nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door
+Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog
+redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is,
+door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken
+door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt
+het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in
+bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen
+onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de
+vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt
+het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte
+beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren,
+op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld
+gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden;
+er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest,
+die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid
+kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil
+(misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de
+meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.
+
+Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude
+en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan,
+als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn,
+dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet
+spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een
+ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop
+op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen
+zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen,
+niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn
+zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken,
+meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon
+snel verloop hebben.
+
+De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor
+beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring;
+de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien
+nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden,
+door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen,
+Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China
+ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn;
+zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere,
+nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In
+verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking
+tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een
+gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het
+denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap
+zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt
+geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de
+gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel
+is van het menscheneten.
+
+Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel
+voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs
+den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld
+is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in
+de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien
+van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der
+Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt
+hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland,
+of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In
+het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt;
+in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen,
+banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer
+komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot
+dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen
+van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.;
+het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die
+"Grieksch wit" (_Album graecum_) wordt genoemd, omdat de Grieken het
+voor 't eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in
+den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden
+zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk
+aan 's vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in
+de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van
+de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden
+bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele
+van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden
+even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel
+uitmaakten van de roofgierige benden der _Conquistadores_. Even als
+alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze
+Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel
+van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de
+gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag
+der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de
+wildernis op te sporen.
+
+Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig
+geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, die men
+voor hen had, was echter zeer ongelijk: Socrates was gewoon bij den
+Hond te zweren; Alexander de Groote was over den dood van een zijner
+lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met
+tempels liet bouwen; Homerus bezingt _Argos_, den Hond van Odysseus
+op een waarlijk treffende wijze; Plinius acht de Honden zeer hoog en
+verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat
+de Kolophoniërs, die voortdurend oorlog voerden, met het oog hierop
+groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst
+aanvielen, en in geen veldslag in gebreke bleven. Toen Alexander de
+Groote naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten
+Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij
+liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen,
+maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende,
+dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van
+Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van dezelfde soort met de
+boodschap, dat Alexander geen zwakke dieren tegenover den Dog moest
+plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee
+zulke Honden gehad; als Alexander dezen liet dooden, had hij er geen
+meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een
+Leeuw, later met een Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.--De
+oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer
+hoog, zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de
+Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen
+uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren
+zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de Hond bij de
+oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen
+overwonnen waren, moesten deze eerst nog een hevigen strijd voeren met
+de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen,
+naar Plinus bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens
+Von Humboldt, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen,
+tot de duisternis geweken was.
+
+Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik
+van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. Nagenoeg al
+zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.
+
+Nu hebben wij den Hond in 't algemeen beschouwd; het wordt tijd,
+dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen
+diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van
+de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat het aantal
+rassen zoo verbazend groot is: Reichenbach vermeldt er 195.
+
+
+
+De _Windhonden_ (_Canis familiaris grajus_) zijn kenbaar aan hun
+uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn
+gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, en in den regel ook de
+kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet,
+de vrij lange, smalle, met korte haren begroeide ooren, die voor de
+helft overeind staan en voor 't overige omgebogen zijn, de korte en
+strak gespannen lippen verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk
+voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, die in
+de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en
+ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, daar de neusschelpen
+zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor
+de reukzenuw-eindtoestellen niet over zulk een groote oppervlakte
+verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de
+lengte gerekt is, onderscheidt de borst zich door groote breedte,
+diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk
+zeer groote longen, die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge
+beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een
+voldoende hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit
+te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon
+sterk versmald, als 't ware om aan het lichaam, dat door de krachtige
+borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. Denzelfden
+lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den
+Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij vele dieren terug: een
+onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende
+langen tijd voortgezette beweging. Buitengewoon fijn gebouwd zijn
+de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral
+ook de sterke pezen, waarin deze spieren uitloopen. Maar ook aan den
+borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden
+zien er uit, alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige
+waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt zich
+uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht
+gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt en een
+weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den
+regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen een grootere lengte,
+en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige
+rassen, waar zij fraai roodachtig geel is. Een andere kleur dan deze
+treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië
+en van Centraal-Afrika, nagenoeg niet aan. Gevlekte Windhonden zijn
+zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige.
+
+De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige
+Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; in den
+regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester,
+maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont genegenheid aan
+iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een
+meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, en toont dezen dan ook
+een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter,
+wanneer een ander persoon jegens hem vriendelijker is dan zijn
+eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze
+trouweloosheid. Toen Eduard III van Engeland stierf, verliet zijn
+Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het
+huis van Plantagenet. Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele,
+die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet
+achterstaan bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering
+maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras
+vermeerderen.
+
+De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover
+den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs nagenoeg
+onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de
+eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk worden. Want ondanks
+zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint,
+trekt hij partij van zijn grootte, houdt steeds den snoet boven den
+nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert,
+stevig beet, tracht hem op te tillen, en schudt hem heen en weer,
+tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen
+staan echter vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij
+even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als
+de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke
+gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk in alle
+steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen,
+Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken van Middel-Afrika en
+Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls
+gelijk aan die van een goed Paard. Bij de Arabische stammen van de
+woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara,
+bestaat het spreekwoord:
+
+
+ "Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard,
+ Zijn meer dan twintig vrouwen waard,"
+
+
+en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met
+deze menschen verkeerd heeft.
+
+Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet
+vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken,
+zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een
+Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De
+Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren
+Hond menige poets. Met razenden spoed snelt deze het wild achterna,
+maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden
+met die van de groote Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2,
+3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is
+hem reeds op de hielen,--in 't volgende oogenblik zal hij hem zeker
+grijpen--maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt
+nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem
+regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt bijna op den
+grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt
+en ziet eindelijk den Haas, die reeds een honderd vijftig schreden
+ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft
+het opnieuw bijna gegrepen, daar maakt de Haas een tweeden zijsprong,
+en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht
+nooit tot een einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in 't
+veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den
+pas afsnijdt.
+
+
+
+Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen,
+wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van het zuiden in
+meerder of mindere mate tot één ras, waarmede de _Steppenwindhond_
+ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft
+haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel, niet
+zelden naar 't witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur
+verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt men dit ras onder
+andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld.
+
+In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz
+in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid om den
+Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners
+voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht in hun onderhoud,
+hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden
+en Windhonden, de eerste bij hunne schapenkudden, de laatste in het
+dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; vóór
+iedere deur zaten verscheidene van deze prachtige dieren, het eene
+al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds
+hierdoor zeer van hunne verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen
+de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd
+met den Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich
+rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht te
+leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op
+de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk om een
+geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te
+recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid in 't klimmen.
+
+Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den
+morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een hoorn: het was
+de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden
+en weldra trok de geheele jachtstoet in geregelde orde het dorp uit,
+hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want
+reeds de naastbijgelegen bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit
+op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk
+gering, dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men
+bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men een
+wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door,
+en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich daar bevond. Men bracht
+mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen,
+die door de Honden gevangen waren. Een Antilope ontkwam hun nooit,
+omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen.
+
+Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt
+generaal Daumas het volgende mede: "In de Sahara en in alle overige
+door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een
+verwaarloosde, lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig
+ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken of
+het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting,
+de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel als de armen
+beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke
+uitspanningen, waarvan de Bedoeïnen zooveel werk maken. Men verzorgt
+dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte
+voedsel, laat hem bij wijze van spreken met zich uit één schotel eten
+en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen.
+
+"Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig
+te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn nabijheid
+Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na
+verloop van korten tijd toont het edele dier reeds een groote en
+levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het
+reeds zooveel ervaring opgedaan, dat het ook voor 't vangen van andere,
+grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand
+begint men het reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel
+meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht
+op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk,
+terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt de aandacht
+der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en
+laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt de Windhond zich ook zonder
+bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig.
+
+"Onder al die bedrijven is het edele dier één jaar oud geworden
+en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt de
+'Sloegoei' nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt;
+men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud is. Maar na dien
+tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij
+volbrengt dien naar behooren. Als deze Hond nu een kudde van 30 of 40
+Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt
+zijn meester smeekend aan. Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt
+den rug en den buik van 't dier, in de overtuiging, dat het hierdoor,
+meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk is de Windhond
+vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op
+zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste en mooiste exemplaar
+uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft,
+krijgt hij oogenblikkelijk het stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het
+vleesch aan de ribben,--ingewanden zou hij met verachting laten liggen.
+
+"De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk
+een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen vergoeding
+voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een
+afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet de Windhond jubelend
+uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel,
+om den meester, wiens uitblijven hij betreurde, te liefkoozen. Dan
+zegt de Arabier tot hem: "Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede,
+het was noodzakelijk dat ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik
+heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel
+zoo goed zijn, mij vleesch te verschaffen." De Hond gedraagt zich
+bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis
+er van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten
+van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel; voor een
+Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel
+als voor een mooi Paard."
+
+Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de
+zoogenaamde _Italiaansche Windhond_, in vergelijking met andere
+Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg,
+bij wien alle lichaamsdeelen volkomen met elkander harmonieeren. Zijn
+gewicht bedraagt zelden meer dan 3 à 5 KG., de alleruitmuntendste wegen
+zelfs niet meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte
+en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen.
+
+Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den
+_Naakten Hond_ van Centraal-Afrika (_Canis familiaris africanus_)
+beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek
+sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst smal, de hals
+middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd
+sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet wordt naar voren smaller en
+spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende
+en half overeindstaande ooren zijn, evenals het overige lichaam,
+onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort
+en strak gespannen. Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge,
+tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en
+het ontbreken van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in
+de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen
+eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt
+dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur, die
+bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige
+plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi. De lengte van
+het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35
+cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden vorm, treft men het
+ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan;
+alle zijn afschuwelijke beesten; niet zelden hebben zij een verkleurd
+bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China,
+Middel- en Zuid-Amerika, op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden.
+
+Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij
+in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan in den regel
+niet lang in 't leven gehouden worden.
+
+
+
+Een tweede groep van Honden is die der _Doggen_ (_Canis familiaris
+molossus_). Van deze noemen wij in de eerste plaats den _Deenschen
+Hond_, hoewel hij als een bastaard van den _Windhond_ en den
+_Bullebijter_ wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van
+edelen vorm met slanke pooten, gladden staart en groote, mooie oogen;
+de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele
+dier, toch nog veel forscher dan die van den Windhond. In vroegere
+tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt;
+thans treft men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in
+Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen.
+
+Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam
+_Wachthond_ of _Slagershond_ werd aangeduid (_Mâtin_ der Franschen,
+welk woord volgens sommigen letterlijk "huishond" beteekent), en
+waaruit zich, volgens Linnaeus, in het noorden de Deensche Hond,
+in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben.
+
+
+
+Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door
+kruising verkregen afstammeling van dit dier, de _Duitsche Dog_, die
+zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt,
+en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt, in de mode
+is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen "_Rijkshond_"
+gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit
+ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef dragen, en ook
+wel _Ulmer Dog_ werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een
+twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam
+_Duitsche Dog_.
+
+De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden
+en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart, licht- of
+donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn
+dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht grijs zijn, meestal met
+onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen
+niet zelden witte merken op de borst en de teenen voor. De middelmatig
+groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond
+van dit ras, van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan Gräszner
+ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een
+schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175 cM. en een gewicht
+van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze
+zegsman, rector van een school in een groote industrieele stad van
+Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats,
+en achtte het daarom noodig, zich een flinken Hond aan te schaffen,
+tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. "Mijn
+keuze viel," verhaalt Gräszner verder, "op een Duitschen Dog van 5
+maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij
+de Hondenliefhebbers van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar
+tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond
+in huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en
+zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop van eenige uren
+legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn
+nieuwe omgeving al eenigszins op zijn gemak. Het spreekt van zelf, dat
+hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij
+deze gelegenheden toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard,
+als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig
+hield, verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf,
+ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen en laten
+van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde,
+dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van geharrewar en ruzie b.v. had
+hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige
+woordenwisseling geraakten, schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij
+tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend
+tusschen de twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen.
+
+"Zijn lichaamskracht was geëvenredigd aan zijn kolossale
+grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar was,
+geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap,
+die hem in 't voorbijgaan gestooten had, droeg hij, zonder hem
+eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar
+mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende os, die met een
+aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan
+den hals vast, dat het dier luidkeels brulde van pijn en ontsteld
+wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van
+een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin 'Tom'
+eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende,
+sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij, voordat hij
+aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op
+het punt stond, toe te schieten op iets, dat zijn toorn had opgewekt,
+kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een
+kind omgeworpen en voortgesleept.
+
+"In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof
+hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd, bleef hij uren
+lang bij 't bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend
+op diens gelaat gevestigd, en legde om zijn medelijden te toonen
+zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken
+werd.... Als de post een pakje had gebracht van een buitenshuis
+vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten,
+waarop de inhoud werd uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste
+voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle
+leden van het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren,
+om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken. Het
+was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral
+echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden.
+
+"Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag
+om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes
+noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen
+wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te ontkapen,
+en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde
+voorwerp opzettelijk met in 't oogvallenden ijver zochten, had hij
+zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een
+onnoozel gezicht, om te laten zien, dat hij van de oorzaak van de
+opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp
+gaf hij, sluw knipoogend, eerst dan terug, als men zich direct tot
+hem wendde met de vraag: '_Tom_! weet jij dan niet, waar dit of dat
+gebleven is?' Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam
+hij, voordat men hem deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door
+een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd,
+ongeroepen bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte
+voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik toe,
+die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich
+omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te nemen, en naar
+zijn plaats terug te keeren.
+
+"Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving
+gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze Hond bezat,
+hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere
+Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen tot het mededeelen
+van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij,
+door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid van het spoorwegstation, toen
+er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den
+voorbijsnellenden trein, om te weten of er ook een bekend gezicht aan
+een der coupé-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat _Tom_
+beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar
+in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te weten,
+of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: 'Ja, _Tom_! ga
+er heen!' Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter
+den trein aan naar het station. Langs een korten omweg ging ik zoo
+spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien,
+hoe _Tom_ in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers
+in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten
+ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar
+wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert dien tijd
+gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen,
+vooral als het donker was, van alle in een nauwe betrekking tot ons
+huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein
+aankwam, drong _Tom_ door de dichte menschenmassa heen tot aan de
+waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun
+een stuk van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook
+uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs den
+kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren."
+
+
+
+Bij den _Bullenbijter_ is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken
+slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed
+en diep, de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het
+voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend
+en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de
+onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen), beide
+zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig
+breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w. z. zij staan voor de
+helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De
+krachtige pooten zijn middelmatig hoog. De staart is bij den wortel
+dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het
+hielgewricht, hij wordt zelden rechtuit of naar achteren gestrekt,
+maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is òf
+vaal òf bruinachtig geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de
+snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals
+bij alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor.
+
+Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men
+althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens de zwaarte
+en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang
+achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone spierkracht, veel
+vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen
+zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen na, als de moedigste van
+alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de
+Bullenbijters bijzonder geschikt voor een moeilijke en gevaarlijke
+jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn
+niet zoo uitmuntend als die van vele andere Hondenrassen; zij staan
+echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt;
+want iedere Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder
+aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor het
+bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde
+goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als reisgezel in
+gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt,
+dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 à 6 roovers verdedigd heeft,
+en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk
+een ongelijken strijd te voorschijn kwam in weerwil van de tallooze
+wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden
+Rundvee gebruikt, en is in staat om zelfs den wildsten stier in toom
+te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik
+zijn tegenstander met de tanden bij den bek te pakken en zich zoo
+lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht
+van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met groote roofdieren,
+zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht
+worden. Tegenover andere Honden gedraagt hij zich zeer loffelijk. Hij
+zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel
+welgevallen. Hij is trouw en gehecht aan zijn meester, maar is voor
+vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting
+liggen; als hij op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer
+te vreezen.
+
+Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke _Doggen_,
+zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht
+afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de zijden over de
+onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit
+voortdurend zichtbaar blijft. De neus is niet zelden gespleten, de
+vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter
+bont. In vroegere tijden, toen het land minder veilig was dan thans,
+kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze
+alleen bij sommige hondenliefhebbers aan.
+
+Een der grootste rassen is de _Engelsche Dog_ (_Mastiff_), die vaak
+als wachthond dienst doet.
+
+Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat
+in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken kan worden,
+dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier
+licht isabelkleurig; men krijgt echter ook wel eens, hoewel minder
+dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien.
+
+De _Bulhond_, _Bulldog_ of _Boxer_ wordt vooral in Engeland veelvuldig
+gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend,
+ongenaakbaar en stompzinnig dier beschouwd; dit geldt echter niet
+van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen
+van trouw en gehechtheid; maar alleen, als hij dezen volkomen heeft
+leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle
+omstandigheden het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den
+mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij
+een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als
+de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en heerschzuchtig;
+het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot
+zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat zijn moed nog grooter is,
+dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte.
+
+Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder
+los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem bij deze
+voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen,
+zonder dat hij zijn gebit opent.
+
+De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend,
+en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze dieren meer
+dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige
+spelen van het Circus te vervullen.
+
+Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel
+eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in staat van
+beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is
+daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig niet meer
+zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest,
+als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige dieren van dit ras
+komen in verstand den Poedel zeer nabij.
+
+
+
+Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve
+mij de uitdrukking, n.l. de _Mops_, eigenlijk een Bullenbijter in
+'t klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die
+een kurketrekkervormig gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen
+krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem
+zeer veel op de Bulhonden gelijken.
+
+De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna
+uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde
+Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig
+en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem.
+
+Een groot ras van Bullenbijters, de _Cubaansche Bloedhonden_, werd
+in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte
+deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen, of zelfs te
+dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden
+gebruik van dergelijke Honden in den strijd tegen, of tot het opsporen
+van Indianen, en een van hen, _Beçerillo_ genaamd, is beroemd, of
+liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als
+door schranderheid uit. Hij bekleedde een hoogen rang onder de Honden
+van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval
+was hij gewoon zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen,
+één hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene
+weg te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens
+geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier
+hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die
+zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden van de
+vijanden en deed hen geen leed.
+
+Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het
+bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het echter geen
+Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht
+maakten.
+
+
+
+Een andere _Dog_, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was,
+is de _Tibetaansche_, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk
+indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige
+rassen, bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De
+langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de
+wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid
+van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd; in alle dorpen
+van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis
+en van het vee.
+
+
+
+De _Dashonden_ (_Canis familiaris vertago_), in Engeland _Terrier_
+genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden
+zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen vorm
+en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar
+onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug, die op korte,
+verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het
+degelijke gebit, de hangende ooren, de groote teenen met de scherpe
+klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten
+zijn zeer kort, plomp en sterk; de voorste ledematen zijn naar binnen
+gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar
+te beginnen zijn zij echter plotseling weder naar buiten gekromd;
+aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een
+klauw gewapenden binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het
+hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar
+binnen gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en
+grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde
+gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook
+eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt. In den
+regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen.
+
+De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in 't duister. Xenophon
+heeft hem, naar 't schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in
+oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe grootte is de
+Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op
+de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste andere Honden, zou hij voor
+de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als
+hij niet de onhebbelijkheid had, zich weinig of niet om het bevel van
+zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te "scheuren",
+d. w. z. het buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben
+een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed
+en verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en
+volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt worden; zelfs
+op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig weten zij
+buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat
+hen wegens hun geringe hoogte toch al niet zoo gemakkelijk pakken kan
+als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk
+en prettig in den omgang, waakzaam, laten zich door vreemden niet licht
+tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig,
+en op lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch.
+
+Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond
+wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken
+ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij,
+geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra een stuk wild: nu
+echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd
+geworden wegens zijn ongehoorzaamheid, de jager moge hem fluiten,
+roepen, naar hem zoeken,--het baat alles niets: zoo lang hij het wild
+voor oogen heeft of het spoor er van vervolgt, gaat hij zijn eigen
+gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden
+in deze mate voorkomt. Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden
+Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich
+verscholen heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder
+deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is, gaat hij
+liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is
+de Dashond gewoonlijk slechts voor één jachtbedrijf bruikbaar: n.l. om
+dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven.
+
+Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen
+van een recht goede teef en houde ze gedurende den zomer in een open
+hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden,
+wat hen schroomvallig zou kunnen maken; want den moed, die hun van
+nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in
+stand gehouden worden.
+
+
+
+Van den bij ons zeer zeldzamen _Otterhond_, die naar zijn vaderland
+_Skije-terrier_ heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend;
+volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen
+Terrier met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft,
+en _Spithond_ genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk
+voor 't draaien van 't braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij
+ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen.
+
+De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp,
+rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende
+ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige,
+verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs of geel)
+van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan
+uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom veel voor de otter-jacht
+gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst;
+het heet daarom ook thans nog "_Welsh Harrier_."
+
+
+
+De groep der _Jachthonden_ (_Canis familiaris sagax_) omvat een veel
+grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij
+veel beter geschikt om goed afgericht te worden voor de diensten, die
+men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten
+rang in onder de Huishonden. Reeds bij ons is het aantal rassen niet
+onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittannië,
+waar men zich reeds sinds lang met ijver op het veredelen van
+deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een
+doelmatige keuze van de voor 't fokken gebezigde rassen bereikt;
+steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen
+voortbrengen. Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de
+hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen
+reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben
+zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het wild nog na
+verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen.
+
+Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de
+_Staande Honden_, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot
+en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms
+gespleten, het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen "het
+behang"); zij zijn òf kort en gladharig, òf langharig, òf ruigharig;
+hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken;
+men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of gele exemplaren
+aan.
+
+De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande
+bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans door sommigen in
+ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam _Staande
+Hond_ soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de
+naam _Patrijshond_ meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en
+ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd
+tot aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen
+zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond heet
+_Pointer_: dit dier "teekent" (d. w. z. wijst den jager het wild)
+door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk
+te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht
+gericht (_chien d'arrêt_). De langharige Engelsche staande Hond heet
+_Setter_, omdat hij gewoon was te "teekenen" door te gaan zitten of
+liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (_chien couchant_);
+tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen
+als de Pointer.
+
+De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame
+dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei wild,
+en hiervoor in den letterlijken zin van 't woord onontbeerlijk. Zij
+sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen van het versche
+spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in
+gunstige omstandigheden kunnen zij het kleine wild reeds op een afstand
+van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.--Diezel
+roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle
+Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit dier echter
+alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het
+van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral een zeer scherpen
+reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet,
+om ieder woord, iederen wenk van den jager, wiens metgezel hij zal
+worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze
+moet alle eigenschappen van een goeden opvoeder, en wel in de eerste
+plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend
+schutter zijn.
+
+Diezel beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt:
+"Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide Hond
+van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen
+met een steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar
+rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij even
+stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar
+de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze wenken worden
+zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het
+gezochte wild, wordt de beweging van den staart, die vóór dien tijd
+geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op
+eens in een levend beeld. Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met
+lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige
+oogenblikken later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien,
+of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door
+den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn)
+den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos zijn plaats
+verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te
+geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad en gebruikt heb, waren
+echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den
+eersten tijd, maar leerden het eerst in latere jaren."
+
+De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige
+dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de machtige invloed,
+dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen,
+duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden Hond. Een goed onderwezen
+Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame
+jager wordt door den goed gedresseerden Jachthond, die hem vergezelt,
+niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een
+Patrijshond gekend, _Basko_ genaamd, die alles deed, wat men van een
+dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend
+schutter, die in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht
+twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij
+bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter
+met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze vraagt verlof
+een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens:
+"Schiet vooral goed, anders neemt _Basko_ het u erg kwalijk!" De jacht
+begint; _Basko_ krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en
+"staat" voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op
+te jagen. De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele
+Vogel valt ter aarde. _Basko_ kijkt hoogst verbaasd om, en geeft
+duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij
+gaat echter nogmaals mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op,
+die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond
+gaat dicht bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol
+van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren
+daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond,
+die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het veld mede te
+nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn
+hart geworteld.
+
+Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden
+opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. De
+africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor
+het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men op gewelddadige
+wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet
+weinige africhters, die zich van deze marteltuigen bedienen. Velen
+echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen
+hunne leerlingen niet als slaven, maar als verstandige helpers;
+zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.
+
+
+
+De _Speurhond_ (in Duitschland _Schweisshund_, in Schotland
+_Bloodhound_ of _Talbot_ genoemd), gelijkt in grootte en gestalte
+op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers
+bekend. De dieren, die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd;
+hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot
+vaalgeel, met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren;
+dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed,
+weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar
+breeder dan bij de overige Jachthonden; de lippen van den stompen snoet
+hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede,
+afhangende ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de
+uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart
+neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en
+diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, zoodat ieder,
+die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.
+
+De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild:
+hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het aangeschoten
+is. Aan de lijn gehouden (als _leihond_) brengt hij bij het "nazoeken"
+den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde
+dier zich heeft neergelegd; als men hem los laat loopen, en hij het
+wild gestorven vindt, dan slaat hij "dood" aan; als het wild nogmaals
+is gaan loopen, vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert,
+en aan de jacht met een treffer een einde maakt.
+
+In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne
+oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook beschermde
+hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig
+voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar men meent, is de
+Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.
+
+
+
+Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit
+geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, zoo lang
+nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet
+zelden na een verwoeden tegenstand, door de Honden gegrepen, of door
+den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt
+dus "par force" (door krachtsinspanning) verkregen, en niet van uit de
+verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden,
+die daarom _Parforce-honden_ of _Brakken_ (_chiens courants_) heeten.
+
+Eén van deze, de _Schotsche Hertenhond_ (_Greyhound_, _Deerhound_),
+die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en
+Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt,
+onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone
+snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin nog maar weinig van
+deze dieren. Vroeger was dit anders. George III was een hartstochtelijk
+liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon
+deel nam. Niet zelden werd met zulk een ijver gejaagd, dat van
+de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er
+nog maar 10 of 20 over waren, als het wild door de Honden gegrepen
+werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht
+werd dikwijls zoo lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden
+en zelfs vele Honden hierbij om 't leven kwamen. Tegenwoordig gaat
+dit niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze
+jacht te veel hinderpalen in den weg legt.
+
+
+
+Een veel belangrijker dier is de _Voshond_. Beroemde mannen hebben zich
+meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem
+geschreven, en ook nu nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar
+'t schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van
+geheele volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond,
+den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond,
+de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen
+van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. Een
+goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat
+hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van den _hertog_ van
+Richmond b.v. vonden, naar Bell verhaalt, 's morgens om kwart voor
+acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur 's avonds, dus na
+een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal
+van Paarden verwisselen en verscheidene van deze dieren bezweken;
+van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.
+
+
+
+Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de _Spion_
+(_Stöberhund Choupille_, _Beagle_), wiens schouderhoogte slechts 35
+cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en
+Dashond is. Hij jaagt kort onder het geweer en "teekent" voor het
+wild zonder te "staan". Vroeger werden koppels van deze dieren veel
+voor de drijfjacht op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.
+
+
+
+Onder den naam _Zijdehonden_ (_Canis familiaris extrarius_) vat men
+gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij
+onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige haren bestaande
+vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang,
+zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog en rugwaarts gekromd
+gedragen wordt. Zij heeten ook wel _Spaansche Honden_ (_Épagneul_,
+_Spaniel_), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland
+Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan _Prins_
+Willem I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande
+Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit ras
+verkregen.
+
+Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang
+achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en een groot
+verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden
+voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, gebruikt; deze heeten
+Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een
+zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, daar zij van nature te driftig en
+te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen
+zij van begeerte bij het vinden van een spoor, en zijn niet in staat
+hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna
+voortdurend. Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan
+voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden ook
+in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete
+Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige Honden weldra bedorven
+zijn. Kapitein Williamson verhaalt, dat hij eens een van deze kleine,
+vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los
+gaan. Het vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in 't eerst
+verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend
+gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij,
+dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze beide, in grootte en
+kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen,
+de groote, vreeselijke Tijger met opgeheven staart als voorganger en
+het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.
+
+De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten _King-Charles_,
+de allerkleinste _Blenheim-Hondjes_; de eerste naam brengt in
+herinnering, dat Koning Karel II van Engeland buitengewoon veel van
+deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden
+zich door hun donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige
+tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar
+en het groote, lange "behang". De allerbeste en meest gezochte van
+deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten slechts 3,5
+KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien,
+en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer zij verstandig behandeld
+worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan:
+voortdurend op grappen bedacht, laten zij zich met zeer geringe moeite
+tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename
+eigenschap van deze dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen
+zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook
+de _Maltezer_ en _Bolognezer Schoothondjes_ en de _Leeuwtjes_ behooren
+tot dit ras.
+
+
+
+De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de _Newfoundlander_ of
+_Terreneuve_ is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal,
+sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten
+snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke
+borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker
+teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte,
+lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige haren vormen
+de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van
+deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn zwart met een heldere,
+roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan
+de voetgewrichten. Een weinig minder veelvuldig komen zwart en wit, of
+bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.
+
+Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen
+beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren
+met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden
+stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate trouw en gehecht
+aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De
+Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; het water schijnt zijn
+eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van
+zwemmen en verstaat deze kunst uitnemend; hij duikt als een zeedier
+en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze
+Honden in een wijde inham van de zee, op mijlen afstands van de kust;
+men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen
+had. Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze
+hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den wind, als
+voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane
+dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp uit het water, zelfs
+bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan
+hem op geen wijze meer genoegen doen, dan door hem de gelegenheid te
+geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met
+hem te water begeeft, vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt
+buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch,
+evenals hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke
+moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu eens zwemt
+hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder
+hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde dragen of ondersteunen,
+kortom, hij wil in 't water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn
+meester zich vermoeid naar den oever begeeft, tracht de Hond hem tot
+een nieuwen wedstrijd over te halen.
+
+De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging
+in 't water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer dikwijls
+heeft hij aan verdrinkende menschen het leven gered. In plaatsen,
+die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste
+kinderoppasser, dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het
+kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen;
+men kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed
+zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast is. Bij
+deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote
+goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid voor ontvangen
+weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een
+onrechtvaardige behandeling of straf, die hij ondergaan heeft; voor
+lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.
+
+
+
+Met den Newfoundlander heeft de _St. Bernards_- of _Bernhardinerhond_
+eenige overeenkomst. "De St. Bernhardshonden," zegt Tschudi, "zijn
+groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en
+lang 'behang'; zij zijn buitengewoon scherpzinnig en trouw. Door vier
+geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet
+meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne trouwe diensten door lawinen
+om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke
+verschilt, wordt nu gefokt, en een jong dier dikwijls zeer duur
+verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van
+den St. Bernard, dat 2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den
+somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9
+maanden duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken,
+in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die zoo
+fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan
+stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt de wind dit
+ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden
+en afgronden bedekken en bij den geringsten schok in de diepte storten.
+
+"De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen
+helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen en in
+den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt
+zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden reiziger met
+vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een
+zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een spleet, de andere
+wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den
+nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt en in de wildernis van
+honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den
+slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. Zonder de echt christelijke en
+zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas
+ieder jaar slechts gedurende weinige weken of maanden begaanbaar
+zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van
+de verzorging en redding der reizigers. Kosteloos vinden deze in
+'t klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het
+haardvuur nooit uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd
+menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen
+is echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij
+de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag gaan
+twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van
+den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het klooster
+naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij
+onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd;
+verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de 'zoekers,'
+die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven,
+draagbaren en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor
+wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de
+Honden wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het
+volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms dagen
+achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een
+door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij langs den kortsten
+weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed
+staande monniken naar den ongelukkige. Als zij een lawine ontmoeten,
+onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken,
+en als hun fijne neus hun daarvan de zekerheid geeft, beginnen zij
+onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen
+en groote lichaamskracht hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij
+aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn,
+op den rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze
+schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken
+van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De
+beroemdste Hond van dit ras was _Barry_, een onvermoeid werkzaam dier,
+dat aan meer dan 40 menschen het leven redde."
+
+Een dichter heeft dezen Hond bezongen; Tschudi haalt dit gedicht in
+zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in
+gebonden taal geschreven is, n.l. de beschrijving, die Scheitlin van
+_Barry_ geeft. "De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen," zegt
+hij, "was niet die, welke de wachten van den Akropolis van Korinthe
+deed ontwaken, ook niet de Bloedhond _Beçerillo_, die honderden van
+naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter,
+die op bevel van zijn meester, een beangste reiziger vergezelde en
+beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook
+niet Dryden's '_Draak_,' die na een wenk van zijn meester, op vier
+bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven
+redde, niet die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar
+in 't water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug te
+Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in
+de golven ontrukte, ook niet Aubry's Hond, die woedend den moordenaar
+van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid
+van den koning plaats had, verscheurde, ook niet de Hond van Benvenuto
+Cellini, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen
+stelen wilde, maar _Barry_, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij,
+_Barry_, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij
+waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een warme ziel
+voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met
+een korfje vol brood en zoete, versterkende lafenis aan den hals,
+verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder,
+dag aan dag, om ingesneeuwde, door lawinen bedekte ongelukkigen op
+te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek,
+snel naar huis te rennen, opdat de kloosterbroeders met u kwamen en
+met spaden u bij 't graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een
+doodgraver, gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een
+fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen
+maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben
+durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster te laten
+dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige poort,
+om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging
+over te geven. En toen de zoete last u afgenomen was, sneldet gij
+dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door
+iedere naar wensch geslaagde poging nam uw ervaring toe en werdt
+gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad,
+dat zij voortdurend goede gevolgen teweegbrengt!"
+
+Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en
+alle andere hospitiën worden, volgens Tschudi, uitmuntende Honden
+gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls
+Newfoundlanders of kruisingsproducten van deze. De hospitiumbewoners
+op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter
+het naderen van slecht weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en
+door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo
+beroemd als _Barry_ is geen hunner echter geworden.
+
+
+
+Een Zijdehond is ook de algemeen bekende _Poedel_. Hem te beschrijven,
+komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel eigenaardigheden heeft,
+die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam
+met de lange, wollige, vlokkige haren, die op vele plaatsen echte
+lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de
+lange en breede ooren onderscheiden hem van zijne verwanten. Een fraaie
+Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn
+overigens zuiver zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.
+
+De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden,
+doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en gaarne,
+en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter
+is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; in dit opzicht
+doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter
+te schetsen, ontleen ik de woorden aan Scheitlin, een zijner warmste
+vereerders. "Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft
+den fraaist gevormden kop, den best gebouwden romp, de schoonste
+gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet
+hoog en niet laag, niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig
+voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden
+voor allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit
+zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem aan,
+zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te
+verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt hij gewaar, dat hij
+het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer
+hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij onderscheidt de spijzen zeer goed
+en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een
+zoek geraakt kind een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken,
+kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind
+terugvinden. Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem
+het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn;
+voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn
+gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem zijns meesters,
+merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de
+klokken en schellen, herkent de huisgenooten aan hun wijze van gaan
+en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter
+minder ontwikkeld: hij ziet niet goed, hij herkent zijn meester door
+het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.
+
+"De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis
+terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In de stad
+of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt,
+met de zekerheid het te zullen vinden, het een of ander huis, waar
+hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is,
+en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. Daarom kan men hem
+leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn
+tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij onderscheidt den Zondag van
+de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van
+den maaltijd; ook is hij goed op de hoogte van de dagen waarop in het
+slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en
+onderscheidt hieraan de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk
+dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak,
+andere niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen;
+daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend
+opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de
+gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend leert
+verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem
+de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren lang onthoudt hij den
+weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig,
+omdat hij met zijn reukzin veel onderscheiden kan; veel meer aanspraak
+maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers
+in 't dagelijksch leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een
+domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het
+geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel;
+hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid en zijn
+gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan,
+pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met een troep Honden een
+hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne
+kameraden komedie spelen enz. Het is bekend, dat men ook aan Paarden
+en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.
+
+"Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd
+worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. z. zijn
+ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na,
+wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. Hij is een echte
+oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van
+zijn meester: 'wat hij doet, is wel gedaan; ik moet (of mag) het ook
+doen.' Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een
+tusschen de pooten of wil dien met den bek grijpen en spant zich dus
+noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een
+wetenschappelijk doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen
+zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de
+pooten te graven. Als zijn meester aan 't venster zit, springt de
+Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn en
+kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of
+een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid er een ziet
+medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer,
+gaat van den een naar den ander, om te laten zien hoe knap hij is
+en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen
+bekommert hij zich in het geheel niet om andere Honden; hij veracht
+ze, naar 't schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij
+hem achting toedragen.
+
+"De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en
+ook de meest geliefde Hond, omdat hij de goedaardigste is. Kinderen
+vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te
+bijten en ongeduldig te worden toelaat, dat zij hem op allerlei
+wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig
+hij ook is, toch kan men hem de brokken dikwijls weer uit den bek
+halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens
+geschoren heeft, kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar
+hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder
+te scheren, dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij
+wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn
+meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs,
+staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen hoek
+van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt,
+snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. Ook is het de
+moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet
+mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht te zijn, bij hem langs
+tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan,
+en plotseling, als men niet naar hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij
+met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot
+optilt, alsof hij, om te maken dat men hem de deur laat uitgaan,
+van plan is daar zijn behoefte te doen.
+
+"Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor
+wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, naarmate
+hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen,
+heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch wil aanhitsen,
+kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij
+denkt: "het kan toch de bedoeling van mijn meester niet zijn, dat ik
+een van zijns gelijken zou aanvallen." Men zou zijn meester kunnen
+dooden, zonder dat hij voor hem in de bres sprong. Steeds is hij in
+de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen
+diens slagen, maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord,
+den dreigend opgeheven vinger.
+
+"De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil
+komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond zit graag
+aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei
+middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen tracht hij te breken
+of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt
+vaak als een mensch, als hij losgemaakt wordt, en doet soms, alsof
+hij gek is van blijdschap."
+
+Van 't geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door Giebel een
+aardig geval medegedeeld: "In een groote stad, waar een hondenbelasting
+geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, alle Honden zonder
+belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en
+leelijk, in een groot hok, waar zij zich den tijd kortten door zoo luid
+mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil,
+schijnbaar in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis,
+en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. De
+weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan
+'t werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, opende de
+deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen
+hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw trokken zij
+voorbij de poortwachters, die in 't geweer kwamen, de stad binnen,
+en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester terug."
+
+
+
+De _Rattenvangers_ (de _Pintscher_ van de Duitschers), die nu aan de
+beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend;
+werkelijk hebben zij (eenige hunner althans) door hun beharing en
+door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid
+en trouw, vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den
+Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw
+van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat
+zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men onderscheidt
+ze in _gladharige_ en _ruigharige_. De eerstgenoemde gelijken door
+hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door
+de hoogere en rechte pooten en de geheel rechtopstaande of slechts
+aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur,
+gevlekte komen zeldzamer voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop
+forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts
+gericht met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken
+met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog en
+recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn,
+den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.
+
+Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren,
+die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun grootste genoegen
+Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag
+hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met waarlijk onvermoeiden ijver
+vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet
+onvoorwaardelijk aan te bevelen, daar zij wegens hun voortdurende
+onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen
+verschaffen; daarentegen zijn zij uitnemend geschikt voor menschen,
+die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger
+vergezelt zijn meester het liefst, wanneer hij terdege rennen en
+loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog
+tijd te vinden om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol
+bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en
+tegen den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig
+geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft een
+tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de
+voorpooten in den grond en heeft in 't volgende oogenblik het in
+den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij
+Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, naar Lenz verzekert,
+gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel
+14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, maar begraaft ze; Muizen eet
+hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.
+
+De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in
+Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen de
+Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de
+behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om de belangstelling in
+dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed;
+hierdoor gelijkt dit volksvermaak veel op een hazardspel.
+
+
+
+Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft,
+is de _Kleine Ruigharige Rattenvanger_, bij ons gewoonlijk
+_Smousje_ genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen
+rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers
+zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier,
+den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en liefkoozend
+jegens zijne vrienden en zeer dapper in den strijd tegen andere
+Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt,
+en wordt zelfs hier en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.
+
+
+
+De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een
+aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar meer nog dan
+de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de
+_Huishonden_ in engeren zin (_Canis familiaris domesticus_.) Tot deze
+groep behooren de _Herdershonden_, de _Keeshonden_, de _Wolfshonden_,
+de _Honden der noordelijke volken_ (_Lappen_, _Kamtschadalen_,
+_Eskimos_, _Hazen-Indianen_ enz.), de _Zigeuner-Hond_, de _Chineesche
+Hond_, de _IJslandsche Hond_ enz.
+
+
+
+De eigenlijke _Herdershond_ verschilt van alle overige Huishonden,
+doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den
+regel slank gebouwd, mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende
+pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte
+aanmerkelijk achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de
+magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk een
+weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige
+vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, die tot aanvulling
+van het beeld van dit dier kunnen dienen.
+
+In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar
+als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid volledig
+verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne
+zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende huisdieren
+een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet
+steeds letten op zijn meester en acht geven op diens bevelen. De
+Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten,
+want anders zijn zij niet bevreesd voor hem. Als hij de koe voor zich
+uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den
+staart of in de zijden, en nog veel minder in de uiers. Als een koe
+achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt,
+maar toch het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de
+horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, toch nog
+baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven
+hangen. De Spaansche herders gebruiken bij het veehoeden ook nog den
+slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen
+bestraft geworden is door een steen, die de herder hem tegen den kop
+werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt
+den weerspannige goed in 't oog en beperkt zijne bewegingen reeds
+na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder
+moet sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij
+mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit aanpakken,
+maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.
+
+Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van
+zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de Duitsche
+even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal
+zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. Zoekt de herder
+zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van
+paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, dan helpt de Hond
+hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of
+viervoetige roovers: de Hond neemt deel aan de gevechten, die hierbij
+noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn
+Hond een zachtaardig wezen zijn. De beide bondgenooten komen in aard
+overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die
+als 't ware ieder woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig
+opmerker verhaalde mij hiervan een staaltje, waarvan hij ooggetuige
+was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed op het
+"raapzaad" moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen,
+waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder had gehoord. Tarwe
+en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor
+hem, van raapzaad had hij echter geen begrip. Na een korte overdenking
+ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers
+en bleef eindelijk staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden
+van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn,
+en 't was werkelijk zoo!
+
+
+
+Wat de Herdershond is voor het vee, is de _Keeshond_ (de _Spitz_
+of _Pommer_ van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens
+middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en
+langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote
+oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht bekleed
+met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van
+zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering ook zwarte
+kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan 't voorhoofd, en witte
+merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, zoodat men hem niet
+licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den
+voorkeur aan die, welke lange, zachte, zuiver witte haren hebben.
+
+Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken
+van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op boerenerven
+voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van
+hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den voerman ontbreekt hij in
+Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te
+vervullen; door zijn vroolijken aard verschaft hij den man bij zijn
+moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De
+Keeshond wordt het meest geschikt geacht voor het genoemde doel,
+omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester
+onderscheidt, zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of
+koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich
+neervleit daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn
+trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast te
+liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid
+als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.
+
+De _Wolfshonden_, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en
+krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op
+de Herdershonden, welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.
+
+
+
+Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen,
+moge de _Eskimo-hond_ dienen; deze gelijkt op de leden van de beide
+laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de
+onbeschaafde volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn
+schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen
+echter forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij
+door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren,
+de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige
+gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild dier,
+hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In
+alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft hij verwanten,
+die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor 't hoeden van
+'t vee als voor het trekken van de slede.
+
+Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig
+echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf niet verschaft,
+door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele
+maanden alleen uit vel en beenderen schijnt te bestaan. Hij staat
+tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij
+in slavenketenen ligt, en tracht deze ketenen te verbreken. Er is
+iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn
+geest. Door zijn dicht haarkleed, de overeind staande ooren, de
+breedte van den bovenkop en de spitsheid van den snoet gelijkt hij
+zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in
+'t geheel niet van elkander onderscheiden kan. De Eskimo-hond rooft en
+steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch
+deemoedig, als slechts een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor
+de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die
+onder de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt;
+van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon
+zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken
+lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan hem bevestigd
+is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander
+aangespannen. Soms beginnen zij gedurende de reis samen te plukharen;
+het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen,
+bijten, razen dooreen; niet eens de met kracht op hen neerkomende
+zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk
+is de verwarring zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging
+niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van
+elkander losmaken en opnieuw aanspannen.--Zonder deze Huisdieren
+zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De
+Honden bewijzen hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10
+à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige
+jachttochten. 6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last
+van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één
+dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM.,
+en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild bespeuren,
+loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij
+bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne meesters, als deze
+in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.
+
+De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden
+worden. "Zonder deze Honden", zegt Steller, "kan iemand hier
+evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De
+Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend van kleur: de meeste echter
+zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik-
+en langharig. Zij voeden zich met visch. Van de lente tot laat in
+'t najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd
+loopen zij overal vrij rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren
+op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij
+genoeg Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren,
+alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October verzamelt
+iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan
+laat men ze terdege honger lijden, om te maken, dat zij hun vet
+verliezen, voor 't loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra
+de eerste sneeuw valt, begint hun ellende; dan hoort men ze dag en
+nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den
+winter krijgen zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald
+op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in
+hooge mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit
+verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit 's
+morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.
+
+"Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze
+dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere slede
+gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1
+1/2 poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading voor vier Honden
+is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol
+en gevaarlijk is, en men zich er bijna nog meer bij moet inspannen,
+dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het
+besturen van een hondenslede zoo moede wordt als een Hond, biedt dit
+middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst
+begaanbare plaatsen van het eene oord naar het andere kan komen,
+en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw,
+ook voor voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.
+
+"Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk
+een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men zoowel van de
+afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt
+blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei soort van kleedingstukken
+verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote
+waarde zijn."
+
+
+
+De _Vossen_ (_Vulpes_) verschillen door hun langwerpigen romp, den
+langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den
+regel langwerpig rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte
+pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van
+de Wolven, dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne
+gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die der
+andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht
+ten zeerste waardig zijn.
+
+Onder de in ons vaderland in 't wild levende Zoogdieren staat de _Vos_
+(_Vulpes vulgaris_) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander
+dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze
+vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid,
+van de lust tot het plegen van overtredingen en, om het zoo eens uit
+te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord,
+hem prijst de sage, hem verheerlijkt het gedicht; Duitschlands grootste
+dichter Goethe, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij
+zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. "De Vos
+van de sage en van de dichters," schrijft Pechuel-Loesche, "en de Vos
+van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen
+geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij hem niet in buitengewone
+mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list
+en vindingrijkheid, ook niet de onovertroffene fijnheid van zinnen,
+welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt
+hij zich van de andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven,
+door geen enkele in 't oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men
+toegeven, dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet
+te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet
+bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd
+zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder begrepen,
+zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een
+buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere jager, die met deze
+roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat
+er ook zeer vele niet-schrandere, ja zelfs werkelijk domme schepsels
+onder zijn--en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook
+sommige oude dieren. De Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat
+zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen;
+hij is vermetel, maar alleen als de honger hem kwelt, en wanneer hij
+jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden
+geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest of van overleg, maar
+geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch
+maar recht lomp gesteld zijn, en laat zich herhaaldelijk op deze wijze
+beetnemen; in 't open veld laat hij de sleden, die zich in een kring
+om hem heen bewegen, binnen het bereik van een schot naderen; hij
+is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem
+schrik aan te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet
+bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar bij
+een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit
+de voeten te maken--om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer
+vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft,
+in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, niet
+geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen
+dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere Reintje van de
+overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en
+hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt zich door geen
+enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren."
+
+Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld,
+in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder
+met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij
+wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op den staart
+komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed,
+het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling smaller wordt, is lang
+en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet
+breed zijn en naar boven spitser worden, staan rechtop. De romp
+schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid
+buitengemeen slank; toch is hij buitengewoon krachtig en voor de
+meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de
+staart is lang en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met
+zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn
+rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel
+in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past even goed bij
+de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om
+'t even of zij hoog of laag zijn, ook is het even goed geschikt voor
+de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen
+bodem. Meer dan bij andere dieren schijnt bij den Vos het kleed zich
+naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont
+met die der noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der
+vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe en in
+de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien,
+de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. Bij nauwkeurige
+beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer
+de volgende verdeeling van kleuren op: Aan de geheele bovenzijde
+is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en
+het achterste deel van den rug tot aan den staartwortel zijn met
+wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een
+witten top eindigt; de lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte
+streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw,
+de flanken witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de
+voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood,
+met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of
+wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar in elkander
+over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor
+komt het, dat het geheele haarkleed voor alle omstandigheden recht
+goed geschikt is.
+
+Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons
+halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, Noord Afrika,
+het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan,
+het westelijk deel van den Himalaja en Tibet er bij voegen, want de
+daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen
+worden. Nergens ontbreekt hij geheel; in vele gewesten komt hij
+veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte
+woonplaatsen vinden, waar andere Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich
+niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen
+hem in staat om zich in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven
+met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos
+zijn. Daar de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor
+in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt daar
+echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.
+
+Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid
+gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime kamer
+uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere
+gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen niet zelf,
+maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze
+gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich te storen aan diens
+afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote
+Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen aangelegd. Voorzoover
+hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een
+berghelling, zoodat de gangen naar boven gericht zijn, zonder te
+dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de
+kamer dikwijls dicht onder de oppervlakte. In den herfst en den winter
+vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen
+opeengestapeld rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude
+knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken
+als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud
+weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer gedurende de
+grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men
+onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; bij gunstig weer echter
+doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste
+geschikte plekje, dat hier te vinden is, als rustplaats. In vlakten,
+die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van
+Onder-Egypte, graven de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen
+werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit
+land jaar in jaar uit in de open lucht leven.
+
+De Vos houdt zijne rooftochten liever 's nachts dan over dag; op
+stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij 't licht der zon. In
+de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van
+zijn gebied dikwijls verscheidene uren vóór zonsondergang met zijne
+jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt,
+rust hij, naar 't schijnt, alleen gedurende de morgenuren uit;
+hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te
+zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op warmte gesteld. Bij fraai
+weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om
+zich in de zon te koesteren en verdroomt dan in de verkwikkelijkste
+gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft
+hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos
+aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt zoo vast,
+dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd
+gevestigd, hem soms in dezen toestand kan verrassen en bespieden. Met
+het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij
+zijn rooftocht. Uiterst voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en
+speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne
+wegen, passen of "wissels" (d.w.z. de paden, waarlangs hij het bosch
+binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen,
+hoog gras en dergelijke dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het
+strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel
+van 't woud; hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken
+en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als 't ware een brug vormen,
+waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan
+bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de "passen" van den Vos zeer
+goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in
+de op dat tijdstip bestaande omstandigheden zal kiezen.
+
+Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever,
+vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel van
+zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt
+zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de jongen van
+Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op
+den bodem broedende Vogels, welker eieren en jongen hij verslindt,
+maar tracht ook de oude, in 't vliegen ervaren Vogels door list te
+overmeesteren en bereikt niet zelden zijn doel. Hij zwemt en waadt
+door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende
+Vogels te bereiken; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij broedende
+Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt
+des nachts tot op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij
+een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op
+klaarlichten dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig
+veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen,
+vangt hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz.,
+of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij de
+beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te
+verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van de visschers
+leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo
+komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed voorzien is, en hij alleen
+dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon
+bemoeilijkt. Dan behelpt hij zich met al wat eetbaar is, niet alleen
+met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en,
+evenals vele Honden bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude
+verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne
+bezoekt hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de
+overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen prooi
+speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze,
+voordat hij haar doodt.
+
+Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen
+veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan en als
+hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van
+den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. In dit geval
+echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt
+op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar voor de oogen van
+de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den
+haal. Slechts in den uitersten nood laat hij een zoo moeilijk verworven
+prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien,
+of hij haar toch niet medenemen kan. Dezelfde driestheid toont hij
+soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig
+maken. Zoo pakte een Vos, die bij een drijfjacht door de Honden
+achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had
+hooren fluiten, in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem
+een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het
+door de jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet
+hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog
+schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring
+van drijvers en schutters. De houtvester Liebig verhaalt, dat een
+Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen,
+met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, nogmaals verdreven werd,
+ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.
+
+De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging
+groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een onhoorbare
+wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en
+buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden zijn zeer
+zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna
+in horizontale richting achterwaarts gestrekt, bij langzamer beweging
+sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik
+op den grond; om te rusten gaat hij niet zelden, evenals de Hond,
+ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls
+zit hij ook geheel op de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en
+slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water
+is hij volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en
+snel zwemmen; ook in 't klimmen is hij niet onervaren; soms vindt men
+hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben,
+hoog boven den grond.
+
+De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een
+sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen "blaffen" alleen,
+als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en
+in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen en keffen telkens
+als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in
+gevaar verkeert, laat hij een woedend gesnater hooren; een smartkreet
+verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is,
+of wanneer een schot hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere
+andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als
+het sneeuwt en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het
+meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan
+van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf,
+deels aan dat van den Pauw herinneren.
+
+Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht
+van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen in
+hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan,
+in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert
+zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als
+door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor
+andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men
+herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, met den
+Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen
+bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking tot Grimbaard moet niet
+als een vriendschappelijke verhouding opgevat worden; het is Reintje
+volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.
+
+Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het
+einde van April of in 't begin van Mei, werpt de moervos jongen,
+welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest
+voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. De moeder behandelt ze
+met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in
+'t geheel niet, later slechts gedurende korten tijd als de schemering
+reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht
+hun verblijfplaats geheim te houden.
+
+Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig
+grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur vóór het hol,
+om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun
+steeds bereidwillige moeder te spelen. Deze brengt hun voedsel in
+overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen,
+Vogeltjes, Vorschen en Kevers; zij leert hare hoopvolle spruiten
+de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in
+dezen tijd voorzichtiger dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste
+zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste
+gedruisch in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of
+andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol;
+zelfs wanneer zij zeer in 't nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog
+een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden gelukt het
+den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een
+zekere grootte bereikt hebben, liggen zij bij goed weder 's morgens en
+'s avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst
+van de moeder af; als het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en
+verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge
+dieren de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag
+of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje te
+verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli
+verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich met hun moeder
+naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen
+veiligheid verschaffen. Na den oogst zoeken zij dicht struikgewas,
+heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde
+jagers en sluwe struikroovers en verlaten eindelijk in het laatst
+van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.
+
+Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat
+zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. Zij worden,
+als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger
+door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.
+
+"Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht," verhaalt Lenz; "van deze
+was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij
+nog zeer jong was. Hij was juist begonnen zelf te eten, maar was toen
+reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje
+vóór zich had, voortdurend knorde, en, hoewel niemand hem hinderde,
+toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke
+behandeling werd hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een
+pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en,
+in plaats daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over 't algemeen
+speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met mij,
+was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte
+als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even vriendelijk was hij
+voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen
+afstands, als zij den hoek van 't huis omgingen, dadelijk reeds van
+mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem
+te komen, welke eer hij mij en mijn broeder, die hem gewoonlijk met
+voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat
+hij wist, dat wij toch wel zouden komen."
+
+Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen
+vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor hem bestaat
+geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen
+(zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, delft hem op uit zijn
+veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op
+drijfjachten tot hij dood neervalt, haalt hem met boren en tangen uit
+den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van
+het standpunt van den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen
+en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk
+een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd
+heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij het niet. Want
+de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen,
+Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen en Fazanten aangelegd, bebouwd
+en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het
+is daarom de plicht van allen, die zich met boschkultuur, landbouw
+en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te
+doen verdwijnen, wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze
+benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren,
+dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen
+nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel als
+schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte
+schade over 't hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen kan men niet.
+
+Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste
+werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich toe op
+en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze
+buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals reeds gezegd is,
+zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel,
+als hij voor zijn levensonderhoud noodig heeft, n.l. 20 à 30 stuks
+bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot
+tijdverdrijf dood, die hij laat liggen. Hierdoor is hij in allen
+gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem
+vrij te pleiten van de misdrijven, waaraan hij zich schuldig maakt;
+want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont,
+vele nuttige Vogels verslindt en hunne nesten plundert, in de
+pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt;
+hiervoor echter geeft hij een voldoende vergoeding door het nut, dat
+hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen
+en op de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg;
+dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en vervolgt,
+terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.
+
+De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot
+genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, dikwijls
+schiet men hem "op den aanstand", na hem door het nabootsen van het
+geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te hebben, of doodt hem
+bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen
+neergelegd zijn. Wanneer hij 's winters over de besneeuwde velden
+op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke wijze
+jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met
+Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den regel geen gebruik
+maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters
+plaatst. De door een schot gewonde Vos laat zelden klaagtonen hooren;
+soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten:
+Winckell had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het
+schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde
+poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop
+omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en nu even hard
+wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai
+van leven. Verscheidene voorbeelden zijn er bekend, dat Vossen, die
+voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.
+
+Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest
+echter in "zwanehalzen"; dit zijn ijzeren vallen met slagveeren,
+die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt
+weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men het ijzer op de
+hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken
+leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, haar te bezoeken. Eerst
+wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen,
+wordt het schoongemaakte ijzer, dat met een weinig sterk riekend
+lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen
+gesteld met versche lokbrokken er om heen en met den vangbrok er op.
+
+De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door
+den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden hebben zulk
+een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te
+verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige en zoogende moervossen
+dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in 't geheel niet vervolgd
+worden. De overige Zoogdieren kunnen Reintje niets doen: onder de
+Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De
+Havik neemt zonder bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs
+volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. Tschudi maakt melding
+van zulk een geval: "Een Vos die over een gletscher liep, werd door
+een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde in de lucht. Weldra echter
+begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken,
+daalde en kwam achter een rotspunt terecht. De persoon, die dit had
+waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem
+pijlsnel voorbijloopen; aan den anderen kant vond hij den stervenden
+Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende
+zijn onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den
+strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte hij nu heen,
+maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle
+luchtvaart behouden hebben." In de overige klassen van het dierenrijk
+heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden,
+wel echter zulke, die hem het leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat
+hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek
+te nemen, zich langzaam te water te begeven, zoodat achtereenvolgens
+alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en
+meteen door de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer
+ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos
+aanlanden, en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.
+
+Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten,
+waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste van allen,
+de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen
+door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag in dorpen doordrongen,
+en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens Noll komt de
+genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt
+zij zich dan over een groot gebied.
+
+Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door
+lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, naar den
+geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt
+opgemerkt bij den _Poolvos_, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje
+vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk
+van hem onderscheidt; hij is een der onnoozelste en tevens een der
+indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van
+het Vossengeslacht.
+
+
+
+De _Poolvos_, _IJsvos_ of _Steenvos_ (_Vulpes lagopus_) is kenbaar aan
+de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de
+teenen, die, evenals het overige lichaam, dicht behaard zijn, den zeer
+ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij
+is aanmerkelijk kleiner dan onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan
+ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in
+kleur met die van den grond of van de rotsen overeen; in den winter
+is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in
+den winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin
+haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde "Blauwe Vossen" moeten, evenals
+de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van
+den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.
+
+De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden,
+zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de eilanden
+niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich
+met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte van de aarde
+verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de
+natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; men vond ze
+als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend
+groot aantal op eilanden, die ver van alle andere, door hen bewoonde
+streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger
+tijd hierheen verhuisd zijn. Alleen wanneer er slecht weer ophanden
+is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt
+de Poolvos een schuilplaats in holen in het gesteente, of ook wel in
+door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen 's nachts,
+om op roof uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet
+noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij
+zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen,
+struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats bieden,
+op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van
+dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst maakt hij jacht
+op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in
+groote troepen hunne woonplaatsen in de gebergten verlaten, om zich
+naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren
+over. Uit de klasse der Vogels rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren,
+Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote
+slachting aan. Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de
+kust worden geworpen.
+
+De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen;
+er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen;
+integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten
+plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. De eene pakt
+den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem
+om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij van oordeel is, dat hij hem
+genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten;
+terwijl zij, als zij ongeduldig worden, met schelle stem huilen.
+
+De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar
+toch komen bij 't nagaan van zijne talenten de zonderlingste
+tegenstrijdigheden aan 't licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe
+deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid,
+kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle
+exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij echter een
+domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij
+hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten 's avonds een
+van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de
+buks _zeven maal op hem_, zonder hem te treffen. In plaats van nu
+te vluchten, _volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang_, zooals
+een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het
+rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, acht hij het raadzaam
+om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin
+verdrijven, als hij zich aan de dicht bij hem langs fluitende kogels
+had gestoord.
+
+De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd
+reeds in de vorige eeuw door Steller gegeven: "Op Bering-eiland komen
+geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen,
+die er zonder twijfel op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met
+hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk
+vermenigvuldigd. Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid
+zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid
+bij hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland
+ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren aard dezer
+dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als 's nachts drongen zij in
+onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden,
+ook voorwerpen, die voor hen niets nut waren, zooals messen, stokken,
+zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze
+wisten zij een last van ettelijke poeds gewicht van onze vaten met
+leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat
+wij aanvankelijk bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal
+begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het
+dikwijls, dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze
+messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden
+rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het
+met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen op te sporen,
+maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven;
+gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander zooveel mogelijk. Als wij
+iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond
+om den paal weg, zoodat deze omviel; soms ook klauterde een hunner
+als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop
+bevond, met ongeloofelijke behendigheid en list naar beneden. Zij
+gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook
+deden. Als de zee een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het
+tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet
+alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en
+brokken naar het gebergte en begroeven het onder de steenen om het
+voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er
+nog wat over te brengen was, stonden eenige van hen op schildwacht,
+om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in
+de verte zagen aankomen, begon de geheele troep gemeenschappelijk in
+'t zand te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond
+verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Des nachts,
+als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van
+'t hoofd, de handschoenen onder 't hoofd weg, en namen ook de huiden
+van Bevers"--zoo werden in Steller's tijd de Zee-otters genoemd,--"en
+andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door
+ons gedooden Bever gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen,
+vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden
+uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen,
+om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze dieren te
+kunnen slaan en verjagen."
+
+De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien,
+gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van de
+kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger
+in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de bodem met een dikke
+sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door
+de met spaden van rendier-geweien gewapende Ostjaken en Samojeden
+worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en
+met den kop tegen den grond geslingerd om het te dooden.
+
+H. Elliot, die gedurende het tijdperk van 1880-90 het Bering-eiland
+bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren
+en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos
+niets, wat aan de ervaringen van Steller herinnert, maar geeft van
+dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat
+de bewoners van Attoe, het westelijkste eiland van den eilandenketen
+der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd
+hebben, hem daar als het ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg
+dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was
+op Attoe reeds uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe
+Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker
+huiden minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen,
+waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd;
+bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland
+voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige kruising
+kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn
+schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen erkend wordt;
+de inboorlingen brengen ieder jaar 200 à 300 van deze huiden in
+den handel.
+
+De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en
+Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje
+in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij
+voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg of aan den
+rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door
+het middel dat zij aanwenden om hun kroost voor gevaren te beveiligen,
+verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een
+mensch, al is deze nog ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen
+en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van
+hun hol verwijderd te houden.
+
+Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht
+gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel
+in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de
+IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij ook door
+Zee-arenden vervolgd: Steller zag, dat een Zee-arend een IJsvos
+met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem
+door den val te dooden. Voor ons is alleen het vel van dit dier van
+belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel
+eens zijn vleesch gegeten, maar getuigen eenstemmig, dat het geen
+lekkernij is.
+
+Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan
+gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal zeer
+prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige
+Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren dan vurig en
+valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in één hok zijn
+opgesloten, houden zij geen vrede.
+
+
+
+Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar
+vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder
+eigenaardige levenswijze of door een in 't oog vallende kleur zeer
+onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort de
+_Steppenvos_, die door de Russen _Korsak_, door de Mongolen _Kirsa_
+of _Kirassoe_ genoemd wordt (_Vulpes corsac_.) Hij is aanmerkelijk
+kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 à 60
+cM. bedraagt, ongerekend den 35 cM. langen staart. In gestalte en aard
+gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht
+varieert minder dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af
+met den tijd van 't jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige
+kleur, het winterhaar heeft een breeden, zilverwitten ring onder de
+donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier
+soms meer vaalwit is.
+
+Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen
+om de Kaspische Zee tot aan Mongolië; men vindt het dier echter alleen
+in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen,
+nooit in bosschen en diensvolgens evenmin in gebergten. In den
+regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen,
+maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig onder den blooten hemel,
+of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik,
+misschien nadat hij het een weinig wijder heeft gemaakt. In zulke
+Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd
+minstens twee) Korsaks bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het
+voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien
+maakt hij jacht op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk
+ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen.
+
+Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij
+vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in vallen
+en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden;
+ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven en daarna
+door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere
+en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op den Korsak afgericht,
+n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de
+arme schelm natuurlijk niet ontkomen.
+
+Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij
+anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan geen noemenswaard
+verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is
+een van de gelukkigste bewoners van een dierentuin, gevoelt zich in
+de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte
+als de winterkoude, en stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de
+stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op
+den steenen vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen
+verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos.
+
+Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van
+Azië. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in 't algemeen en van
+het Vossengeslacht in 't bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en
+met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden zij zich van hunne
+verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone
+verhoudingen ver overschrijden, maar die ook bij de verwante soorten
+de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze
+_Grootoorige Vossen_ of _Feneks_ genoemd; hun gebit komt met dat van
+de andere Vossen overeen.
+
+Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale
+richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel zoeken,
+herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber
+gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan, haar dagwerk of liever
+haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende
+Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd hongerig rondzwerven om voedsel
+te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen:
+het is noodig nog een andere woestijnroover, en wel de sierlijkste
+en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de _Fenek_ of
+_Woestijnvos_ (_Vulpes zerdo_), een dier, dat nog beter zelfs dan de
+Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer
+en fijn, listig, geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons
+Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon
+groote oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in
+het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de overige
+leden der Hondenfamilie slechts één hem in dit opzicht nabij komt. Op
+de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust een slanke romp, die
+in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen
+van dit dier blijkt, dat het even vlug als behendig moet zijn; van
+de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare
+afdeelingen dezer organen een voorgevoel.
+
+Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat
+moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer het u meeloopt,
+tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen
+tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen, uiterst bedachtzaam,
+uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en
+luisterend. Niets ontgaat aan het waarnemingsvermogen van dezen goed
+voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een
+sprong doet, voor hij zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch
+gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden;
+meer door nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de
+sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge
+Hagedis heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om
+te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
+uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik,
+die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt! Hij
+is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood
+is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied gedachtig,
+een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist
+deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd! Hij behoeft er
+niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal,
+genoeg voor hem en misschien ook voor zijn hongerig gezin. Gij moest
+hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft
+van een toom Woestijn-Hoenderen! Misschien heeft slechts één van hen
+het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is
+voldoende. Na een zorgvuldig onderzoek van het spoor, gaat hij met den
+neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek
+kent de Woestijn-Hoenderen wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan
+dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen
+of aardhoopen, die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want
+zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den
+buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge
+zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den kop in de vederen
+gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het
+bezorgde, reeds half-slapende mannetje maakt, als het de omgeving
+bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn,
+die het spoor van den Vogel kenmerkt: den Fenek ontgaat dit alles
+niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu
+naderbij, bijna op den buik kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel
+als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe
+gloeien zijne oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met
+de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich
+veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven,
+en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele ziel van den
+Vos ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk
+en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel
+schijnt uit te maken. Op eens, één enkele sprong, door een kortstondig
+gefladder gevolgd: het Woestijnhoen is bezweken. Snel vliegen de
+andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos
+dwalen zij in 't nachtelijk duister rond en laten zich na korten
+tijd weer op den bodem neder, misschien zonder nog recht te weten,
+welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt.
+
+De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart,
+welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens 65 cM. lang en
+wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele
+lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop loopt zeer spits toe,
+de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin
+regenboogvlies omgeven is. Het meest vallen voorzeker de ooren
+op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half
+zoo breed. Het dier krijgt hierdoor een vreemdsoortig uitzicht; het
+heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden
+der ooren zijn wit behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening
+twee haarbosjes zich verheffen, die zich als 't ware in een baard
+voortzetten, welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits,
+maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange,
+borstelvormige snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van
+het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt,
+zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar,
+dat bij 't verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn lichaam
+langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen,
+dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte vacht noodig heeft;
+maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en
+een flinke beschutting hiertegen niet te kunnen ontberen. De kleur van
+de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand,
+de onderzijde is wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek,
+daarvóór echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna
+geheel okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel
+zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel; bovendien
+wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter.
+
+In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in
+de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke,
+hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan
+zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo aan den
+mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en
+'s avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk zijn zij voor
+hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld;
+dikwijls is het gebeurd, dat zij zich aan de nog gloeiende haardasch
+haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten.
+
+
+
+Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de _Lepelhond_
+(_Otocyon megalotis_), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn
+uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest
+op den Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij
+is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet is
+veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos
+en zijn bijna even groot.
+
+Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte;
+hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden van de
+Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren,
+goed verborgen in het dichte struikgewas of in de door Aardvarkens
+uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt
+hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen in de nabijheid van de
+bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van
+dierlijke stoffen, vooral echter uit Treksprinkhanen.
+
+
+
+De _laatste familie_ van de Orde der Roofdieren is die der _Beren_
+(_Ursidae_). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert
+onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens hun
+zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn,
+ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten van de
+eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren
+opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier wel op hun
+plaats zijn.
+
+De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere
+dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, met naar
+voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet;
+de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren zijn kort en de
+oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor-
+en achterpooten beide komen vijf teenen voor; de groote, gekromde
+klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een
+weinig) terugtrekbaar en daardoor aan de spits dikwijls zeer sterk
+afgesleten. De voetzolen, die bij 't gaan over hun geheele lengte
+den bodem aanraken, zijn bijna geheel onbehaard.
+
+Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand
+in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), voorts,
+bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak
+en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden der familie òf 6,
+òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn,
+evenals bij de overige Roofdieren, knobbelkiezen; de voorste of kleine
+kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de
+scheurkies, die bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de
+beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel van
+de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak
+steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn kegelvormig en vertakt,
+of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden
+zijn betrekkelijk groot en hebben dikwijls een gelobde kroon; de
+hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.
+
+Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en
+vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor 't sluiten van
+den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop
+terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels zijn kort en
+stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of
+15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen bestaat uit 3 à 5,
+de staart uit 7 à 34 wervels.
+
+De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm
+verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt geheel.
+
+De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig
+strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, Azië en
+Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even
+goed de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als
+de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich op
+in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal
+in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke of
+vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken,
+meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van droge
+gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat
+zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt zij op drijvende
+ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan
+alle andere soorten; zij doorkruist de Noordelijke IJszee en begeeft
+zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van
+alle overige Beren blijven binnen engere kringen beperkt. De meeste
+leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op;
+eenige zijn gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven
+holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een
+schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn
+nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang op roof uit
+en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.
+
+Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt,
+alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen zich geruimen
+tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij
+eten niet alleen allerlei sappige vruchten, maar ook zaden, graan
+in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen
+van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene Beren heeft men langen tijd
+achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering
+van hun welstand op te merken. In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel
+waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste
+soorten de voorkeur aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn
+niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook
+dieren en wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven,
+Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, deze
+echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In
+de nabijheid van menschelijke woningen richten zij schade aan; de
+sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer
+de honger hen kwelt ook groote dieren aan te vallen en vooral onder
+het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo
+stoutmoedig, dat zij tot in de dorpen doordringen. Voor den mensch
+worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk,
+wanneer hij hen stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze
+uitdaagt.
+
+Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam
+genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder vlug en
+behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten
+echter bewegen zich uiterst flink en snel. De Beren zetten bij het gaan
+de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot
+na den anderen; wanneer zij echter in drift geraken, gaat hun gang
+in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt,
+maar hun beweging zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in
+dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De
+logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in
+deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, maar toch niet
+onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden
+van deze familie kunnen vrij goed klimmen, hoewel zij, wegens hun
+zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar,
+de groote soorten althans, op meer gevorderden leeftijd, in 't geheel
+niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de
+overige uitmuntend zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken
+kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen
+van de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne
+vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote spierkracht
+zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te
+verrichten, en bezwaren te overwinnen, die voor andere dieren in de
+hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze
+eigenschap hun soms zeer goed te pas; zij zien er niet tegen op,
+wild en vee van de grootste soort mede te voeren.
+
+Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het
+gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder en
+het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit,
+een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en
+schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar bereiken nimmer
+een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam,
+maar laten geen bijzondere gehechtheid aan hun meester en verzorger
+blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard
+bij hen meer en meer voor den dag komt; zij worden dan valsch en
+prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan
+gevaarlijk. De Beren geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door
+verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige
+stem, die uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend
+en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.
+
+Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven
+alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij den aanvang van
+den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter
+_geen echten_, _onafgebroken winterslaap_, maar verkeeren in een
+half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts
+gebeurt, zijn zij dadelijk bij de hand. Zij verlaten echter hoogst
+zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van
+voedsel. Opmerkelijk is het, dat alleen de Land-Beren den winter op de
+genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs
+bij de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer
+hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw zelf een woning
+voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.
+
+Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht
+leger, en werpt hier 1 à 6 jongen, die bij de geboorte blind zijn,
+en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd,
+beschermd en verdedigd worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich
+eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling
+van de toeschouwers door hunne potsierlijkheid en speelschheid.
+
+De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het
+nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich alleen in
+weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch
+niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten wordt het vel
+gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog
+geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, terwijl ook hunne
+beenderen, pezen en darmen dienst doen.
+
+
+
+Wij verdeelen de Berenfamilie in _drie onder-familiën_, waarvan de
+eerste de _Groote Beren_ (_Ursinae_) omvat, de logste vormen van de
+geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine
+oogen en ooren, middelmatig lange pooten, voeten met vijf teenen en
+een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort
+staartje en een dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze
+onderfamilie bevat twee geslachten: de _Eigenlijke Beren_ (_Ursus_)
+en de _Lippenberen_ (_Melursus_).
+
+
+
+Hoewel iedereen onzen _Gewonen Beer_ meent te kennen, zijn de
+dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne
+verschillende afwijkingen in één soort vereenigen of over verscheidene
+soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan
+mag men niet uit het oog verliezen, dat deze, de _Landbeer_, _Bruine_,
+_Gewone_ of _Aasbeer_ (_Ursus arctos_), zeer vele afwijkingen vertoont,
+niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte
+en vooral den schedelvorm betreft. De over 't algemeen dichte vacht,
+die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is
+dan aan de overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of
+gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten van
+zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en
+zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, die bij jonge
+dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig,
+of komt dan weder, evenals in de jeugd, te voorschijn. De snuit
+is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat,
+de romp soms zeer ineengedrongen, soms een weinig slanker; de pooten
+zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa
+inheemsche vormen in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden
+samengevat onder den naam _Aasbeer_ (_Ursus arctos_); deze heeft een
+door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met
+hoog voorhoofd en langen snuit; zijn uit sluike haren samengestelde
+vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen
+de groep, die _Bruine Beer_ of _Mierenbeer_ (_Ursus formicarius_)
+heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere
+pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter voorhoofd en
+een korteren snuit heeft.
+
+De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2
+M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250
+KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.
+
+Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze
+een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van
+Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk
+gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer
+ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten,
+Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den
+Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de
+omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en
+Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina,
+Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika
+eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden
+en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied,
+Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de
+bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden
+in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in
+de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland,
+België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers
+vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië,
+Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden
+voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke
+of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke
+vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen,
+donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden
+verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen
+tegen hun aartsvijand, den mensch.
+
+De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals
+de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig
+wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk
+zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij 't gaan de pooten
+van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen,
+schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne
+schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit
+en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden
+merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van
+hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen;
+op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij
+echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder
+takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den
+Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan
+hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit;
+het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt,
+zeer goed ontwikkeld.
+
+De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen
+over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk
+geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op,
+dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren
+in andere gewesten toepasselijk zou zijn. "Over 't algemeen," zegt
+Krementz, "kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als
+hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn,
+dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op
+de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging
+verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te
+vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij
+bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal
+integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten,
+of in 't volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als
+wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen
+geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer
+is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is;
+vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord
+worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij
+is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere
+openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid,
+die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de
+arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij
+zelfs een zekeren galgenhumor."
+
+Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een
+alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk
+voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken
+kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den
+regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal;
+kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als
+toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden,
+verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het
+malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen,
+paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open,
+en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen
+dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt,
+of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een
+smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië
+brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in
+overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder
+hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek
+bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen
+en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een
+zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer
+dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester
+Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de
+steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den
+grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken,
+en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken;
+hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar
+keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters
+der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.
+
+Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche
+zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden;
+wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die
+geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men
+hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor
+weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere
+levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen
+van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen
+wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van
+zulke sporen verkregen zijn: "De middelmatig groote Beer verliet
+vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland,
+keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide
+lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er
+naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar
+omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om
+uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en
+dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door 't bosch
+verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met
+afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen,
+het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen,
+het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had
+hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen
+van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van
+dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of
+moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in
+doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug,
+waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar
+verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen
+bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de
+overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in
+'t broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde
+gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend;
+in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar,
+trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een
+eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen
+te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een
+Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen
+van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het,
+dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij
+ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht
+met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet
+terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den
+stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn
+achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar 't scheen,
+heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in
+grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten
+en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne
+schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover
+naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en
+sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier
+doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder
+den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar
+door, gleed bij 't loopen over een op den grond liggenden esp uit,
+en zonk met het achterste deel van 't lichaam tamelijk diep in het
+moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een
+nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin,
+zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd."
+
+Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet
+hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of als hij aan
+dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier
+in de letterlijke beteekenis van het woord. Hij tracht zijn buit te
+beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem
+nagejaagd, tot het uitgeput is; wanneer het op hooge bergen graast,
+drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten,
+waarna hij voorzichtig naar beneden klautert en zich aan het door den
+val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn
+vermetelheid toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van
+de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms 's nachts
+door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat
+de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de weide grazende Paarden
+zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager,
+Von Beckmann, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den
+aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout
+begroeid terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den
+jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit het
+kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden
+hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten en zoo snel
+mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen
+achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig korten tijd in,
+sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen
+van voren in 't aangezicht, wierp het op den grond en scheurde het
+de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren
+lam was en niet ontsnappen kon, verliet hij de neergevelde prooi,
+liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het
+eveneens. Gedurende den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.
+
+Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de
+stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, of in
+het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië
+meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht stelt hem in
+staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht
+van groote Beren geeft Krementz verscheidene voorbeelden. Een Beer brak
+in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam
+een pas door hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten
+op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een
+beek naar het bosch. Een bij 't vuur zittende boschwachter werd van
+achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats
+opgeschrikten Beer, "die hem door een geweldigen slag en ruk met de
+voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk
+dood was." Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden
+Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven en sleepte
+hem een halve KM. ver door het moeras.
+
+Hoewel Herten, Reeën en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle
+beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in 't noorden
+van Skandinavië gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs
+op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze te verschalken, den
+loop der rivieren over een grooten afstand.
+
+Vóór den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats
+gereed, hetzij tusschen rotsen, òf in een reeds bestaand hol, dat hij
+zoo noodig verwijdt, òf in een door hem zelf gegraven hol, òf in een
+hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas of op een droog eiland
+in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de
+Beer zijn schuilplaats op en brengt hier het koude jaargetijde in
+slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de
+woning betrokken wordt, hangt af van het klimaat in iedere streek en
+van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal
+reeds in het begin van November te ruste begeeft, zwerft de Beer,
+naar ik zelf in Kroatië door het volgen van een spoor gewaar werd,
+nog in het midden van December rond, om 't even, of er sneeuw ligt en
+strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische
+berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving
+van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere, wanneer hij
+in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden
+in den winter begint te dooien, verlaat de Beer zelfs in Rusland en
+Siberië somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens
+voedsel op. Dat hij in Lijfland 3 à 4 maanden lang geheel onder de
+sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt
+en met volkomen ledig spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker.
+
+Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts
+weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk in
+'t geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen,
+die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap
+en gedragen zich over 't algemeen in den winter nagenoeg op dezelfde
+wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt
+verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk; in zachte winters
+slapen zij weinig meer dan in den zomer.
+
+De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter
+5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een volslagen nest
+gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op
+de sneeuw neerlegt. Als het kroost door een gevaar bedreigd wordt,
+draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is
+het dat de moeder, als zij in grooten nood verkeert, hare jongen,
+zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in
+den steek laat, terwijl zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij
+wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij
+zich als alleenheerscheres in de streek, die zij als verblijfplaats
+heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken
+aanval. In enkele gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar
+woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer
+geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt
+gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde levensmaand
+zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen;
+deze oefent hen vlijtig in 't klimmen, brengt hen op de hoogte van
+de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele
+den Beer noodzakelijke kundigheden.
+
+De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden,
+zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid van
+het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang
+zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne met
+andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren
+en jagers, die door Eversmann voor 't eerst bekend werd gemaakt,
+maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht
+op deze vereenigingen. Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere
+kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig
+tot deze dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige,
+met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer "Pestoen",
+d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de
+Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt Eversmann het volgende: "Toen
+de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen
+haar langzaam nasloop, zonder de jongere kinderen, die nog aan den
+anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij
+binnen haar bereik is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg,
+die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der
+beide jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem
+na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen. Toen hij
+dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en
+straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht doet, en de familie in
+vrede verder trekt." Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberië
+wordt algemeen verhaald, dat iedere berin hare jongen door een Pestoen
+laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in
+'t dichte geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt,
+of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren kan;
+hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan
+uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een ander in zijn
+plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen
+Pestoen bij een Berenfamilie.
+
+Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt
+hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk en
+niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit
+iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij houden bijzonder
+veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in
+de boomen, plukharen met elkander als levenslustige knapen, springen in
+'t water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen
+uit. Hun verzorger toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn
+tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den
+eenen persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun
+lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt als een
+vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze
+behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen; men kan hun genegenheid
+spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig,
+vergeetachtig, onachtzaam, sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals
+hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit.
