diff options
Diffstat (limited to '19774-8.txt')
| -rw-r--r-- | 19774-8.txt | 31131 |
1 files changed, 31131 insertions, 0 deletions
diff --git a/19774-8.txt b/19774-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ee64a1a --- /dev/null +++ b/19774-8.txt @@ -0,0 +1,31131 @@ +Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Geschiedenis der Europeesche Volken + +Author: J.G. Kohl + +Illustrator: A. Kretschmer + +Release Date: November 12, 2006 [EBook #19774] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + Geschiedenis + der + Europeesche Volken. + + + Naar het Hoogduitsch + + J. G. Kohl. + + Met gekleurde platen. + + Naar oorspronkelijke teekeningen + + A. Kretschmer. + + + 's Gravenhage--Joh. Ykema--1874. + + + + + + + + +EUROPA. + + +"Dit oude Europa verveelt mij!" moet Napoleon eens gezegd hebben. En +velen, dat werelddeel moede, hebben het hem later nagezegd. + +Napoleon uitte dat gezegde waarschijnlijk, toen hij het toppunt +zijner macht bereikt had, toen hij geheel Europa aan zijne voeten +zag en hem niets meer te wenschen over bleef. En zij, die even als +hij Europa moede waren, zeiden het, omdat zij hopeloos, in het oude +Europa niets te winnen of te verliezen hadden. + +Het is een somber gezegde, dat òf uit geblaseerdheid òf uit +vertwijfeling ontstaan is en er door ingegeven wordt. + +Noch de geschiedenis, noch eene bedaarde overweging der bestaande +verhoudingen, brengt er ons toe dit gezegde te beamen, veeleer brengen +beide ons tot de overtuiging, dat ons goed Europa noch vervelend, +noch, zoo als de Amerikanen het uitdrukken, zwak van ouderdom is. + +Op de geheele wereld is, tot op den nieuwsten tijd, geen schouwtooneel +voor hoofd en hart meer onderhoudend en ontwikkelend, dan de +beschouwing van het leven en het werken der wakkere Europeesche volken; +nergens vestigt men meer zijne hoop op de jeugd, op vooruitgang en +op nieuwe gezichtspunten, dan in ons kleine werelddeel, dat wel reeds +oud is, maar altijd zijn levenslust blijft behouden. + +Van de tijden der Atheners af, was Europa de bakermat der +beschaving. "Met het christendom", zegt Arndt, "zijn alle geniën +daar heen getrokken. Het is het hart der wereldgeschiedenis +geworden. Door de ontdekking van Columbus werd Europa het centrum van +het aard-organisme, en sedert dien tijd kan men bijna met zekerheid +zeggen, zal het, door alle tijden heen, het geestelijk en lichamelijk +centrum van onzen aardbol blijven." + +Deze zekerheid bevestigt zich bij ons, wanneer, wij het verwonderlijke +en op Aarde eenige plan, waarnaar de Schepper ons vasteland daarstelde, +nader beschouwen; wanneer wij nagaan hoe gelukkig de natuurlijke +aanleg is, die aan de Europeesche volken van den beginne af eigen +was en hun in hoofdzaak eigen gebleven is. + +Als de Grieken den God van den regen en de wolken, en zijn broeder +den "aarde-schuddenden" Poseidon, den God der zee, de hoogste macht +toekenden, en de Godin der Aarde slechts als eene ontvangende, +lijdelijke vrouw voorstelden; als hun groote dichter Pindarus een +zijner oden met de beroemde spreuk begon: "het water is zeker het +beste," toont een blik op den aardbol aan, door welk juist begrip +deze zoowel als gene daarbij geleid werden. + +Alle oude en jongere beschaafde landen der wereld waren in de nabijheid +van het water gelegen. Van China over Indië naar Perzië, Arabië, Egypte +en Europa, vormen zij een langen gordel van door de