+
+De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den
+laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die hierover
+vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle
+leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon bevreesd voor goede
+Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den
+jager beschouwd worden. In het zuidoosten van Europa doodt men de
+Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten,
+zeldzamer "op den aanstand" en slechts bij uitzondering in of vóór
+zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den
+winter bij voorkeur op. Daar de Beer zich laat drijven en altijd op
+dezelfde wijze "wisselt," d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij
+'t verlaten en binnenkomen van 't bosch, kunnen ervaren jagers, die
+het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij 't schieten
+op den "aanstand" (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote
+zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk dat
+zij de "wissels" kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en
+beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten van een berenjager.
+
+"De veelvuldig verbreide meening," schrijft Krementz, "dat de Beer
+bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn
+tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist; in dit geval zou
+men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer
+hij op vier pooten blijft gaan. Ik heb eigenhandig 29 Beren geschoten
+en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat
+Beren van allerlei grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben
+ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts éénmaal een
+Beer en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan,
+en zóó, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs te
+gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat
+de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen, maar alleen,
+dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en
+in andere wetenschappelijke werken melding wordt gemaakt, uiterst
+zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling
+en snel; soms zoekt hij door een snelle en hevige, zijwaartsche
+beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft
+hij zich gedurende den snellen gang plotseling op de achterpooten
+in de onmiddellijke nabijheid van zijn vijand, en tracht dezen door
+een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt
+hij hem hiermede een hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat,
+en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen
+en Honden in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op,
+maar kiest spoedig het hazenpad."
+
+De Beer wordt echter niet alleen op "jachtmatige wijze," maar ook
+met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht worden
+mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door
+het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden dikwijls tot
+list hun toevlucht nemen. In Galicië en Zevenburgen legt men op
+zijne "wissels" en boschpaden zware klemmen, die aan een ketting
+bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok
+is vastgehecht. Vroeg of laat trapt de Beer op een van deze klemmen,
+zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit
+lastig en pijnlijk aanhangsel te ontdoen of de hieraan gehechte
+ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt,
+waarna het dier, door nuttelooze pogingen om los te komen uitgeput,
+ellendig om 't leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de
+"wissels" langs gaat, vindt den Beer door het nagaan van het spoor
+van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok.
+
+"De Aziaten," verhaalt Steller, "vereenigen vele balken, die zij op
+elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert,
+zoodra deze op de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven
+een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten
+en aan de spits in 't vuur geharden paal, die zich eenige voeten
+hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil
+maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van
+een touw plaatsen zij thans een buigzaam 'schrikhout,' dat, als de
+Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig
+verschrikt, dat het hard aan den loop gaat, en minder voorzichtig is
+dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal
+en dus zelfmoord pleegt."
+
+Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer
+zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat staan zich
+met de plank het uitzicht beneemt;--hoe hij in blinde drift vecht met
+een blok hout, dat voor de opening van een hollen boom, waarin Wilde
+Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan
+de helling van een berg is neergelegd, welke strijd in beide gevallen
+eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;--hoe
+hij met stukken hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn
+hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,--en andere stukjes meer,
+kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm,
+ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen er voor in
+staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor,
+dat geoefende, stoutmoedige jagers, door eenige Honden vergezeld,
+zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met
+hem op leven en dood strijden.
+
+Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet
+onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed; het
+berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen,
+wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is wit, wordt nooit hard,
+en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart;
+de onaangename smaak, die het in verschen toestand heeft, verdwijnt
+na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een
+fijnen, aangenamen smaak; de pooten van oude, vette Beren worden,
+gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers
+houden het meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht
+gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van 't haar en voor de
+keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met
+een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den Beer gaat
+door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer
+verschillend; het vel van kleine exemplaren brengt niet veel op;
+voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens Lomer,
+al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 à 150 gulden betaald.
+
+Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een
+gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk vermaak. Met
+dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. "August _de
+Sterke_", verhaalt Von Flemming, "had er twee. Eens gebeurde het,
+dat één van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte,
+in een slagerswinkel een vierde deel van een kalf van den haak
+rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare
+kinderen om 't leven bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het
+doodschoten." De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats
+gereden in een hok, dat door één ruk aan een touw van uit de verte
+op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden
+neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men
+groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden,
+kon hij zonder groot bezwaar door één man afgemaakt worden. In
+de Dresdener slottuin hadden in 't jaar 1630 binnen 8 dagen drie
+berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met
+Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten, van welke er
+vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van
+400 KG. De Beren werden bovendien nog door voetzoekers getergd en met
+een in 't rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als
+de Honden hen vasthielden, door de groote heeren eigenhandig gedood;
+August _de Sterke_ was gewoon hun den kop af te houwen.
+
+Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke
+kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten te Madrid
+laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in
+het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen Beren, die aan den
+ketting lagen. Kobell, die getuige was van een dergelijk schouwspel,
+verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen
+met zijne kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen
+vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij
+er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam
+en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden toebracht en
+ter zijde slingerde.
+
+De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon,
+maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye
+hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van
+dit dier bevatten vele fabelen. Plinius schreef Aristoteles na,
+maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen
+uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels toe. Oppianus geeft
+een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der
+Armeniërs aan den Tigris. Julius Capitolinus eindelijk beschrijft
+de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat Gordianus _de
+eerste_ op één dag 1000 Beren in het strijdperk bracht.
+
+
+
+De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika
+verbreide _Grijze Beer_ of _Grisli-beer_, die schertsenderwijs
+door de Amerikanen ook wel _Old Ephraïm_ wordt genoemd (_Ursus
+cinereus_, _U. ferox_). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij
+op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher
+dan deze. De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en
+licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met
+een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan
+goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit of
+geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche
+jagers zijn daarom gewoon van den _Eigenlijken Grisli-beer_, den
+_Bruinen Beer_ en den _Kaneelbeer_ te onderscheiden, en beschouwen
+den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als
+den gevaarlijksten. Zijn verbreidingsgebied omvat het westen van
+Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten
+ongeveer beginnend bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota)
+reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is,
+des te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts
+komt hij nog in de hooglanden van Mexico voor; noordwaarts gaat hij
+tot aan den Poolcirkel en nog verder.
+
+De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den
+onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust; zijn gang
+is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn
+plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende zijn jeugd in
+staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten
+niet meer verrichten; hier staat tegenover, dat hij met gemak zelfs
+over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots
+sterk genoeg, om ieder schepsel in zijn vaderland te overwinnen. In
+vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig
+dier genoemd. Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees,
+maar valt hem zonder aarzeling aan, om 't even of hij te paard rijdt
+dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet
+aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om al deze redenen
+verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old
+Ephraïm, de bewondering en hoogachting van alle mannen, die van hem
+hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden
+van dit Roofdier zonder voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed
+geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van
+een halsketen, die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat,
+aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter
+nauwernood aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou
+vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en door
+eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts
+wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen, welke hij ziet,
+vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt,
+als hij de lucht van hen krijgt, zonder ze te zien. In even hooge
+mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door
+het waarnemen van de lucht van den mensch, vreezen alle dieren de
+zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van
+een Leeuw of van een Tijger, en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn
+vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren
+zelfs, dat ook de overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde
+Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren.
+
+Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke)
+mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven
+zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het "Verre
+Westen" nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke verhalen
+een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe
+Wereld een soortgelijke rol te spelen, als de meest beruchte Roofdieren
+van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen
+met één dier van deze soort, werden als kenschetsend voor al deze
+dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een
+schrikbeeld van het onbekende "Verre Westen". Wel is reeds menig mensch
+door den Grijzen Beer om 't leven gebracht; maar dit kan evenzeer
+van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd;
+overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd achtten,
+hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder
+door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen is echter de Grijze
+Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot,
+en evenmin toont hij meer moed dan deze; integendeel over 't algemeen
+komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen.
+
+De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne
+vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien moet hij
+zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig
+voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die hij vastgetreden
+heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op
+eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken; de richting en de
+loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best
+doet er gebruik van te maken, om langs den kortsten weg van de eene
+plaats naar de andere te komen. "Aan de steile verhevenheden van de
+bergachtige kust aan de westzijde van Cook's Invaart," schrijft Elliot,
+"kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien,
+die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben echter geen
+groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar
+deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt er niet algemeen jacht op
+gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle
+jagers onder de inboorlingen, voor hen een groote achting gevoelen,
+en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat
+zij trachten hen te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de
+oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt de
+omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord
+voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle zeer goed weten,
+dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen."
+
+Een jonge Grijze Beer kan gemakkelijk getemd worden, en is, evenals
+onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig dier. Zijn vel
+is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van
+kleur, dat het den kleinen klant zeer goed staat. Palliser, die een
+Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en
+speelde met de matrozen en vermaakte alle reizigers, zoodat de kapitein
+van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan,
+als hij op iedere reis een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had
+een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope,
+die zijn reisgenoot was en verdedigde haar eens op zeer ridderlijke
+wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van 't schip door de straten
+werd geleid, kwam een kolossale Bullebijter op haar toeschieten en
+greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw
+en de stokslagen der geleiders. Gelukkig gingen Palliser en zijn Beer
+denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel,
+of hij rukte zich los, had in 't volgende oogenblik den vijand van
+zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft,
+dat de Hond jammerlijk huilend wegliep.
+
+Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar
+van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen dierentuin waren
+er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de
+veeartsenijkunde ondervonden. Zij werden in hun jeugd door een hevige
+oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men
+besloot ze te genezen. Nadat men de beide patiënten van elkander
+gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om
+en trokken den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de traliën,
+om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder
+den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en
+goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier bewusteloos
+en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust
+naar binnen gaan om de operatie te verrichten. Juist toen men bezig
+was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof
+het dronken was, heen en weer, en scheen des te onvaster van beweging
+te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs
+scheen de Beer echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met
+hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht, was
+hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen;
+duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht aangenaam vond, of
+althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht,
+waarin hij vroeger verkeerde, en den klaarlichten dag, dien hij
+nu waarnam.
+
+De meest bekende Beer van Amerika, de _Baribal_, _Moeskwa_ of
+_Zwarte Beer_ (_Ursus americanus_), een wijd verbreid en betrekkelijk
+goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze
+Beer en de Landbeer, bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een
+schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt
+hij zich hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig
+toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de
+zeer korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn
+vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die alleen
+aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig
+zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel overgaande. Een vlek
+van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer
+ziet men Baribals met wit gerande lippen en witte strepen op de borst
+en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in 't begin van
+hun tweede levensjaar het donkere haarkleed van hunne ouders, maar
+eerst later even lange haren als deze.
+
+De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in
+alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen van
+Kalifornië en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het
+woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert echter van
+verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende
+voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt hij gewoonlijk zijn voedsel
+in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte
+bosschen, die de oevers der stroomen en meren omzoomen; in den zomer
+trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke
+woud; in den winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk
+aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met
+tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen
+"winterslaap" loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen, dat slechts
+sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de
+overigen ook in den winter van de eene plaats naar de andere zwerven,
+ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen;
+andere meenen, dat dit alleen in zachte winters geschiedt, en dat
+gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel
+althans is zeker, dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal
+jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt.
+
+De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een
+waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend dier. Hij
+loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat
+hij uitmuntend en in het klimmen is hij een baas. Hij is althans
+in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met
+wien hij overigens in vele opzichten overeenstemt. Niet dan hoogst
+zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij 't zien van dezen,
+zijn ergsten vijand vlucht hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij
+gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen
+uitweg meer ziet, gevaarlijk kan worden.
+
+Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit
+gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer verschillende
+soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft,
+evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare Runderen aanvallen. Voor den
+landman is hij altijd schadelijk, om 't even of hij de aanplantingen
+plundert of de kudden verontrust; hem valt daarom hetzelfde lot ten
+deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op
+allerlei wijzen uitgeroeid, zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid
+van den mensch te vertoonen.
+
+De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van
+deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste echter met de
+buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten,
+daar zij de nabijheid van den Beer door blaffen aankondigen, of hem
+nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn
+gemak te mikken en hem op de juiste plaats te treffen.
+
+Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog
+eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen
+van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken,
+en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering van dit
+dier. Alexander Henry, die de door pelsjagers bezochte gewesten
+bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover
+een zooeven door hem gedooden Beer. "Onmiddellijk na den dood van
+het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De 'oude
+moeder,' zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare
+handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer
+duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook
+verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die dit deden,
+maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig
+gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder lang; kort daarna werd
+een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen
+hielpen mede om de huid, het vleesch en het vet van het dier te dragen
+en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd
+de berenkop versierd met zilveren armbanden en andere versierselen,
+die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde
+voor zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen
+werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon
+gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een
+nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid. Nadat
+de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de
+neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde te doen, omdat ik,
+die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou
+doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn welwillenden en vriendelijken
+gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde;
+mijne woorden vonden echter geen geloof. Ten slotte hield mijn
+gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken,
+en eerst daarna begonnen wij van het Berenvleesch te smullen."
+
+Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door
+hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in 't oogloopend van hunne
+verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun
+kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den mensch en laten zich
+met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den
+oppasser als deze voor hen. Zij zijn echter ook bang voor ieder ander
+dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde
+Baribals werd geleid, bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij
+ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij
+daar beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere
+Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein, moedig
+dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen.
+
+Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk
+en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens door verschrikt
+worden, springen zij met één afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de
+eerste takken van een gladden eikenstam en klimmen dan zeer snel en
+met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude
+berin in haar hok wilde drijven, sprong zij over hem heen in den boom.
+
+De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel
+zwakker en klagender.
+
+Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals
+zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden, en herinneren
+hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend
+gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan het bedelen gewend;
+zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden;
+de houdingen, die zij aannemen, als zij de armen uitstrekken, zijn
+zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid
+te brengen, dat iedereen er door tot mildheid wordt bewogen.
+
+
+
+Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is
+de _Kraag-beer_, de _Zwarte Himalaja-beer_ van de Engelsche jagers,
+de _Kama_ van de Japaneezen (_Ursus torquatus_). Hij is betrekkelijk
+slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den
+neus ongevoelig in elkander overgaan, eindigt in een spitsen snuit,
+de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang,
+de voeten kort, de teenen met korte, maar krachtige nagels gewapend. De
+beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien
+het namelijk waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een
+zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben.
+
+Wallich vond dezen Beer in Nepal; Siebold zegt in zijn werk over de
+dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan,
+maar ook in de meeste gebergten van het vasteland en van de eilanden
+van Zuid-Azië veelvuldig voorkomt. In Noord-Indië en Kaschmir bewoont
+de Kraag-beer bij voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in
+de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberië
+daarentegen de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en
+klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam
+Radde, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de
+kronen der boomen prieeltjes maakt door takken naar elkander toe te
+buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in
+holle boomen slaapt, dat hij lafhartig en niet gevaarlijk is, omdat
+hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals
+de Landbeer, ook scheuren. Adams kreeg geheel andere berichten; hij
+verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van
+Indië zeer gevreesd wordt. Blanford zegt van hem, dat hij meer dan de
+andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee
+en Herten, maar ook Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen
+vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft.
+
+De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen
+te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op den Baribal,
+hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze,
+staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg op dezelfde hoogte
+en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van
+hunne bewegingen.
+
+
+
+Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de
+_Maleische Beer_, de _Broean_, of--zooals, volgens Von Rosenberg, de
+naam eigenlijk luidt--de _Biroeang_ der Maleiers (_Ursus malayanus_)
+aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd
+lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren, zeer kleine,
+onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange,
+krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij 1.4 M., zijn
+hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig
+zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden van den snuit en een
+gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van
+een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig is.
+
+De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische
+schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig
+bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan,
+misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft
+hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich
+uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij nu en
+dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. Volgens
+Marsden richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade
+aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge
+uitspruitsels van op te eten.
+
+Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden
+gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen en
+onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en
+hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten rondloopen. _Sir_
+Stamford Raffles, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de
+kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting
+te leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer
+netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde hij zich
+een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos
+eten en niets anders dan champagne drinken wilde. Van dezen wijn
+was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang
+zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor hij, naar het scheen,
+zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel
+een glas wijn. Iedereen in huis hield van hem; hij gedroeg zich in
+alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier
+geen kwaad.
+
+Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag
+van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen zit: hij is dom,
+maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij
+ook verzorgd wordt, toont hij zich toch maar zelden vriendschappelijk
+gezind jegens zijn oppasser.
+
+
+
+Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en
+het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze, dat bij
+onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot
+verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar, dat men
+den _IJsbeer_ (_Ursus maritimus_) als vertegenwoordiger van een
+zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen
+Beer melding hebben gemaakt, meenden trouwens in hem slechts een
+verscheidenheid van onzen "Bruin" te ontdekken, wiens vel door het
+klimaat der koude poolgewesten met de hun eigenaardige sneeuwkleur
+was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer
+spoedig de belangrijke punten van verschil opmerkte, die tusschen de
+Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich
+van de tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten
+romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten,
+welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren,
+en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op de helft van hun
+lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van
+alle Beren, want bij een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. bereikt hij
+een lengte van 2.5 à 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder
+vetten toestand zelfs 800 KG.
+
+De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de
+hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen Beer, de kop
+langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer
+verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren dikke snuit is van voren
+spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder
+geopend en de muil minder diep gespleten dan bij den Landbeer. De
+dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is
+zeer kort, dik en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De
+lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte
+wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan
+den kop, den hals en den rug het kortst, aan 't achterdeel, de buik
+en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op
+de lippen en boven de oogen bevinden zich een gering aantal borstelige
+haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een
+donkeren ring om de oogen, van den onbehaarden top van den neus, van
+de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig;
+bij de jonge dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij
+de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een
+geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten
+invloed op de kleur uit.
+
+De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke
+ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar het water
+gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans
+gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts begeeft,
+kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze
+ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft hij hem als levenslustige
+bewoner van den aan 't leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl
+hij in zuidelijke richting slechts bij uitzondering nog op den 55en
+NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een
+der drie noordelijke werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk
+eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht,
+trotseert hij onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste
+beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld
+kunnen vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over
+de haar bedekkende ijsmassa's, dan weer door de onstuimige golven;
+in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting,
+een leger leveren. Aan de oostkust van 't noordelijkste deel van
+Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien
+omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen en andere eilanden,
+is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te
+vinden, in Azië is het dubbel-eiland Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel;
+hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op
+het vasteland aangetroffen, hoewel dit laatste alleen dan geschiedt,
+als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal
+op Lapland en ook wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen
+op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten
+afstand van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd
+voor. Scoresby bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100
+IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland
+St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid
+voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze dieren. Honderden
+IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld
+afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat zijn zij veelvuldig;
+waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich
+dikwijls in grooten getale. "Wij zagen," schrijft Pechuel-Loesche,
+"op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het
+was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond. Deze bleef
+niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch
+was naar den rand van het ijsveld gedreven; de Beren hadden zich
+tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in
+'t wit gekleede feestelingen, waarvan sommige zich op afschuwelijke
+wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den
+vleeschberg, hun strandrecht uitoefenden. Over onze komst waren zij
+volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen,
+om hun buit tegen de naderende boot te verdedigen. Toen echter de
+stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter
+aarde stortte en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig
+snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen
+afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht
+afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen."
+
+De IJsbeer is over 't geheel genomen log van beweging, maar in de
+hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij 't zwemmen, in welke
+kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich
+uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder bijzondere inspanning
+door het water beweegt, wordt door Scoresby op 4 à 5 KM. per uur
+geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij 't zwemmen uitmuntend
+te pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor
+tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij
+zich dagen lang in 't water ophouden; hij doorkruist onafzienbare
+watervlakten en wordt dikwijls ver van 't land en van het drijfijs
+in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij
+bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van Pechuel-Loesche,
+steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water
+begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop hij zich er
+in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend
+als hij zich aan de oppervlakte van het water beweegt, verstaat hij
+de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het
+water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid in 't duiken blijkt,
+die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is
+hij volstrekt niet zoo onbeholpen en onbekwaam, als zijn gewone,
+langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn
+schijnbaar plompen draf of galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op
+het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid;
+hij weet daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten
+weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon scherp,
+vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat,
+beklimt hij, volgens Scoresby, de ijsblokken, en ziet rond naar
+buit. Doode Walvisschen of een in 't vuur geworpen stuk spek ruikt
+hij op ongeloofelijk grooten afstand.
+
+Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die
+de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen. Zijn
+vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige
+Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds genoemde
+behendigheid in 't water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich
+van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild zijn de Zeehonden, en
+hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren
+te overmeesteren. Als hij van verre een Rob op het droge ziet liggen,
+begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in
+naar zijn slachtoffer toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid,
+en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van
+het dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze
+ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van het ijs,
+waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze
+openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte van de zee
+voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop
+van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen Zeehonden vertoont
+zich plotseling, als 't ware in hun eigen huis, in den eenigen gang,
+waardoor zij anders misschien hadden kunnen ontvluchten. Visschen weet
+de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen,
+of door ze in de met water gevulde spleten van het ijs te drijven,
+en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het
+hem aan ander voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn
+echter in 't geheel niet veilig voor zijne aanslagen. Osborne zag een
+wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen
+te voorzien, en Brown heeft, evenals Kükenthal opgemerkt, dat hij in
+grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk
+toegankelijke broedplaatsen van zeevogels worden over 't algemeen
+geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den
+overvloed van eieren en nestvogels der arctische kusten moet hij in
+sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode
+dieren eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij
+zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de zeeën,
+die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren
+de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden en Walvisschen
+hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze
+verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend vleescheter;
+hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige
+stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals herhaaldelijk werd
+opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele
+oude dieren zijn, naar het schijnt, in den zomer op gunstig gelegen
+plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud
+van de maag van gedoode exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs.
+
+Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen
+winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren
+te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij
+voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan de zeekust of
+op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen
+regel; zij zoeken tegen den aanvang van den winter een schuilplaats
+op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort
+na de paring, die, naar gezegd wordt, in Juli plaats heeft, maakt
+de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende
+ijsblokken. Soms bepaalt zij zich tot het graven van een kuil in
+de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid
+sneeuw, welke op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop
+van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De
+berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet
+in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert zij gedurende
+den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de
+lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat. Intusschen heeft zij hare
+jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer
+begeleiden deze hun moeder op hare reistochten. Zij worden door haar
+zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs
+wanneer zij reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de
+moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille
+jeugd leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud
+moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine, aardige
+diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren,
+maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk op; zelfs wanneer zij
+reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van
+hun moeder als rustplaats, zoodra zij vermoeid zijn van den arbeid.
+
+De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende
+voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de IJsberin
+voor hare jongen. "Een berin," verhaalt Scoresby, "die twee jongen
+bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld
+vervolgd. In den beginne scheen zij de jongen tot grooteren spoed
+te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken,
+ook trachtte zij door eigenaardige gebaren en een bijzondere, angstige
+toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag
+dat hare vervolgers haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen
+vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij
+gelukkig met haar kroost."
+
+De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken;
+menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging om
+zulk een dier met onvoldoende wapens te bevechten, met zijn
+leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in
+reisbeschrijvingen uit vroegeren tijd, zelden echter in die van den
+laatsten tijd. Op tweeërlei wijze kan men deze soms zeer sterk in
+'t oog loopende tegenstrijdigheid verklaren: het kan zijn, dat men
+vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft;
+'t is ook wel mogelijk, dat zijn grimmige aard zich langzamerhand,
+misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch,
+aanmerkelijk gewijzigd heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling,
+die men indertijd van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg,
+door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is
+niet juist. De ervaringen van hen die in laatste tientallen van
+jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben,
+is hiermede geheel in tegenspraak. Lamont, die voor zijn genoegen, in
+zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht,
+schrijft over den IJsbeer: "Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter
+wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame
+gevallen uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij
+hem ontwijken kan." Nordenskiöld vat zijn eigene ervaringen en die
+van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende
+volzinnen samen: "Een ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal
+hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw
+kunnen verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het
+dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond wordt,
+neemt hij altijd de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de
+wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een gat
+in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar
+het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen plaatsen zijn
+tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die
+gedurende den nacht de tent besnuffeld heeft, zonder het te wagen er
+in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik
+bij de Noordpoolreizigers, thans echter aarzelen de zeedieren-jagers
+niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan
+te vallen. Op het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben
+zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met
+den lans gedood. Mij is slechts één enkel geval bekend, waarin een
+Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd."
+
+De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de
+zooeven genoemde mededeelingen overeen. "Ontmoetingen met IJsberen,"
+schrijven Copeland en Payer "hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende
+een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij
+wegens gebrek aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt
+zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken,
+die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden
+bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval geen
+ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij
+er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij zij den kop steeds
+daarheen gericht houden. Klentzer, een van onze matrozen, heeft echter
+eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk
+als komisch was. Klentzer liep ongewapend langs de hellingen van
+den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van
+het schip dicht achter zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke
+snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt,
+was hem bekend; ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg
+de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van
+tijd tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen
+zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep nader
+bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom
+muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer een voor een
+vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn
+hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk om hulp riep,
+het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval
+hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist van zijn middel had
+losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het
+schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk mogelijk, maar het
+ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd
+genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer tien maal te verscheuren,
+maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering,
+ons geroep en onze schoten op de vlucht konden drijven. Over steil
+afhellende rotsmassa's holde hij terug--en was als weggeblazen."
+
+"In het gebied van de oostkust van Spitsbergen," schrijft ons
+Kükenthal, "aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich
+tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot
+aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden
+en 2 levend vingen."
+
+De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar
+men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren, lansen en
+vallen; sommige jagers maken ook, volgens Seemann, van de volgende
+list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed
+en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje samen, omgeven het met
+Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op,
+plagen hem door een pijlschot, werpen den vetklomp neer en vluchten. De
+Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar
+is, en brengt door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de
+warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt
+de ingewanden. Wij willen in 't midden laten of dergelijke verdachte
+stukken vet door het wantrouwige en "geplaagde" dier werkelijk in
+hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen,
+als zij zich veilig achten, de meest verschillende en vreemdsoortige
+voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den
+voorraad, dien de Poolreizigers hier en daar in de ijswoestijnen voor
+latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het
+is gebleken, dat het beste middel om deze rooverijen te keer te gaan,
+bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met
+water overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag
+van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield,
+steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu
+voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze door hun keelgat
+kunnen krijgen. Kane verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch
+en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag
+opvraten, kortom den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering
+van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van
+Mc. Cluze, gedurende een van de expedities tot redding van Franklin
+gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch,
+tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen in een
+der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen
+doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers de
+meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de ijssporen,
+verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de
+suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de kaoetsjoekflesschen en
+de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met
+het onderzoek van een belangrijk dagboek waren zij gelukkig nog maar
+juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden.
+
+Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht
+worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok bezoekt; ook
+stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt
+niet. Zelfs in hun vaderland en in hun prille jeugd gevoelen zij zich
+binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen
+aandoen, dan door hun te veroorlooven, zich in de sneeuw en op het
+ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd
+waterbekken, zooals tegenwoordig in een goed ingerichten dierentuin
+voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren
+lang speelt hij in 't water met zijne medegevangenen, of ook wel met
+blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar
+en hartstochtelijk. Tegenover andere dieren van zijn soort is hij,
+zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd,
+hoewel het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een
+werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven door
+elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk,
+IJsberen verscheidene jaren lang in 't leven te houden.
+
+Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van
+het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche jagers gebruiken
+het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet
+onsmakelijk; zij beweren echter, dat het gebruik van dit vleesch
+dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier
+heeft, naar men zegt, een zeer schadelijke werking, en wordt door
+sommigen ronduit vergiftig genoemd.
+
+Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der
+Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt er 120 à 300
+gulden voor betaald.
+
+
+
+De _Lippenbeer_ of _Honigbeer_, de _Slothbear_ der Engelschen, die in
+Indië _Aswail_ heet (_Melursus labiatus_), wordt als vertegenwoordiger
+van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte
+en aard in 't oog loopend verschilt van de tot dusver behandelde
+Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken
+romp, korte pooten, vrij groote voeten, welker teenen met kolossale,
+sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe
+spits en lippen, die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang,
+vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver
+naar beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit
+den naam _Beerachtige Luiaard_ (_Bradypus ursinus_), waaronder het
+voor 't eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als
+"het naamlooze dier" aangeduid. In Europa werd de Lippenbeer tegen
+het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd
+hij voor 't eerst levend naar hier gebracht.
+
+De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 à 12
+cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in de schoften is
+dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle,
+spits toeloopende, slurfvormige snuit, die hoogst eigenaardige
+eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk,
+maar worden in dit opzicht nog overtroffen door de lange, uiterst
+rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor
+de kaken uit; zij kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd,
+vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort
+van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De
+lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt mede tot
+het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet
+alleen om voorwerpen van allerlei aard te grijpen en naar zich toe te
+trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan
+den kop nog op te merken de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande
+ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins
+aan varkensoogen herinneren; men ziet echter van den geheelen kop
+maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels
+bedekt wordt door de in 't oog loopend lange, borstelige haren van
+de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar;
+terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde,
+ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen de hier dooreen
+gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er
+uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het geheele voorste deel van
+het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog
+belangrijk toeneemt door den plompen, loggen romp en de korte, dikke
+pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange,
+scherpe en gekromde klauwen maken een bijzonder eigenaardigen indruk,
+waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit
+krijgt door het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht,
+dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de grove
+haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de
+borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor. Soms hebben ook de
+teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig
+hoornkleurig, de zolen echter zwart. De jongen onderscheiden zich
+van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en
+de schouders, waardoor de betrekkelijk groote ooren duidelijker voor
+den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter
+de ooren geelachtig bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst
+geelachtig wit.
+
+De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indië, bijna van den voet van den
+Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij houdt van
+heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op
+hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de veelvuldigst voorkomende
+groote dieren van Indië; in enkele gewesten is hij trouwens zoo
+goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt hij zich, naar Tennent
+bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen
+aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte wordt
+hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het
+gebied van Karetschie was hij gedurende een lang aanhoudende droogte
+zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en
+wasschingen in de rivieren geheel moesten opgeven, daar zij niet
+alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het
+water bevonden deze dieren zich zeer tegen hun zin; zij waren bij
+het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er
+niet weder uitkomen. Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze
+Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf gegraven holen,
+vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen,
+verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere beharing heeft hij niet veel
+last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren
+van den dag in de een of andere koele schuilplaats door en komt eerst
+'s nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en
+avonduren. Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in 't
+geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt
+niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij
+klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich, wanneer
+hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals
+over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde doen echter ook
+andere Beren.
+
+Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit
+plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren;
+naar men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine
+Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij geen
+grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren
+verslinden. Sanderson en Mc. Master vermelden ieder één dergelijk
+geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje,
+een anderen keer een door een Tijger gedooden Os. De jongen, die in
+gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om 't
+even of het gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en
+vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (_Bassia latifolia_),
+die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten,
+zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij jonge
+dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk
+zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem zeer goede
+diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen
+van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de stevige woningen van de
+Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting
+aan. Sanderson verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw
+de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap
+uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 à 8 M. hooge
+stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin men het sap
+opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat
+zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou hun wel eenige liters
+van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen
+niet zooveel potten braken. De benadeelde inboorlingen beweren, dat
+de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te
+klauteren, maar zich eenvoudig op den grond laten vallen, en ook,
+dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen.
+
+Tennent's berichten over den aard van den Lippenbeer worden
+door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In
+Oost-Indië verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen
+op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij
+omvat zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op
+zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor lid te
+verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid
+komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet zelden zijn poging om
+te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te
+verdedigen, tot den aanval over. Zijn aanval is in zulke omstandigheden
+zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste
+Roofdieren beschouwen. Sanderson schrijft: "De Lippenberen zijn voor
+ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere
+menschen, die in wouden en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden
+niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren
+zijn zij het gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat
+zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden."
+
+De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men
+volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens in het
+met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is;
+men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van zijn schuilplaats,
+en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert;
+men laat ten slotte gedeelten van den dsjungel, waar men Beren heeft
+gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en
+schiet de dieren, zoodra zij zich vertoonen.
+
+Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen
+zoowel in Indië als in Europa. In zijn vaderland trekken kunstenmakers
+en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals
+onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei kunstjes af. Men voedert
+hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd,
+dat hij aan brood en ooft duidelijk de voorkeur geeft boven ander
+voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold,
+van de eene zijde op de andere, springt in 't rond, buitelt over
+den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op
+de zonderlingste wijze, als hem het een of ander stuk voedsel wordt
+gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk
+en oprecht uiterlijk.
+
+
+
+Drie merkwaardige dieren van Oost-Azië vereenigen wij tot de tweede
+onderfamilie van de Beren, welker leden wij _Katberen_ (_Ailurinae_)
+zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de
+Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne voeten, welker
+behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins
+aan die van de Katten herinneren.--
+
+De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20
+jaren door David ontdekte _Kattenpootbeer_ (_Ailuropus melanoleucus_),
+daar hij als 't ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en
+de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan onze Gewone
+Landbeer, van 't puntje van den staart tot aan de spits van den snuit
+ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen zijn behaard en komen niet
+over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft
+een korten snuit en is naar verhouding breeder dan bij eenig ander
+Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels
+wit is; zwart van kleur zijn een ring om de oogen, de ooren, de
+voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van
+den staart.--Van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat is
+nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van
+de gebergten van Oost-Tibet.
+
+
+
+De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie,
+de _Panda_ of _Roode Katbeer_ (_Ailurus fulgens_), houdt in sommige
+opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn
+romp schijnt wegens de dichte en zachte vacht plomper dan hij is; de
+lang behaarde kop is zeer breed en kort, de snuit eveneens; de lange
+staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren
+zijn klein en afgerond, de oogen klein; de korte pooten hebben dicht
+behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken,
+en korte teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda
+ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht en
+lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd,
+aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat hier de
+haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart,
+zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker kastanjeroode
+dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood,
+met onduidelijke, lichtere, smalle ringen.
+
+De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van
+ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit even fraai
+gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of
+familiën komt hij in de wouden voor, beklimt de boomen en kiest de
+daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats;
+hij begeeft zich echter ook veel op den bodem om voedsel te zoeken. Dit
+bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert
+hij, naar men zegt, de Vogelnesten; ook eet hij Insekten.
+
+
+
+Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd
+door den _Binturong_ (_Arctitis binturong_). Deze is grooter dan de
+Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 à 1.5 M., waarvan bijna de helft
+op den zeer langen rolstaart komt. De romp is krachtig, de kop dik,
+de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben
+naakte zolen, en vijf teenen, die met tamelijk stevige, een weinig
+terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang-
+en ruigharige vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den
+snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn
+met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden
+van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans. De kleur
+van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige,
+aan de ledematen een bruinachtige tint.
+
+Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java,
+Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam en
+Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot
+dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk leven, houdt
+zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het
+is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine Zoogdieren, Vogels,
+Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige
+voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen bewoont en verborgen
+leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een
+luid gehuil. Hoewel de Binturong woest en kwaadaardig van natuur is,
+worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam
+en zijn even zachtmoedig als speelsch.
+
+
+
+In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote,
+tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l. de _Kleine Beren_
+(_Procyoninae_).
+
+Het geslacht der _Waschberen_ (_Procyon_) onderscheidt zich door de
+volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van
+achteren zeer verbreed, de snuit kort; de groote oogen liggen dicht
+bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden
+van den kop geplaatst; de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de
+voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en
+tamelijk forsche, zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang,
+de beharing overvloedig, lang en sluik.
+
+
+
+De _Gewone Waschbeer_ of _Schoep_, de _Raccoon_ der Amerikanen
+(_Procyon lotor_) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25
+cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 à 35 cM. De vacht is
+geelachtig grijs, met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel
+haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek
+begrensd wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke
+kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om het
+oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint
+een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt. De voeten
+zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van
+den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig gele staart is met
+zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen
+van deze kleuren steekt sterk bij de andere af; gezamenlijk brengen
+zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke
+kleur even goed bij die van de boomschors als bij die van den met
+versch of droog gras begroeiden bodem past.
+
+Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier
+niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel
+zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste
+streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten wegens
+de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer
+geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft men hem echter niet
+geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch
+bedekte streken, komt hij nog in menigte voor. Het liefst houdt hij
+zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint
+hij eerst te jagen, als de schemering invalt, en brengt hij den dag
+slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen,
+of op dikke, bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in 't geheel
+niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd,
+maar zwerft zoowel over dag als 's nachts door zijn uitgestrekt gebied.
+
+De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne
+groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij
+onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, kromt den rug
+naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over
+den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet, die hem belangstelling
+inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt,
+verandert zijn voorkomen geheel. Het ruige vel wordt glad, de breede
+ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan,
+vervolgt daarna vlug huppelend of loopend zijn weg, of klimt met
+een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet
+alleen bij schuins geplaatste en loodrechte stammen naar boven,
+maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als
+langs de onderzijde. Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of
+een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs
+horizontale takken voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen
+van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap
+in 't klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij
+weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk op
+den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets
+aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig, plaagzuchtig en
+belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is,
+en bij het bekruipen van zijn prooi listig als een Vos. Met zijne
+soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is,
+speelt hij uren achtereen met andere dieren van zijn soort, in de
+gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil.
+
+De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar 't schijnt,
+een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet, altijd de
+beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk
+verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft van allerlei soort,
+kastanjes, wilde druiven, maïs, zoolang de kolven nog week zijn; hij
+zoekt echter ook de Vogels in hunne nesten op, weet listig een Hoen
+of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het
+verborgenste nest op te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren,
+die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets
+van hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de
+tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven en hunne
+nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de "farmers" in geen
+goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting betalen. Behendig
+vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze
+lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls ver in de zee. De dikke
+larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal
+voor hem; Sprinkhanen weet hij zeer behendig te vangen. Hij heeft de
+eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het
+tusschen zijne voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit
+doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als
+dit wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk
+geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender wijs
+verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft.
+
+In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een
+tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom.
+
+De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar
+ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood. Wanneer men
+alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en
+vallen van allerlei soort, die met een Visch of een stukje vleesch
+als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De
+Amerikanen geven zich met een waren hartstocht aan dit vermaak over,
+en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men
+jaagt hem namelijk niet over dag, maar des nachts, met behulp van
+Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten
+heeft, en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt,
+als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder den invloed
+van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren
+Hond volgt het spoor, en de geheele troep rent den nu vluchtenden,
+behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom
+klimt, en zich hier in de donkerste gedeelten van de kroon tusschen de
+takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een
+kring, blaffend en huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak
+uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar
+komen de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog
+hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen bedekt,
+zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks
+vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden. Nu begeeft
+een in 't klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt boven
+in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige
+Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat eindelijk de
+Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop
+een anderen boom te zullen bereiken. Zijn vervolger snelt hem na zoo
+ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het
+beklagenswaardige dier moet zich nu stevig vasthouden, om niet op
+den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader
+en nader komt zijn vijand, steeds moeielijker wordt het den Beer
+om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort
+hij naar beneden. Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn
+val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet
+de Waschbeer nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te
+ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter
+wordt hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders,
+en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit.
+
+Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in
+hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door de
+ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust
+tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig voorkomen,
+verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij
+is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont toch nimmer een groote
+gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en
+knort intusschen zachtjes van pret, evenals jonge Honden in dit geval
+gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan
+de gebaren der Apen. Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden;
+niets van 't geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne
+wandelingen door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles
+wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel
+als op het erf en in den tuin.
+
+"Tot de meest in 't oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,"
+schrijft L. Beckmann, "behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid
+en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten
+te doorsnuffelen. Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne
+koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd
+tusschen deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen
+is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet,
+dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste
+nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid;
+even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en
+handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid
+dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste
+vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching en
+schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn
+begeerigheid geprikkeld is."
+
+"In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft,
+doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven. Soms zit
+hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer
+ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich een stroohalm over den
+neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken,
+met de teenen van een zijner achterpooten of grijpt naar de heen en
+weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt
+hij op den rug, heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den
+buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door zijn
+staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij
+het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe nagels de kalk
+uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting
+aan. Evenals Jeremia op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden
+op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht,
+uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op.
+
+"Na een langdurige droogte kan hij bij 't zien van een gevulde
+watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke
+moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij
+vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat, want alleen de
+pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende
+voorwerpen af te wasschen; hij zelf houdt er volstrekt niet van, tot
+aan den hals in 't water te staan. Als het onderzoek een bevredigende
+uitkomst heeft opgeleverd, begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen
+in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander
+voorwerp, dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot,
+een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden
+dadelijk onder handen genomen.
+
+"De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond
+van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne met hem
+samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de
+Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn eigen weg wilde
+gaan. Zoodra hij 's morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong
+hij vroolijk heen, om zijn vriend op te zoeken. Op de achterpooten
+staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten,
+en vleide zijn kop zeer teeder tegen dien van zijn vriend; daarna
+betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij
+dagelijks nieuwe schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer
+er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed,
+trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken.
+
+"Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag;
+toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om zulk een
+krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte
+hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit en hapte intusschen
+in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den
+geringden, heen en weer slingerenden staart.
+
+"Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig
+aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken. Muizen,
+Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den
+nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij, hoe hij ook rukte
+en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel."
+
+Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel
+op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke bewoners
+van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en
+zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk van Waschberen is een
+zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen,
+van het wolhaar vilt voor hoeden, de geheele staart wordt als "boa"
+gebruikt.
+
+Een tweede soort, de _Krabben-Waschbeer_ of _Aguara_ (_Procyon
+cancrivorus_), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar
+hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een
+weinig hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart
+of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een
+geelachtig geringden, ruigen staart en donkerkleurig aangezicht;
+boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek.
+
+
+
+In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen
+de _Neusberen_ (_Nasua_) in de nabijheid van de Waschberen te
+staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken,
+bijna marterachtigen romp, met korten hals en langen, spitsen kop,
+hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam
+evenaart en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte
+zolen. Het meest in 't oog loopende kenteeken van deze dieren is
+de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij
+de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen. De ooren
+zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf
+onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn met lange en spitse,
+maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van
+den Waschbeer, de tanden zijn echter een weinig slanker.
+
+Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige
+natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig slechts twee als
+goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten,
+omdat deze dieren in sommige opzichten nogal uiteenloopen, en ook,
+zooals Hensel overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in
+levenswijze verschillen. _De Prins_ von Wied onderscheidde in Brazilië
+twee soorten, de _gezellige_ en de _eenzame Neusbeer_. Volgens Hensel's
+onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil;
+de "eenzame" Neusberen zijn eenvoudig brommige, oude mannetjes, die
+zich van de in troepen levende "gezellige" afgescheiden hebben. Anders
+is het gesteld met de beide soorten, die hieronder genoemd worden.
+
+
+
+De bekendste soort van het geslacht is de _Coati_, in Guyana _Koeassie_
+genoemd, die wij meer bepaaldelijk _Neusbeer_ zullen noemen (_Nasua
+rufa_), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van
+de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt. In 't geheel
+is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 à 105
+cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27 à 30 cM. Het dichte en tamelijk
+lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige
+bovenharen, die zich aan den staart verlengen, en uit kort, zacht,
+eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden
+dicht bijeenstaat. De grondkleur, die op den rug tusschen rood en
+grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige
+tint over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen
+wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de voorzijde
+grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor,
+een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls ineenvloeiende
+vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel
+van den neus naar beneden. De staart is met ringen geteekend, die
+bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn.
+
+
+
+De _Witsnuitbeer_ (_Nasua narica_) van Middel-Amerika moet, volgens
+Hensel, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt
+hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over 't algemeen
+aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker,
+al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer op den achtergrond
+treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om 't oog, een boven
+het oog beginnende, naar het puntje van den neus gerichte streep,
+de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn
+geelachtig wit; iets donkerder zijn de zijden van den hals en de keel;
+de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin.
+
+Azara, Hensel, Rengger en de _Prins_ von Wied hebben uitvoerige
+beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen
+toestand.
+
+"De Neusbeer," zegt Hensel, "is in Brazilië zoo menigvuldig, dat ik
+niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door
+onderlinge vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig
+nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging
+gekomen, dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een
+bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen
+door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten
+zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den paartijd
+tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer
+men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig door de jacht
+van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel
+degelijk in de nabijheid bevindt, maar voor den jager verborgen bleef.
+
+"De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren
+van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. Gedurende
+den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken
+dan hun neus in elke voor hen toegankelijke ruimte. Hun voedsel bestaat
+vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het
+dierenrijk ontleende eetwaren. Gaarne bezoeken zij de plantages om
+maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn."
+
+Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en
+hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen te
+zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende
+hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze prooi te
+overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd
+tot tijd den neus in het door hun gegraven gat, en speuren, zooals
+onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat
+zij hun doel eindelijk bereikt hebben. Onder geschreeuw en gefluit,
+gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij;
+als het heeter wordt in 't bosch, maakt de bende aanstalten om een
+geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig
+gelegen boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat
+ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. Des
+namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg
+voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. Als de Coatis
+een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk
+kennis door luide, fluitende geluiden en klimmen ten spoedigste in
+een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het
+geheele gezelschap over de takken van de kroon verdeeld. Als men ze
+achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen
+den stam te slaan, gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van
+den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij
+niet gestoord worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van
+den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar
+achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken
+begeven zij zich voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen,
+b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak,
+hoewel zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij
+ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der boomen
+zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij
+en houden den staart loodrecht omhoog gericht, of maken korte sprongen;
+hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in
+aanraking. Alleen als zij staan, of zich op de achterpooten verheffen,
+rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt
+zeer onbeholpen, hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar
+het schijnt, zijn zij bang voor 't water, waarin zij zich alleen in
+den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het
+zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.
+
+Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in,
+daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak en het gevoel
+betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is
+hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; het gevoel zetelt, naar het
+schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun
+voornaamste tastwerktuig is.
+
+Naar Rengger bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October
+3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in een met
+dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier
+houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat het haar op al hare
+zwerftochten kan volgen.
+
+Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin
+deed Mützel de volgende ervaringen op: "De eerste indruk, dien het
+geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de
+diepste stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever
+lag op het breede gedeelte van 't heiligbeen op haar strooleger; hare
+uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde
+tegen den wand van 't hok; zij besnuffelde en belekte hare kinderen,
+die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de
+moeder zag men niet anders dan het aangezicht en de voorpooten,
+terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen,
+ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, straalswijs de moeder
+omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn
+tegenwoordigheid leidde de aandacht van de moeder van hare jongen
+af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar
+nakomelingschap te bewegen de tepels los te laten; deze bleven
+er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus
+langs den bodem meegesleept naar het traliewerk; het eene jong,
+dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde,
+schoof zij eenvoudig op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de
+moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de
+jongen het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn;
+zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt
+kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden
+te beschouwen. In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij
+geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne
+gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus,
+die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht,
+de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen,
+die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring van 3 of
+4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de
+wangen, die een wit en bruin getakte teekening vertoonen, de gewelfde
+kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in
+beweging zijn, het beerachtig afgeronde lichaam, de lange, ruige, met
+ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig,
+potsierlijk geheel, vooral als de dieren loopen of klimmen. Al
+hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en
+boeien voortdurend de aandacht van den toeschouwer, die zich door
+de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze
+kleine dieren ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.
+
+"Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis
+voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje eerst
+hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor
+zich op den grond en begon, terwijl zij den buit met de voorpooten
+vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De
+oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen gewoonlijk hun prooi
+bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere
+dieren aan het kopeinde. Bij het tweede gerecht, een doode Rat,
+vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een
+beet in den kop, werd daarna beroken en van achteren af verslonden;
+op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den
+romp, terwijl de kop voor 't laatst bewaard bleef. De Muis was na
+weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter
+langer aan. Zooals te verwachten was, gaven de jongen het verlangen
+te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter
+niet toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare
+kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; in allen
+gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en
+naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven aandringen, met de
+voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren
+dadelijk weer op de been, en omringden opnieuw de smullende moeder;
+zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende,
+den snuffelenden neus onophoudelijk in beweging, alle vijf staartjes
+omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van
+den staart kleine kringen beschrijvend--vormden zij een prachtige
+voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke
+gerecht verslonden, op een klein stukje na; ook dit was echter
+niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar
+gat gebracht, ongeveer 1/2 M. boven den bodem, en met den langen,
+beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer
+prettig gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich
+hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende
+vermakelijke schouwspel vertoond werd.
+
+"De moeder had bij vergissing twee stukjes van 't vel van de Rat
+laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den maaltijd
+vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in
+een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond een kibbelpartij,
+die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige
+lichamen, de vijf omhoog geheven staarten geraakten in elkander verward
+en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen,
+vielen en buitelden over en door elkander, rolden over den vloer,
+huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af,
+en deden dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite
+kostte, een van hen voortdurend in 't oog te houden."
+
+De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor
+hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich in de bosschen
+met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij
+het zien van de Honden vluchten de Neusberen luid schreeuwend op
+de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf
+hunner helpers in kennis worden gesteld, zijn nu in de gelegenheid om
+te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden
+te doen tuimelen, moet men hem doodelijk treffen, want de gewonde
+dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen
+slechts met groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond
+kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende
+Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als
+de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig om, schreeuwt van
+woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn
+leven duur genoeg en stelt niet zelden 5 of 6 Honden buiten gevecht,
+voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen
+door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.
+
+Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in 't leven te
+houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer een bijzondere
+voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de
+Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne huisgenooten uit
+het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij
+'t eten mag men hem echter volstrekt niet storen, want zelfs het
+tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel
+willen ontrukken. In vele opzichten toont hij een groote mate van
+zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich
+volstrekt niet aan den wil van den mensch, maar geraakt in drift,
+als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem
+gehoorzaamheid leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en
+bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed
+als ieder ander.
+
+Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet
+veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk den Neusbeer
+ergens toe af te richten. Rengger zag er een, die op bevel van zijn
+meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van
+een geweer als dood op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam
+zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.
+
+Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij
+doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen om. Hij kan met
+den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote
+behendigheid gebruik maken. Niets laat hij onaangeroerd. Als hij zich
+van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door
+afwisselend beide voorpooten snel in beweging te brengen. Geeft men
+hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging;
+als hij een voorwerp ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij
+er eerst met den rechter-, daarna met de linkerpoot een slag tegen,
+totdat het op den grond valt.
+
+Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een
+menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij
+aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou
+toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel van
+de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even
+sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers trok. Dit
+raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als
+in 't geheel niet kende. Eenigen hielden hem voor een Lemuride. Anderen
+meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen
+zeer verschillend gebit, hem bij de Civetkatten te moeten voegen,
+en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was
+het bezit van een rolstaart niet best te rijmen; terwijl ook het
+gebit--dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt,
+en op het gebruik van plantaardig en dierlijk voedsel wijst--niet
+veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk
+gaf men hem (met eenige andere, niet minder eigenaardige wezens)
+een plaats in de familie der Beren.
+
+De _Rolstaartbeer_, _Kinkajoe_, _Manaviri_ of _Cuchumbi_, zooals
+het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt
+(_Cercoleptes coudivolvulus_), voltooit de reeks van overgangsvormen
+van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp
+staat laag op de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer
+kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de
+vijf teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen
+gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van het
+lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van
+vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand is
+de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen,
+terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, tamelijk
+lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing
+is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig geel met een flauw
+roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den
+kop en in den nek duidelijk zichtbaar zijn.
+
+Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt
+verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele noorden van
+Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in
+het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij leeft in de oerwouden,
+vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij
+heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; den dag brengt hij slapend
+in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig;
+hij klimt dan buitengewoon behendig en vlug in de kronen der hooge
+boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart
+hem uitmuntende diensten. Wat vaardigheid in 't klimmen betreft, wordt
+hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn
+uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met
+den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich zoo goed aan
+een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom
+afdalen kan. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten.
+
+Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan,
+verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig
+en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een
+Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester herkent
+en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger
+over te halen met hem te spelen of zich met hem te bemoeien en
+behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten
+van de inboorlingen. Ook in den gevangen staat slaapt hij bijna den
+geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met
+den staart. Hij eet al wat men hem voorzet: brood, vleesch, ooft,
+gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt
+melk, koffie, water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik
+van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen
+ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het
+bloed uit en laat het overige liggen. Kappler, die den Rolstaartbeer
+in Guyana leerde kennen, zegt van hem: "Hij voedt zich uitsluitend
+met vruchten en wordt bijzonder tam. Ik kreeg van de Indianen een jong
+dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag
+ophield. Zoodra wij 's avonds aan tafel gingen zitten, kwam _Wawa_,
+zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke
+liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang tongetje in
+den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen
+en andere vruchten. Als men het huis sloot, werd Wawa buiten de deur
+gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen,
+want op den grond hield hij zich niet graag op. Ik had hem meer dan
+een jaar gehad, toen hij plotseling stierf."
+
+
+
+Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd
+gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast aan de
+zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is
+het _Katfret_ (_Bassaris astuta_), dat, zooals reeds in 1651 door
+Hernandez werd medegedeeld, bij de Mexicanen _Cacamizli_ heet. Het
+volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM.,
+waarvan twee vijfden op den staart komen. Door zijn gestalte herinnert
+dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.
+
+Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn,
+bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, in Texas
+hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig
+voor; Charlesworth meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van
+menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van
+Hoenderen het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite
+door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.
+
+De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door
+zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert
+en hieraan zijn Mexicaanschen naam "Kateekhoorn" dankt. Als het
+uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke
+houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug
+te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter niet met de
+zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen,
+maar loopt, wanneer het verschrikt wordt gemaakt, zoo lang mogelijk
+op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te
+bereiken. Soms ziet men het, op de bovenzijde van een tak liggend, zich
+in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging,
+alsof het sliep; bij het geringste teeken van gevaar sluipt het
+echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na
+het ondergaan van de zon weer te voorschijn.
+
+Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij
+gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd in
+een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing
+binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door de Mexicanen
+als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten
+is hij als huisdier nuttig.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20129-8.txt or 20129-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/1/2/20129/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/20129-8.zip b/20129-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..e595cea
--- /dev/null
+++ b/20129-8.zip
Binary files differ
diff --git a/20129-h.zip b/20129-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..77e00cb
--- /dev/null
+++ b/20129-h.zip
Binary files differ
diff --git a/20129-h/20129-h.htm b/20129-h/20129-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..63a9b4b
--- /dev/null
+++ b/20129-h/20129-h.htm
@@ -0,0 +1,11086 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Het Leven der Dieren</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren">
+<meta name="DC.Date" content="### December 2006">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument,p.note
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+p.question
+{
+margin-bottom:0;
+text-align:left;
+}
+
+p.answer
+{
+margin-top:0;
+text-align:right;
+}
+
+p.explanation
+{
+font-size:smaller;
+margin-left:0.9em;
+margin-right:0.9em;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 4: De Roofdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: December 18, 2006 [EBook #20129]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="body"><a id="d0e69"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e69">82</a>]</span><div class="div1">
+<h2 class="label">Vierde Orde.</h2>
+<h2>De Roofdieren (<i>Carnivora</i>).
+</h2>
+<p>Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor.
+Bijna alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige, en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn
+in deze orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen
+Wezel&#8212;welk een aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier de evenredig gebouwde, lieftallige Kat,
+daar de logge Hyena; hier de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de krachtige, grove Hond; hier de
+logge, langzame, zwaarwichtige Beer, daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle tot &eacute;&eacute;n groep behooren?&#8212;En
+hoe kunnen zij alle in &eacute;&eacute;n beschrijving samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen, deels in het
+water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband met elkander behandelen.
+
+</p>
+<p>Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in &#8217;t oog loopende
+gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit
+de overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van &#8217;t voedsel afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam&#8212;voortvloeiend
+uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de spijsverteringsorganen&#8212;zoowel als die van den geest in hoofdzaak gelijkaardig
+moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden, van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in de
+orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen.
+
+</p>
+<p>Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met
+meer of minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid
+der zintuigen is in &#8217;t oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten
+van tanden bestaat, bevat krachtige, scherpe&#8212;deels meer of minder slanke en &eacute;&eacute;nspitsige, deels scherp getakte&#8212;in en tusschen
+elkander grijpende tanden, die met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken, waarvan de onderste door
+krachtige spieren bewogen wordt.
+
+</p>
+<p>De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd
+kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel
+is om zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof
+tot het inwrijven van het vel.
+
+</p>
+<p>Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende, meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw
+op. Het skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte
+van den kop is langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld als het aangezichtsgedeelte. De krachtige
+kammen en lijsten als ook de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen verschaffen aan de krachtige kauwspieren
+de voor hun bevestiging vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen
+van den neus zeer uitgebreid: aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige ruimte aangeboden voor hun volledige
+ontwikkeling. Aan de wervels merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op; de lendewervels vergroeien
+dikwijls bijna volkomen met elkander; het aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen vertoonen,
+in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle
+vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.
+
+</p>
+<p>De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor
+hij geschikt wordt voor &#8217;t wroeten in den grond. Tevens zijn dan de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven:
+de bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren
+in staat om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen voor &#8217;t zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige
+terugtrekbaar, gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen
+vormen. Andere soorten hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de beschutting van den voet of voor
+het woelen en graven in den grond kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter vast kan houden. Het
+gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen; het kan
+hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige
+<a id="d0e90"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e90">83</a>]</span>spieren en pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze
+uitgebreide en behendige bewegingen toelaat.
+
+</p>
+<p>Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar;
+dit gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen,
+dat bij alle Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk, bij andere het gezicht, bij enkele het
+gehoor op bewonderenswaardige wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke rol. Twee zinnen zijn in
+den regel zeer scherp: in de meeste gevallen zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.
+
+</p>
+<p>De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig
+verstandige wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich weldra de list en de kunst van veinzen eigen
+maken, die voor hun roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat het bewustzijn van hun kracht hun moed
+en zelfvertrouwen verschaft, welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen worden. Maar juist uit deze
+eigenschappen vloeien weer andere voort, die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.
+
+</p>
+<p>Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht,
+weldra wreedheid en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst in den vollen zin van &#8217;t woord; deze
+hartstochten bezielen hen in die mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.
+
+</p>
+<p>Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De
+Roofdieren wonen en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de kronen der boomen, op de gebergten zoowel
+als in de vlakten, in het woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer als in zuidelijke. Men treft
+onder hen even volkomene nachtdieren als dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht der zon, nog andere
+in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.
+
+</p>
+<p>Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het,
+overvallen het onverwachts&#8212;hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling,
+om door hun verschijnen niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het bewustzijn van hun zwakheid gedreven
+om zoo schielijk mogelijk een schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts bespeuren. Hoe meer zij
+van het daglicht houden, des te vroolijker, levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij aan den nacht
+de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger, schuwer en ongezelliger zijn zij.
+
+</p>
+<p>Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige
+voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men &#8220;alleseters&#8221; en &#8220;vleescheters&#8221;; deze namen zijn echter
+niet volkomen steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan een flink stuk vleesch als de grootste en wildste
+Roofdieren. Alle leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers en moordenaars, onverschillig of zij kleine
+dan wel groote dieren dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als de gelegenheid schoon is, dat zij
+geen uitzondering willen maken op den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard der zaak, dat er tusschen
+de Roofdieren, wat betreft de keuze van het voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen bestaan als
+ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het dierenrijk
+blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde bepalen
+zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren;
+de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De Honden, die eigenlijk echte &#8220;vleescheters&#8221; zijn, breiden
+hun jacht nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend
+voeden met Visschen en Amphibi&euml;n; de Beren eindelijk zijn echte &#8220;alleseters&#8221;; zij eten werkelijk met evenveel smaak plantaardig
+als dierlijk voedsel. De Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de Roofdieren hunne liefhebbers of
+liever hunne vijanden. Onverschillig waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of tusschen de takken
+der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden overal
+den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke
+onderdoen.
+
+</p>
+<p>Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt
+dit verbond echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in
+dit tijdperk zijn de beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het jaar, gezamenlijk voeden, beschermen
+en verdedigen zij de jongen. Bij andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne spruiten als een welkomen
+buit te beschouwen; hij moet door de moeder teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap toevallig
+ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van
+&eacute;&eacute;n worp wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering niet meer dan &eacute;&eacute;n. Bij nagenoeg alle Roofdieren
+worden de jongen blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend; zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk
+vlug. Hun moeder geeft hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en beschermt hen steeds zoo lang,
+als zij nog niet in staat zijn, om voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar zeer weinige moeders
+haar kroost in de armen of op den rug mede, de overige sleepen het met den bek weg.
+
+</p>
+<p>De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming
+dienstbaar trachten te maken; met &eacute;&eacute;n hunner is hem dit echter in zoo hooge mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk
+geen tweede hiermede overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer of minder recht als schadelijke
+dieren beschouwd, fel gehaat en daarom zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige wordt het vleesch
+of het vet gegeten, van <a id="d0e108"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e108">84</a>]</span>andere wordt de prachtige pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men tegen het dooden van deze
+dieren niets inbrengen; betreurenswaardig is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk, maar zelfs
+nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze
+orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en
+vijanden moet steeds van groot belang geacht worden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele
+reeks te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de &#8220;koning der dieren&#8221; werd genoemd, aan den Leeuw,
+en geeft hem gaarne de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie der <span class="letterspaced">Katten</span> (<i>Felidae</i>).
+
+</p>
+<p>Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen
+en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren
+niet aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel
+in zoo hooge mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type van de geheele groep beschouwen.
+
+</p>
+<p>De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop
+met den sterken hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart en het zachte vel met zijn steeds aangename,
+met de omgeving innig harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen duidelijk voor den geest staan. Het
+lichaam van de Kat is met de meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De hoek- of grijptanden hebben den
+vorm van groote, sterke, bijna niet gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een waarlijk vernietigende
+uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen zelfs de flinke
+scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en onbeduidend
+voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne, hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte
+stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens
+van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van
+haar prooi of om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten onderscheiden zich vooral, doordat zij
+naar verhouding zulk een geringe lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn der laatste teenleden,
+die bij het gaan in &#8217;t geheel niet met den bodem in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer krachtige
+en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van
+rust en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden, waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings
+bevestigd is, in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op &#8217;t oogenblik dat de klauw dienst moet doen, trekt de krachtige,
+diep gelegene buigspier, welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht, dit deel met geweld naar beneden;
+de voet wordt hierdoor gestrekt en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit maaksel van den voet
+heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen waarneembaar
+zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van
+den teen, die met den grond in aanraking komen.
+
+</p>
+<p>De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid.
+Bijna alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de eigenschappen van het lichaam als door die van den
+geest, al is het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij
+de andere schijnt achter te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder gedruisch te maken; zij loopen
+snel en zijn in staat tot het maken van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn dan haar lichaamslengte.
+Slechts weinige soorten, en wel de grootste, zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de meeste met
+veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor &#8217;t meerendeel een tegenzin hebben in &#8217;t water, zwemmen zij ingeval
+van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in &#8217;t water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van
+haar fraai gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan
+de kunst om hiermede met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog
+de naar verhouding zeer groote spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De grootste soorten kunnen met
+&eacute;&eacute;n slag van hare vreeselijke klauwen en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit ter aarde doen storten,
+al is het ook grooter, dan zij zelf zijn; ook kunnen zij groote lasten voortsleepen.
+
+</p>
+<p>De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar
+gedurende hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen;
+zij vernemen den zachtsten stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij nagenoeg geen van deze dieren
+bijzonder groot zijn, kunnen zij door het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het gezicht is minder
+goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden zien,
+nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt,
+neemt bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich
+onder den invloed van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid of in de duisternis rondt zij zich
+tot een nagenoeg volledigen kring af.&#8212;Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks fijnheid zoowel uit het
+zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid werkende
+prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen boven
+de oogen, bij de Lossen misschien <a id="d0e128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e128">85</a>]</span>ook het haarkwastje aan het oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier in een hoogst onaangenamen
+toestand; het wordt letterlijk radeloos en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en onzekerheid, die
+later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels, weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer geschikt.
+De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij
+toonen een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een groot behagen in aangename prikkels. Als men haar
+vacht gladstrijkt, zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij, groote ontevredenheid aan den dag
+leggen, als zij met vocht besprenkeld of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en de smaak staan waarschijnlijk
+ongeveer op gelijke hoogte; misschien is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn in weerwil van haar
+ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten,
+zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten
+wentelen zich, alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als &#8217;t ware in een roes; terwijl dieren met meer
+verfijnde reukorganen hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen.
+
+</p>
+<p>De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft, een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel
+lager, als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden
+der beide famili&euml;n voortdurend twee typen voor oogen hebben, die geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men
+kan den Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den mensch ontwikkeld is, niet op &eacute;&eacute;n lijn stellen
+met de verwaarloosde en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten treden wel is waar de hoogere of
+edelere begaafdheden van den geest minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat, als hij goed behandeld
+wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert vaak genoeg
+voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet
+de moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel
+en wordt hierdoor van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste soorten is een vereeniging van bedaarde
+omzichtigheid, volhardende sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap vertoonen zij zich weldra geheel
+anders dan in vrijen toestand; zij erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens haar meester, verlangen,
+dat hij haar zal vleien en liefkoozen, kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms hare diep ingewortelde,
+natuurlijke neigingen plotseling weder op den voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten valsch
+en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen,
+een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der slavernij af te schudden.
+
+</p>
+<p>Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar
+hoogstens verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden
+zoowel als vochtige laagvlakten, het bosch zoowel als het veld.
+
+</p>
+<p>Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren
+het meest aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een
+kleine minderheid uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren, vooral van Schildpadden, nog andere gaan
+zelfs op de vischvangst uit.
+
+</p>
+<p>Bij &#8217;t vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden
+sluipen zij door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles, in alle richtingen loerend en scherp luisterend.
+Zelfs van het zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep gebogen houding gaan zij er op af, den buik
+bijna op den grond, zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen
+van de nabijheid van het roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen worden. Eindelijk acht de Kat den
+afstand gering genoeg, om tot den aanval over te gaan. Met &eacute;&eacute;n of twee sprongen heeft zij haar prooi bereikt. De vreeselijke
+klauwen doorklieven den nek of de zijden van het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige malen achtereen
+hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren, die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel
+zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in &#8217;t oog, en bijt opnieuw, zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven
+opmerkt. Vele Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat evenzeer welgevallen als begeerigheid of
+toorn te kennen geeft; ook bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de afschuwelijke gewoonte, haar
+slachtoffer lang te martelen: schijnbaar gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een eind ver loopen,
+om het echter steeds op &#8217;t rechte oogenblik weer te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit wreede
+spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht
+met dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft,
+dat zij, ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen.
+Zelfs de Leeuw, de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch, en gaan hem bijna lafhartig uit den weg;
+zoodra zij evenwel gezien hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze Roofdieren zijne vreeselijkste
+vijanden. Ofschoon bijna alle Katten goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een prooi na, wanneer haar
+de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve, waar de
+strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier, dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille,
+verborgen plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken, dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.
+
+<a id="d0e138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e138">86</a>]</span></p>
+<p>In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij uitzondering slechts &eacute;&eacute;n. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen
+van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich
+slechts bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid
+en liefde openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan
+een teederheid en zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig
+en opmerkzaam op de jongen, dat men in &#8217;t geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van haar liefde. Een zeer aangenamen
+indruk maakt zulk een kattenfamilie ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in hun prille jeugd opwekt.
+Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken, aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil in de
+nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten
+worden, wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms
+ook tegen hun eigen vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn, eenvoudig opvreet, wanneer hij het
+nest onbewaakt vindt. Dit is vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede alle Katten hare jongen zoo
+goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen, wordt de zaak
+anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen gezinde
+dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen,
+waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf
+der volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers
+spitsen de ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In &#8217;t eerst is de staart van hun moeder een bron van groot vermaak.
+Elke beweging van dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige bende haar best te doen om door pogingen
+om den staart te grijpen diens bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter door deze plagerijen
+in &#8217;t minst niet storen en gaat voort met haar gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij laat
+zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin
+reeds met allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als
+een kind. Dikwijls is het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht den staart van het andere te
+grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt, worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien, dat de staart eenvoudig
+een deel van hun eigen lichaam is, en willen liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude hun kleine,
+soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere
+geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude
+de jongen mede op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen, in het toonen van zelfbeheersching, in
+het onverhoeds aanvallen, kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig zijn geworden, verlaten zij
+hun moeder of hunne beide ouders en leiden van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.
+
+</p>
+<p>De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon
+groot. Men moet hierbij echter in &#8217;t oog houden, dat de groote soorten van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk
+rijk aan dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging
+van sommige Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten
+wordt de schade, die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij ons bewijzen. Zij maken alleen jacht
+op kleine Zoogdieren en Vogels; vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon veel last en schade kunnen
+aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel onmisbaar
+geworden, maar ook de in &#8217;t wild levende soorten van kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door belangrijke
+diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China, en
+ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken
+schatten het genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont, dan wegens de innerlijke waarde, want
+deze is niet bijzonder groot.
+
+</p>
+<p>De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht,
+juist wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer wereld rekenen.
+
+</p>
+<p>De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter
+het recht te hebben om de <span class="letterspaced">Lossen</span> (<i>Lynx</i>), de <span class="letterspaced">Geparden</span> of <span class="letterspaced">Jachtluipaarden</span> (<i>Cynailurus</i>) en de <span class="letterspaced">Fretkat</span> of <span class="letterspaced">Fossa</span> van Madagaskar (<i>Cryptoprocta</i>) van de overige vormen&#8212;van de <span class="letterspaced">eigenl&#307;ke Katten</span> (<i>Felis</i>)&#8212;te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat
+dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan
+den anderen de Tijger zijn, onderscheiden de <span class="letterspaced">Lossen</span> zich door de kortheid van den staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de <span class="letterspaced">Geparden</span> door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid der klauwen; de <span class="letterspaced">Fossa</span> is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig dier doen
+kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een &#8220;oerkat&#8221;, zoo men wil.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In de eerste plaats beschouwen wij de <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke</span> Katten; de soorten van de <span class="letterspaced">Oude Wereld</span> zullen wij gescheiden van die der <span class="letterspaced">Nieuwe Wereld</span> behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben, op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van
+het dier aanbiedt, en wel zoo, dat <a id="d0e199"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e199">88</a>]</span>de <span class="letterspaced">dwars gestreepte</span>, de <span class="letterspaced">gevlekte</span> en de <span class="letterspaced">eenkleurige</span> Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1087.jpg" alt="T&#307;ger (Felis tigris)." width="358" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">T&#307;ger</span> (<i>Felis tigris</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de <span class="letterspaced">T&#307;ger</span>, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder manen,
+met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van alle
+Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel
+waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een
+schoon en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid
+van de Zoogdieren moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe te kennen; want hij heeft zich tegenover
+den beheerscher der aarde verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In plaats van verdreven en teruggedrongen
+te zijn door de bebouwing van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij gedeeltelijk juist hierdoor meer
+aangetrokken; zelfs heeft hij den mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de Leeuw, uit bevolkte gewesten
+zich terug te trekken, en het gevaar, dat hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig of listig
+te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden
+en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven,
+of althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen
+konden, was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Koningst&#307;ger</span>, de <span class="letterspaced">Bagh</span>, <span class="letterspaced">Scher</span> of <span class="letterspaced">Nahar</span> der Hindoes, de <span class="letterspaced">Harimau</span> der Maleiers (<i>Felis tigris</i>), is een prachtige, wonderschoon geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de Leeuw, staat de Tijger
+toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die van het
+volwassene wijfje is steeds 30 &agrave; 40 cM. geringer. De staart is 80 &agrave; 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 &agrave; 106
+cM. Het gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers
+was resp. 163.3 en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder dan bij den Leeuw, de staart eindigt
+niet in een haarkwast, de beharing is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het wijfje is kleiner
+en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers, die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende
+het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die, welker vaderland de heete laagvlakten van Indi&euml; zijn.
+De teekening van het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er is een scherpe tegenstelling tusschen
+de lichte, roestgele grondkleur, en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten, is de grondkleur op
+den rug donkerder, aan de zijden lichter; de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel van den romp, de
+lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn wit. Bij den &#8220;Boschtijger&#8221; schijnt de grondkleur meer verzadigd te zijn dan
+bij den &#8220;Dsjungeltijger&#8221;. Van den rug naar de borst en den buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen,
+die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van
+deze strepen splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De staart is lichter van kleur dan de bovenzijde
+van het lichaam, maar eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren zijn meestal wit. Het groote oog,
+dat een ronde pupil heeft, ziet er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de ouden; bij hen heeft
+de grondkleur echter een iets lichtere tint.
+
+</p>
+<p>Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in
+zeldzaam voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige zijdestrepen.
+
+</p>
+<p>Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die
+het vervolgt. Dit is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen, dat de kleur bij de dieren in &#8217;t algemeen
+in nauw verband staat met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in &#8217;t bijzonder het geval; ik kan hier
+dus volstaan met te herinneren aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den Tijger als woonplaats
+worden gekozen, om de meening te weerleggen, dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk zouden kunnen
+zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden, dat zij een Tijger, die op korten afstand v&oacute;&oacute;r hen ligt, even goed
+als andere dieren, volkomen over &#8217;t hoofd zien.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azi&euml;,
+en meer bepaaldelijk tot Oost-Indi&euml;, beperkt, maar neemt van het grootste aller werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa
+in uitgestrektheid verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8&deg; ZB. en 53&deg; NB., en wel tot in het zuidoosten van Siberi&euml;.
+De noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam: bovendien houde men hierbij in
+&#8217;t oog, dat Siberi&euml; een geheel ander en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten, die op gelijke breedte
+gelegen zijn. Indi&euml; kan echter als het eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit verbreidt hij zich
+naar &#8217;t noorden en oosten door geheel China tot in het stroomgebied van den Amoer, naar &#8217;t noorden en westen door het noordelijke
+deel van Afghanistan en Perzi&euml; naar de gewesten aan den zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige
+oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien
+wel nu en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen komen zij echter niet tot aan den <a id="d0e251"></a><span class="corr" title="Bron: Kaukakus">Kaukasus</span> of tot aan de Zwarte Zee. Op de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van Sumatra en Java, komt de
+Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op het eiland Ceylon.
+
+</p>
+<p>Over den Tijger op Java schrijft Dr. <span class="smallcaps">W. R. van Ho&euml;vell</span> o. a. het volgende: &#8220;Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten, op de bergen<a id="d0e259"></a><span class="corr" title="Bron: ">,</span> overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal
+bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden
+acht <a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">89</a>]</span>weduwen, wier mannen door Tijgers waren geveld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in &#8217;t wild. Daar is een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de
+zon aan den hemel schijnt&#8212;maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek, dan verbergt hij zich voor de zonnestralen,
+dan slaapt hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;De volle middag is in Indi&euml; het beeld van den dood&#8212;de nacht van kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu
+eens oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid,
+op schelle tonen een avondzang&#8212;dan belasten honderden Padden en Kikvorschen zich met de baspartij&#8212;nu en dan mengt zich het
+eentonig geschreeuw van de Gekko&#8217;s er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ziet&#8212;daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender
+en harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken
+afstand, diep in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden, ontvouwden ons de reden. &#8217;t Was het angstgeschreeuw
+der Apen, die deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls honderd voet hooge kruinen der boomen zich
+gerust aan den slaap heeft overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich aan den voet neer.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt, of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle
+ontwaken&#8212;alle zien den Koning der verschrikking beneden&#8212;alle schreeuwen en alleen de tegenwoordigheid van dat vreeselijke
+dier jaagt hun zulk een doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van tak tot tak springen en, onder
+huilen en jammeren, den een den ander verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen&#8212;maar onbewegelijk fonkelen
+zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen en
+verslonden wordt.
+
+</p>
+<p>&#8220;De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java&#8217;s wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet tegen
+in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar
+ligt de moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft
+den Stier reeds menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche, fraai geteekende, met sierlijke hoornen
+gekroonde dier. Rustig, van geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van zijne spieren en kop en
+hoornen kent, geniet het de geurige kruiden, door den dauw van den nacht besproeid.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn adem in, hij wacht&#8212;de Stier komt al grazende dichter
+bij&#8212;nog een kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn&#8212;en nu&#8212;slechts &eacute;&eacute;n enkele sprong&#8212;en de Tijger zit zijn prooi
+op den rug&#8212;hij heeft hem zijne klauwen in de breede borst geslagen&#8212;hij heeft hem de slagtanden in den korten, rimpeligen nek
+gezet&#8212;een vreeselijk gebrul weergalmt in den nacht en weerkaatst door het gebergte&#8212;de Stier ijlt, woedend van pijn, in &#8217;t
+dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde houding&#8212;de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der
+boomen, de Tijger verroert zich niet&#8212;de smarten doen den Stier al harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden
+en klauwen al dieper en dieper in het vleesch&#8212;de Stier werpt zich op den grond, wentelt zich om, de Tijger laat los, doet
+een enkelen sprong, zet de tanden in den strot van zijn slachtoffer&#8212;en weldra blaast het rochelend den laatsten adem uit.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel.
+Tot in de hooglanden en hooge gebergten van Azi&euml; dringt hij niet door, en zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja
+wordt hij slechts nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden
+aan de rivieroevers, in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide plaatsen; ook vindt men hem dikwijls
+te midden van bouwvallen; niet zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in liggende houding gezien,
+soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere dieren is zijn
+voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen; met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde plaatsen
+terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke nabijheid te vinden. &#8220;Het eerste het beste, met lang gras of riet
+begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Blanford</span>, &#8220;de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeni&euml;n in een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk
+volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken, de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde
+heuvelhelling, herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de vaste bewoner van dit plekje door een jager
+gedood wordt, zal weldra een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de
+verschillende grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone
+snelheid, behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt op zijne rooftochten schielijk afstanden van
+uren gaans, beweegt zich zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in &#8217;t springen heeft men dikwijls overdreven
+voorgesteld. Uit metingen aan de sporen van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere sprongwijdte
+dan van 5 M. gebleken. <span class="letterspaced">Boomen beklimt hij niet</span> of alleen bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is; gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet
+beklimmen. Wel springt hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van een boom met zachte schors op, en
+krabt deze spelenderwijs stuk.
+
+</p>
+<p>De Tijger is geen echt nachtdier. Evenals de meeste Katten zwerft hij op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat
+hij aan de uren kort v&oacute;&oacute;r en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken,
+op landwegen, woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In het zuidoosten van Siberi&euml; bezoekt hij
+gedurende den zomer iederen nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem uitweert, omdat hij, even goed
+als de daar woonachtige jagers, weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar ontmoet hij <a id="d0e288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e288">90</a>]</span>dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten,
+Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de
+grootste, en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne krachten aan den buitengewoon sterken Wilden
+Buffel; in den strijd met dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het onderspit; ook door een ouden,
+goed gewapenden mannetjes-Ever wordt hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook vergrijpt hij
+zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood eet
+hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen;
+<span class="smallcaps">Simson</span> vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door
+hem versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt,
+gaat hij om zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede
+te zijn.
+
+</p>
+<p>Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten
+ook vele dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring,
+wat hij op &#8217;t oog heeft, als hij begint rond te sluipen. <span class="smallcaps">Forsyth</span> en anderen brengen voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de Apen begunstigd werd. &#8220;Eens,&#8221; zoo verhaalt
+<span class="smallcaps">Forsyth</span>, &#8220;werd ik bij het vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep, uitstekend geholpen door de talrijke
+Hoelmans, die in het struikgewas langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich zagen, snelden zij de
+eene na den anderen op de naastbijgelegene boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig, en schimpten
+en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef
+leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had, en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare
+boomkruin begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd
+was. Op deze wijze nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde, kon ik daar, waar de geul een bocht
+maakte, dwars oversteken, het Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam hij voor den dag met lange
+schreden, den staart tusschen de pooten, en zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar; zijn geweten
+was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof
+hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging.&#8221;&#8212;Een kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.
+
+</p>
+<p>De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt,
+klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden &#8220;A-o-oeng&#8221;
+voort, die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt, voorts een luid &#8220;Ha-oeb&#8221; of &#8220;Wau,&#8221; als hij verrast
+en verschrikt wordt, verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten gelijkenden, korten schreeuw, die
+woede te kennen geeft, en dien hij bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.
+
+</p>
+<p>De Tijger is over &#8217;t algemeen geen moedig dier. Meestal is hij niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig,
+hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op
+de vlucht, andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen; voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk
+geen enkele Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen als een zeer gemakkelijk te overmeesteren
+schepsel, en kan dan zeer gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze personen beloert en deze onverwachts
+overvalt. Zoo wordt hij in sommige gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.
+
+</p>
+<p>Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet zelden
+wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad Singapoer, die in 1824 door Sir <span class="smallcaps">Stamford Raffles</span> gesticht werd op een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een klein visschersdorp tot een stad van
+meer dan &eacute;&eacute;n millioen inwoners heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar geen Tijgers gevonden.
+In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal, dat het
+eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren
+worden verslonden.
+
+</p>
+<p>Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote
+vrees, die zelfs deze van menschenvrees over &#8217;t algemeen vrije dieren voor het vuur en voor een troepje vastberaden mannen
+koesteren, een geregelde gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk door Tijgers geteisterd worden,
+nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op klaarlichten dag
+menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar
+loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren,
+zooals herders, houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg over hunne kudden. Ook de postboden zijn
+er slecht aan toe.
+
+</p>
+<p>Tegen het einde van het tijdperk 1860&#8211;1870 huisde in Maisoer een menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger
+een treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed
+gemikte kogel hem trof. <span class="smallcaps">Forsyth</span> bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental jaren de Centrale-Provinci&euml;n van eenige menscheneters, welker daden hij verhaalt.
+De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen
+met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van 50 &agrave; 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen
+geroofd hebben, v&oacute;&oacute;r het <span class="smallcaps">Forsyth</span> gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied roofde, volgens <span class="smallcaps">Fayrer</span>, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869 resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand geweer hem doodde.
+Een Tijgerin verdreef de bewoners van <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">91</a>]</span>13 plaatsen, stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante KM. en wist op de listigste wijze aan alle
+vervolgingen te ontkomen, totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.
+
+</p>
+<p>Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen, niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.
+
+</p>
+<p>De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest
+verschillende omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft over den aard en de handelingen van de
+Tijgers in Indi&euml;. Nu het aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden&#8212;er zijn zelfs dames onder&#8212;, zeer groot geworden
+is, hebben de oude jachtverhalen en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van hun waarde verloren,
+en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.
+
+</p>
+<p>Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men
+deze Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders,
+de veeroovers en de menscheneters.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">wilddooder</span> vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van
+den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere
+Tijgers; hij trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden andere verblijfplaatsen opzoekt, van de
+eene landstreek naar de andere, naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij aan de jachtliefhebbers
+een dikwijls zeer onaangename concurrentie aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer, daar hij
+hem in zekeren zin voor &#8220;veldkat&#8221; dient, en meer bepaaldelijk de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen
+de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere
+Tijgers, ofschoon ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen verreweg de talrijkste afdeeling, en
+verzamelen zich gedurende den heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">veeroover</span> zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven worden
+of des nachts toevallig los in &#8217;t dorp rondloopen. Daar de boeren gewoon zijn hun vee v&oacute;&oacute;r het invallen van de duisternis
+naar een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van
+den namiddag, te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt zijn jachtgebied zich in den regel slechts
+over eenige dorpen uit; in &#8217;t tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een landschap van Maisoer, dat ongeveer
+40 KM. lang en 20 KM. breed was, leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het spreekt van zelf, dat
+zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen, en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze
+toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven
+bepalen; hij kiest zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier.
+Met de dorpelingen leeft hij op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden of vijfden dag ontneemt
+hij hun een Rund.
+
+</p>
+<p>Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de schade bepalen. Daar de Hindoes in &#8217;t geheel geen Runderen
+dooden, zijn er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren, die niemand voordeel aanbrengen, maar
+veeleer schade opleveren, omdat zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden zij nog het best besteed,
+wanneer zij als voedsel voor de Tijgers dienen.&#8212;Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de Herten en Zwijnen
+voeren, zou het in vele districten in &#8217;t geheel niet mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom zijn
+de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers,
+die hun als &#8217;t ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen, al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende,
+buitengewoon sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van <span class="smallcaps">Sanderson</span> neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om het lijk stonden: &#8220;Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig
+kwaad gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">De menscheneter</span> is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door
+ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje
+(vermoedelijk omdat dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een of andere wijze verminkt is en daarom
+niet meer op de gewone wijze aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en overmeesterd worden dan
+een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi neemt, zoodra
+hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder
+ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is, evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak
+en mager zijn.
+
+</p>
+<p>De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden heen
+gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen
+te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal,
+is hij even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij
+zeer goed te onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze beter dan de andere Tijgers de gebaren van
+den mensch begrijpt, is hij moeielijker te jagen. &#8220;Deze vreeselijke geesel&#8221;, schrijft <span class="smallcaps">Sanderson</span>, &#8220;voor de vreesachtige en ongewapende Indi&euml;rs wordt thans gelukkig zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort
+men bijna niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.
+
+</p>
+<p>&#8220;Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier,
+verdelgt. Men meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij het volk verbreide meening bestaat echter
+geen voldoende grond. Wel is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste veeroovers met alle mogelijke
+middelen op te sporen en te dooden; gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; <a id="d0e357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e357">92</a>]</span>zij hebben zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk geen Tijgers meer bestaan!&#8221;&#8212;Als ambtenaar belast
+met de vangst van Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman wegens zijn beroep in de wildernis te
+midden van de wilde dieren leven; hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten van Indi&euml; en is hierdoor
+beter dan de meeste menschen bevoegd om in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen te meer overwogen
+te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is, die tot deze slotsom geraakt. <span class="smallcaps">Sherwill</span> zegt ronduit: &#8220;De Bengaalsche Tijger is over &#8217;t algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat alleen boosaardig en gevaarlijk
+wordt, wanneer het gewond is. Zelden valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters komen in Bengalen
+nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta.&#8221; Ook <span class="smallcaps">Fayrer</span>, die voor &#8217;t overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent, verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de
+tijgerjacht niet vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.
+
+</p>
+<p>Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk
+was. Hij is een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indi&euml;) meer voordeel doet dan schade, en dat slechts in zeldzame
+gevallen het &#8220;toonbeeld van verschrikkelijkheid&#8221; wordt, waarvoor tot dusver alle leden van deze soort zonder onderscheid aangezien
+werden.
+
+</p>
+<p>Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld,
+n.l. door op een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met een verraderlijken sprong op het slachtoffer
+neer te storten. De goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij onverwachts plaats heeft. Een dier,
+dat door den Tijger beloerd of bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer verwijderde prooi tracht
+hij met snelle sprongen te bereiken, een vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote dieren, de spieren
+en peezen van de achterpooten door woedende slagen met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht geslagen
+en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit te komen, om het nogmaals te overvallen.
+
+</p>
+<p>De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt, in een schuilhoek te midden van de struiken of van
+het riet te sleepen; soms <span class="letterspaced">draagt</span> hij haar zelfs over een korten afstand. <span class="smallcaps">Sanderson</span> staat er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei
+struiken heen meer dan 300 schreden ver <span class="letterspaced">gedragen</span> heeft. Als hij niet gestoord wordt, vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,&#8212;volgens betrouwbare berichten ongeveer 30 KG.
+vleesch in &eacute;&eacute;n maal. Gewoonlijk begint hij aan een achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl hij
+zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft
+hij zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan &#8217;t waden is, den kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en
+gorgelend, alsof hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in slaap; hij wijdt zich met een zekeren
+wellust aan de spijsverteering en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of althans tusschen 4 en 9
+uur &#8217;s namiddags, keert hij naar zijn buit terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over is; want ook
+aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering nemen
+zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die
+in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op
+den vijfden dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer
+warm weder, aan alle zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden, en ook aan hunne wonden leden, gaven
+zij toch tot in hun laatste levensuur bewijzen van hun kracht.
+
+</p>
+<p>Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden.
+Allerlei soorten van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede diensten bewijzen. Vroeger werd midden
+in zulk een kuil, die later met takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte paal in den grond geslagen;
+maar nadat een ongelukkige wandelaar den dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik ervan in de
+nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men, naar <span class="smallcaps">Haszkarl</span> mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door
+het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende
+trekt hij aan een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op Sumatra stellen de inboorlingen, volgens
+<span class="smallcaps">H. O. Forbes</span>, een lans, die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk een wijze, dat het wapen met groote kracht
+door het lichaam van het dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van het dorp wil kruipen en daarbij
+tegen een touw drukt. In Assam legt men, naar <span class="smallcaps">O. Flex</span> verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij aanraking
+van het toestel in &#8217;t lichaam doordringt, en zelfs bij de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen
+als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas
+zich bevindt, automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls
+gebruik gemaakt van strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen; dit vergif werkt echter, naar men zegt,
+niet meer, als het hiermede vergiftigde vleesch begint te verrotten.
+
+</p>
+<p>Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van
+de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral
+het vet, waarvan het dier gemiddeld 4 &agrave; 6 Liter bevat, en dat door de inboorlingen van Indi&euml; beschouwd wordt, als dienstig
+tegen rheumatiek en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch gegeten. <span class="smallcaps">Jagor</span> verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet
+en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen,
+maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door
+<a id="d0e396"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e396">93</a>]</span>Aziatische en Europeesche dames als sieradi&euml;n gedragen. Het vel wordt, met de een of andere looistof toebereid en met een
+middel tot wering van de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van Europeanen of Chineezen. De Kirgisen
+schatten het hoog en versieren er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens <span class="smallcaps">Lomer</span>, een tijgervel thans een waarde van 700 &agrave; 800 gulden, wanneer het zich door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt.
+
+
+</p>
+<p>De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld
+ongeveer drie maanden v&oacute;&oacute;r het begin van de lente in. In zuidelijke landen is de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden,
+zooals blijkt uit waarnemingen, die vooral in Indi&euml; verricht zijn. Omstreeks 100 &agrave; 105 dagen later brengt het wijfje 2 &agrave; 3,
+somtijds 4, ja zelfs, naar men zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of 6 jongen, op een ontoegankelijke,
+dicht met planten begroeide plaats ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een Huiskat en, evenals
+alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan, als zij
+in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt,
+strekt zij hare strooptochten verder uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonge Tijgers,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Sanderson</span>, <a id="d0e408"></a><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>zien er allerliefst uit en zijn buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat zij een maand oud
+zijn en voordat zij met het leven in de wildernis en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij niet
+meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel
+en geven door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen, als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch
+begint te voeden, willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij ook zijn mogen, voor den melkpot den
+neus op. Het is mij voldoende gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw vleesch verwilderen, ongegrond
+is. Waar is het, dat zij alleen bij gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende hoeveelheid krijgen,
+kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en kracht;
+men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was;
+zij speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die
+op deze wijze opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk
+gevoederd worden. Ik had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in mijn slaapkamer te slapen. Nadat
+ik ingeslapen was, sprong hij niet zelden bij mij in &#8217;t bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem hiervoor stompte en
+weer uit het bed wierp.&#8221;
+
+</p>
+<p>In den laatsten tijd heeft men ook dikwijls Tijgers gedresseerd. Zeer dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok
+te gaan, en met hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit blijft echter altijd een gevaarlijke zaak.
+Als een echte Kat, toont de Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen; ook beantwoordt hij wel
+liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel staat te maken;
+waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling welgevallen,
+die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn kwaadaardigheid,
+dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze
+Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem
+aandoen wil, hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het onmogelijke vergen.
+
+</p>
+<p>Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten
+en Buffels. <span class="smallcaps">Tachard</span> zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van pantser
+bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot
+de grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen, kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met
+de slurf op den rug, zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem losgemaakt had, sprong hij op,
+brulde en wilde zich op de slurf van den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige dier, dat gelijktijdig
+den Tijger een stoot gaf met de slagtanden, waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen aanval
+meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op, alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen.
+Ten slotte dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood
+bleef liggen en zijne aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd, zouden de woedende Dikhuidigen
+hem zeker gedood hebben.
+
+</p>
+<p>De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts
+weinig van hem. <span class="smallcaps">Nearchos</span>, een veldheer van <span class="smallcaps">Alexander</span> <span class="letterspaced">den Grooten</span> had wel is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf; de Indi&euml;rs wisten hem echter te verhalen, dat het
+zoo groot was als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en kracht overtrof. Eerst <span class="smallcaps">Strabo</span> maakt eenigszins uitvoeriger melding van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan <span class="smallcaps">Varro&#8217;s</span> tijd (111&#8211;26 v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan het rijk der Parthen uitbreidden, leverden
+deze hun ook Tijgers, die naar Rome werden gebracht. <span class="smallcaps">Plinius</span> schrijft, dat <span class="smallcaps">Scaurus</span> (in het jaar 11 v. C.) voor &#8217;t eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten zien. <span class="smallcaps">Claudius</span> had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome, en <span class="smallcaps">Heliogabalus</span> spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus zich aan het volk vertoonde. <span class="smallcaps">Avitus</span> eindelijk liet in een schouwspel vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten&#8212;waarvan
+een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde&#8212;zijn uitgestorven. Een Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende
+Kat&#8212;de <span class="letterspaced">Nevelpanter</span> (<i>Felis nebulosa</i>), de <span class="letterspaced">Harimau dahan</span> (&#8220;Boomtijger&#8221;) der Maleiers&#8212;komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine pooten, den kleinen zeer stompen kop met
+de afgeronde <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">94</a>]</span>ooren en de lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den Koningstijger herinnert, dezen het meest
+nabij. Hij is echter niet alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de in &#8217;t oog loopend korte pooten
+en den staart, die even lang is als &#8217;t lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw of bruinachtig
+grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is, zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het onderlijf
+zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken zich
+drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden
+zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken
+met hoekigen zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart
+met grijze vlekken. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 &agrave; 92 cM. Het verbreidingsgebied van dit
+dier is vrij uitgestrekt; het omvat het geheele Zuid-oostelijke Azi&euml; met de Groote Soenda-eilanden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1094.jpg" alt="Nevelpanter (Felis nebulosa). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="489"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Nevelpanter</span> (<i>Felis nebulosa</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet
+men hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren,
+dat hij in &#8217;t geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten
+buit vallen, moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde
+Nevelpanter bevond zich in de Londensche diergaarde&#8212;een prachtig, tam, lief dier, waarmede de oppasser omging, alsof het een
+goedaardige Huiskat was. Ik ken, behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Dat de <span class="letterspaced">Wilde Kat</span> of <span class="letterspaced">Boschkat</span> (<i>Felis catus</i>) de stammoeder van onze Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht, wegens het groote verschil,
+dat er tusschen deze dieren bestaat. Door andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een gevolg van de domesticatie,
+d. i. als een gevolg van de veranderde omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van jaren, die er verloopen
+zijn<a id="d0e490"></a><span class="corr" title="Bron: .">,</span> sedert het een huisdier is geworden. Al dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere lichaamsbouw
+en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter,
+de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart
+van de Wilde Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel tot de spits, en hier als &#8217;t ware afgehakt
+of afgeknot; bij de Huiskat echter wordt hij van &#8217;t midden tot de spits allengs dunner. Bij de Huiskat is hij v&oacute;&oacute;r de zwarte
+spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een overlangsche, donkere
+streep, van onderen alleen aan de achterste helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij elkander
+komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte
+spits drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft geteekend met vier smallere en minder duidelijke
+ringen, die zich niet over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5 maal, bij de <a id="d0e493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e493">95</a>]</span>Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.
+
+</p>
+<p>Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de
+onbehaarde ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid &eacute;&eacute;n, en achter deze een groote, van voren tweelobbige, van
+achteren drielobbige bal, waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de onbehaarde of weinig behaarde
+deelen van het aangezicht (van oogleden, neus en lippen) zijn voor &#8217;t meerendeel zwart; de binnenzijde van het oor is echter
+rood- of geelachtig wit.
+
+</p>
+<p>De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt, bij 35 &agrave; 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 &agrave; 120
+cM., waarbij 30 &agrave; 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus &#8531;
+grooter dan de Huiskat.
+
+</p>
+<p>De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs, soms zwartachtig, bij &#8217;t wijfje heeft zij een meer geelachtige tint;
+het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het
+voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin; de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat
+zij in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen begint de zwarte streep, die zich over het midden van den
+rug en de bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen
+uit, die een weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte
+vlekken gestippeld; de pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend, hun kleur wordt in de nabijheid van
+de teenen geler; de binnenzijde van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies (van het oog) is geel;
+over dag is de pupil spleetvormig.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1095.jpg" alt="Wilde Kat (Felis catus). &#8533; v. d. ware grootte." width="512" height="508"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wilde Kat</span> (<i>Felis catus</i>). &#8533; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering van het hooge noorden van Skandinavi&euml; en Rusland. In Duitschland
+is zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt
+zij, van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen
+ten naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen
+begroeide Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig,
+in Frankrijk, in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men heeft haar niet eens in Groot-Britanni&euml;
+geheel kunnen uitroeien. Voor zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar verbreidingsgebied zich
+niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgi&euml; (Grusia) waargenomen;
+haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral in
+donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige <a id="d0e513"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e513">96</a>]</span>woudstreken geeft zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste schuilplaatsen verschaffen. Bovendien
+bewoont zij holen van Dassen en Vossen of groote holen in dikke boomen.
+
+</p>
+<p>Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders
+altijd alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen levensonderhoud te jagen.
+
+</p>
+<p>Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig,
+onhoorbaar naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met
+de list, die aan alle Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in zijn leger en het Konijn v&oacute;&oacute;r zijn
+hol, misschien ook het Eekhoorntje op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de halsslagaders door. Als
+zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in dit opzicht
+is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine
+Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan: een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge
+Ree&euml;n en Edelherten overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de oevers van meren en beken loert zij
+ook op Visschen en watervogels, en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk wordt zij in wildparken,
+het schadelijkst nog in fazantentuinen.
+
+</p>
+<p>In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over &#8217;t algemeen een gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt,
+even bloeddorstig is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan ook door de jagers fel gehaat en zonder
+genade vervolgd; want geen jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen aanbrengt, van eenige beteekenis.
+Hoeveel van deze schadelijke dieren zij vernielt, kan blijken uit een bericht van <span class="smallcaps">Tschudi</span>, inhoudend, dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen gevonden heeft. De drek van zulk een dier,
+die door <span class="smallcaps">Zelebor</span> onderzocht werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel,
+Hamster, Kat, Water-, Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en
+boschvogels. Kleine Zoogdieren vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en, daar onder deze de Muizen
+veelvuldiger zijn dan alle overige, is het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt, werkelijk grooter
+is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen, mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende wijze
+samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige;
+haar werkzaamheid bevoordeelt <span class="letterspaced">niet</span> onze jacht, maar wel onze bosschen.
+
+</p>
+<p>De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als &#8217;t ware hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk
+op drijfjachten gedood. &#8220;De grootste moeite kost het,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Zelebor</span>, &#8220;een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke
+handschoenen beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten noodig, om de Kat er uit te trekken en
+in een zak te steken.&#8221; Ik moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig voorkomt, daar alle andere
+berichten hierin overeenkomen, dat met een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. <span class="smallcaps">Winckell</span> geeft den jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede schot niet te sparen, indien het eerste niet
+onmiddellijk den dood veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer weg kan komen, en haar ook dan nog
+door eenige flinke tikken op den neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich verder met haar bemoeit.
+Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in &#8217;t nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. &#8220;Neem u wel in acht, schutter,&#8221;
+schrijft <span class="smallcaps">Tschudi</span>, &#8220;en tracht het beest goed te raken! Als de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak dorstend op,
+nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt
+op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch, liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken
+kan, en zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt,
+dikwijls vrijwillig van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls
+scheuren in de huid, heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich met de hardnekkigste woede, zoolang
+er nog een vonkje van haar taai leven over is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig <span class="letterspaced">verwilderde</span> Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter
+nimmer de grootte van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid,
+betreft, staan zij niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij, ingeval hare voorouders gedurende vele
+opeenvolgende geslachten in &#8217;t wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en teekening op haar Afrikaanschen
+stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht der verwilderde
+voorouders was. Alleen ontbreken haar de als &#8217;t ware afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der
+zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden
+te doen.
+
+</p>
+<p>De stammoeder van onze Huiskat, de <span class="letterspaced">Nubische Kat</span> (<i>Felis maniculata</i>), werd door <span class="smallcaps">R&uuml;ppell</span> ontdekt in Nubi&euml; aan de westzijde van den Nijl, bij Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen met
+boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel Soedan, in Abessini&euml;, in het diepste binnenland van Afrika
+en ook in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den hieronder begrepen staart is een weinig meer dan
+25 cM. Dit zijn wel is waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar toch komen zij die van &#8220;Poes&#8221;
+tamelijk nabij. Ook door de teekening van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van onze Huiskat.
+
+</p>
+<p>De mummi&euml;n van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische
+bouwvallen voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt te blijken, dat zij het was, die door de oude
+Egyptenaars als huisdier werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit het zuiden <a id="d0e559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e559">97</a>]</span>van Nubi&euml; naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabi&euml; en Syri&euml;, later over Griekenland en Itali&euml; naar het westen en noorden
+van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1097.jpg" alt="Huiskat (Felis maniculata domestica). &#8533; v. d. ware grootte." width="512" height="427"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huiskat</span> (<i>Felis maniculata domestica</i>). &#8533; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens,
+die <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor
+dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke
+vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat
+in den eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde doel, als waarvoor deze dient, half of geheel
+getemde Nubische Katten, die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten tijd zoozeer getemd worden,
+dat zij zich aan de woning gewennen en in de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen, die hier buitengewoon
+talrijk zijn.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>&#8220;De Kat,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Ebers</span> in zijn &#8220;Egyptische Konings-dochter&#8221;, &#8220;was waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de Egyptenaars vereerden.
+Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen in den reuk
+van heiligheid. <span class="smallcaps">Herodotus</span> verhaalt, dat de Egyptenaars, als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten, voordat hun Kat gered was,
+en dat zij als bewijs van rouw zich de haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde, werd, onverschillig
+of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. <span class="smallcaps">Diodorus</span> bericht als ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die een Kat gedood had, van het leven beroofden,
+hoewel de gezaghebbenden, om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan, om het volk tot bedaren te
+brengen. De lijken der Katten werden op kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde dieren zijn
+er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars,
+en niet door de oude Indi&euml;rs of door de Noordsche volken, getemd werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze
+temming door afbeeldingen, opschriften en mummi&euml;n bepaalde berichten; de geschiedenis van de andere volken levert in dezen
+niet eens steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening wordt mijns inziens ook nog ondersteund door
+het feit, dat men in de begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummi&euml;n vindt, maar ook van den Moeras-Los; wijl hierdoor
+het bewijs wordt geleverd, dat men ten tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend met de vangst
+en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde Katten bezig hield. V&oacute;&oacute;r den tijd van <span class="smallcaps">Herodotus</span> komt de naam van de Kat bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit, dat deze naam door latere
+Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam verbreid heeft.
+De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet
+men o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet <span class="smallcaps">Mohammed</span> is geweest. In het noorden van Europa was zij v&oacute;&oacute;r de 10e eeuw bijna in &#8217;t geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten
+van Wales bevat een verordening, waarin <a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">98</a>]</span>de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen, waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd, vastgesteld
+zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang, omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer
+kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt
+mag worden; want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge
+dieren van deze soort, als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.
+
+</p>
+<p>Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste
+gedeelten der wereld en, naar <span class="smallcaps">Tschudi</span> bericht, van den hoogsten gordel der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de geheele wereld rond,
+ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts; overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch, van
+zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van beginnende beschaving.
+
+</p>
+<p>Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan
+den mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht
+aan het <span class="letterspaced">gezin</span>, hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter wordt haar gehechtheid aan het <span class="letterspaced">huis</span>, waarin zij groot gebracht werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en huiselijk wordt. Waar zij
+aan zich zelf overgelaten is, komt het niet zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich in de bosschen
+begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij &#8217;t begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere woning
+terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende haar verblijf in &#8217;t bosch ter wereld bracht. Het komt echter
+vooral in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in &#8217;t geheel niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer
+zij in zijn woning is teruggekeerd. Zoo leiden, naar <span class="smallcaps">Rengger</span> mededeelt, de Katten in Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk verwilderde Katten in de bosschen
+voor; zelfs zijn zij verdwenen uit de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken achtergelaten werden.
+
+
+</p>
+<p>Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen
+kan. Zij is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig;
+haar behendigheid is waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes,
+welker klauwen zorgvuldig teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar is. Bij elken stap openbaart
+zich de haar eigen beweeglijkheid en deze gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen <a id="d0e617"></a><span class="corr" title="Bron: wannneer">wanneer</span> zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel
+opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt,
+omdat zij met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken en elke hooggelegen plaats weet te bereiken.
+Zij klimt gemakkelijk en behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen zijn of uit een zachte specie
+bestaan), door er zich met hare klauwen aan vast te haken<a id="d0e620"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> In &#8217;t vrije veld loopt zij niet bijzonder snel; zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote behendigheid
+openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten
+te recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat
+die ik met den rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een stoel losliet, zoo te doen vallen, dat
+zij met den rug het voorwerp bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en staat dan geheel ongedeerd
+en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend voorwerp
+bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te
+begrijpen, omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt en hierdoor de richting van den val regelt.
+Zij kan ook zwemmen, maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de onaangename noodzakelijkheid verkeert,
+zich uit het water te moeten redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een zeer zeldzame uitzondering
+op den regel; met ware angstvalligheid vermijdt zij zelfs den regen. (<span class="smallcaps">Haacke</span> kende evenwel een Kat, die in een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)&#8212;Zij zit, evenals de Hond, op haar achterdeel,
+en ondersteunt dan het voorste deel van het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen en gaat op de
+eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen,
+dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi, waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt.
+Van zulk een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.
+
+</p>
+<p>Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat
+de reuk het minst ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht zoo voor te leggen, dat zij het slechts
+door den reuk kan vinden. Zij nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den kop zoo vele malen heen
+en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen, gebruikt zij
+hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen
+houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden, v&oacute;&oacute;r zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt
+het duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook, aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop
+terugtrekt. Het tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig
+is uitmuntend. Zij ziet evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken voor het zien bij licht van verschillende
+sterkte, d. i. zij kan deze opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer vergrooten, dat het zintuig
+haar zoowel in &#8217;t eene als in &#8217;t andere geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het gehoor bovenaan;
+het is buitengewoon scherp. <span class="smallcaps">Lenz</span> verhaalt, dat een in de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong naar een Muis, die, zonder dat
+zij door het katje gezien kon worden, van den eenen struik naar den anderen <a id="d0e631"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e631">99</a>]</span>liep over een gladden, steenen vloer, waarop zij natuurlijk in &#8217;t geheel geen voor ons waarneembaar gedruisch veroorzaakte.
+Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch,
+arglistig dier, en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een onoverwinnelijken afschuw van haar. In
+den regel vergelijkt men haar met den Hond, waarmede zij in &#8217;t geheel niet vergeleken mag worden; omdat men bij haar niet
+dadelijk diens eigenschappen vindt, bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van te voren als een
+wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig beoordeeld.
+Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met
+de onderstaande, door <span class="smallcaps">Scheitlin</span> gegeven karakterschets, die, hoe men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient wegens haar oorspronkelijkheid,
+en naar het mij voorkomt, zich door een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van den aard der Kat onderscheidt:
+&#8220;De Kat is een edel dier. Reeds uit haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief leeuwtje, een tijger
+in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan haar reeds de geringste
+afwijking van den regel in het oog. Alles is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit de beschouwing
+van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en verraadt
+een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige, golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met
+scherpe hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. &#8217;t Is alsof zij geen beenderen heeft en uit niets anders dan een
+zachte stof bestaat. Groot en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het doen van zintuigelijke waarnemingen.
+Wij schatten de Katten gewoonlijk veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen, haar vijand, den Hond,
+hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als &#8217;t ware uit &eacute;&eacute;n
+stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij, met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte
+slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht bij &#8217;t loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer
+deze krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid;
+zonder ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste
+orde liggen; om de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten en strijkt zich vervolgens hiermede over
+den kop, zelfs de spits van den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in een door haar zelf in den
+grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en is hiervoor
+geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke zenuwen heeft.&#8212;Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden van
+kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt.
+Zij heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er partij van. In de geheele buurt&#8212;in alle huizen, kamers,
+kelders, onder alle daken, op alle hout- en hooizolders&#8212;is zij op bekend terrein. Zij is een echt <span class="letterspaced">huis</span>dier, meer gehecht aan het huis dan aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert weer naar &#8217;t oude huis
+terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond
+bespeurt, krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden
+moed, gepaard aan een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien wil zij weg, den vijand ontvluchten,
+en springt daartoe, als zij in de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien zij echter jongen heeft,
+dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert, vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem erbarmelijk
+in de oogen, in &#8217;t aangezicht. Als in dezen tijd een Hond haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen
+op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam
+kan zij met hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al komen vijf of meer Honden haar insluiten,
+op haar aanspringen, toch wijkt zij niet. Met &eacute;&eacute;n sprong zou zij gemakkelijk over hen heen kunnen komen, maar weet, dat zij
+dan verloren zou zijn, want de Hond kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben, eindelijk weggaat,
+blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af en weerstaat
+hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste, gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid
+en tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de
+Paarden, maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed; men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering
+brengen. Men spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig wacht zij doodstil voor het muizengat;
+listig kruipt zij ineen, wacht lang,&#8212;het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van de Kat fonkelen, toch bedwingt
+zij zich. Zij is zich zelf meester, evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate; zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid;
+zij verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf.
+Als zij flink uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en komt weinig minuten later met onbezwaard
+gemoed terug. Toch gevoelt zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na voor de eerste maal haar bekwaamheid
+in het muizenvangen getoond te hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en aan de menschen te laten
+zien. Zij komt dan ook later met haar buit in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.
+<a id="d0e649"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e649">100</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk.
+Als iemand haar uitmuntend bevalt&#8212;want zij kan innig liefhebben en ook innig haten&#8212;, strijkt zij dikwijls haar wang en hare
+zijden langs de wang en de zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen, springt &#8217;s morgens vroeg op zijn
+bed, kruipt zoo dicht mogelijk tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen vertrouwen. Zij bijten
+en krabben dikwijls, wanneer men dit in &#8217;t geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel worden zij tot
+dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar maar al te dikwijls in &#8217;t geniep plaagt, zonder dat zij den plager
+weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet
+goedaardig is, niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame uitzonderingen, en zulke zijn er onder
+de Honden ook, ofschoon nog veel zeldzamer. De uitdrukking &#8216;valsche hond&#8217; is immers spreekwoordelijk geworden, waar het een
+man geldt, evenals de benaming &#8216;valsche kat&#8217; voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt, hebben dezen
+invloed ook op de meest volkomen dieren.&#8221;<a id="d0e652"></a><span class="corr" title="Bron: &#8212;"></span>
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in &#8217;t einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede
+maal in &#8217;t begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 &agrave; 6 jongen ter wereld, die blind geboren worden en niet v&oacute;&oacute;r
+den negenden dag leeren zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het begin van Mei plaats, de tweede
+in het begin van Augustus. Vooraf zoekt de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of niet gebruikte
+bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen, vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.
+
+</p>
+<p>De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor
+de nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra
+zij voor hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen, bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig,
+dat de poesjes er nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost alleen, om voedsel te halen. Vele
+Katten weten met hare eerste jongen niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten eerst aangegeven
+worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen,
+is een uitgemaakt feit.
+
+</p>
+<p>Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan,
+en zelfs haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten
+opzichte van andere dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden van bekend, dat zoogende Katten
+jongen van Honden, Vossen, Konijnen, Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten; ik zelf heb als
+knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed
+was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen, een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde
+kind onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne
+af met een echt moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef,
+nadat deze reeds weggegeven waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling met verdubbelde liefde te beschouwen.
+Er ontstond tusschen de beide dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind begrepen elkander volkomen,
+de Kat riep op de haar eigen wijze, het Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het zijn pleegmoeder
+door het geheele huis en later ook in den tuin na.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer
+zij goed en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan den mensch. Er zijn Katten&#8212;ik zelf heb er eenige
+gekend&#8212;, die reeds verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere verhuisd zijn, zonder dat het haar
+in de gedachten kwam naar de oude woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in dit geval meer waarde
+heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe, vleien
+en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij
+zeer goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden, en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk
+veel welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters
+op een zeer aardige wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb twee Katers gekend, die zelfs de gasten
+van haar meesteres op hoogst beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 &agrave; 15 minuten lang met hen medegingen, dan echter na liefkoozingen
+en een welwillend gespin afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met menschen, maar ook met dieren vriendschap.
+Vele voorbeelden van de innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak met de welbekende spreekwijze.
+
+
+</p>
+<p>Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het
+jaar 1859 had onze Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht en daar zorgvuldig voor aller oogen
+verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept en loopt naar de deur,
+alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op den hooizolder,
+komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop hooi.
+De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek, dat de Kat bijna in &#8217;t geheel geen zog meer had, en nadenkend
+over een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest, om hare meesters met de zorg voor haar kroost te
+belasten.
+
+</p>
+<p>Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd
+wordt, de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten
+en te verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt.
+Wie nooit in een bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust rondspoken, weet in &#8217;t geheel niet,
+wat het zegt, <a id="d0e666"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e666">101</a>]</span>een goede Kat te hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder &eacute;&eacute;n dak gewoond en gezien heeft, hoe volkomen machteloos
+de mensch tegenover hen is, als men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze afschuwelijke Knaagdieren
+ge&euml;rgerd heeft, dan komt men langzamerhand tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste huisdieren is, en
+derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming, maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. <span class="letterspaced">Reeds de aanwezigheid van een Kat is voldoende</span>, om de overmoedige Knaagdieren van streek te brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat hen
+van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel, dat hen in den nek pakt, v&oacute;&oacute;r zij nog iets van zijn komst
+gemerkt hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis;
+doen zij het niet, dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.
+
+</p>
+<p>Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen, zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel
+niet alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij, althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze
+echter niet op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden
+is, laat zij ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers, Sprinkhanen en andere Insekten eet zij
+tot afwisseling. Bij haar jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals alle leden van de Roofdieren-orde,
+maakt ook zij zich trouwens wel eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog jong en hulpbehoevend
+is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook wel op
+de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden
+tot ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast
+plundert, zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de waarde van de diensten die de Kat ons bewijst,
+echter veel grooter dan de schade, die zij aanricht.
+
+</p>
+<p>Van de <span class="letterspaced">Kat</span> (<i>Felis maniculata domestica</i>) bestaan weinig verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest voor: Effen zwart met een witte vlek midden
+op de borst; effen wit, lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde kleur getijgerd; effen blauwachtig
+grijs; lichtgrijs met donkere strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig bruine en koolzwarte (of grijze)
+vlekken. De blauwgrijze Katten zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen; de echte moeten echter zwarte
+teenkussens en aan de achterpooten zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met donkergrijze of zwartachtig
+bruine dwarsstrepen als een Tijger geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die op sommige plaatsen
+voor heksen aangezien en daarom gedood worden, bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Angora-kat</span> (<i>Felis maniculata domestica angorensis</i>) wordt bijna algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord; zij is een der fraaiste Katten die er bestaan;
+zij onderscheidt zich door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit, geelachtig, grijsachtig of ook wel
+gemengd van kleur is; de lippen en de zolen zijn vleeschkleurig.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een enkele blik op het lichaam van den <span class="letterspaced">Leeuw</span>, op de uitdrukking van zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken, die dit dier leerden kennen,
+van ganscher harte te doen deelen. De <span class="letterspaced">Leeuw</span> is de &#8220;koning&#8221; van de viervoetige roofdieren, de heerscher in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich
+met het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw:
+de geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Leeuwen</span> kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk
+gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige
+aangezicht, in den koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in den kwast die het einde van den staart
+versiert. In vergelijking met de andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het geheele lichaam hierdoor
+zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die reeds door
+<span class="smallcaps">Aristoteles</span> werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde pupil, de
+snorren zijn op 6 &agrave; 8 reeksen geplaatst. De mannelijke Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche,
+koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte
+van de borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar&#8212;te recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist
+laten&#8212;verscheidene onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende afwijkingen zullen hieronder in &#8217;t kort
+beschreven worden; daarna moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een oordeel te vormen. In de eerste
+plaats vestigen wij onze aandacht op den <span class="letterspaced">Leeuw van Barbar&#307;e</span>, want hij is het, die sinds overouden tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en lichaamskracht, dapperheid
+en heldhaftigheid, door zijne adel en grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den naam van &#8220;koning
+der dieren&#8221; heeft gekregen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Leeuw van Barbar&#307;e</span> (<i>Felis leo barbarus</i>) heeft, evenals zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks voorste gedeelte wegens de breede borst
+en de versmalde liesstreek veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna vierhoekige kop verlengt zich
+tot een breeden en stompen snuit, de ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar levendig en vurig,
+de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig, de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook wel naar
+evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten
+doorn, die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur
+bedekt het aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of
+zijn geheel en al zwart, en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn door dichte manen omgeven.
+Ook de benedenzijde van den romp is in het midden over haar geheele lengte met <a id="d0e720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e720">103</a>]</span>lange, dicht bijeengeplaatste, sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de voorste gedeelten der dijen
+staan minstens nog eenige vlokken van zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte in de schoften
+80 &agrave; 100 cM., bij 1.6 &agrave; 1.9 M. lichaamslengte en 75 &agrave; 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele lengte
+van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot aan de spits van den staart omstreeks 2.4 &agrave; 2.8 M. is. Pas geboren
+Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed
+bedekt; dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en aan den staart een teekening, die den in &#8217;t
+vergelijken van dieren geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze teekening verbleekt reeds in het
+eerste levensjaar, hoewel zij, vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan de pooten en aan de onderzijde
+van het lichaam zichtbaar blijft. De Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral door de beharing
+onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het lichaam
+een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het Atlas-gebergte en naburige gewesten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1102.jpg" alt="Kaapsche Leeuw en Leeuwin (Felis leo capensis)." width="363" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kaapsche Leeuw</span> en <span class="letterspaced">Leeuwin</span> (<i>Felis leo capensis</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Senegal-Leeuw</span> (<i>Felis leo senegalensis</i>) verschilt van de zooeven genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende buikmanen; de manen aan &#8217;t
+voorste gedeelte van &#8217;t lichaam zijn goed ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Kaapsche Leeuw</span> (<i>Felis leo capensis</i>), en, naar het schijnt, ook die van Abessini&euml;, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft donkere manen. Het verbreidingsgebied
+van den Senegal-Leeuw en van den Kaapschen Leeuw&#8212;die misschien tot dezelfde ondersoort behooren&#8212;omvat alle landen van Middel-
+en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de oostkust en van ongeveer 20&deg; N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den Blauwen en
+Witten Nijl en in Abessini&euml; in boschrijke streken geregeld, in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Perzische Leeuw</span> (<i>Felis leo persicus</i>), die bleek isabelkleurig is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte haren bestaan, is van Perzi&euml;
+tot Indi&euml; verbreid; wij kennen hem nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de Senegal-Leeuw dan wel
+met die van Guzerate grootere overeenkomst vertoont.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Leeuw van Guzerate</span> (<i>Felis leo guseratensis</i>), zoo genoemd naar een gebied in V&oacute;&oacute;r-Indi&euml;, heet ten onrechte ook wel &#8220;Manenlooze Leeuw,&#8221; en is ook niet altijd kleiner
+dan zijne verwanten, zooals vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en al vaal roodachtig geel of
+geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde, dicht bij
+hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.
+
+</p>
+<p>De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend
+jaren achter ons. Sedert dien tijd heeft de &#8220;koning der dieren&#8221; zich voor den &#8220;beheerscher der aarde&#8221; meer en meer teruggetrokken.
+De mensch bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot nu, verder en verder terugdringen en eindelijk
+geheel vernietigen. De Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten van Afrika verbreid en kwam in Egypte
+niet veel minder veelvuldig voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van de bevolking en de toenemende
+beschaving werd hij echter allengs verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer voorkomt en in nagenoeg
+geen enkele kuststreek van de Middellandsche Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algeri&euml; en Marokko niet
+zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen geen ongewone verschijning. Vooral in <a id="d0e769"></a><span class="corr" title="Bron: Alegeri&euml;">Algeri&euml;</span> is het aantal Leeuwen sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen met de Arabieren zijn zij verdrongen;
+de Fransche leeuwenjagers, van welke <span class="smallcaps"><a id="d0e773"></a><span class="corr" title="Bron: Julles">Jules</span> G&eacute;rard</span> vooral vermelding verdient, hebben hunne rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden: de inboorling
+van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een geweer
+gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen
+mensch meer en meer teruggedrongen.
+
+</p>
+<p>De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika
+zijn eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel met andere dieren van zijn soort strijd te voeren.
+In Zuid-Afrika komt het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote jacht-expedities. Volgens <span class="smallcaps">Livingstone</span> zwerven troepen van 6 &agrave; 8 stuks gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen zij tot nog talrijker
+troepen bijeen. <span class="smallcaps">Selous</span>, wiens berichten uit den laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: &#8220;In het binnenland van Zuid-Afrika treft men troepen
+van 4 <a id="d0e785"></a><span class="corr" title="Bron: &aacute;">&agrave;</span> 5 Leeuwen, die te zamen jagen, veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individu&euml;n; troepen van 10 <a id="d0e788"></a><span class="corr" title="Bron: &aacute;">&agrave;</span> 12 stuks zijn niet zeldzaam.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken
+met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken,
+onverschillig of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger;
+hij rust hier &eacute;&eacute;n of meer dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan vestigt hij zich het liefst
+in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de oevers der stroombeddingen,
+die slechts gedurende een deel van het jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes van doornstruiken.
+Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar, waar de morgen hem verrast.
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van
+deze. Hij is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet van groote strooptochten, maar tracht het
+zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Volgens de ervaringen van <span class="smallcaps">Selous</span>, wil de Zuid-Afrikaansche Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld is, dan het zelf te dooden.
+Om dezelfde reden volgt hij elders, in Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook trekken. Hij
+begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen,
+<a id="d0e798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e798">104</a>]</span>en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen.
+
+</p>
+<p>Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen,
+maar ziet hem alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven.
+In de nabuurschap van de dorpen komt hij niet v&oacute;&oacute;r het derde uur van den nacht. &#8220;Drie maal,&#8221; zeggen de Arabieren, &#8220;kondigt
+hij door gebrul zijn komst aan, en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan.&#8221; Deze goede meening berust ongelukkig
+op zwakke grondslagen; want zoo vaak ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat hij zonder gedruisch
+te maken naar het dorp was geslopen, en het een of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de Leeuw
+zeer dikwijls zachtjes nadersluipt &#8220;als een dief in den nacht.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1104.jpg" alt="Senegal-Leeuwin (Felis leo senegalensis). 1/14 v. d. ware grootte." width="512" height="479"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Senegal-Leeuwin</span> (<i>Felis leo senegalensis</i>). 1/14 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen, onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring
+geven van iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul geen waarschuwing is aan de dieren, die
+de Leeuw als prooi verlangt, maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de dieren tot vluchten te nopen
+en ze hierdoor toe te voeren aan den een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren, dan misschien aan
+zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die tot
+berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik
+zal trachten een dergelijken rooftocht te beschrijven.
+
+</p>
+<p>Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de &#8220;seriba&#8221; gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke,
+uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa&#8217;s samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien
+hij maken kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep
+waakzame Honden houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt; de vrede van den nacht daalt op de legerplaats
+neder. Vrouw en kind van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De mannen hebben hunne laatste bezigheden
+verricht en zijn ook van plan hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten de langstaartige Geitenmelkers
+hun nachtlied hooren, of dragen vliegend hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de seriba en ijlen
+als geesten over de slapende kudde heen. Overigens is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar toch
+niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.
+
+</p>
+<p>Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam &#8220;<span class="letterspaced">Essed</span>,&#8221; d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen
+als zinneloos tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende Runderen dringen tot een verwarde troep
+bijeen, de Kameel tracht, omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te verbreken, en de moedige Honden
+die Luipaarden en Hyena&#8217;s bevochten, huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een geweldigen sprong is
+de machtige vijand over den muur van doornen geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag met zijne
+vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier.
+Dof brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen van roofgierigheid <a id="d0e821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e821">105</a>]</span>en van blijdschap over de behaalde zege; met den staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende dier
+los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint
+hij den terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht
+noodig om met het Rund in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel: ik heb een meer dan manshooge
+seriba gezien, waarover een Leeuw met een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel waargenomen,
+achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil
+in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag, voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die
+door het voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi
+verscheurd heeft.
+
+</p>
+<p>Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen, vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet
+echter niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn
+een langgerekte toon, gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of gebrom; schrik wordt te kennen
+gegeven door een kort gekuch, dat als &#8220;Hoef&#8221; of &#8220;Wau&#8221; klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden; menigeen, die
+zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden, heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier.
+Men zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn soort en wordt, wat volheid van klank betreft,
+door de stem van geen ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> opmerkt, door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden het zeer eigenaardig aan door het woord, &#8220;ra&auml;d&#8221;,
+d. i. donderen. Diep uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze zal barsten.
+
+</p>
+<p>Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt,
+zij het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op; de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen
+vol angst tot in de hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken; de blatende kudde houdt zich doodstil;
+de beladen Kameel siddert, gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last en zijn berijder af en tracht
+zich door een snelle vlucht te redden; het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug; de niet aan de jacht
+gewende Hond zoekt huilend bescherming bij zijn meester.
+
+</p>
+<p>De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen, zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt
+dan zijne rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral
+omdat hij bij zijne plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. &#8220;Als de Leeuw te oud wordt, om op het wild jacht
+te maken,&#8221; bericht ook <span class="smallcaps">Livingstone</span>, &#8220;begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze
+hem ten prooi vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren; als een van deze gevaarlijke Roofdieren
+in een dorp is doorgedrongen en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn afgesleten; hij zal nu
+spoedig een mensch dooden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit
+hem op tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te ontkomen. Daarom beloert hij de in &#8217;t wild levende
+dieren, of besluipt hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap van andere dieren zijner soort; hij wacht
+hiervoor volstrekt niet altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch zijn zulke jachten gedurende
+den dag altijd uitzonderingen op den regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de schemering uit. De wilde
+kudden volgt hij op hare reizen, evenals de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de nabijheid van de
+meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren van
+de wildernis hun dorst lesschen.
+
+</p>
+<p>Volgens <span class="smallcaps">Livingstone</span> pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint te verslinden.
+<span class="smallcaps">Selous</span> bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit steeds aan &#8217;t achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten, en het
+eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop
+rolt en met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen
+tegen de Gieren, die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt, zegt hij: &#8220;Volgens mijn ervaring overvalt
+de Leeuw zijn prooi op zeer verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee Paard-antilopen gezien, die
+door een beet in de keel gedood waren; daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra&#8217;s, bij welke de doodelijke
+wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden, naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een halswervel,
+die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den
+nek plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten, die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden,
+maar aan den nek on de schoften vreeselijk gebeten waren.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt.
+Uitdrukkelijk wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar,
+een groote prooi te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat hij juist daar het veelvuldigst voorkomt,
+waar veel wild of vee van de grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee, uit Zebras, Antilopen
+en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt hij echter ook krengen niet. <span class="smallcaps">Selous</span> zegt: &#8220;De Zuid-Afrikaansche Leeuw is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers Olifanten gedood hebben,
+verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische zon beschenen
+spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken; verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug,
+tot er geen vleesch meer overig is.&#8221; Zij worden hierbij vaak genoeg geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige
+gelegenheid gebruik maken om met hun &#8220;koning&#8221; te dineeren. De luie en lafhartige Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden
+het zeer gemakkelijk, een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn maal verlaat, zich vol <a id="d0e850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e850">106</a>]</span>daaraan. De &#8220;koning&#8221; duldt hen echter niet altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is, om deze reden
+ernstige vechtpartijen voor.
+
+</p>
+<p>De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van den man boezemt hem, naar &#8217;t schijnt, ontzag in. In Soedan
+althans, waar de &#8220;oproerverwekker&#8221; in sommige gewesten veelvuldig voorkomt, zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen
+door Leeuwen opgegeten zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika
+daarentegen zijn genoeg voorbeelden bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich om de wachtvuren te
+bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van bij
+het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van
+zessen klare Leeuwin, van welke <span class="smallcaps">Selous</span> bericht, dat zij, ondanks de vuren, de wachtposten en de schoten, driemaal in &eacute;&eacute;n nacht het kamp overviel, eerst een Paard
+en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood werd.
+&#8220;Een hongerige Leeuw is een duivel,&#8221; zegt men in Zuid-Afrika. In zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als
+oude en zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen, en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe
+gemakkelijk deze prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk een gemakkelijke wijze een maal trachten
+te verkrijgen. Werkelijke &#8220;menscheneters,&#8221; zooals onder de Tijgers in Indi&euml; voorkomen, worden de <a id="d0e857"></a><span class="corr" title="Bron: Zuik-Afrikaansche">Zuid-Afrikaansche</span> Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken.
+
+</p>
+<p>Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker en nauwkeuriger wijze beschreven dan <span class="smallcaps">Selous</span>: &#8220;Mij is het steeds voorgekomen, dat het woord &#8216;majestueus&#8217; bijzonder slecht toepasselijk is op een wilden Leeuw; over dag
+heeft deze steeds iets onzekers en schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip &#8216;majesteit&#8217;. Om zoo genoemd te kunnen
+worden, zou hij den kop hoog moeten dragen, en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog beneden den
+ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan gewoonlijk
+ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de
+fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van
+het lichaam zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit
+verdient. Wanneer de Leeuw den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert, pas dan op! want dit is
+bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den mensch bijna
+altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter boos
+maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig
+ander Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger
+in &#8217;t aanvallen dan de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen
+en de andere dieren, zijn echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat, al wat de eene doet, zonder nader
+onderzoek ook van den anderen te verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig te noemen, omdat de
+2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen zijn
+bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze;
+daar, althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan &eacute;&eacute;n Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels.&#8221;
+
+</p>
+<p>De ontzagwekkende gestalte van den Leeuw, zijn geweldige kracht, zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En
+al heeft ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid
+niet bezit; geheel ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door de meest geachte natuuronderzoekers aan
+den Leeuw zijn toegekend, ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader leerde kennen, die, zooals ik,
+jaren lang dag in dag uit met een gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan is. Hij zal hem genegen
+zijn en achten, zooals ooit een mensch voor een dier genegenheid en achting kan gevoelen.
+
+</p>
+<p>Vijftien tot zestien weken of 100 &agrave; 108 dagen na de paring werpt de Leeuwin 1 &agrave; 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen
+met geopende oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt
+de leeuwin hare jongen met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel denken dan deze moeder met haar
+kroost. De kleine, allerliefste diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt wel is waar ernstig, maar
+toch met blijkbaar genoegen naar het spel van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het volstrekt geen
+zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde
+fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden; zelfs in reizende menagerie&euml;n, waar de dieren, zooals
+bekend is, slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen,
+worden Leeuwen geboren en grootgebracht.
+
+</p>
+<p>Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen
+nog later hunne kinderlijke spelen. In &#8217;t eerst miauwen zij geheel als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller.
+Bij hunne spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar
+hebben zij de grootte van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes de eerste beginselen van manen
+op, doch eerst in het zesde of zevende jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal van kleur. De
+leeftijd dien zij bereiken kunnen, is ge&euml;veneedigd aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen, die
+70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter, zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een
+afgeleefd voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid.
+
+</p>
+<p>Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem
+des te meer genegenheid, <a id="d0e873"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e873">107</a>]</span>naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op deze wijze getemden
+Leeuw, die zijn vrijheid&#8212;ik zou haast zeggen zijn koningschap&#8212;vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel is toegedaan.
+
+
+</p>
+<p>Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig.
+Daarbij bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet.
+
+</p>
+<p>Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo
+erg als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar
+hij zijn vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt
+zich ook voedsel in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig
+smakelijk maal. De streek waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij vinden hier nog dikwijls belangrijke
+overblijfselen van het wild, dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens niet na, den roover van zijn
+buit te verdrijven, opdat er zooveel mogelijk voor hen zal overschieten.
+
+</p>
+<p>Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over
+zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade, die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden
+door het verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten
+van Europeesche afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening
+van <span class="smallcaps">Jules G&eacute;rard</span> veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000
+gulden: een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich
+volgens denzelfden berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks groot en klein vee verslonden hebben.
+Verder op in het binnenland is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die daar den eenigen tak van bestaan
+van de bewoners uitmaakt, op veel uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw de overhand heeft.
+Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden over
+de verwoestingen, die de Leeuw aanricht<a id="d0e884"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p>In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoe&iuml;nenstam
+al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch, waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten
+door geschreeuw en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe,
+dat hij gewoonlijk er het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige van zijne vervolgers leelijk toegetakeld
+of gedood heeft. Ook &#8220;op den aanstand&#8221; (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De Arabieren graven een kuil, dekken
+dezen van boven stevig toe, zoodat er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarv&oacute;&oacute;r een pas gedood Wild Zwijn; ook gaan
+zij wel in de boomen zitten om van hier uit te schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in valkuilen,
+die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom
+den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het
+gekst stellen zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen het dier dood. Eerst als het volkomen
+zonder beweging ligt, waagt iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten te binden, waarmede het lijk
+met moeite wordt opgeheschen, want de volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap krijgt een stuk
+van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft,
+dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den Leeuw beveiligd is.
+
+</p>
+<p>In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw, die door de Hebre&euml;rs met verschillende namen aangeduid
+wordt. De Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen.
+
+
+</p>
+<p>Het Romeinsche volk werd voor &#8217;t eerst op het schouwspel van een leeuwengevecht onthaald door den aedilis <span class="smallcaps">Scaevola</span>, voor de tweede maal door den dictator <span class="smallcaps">Sulla</span>. Deze had reeds 105 Leeuwen in den circus. <span class="smallcaps">Pompejus</span> liet 650, <span class="smallcaps">Julius Caesar</span> minstens 400 van deze dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk en geschiedde gewoonlijk met
+behulp van valkuilen. Onder <span class="smallcaps">Claudius</span> ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier
+werd hierdoor zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den circus werd dit middel later dikwijls toegepast.
+M. <span class="smallcaps">Antonius</span> reed na den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd.
+<span class="smallcaps">Hanno</span>, de ons reeds van vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden Leeuw met zijne handen regeerde. Hij
+werd daarom echter uit zijn vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich met het temmen van een Leeuw
+bezig hield, ook er naar streefde, de menschen aan zich te onderwerpen. <span class="smallcaps">Hadrianus</span> liet in den circus dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. <span class="smallcaps">Marcus Aurelius</span> liet er 100 met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten
+in Afrika verbood, om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over te houden. Evenwel was eerst met de
+uitvinding van het schietgeweer de macht van den &#8220;koning der dieren&#8221; voor goed gebroken.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is zeer wel mogelijk,&#8221; zegt Prof. <span class="smallcaps">Schlege</span>l, &#8220;dat de oude Grieken en Romeinen twee soorten van <span class="letterspaced">Luipaarden</span> gekend hebben, n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van Siberi&euml;. De oude Grieken hadden echter,
+zooals men uit <span class="smallcaps">Xenophon</span> en <span class="smallcaps">Aristoteles</span> moet opmaken, slechts &eacute;&eacute;n naam, <i>Pardalis</i>, voor deze dieren. <span class="smallcaps">Plinius</span> benoemt de Luipaarden met den naam van <i>Pardus,</i> en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord <i>Panthera</i> (waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat, bedoelden). Daar hij beweert, dat de <i>Panthera</i> bijkans door niets, dan de witachtige kleur van den <i>Pardus</i> te onderscheiden is, zoo wordt het wederom waarschijnlijk, dat met den <a id="d0e954"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e954">108</a>]</span><i>Panthera</i> der Romeinen de Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar het witte trekt. De naam <i>Leopardus</i> is van nog lateren oorsprong, en komt voor het eerst voor bij <span class="smallcaps">Julius Capitolinus</span>, een schrijver uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit <i>Leo</i> (Leeuw) en <i>Pardus</i> samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord <i>Leontius</i> (kleine Leeuw) waarschijnlijk tot <i>Uncia</i>, <i>Onza</i> of <i>On&ccedil;a</i> verbasterd, dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear werd toegepast. Wat het woord <i>Tigris</i> (Tijger) betreft, zoo lijdt het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger begrepen hebben.
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze benamingen zijn,&#8212;behalve die van <i>Pardalis</i> of <i>Pardus,</i> welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord (Pardel of Parder) bewaard is&#8212;van lieverlede in de meeste
+nieuwe talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord &#8216;Luipaard&#8217; schijnt veeleer als een verbastering
+van <i>Leopardus</i> beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of, gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een
+nader onderzoek leert ons echter, dat bij de verschillende nati&euml;n van Europa, deze woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen
+worden toegepast. Zoo worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden of Panters genoemd; terwijl in
+Holland de benaming van &#8216;Tijger&#8217; voor deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of Panter, welken laatsten
+naam men zelden of nooit uit den mond des volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste overige talen, en
+in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch, om hem van
+den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>De &#8220;<span class="letterspaced">Luipaard</span>&#8221; (<i>Felis pardus</i>) heeft een lengte van 170 &agrave; 200 cM., waarbij voor den staart 60 &agrave; 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de snuit steekt weinig
+vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig, de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en sterk,
+de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het voorste
+gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig
+wit over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals, de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm,
+bovenbeen en onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet met kleine, zwarte, rondachtige vlekken,
+welker grootte afwisselt tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste gedeelte van den hals vormen
+zij schuins naar voren gerichte reeksen; op de schouders en pooten vloeien zij bij twee&euml;n of drie&euml;n tot onregelmatige vlekken
+ineen, die reeksen vormen, welke van boven naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 &agrave; 10 dwarsloopende
+reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten ieder een &#8220;hof&#8221;, die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn ieder
+uit 2 &agrave; 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook
+aan &#8217;t bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart; voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend,
+met uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde
+der ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig
+zwart, met uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog heeft een groenachtig gele iris en een ronde
+pupil. Er bestaat geen belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes, als tusschen de oude dieren
+en de zelfstandig geworden jongen. Sommige exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een glanzig bruinachtig
+zwarte verscheidenheid, die alleen in &#8217;t volle zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessini&euml; <span class="letterspaced">Gesela</span> genoemd en om zijn vel ijverig vervolgd.
+
+</p>
+<p>Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika bewoont.
+
+</p>
+<p>Aan den &#8220;<span class="letterspaced">Panter</span>&#8221; (<i>Felis panthera</i>) worden de volgende kenmerken toegeschreven: Een totale lengte van 200 &agrave; 240 cM., waarvan er ongeveer 82 &agrave; 96 op den staart
+komen. De kop is matig groot en langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is kort, de romp krachtig maar
+toch gestrekt, de stevige pooten zijn naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur, licht okergeel, gaat
+op den rug in donker roodachtig geel, aan de onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig
+wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan
+bij dezen, de vlekken zelf zijn over &#8217;t algemeen iets kleiner, en de kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den
+kop, den nek, de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst vindt men alleen nog op de voorarmen en
+onderbeenen volle vlekken, die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan zijn. De schouder en het bovenbeen
+daarentegen zijn, evenals de rug en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken onderscheiden zich van
+die van den Luipaard door haar aanzienlijkere grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende ring bestaat
+uit 5 &agrave; 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.
+
+</p>
+<p>Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azi&euml;
+en de Kaukasus.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Soendaneesche</span> of <span class="letterspaced">Langstaartige Panter</span> (<i>Felis variegatus</i>) van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne
+kenmerken worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer gestrekte romp, de staart die minstens even
+lang is als de romp, de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende pooten. Bovendien vertoont de teekening
+eigenaardigheden: de vlekken zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en dichter bijeengeplaatst
+dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk zichtbaar
+wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig
+geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen zijn grijsachtig of geelachtig wit.
+
+</p>
+<p>De onderscheiding van den zoogenaamden <span class="letterspaced">Zwarten Panter</span> of <span class="letterspaced">Zwarten Luipaard</span> (<i>Felis melas</i>) berust eenvoudig op een bij enkele individuen voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens <span class="smallcaps">Rosenberg</span>, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele, in een en hetzelfde nest <a id="d0e1044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1044">109</a>]</span>gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel als op de eilanden voor. Volgens <span class="smallcaps">Sanderson</span>, leven zij uitsluitend in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter gekleurde verwanten. Zwarte Panters
+vindt men tegenwoordig in bijna alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar zwarte exemplaren, onderling
+parend, een nakomelingschap van gelijke kleur voortbrengen.
+
+</p>
+<p>Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne
+levenswijze en uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt
+toch deze onderscheiding door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden is. Voor hem vormen Panter en Luipaard
+&eacute;&eacute;n soort: <i>Felis Pardus,</i> die door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen <span class="letterspaced">Ngo</span>, in Perzi&euml; <span class="letterspaced">Palang</span>, in Indi&euml; <span class="letterspaced">Tsjita</span>, <span class="letterspaced">Adnara</span>, <span class="letterspaced">Honiga</span>, <span class="letterspaced">Kerkal</span> en door de Maleiers <span class="letterspaced">Harimau-bintang</span> genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop, de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van den staart,
+de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken, de
+grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook
+bruine (in alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt,
+als het licht er op een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten van het verbreidingsgebied dezer
+soort gevonden. Ook albino&#8217;s komen voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil in leeftijd, woonplaats
+en voeding.
+
+</p>
+<p>Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven,
+of de beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals
+wij zullen doen, aan de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard, aan de Aziatische den naam Panter
+kunnen toekennen. Alle stemmen zij met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit bij verschillende
+grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot
+wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren, en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indi&euml; worden
+zij dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel
+grondiger doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk
+varieeren, is althans niet meer twijfelachtig.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azi&euml;. In het
+westen gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger, daarentegen blijven zij in &#8217;t oosten ver bij hem achter.
+Van Perzi&euml; aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azi&euml; en het daaraan grenzende Armeni&euml; aan den anderen kant verbreidt
+de Panter zich tot in den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij toch nog steeds een vaste bewoner
+van het zuiden van Daghestan. In de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de Zwarte Zee dringt hij,
+naar men zegt, nog verder noordwaarts door; tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn woongebied nog
+niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azi&euml; wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den
+Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In Indi&euml; ontbreekt hij, volgens <span class="smallcaps">Blanford</span>, in Pandsjab en in gedeelten van Sinde; ook in Hoog-Azi&euml; komt hij niet voor.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1109.jpg" alt="Luipaard (Felis pardus). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="394"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Luipaard</span> (<i>Felis pardus</i>). 1/12 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men
+klagende, aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij in de <a id="d0e1094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1094">110</a>]</span>wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren, dat volgens <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, ongeveer als &#8220;hoera-ak&#8221; klinkt; als zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men hetzelfde schor
+geschreeuw, maar dan scherper, als &#8217;t ware kuchend; dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke, ratelende
+geknor, dat een woedende Hond laat hooren.
+
+</p>
+<p>De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het
+gevaarlijkste lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid
+van lichaamsbouw, schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid, bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen
+betreft, staan zij en alle overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt alles in zich, wat de verschillende
+soorten van Katten ieder in het bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de geestesgaven van deze dieren
+komen bij hem op de volledigste wijze tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met dat van onze poes; het
+verbergt echter klauwen, die niet behoeven onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte; zijn gebit is
+naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als behendig,
+even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen ontwikkeld Roofdier.
+
+</p>
+<p>Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit
+moet vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk
+voor het scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds na oppervlakkige kennismaking met de gewesten
+die het dier bewoont, ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen aanschouwing kent, vindt het
+zeer natuurlijk, dat tusschen de daar aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op geringen afstand,
+over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen
+voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet
+zijn. Van met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij
+dikwijls in akkers en aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne houdt hij zich op in het gebergte,
+welks rijk begroeide hoogten hem niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit verschaffen.
+
+</p>
+<p>In weerwil van zijn niet bijzonder aanzienlijke grootte is de Luipaard een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en
+zelfs van den mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger
+dan andere Roofdieren, verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te overrompelen. In het klimmen wordt hij
+door slechts weinige Katten overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in het struikgewas verscholen.
+Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede stroomen
+te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd
+is zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat.
+Bij hem bemerkt men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in alle richtingen; de pooten worden zoo
+zachtjes neergezet, alsof zij het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk, afgerond en zacht, kortom
+een loopende of sluipende Luipaard levert aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts &eacute;&eacute;n andere, maar veel kleinere
+roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan.
+
+</p>
+<p>Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen
+die wij stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig, wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig.
+Zelfs geeft men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze
+naam spreekwoordelijk geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk geen andere Kat van de oude Wereld
+verdient meer dan hij om met het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te hebben. Hij moordt alle schepsels,
+onverschillig of zij groot of klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder weerstand te bieden. Antilopen,
+Jakhalzen en klein vee zullen wel zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de boomen, de Klipdassen
+te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer zeker ook
+de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak; volgens <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche&#8217;s</span> ervaringen verslindt hij echter ook de vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op de hielen; hij
+verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid
+op hoogten, waar hij niet komt.
+
+</p>
+<p>Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij, naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen
+nacht zal hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den veehouder meer gevreesd dan andere roovers,
+die meestal met &eacute;&eacute;n dier tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen.
+
+</p>
+<p>Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van
+het Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat,
+deed ons besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden bleven beneden in het dal om op de muildieren
+te passen; wij klauterden langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en vuurden van hier uit op de omhoog
+gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog, waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter raak; de getroffene
+dieren stortten ter aarde of namen gewond de vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals getroffen
+was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk
+hoopten te vinden.
+
+</p>
+<p>Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke
+Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden, bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond;
+aller oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer; eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den
+rotswand naar beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu <a id="d0e1116"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1116">111</a>]</span>aangevallen zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het laden van de buksen. Toch bracht het geraas in
+de diepte teweeg, dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen,
+de menschen roepen, en verstonden eindelijk de woorden: &#8220;Help! Help! Een Luipaard!&#8221; Bij de berghelling langs ziende, herkenden
+wij ook werkelijk het Roofdier, dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig hield met een voorwerp,
+dat wij niet duidelijk konden onderscheiden, wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk daarna vielen
+in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden.
+
+</p>
+<p>Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven
+ons daarom tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden, die in de meest verschillende houdingen allen
+de oogen op een naburig kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden zij. Voorzichtig ging ik naar het
+boschje, maar kon, hoe ik ook mijn best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden, zich vermannend,
+naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij was
+dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens gedoode Hamadryas.
+
+</p>
+<p>Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van
+het Roofdier gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal steeds vele malen door de naburige rotsen
+was teruggekaatst. De naar het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard, welke zich in &#8217;t geheel niet stoorde
+aan de menschen, die hij gezien en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren zooveel schrik inboezemen,
+en ondanks den helder lichten, zonnigen dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend ruiter, was hij op
+den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer lieden.
+De kok had, &#8220;in doodsangst&#8221;, naar hij bekende, de tweede buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven
+en gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk
+zonder recht te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard den Aap met de klauwen van de beide voorpooten
+juist voor aan den bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten had hij getracht zich aan het zitvlak
+van het dier vast te klemmen, of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten slepen. Onbegrijpelijk
+was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden toegebracht,
+kon hiervan de reden niet zijn.
+
+</p>
+<p>In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen
+van de bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn
+prooi te laten ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden, ofschoon deze zich duchtig te weer stellen.
+In vele gewesten van Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren stevige stallen van stijlen en planken
+te bouwen, opdat zij althans &#8217;s nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn.
+
+</p>
+<p>Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als
+een razende op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de roover, zonder op de een of andere wijze getergd
+te zijn, den mensch aanvalt. In <a id="d0e1126"></a><span class="corr" title="Bron: Abessynie">Abessini&euml;</span> komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor; zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen en gedood;
+nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt hij menigmaal menschenlevens in gevaar.
+
+</p>
+<p>Uit ambtelijke mededeelingen in Indi&euml; blijkt, dat in de 10 jaren 1876&#8211;1886 ieder jaar 194 &agrave; 300, in &#8217;t geheel 2368 menschen
+door Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder jaar 3047 &agrave; 5466 stuks vee roofden. Er wordt
+hierbij (en ook bij de statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld, hoeveel van deze ongelukken door
+getergde en gewonde dieren veroorzaakt zijn. <span class="smallcaps">Sanderson</span> zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen, dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch
+wordt hierover in verschillende deelen van Indi&euml; geklaagd. <span class="smallcaps">Blanford</span> schrijft, dat zij &#8220;zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn, aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid,
+tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers met gelijke gewoonten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat
+er minder kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn
+en zich overal op een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten blijkt bovendien, dat zij moediger zijn,
+en op een behendiger wijze tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van den jager zeer. Een Panter,
+verhaalt <span class="smallcaps">Sanderson</span>, wiens verblijfplaats door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte schutting op, wierp haar neder,
+viel een der daarbij staande wachters aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen, voordat iemand hulp
+kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter
+hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden
+om geduld te oefenen. <span class="smallcaps">Sanderson</span>, vergezeld door een vast aaneengesloten troep van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven ruimte
+en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter
+niet: hij sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel den derden man links van <span class="smallcaps">Sanderson</span> op den grond en wondde hem met de klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op deze wijze; v&oacute;&oacute;rdat
+een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij, rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet zijner
+aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op &eacute;&eacute;n dag had dit dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder
+een schram den dans ontsprongen.
+
+</p>
+<p>De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen
+zich dikwijls verscheidene mannetjes op &eacute;&eacute;n plaats en strijden woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen,
+dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 &agrave; 5 jongen werpt, die blind ter wereld komen en op den <a id="d0e1150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1150">112</a>]</span>10<sup>en</sup> dag de oogen openen. Zij zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid als door hunne handelingen. Gelijk
+Katten spelen zij vroolijk met elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed verdedigt. Zij heeft voor
+haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van dicht struikgewas;
+zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten, en zijn,
+dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard
+is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit
+te voren, zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan.
+
+</p>
+<p>Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter
+niet zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door
+grijnzen of zijn tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te kennen, en als ik maar een duim naderbij
+kwam dan gewoonlijk, miste het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds op een oogenblik dat ik er
+het minst op bedacht was. Ik had hem, evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting laten leggen, en
+kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij als
+razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten, blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder,
+die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld
+hebben, als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen,
+des te grooter zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor
+den dag, zijn bloeddorst ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige dieren met dood en verderf. Met
+een door den schrik hun afgeperst, gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren omhoog, de Geiten blaatten
+van angst, de Struisvogels renden als dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland aan. Deze trachtte
+op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren en meermalen sloeg ons de schrik om &#8217;t hart bij het zien van zijne woeste
+pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en &#8217;t
+was haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in &#8217;t geheel geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden,
+liet hij ons zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij op hem afgingen, maakte hij zich tot een
+sprong gereed. Wij moesten zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn eigendom niet was, moest ik
+hem ontzien. Ik waagde het niet eens, gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die bij andere dieren
+gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier in zijn
+kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede
+werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het
+beste van alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten; daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende
+diensten. Toen hij een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de spuit doornat geworden was, zocht hij,
+zoo gauw hij kon, zijn kooi op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit alleen maar behoefde te toonen,
+om hem oogenblikkelijk te nopen, in zijn schuilhoek terug te keeren.
+
+</p>
+<p>Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen
+kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azi&euml; veel talrijker dan thans. <span class="smallcaps">Caelius</span> schreef aan <span class="smallcaps">Cicero</span>, die toen landvoogd in Sicili&euml; was: &#8220;Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal men de schuld op u
+werpen.&#8221; <span class="smallcaps">Scaurus</span> was de eerste, die, terwijl hij de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht; hij liet er 150 tegelijk
+vechten, <span class="smallcaps">Pompejus</span> echter 410 en <span class="smallcaps">Augustus</span> 420.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Waarschijnlijk is de <span class="letterspaced">Noordsche Luipaard</span>, <span class="letterspaced">Sneeuwluipaard</span> of <span class="letterspaced">Irbis</span> (<i>Felis uncia</i>) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is witachtig
+grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten (p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit
+van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en
+ringvormig en breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen, die ieder een aan den rand lichten, in &#8217;t midden
+donkerden hof omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter
+koudere gewesten bewoont dan de Luipaard. &#8220;Hij vervangt,&#8221; volgens A. <span class="smallcaps">Walter</span>, &#8220;den Panter in de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Alta&iuml; en de Zuid-Siberische gebergten, breidt zich door het zuidoosten
+van Boekharije, den Pamir, Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit.&#8221; In den Himalaja voedt hij zich met Wilde
+Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels, rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan; dat hij
+ook menschen bespringt, is nooit gebleken.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding.
+De <span class="letterspaced">Gestippelde Kat</span> of <span class="letterspaced">Visschende Kat</span> (<i>Felis viverrina</i>) komt, wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft een grijsachtige grondkleur met over &#8217;t geheele lichaam
+verspreide stippels. Zij bewoont Oost-Indi&euml;, het zuiden van China en het Maleische schiereiland, waar zij aan de oevers van
+rivieren en moerassen Visschen vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook wel grootere Zoogdieren,
+zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.
+
+</p>
+<p>Nog kleiner&#8212;niet grooter dan de Huiskat&#8212;is de <span class="letterspaced">Koe&euml;roek</span> of <span class="letterspaced">Dwergkat</span> (<i>Felis minuta</i>), die over geheel Oost-Azi&euml; verbreid is en o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar behendigheid
+in &#8217;t klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.
+
+</p>
+<p>Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den <span class="letterspaced">Serval</span> (<i>Felis serval</i>), den &#8220;Boschkat&#8221; van de Zuid-Afrikaansche Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in <a id="d0e1225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1225">113</a>]</span>&#8217;t oog vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels
+op de zijden. In Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika, komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel
+bestaat vooral uit Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is, wordt zij bij doelmatige behandeling
+zeer tam; de oude dieren zijn echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt, komt onder den naam van &#8220;Afrikaansche
+Tijgerkat&#8221; in den handel voor.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Onder de <span class="letterspaced">Katten der Nieuwe Wereld</span>, met welker beschrijving wij nu beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te vinden; ten onrechte werd
+toen deze rang toegekend aan de <span class="letterspaced">&eacute;&eacute;nkleurige Katten van Amerika</span>; want door haar in &#8217;t oog loopend kleinen kop zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen zij
+belangrijk van den &#8220;koning der dieren&#8221;.
+
+</p>
+<p>De meest bekende soort van de genoemde groep is de <span class="letterspaced">Koegoear</span> of <span class="letterspaced">Poema</span> (<i>Felis concolor</i>). Dit dier kan 1.85 M. lang worden (waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65 cM. bedraagt. De
+dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels donker
+geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter,
+aan de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde zwart, in &#8217;t midden naar rood zweemend. Boven en onder
+het oog staat een kleine, witte, v&oacute;&oacute;r het oog een zwartachtig bruine vlek; beide soorten van vlekken kunnen echter ook wel
+ontbreken. De kop is grijs, de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen verschil in kleur; de
+jongen echter zijn geheel anders. De kleur van de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk; die
+uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig
+geel, of zelfs vaal bruinachtig grijs.
+
+</p>
+<p>De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagoni&euml; tot Nieuw-Granada;
+hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van Panama&#8212;Mexico en de Vereenigde Staten&#8212;en strekt zijne rooftochten
+zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds
+ten tijde van <span class="smallcaps">Azara</span>, die in &#8217;t einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving van den Poema leverde.
+
+</p>
+<p>De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft
+hij aan het woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij zich echter op in den zoom van het woud
+en in de met zeer hoog gras begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt om er te jagen; althans wanneer
+hij hier door menschen vervolgd wordt, vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die in &#8217;t geheel
+geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te verbergen.
+Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele
+van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken
+of in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een
+enkelen nacht verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen dicht bij de plaats, waar hij een prooi
+overmeesterd heeft.
+
+</p>
+<p>Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen
+maken van 6 M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op klaar lichten dag: evenwel schijnt hij
+niet veel hinder te hebben van het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn gehoor daarentegen uiterst
+scherp. Alleen in den grootsten nood toont hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden.
+
+</p>
+<p>Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis, Agoetis en Pakas, Ree&euml;n, Schapen, jonge Kalveren en Veulens,
+de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn
+voor zijne aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den bodem. <span class="smallcaps">Rengger</span> zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker, en deed
+hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw
+hooren en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot
+tak, van den eenen boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat zij hun drek lieten vallen, gaven zij
+grooten schrik te kennen. Zij werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van den eenen boom op den anderen
+begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde en verward samengebonden
+takken door, waagde het, er langs te gaan, totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn doel niet
+miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom.
+
+</p>
+<p>Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig
+het uitvloeiende bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het
+voorste, en bedekt het overschot, gelijk <span class="smallcaps">Azara</span> zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot een zeer schadelijken
+vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar doodde. Grootere
+dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden, Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden,
+hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert.
+
+</p>
+<p>Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende, onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men
+alle mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een
+boom gejaagd en dan van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande vallen. De jacht op dit dier biedt
+bijna geen gevaar aan. In het noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen, schoot <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> met groven hagel een grooten Poema, die naast hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in acht neemt,
+heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, <a id="d0e1272"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1272">114</a>]</span>door pijn woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen.
+
+</p>
+<p>Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger,
+die in de Pampas Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend over den grond op de Vogels af. Hij had
+om niet in &#8217;t oog te vallen het hoofd en het lichaam omhuld met een &#8220;poncho&#8221;, den mantel dien men daar gewoonlijk draagt.
+Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en voelde bijna in &#8217;t zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het kleed
+van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was
+echter ook niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien
+schreden van zijn tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met groote sprongen de vlucht.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1114.jpg" alt="Poema (Felis concolor), 1/10 v.d. ware grootte." width="512" height="502"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Poema</span> (<i>Felis concolor</i>), 1/10 <a id="d0e1285"></a><span class="corr" title="Bron: v.d. de">v.d.</span> ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft,
+en sterven vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar
+vrij in huis laten rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan, likken hem de handen en gaan aan zijne
+voeten liggen. Als zij gestreeld worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen zij ook wel in andere omstandigheden,
+als zij zich recht op hun gemak gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun ontevredenheid door
+een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.
+
+</p>
+<p>Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort
+afgebroken gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.
+
+</p>
+<p>Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij, als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en
+graag met hem speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens onverwachts op hem toe te springen; iets
+dergelijks doen tamme Leeuwen ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs van genegenheid in sommige
+gevallen kan zijn.
+
+</p>
+<p>Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn
+vleesch, dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De naaste stamverwant van den Poema is de <span class="letterspaced">Yagoearondi</span> (<i>Felis yaguarundi</i>), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop
+is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder
+haar is aan den wortel donker zwartachtig grijs, in &#8217;t midden zwart en aan de spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een
+weinig lichter van kleur dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear; want de lichaamslengte bedraagt
+hoogstens 87 cM. (waarbij voor den staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.
+
+</p>
+<p>De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens <span class="smallcaps">O. Stoll</span> komt hij misschien ook in &#8217;t zuiden van Guatemala voor, waar hij &#8220;Gato de monte&#8221; genoemd wordt.
+<a id="d0e1312"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1312">115</a>]</span></p>
+<p>Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden
+deelt hij zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte der Wilde Katten is: <span class="smallcaps">Rengger&#8217;s</span> Honden joegen eens zes volwassene Yagoearondi&#8217;s op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit dier is niet gevaarlijk,
+daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met Honden,
+waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rengger</span> heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede Yagoearondi&#8217;s in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de zachtmoedigste
+Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de <span class="letterspaced">Jagoear</span> of <span class="letterspaced">Once</span> (<i>Felis onza</i>), is de grootste en sterkste van alle <span class="letterspaced">gevlekte</span> en <span class="letterspaced">overlangs gestreepte Amerikaansche Katten</span>. Reeds in de eerste berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu nog heeft bijna iedere reiziger iets
+van hem te verhalen; uit deze mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid van den Jagoear sterk
+overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den mond van
+het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met vele fabelen doormengd.
+
+</p>
+<p>De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van
+den Luipaard of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen
+Jagoear is, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van
+den staart. <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span> maakt echter melding van sommige exemplaren, die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de Once ongeveer
+80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste deel
+van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat
+de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde
+van het oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde
+der vier pooten, waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend, ten deele met kleine, zwarte vlekken,
+die cirkelvormig, langwerpig rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en ringen, die geelachtig rood
+zijn met zwarte randen en &eacute;&eacute;n of twee zwarte punten in &#8217;t midden. De volle vlekken bevinden zich vooral aan den kop, den hals,
+de onderzijde van het lichaam en de ledematen; daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter en onregelmatiger
+dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter aan
+de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks
+spits zwart is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken mondhoek een zwarte vlek te vinden en een
+dergelijke vlek (met een gele of witte stip in &#8217;t midden) aan de buitenzijde van het oor. Op den rug vloeien de vlekken ineen
+tot een regelmatige streep, die zich op het kruis in twee&euml;n verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen zij min of meer
+evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie vellen
+in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over &#8217;t algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij
+heeft ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders, daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met
+meer vlekken voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel
+zulk een donkere grondkleur, dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende waarnemers verscheidene soorten
+onderscheiden, moeten de afwijkingen van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens, wat de hoofdkenmerken
+betreft, tamelijk bestendig zijn.
+
+</p>
+<p>De naam &#8220;Jagoear&#8221; is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier &#8220;Jaguarette&#8221; d. i. &#8220;lichaam van den hond&#8221; noemen. Bij
+de Spanjaarden heet hij &#8220;Tigre&#8221;, bij de Portugeezen &#8220;On&ccedil;a&#8221;. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay
+over geheel Zuid-Amerika tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Het talrijkst
+is hij in de gematigde gewesten van Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds vooruitdringende
+blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken, den zoom
+van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien.
+Op het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de
+eene streek naar de andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder, in het dichtst van het woud of in
+het hooge gras, en brengt hier den dag door.
+
+</p>
+<p>In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en sterrenlicht, nooit echter op &#8217;t midden van den dag of in
+een zeer duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot
+voedsel. Hij is in alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge schijnen, toch kan hij zich in geval
+van nood gemakkelijk en vlug bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon groot, en kan alleen
+met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht is
+scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd
+nog wel op eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk
+kan worden.
+
+</p>
+<p>De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond <span class="smallcaps">Azara</span> de stekels van een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, overblijfselen van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren belaagt. Men heeft trouwens waargenomen,
+dat hij in het riet op watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water haalde. Reeds <span class="smallcaps">P&ouml;ppig</span> bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet met vrede gelaten wordt. &#8220;De Jagoear,&#8221; zegt <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span>, &#8220;de gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand, waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op
+het zand, en keert haar om, om haar <a id="d0e1367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1367">116</a>]</span>gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear veel meer
+van deze dieren omwentelt, dan hij in &eacute;&eacute;n nacht opeten kan, maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid.
+Men kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad
+wordt er mede geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de beenderen waren losgemaakt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1116.jpg" alt="Jagoear (Felix onza). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="451"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Jagoear</span> (<i>Felix onza</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Het valt een geoefenden jager niet moeielijk,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Rengger</span>, &#8220;den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar
+hij vooral de Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft hij staan, alsof hij luistert, en kijkt
+dan opmerkzaam in &#8217;t rond; nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid, met den neus op den grond het
+spoor van een dier gevolgd heeft. Als hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk veel geduld en omzichtigheid
+aan, om het te naderen. Als een slang kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige minuten lang stil, om
+de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt, te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats van een anderen
+kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden, te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen, springt
+hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met
+den dood worstelende dier het bosch in.&#8221;
+
+</p>
+<p>De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels
+hebben veel van hem te lijden.
+
+</p>
+<p>De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet
+te beklimmen, wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze, waarop hij zich Visschen weet te verschaffen.
+<span class="smallcaps">Rengger</span> bericht hierover het volgende: &#8220;Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht terugkeerend, in mijn schuit naar huis
+voer, bemerkte mijn metgezel, een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden hem zooveel mogelijk en
+verborgen ons, om te zien, wat hij zou doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever, waar het water eenigszins
+sneller stroomde, de gewone verblijfplaats van een roofvisch, die hier te lande &#8216;Dorado&#8217; heet. Onverpoosd tuurde hij in &#8217;t
+water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling
+met den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze
+als de Huiskat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals
+van Paarden, Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het eene of andere stuk van &#8217;t lichaam een bepaalde
+voorkeur te toonen; de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch terug, verwijdert zich evenwel in
+den regel niet meer dan een kwartier gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of den volgenden morgen
+zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter.
+
+</p>
+<p>Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens <span class="smallcaps">Rengger</span>, niet van een gedood dier; bedorven vleesch raakt hij in &#8217;t geheel niet aan. Nooit doodt hij meer dan &eacute;&eacute;n stuk vee te gelijk,
+en vormt hierdoor een gunstige uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is.
+
+</p>
+<p>Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig
+van uit de verte. Er is geen <a id="d0e1400"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1400">117</a>]</span>voorbeeld van bekend, dat een mensch in onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich in bewoonde
+gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden, verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen
+ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij zich &#8217;s nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen,
+die aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk
+echter hebben deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de
+Jagoear zich door het vuur niet laat afschrikken, is volkomen zeker.