zee bespoelde +schiereilanden. Meer binnenslands, verder verwijderd van de zee, buiten +het bereik harer bevruchtende wolken en baren, afgelegen van bevaarbare +rivieren, heeft nooit de beschaving zelfstandige wortels geschoten. + +Het in tallooze stukjes land verbrokkelde en steeds barbaarsche +Australië, waar de eilanden zich met hunne kleine wilde volkstammen +in de water-woestijn verliezen, bewijst echter dat, ook met betrekking +tot het water, het goede te veel kan zijn. + +Het schijnt, dat bij het huwelijk tusschen vastland en water, beide +even als echtelieden met nagenoeg gelijke kracht tegenover elkander +moeten staan; In den omtrek van den onmetelijken oceaan, waar Gaea +als eene dwerg leeft, ziet het er even onaangenaam uit als in het +binnenste der grenzenlooze landmassa's, die niet onder het bereik +van den elektrischen drietand van Neptunus vallen. + +In geen werelddeel echter is de verhouding tusschen water en vastland +zoo gunstig en voordeelig, als in Europa. + +Aan drie zijden door zout water omspoeld, wordt het door groote +zeeboezems in verschillende krachtig ontwikkelde landen verdeeld. Het +heeft een zeer sierlijken en vasten lichaamsbouw, eene slanke, +goed geproportioneerde gestalte met duidelijk ontwikkeld hoofd, +goed gevormde borst, fraaie taille en sterk gespierde armen. + +Te recht heeft men daarom Europa met den mensch vergeleken, en haar +naam aan dien eener goddelijke jonkvrouw ontleend, als had de natuur +zelve reeds de hooge bestemming van dit gedeelte der wereld bij +voorbaat aangewezen, als had zij willen zeggen: gij zult de eerste +onder de werelddeelen, de Koningin der Aarde zijn. + +De andere vastelanden Azië, Afrika, schijnen in vergelijking met ons +Europa, niets dan breede, plompe, ongefatsoeneerde massa's, die nooit +met eene menschelijke figuur, hoogstens zooals Indische sagen het met +betrekking tot Azië deden, met de schaal van groote schildpadden of +met de bladeren der op de wereld-zee drijvende reusachtige planten, +vergeleken kunnen worden. + +De gladde, koele, zilte, landen aan elkander verbindende, wateren, +waarin Europa zich baadt, bespoelen in Frankrijk en Spanje het hoofd +en de borst der jonkvrouw, zij versterken in Engeland en Italië hare +gespierde armen. In de Zwarte zee, en meer noordwaarts in de Witte +zee, bevochtigen zij hare voeten; en even als de Godin der liefde komt +zij steeds vroolijker, gezonder en schooner uit dit bad te voorschijn. + +De stamvader Oceaan, in wiens schoot Europa ligt, heeft, hoe beweeglijk +hij ook zijn mag, toch eene zekere mate van gelijkmatigheid in zijn +karakter. Daar hij, niet zooals de hartstochtelijke vrouw Gaea, +gemakkelijk door de zon verhit wordt, en zelfs gedurende den winter +ook nog eenige warmte in zijn bloed blijft behouden, matigt hij daarom +overal waar hij verschijnt. Hij breekt de spitsen af der pijlen van den +zuidelijken zonnegod, en tevens maakt zijn zachte adem de verstijfde +leden van den noordelijken Boreas lenig. + +In Europa doet hij dit, ten gevolge van de zamenwerking van +buitengewone omstandigheden, meer dan in eenig ander gedeelte der +Aarde. + +Het gedeelte der Aarde, dat wij bewonen, keert namentlijk zijn gelaat +naar die merkwaardige oceanische strooming toe, die als heete stroom, +onder den naam golfstroom, uit de golf van Mexico te voorschijn komt +en door de kusten van Amerika teruggestooten, zich als een zacht +verwarmde stroom uit het zuid-westen tot ons keert. + +Met vochtige wolken beladen en door zachte weste-winden, de bloesem +ontwikkelende Favonius of Zephyr der ouden, begeleid, dringt deze +strooming door de zuilen van Herkules (Gibraltar) de Middellandsche +zee, die ons van den Afrikaanschen gloei-oven scheidt, binnen. Even +als zij in het zuiden verkoelend werkt, zoo werkt zij verwarmend in +het koude noorden. Zij kronkelt door de golf van Biscaia, verhoogt +de temperatuur der Britsche eilanden, voert eene menigte warmtestof +strijkelings langs de kusten van Noorwegen tot aan de Noordkaap, +en houdt, jaar in jaar uit, de zee tot aan Spitsbergen open. + +Aan dezen weldadigen golfstroom, aan wiens--tot in den laatsten tijd +miskenden--invloed, geheel Europa en zijne beschaving blootgesteld +waren en nog zijn, hebben de Skandinaviërs het te danken, dat zij +als Europeanen kunnen leven; dat zij met groote schepen hunne havens, +waarin het ijs smelt, even gemakkelijk kunnen verlaten als de Italianen +het de hunne kunnen doen; dat hunne velden, die door de dampen van +den golfstroom bevochtigd worden, bijna even groen zijn als die in +Duitschland en Nederland; dat bij hen akker- en boschbouw bloeien op +een breedtegraad, waar overal elders op Aarde--in Amerika, zoowel +als in Azië en Australië--de ijskoning zijn ruwen schepter zwaait, +of hoogstens alleen nog Eskimo's of Päschera's een allerellendigst +leven leiden. + +De afstand van de noordelijkste berken-bosschen van Noorwegen, tot aan +de zuidelijkste pijnboom-wouden van Griekenland en Italië, bedraagt +bijna 40 breedtegraden. Op den geheelen aardbol wordt, behalve in +Europa, nergens in de gematigde luchtstreek een streek gevonden, +waar op een even groot breedte-verschil zoo weinig onderscheid in +het klimaat is, als in het hierboven opgegevene. + +In Azië zoowel als in Amerika, ook in het zuidelijk gedeelte, staan de +uiteinden eener dergelijke oppervlakte tegen elkander over als leven en +dood. Bij de hoog in het noorden gelegene Tornea-rivier, vindt men een +der vruchtbaarste, bekoorlijkste en volkrijkste streken van Zweden, +waar in den zomer korenvelden afgewisseld worden door liefelijke +weidelanden, waarop het gras ongewoon digt en hoog groeit. Ja! aan +den even noordelijk gelegen Alfen-Elf groeien nog pijnboomen van 60 +voet hoogte, terwijl buiten Europa op dienzelfden breedte-cirkel, +niets anders dan mos en klein struikgewas wil groeien. In het oosten +langs de Europeesche helling van het Ural-gebergte, langs de Oka en de +Wolga, bevinden zich de schoonste en vruchtbaarste landschappen van +het Russische rijk; voortreffelijke weiden, rijke korenvelden, nu de +korenschuren van Oost-Europa, en de prachtigste eiken-bosschen wisselen +daar elkander af. Aan de oostelijke of Aziatische helling van datzelfde +Ural-gebergte verandert dat tooneel ras. Daar mist men al spoedig den +echt Europeeschen boom, den mannelijken, koninklijken eik, die bij ons +overal groeit, dien de Europeesche volken voor heilig hielden en dien +zij allen, Grieken, Celten, Germanen, zich als om strijd als hunnen +nationalen boom, als het symbool van lang voortdurende kracht verkozen. + +Misschien moeten wij in deze strooming van den oceaan, +de _allerwezentlijkste_ en afdoendste oorzaak der gesteldheid +van Europa ten opzichte der andere werelddeelen verklaren; want +misschien is ook deze stroomrichting uit het Zuid-Westen, die