+
+</p>
+<p>Het veelbesprokene &#8220;gebrul&#8221; van den Jagoear kan niet bijzonder indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit
+woord ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van
+een ander dier, of van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een al te grootschen indruk kregen. De
+reizigers uit lateren tijd spreken niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in den regel stilzwijgend;
+hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte ge&euml;venredigd is.
+
+</p>
+<p>De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad
+voedsel te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt
+gedurende den nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te trekken, en wordt zelfs door zeer breede
+stroomen niet teruggehouden, daar hij uitmuntend zwemmen kan.
+
+</p>
+<p>&#8220;De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,&#8221; merkt <span class="smallcaps">Rengger</span> op, &#8220;verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde
+gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden
+van een stad, die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in &#8217;t jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-F&eacute;
+aan wal stapten, verhaalde men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen hij de vroegmis wilde lezen,
+onder de deur van de sacristie door een Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk, als zulk een
+Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen
+brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk,
+niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp
+zijn, zal elke verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Jagoear leeft, naar <span class="smallcaps">Rengger</span> bericht, gedurende het grootste gedeelte van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter zoeken de beide
+geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks 3 of 3&frac12; maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2, zelden
+3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden
+boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger,
+wanneer het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt
+het met woede, en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver.
+
+</p>
+<p>Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen worden,
+daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten
+ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen
+blijdschap, als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden, ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger,
+verzuimen zij niet, ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het baat niet veel, of men hun de hoek-
+en snijtanden tot aan den wortel afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht stelt hen in staat ook
+zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het moeielijk
+baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid
+voor zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar
+in gevangenschap te houden zonder hem op te sluiten.
+
+</p>
+<p>Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika
+maken de Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze
+van jagen is de volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel en wapent zich met een tweesnijdend mes
+of dolk van omstreeks twee voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear op. Tegen zulk een gering aantal
+Honden stelt deze zich dadelijk te weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien door woorden en gebaren.
+Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan evenals onze
+Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en stoot,
+terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de linkerzijde van het Roofdier.
+
+</p>
+<p>De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals,
+slepen hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken
+wordt. Soms schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst
+men bij een door den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de prooi aangrijpt.
+
+</p>
+<p>Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken
+gebruikt. Het vleesch van een Once, dat door <span class="smallcaps">Von den Steinen</span> gegeten werd, bleek taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten dier: &#8220;Het oncevleesch smaakt vet
+als gebraden varkensvleesch; bij de coteletten zou roode kool zeer goed passen.&#8221; Sommige lichaamsdeelen van den Jagoear worden
+als geneesmiddelen gebruikt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de <span class="letterspaced">Ocelot</span> of <span class="letterspaced">Pardelkat</span> (<i>Felis pardalis</i>). Haar lengte bedraagt 1.30 &agrave; 1.40 M. (waarbij 40 &agrave; 45 cM. voor den staart), <a id="d0e1440"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1440">118</a>]</span>de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.; het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los, maar staat, wat
+hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en afgerond,
+de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht
+en even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde
+geelachtig wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen naar de ooren. Aan de bovenzijde van den
+kop komen geen stippels voor; de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep uitgaat; over den rug loopen
+verscheidene overlangsche strepen, meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van smalle, zwarte vlekken,
+waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige strepen
+voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken, en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen
+zijn zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart
+tot ringen worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.
+
+</p>
+<p>De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke
+landen van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever op in de onbewoonde bosschen van het binnenland
+dan in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open veld vindt men hem nooit, wel echter
+in boschrijke, rotsachtige en moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale voor. Naar het schijnt, heeft
+hij geen bepaald leger. Over dag slaapt hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar labyrint van bladen
+en struiken, soms ook in holle boomen; in de morgen- en avondschemering, vooral echter &#8217;s nachts gaat hij op roof uit; hij
+doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam,
+omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet
+de eigenaar zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen, richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen
+aan. In de vrije natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in den boom of op den grond in hunne nesten
+besluipt, bovendien uit allerlei kleine Zoogdieren, jonge Ree&euml;n, Zwijnen, Apen, Agoetis, Pakas, Ratten, Muizen enz.
+
+</p>
+<p>De Ocelot leeft bij paren in een bepaald gebied. De jager kan er zeker van zijn, dat hij, zoodra er &eacute;&eacute;n is opgejaagd, in de
+onmiddellijke nabijheid den anderen zal ontmoeten. Meer dan &eacute;&eacute;n paar treft men echter nimmer in hetzelfde bosch aan. Het mannetje
+en het wijfje gaan niet te zamen op roof uit, ieder jaagt voor zich; ook helpen zij elkander niet bij de jacht of bij vijandelijke
+aanvallen.
+
+</p>
+<p>Den mensch doet de Ocelot slechts weinig schade; hij vreest hem en de Honden te zeer, dan dat hij in de nabijheid van bevolkte
+gewesten zou komen. Alleen woningen, die dicht bij bosschen gelegen zijn, worden nu en dan door hem bezocht; doch ook dan
+neemt hij hoogstens een paar Hoenderen of een Bisam-eend weg, sleept ze in &#8217;t naburige kreupelhout en verslindt ze onmiddellijk.
+Als zijn eerste rooftocht gelukt is, komt hij gewoonlijk in de volgende nachten terug, tot hij gevangen of verjaagd wordt.
+Men jaagt hem in Paraguay met Honden of vangt hem in vallen. Hij is zeer schuw, ziet den jager &#8217;s nachts bij helder maanlicht
+eerder, dan deze hem opmerkt en vlucht dan spoedig.
+
+</p>
+<p>Ocelotten worden dikwijls jong gevangen en getemd. Als jonge Huiskatten stoeien zij met elkander, spelen met een stuk papier,
+een kleinen sinaasappel en dergelijke voorwerpen. Hun verzorger leeren zij spoedig kennen, springen hem achterna, likken hem
+de hand, leggen zich aan zijne voeten neder en klimmen bij hem op. Zij houden veel van liefkoozingen en beginnen oogenblikkelijk
+te spinnen, wanneer men ze vleit. Nooit toonen zij valschheid. Met de Honden en Katten, waarmede zij samenleven, houden zij
+zeer goed vrede; zij kunnen het echter niet laten, het gevogelte te vervolgen. Zonder zich aan vroegere straffen te storen,
+springen zij, zoodra de lust hiertoe haar bekruipt, op een Hoen toe, en laten zich op &#8217;t oogenblik van den roof door geen
+tuchtiging weerhouden het dier te vermoorden. Wegens hun onuitroeibare roofzucht houdt men ze gewoonlijk in een kooi of vastgebonden
+aan een touw.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Zoo nauw verwant aan den Ocelot, dat men haar wel eens als een vari&euml;teit van dezen heeft beschouwd, is de in Brazili&euml; en Guyana
+levende <span class="letterspaced">Margoeay</span> of <span class="letterspaced">T&#307;gerkat</span> (<i>Felis tigrina</i>). Deze is echter veel kleiner; daar zij slechts 80 cM. lang wordt (waarbij 30 cM. voor den staart), dus hoogstens zoo groot
+als onze Huiskat. De grondkleur van het fraaie, zachte vel is van boven en aan de zijden vaal geel en, evenals bij de meeste
+overige Katten, aan de onderzijde wit. De romp is met verscheidene overlangsche reeksen van donkere vlekken geteekend. Kleinere
+vlekken versieren de pooten en den buik, ringen den staart. Twee donkere strepen loopen over de wangen, twee andere over de
+kruin. De ooren zijn zwart met witte vlekken.
+
+</p>
+<p>Bijna in alle opzichten komt de levenswijze van deze Kat met die van den Ocelot overeen. Jong gevangen is zij zeer leerzaam,
+en wordt weldra zeer aan den mensch gehecht. <span class="smallcaps">Waterton</span> had er in Guyana een, die hem als een Hond volgde. Voortdurend in strijd met de Ratten en Muizen, wist de Margoeay het huis
+van zijn meester in korten tijd grootendeels te bevrijden van de schadelijke Knaagdieren, die er de plaag van waren.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Veelvuldiger dan de Margoeay schijnt de <span class="letterspaced">Langstaartige Kat</span> (<i>Felis macrura</i>) in de Braziliaansche wouden voor te komen. &#8220;Langstaartig&#8221; is zij in vergelijking met de <span class="letterspaced">Tsjati</span> (<i>Felis mitis</i>), een iets grootere, eveneens in de Braziliaansche oerwouden levende Kat. De eerstgenoemde komt ongeveer met een flinke Huiskat
+in grootte overeen (90 &agrave; 100 cM. lang, waarvan 30 &agrave; 35 cM. op den staart komen; schouderhoogte 25 &agrave; 30 cM.); maar staat veel
+hooger op de pooten. Kenmerkend voor deze soort zijn de kleine kop, de groote oogen, de lancetvormig afgeronde ooren en de
+sterk gekromde, witachtige klauwen. Haar grondkleur is roodachtig bruingrijs, aan de zijden lichter, van onderen wit. Het
+geheele lichaam is met grijsbruine of zwartbruine, op overlangsche reeksen geplaatste vlekken geteekend; sommige vlekken bevatten
+een lichteren hof.
+
+</p>
+<p>Door hare slanke gedaante en bontgekleurde huid is zij een der schoonste leden van de Kattenfamilie. <a id="d0e1486"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1486">119</a>]</span>Door de Brazilianen wordt zij <span class="letterspaced">Gevlekte Wilde Kat</span> genoemd en wegens haar vel dikwijls geschoten. Daar zij behendig en met groot gemak klimt, begeeft zij zich bijzonder graag
+langs de slingerplanten, die de boomstammen omstrengelen, op en af; zij doorzoekt de boomkronen en verslindt alle kleine dieren,
+die zij daar vindt. Behalve voor de op boomen nestelende Vogels is zij ook gevaarlijk voor wilde en tamme Hoenderen, die zij
+dikwijls in de nabijheid van de menschelijke woningen rooft. Als slaapplaats maakt zij gebruik van holle boomstammen, rotskloven
+of holen in den grond, waarin zij ook, evenals onze Wilde Katten, hare jongen ter wereld brengt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van alle Katten is de <span class="letterspaced">Pampaskat</span> (<i>Felis pajeros</i>) het duidelijkst overlangs gestreept. Bij de overigens fraai zilvergrijs gekleurde vacht steken de meer of minder donker
+roestbruinroode strepen sterk af. Ieder haar is bij den wortel grijs, verderop lichtgeel, aan de spits zilvergrijs; de spitsen
+van de haren, die de strepen vormen, zijn echter licht roestkleurig geel. Op het midden van den rug zijn zwarte en donker
+roestkleurig roode haren dooreengemengd; aan den kop zijn zij van onderen vaalgrijs, in &#8217;t midden zwart en aan den top wit.
+Over de bijna effen vaalgele wangen loopt een smalle roestroode streep. De ooren zijn van buiten licht-, aan den rand donker-roestbruin,
+van binnen vaalwit. De staart heeft dezelfde kleur als de rug en is bij de spits voorzien met 4 &agrave; 6 donkerder ringen; de pooten
+vertoonen 6 &agrave; 7 breede, regelmatige, roestroode strepen op geelachtigen grond; de onderzijde is onregelmatig, licht roestkleurig-rood
+gestreept op witachtig vaalgelen grond. Door deze teekening van de huid wordt de Pampaskat in weerwil van de dofheid der kleuren
+een der fraaiste soorten van de groep. Groote katers hebben een lengte van 120 &agrave; 130 cM., waarvan 30 cM. op den staart komen;
+de schouderhoogte bedraagt 30 &agrave; 35 cM.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1119.jpg" alt="T&#307;gerkat (Felis tigrina). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="341"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">T&#307;gerkat</span> (<i>Felis tigrina</i>). 1/7 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Pampaskat komt voor in de steppen van Zuid-Amerika, in Patagoni&euml; tot aan de straat van Magalhaes, vooral aan de oevers
+van den Rio Negro.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Bijna alle natuuronderzoekers zijn van oordeel, dat de <span class="letterspaced">Lossen</span> (<i>Lynx</i>) beschouwd moeten worden als een afzonderlijk geslacht. Zij onderscheiden zich van de overige Katten door de haarkwastjes
+op de ooren van den tamelijk grooten kop. De meeste soorten hebben bovendien sterk ontwikkelde bakkebaarden, een zijdelings
+samengedrukten, maar toch krachtigen romp, die op lange pooten rust, en een korten (bij de meeste soorten zelfs zeer korten)
+staart.
+
+</p>
+<p>In alle werelddeelen&#8212;met uitzondering van Australi&euml;, dat geheel van Katten verstoken is&#8212;komen Lossen voor, in Europa twee
+duidelijk te onderscheiden soorten. Zij bewonen bij voorkeur aaneengesloten bosschen, en hiervan de moeielijkst toegankelijke
+plaatsen; men vindt ze echter ook in steppen en woestijnen en zelfs in streken, die in cultuur gebracht zijn. Alle zonder
+uitzondering mogen als hoog ontwikkelde Katten aangemerkt worden; zij zijn roofgierig en kunnen veel schade doen door het
+dooden van wild en van huisdieren.
+
+</p>
+<p>De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is de <span class="letterspaced">Gewone Los</span> (<i>Lynx vulgaris</i>). Voordat ik de exemplaren, die in het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe groot de Los worden
+kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los is
+minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten, dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond
+worden. Zijn lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3 M. toenemen; de staart is 15 &agrave; 20 cM. lang;
+de hoogte in de schoften bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs, naar men mij in Noorwegen verzekerde,
+van 45 KG. bereiken. Dit dier heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw, stevige ledematen en forsche
+teenen, gewapend met scherpe, groote klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren; het blijkt dus
+reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit;
+aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte, dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van
+4 cM. lengte. Op de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange tastborstels. De dichte, zachte beharing
+verlengt zich in &#8217;t aangezicht tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten baard, die, <a id="d0e1533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1533">120</a>]</span>in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur
+der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine
+vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten, het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van
+de oogspleet zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna
+de geheele achterste helft van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van kleur. De voorste helft is
+geteekend met onduidelijke ringen, die aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De vacht is in den
+zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke afwijkingen
+van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder duidelijke
+vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1120.jpg" alt="Los (Lynx vulgaris). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="503"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Los</span> (<i>Lynx vulgaris</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren
+gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder <span class="smallcaps">Pompejus</span> werd een Los uit Galli&euml; levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt,
+niets bekend; allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In de godenleer van de oude Germanen speelde
+de Los ongeveer dezelfde rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan Freya gewijd en bestemd om haar
+wagen te trekken.
+
+</p>
+<p>Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en
+fel vervolgd. In het einde van de 15<sup>e</sup> eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste, inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer dieren
+in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen&#8212;aan het
+ook nu nog door den Los bewoonde gebied&#8212;grenst, was hij tot in het einde van de vorige en het begin van deze eeuw een aan
+alle jagers van beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het district Rottenschwangen buit gemaakt.
+In het Thuringer Woud werden tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw, voor zoover mij bekend is,
+slechts twee. De laatste Westfaalsche Los verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818 de beide
+laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn)
+vindt men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld.
+Daar worden bijna ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in den laatsten tijd zoovele gedood,
+dat er van uitroeiing dezer dieren nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span>, niet vaker voor dan de Wilde Kat; v&oacute;&oacute;r 30 jaar was hij echter ook hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het
+feit, dat er in B&uuml;nden alleen in &eacute;&eacute;n jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon
+hij nog wel voorkomt in de hoog <a id="d0e1558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1558">121</a>]</span>gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten, evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over
+het voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen,
+dat hij reeds in Krain nog geregeld, in Karinthi&euml; nu en dan voorkomt.
+
+</p>
+<p>Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar &#8217;t Oosten een aanvang in de Karpathen en aan de Pruisisch-Russische
+grenzen; hier beginnend, strekt het zich naar het noorden en oosten over geheel Rusland uit; ook in Skandinavi&euml; is de Los
+nog vrij veelvuldig overal waar aaneengesloten bosschen voorkomen. Bovendien bewoont de Los het geheele oosten van Siberi&euml;,
+waar het land bergachtig en met bosschen bedekt is, en verbreidt zich zuidwaarts minstens tot in Toerkestan en tot in den
+Himalaja, waar hij tot in het bovenste gedeelte van het Indusdal aangetroffen wordt.
+
+</p>
+<p>Voorwaarden voor het duurzaam verblijf van dit roofdier zijn uitgestrekte, aaneengesloten bosschen, die rijk zijn aan dicht
+begroeide of om andere redenen moeielijk toegankelijke plaatsen en wild van allerlei soort bevatten. In dun bezette bosschen
+vertoont de Los zich slechts bij uitzondering, nl. in den winter om daar Hazen te zoeken, of ook wel, wanneer een algemeene
+ramp, bv. een boschbrand, hem tot verhuizingen noopt. In zulke omstandigheden kan het gebeuren, dat hij in de boomgaarden
+van de dorpen vlucht. In tegenstelling met den Wolf, houdt de Los zich soms langen tijd achtereen in hetzelfde gebied op,
+doorkruist het in alle richtingen, begeeft zich in &eacute;&eacute;n nacht mijlen ver, maakt daarbij niet zelden zonder eenigen schroom
+van gewone wegen gebruik, en keert na verscheidene dagen weer in dezelfde streek terug, om haar op nieuw te doorzoeken.
+
+</p>
+<p>Naar het schijnt, staat de Los wat de gaven van lichaam en geest betreft, bij geen enkele andere Kat achter. Hij loopt zeer
+lang achtereen, springt als het zijn moet, uitstekend, doet werkelijk verbazende sprongen, klimt vrij goed en zwemt, naar
+het schijnt, met gemak. Zonder twijfel staat onder zijne zinnen het gehoor bovenaan; het kwastje op zijne ooren kan dus als
+een rechtmatig onderscheidingsteeken aangemerkt worden. Waarschijnlijk is zijn gezicht eveneens uitmuntend, hoewel de waarnemers
+van onzen tijd geen feiten hebben opgemerkt, die een verklaring zouden kunnen geven van den oorsprong der oude sage, volgens
+welke de Los door muren en andere ondoorzichtige voorwerpen heen kan zien. Vroegere waarnemers vergelijken de stem van de
+Los met het gehuil van een Hond, maar beschrijven haar hierdoor zeer onjuist. Zijn geschreeuw is veeleer een brullende toon,
+die hoog en fijn begint, maar dof en zwaar eindigt; in klank gelijkt het op het gebrul van een Beer.
+
+</p>
+<p>De Los is, volgens <span class="smallcaps">Nolcken</span>, een volkomen nachtelijk Roofdier, dat zich bij &#8217;t aanbreken van den dag verschuilt en dan, als het niet gestoord wordt,
+liggen blijft, totdat het weer duister is; hierdoor onderscheidt de Los zich zeer van den Wolf. Als ligplaats kiest hij een
+rotskloof of een dicht begroeide plaats, soms misschien ook wel een niet te klein hol, zelfs een woning van een Vos of een
+Das. Als hij zich verschuilen of slapen wil, loopt hij bij voorkeur langs den een of anderen weg tot in de nabijheid van de
+dicht begroeide plaats, die hij uitgekozen heeft, en begeeft zich dan met verscheidene groote sprongen er in. Altijd kiest
+hij hiervoor de dichtste plekjes, die hij vinden kan, jong naaldhout b.v., zonder zich er voor &#8217;t overige veel om te bekommeren,
+of er in de nabijheid menschen komen.
+
+</p>
+<p>Als de schemering begint, wordt hij wakker en geneigd om zich te bewegen. Gedurende den dag schijnt hij wel een steenen beeld,
+dat, zoodra de avond valt, leven en beweging krijgt; hij wacht steeds den nacht af om zich op de jacht te begeven en blijft
+dikwijls staan, evenals een Kat doet, die over een open plaats wil gaan, welke haar onveilig voorkomt. Zooveel mogelijk volgt
+hij daarbij steeds hetzelfde pad. Zijn spoor zou alleen door iemand zonder eenige ervaring op dit gebied met dat van een ander
+dier verward kunnen worden; wegens de onevenredig groote teenen is het zeer groot, grooter dan dat van een flinken Wolf; het
+is in &#8217;t oogloopend rond en, omdat de indruksels van de nagels ontbreken, van voren stomp: de stap is betrekkelijk kort. Het
+spoor vormt een soort van parelsnoer, dat door iedereen, die het eens gezien heeft, gemakkelijk weer herkend zal worden.
+
+</p>
+<p>De eigenaardige gedaante van den Los doet ieder zijner bewegingen vreemd en zelfs eenigszins plomp schijnen. Hij zet zijne
+pooten niet zoo zachtjes neer en loopt meer wijdbeens dan de overige Katten. Hoewel hij de bevalligheid zijner verwanten mist,
+staat hij in behendigheid niet bij hen achter; hij kan zeer goed klimmen, en, hoewel hij niet tot de uitstekende loopers behoort,
+overtreft hij zijne verwanten door de snelheid en volharding zijner bewegingen. Wat hij doen kan, ziet men in de versch gevallen
+sneeuw het duidelijkst vooral daar, waar hij een buit besprongen heeft.
+
+</p>
+<p>Voor den Los schijnt elk dier, dat hij op de een of andere wijze meent te kunnen overmeesteren, een welkome prooi te zijn.
+Te beginnen bij de kleinste Zoogdieren of Vogels is waarschijnlijk geen enkel warmbloedig dier, dat niet grooter is dan een
+Ree, een Woerhaan of een Trap, veilig voor hem; vermoedelijk zullen slechts bij uitzondering zeer flinke Lossen zich aan Edelherten,
+Elanden en Wilde Zwijnen wagen. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan groot wild boven klein; met het vangen van Muizen b.v.
+schijnt hij zich niet in te laten.
+
+</p>
+<p>In het Noorden waar het klein wild talrijk, het groot wild schaarsch is, veroorzaakt de Los betrekkelijk weinig schade. In
+de gematigde gewesten daarentegen maakt hij zich zoowel bij den jager als bij den herder gehaat, niet alleen omdat hij veel
+meer dieren doodt, dan hij voor zijn voeding noodig heeft, maar ook omdat hij van een prooi slechts het bloed oplekt en het
+lekkerste stukje eet, het overige echter liggen laat ten buit voor de Wolven of Vossen. Hier keert hij hoogst zelden tot het
+door hem gedoode dier terug; wel doet hij dit, in streken, die arm aan wild zijn, zooals Lijfland; zelfs zoo, dat hij gedurende
+eenigen tijd in de nabuurschap blijft en de jacht nagenoeg geheel schijnt te laten varen. Geheel anders gedraagt hij zich
+in streken, die rijk zijn aan wild en vee. In de Zwitsersche Alpen beloert hij, volgens <span class="smallcaps">Schinz</span>, Dassen, Marmotten, Hazen, Konijnen en Muizen, sluipt de Ree&euml;n in het bosch, de Gemzen op de Alpen na, overvalt Woer-, Berk-,
+Hazel- en Sneeuwhoenderen en onderneemt rooftochten tegen de Schapen, Geiten en Kalveren. Volgens <span class="smallcaps">Bechstein</span> doodde een Los in &eacute;&eacute;n nacht 35 Schapen, volgens <span class="smallcaps">Schinz</span> moordde een dergelijk Roofdier in nog korter tijd er 30 &agrave; 40 stuks, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span> bracht een Los in een rooftocht meer dan 100 Schapen en Geiten om &#8217;t leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even begeerig
+zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken.
+
+</p>
+<p>Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk <a id="d0e1593"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1593">122</a>]</span>tot de aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst.
+<span class="smallcaps">Loewis</span> verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het volgende: &#8220;Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn
+naam <span class="letterspaced">Lucy</span> goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden, die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los
+steeds zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite
+had gekost, was hij zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar hem verboden) jacht op Hazen, Vogels
+of Schapen onmiddellijk staakte, zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan beschaamd op den grond
+liggen, en hoopte als een Hond op genade voor recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de bevrediging
+van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste
+bij mij terug te doen komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="letterspaced">Lucy</span> maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme
+Haas voor ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er
+dadelijk jacht op. Ondanks zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield hij steeds zooveel overleg
+om de verhouding tusschen zijn snelheid en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te schatten. Hij
+luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij
+beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over <span class="letterspaced">Lucy</span> baas worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het ontgelden. Bij &#8217;t invallen van de duisternis, klom
+zij op het dak van het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra laat in den avond of in den nacht
+de wagen voor de overdekte ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen van het dak van het huis op
+dat van den trap overgegaan; riep ik nu zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar beneden glijden
+en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe, vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn
+hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer,
+waar het op de sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons
+onder luid geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het huis, en koos een naburig berkenboschje tot
+verblijfplaats, zonder voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij nog naar zijn gewone standplaats bij
+den schoorsteen van het huis terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts terugkeerden, kende geen grenzen.
+Als een bliksemstraal schoot hij van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij, dan weer mijn broeder,
+bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde &#8217;s avonds
+weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die
+ons iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend, gapend of duchtig snorkend.&#8221;
+
+</p>
+<p>Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf
+aan iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt, met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden
+geregeld iederen winter Lossenjachten gehouden.
+
+</p>
+<p>Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig
+met &#402; 15 &agrave; &#402; 18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberi&euml; levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland
+en Skandinavi&euml; ongeveer 9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberi&euml; komen uitsluitend in den Chineeschen handel, en worden
+door de volken aan den Mongoolschen grens zeer begeerd.
+
+</p>
+<p>Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend geroemd. <span class="smallcaps">Kobell</span> bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814 dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook, dat
+in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het
+Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht.
+Het is malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit
+opzicht nog het meest met dat van den Woerhaan overeen.
+
+</p>
+<p>In het zuiden van Europa wordt de gewone Los door den <span class="letterspaced">Pardel-los</span> (<i>Lynx pardinus</i>) vervangen. Deze is veel kleiner dan zijn in noordelijker gewesten wonende neef; want zijn lichaamslengte bedraagt hoogstens
+1 M. Door de kortheid van de beharing, de betrekkelijk zeer groote bakkebaarden en de lange haarkwastjes aan de ooren, en
+ook door de zeer verschillende, meer samengestelde teekening onderscheidt hij zich.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De genoemde Europeesche soorten zijn in Noord-Amerika vervangen door den <span class="letterspaced">Pischoe</span> of <span class="letterspaced">Kanadeeschen Los</span> (<i>Lynx borealis</i>). Hij is een weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam bereikt slechts zelden een lengte van 1.15
+M. De beharing is korter en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is het deel van Noord-Amerika,
+dat ten noorden van de groote meren en ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke gewesten geheel
+op de wijze van onzen Los.
+
+</p>
+<p>De Kanadeesche Los is met den <span class="letterspaced">Rooden Los</span> (<i>Lynx rufus</i>), die eveneens Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden
+vellen van deze Lossen komen ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur en kwaliteit gesorteerd en
+met verschillende namen aangeduid worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de <span class="letterspaced">Karakal</span> (<i>Lynx caracal</i> en <i>Caracal melanotis</i>), een echte woestijn- en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten in noordelijker gewesten, daar
+zijn lichaamslengte slechts 65 &agrave; 75 cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij bewoont geheel Afrika, Voor-Azi&euml; en Indi&euml;, hij houdt zich
+zoowel in woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn levenswijze gelijkt op die zijner verwanten.
+Hij maakt <a id="d0e1664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1664">123</a>]</span>jacht op alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk
+verzekerd door de Arabieren, die dit dier <span class="letterspaced">Khoet el Chala</span> noemen. En hiermede staat dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azi&euml; (vooral in Indi&euml;) voor de
+jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste lid van
+de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt
+men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn hok toelaat.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Moeras-Los</span> (<i>Lynx Chaus</i>), die de moerassige en met bosch begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het meer van Arel, in Perzi&euml;,
+Syri&euml;, Egypte, Nubi&euml; en Abessini&euml; bewoont, is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn staart is echter
+langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn vacht is meer gevuld, over &#8217;t algemeen van geelachtige grijze of groen-geel-grijsachtige
+kleur, waarop onduidelijke donkere strepen zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan 26 &agrave; 27 cM.
+op den staart komen.
+
+</p>
+<p>Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt.
+In dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik
+maken van andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over
+dag als &#8217;s nachts rond om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten dicht bij de dorpen te komen; de
+groote tuinen in de nabijheid zijn, naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem.
+
+</p>
+<p>In de dierentuinen treft men ze <a id="d0e1683"></a><span class="corr" title="Bron: zeldeu">zelden</span> aan; die welke reeds oud zijn, als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge dieren daarentegen kunnen
+door liefdevolle verzorging zeer gehecht worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog <span class="smallcaps">D&uuml;michen</span> van een jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ru&iuml;ne half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof:
+&#8220;De Los deed, toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde
+dier het voedsel, dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen
+was, scheen hij volkomen te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider, volgde mij op den voet, waar
+ik ook heenging, sprong bij mij op de Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubi&euml; door, en bleef,
+terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond bestond
+een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander.&#8221;
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen de Katten en de Honden volgen, n.l. de <span class="letterspaced">Jachtluipaarden</span> of <span class="letterspaced">Geparden</span>. Deze dragen hun geslachtsnaam (<i>Cynailurus</i>), die &#8220;Hondskat&#8221; beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig
+de lange staart, hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten, die lang zijn en welker teenen slechts
+gedeeltelijk de eigenschappen van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De geheele toestel voor het
+intrekken en uitsteken der klauwen is nog aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en krachteloos, dat
+de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom, evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in de
+meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt.
+Ook wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen; katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de
+hondenaard blijkt echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt.
+
+</p>
+<p>De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te maken, of het geslacht der Geparden meer dan &eacute;&eacute;n soort
+omvat. Eenige onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren,
+andere onderscheiden, behalve de <span class="letterspaced">Tschita</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Gepard</span> (<i>Cynailurus jubatus</i>) en de <span class="letterspaced">Fahhad</span> of <span class="letterspaced">Afrikaansche Gepard</span> (<i>C. guttatus</i>), nog de <span class="letterspaced">Gevlekte Gepard</span> (<i>C. Soemmeringii</i>) en de <span class="letterspaced">Wollige Gepard</span> (<i>C. laneus</i>). De Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als
+een hondekop verlengd, dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft een ronde pupil; de beharing
+is vrij lang en ruig, vooral op den rug, de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan zwarte en
+bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn, ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten
+en zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De
+lichaamslengte van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76
+&agrave; 84 cM. De Fahhad heeft bijna in &#8217;t geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna oranjegeel, de buik echter
+is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart.
+
+</p>
+<p>De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azi&euml; gevonden, en, als men den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika,
+althans in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud
+moet voorzien.
+
+</p>
+<p>Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer
+knap weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst
+gevonden; gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig,
+dat voor een niet te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren is. Hij maakt echter ook van sluwheid
+en list gebruik om zijn prooi te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet, drukt hij den romp tegen
+den grond aan, en kruipt nu als een slang, zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame oogen van het
+wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen,
+houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren
+tot op den kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst geplaatste dier uit en stormt <a id="d0e1738"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1738">124</a>]</span>eindelijk met razende vaart op dezen buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door slagen met de klauwen
+tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van een goed
+geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen.
+
+</p>
+<p>De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen,
+die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om partij te trekken van de talenten van dit dier. Door
+een eenvoudige dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein,
+nagenoeg denzelfden dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indi&euml; is het jagen met den Jachtluipaard reeds
+sinds eeuwen in zwang. <span class="smallcaps">Joseph Barbaro</span> zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst van Armeni&euml;. De shah van Perzi&euml; blijft aan deze oude gewoonte
+getrouw; de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt, zijn uit Arabi&euml; afkomstig. Ook door sommige
+Indische vorsten worden aanzienlijke sommen aan de jacht met deze &#8220;Kathonden&#8221; besteed. Aan ervaren personen is hun africhting
+opgedragen; geoefende jagers, die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere valkeniers, moeten de dieren
+gedurende de jacht vergezellen; goedkoop zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van de jacht aan
+een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke,
+lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen
+b.v., te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers.
+Men kan daarom met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt
+de jager den Tschita den kap van &#8217;t hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte aansporingen opmerkzaam op het wild.
+Zoodra het uitmuntende jachtdier den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke jachtlust, en openbaren
+zich de list en geslepenheid die hem eigen zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort, verlaat hij den
+wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen
+vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals
+grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door, verzamelt het uitstroomende bloed
+in een houten nap, geeft dit den Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1124.jpg" alt="Afrikaansche Gepard of Fahhad (Cynailurus Guttatus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="452"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Afrikaansche Gepard</span> of <span class="letterspaced">Fahhad</span> (<i>Cynailurus Guttatus</i>). 1/9 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessini&euml;rs gebruiken den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen,
+ofschoon in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. <span class="smallcaps">Geszner</span> maakt melding van twee voor de jacht afgerichte &#8220;Luipaarden&#8221; bij den koning van Frankrijk. <span class="smallcaps">Leopold</span> I, keizer van Duitschland, kreeg van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij dikwijls op de jacht ging.
+
+
+</p>
+<p>Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig
+weet. Ik heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze
+lieden, die het dier volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in strikken vangt, en, ondanks de wildheid,
+die het aanvankelijk aan den dag legt, binnen korten tijd temt.
+<a id="d0e1768"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1768">125</a>]</span></p>
+<p>Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet
+aan overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze
+genegenheid te verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren zoo gemakkelijk getemd kan worden als
+hij. Goed vertrouwen is de grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden Gepard in &#8217;t geheel niet in,
+het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met hem bezighoudt,
+kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan, hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke
+liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is, dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij
+n.l. wakker is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang
+onbeweeglijk in &eacute;&eacute;n richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op zulke oogenblikken verwaardigt hij de
+Hoenderen, Duiven, Musschen, Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn gemoedelijke en droomige
+stemming wordt alleen door andere Roofdieren verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op; hij houdt onmiddellijk
+op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms bewegingen,
+alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen.
+
+</p>
+<p>Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield.
+Zoolang hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij
+werd dan telkens zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven, wat hij doen zou, indien hij een weinig meer
+vrijheid van beweging had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 &agrave; 20 M. lengte, die ik mij losjes om de hand en den
+elleboog wikkelde, en ging zoo met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den weg. <span class="letterspaced">Jack</span>, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde
+van het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen
+en kroop nu op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd en verwonderd het vreemde dier aankeken.
+Hoe nader hij bij de Honden kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als een slang gleed hij over den
+bodem. Eindelijk achtte hij den afstand klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de Honden toe, die
+wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij sloeg
+zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme
+Hond kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat
+kwamen in beweging, en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks
+mijn Gepard medenemen, zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te hebben, wat hij met de Honden doen
+wilde.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Uit de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Pollen</span> en <span class="smallcaps">Schlegel</span> is gebleken, dat een Roofdier, waaraan tot dusver den naam van <span class="letterspaced">Buidelfret</span> werd gegeven, en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen, nog tot de Katten gerekend, maar als
+een overgangsvorm tusschen deze familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de Madagassen <span class="letterspaced">Fossa</span> heet, en dat wij <span class="letterspaced">Fretkat</span> (<i>Cryptoprocta ferox</i>) zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de
+tamelijk ver terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn langwerpige gedaante, zijne korte pooten,
+zijne korte, eivormige ooren, lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte van 1.5 M., waarvan 68
+cM. op den staart komen, en staat zeer laag op de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit korte maar
+dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en aan de voeten als &#8217;t ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig
+gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren
+dragen aan de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig
+gele pupil, gelijkt op die van de Huiskat.
+
+</p>
+<p>Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke
+wijze gevreesd wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin
+het een belangrijke rol speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De leden van de familie der <span class="letterspaced">Civetkatten</span> of <span class="letterspaced">Viverren</span> (<i>Viverridae</i>) onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen
+hals met een spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een (bijna zonder uitzondering) langen staart,
+die meestal over den grond sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot, meestal klein; de pooten
+hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening bevinden
+zich 2 of meer &#8220;aarsklieren&#8221;, die een eigenaardige, zelden welriekende vloeistof afscheiden. V&oacute;&oacute;r de aarsopening komen bij
+sommigen bovendien nog &#8220;civetklieren&#8221; voor, welker afscheidingsproduct zich in een eigenaardigen &#8220;klierzak&#8221; verzamelt.
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters, die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen.
+In andere opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot
+het vermoeden, dat zij, meer dan hunne verwanten uit andere famili&euml;n, op de alleroudste Roofdieren gelijken. Van de Marters
+onderscheiden zij zich vooral door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft.
+
+</p>
+<p>De Viverren ontbreken in Australi&euml; geheel; zij bewonen de zuidelijke landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azi&euml;.
+In Europa komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en
+waarvan &eacute;&eacute;n alleen in Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de familie der Viverren zich door een
+grooten vormenrijkdom, hoewel zij <a id="d0e1817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1817">126</a>]</span>een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen
+droge, onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten
+van Afrika en van het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten, vooral aan de oevers van rivieren of
+aan dichte rietbosschen, boven alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van de nederzettingen der
+menschen, andere blijven schuw in de duisternis der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere zich
+alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen
+in bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag,
+waarop zij hunne krachten sparen.
+
+</p>
+<p>De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren, die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht
+bezighouden, zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in hunne schuilhoeken terugtrekken.
+
+</p>
+<p>Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid
+met de flinkste Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers, terwijl andere bij &#8217;t gaan de geheele zool
+op den grond laten rusten; enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen zijn zeer scherp, vooral de
+drie edelste: het gezicht, het gehoor en de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk; slechts in de
+eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate roofzuchtig
+en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren,
+Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht
+op Reptili&euml;n, Amphibi&euml;n, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed, die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste
+Slangen toonen, werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen leerden kennen; van enkele soorten worden
+naar aanleiding van dezen strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn, zwerven zij onverpoosd door hun
+jachtgebied, bespieden en onderzoeken elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel als het dicht begroeide
+bosch, de rietbosschen zoowel als de met steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi kunnen verwachten.
+Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven zij
+liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts weinige een vaste slaapplaats hebben.&#8212;Van sommige soorten hoort
+men een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit; in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op
+te merken.
+
+</p>
+<p>Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten verbreiden. Deze is te danken aan het &#8220;civet&#8221;&#8212;een olieachtige of
+vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren afgescheiden en in een zak v&oacute;&oacute;r de aarsopening opgehoopt
+wordt.
+
+</p>
+<p>Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt
+het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de
+zorg voor de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als
+goedaardig, als de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige
+landen houdt men van sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het kostbare afscheidingsproduct der
+civetklieren gemakkelijker te kunnen verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor de jacht op schadelijk
+gedierte gebruikt.
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen, waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten<a id="d0e1829"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> In de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang
+in, dat de Viverren hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals o.a. blijkt uit het voor heilig houden
+van een der Viverren door de Egyptenaars der oudheid.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der <span class="letterspaced">Civetkatten</span> (in engeren zin) (<i>Viverra</i>) en dat der <span class="letterspaced">Mangoesten</span> (<i>Herpestes</i>), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze vooruitstekende nagels.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Civetkatten</span> (in engeren zin) hebben een langwerpig lichaam met slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk hoog
+op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half
+terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn: de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige
+pupil, de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, v&oacute;&oacute;r
+de aarsopening gelegen klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren afgescheiden wordt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Afrikaansche Civetkat</span> (<i>Viverra civetta</i>) heeft ongeveer de grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen
+betreft, ongeveer het midden tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk spits toeloopenden snuit,
+kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal, krachtig gebouwd
+in vergelijking met de meeste andere leden van de familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus middelmatig;
+de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op
+het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze &#8220;manen&#8221; zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de
+fraaie, aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine
+vlekken, welker grootte en rangschikking bij verschillende individu&euml;n zeer ongelijk kan zijn; op de zijden vormen zij duidelijk
+dwarse strepen. De manen zijn zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde, en de zwarte vlekken zijn
+hier duidelijker begrensd. De staart, die aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7 zwarte ringen
+en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek, bevindt
+zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70 cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de
+schouders bedraagt 30 cM.
+<a id="d0e1863"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1863">127</a>]</span></p>
+<p>De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook
+in het oosten van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste soorten der familie, is zij meer nachtdier
+dan dagdier. Den dag brengt zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine Zoogdieren en Vogels, die
+zij bemachtigen kan, sluipend te naderen of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn, en dat zij zeer
+ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibi&euml;n, ja zelfs
+vruchten en wortels.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1127.jpg" alt="Afrikaansche Civetkat (Viverra civetta). &#8537; v. d. ware grootte." width="512" height="313"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Afrikaansche Civetkat</span> (<i>Viverra civetta</i>). &#8537; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen;
+hiertoe wordt het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi; met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en
+de klieren, welker afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden, uitgedrukt. In den regel geschiedt dit
+twee maal per week; de opgaven omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer uiteen. In verschen toestand
+is het civet een witte schuimachtige stof, die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste soort is,
+naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet
+ook nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd,
+daar de muscus meer en meer boven het civet wordt verkozen.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Alpinus</span> zag in <a id="d0e1882"></a><span class="corr" title="Bron: Kairo">Ka&iuml;ro</span> bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te maken, dat
+zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze
+dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome,
+Mantua, Veneti&euml;, Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap
+gehouden. Jong gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter, dan exemplaren die op lateren leeftijd buit
+gemaakt zijn en worden weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk, die deze dieren verbreiden, is voor
+menschen met zwakke zenuwen bijna onverdraaglijk.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van de <span class="letterspaced">echte</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Civetkat</span> (<i>Viverra zibetha</i>), die in Indi&euml; <span class="letterspaced">Bagdos</span>, <span class="letterspaced">Bhran</span> of <span class="letterspaced">Khatas</span> wordt genoemd, en lang voor een verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt van deze echter niet
+alleen door de kleur en de vlekkenteekening, maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser, haar romp schraler,
+hare ooren zijn langer, en van manen is bij haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel, waarbij een
+groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze
+vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft
+zonder den 56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van 38 cM.; het weegt 8 &agrave; 12 KG.
+
+</p>
+<p>De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar <span class="letterspaced">Tinggalong</span> noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens <span class="smallcaps">Blanford</span>: Bengalen, Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den regel leeft dit dier eenzaam en zwerft &#8217;s
+nachts rond, niet zelden strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen uit, en rooft dan vooral Hoenderen
+en Eenden. Voor het overige voedt het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met Insecten, Vorschen,
+Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels, die het overmeesteren kan.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In den laatsten tijd komt een Civetkat, die <span class="letterspaced">Rasse</span> (<i>Viverra malaccensis</i>) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart; haar
+lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks 50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk
+groote ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de
+staart is met verscheidene ringen geteekend.
+
+</p>
+<p>De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het westen van Radschpoetana, geheel Indi&euml; van den voet van den
+Himalaja tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook
+andere eilanden van Zuidoost-Azi&euml;. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens het civet, waarvan door de Maleiers
+een veelvuldig gebruik wordt gemaakt. <a id="d0e1927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1927">128</a>]</span>Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op deze
+wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen onverdraaglijken geur.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Genetkatten</span> (<i>Genetta</i>) is gekenmerkt door den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op de zolen, de terugtrekbare klauwen
+aan de vijf teenen der voor- en achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een ondiepe klierzak bevindt
+zich v&oacute;&oacute;r de aarsopening.
+
+</p>
+<p>De meest bekende soort is de <span class="letterspaced">Genetkat</span> (<i>Viverra genetta</i>), de eenige in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige Europeesche vertegenwoordigers van de familie
+der Viverren. In vele opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat de kleur betreft. Haar lichaam
+is, zonder den 40 cM. langen staart, 50 cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 &agrave; 17 cM. Het lichaam staat zeer laag
+op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine, van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede, in
+een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat, over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig,
+naar muscus riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte, dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend
+lichtgrijs met donkere vlekken.
+
+</p>
+<p>Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer
+moord- en roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste
+bewoner van de voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch-
+en boomlooze als in boschrijke gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in de nabijheid van bronnen
+en beken, boschrijke gewesten, berghellingen, die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij de voorkeur.
+Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur
+met die der omgeving te kort in &#8217;t gezicht behoudt, om haar te kunnen treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid
+van een Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig.
+Ik ken geen enkel Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid van den Marter paart. De volmaaktheid
+van hare bewegingen is werkelijk bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de Loango-expeditie van
+<span class="smallcaps">G&uuml;szfeldt</span>, schreef <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>: &#8220;Civetkatten en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten zijn zeer onaardige dieren, die men nooit
+recht vertrouwen kan, en welker reuk bovendien <a id="d0e1955"></a><span class="corr" title="Bron: overdraaglijk">onverdraaglijk</span> is; de Genetten echter worden zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op klaarlichten dag als Honden
+na, en verschaffen op allerlei wijzen zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier van deze soort, die
+zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt in groote
+menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls
+op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar
+schuifelde het, terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar den ander, liet zich een oogenblikje
+streelen en plagen, en verdween weldra zooals het gekomen was.&#8221;&#8212;In Noord-Amerika wordt dit dier, evenals onze Kat, voor het
+bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers zeer gezocht.
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1128.jpg" alt="Maleische Palmroller of Koffierat (Paradoxurus hermaphroditus). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="284"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Maleische Palmroller</span> of <span class="letterspaced">Koffierat</span> (<i>Paradoxurus hermaphroditus</i>). 1/7 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het naast aan de Civetkatten komen de <span class="letterspaced">Palmrollers</span> of <span class="letterspaced">Rolmarters</span> (<i>Paradoxurus</i>). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart, die
+tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid
+valt echter niet bijzonder in &#8217;t oog. De vijf teenen van voor- en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere
+mate terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen.
+
+</p>
+<p>Alle soorten bewonen Zuid-Azi&euml; en de naburige eilanden, gaan eerst na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug
+en behendig genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te <a id="d0e1986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1986">129</a>]</span>naderen; zij voeden zich echter ook met vruchten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Indische Palmroller</span> (<i>Paradoxurus niger</i>) gelijkt door zijn gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij is ongeveer zoo groot als onze Huiskat:
+het lichaam is 45 &agrave; 55 cM., de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De romp is langwerpig, maar dikker
+dan bij de Genetkatten; de pooten zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als naar boven ineengerold
+worden. De ooren zijn middelmatig groot; de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote, buitengemeen beweeglijke
+pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar grondkleur
+wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere streepen en reeksen van vlekken geteekend.
+
+</p>
+<p>De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van
+Voor-Indi&euml;, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel
+in de wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals
+alle leden der familie maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren en de jongen in het nest op, voedt
+zich ook wel met Hagedissen, Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de ananas-kweekerijen richt hij
+soms groote schade aan; in de koffietuinen is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber van palmwijn.
+Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den <span class="letterspaced">Maleischen Palmroller</span>, <span class="letterspaced">Musang</span> of <span class="letterspaced">Koffie-rat</span> (<i>Paradoxurus hermaphroditus</i>). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook
+bij hem veel variatie.
+
+</p>
+<p>Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft
+<span class="smallcaps">Junghuhn</span> een verslag gegeven: &#8220;Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden, meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen,
+als volwassenen en kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken en met gevulde korven zich naar de
+lager gelegene drogerijen begeven, ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend door de koffietuinen
+loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen gave koffieboonen
+bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden reuk
+staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt
+hij dan ook het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige gedeelte van den vruchtwand, en werpt de
+koffieboonen onverteerd weer uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie, waarschijnlijk omdat
+het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele Wilde
+Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels, en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn
+dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij
+kan laten rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel <a id="d0e2021"></a><span class="corr" title="Bron: vootziet">voorziet</span> en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten zich door hem opnemen en streelen.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een in China en op Formosa levende soort is de <span class="letterspaced">Larfroller</span> (<i>Paradoxurus larvatus</i>). In grootte stemt hij ongeveer overeen met zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop grootendeels
+zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs, aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige
+streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep
+is boven de oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits en de voeten zijn zwart.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste plaats genoemd worden de <span class="letterspaced">Mangoesten</span> of <span class="letterspaced">Ichneumons</span>, die sedert overouden tijd beroemd zijn.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Mangoesten</span> (<i>Herpestes</i>) onderscheiden zich door de volgende kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en rolvormig, de kop
+klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of langwerpig rond,
+het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt, van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig, de staart
+kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat uit 40 voor &#8217;t meerendeel krachtige tanden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het is billijk, dat wij aan den <span class="letterspaced">Ichneumon</span>, de &#8220;<span class="letterspaced">Pharao-rat</span>&#8221;, het heilige dier der oude Egyptenaars (<i>Herpestes ichneumon</i>) den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger
+genoot. Reeds <span class="smallcaps">Herodotus</span> verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. <span class="smallcaps">Strabo</span> bericht, dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen,
+maar dan ook zelfs over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift
+een zwak mensch aan, die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. <span class="smallcaps">Aelianus</span> daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk
+te wentelen en de slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen, dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut,
+terwijl het den snuit tegen beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede echter nog niet voldaan,
+maar dicht aan den moedigen strijder voor het algemeen belang nog andere daden toe, die ons door <span class="smallcaps">Plinius</span> medegedeeld worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig op een zandbank liggen en spert dan den
+vreeselijk getanden muil ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te naderen. Slechts aan een kleinen
+Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten, van daar weg
+te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid van het monster, behalve de bedoelde Vogel en&#8212;de Ichneumon. Deze nadert
+stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek, bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van
+het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant <a id="d0e2077"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2077">130</a>]</span>zich nu, met bloed bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het monster naar buiten. Ook spoort de overal
+rondsluipende Ichneumon de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren verborgen heeft; het graaft en woelt
+den grond op, totdat het de diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de waakzaamheid van de moeder,
+het geheele nest leeg en wordt hierdoor tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet te betwijfelen,
+dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben, en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven genoemde
+schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen
+over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten
+van dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut
+van den Ichneumon in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als afgedaan kunnen beschouwen, indien niet
+vele menschen al te hardnekkig bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn.
+
+</p>
+<p>De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat, want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45
+cM. langen staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter korter dan hij is. Slechts zelden vindt men
+volwassene mannetjes, die in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals bij alle Civetkatten, maar op
+lange na niet zoo sierlijk als bij de Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer familie zelfs zeer
+krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door korte spanvliezen
+vereenigd. De lange staart schijnt door de lange beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij onmerkbaar
+in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine,
+vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht
+is zeer eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van roestgeelachtige kleur, die echter overal door de
+6 &agrave; 7 cM. lange bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd en loopen in een vaalgele spits uit.
+Hierdoor verkrijgt het geheele haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de verblijfplaatsen van het
+dier. Aan den kop en op den rug wordt de kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en de staartkwast
+zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor.
+
+</p>
+<p>De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een groot deel van Voor-Azi&euml; (Palestina b.v.) verbreid, maar
+komt ook in Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij
+waarschijnlijk door den mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar eigenlijke woonplaatsen in
+Egypte zijn de dicht begroeide oevers van de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier houdt het dier
+zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle, maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar
+niet zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente- of eerste zomermaanden 2 &agrave; 4 jongen ter wereld, die
+zeer lang gezoogd en nog veel langer door beide ouders opgepast worden.
+
+</p>
+<p>Den naam Ichneumon, die &#8220;opspoorder&#8221; beteekent, verdient dit dier in ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt
+de &#8220;opspoorder&#8221; op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename reuk hem eigen is en waarmede hij de
+listigheid, de behendigheid in &#8217;t stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate vreesachtig, voorzichtig
+en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in &#8217;t open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de grootste voorzichtigheid
+voort, toch strekt hij zijne zwerftochten vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met zijn list
+overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en
+de Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen
+heeft hij zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken
+en duiventillen op de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt voor de hoendernesten, die daar geheel
+op de wijze van de Vogels, die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet hij zoo goed als in &#8217;t geheel
+niet; tenzij men hem de verdelging van Slangen zeer hoog wil aanrekenen.
+
+</p>
+<p>Zijn gang is hoogst eigenaardig: &#8217;t is, alsof het dier over den grond voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de
+korte pooten door de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden
+ziet men hem zelden alleen, maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan, het wijfje volgt, en na de
+moeder komen de jongen. Ieder lid van de familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen schijn van
+dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange
+slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift
+als een hijgend dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor vrees bestaat, gaan alle in optocht verder;
+als hij een buit bemerkt, kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om naderbij te komen en plotseling
+ziet men hem 1 of 2 sprongen maken, zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij zonder beweging te
+maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met grappige bedachtzaamheid na.
+
+</p>
+<p>Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door
+den reuk laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren en Vogels zuigt hij in den regel alleen het
+bloed uit, en vreet de hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan.
+
+</p>
+<p>Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding.
+De Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij schel, eentonig gefluit laat hooren.
+
+</p>
+<p>De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een
+dorp te gaan, en daar te berichten, dat men de <span class="letterspaced">Nims</span>&#8212;zoo heet dit dier bij de Arabieren&#8212;wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om den gehaten schurk en gauwdief
+te helpen dooden. Men gaat op weg naar een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats <a id="d0e2096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2096">131</a>]</span>en laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers
+geraas beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren
+verdrijven hem met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij zich genoodzaakt tot een ander rietveld
+zijn toevlucht te nemen. Met groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert en snuffelt van tijd tot
+tijd, maar hoort de vervolgers al nader en nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek, waar hij zich
+niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet
+te verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel en op korten afstand schieten, als men hem dooden
+wil; want wegens de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht schot, en ontsnapt stellig nog, indien
+hij niet dadelijk gedood wordt.
+
+</p>
+<p>Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun
+meester herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust, verschuiven alles in het huis en worden door
+het omwerpen van allerlei zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer verdienstelijk. Een huis, waarin
+men een Ichneumon houdt, is in den kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want het Roofdier houdt zich
+onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en toont door zijn
+grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet te verdedigen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met
+de bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen achten, indien nog niet eenige andere soorten waard
+waren besproken te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en deze in Indi&euml; vervangt, is de <span class="letterspaced">Mungo</span>, de <span class="letterspaced">Mungoose</span> der Engelschen (<i>Herpestes mungo</i>). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon; zijn lichaamslengte bedraagt 40 &agrave; 50 cM., de lengte van den staart is iets
+geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een
+lichtgrijze kleur ontstaan.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1131.jpg" alt="Mungo (Herpestes mungo). &#8533; v. d. ware grootte." width="512" height="317"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Mungo</span> (<i>Herpestes mungo</i>). &#8533; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel V&oacute;&oacute;r-Indi&euml;, oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot
+Afghanistan en <a id="d0e2125"></a><span class="corr" title="Bron: Beloetschistan">Beloetsjistan</span>, bovendien ook Ceylon.
+
+</p>
+<p>De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen
+bedekte hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden
+groote schade aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt,
+naar &#8217;t schijnt, ook van sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij loopt van rots tot rots,
+van steen tot steen, van &#8217;t eene hol naar &#8217;t andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht iets eetbaars
+ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt,
+brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft
+
+</p>
+<p>Beroemd en ge&euml;erd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan
+hij zelfs de Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De inboorlingen beweren, dat hij, na door een
+vergiftige Slang gebeten te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den naam &#8220;Mangus wail&#8221; bekend is, uitgraaft,
+door het gebruik van dit geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den strijd met de Slang kan voortzetten.
+Zelfs nauwgezette onderzoekers verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans, dat de gebeten en afgematte
+Mungo van de strijdplaats wegloopt, om wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. <span class="smallcaps">Blanford</span> noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar
+zijn, waarom andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende soorten van Slangenarenden enz., zonder een
+dergelijk middel de Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het bewustzijn van de onwerkzaamheid
+van het gif hem zou nopen bij zijn aanval zonder eenigen schroom te handelen, <a id="d0e2135"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2135">132</a>]</span>terwijl men integendeel, behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en behendigheid moet bewonderen, waardoor
+hij de vooruitschietende bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list, die hij bij den aanval ten toon
+spreidt. Bovendien maken zijne stijve haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid het voor de Slang
+veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander dier,
+hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren.
+
+</p>
+<p>In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd; sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging
+van de Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen, die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat
+wordt.
+
+</p>
+<p>Van alle Mangoesten is de Mungo&#8212;die aan het geheele geslacht den naam heeft verschaft&#8212;het meest geschikt om getemd te worden,
+omdat hij een bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sterndale</span> bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indi&euml; zijn vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje was. &#8220;<span class="letterspaced">Pips</span>&#8221; wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra
+de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen
+op een hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig, ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond
+te lijf, en bracht in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel
+zulke wonden toe, dat hij stierf. <span class="letterspaced">Pips</span> doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot
+was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk
+tot bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland, en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij
+kon een groot aantal kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op den kop op een stoel zitten, soldaatje
+spelen en exerceeren. <span class="letterspaced">Pips</span> stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te
+gebruiken.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Behalve de Ichneumon verdient de <span class="letterspaced">Melon</span> of <span class="letterspaced">Meloncillo</span> (<i>Herpestes Widdringtonii</i>) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan de Spaansche
+jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn staartharen
+voor &#8217;t maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om
+deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het overige weg.
+
+</p>
+<p>Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinci&euml;n Estremadura en Andalusi&euml;, geheel op de wijze van den
+Ichneumon. Hij bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een borstelgras, begroeide vlakten, komt echter
+volstrekt niet in het gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M., waarvan de staart ongeveer 50 cM. in
+beslag neemt. De over &#8217;t geheel korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt bijna geheel aan het
+voorste deel van den hals en aan het onderlijf, welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter gesprenkeld.
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de <span class="letterspaced">Zebra-Mangoeste</span>, de <span class="letterspaced">Sakie</span> der inboorlingen (<i>Herpestes fasciatus</i>.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte
+van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individu&euml;n van deze soort gezien.
+
+</p>
+<p>Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessini&euml; en tot aan de overzijde,
+in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor.
+
+</p>
+<p>De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren,
+Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan, uit eieren en stellig ook uit vruchten.
+
+</p>
+<p>In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen, zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden.
+Zij heeft hier een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug te keeren. Haar grappig voorkomen maakt
+haar tot ieders lieveling; naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan huis en hof dan aan de menschen,
+hoewel zij niet zelden voor sommige personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot klimt, en zich door
+hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt zij
+open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche
+richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij &#8217;t spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen
+op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde buiten haar bereik te houden. <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> vond een dikke glazen flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was, in gruis tegen een blikken kist
+liggen, en <span class="smallcaps">E. Teusz</span> verhaalde hem, dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer reeds meermalen flink tegen kasten en muren
+had geworpen, voordat men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de <span class="letterspaced">Krabben-Mangoeste</span> of <span class="letterspaced">Urva</span> (<i>Herpestes urva</i>), daar zij een overgang schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De gedaante en het gebit van de
+Urva verschillen niet belangrijk van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar gestalte echter aan die
+van den Veelvraat. De snuit is langwerpig en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben groote spanvliezen
+en de aarsklieren zijn in &#8217;t oog loopend sterk ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de Urva op
+de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn
+gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een
+witte, bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige
+dwarsbanden. In grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar geslacht overtroffen; volwassen mannetjes
+worden 80 <a id="d0e2207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2207">133</a>]</span>&agrave; 90 cM. lang, waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hodgson</span> ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich
+vooral met Vorschen en Krabben voedt.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet
+gelegen is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en de zolen gedeeltelijk behaard zijn.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Vos-Mangoeste</span> of het <span class="letterspaced">Honds-fret</span> (<i>Cynictis penicillata</i>) bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De
+tamelijk gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs
+doormengd en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de oogen en op de lippen.
+
+</p>
+<p>Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich
+met Muizen, Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig; er wordt echter <a id="d0e2230"></a><span class="corr" title="Bron: weing">weinig</span> of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Surikate</span> (<i>Suricata</i> of <i>Rhyzaena tetradactyla</i>), tot dusver de eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De
+kop met den langen puntigen snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig dun behaarde staart en het
+gebit onderscheiden de Surikate van de haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten onrechte door de
+Duitschers &#8220;Scharrthier&#8221; (Graafdier) wordt genoemd, het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen;
+vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate
+vrij gemakkelijk diepe gangen graven.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1133.jpg" alt="Surikate (Suricata tetradactyla). &frac14; v. d. ware grootte." width="512" height="352"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Surikate</span> (<i>Suricata tetradactyla</i>). &frac14; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 &agrave; 60
+cM. lang, de helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur
+met geelachtige weerschijn; 8 &agrave; 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel van den rug bij de grondkleur af.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der <span class="letterspaced">Marters</span> (<i>Mustelidae</i>). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en het maaksel
+van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig groote
+of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp, die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben.
+In de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende
+stof af, zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste stinkers van de geheele orde behooren tot
+de Marters. Het lichaam is gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen zijn van dieren uit deze groep
+afkomstig.
+
+</p>
+<p>De Marters verschenen in &#8217;t tertiaire tijdvak voor &#8217;t eerst op &#8217;t wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen
+(met uitzondering van Australi&euml;), alle klimaten en hoogtegordels, de vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen
+zijn wouden of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren,
+andere bewonen het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in &#8217;t zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten
+en holen in den grond of gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester van holen in boomen of ook
+wel van de nesten van den Eekhoorn en van vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van bijna alle schuilplaatsen
+partij weten te trekken: van de door de natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de donkere hoeken
+in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene, <a id="d0e2270"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2270">134</a>]</span>uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden, die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste
+woonplaats; vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten
+bewonen, vervallen in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam.
+
+</p>
+<p>Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren.
+Bij &#8217;t gaan zetten zij de geheele zool op den grond, bij &#8217;t zwemmen gebruiken zij hunne pooten en den staart, bij &#8217;t klimmen
+weten zij zich, ondanks hunne stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te houden. Onder de zinnen
+van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan, maar ook
+de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn
+hunne geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig,
+wantrouwend en behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige
+houden van gezelligheid, andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij dag als bij nacht werkzaam; de
+meeste echter moeten als nachtdieren beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle uitsluitend na zonsondergang
+op roof uit. Hun voedsel bestaat bij voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren, Kruipende Dieren
+en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen; andere
+voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In &#8217;t
+oog loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden, indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer
+dieren dan zij voor hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk bedwelmd door het bloed, dat zij hunne
+slachtoffers uitzuigen.
+
+</p>
+<p>De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet, van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang
+gezoogd en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept
+ze, zoodra ze zich niet veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat een zorgvuldige opvoeding
+ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem te jagen en
+te visschen. De nakomelingen van &eacute;&eacute;n soort leven zelfs sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch
+voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt.
+
+</p>
+<p>Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch een niet onbelangrijke schade; over &#8217;t geheel genomen overtreft
+echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen, in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het
+dooden van schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten, en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij
+inbreuk maken op ons eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel de schade, die hij lijdt, slechts
+aan zijn nalatigheid te wijten heeft.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1134.jpg" alt="Edelmarter (Mustela martes). &frac14; v. d. ware grootte." width="512" height="345"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Edelmarter</span> (<i>Mustela martes</i>). &frac14; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de
+opbrengst van den pelterijhandel. Volgens <span class="smallcaps">Lomer</span> komen ieder jaar omstreeks 3 millioen vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer dan 12 millioen gulden,
+in de handen van Europeanen en op de markt; hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers zelf gebruikt
+worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren,
+waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel
+een middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten zijn door de pelsjagers bekend geworden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">135</a>]</span>met het geslacht der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten, welker leden, evenals de Eigenlijke
+Marters, teengangers zijn. Zij vormen de eerste onderfamilie, die de <span class="letterspaced">Marters</span> (<i>Martidae</i>). Een tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige <span class="letterspaced">zoolgangers</span> der familie&#8212;de <span class="letterspaced">Dassen</span> (<i>Melidae</i>). Een derde onderfamilie eindelijk omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam <span class="letterspaced">Zwemvoetigen</span> van de overige <a id="d0e2317"></a><span class="corr" title="Bron: Matterachtige">Marterachtige</span> dieren onderscheiden&#8212;de <span class="letterspaced">Otters</span> (<i>Lutridae</i>).
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den <span class="letterspaced">Edelmarter</span> en de overige leden van zijn geslacht (<i>Mustela</i>). Deze zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte, kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden
+kop, een toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige, aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig
+groote, levendige oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een middelmatig langen staart, aarsklieren
+die een muscus- of bisamachtige vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Marter</span>, <span class="letterspaced">Edelmarter</span> of <span class="letterspaced">Boommarter</span> (<i>Mustela martes</i>) is een even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30 cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen
+donkerbruin, aan den snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden van den romp en aan den buik geelachtig,
+aan de pooten zwartbruin en aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt zich onder de ooren uit. Tusschen
+de achterpooten bevindt zich een roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil gele streep tot aan
+de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze &#8220;bef&#8221; is het meest bekende kenteeken
+van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen,
+die aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen
+snorharen; bovendien zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en aan de keel. In den winter is de
+algemeene kleur donkerder dan in den zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere kleur van den rug
+en de minder duidelijke &#8220;bef&#8221;. Bij de jonge dieren zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.
+
+</p>
+<p>Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude
+Wereld. In Europa vindt men hem in Skandinavi&euml;, Rusland, Engeland, Duitschland, Nederland, Frankrijk, Itali&euml; en Spanje, in
+Azi&euml; tot aan den Alta&iuml;, zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jeniss&eacute;i. &#8220;Ook ons land schijnt hij in zijn geheele uitgestrektheid
+te bewonen,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Schlegel</span>, &#8220;ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts
+hoogst zeldzaam voorkomt.&#8221; Volgens <span class="smallcaps">Staring</span> komt hij in ons land tegenwoordig alleen in de bosschen van &#8220;de graafschap&#8221; Zutfen voor. Volgens <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals
+te begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral
+wat de kleur van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht
+en zoo langharig als die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine
+exemplaren voor; de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren
+(p. 138). De Edelmarters van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die van de Pyrenee&euml;n zijn groot
+en forsch, maar eveneens licht van kleur, die uit Macedoni&euml; en Thessali&euml; zijn middelmatig groot, maar donker.
+
+</p>
+<p>De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen, zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder
+de bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander
+Roofdier hem hierin overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels en Eekhoorntjes kiest hij het liefst
+tot verblijfplaats; zelden neemt hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk gedurende den geheelen
+dag; met den aanvang van den nacht echter, meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan jacht op alle
+dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel
+Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters
+hebben waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Ree&euml;n aanvalt. Een even groote slachting als onder de Zoogdieren richt
+de Boom-Marter trouwens ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten hebben in hem een vreeselijken
+vijand. Zacht, zonder gedruisch te maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich op boomen of op den
+vlakken grond bevinden; nog voordat de anders zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft vermoed,
+zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend
+aan het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit, rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich
+aan sappige vruchten&#8212;zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel
+in &#8217;t bosch schaarscher begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft hij zich naar de menschelijke
+woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier, met uitzondering
+van de andere soorten van zijn geslacht.
+
+</p>
+<p>Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd
+leger in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met
+opofferende liefde voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit vrees van haar kroost te zullen verliezen.
+Reeds na weinige weken volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de boomen; zij springen vlug en haastig
+op de takken rond, worden door de voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen en bij het minste gevaar
+gewaarschuwd en tot een snelle vlucht aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk opvoeden en lang in
+&#8217;t leven houden, als men ze aanvankelijk met melk en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Den 29en Januari,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>, &#8220;kreeg ik een <a id="d0e2370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2370">136</a>]</span>jongen Edelmarter, welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk hij lauwe melk; ook at hij reeds in
+melk geweekt wittebrood, weinige uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen waarnemen, hoe de smaak
+zich ontwikkelt in overeenstemming met de omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge Edelmarter van
+zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in &#8217;t geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem
+een levende Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den vierden dag liet ik hem honger lijden
+en bood hem daarna een Kikvorsch, een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren, en wilde ook een jonge
+Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij &#8217;s nachts uit zijn hok, beet een in &#8217;t nest zittenden Torenvalk dood en at den kop,
+den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels
+liever had dan iets anders.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist
+honger, toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd
+had, dat het dier niet gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af; hij vrat dien op en droeg daarna
+het dier in zijn nest, waar het hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit, beet nog een stuk van
+het overgebleven staartstompje af; eerst na 2 uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te verscheuren.
+Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm
+niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter
+verschrikt terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem
+een versch gedoode, groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde zich, dat zij dood was, nam haar
+op, droeg haar nu eens hier, dan weer daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem daarna een Hagedis,
+die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open
+en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger,
+en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de
+genoemde ervaringen is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze &#8217;s winters, wanneer hij ze toevallig in weerloozen toestand
+ontmoet, om &#8217;t leven brengt en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls bitteren honger lijden, daar
+hij zeer vraatzuchtig is.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten,
+als zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo.
+Wel pakken zij de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter, zonder dat zij juist die bloedvaten treffen;
+daarom zijn zij ook niet in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met het opslikken van het toevallig
+uitvloeiende bloed. Daarna eten zij het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij dieren, die iets grooter
+zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz., wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en meegeeft,
+doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen, als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam
+met hem te spelen, omdat hij bij &#8217;t grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs wanneer hij het niet kwaad meende, alles
+met de tanden stevig aan te pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen heen in &#8217;t vleesch gebeten;
+hij deed dit trouwens zonder eenige vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt niet uit zijne houding
+en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan alleen
+begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren,
+dat eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd, niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn
+kostbaar vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden, als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet
+alleen op den grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens
+in &#8217;t bosch liggen, gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk hem daar te schieten; als men hem gemist
+heeft, kan men dikwijls nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager voortdurend blijft aanstaren.
+
+
+</p>
+<p>Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon
+is woedend tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk
+laat hij zich vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd en zeer verborgen geplaatst wordt; men
+vangt hem echter ook in den zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een stukje brood, dat men
+met een schijfje ui in ongezouten boter en honig gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit velerlei
+sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid.
+
+</p>
+<p>Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat
+kwaliteit betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van een gedurende den winter gevangen Marter wordt
+&#402; 10 &agrave; &#402; 12 betaald. De schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die van Schotland; de overige worden
+geleverd door Itali&euml;, Zweden, Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland, Turkije en Hongarije.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Steen-</span> of <span class="letterspaced">Huismarter</span> (<i>Mustela foina</i>) verschilt van den Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding kortere pooten, den kop die, ondanks het
+kortere aangezicht langer is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en de witte keel. De totale lengte
+van het volwassen <a id="d0e2401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2401">137</a>]</span>mannetje bedraagt 70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De grijsbruine kleur van de vacht (met
+wit wolhaar) wordt op de pooten en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de keelvlek die altijd kleiner
+is dan bij den Edelmarter, bestaat uit zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige haren; de randen
+van de ooren zijn met korte witachtige haren bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten, waar de Edelmarter
+gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Itali&euml; (met uitzondering van Sardini&euml;), Engeland, Zweden, het gematigde deel van Europeesch
+Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus) en West-Azi&euml;, vooral Palestina, Syri&euml; en Klein-Azi&euml;, zijn het vaderland
+van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van
+niet minder dan 1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven den dennengordel, in den winter keert hij
+gewoonlijk naar lagere streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig zeldzaam. Toch is hij in verscheidene
+provinci&euml;n, Noord-Brabant, Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen waargenomen. In Noord-Brabant
+wordt hij <span class="letterspaced">Fluw&#307;n</span> genoemd. In de andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij
+nadert de woningen der menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich bij voorkeur in dorpen en steden
+ophoudt. Eenzaam gelegene schuren, stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote <a id="d0e2406"></a><span class="corr" title="Bron: houtmijtnn">houtmijten</span> in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken vijand van het tamme gevogelte bewoond.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1137.jpg" alt="Steenmarter of Fluw&#307;n (Mustela foina). &#8537; v. d. ware grootte." width="512" height="313"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steenmarter</span> of <span class="letterspaced">Fluw&#307;n</span> (<i>Mustela foina</i>). &#8537; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een
+meester in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig, even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot;
+hij klimt zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken, zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en
+kan door zeer nauwe openingen heendringen.
+
+</p>
+<p>Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter; toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel
+meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij
+in de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten,
+Konijnen, allerlei Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren en Amphibi&euml;n. Eieren schijnen voor
+hem een lekkernij te zijn; ook zijn allerlei soorten van vruchten&#8212;kersen, pruimen, peren, kruisbessen, lijsterbessen, hennep
+en dergelijke&#8212;naar zijn smaak.
+
+</p>
+<p>Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van
+dit dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet
+men echter voor hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn, dat hij door iedere opening, voor zoover
+deze half zoo groot is als een rattengat, binnen dringen kan.
+
+</p>
+<p>Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn, laten zich tot op zekere hoogte temmen.&#8212;In Schotland heeft
+men eens op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd: Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich
+in een dorp van het gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het hoenderengeslacht gepleegd. Met
+behulp van goede Honden verdreef men hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in &#8217;t open veld. Tevergeefs
+wendde hij al zijn list en behendigheid aan, om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de hielen,
+en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel
+30 M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers
+waren vast overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen daalde een van de lieden in den afgrond af
+en lichtte den verongelukten Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde den persoon, die hem ving,
+ook dadelijk door een flinken beet ten duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de gewonde man zijn
+prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam hij
+haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk
+tam, misschien ten gevolge van <a id="d0e2430"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2430">138</a>]</span>den zwaren val of uit dankbaarheid voor de hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te gebruiken,
+en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband
+weten te sluiten,&#8212;met een van de Paarden <a id="d0e2432"></a><span class="corr" title="Bron: n.l..">n.l.</span> Zoo vaak men in den stal kwam, vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren zin trachtte te verdedigen.
+Soms zat hij op den rug, soms op den hals van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met diens staart
+of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig
+werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes
+in een val en werd den volgenden morgen dood gevonden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd vermaarde <span class="letterspaced">Sabeldier</span> (<i>Mustela zibellina</i>). Van den Edelmarter onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren, de hooge, krachtige pooten, de groote
+voeten en het glanzige, zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger
+van kleur is; vooral echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar &#8217;t blauwachtig grijze zweemende, roodbruine
+kleur van het wolhaar op den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des te geringer, hoe gelijkmatiger
+van kleur en hoe donkerder het is, des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen zijn aan de bovendeelen
+zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig kastanjebruin,
+aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe
+meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in &#8217;t oog viel, des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood.
+
+</p>
+<p>Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke
+grensgebergten van Siberi&euml; tot op omstreeks 68&deg; N.B.; bovendien omvatte het een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand
+is het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen
+naar de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azi&euml;; daar de mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor
+zijn eigen leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden
+tijd voor de handelaars in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de vangst van Sabeldieren opgericht;
+sedert dien tijd echter is hun aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azi&euml; afgenomen. De vervolgingen
+waaraan deze Marter van de zijde der jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij onderneemt echter
+ook groote zwerftochten; volgens de meening van de inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn lievelingswild,
+te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling over
+breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker
+reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt.
+
+
+</p>
+<p>In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor &#8217;t
+klimmen ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.;
+het versmaadt echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt,
+dat het zeer veel houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-&#8220;noten&#8221; acht het een zeer gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren,
+die <span class="smallcaps">Radde</span> onderzocht, was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen en vangen van het Sabeldier alle weerbare
+mannen van geheele stammen in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen ondernemen. Evenals in de vorige
+eeuw (toen de Duitsche onderzoeker <span class="smallcaps">Steller</span> en later de Russische reiziger <span class="smallcaps">Schtschukin</span> Siberi&euml; doorreisden) komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen tusschen den Lena en de verder
+oostwaarts gelegen zee; ook thans nog vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron van inkomsten van
+de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van December.
+De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de
+Honden moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht
+heeft in hoofdzaak nog steeds plaats op de door <span class="smallcaps">Steller</span> beschreven wijze<a id="d0e2461"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Vallen en strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt; ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van
+het Sabeldier, omgeeft zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen of met het geweer. Het meest in
+trek zijn die soorten van vallen, waarin het vel van het dier in &#8217;t geheel niet beschadigd wordt. De jager en zijne gezellen
+hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien; dikwijls
+blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat
+de jager door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten
+moet om zijn leven te redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze in de val geraakt zijn, te kunnen
+toekomen. Vaak is de jacht op het Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls blijkt het bij het einde
+van den jachttijd, dat de gewonnen buit ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl de moeiten aan
+het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden.
+
+</p>
+<p>Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van
+den aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere
+getemde Sabeldieren speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om zoo beter te kunnen vechten, sprongen
+opgeruimd in hun hok rond, en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten, hun toorn door grommen en
+knorren te kennen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Stinkmarters</span> (<i>Putorius</i> of <i>Foetorius</i>) heeten de leden van een ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap van den Bunzing, die bovenstaanden
+naam zeer zeker verdient, wat van de andere soorten der groep geenszins gezegd kan <a id="d0e2478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2478">139</a>]</span>worden. De hiertoe behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk in breedte afnemenden kop, een toegespitsten
+snuit, kort afgeronde, driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met lange teenen, en een ronden, vrij
+lang behaarden staart, welks lengte geringer is dan de halve lichaamslengte.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Bunzing</span> of <span class="letterspaced">Bonzing</span> (<i>Putorius foetidus</i>), in Holland ook wel <span class="letterspaced">Eierendief</span>, in Overijsel, Drente en Gelderland <span class="letterspaced">Ulk</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Meert</span> of <span class="letterspaced">Meerten</span>, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg <span class="letterspaced">Vis</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Mud</span> genoemd, heeft een lichaamslengte van 40 &agrave; 42 cM., zonder den 16 &agrave; 17 cM., langen staart. De vacht is aan de onderzijde effen
+zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar) lichter,
+gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en
+de spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus, zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich
+een niet zeer scherp begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de ooren beginnende streep samenvloeit.
+Verscheidene afwijkingen&#8212;waarvan er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn&#8212;komen voor, o. a. albino&#8217;s en effen geel
+gekleurde Bunzingen. Het wijfje onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle lichaamsdeelen, die bij
+het mannetje geelachtig zijn. De vacht is wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter.
+
+</p>
+<p>In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens den Bunzing een van zijne verwanten op: de <span class="letterspaced">T&#307;ger-bunzing</span> (<i>Putorius sarmaticus</i>), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig, in sommige gedeelten van West-Azi&euml; zeer zeldzaam, in het zuiden
+van Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen is. In levenswijze komen beide soorten geheel met
+elkander overeen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1139.jpg" alt="Bunzing (Putorius foetidus). &#8531; v. d. ware grootte." width="512" height="346"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bunzing</span> (<i>Putorius foetidus</i>). &#8531; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en Azi&euml;, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel
+uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons werelddeel overal te vinden. In Azi&euml; vindt men hem in Tartarije
+en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberi&euml; tot in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft,
+is hem welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte, het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt
+hij zich echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle
+boomen, rotsspleeten, oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig ontmoet; ingeval van nood graaft hij
+zelf een hol. Op het bouwland verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich op in de nabijheid van rotsen,
+tusschen paalwerk, onder bruggen, in bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen: kortom hij neemt
+iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is, laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij dit
+zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op
+zolders en zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van de Huiskat of van den Huismarter, evenals
+deze legt ook hij van tijd tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken en andere woonplaatsen
+van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten wel
+ge&euml;venaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid
+van hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk
+aantal Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt
+dan een warme ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken, waar men hem even gaarne ziet, als men
+hem op andere plaatsen haat.
+
+</p>
+<p>Wij zijn het volkomen eens met <span class="smallcaps">Lenz</span>, waar hij iederen boschbeambte aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op zijn plaats; hier
+doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland
+bovendien zeer verdienstelijk <a id="d0e2536"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2536">140</a>]</span>maakt door het dooden van Hamsters. De genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen, waaruit bleek,
+dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen, Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de Adders
+niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.
+
+</p>
+<p>De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle
+Mollen, Veld- en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen
+zijn, naar het schijnt, een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote menigte en verzamelt ze bij dozijnen
+in zijn woning. In geval van nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter ook op de vischvangst; bij beken,
+meren en vijvers beloert hij de Visschen, springt hen plotseling in &#8217;t water na, duikt en grijpt ze zeer behendig; naar men
+zegt, haalt hij ze &#8217;s winters zelfs van onder het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn bloedgierigheid
+is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in het door
+hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn
+bezoek verscheidene malen in &eacute;&eacute;n nacht. Meer dan andere soorten van Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen;
+niet zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen, Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door
+zijn behendigheid valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.
+
+</p>
+<p>Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen
+en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik
+van allerlei middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig, behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend,
+zeer scherpzinnig en, als hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om te bijten, dus volkomen geschikt
+tot het verrichten van rooverijen op groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval van nood door
+het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk
+taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig
+allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.
+
+</p>
+<p>Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen,
+4 &agrave; 5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen, verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt
+ze tegen iederen vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen
+te zijn, op menschen af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met de ouden op roof uit; na afloop
+van de derde maand zijn zij bijna even groot geworden als deze.
+
+</p>
+<p>Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van
+hen, omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen
+gedragen de in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Te Verna, een dorp in Keur-Hessen,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>, &#8220;had een zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den weg neergezet, om het met minder moeite te
+kunnen oppassen. Plotseling kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De eene beet zich in den nek vast,
+de andere aan de zijde van het hoofd en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de knaap wilde het
+te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen twee
+mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen
+doen hierbij dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten
+gaan, en de moeite die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het herstellen en beter sluiten van de
+hoenderhokken.&#8212;&#8220;Sommige lieden,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Rombouts</span>, &#8220;maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok gewapend
+en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen
+een Bunzing weg halen, v&oacute;&oacute;rdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt
+nog al voordeelen af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken
+reuk veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van de lange staartharen maakt men penseelen; het
+vleesch is volkomen onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte zaak, dat het <span class="letterspaced">Fret</span> (<i>Putorius furo</i>) een door gevangenschap en temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het Fret is reeds sinds overouden
+tijd bekend, hoewel alleen in getemden toestand. <span class="smallcaps">Aristoteles</span> vermeldt het onder den naam <span class="letterspaced">Iktis</span>, <span class="smallcaps">Plinius</span> noemt het <span class="letterspaced">Viverra</span>. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer <span class="smallcaps">Augustus</span> om hulp smeekten. Hij zond eenige &#8220;Viverrae&#8221; over, die zich zeer verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen
+gelaten en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner vijanden.
+
+</p>
+<p>Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele
+dieren het geval, die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den gevangen staat leven. De lichaamslengte
+bedraagt 45 cM., zonder den 13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing voorkomt, die ook door den
+bouw van het geraamte niet noemenswaard van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen als &#8220;Kakkerlak&#8221;
+of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige exemplaren
+hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen
+doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen
+dat het Fret een afzonderlijke soort is, <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">141</a>]</span>geen steek houden. Deze meening was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid, op de zachtaardigheid en
+grootere geschiktheid om getemd te worden van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van den Bunzing.
+Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige
+wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken, dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar
+over Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor deze meening bewijzen aan te voeren.&#8212;Het Fret komt
+dus alleen in gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht; de Engelschen gebruiken het echter ook voor
+de Rattenjacht, en achten de Fretten, die &#8220;Rattendooders&#8221; genoemd worden, veel hooger dan die, welke alleen voor de Konijnenjacht
+kunnen dienen. Deze dieren worden in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi en stroo geven en &#8217;s
+winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid echter
+veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren geeft. Volgens de ervaringen van <span class="smallcaps">Lenz</span> kan men ze met Kikvorschen, Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in &#8217;t leven houden; want zij houden veel van allerlei Kruipende
+Dieren en Amphibi&euml;n.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1141.jpg" alt="Fret (Putorius furo). &frac12; van de ware grootte." width="512" height="347"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Fret</span> (<i>Putorius furo</i>). &frac12; van de ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil, dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid
+en rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in &#8217;t wild levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd
+is, valt het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze in den nek en laat ze niet eerder los, voordat
+alle beweging van de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen
+zijn, naar het schijnt, een lekkernij. Amphibi&euml;n nadert deze roover met grootere voorzichtigheid dan andere dieren, en van
+de gevaarlijkheid van de Adder schijnt hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij, volgens <span class="smallcaps">Lenz</span>, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen,
+bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit
+valsch gedierte in &#8217;t middelste gedeelte van &#8217;t lichaam te bijten. Het Fret wordt door den beet van de Adder niet gedood,
+maar wel ziek en lusteloos.
+
+</p>
+<p>Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond
+op den voet volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander
+gebruik van hun vrijheid; zij begeven zich naar &#8217;t bosch, vestigen zich in een Konijnenhol, dat hun gedurende den zomer als
+leger en toevluchtsoord dient, en zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij niet weder gevangen
+worden, sterven zij echter geregeld gedurende den winter, omdat zij veel te gevoelig zijn om aan de winterkoude weerstand
+te kunnen bieden.
+
+</p>
+<p>De stem van het Fret is een dof geknor, als het pijn lijdt een schel gekrijsch. Het laatstgenoemd geluid hoort men zelden;
+gewoonlijk ligt het Fret volkomen stil ineengerold op zijn leger, en alleen als het zijn roofgierigheid bevredigen kan, wordt
+het wakker en levendig.
+
+</p>
+<p>Het wijfje werpt in het begin van Mei 5 &agrave; 8 jongen die 2 &agrave; 3 weken blind blijven. Zij worden door de moeder zeer zorgvuldig
+verpleegd en na verloop van omstreeks 2 maanden gespeend; dan zijn zij geschikt om ieder afzonderlijk opgevoed te worden.
+
+
+</p>
+<p>Ofschoon het Fret bij de Konijnenjacht uitstekende diensten bewijst, is toch het voordeel, dat het aanbrengt, gering, in verhouding
+tot de kosten die het veroorzaakt.
+
+</p>
+<p>Des morgens begeeft men zich op de jacht. De Fretten worden in een zacht bekleeden korf of kist, soms ook in de weitasch meegedragen.
+Bij het konijnenhol gekomen, zoekt men alle daarbij behoorende gangen op, legt voor ieder een zakvormig net van ongeveer 1
+M. lengte, dat om een grooten ring gevlochten en aan dezen vastgemaakt is; men laat nu het Fret in den hoofdgang gaan, die
+vervolgens eveneens gesloten wordt. Zoodra de Konijntjes den in hunne woning gedrongen vijand bemerken, gaan zij verschrikt
+op de vlucht, komen in het net en worden hier gedood. Het Fret zelf wordt door een kleinen muilkorf of door het afvijlen van
+de tanden verhinderd, een Konijn in het <a id="d0e2615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2615">142</a>]</span>hol te dooden en krijgt een schel klinkend klokje aan den halsband, om te maken, dat men steeds weten zal, waar het zich bevindt.
+Zoodra het Fret weder aan den ingang van het hol verschijnt, wordt het onmiddellijk opgenomen; want als het in het hol terugkeert,
+gaat het daar slapen, en laat dan dikwijls uren lang op zich wachten. Van zeer veel belang is het, dit dier aan fluiten of
+roepen te gewennen. Als het niet buiten wil komen, tracht men het hiertoe te bewegen door allerlei lokmiddelen. O. a. bindt
+men aan een dunne lat een Konijn en steekt dit in het hol. Aan zulk een uitnoodiging tot bevrediging van de bloedgierigheid,
+welke het Fret beheerscht, kan dit dier geen weerstand bieden; het slaat zijne tanden in het Konijn en laat zich met zijn
+prooi uit den gang trekken.
+
+</p>
+<p>In Engeland gebruikt men het Fret minder voor de jacht op Konijnen, dan wel voor die op Ratten en nog liever eenvoudig voor
+den strijd met deze bijtlustige Knaagdieren. Een Fret, dat alleen voor de Konijnenjacht werd afgericht, is, naar men zegt,
+volkomen onbruikbaar voor de Rattenjacht, omdat het voor elke groote Rat bang is. De Rattenjager moet dus opzettelijk voor
+zijn bedrijf opgevoed worden. In den beginne laat men hem alleen met jonge en zwakke Ratten vechten; zoo gewent hij langzamerhand
+aan den strijd en aan de zege. Dan wordt de aangeboren bloeddorst in hem wakker; de moed van den kleinen roover neemt toe,
+en ten slotte krijgt hij zulk een bekwaamheid in den strijd met het bruine of zwarte wild, dat hij als &#8217;t ware wonderen verricht.
+Een volkomen goed gedresseerde Fret kan in &eacute;&eacute;n uur tijds 50 Ratten dooden, die zich in een ruimte van 2 bij 3 M. bevinden.
+
+
+</p>
+<p>Soms ontmoet het Fret bij de Konijnenjacht onder den grond een dier, dat een verlaten Konijnenhol als toevluchtsoord gebruikt,
+b.v. een Bunzing; in dit geval ontstaat tusschen deze beide wezens een strijd op leven en dood, die geenszins de goedkeuring
+wegdraagt van den eigenaar van het getemde lid der Marter-familie, omdat deze alle reden heeft om gevaar te duchten voor het
+leven van zijn jachtgezel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De Wezel en hare naaste verwanten zijn nog veel slanker en gerekter dan de overige Marters. Alle hiertoe behoorende soorten
+houden zich het liefst op in velden, tuinen, holen in den grond, spleten in &#8217;t gesteente, onder steenen en houtmijten; zij
+jagen bijna evenveel over dag als &#8217;s nachts. Hoewel zij de kleinste leden van de Roofdieren-orde zijn, onderscheiden zij zich
+zoozeer door moed en roofgierigheid, dat zij als echte toonbeelden van de Marter-familie beschouwd kunnen worden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1142.jpg" alt="Wezel (Putorius vulgaris) in haar zomerkleed. &#8531; v. d. ware grootte." width="512" height="319"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wezel</span> (<i>Putorius vulgaris</i>) in haar zomerkleed. &#8531; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Wezel</span> (<i>Putorius vulgaris</i>), in Friesland ook wel <span class="letterspaced">Wezeling</span> genoemd, bereikt een lichaamslengte van 20 cM., waarbij 4&frac12; cM. op het korte staartje komen. Het buitengewoon gerekte lichaam
+ziet er, wegens het geringe verschil tusschen hals en kop, nog slanker uit dan het werkelijk is. Van den kop tot aan den staart
+bijna overal even dik, is het lichaam slechts bij volwassenen in de liesstreek een weinig versmald; aan den snuit is het eenigszins
+toegespitst. De romp rust op zeer korte en dunne pooten met zeer fijnen voet; de zool is tusschen de teenballen behaard; de
+teenen zijn met dunne, spitse en scherpe klauwen gewapend. De betrekkelijk korte staart wordt van den wortel tot de spits
+allengs dunner. De neus is stomp en door een overlangsche groeve eenigszins verdeeld. De breede en afgeronde ooren staan zijdelings
+en ver naar achteren; de scheef geplaatste oogen zijn klein, maar zeer vurig. Een middelmatig lange, gladde beharing bedekt
+het geheele lichaam en is alleen in de nabijheid van de spits van den snuit een weinig overvloediger. Bovendien, komen v&oacute;&oacute;r
+en boven de oogen lange snorren en onder de oogen enkele borstelharen voor. De kleur van de vacht is roodachtig bruin; de
+rand van de bovenlip en de geheele onderzijde van &#8217;t lichaam alsmede de binnenzijde van de pooten zijn wit. Achter elken mondhoek
+staat een kleine, rondachtige, bruine vlek; soms bevinden zich ook enkele bruine vlekken op den lichtgekleurden buik. In gematigde
+en zuidelijke gewesten blijft de kleur &#8217;s zomers en &#8217;s winters in hoofdzaak dezelfde; verder noordwaarts echter verkrijgt
+de Wezel, evenals de Hermelijn, een winterkleed: wit met bruine vlekken of zuiver wit, echter zonder de fraaie, zwarte staartspits,
+die den Hermelijn zoozeer onderscheidt.
+
+</p>
+<p>De Wezel komt in geheel Europa vrij veelvuldig voor, hoewel misschien niet in zoo groot aantal als in Noord-Azi&euml;; zij bewoont
+zoowel de vlakke als de bergachtige streken, boomlooze vlakten zoowel als bosschen, <a id="d0e2648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2648">143</a>]</span>bevolkte plaatsen in niet minder grooten getale dan eenzame. Hoe talrijk zij in ons land voorkomt, kan blijken uit het door
+<span class="smallcaps">Van Bemmelen</span> medegedeelde feit, dat tijdens het betalen van premi&euml;n voor elk in ons land gedood Roofdier (tot in het jaar 1857 in gebruik)
+5000 &agrave; 6000 Wezels ieder jaar werden aangegeven. Overal vindt zij een voor haar geschikte verblijfplaats, want zij weet van
+de omstandigheden partij te trekken, en ontdekt overal een schuilhoek, die haar voldoende beveiligt tegen groote vijanden.
+Zoo woont zij nu eens in holle boomen, in steenhoopen, in bouwvallen, dan weer onder holle oevers, in mollegangen, hamster-
+en rattenholen, in den winter in wagenhuizen en schuren, kelders en stallen, op vlieringen enz., dikwijls ook in steden. Waar
+zij met vrede wordt gelaten, zwerft zij ook over dag rond; waar zij zich vervolgd ziet, jaagt zij alleen des nachts, of neemt
+over dag de uiterste voorzichtigheid in acht.
+
+</p>
+<p>Als men oplettend en zonder gedruisch te maken, plaatsen voorbij gaat, waar zij zich verscholen heeft, kan men licht het genoegen
+smaken, haar te beluisteren. Men hoort een onbeduidend geritsel in de afgevallen bladen en ziet een bruin diertje zich voortreppen,
+dat, zoodra het den mensch bemerkt, argwaan toont en op de achterpooten gaat staan, om beter te kunnen rondkijken. Gewoonlijk
+denkt het dwergje er niet aan, de vlucht te nemen; het kijkt integendeel moedig en vermetel de wereld in, en neemt een echt
+uitdagende houding aan. Als men het tot op korten afstand nadert, is het ook wel driest genoeg, zelf nader bij den rustverstoorder
+te komen en dezen met een onbeschrijfelijke onbeschaamdheid aan te kijken, alsof het wilde onderzoeken, wat deze ongenoode
+gast hier eigenlijk te maken heeft.
+
+</p>
+<p>Meer dan eens is het gebeurd, dat dit stoutmoedige dier zelfs den mensch aangevallen en eerst na langen strijd losgelaten
+heeft. Ook heeft het zich wel eens met de tanden vastgehecht aan een poot van een voorbijgaand Paard, zoodat het eerst door
+de vereende inspanning van paard en ruiter afgeschud kon worden. De moed gaat hier met een onvergelijkelijke tegenwoordigheid
+van geest gepaard, waardoor de Wezel bijna altijd nog een uitweg vindt. Zelfs als zij door de klauwen van een Roofvogel gegrepen
+is, acht zij zich nog niet verloren. Zoo heeft men eens een Wouw op het veld zien neerschieten om een klein Zoogdier op te
+nemen, waarmede hij zich in de lucht verhief. Op eens begon de Vogel te slingeren; zijn beweging werd onvast; weldra stortte
+hij dood ter aarde. De hierover verbaasde toeschouwer zag, toen hij nader kwam, een Wezel zich vlug voortreppen. Zij had haar
+vreeselijken vijand behendig den hals stukgebeten en zoo haar eigen leven gered.
+
+</p>
+<p>In de hoogste mate moedig en vermetel, is de Wezel een werkelijk weergalooze roover, die aan alle kleine Zoogdieren den oorlog
+heeft verklaard, en onder hen dikwijls een ontzettende slachting aanricht. Van de Zoogdieren vallen haar ten buit: Huis-,
+Bosch- en Veldmuizen, Water- en Huisratten, Mollen, jonge Hamsters, Hazen en Konijnen. Uit de klasse der Vogels rooft zij:
+jonge Hoenderen en Duiven, Leeuweriken en andere op den grond levende Vogels, en zelfs zulke, die op boomen slapen; zij plundert
+ook hunne nesten, voorzoover zij deze bereiken kan. Onder de Kruipende Dieren maakt zij jacht op Hagedissen, Hazelwormen en
+Ringslangen en durft zelfs de gevaarlijke Adder aan te vallen, hoewel zij na eenige malen gebeten te zijn, bezwijkt. Bovendien
+eet zij ook kikvorschen en Visschen, kortom zij gebruikt iedere soort van vleesch, zelfs dat van dieren van haar eigen soort.
+Insecten van allerlei orden beschouwt zij als een lekkernij; als zij Kreeften kan machtig worden, weet zij hun harde schaal
+behendig stuk te maken. Haar geringe grootte en ongeloofelijke vlugheid komen haar op de jacht goed te stade. Men kan gerust
+zeggen, dat geen enkel klein dier veilig voor haar is. Men heeft zelfs waargenomen, dat zij in vereeniging met hare soortgenooten
+jaagt, wat geen verwondering kan wekken, als men bedenkt, dat zij gezellig leeft, en op sommige plaatsen in grooten getale
+gevonden wordt: zoo zag <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> een troep van zeven volwassen Wezels, waarschijnlijk tot &eacute;&eacute;n familie behoorend, over dag een met struiken begroeid terrein
+doorzoeken; zij deden dit op de gewone wijze, zonder zich veel te bekommeren om de haar volgende toeschouwers. De Wezel pakt
+kleine dieren in den nek of bij den kop; groote tracht zij aan den hals te grijpen. Eieren zuigt zij uit, zonder dat er een
+druppel van den inhoud verloren gaat; behendig worden hiervoor aan het eene einde &eacute;&eacute;n of verscheidene gaten gemaakt. Groote
+eieren klemt zij, naar men zegt, als zij ze vervoeren moet, tusschen de kin en de borst, kleinere draagt zij in den bek weg.
+Bij grootere dieren stelt zij zich tevreden met het bloed, dat zij oplekt, zonder het vleesch aan te raken, kleinere dieren
+verslindt zij geheel: die, welke zij eens gepakt heeft, laat zij niet weder los. In de onmiddellijke nabijheid van bewoonde
+gebouwen jaagt zij bijna zonder eenigen schroom.
+
+</p>
+<p>In Mei of Juni, na een draagtijd van vijf weken, krijgt het wijfje 3 &agrave; 8 jongen, die zij meestal in een hollen boom of in
+een van hare onderaardsche schuilplaatsen ter wereld brengt, altijd echter op een verborgen plaats, in een nest, dat van stroo,
+hooi, droge bladen en dergelijke materialen vervaardigd is, neerlegt. Zij koestert zeer veel genegenheid voor hare jongen,
+zoogt ze gedurende langen tijd en voedert ze daarna nog verscheidene maanden achtereen met Huis-, Bosch- en Veldmuizen, die
+zij hun in levenden toestand brengt. Als de jongen verontrust worden, draagt de moeder hen met den bek naar een andere plaats.
+In tijd van gevaar verdedigt zij haar kroost met grenzenloozen moed. Zoodra deze alleraardigste diertjes volwassen zijn, spelen
+zij over dag dikwijls met hun moeder; een even merkwaardig als aantrekkelijk familieleven aanschouwt men, als allen in het
+felste zonnelicht zich vermaken op een weide, waarin vele onderaardsche gangen, vooral mollegaten, voorkomen.
+
+</p>
+<p>Jonge Wezels, die de moeder nog niet verlaten hebben, zijn het best geschikt om getemd te worden. De meening, dat deze dieren
+ontembaar zouden zijn, is sedert <span class="smallcaps">Buffon</span> van den eenen natuuronderzoeker op den anderen overgegaan; voor de volwassene is zij niet geheel ongegrond. Wezels, die sinds
+haar kinderlijken leeftijd met den mensch verkeeren, worden echter buitengewoon tam en zijn dan allerliefst. Hierover komt
+in <span class="smallcaps">Wood&#8217;s</span> &#8220;<i>Natural History</i>&#8221; een door vrouwenhand geschreven verhaal voor, waarvan ik een uittreksel zal geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik een weinig melk in mijn hand giet,&#8221; zegt de bedoelde dame, &#8220;drinkt mijn tamme Wezel daarvan een behoorlijke, hoeveelheid;
+zij zal echter niet licht een druppel van deze haar zoo goed smakende vloeistof nemen, als ik haar niet de eer aandoe, mijn
+hand als drinkbeker te mogen gebruiken. Zoodra zij verzadigd is, gaat zij slapen. Mijne kamer is haar gewone verblijfplaats,
+daar ik een middel heb gevonden om den onaangenamen reuk van dit diertje door welriekende stoffen volkomen weg te nemen. Over
+dag is haar slaapplaats een voetkussen, waarin zij heeft weten door <a id="d0e2677"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2677">144</a>]</span>te dringen; gedurende den nacht dient hiervoor een blikken doos in een kooi; zij houdt echter volstrekt niet van deze gevangenis
+en verlaat haar met genoegen. Als zij haar vrijheid herkrijgt, voordat ik wakker word, komt zij in mijn bed en kruipt na tal
+van kapriolen onder de dekens om in mijn hand of aan mijn boezem te rusten. Als ik bij haar komst al wakker ben, houdt zij
+zich wel een half uur met mij bezig en liefkoost mij op allerlei wijzen. Zij speelt met mijne vingers als een hondje, springt
+mij op het hoofd of in den nek, of klimt bij mijn arm of bij mijn lichaam op met zulke vlugge en sierlijke bewegingen, als
+ik bij geen ander dier heb waargenomen. Als ik haar op een afstand van 1 M. mijn hand voorhoud, springt zij er in, zonder
+ooit te vallen. Om in het een of ander geval haar zin te krijgen, handelt zij met veel overleg en list; dikwijls schijnt het,
+alsof zij uit lust tot ongehoorzaamheid een verbod niet telt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het diertje herkent mijn stem uit twintig andere, weet mij spoedig te vinden en springt over iedereen heen, om bij mij te
+komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bijzondere eigenschap van mijn bevallige beschermeling is haar nieuwsgierigheid. Het is letterlijk onmogelijk een kist,
+een kastje of een doos te openen, ja zelfs eenvoudig naar een papier te kijken, zonder dat ook mijn Wezel het voorwerp beschouwt.
+Als ik haar ergens heen wil lokken, heb ik niets anders te doen, dan een stuk papier of een boek te nemen en er aandachtig
+naar te zien; dadelijk komt zij bij mij, loopt over mijn hand heen, en bekijkt het voorwerp dat ik bezie, met de grootste
+opmerkzaamheid. Ten slotte moet ik er nog op wijzen, dat het dier graag speelt met een jonge Kat en een Hond, die beide reeds
+tamelijk groot zijn.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1144.jpg" alt="Hermel&#307;n (Putorius erminea) in zijn winterkleed. &#8531; v. d. ware grootte." width="512" height="334"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hermel&#307;n</span> (<i>Putorius erminea</i>) in zijn winterkleed. &#8531; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Bij goede behandeling kan een Wezel 4 &agrave; 6 jaren in gevangenschap leven; waarschijnlijk kan het in den natuurstaat een leeftijd
+van 8 &agrave; 10 jaar bereiken. Ongelukkig worden deze kleine, nuttige diertjes door onwetende menschen veel vervolgd en uit pure
+baldadigheid gedood. In vallen met een lokaas van eieren, vogeltjes of Muizen kan men de Wezel gemakkelijk vangen. Dikwijls
+vangt men haar in rattenvallen, waarin zij bij toeval geraakt. In plaats van dit voortreffelijk dier te vervolgen, zou men
+het wegens het groote nut dat het sticht, zorgvuldig moeten beschermen. Gerust mag men beweren, dat geen enkel dier zoo uitmuntend
+uitgerust is voor de muizenvangst als de Wezel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De naaste verwant van de Wezel is de <span class="letterspaced">Hermel&#307;n</span> (<i>Mustela erminea</i>). In zijn zomerkleed wordt hij gewoonlijk, evenals <i>Mustela vulgaris</i>, &#8220;<span class="letterspaced">Wezel</span>&#8221; genoemd en met deze verward; terwijl hij in het winterkleed <span class="letterspaced">Hermel&#307;ntje</span> en <span class="letterspaced">Witte Wezel</span> heet, ook <span class="letterspaced">Harmpje</span>, <span class="letterspaced">Harmel</span> en <span class="letterspaced">Harmken</span> (in Gelderland en Overijsel). Hij gelijkt zeer veel op de Wezel door zijn gestalte en levenswijze, maar is aanmerkelijk grooter
+dan zijn kleine geslachtsgenoot. Hij heeft een lengte van 32 &agrave; 33 cM., waarvan 9 cM. voor den staart; in noordelijker landen
+wordt hij, zegt men, grooter dan bij ons. De bovendeelen en de staartwortelhelft zijn in den zomer bruinrood, in den winter
+wit; zij hebben in &#8217;t eerstgenoemde seizoen bruinroodachtig, in &#8217;t laatstgenoemde wit wolhaar; de onderzijde is altijd wit
+met een geelachtige tint; de achterste helft van den staart is altijd zwart<a id="d0e2726"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p>De kleursverandering, die de Hermelijn in den zomer en in den winter ondergaat, wordt door de natuuronderzoekers op verschillende
+wijzen verklaard. Eenige nemen aan, dat dit dier twee maal verhaart; anderen, waarbij ik mij voeg, zijn van oordeel, dat het
+zomerhaar tegen den winter, als het fel koud begint te worden, eenvoudig verbleekt, zooals men dit bij den Sneeuwhaas en den
+Poolvos kan waarnemen. Over de kleursverandering in de lente heeft de Zweedsche onderzoeker <span class="smallcaps">Grill</span>, wiens interessante beschrijvingen wij zullen mededeelen, bij gevangene dieren zeer volledige gegevens verzameld: &#8220;Den 4en
+Maart&#8221;, zegt hij, &#8220;kon ik voor &#8217;t eerst eenige donkere haren tusschen de oogen bespeuren. Den 10en zag ik op dezelfde plaats
+een bruine, hier en daar door wit afgebroken vlek, half zoo breed als het voorhoofd. Boven de oogen en om den neus vertoonden
+zich nu verscheidene kleine, donkere vlekken. Als het dier zich kromde, zag men, dat de diepst gelegen deelen van de vacht
+langs het midden van den rug, onder de schouders en op de kruin donker waren. De kleursverandering <a id="d0e2734"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2734">145</a>]</span>had zeer snel plaats, vooral in den beginne, zoodat er dagelijks, ja zelfs iederen halven dag verschil viel op te merken.
+Den 3<sup>en</sup> April waren alleen de volgende deelen nog wit: de onderzijde van den hals en van de keel, de geheele buik, de ooren en de
+ruimte tusschen deze en de oogen, die met een kleinen ring omgeven waren, een kort stuk v&oacute;&oacute;r de zwarte helft van den staart,
+en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft, de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van de
+dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats
+borstelig geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij elkander zitten en kleine vlekken vormen.
+Eerst groeiden de donkere haren <span class="letterspaced">alle tegelijk</span> naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk heeft de eigenlijke
+haarwisseling in de eerste helft van de maand Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich eenvoudig meer
+uitgebreid en allengs het witte verdrongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont
+geheel Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyrenee&euml;n en van den Balkan gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en
+Middel-Azi&euml; tot aan de oostkust van Siberi&euml; voor. In Klein-Azi&euml;, Perzi&euml; en Afghanistan heeft men hem eveneens waargenomen.
+In geen dezer landen is hij zeldzaam; zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige Roofdieren.
+
+</p>
+<p>Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op
+de aangenaamst mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten
+in muren, steenhoopen, boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden verschaffen hem een ligplaats
+en een schuilplaats gedurende den dag, dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon het volstrekt geen
+zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der menschen blootstelt.
+Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te roeren. Wie omstreeks
+dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en schrandere
+dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt
+uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als &#8217;t noodig is, snel en onbeschroomd over een breed water.
+
+</p>
+<p>De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn
+kleine stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken
+de grondtrekken van zijn karakter uit.
+
+</p>
+<p>De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list
+overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft
+aanhoudend op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen
+en Zwaluwen, die hij uit hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn niet veilig voor hem.
+
+</p>
+<p>Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een
+alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord
+en delft steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het
+Roofdier begint met alle holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of een dezer woningen op dit oogenblik
+als rustplaats dient voor een of twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit belooft, gaat hij er
+zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens door
+het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den
+nek boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen, glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter
+door het hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet
+een toeval haar redt.
+
+</p>
+<p>Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit
+het nest genomen Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen; men zegt dat sommige zoo tam worden,
+dat men hun toestaan kan, naar verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond volgen. Maar ook met op
+lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het temmen soms.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eenige dagen voor Kerstmis 1843,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Grill</span>, &#8220;kreeg ik een mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde
+oogen, de roodbruine neus en de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuwwitte vacht, die slechts aan den wortel en
+aan de binnenste helft van den staart een fraaie, zwavelgele tint vertoonde. Het was een allerliefst, uiterst beweeglijk diertje.
+Ik plaatste het aanvankelijk in een groote, onbewoonde kamer, waarin zich weldra de onaangename reuk verbreidde, die aan alle
+leden van het Martergeslacht eigen is. Zijn vaardigheid in het klimmen, springen en zich verbergen was bewonderenswaardig.
+Met gemak klauterde hij bij de venstergordijnen omhoog; als hij daarboven verschrikt werd, liet hij zich dikwijls met een
+angstkreet op den vloer vallen. Op den tweeden dag klom hij bij de kachelpijp op, en bleef daar, zonder iets van zich te laten
+hooren, totdat hij eindelijk, na verscheidene uren, met roet bedekt weer te voorschijn kwam. Dikwijls fopte hij mij uren achtereen,
+als ik hem zocht, totdat ik hem eindelijk verscholen vond op een plaats, waar ik hem het minst vermoedde. Daar er in de kamer
+niet gestookt werd, gebruikte hij een bedstede als leger, en koos voor zich een bepaalde plaats uit, die hij echter onmiddellijk
+verliet, als iemand de deur binnenkwam. Het bed bleef echter van nu af zijn liefste schuilplaats. Gewoonlijk zoekt hij dit
+op, als men snel op hem afgaat; wanneer men hem echter vriendelijk toespreekt en overigens geen beweging maakt, blijft hij
+dikwijls staan of gaat nieuwsgierig eenige schreden vooruit, waarbij hij zijn langen hals vooruitsteekt, en een van de voorpooten
+optilt. De nieuwsgierigheid van dit dier is algemeen bekend, en heeft aanleiding gegeven tot de in Zweden gebruikelijke spreekwijze:
+&#8216;het Wezeltje heeft er schik in, als men het prijst.&#8217; Als hij zeer opmerkzaam is, of als iets hem verdacht voorkomt en hij
+verder wil zien dan zijn geringe hoogte toelaat, gaat hij op de achterpooten <a id="d0e2759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2759">146</a>]</span>staan en richt het lichaam hoog op. Als men nadert, blaft hij, voordat hij vlucht, met een hard en schel geluid, dat nog het
+meest op de stem van den Grooten Bonten Specht gelijkt. Nog vaker verneemt men van hem een gesis als dat van een Slang.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen de Hermelijn op den derden dag in een groote kooi werd geplaatst, waaruit hij, naar hem duidelijk bleek, niet ontsnappen
+kon, en waar hij zich veilig achtte, liet hij niemand naderen, zonder naar de trali&euml;n te springen, hevig met de tanden te
+dreigen en het reeds genoemde geluid, gevolgd door een langen triller, die zeer veel op het tjakkeren van een Ekster geleek
+te laten hooren. In de kooi was hij niet bang voor den Hond, wiens geblaf hij beantwoordde, terwijl beide dieren dicht bij
+elkaar, maar ieder aan een andere zijde van de trali&euml;n, stonden. Als men een voorwerp, b.v. den vinger van een handschoen
+door de trali&euml;n stak, beet hij er in en trok er met kracht aan.
+
+</p>
+<p><a id="d0e2764"></a><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Als hij zeer boos is (en dit wordt hij reeds, als men hem van zijn leger opjaagt), staat elk haar van zijn langen staart overeind.
+Over &#8217;t geheel genomen is hij zeer boosaardig. Van muziek heeft hij een afkeer. Als iemand voor de kooi op de gitaar speelt,
+springt hij, alsof hij gek is, bij de trali&euml;n op, en blaft en sist zoolang als de muziek aanhoudt. Hij tracht nooit de klauwen
+voor het verscheuren van zijn prooi te gebruiken, maar pakt deze steeds met de tanden aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eerst op den 7den Mei, nadat ik het dier ongeveer 4&frac12; maand gehad had, beproefde ik hem te streelen, maar had uit voorzorg
+handschoenen aangetrokken. Hoewel hij zich hierin vastbeet, voelde ik de spitsen zijner tanden niet, en deze lieten dan ook
+geen sporen achter. In &#8217;t eerst trachtte hij mijne liefkoozingen te ontwijken; ten slotte bleek het echter duidelijk, dat
+zij hem welgevallig waren: hij ging op den rug liggen en sloot de oogen. Den volgenden dag herhaalde ik mijne pogingen, daar
+ik mij vast voorgenomen had, het dier zoo tam te maken, als mogelijk was. Weldra kon ik mij zonder handschoenen aan even veilig
+als vroeger met hem bezighouden. Hij liet zich gewillig streelen en krauwen, zoolang ik dit verkoos; ik kon hem den poot oplichten,
+ja zelfs den bek openen, zonder dat hij boos werd. Als ik echter zijn lichaam omvatte, gleed hij mij vlug en zonder inspanning
+als een Aal door de vingers. Om hem niet bang te maken, moest men hem zachtjes naderen; bij de behandeling van deze en andere
+wilde dieren komt het er vooral op aan te gelijker tijd te toonen, dat men niet bang is en dat men het dier geen kwaad wil
+doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vel van den Hermelijn levert bont, dat wegens zijn fraaiheid geschat wordt, maar niet duur is. Vroeger werd het alleen
+door vorstelijke personen gedragen; het is nu veel algemeener geworden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Nerts</span> en zijne naaste verwanten komen veel met den Bunzing overeen; zij verschillen van dezen alleen door den iets platteren kop,
+de meerdere grootte van de knobbelkies, de korte pooten, de spanvliezen tusschen de teenen, die vooral aan de achterpooten
+duidelijk zichtbaar zijn, den naar verhouding iets langeren staart en het glanzige, met dicht bijeengeplaatste, glad neerliggende,
+korte haren bedekte vel, hetwelk aan dat van den Vischotter herinnert, ook door de kleur, die zoowel van boven als aan de
+onderzijde effen bruin is. Behalve de Europeesche <span class="letterspaced">Nerts</span> beschrijven wij den Amerikaanschen <span class="letterspaced">Mink</span>. Tot in den laatsten tijd wist men van de levenswijze dezer beide dieren slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de
+bekend geworden onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort betreft. Aan de vriendelijkheid van een
+jachtliefhebber uit de omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze bekendheid met den Nerts; over den
+Mink hebben <span class="smallcaps">Audubon</span> en de <span class="letterspaced">prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> mededeelingen gedaan.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Nerts</span>, die ook wel <span class="letterspaced">Kreeftotter</span>, <span class="letterspaced">Steenhond</span>, <span class="letterspaced">Waterwezel</span> en bij Lubeck <span class="letterspaced">Menk</span> of <span class="letterspaced">Watermenk</span> (<i>Putorius lutreola</i>) wordt genoemd, bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart komen. Het lichaam is gerekt en slank;
+het rust op korte pooten, en gelijkt over &#8217;t geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is echter nog slanker dan bij
+dit verwante dier. De voeten gelijken op die van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door vliezen
+met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine
+kleur, waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter
+aan den nek en op het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart zijn gewoonlijk donkerder dan die
+van de zijden van den romp. Aan de buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of witachtige vlek bevindt
+zich aan de keel; de bovenlip is van voren, de onderlip over hare geheele lengte wit.
+
+</p>
+<p>Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den <span class="letterspaced">Mink</span> (<i>Putorius vison</i>), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en zachter is.
+
+</p>
+<p>Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij
+wenschelijk voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den Nerts een overzicht van de belangrijkste
+feiten uit de mededeelingen van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te laten voorafgaan.
+
+</p>
+<p>Na den Hermelijn is, volgens <span class="smallcaps">Audubon&#8217;s</span> bericht, de Mink het ijverigste en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den Eenden-vijver van den landman
+zwerft; de aanwezigheid van een of twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen van verscheidene jonge
+Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel om den schadelijken roover kwijt te raken. <span class="smallcaps">Audubon</span> ondervond dit zelf bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in den steenen dam van een kleinen
+vijver had genesteld. De vijver was eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water, aangelegd, en bood
+dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht bij het
+huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten afdalen om te drinken. V&oacute;&oacute;r het hol lagen twee groote stukken
+graniet; zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in
+dag uit uren lang op de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en Eenden, totdat onze berichtgever
+aan zijn bedrijf een einde maakte, na lang op hem geloerd te hebben.
+
+</p>
+<p>Vooral aan den Ohio trof <span class="smallcaps">Audubon</span> den Mink zeer veelvuldig aan; hij merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en Ratten. Behalve met
+dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst bezig.
+Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter,
+jacht op de <a id="d0e2839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2839">147</a>]</span>snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders;
+wanneer de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen,
+Vinken en Eenden, aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt hij Oesters in en van den bodem
+der rivieren haalt hij schelpdieren op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats in te richten en altijd
+iets buit te maken. Als hij beangst is, verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk.
+
+</p>
+<p>De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van April in holen onder overhangende oevers of op kleine
+eilandjes, in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er
+mede omgaan als met schoothondjes. <span class="smallcaps">Richardson</span> zag er een in het bezit van een Canadeesche vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich droeg.
+
+</p>
+<p>De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid
+van zijn leven heeft hij echter een goed schot noodig.
+
+</p>
+<p>Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds <span class="smallcaps">Wildungen</span> zegt in zijn &#8220;Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers,&#8221; voor het jaar 1799, dat de Moerasotter een in Duitschland
+zeer zeldzaam, aan menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is,&#8212;dat hij reeds lang gewenscht had, nader
+met dit dier bekend te worden, en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide zorg van Graaf <span class="smallcaps">Mellin</span> te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker deelt hij eenige waarnemingen mede. &#8220;Door zijn loopen met gekromden rug, door
+zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend
+in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht, klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone
+Vischotter, een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter schranderheid
+aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de
+Marter en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt; dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen;
+ik heb nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen,
+Kreeften, Slakken; waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen ten buit. Door den verlokkend hoogen
+prijs van zijn vel, dat ook in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer wordende dier zeer in de hand
+gewerkt; indien de thans heerschende zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het niet onmogelijk,
+dat deze diersoort ook in Pommeren, waar <span class="smallcaps">Mellin</span> haar heeft weggenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1147.jpg" alt="Nerts (Putorius lutreola). &#8531; v. d. ware grootte." width="512" height="316"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Nerts</span> (<i>Putorius lutreola</i>). &#8531; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In deze mededeelingen is eigenlijk alles bevat, wat wij tot dusver van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland
+geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden, maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts
+komt in Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten
+van Europa: Finland, Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den Oeral, van den Dwina tot de Zwarte
+Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In Bessarabi&euml;, Zevenburgen en Galici&euml; leeft hij ook. In Moravi&euml; behoort hij tot de zeer zeldzame
+dieren; in Silezi&euml; wordt hij nu en dan gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover echter iets bepaalds
+te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber, van den
+houtvester <span class="smallcaps">Claudius</span>, berichten over dit dier ontving:
+
+</p>
+<p>&#8220;De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een
+hol in een damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest; hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij
+het water, en voorziet het met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen in een andere richting of gangen
+naar naburige dammen worden hier niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is, zich in geen geval te water
+begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent, stort <a id="d0e2878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2878">148</a>]</span>de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in &#8217;t water en wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich
+op deze wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in &#8217;t water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte
+blijft en steeds op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is hij in het water, zelfs wanneer dit
+beperkte afmetingen heeft, veilig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jaren zijn voorbijgegaan, voordat <span class="smallcaps">Claudius</span>, en door zijn tusschenkomst ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een levenden Nerts. Eerst in het
+begin van 1868 kon mijn ijverige vriend mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij hem gebracht was;
+het dier werd met melk en versch vleesch gevoed en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de bedaarde
+gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. &#8220;De Nerts is,&#8221;
+zoo schreef <span class="smallcaps">Claudius</span> mij, &#8220;veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet
+eens op mij; hij laat zich met een stokje over &#8217;t vel strijken zonder boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen
+kant van de kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften
+te verrichten; des nachts wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene malen met geweld is losgebroken.
+Alleen de eerste maal vond ik hem echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen; later vond ik hem,
+als hij &#8217;s nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was, des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk
+uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen, en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger
+liet aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam, zond <span class="smallcaps">Claudius</span> hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende, bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing
+in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd, dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik
+mag wel zeggen, dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel genoegen veroorzaakte, als die van dezen
+zeldzamen, reeds jaren lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem in den besten welstand behouden.
+Hij verlaat zijn leger eerst vrij laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich gedurende den nacht
+in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af, en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin men
+over &#8217;t algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van
+den nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover
+ik hierover kan oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte opgesloten gevangene, nog het meest
+op die van den Bunzing. Hij heeft volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid in &#8217;t klimmen, die
+bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen, dat hij
+geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik
+in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk
+gesplitst, om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk
+nader, pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn
+hol.
+
+</p>
+<p>Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel, hoewel <span class="smallcaps">Claudius</span> meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het
+heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter
+tracht zelfs in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van het element, waarin hij zich t&#8217;huis gevoelt:
+de Nerts denkt hier niet aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in te baden of er in te spelen.
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Veelvraat</span>, een van de plompste vormen van de familie der Marters, vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (<i>Gulo</i>), dat de volgende kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en zeer ruig, de hals dik en kort,
+de rug omhoog gebogen, de kop groot, de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en sterk, de plompe
+voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Veelvraat</span> (<i>Gulo borealis</i>) is 95 cM. &agrave; 1 M. lang, waarvan 12 &agrave; 15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 &agrave; 45 cM. hoog. Op den snuit zijn de
+haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig, aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm,
+het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte
+met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze
+vlek; een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het
+wolhaar is grijs, aan de onderzijde meer bruin.
+
+</p>
+<p>De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem
+door geheel Noord-Azi&euml; en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op
+lagere breedte gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de Alpen uit. <span class="smallcaps">Bechstein</span> verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein in Saksen, <span class="smallcaps">Zimmermann</span> van een anderen, die bij Helmbstedt op Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als verdwaalde dieren
+beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts kwam.
+Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland (vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberi&euml;,
+Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied.
+
+</p>
+<p>De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit
+dier in vele talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men heeft zich tevergeefs beijverd het woord
+Veelvraat uit het Zweedsch of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit &#8220;fj&auml;l&#8221; en &#8220;fr&auml;sz&#8221; en &#8220;rotskat&#8221;
+beteekent; <span class="smallcaps">Lenz</span> zegt echter, dat het woord <a id="d0e2929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2929">149</a>]</span>&#8220;fj&auml;lfr&auml;sz&#8221; als diernaam in &#8217;t geheel niet tot de Zweedsche taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het
+uit het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier <span class="letterspaced">Kampi</span>, waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen <span class="letterspaced">Rosomacha</span> of <span class="letterspaced">Rosomaka</span>, bij de Skandinavi&euml;rs <span class="letterspaced">Jerf</span>; de Kamtschadalen noemen het <span class="letterspaced">Dimug</span> en de Amerikanen <span class="letterspaced">Wolverene</span>. Hoogst waarschijnlijk is de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over dit dier de ronde deden, en
+het is door letterlijke vertaling van de eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft, zou instemmen
+moeten met het oude kinderrijmpje:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;De Veelvraat heet zoo, &#8217;t is gewis,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Omdat hij zeer vraatzuchtig is.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p><span class="smallcaps">Michow</span> zegt n.l.: &#8220;In Litauen en Moskovi&euml; leeft een dier, dat zeer vraatzuchtig is en <span class="letterspaced">Rosomaka</span> heet. Het is zoo groot als een Hond, heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen romp en een staart
+als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt, vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan
+wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door, om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw
+en wringt zich nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden is. Het schijnt verder niets te doen dan
+te vreten, te drinken en dan weer te vreten.&#8221; Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door <span class="smallcaps">Steller</span> weersproken, terwijl reeds door <span class="smallcaps">Pallas</span> een juiste levensbeschrijving van dit vreemdsoortige dier gegeven werd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1149.jpg" alt="Veelvraat (Gulo borealis). &#8537; v. d. ware grootte." width="512" height="508"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Veelvraat</span> (<i>Gulo borealis</i>). &#8537; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de
+voorkeur boven de ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken, ofschoon hij ook hier gevonden wordt.
+In de minst bezochte wildernissen houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een andere woning telkens
+als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt, verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft, zoowel
+in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel
+hij, evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust
+wordt, niet aan een bepaalden regel; ook bij &#8217;t zonlicht sluipt hij rond; hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet,
+in de noordelijkste gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag en nacht boven de kim blijft.
+
+</p>
+<p>In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd
+te slapen, stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw te loopen; daar hij niet keurig is op zijn
+voedsel, leidt hij over &#8217;t algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te komen. De wijze, waarop
+hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig; vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende dieren. Deze
+bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij
+hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot
+staan te brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt
+hij, dicht tegen den stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem langs <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">150</a>]</span>gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp.
+
+</p>
+<p>Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen, die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan
+hij een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft
+hij bijna niet naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne rooftochten, in de hoop iets van hun buit
+te kunnen rooven. In geval van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat hij Rendieren, en zelfs Elanden
+aanvalt en doodt. <span class="smallcaps">Thunberg</span> vernam, dat hij zelfs koeien om &#8217;t leven brengt, door haar den strot te verscheuren. <span class="smallcaps">L&ocirc;wenhjelm</span> vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland, dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. <span class="smallcaps">Erman</span> hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt en door beten doodt. Mijn jachtgezel <span class="smallcaps">Erik Swenson</span> verhaalde mij, dat de Veelvraat zich in Skandinavi&euml;, vooral als de sneeuw zeer hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de
+plaatsen begeeft, waar de Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en zonder moeite doodt. De jagers
+haten hem in hooge mate. Mijn geleider verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet zorgvuldig onder steenen
+verborgen had, gedurende zijn afwezigheid door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het lokaas uit de vallen
+op, en verslindt de hierin gevangen dieren ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberi&euml; en Amerika. In de hutten der
+Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en
+rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen, verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard
+worden, en vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende den winter is hij bij dag en bij nacht in de
+weer; als hij vermoeid is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen, en rust in deze nu warme slaapplaats
+op zijn gemak uit.
+
+</p>
+<p>Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een
+tweeden maaltijd dienst te kunnen doen.
+
+</p>
+<p>Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd
+en gedood, ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten het echter zeer hoog, en zijn van oordeel,
+dat geen huid beter dan deze voor bont geschikt is.
+
+</p>
+<p>In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon
+sterk, woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen, als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk
+neemt hij bij &#8217;t zien van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen, in een boom, of zoekt een toevlucht
+op de hoogste rotspunten, waar zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij in vlakke, boomlooze landstreken
+spoedig ingehaald; ook tegen hen verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid.
+
+</p>
+<p>Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw
+aan een paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer, schudt intusschen den kop en laat een grommend
+geluid hooren. Als er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn,
+is hij toch voortdurend in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een en dezelfde plaats. Een boom, die
+in zijn kooi staat, beklimt hij met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de merkwaardige gymnastische
+toeren, die hij in de takken verricht.
+
+</p>
+<p>De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen
+dierentuin waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier, n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er
+op zeer jeugdigen leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker schepsels denken dan de beide jonge
+dieren waren. Zeer zelden kwam het voor, dat zij zich gedurende korten tijd rustig hielden; het grootste deel van den dag
+sleten zij met spelen, waarmede zij oorspronkelijk volstrekt geen booze bedoeling gehad schenen te hebben, maar die spoediger
+ernstiger werden en van tijd tot tijd in een tweegevecht ontaardden, waarbij de beide helden <a id="d0e3007"></a><span class="corr" title="Bron: gebrnik">gebruik</span> maakten van hun gebit en hunne klauwen. Als het spel uit was, draafden de beide plompe dieren achter elkander aan, doorkruisten
+hun hok in allerlei richtingen, doorsnuffelden alle hoeken en gaten, wierpen de etens- en drinkbakken het onderste boven,
+ergerden de brave schoonmaaksters, die hun kooi moesten schoonmaken, door hun nimmer verflauwden ijver in het onderzoeken
+van voorwerpen en gereedschappen, waarmede zij niets te maken hadden, werden nogmaals boos op elkander en hervatten het oude
+spel, dat oplettende toeschouwers uren lang kon boeien. Geheel anders gedroegen zij zich in tegenwoordigheid van den oppasser,
+die hun voedsel bracht. Van alle middelen, waardoor een dier zijn honger te kennen kan geven, maakten zij gebruik. De oorsprong
+van den naam Veelvraat werd mij, toen ik ze voor de eerste maal zag voederen, op eens duidelijk. Jankend, huilend, knorrend,
+keffend, tandenknarsend renden zij, elkander af en toe op oorvegen onthalend, de kooi rond, alsof zij dol en van zinnen waren;
+begeerig keken zij naar het vleesch, wentelden zich, als de oppasser het hun niet oogenblikkelijk toereikte, als &#8217;t ware vol
+wanhoop over den grond, schoten, zoodra het stuk hun toegeworpen werd, er gretig op af, en kauwden nu, terwijl zij druk smakten,
+knorden en bliezen, zoo ijverig, slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen, of de sprookjes van
+de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het gedrag van
+zulke gevangene Veelvraten.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>In Brazili&euml; leven de <span class="letterspaced">Huronen</span> of <span class="letterspaced">Grisons</span> (<i>Galictis</i>). Deze slank gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken, van achteren verbreden kop, die bij
+het begin van den snuit slechts weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk groote oogen; de romp rust
+op korte pooten, welker matig groote voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte, eeltachtige zolen hebben;
+de staart is middelmatig of tamelijk lang; het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat der overige
+Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot
+nu toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al
+hunne bewegingen, klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine en middelmatig <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">151</a>]</span>groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten zijn
+de <span class="letterspaced">Tayra</span> der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen <span class="letterspaced">Hyrare</span> noemen, (<i>Galictis barbara</i>), en de <span class="letterspaced">Grison</span> (<i>Galictis vittata</i>).
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande tweede onderafdeeling van de Marter-familie <span class="letterspaced">Dassen</span> (<i>Melidae</i>) en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen
+reuk onderscheiden.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Das</span> is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige, slecht gehumeurde persoon, die als &#8217;t ware met zichzelf in strijd
+verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen, hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt,
+niet miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als
+de Wolf of de Vos, zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de jachtliefhebbers, die toch, zooals
+bekend is, het meest houden van de dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig beschuldigen en
+veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk
+en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem
+geveld wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien
+zoo op zijn gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden
+te doen verwerven. Wat mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne levenswijze en zijn voorkomen
+vermaken mij.
+
+</p>
+<p>Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen
+en kleine, maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen aan de voorpooten, een korte, behaarde staart,
+een dichte, grove vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen klierzak leidt, kenmerken het geslacht
+<i>Meles</i>, dat door den Das wordt vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral de buitengewone grootte van
+de eenige knobbelkies in de bovenkaak en de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in &#8217;t oog.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1151.jpg" alt="Das (Melus taxus). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="453"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Das</span> (<i>Melus taxus</i>). 1/7 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Das</span> (<i>Meles taxus</i>) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer 30 cM.
+Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren
+bestaande vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd,
+omdat ieder haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan
+de zijden van het lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen en de voeten zwartachtig bruin. De
+kop is wit, maar een doffe, zwarte streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt zich over de oogen
+en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes door hare
+geringere grootte en breedte, alsook door de <a id="d0e3080"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3080">152</a>]</span>lichtere kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude
+dieren dikwijls door de namen &#8220;Hondsdassen&#8221; en &#8220;Varkensdassen&#8221; wegens den vorm van den snuit. Volkomen witte Dassen zijn zeer
+zeldzaam; nog zeldzamer zijn die, welke op een witten grond donker kastanjebruine vlekken hebben.
+
+</p>
+<p>Met uitzondering van het eiland Sardini&euml; en het noorden van Skandinavi&euml; bewoont de Das geheel Europa, zoo ook Azi&euml; van Syri&euml;
+af door Georgi&euml; en Perzi&euml; tot in Japan, en Siberi&euml; tot aan den Lena. Vroeger kwam hij vrij algemeen in ons geheele land voor,
+nu is hij bijna overal zeldzaam, en vermindert daarenboven van jaar tot jaar; in Gelderland en Noord-Brabant is hij het algemeenst,
+in de meeste streken van Utrecht, Overijsel, Drente, Groningen zeldzaam. Hij leeft eenzaam in holen, die hij zelf met zijne
+sterke, kromme klauwen aan de zonzijde van met bosch begroeide heuvels uitgraaft, met 4 &agrave; 8 uitgangen en luchtgaten voorziet,
+en van binnen op de gemakkelijkste wijze inricht. Het voornaamste gedeelte van de woning, de kamer, die met verscheidene,
+ieder 8 &agrave; 10 M. lange gangen in gemeenschap staat, is meestal 1&frac12; &agrave; 2 M., soms wel 5 M. diep onder de oppervlakte gelegen,
+en zoo groot, dat zij een dik, zacht moskussen en het dier zelf benevens zijne jongen bevatten kan. Slechts weinige gangen
+dienen om in en uit het hol te komen, de meeste doen alleen in geval van grooten nood dienst als vluchtwegen of ook als luchtgangen.
+Overal heerscht de grootste zindelijkheid en reinheid; hierdoor onderscheidt het hol van den Das zich van bijna alle overige
+dergelijke onderaardsche woningen van Zoogdieren. Boschranden, die niet ver van vlakten gelegen zijn, ja zelfs boomlooze hellingen
+te midden van een vlakte worden bij voorkeur voor het aanleggen van deze woningen gebruikt; altijd echter zijn het stille
+en eenzame plaatsen, die de kluizenaar hiervoor uitkiest. Hij houdt er van, een rustig en gemakkelijk leven te leiden en vooral
+om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals
+eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige minuten in den bodem verschuilen.
+
+</p>
+<p>In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij
+zich er op grooten afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in &#8217;t midden van den zomer ook wel in de laatste uren van
+den namiddag voor zijn genoegen buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op R&uuml;gen op klaarlichten dag
+ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter tot de zeldzaamheden. &#8220;Van een jager,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, &#8220;die het zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen
+wij een merkwaardig verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van een Das, dat aan den rand van een
+ravijn aangelegd was en dus van de overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was blijkbaar een druk
+gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer en zoo vastgetreden,
+dat men niet zien kon, of er jongen in het hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de tegenoverliggende
+zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept, nederzat,
+maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo
+vaak hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl
+het daar zoo zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk
+op de wijze van de Beren op de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn zoete rust op wreede wijze
+verstoord door bloeddorstige parasieten, die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en klauwen ter
+verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das, die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem
+gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens
+op zijn breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had,
+naar het scheen, ergens de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle richtingen, zonder evenwel iets
+te kunnen ontdekken. Toch scheen hij het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom zijn hol binnen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het
+jaar bewoont hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude,
+uitgestrekte woningen dringt de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren bekommeren zich echter niet
+veel om elkander; de Vos bewoont steeds de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door zijne uitwerpselen
+den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje.
+
+</p>
+<p>De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar &#8217;t schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij
+op zijn vlugst loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier
+maakt een eigenaardigen indruk. In &#8217;t eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een Roofdier houden; men moet, naar
+het mij voorkomt, al eenigermate met zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor wat hij is. Aan het
+Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem.
+
+</p>
+<p>Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen,
+bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe,
+lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn, en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken
+van de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond
+leven. Hier en daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met larven gevulde en honigzoete raten op,
+zonder zich veel te storen aan de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid en de daaronder gelegen
+vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen, Vlinders en dergelijke
+dieren, zoekt hij van de boomen af. In den herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen wel afgevallen
+ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij eet zelfs
+Hagedissen, Kikvorschen en Slangen. In de <a id="d0e3095"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3095">153</a>]</span>wijnbergen richt hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken zonder bezwaar met de pooten om en eet
+zich letterlijk dik aan hunne zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de boerderijen, die in de
+onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen, want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom alleen
+dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over
+&#8217;t geheel genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in
+Europa niet aan, in alle gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door het wegvangen en verslinden
+van allerlei ongedierte in bosch en veld, er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste; hij helpt
+het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen: de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich
+zelf en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd.
+
+</p>
+<p>Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door
+te brengen en maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt bladen in zijn hol en maakt er een warm
+en dicht leger van. Totdat de eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden voorraad. Nu rolt hij zich
+samen, gaat op den buik liggen, steekt den kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt echter, evenals
+die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij dooi
+en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms zelfs &#8217;s nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk
+warm weder begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit
+te graven en, als het geluk hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het vasten bekomt hem echter slecht;
+als hij in de lente weder voor den dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een rond buikje kon verheffen,
+bijna zoo mager als een geraamte geworden.
+
+</p>
+<p>In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het wijfje 3 &agrave; 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger
+van mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das
+is even zoo goed een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na
+den zoogtijd zoo lang Wormen, wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf voedsel te zoeken.
+
+</p>
+<p>Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van
+het hol, ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander;
+zij die zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten, roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst
+blijven de jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren
+geheel volwassen; zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar.
+
+</p>
+<p>De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig
+werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem
+dood als hij er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt
+hij aan dit dreigend gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou, voor de Honden te vluchten. Hij
+tracht zich daarom, als hij in zijn hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar zeer snel zich dieper
+ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan men
+den Das ook wel op den &#8220;aanstand&#8221; (d. i. van een schuilhoek uit) beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst
+vervelend, want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs.
+
+</p>
+<p>Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig
+voor goede behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch en boosaardig. Over dag verroeren zij zich
+niet, alleen &#8217;s nachts komen zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en zijn gevaarlijk, door iedereen
+te bijten, die hen onvoorzichtig nadert.
+
+</p>
+<p>Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend
+of hoofdzakelijk plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht; zelfs kan hij er toe gebracht worden
+zijn oppasser te volgen en op diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren.
+
+</p>
+<p>Over een getemden Das schrijft <span class="smallcaps">Ludwig Beckmann</span> mij: &#8220;Ik heb vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was geworden. <span class="letterspaced">Kaspar</span>, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd, was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij wilde graag
+met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename
+ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige, verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend
+had met allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie avonden echte kampspelen op; van heinde en
+ver kwamen dierenliefhebbers mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond hoofdzakelijk hierin,
+dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder staanden
+Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong
+over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen.
+Gelukte het den Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige vechtpartij, die echter nooit in een
+ernstigen strijd ontaardde. Als het <span class="letterspaced">Kaspar</span> te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan,
+zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging
+het haar en het geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen met den kop te hebben geschud en na een
+kalmeerend geknor, dat als &#8216;hoe, goe, goe, goe&#8217; klonk, begon het lieve leven weer van voren af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn,
+bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop
+nieuwsgierig <a id="d0e3122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3122">154</a>]</span>in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst, gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong
+dan den Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden
+kop op mijne knie&euml;n, en eischte nu met het gewone &#8216;hoe, goe, goe, goe&#8217; een stukje vleesch, dat hij zeer behendig en zachtjes
+met de voortanden van den vork trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat op den rug te leggen en
+den breeden schaars behaarden buik aan de warmte bloot te stellen.
+
+</p>
+<p>&#8220;In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde,
+en bij iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij
+een bruine Aardslak met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep vlak achter mijne hielen; hij begon
+dan in den regel spoedig aan mijn broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet moedigde hem slechts
+aan om met zijne lompe grappen voort te gaan; de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer uit zijn
+humeur.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een ander geslacht is dat der <span class="letterspaced">Honigdassen</span> (<i>Mellivora</i>). Het bevat dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart; de romp is plomper dan bij onzen Das en diens
+naaste verwanten, als &#8217;t ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat, de snuit lang; de kleine oorschelpen
+verheffen zich slechts weinig boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke pooten hebben naakte zolen;
+de teenen van de voorpooten zijn met lange, voor &#8217;t graven geschikte klauwen voorzien.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Honigdas</span> of <span class="letterspaced">Ratel</span> (<i>Mellivora capensis</i>) bereikt in volwassen toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer langen staart ongeveer 25 cM.
+komen. Het haar is lang en stijf; het voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart zijn aschgrauw,
+de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur,
+scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in;
+vooral door het bezit van deze streep onderscheidt de <span class="letterspaced">Afrikaansche Honigdas</span> zich van den <span class="letterspaced">Indischen</span>.
+
+</p>
+<p>De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit
+soort van werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien
+hij niet de kunst verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk
+een hol te graven, dat hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op hem afkomende vijand dichtbij genoeg
+is om hem te grijpen. Hij leidt een nachtelijke levenswijze en gaat over dag slechts zelden <a id="d0e3157"></a><span class="corr" title="Bron: oproof">op roof</span> uit. Op onzen jachttocht naar de Bogoslanden, zagen wij hem tweemaal, telkens tegen den avond, maar toch voordat de zon was
+ondergegaan. Des nachts daarentegen zwerft hij langzaam en op zijn gemak rond en maak jacht op kleine Zoogdieren (n.l. Muizen,
+Springmuizen enz.), Vogels, Schildpadden, Slakken en Wormen, graaft wortels en knollen uit, of zoekt vruchten op. E&eacute;n liefhebberij
+bepaalt zijn geheele levenswijze: hij is namelijk hartstochtelijk verlekkerd op honig en om deze reden een der ijverigste
+bijenjagers.
+
+</p>
+<p>In de boomlooze gewesten van Afrika bouwen de Bijen hare nesten hoofzakelijk in den grond en wel in verlaten holen van allerlei
+aard, zooals sommige Hommels en Wespen bij ons doen. Zulke nesten nu zijn voor den Honigdas de meest gewenschte vondst; zoodra
+hij zulk een schat ontdekt heeft, gaat hij hem onmiddellijk vol ijver opgraven. De Bijen verweren zich zoo goed zij kunnen
+en trachten den aanrander met haar angel zooveel mogelijk te wonden; zijn dicht behaarde, zeer dikke huid is echter tegen
+bijensteken het beste schild dat er bestaat, omdat zij zoo losjes verbonden is met de daaronder liggende vetlaag als waarschijnlijk
+bij geen ander dier. Men beweert, dat de Ratel zich letterlijk in zijn vel zou kunnen omdraaien. De Bijen zijn volkomen machteloos
+tegenover zulk een vijand en deze woelt nu gretig in hare woningen rond en verkwikt zich naar welgevallen aan haren kostelijken
+inhoud.
+
+</p>
+<p>De Ratel maakt trouwens niet alleen op honig jacht, maar houdt ook van krachtiger voedsel. <span class="smallcaps">Carmichael</span> zegt, dat de Honigdas door de eigenaars van hoenderhokken als een van de schadelijkste dieren wordt beschouwd. Bij de Algoa-baai
+betwisten eens eenige Boeren elkander het eigendomsrecht op de eieren, die door de Hoenderen verlegd waren. De Ratel maakte
+in &eacute;&eacute;n nacht aan dezen strijd een einde door eenvoudig alle Hoenderen, omstreeks 30 stuks, de keel door te bijten en drie
+er van in zijn hol te sleepen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Indische Honigdas</span> (<i>Mellivora indica</i>) komt, wat levenswijze betreft, met den Afrikaanschen overeen; ook hij is wegens het bezoeken van hoenderhokken zeer schadelijk.
+Hij is over geheel Indi&euml; ten westen en noordwesten van de golf van Bengalen tot aan den voet van den Himalaja verbreid, met
+uitzondering echter van de kust van Malabar en van Beneden-Bengalen. Op Ceylon komt hij niet voor.
+
+</p>
+<p>Jong gevangen Ratels worden tam en zijn zeer vermakelijk door de plompheid en zonderlingheid van hunne bewegingen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Stinkdas</span>, op Sumatra <span class="letterspaced">Tellego</span> of <span class="letterspaced">Teledoe</span>, op Java <span class="letterspaced">Segoeng</span>, op Borneo <span class="letterspaced">Sa&auml;t</span> genoemd, (<i>Mydaus meliceps</i>, p. 155), is, zonder het ongeveer 2 cM. lange staartstompje, 35 cM. lang. Het dicht en lang behaarde vel is, met uitzondering
+van het achterhoofd en den nek, effen donkerbruin van kleur. Een witte of geelachtig witte streep loopt langs den rug tot
+aan de staartspits. De onderzijde van het lichaam is lichter gekleurd dan de bovenzijde. De vacht bestaat uit zijdeachtig
+zachte wolharen en grof bovenhaar, dat aan de zijden en op den nek een soort van manen vormt. De Stinkdas bewoont Sumatra,
+Java en Borneo; of hij ook op het Maleische Schiereiland en andere deelen van het vastland voorkomt, is nog niet uitgemaakt.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Horsfield</span> heeft ons voor &#8217;t eerst de levenswijze van dit eigenaardige dier leeren kennen. Zijn woning legt de Stinkdas met groote voorzichtigheid
+en veel behendigheid op geringe diepte onder de oppervlakte aan. Als hij een plaats heeft gevonden, die door lange en stevige
+boomwortels goed beveiligd is, graaft hij tusschen de wortels een hol, zoodat de bolvormige kamer, <a id="d0e3205"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3205">155</a>]</span>die bijna 1 M. middellijn heeft en regelmatig uitgegraven wordt, onder den boom komt te liggen. Van hier uit leiden gangen
+van ongeveer 2 M. lengte naar de oppervlakte; zij zijn naar verschillende zijden gericht en hunne openingen zijn gewoonlijk
+onder takken en droge bladen verborgen. Gedurende den dag blijft hij in zijn hol verscholen; na het invallen van den nacht
+begint hij jacht te maken op allerlei larven en Wormen, vooral Aardwormen, die in de vruchtbare teelaarde in buitengewoon
+grooten getale voorkomen. Hij wroet de Regenwormen als een Zwijn uit den grond, en richt hierdoor op de akkers schade aan.
+Volgens <span class="smallcaps">Horsfield</span> is hij op Java uitsluitend beperkt tot hoogten die meer dan 2000 Meter boven den zeespiegel liggen, en komt hier even geregeld
+voor als sommige plantensoorten. Door latere onderzoekers wordt deze mededeeling echter uitdrukkelijk weersproken. <span class="smallcaps">Karl Bock</span> verzekert, dat de Sa&auml;ts, die in Zuidoostelijk Borneo &#8220;even overvloedig zijn als de Ratten,&#8221; daar gevonden worden op hoogten,
+&#8220;die <a id="d0e3213"></a><span class="corr" title="Bron: 80 of 100">800 of 1000</span> voet niet te boven gaan. Ook op Sumatra,&#8221; zegt hij verder, &#8220;bedraagt de grootste hoogte, waarop de Sa&auml;t wordt aangetroffen,
+geen 1000 voet, en op deze hoogte komt hij slechts zelden voor.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1155.jpg" alt="Stinkdas (Mydaus meliceps) &frac14; v. d. ware grootte." width="512" height="317"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Stinkdas</span> (<i>Mydaus meliceps</i>) &frac14; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Alle bewegingen van den Stinkdas zijn langzaam; hij wordt daarom dikwijls door de inboorlingen gevangen, die volstrekt niet
+bang voor hem zijn; naar gezegd wordt, eten zij zijn vleesch in de meening, dat ieder die dit durft doen, voortaan tegen ziekte
+gevrijwaard is.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Horsfield</span> gaf gedurende zijn verblijf in het gebergte Prahoe op Java aan de inboorlingen last hem voor zijne onderzoekingen Stinkdassen
+te verschaffen; deze werden hem in zoo groote menigte gebracht, dat hij er weldra geen enkele meer kon aannemen. &#8220;Men verzekerde
+mij,&#8221; zegt deze onderzoeker, &#8220;dat het vleesch van den &#8216;Teledoe&#8217; zeer goed smaakt; het was echter noodig, het dier schielijk
+te dooden en zoo spoedig mogelijk de stinkklieren te verwijderen, voordat deze hun helschen stank aan de overige lichaamsdeelen
+hadden medegedeeld. Van mijn Indischen jager vernam ik, dat de Stinkdas zijn stikvocht slechts op een afstand van hoogstens
+60 cM. kan spuiten. Dit vocht is kleverig; zijn werking berust op de gemakkelijkheid waarmede het verdamt; soms worden de
+omstreken van een dorp er geheel door verpest; in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze stof werd uitgespoten,
+is de stank zoo hevig, dat sommige lieden flauw vallen, als zij genoodzaakt zijn eenigen tijd daar te blijven. De Amerikaansche
+Stinkdieren verschillen van onzen Teledoe o. a. hierdoor, dat zij het vocht verder kunnen spuiten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Stinkdas is zachtaardig en vreedzaam van natuur en kan, als men hem jong vangt, gemakkelijk getemd worden. Een Exemplaar,
+dat ik gevangen hield, werd weldra zeer lieftallig, schikte zich in zijne gevangenschap, herkende zijn oppasser en geraakte
+nimmer in zulk een woede, dat hij van zijne stinkklieren gebruik maakte.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Men kan niet zeggen, dat eenig lid van de familie der Marters een aangenamen geur verspreidt; integendeel zelfs bij de inheemsche
+soorten zijn er, welker stank spreekwoordelijk is geworden. Wat beteekent echter de stank van onzen Bunzing in vergelijking
+met dien van eenige zijner in Amerika en Afrika levende verwanten en met dien van den zoo even beschreven Stinkdas uit het
+zuidoostelijke gedeelte van de Oude Wereld! Zij zijn de stinkers bij uitnemendheid! Als men leest, welk een afschuw zij kunnen
+inboezemen overal waar en zoodra zij zich vertoonen, begrijpt men eerst recht, welk een uitmuntend verweermiddel een echte
+stinkklier is. Alle Amerikaansche reizigers en natuuronderzoekers verklaren eenstemmig, dat het niet mogelijk is, de werking
+van het afscheidingsproduct der stinkklieren naar behooren te beschrijven. Geen scheikundig laboratorium, geen riool, geen
+kreng, verbreidt een stank zoo hevig, zoo onuitstaanbaar als dien, waaraan de (voor het uitwendige zoo sierlijke) <span class="letterspaced">Stinkdieren</span> hun naam te danken hebben; weken, zelfs maanden lang blijft hij gebonden aan het hiermede bezoedelde voorwerp. Men noemt
+dezen stank terecht een &#8220;pestlucht&#8221;; want iemand, die het ongeluk heeft, met een Stinkdier in aanraking te komen, wordt werkelijk
+door iedereen gemeden als ware hij een pestlijder. Ondanks hun geringe grootte zijn de Stinkdieren zulke vreeselijke en machtige
+vijanden van den mensch, dat zij ieder, dien zij met hun vreeselijk vocht bespuiten, in den letterlijken zin van &#8217;t woord
+uit de samenleving <a id="d0e3241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3241">156</a>]</span>verbannen; zij zijn dus bij machte hem een straf op te leggen, die al mee tot de zwaarste ontberingen behoort, die iemand
+kunnen ten deel vallen. Zij zijn in staat een huis geheel onbewoonbaar te maken, of een met de kostbaarste goederen gevulde
+schatkamer haar waarde te doen verliezen.
+
+</p>
+<p>De Stinkdieren onderscheiden zich van de overige Dassen door den aanmerkelijk slankeren romp, den langen, dicht behaarden
+staart, den grooten gezwollen neus, de zwarte grondkleur, die met witte banden geteekend is. De kop is klein in verhouding
+tot het lichaam en loopt spits toe; de kleine oogen hebben een doordringenden blik; de ooren zijn kort en afgerond; de korte
+pooten hebben matig groote voeten en vijf bijna geheel met elkander vergroeide teenen, die vrij lange, zwak gekromde nagels
+dragen; van de zool zijn minstens de eeltballen onbehaard. De beide stinkklieren hebben een aanzienlijken omvang en monden
+in den endeldarm uit; iedere klier bevat een holte ter grootte van een hazelnoot, bekleed met een klierlaag, die de gele,
+olieachtige vloeistof afscheidt, welke de holte vult en voorts omgeven door een dikke spierlaag, die door haar samentrekking
+het vocht verscheidene Meters ver voortstuwen kan. Van oude dieren en vooral van mannetjes heeft dit vocht, naar men zegt,
+een heviger werking, dan van wijfjes en jongen.
+
+</p>
+<p>De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten, die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven
+de uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten
+en in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren.
+Hun gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibi&euml;n, Vogels en kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels.
+Alleen als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner
+aarsklieren om hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste
+Katten op een behoorlijken afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn, den bedrijver van dit schelmstuk
+met ware doodsverachting te lijf gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende soorten komen in levenswijze
+met elkander overeen; wij kunnen daarom met de beschrijving van een of twee soorten volstaan.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1156.jpg" alt="Surilho (Mephitis suffocans). &frac14; v. d. ware grootte." width="512" height="412"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Surilho</span> (<i>Mephitis suffocans</i>). &frac14; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier, dat bij de Brazilianen <span class="letterspaced">Surilho</span> heet (<i>Mephitis suffocans</i>); het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart, en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening.
+Het dichte, lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te beginnen allengs langer wordt, verschilt in
+kleur van zwartachtig bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden
+door een strook ter breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch zelden ontbreken zij geheel, zoodat
+het dier effen zwart is. <span class="smallcaps">Hensel</span> verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho&#8217;s te vinden zijn, die volkomen overeenstemmen.
+
+</p>
+<p>De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch
+alleen in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid
+door de kleine, trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van &#8217;t bosch in den met gras begroeiden bodem maakt met
+het doel om Mistkevers te zoeken.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de slechts befaamde <span class="letterspaced">Skunk</span> (<i>Mephitis varians</i>). De lichaamslengte van dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de grondkleur van de glanzige
+vacht. Aan den neus begint een smalle, witte streep, die tusschen de oogen <a id="d0e3282"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3282">157</a>]</span>doorloopt, zich op het voorhoofd tot een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt en eindelijk in
+een band overgaat, die zich tusschen de schouders in twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en
+zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan
+de borst en den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken zich, zooals gezegd is, twee breede, witte
+overlangsche strepen uit; soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze over dit lichaamsdeel verdeeld.
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Skunk</span> is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed
+bekend, en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt;
+het veelvuldigst wordt hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich naar het zuiden verbreidt. Hij
+houdt zich in hoog gelegen gewesten op, voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers, ook wel in
+rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het gesteente bewoont.
+
+</p>
+<p>Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen, dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont.
+Al zijne bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar alleen gaan en huppelen. Bij &#8217;t gaan zet hij
+nagenoeg de geheele zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart benedenwaarts gericht. Af en toe wroet
+hij in den grond, of snuffelt rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet, blijft het rustig staan,
+licht den staart, op, draait zich om, en spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als de honden het
+staande houden, legt het, volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>, den staart als een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op hem aandringende vijanden, en maakt
+uit toorn zonderlinge, huppelende bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De honden kennen het gevaarlijke
+wapen van hun tegenstander zeer goed, en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige Honden hebben den
+moed, het Stinkdier te grijpen en te dooden. Nooit verspilt het aangevallen dier zijn pestvocht voorbarig; het bepaalt zich
+tot bedreigingen, zoolang de Honden eenige schreden ver van hem verwijderd blijven.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Audubon</span> ervoer de vreeselijkheid van het Stinkdier aan zichzelf. &#8220;Dit kleine, aardige diertje, dat er zoo onschuldig uitziet,&#8221; zegt
+hij, &#8220;is niettemin in staat om iederen praalhans door het eerste schot op de vlucht te jagen, en hem van angst te doen schreeuwen.
+Ik zelf heb eens als kleine schooljongen zulk een droevige ondervinding opgedaan. De zon was juist ondergegaan. Ik ging met
+eenige vrienden langzaam mijns weegs. Op eens zagen wij een allerliefst, ons geheel onbekend diertje, dat bedaard rondsloop,
+vervolgens staan bleef en ons aankeek, alsof het ons als een oude bekende opwachtte om ons gezelschap te houden. Het diertje
+zag er zoo onschuldig en aanlokkelijk uit; het hield zijn ruigen staart recht omhoog, alsof het hierbij aangevat en in onze
+armen naar huis gedragen wilde worden.&#8212;Ik was geheel verrukt, tastte vol blijde verwachting toe&#8212;en pats! daar schoot het duivelsche
+beest mij zijn pestvocht in den neus, in den mond, in de oogen. Als door den bliksem getroffen, liet ik het monster vallen
+en nam in doodsangst de vlucht.&#8221;
+
+</p>
+<p>De in Zuid-Amerika levende Stinkdieren verschillen, wat de krachtige werking van hun pestvocht betreft, volstrekt niet van
+de Noord-Amerikaansche.
+
+</p>
+<p>In de gevangenschap ledigen de Stinkdieren hunne klieren niet, wanneer men zich zorgvuldig wacht hen te plagen. Zij worden
+na korten tijd zeer tam en geraken eenigermate aan hun verzorger gewoon, ofschoon zij in &#8217;t eerst met het achterdeel naar
+hem gericht zich bewegen, den staart omhoog heffend, om voortdurend gereed te zijn den vijand de volle laag te geven. Hooi
+is hun liefste leger. Zij bereiden zich een gemakkelijk bed en rollen zich daarop als een bal ineen. Na het eten poetsen zij
+zich den snuit met de voorpooten; want zij zijn zindelijk en houden hun haar steeds netjes en glad; ook laten zij hun vuil
+nimmer op hun leger vallen. Zij worden met vleesch gevoed; het liefst eten zij Vogels.
+
+</p>
+<p>Het vel van den Skunk, waaraan men den onaangenamen reuk geheel kan ontnemen, vormt sedert 1860 een belangrijk handelsartikel.
+Ieder jaar worden ongeveer 600.000 van deze vellen (welker prijs &#402; 3.60 &agrave; &#402; 7.20 bedraagt) uitgevoerd, voornamelijk naar Rusland
+en Polen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>In Afrika vindt men in plaats van de Stinkdieren de <span class="letterspaced">Bandbunzingen</span>, die door hun vorm en andere uitwendige eigenschappen veel op de dieren van de vorige groep gelijken; hun gebit komt echter
+meer met dat van de Marters dan met dat van de Stinkdieren overeen. Zij hebben behaarde zolen.
+
+</p>
+<p>De best bekende soort van dit geslacht is de <span class="letterspaced">Zorilla</span>, de <span class="letterspaced">Muishond</span> van de Europeesche kolonisten in het Kaapland (<i>Rhabdogale mustelina</i>), een dier van 35 cM. lichaamslengte benevens 25 cM. staartlengte.
+
+</p>
+<p>Hij is over geheel Afrika verbreid, gaat ook nog verder dan de landengte van Suez, komt in Klein-Azi&euml; voor, en wordt zelfs,
+naar men zegt, in de nabijheid van Konstantinopel (natuurlijk alleen aan de Aziatische zijde van de zee&euml;ngte) aangetroffen.
+Bij voorkeur houdt hij zich in rotsachtige gewesten op. Hier leeft hij in spleten van het gesteente of in zelf gegraven holen
+onder boomen en struiken. Hij heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; hierdoor komt het, dat hij over &#8217;t geheel slechts
+zelden gezien wordt. Zijn voedsel bestaat uit kleine Zoogdieren, voornamelijk uit Muizen, kleine Vogels, vogeleieren, Amphibi&euml;n
+en Insecten. Niet zelden wordt hij gevaarlijk voor het pluimvee, omdat hij op de wijze van de Marters in de boerderijen sluipt
+en als een Bunzing moordt.
+
+</p>
+<p>Door zijne bewegingen gelijkt hij niet op de Marters; want hij is minder behendig en moet eerder traag genoemd worden. Het
+klimmen verstaat hij niet, en ook voor het water heeft hij een grooten afschuw, ofschoon hij, als het zijn moet, zeer goed
+zwemt. Zijne afschuwelijke wapens gebruikt hij geheel op dezelfde wijze als het Stinkdier.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In de derde onderfamilie van de Marters vereenigt men de <span class="letterspaced">Otters</span> (<i>Lutridae</i>). De hiertoe behoorende soorten, ongeveer 20 in getal, zijn gekenmerkt door den gestrekten, platten, op korte pooten rustenden
+romp, den platten kop met den stompen snuit, kleine, uitpuilende oogen en korte, ronde ooren, de zeer ontwikkelde zwemvliezen
+tusschen de teenen, den langen, spits toeloopenden, eenigszins plat gedrukten staart en het korte, stijve, gladde, glanzige
+haar. Hunne voor- en achterpooten hebben vijf teenen, de beide <a id="d0e3336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3336">158</a>]</span>middelste zijn slechts weinig langer dan de zijwaarts gerichte. In de aarsstreek komt geen klierzak voor; twee klieren monden
+echter naast de aarsopening uit. Door het gebit en den bouw van het geraamte geleken de Otters nog zeer op de overige Marters.
+Een zeer eigenaardig kenmerk, dat ook aan het geraamte zichtbaar is, levert echter de in &#8217;t oog loopend platte kop, welks
+breede schedel zich aan het voorhoofd sterk versmalt, en die in een korten snuit eindigt.
+
+</p>
+<p>De Otters bewonen de rivieren en de zee; zij zijn over bijna alle deelen der aarde, met uitzondering van Australi&euml; en de Poolgewesten,
+verbreid. Slechts door den nood gedwongen verwijderen zij zich van het water; ook dan doen zij dit alleen met de bedoeling
+om een ander water op te zoeken. Zij zwemmen en duiken meesterlijk, kunnen langen tijd onder water blijven, loopen ondanks
+hunne korte pooten tamelijk snel, zijn sterk, moedig en koen, verstandig en geschikt om getemd te worden; bijna overal leven
+zij echter op gespannen voet met den mensch, omdat zij dezen zooveel nadeel doen, dat de kostbare pels, die zij leveren, daarvoor
+op lange na geen vergoeding schenkt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Europa dient tot woonplaats aan een enkele soort van deze onderfamilie, de <span class="letterspaced">Otter</span> of <span class="letterspaced">Vischotter</span> (<i>Lutra vulgaris</i>), een Watermarter van ruim 1.2 M. lengte, waarvan 40 &agrave; 43 cM. op den staart komen. De kop is langwerpig rond, de snuit afgerond,
+de oogen klein maar vurig; de romp is vrij slank, maar plat, de staart meer of minder rondachtig, aan de spits sterk versmald;
+de zeer korte pooten, welker teenen met elkander verbonden zijn door zwemvliezen, die zich tot aan de klauwen uitstrekken,
+worden met de geheele zool op den grond gezet. Een dichte en kort aanliggende beharing, die uit stevig, stijf, glanzig bovenhaar
+van donkerbruine kleur bestaat, bedekt het lichaam; alleen aan de onderdeelen wordt de haarkleur iets lichter; onder den hals
+en aan de zijden van den kop gaat zij over in witachtig grijsbruin, terwijl de in &#8217;t haar verborgen rand van &#8217;t oor een lichtbruine
+kleur heeft; een lichte, wegsmeltende, witachtige vlek bevindt zich boven het midden van de onderlip; enkele onregelmatige,
+zuiver witte of witachtige vlekjes komen aan de kin en tusschen de onderkaakshelften voor. Sommige exemplaren hebben eer een
+grijsbruine dan een donkerbruine kleur.
+
+</p>
+<p>Onze Vischotter bewoont geheel Europa en bovendien het grootste gedeelte van Noord- en Middel-Azi&euml;; in oostelijke richting
+strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan den mond van den Amoer, zuidoostwaarts minstens tot aan de noordwestelijke
+gedeelten van den Himalaja. In de Poolgewesten dringt hij, naar het schijnt, niet ver noordwaarts door, toch vindt men hem,
+hoewel zelden, ook nog in Lapland; in Siberi&euml; komt hij niet binnen den Poolcirkel voor. In Indi&euml;, China en Japan wordt hij
+door nauw verwante soorten vervangen, in Afrika en Amerika door soorten, die men tot afzonderlijke onder-geslachten brengt.
+In Middel- en Zuid-Europa bewoont hij elk water, dat hem voedsel belooft, zelfs rivieren en beken van de volkrijkste gedeelten
+van sterk bevolkte staten; in Middel-Azi&euml; ontbreekt hij evenmin op plaatsen die voor hem geschikt zijn. De Indische Otter
+gaat zelfs in brak water en zeewater, leeft in de monden van rivieren en bezoekt nu en dan de zee.
+
+</p>
+<p>De Vischotter was voorheen in de groote en kleine wateren van ons geheele land vrij algemeen; hij wordt echter elk jaar zeldzamer
+en is in vele streken reeds geheel uitgeroeid. Het meest houdt hij van rivieren, welker oevers tot op grooten afstand met
+bosch begroeid zijn. Hier woont hij in onderaardsche gangen, die geheel naar zijn smaak en in overeenstemming met zijne gewoonten
+ingericht zijn. De ingang van het hol bevindt zich steeds onder water, gewoonlijk &frac12; M. onder den waterspiegel. Van hier gaat
+een ongeveer 2 M. lange gang in schuinsche richting naar boven, en komt uit in een ruime kamer, die geregeld met gras bekleed
+en steeds droog gehouden wordt. Een tweede, enge gang loopt van de kamer naar den bovenrand van den oever, en doet als luchtververschingskanaal
+dienst. Steeds heeft de Otter verscheidene woningen, tenzij het water, waarin hij zich ophoudt, buitengewoon rijk aan Visschen
+is, zoodat hij geen groote zwerftochten behoeft te ondernemen. Bij hoogen waterstand, als zijn hol overstroomd wordt, zoekt
+hij een schuilplaats op nabijgelegen boomen of in holle stammen, en rust hier uit; ook ontspant hij zich hier, als hij van
+zijn jachtterrein, van &#8217;t water, terugkomt.
+
+</p>
+<p>Aan eigenaars van vischwaters en aan hartstochtelijke hengelaars geeft de Otter, door de groote schade die hij aanricht, veel
+stof tot ergernis; voor den natuuronderzoeker levert hij echter een zeer aantrekkelijk onderwerp van studie op. Het leven
+van dit dier is zoo eigenaardig, dat het iederen vriend der natuur moet boeien. Aan den Vischotter is alles merkwaardig: zijn
+handel en wandel in &#8217;t water, zijne bewegingen, de wijze waarop hij zich voedsel verschaft, en zijne geestelijke vermogens.
+Ontegenzeggelijk is hij een van de belangwekkendste dieren van ons werelddeel. Dat hij een echt waterdier is, ziet men dadelijk,
+ook als hij zich op het land bevindt. Wegens zijne korte pooten gelijkt zijn gang, die echter volstrekt niet langzaam is,
+op het kruipen van een Slang.
+
+</p>
+<p>Geheel anders beweegt hij zich in &#8217;t water, zijn eigenlijke woonplaats, die hij bij de geringste aanleiding tot vluchten tracht
+te bereiken, om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke
+wijze te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen
+veranderde voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige
+pels&#8212;al deze eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het water mogelijk. Voor het grijpen van den buit
+dient hem het scherpe, voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp, hoe glad en glibberig het ook
+zij, nooit weder loslaat. In den winter, als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het ijs op, waardoor
+hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te vergissen
+weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat
+in &#8217;t ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in
+staat te stellen tot het jagen in het toegevroren water.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1159.jpg" alt="Vischotter (Lutra vulgaris)." width="512" height="335"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Vischotter</span> (<i>Lutra vulgaris</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding
+vindt tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van
+hem verneemt, als hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als de dikwijls en snel achtereenvolgens
+herhaalde klank &#8220;gierk&#8221;; het is zoo <a id="d0e3373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3373">160</a>]</span>schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.
+
+
+</p>
+<p>De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene
+honderden schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk een verschijning is voor hem steeds een reden
+om ten spoedigste naar het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan hij is blootgesteld, hebben hem
+zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan zonder hem waar
+te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig
+houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden
+tot op een afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen die aan groote rivieren of stroomen liggen,
+meestal zonder dat men van zijn aanwezigheid iets bemerkt.
+
+</p>
+<p>Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich
+bij andere wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen
+zij den stroom op, en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen terdege af; tevens bevisschen zij
+tot op een afstand van een mijl van hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier uitmonden of met
+haar in gemeenschap staan.
+
+</p>
+<p>In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water
+drijft hij de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt
+hen, door meermalen met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of onder steenen te verschuilen, waar
+zij hem dan zeker ten buit vallen.
+
+</p>
+<p>De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn
+lievelingsspijs zijn.
+
+</p>
+<p>Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd,
+bij ons gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den
+waterkant op een zacht en warm leger van gras 2 &agrave; 4 blinde jongen. De moeder betoont hun veel liefde en verpleegt ze met de
+grootste zorgvuldigheid. In het derde levensjaar zijn zij volwassen.
+
+</p>
+<p>Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken
+een soort van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.
+
+
+</p>
+<p>Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een
+trouwe Hond op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever
+eet dan vleesch; dit kan zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in &#8217;t geheel niet meer aanraakt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een welbekend jager,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Wood</span>, &#8220;bezat een Otter, die uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, <span class="letterspaced">Neptunus</span>, geroepen werd, antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn jeugd toonde hij een buitengemeen verstand,
+en met de jaren namen zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond, en mocht naar welgevallen visschen.
+Soms voorzag hij geheel alleen de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij hieraan het grootste deel
+van den nacht. Des morgens stond <span class="letterspaced">Neptunus</span> steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande
+Honden en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn
+roem van dag tot dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch uitspraken, dat hij hun het dier voor een
+of twee dagen zou leenen, opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht, onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid
+zijn vele wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den
+&#8220;aanstand&#8221; (d. i. van een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt, dat een mensch in de nabijheid is,
+komt hij niet te voorschijn. In den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral als men in de nabijheid
+van de wakken het dier opwacht. Het meest vangt men den Otter in een klem, dien men v&oacute;&oacute;r de plaats waar hij het water verlaat,
+zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer 5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos bedekt.
+Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot, waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen
+vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op
+zulk een wijze vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren en vijvers vervolgt men hem in lichte
+schuiten, en schiet op hem, zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen verraden den weg, dien hij
+onder water aflegt, en geven den jagers de richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze van jagen
+niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot
+weer boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren, waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze
+van jagen in praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door de rivier, en laat den Otter opjagen door
+de voor dit doel afgerichte Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen staan bij de netten, of gaan,
+zoo dit mogelijk is, met de Honden in de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en dragen het daarna
+trotsch op de spiesen naar huis<a id="d0e3402"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Zoo jaagt men den Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers zich hierdoor een grooten naam verworven
+hebben. De gevangen Otter sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht, en is dan ook zeer gevaarlijk
+voor onvoorzichtige Honden, daar hij dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende Otterhonden weten trouwens
+dergelijke aanvallen te ontwijken, en hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op &#8217;t oogenblik van den dood laat
+de Otter klagende en kermende geluiden hooren.
+
+</p>
+<p>Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en andere winterkleederen; in <a id="d0e3407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3407">161</a>]</span>Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en vrouwen gedragen
+worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen; in Kamtschatka
+eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid tot zich
+trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de
+fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; &eacute;&eacute;n soort
+van de onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De <span class="letterspaced">Zeeotter</span> of <span class="letterspaced">Kalan</span> (<i>Enhydris lutris</i>), vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De kop is wel
+is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond;
+de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter
+alleen door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen
+hebben. De achterste ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van de Zeehonden, van welker achterste
+vinvoeten zij zich onderscheiden, doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In vele opzichten gelijken
+de achterpooten van den Zeeotter op die van den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte, zijdeachtige
+haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange, stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine vacht
+van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte
+of bruinachtig grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen Zeeotters bereiken een totale lengte van
+minstens 1.5 M., waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 &agrave; 40 KG.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in &#8217;t noorden
+ongeveer door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder
+zuidwaarts dan langs de Aziatische, nl. tot 28&deg; N.B.; ook hier wordt hij echter van jaar tot jaar zeldzamer.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1161.jpg" alt="Zeeotter (Enhydris Lutris). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="314"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zeeotter</span> (<i>Enhydris Lutris</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door <span class="smallcaps">Steller</span>, die in 1741 met <span class="smallcaps">Bering</span> op het Bering-eiland schipbreuk leed, en uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. &#8220;De huid van den Zeeotter,&#8221;
+zegt <span class="smallcaps">Steller</span>, &#8220;is los verbonden met het vleesch en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing overtreft door lengte,
+schoonheid en zwartheid van kleur het haar van alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen worden.
+De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden
+ingeruild, met 80 &agrave; 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed eetbaar en smakelijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier; hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig
+en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen
+deze dieren familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen jongen en de zeer kleine zuigelingen. De
+liefde van de ouders voor hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen,
+en als zij hun ontnomen worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken zij zich dit verlies zoo sterk
+aan, dat zij, naar wij uit tamelijk betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 &agrave; 14 dagen zoo mager worden als een geraamte,
+ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er slechts
+&eacute;&eacute;n en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den
+bek; in de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen de voorpooten, zooals een moeder haar kind in
+de armen houdt. Zij spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het omhoog en vangen het als een bal op,
+stooten het in &#8217;t water, opdat het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is, weer bij zich en kussen
+het als een mensch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften, Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit <a id="d0e3449"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3449">162</a>]</span>waterplanten of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging
+naar Rusland verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver of rivier voortplanten. Want het zeewater is
+voor hun welzijn niet volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen achtereen op eilanden en in kleine
+rivieren ophielden. Nog moet ik doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het bijna 6 maanden lang ons
+uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders.
+
+</p>
+<p>&#8220;De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich
+geen schooner schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als &#8217;t ware met zwarte, glanzige zijde bekleed
+is. Ook is het merkwaardig, dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij een fraaiere vacht hebben.
+De geheel witte dieren, die waarschijnlijk een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en laten zich bijna
+niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en maken
+zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden
+wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag
+op den kop geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten.
+
+</p>
+<p>&#8220;In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn
+die, welke in de maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar China. In Kamtschatka kent men geen
+grooter staatsie dan een kleed, vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont afgezet. Eenige jaren
+geleden droeg iedereen daar nog kleederen van Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden zijn;
+bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier, warmer en duurzamer.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam,
+maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan naderen. <span class="letterspaced">Pechuel-Loesche</span>, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en er nu en dan
+jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst
+zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren,
+wanneer men ze niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten kan. Met &eacute;&eacute;n enkele boot levert zulk
+een jacht weinig kans op succes, want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan dikwijls op een andere
+plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven.
+
+</p>
+<p>De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer stil weder varen de jager in hunne &#8220;bidarkas,&#8221; die een lange
+lijn beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats
+waar het dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als hij zich opnieuw vertoont, door het werpen
+met speren en een gillend geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt nogmaals een kring gevormd,
+en deze handelwijze wordt voortgezet, totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te ademen, vermoeid
+wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit gemaakt. Zulk een jacht kan 2 &agrave; 3 uren duren, voorzoover zij niet door
+een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk
+hun zeer dienstig is, misschien 40 &agrave; 50 Otters; ieder van deze dieren heeft voor hen een waarde van minstens 120 gulden.
+
+</p>
+<p>Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten; zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren.
+Bij stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter,
+die aan gindsche zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel door den kop te jagen. Het geraas van
+de branding, het omhoogspattende schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar te herkennen, zoodat de
+volhardende schutter het den eenen kogel na den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen heeft, gaat
+hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en meest
+opwindende wijze van jagen is echter het &#8220;otterslaan&#8221;, daar dit bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen
+en onder omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op
+de afgelegene, eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch, door de al hooger stijgende branding in hun
+rust gestoord, en zien zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen, dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst
+vermetele jagers wagen hun leven om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere rustplaatsen te overrompelen.
+Als de reis naar deze klippen gunstig afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den wind naar boven en
+dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft het gedruisch,
+dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op te
+merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan &eacute;&eacute;n uur 78 Zeeotters buit gemaakt.
+
+</p>
+<p>Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar
+te beperken, is het te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop uitgeroeid zal zijn, en, evenals de
+Zeekoe van <span class="smallcaps">Steller</span>, weldra tot de dieren zal behooren, die wij als &#8217;t ware voor onze oogen van de aarde hebben zien verdwijnen.<a id="d0e3469"></a><span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de aandacht van het kijkgrage publiek meer in &#8217;t bijzonder
+gevestigd wordt door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich steeds beijveren om de bedoelde dieren,
+de <span class="letterspaced">Hyenas</span> (<i>Hyaenidae</i>), voor te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid,
+bloeddorst, arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt;
+hij zal er bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken
+in de gemoederen van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer <a id="d0e3481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3481">163</a>]</span>dieren onbekend zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware voorstellingen te doen verdwijnen; ten
+spijt van de moeite, die velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de genoemde, sinds overouden tijd
+opgedischte fabels ook thans nog geloof.
+
+</p>
+<p>Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd
+is geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden
+hun stem en hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel; men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren
+de stem van den mensch nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te vermoorden. Het merkwaardigste
+van het geval is, dat deze verhalen weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de Hyenas bewonen. Zoo
+vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen, die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en gewis, dat
+menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden; zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige
+toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd,
+dat de Hyenas niets anders zijn dan <a id="d0e3485"></a><span class="corr" title="Bron: vermonde">vermomde</span> toovenaars, die over dag in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas veranderen om alle rechtvaardigen
+te benadeelen. Mij zelf hebben zij verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena&#8217;s te schieten, waarbij
+mij griezelige verhalen werden gedaan over de macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten.
+
+</p>
+<p>Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke
+verhalen gedaan en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas
+bevestigd. Zij gelijken op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht is volstrekt niet aanlokkelijk,
+maar beslist terugstootend. Alle Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als middelvormen tusschen Honden
+en Katten; wij kunnen ons met deze zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere, eigenaardige gedaante
+hebben. De romp is gedrongen, de hals dik, de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten zijn langer dan
+de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren zijn
+slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste,
+wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals, de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht
+reikt, en de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt tot manen, die op varkensborstels gelijken, de
+doffe, nachtelijke kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk, dien het geheele dier maakt. Bovendien
+zijn alle Hyenas nachtdieren, hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk soms op een afgrijselijk
+gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig, verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna hinkende
+bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk schoon
+noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt,
+dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij
+te trekken van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn
+zeer ontwikkeld, de hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich door hun sterk ingedrukte kroon, de
+scheurkiezen door hun massieve ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met hoornachtige papillen
+bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken van deze
+dieren.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het omvat&#8212;waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen
+gelegen landen van het westen&#8212;geheel Afrika en Zuid-Azi&euml; tot aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen
+landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige
+landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men
+ze alleen dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan.
+Dan eerst verneemt men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine gezelschappen vereenigd rondzwerven,
+en op buit of op den afval van den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar afschuwelijk nachtgezang
+laat hooren, zijn de andere gewoon in te vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet zoo afkeerwekkend,
+als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende of knorrende.
+Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend gelach.
+Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker
+herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer
+waarschijnlijk, dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn,
+dat het gehuil in een streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit nachtelijk concert het een of ander
+te eten heeft gevonden. Zoolang de nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging; zij komen zelfs
+onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug.
+
+
+</p>
+<p>Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door
+een gewond dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten
+of Runderen, die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen
+heendringen. Zoodra zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven nu zoo onhoorbaar mogelijk (want
+tot sluipen zijn zij niet in staat) met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en speuren telkens
+als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de Gestreepte;
+in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood
+dier kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos <a id="d0e3494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3494">164</a>]</span>door dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren
+schade aan. Maar ook met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte nadeelen soms zeer belangrijk.
+<span class="smallcaps">Selous</span> verloor door haar in Zuid-Afrika twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een andere keer vraten zij
+een &#8217;s avonds door hem geschoten Leeuwin &#8217;s nachts gedeeltelijk op<a id="d0e3499"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> In allen gevalle wagen zij den strijd met gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte dieren en geen
+krengen kunnen vinden.
+
+</p>
+<p>In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals
+de Wolven met hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze op. Zulke jachtbedrijven moeten echter
+als uitzonderingen beschouwd worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om ieder dergelijk voorwerp
+is weldra een groot gezelschap Hyenas aan den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet te beschrijven.
+Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles,
+zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen
+strijd geraken; door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach, dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig
+mensch waarlijk op het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier bijeengekomen waren.
+
+</p>
+<p>Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe
+nut op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten
+uit den weg geruimd.&#8212;De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken, worden steeds gevolgd door een of minder groot
+aantal Hyenas, die als &#8217;t ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze expedities haar ten deel zullen
+vallen.
+
+</p>
+<p>Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van
+dezen aard bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht, dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid
+boven allen twijfel verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk alleen dan een strijd met volwassenen,
+wanneer deze ziek of afgemat zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter weerbare mannen. In eenige
+streken van Afrika wordt zij daarom als een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte voorkomt. Wegens
+de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele stammen
+vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken, vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die
+op zeer jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen
+de gevangenschap zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.
+
+</p>
+<p>In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in
+Middel-Europa veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer
+dieren ten duidelijkste blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten van deze familie, de drie echte
+Hyenas en de Aardwolf, die als een middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd mag worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gestippelde</span> of <span class="letterspaced">Gevlekte Hyena</span> (<i>Hyaena crocuta</i>) onderscheidt zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de Gestreepte Hyena, die veel vaker naar
+Europa wordt overgebracht, en van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die nu eens wat meer, dan
+weer wat minder naar &#8217;t vaalgele zweemt, staan op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen bruine
+vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig, de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart;
+de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af: sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte
+van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80 cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook
+veel grootere exemplaren voor.
+
+</p>
+<p>De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van de Kaap de Goede Hoop tot op 17&deg; N.B., en vervangt daar, waar
+zij veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessini&euml; en Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen;
+verder zuidwaarts echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de eenige. In Abessini&euml; is zij algemeen,
+in de gebergten komt zij tot op 4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en al op die van hare verwanten;
+zij wordt echter wegens hare grootte en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk daarom als een onheilvoorspellend,
+betooverd wezen beschouwd. Vele onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt en vooral slapende
+en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt, volgens <span class="smallcaps">R&uuml;ppell</span>, ook door de Abessini&euml;rs beweerd.
+
+</p>
+<p>De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste
+en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien
+men het toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep
+weldra tot op zekere hoogte temmen kan<a id="d0e3530"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen verricht,
+kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen
+behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt
+zij op een en dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk dom om zich heen, schuurt zich aan de
+trali&euml;n en laat van tijd tot tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd wordt, iemand door merg en
+been dringt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Schabrak-Hyena</span> of <span class="letterspaced">Strandwolf</span> (<i>Hyaena brunnea</i>) onderscheidt zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden afhangende manen op den rug. De kleur
+van het overal lange haar is effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit gegolfde plaatsen aan de
+pooten; de kop is donker bruin en grijs, het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De haren van de rugmanen
+zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf <a id="d0e3546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3546">165</a>]</span>is aanmerkelijk kleiner dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte.
+
+</p>
+<p>Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige, westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt,
+gewoonlijk in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte
+Hyena, maar komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel
+met die, welke door de zee op het strand geworpen worden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1165.jpg" alt="Gevlekte Hyena (Hyaena crocuto). 1/11 v. d. ware grootte." width="512" height="423"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gevlekte Hyena</span> (<i>Hyaena crocuto</i>). 1/11 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gestreepte Hyena</span> (<i>Hyaena striata</i>) is het ons welbekende dier der reizende menagerie&euml;n. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst bij het onze gelegen is,
+en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten van de voor
+&#8217;t publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is,
+kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de
+geelachtig witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen hebben ook bij deze soort zwarte spitsen;
+het voorste deel van den hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms gestreept. De kop is dik, de
+snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen onbehaard. De jongen
+gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte is 1 M., soms iets meer, soms iets minder.
+
+</p>
+<p>Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied; het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste
+westen, een groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azi&euml; van de Middellandsche Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals
+alle Hyenas, houdt zij niet van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam, in schaars bevolkte streken
+zelfs veelvuldig; zij is echter de minst schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar vaderland zijn
+gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen, te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende
+dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten; zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans
+zeer dicht erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn later Gieren te schieten, kwamen des nachts
+in den regel Hyenas af, die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten, slopen zij dikwijls tot bij ons
+leger; meermalen hebben wij uit onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een uitstapje naar den Sina&iuml;
+schoot mijn vriend <span class="smallcaps">Heuglin</span> met hagel een Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk
+nooit menschen, zelfs gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op, tenzij deze slechts met een dun laagje
+zand of aarde bedekt zijn; aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald worden, is zij dus onschuldig.
+Haar levenswijze gelijkt op die van de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor.
+
+</p>
+<p>Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten
+bij zoo groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel
+zij een tijdlang in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks.
+In &#8217;t eerst beten zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij haar weerspannigheid te keer; drie maanden
+na den dag waarop wij ze gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder eenige mishandeling te moeten duchten.
+Van dag tot dag geraakten zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen, als ik bij haar kwam. Zij gedroegen
+zich, toen zij meer dan half volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar stal kwam, stonden zij met
+een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden mijn gelaat.
+Later ben ik wel in Ka&iuml;ro <a id="d0e3575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3575">166</a>]</span>met deze dieren, die ieder aan een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting van alle geloovigen. Soms
+toonden zij mij haar gehechtheid door mij ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend als verontrustend
+schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat schrander
+en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit
+deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij
+bedankten ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds aangeduide wijze te begroeten, of althans onze
+handen te besnuffelen.
+
+</p>
+<p>Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt
+hadden. Wij voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij voor haar schoten.
+
+</p>
+<p>Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest,
+hadden zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan, zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor
+warme genegenheid vatbaar zijn.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Aardwolf</span> of <span class="letterspaced">Civet-Hyena</span> (<i>Proteles Lalandii</i>) vormt het tweede geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft, gelijkt dit dier, dat nog slechts
+weinig bestudeerd is, in &#8217;t oog loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten snuit, de hooge voorpooten,
+den naar achteren afhellenden rug, de rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter en de voorpooten
+hebben een korten duim, evenals die der Honden.
+
+</p>
+<p>Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart
+30 cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen
+hebben een witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur.
+
+</p>
+<p>De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk gedeelte.
+
+</p>
+<p>Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag
+in holen verbergt, welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond
+worden. De drie door <span class="smallcaps">Verreaux&#8217;</span> gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit &eacute;&eacute;n hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven.
+Zij kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich
+in der haast weer in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij een merkwaardige behendigheid. Uit het
+onderzoek van het hol bleek, dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote kamer leidden, die waarschijnlijk
+tijdelijk aller gemeenschappelijke woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel van deze dieren hoofdzakelijk
+uit lammeren bestaat, dat zij echter nu en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter hoofdzakelijk
+alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen, hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor &#8217;t overige is de
+levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk scherp onderscheiden is, vereenigen wij de <span class="letterspaced">Honden</span> (<i>Canidae</i>). Hun lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon
+tusschen de beide famili&euml;n vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden, vormen zij toch door uitwendig voorkomen
+en inwendig maaksel, door levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In grootte staan zij alle bij
+de grootste Katten-soorten achter; zij zijn ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun gestalte
+is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten
+rust, is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen
+meestal 5, aan de achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp eindigende en niet terugtrekbare klauwen
+dragen. De oogen zijn groot en voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten; de ooren zijn meest spitser
+en grooter, de tepels aan de borst en den buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 &agrave; 48 tanden bestaat, zijn de
+snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak, betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig;
+de vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen (aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt
+dan bij de Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven, 2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe
+maaltanden, die het voedsel flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn; 7 halswervels, 20 rug- en
+lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 &agrave; 22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door 13 paar ribben
+(9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn
+krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag; de eigenlijke darm is 4- &agrave; 7-maal langer dan het lichaam.
+
+
+</p>
+<p>Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor
+het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen
+zij in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij
+de Katten ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid, zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het
+gelaat van den Hond heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit op zulk een in &#8217;t oog loopende
+wijze het drieste zelfvertrouwen en de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt.
+
+</p>
+<p>Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel
+verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor.
+In eenzame, stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen,
+op dicht begroeide plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen bijna voortdurend rond en blijven hoogstens
+zoo lang in een <a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">167</a>]</span>oord, als zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen beperkt worden; andere graven zich holen in
+den grond, of maken gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin voor vast verblijf te houden. Sommige
+soorten zijn ware nachtdieren, andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van het daglicht. Gene verbergen
+zich gedurende den dag in hunne holen of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het riet of in het hooge
+koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen; zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied, maken daarbij
+in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen, jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden en
+trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere
+Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die
+soorten, waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich in sommige omstandigheden tot grootere troepen
+bijeen, men mag wel aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn.
+
+</p>
+<p>Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun
+niet te klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als
+de Katten: voor &#8217;t overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen
+en toonen een ongeloofelijke volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen dit meesterlijk; zelfs treffen
+wij bij hen reeds echte waterdieren aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven spelen. Bij het gaan
+zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn
+de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig
+minder scherp dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk fijngevoelig; ook van het gezicht kan men
+zeggen, dat het beter is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl
+de over dag jagende hen beslist overtreffen.
+
+</p>
+<p>Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken
+van list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk
+doen. De hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met
+lichaam en ziel aan hen overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een trap van ontwikkeling hebben
+bereikt, die bij geen ander dier wordt aangetroffen. De tamme Hond en de in &#8217;t wild levende Vos handelen met schrander overleg
+en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit, welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door zijn verstand
+is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt; hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.
+
+</p>
+<p>De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren
+niet liever dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer
+graag beenderen; andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien
+eten zij Kruipende Dieren, Amphibi&euml;n, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld- en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen,
+uitspruitsels, wortels, gras en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij verslinden kunnen; de bloeddorst
+vertoont zich hier echter nooit in een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters; er is geen enkele
+Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode slachtoffers met welgevallen bedwelmt.
+
+</p>
+<p>De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten; het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen
+van het voortplantingsvermogen der Zoogdieren in &#8217;t algemeen. Men kan aannemen, dat de Honden gemiddeld 4 &agrave; 9 jongen werpen;
+het is echter wel eens gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat een Hond in een worp 18 en zelfs
+23 jongen ter wereld bracht. Het komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond de jonge nakomelingschap
+van een teef met moordzuchtige bedoelingen vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven en Vossen,
+die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren
+dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met ware zelfverloochening voor haar kroost.
+
+</p>
+<p>Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade,
+die de geheele familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den mensch benadeelen, worden daarom overal
+onbarmhartig vervolgd. Hier staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van schadelijke Knaagdieren en
+Insecten of door het uit den weg ruimen van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien nog door hun
+vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.
+
+</p>
+<p>Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten
+de <span class="letterspaced">Wolven</span> of Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (<i>Canis</i>), de <span class="letterspaced">Vossen</span>, met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (<i>Vulpes</i>) en de <span class="letterspaced">Lepelhonden</span>, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit zeer vele tanden samengesteld gebit (<i>Otocyon</i>).
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen, is het volstrekt noodzakelijk, zijne in &#8217;t wild levende verwanten,
+de <span class="letterspaced">Wolven</span> (<i>Canis</i>), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken, te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende Honden tot
+de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was, voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog
+het oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.
+
+</p>
+<p>In het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke Wolven</span> (<i>Lupus</i>), vereenigen wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond), hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij
+ook vertoonen, voorzoover hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een matig grooten kop met tamelijk
+spitsen snuit.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Wolf</span> (<i>Canis lupus</i>, <i>Lupus vulgaris</i>), heeft ongeveer den vorm van een grooten, hoog op de <a id="d0e3678"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3678">168</a>]</span>pooten geplaatsten, schralen Hond, die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij nauwkeuriger vergelijking
+merkt men de volgende punten van verschil op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren met dezen bouw
+van den romp; de langharige staart hangt tot op het hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken,
+gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind.
+De beharing wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont; zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar
+verschillen. In de noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst aan het onderlijf en aan de bovenste
+gedeelten der ledematen, ruig aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden; in zuidelijke streken is de
+beharing over het algemeen korter en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een zwartachtige tint doormengd,
+die aan de onderzijde lichter, dikwijls witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood, in den winter
+is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het voorhoofd
+is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig
+en soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1168.jpg" alt="Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="462"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wolf</span> (<i>Canis lupus</i>). 1/9 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen
+moet beschouwen. De Wolven in &#8217;t gebergte zijn over &#8217;t algemeen groot en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner
+en zwakker, maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot den aanval. In Hongarije en Galici&euml; onderscheidt
+men algemeen de Rietwolven en de Boschwolven.
+
+</p>
+<p>Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer
+85 cM. Een flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin onderscheidt zich van den Wolf door een iets
+zwakkeren lichaamsbouw, een spitseren snuit en een dunneren staart.
+
+</p>
+<p>Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont
+tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt
+hij in alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten geregeld voor; in Griekenland, Itali&euml; en Frankrijk is
+hij tamelijk veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel- en Noord-Duitschland en in Groot-Britanni&euml;
+is hij geheel uitgeroeid; in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galici&euml;, Kroati&euml;, Krain, Servi&euml;, Bosni&euml;,
+de Donau-vorstendommen, Polen, Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij ook thans nog in noemenswaardig
+aantal voorkomt. Op IJsland en de eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden te hebben. In de Atlaslanden
+wordt hij wel gevonden. Bovendien strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en Middel-Azi&euml;, door Afghanistan
+en <a id="d0e3696"></a><span class="corr" title="Bron: Beloedsjistan">Beloetsjistan</span> tot in het stroomgebied van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In Noord-Amerika heeft hij verwanten,
+die zoo zeer op hem gelijken, dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond binnen zijn verbreidingskring
+heeft getrokken, en niet alleen den Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten heeft opgevat.
+
+<a id="d0e3699"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3699">169</a>]</span></p>
+<p>De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet
+slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne
+bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht
+dan verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof
+van onze voorouders verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den &#8220;Wilden Jager&#8221; en zijne Wolven in diens Honden. Ten slotte
+ontstond uit deze de als &#8220;Weerwolf&#8221; bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch verscheen, en een bron
+van ontzetting was voor alle bijgeloovige lieden.
+
+</p>
+<p>Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde
+Europeesche landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in
+geen der groote wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland, volgens officieele opgaven, altijd nog
+duizenden van deze dieren gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In Pommeren alleen doodde men
+er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102, 1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809: 43 stuks. Daarna
+werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger, dat hun
+lijken genoeg als voedsel verschafte.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Wolf,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Van Bemmelen</span>, &#8220;was vroeger in de meeste streken van ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten bij honderden gedood.
+Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en Heeswijk
+in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche,
+Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk
+uit de Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en
+droge gedeelten, in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk kleine en lage, wild groeiende bosschen,
+op dammen in broekland en moerassen, in rietbosschen, ma&iuml;svelden, in Spanje zelfs in koornvelden, dikwijls in de onmiddellijke
+nabijheid van bijeenstaande huizen. In dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering voor het aanbreken
+van de schemering, in eenzame wouden daarentegen begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de namiddaguren
+zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den
+honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie
+stuks; in den winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer of minder groot aantal individu&euml;n bestaan,
+al naar de landstreek deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk,
+staan elkander bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De tot benden vereenigde Wolven zwerven
+even ver rond als de afzonderlijk levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten, doorreizen, van het
+eene bosch in het andere overgaande, geheele provinci&euml;n, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten, waarin
+men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen, niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten
+in een enkelen nacht een afstand van 40 &agrave; 70 KM. aflegt, is duidelijk gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke
+sneeuwlaag ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad,
+op korten afstand van en achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden, zoodat het zelfs voor een
+ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen, uit hoeveel individu&euml;n de bende bestaat.
+
+</p>
+<p>Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem
+zeer snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover
+richt dan ook overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij
+jacht op huisdieren en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter
+ook wel met de kleinste en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel; hij eet, naar bericht wordt, ma&iuml;s,
+meloenen, komkommers, augurken, aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou, hoewel ook dan nog aanzienlijk,
+toch misschien nog te dragen zijn, als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde bloeddorst liet vervoeren,
+om veel meer dieren te dooden, dan hij voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een plaag voor de herders
+en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan dan in den
+winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild, nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende
+soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen; van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens
+eenig klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een
+verschrikkelijke opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten, Ree&euml;n en roeit in zijn jachtgebied bijna
+alle Hazen uit, maar valt de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende
+langen tijd tevreden met de allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen over een afstand van honderden
+wersten, en voedt zich dan uitsluitend met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en zamelt Meikevers
+in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber; daar waar hij met den Los &eacute;&eacute;n gebied bewoont, maakt hij op diens slachtplaatsen
+den disch schoon.
+
+</p>
+<p>Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide
+en spaart zoo min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen hebben alleen dan geen last van hem,
+als zij aaneengesloten troepen vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd heeft. Als de winter
+aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg, Moskou en
+andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en Kroatische dorpen door, <a id="d0e3715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3715">170</a>]</span>doorloopt zelfs steden van de grootte van Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht bezig; vooral
+de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk
+kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling
+sluipt hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak
+van den vermetelen roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden, terwijl daarentegen de bewoners van
+alle dorpen in de door Wolven bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden verliezen, op gelijke wijze
+als de wolvenjager iederen zomer verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven zich tot benden vereenigen
+om te jagen, vallen zij ook Paarden en Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland wordt verteld,
+dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan, en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat de
+Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang
+hem dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die, evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en
+door de fantazie op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine kern van waarheid. Een troep door den
+honger gekwelde en door woede verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare volwassenen, aanvallen,
+dooden en verslinden; de gevaren, die den mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet zoo verschrikkelijk
+als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een krachtigen
+man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen
+en kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.
+
+</p>
+<p>Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle
+volken die vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt
+in een gewest geheel onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens <span class="smallcaps">Kobell</span>, voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten
+gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade
+op 8 &agrave; 10000 gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord &#8220;vrede&#8221; dezelfde beteekenis als &#8220;geen last van de Wolven&#8221;. Men
+kent daar slechts &eacute;&eacute;n oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die de levende have van de arme nomaden van
+het noorden dikwijls op de gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven aanzienlijke verliezen. In Rusland
+vallen hun ieder jaar omstreeks 180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten prooi; <span class="smallcaps">Lasarewski</span> begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt,
+dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit alles komt nog, dat ook zij voor <i>rabies</i> (hondsdolheid) vatbaar zijn, en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.
+
+</p>
+<p>Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen,
+maar ook onder de dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig, wanneer zij de lucht krijgen van een
+Wolf; de overige huisdieren, met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig vermoeden krijgen van de
+nadering of van de aanwezigheid van den gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter genoegen te bestaan
+dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden over &#8217;t algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de gevaarlijkste
+jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante
+dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.
+
+</p>
+<p>Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf
+gegraven holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in de Russische steppen des nachts voortdurend om
+de kudden. Zij naderen de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende veulens, die zich te ver van de kudde
+verwijderd hebben, te verrassen, of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en werpen ze ter aarde.
+Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven van
+de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim,
+als hij in de bosschen van Spanje of van Kroati&euml; varkenskluifjes tracht te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien
+ten buit, een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik
+om te vluchten, verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt, en daarna door hen met evenveel smaak
+verslonden, als waarmede hij hen opgegeten zou hebben.
+
+</p>
+<p>De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond: dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen
+en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze,
+dat hij niet door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet ge&euml;venredigd aan zijn kracht. Zoolang de honger hem
+niet kwelt, is hij een van de lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan niet alleen voor menschen
+en Honden, voor een koe of een Bok, maar ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten en de koppen tegen
+hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list, geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos, bezit veeleer
+deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat
+hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt, den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij
+met even groote voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor
+en het gezicht zijn alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts zorgvuldig speurt, maar ook reeds
+op grooten afstand de lucht krijgt van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te bepalen, aan welk
+dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere
+sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend waarnemingsvermogen <a id="d0e3734"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3734">171</a>]</span>blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.
+
+</p>
+<p>Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen
+brengt de Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 &agrave; 9, gewoonlijk 4 &agrave; 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21
+dagen blind, groeien in &#8217;t eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden, spelen vroolijk met elkander
+of plukharen soms onder luid, op grooten afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel liefde, als
+bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft
+hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun
+verblijfplaats verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben, of wanneer er werkelijk een gevaar
+dreigt, draagt zij hare jongen in den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze dieren bereiken kunnen,
+bedraagt vermoedelijk 12 &agrave; 15 jaren.
+
+</p>
+<p>Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin
+bastaarden ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden houden niet altijd het midden tusschen den
+Wolf en den Hond; ook kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den regel gelijken zij meer op den Wolf
+dan op den Hond, ofschoon er ook bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.
+
+</p>
+<p>Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid
+aan hun meester. <span class="smallcaps">Cuvier</span> maakt melding van een Wolf, die als een jonge Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan den &#8220;Jardin
+des Plantes&#8221; werd geschonken. &#8220;Hier toonde hij zich gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en was volkomen
+onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden;
+het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug.
+De Wolf herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn
+blijdschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde
+lokaas, de <a id="d0e3747"></a><span class="corr" title="Bron: verradelijke">verraderlijke</span> strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in
+den winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap, trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine
+hoeveelheden in het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het dus toebereide dier wordt, nadat de huid
+er weer overheen getrokken is, neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf eet zich zat aan een
+op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze handelwijze
+is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep
+en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne, buigzame takken, mos enz.; op &#8217;t midden van dit dak wordt
+een lokaas vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige nasporingen te doen, en om menschen, welke
+dien weg langs gaan, niet in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven, waarover ieder die op het lokaas
+belust is, moet heenspringen.
+
+</p>
+<p>In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf
+was en is het signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen,
+Litauen enz. heeft men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het bosch gehouwen en dit hierdoor in
+kleine vierhoeken verdeeld.
+
+</p>
+<p>Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak.
+Het opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd, totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.
+
+
+</p>
+<p>Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt,
+een goede pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste vellen komen uit Skandinavi&euml;, het noorden van
+Rusland, Siberi&euml; en het noorden van China, en worden met 6 &agrave; 15 gulden betaald. Bovendien wordt in vele landen van regeeringswege
+nog een premie betaald voor iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen, gevangen of vergiftigd werd.
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops vermelden: de <span class="letterspaced">Vale Wolf</span> (<i>Canis [Lupus] occidentalis</i>), een groot, maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks
+kleur van vaalwit, door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken met die van den Gewonen Wolf overeenkomt,
+alsmede de <span class="letterspaced">Jakhalswolf</span> of <span class="letterspaced">Aboe-el-Hossein</span> der Arabieren (<i>Canis [Lupus] anthus</i>), een kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals
+uit afbeeldingen van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit eindigende kop draagt groote, breede
+ooren; de romp rust op hooge pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert aanmerkelijk al naar de verblijfplaats.
+Hij voedt zich met klein wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd, jacht op de Schapen- en Geitenkudden
+van de inboorlingen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de <span class="letterspaced">Gestreepte Wolf</span> <i>(Canis [Lupus] adustus)</i>, een middelvorm tusschen den Wolf en den Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig toegespitsten
+snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver vaneenstaan,
+zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in &#8217;t oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Gestreepte Wolf,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, die dit dier in Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd, heeft nagegaan, &#8220;is grooter en staat
+hooger op de pooten dan onze Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in &#8217;t gelaat, maar tevens edelere en ook goedaardige
+trekken. Het is een buitengewoon behendig en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De inboorlingen
+van Loango, die den Gestreepten Wolf <span class="letterspaced">Mboeloe</span> noemen, doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook de Honden der dorpelingen denken er niet aan,
+met hem te twisten. In alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn langgerekt, <a id="d0e3793"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3793">172</a>]</span>schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend, dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen, wanneer
+het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten
+ons eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas, waar zulk een dier juist aan een groote Slang,
+aan een Python, ten buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel te bevrijden. Eerst wist hij niet,
+wat hem overkwam, maar weldra liep hij huilend weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier,
+en werd zoo tam en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden toestaan. Hij liep niet slechts binnen
+de omrastering rond, en bezocht de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen, als door de velden en heesterbosschen
+van de omstreken. Daar zocht en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij spelenderwijs uit overmoed
+achterna; hij maakte waarschijnlijk ook menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig hield hij zich
+niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust, nadat
+hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij
+later nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was een zacht &#8216;Pst!&#8217; of een verwijtend woord voldoende,
+om hem op het pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig, maar verscheen toch altijd &#8217;s avonds in de
+eetkamer om eenige brokken in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte, vergat hem iets te geven, meldde
+hij zich aan door zijn neus tegen ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie te leggen. Hij nam alles
+dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch, vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter geen andere dan
+dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als
+een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk
+aan die, welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er letterlijk door betooverd.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Jakhals</span> (<i>Canis [Lupus] aureus</i>) is het dier, dat door de ouden <span class="letterspaced">Thos</span> en <span class="letterspaced">Gulden Wolf</span> werd genoemd; de &#8220;Vossen,&#8221; die <span class="smallcaps">Simson</span> gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In &#8217;t Oosten is dit
+dier overal bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen, als waarmede men te onzent die van den Vos
+gedenkt.
+
+</p>
+<p>De Jakhals heeft, zonder den 22 &agrave; 26 cM. langen staart, een lichaamslengte van 65 &agrave; 80 cM. en een schouderhoogte van 45 &agrave;
+50 cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die
+van den Vos; de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren zijn kort, de lichtbruine oogen hebben
+een ronde pupil. Een ruige vacht van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren samengesteld is, bedekt
+het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend, soms ook
+zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den
+kop, een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de keel en den buik in witachtig geel, aan de borst
+in roodachtig geel, aan den onderhals in grijs over.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1172.jpg" alt="Gestreepte Wolf (Canis adustus). &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="417"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gestreepte Wolf</span> (<i>Canis adustus</i>). &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Azi&euml; moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij Indi&euml; te beginnen is hij over het westen en noordwesten
+van dit werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzi&euml;, Kaukasi&euml;, Klein-Azi&euml;, Palestina en Arabi&euml; strekt zijn
+verbreidingsgebied zich uit over Noord-Afrika en ook over een deel <a id="d0e3830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3830">173</a>]</span>van Europa, n.l. <a id="d0e3832"></a><span class="corr" title="Bron: Turkij&euml;">Turkije</span>, Griekenland en eenige streken van Dalmati&euml;. In Indi&euml; en Ceylon treft men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open
+landschappen, in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van 1000 M.
+
+</p>
+<p>De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over
+dag blijft hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om andere dieren van zijn soort tot zich te lokken
+en zwerft dan met deze rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld jaagt. Misschien is hij wel de
+brutaalste en lastigste van alle wilde Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den mensch, maar
+dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van
+zijn gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat
+hij <a id="d0e3837"></a><span class="corr" title="Bron: meteen">met een</span> bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig,
+in de hoogste mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen Hond, maar zich door een grootere afwisseling
+onderscheidt. Het moet volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige gemoedsstemming; want de Jakhalzen
+huilen ook bij een overvloedig maal.
+
+</p>
+<p>Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut
+dat zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade, die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit
+den weg ruimen van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door het vangen van Muizen; schadelijk zijn
+zij door hunne onbeschaamde gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is, maar stelen bovendien nog
+allerlei oneetbare zaken uit huis en hof, tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne lust en liefhebberij
+voor &#8217;t stelen is misschien even groot als hun vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen Reintje,
+moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk
+te gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten,
+vervolgen klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men zegt, hebben in Indi&euml; ook de suikerriet- en ma&iuml;s-plantages
+door hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden.
+De zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de
+beste koffie opleveren. &#8217;t Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken
+is in de omstandigheid, dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn heengegaan, maar hierin, dat de
+Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste vruchten uit te kiezen.
+
+</p>
+<p>Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden
+zeer gehecht aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen;
+zij komen als men ze roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij hebben eigenlijk alle zeden en
+gewoonten van de Huishonden. Zelf als zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich na verloop van
+tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk ook zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een welbekende Amerikaansche Wolf, de <span class="letterspaced">Huilwolf</span> of <span class="letterspaced">Steppenwolf</span>, <span class="letterspaced">Prairiewolf</span> of <span class="letterspaced">Coyote</span> (<i>Canis [Lupus] latrans</i>) doet zich voor als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze
+komt hij door den bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen, zijn spits toeloopende snuit herinnert
+aan dien van den Vos. Wegens de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog dikker, dan hij werkelijk
+is; de hals is kort en krachtig; de van boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van den Wolf; het
+oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De vacht
+heeft een vuil geelachtig grijze kleur.
+
+</p>
+<p>De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde ongeveer
+door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de
+landengte van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californi&euml; en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De
+<span class="letterspaced">prins</span> <span class="smallcaps">Von Wied</span>, aan wien wij, nevens <span class="smallcaps">Audubon</span>, de beste beschrijving van de Coyotes te danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen en in levenswijze
+met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid
+op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het
+niet zelden ook over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt en het zeer koud is. In den bronsttijd
+bewoont de Prairiewolf holen, die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 &agrave; 10 jongen. Omstreeks dezen tijd
+hoort men in de Prairi&euml;n haar stem; een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is, en dat op het geluid
+van onze Vossen gelijkt.
+
+</p>
+<p>Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen
+tijd een Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden.
+Als hij zijne vrienden zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam dicht bij de trali&euml;n van zijn hok
+om zich te laten liefkoozen. Hij likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens rook hij er aan. Als
+hij alleen was, verveelde hij zich en begon jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap gaf, mishandelde
+hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten kon dan hij zelf.
+
+</p>
+<p>De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde
+zelfs het gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak, huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden
+in een dergelijk geval doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen was evenwel niet zeer ernstig
+gemeend.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op het noordelijk halfrond beschouwt men <a id="d0e3882"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3882">174</a>]</span>den <span class="letterspaced">Marterhond</span> (<i>Canis [Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus</i><a id="d0e3889"></a><span class="corr" title="Bron: ">)</span>, een eigenaardig dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten van Oost-Azi&euml; en meer bepaaldelijk in China
+en Japan inheemsch is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten
+zijn volgens de nieuwste onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke wij den <span class="letterspaced">Maikong</span> of <i>Karasissi</i>, den <span class="letterspaced">Savanna-Hond</span> der kolonisten (<i>Canis [Lupus] cancrivorus),</i> en den Aguarachay of Braziliaanschen &#8220;Vos&#8221; (<i>Canis [Lupus] vetulus</i> of <i>Azarae</i>) vermelden. Het vaderland van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot den Atlantischen Oceaan, van
+den evenaar tot aan de zuidspits van Patagoni&euml;. Als een in &#8217;t oog vallende eigenaardigheid van dit dier wordt medegedeeld,
+dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. <span class="smallcaps">Tschudi</span> vond in het hol van zulk een &#8220;Zorra&#8221;, zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een stijgbeugel, een spoor en een mes.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1174.jpg" alt="Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="411"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huilwolf</span> (<i>Canus latrans</i>). 1/9 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een tweede ondergeslacht van de Wolven (<i>Lycaon</i>) wordt gevormd door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten: de <span class="letterspaced">Hyena-Hond</span>. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor en
+het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.
+De matig hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten
+slechts vier teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst
+eigenaardige wijze gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Hyenahond</span>, <span class="letterspaced">Steppenhond</span>, <span class="letterspaced">Geteekende Hond</span> of <span class="letterspaced">Jachthyena</span> (<i>Canis [Lycaon] pictus</i>) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst vertoont.
+Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee
+dieren van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid.
+Wit, zwart en okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den anderen de zwarte kleur de overhand; een
+van deze kan dus aangemerkt worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere vlekken scherp uitkomen.
+Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls over het geheele
+lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart, en deze
+kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren
+zijn zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in &#8217;t midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.
+
+
+</p>
+<p>De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor;
+in Oost-Afrika zag <span class="smallcaps">B&ouml;hm</span> hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer; <span class="smallcaps">R&uuml;ppell</span> ontmoette hem in Nubi&euml;; in het Bongo-land is hij, volgens <span class="smallcaps">Schweinfurth</span>, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens <span class="smallcaps">Nachtigal</span>, van Kanem aan het meer Tsad.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gordon Cumming</span> leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. &#8220;Deze Honden,&#8221; verhaalt hij, &#8220;jagen in benden, die soms uit een zestigtal individu&euml;n
+bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor
+zoover mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren
+het dan onmiddellijk op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch toonen zij minder vrees dan eenig
+ander Verscheurend Dier.&#8221; <span class="smallcaps">Heuglin</span> noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie <a id="d0e3971"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3971">175</a>]</span>kleur en schoone gestalte &#8220;een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier,&#8221; en zegt, dat het &#8220;zijne valschheid en arglistigheid
+niet verloochenen kan&#8221;; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet schroomt, zelf den mensch aan te vallen.
+
+
+</p>
+<p>Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel
+zijn, deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat
+zich zeer goed kan verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij hare veerkrachtige pooten met de grootst
+mogelijke snelheid beweegt, door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend, en op een onbeschrijfelijke
+wijze luidruchtig; men zou dit geluid een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort gaat de jacht; de Antilope
+vergeet door den grooten nood, waarin zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen, die zij gewoonlijk
+met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een nooit
+vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste,
+die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben, de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang
+de jacht duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In &#8217;t bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het
+hoofd aan hare moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens zich over den bodem. Al wordt ook de
+een of andere vervolger gewond of misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na verloop van een
+minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde, soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint
+een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van &#8217;t bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt,
+vermeerdert hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt, dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden
+en het overige laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt, slechts weinig; <span class="smallcaps">Burchell</span> vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op het overschot
+van het wild voor eigen gebruik.
+
+</p>
+<p>Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond
+zijn; maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter aan den wil van den mensch te onderwerpen. <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> zag in een &#8220;seriba&#8221; in Bongo-land &#8220;een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat voor zijn meester zoo volgzaam was als een
+Hond.&#8221; In het jaar 1859 vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna volwassen Steppenhond in een
+beestenspel te Leipzig. Later heb ik verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap gehad. Een onstuimige
+uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt, onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om hierdoor pijn
+te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door daden
+te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond
+op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid
+zich openbaarde, vertoont zich in &#8217;t volgende oogenblik als wildheid, bijtlust, roofzucht. &#8220;Het blaffen baat hier niet,&#8221; laat
+<span class="smallcaps">Grandville</span> zijn Wolf zeggen, &#8220;gebeten moet er worden&#8221;: als hij den Steppenhond gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd
+hebben.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1175.jpg" alt="Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="428"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hyenahond</span> (<i>Canis pictus</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sykes</span> beschreef een Wilden Hond van Indi&euml;, den <span class="letterspaced">Kolsoen</span>, waarin hij den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst
+heeft met den Windhond dan met den Jakhals of den Wolf, behoort <a id="d0e4003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4003">176</a>]</span>tot een derde ondergeslacht (<i>Cyon</i>) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze over &#8217;t geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij
+heeft ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig grooten Windhond; de beharing is overal even dicht
+en bestaat uit vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur wisselt af van fraai bruin- of roestrood
+tot bruinachtig grijs, is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit, de ooren, de voeten en het puntje
+van den staart.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1176.jpg" alt="Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="504"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Adjag</span> (<i>Canis rutilans</i>). 1/7 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De bedoelde Wilde Hond draagt in Indi&euml; de namen <span class="letterspaced">Son-Ram-koetta</span>, <span class="letterspaced">Dsjangli</span>, <span class="letterspaced">Kolsoen</span>, <span class="letterspaced">Kolsa</span> enz. en heet in den Himalaja <span class="letterspaced">Boeansoe</span> enz. (<i>Canis [Cyon] dukhunensis</i> en <i>primaevus</i>). Hij komt voor in den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir oostwaarts tot Assam, in het oostelijk
+deel van Tibet en in alle boschrijke districten van Voor-Indi&euml;.
+
+</p>
+<p>Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken,
+ook wel in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet
+hij zich ook weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt, is hij nergens talrijk, en kan niet lang
+in hetzelfde jachtgebied blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig maakt en verdrijft. Voor de jacht
+vereenigen deze dieren zich tot troepen, die in den regel uit 2 &agrave; 12, zelden uit 20 (volgens vroegere berichten uit 50 &agrave; 60)
+individu&euml;n bestaan; hij vervolgt zijn prooi in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op een angstig
+jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van jagen
+komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding,
+of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar
+men zegt, niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats, en is niet naar de keel gericht, maar naar de
+flanken, naar de weeke deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door beten, welke bliksemsnel gedurende
+de vervolging toegebracht worden, weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna het slachtoffer zeer
+spoedig ter aarde stort.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Maleische Wilde Hond</span> of <span class="letterspaced">Adjag</span> (<i>Canis [Cyon] rutilans</i>) is kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de
+onderzijde lichter gekleurd is. De staartspits is zwart.
+
+</p>
+<p>De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat
+hij groote dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java
+gelegen en strekt zich, voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot aan het zeestrand, waar hij, volgens
+<span class="smallcaps">Junghuhn</span>, in sommige tijden een zeer eigenaardige prooi vervolgt. &#8220;Toen ik,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Junghuhn</span>, &#8220;den 14en Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand
+overzag tot aan de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald: &#8216;Schildpaddenoorlog&#8217;) bevindt, kon ik
+mij op een slagveld <a id="d0e4062"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4062">177</a>]</span>verplaatst wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen overal verspreid. Eenige waren door de zon
+gebleekt en bestonden slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld met de verrottende, stinkende ingewanden,
+nog andere waren versch en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden n.l. de Schildpadden gedurende hun
+nachtelijke wandeling van den zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde Honden aangevallen. Deze
+komen in troepen van 20 &agrave; 30 stuks, grijpen de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die een houvast
+aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn reusachtige
+grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het buikpantser
+los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne
+bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee.
+Ook kunnen de Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In vele nachten komt de beheerscher der
+wildernis, de Koningstijger, uit het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende oogen het strand te
+overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden van de Honden,
+die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort
+afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk
+woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis
+zwerft, reeds op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog in de lucht daarboven kringen beschrijven.&#8221;
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Dingo</span> of <span class="letterspaced">Warragal</span> (<i>Canis dingo</i>) de Wilde Hond van Australi&euml;, werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt, waarmede hij werkelijk in
+vele opzichten overeenstemt. Deze meening vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering van eenige Vleermuizen
+en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige Zoogdier van Australi&euml; is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren behoort.
+<span class="smallcaps">Mac Coy</span> en <span class="smallcaps">Nehring</span> hebben echter fossiele overblijfselen van den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en het bewijs
+geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde Huishond is. Hij is aan den <span class="letterspaced">Indischen Wolf</span> of <span class="letterspaced">landjak</span> der Mahratten (<i>Canis pallipes</i>) nauw verwant en kwam over het land, dat in een gedeelte van het pliocene tijdvak Australi&euml; met het zuidoosten van Azi&euml; verbond,
+in het thans door hem bewoonde gebied.
+
+</p>
+<p>De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp,
+stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt
+tot voorbij den hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een geringe hoogte hebben. De beharing
+is vrij gelijkmatig. Bij de meeste exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig roode kleur een meer
+of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter, terwijl
+de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen,
+treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1177.jpg" alt="Dingo (Canis dingo) &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="409"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Dingo</span> (<i>Canis dingo</i>) &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van Australi&euml;, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes
+der steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten
+vijand van &#8217;t vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.
+<a id="d0e4106"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4106">178</a>]</span></p>
+<p>Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige
+plaatsen den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst in de nachtelijke uren rond om jacht te maken
+op nagenoeg alle op den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook hierdoor, dat hij slechts zelden
+tot groote gezelschappen vereenigd zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 &agrave; 6 stuks, meestal een moeder
+met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel, dat zich vele Dingos bij &eacute;&eacute;n dood dier verzamelen; sommige kolonisten beweren,
+dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 &agrave; 100 van deze dieren bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een
+familie zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit jagen in dat van een andere bende, maar dulden
+ook niet, dat deze de grenzen van hun jachtveld overschrijdt.
+
+</p>
+<p>Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend
+groot aantal Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen 3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen
+en lammeren door de Dingo&#8217;s geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct gevolg zijn van den aanval van het
+Roofdier, is de schade die er indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt, in zinneloozen angst wegrennen,
+zonder te weten wat zij doen, in de wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo&#8217;s of van dorst bezwijken.&#8212;Bovendien
+verslindt dit Roofdier allerlei soorten van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas levende dieren.
+Hij maakt jacht op ieder in Australi&euml; inheemsch dier, en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden
+leven in voortdurende vijandschap met de Dingo&#8217;s; deze dieren vervolgen elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden
+een Dingo zien, vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt den verdwaalden Huishond ten deel, als
+hij onder de Dingo&#8217;s geraakt.
+
+</p>
+<p>Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en
+de geslepenheid van den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden in zijn belang gebruik te maken;
+wanneer echter zijne vijanden hem dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen, draait hij zich
+in wilde woede om en verweert zich met de razernij der vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid
+gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van &#8217;t leven van dit dier voert <span class="smallcaps">Bennett</span> bewijzen aan, die werkelijk aan &#8217;t ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en zoo door hen geslagen,
+dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter hadden
+de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd, toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich
+afschudden en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.&#8212;Alle mogelijke middelen worden toegepast om den Dingo uit
+te roeien. De hand van een ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt hem met strychnine. Met het
+geweer wordt hij slechts bij toeval gedood, want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen; ook bij drijfjachten
+weet hij behendig zich uit de voeten te maken.
+
+</p>
+<p>Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de inboorlingen van Australi&euml; vindt men echter nu en dan Dingos,
+die in een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig,
+en hun wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten
+zijn. Dat men echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit hetgeen aan &eacute;&eacute;n of eenige exemplaren waargenomen
+werd, een algemeenen regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo&#8217;s van de dierentuin te Breslau. Een daarvan
+is zoo tam geworden als een Hond, de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk feit is, mettertijd
+op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in de
+nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals,
+op dezelfde wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden dus een huil-duet op. <span class="smallcaps">Schlegel</span>, aan wien ik deze mededeelingen te danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze Dingos hoogst waarschijnlijk
+zeer bruikbare helpers van den mensch zouden kunnen opleveren.
+
+</p>
+<p>Werkelijk is dan ook <span class="smallcaps">King</span> er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar bleek te
+zijn, en <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> zag aan boord van het Engelsche pantserschip &#8220;Defence&#8221; een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond op het geheele schip
+rondliep, zonder ongeval de steile trappen op- en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="letterspaced">Door het verstand van den Hond bestaat de wereld</span>,&#8221; leest men in den <i>Vendibad</i> (het &#8220;wetboek&#8221;), het oudste en echtste deel van de <i>Zendavesta</i>, een van de oudste boeken, die men kent.
+
+</p>
+<p>Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als
+de Hond. Hij maakte als &#8217;t ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven en welzijn hij onontbeerlijk is. &#8220;De Hond,&#8221;
+zegt <span class="smallcaps">Cuvier</span>, &#8220;is de merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons
+eigendom geworden, ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe, richt zich naar diens gebruiken, kent
+en verdedigt diens eigendom en blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen gevolg van nooddwang of vrees,
+maar het uitvloeisel van zuivere liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone ontwikkeling van zijn reukzin,
+is hij voor den mensch een machtige bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van de menschelijke maatschappij.
+De Hond is het eenige dier, dat den mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde
+en onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs
+de armzaligste, onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot vriend, tot verdediger. Zoomin de
+overlevering als het wetenschappelijk onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft over zijne voorouders:
+over de afstamming van het belangrijkste van alle huisdieren loopen de <a id="d0e4149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4149">179</a>]</span>meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen aanleiding
+gegeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, &#8220;den Huishond als <span class="letterspaced">soort</span> van de overige Wolven te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan de naar links gekromde staart, welk
+feit reeds door <span class="smallcaps">Linnaeus</span> werd vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel
+heeft onderworpen en overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die door de belangrijkheid van hare gevolgen
+eenig is in de geschiedenis der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven met dat van den mensch, de
+Hond heeft zich, evenals de mensch, aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde natuurwerkingen, die
+op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te veroveren
+en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken natuurstaat
+(en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn
+geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel
+niet mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn schedel of van zijn gebit met een in &#8217;t wild levende
+soort van Wolf, welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende soorten van Wolven scherp te onderscheiden.
+Onze Europeesche Honden zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen tusschen den Wolf en den Jakhals,
+maar z&oacute;&oacute;, dat deze eigenschappen op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico
+troffen de Spanjaarden stomme Honden aan. <span class="smallcaps">A. von Humboldt</span> bericht, dat de Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka <span class="smallcaps">Pachacutec</span> hen tot de zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen;
+schedels en mummi&euml;n van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten tijd gevonden. <span class="smallcaps">Tschudi</span> heeft deze schedels onderzocht, houdt ze voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel, dat zij tot
+een afzonderlijke soort behooren, die hij <i>Canis ingae</i> noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche,
+die verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt, vooral den Europeanen vijandig gezind.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van
+Wolven naderen, nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook in uitwendige eigenschappen weder op de
+wilde vormen beginnen te gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den vorm van het dier, van de rechtopstaande,
+spitse ooren, de beharing enz. Reeds <span class="smallcaps">Olivier</span> vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en oosten
+van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw
+en ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig
+voorkomen is het licht te begrijpen, dat, zooals <span class="smallcaps">Pallas</span> heeft opgemerkt, de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is een bekend feit, dat er bastaarden van
+den Hond en den Wolf bestaan; ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden bastaarden voor. <span class="smallcaps">Pallas</span> zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd; blijkbaar
+echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan, zich afvraagt, of <span class="letterspaced">de Hond een soort, een zelfstandige en goed gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos</span>, dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort
+komen zulke groote afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute grootte voor, als bij den Huishond.
+Maar ook de huisdieren, welke, naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en onvervalscht behouden hebben&#8212;die
+dus slechts in minder belangrijke opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard, de Ezel, het Rund,
+de Geit, het Zwijn&#8212;, bieden zulke tegenstellingen niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen van
+Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van &eacute;&eacute;n stamsoort van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen
+afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk
+geen anderen uitweg over, dan de door <span class="smallcaps">Pallas</span> uitgesproken meening te onderschrijven: <span class="letterspaced">dat de Huishond z&#307;n ontstaan dankt aan de temming en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen inheemsch
+z&#307;n</span>. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid zal
+men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in
+deze zaak de leerstellingen en meeningen van <span class="smallcaps">Buffon</span> ons op een dwaalspoor zouden brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van den Hond met den Wolf
+en den Jakhals, is met de meening van <span class="smallcaps">Pallas</span> het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van
+vorm en grootte der Honden&#8212;die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij Hoenderen, voorkomt&#8212;een analogie verschaft in dergelijke,
+niet minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming
+in vorm en kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat, en ook het samenleven en de vriendschap dezer
+dieren, zijn eveneens feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij aanvankelijk meer en meer aan
+de wilde gelijk. Geiten, die gedurende het grootste gedeelte van &#8217;t jaar vrij in het gebergte rondzwerven, en welker voorouders
+vele geslachten her ditzelfde leven leidden, zooals de Geiten van Dalmati&euml; en van vele gewesten van Itali&euml;, gelijken zeer
+op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige
+jaren jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn.&#8221;
+<a id="d0e4206"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4206">180</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Darwin</span> zegt: &#8220;De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan &eacute;&eacute;n
+wilde soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en
+ten tweede het feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene Hondenrassen bestonden, die zeer weinig
+op elkander geleken, maar veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs geheel gelijk waren aan deze.
+Zoo geeft <span class="smallcaps">Youatt</span> een teekening van een beeldhouwwerk uit de villa van <span class="smallcaps">Antoninus</span>, waarop twee jonge Windhonden voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640 v. C. is een zeer groote
+Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die, welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische monumenten van de
+4e tot de 12e dynasti&euml;n (d.i. van ongeveer 3400 tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor &#8217;t meerendeel
+aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die op
+den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte
+kromme pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een
+der eigenaardigste: hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en een korten, omgekrulden staart. Hij is
+nauw verwant aan een ras, dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen Everhond, waarvan <span class="smallcaps">E. Vernon Harcourt</span> getuigt, dat hij &#8220;een excentriek, hi&euml;roglyphisch dier is, zooals dat, waarmede <span class="smallcaps">Cheops</span> eertijds ter jacht ging,&#8221; en dat hij &#8220;eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen Hertenhond.&#8221; In denzelfden tijd als
+dit overoude ras bestond er een, dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat er reeds 4000 &agrave; 5000
+jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren, namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters,
+Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen,
+dat een dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans levende, bezitten wij echter niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang v&oacute;&oacute;r den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten
+tot ons gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat in de Deensche Kj&ouml;kkenm&ouml;ddingen (of ophoopingen
+van keukenafval) uit de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk
+afkomstig van een Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd (het tijdperk der bronzen werktuigen)
+vervangen door een grooter, eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode door een nog grootere verscheidenheid.
+In Zwitserland bestond in de jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige grootte, wiens schedel ongeveer
+evenveel afweek van dien van den Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden met onze Jachthonden en
+Patrijshonden gemeen had. Gedurende den bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar uit zijne kaakbeenderen
+blijkt, overeenkwam met een Hond, die in hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. <span class="smallcaps">Schmerling</span> vond in een hol overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk verschilden, doch waarvan men niet met
+zekerheid gewaar kan worden, in welk tijdperk zij leefden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in &#8217;t wild levende
+stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde
+Honden en de wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst
+gegrond is, slechts in weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier staat echter tegenover, dat er niets
+onwaarschijnlijks gelegen is in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden getemd zouden zijn. In bijna
+alle deelen der aarde worden leden van de familie der Honden in &#8217;t wild aangetroffen, en verscheidene van deze soorten stemmen
+vrij wel overeen met de verschillende rassen onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot het temmen van
+allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene
+soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang vervlogen tijd voor &#8217;t eerst in een land zich vestigde,
+hadden de daar levende dieren geen aangeboren of overge&euml;rfde vrees voor hem, en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden,
+dan thans. Toen de Falklands-eilanden voor &#8217;t eerst door den mensch bezocht werden, kwam de groote <span class="letterspaced">Falklandsche Wolf</span> (<i>Canis antarcticus</i>) onbevreesd <span class="smallcaps">Byron&#8217;s</span> matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen
+om hen te ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier &#8217;s nachts dood te steken, terwijl hij een stuk
+vleesch in de eene en een mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden stiet ik met den loop van
+mijn geweer Valken van een tak af, en hield aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te drinken.
+Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap
+voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen
+tegen de temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn op het bezit van Honden; zelfs half-getemde
+dieren zijn hun hoogst nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden met Wolven, waardoor zij jachtgezellen
+verkrijgen, die wel wilder, maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de jongen van twee soorten
+van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht, na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen van Nieuw-Holland
+met de jongen van den Dingo. Van <span class="smallcaps">King</span> vernam ik, dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar
+bleek te zijn. Met het oog op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de mensch in verschillende landen
+verschillende soorten van Wilde Honden getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij van de talrijke,
+voor dit doel geschikte, in verschillende landen levende soorten, er slechts &eacute;&eacute;n aan zich onderworpen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vele feiten steunen de bedoelde meening: <span class="smallcaps">Richardson</span>, die als een nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen
+gelijken op de Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan in de meerdere grootte en spierkracht
+<a id="d0e4247"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4247">181</a>]</span>van den Wolf. &#8220;Meer dan eens,&#8221; zegt hij, &#8220;heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van een bende Indianen aangezien,
+want zelfs het gehuil van beide dieren bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor van de Indianen
+somtijds het onderscheid niet opmerkt.&#8221; <span class="smallcaps">Kane</span> heeft bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote
+waarde hechten), den neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In aard verschillen de Eskimohonden
+weinig van Wolven; volgens <span class="smallcaps">Hayes</span>, zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester
+aanvallen. Zij verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen;
+de Indianen nemen jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. <span class="smallcaps">Columbus</span> vond in West-Indi&euml; twee soorten van Honden; <span class="smallcaps">Fernandez</span> beschrijft er drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom, d. w. z. zij blaften niet. Sedert <span class="smallcaps">Buffon&#8217;s</span> tijd is het bekend, dat de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort, waarschijnlijk met den <span class="letterspaced">Maikong</span> of <span class="letterspaced">Karasisi</span> (<i>Canis cancrivorus</i>).
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Rengger</span> brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor &#8217;t eerst door Europeanen
+bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook
+nu nog niet blaffen. <span class="smallcaps">Tschudi</span> zegt van hen, dat zij in de Cordilleras van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien, welke <span class="smallcaps">Tschudi</span> onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het
+is onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen,
+dat de mensch, toen hij zich voor &#8217;t eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische vaste land Honden medebracht, die niet
+blaffen konden. Deze meening is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azi&euml; afkomstige bewoners van Amerika
+op hun weg naar het zuiden minstens twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds genoemde Grijze of
+Vale Wolf (<i>Canis occidentalis</i>) en de Prairie-Wolf (<i>Canis latrans</i>), welke laatste soort, volgens <span class="smallcaps">Richardson</span>, volkomen overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche
+vlakten er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen <span class="smallcaps">Paget</span> verhaalt van een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort
+gehouden. De Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt, gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige
+districten van Indi&euml;.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen, dat <span class="smallcaps">Geoffroy St. Hilaire</span> geen standvastig verschil heeft kunnen vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige verwantschap ook
+uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. <span class="smallcaps">Ehrenberg</span> is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij
+onderzocht, van den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (<i>Canis lupaster</i>) afstammen, en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden, evenals de thans nog in Nubi&euml; levende, in dezelfde
+betrekking staan tot den Jakhals dezer gewesten. <span class="smallcaps">Pallas</span> beweert, dat de Jakhalzen en Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt uit Algeri&euml; bericht. De
+tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4&deg; en 6&deg; Z.B. en ongeveer
+tien dagreizen het binnenland in, komt, naar <span class="smallcaps">Erhard</span> mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. <span class="smallcaps">Lichtenstein</span> zegt, dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den
+rug) met den Schabrak-Jakhals (<i>Canis mesomelas</i>) van Zuid Afrika. <span class="smallcaps">Layard</span> bericht, dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel
+tam als wild voor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende landen op de wilde soorten, die daar nog leven,&#8212;wegens
+de gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen worden,&#8212;wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan
+half-getemde dieren hechten,&#8212;en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden, die het temmen van Honden begunstigen, is
+het hoogst waarschijnlijk, dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed bepaalde soorten van Wolven&#8212;de Gewone
+Wolf (<i>Canis lupus</i>) en de Huilwolf (<i>Canis latrans</i>)&#8212;en van twee of drie andere minder goed gekarakteriseerde soorten van Wolven&#8212;n.l. van de Europeesche, de Indische en de Noord-Amerikaansche&#8212;voorts
+van minstens &eacute;&eacute;n, misschien twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene soorten van Jakhalzen en
+misschien van &eacute;&eacute;n of meer uitgestorven soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten invloed toe op de eigenaardigheden
+der dieren en meenen hierdoor de overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche wilde vormen te kunnen
+verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend, die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat <a id="d0e4334"></a><span class="corr" title="Bron: speken">spreken</span>.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is, dat de mensch door de geheele wereld heen slechts &eacute;&eacute;n enkele
+soort van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als
+wij de zeer groote ouderdom der verschillende rassen in &#8217;t oog houden, en vooral, als wij ons de groote gelijkenis herinneren,
+zoowel in uitwendig maaksel, als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen en de wilde soorten, welke
+nog diezelfde landen bewonen, spreekt de groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren die nog steeds
+kunnen worden aangevoerd, <span class="letterspaced">beslist ten gunste van den meervoudigen oorsprong onzer Honden</span>.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog <span class="smallcaps">Zittel</span>, aan wiens voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen, die op de geschiedenis van den Huishond gedurende
+vroegere tijdperken betrekking heeft.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoewel,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Zittel</span>, &#8220;in beenderenholen dikwijls overblijfselen van den Huishond gevonden (en onder de namen <i>Canis familiaris ferus, C. ferus, C. Mikii</i> beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen, of dit <a id="d0e4357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4357">182</a>]</span>dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel
+van den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den steentijd, n.l. in de Deensche Kj&ouml;kkenm&ouml;ddinger,
+in de Zwitsersche en Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Itali&euml;. Het ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen
+gevonden zijn, wordt <span class="letterspaced">Turfhond</span> (<i>Canis familiaris palustris</i>) genoemd, en gelijkt, volgens <span class="smallcaps">R&uuml;timeyer</span>, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren
+snuit gekenmerkte <span class="letterspaced">Brons-hond</span> (<i>Canis familiaris matris optimae</i>), die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft
+in den Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van.&#8221;
+&#8220;De Turfhond is, volgens <span class="smallcaps">Jeitteles</span> en <span class="smallcaps">Naumann</span>, een getemde afstammeling van den Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (<i>Canis hiberniae</i>), maakt, dat <span class="smallcaps">Studer</span> de afstamming van <i>Canis Mikii</i>, waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden zijn, waarschijnlijker acht. Volgens <span class="smallcaps">Anutschin</span> vertoont de kleine Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in &#8217;t oog loopende overeenkomst met den Turfhond.
+Die verschillende rassen van het brons-tijdperk zijn, volgens <span class="smallcaps">Studer</span>, door teeltkeus uit den Turfhond ontstaan. <span class="smallcaps">Jeitteles</span> echter meent, dat zij uit den Indischen Wolf (<i>Canis pallipes</i>) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond van &eacute;&eacute;n enkelen
+vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van
+Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als een voortbrengsel van &#8217;s menschen bemoeiingen, beschouwd
+moeten worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Met den naam <span class="letterspaced">Paria-honden</span> zullen wij, in navolging van de Engelschen, de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die, hoewel zij
+aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen,
+want parias,&#8212;ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten dieren&#8212;zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid
+om te doen en te laten wat hun goeddunkt,&#8212;parias, die dankbaar de hand likken, welke hun het juk der slavernij oplegt, die
+gelukkig schijnen te zijn, als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.
+
+</p>
+<p>Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije,
+Griekenland en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met scharen van Honden, die geen eigenaar hebben;
+zij komen ook wel in de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de Huishonden onmiddellijk verdreven
+worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op Muizen en dergelijke
+kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in &#8217;t zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en zwerven
+des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op de Kanarische Eilanden is het, volgens <span class="smallcaps">Bolle</span>, nog in den laatsten tijd voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden een aanzienlijke schade aanrichtten.
+
+
+</p>
+<p>Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen
+gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste dezer steden, zooals Alexandri&euml; en Ka&iuml;ro, tot op zeer
+aanzienlijken afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan verwilderde Honden, die alle tot een zelfde
+ras behooren. Zij komen in grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben een onaangename gezichtsuitdrukking;
+hun lange en tamelijk ruige staart wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige, verwarde vacht is
+vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele exemplaren,
+komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven, brengen
+er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven &#8217;s nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en
+deze zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het
+oosten, de andere naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn, dat zij van weerszijden aan den noordewind
+blootgesteld zijn, dan graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant, dat zij evenwel alleen dan gebruiken,
+wanneer zij in hun naar &#8217;t oosten of naar &#8217;t westen gerichte hol last hebben van den kouden wind. Des morgens tegen tienen
+vindt men ze geregeld in het hol, welks opening naar &#8217;t oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar, na de koelte van den morgen,
+in de eerste stralen van de zon, om weer warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet, en noodzaken
+hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar
+het aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen
+te schijnen, gaat de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang liggen blijft.
+
+</p>
+<p>Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden.
+Men hoort blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een groot kreng verzamelen zij zich altijd in
+groote menigte; een doode Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het schrokkerige gezelschap verslonden,
+zoodat alleen de grootste beenderen blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag bij het aas, n.l. wanneer
+het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in hun bedrijf
+benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met
+ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan
+de Honden den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten; van hen hebben zij daarom het meest te lijden.
+In alle omstandigheden is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook op de wijze van de Katten voor
+de nesten van de Renmuizen loeren, en als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er bij geval voor
+hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten, komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten <a id="d0e4419"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4419">183</a>]</span>rond. Hier worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet
+vaak meer gebeuren, dat geloovige <a id="d0e4421"></a><span class="corr" title="Bron: Mohamedanen">Mohammedanen</span> hen bij uiterste wilbeschikking gedenken, zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op zekere hoogte
+zorg dragen.
+
+</p>
+<p>Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert,
+vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar
+oproer. Uit ieder hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk
+blaffen. Meermalen heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren kennen, als om hun vleesch te gebruiken;
+het diende mij tot lokaas bij &#8217;t vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en Gieren. Bij deze jacht heb
+ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen; onder andere
+heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem
+b.v. was het mij in &#8217;t laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400
+pas afstand lieten naderen.
+
+</p>
+<p>Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk sterk en worden dan een ware plaag voor het land. <span class="smallcaps">Mohammed Ali</span> liet eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen met Honden, en deze in volle zee overboord werpen
+om de zekerheid te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij slechts uiterst zelden gevaar loopen dol
+te worden; er zijn werkelijk nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door een dollen Hond gebeten
+werd.
+
+</p>
+<p>Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke betrekking tusschen den mensch en de Honden. &#8220;Onafscheidbaar
+van de straten van de hoofdstad,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Hackl&auml;nder</span>, &#8220;is de gedachte aan hare nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in tallooze menigte daar gevonden
+worden. Gewoonlijk vormt men zich van zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en wordt daarom later
+dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van &#8217;t geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen lezen.
+Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen, zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze
+dieren veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige
+betreft, komen zij nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen gekromden staart; ook hun haar is
+anders, n.l. kort en vuil geel van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen, moet men erkennen, dat geen
+dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen, zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt het van deze
+Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af, of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden
+op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet, gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een
+Muzelman een van deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman hen uit zijn werkplaats de overblijfselen
+van zijn maal toe. Alleen de Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid; door hun hand verliest
+menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen
+hebben; wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige
+aanvielen, en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden, letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze
+wel willen vergelijken met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van den bazar iets eetbaars kochten, dan
+volgden ons alle Honden, die wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere straat binnengingen, waar ons
+een andere troep Honden op dezelfde wijze begeleidde.&#8221;
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer <span class="letterspaced">Huishonden</span> zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door
+<span class="smallcaps">Linnaeus</span>, op de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit
+geen gemakkelijke zaak is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt ongeveer als volgt: &#8220;Vreet vleesch,
+aas, melige plantaardige stoffen, geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt leppend; watert zijdelings,
+in goed gezelschap dikwijls honderdmaal; beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt zijwaarts, gaat
+op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn
+slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De teef draagt 9 weken, werpt 4 &agrave; 8 jongen: de mannetjes
+gelijken op den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot van den mensch, kwispelstaart bij &#8217;t naderen
+van zijn meester, duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit, aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam,
+spoort verloren zaken op, doet &#8217;s nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij goederen, houdt het vee van de
+akkers af, houdt de Rendieren bijeen, bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen, drijft het wild
+op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het braadspit,
+trekt in Siberi&euml; den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt, als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet
+gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars, valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en
+kanker door likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen; onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend
+onweer. Heeft last van den lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt zijn eigen lichaam. De Amerikaansche
+Hond verleert het blaffen. De Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij onderzoekingen van den bloedsomloop
+etc.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten
+vrijwel overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen,
+genoodzaakt worden hun levenswijze te veranderen.
+
+</p>
+<p>De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker
+en vlug. Als het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als &#8217;s nachts, <a id="d0e4452"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4452">184</a>]</span>en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In &#8217;t algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze
+heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles, wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig,
+en beide in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins
+bedorvene dan van het versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best opgevoede en best verzorgde Honden
+verslinden gretig de uitwerpselen van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven al het andere voedsel,
+andere schatten het minder hoog. Van de gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn, hun het best; als
+zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk zijn
+het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend
+met brood voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs
+mag hem heet voorgediend worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet, moet steeds zindelijk gehouden
+worden. Een volwassen Hond krijgt genoeg voedsel, als hij zich &eacute;&eacute;nmaal per dag behoorlijk zat eten kan, tweemaal te voederen
+is echter beter; een Hond die &#8217;s avonds eten kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht laten omkoopen,
+als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij wijze
+van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen
+blijven.
+
+</p>
+<p>De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij
+langs een steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve richting. Als hij hard loopt, kan hij groote
+sprongen maken; tot plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden houden merkwaardig veel van &#8217;t water
+(p. 199); verwende Honden schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien klimmen. Hier klauteren zij
+zeer behendig bij muren en bij de niet sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen veilig langs
+zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik;
+in &#8217;t laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts, de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop;
+zelden strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.
+
+</p>
+<p>Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen
+vergezeld, zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het knorren en het zachte blaffen gedurende den
+slaap. Zij zijn bijzonder sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en vooral hun slaapplaats, moet
+altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig; de speekselafscheiding
+treedt voor de zweetvorming in de plaats; van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek laten hangen,
+druppelt onophoudelijk speeksel af.
+
+</p>
+<p>De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het
+gezicht hebben naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van alle overige door een fijnere ontwikkeling
+van het gehoor, andere door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken gevoelig zijn, kan niet ontkend
+worden, hoewel deze zin zich bij hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne zintuigen te sterk aandoen,
+hebben zij een afkeer. Het minst worden zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter voor schelle
+en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan &#8217;t huilen; als men hun
+eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen
+van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld, en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij
+ons in &#8217;t geheel geen denkbeeld kunnen vormen.
+
+</p>
+<p>Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in &#8217;t kort
+te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door <span class="smallcaps">Scheitlin</span> gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende citaat ontleend is: &#8220;Hoe groot het verschil ook zij,
+dat er in lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen
+zijn volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer korten tijd. Sommige zijn in &#8217;t geheel niet tembaar,
+terwijl andere spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat
+uit eigen beweging te water, de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man africhten, met den Poedel gelukt
+dit niet. Alleen de Jachthond heeft een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen de achterpooten; alleen
+de langlijvige Dashond, die, naar men zou kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond en heeft
+zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen; hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor
+het loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.
+
+</p>
+<p>De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend geschikt voor het bewaken van &#8217;t vee; ook kan hij meesterlijk
+graven, zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt
+jacht op Wilde Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit
+te water. Men gebruikt en misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische gronden te voorzien was,
+steeds strijdlustiger wordt; vooral voor kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich niet verweren kunnen,
+is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij &#8217;t bijten en bij het
+verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de Windhonden
+wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien hebben
+zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op
+Hazen en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten, waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond
+(en ieder ander dier) moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust heeft, voordat de mensch op het denkbeeld
+komt hem hiervoor <a id="d0e4467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4467">185</a>]</span>af te richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij
+haar op schoot te zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de kamer te blijven, met de vrouw uit
+&eacute;&eacute;n glas te drinken, van &eacute;&eacute;n bord te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes en de Leeuwtjes gehouden.
+Van den Jachthond worden de fijne reuk, de groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan zijn meester
+geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken van &#8217;s menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de
+Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam, vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag
+bijten en is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten
+is gekenmerkt door onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en geen slagen vreest; hij is onverzadelijk,
+maar kan toch gedurende langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer verstandig; zij zijn goede waakhonden,
+door hunne woestheid en moed voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt; met ware doodsverachting
+pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten zich op den
+man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij &#8217;t vechten vreeselijk
+toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem
+omspringen, op &eacute;&eacute;n plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich
+niet bewegen kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig meer verstand, dan men meent. Het laagst
+ontwikkeld onder de Honden is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan en kan, zooals licht te begrijpen
+is, zich zelf niet tot hooger peil verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien
+indruk door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen,
+als een zoogdierenziel kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat het om geheel menschelijk te zijn,
+niets anders mist dan de spraak, geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen van den gemoedsaard, geen
+dier heeft de stof geleverd voor zooveel verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen, zijn herinneringsvermogen,
+zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid, waakzaamheid,
+liefde voor den meester, geduld bij &#8217;t omgaan met kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden van zijn
+meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld
+van zijn geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt over een koord, hij staat op schildwacht, hij
+bestormt en verdedigt vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den wagen; hij kent de noten, de getallen,
+de kaarten, de letters; hij neemt een mensch de muts van &#8217;t hoofd, brengt hem zijn <a id="d0e4471"></a><span class="corr" title="Bron: pantoffols">pantoffels</span> en tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken; hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele
+andere zaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb Honden gekend,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Lenz</span>, &#8220;die, naar het scheen, bijna ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden of sloten, den stoel, de
+tafel op de bank binnendroegen, hem den hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk voorwerp opzochten
+en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels te voorschijn
+haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien, hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel
+van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij
+trekt, als hij thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een kruisweg gekomen is, omkijkt, om te
+vernemen of hij rechts of links moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige daad, hoe beschaamd daarentegen,
+als hij een dommen zet gedaan heeft; hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn meester het bemerkt,
+liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar zich
+verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend
+spoedig leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten
+is enz. Aardig is het ook om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt, waarvoor hij van nature in
+&#8217;t geheel geen trek gevoelt, hoe een andere Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant, naarmate
+hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht
+van elkander afwijken. Hunne meest in &#8217;t oogloopende karaktertrekken zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester,
+onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang,
+een dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de
+eene eigenschap meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond treden. De opvoeding heeft hierop grooter
+invloed, dan men gewoonlijk meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding geven. De Hond is een getrouw
+spiegelbeeld van zijn meester: hoe vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe beter en zindelijker men
+hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt hij; juist
+het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden,
+van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt
+ongelukkig gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord &#8220;hondsch&#8221; nog steeds in onteerenden zin gebezigd,
+hoewel het eigenlijk juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel mede bedoelt. Door zijne veelzijdige
+begaafdheden neemt de Hond den hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens onontbeerlijken metgezel.