in +vroegere tijdperken der Aarde-ontwikkeling wellicht veel sneller +gestroomd heeft, de kracht geweest die onze kusten zoo golfrijk, ons +vastland zoo bont getooid, zoo open en toegankelijk gemaakt heeft; +die, met één woord, langzamerhand die jonkvrouwelijke gedaante +heeft te voorschijn geroepen. Men zou daarom den golfstroom een +der invloedrijkste onder de natuurkundige factoren kunnen noemen, +die het lot der Europeesche menschheid bepaald hebben. Daar hij aan +ons werelddeel de eigenschappen van een trekkas verleende, heeft men +hem ook wel den eigenlijken vader der westelijke beschaving genoemd. + +Weste- en Zuidweste winden, die deze strooming vergezellen, zijn +de heerschende in Europa. Zij voeren de dampen en nevels van den +Oceaan over het geheele vasteland heen, bevochtigen het overal, +spijzigen rijkelijk zijne bronnen en rivieren, en maken het tot +eene goed bevochtigde en bronnenrijke _regengordel_, namentlijk in +tegenstelling met dien breeden, waterloozen aardgordel, die in het +zuiden door Perzië, Arabië, en Afrika om haar heen loopt. + +Bevaarbare, vruchtbaarmakende en vroolijk stroomende rivieren, die +toonbeelden en voorbeelden eener rustelooze werkzaamheid, doordringen +als een net van levendige aderen alle deelen en onderdeelen van ons +groot Europeesch vaderland. Zelfs in het hooge noorden brengen zij de +molens en kunstraderwerken der Schotten en Skandinaviërs in beweging, +en dragen zij hunne vaartuigen het geheele jaar door, terwijl op +dezelfde poolshoogte in andere werelddeelen de rivieren met eeuwig +ijs bedekt zijn, en zich niet anders voordoen dan als toonbeelden +van traagheid en doodelijke rust. + +De regen en de rivieren maken ook nog de zuidelijkste streken van +Europa, de landen aan de Middellandsche zee vruchtbaar, terwijl in +den naastgelegen gordel, in de woestijn Sahara, met het wegloopen +en opdroogen der wateren, alle leven, ook het menschelijke leven, +versterft. + +In de regenlooze zonen is de grond van nature veel minder geschikt +tot bebouwing. Slechts door kunstmatige bevochtiging en door eene +inspanning, die nu en dan de krachten der bewoners schier te boven +ging, kon men dat verhelpen. Wanneer men dit echter naliet, dan moest +weldra, zooals dit in den nieuwen tijd geschied is, de kunstmatig +geteelde plant verwelken. + +In het steeds door den hemel bevochtigd Europa, zullen de gronden en +hun plantengroei niet zoo spoedig afgeleefd en afgestorven zijn, als +daar. Dit werelddeel bevat het element der eeuwige jeugd in zich. Het +zal zoo lang krachtig blijven, als de Oceaan, de golfstroom en de +terugkeerende passaatwinden, aan Europa verfrisschend nat zullen +toevoeren. + +Even als het heilaanbrengend nat der wolken, zoo ontvouwt zich een +vruchtbare bodem over het geheele werelddeel. De vruchtbare akkergrond +strekt zich uit tot de binnenste dalen der gebergten. + +Europa is het eenige onder de groote werelddeelen, dat geen +voor den mensch onbewoonbare woestenij bezit, waarmede Noord- +en Zuid-Amerika, Afrika en Azië zoo overvloedig bedeeld zijn. De +steppen van Rusland, die men wel eens woestijnen genoemd heeft, +hebben dien naam voornamelijk te danken aan hunne eentoonigheid. Zij, +zooals ook de moerassen van Polen, wanneer de mensch zich maar eenige +moeite geeft, zijn vruchtbaar en loonen den arbeid. En als men over +de zandvlakten van Pruissen als over eene natuurlijke woestijn sprak, +dan