+
+
+</p>
+<p>Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo huilen en blaffen vele bij &#8217;t zien van de maan, zonder
+dat men hiervoor een reden weet <a id="d0e4483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4483">186</a>]</span>aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig
+of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen
+zeker van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate
+vijandig, zonder dat hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten en de Egels; als zij een der laatstgenoemde
+dieren ontmoeten, scheppen zij er als &#8217;t ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de stekelbekleeding te bijten,
+ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.
+
+</p>
+<p>Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen
+tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden
+regen aan.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst
+een wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien, en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere
+gevoelens bij hen de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in &#8217;t oog van de vriendschapsbanden, die soms
+tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in nood. Ook met
+andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan; zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen
+Hond en Kat is wel eens onjuist.
+
+</p>
+<p>De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 &agrave; 10, gewoonlijk 4 &agrave; 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20
+of meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds hebben, maar 10 &agrave; 12 dagen lang blind blijven. De moeder
+bemint hare kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt ze niet zelden van de eene plaats naar de
+andere, waarbij zij ze met de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost is in &eacute;&eacute;n woord roerend: er
+zijn voorbeelden van bekend, die ons niet alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo verhaalt <span class="smallcaps">Bechstein</span> een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: &#8220;Een schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen op het
+Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl
+hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar
+huis terug te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had
+telkens over kleine gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen, en op deze wijze de 18 mijlen dertien
+malen achtereen afgelegd, ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De
+kleintjes hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het noodige te verschaffen. Het spreekt van
+zelf, dat de teef gedurende dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere eigenaar van een drachtige
+teef moet voor haar van te voren in een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats, een zacht leger gereed
+maken, en haar ook later op allerlei wijzen bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef zoogt, is
+haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest,
+ja zelfs jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls
+bij Honden waargenomen, maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor hare pleegkinderen waren dan Honden,
+die, hoe goedhartig zij ook zijn, bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden zijn, zooals uit het rimpelen
+van de huid van den neus blijkt. Zij zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang
+zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu
+worden de diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of
+4e levensmaand wisselen zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel meer om hun moeder. Als het
+de bedoeling is, ze op te voeden, of, zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang uitgesteld worden.
+De meening van ouderwetsche jagers en andere Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van zijn eerste
+levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om te leeren, berust op een dwaling. <span class="smallcaps">Adolf</span> en <span class="smallcaps">Karl M&uuml;ller</span>, beiden zeer ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra
+deze behoorlijk loopen kunnen, en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden nooit met slagen bestraft,
+krijgen bijna nooit een hard, hoogstens een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste gezellen en helpers
+op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij gewillig
+en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer
+en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep,
+zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.
+
+</p>
+<p>Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd
+van 20, ja zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen
+ouderdomsverzwakking, maar een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren, onderhevig zijn, een einde
+aan hun leven.
+
+</p>
+<p>Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger
+meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte,
+die een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk
+sterft meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden
+zij alle gekweld door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij hebben dikwijls zeer veel te lijden
+van Vlooien en Luizen en op sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van ongedierte kan men spoedig
+<a id="d0e4508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4508">187</a>]</span>verdrijven door onder het strooleger van den Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier met Perzisch-insectenpoeder
+in te wrijven. De Tieken, die den Hond het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn, pekel of tabakssap
+te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door &#8217;t zuigorgaan
+veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren of zweren.
+
+</p>
+<p>De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of <i>lyssa</i>, vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren, maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk
+komt deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor, meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den
+winter bij al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich
+anders gedraagt dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn meester; voorts openbaren zich bij hem een
+ongewone slaperigheid en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat dikwijls naar zijn voedsel zonder
+te eten, drinkt gretig water, doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over &#8217;t algemeen door zijne
+handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier verandert,
+dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan,
+dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt
+of verslindt, en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk
+verstopping voor; de ooren worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat, de blik loensch. Later wordt
+het oog rood en ontstoken. De dolle Hond laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn meester, wordt
+steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de
+wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien.
+Weldra knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook
+van dorst versmacht, hij kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water in de keel giet, veroorzaakt
+dit bij hem ademnood en een krampachtige samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere andere vloeistof
+te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.
+
+</p>
+<p>Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken,
+maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de
+mondhoeken; de bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar beneden. Met den staart tusschen de pooten
+en hangenden kop loopt de Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles wat hem in den weg komt, vooral
+echter naar andere Honden. Ontmoet hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke richting te blijven
+volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt dikwijls neder en hapt naar lucht.
+
+</p>
+<p>Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts
+weinig met speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen
+ziektevorm is de Hond in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij hapt onwillekeurig naar Vliegen of
+naar alles wat in zijne nabijheid komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten, lokt andere Honden
+tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de ontstoken
+tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond
+druppelt. Van &#8217;t water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem
+voor den bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt, zelfs in zijn ketting.
+
+</p>
+<p>De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in &#8217;t zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel
+in landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in &#8217;t
+geheel niet tot uitbarsting.
+
+</p>
+<p>Van oudsher zijn vele middelen tegen de <i>lyssa</i> aangeprezen; het is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad, en wel voornamelijk niet, omdat men
+geen zekerheid kon verkrijgen, dat het dier, waardoor de pati&euml;nt gebeten was, werkelijk aan dolheid leed, of ten onrechte
+verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan; dit moest
+echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam
+verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig
+einde nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door <span class="smallcaps">Pasteur</span> ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk
+is, door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken door inenting van koepokstof. Volgens de methode van
+<span class="smallcaps">Pasteur</span> wordt het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene
+malen achtereen onder de huid van den pati&euml;nt ingespoten. Door het drogen is de vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg
+verzwakt, en wordt het in een inentingsstof veranderd, die den pati&euml;nt tegen de ziekte beschut. Sedert 1885 zijn duizenden
+van menschen, die gebeten waren, op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld gebeten door dieren,
+die ten onrechte van dolheid verdacht werden; er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest, die gebeten
+waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil (misschien
+zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.
+
+
+</p>
+<p>Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de
+oogen dof staan, als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn, dat het onpasselijk is. Als er in den toestand
+van den pati&euml;nt niet spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een ervaren veearts voorgeschreven zijn,
+niet baten, blijft er weinig hoop op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen zware ziekten doorstaan.
+Verwondingen <a id="d0e4534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4534">188</a>]</span>genezen schielijk en volkomen, niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn zelfs ervaren geneeskundigen,
+om van kwakzalvers niet eens te spreken, meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon snel verloop
+hebben.
+
+</p>
+<p>De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer
+uit eigen ervaring; de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien nog meer noodig. Zijn vleesch wordt
+gegeten op de Zuidzee-eilanden, door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen, Chineezen, Eskimos, de
+Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn; zij hebben echter
+veel last van de vijandige gezindheid van andere, nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In verband
+met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij
+ons een gevoel van afschuw te wekken. Nadat <span class="smallcaps">Bernardin de Saint-Pierre</span> het denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de
+volkenkunde verrijkt geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de gewoonte om Honden te eten een
+voorlooper, begeleider of overblijfsel is van het menscheneten.
+
+</p>
+<p>Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel
+en helper; zelfs den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld is gekomen dit dier een eigen naam te geven,
+bewijst de Hond in de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien van wachter, ook helpt hij hem op de jacht.
+Voor den bewoner der Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen
+van zijn vaderland, of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In het noorden van Azi&euml; worden hondevellen
+tot kleedingstukken verwerkt; in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen, banden en beenderen wordt
+lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer komt op twee&euml;rlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot dansschoenen,
+aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk
+enz.; het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die &#8220;Grieksch wit&#8221; (<i>Album graecum</i>) wordt genoemd, omdat de Grieken het voor &#8217;t eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in den oorlog moesten
+de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk aan
+&#8217;s vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen
+van de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe
+rol: vele van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige
+helden, die deel uitmaakten van de roofgierige benden der <i>Conquistadores</i>. Even als alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze Honden, of liever hunne meesters in hun plaats,
+een evenredig aandeel van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen,
+die zich aan het gezag der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de wildernis op te sporen.
+
+</p>
+<p>Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting,
+die men voor hen had, was echter zeer ongelijk: <span class="smallcaps">Socrates</span> was gewoon bij den Hond te zweren; <span class="smallcaps">Alexander <span class="letterspaced">de Groote</span></span> was over den dood van een zijner lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met tempels liet bouwen;
+<span class="smallcaps">Homerus</span> bezingt <span class="letterspaced">Argos</span>, den Hond van <span class="smallcaps">Odysseus</span> op een waarlijk treffende wijze; <span class="smallcaps">Plinius</span> acht de Honden zeer hoog en verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat de Kolophoni&euml;rs, die voortdurend
+oorlog voerden, met het oog hierop groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst aanvielen, en in geen
+veldslag in gebreke bleven. Toen <span class="smallcaps">Alexander <span class="letterspaced">de Groote</span></span> naar Indi&euml; trok, had de koning van Albani&euml; hem een grooten Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij
+liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen, maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. <span class="smallcaps">Alexander</span> meende, dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van Albani&euml; dit vernam, zond hij nog een Hond van
+dezelfde soort met de boodschap, dat <span class="smallcaps">Alexander</span> geen zwakke dieren tegenover den Dog moest plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee zulke Honden
+gehad; als <span class="smallcaps">Alexander</span> dezen liet dooden, had hij er geen meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een Leeuw, later met een
+Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.&#8212;De oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer hoog,
+zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen
+uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog ge&euml;erd was de
+Hond bij de oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen overwonnen waren, moesten deze eerst nog
+een hevigen strijd voeren met de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen, naar <span class="smallcaps">Plinus</span> bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens <span class="smallcaps">Von Humboldt</span>, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen, tot de duisternis geweken was.
+
+</p>
+<p>Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten.
+Nagenoeg al zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.
+
+</p>
+<p>Nu hebben wij den Hond in &#8217;t algemeen beschouwd; het wordt tijd, dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen
+diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat
+het aantal rassen zoo verbazend groot is: <span class="smallcaps">Reichenbach</span> vermeldt er 195.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Windhonden</span> (<i>Canis familiaris grajus</i>) zijn kenbaar aan hun uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen,
+en in den regel ook de kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet, de vrij lange, smalle, met korte
+haren begroeide ooren, die voor de helft overeind staan en voor &#8217;t overige omgebogen zijn, de korte en strak gespannen lippen
+verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, <a id="d0e4608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4608">189</a>]</span>die in de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen,
+daar de neusschelpen zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor de reukzenuw-eindtoestellen niet
+over zulk een groote oppervlakte verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de lengte gerekt is, onderscheidt
+de borst zich door groote breedte, diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk zeer groote longen,
+die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een voldoende
+hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon
+sterk versmald, als &#8217;t ware om aan het lichaam, dat door de krachtige borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven.
+Denzelfden lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij
+vele dieren terug: een onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende langen tijd voortgezette beweging.
+Buitengewoon fijn gebouwd zijn de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral ook de sterke pezen, waarin
+deze spieren uitloopen. Maar ook aan den borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden zien er uit,
+alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt
+zich uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt
+en een weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen
+een grootere lengte, en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige rassen, waar zij fraai roodachtig geel
+is. Een andere kleur dan deze treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzi&euml; en van Centraal-Afrika, nagenoeg
+niet aan. Gevlekte Windhonden zijn zeldzamer en in den regel zwakker dan de &eacute;&eacute;nkleurige.
+
+</p>
+<p>De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen;
+in den regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester, maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont
+genegenheid aan iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt,
+en toont dezen dan ook een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter, wanneer een ander persoon jegens
+hem vriendelijker is dan zijn eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze trouweloosheid. Toen <span class="smallcaps">Eduard&nbsp;III</span> van Engeland stierf, verliet zijn Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het huis van Plantagenet.
+Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele, die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet achterstaan
+bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras vermeerderen.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1189.jpg" alt="Windhond (Canis familiaris grajus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="435"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Windhond</span> (<i>Canis familiaris grajus</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs
+nagenoeg onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk
+worden. Want ondanks zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint, trekt hij partij van zijn grootte,
+houdt steeds den snoet boven den nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert, stevig beet, tracht hem
+op te tillen, en schudt hem heen en weer, tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen staan echter
+vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als
+de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk
+in <a id="d0e4627"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4627">190</a>]</span>alle steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azi&euml;, Bedoe&iuml;nen, Kabylen, Soedaneezen, Indi&euml;rs en andere volken
+van Middel-Afrika en Azi&euml; achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls gelijk aan die van een goed Paard.
+Bij de Arabische stammen van de woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara, bestaat het spreekwoord:
+
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zijn meer dan twintig vrouwen waard,&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met deze menschen verkeerd heeft.
+
+</p>
+<p>Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats
+kunnen bereiken, zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert
+een fraai schouwspel op. De Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren Hond menige poets. Met razenden
+spoed snelt deze het wild achterna, maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden met die van de groote
+Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2, 3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is hem reeds
+op de hielen,&#8212;in &#8217;t volgende oogenblik zal hij hem zeker grijpen&#8212;maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt
+nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt
+bijna op den grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt en ziet eindelijk den Haas, die reeds een
+honderd vijftig schreden ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft het opnieuw bijna gegrepen,
+daar maakt de Haas een tweeden zijsprong, en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht nooit tot een
+einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in &#8217;t veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den pas
+afsnijdt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen, wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van
+het zuiden in meerder of mindere mate tot &eacute;&eacute;n ras, waarmede de <span class="letterspaced">Steppenwindhond</span> ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel,
+niet zelden naar &#8217;t witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt
+men dit ras onder andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld.
+
+</p>
+<p>In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid
+om den Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht
+in hun onderhoud, hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden en Windhonden, de eerste bij hunne
+schapenkudden, de laatste in het dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; v&oacute;&oacute;r iedere deur zaten verscheidene
+van deze prachtige dieren, het eene al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds hierdoor zeer van hunne
+verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd met den
+Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht
+te leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk
+om een geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid
+in &#8217;t klimmen.
+
+</p>
+<p>Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een
+hoorn: het was de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden en weldra trok de geheele jachtstoet in
+geregelde orde het dorp uit, hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want reeds de naastbijgelegen
+bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk gering,
+dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men
+een wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door, en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich
+daar bevond. Men bracht mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen, die door de Honden gevangen waren.
+Een Antilope ontkwam hun nooit, omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen.
+
+</p>
+<p>Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt generaal <span class="smallcaps">Daumas</span> het volgende mede: &#8220;In de Sahara en in alle overige door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een verwaarloosde,
+lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken
+of het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting, de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel
+als de armen beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke uitspanningen, waarvan de Bedoe&iuml;nen zooveel
+werk maken. Men verzorgt dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte voedsel, laat hem bij wijze van
+spreken met zich uit &eacute;&eacute;n schotel eten en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn
+nabijheid Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na verloop van korten tijd toont het edele dier
+reeds een groote en levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het reeds zooveel ervaring opgedaan,
+dat het ook voor &#8217;t vangen van andere, grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand begint men het
+reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht
+op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk, terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt
+de aandacht der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt
+de Windhond zich ook zonder bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Onder al die bedrijven is het edele dier &eacute;&eacute;n jaar oud geworden en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt
+de &#8216;Sloegoei&#8217; nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt; men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud
+is. Maar na dien tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij volbrengt dien naar behooren. Als deze
+Hond nu een kudde van 30 of 40 Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt zijn meester smeekend aan.
+Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt <a id="d0e4658"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4658">191</a>]</span>den rug en den buik van &#8217;t dier, in de overtuiging, dat het hierdoor, meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk
+is de Windhond vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste
+en mooiste exemplaar uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft, krijgt hij oogenblikkelijk het
+stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het vleesch aan de ribben,&#8212;ingewanden zou hij met verachting laten liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen
+vergoeding voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet
+de Windhond jubelend uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel, om den meester, wiens uitblijven hij
+betreurde, te liefkoozen. Dan zegt de Arabier tot hem: &#8220;Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede, het was noodzakelijk dat
+ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel zoo goed zijn,
+mij vleesch te verschaffen.&#8221; De Hond gedraagt zich bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis er
+van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel;
+voor een Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel als voor een mooi Paard.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de zoogenaamde <span class="letterspaced">Italiaansche Windhond</span>, in vergelijking met andere Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg, bij wien alle lichaamsdeelen
+volkomen met elkander harmonieeren. Zijn gewicht bedraagt zelden meer dan 3 &agrave; 5 KG., de alleruitmuntendste wegen zelfs niet
+meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1191.jpg" alt="Italiaansche Windhond (Canis familiaris grajus italicus). 1/9 v. d. ware grootte." width="512" height="380"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Italiaansche Windhond</span> (<i>Canis familiaris grajus italicus</i>). 1/9 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den <span class="letterspaced">Naakten Hond</span> van Centraal-Afrika (<i>Canis familiaris africanus</i>) beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst
+smal, de hals middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet
+wordt naar voren smaller en spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende en half overeindstaande ooren
+zijn, evenals het overige lichaam, onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort en strak gespannen.
+Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge, tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en het ontbreken
+van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen
+eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur,
+die bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi.
+De lengte van het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35 cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden
+vorm, treft men het ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan; alle zijn afschuwelijke beesten;
+niet zelden hebben zij een verkleurd bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China, Middel- en Zuid-Amerika,
+op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden.
+
+</p>
+<p>Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan
+in den regel niet lang in &#8217;t leven gehouden worden.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een tweede groep van Honden is die der <span class="letterspaced">Doggen</span> (<i>Canis familiaris molossus</i>). Van deze noemen wij in de eerste plaats den <span class="letterspaced">Deenschen Hond</span>, hoewel hij als een bastaard van den <span class="letterspaced">Windhond</span> en den <span class="letterspaced">Bulleb&#307;ter</span> wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van edelen vorm met slanke pooten, <a id="d0e4706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4706">192</a>]</span>gladden staart en groote, mooie oogen; de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele dier, toch nog veel
+forscher dan die van den Windhond. In vroegere tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt; thans treft
+men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1192.jpg" alt="Deensche Hond (Canis familiaris molossus danicus). 1/10 v. d. ware grootte." width="463" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Deensche Hond</span> (<i>Canis familiaris molossus danicus</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam <span class="letterspaced">Wachthond</span> of <span class="letterspaced">Slagershond</span> werd aangeduid (<span class="letterspaced">M&acirc;tin</span> der Franschen, welk woord volgens sommigen letterlijk &#8220;huishond&#8221; beteekent), en waaruit zich, volgens <span class="smallcaps">Linnaeus</span>, in het noorden de Deensche Hond, in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door kruising verkregen afstammeling van dit dier, de <span class="letterspaced">Duitsche Dog</span>, die zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt, en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt,
+in de mode is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen &#8220;<span class="letterspaced">R&#307;kshond</span>&#8221; gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef
+dragen, en ook wel <span class="letterspaced">Ulmer Dog</span> werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam
+<span class="letterspaced">Duitsche Dog</span>.
+
+</p>
+<p>De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart,
+licht- of donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht
+grijs zijn, meestal met onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen niet zelden witte merken op
+de borst en de teenen voor. De middelmatig groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond van dit ras,
+van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan <span class="smallcaps">Gr&auml;szner</span> ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175
+cM. en een gewicht van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze zegsman, rector van een school in een
+groote industrieele stad van Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats, en achtte het daarom noodig,
+zich een flinken Hond aan te schaffen, tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. &#8220;Mijn keuze viel,&#8221; verhaalt
+<span class="smallcaps">Gr&auml;szner</span> verder, &#8220;op een Duitschen Dog van 5 maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij de Hondenliefhebbers
+van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond in
+huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop
+van eenige uren legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn nieuwe omgeving al eenigszins op zijn
+gemak. Het spreekt van zelf, dat hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij deze gelegenheden
+toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard, als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig hield,
+verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf, ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen
+en laten van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde, dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van
+geharrewar en ruzie b.v. had hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige woordenwisseling geraakten,
+schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend tusschen de
+twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn lichaamskracht was ge&euml;venredigd aan zijn kolossale grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar
+was, geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap, die hem in &#8217;t voorbijgaan gestooten had, droeg hij,
+zonder hem eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende
+os, die met een aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan den hals vast, dat het dier luidkeels
+brulde van pijn en ontsteld <a id="d0e4760"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4760">193</a>]</span>wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin
+&#8216;Tom&#8217; eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende, sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij,
+voordat hij aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op het punt stond, toe te schieten op iets, dat
+zijn toorn had opgewekt, kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een kind omgeworpen en voortgesleept.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd,
+bleef hij uren lang bij &#8217;t bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend op diens gelaat gevestigd, en legde om
+zijn medelijden te toonen zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken werd.... Als de post een pakje
+had gebracht van een buitenshuis vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten, waarop de inhoud werd
+uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle leden van
+het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren, om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken.
+Het was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes
+noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te
+ontkapen, en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde voorwerp opzettelijk met in &#8217;t oogvallenden
+ijver zochten, had hij zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een onnoozel gezicht, om te laten zien,
+dat hij van de oorzaak van de opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp gaf hij, sluw knipoogend, eerst
+dan terug, als men zich direct tot hem wendde met de vraag: &#8216;<span class="letterspaced">Tom</span>! weet jij dan niet, waar dit of dat gebleven is?&#8217; Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam hij, voordat men hem
+deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd, ongeroepen
+bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik
+toe, die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te
+nemen, en naar zijn plaats terug te keeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze
+Hond bezat, hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen
+tot het mededeelen van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij, door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid
+van het spoorwegstation, toen er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den voorbijsnellenden trein,
+om te weten of er ook een bekend gezicht aan een der coup&eacute;-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat <span class="letterspaced">Tom</span> beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te
+weten, of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: &#8216;Ja, <span class="letterspaced">Tom</span>! ga er heen!&#8217; Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter den trein aan naar het station. Langs een korten omweg
+ging ik zoo spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien, hoe <span class="letterspaced">Tom</span> in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten
+ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert
+dien tijd gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen, vooral als het donker was, van alle in een
+nauwe betrekking tot ons huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein aankwam, drong <span class="letterspaced">Tom</span> door de dichte menschenmassa heen tot aan de waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun een stuk
+van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs
+den kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Bij den <span class="letterspaced">Bullenb&#307;ter</span> is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed en diep,
+de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend
+en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen),
+beide zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w.
+z. zij staan voor de helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De krachtige pooten zijn middelmatig
+hoog. De staart is bij den wortel dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het hielgewricht, hij wordt
+zelden rechtuit of naar achteren gestrekt, maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is &ograve;f vaal &ograve;f bruinachtig
+geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals bij
+alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor.
+
+</p>
+<p>Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens
+de zwaarte en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone
+spierkracht, veel vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen
+na, als de moedigste van alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de Bullenbijters bijzonder geschikt
+voor een moeilijke en gevaarlijke jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn niet zoo uitmuntend als
+die van vele andere Hondenrassen; zij staan echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt; want iedere
+Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor
+het bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als
+reisgezel in gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt, dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 &agrave; 6
+roovers verdedigd heeft, en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk een ongelijken strijd te voorschijn
+kwam in weerwil van de tallooze wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden Rundvee gebruikt, en is
+in staat om zelfs den wildsten stier in toom te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik zijn tegenstander
+met de tanden bij den bek te pakken <a id="d0e4792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4792">194</a>]</span>en zich zoo lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met
+groote roofdieren, zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht worden. Tegenover andere Honden gedraagt
+hij zich zeer loffelijk. Hij zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel welgevallen. Hij is trouw
+en gehecht aan zijn meester, maar is voor vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting liggen; als hij
+op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer te vreezen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1194.jpg" alt="Bullenb&#307;ter (Canis familiaris molossus hibernicus). &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="402"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bullenb&#307;ter</span> (<i>Canis familiaris molossus hibernicus</i>). &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke <span class="letterspaced">Doggen</span>, zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de
+zijden over de onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit voortdurend zichtbaar blijft. De neus
+is niet zelden gespleten, de vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter bont. In vroegere tijden,
+toen het land minder veilig was dan thans, kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze alleen bij sommige
+hondenliefhebbers aan.
+
+</p>
+<p>Een der grootste rassen is de <span class="letterspaced">Engelsche Dog</span> (<i>Mastiff</i>), die vaak als wachthond dienst doet.
+
+</p>
+<p>Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken
+kan worden, dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier licht isabelkleurig; men krijgt echter ook
+wel eens, hoewel minder dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Bulhond</span>, <span class="letterspaced">Bulldog</span> of <span class="letterspaced">Boxer</span> wordt vooral in Engeland veelvuldig gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend, ongenaakbaar en stompzinnig
+dier beschouwd; dit geldt echter niet van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen van trouw en gehechtheid;
+maar alleen, als hij dezen volkomen heeft leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle omstandigheden
+het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij
+een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en
+heerschzuchtig; het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat
+zijn moed nog grooter is, dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte.
+
+</p>
+<p>Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem
+bij deze voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen, zonder dat hij zijn gebit opent.
+
+</p>
+<p>De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend, en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze
+dieren meer dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige spelen van het Circus te vervullen.
+
+</p>
+<p>Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in
+staat van beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig
+niet meer zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest, als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige
+dieren van dit ras komen in verstand den Poedel zeer nabij.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve mij de uitdrukking, n.l. de <span class="letterspaced">Mops</span>, eigenlijk een Bullenbijter in &#8217;t klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die een kurketrekkervormig
+gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem zeer veel op
+de Bulhonden gelijken.
+
+</p>
+<p>De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde
+Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem.
+<a id="d0e4847"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4847">195</a>]</span></p>
+<p>Een groot ras van Bullenbijters, de <span class="letterspaced">Cubaansche Bloedhonden</span>, werd in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen,
+of zelfs te dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden gebruik van dergelijke Honden in den strijd
+tegen, of tot het opsporen van Indianen, en een van hen, <span class="letterspaced">Be&ccedil;erillo</span> genaamd, is beroemd, of liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als door schranderheid uit. Hij
+bekleedde een hoogen rang onder de Honden van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval was hij gewoon
+zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen, &eacute;&eacute;n hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene weg
+te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier
+hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden
+van de vijanden en deed hen geen leed.
+
+</p>
+<p>Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het
+echter geen Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht maakten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een andere <span class="letterspaced">Dog</span>, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was, is de <span class="letterspaced">Tibetaansche</span>, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige rassen,
+bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de
+wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd;
+in alle dorpen van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis en van het vee.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1195.jpg" alt="Tibetaansche Dog (Canis familiaris molossus tibetanus). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="426"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tibetaansche Dog</span> (<i>Canis familiaris molossus tibetanus</i>). 1/12 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Dashonden</span> (<i>Canis familiaris vertago</i>), in Engeland <span class="letterspaced">Terrier</span> genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen
+vorm en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug,
+die op korte, verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het degelijke gebit, de hangende ooren, de groote
+teenen met de scherpe klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten zijn zeer kort, plomp en sterk; de
+voorste ledematen zijn naar binnen gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar te beginnen zijn zij
+echter plotseling weder naar buiten gekromd; aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een klauw gewapenden
+binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar binnen
+gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde
+gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt.
+In den regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen.
+
+</p>
+<p>De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in &#8217;t duister. <span class="smallcaps">Xenophon</span> heeft hem, naar &#8217;t schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe
+grootte is de Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste
+andere Honden, zou hij voor de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als hij niet de onhebbelijkheid
+had, zich weinig of niet om het bevel van zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te &#8220;scheuren&#8221;, d. w. z. het
+buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed en
+verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt
+worden; zelfs op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig <a id="d0e4896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4896">196</a>]</span>weten zij buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat hen wegens hun geringe hoogte toch al niet
+zoo gemakkelijk pakken kan als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk en prettig in den omgang,
+waakzaam, laten zich door vreemden niet licht tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig, en op
+lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch.
+
+</p>
+<p>Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken
+ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij, geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra
+een stuk wild: nu echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd geworden wegens zijn ongehoorzaamheid,
+de jager moge hem fluiten, roepen, naar hem zoeken,&#8212;het baat alles niets: zoo lang hij het wild voor oogen heeft of het spoor
+er van vervolgt, gaat hij zijn eigen gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden in deze mate voorkomt.
+Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich verscholen
+heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is,
+gaat hij liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is de Dashond gewoonlijk slechts voor &eacute;&eacute;n jachtbedrijf
+bruikbaar: n.l. om dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven.
+
+</p>
+<p>Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen van een recht goede teef en houde ze gedurende den
+zomer in een open hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden, wat hen schroomvallig zou kunnen maken;
+want den moed, die hun van nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in stand gehouden worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van den bij ons zeer zeldzamen <span class="letterspaced">Otterhond</span>, die naar zijn vaderland <span class="letterspaced">Skije-terrier</span> heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend; volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen Terrier
+met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft, en <span class="letterspaced">Spithond</span> genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk voor &#8217;t draaien van &#8217;t braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij
+ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen.
+
+</p>
+<p>De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp, rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende
+ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige, verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs
+of geel) van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom
+veel voor de otter-jacht gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst; het heet daarom ook thans nog &#8220;<span class="letterspaced">Welsh Harrier</span>.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De groep der <span class="letterspaced">Jachthonden</span> (<i>Canis familiaris sagax</i>) omvat een veel grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij veel beter geschikt om goed afgericht
+te worden voor de diensten, die men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten rang in onder de Huishonden.
+Reeds bij ons is het aantal rassen niet onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittanni&euml;, waar men zich reeds
+sinds lang met ijver op het veredelen van deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een doelmatige keuze
+van de voor &#8217;t fokken gebezigde rassen bereikt; steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen voortbrengen.
+Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen
+reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het
+wild nog na verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen.
+
+</p>
+<p>Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de <span class="letterspaced">Staande Honden</span>, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms gespleten,
+het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen &#8220;het behang&#8221;); zij zijn &ograve;f kort en gladharig, &ograve;f langharig, &ograve;f ruigharig;
+hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken; men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of
+gele exemplaren aan.
+
+</p>
+<p>De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans
+door sommigen in ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam <span class="letterspaced">Staande Hond</span> soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de naam <span class="letterspaced">Patr&#307;shond</span> meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd tot
+aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond
+heet <span class="letterspaced">Pointer</span>: dit dier &#8220;teekent&#8221; (d. w. z. wijst den jager het wild) door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk
+te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht gericht (<span class="letterspaced">chien d&#8217;arr&ecirc;t</span>). De langharige Engelsche staande Hond heet <span class="letterspaced">Setter</span>, omdat hij gewoon was te &#8220;teekenen&#8221; door te gaan zitten of liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (<span class="letterspaced">chien couchant</span>); tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen als de Pointer.
+
+</p>
+<p>De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei
+wild, en hiervoor in den letterlijken zin van &#8217;t woord onontbeerlijk. Zij sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen
+van het versche spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in gunstige omstandigheden kunnen zij het
+kleine wild reeds op een afstand van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.&#8212;<span class="smallcaps">Diezel</span> roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit
+dier echter alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral
+een zeer scherpen reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet, om ieder woord, iederen wenk van den jager,
+wiens metgezel hij zal worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze moet alle eigenschappen van een
+goeden opvoeder, en wel in de eerste plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend schutter zijn.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Diezel</span> beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt: &#8220;Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide
+Hond van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen met een <a id="d0e4964"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4964">197</a>]</span>steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij
+even stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze
+wenken worden zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het gezochte wild, wordt de beweging van den
+staart, die v&oacute;&oacute;r dien tijd geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op eens in een levend beeld.
+Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige oogenblikken
+later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien, of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door
+den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn) den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos
+zijn plaats verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad
+en gebruikt heb, waren echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den eersten tijd, maar leerden het
+eerst in latere jaren.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1197.jpg" alt="Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="403"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Staande Hond</span> (<i>Canis familiaris sagax avicularius</i>). Langharig ras. &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de
+machtige invloed, dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen, duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden
+Hond. Een goed onderwezen Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame jager wordt door den goed gedresseerden
+Jachthond, die hem vergezelt, niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een Patrijshond gekend, <span class="letterspaced">Basko</span> genaamd, die alles deed, wat men van een dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend schutter, die
+in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht twintig treffers had, of hoogstens &eacute;&eacute;nmaal misschoot. Eens kreeg hij
+bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze
+vraagt verlof een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens: &#8220;Schiet vooral goed, anders neemt <span class="letterspaced">Basko</span> het u erg kwalijk!&#8221; De jacht begint; <span class="letterspaced">Basko</span> krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en &#8220;staat&#8221; voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op te jagen.
+De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele Vogel valt ter aarde. <span class="letterspaced">Basko</span> kijkt hoogst verbaasd om, en geeft duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij gaat echter nogmaals
+mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op, die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond gaat dicht
+bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren
+daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond, die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het
+veld mede te nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn hart geworteld.
+
+</p>
+<p>Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien.
+De africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men
+op gewelddadige wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet weinige africhters, die zich van deze
+marteltuigen bedienen. Velen echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen hunne leerlingen niet als slaven,
+maar als verstandige helpers; zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Speurhond</span> (in Duitschland <span class="letterspaced">Schweisshund</span>, in Schotland <span class="letterspaced">Bloodhound</span> of <span class="letterspaced">Talbot</span> genoemd), gelijkt in grootte en gestalte op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers bekend. De dieren,
+die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd; hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot vaalgeel,
+met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren; dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed,
+weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar breeder dan bij de overige <a id="d0e5008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5008">198</a>]</span>Jachthonden; de lippen van den stompen snoet hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede, afhangende
+ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart
+neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan,
+zoodat ieder, die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1198.jpg" alt="Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="436"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hertenhond</span> (<i>Canis familiaris sagax acceptorius</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild: hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het
+aangeschoten is. Aan de lijn gehouden (als <span class="letterspaced">leihond</span>) brengt hij bij het &#8220;nazoeken&#8221; den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde dier zich heeft neergelegd;
+als men hem los laat loopen, en hij het wild gestorven vindt, dan slaat hij &#8220;dood&#8221; aan; als het wild nogmaals is gaan loopen,
+vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert, en aan de jacht met een treffer een einde maakt.
+
+</p>
+<p>In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook
+beschermde hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar
+men meent, is de Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit geval tot koppels van 6 &agrave; 40 stuks vereenigd moeten blijven,
+zoo lang nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet zelden na een verwoeden tegenstand, door de
+Honden gegrepen, of door den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt dus &#8220;par force&#8221; (door krachtsinspanning)
+verkregen, en niet van uit de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden, die daarom <span class="letterspaced">Parforce-honden</span> of <span class="letterspaced">Brakken</span> (<span class="letterspaced">chiens courants</span>) heeten.
+
+</p>
+<p>E&eacute;n van deze, de <span class="letterspaced">Schotsche Hertenhond</span> (<span class="letterspaced">Greyhound</span>, <span class="letterspaced">Deerhound</span>), die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt,
+onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin
+nog maar weinig van deze dieren. Vroeger was dit anders. <span class="smallcaps">George&nbsp;III</span> was een hartstochtelijk liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon deel nam. Niet zelden werd met
+zulk een ijver gejaagd, dat van de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er nog maar 10 of 20 over waren,
+als het wild door de Honden gegrepen werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht werd dikwijls zoo
+lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden en zelfs vele Honden hierbij om &#8217;t leven kwamen. Tegenwoordig gaat dit
+niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze jacht te veel hinderpalen in den weg legt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een veel belangrijker dier is de <span class="letterspaced">Voshond</span>. Beroemde mannen hebben zich meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem geschreven, en ook nu
+nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar &#8217;t schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van geheele
+volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond, den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond,
+de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding.
+Een goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van
+den <span class="letterspaced">hertog</span> <span class="smallcaps">van Richmond</span> b.v. vonden, naar <span class="smallcaps">Bell</span> verhaalt, &#8217;s morgens om kwart voor acht den Vos en grepen hem eerst even v&oacute;&oacute;r 6 uur &#8217;s avonds, <a id="d0e5070"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5070">199</a>]</span>dus na een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal van Paarden verwisselen en verscheidene van deze
+dieren bezweken; van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Veel kleiner dan de 55 &agrave; 60 cM. hooge Voshond is de <span class="letterspaced">Spion</span> (<span class="letterspaced">St&ouml;berhund Choupille</span>, <span class="letterspaced">Beagle</span>), wiens schouderhoogte slechts 35 cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en Dashond is. Hij jaagt
+kort onder het geweer en &#8220;teekent&#8221; voor het wild zonder te &#8220;staan&#8221;. Vroeger werden koppels van deze dieren veel voor de drijfjacht
+op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Onder den naam <span class="letterspaced">Z&#307;dehonden</span> (<i>Canis familiaris extrarius</i>) vat men gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige
+haren bestaande vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang, zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog
+en rugwaarts gekromd gedragen wordt. Zij heeten ook wel <span class="letterspaced">Spaansche Honden</span> (<span class="letterspaced">&Eacute;pagneul</span>, <span class="letterspaced">Spaniel</span>), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland Hispaniola (Ha&iuml;ti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">Willem</span> I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit
+ras verkregen.
+
+</p>
+<p>Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en
+een groot verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden voor de jacht op klein wild, vooral Vogels,
+gebruikt; deze heeten Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen,
+daar zij van nature te driftig en te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen zij van begeerte bij
+het vinden van een spoor, en zijn niet in staat hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna voortdurend.
+Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden
+ook in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete Indi&euml;, waar de beste uit ons klimaat afkomstige
+Honden weldra bedorven zijn. Kapitein <span class="smallcaps">Williamson</span> verhaalt, dat hij eens een van deze kleine, vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los gaan. Het
+vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in &#8217;t eerst verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend
+gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij, dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze
+beide, in grootte en kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen, de groote, vreeselijke Tijger met
+opgeheven staart als voorganger en het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.
+
+</p>
+<p>De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten <span class="letterspaced">King-Charles</span>, de allerkleinste <span class="letterspaced">Blenheim-Hondjes</span>; de eerste naam brengt in herinnering, dat Koning <span class="smallcaps">Karel&nbsp;II</span> van Engeland buitengewoon veel van deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden zich door hun
+donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar
+en het groote, lange &#8220;behang&#8221;. De allerbeste en meest gezochte van deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten
+slechts 3,5 KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien, en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer
+zij verstandig behandeld worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan: voortdurend op grappen bedacht,
+laten zij zich met zeer geringe moeite tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename eigenschap van deze
+dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook de <span class="letterspaced">Maltezer</span> en <span class="letterspaced">Bolognezer Schoothondjes</span> en de <span class="letterspaced">Leeuwtjes</span> behooren tot dit ras.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de <span class="letterspaced">Newfoundlander</span> of <span class="letterspaced">Terreneuve</span> is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal, sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten
+snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker
+teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte, lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige
+haren vormen de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn
+zwart met een heldere, roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan de voetgewrichten. Een weinig
+minder veelvuldig komen zwart en wit, of bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.
+
+</p>
+<p>Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren
+met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate
+trouw en gehecht aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De Newfoundlander is de beste van alle waterhonden;
+het water schijnt zijn eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van zwemmen en verstaat deze kunst
+uitnemend; hij duikt als een zeedier en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze Honden in een wijde
+inham van de zee, op mijlen afstands van de kust; men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen had.
+Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den
+wind, als voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp
+uit het water, zelfs bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan hem op geen wijze meer genoegen
+doen, dan door hem de gelegenheid te geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met hem te water begeeft,
+vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch, evenals
+hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu
+eens zwemt hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde
+dragen of ondersteunen, kortom, hij wil in &#8217;t water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn meester zich vermoeid naar den
+oever begeeft, tracht de Hond hem tot een nieuwen wedstrijd over te halen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1200-1.jpg" alt="Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte." width="512" height="401"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Newfoundlander</span> (<i>Canis familiaris extrarius terrae novae</i>). 1/12 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1200-2.jpg" alt="St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="432"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">St. Bernardshond</span> (<i>Canis familiaris extrarius st. Bernhardi</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging in &#8217;t water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer
+dikwijls heeft hij aan verdrinkende <a id="d0e5169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5169">200</a>]</span><a id="d0e5170"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5170">201</a>]</span>menschen het leven gered. In plaatsen, die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste kinderoppasser,
+dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen; men
+kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast
+is. Bij deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid
+voor ontvangen weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een onrechtvaardige behandeling of straf, die hij
+ondergaan heeft; voor lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Met den Newfoundlander heeft de <span class="letterspaced">St. Bernards</span>- of <span class="letterspaced">Bernhardinerhond</span> eenige overeenkomst. &#8220;De St. Bernhardshonden,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, &#8220;zijn groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en lang &#8216;behang&#8217;; zij zijn buitengewoon scherpzinnig
+en <a id="d0e5185"></a><span class="corr" title="Bron: touw">trouw</span>. Door vier geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne
+trouwe diensten door lawinen om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke verschilt, wordt nu gefokt,
+en een jong dier dikwijls zeer duur verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van den St. Bernard, dat
+2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9 maanden
+duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken, in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die
+zoo fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt
+de wind dit ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 &agrave; 40 voet hoogte op, die paden en afgronden bedekken en bij den geringsten
+schok in de diepte storten.
+
+</p>
+<p>&#8220;De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen
+en in den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden
+reiziger met vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een
+spleet, de andere wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt
+en in de wildernis van honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt.
+Zonder de echt christelijke en zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas ieder jaar slechts gedurende
+weinige weken of maanden begaanbaar zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van de verzorging en redding
+der reizigers. Kosteloos vinden deze in &#8217;t klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het haardvuur nooit
+uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen is
+echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag
+gaan twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van den pas: &eacute;&eacute;n van de laagst gelegen herdershut van het
+klooster naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd;
+verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de &#8216;zoekers,&#8217; die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven, draagbaren
+en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de Honden
+wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms
+dagen achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij
+langs den kortsten weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed staande monniken naar den ongelukkige.
+Als zij een lawine ontmoeten, onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken, en als hun fijne neus hun daarvan
+de zekerheid geeft, beginnen zij onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen en groote lichaamskracht
+hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn, op den
+rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken
+van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De beroemdste Hond van dit ras was <span class="letterspaced">Barry</span>, een onvermoeid werkzaam dier, dat aan meer dan 40 menschen het leven redde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een dichter heeft dezen Hond bezongen; <span class="smallcaps">Tschudi</span> haalt dit gedicht in zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in gebonden taal geschreven is,
+n.l. de beschrijving, die <span class="smallcaps">Scheitlin</span> van <span class="letterspaced">Barry</span> geeft. &#8220;De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen,&#8221; zegt hij, &#8220;was niet die, welke de wachten van den Akropolis van
+Korinthe deed ontwaken, ook niet de Bloedhond <span class="letterspaced">Be&ccedil;erillo</span>, die honderden van naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter, die op bevel van zijn meester,
+een beangste reiziger vergezelde en beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook niet <span class="smallcaps">Dryden&#8217;s</span> &#8216;<span class="letterspaced">Draak</span>,&#8217; die na een wenk van zijn meester, op vier bandieten aanviel, eenige hunner doodde en z&oacute;&oacute; zijn heer het leven redde, niet
+die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar in &#8217;t water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug
+te Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in de golven ontrukte, ook niet <span class="smallcaps">Aubry&#8217;s</span> Hond, die woedend den moordenaar van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid van den koning plaats
+had, verscheurde, ook niet de Hond van <span class="smallcaps">Benvenuto Cellini</span>, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen stelen wilde, maar <span class="letterspaced">Barry</span>, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij, <span class="letterspaced">Barry</span>, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een
+warme ziel voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met een korfje vol brood en zoete, versterkende
+lafenis aan den hals, verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder, dag aan dag, om ingesneeuwde, door
+lawinen bedekte ongelukkigen op te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek, snel naar huis te rennen,
+opdat de kloosterbroeders met u kwamen en met spaden u bij &#8217;t graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een doodgraver,
+gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen
+maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster
+te laten dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige <a id="d0e5225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5225">202</a>]</span>poort, om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging over te geven. En toen de zoete last u afgenomen
+was, sneldet gij dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door iedere naar wensch geslaagde poging nam
+uw ervaring toe en werdt gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad, dat zij voortdurend goede gevolgen
+teweegbrengt!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en alle andere hospiti&euml;n worden, volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span>, uitmuntende Honden gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls Newfoundlanders of kruisingsproducten
+van deze. De hospitiumbewoners op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter het naderen van slecht
+weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo beroemd als
+<span class="letterspaced">Barry</span> is geen hunner echter geworden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een Zijdehond is ook de algemeen bekende <span class="letterspaced">Poedel</span>. Hem te beschrijven, komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel <a id="d0e5242"></a><span class="corr" title="Bron: eignaardigheden">eigenaardigheden</span> heeft, die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam met de lange, wollige, vlokkige haren, die op
+vele plaatsen echte lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de lange en breede ooren onderscheiden
+hem van zijne verwanten. Een fraaie Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn overigens zuiver
+zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.
+
+</p>
+<p>De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden, doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en
+gaarne, en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden;
+in dit opzicht doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter te schetsen, ontleen ik de woorden aan <span class="smallcaps">Scheitlin</span>, een zijner warmste vereerders. &#8220;Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft den fraaist gevormden kop, den
+best gebouwden romp, de schoonste gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet hoog en niet laag,
+niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden voor
+allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem
+aan, zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt
+hij gewaar, dat hij het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij
+onderscheidt de spijzen zeer goed en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een zoek geraakt kind
+een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken, kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind terugvinden.
+Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn;
+voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem
+zijns meesters, merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de klokken en schellen, herkent de huisgenooten
+aan hun wijze van gaan en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter minder ontwikkeld: hij ziet niet
+goed, hij herkent zijn meester door het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In
+de stad of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt, met de zekerheid het te zullen vinden, het een of
+ander huis, waar hij met zijn meester, al is het ook slechts &eacute;&eacute;nmaal, geweest is, en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan.
+Daarom kan men hem leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij
+onderscheidt den Zondag van de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van den maaltijd; ook is hij goed
+op de hoogte van de dagen waarop in het slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en onderscheidt hieraan
+de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak, andere
+niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen; daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend
+opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend
+leert verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren
+lang onthoudt hij den weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig, omdat hij met zijn reukzin veel
+onderscheiden kan; veel meer aanspraak maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers in &#8217;t dagelijksch
+leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het
+geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel; hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid
+en zijn gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan, pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met
+een troep Honden een hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne kameraden komedie spelen enz. Het
+is bekend, dat men ook aan Paarden en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w.
+z. zijn ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na, wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn.
+Hij is een echte oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van zijn meester: &#8216;wat hij doet, is wel gedaan;
+ik moet (of mag) het ook doen.&#8217; Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een tusschen de pooten of wil dien
+met den bek grijpen en spant zich dus noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een wetenschappelijk
+doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de pooten
+te graven. Als zijn meester aan &#8217;t venster zit, springt de Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn
+en kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid
+er een ziet medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer, gaat van den een naar den ander, om te laten
+zien hoe knap hij is en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen bekommert hij zich in het geheel
+niet om andere Honden; hij veracht ze, naar &#8217;t schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij hem achting toedragen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en ook de meest geliefde Hond, omdat hij <a id="d0e5256"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5256">203</a>]</span>de goedaardigste is. Kinderen vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te bijten en ongeduldig te worden
+toelaat, dat zij hem op allerlei wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig hij ook is, toch kan men
+hem de brokken dikwijls weer uit den bek halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens geschoren heeft,
+kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder te scheren,
+dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn
+meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs, staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen
+hoek van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt, snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz.
+Ook is het de moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht
+te zijn, bij hem langs tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan, en plotseling, als men niet naar
+hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot optilt, alsof hij,
+om te maken dat men hem de deur laat uitgaan, van plan is daar zijn behoefte te doen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden,
+naarmate hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen, heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch
+wil aanhitsen, kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij denkt: &#8220;het kan toch de bedoeling van
+mijn meester niet zijn, dat ik een van zijns gelijken zou aanvallen.&#8221; Men zou zijn meester kunnen dooden, zonder dat hij voor
+hem in de bres sprong. Steeds is hij in de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen diens slagen,
+maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord, den dreigend opgeheven vinger.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond
+zit graag aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen
+tracht hij te breken of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt vaak als een mensch, als hij losgemaakt
+wordt, en doet soms, alsof hij gek is van blijdschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van &#8217;t geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door <span class="smallcaps">Giebel</span> een aardig geval medegedeeld: &#8220;In een groote stad, waar een hondenbelasting geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt,
+alle Honden zonder belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en leelijk, in een groot hok, waar
+zij zich den tijd kortten door zoo luid mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil, schijnbaar
+in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis, en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden.
+De weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan &#8217;t werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden,
+opende de deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw
+trokken zij voorbij de poortwachters, die in &#8217;t geweer kwamen, de stad binnen, en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester
+terug.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Rattenvangers</span> (de <span class="letterspaced">Pintscher</span> van de Duitschers), die nu aan de beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend; werkelijk hebben zij
+(eenige hunner althans) door hun beharing en door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid en trouw,
+vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw
+van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men
+onderscheidt ze in <span class="letterspaced">gladharige</span> en <span class="letterspaced">ruigharige</span>. De eerstgenoemde gelijken door hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door de hoogere en rechte pooten
+en de geheel rechtopstaande of slechts aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur, gevlekte komen zeldzamer
+voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts gericht
+met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog
+en recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn, den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.
+
+
+</p>
+<p>Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren, die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun
+grootste genoegen Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met
+waarlijk onvermoeiden ijver vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet onvoorwaardelijk aan te bevelen,
+daar zij wegens hun voortdurende onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen verschaffen; daarentegen zijn
+zij uitnemend geschikt voor menschen, die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger vergezelt zijn meester
+het liefst, wanneer hij terdege rennen en loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog tijd te vinden
+om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en tegen
+den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft
+een tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de voorpooten in den grond en heeft in &#8217;t volgende oogenblik
+het in den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij,
+naar <span class="smallcaps">Lenz</span> verzekert, gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel 14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op,
+maar begraaft ze; Muizen eet hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.
+
+</p>
+<p>De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen
+de Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om
+de belangstelling in dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed; hierdoor gelijkt dit volksvermaak
+veel op een hazardspel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft, is de <span class="letterspaced">Kleine Ruigharige Rattenvanger</span>, bij ons gewoonlijk <span class="letterspaced">Smousje</span> genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers
+zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier, den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en
+liefkoozend jegens zijne vrienden <a id="d0e5300"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5300">204</a>]</span>en zeer dapper in den strijd tegen andere Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt, en wordt zelfs hier
+en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar
+meer nog dan de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de <span class="letterspaced">Huishonden</span> in engeren zin (<i>Canis familiaris domesticus</i>.) Tot deze groep behooren de <span class="letterspaced">Herdershonden</span>, de <span class="letterspaced">Keeshonden</span>, de <span class="letterspaced">Wolfshonden</span>, de <span class="letterspaced">Honden der noordelijke volken</span> (<span class="letterspaced">Lappen</span>, <span class="letterspaced">Kamtschadalen</span>, <span class="letterspaced">Eskimos</span>, <span class="letterspaced">Hazen-Indianen</span> enz.), de <span class="letterspaced">Zigeuner-Hond</span>, de <span class="letterspaced">Chineesche Hond</span>, de <span class="letterspaced">IJslandsche Hond</span> enz.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1204.jpg" alt="Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). &#8537; v. d. ware grootte." width="512" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Ruigharige Rattenvanger</span> (<i>Canis familiaris gryphus hirsutus</i>). &#8537; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De eigenlijke <span class="letterspaced">Herdershond</span> verschilt van alle overige Huishonden, doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den regel slank gebouwd,
+mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte aanmerkelijk
+achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk
+een weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken,
+die tot aanvulling van het beeld van dit dier kunnen dienen.
+
+</p>
+<p>In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid
+volledig verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende
+huisdieren een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet steeds letten op zijn meester en acht geven
+op diens bevelen. De Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten, want anders zijn zij niet bevreesd
+voor hem. Als hij de koe voor zich uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den staart of in de zijden,
+en nog veel minder in de uiers. Als een koe achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt, maar toch
+het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat,
+toch nog baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven hangen. De Spaansche herders gebruiken bij
+het veehoeden ook nog den slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen bestraft geworden is door
+een steen, die de herder hem tegen den kop werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt den weerspannige
+goed in &#8217;t oog en beperkt zijne bewegingen reeds na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder moet
+sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit
+aanpakken, maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.
+
+</p>
+<p>Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de
+Duitsche even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren.
+Zoekt de herder zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten,
+dan helpt de Hond hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of viervoetige roovers: de Hond neemt deel
+aan de gevechten, die hierbij noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn Hond een zachtaardig wezen
+zijn. De beide bondgenooten komen in aard overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die als &#8217;t ware ieder
+woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig opmerker verhaalde mij hiervan een <a id="d0e5364"></a><span class="corr" title="Bron: staalje">staaltje</span>, waarvan hij ooggetuige was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed <a id="d0e5367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5367">205</a>]</span>op het &#8220;raapzaad&#8221; moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen, waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder
+had gehoord. Tarwe en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor hem, van raapzaad had hij echter
+geen begrip. Na een korte overdenking ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers en bleef eindelijk
+staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn, en &#8217;t
+was werkelijk zoo!
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Wat de Herdershond is voor het vee, is de <span class="letterspaced">Keeshond</span> (de <span class="letterspaced">Spitz</span> of <span class="letterspaced">Pommer</span> van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en
+langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht
+bekleed met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering
+ook zwarte kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan &#8217;t voorhoofd, en witte merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons,
+zoodat men hem niet licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den voorkeur aan die, welke lange, zachte,
+zuiver witte haren hebben.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1205.jpg" alt="Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="422"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Keeshond</span> (<i>Canis familiaris domesticus pomeranus</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op
+boerenerven voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den
+voerman ontbreekt hij in Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te vervullen; door zijn vroolijken
+aard verschaft hij den man bij zijn moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De Keeshond wordt het meest
+geschikt geacht voor het genoemde doel, omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester onderscheidt,
+zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich neervleit
+daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast
+te liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Wolfshonden</span>, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op de Herdershonden,
+welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen, moge de <span class="letterspaced">Eskimo-hond</span> dienen; deze gelijkt op de leden van de beide laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de onbeschaafde
+volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn schouderhoogte bedraagt 50 &agrave; 60 cM., in sommige gewesten komen echter
+forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren,
+de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild
+dier, hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft
+hij verwanten, die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor &#8217;t hoeden van &#8217;t vee als voor het trekken van de slede.
+
+
+</p>
+<p>Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf
+niet verschaft, door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele maanden alleen uit vel en beenderen schijnt
+te bestaan. Hij staat tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij in slavenketenen ligt, en tracht deze
+ketenen te verbreken. Er is iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn geest. Door zijn dicht haarkleed,
+de overeind staande ooren, de breedte van den bovenkop en de spitsheid van den <a id="d0e5408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5408">206</a>]</span>snoet gelijkt hij zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in &#8217;t geheel niet van elkander onderscheiden
+kan. De Eskimo-hond rooft en steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch deemoedig, als slechts
+een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die onder
+de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt; van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon
+zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan
+hem bevestigd is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel v&oacute;&oacute;r elkander aangespannen. Soms beginnen zij gedurende
+de reis samen te plukharen; het geheele gespan wordt &eacute;&eacute;n verwarde klomp; alle brommen, blaffen, bijten, razen dooreen; niet
+eens de met kracht op hen neerkomende zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk is de verwarring
+zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van elkander losmaken
+en opnieuw aanspannen.&#8212;Zonder deze Huisdieren zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De Honden bewijzen
+hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10 &agrave; 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige jachttochten.
+6 &agrave; 10 van deze dieren trekken een slede met een last van 300 &agrave; 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in &eacute;&eacute;n
+dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM., en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild
+bespeuren, loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne
+meesters, als deze in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.
+
+</p>
+<p>De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden worden. &#8220;Zonder deze Honden&#8221;, zegt <span class="smallcaps">Steller</span>, &#8220;kan iemand hier evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend
+van kleur: de meeste echter zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik- en langharig. Zij voeden zich
+met visch. Van de lente tot laat in &#8217;t najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd loopen zij overal vrij
+rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij genoeg
+Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren, alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October
+verzamelt iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan laat men ze terdege honger lijden, om te
+maken, dat zij hun vet verliezen, voor &#8217;t loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra de eerste sneeuw valt, begint
+hun ellende; dan hoort men ze dag en nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den winter krijgen
+zij twee&euml;rlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in hooge
+mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit
+&#8217;s morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere
+slede gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1&frac12; poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading
+voor vier Honden is 5 &agrave; 6 poed (82 &agrave; 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol en gevaarlijk is, en men zich er bijna
+nog meer bij moet inspannen, dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het besturen van een hondenslede
+zoo moede wordt als een Hond, biedt dit middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst begaanbare plaatsen
+van het eene oord naar het andere kan komen, en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw, ook voor
+voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men
+zoowel van de afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt blijken te zijn, de huiden tot twee&euml;rlei
+soort van kleedingstukken verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote waarde zijn.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Vossen</span> (<i>Vulpes</i>) verschillen door hun langwerpigen romp, den langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den regel langwerpig
+rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van de Wolven,
+dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die
+der andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht ten zeerste waardig zijn.
+
+</p>
+<p>Onder de in ons vaderland in &#8217;t wild levende Zoogdieren staat de <span class="letterspaced">Vos</span> (<i>Vulpes vulgaris</i>) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze
+vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid, van de lust tot het plegen van overtredingen en, om
+het zoo eens uit te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord, hem prijst de sage, hem verheerlijkt
+het gedicht; Duitschlands grootste dichter <span class="smallcaps">Goethe</span>, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. &#8220;De
+Vos van de sage en van de dichters,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, &#8220;en de Vos van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij
+hem niet in buitengewone mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list en vindingrijkheid, ook niet
+de onovertroffene fijnheid van zinnen, welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt hij zich van de
+andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven, door geen enkele in &#8217;t oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men toegeven,
+dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet
+bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder
+begrepen, zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere
+jager, die met deze roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat er ook zeer vele niet-schrandere,
+ja zelfs werkelijk domme schepsels onder zijn&#8212;en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook sommige oude dieren. De
+Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen; hij is vermetel,
+maar alleen als de honger hem kwelt, en <a id="d0e5443"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5443">207</a>]</span>wanneer hij jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest
+of van overleg, maar geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch maar recht lomp gesteld zijn, en
+laat zich herhaaldelijk op deze wijze beetnemen; in &#8217;t open veld laat hij de sleden, die zich in een kring om hem heen bewegen,
+binnen het bereik van een schot naderen; hij is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem schrik aan
+te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar
+bij een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit de voeten te maken&#8212;om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer
+vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft, in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid,
+niet geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere
+Reintje van de overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt
+zich door geen enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld, in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder
+met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op
+den staart komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed, het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling
+smaller wordt, is lang en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet breed zijn en naar boven spitser
+worden, staan rechtop. De romp schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid buitengemeen slank; toch is
+hij buitengewoon krachtig en voor de meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de staart is lang
+en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn
+rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past
+even goed bij de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om &#8217;t even of zij hoog of laag zijn, ook
+is het even goed geschikt voor de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen bodem. Meer dan bij andere
+dieren schijnt bij den Vos het kleed zich naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont met die der
+noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe
+en in de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien, de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker.
+Bij nauwkeurige beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer de volgende verdeeling van kleuren op: Aan
+de geheele bovenzijde is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en het achterste deel van den rug tot
+aan den staartwortel zijn met wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een witten top eindigt; de
+lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw, de flanken
+witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood,
+met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar
+in elkander over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor komt het, dat het geheele haarkleed voor alle
+omstandigheden recht goed geschikt is.
+
+</p>
+<p>Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa,
+Noord Afrika, het westen en het noorden van Azi&euml;; wij mogen ook Afghanistan, het westelijk deel van den Himalaja en Tibet
+er bij voegen, want de daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen worden. Nergens ontbreekt hij geheel;
+in vele gewesten komt hij veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte woonplaatsen vinden, waar andere
+Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen hem in staat om zich
+in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos zijn. Daar
+de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt
+daar echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.
+
+</p>
+<p>Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime
+kamer uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen
+niet zelf, maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich
+te storen aan diens afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen
+aangelegd. Voorzoover hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een berghelling, zoodat de gangen naar boven
+gericht zijn, zonder te dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de kamer dikwijls dicht onder de
+oppervlakte. In den herfst en den winter vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen opeengestapeld
+rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken
+als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer
+gedurende de grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol;
+bij gunstig weer echter doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste geschikte plekje, dat hier te vinden
+is, als rustplaats. In vlakten, die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van Onder-Egypte, graven
+de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit land jaar
+in jaar uit in de open lucht leven.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1208.jpg" alt="Vos (Vulpes vulgaris)." width="343" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Vos</span> (<i>Vulpes vulgaris</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Vos houdt zijne rooftochten liever &#8217;s nachts dan over dag; op stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij &#8217;t licht der
+zon. In de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van zijn gebied dikwijls verscheidene uren v&oacute;&oacute;r zonsondergang
+met zijne jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt, rust hij, naar &#8217;t schijnt, alleen gedurende
+de morgenuren uit; hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op
+warmte gesteld. Bij fraai weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om zich in de zon te koesteren en
+verdroomt dan in de verkwikkelijkste gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft <a id="d0e5463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5463">209</a>]</span>hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt
+zoo vast, dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd gevestigd, hem soms in dezen toestand kan
+verrassen en bespieden. Met het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij zijn rooftocht. Uiterst
+voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne wegen,
+passen of &#8220;wissels&#8221; (<a id="d0e5465"></a><span class="corr" title="Bron: d.z.">d.w.z.</span> de paden, waarlangs hij het bosch binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen, hoog gras en dergelijke
+dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel van &#8217;t woud;
+hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als &#8217;t ware een brug vormen,
+waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de &#8220;passen&#8221; van
+den Vos zeer goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in de op dat tijdstip bestaande omstandigheden
+zal kiezen.
+
+</p>
+<p>Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever, vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel
+van zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de
+jongen van Ree&euml;n en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op den bodem broedende Vogels, welker eieren en
+jongen hij verslindt, maar tracht ook de oude, in &#8217;t vliegen ervaren Vogels door list te overmeesteren en bereikt niet zelden
+zijn doel. Hij zwemt en waadt door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende Vogels te bereiken; er zijn
+voorbeelden van bekend, dat hij broedende Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt des nachts tot
+op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op klaarlichten
+dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen, vangt
+hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz., of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij
+de beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van
+de visschers leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed
+voorzien is, en hij alleen dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon bemoeilijkt. Dan behelpt hij
+zich met al wat eetbaar is, niet alleen met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en, evenals vele Honden
+bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne bezoekt
+hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen
+prooi speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze, voordat hij haar doodt.
+
+</p>
+<p>Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan
+en als hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden.
+In dit geval echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar
+voor de oogen van de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den haal. Slechts in den uitersten nood laat
+hij een zoo moeilijk verworven prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien, of hij haar toch niet medenemen
+kan. Dezelfde driestheid toont hij soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig maken. Zoo pakte een
+Vos, die bij een drijfjacht door de Honden achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had hooren fluiten,
+in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het door de
+jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog
+schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring van drijvers en schutters. De houtvester <span class="smallcaps">Liebig</span> verhaalt, dat een Vos op het erf van een boer in Moravi&euml; kwam om Hoenderen te stelen, met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde,
+nogmaals verdreven werd, ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.
+
+</p>
+<p>De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een
+onhoorbare wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden
+zijn zeer zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna in horizontale richting achterwaarts gestrekt,
+bij langzamer beweging sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik op den grond; om te rusten gaat
+hij niet zelden, evenals de Hond, ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls zit hij ook geheel op
+de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water is hij
+volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en snel zwemmen; ook in &#8217;t klimmen is hij niet onervaren; soms vindt
+men hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben, hoog boven den grond.
+
+</p>
+<p>De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen &#8220;blaffen&#8221;
+alleen, als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen
+en keffen telkens als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in gevaar verkeert, laat hij een woedend
+gesnater hooren; een smartkreet verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is, of wanneer een schot
+hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als het sneeuwt
+en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan
+van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf, deels aan dat van den Pauw herinneren.
+
+</p>
+<p>Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen
+in hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan, in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert
+zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor
+andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand,
+met den Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking
+tot Grimbaard moet niet als een vriendschappelijke verhouding opgevat <a id="d0e5481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5481">210</a>]</span>worden; het is Reintje volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.
+
+</p>
+<p>Negen weken (juister gezegd: 60 &agrave; 63 dagen) na de paring, in het einde van April of in &#8217;t begin van Mei, werpt de moervos
+jongen, welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest voorkomende aantal jongen in een nest 4 &agrave; 7.
+De moeder behandelt ze met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in &#8217;t geheel niet, later slechts
+gedurende korten tijd als de schemering reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht hun verblijfplaats
+geheim te houden.
+
+</p>
+<p>Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur
+v&oacute;&oacute;r het hol, om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun steeds bereidwillige moeder te spelen.
+Deze brengt hun voedsel in overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen, Vogeltjes, Vorschen en Kevers;
+zij leert hare hoopvolle spruiten de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in dezen tijd voorzichtiger
+dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste gedruisch
+in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol;
+zelfs wanneer zij zeer in &#8217;t nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden
+gelukt het den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een zekere grootte bereikt hebben, liggen zij
+bij goed weder &#8217;s morgens en &#8217;s avonds gaarne v&oacute;&oacute;r den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst van de moeder af; als
+het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge dieren
+de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje
+te verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich
+met hun moeder naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen veiligheid verschaffen. Na den oogst
+zoeken zij dicht struikgewas, heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde jagers en sluwe struikroovers
+en verlaten eindelijk in het laatst van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.
+
+</p>
+<p>Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen.
+Zij worden, als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Lenz</span>; &#8220;van deze was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij nog zeer jong was. Hij was juist begonnen
+zelf te eten, maar was toen reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje v&oacute;&oacute;r zich had, voortdurend
+knorde, en, hoewel niemand hem hinderde, toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke behandeling werd
+hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en, in plaats
+daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over &#8217;t algemeen speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met
+mij, was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even
+vriendelijk was hij voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen afstands, als zij den hoek van &#8217;t huis
+omgingen, dadelijk reeds van mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem te komen, welke eer hij mij
+en mijn broeder, die hem gewoonlijk met voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat hij wist, dat wij
+toch wel zouden komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor
+hem bestaat geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen (zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem,
+delft hem op uit zijn veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op drijfjachten tot hij dood neervalt,
+haalt hem met boren en tangen uit den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van het standpunt van
+den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk
+een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij
+het niet. Want de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Ree&euml;n, Hazen, Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen
+en Fazanten aangelegd, bebouwd en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het is daarom de plicht
+van allen, die zich met boschkultuur, landbouw en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te doen verdwijnen,
+wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren,
+dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel
+als schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte schade over &#8217;t hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen
+kan men niet.
+
+</p>
+<p>Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich
+toe op en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals
+reeds gezegd is, zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel, als hij voor zijn levensonderhoud noodig
+heeft, n.l. 20 &agrave; 30 stuks bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot tijdverdrijf dood, die hij laat
+liggen. Hierdoor is hij in allen gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem vrij te pleiten van de misdrijven,
+waaraan hij zich schuldig maakt; want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont, vele nuttige Vogels verslindt
+en hunne nesten plundert, in de pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt; hiervoor echter geeft
+hij een voldoende vergoeding door het nut, dat hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen en op
+de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg; dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en
+vervolgt, terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.
+
+</p>
+<p>De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood,
+dikwijls schiet men hem &#8220;op den aanstand&#8221;, na hem door het nabootsen van het geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te
+hebben, of doodt hem bij helderen maneschijn v&oacute;&oacute;r de schiethut op een plaats waar krengen neergelegd zijn. Wanneer hij &#8217;s
+winters over de besneeuwde velden op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke <a id="d0e5500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5500">211</a>]</span>wijze jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den
+regel geen gebruik maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters plaatst. De door een schot gewonde
+Vos laat zelden klaagtonen hooren; soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten: <span class="smallcaps">Winckell</span> had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde
+poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en
+nu even hard wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai van leven. Verscheidene voorbeelden zijn
+er bekend, dat Vossen, die voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1211.jpg" alt="Poolvos (Vulpes lagopus) in zijn winterkleed, &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="414"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Poolvos</span> (<i>Vulpes lagopus</i>) in zijn winterkleed, &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest echter in &#8220;zwanehalzen&#8221;; dit zijn ijzeren vallen met
+slagveeren, die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men
+het ijzer op de hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen,
+haar te bezoeken. Eerst wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen, wordt het schoongemaakte ijzer,
+dat met een weinig sterk riekend lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen gesteld met versche lokbrokken
+er om heen en met den vangbrok er op.
+
+</p>
+<p>De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden
+hebben zulk een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige
+en zoogende moervossen dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in &#8217;t geheel niet vervolgd worden. De overige Zoogdieren
+kunnen Reintje niets doen: onder de Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De Havik neemt zonder
+bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. <span class="smallcaps">Tschudi</span> maakt melding van zulk een geval: &#8220;Een Vos die over een gletscher liep, werd door een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde
+in de lucht. Weldra echter begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken, daalde en kwam achter een
+rotspunt terecht. De persoon, die dit had waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem pijlsnel voorbijloopen;
+aan den anderen kant vond hij den stervenden Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende zijn
+onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte
+hij nu heen, maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle luchtvaart behouden hebben.&#8221; In de overige
+klassen van het dierenrijk heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden, wel echter zulke, die hem het
+leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek te nemen, zich langzaam
+te water te begeven, zoodat achtereenvolgens alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en meteen door
+de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos aanlanden,
+en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.
+
+</p>
+<p>Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten, waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste
+van allen, de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag
+in dorpen doordrongen, en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens <span class="smallcaps">Noll</span> komt de genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt zij zich dan over een groot gebied.
+<a id="d0e5527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5527">212</a>]</span></p>
+<p>Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken,
+naar den geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt opgemerkt bij den <span class="letterspaced">Poolvos</span>, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk van hem onderscheidt;
+hij is een der onnoozelste en tevens een der indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van het Vossengeslacht.
+
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Poolvos</span>, <span class="letterspaced">IJsvos</span> of <span class="letterspaced">Steenvos</span> (<i>Vulpes lagopus</i>) is kenbaar aan de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de teenen, die, evenals het overige lichaam,
+dicht behaard zijn, den zeer ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij is aanmerkelijk kleiner dan
+onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in kleur met die
+van den grond of van de rotsen overeen; in den winter is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in den
+winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde &#8220;Blauwe Vossen&#8221; moeten,
+evenals de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.
+
+
+</p>
+<p>De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden, zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de
+eilanden niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte
+van de aarde verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen;
+men vond ze als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend groot aantal op eilanden, die ver van alle
+andere, door hen bewoonde streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger tijd hierheen verhuisd zijn.
+Alleen wanneer er slecht weer ophanden is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt de Poolvos een schuilplaats
+in holen in het gesteente, of ook wel in door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen &#8217;s nachts, om op roof
+uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij
+zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen, struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats
+bieden, op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst
+maakt hij jacht op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in groote troepen hunne woonplaatsen in de
+gebergten verlaten, om zich naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren over. Uit de klasse der Vogels
+rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren, Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote slachting aan.
+Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de kust worden geworpen.
+
+</p>
+<p>De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen; er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen;
+integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn.
+De eene pakt den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij
+van oordeel is, dat hij hem genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten; terwijl zij, als zij ongeduldig
+worden, met schelle stem huilen.
+
+</p>
+<p>De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar toch komen bij &#8217;t nagaan van zijne talenten de zonderlingste
+tegenstrijdigheden aan &#8217;t licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid,
+kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij
+echter een domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten
+&#8217;s avonds een van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de buks <span class="letterspaced">zeven maal op hem</span>, zonder hem te treffen. In plaats van nu te vluchten, <span class="letterspaced">volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang</span>, zooals een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt,
+acht hij het raadzaam om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin verdrijven, als hij zich aan de dicht
+bij hem langs fluitende kogels had gestoord.
+
+</p>
+<p>De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd reeds in de vorige eeuw door <span class="smallcaps">Steller</span> gegeven: &#8220;Op Bering-eiland komen geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen, die er zonder twijfel
+op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk vermenigvuldigd.
+Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid bij
+hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren
+aard dezer dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als &#8217;s <a id="d0e5566"></a><span class="corr" title="Bron: nacht">nachts</span> drongen zij in onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden, ook voorwerpen, die voor hen niets nut
+waren, zooals messen, stokken, zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze wisten zij een last van
+ettelijke poeds gewicht van onze vaten met leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat wij aanvankelijk
+bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het dikwijls,
+dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden
+rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen
+op te sporen, maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven; gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander
+zooveel mogelijk. Als wij iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond om den paal weg, zoodat deze omviel;
+soms ook klauterde een hunner als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop bevond, met ongeloofelijke
+behendigheid en list naar beneden. Zij gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook deden. Als de zee
+een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet
+alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en brokken naar het gebergte en begroeven het onder de
+steenen om het voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er nog wat over te brengen was, stonden eenige
+van hen op schildwacht, om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in de verte zagen aankomen, begon
+de geheele troep gemeenschappelijk in &#8217;t zand <a id="d0e5569"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5569">213</a>]</span>te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken.
+Des nachts, als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van &#8217;t hoofd, de handschoenen onder &#8217;t hoofd weg,
+en namen ook de huiden van Bevers&#8221;&#8212;zoo werden in <span class="smallcaps">Steller</span>&#8217;s tijd de Zee-otters genoemd,&#8212;&#8220;en andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door ons gedooden Bever
+gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen, vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden
+uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen, om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze
+dieren te kunnen slaan en verjagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien, gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van
+de kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de
+bodem met een dikke sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door de met spaden van rendier-geweien
+gewapende Ostjaken en Samojeden worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en met den kop tegen den
+grond geslingerd om het te dooden.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">H. Elliot</span>, die gedurende het tijdperk van 1880&#8211;90 het Bering-eiland bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren
+en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos niets, wat aan de ervaringen van <span class="smallcaps">Steller</span> herinnert, maar geeft van dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat de bewoners van Attoe, het westelijkste
+eiland van den eilandenketen der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd hebben, hem daar als het
+ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was op Attoe reeds
+uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker huiden
+minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen, waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd;
+bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige
+kruising kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen
+erkend wordt; de inboorlingen brengen ieder jaar 200 &agrave; 300 van deze huiden in den handel.
+
+</p>
+<p>De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje
+in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg
+of aan den rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door het middel dat zij aanwenden om hun kroost
+voor gevaren te beveiligen, verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een mensch, al is deze nog
+ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van hun hol
+verwijderd te houden.
+
+</p>
+<p>Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel
+in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij
+ook door Zee-arenden vervolgd: <span class="smallcaps">Steller</span> zag, dat een Zee-arend een IJsvos met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem door den val te dooden.
+Voor ons is alleen het vel van dit dier van belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel eens zijn vleesch
+gegeten, maar getuigen <a id="d0e5590"></a><span class="corr" title="Bron: eenstem-stemmig">eenstemmig</span>, dat het geen lekkernij is.
+
+</p>
+<p>Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal
+zeer prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren
+dan vurig en valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in &eacute;&eacute;n hok zijn opgesloten, houden zij geen vrede.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1213.jpg" alt="Korsak (Vulpes corsac). 1/7 v. d. ware grootte." width="512" height="309"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Korsak</span> (<i>Vulpes corsac</i>). 1/7 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder
+eigenaardige levenswijze of door een in &#8217;t oog vallende kleur zeer onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort
+de <span class="letterspaced">Steppenvos</span>, die door de Russen <span class="letterspaced">Korsak</span>, door de Mongolen <span class="letterspaced">Kirsa</span> of <span class="letterspaced">Kirassoe</span> genoemd wordt (<i>Vulpes corsac</i>.) Hij is aanmerkelijk kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 &agrave; 60 cM. bedraagt, ongerekend den 35
+cM. langen staart. In gestalte en aard gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht varieert minder
+dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af met den tijd van &#8217;t jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige kleur,
+het winterhaar heeft een breeden, <a id="d0e5624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5624">214</a>]</span>zilverwitten ring onder de donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier soms meer vaalwit is.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen om de Kaspische Zee tot aan Mongoli&euml;; men vindt het dier
+echter alleen in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen, nooit in bosschen en diensvolgens evenmin
+in gebergten. In den regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen, maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig
+onder den blooten hemel, of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik, misschien nadat hij het een weinig
+wijder heeft gemaakt. In zulke Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd minstens twee) Korsaks
+bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien maakt hij jacht
+op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen.
+
+</p>
+<p>Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in
+vallen en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden; ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven
+en daarna door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op
+den Korsak afgericht, n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de arme schelm natuurlijk niet ontkomen.
+
+
+</p>
+<p>Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan
+geen noemenswaard verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is een van de gelukkigste bewoners van
+een dierentuin, gevoelt zich in de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte als de winterkoude, en
+stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op den steenen
+vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos.
+
+</p>
+<p>Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van Azi&euml;. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in &#8217;t algemeen
+en van het Vossengeslacht in &#8217;t bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden
+zij zich van hunne verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone verhoudingen ver overschrijden,
+maar die ook bij de verwante soorten de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze <span class="letterspaced">Grootoorige Vossen</span> of <span class="letterspaced">Feneks</span> genoemd; hun gebit komt met dat van de andere Vossen overeen.
+
+</p>
+<p>Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel
+zoeken, herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan,
+haar dagwerk of liever haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd
+hongerig rondzwerven om voedsel te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen: het is noodig nog een
+andere woestijnroover, en wel de sierlijkste en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de <span class="letterspaced">Fenek</span> of <span class="letterspaced">Woest&#307;nvos</span> (<i>Vulpes zerdo</i>), een dier, dat nog beter zelfs dan de Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer en fijn, listig,
+geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon groote
+oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de
+overige leden der Hondenfamilie slechts &eacute;&eacute;n hem in dit opzicht nabij komt. Op de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust
+een slanke romp, die in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen van dit dier blijkt, dat het even
+vlug als behendig moet zijn; van de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare afdeelingen dezer organen
+een voorgevoel.
+
+</p>
+<p>Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer
+het u meeloopt, tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen,
+uiterst bedachtzaam, uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en luisterend. Niets ontgaat aan het
+waarnemingsvermogen van dezen goed voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een sprong doet, voor hij
+zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden; meer door
+nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge Hagedis
+heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
+uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik, die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt!
+Hij is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied
+gedachtig, een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd!
+Hij behoeft er niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal, genoeg voor hem en misschien ook voor
+zijn hongerig gezin. Gij moest hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft van een toom Woestijn-Hoenderen!
+Misschien heeft slechts &eacute;&eacute;n van hen het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is voldoende. Na een zorgvuldig
+onderzoek van het spoor, gaat hij met den neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek kent de Woestijn-Hoenderen
+wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen of aardhoopen,
+die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den
+buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den
+kop in de vederen gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het bezorgde, reeds half-slapende mannetje
+maakt, als het de omgeving bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn, die het spoor van den Vogel kenmerkt:
+den Fenek ontgaat dit alles niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu naderbij, bijna op den buik
+kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe gloeien zijne
+oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich
+veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven, en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele
+ziel van den Vos <a id="d0e5653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5653">215</a>]</span>ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel
+schijnt uit te maken. Op eens, &eacute;&eacute;n enkele sprong, door een kortstondig gefladder gevolgd: het <a id="d0e5655"></a><span class="corr" title="Bron: Woenstijnhoen">Woestijnhoen</span> is bezweken. Snel vliegen de andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos dwalen zij in &#8217;t nachtelijk
+duister rond en laten zich na korten tijd weer op den <a id="d0e5658"></a><span class="corr" title="Bron: boden">bodem</span> neder, misschien zonder nog recht te weten, welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt.
+
+</p>
+<p>De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart, welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens
+65 cM. lang en wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop
+loopt zeer spits toe, de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin regenboogvlies omgeven is. Het meest
+vallen voorzeker de ooren op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half zoo breed. Het dier krijgt hierdoor
+een vreemdsoortig uitzicht; het heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden der ooren zijn wit
+behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening twee haarbosjes zich verheffen, die zich als &#8217;t ware in een baard voortzetten,
+welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits, maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange, borstelvormige
+snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt,
+zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar, dat bij &#8217;t verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn
+lichaam langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen, dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte
+vacht noodig heeft; maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en een flinke beschutting hiertegen
+niet te kunnen ontberen. De kleur van de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand, de onderzijde is
+wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek, daarv&oacute;&oacute;r echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna geheel
+okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel;
+bovendien wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter.
+
+</p>
+<p>In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke,
+hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo
+aan den mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en &#8217;s avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk
+zijn zij voor hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld; dikwijls is het gebeurd, dat zij zich
+aan de nog gloeiende haardasch haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de <span class="letterspaced">Lepelhond</span> (<i>Otocyon megalotis</i>), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest op den
+Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet
+is veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos en zijn bijna even groot.
+
+</p>
+<p>Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte; hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden
+van de Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren, goed verborgen in het dichte struikgewas of in
+de door Aardvarkens uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen
+in de nabijheid van de bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van dierlijke stoffen, vooral echter
+uit Treksprinkhanen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">laatste familie</span> van de Orde der Roofdieren is die der <span class="letterspaced">Beren</span> (<i>Ursidae</i>). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens
+hun zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn, ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten
+van de eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier
+wel op hun plaats zijn.
+
+</p>
+<p>De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang,
+met naar voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet; de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren
+zijn kort en de oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor- en achterpooten beide komen vijf teenen
+voor; de groote, gekromde klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een weinig) terugtrekbaar en daardoor
+aan de spits dikwijls zeer sterk afgesleten. De voetzolen, die bij &#8217;t gaan over hun geheele lengte den bodem aanraken, zijn
+bijna geheel onbehaard.
+
+</p>
+<p>Het gebit bestaat uit 36 &agrave; 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren),
+voorts, bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden
+der familie &ograve;f 6, &ograve;f 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn, evenals bij de overige Roofdieren,
+knobbelkiezen; de voorste of kleine kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de scheurkies, die
+bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel
+van de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn
+kegelvormig en vertakt, of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden zijn betrekkelijk groot en hebben
+dikwijls een gelobde kroon; de hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.
+
+</p>
+<p>Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor &#8217;t sluiten
+van den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels
+zijn kort en stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of 15 ieder &eacute;&eacute;n paar ribben dragen. Het heiligbeen
+bestaat uit 3 &agrave; 5, de staart uit 7 &agrave; 34 wervels.
+
+</p>
+<p>De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt
+geheel.
+
+</p>
+<p>De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa,
+Azi&euml; en Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even goed <a id="d0e5700"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5700">216</a>]</span>de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich
+op in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke
+of vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken, meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van
+droge gewesten houden. E&eacute;n enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt
+zij op drijvende ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan alle andere soorten; zij doorkruist
+de Noordelijke IJszee en begeeft zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van alle overige Beren blijven
+binnen engere kringen beperkt. De meeste leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op; eenige zijn
+gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een
+schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang
+op roof uit en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.
+
+</p>
+<p>Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt, alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen
+zich geruimen tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij eten niet alleen allerlei sappige vruchten,
+maar ook zaden, graan in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene
+Beren heeft men langen tijd achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering van hun welstand op te merken.
+In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste soorten de voorkeur
+aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook dieren en
+wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven, Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren,
+deze echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In de nabijheid van menschelijke woningen richten
+zij schade aan; de sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer de honger hen kwelt ook groote dieren
+aan te vallen en vooral onder het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo stoutmoedig, dat zij tot
+in de dorpen doordringen. Voor den mensch worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk, wanneer hij hen
+stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze uitdaagt.
+
+</p>
+<p>Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder
+vlug en behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten echter bewegen zich uiterst flink en snel. De
+Beren zetten bij het gaan de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot na den anderen; wanneer zij
+echter in drift geraken, gaat hun gang in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt, maar hun beweging
+zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De
+logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in deze houding gaan; zij kunnen z&oacute;&oacute; op een waggelende,
+maar toch niet onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden van deze familie kunnen vrij goed klimmen,
+hoewel zij, wegens hun zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar, de groote soorten althans, op meer
+gevorderden leeftijd, in &#8217;t geheel niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de overige uitmuntend
+zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen van
+de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote
+spierkracht zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te verrichten, en bezwaren te overwinnen, die
+voor andere dieren in de hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze eigenschap hun soms zeer goed
+te pas; zij zien er niet tegen op, wild en vee van de grootste soort mede te voeren.
+
+</p>
+<p>Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder
+en het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit<a id="d0e5708"></a><span class="corr" title="Bron: .">,</span> een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar
+bereiken nimmer een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam, maar laten geen bijzondere gehechtheid aan
+hun meester en verzorger blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard bij hen meer en meer voor den
+dag komt; zij worden dan valsch en prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan gevaarlijk. De Beren
+geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige stem, die
+uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.
+
+</p>
+<p>Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij
+den aanvang van den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter <span class="letterspaced">geen echten</span>, <span class="letterspaced">onafgebroken winterslaap</span>, maar verkeeren in een half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts gebeurt, zijn zij dadelijk bij de
+hand. Zij verlaten echter hoogst zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van voedsel. Opmerkelijk is
+het, dat alleen de Land-Beren den winter op de genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs bij
+de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw
+zelf een woning voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.
+
+</p>
+<p>Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht leger, en werpt hier 1 &agrave; 6 <a id="d0e5721"></a><span class="corr" title="Bron: jongen jongen">jongen</span>, die bij de geboorte blind zijn, en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd, beschermd en verdedigd
+worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling van de toeschouwers
+door hunne potsierlijkheid en speelschheid.
+
+</p>
+<p>De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich
+alleen in weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten
+wordt het vel gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten,
+terwijl ook hunne beenderen, pezen en darmen dienst doen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<a id="d0e5728"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5728">217</a>]</span></p>
+<p>Wij verdeelen de Berenfamilie in <span class="letterspaced">drie onder-famili&euml;n</span>, waarvan de eerste de <span class="letterspaced">Groote Beren</span> (<i>Ursinae</i>) omvat, de logste vormen van de geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine oogen en ooren, middelmatig
+lange pooten, voeten met vijf teenen en een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort staartje en een
+dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze onderfamilie bevat twee geslachten: de <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke Beren</span> (<i>Ursus</i>) en de <span class="letterspaced">Lippenberen</span> (<i>Melursus</i>).
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Hoewel iedereen onzen <span class="letterspaced">Gewonen Beer</span> meent te kennen, zijn de dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne verschillende afwijkingen in &eacute;&eacute;n soort
+vereenigen of over verscheidene soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts &eacute;&eacute;n soort aanneemt, dan mag men niet uit het
+oog verliezen, dat deze, de <span class="letterspaced">Landbeer</span>, <span class="letterspaced">Bruine</span>, <span class="letterspaced">Gewone</span> of <span class="letterspaced">Aasbeer</span> (<i>Ursus arctos</i>), zeer vele afwijkingen vertoont, niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte en vooral den schedelvorm
+betreft. De over &#8217;t algemeen dichte vacht, die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is dan aan de
+overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten
+van zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband,
+die bij jonge dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig, of komt dan weder, evenals in de jeugd,
+te voorschijn. De snuit is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat, de romp soms zeer ineengedrongen,
+soms een weinig slanker; de pooten zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa inheemsche vormen
+in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden samengevat onder den naam <span class="letterspaced">Aasbeer</span> (<i>Ursus arctos</i>); deze heeft een door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met hoog voorhoofd en langen snuit; zijn
+uit sluike haren samengestelde vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen de groep, die <span class="letterspaced">Bruine Beer</span> <a id="d0e5783"></a><span class="corr" title="Bron: ">of</span> <span class="letterspaced">Mierenbeer</span> (<i>Ursus formicarius</i>) heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter
+voorhoofd en een korteren snuit heeft.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1217.jpg" alt="Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte." width="512" height="509"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Landbeer</span> (<i>ursus arctos</i>). 1/16 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Beer kan bij 1 &agrave; 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 &agrave; 2.2 M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen
+150 en 250 KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.
+
+</p>
+<p>Indien alle vormen tot &eacute;&eacute;n soort vereenigd worden, dan heeft deze een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka,
+van Lapland en Siberi&euml; tot aan den Atlas, den Libanon en het <a id="d0e5806"></a><span class="corr" title="Bron: westeijk">westelijk</span> gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer ook thans nog alle hooggebergten: de Pyrenee&euml;n, Alpen,
+Karpaten, Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en
+een deel van de omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en Middel-Azi&euml; (met uitzondering van de kale
+steppen), Syri&euml;, Palestina, Perzi&euml;, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika eindelijk den Atlas. Hij
+komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied, Turkije en Griekenland;
+hij is niet zeldzaam in Krain en Kroati&euml;, in de bergstreken van Spanje en Itali&euml;; hij is reeds zeer zeldzaam geworden in Zwitserland
+en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid <a id="d0e5809"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5809">218</a>]</span>in Frankrijk en in de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland, Belgi&euml;, Nederland, Denemarken en
+Groot-Britanni&euml;. Enkele overloopers vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthi&euml;, Stiermarken, Moravi&euml;
+en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke of
+althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen
+of in rotsen, donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden verschaffen hun een schuilplaats, waar
+zij zich trachten te beveiligen tegen hun aartsvijand, den mensch.
+
+</p>
+<p>De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig
+wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij &#8217;t gaan
+de pooten van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen, schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer
+hij echter zijne schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit en kan met gemak een mensch inhalen; ook
+in andere omstandigheden merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van hem verwacht zou hebben. Hij
+kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen; op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij echter niet meer
+in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den
+Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor
+en de reuk uit; het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt, zeer goed ontwikkeld.
+
+</p>
+<p>De opperhoutvester <span class="smallcaps">Krementz</span> heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk geschrift openbaar
+gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op, dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren in andere
+gewesten toepasselijk zou zijn. &#8220;Over &#8217;t algemeen,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Krementz</span>, &#8220;kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn,
+dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging
+verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen,
+dat hij bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal integendeel in de meeste dergelijke gevallen
+ten spoedigste vluchten, of in &#8217;t volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als wij geen acht slaan, hoogstens
+zal hij zijn verstoordheid te kennen geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer is veeleer goedig
+van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is; vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord
+worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt
+een zekere openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid, die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust
+van den Wolf en de arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij zelfs een zekeren galgenhumor.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk
+voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom.
+In den regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal; kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke
+dienen als toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden, verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde
+rogge of met het malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen, paddenstoelen enz., wroet onder de
+bedrijven Mierennesten open, en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen dieren, welker eigenaardige
+zure smaak hem welgevallig schijnt, of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een smakelijk dessert verschaft.
+In het zuidelijk gedeelte van Karinthi&euml; brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in overeenstemming
+met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek
+bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok
+zulk een zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman,
+den houtvester <span class="smallcaps">Wippel</span>. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over
+den grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken, en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te
+lastig maken; hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar keert toch vroeger of later terug, om den
+strijd tegen de bezitters der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.
+
+</p>
+<p>Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan
+en te bespieden; wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die geregeld door hem bezocht worden, zooals
+op drinkplaatsen, kan men hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor weinig licht verspreid wordt over
+de in vele opzichten nog duistere levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen van het dier op den
+besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van zulke sporen
+verkregen zijn: &#8220;De middelmatig groote Beer verliet vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland, keerde
+een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht
+er naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd,
+om uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl
+hij door &#8217;t bosch verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met afgevallen bladen bedekten grond, het
+uiteenwerpen van mierenhoopen, het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen, het afvreten van boschbessen
+en paddestoelen. Op enkele plaatsen had hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen van een verschen
+drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of moerassig
+gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in doorgedrongen was, ging hij plotseling links af <a id="d0e5828"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5828">219</a>]</span>naar het bosch terug, waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar verscheidene Hazelhoenderen in het
+bosch, zooals uit de vederen bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de overhaaste vlucht der overrompelde
+dieren. Vervolgens keerde hij in &#8217;t broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde gelegen bosch, zonder
+onderweg iets te doen wat vermelding verdiend; in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar, trachtte met
+klauwen en tanden de opening van een holte in een eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen te kunnen
+komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen
+van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het, dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker
+wegen hij ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude
+sparren bezet terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den stam van een dooden spar, krabde den grond
+los, zette zich met zijn achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar &#8217;t scheen, heen en weer bewoog, want de
+afdrukken van de klauwen waren hier in grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten en de sterke
+drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover
+naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen;
+terwijl hij hier doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder den boven den grond uitstekenden wortel
+van een scheef staanden spar door, gleed bij &#8217;t loopen over een op den grond liggenden esp uit, en zonk met het achterste
+deel van &#8217;t lichaam tamelijk diep in het moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een nabijgelegen, dicht
+met sparren bezet terrein en verdween hierin, zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of
+als hij aan dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier in de letterlijke beteekenis van het woord.
+Hij tracht zijn buit te beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem nagejaagd, tot het uitgeput is;
+wanneer het op hooge bergen graast, drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten, waarna hij voorzichtig
+naar beneden klautert en zich aan het door den val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn vermetelheid
+toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms &#8217;s
+nachts door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de
+weide grazende Paarden zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager, <span class="smallcaps">Von Beckmann</span>, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout begroeid
+terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit
+het kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten
+en zoo snel mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig
+korten tijd in, sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen van voren in &#8217;t aangezicht, wierp het op
+den grond en scheurde het de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren lam was en niet ontsnappen kon,
+verliet hij de neergevelde prooi, liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het eveneens. Gedurende
+den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.
+
+</p>
+<p>Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken,
+of in het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavi&euml; meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht
+stelt hem in staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht van groote Beren geeft <span class="smallcaps">Krementz</span> verscheidene voorbeelden. Een Beer brak in zijn doodstrijd houten palen van 6 &agrave; 10 cM. dikte; een andere nam een pas door
+hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een beek
+naar het bosch. Een bij &#8217;t vuur zittende boschwachter werd van achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats
+opgeschrikten Beer, &#8220;die hem door een geweldigen slag en ruk met de voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk
+dood was.&#8221; Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven
+en sleepte hem een halve KM. ver door het moeras.
+
+</p>
+<p>Hoewel Herten, Ree&euml;n en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in
+&#8217;t noorden van Skandinavi&euml; gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze
+te verschalken, den loop der rivieren over een grooten afstand.
+
+</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats gereed, hetzij tusschen rotsen, &ograve;f in een reeds bestaand
+hol, dat hij zoo noodig verwijdt, &ograve;f in een door hem zelf gegraven hol, &ograve;f in een hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas
+of op een droog eiland in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de Beer zijn schuilplaats op en brengt
+hier het koude jaargetijde in slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de woning betrokken wordt, hangt
+af van het klimaat in iedere streek en van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal reeds in het begin
+van November te ruste begeeft, zwerft de Beer, naar ik zelf in Kroati&euml; door het volgen van een spoor gewaar werd, nog in het
+midden van December rond, om &#8217;t even, of er sneeuw ligt en strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische
+berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere,
+wanneer hij in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden in den winter begint te dooien, verlaat
+de Beer zelfs in Rusland en Siberi&euml; somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens voedsel op. Dat hij in Lijfland
+3 &agrave; 4 maanden lang geheel onder de sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt en met volkomen ledig
+spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker.
+
+</p>
+<p>Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk
+in &#8217;t geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen, <a id="d0e5846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5846">220</a>]</span>die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap en gedragen zich over &#8217;t algemeen in den winter nagenoeg
+op dezelfde wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk;
+in zachte winters slapen zij weinig meer dan in den zomer.
+
+</p>
+<p>De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter 5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een
+volslagen nest gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op de sneeuw neerlegt. Als het kroost door
+een gevaar bedreigd wordt, draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is het dat de moeder, als zij
+in grooten nood verkeert, hare jongen, zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in den steek laat, terwijl
+zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij zich als alleenheerscheres
+in de streek, die zij als verblijfplaats heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken aanval. In enkele
+gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer
+geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde
+levensmaand zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen; deze oefent hen vlijtig in &#8217;t klimmen, brengt
+hen op de hoogte van de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele den Beer noodzakelijke kundigheden.
+
+
+</p>
+<p>De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden, zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid
+van het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne
+met andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren en jagers, die door <span class="smallcaps">Eversmann</span> voor &#8217;t eerst bekend werd gemaakt, maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht op deze vereenigingen.
+Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig tot deze
+dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige, met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer &#8220;Pestoen&#8221;,
+d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt <span class="smallcaps">Eversmann</span> het volgende: &#8220;Toen de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen haar langzaam nasloop, zonder
+de jongere kinderen, die nog aan den anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij binnen haar bereik
+is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg, die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der beide
+jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen.
+Toen hij dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht
+doet, en de familie in vrede verder trekt.&#8221; Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberi&euml; wordt algemeen verhaald, dat
+iedere berin hare jongen door een Pestoen laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in &#8217;t dichte
+geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt, of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren
+kan; hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een
+ander in zijn plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen Pestoen bij een Berenfamilie.
+
+</p>
+<p>Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk
+en niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij
+houden bijzonder veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in de boomen, plukharen met elkander als
+levenslustige knapen, springen in &#8217;t water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen uit. Hun verzorger
+toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den eenen
+persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt
+als een vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen;
+men kan hun genegenheid spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig, vergeetachtig, onachtzaam,
+sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit.
+
+</p>
+<p>De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die
+hierover vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon
+bevreesd voor goede Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den jager beschouwd worden. In het zuidoosten
+van Europa doodt men de Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten, zeldzamer &#8220;op den aanstand&#8221; en slechts
+bij uitzondering in of v&oacute;&oacute;r zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den winter bij voorkeur op. Daar
+de Beer zich laat drijven en altijd op dezelfde wijze &#8220;wisselt,&#8221; d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij &#8217;t verlaten en
+binnenkomen van &#8217;t bosch, kunnen ervaren jagers, die het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij &#8217;t schieten
+op den &#8220;aanstand&#8221; (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk
+dat zij de &#8220;wissels&#8221; kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten
+van een berenjager.
+
+</p>
+<p>&#8220;De veelvuldig verbreide meening,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Krementz</span>, &#8220;dat de Beer bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist;
+in dit geval zou men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer hij op vier pooten blijft gaan. Ik
+heb eigenhandig 29 Beren geschoten en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat Beren van allerlei
+grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts &eacute;&eacute;nmaal een Beer
+en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan, en z&oacute;&oacute;, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs
+te gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen,
+maar alleen, dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en in andere wetenschappelijke werken melding wordt
+gemaakt, uiterst zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling en snel; soms zoekt hij door een snelle
+en hevige, zijwaartsche beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft hij zich gedurende den snellen gang
+plotseling op de achterpooten in de <a id="d0e5867"></a><span class="corr" title="Bron: onmiddelijke">onmiddellijke</span> nabijheid van <a id="d0e5870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5870">221</a>]</span>zijn vijand, en tracht dezen door een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt hij hem hiermede een
+hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat, en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen en Honden
+in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op, maar kiest spoedig het hazenpad.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Beer wordt echter niet alleen op &#8220;jachtmatige wijze,&#8221; maar ook met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht
+worden mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden
+dikwijls tot list hun toevlucht nemen. In Galici&euml; en Zevenburgen legt men op zijne &#8220;wissels&#8221; en boschpaden zware klemmen,
+die aan een ketting bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok is vastgehecht. Vroeg of laat trapt
+de Beer op een van deze klemmen, zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit lastig en pijnlijk aanhangsel
+te ontdoen of de hieraan gehechte ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt, waarna het dier, door nuttelooze
+pogingen om los te komen uitgeput, ellendig om &#8217;t leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de &#8220;wissels&#8221; langs gaat,
+vindt den Beer door het nagaan van het spoor van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Aziaten,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Steller</span>, &#8220;vereenigen vele balken, die zij op elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert, zoodra deze op
+de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten en aan
+de spits in &#8217;t vuur geharden paal, die zich eenige voeten hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil
+maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van een touw plaatsen zij thans een buigzaam &#8216;schrikhout,&#8217;
+dat, als de Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig verschrikt, dat het hard aan den loop gaat,
+en minder voorzichtig is dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal en dus zelfmoord pleegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat
+staan zich met de plank het uitzicht beneemt;&#8212;hoe hij in blinde drift vecht met een blok hout, dat voor de opening van een
+hollen boom, waarin Wilde Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan de helling van een berg is
+neergelegd, welke strijd in beide gevallen eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;&#8212;hoe hij met stukken
+hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,&#8212;en andere stukjes meer,
+kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm, ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen
+er voor in staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor, dat geoefende, stoutmoedige jagers, door
+eenige Honden vergezeld, zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met hem op leven en dood strijden.
+
+
+</p>
+<p>Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed;
+het berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen, wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is
+wit, wordt nooit hard, en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart; de onaangename smaak, die het
+in verschen toestand heeft, verdwijnt na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een fijnen, aangenamen
+smaak; de pooten van oude, vette Beren worden, gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers houden het
+meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van &#8217;t haar en voor
+de keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den
+Beer gaat door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer verschillend; het vel van kleine exemplaren
+brengt niet veel op; voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens <span class="smallcaps">Lomer</span>, al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 &agrave; 150 gulden betaald.
+
+</p>
+<p>Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk
+vermaak. Met dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. &#8220;<span class="smallcaps">August</span> <span class="letterspaced">de Sterke</span>&#8221;, verhaalt <span class="smallcaps">Von Flemming</span>, &#8220;had er twee. Eens gebeurde het, dat &eacute;&eacute;n van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte, in een slagerswinkel een
+vierde deel van een kalf van den haak rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare kinderen om &#8217;t leven
+bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het doodschoten.&#8221; De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats gereden
+in een hok, dat door &eacute;&eacute;n ruk aan een touw van uit de verte op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden
+neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden,
+kon hij zonder groot bezwaar door &eacute;&eacute;n man afgemaakt worden. In de Dresdener slottuin hadden in &#8217;t jaar 1630 binnen 8 dagen
+drie berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten,
+van welke er vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van 400 KG. De Beren werden bovendien nog door
+voetzoekers getergd en met een in &#8217;t rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als de Honden hen vasthielden,
+door de groote heeren eigenhandig gedood; <span class="smallcaps">August</span> <span class="letterspaced">de Sterke</span> was gewoon hun den kop af te houwen.
+
+</p>
+<p>Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten
+te Madrid laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen
+Beren, die aan den ketting lagen. <span class="smallcaps">Kobell</span>, die getuige was van een dergelijk schouwspel, verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen met zijne
+kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij
+er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden
+toebracht en ter zijde slingerde.
+
+</p>
+<p>De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon, maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye
+hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van dit dier bevatten vele fabelen. <span class="smallcaps">Plinius</span> schreef <span class="smallcaps">Aristoteles</span> na, maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels
+toe. <span class="smallcaps">Oppianus</span> geeft een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der Armeni&euml;rs aan den Tigris. <span class="smallcaps">Julius Capitolinus</span> eindelijk beschrijft de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat <a id="d0e5922"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5922">222</a>]</span><span class="smallcaps">Gordianus</span> <span class="letterspaced">de eerste</span> op &eacute;&eacute;n dag 1000 Beren in het strijdperk bracht.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika verbreide <span class="letterspaced">Gr&#307;ze Beer</span> of <span class="letterspaced">Grisli-beer</span>, die schertsenderwijs door de Amerikanen ook wel <span class="letterspaced">Old Ephra&iuml;m</span> wordt genoemd (<i>Ursus cinereus</i>, <i>U. ferox</i>). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher dan deze.
+De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met
+een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit
+of geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche jagers zijn daarom gewoon van den <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ken Grisli-beer</span>, den <span class="letterspaced">Bruinen Beer</span> en den <span class="letterspaced">Kaneelbeer</span> te onderscheiden, en beschouwen den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als den gevaarlijksten. Zijn
+verbreidingsgebied omvat het westen van Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten ongeveer beginnend
+bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota) reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is, des
+te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts komt hij nog in de hooglanden van <a id="d0e5957"></a><span class="corr" title="Bron: Mexiko">Mexico</span> voor; noordwaarts gaat hij tot aan den Poolcirkel en nog verder.
+
+</p>
+<p>De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust;
+zijn gang is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende
+zijn jeugd in staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten niet meer verrichten; hier staat tegenover,
+dat hij met gemak zelfs over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots sterk genoeg, om ieder schepsel
+in zijn vaderland te overwinnen. In vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig dier genoemd.
+Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees, maar valt hem zonder aarzeling aan, om &#8217;t even of hij te paard rijdt
+dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om
+al deze redenen verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old Ephra&iuml;m, de bewondering en hoogachting
+van alle mannen, die van hem hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden van dit Roofdier zonder
+voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van een halsketen,
+die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat, aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter nauwernood
+aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en
+door eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen,
+welke hij ziet, vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt, als hij de lucht van hen krijgt, zonder
+ze te zien. In even hooge mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door het waarnemen van de lucht van den
+mensch, vreezen alle dieren de zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van een Leeuw of van een Tijger,
+en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren zelfs, dat ook de
+overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren<a id="d0e5962"></a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p>Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke) mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven
+zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het &#8220;Verre Westen&#8221; nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke
+verhalen een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe Wereld een soortgelijke rol te spelen, als
+de meest beruchte Roofdieren van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen met &eacute;&eacute;n dier van deze soort,
+werden als kenschetsend voor al deze dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een schrikbeeld van
+het onbekende &#8220;Verre Westen&#8221;. Wel is reeds menig mensch door den Grijzen Beer om &#8217;t leven gebracht; maar dit kan evenzeer
+van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd; overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd
+achtten, hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen
+is echter de Grijze Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot, en evenmin toont hij meer moed dan deze;
+integendeel over &#8217;t algemeen komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen.
+
+</p>
+<p>De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien
+moet hij zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die
+hij vastgetreden heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken;
+de richting en de loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best doet er gebruik van te maken, om langs
+den kortsten weg van de eene plaats naar de andere te komen. &#8220;Aan de steile verhevenheden van de bergachtige kust aan de westzijde
+van Cook&#8217;s Invaart,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Elliot</span>, &#8220;kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien, die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben
+echter geen groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt
+er niet algemeen jacht op gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle jagers onder de inboorlingen,
+voor hen een groote achting gevoelen, en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat zij trachten hen
+te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt
+de omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle
+zeer goed weten, dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een jonge Grijze Beer kan gemakkelijk getemd worden, en is, evenals onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig
+dier. Zijn vel is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van kleur, dat het den kleinen klant zeer
+goed staat. <span class="smallcaps">Palliser</span>, die een Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en speelde met de matrozen en vermaakte alle
+reizigers, zoodat de kapitein van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan, als hij op iedere reis
+een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope, die zijn
+reisgenoot was en verdedigde haar <a id="d0e5977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5977">223</a>]</span>eens op zeer ridderlijke wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van &#8217;t schip door de straten werd geleid, kwam een kolossale
+Bullebijter op haar toeschieten en greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw en de stokslagen
+der geleiders. Gelukkig gingen <span class="smallcaps">Palliser</span> en zijn Beer denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel, of hij rukte zich los, had in &#8217;t volgende
+oogenblik den vijand van zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft, dat de Hond jammerlijk huilend
+wegliep.
+
+</p>
+<p>Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen
+dierentuin waren er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de veeartsenijkunde ondervonden. Zij
+werden in hun jeugd door een hevige oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men besloot ze te genezen.
+Nadat men de beide pati&euml;nten van elkander gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om en trokken
+den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de trali&euml;n, om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder
+den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier
+bewusteloos en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust naar binnen gaan om de operatie te verrichten.
+Juist toen men bezig was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof het dronken was, heen en weer, en
+scheen des te onvaster van beweging te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs scheen de Beer
+echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht,
+was hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen; duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht
+aangenaam vond, of althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht, waarin hij vroeger verkeerde, en den
+klaarlichten dag, dien hij nu waarnam.
+
+</p>
+<p>De meest bekende Beer van Amerika, de <span class="letterspaced">Baribal</span>, <span class="letterspaced">Moeskwa</span> of <span class="letterspaced">Zwarte Beer</span> (<i>Ursus americanus</i>), een wijd verbreid en betrekkelijk goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze Beer en de Landbeer,
+bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt hij zich
+hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de zeer
+korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die
+alleen aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel
+overgaande. Een vlek van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer ziet men Baribals met wit gerande
+lippen en witte strepen op de borst en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in &#8217;t begin van hun tweede levensjaar
+het donkere haarkleed van hunne ouders, maar eerst later even lange haren als deze.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1223.jpg" alt="Baribal (Ursus americanus). 1/10 v. d. ware grootte." width="512" height="356"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Baribal</span> (<i>Ursus americanus</i>). 1/10 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen
+van Kaliforni&euml; en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert
+echter van verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt
+hij gewoonlijk zijn voedsel in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte bosschen, die de oevers der
+stroomen en meren omzoomen; in den zomer trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke woud; in den
+winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met
+tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen &#8220;winterslaap&#8221; loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen,
+dat slechts sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de overigen ook in den winter van de eene plaats
+naar de andere zwerven, ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen; andere meenen, dat dit alleen in
+zachte winters geschiedt, en dat gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel althans is zeker,
+dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt.
+<a id="d0e6010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6010">224</a>]</span></p>
+<p>De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend
+dier. Hij loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat hij uitmuntend en in het klimmen is hij een
+baas. Hij is althans in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met wien hij overigens in vele opzichten
+overeenstemt. Niet dan hoogst zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij &#8217;t zien van dezen, zijn ergsten vijand vlucht
+hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen uitweg meer
+ziet, gevaarlijk kan worden.
+
+</p>
+<p>Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer
+verschillende soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft, evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare
+Runderen aanvallen. Voor den landman is hij altijd schadelijk, om &#8217;t even of hij de aanplantingen plundert of de kudden verontrust;
+hem valt daarom hetzelfde lot ten deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op allerlei wijzen uitgeroeid,
+zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid van den mensch te vertoonen.
+
+</p>
+<p>De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste
+echter met de buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten, daar zij de nabijheid van den Beer door
+blaffen aankondigen, of hem nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn gemak te mikken en hem op de
+juiste plaats te treffen.
+
+</p>
+<p>Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen
+van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken, en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering
+van dit dier. <span class="smallcaps">Alexander Henry</span>, die de door pelsjagers bezochte gewesten bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover een zooeven door
+hem gedooden Beer. &#8220;Onmiddellijk na den dood van het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De &#8216;oude moeder,&#8217;
+zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer
+duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die
+dit deden, maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder
+lang; kort daarna werd een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen hielpen mede om de huid, het vleesch
+en het vet van het dier te dragen en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd de berenkop versierd
+met zilveren armbanden en andere versierselen, die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde voor
+zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon
+gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid.
+Nadat de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde
+te doen, omdat ik, die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn
+welwillenden en vriendelijken gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde; mijne woorden vonden echter
+geen geloof. Ten slotte hield mijn gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken, en eerst daarna begonnen
+wij van het Berenvleesch te smullen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in &#8217;t oogloopend
+van hunne verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den
+mensch en laten zich met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den oppasser als deze voor hen. Zij zijn
+echter ook bang voor ieder ander dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde Baribals werd geleid,
+bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij daar
+beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein,
+moedig dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen.
+
+</p>
+<p>Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens
+door verschrikt worden, springen zij met &eacute;&eacute;n afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de eerste takken van een gladden eikenstam en
+klimmen dan zeer snel en met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude berin in haar hok wilde drijven,
+sprong zij over hem heen in den boom.
+
+</p>
+<p>De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel zwakker en klagender.
+
+</p>
+<p>Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden,
+en herinneren hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan
+het bedelen gewend; zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden; de houdingen, die zij aannemen, als zij
+de armen uitstrekken, zijn zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid te brengen, dat iedereen er
+door tot mildheid wordt bewogen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is de <span class="letterspaced">Kraag-beer</span>, de <span class="letterspaced">Zwarte Himalaja-beer</span> van de Engelsche jagers, de <span class="letterspaced">Kama</span> van de Japaneezen (<i>Ursus torquatus</i>). Hij is betrekkelijk slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den neus ongevoelig in elkander overgaan,
+eindigt in een spitsen snuit, de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang, de voeten kort, de teenen
+met korte, maar krachtige nagels gewapend. De beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien het namelijk
+waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Wallich</span> vond dezen Beer in Nepal; <span class="smallcaps">Siebold</span> zegt in zijn werk over de dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan, maar ook in de meeste gebergten
+van het vasteland en van de eilanden van Zuid-Azi&euml; veelvuldig voorkomt. In Noord-Indi&euml; en Kaschmir bewoont de Kraag-beer bij
+voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberi&euml; daarentegen
+de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam
+<span class="smallcaps">Radde</span>, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de kronen der boomen prieeltjes maakt door takken <a id="d0e6056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6056">225</a>]</span>naar elkander toe te buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in holle boomen slaapt, dat hij lafhartig
+en niet gevaarlijk is, omdat hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals de Landbeer, ook scheuren. <span class="smallcaps">Adams</span> kreeg geheel andere berichten; hij verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van Indi&euml; zeer gevreesd
+wordt. <span class="smallcaps">Blanford</span> zegt van hem, dat hij meer dan de andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee en Herten, maar ook
+Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1225.jpg" alt="Kraag-beer (Ursus torquatus). 1/15 v. d. ware grootte." width="469" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kraag-beer</span> (<i>Ursus torquatus</i>). 1/15 v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op
+den Baribal, hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze, staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg
+op dezelfde hoogte en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van hunne bewegingen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de <span class="letterspaced">Maleische Beer</span>, de <span class="letterspaced">Broean</span>, of&#8212;zooals, volgens <span class="smallcaps">Von Rosenberg</span>, de naam eigenlijk luidt&#8212;de <span class="letterspaced">Biroeang</span> der Maleiers (<i>Ursus malayanus</i>) aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren,
+zeer kleine, onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange, krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij
+1.4 M., zijn hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden
+van den snuit en een gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig
+is.
+
+</p>
+<p>De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig
+bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan, misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft
+hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij
+nu en dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. <a id="d0e6097"></a><span class="corr" title="Bron: Volgels">Volgens</span> <span class="smallcaps">Marsden</span> richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge
+uitspruitsels van op te eten.
+
+</p>
+<p>Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen
+en onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten
+rondloopen. <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Stamford Raffles</span>, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting te
+leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde
+hij zich een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos eten en niets anders dan champagne drinken <a id="d0e6111"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6111">226</a>]</span>wilde. Van dezen wijn was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor
+hij, naar het scheen, zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel een glas wijn. Iedereen in huis hield
+van hem; hij gedroeg zich in alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier geen kwaad.
+
+</p>
+<p>Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen
+zit: hij is dom, maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij ook verzorgd wordt, toont hij zich
+toch maar zelden vriendschappelijk gezind jegens zijn oppasser.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze,
+dat bij onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar,
+dat men den <span class="letterspaced">IJsbeer</span> (<i>Ursus maritimus</i>) als vertegenwoordiger van een zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen Beer melding hebben gemaakt,
+meenden trouwens in hem slechts een verscheidenheid van onzen &#8220;Bruin&#8221; te ontdekken, wiens vel door het klimaat der koude poolgewesten
+met de hun eigenaardige sneeuwkleur was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer spoedig de belangrijke
+punten van verschil opmerkte, die tusschen de Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich van de
+tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten,
+welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren, en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op
+de helft van hun lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van alle Beren, want bij een schouderhoogte
+van 1.3 &agrave; 1.4 M. bereikt hij een lengte van 2.5 &agrave; 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder vetten toestand zelfs 800
+KG.
+
+</p>
+<p>De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen
+Beer, de kop langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren
+dikke snuit is van voren spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder geopend en de muil minder
+diep gespleten dan bij den Landbeer. De dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is zeer kort, dik
+en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte
+wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan den kop, den hals en den rug het kortst, aan &#8217;t achterdeel,
+de buik en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op de lippen en boven de oogen bevinden zich een
+gering aantal borstelige haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een donkeren ring om de oogen,
+van den onbehaarden top van den neus, van de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig; bij de jonge
+dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een
+geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten invloed op de kleur uit.
+
+</p>
+<p>De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar
+het water gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts
+begeeft, kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft
+hij hem als levenslustige bewoner van den aan &#8217;t leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl hij in zuidelijke richting slechts
+bij uitzondering nog op den 55en NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een der drie noordelijke
+werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht, trotseert hij
+onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld kunnen
+vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over de haar bedekkende ijsmassa&#8217;s, dan weer door de onstuimige
+golven; in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting, een leger leveren. Aan de oostkust van &#8217;t noordelijkste
+deel van Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen
+en andere eilanden, is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te vinden, in Azi&euml; is het dubbel-eiland
+Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel; hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op het vasteland aangetroffen,
+hoewel dit laatste alleen dan geschiedt, als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal op Lapland en ook
+wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten afstand
+van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd voor. <span class="smallcaps">Scoresby</span> bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100 IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland
+St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze
+dieren. Honderden IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat
+zijn zij veelvuldig; waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich dikwijls in grooten getale. &#8220;Wij zagen,&#8221;
+schrijft <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, &#8220;op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond.
+Deze bleef niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch was naar den rand van het ijsveld gedreven; de
+Beren hadden zich tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in &#8217;t wit gekleede feestelingen, waarvan
+sommige zich op afschuwelijke wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den vleeschberg, hun strandrecht
+uitoefenden. Over onze komst waren zij volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen, om hun buit tegen
+de naderende boot te verdedigen. Toen echter de stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter aarde stortte
+en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen
+afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen.&#8221;
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1227.jpg" alt="&#306;sbeer (Ursus maritimus)." width="353" height="512"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">&#306;sbeer</span> (<i>Ursus maritimus</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De IJsbeer is over &#8217;t geheel genomen log van beweging, maar in de hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij &#8217;t zwemmen,
+in welke kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder
+bijzondere inspanning door het water beweegt, wordt door <span class="smallcaps">Scoresby</span> op 4 &agrave; 5 KM. per uur geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij &#8217;t zwemmen uitmuntend te <a id="d0e6150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6150">228</a>]</span>pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij
+zich dagen lang in &#8217;t water ophouden; hij doorkruist onafzienbare watervlakten en wordt dikwijls ver van &#8217;t land en van het
+drijfijs in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van
+<span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span>, steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop
+hij zich er in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend als hij zich aan de oppervlakte van het water
+beweegt, verstaat hij de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid
+in &#8217;t duiken blijkt, die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is hij volstrekt niet zoo onbeholpen en
+onbekwaam, als zijn gewone, langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn schijnbaar plompen draf of
+galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid; hij weet
+daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon
+scherp, vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat, beklimt hij, volgens <span class="smallcaps">Scoresby</span>, de ijsblokken, en ziet rond naar buit. Doode Walvisschen of een in &#8217;t vuur geworpen stuk spek ruikt hij op ongeloofelijk
+grooten afstand.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen.
+Zijn vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds
+genoemde behendigheid in &#8217;t water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild
+zijn de Zeehonden, en hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren te overmeesteren. Als hij van
+verre een Rob op het droge ziet liggen, begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in naar zijn slachtoffer
+toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid, en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van het
+dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van
+het ijs, waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte
+van de zee voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen
+Zeehonden vertoont zich plotseling, als &#8217;t ware in hun eigen huis, in den eenigen gang, waardoor zij anders misschien hadden
+kunnen ontvluchten. Visschen weet de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen, of door ze in de met
+water gevulde spleten van het ijs te drijven, en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het hem aan ander
+voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn echter in &#8217;t geheel niet veilig voor zijne aanslagen. <span class="smallcaps">Osborne</span> zag een wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen te voorzien, en <span class="smallcaps">Brown</span> heeft, evenals <span class="smallcaps">K&uuml;kenthal</span> opgemerkt, dat hij in grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk toegankelijke broedplaatsen van
+zeevogels worden over &#8217;t algemeen geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den overvloed van eieren
+en nestvogels der arctische kusten moet hij in sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode dieren
+eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de
+zee&euml;n, die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden
+en Walvisschen hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend
+vleescheter; hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals
+herhaaldelijk werd opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele oude dieren zijn, naar het schijnt,
+in den zomer op gunstig gelegen plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud van de maag van gedoode
+exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs.
+
+</p>
+<p>Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren
+te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan
+de zeekust of op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen regel; zij zoeken tegen den aanvang van
+den winter een schuilplaats op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort na de paring, die, naar gezegd
+wordt, in Juli plaats heeft, maakt de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende ijsblokken. Soms bepaalt
+zij zich tot het graven van een kuil in de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid sneeuw, welke
+op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De
+berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert
+zij gedurende den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat.
+Intusschen heeft zij hare jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer begeleiden deze hun moeder
+op hare reistochten. Zij worden door haar zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs wanneer zij
+reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille jeugd
+leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine,
+aardige diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren, maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk
+op; zelfs wanneer zij reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van hun moeder als rustplaats, zoodra
+zij vermoeid zijn van den arbeid.
+
+</p>
+<p>De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de
+IJsberin voor hare jongen. &#8220;Een berin,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Scoresby</span>, &#8220;die twee jongen bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld vervolgd. In den beginne scheen zij de
+jongen tot grooteren spoed te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken, ook trachtte zij door eigenaardige
+gebaren en een bijzondere, angstige toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag dat hare vervolgers
+haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij gelukkig
+met haar kroost.&#8221;
+
+</p>
+<p>De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken; menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging
+om zulk een dier met onvoldoende <a id="d0e6178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6178">229</a>]</span>wapens te bevechten, met zijn leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in reisbeschrijvingen uit vroegeren
+tijd, zelden echter in die van den laatsten tijd. Op twee&euml;rlei wijze kan men deze soms zeer sterk in &#8217;t oog loopende tegenstrijdigheid
+verklaren: het kan zijn, dat men vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft; &#8217;t is ook wel mogelijk, dat
+zijn grimmige aard zich langzamerhand, misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch, aanmerkelijk gewijzigd
+heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling, die men <a id="d0e6180"></a><span class="corr" title="Bron: intertijd">indertijd</span> van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg, door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is niet juist.
+De ervaringen van hen die in laatste tientallen van jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben, is hiermede
+geheel in tegenspraak. <span class="smallcaps">Lamont</span>, die voor zijn genoegen, in zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht, schrijft over den IJsbeer:
+&#8220;Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame gevallen
+uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij hem ontwijken kan.&#8221; <span class="smallcaps">Nordenski&ouml;ld</span> vat zijn eigene ervaringen en die van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende volzinnen samen: &#8220;Een
+ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw kunnen
+verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond
+wordt, neemt hij <a id="d0e6189"></a><span class="corr" title="Bron: alijd">altijd</span> de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een
+gat in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen
+plaatsen zijn tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die gedurende den nacht de tent besnuffeld
+heeft, zonder het te wagen er in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik bij de Noordpoolreizigers,
+thans echter aarzelen de zeedieren-jagers niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan te vallen. Op
+het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met den
+lans gedood. Mij is slechts &eacute;&eacute;n enkel geval bekend, waarin een Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd.&#8221;
+
+</p>
+<p>De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de zooeven genoemde mededeelingen overeen. &#8220;Ontmoetingen
+met IJsberen,&#8221; schrijven <span class="smallcaps">Copeland</span> en <span class="smallcaps">Payer</span> &#8220;hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij wegens gebrek
+aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken,
+die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval
+geen ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij
+zij den kop steeds daarheen gericht houden. <span class="smallcaps">Klentzer</span>, een van onze matrozen, heeft echter eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk als komisch was.
+<span class="smallcaps">Klentzer</span> liep ongewapend langs de hellingen van den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van het schip dicht achter
+zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt, was hem bekend;
+ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van tijd
+tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep
+nader bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer
+een voor een vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk
+om hulp riep, het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist
+van zijn middel had losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk
+mogelijk, maar het ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer
+tien maal te verscheuren, maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering, ons geroep en onze schoten op
+de vlucht konden drijven. Over steil afhellende rotsmassa&#8217;s holde hij terug&#8212;en was als weggeblazen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In het gebied van de oostkust van Spitsbergen,&#8221; schrijft ons <span class="smallcaps">K&uuml;kenthal</span>, &#8220;aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot
+aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden en 2 levend vingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren,
+lansen en vallen; sommige jagers maken ook, volgens <span class="smallcaps">Seemann</span>, van de volgende list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje
+samen, omgeven het met Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op, plagen hem door een pijlschot,
+werpen den vetklomp neer en vluchten. De Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar is, en brengt
+door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt de
+ingewanden. Wij willen in &#8217;t midden laten of dergelijke verdachte stukken vet door het wantrouwige en &#8220;geplaagde&#8221; dier werkelijk
+in hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen, als zij zich veilig achten, de meest verschillende
+en vreemdsoortige voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den voorraad, dien de Poolreizigers hier
+en daar in de ijswoestijnen voor latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het is gebleken, dat het
+beste middel om deze rooverijen te keer te gaan, bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met water
+overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield,
+steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze
+door hun keelgat kunnen krijgen. <span class="smallcaps">Kane</span> verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag opvraten, kortom
+den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van
+<span class="smallcaps">Mc. Cluze</span>, gedurende een van de expedities tot redding van <span class="smallcaps">Franklin</span> gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch, tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen
+in een der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers
+de meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de <a id="d0e6225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6225">230</a>]</span>ijssporen, verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de
+kaoetsjoekflesschen en de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met het onderzoek van een belangrijk
+dagboek waren zij gelukkig nog maar juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden.
+
+</p>
+<p>Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok
+bezoekt; ook stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt niet. Zelfs in hun vaderland en in hun
+prille jeugd gevoelen zij zich binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen aandoen, dan door hun te veroorlooven,
+zich in de sneeuw en op het ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd waterbekken, zooals tegenwoordig
+in een goed ingerichten dierentuin voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren lang speelt hij in
+&#8217;t water met zijne medegevangenen, of ook wel met blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar en hartstochtelijk.
+Tegenover andere dieren van zijn soort is hij, zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd, hoewel
+het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven
+door elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk, IJsberen verscheidene jaren lang in &#8217;t leven te houden.
+
+
+</p>
+<p>Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche
+jagers gebruiken het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet onsmakelijk; zij beweren echter, dat het
+gebruik van dit vleesch dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier heeft, naar men zegt, een zeer
+schadelijke werking, en wordt door sommigen ronduit vergiftig genoemd.
+
+</p>
+<p>Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt
+er 120 &agrave; 300 gulden voor betaald.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Lippenbeer</span> of <span class="letterspaced">Honigbeer</span>, de <span class="letterspaced">Slothbear</span> der Engelschen, die in Indi&euml; <span class="letterspaced">Aswail</span> heet (<i>Melursus labiatus</i>), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte en aard in &#8217;t oog loopend verschilt
+van de tot dusver behandelde Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken romp, korte pooten, vrij groote
+voeten, welker teenen met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe spits en lippen,
+die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang, vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver naar
+beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit den naam <span class="letterspaced">Beerachtige Luiaard</span> (<i>Bradypus ursinus</i>), waaronder het voor &#8217;t eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als &#8220;het naamlooze dier&#8221; aangeduid. In Europa
+werd de Lippenbeer tegen het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd hij voor &#8217;t eerst levend naar
+hier gebracht.
+
+</p>
+<p>De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 &agrave; 12 cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in
+de schoften is dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle, spits toeloopende, slurfvormige snuit,
+die hoogst eigenaardige eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk, maar worden in dit opzicht nog
+overtroffen door de lange, uiterst rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor de kaken uit; zij
+kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd, vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort
+van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt
+mede tot het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet alleen om voorwerpen van allerlei aard te
+grijpen en naar zich toe te trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan den kop nog op te merken
+de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins aan varkensoogen
+herinneren; men ziet echter van den geheelen kop maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels bedekt
+wordt door de in &#8217;t oog loopend lange, borstelige haren van de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar;
+terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde, ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen
+de hier dooreen gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het
+geheele voorste deel van het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog belangrijk toeneemt door den plompen,
+loggen romp en de korte, dikke pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange, scherpe en gekromde klauwen
+maken een bijzonder eigenaardigen indruk, waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit krijgt door
+het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht, dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de
+grove haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor.
+Soms hebben ook de teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig hoornkleurig, de zolen echter zwart.
+De jongen onderscheiden zich van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en de schouders, waardoor de
+betrekkelijk groote ooren duidelijker voor den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter de ooren geelachtig
+bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst geelachtig wit.
+
+</p>
+<p>De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indi&euml;, bijna van den voet van den Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij
+houdt van heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de
+veelvuldigst voorkomende groote dieren van Indi&euml;; in enkele gewesten is hij trouwens zoo goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt
+hij zich, naar <span class="smallcaps">Tennent</span> bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte
+wordt hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het gebied van Karetschie was hij gedurende een lang
+aanhoudende droogte zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en wasschingen in de rivieren geheel moesten
+opgeven, daar zij niet alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het water bevonden deze dieren zich
+zeer tegen hun zin; zij waren bij het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er niet weder uitkomen.
+Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf <a id="d0e6265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6265">231</a>]</span>gegraven holen, vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen, verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere
+beharing heeft hij niet veel last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren van den dag in de een of
+andere koele schuilplaats door en komt eerst &#8217;s nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en avonduren.
+Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in &#8217;t geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt
+niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich,
+wanneer hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde
+doen echter ook andere Beren.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren; naar
+men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij
+geen grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren verslinden. <span class="smallcaps">Sanderson</span> en <span class="smallcaps">Mc. Master</span> vermelden ieder &eacute;&eacute;n dergelijk geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje, een anderen keer een door
+een Tijger gedooden Os. De jongen, die in gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om &#8217;t even of het
+gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (<i>Bassia latifolia</i>), die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten, zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij
+jonge dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem
+zeer goede diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de
+stevige woningen van de Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting aan. <span class="smallcaps">Sanderson</span> verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap
+uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 &agrave; 8 M. hooge stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin
+men het sap opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou
+hun wel eenige liters van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen niet zooveel potten braken. De benadeelde
+inboorlingen beweren, dat de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te klauteren, maar zich eenvoudig
+op den grond laten vallen, en ook, dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tennent&#8217;s</span> berichten over den aard van den Lippenbeer worden door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In Oost-Indi&euml;
+verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij omvat
+zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor
+lid te verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet
+zelden zijn poging om te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te verdedigen, tot den aanval over. Zijn
+aanval is in zulke omstandigheden zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste Roofdieren beschouwen.
+<span class="smallcaps">Sanderson</span> schrijft: &#8220;De Lippenberen zijn voor ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere menschen, die in wouden
+en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren zijn zij het
+gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens
+in het met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is; men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van
+zijn schuilplaats, en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert; men laat ten slotte gedeelten van
+den dsjungel, waar men Beren heeft gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en schiet de dieren, zoodra
+zij zich vertoonen.
+
+</p>
+<p>Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen zoowel in Indi&euml; als in Europa. In zijn vaderland trekken
+kunstenmakers en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei
+kunstjes af. Men voedert hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd, dat hij aan brood en ooft duidelijk
+de <a id="d0e6292"></a><span class="corr" title="Bron: voorkenr">voorkeur</span> geeft boven ander voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold, van de eene zijde op de andere, springt in
+&#8217;t rond, buitelt over den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op de zonderlingste wijze, als hem
+het een of ander stuk voedsel wordt gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk en oprecht uiterlijk.
+
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Drie merkwaardige dieren van Oost-Azi&euml; vereenigen wij tot de tweede onderfamilie van de Beren, welker leden wij <span class="letterspaced">Katberen</span> (<i>Ailurinae</i>) zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne
+voeten, welker behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins aan die van de Katten herinneren.&#8212;
+
+</p>
+<p>De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20 jaren door <span class="smallcaps">David</span> ontdekte <span class="letterspaced">Kattenpootbeer</span> (<i>Ailuropus melanoleucus</i>), daar hij als &#8217;t ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan
+onze Gewone Landbeer, van &#8217;t puntje van den staart tot aan de spits van den snuit ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen
+zijn behaard en komen niet over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft een korten snuit en is naar verhouding
+breeder dan bij eenig ander Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels wit is; zwart van kleur zijn
+een ring om de oogen, de ooren, de voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van den staart.&#8212;Van de levenswijze
+van dit dier in den natuurstaat is nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van de gebergten van Oost-Tibet.
+
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie, de <span class="letterspaced">Panda</span> of <span class="letterspaced">Roode Katbeer</span> (<i>Ailurus fulgens</i>), houdt in sommige opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn romp schijnt wegens de dichte en
+zachte vacht plomper dan hij is; de lang behaarde kop is zeer breed en <a id="d0e6329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6329">232</a>]</span>kort, de snuit eveneens; de lange staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren zijn klein en afgerond,
+de oogen klein; de korte pooten hebben dicht behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken, en korte
+teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht
+en lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd, aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat
+hier de haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart, zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker
+kastanjeroode dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood, met onduidelijke, lichtere, smalle ringen.
+
+
+</p>
+<p>De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit
+even fraai gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of famili&euml;n komt hij in de wouden voor, beklimt de
+boomen en kiest de daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats; hij begeeft zich echter ook veel op
+den bodem om voedsel te zoeken. Dit bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert hij, naar men zegt,
+de Vogelnesten; ook eet hij Insekten.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd door den <span class="letterspaced">Binturong</span> (<i>Arctitis binturong</i>). Deze is grooter dan de Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 &agrave; 1.5 M., waarvan bijna de helft op den zeer langen rolstaart komt.
+De romp is krachtig, de kop dik, de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben naakte zolen, en vijf
+teenen, die met tamelijk stevige, een weinig terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang- en ruigharige
+vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn
+met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans.
+De kleur van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige, aan de ledematen een bruinachtige tint.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java, Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam
+en Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk
+leven, houdt zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine
+Zoogdieren, Vogels, Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen
+bewoont en verborgen leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een luid gehuil. Hoewel de Binturong
+woest en kwaadaardig van natuur is, worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam en zijn even zachtmoedig
+als speelsch.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote, tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l.
+de <span class="letterspaced">Kleine Beren</span> (<i>Procyoninae</i>).
+
+</p>
+<p>Het geslacht der <span class="letterspaced">Waschberen</span> (<i>Procyon</i>) onderscheidt zich door de volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van achteren zeer verbreed, de snuit
+kort; de groote oogen liggen dicht bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden van den kop geplaatst;
+de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en tamelijk forsche,
+zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang, de beharing overvloedig, lang en sluik.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gewone Waschbeer</span> of <span class="letterspaced">Schoep</span>, de <span class="letterspaced">Raccoon</span> der Amerikanen (<i>Procyon lotor</i>) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25 cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 &agrave; 35 cM. De vacht is geelachtig grijs,
+met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek begrensd
+wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om
+het oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt.
+De voeten zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig
+gele staart is met zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen van deze kleuren steekt sterk bij
+de andere af; gezamenlijk brengen zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke kleur even goed bij die
+van de boomschors als bij die van den met versch of droog gras begroeiden bodem past.
+
+</p>
+<p>Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel
+zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten
+wegens de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft
+men hem echter niet geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch bedekte streken, komt hij nog in menigte
+voor. Het liefst houdt hij zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint hij eerst te jagen, als de
+schemering invalt, en brengt hij den dag slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen, of op dikke,
+bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in &#8217;t geheel niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd,
+maar zwerft zoowel over dag als &#8217;s nachts door zijn uitgestrekt gebied.
+
+</p>
+<p>De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij
+onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, <a id="d0e6383"></a><span class="corr" title="Bron: krompt">kromt</span> den rug naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet,
+die hem belangstelling inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt, verandert zijn voorkomen geheel.
+Het ruige vel wordt glad, de breede ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan, vervolgt daarna vlug
+huppelend of loopend zijn weg, of klimt met een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet alleen bij schuins
+geplaatste en loodrechte stammen naar boven, maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als langs de onderzijde.
+Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs horizontale takken
+voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap in &#8217;t
+klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk
+op den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig,
+<a id="d0e6386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6386">233</a>]</span>plaagzuchtig en belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is, en bij het bekruipen van zijn prooi listig
+als een Vos. Met zijne soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is, speelt hij uren achtereen met
+andere dieren van zijn soort, in de gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil.
+
+</p>
+<p>De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar &#8217;t schijnt, een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet,
+altijd de beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft
+van allerlei soort, kastanjes, wilde druiven, ma&iuml;s, zoolang de kolven nog week zijn; hij zoekt echter ook de Vogels in hunne
+nesten op, weet listig een Hoen of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het verborgenste nest op
+te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren, die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets van
+hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven
+en hunne nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de &#8220;farmers&#8221; in geen goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting
+betalen. Behendig vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls
+ver in de zee. De dikke larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal voor hem; Sprinkhanen weet hij
+zeer behendig te vangen. Hij heeft de eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het tusschen zijne
+voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als dit
+wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender
+wijs verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft.
+
+</p>
+<p>In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom.
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1233.jpg" alt="Gewone Waschbeer (Procyon lotor). &#8539; v. d. ware grootte." width="512" height="500"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Waschbeer</span> (<i>Procyon lotor</i>). &#8539; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood.
+Wanneer men alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en vallen van allerlei soort, die met een Visch
+of een stukje vleesch als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De Amerikanen geven zich met een
+waren hartstocht aan dit vermaak over, en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men jaagt hem namelijk
+niet over dag, maar des nachts, met behulp van Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten heeft,
+en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt, als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder
+den invloed van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren Hond volgt het spoor, en de geheele troep
+rent den nu vluchtenden, behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom klimt, en zich hier in de donkerste
+gedeelten van de kroon tusschen de takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een kring, blaffend en
+huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar komen
+de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen
+bedekt, zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden.
+Nu begeeft een in &#8217;t klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt <a id="d0e6404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6404">234</a>]</span>boven in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat
+eindelijk de Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop een anderen boom te zullen bereiken. Zijn
+vervolger snelt hem na zoo ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het beklagenswaardige dier moet
+zich nu stevig vasthouden, om niet op den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader en nader komt zijn vijand,
+steeds moeielijker wordt het den Beer om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort hij naar beneden.
+Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet de Waschbeer
+nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter wordt
+hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders, en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit.
+
+</p>
+<p>Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door
+de ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig
+voorkomen, verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont
+toch nimmer een groote gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en knort intusschen zachtjes van pret,
+evenals jonge Honden in dit geval gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan de gebaren der Apen.
+Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden; niets van &#8217;t geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne wandelingen
+door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel
+als op het erf en in den tuin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot de meest in &#8217;t oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">L. Beckmann</span>, &#8220;behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten te doorsnuffelen.
+Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd tusschen
+deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet,
+dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid;
+even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid
+dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching
+en schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn begeerigheid geprikkeld is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft, doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven.
+Soms zit hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich
+een stroohalm over den neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken, met de teenen van een zijner
+achterpooten of grijpt naar de heen en weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt hij op den rug,
+heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door
+zijn staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe
+nagels de kalk uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting aan. Evenals <span class="smallcaps">Jeremia</span> op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht,
+uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Na een langdurige droogte kan hij bij &#8217;t zien van een gevulde watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke
+moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat,
+want alleen de pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende voorwerpen af te wasschen; hij zelf
+houdt er volstrekt niet van, tot aan den hals in &#8217;t water te staan. Als het onderzoek een bevredigende uitkomst heeft opgeleverd,
+begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander voorwerp,
+dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot, een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden
+dadelijk onder handen genomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne
+met hem samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn
+eigen weg wilde gaan. Zoodra hij &#8217;s morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong hij vroolijk heen, om zijn vriend op te
+zoeken. Op de achterpooten staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten, en vleide zijn kop zeer
+teeder tegen dien van zijn vriend; daarna betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij dagelijks nieuwe
+schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed,
+trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag; toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om
+zulk een krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit
+en hapte intusschen in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den geringden, heen en weer slingerenden
+staart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken.
+Muizen, Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij,
+hoe hij ook rukte en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke
+bewoners van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk
+van Waschberen is een zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen, van het wolhaar vilt voor hoeden,
+de geheele staart wordt als &#8220;boa&#8221; gebruikt.
+
+</p>
+<p>Een tweede soort, de <span class="letterspaced">Krabben-Waschbeer</span> of <span class="letterspaced">Aguara</span> (<i>Procyon cancrivorus</i>), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een weinig
+hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een
+geelachtig geringden, <a id="d0e6439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6439">235</a>]</span>ruigen staart en donkerkleurig aangezicht; boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen de <span class="letterspaced">Neusberen</span> (<i>Nasua</i>) in de nabijheid van de Waschberen te staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken, bijna marterachtigen
+romp, met korten hals en langen, spitsen kop, hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam evenaart
+en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte zolen. Het meest in &#8217;t oog loopende kenteeken van deze dieren
+is de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen.
+De ooren zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn
+met lange en spitse, maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van den Waschbeer, de tanden zijn echter
+een weinig slanker.
+
+</p>
+<p>Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig
+slechts twee als goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten, omdat deze dieren in sommige opzichten
+nogal uiteenloopen, en ook, zooals <span class="smallcaps">Hensel</span> overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in levenswijze verschillen. <span class="letterspaced">De Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> onderscheidde in Brazili&euml; twee soorten, de <span class="letterspaced">gezellige</span> en de <span class="letterspaced">eenzame Neusbeer</span>. Volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>&#8217;s onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil; de &#8220;eenzame&#8221; Neusberen zijn eenvoudig brommige,
+oude mannetjes, die zich van de in troepen levende &#8220;gezellige&#8221; afgescheiden hebben. Anders is het gesteld met de beide soorten,
+die hieronder genoemd worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De bekendste soort van het geslacht is de <span class="letterspaced">Coati</span>, in Guyana <span class="letterspaced">Koeassie</span> genoemd, die wij meer bepaaldelijk <span class="letterspaced">Neusbeer</span> zullen noemen (<i>Nasua rufa</i>), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt.
+In &#8217;t geheel is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 &agrave; 105 cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27
+&agrave; 30 cM. Het dichte en tamelijk lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige bovenharen, die zich
+aan den staart verlengen, en uit kort, zacht, eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden dicht bijeenstaat.
+De grondkleur, die op den rug tusschen rood en grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige tint
+over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de
+voorzijde grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor, een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls
+ineenvloeiende vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel van den neus naar beneden. De staart is
+met ringen geteekend, die bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Witsnuitbeer</span> (<i>Nasua narica</i>) van Middel-Amerika moet, volgens <span class="smallcaps">Hensel</span>, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over
+&#8217;t algemeen aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker, al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer
+op den achtergrond treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om &#8217;t oog, een boven het oog beginnende, naar het puntje
+van den neus gerichte streep, de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn geelachtig wit; iets donkerder
+zijn de zijden van den hals en de keel; de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Hensel</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span> en de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span> hebben uitvoerige beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen toestand.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Neusbeer,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Hensel</span>, &#8220;is in Brazili&euml; zoo menigvuldig, dat ik niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door onderlinge
+vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging gekomen,
+dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen
+door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den
+paartijd tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig
+door de jacht van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel degelijk in de nabijheid bevindt, maar
+voor den jager verborgen bleef.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid.
+Gedurende den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken dan hun neus in elke voor hen toegankelijke
+ruimte. Hun voedsel bestaat vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het dierenrijk ontleende eetwaren.
+Gaarne bezoeken zij de plantages om ma&iuml;skolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen
+te zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze
+prooi te overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd tot tijd den neus in het door hun gegraven
+gat, en speuren, zooals onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat zij hun doel eindelijk bereikt
+hebben. Onder geschreeuw en gefluit, gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij; als het heeter wordt
+in &#8217;t bosch, maakt de bende aanstalten om een geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig gelegen
+boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in.
+Des namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt.
+Als de Coatis een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk kennis door luide, fluitende geluiden
+en klimmen ten spoedigste in een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het geheele gezelschap over de
+takken van de kroon verdeeld. Als men ze achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen den stam te slaan,
+gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij niet gestoord
+worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar
+achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken begeven zij zich <a id="d0e6525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6525">236</a>]</span>voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen, b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak, hoewel
+zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der
+boomen zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij en houden den staart loodrecht omhoog gericht,
+of maken korte sprongen; hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in aanraking. Alleen als zij
+staan, of zich op de achterpooten verheffen, rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt zeer onbeholpen,
+hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar het schijnt, zijn zij bang voor &#8217;t water, waarin zij zich alleen in
+den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.
+
+
+</p>
+<p>Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in, daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak
+en het gevoel betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed;
+het gevoel zetelt, naar het schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun voornaamste tastwerktuig
+is.
+
+</p>
+<p>Naar <span class="smallcaps">Rengger</span> bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October 3 &agrave; 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in
+een met dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat
+het haar op al hare zwerftochten kan volgen.
+
+</p>
+<p>Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin deed <span class="smallcaps">M&uuml;tzel</span> de volgende ervaringen op: &#8220;De eerste indruk, dien het geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de diepste
+stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever lag op het breede gedeelte van &#8217;t heiligbeen op haar strooleger;
+hare uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde tegen den wand van &#8217;t hok; zij besnuffelde en belekte
+hare kinderen, die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de moeder zag men niet anders dan het aangezicht
+en de voorpooten, terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen, ieder uit een bruinen haarbal ontspringend,
+straalswijs de moeder omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn tegenwoordigheid leidde de aandacht
+van de moeder van hare jongen af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar nakomelingschap te bewegen de
+tepels los te laten; deze bleven er echter aan vastgehecht op &eacute;&eacute;n na; het zuigend kroost werd dus langs den bodem meegesleept
+naar het traliewerk; het eene jong, dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde, schoof zij eenvoudig
+op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de jongen
+het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn; zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt
+kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden te beschouwen<a id="d0e6539"></a><span class="corr" title="Bron: ">.</span> In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne
+gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus, die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht,
+de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen, die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring
+van 3 of 4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de wangen, die een wit en bruin getakte teekening
+vertoonen, de gewelfde kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in beweging zijn, het beerachtig afgeronde
+lichaam, de lange, ruige, met ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig, potsierlijk geheel, vooral
+als de dieren loopen of klimmen. Al hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en boeien voortdurend de
+aandacht van den toeschouwer, die zich door de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze kleine dieren
+ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje
+eerst hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor zich op den grond en begon, terwijl zij den buit
+met de voorpooten vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen
+gewoonlijk hun prooi bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere dieren aan het kopeinde. Bij het tweede
+gerecht, een doode Rat, vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een beet in den kop, werd daarna beroken
+en van achteren af verslonden; op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den romp, terwijl de kop voor
+&#8217;t laatst bewaard bleef. De Muis was na weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter langer aan. Zooals
+te verwachten was, gaven de jongen het verlangen te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter niet
+toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf;
+in allen gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven
+aandringen, met de voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren dadelijk weer op de been, en omringden
+opnieuw de smullende moeder; zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende, den snuffelenden neus onophoudelijk
+in beweging, alle vijf staartjes omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van den staart kleine kringen
+beschrijvend&#8212;vormden zij een prachtige voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke gerecht verslonden,
+op een klein stukje na; ook dit was echter niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar gat gebracht,
+ongeveer &frac12; M. boven den bodem, en met den langen, beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer prettig
+gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende
+vermakelijke schouwspel vertoond werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;De moeder had bij vergissing twee stukjes van &#8217;t vel van de Rat laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den
+maaltijd vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond
+een kibbelpartij, die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige lichamen, de vijf omhoog geheven
+staarten geraakten in elkander verward en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen, vielen en buitelden
+over en door elkander, rolden over den vloer, huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af, en deden
+dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite kostte, een van hen voortdurend in &#8217;t oog te houden.&#8221;
+<a id="d0e6546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6546">237</a>]</span></p>
+<p>De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich
+in de bosschen met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij het zien van de Honden vluchten de Neusberen
+luid schreeuwend op de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf hunner helpers in kennis worden gesteld,
+zijn nu in de gelegenheid om te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden te doen tuimelen, moet
+men hem doodelijk treffen, want de gewonde dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen slechts met
+groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende
+Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig
+om, schreeuwt van woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn leven duur genoeg en stelt niet zelden
+5 of 6 Honden buiten gevecht, voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen door de inboorlingen,
+maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.
+
+</p>
+<p>Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in &#8217;t leven te houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer
+een bijzondere voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne
+huisgenooten uit het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij &#8217;t eten mag men hem echter volstrekt niet
+storen, want zelfs het tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel willen ontrukken. In vele opzichten
+toont hij een groote mate van zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich volstrekt niet aan den wil
+van den mensch, maar geraakt in drift, als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem gehoorzaamheid
+leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed als
+ieder ander.
+
+</p>
+<p>Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk
+den Neusbeer ergens toe af te richten. <span class="smallcaps">Rengger</span> zag er een, die op bevel van zijn meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van een geweer als dood
+op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.
+
+</p>
+<p>Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen
+om. Hij kan met den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote behendigheid gebruik maken. Niets laat
+hij onaangeroerd. Als hij zich van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door afwisselend beide voorpooten
+snel in beweging te brengen. Geeft men hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging; als hij een voorwerp
+ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij er eerst met den <a id="d0e6558"></a><span class="corr" title="Bron: rechter">rechter-</span>, daarna met de linkerpoot een slag tegen, totdat het op den grond valt.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1237.jpg" alt="Rolstaartbeer (Cercoleptes caudivolvulus). &frac14; v. d. ware grootte." width="512" height="355"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rolstaartbeer</span> (<i>Cercoleptes caudivolvulus</i>). &frac14; v. d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij
+aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel
+van de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers
+trok. Dit raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als in &#8217;t geheel niet kende. Eenigen hielden
+hem voor een Lemuride. Anderen meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen zeer verschillend gebit, hem
+bij de Civetkatten te moeten voegen, en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was het bezit van een rolstaart
+niet best te rijmen; terwijl ook het gebit&#8212;dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt, en op het gebruik van
+plantaardig en dierlijk voedsel wijst&#8212;niet veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk gaf men hem (met
+eenige andere, niet minder eigenaardige wezens) een plaats in de familie der Beren.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Rolstaartbeer</span>, <span class="letterspaced">Kinkajoe</span>, <span class="letterspaced">Manaviri</span> <a id="d0e6586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6586">238</a>]</span>of <span class="letterspaced">Cuchumbi</span>, zooals het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazili&euml;, genoemd wordt (<i>Cercoleptes coudivolvulus</i>), voltooit de reeks van overgangsvormen van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp staat laag op
+de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de vijf
+teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van
+het lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand
+is de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen, terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte,
+tamelijk lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig
+geel met een flauw roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den kop en in den nek duidelijk zichtbaar
+zijn.
+
+</p>
+<p>Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele
+noorden van Brazili&euml;, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij
+leeft in de oerwouden, vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij heeft een zuiver nachtelijke levenswijze;
+den dag brengt hij slapend in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig; hij klimt dan buitengewoon
+behendig en vlug in de kronen der hooge boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart hem uitmuntende
+diensten. Wat vaardigheid in &#8217;t klimmen betreft, wordt hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn
+uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich
+zoo goed aan een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom afdalen kan. Bij &#8217;t gaan laat hij de geheele
+zool op den grond rusten.
+
+</p>
+<p>Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan, verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig
+en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester
+herkent en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger over te halen met hem te spelen of zich met hem
+te bemoeien en behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten van de inboorlingen. Ook in den gevangen
+staat slaapt hij bijna den geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met den staart. Hij eet al wat
+men hem voorzet: brood, vleesch, ooft, gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt melk, koffie,
+water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen
+ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het bloed uit en laat het overige liggen. <span class="smallcaps">Kappler</span>, die den Rolstaartbeer in Guyana leerde kennen, zegt van hem: &#8220;Hij voedt zich uitsluitend met vruchten en wordt bijzonder
+tam. Ik kreeg van de Indianen een jong dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag ophield. Zoodra
+wij &#8217;s avonds aan tafel gingen zitten, kwam <span class="letterspaced">Wawa</span>, zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang
+tongetje in den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen en andere vruchten. Als men het huis sloot,
+werd Wawa buiten de deur gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen, want op den grond hield hij zich
+niet graag op. Ik had hem meer dan een jaar gehad, toen hij plotseling stierf.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast
+aan de zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is het <span class="letterspaced">Katfret</span> (<i>Bassaris astuta</i>), dat, zooals reeds in 1651 door <span class="smallcaps">Hernandez</span> werd medegedeeld, bij de Mexicanen <span class="letterspaced">Cacamizli</span> heet. Het volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM., waarvan twee vijfden op den staart komen. Door
+zijn gestalte herinnert dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.
+
+</p>
+<p>Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn, bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen,
+in Texas hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig voor; <span class="smallcaps">Charlesworth</span> meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van Hoenderen
+het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.
+
+</p>
+<p>De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert
+en hieraan zijn Mexicaanschen naam &#8220;Kateekhoorn&#8221; dankt. Als het uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke
+houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter
+niet met de zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen, maar loopt, wanneer het verschrikt wordt
+gemaakt, zoo lang mogelijk op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te bereiken. Soms ziet men het,
+op de bovenzijde van een tak liggend, zich in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging, alsof het sliep;
+bij het geringste teeken van gevaar sluipt het echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na het ondergaan
+van de zon weer te voorschijn.
+
+</p>
+<p>Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd
+in een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door
+de Mexicanen als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten is hij als huisdier nuttig.
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org
+
+
+</p>
+<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van
+de regel zijn hersteld.
+
+</p>
+<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met &#8220;.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>13-DEC-2006 begonnen.</li>
+</ul>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e251">Bladzijde 88</a></td>
+<td width="40%">Kaukakus</td>
+<td width="40%">Kaukasus</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e259">Bladzijde 88</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e408">Bladzijde 93</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e490">Bladzijde 94</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e617">Bladzijde 98</a></td>
+<td width="40%">wannneer</td>
+<td width="40%">wanneer</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e620">Bladzijde 98</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e652">Bladzijde 100</a></td>
+<td width="40%">&#8212;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e769">Bladzijde 103</a></td>
+<td width="40%">Alegeri&euml;</td>
+<td width="40%">Algeri&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e773">Bladzijde 103</a></td>
+<td width="40%">Julles</td>
+<td width="40%">Jules</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e785">Bladzijde 103</a></td>
+<td width="40%">&aacute;</td>
+<td width="40%">&agrave;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e788">Bladzijde 103</a></td>
+<td width="40%">&aacute;</td>
+<td width="40%">&agrave;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e857">Bladzijde 106</a></td>
+<td width="40%">Zuik-Afrikaansche</td>
+<td width="40%">Zuid-Afrikaansche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e884">Bladzijde 107</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1126">Bladzijde 111</a></td>
+<td width="40%">Abessynie</td>
+<td width="40%">Abessini&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1285">Bladzijde 114</a></td>
+<td width="40%">v.d. de</td>
+<td width="40%">v.d.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1683">Bladzijde 123</a></td>
+<td width="40%">zeldeu</td>
+<td width="40%">zelden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1829">Bladzijde 126</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1882">Bladzijde 127</a></td>
+<td width="40%">Kairo</td>
+<td width="40%">Ka&iuml;ro</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1955">Bladzijde 128</a></td>
+<td width="40%">overdraaglijk</td>
+<td width="40%">onverdraaglijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2021">Bladzijde 129</a></td>
+<td width="40%">vootziet</td>
+<td width="40%">voorziet</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2125">Bladzijde 131</a></td>
+<td width="40%">Beloetschistan</td>
+<td width="40%">Beloetsjistan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2230">Bladzijde 133</a></td>
+<td width="40%">weing</td>
+<td width="40%">weinig</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2317">Bladzijde 135</a></td>
+<td width="40%">Matterachtige</td>
+<td width="40%">Marterachtige</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2406">Bladzijde 137</a></td>
+<td width="40%">houtmijtnn</td>
+<td width="40%">houtmijten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2432">Bladzijde 138</a></td>
+<td width="40%">n.l..</td>
+<td width="40%">n.l.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2461">Bladzijde 138</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2726">Bladzijde 144</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2764">Bladzijde 146</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3007">Bladzijde 150</a></td>
+<td width="40%">gebrnik</td>
+<td width="40%">gebruik</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3157">Bladzijde 154</a></td>
+<td width="40%">oproof</td>
+<td width="40%">op roof</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3213">Bladzijde 155</a></td>
+<td width="40%">80 of 100</td>
+<td width="40%">800 of 1000</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3402">Bladzijde 160</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3469">Bladzijde 162</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3485">Bladzijde 163</a></td>
+<td width="40%">vermonde</td>
+<td width="40%">vermomde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3499">Bladzijde 164</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3530">Bladzijde 164</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3696">Bladzijde 168</a></td>
+<td width="40%">Beloedsjistan</td>
+<td width="40%">Beloetsjistan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3747">Bladzijde 171</a></td>
+<td width="40%">verradelijke</td>
+<td width="40%">verraderlijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3832">Bladzijde 173</a></td>
+<td width="40%">Turkij&euml;</td>
+<td width="40%">Turkije</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3837">Bladzijde 173</a></td>
+<td width="40%">meteen</td>
+<td width="40%">met een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3889">Bladzijde 174</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">)</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4334">Bladzijde 181</a></td>
+<td width="40%">speken</td>
+<td width="40%">spreken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4421">Bladzijde 183</a></td>
+<td width="40%">Mohamedanen</td>
+<td width="40%">Mohammedanen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4471">Bladzijde 185</a></td>
+<td width="40%">pantoffols</td>
+<td width="40%">pantoffels</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5185">Bladzijde 201</a></td>
+<td width="40%">touw</td>
+<td width="40%">trouw</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5242">Bladzijde 202</a></td>
+<td width="40%">eignaardigheden</td>
+<td width="40%">eigenaardigheden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5364">Bladzijde 204</a></td>
+<td width="40%">staalje</td>
+<td width="40%">staaltje</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5465">Bladzijde 209</a></td>
+<td width="40%">d.z.</td>
+<td width="40%">d.w.z.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5566">Bladzijde 212</a></td>
+<td width="40%">nacht</td>
+<td width="40%">nachts</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5590">Bladzijde 213</a></td>
+<td width="40%">eenstem-stemmig</td>
+<td width="40%">eenstemmig</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5655">Bladzijde 215</a></td>
+<td width="40%">Woenstijnhoen</td>
+<td width="40%">Woestijnhoen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5658">Bladzijde 215</a></td>
+<td width="40%">boden</td>
+<td width="40%">bodem</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5708">Bladzijde 216</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5721">Bladzijde 216</a></td>
+<td width="40%">jongen jongen</td>
+<td width="40%">jongen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5783">Bladzijde 217</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">of</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5806">Bladzijde 217</a></td>
+<td width="40%">westeijk</td>
+<td width="40%">westelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5867">Bladzijde 220</a></td>
+<td width="40%">onmiddelijke</td>
+<td width="40%">onmiddellijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5957">Bladzijde 222</a></td>
+<td width="40%">Mexiko</td>
+<td width="40%">Mexico</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5962">Bladzijde 222</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6097">Bladzijde 225</a></td>
+<td width="40%">Volgels</td>
+<td width="40%">Volgens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6180">Bladzijde 229</a></td>
+<td width="40%">intertijd</td>
+<td width="40%">indertijd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6189">Bladzijde 229</a></td>
+<td width="40%">alijd</td>
+<td width="40%">altijd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6292">Bladzijde 231</a></td>
+<td width="40%">voorkenr</td>
+<td width="40%">voorkeur</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6383">Bladzijde 232</a></td>
+<td width="40%">krompt</td>
+<td width="40%">kromt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6539">Bladzijde 236</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6558">Bladzijde 237</a></td>
+<td width="40%">rechter</td>
+<td width="40%">rechter-</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20129-h.htm or 20129-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/1/2/20129/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/20129-h/images/p1087.jpg b/20129-h/images/p1087.jpg
new file mode 100644
index 0000000..21e9916
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1087.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1094.jpg b/20129-h/images/p1094.jpg
new file mode 100644
index 0000000..dfb2470
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1094.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1095.jpg b/20129-h/images/p1095.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e86ca1f
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1095.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1097.jpg b/20129-h/images/p1097.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d71e6fe
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1097.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1102.jpg b/20129-h/images/p1102.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1fd5812
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1102.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1104.jpg b/20129-h/images/p1104.jpg
new file mode 100644
index 0000000..709155e
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1104.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1109.jpg b/20129-h/images/p1109.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9ff454a
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1109.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1114.jpg b/20129-h/images/p1114.jpg
new file mode 100644
index 0000000..77b8a7c
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1114.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1116.jpg b/20129-h/images/p1116.jpg
new file mode 100644
index 0000000..279e3d3
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1116.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1119.jpg b/20129-h/images/p1119.jpg
new file mode 100644
index 0000000..01f27ef
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1119.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1120.jpg b/20129-h/images/p1120.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fd014ef
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1120.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1124.jpg b/20129-h/images/p1124.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cd3b3ae
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1124.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1127.jpg b/20129-h/images/p1127.jpg
new file mode 100644
index 0000000..309651a
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1127.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1128.jpg b/20129-h/images/p1128.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e5ef2f5
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1128.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1131.jpg b/20129-h/images/p1131.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0d0c8ed
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1131.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1133.jpg b/20129-h/images/p1133.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a61de12
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1133.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1134.jpg b/20129-h/images/p1134.jpg
new file mode 100644
index 0000000..439daf6
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1134.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1137.jpg b/20129-h/images/p1137.jpg
new file mode 100644
index 0000000..07aa768
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1137.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1139.jpg b/20129-h/images/p1139.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8851b02
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1139.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1141.jpg b/20129-h/images/p1141.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9c83b13
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1141.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1142.jpg b/20129-h/images/p1142.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f5536b9
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1142.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1144.jpg b/20129-h/images/p1144.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2792a62
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1144.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1147.jpg b/20129-h/images/p1147.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ac8e645
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1147.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1149.jpg b/20129-h/images/p1149.jpg
new file mode 100644
index 0000000..40d94b6
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1149.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1151.jpg b/20129-h/images/p1151.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b62e0c5
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1151.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1155.jpg b/20129-h/images/p1155.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3fb55d8
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1155.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1156.jpg b/20129-h/images/p1156.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3cb7c70
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1156.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1159.jpg b/20129-h/images/p1159.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6f5fdfb
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1159.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1161.jpg b/20129-h/images/p1161.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9fb509d
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1161.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1165.jpg b/20129-h/images/p1165.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9c2ccaf
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1165.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1168.jpg b/20129-h/images/p1168.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e697b92
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1168.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1172.jpg b/20129-h/images/p1172.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f05ffc2
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1172.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1174.jpg b/20129-h/images/p1174.jpg
new file mode 100644
index 0000000..12a986c
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1174.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1175.jpg b/20129-h/images/p1175.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c1d949c
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1175.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1176.jpg b/20129-h/images/p1176.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4b5fa40
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1176.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1177.jpg b/20129-h/images/p1177.jpg
new file mode 100644
index 0000000..98cbcd8
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1177.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1189.jpg b/20129-h/images/p1189.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b86aafa
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1189.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1191.jpg b/20129-h/images/p1191.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e1a80e2
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1191.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1192.jpg b/20129-h/images/p1192.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3424f62
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1192.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1194.jpg b/20129-h/images/p1194.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e1cae59
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1194.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1195.jpg b/20129-h/images/p1195.jpg
new file mode 100644
index 0000000..55944e5
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1195.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1197.jpg b/20129-h/images/p1197.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4c82174
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1197.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1198.jpg b/20129-h/images/p1198.jpg
new file mode 100644
index 0000000..23174a0
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1198.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1200-1.jpg b/20129-h/images/p1200-1.jpg
new file mode 100644
index 0000000..08bca20
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1200-1.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1200-2.jpg b/20129-h/images/p1200-2.jpg
new file mode 100644
index 0000000..250a77d
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1200-2.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1204.jpg b/20129-h/images/p1204.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fadb3ad
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1204.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1205.jpg b/20129-h/images/p1205.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ebb8386
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1205.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1208.jpg b/20129-h/images/p1208.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e527540
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1208.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1211.jpg b/20129-h/images/p1211.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a58ad7c
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1211.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1213.jpg b/20129-h/images/p1213.jpg
new file mode 100644
index 0000000..735b4bd
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1213.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1217.jpg b/20129-h/images/p1217.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3f08f0f
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1217.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1223.jpg b/20129-h/images/p1223.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5731ab7
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1223.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1225.jpg b/20129-h/images/p1225.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2b3c583
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1225.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1227.jpg b/20129-h/images/p1227.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a20d806
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1227.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1233.jpg b/20129-h/images/p1233.jpg
new file mode 100644
index 0000000..16684c9
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1233.jpg
Binary files differ
diff --git a/20129-h/images/p1237.jpg b/20129-h/images/p1237.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a17a937
--- /dev/null
+++ b/20129-h/images/p1237.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..87be105
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #20129 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20129)