was dat toch eene, die met behulp van regen, vlijt en arbeid, +in eenen tuin te veranderen was. + +Een sporadisch, dat wil zeggen slechts hier en daar, door ijs, kale +rotsen of moerassen van geringe uitgebreidheid afgebroken plantendek, +bedekt het geheele, altijd groene Europa; in deze door de natuur +gevormde schilderij heeft _de kleur der hoop_ den grondtoon. + +Europa behoort tot de gematigde luchtstreek. Slechts een onbeduidend +gedeelte bij de Noordkaap behoort tot de koude luchtstreek, en van +de heete wordt zij door een fraaie zee over hare geheele lengte +gescheiden. + +Ook in dat opzicht verschillen wij van de andere werelddeelen. Al +deze behooren deels, zoo als Afrika en Zuid-Amerika met bijna hunne +geheele oppervlakte tot de aequatoriaal-landen; deels ligt, als Azië +en Noord-Amerika, hunne breede borst geheel bloot voor den invloed +der onbarmhartige noordewinden. + +Te recht heeft men ook hierin eene hoofdreden gezocht voor de welige +ontwikkeling der Europeesche natien. Waar, zooals aan de poolstreken, +de grootste vlijt, de sterkste inspanning geen of slechts een zeer +karig loon ten deel valt, daar vervalt de geest, evenals de natuur, +tot den eeuwigen winterslaap.--Waar, zooals in de tropische gewesten, +een dozijn broodboomen voldoende zijn om eene familie te voeden, +daar doodt de overvloed de geestkracht der menschen, die niets +moeielijker kunnen verdragen dan "eene reeks gelukkige dagen."--Waar +echter, zooals in onze gematigde luchtstreek, eene spaarzame en toch +niet ondankbare natuur ons ten strijde roept, en die strijd niet te +zwaar is, daar wordt de geest wakker geschud, daar bloeit de arbeid, +de moeder van ontwikkeling en vooruitgang. + +Hoe practisch, hoe opwekkend, hoe aangrijpend is niet de, onze +Europeesche zone eigene, natuurverschijning: de wisseling der +jaargetijden. In de streken, waar de liefelijke zonnegod nooit in zijn +vollen luister verschijnt, evenals daar waar hij in eentoonige pracht +eeuwig lachend straalt, kan hij ter naauwernood de menschen wakker +houden. Met ons Europeanen echter speelt hij het altijd opwekkende +spel van scheiden en weder verschijnen. + +Welk een beteekenisvol beeld van ons eigen leven, toovert deze +bekoorlijke dans der Horae ons niet voor den geest. Als de jeugdige +lente en met haar het vernieuwde licht nadert, als de vogelen +kweelen en de aarde juicht, "wien zweefden dan niet altijd weder de +droombeelden zijner jeugd voor den geest en wie gevoelde dan niet +zijne goddelijke bestemming?" En niet alleen de lente, waarin alles +tot een nieuw leven ontwaakt, of de zomer, waarin alles tot volle +rijpheid komt, ook de langzamerhand eindigende finale, de herfst, +maakt op ons gemoed een diepen indruk. + +Hoe bezielend, hoe ontwikkelend moet in het verloop der tijden het +schouwspel van eene zoo tooverachtige afwisseling gewerkt hebben op +het gemoed onzer volkeren, die altoosdurend strijd en overwinning +voor oogen hadden, die daardoor als het ware in staat gesteld werden, +in hunne woonplaats en zonder te reizen, alle luchtstreken der Aarde +te doorleven en van alle klimaten te genieten. + +Gedichten op den zomer, den herfst en de lente maken wel de helft uit +van de poëzie der Europeesche volken. Ja! als men bedenkt, hoe de +Grieken den in lentetooi terugkeerenden Apollo den beschermgod der +dichters maakten, en hoe ook in het noorden van Europa het gezang +der landskinderen in Mei, tegelijk met het lied van den leeuwerik, +op nieuw weerklinkt, dan wordt men geneigd juist in deze afwisseling +der jaargetijden de bron en de aanleiding onzer poëzie te zoeken. + +De schoonste en roerendste sagen en ideeën, niet alleen der Romeinsche +en Grieksche, maar ook der Slawische en Germaansche godenleer, hebben +betrekking op de afwisseling der jaargetijden, die alle Europeanen +tot nadenken, tot het maken van vergelijkingen en tot de kennis van +het menschelijke leven en van hen zelven bracht. + +En de bijbel zelf spreekt met lof over den invloed van de wisseling +der jaargetijden, wanneer hij zegt: "zoo lang de Aarde staat en zoo +lang er menschen op leven, zullen ook zaaien en oogsten, koude en +hitte, zomer en winter, dag en nacht blijven bestaan."--Maakt niet +zelfs de stichter van den godsdienst, die wezentlijk de Europeesche +geworden is, steeds melding van deze zaken? heeft hij niet vele der +voor ons bevattelijkste beelden en der fraaiste leeringen uit haar +geput? Het zijn allen beelden en gelijkenissen en lessen uit den +schoot der gematigde luchtstreek; van dien grilligen aardgordel, +die zijne kinderen nu eens in het vuur, dan in het water doopt, die +hunne gemoederen steeds in spanning houdt, altijd hunne neigingen, hun +verlangen of hun verdriet wakker maakt, hen nu eens met treurigheid, +dan weder met vroolijkheid en vreugde vervult, en die daarom _alleen_ +door zulke phenix-volkeren als de Europeesche bewoond wordt, die even +als de vogel Phenix steeds van voren af hun vernield nest opbouwen, +en bij wie men nooit aan eene wedergeboorte behoeft te twijfelen. + +Even als in de _uiterlijke gedaante_ van het vaste land, en zijne, +voor het onderlinge verkeer zoo _gunstige zamensmelting met de +zee_, alsmede in het klimaat, dat van geene uitersten weet, en in de +grondgesteldheid, die geene woestijnen kent, maar overal, hier meer, +daar minder, bebouwbaar is; zoo toont zich ook overal elders in de +geheele verdere natuur van Europa, in zijne oorspronkelijke produkten, +in zijne planten- en in zijne dierenwereld, eene zekere doelmatigheid, +zekere bijzonder heilzame gematigdheid. Nergens vindt men Indischen +overvloed, Aziatische pracht en tropische overdaad. Maar bijna overal +heeft men het noodige en bruikbare, of kan men het verkrijgen. + +In andere werelddeelen, b.v. in Zuid-Amerika, vindt men landen, +waar op eene vlakte-uitgebreidheid, nagenoeg zoo groot als geheel +Europa, volstrekt geen vaste steen gevonden wordt, waar straat- +en bouwsteenen even zeldzaam zijn als diamanten. In Europa steekt +het oude gebeente der Aarde overal rijkelijk boven den bodem uit, +of is in puin over zijne oppervlakte verspreid, opdat de Europeesche +volken hun verstand er aan zouden scherpen, en van de steenen, die +zij te voorschijn kunnen halen, duurzame werken zouden daarstellen. + +Van nature zijn wij arm aan paarlen, edelgesteenten, goud en +zilver. Daarentegen zijn wij rijk aan het metaal, waardoor men +zich, op de zekerste wijze, die schatten verschaffen kan. Overal +in ons werelddeel vindt men ijzer; men vindt het in de moerassen +van Finland, in de bergen van Skandinavië en Groot-Brittanje, +en in de rotsen en eilanden der landen aan de Middellandsche +zee. Uit dit metaal vervaardigden de Europeänen hunne spaden, +hunne ploegen, hunne zwaarden, hunne machineriën, waardoor zij +den wereldbol aan zich onderwierpen. Met dit haar ijzererts, dat +zij hem bijna overal aanbiedt, spreekt Europa tot hare kinderen: +"arbeidt en heerscht!" "Arbeiden is koninklijk," zoo luidde de +beroemde spreuk van een met ijzer bekleeden Europeeschen heerscher: +een echt Europeesch koningsidée, een bon mot, waarin geen Aziatische +Nebukadnezer den Macedonischen Alexander vóór was. Deze spreuk vormt +een scherp kontrast met het uit Azië afkomstige en daar algemeen +verspreide gezegde: "rusten is beter dan gaan, slapen is beter dan +waken en de dood is het beste van alles." + +Ook het karakter der dierenwereld komt overeen met de aangegevene +physionomie van het vasteland. Even als in de wijze waarop de +lichaamsbouw geregeld is, uitstekend en behendig de juiste maat +in het oog gehouden is, en men evenmin op het vasteland zulk eene +verlammende verbrokkeling als in Australië, of zulke kolossale en +onbehouwen afmetingen als in Azië en Afrika aantreft--zoo heeft ook +de dierenwereld van ons werelddeel geene soorten die, of in karakter +of in afmetingen, monsterachtig zijn. Na den zondvloed werden in ons +Europa geene olifanten, rinocerossen of andere wilde dieren meer +gevonden. De weinige leeuwen en tijgers, die Griekenland eens zou +gevoed hebben, heeft de Europeesche Herkules spoedig gewurgd. + +Noch in soort noch in aantal, zijn de door den mensch gevreesde +schepselen, bij ons zeer talrijk geweest. De wolf, de losch, de +beer zijn, nevens eenige kleinere diersoorten, de eenige die wij als +bij ons inheemsch kunnen beschouwen, terwijl in verscheidene andere +oorden der wereld, de mensch moeite heeft zich voor de verscheurende +en roofdieren te vrijwaren, en genoodzaakt is een onophoudelijken +strijd tegen hen te voeren. + +Vergiftige planten zijn zoo goed als geheel uit onze gezonde wouden +verbannen; de elders zoo talrijke vergiftige planten zijn, even als +de vergiftige slangen en andere verschrikkelijke en monsterachtige +kruipende dieren, bij ons nagenoeg geheel onbekend. + +Onze vogels evenaren die der andere luchtstreken niet in grootte en +kleurenpracht, daarentegen munten zij boven die der andere werelddeelen +uit door hun liefelijk geluid. Geen werelddeel is zoo rijk aan +zangvogels als Europa. Kweelend doortrekken de kleine gevederde +minnezangers onze bergen en bosschen en doen ons gehoor aangenaam +aan, terwijl de Flamingo's en Kakatoe's der tropische gewesten, door +de grilheid hunner kleuren het oog verblinden. Het is, als ware in +Europa de natuur zelve verstandiger, en minder op bloot materieele +praal en pronk gesteld, dan ergens anders. + +Ook in de plantenwereld gaat het bevallige boven het prachtige, +het nuttige en voor menschelijke doeleinden geschikte boven het +schitterende.--De broodgevende voedingsplanten, de opvroolijkende +wijn, vele verfrisschende en gezonde vruchtsoorten, die de Schepper +Adam in het paradijs gaf, heeft Europa gaarne aangenomen, en zij +zijn in onze trekkas, met behulp van ons gematigd klimaat, door +Europeesche kunstvlijt nog in zoo hooge mate veredeld, dat moeielijk +een verfijnde smaak de voorkeur zal geven aan de overzoete, sterk +gekruide en lekkere vruchten van het zuiden, boven het bouquet van +ons druivensap, boven de liefelijk gekleurde vruchten onzer appel-, +peeren-, pruimen- en citroenboomen. + +De bij ons van nature inheemsche bosch- en weidebloemen, spreiden +wel niet zooveel uiterlijke pracht ten toon als de sierplanten van +andere werelddeelen, die overdadig prijken met alle kleuren van den +regenboog. Onze echt Europeesche nachtviooltjes en vergeet-mij-nietjes, +onze mirre en resida, onze lavendel, onze kleine rosmarijn, +sneeuwklokjes en meibloemen verbergen zich, om zoo te zeggen. Zij +moeten ontdekt, hunne bescheidene schoonheid moet erkend, en kan +dikwijls niet dan alleen met overleg, genoten worden. Zij bezitten +niet dat bedwelmend aroma, dat aan de planten van Arabië eigen +is, en toch brengt een Europeesch viooltje of een heerlijk riekend +"hoe-langer-zoo-liever" eerder den dichter in verrukking, dan de kelk +van eene schitterende kaktus of eene sterk riekende magnolia. + +Kortom, waarheen wij onze blikken ook wenden, overal blijkt het, +dat de gulden middenweg midden door Europa loopt. De natuur heeft +Europa nergens geheel verwaarloosd, maar ook nergens den hoorn des +overvloeds verkwistend over haar uitgestrooid. En juist in deze +gematigdheid, die bij de Europeesche schepping heerscht, ligt hare +eigentlijke kracht. Een klein begin heeft de natuur overal gemaakt, +den aanleg heeft zij allerwege gegeven, den menschen de benuttiging en +de voltooiing van het werk overlatende. Het borduurraam en de stof die +geborduurd moet worden heeft zij zeer voordeelig gesteld, het borduren +zelf echter slechts voorbereid. De Europeaan moest dat werk voltooien. + +Sem, de Aziaat, was als Noach's eerstgeborene, om zoo te zeggen +door eerstgeboorterecht de erfgenaam der schepping; hij bleef op de +aangeërfde hoeve en volgde de oude overlevering der voorvaderen. Japhet +echter, de Europeaan, was de jongere zoon, die weinig erfde, die het +leven in moest en zich in de wereld zijn koningrijk moest en wist +te veroveren. + + + + + + + +ZUIDELIJKE NABUREN VAN EUROPA. + +(PHENICIËRS, ARABIEREN, MOOREN, BARBARIJERS.) + + +De lange aaneengeschakelde rij van ter bebouwing geschikte +landschappen, die tusschen de woestijn van Sahara en de Middellandsche +zee gelegen is, maakt meermalen, zoowel in physieken zin als in +betrekking tot de geschiedenis der beschaving, eene uitzondering op het +groote werelddeel Afrika, waarvan zij een gedeelte uitmaakt. Misschien +is er eens een tijd geweest, waarin zij daarvan geheel gescheiden was, +namentlijk, toen de nu opgehevene kom dier groote woestijn ook met +zeewater gevuld was. + +Zij sluit zich in vele opzichten aan de landen van zuidelijk Europa +aan, en vormde daarmede vroeger, toen de straat van Gibraltar nog niet +bestond, een samenhangend geheel. Nu ligt zij aan den oever derzelfde +zee, waaraan zuidelijk Europa gelegen is--deelt met haar een zelfde +klimaat en een zelfden plantengroei,--is met haar dan ook dikwijls aan +de zelfde veroveraars en koningrijken onderworpen geweest, en heeft +tot op onzen tijd--tot het verschijnen der Afrikaansche Turco's onder +Fransche banier in ons noorden, en tot op de vernieuwde invallen der +Spanjaarden in Marokko in 1862--met ons van krijgslieden, koloniën, +bevolking en ontwikkeling omgewisseld. + +Hieruit spruit de voor ons onderwerp al aanstonds belangrijke +vraag voort: welke volks-elementen, welke invloeden op karakter +en ontwikkeling, welke veranderingen in zeden, gewoonten en taal, +hebben de Europeanen van deze zijde ontvangen en geleden, en welke +overblijfselen en indrukken vinden wij daarvan nog ten huidigen dage +bij ons? + +De landen van Noord-Afrika behooren, even als Europa, tot de gematigde +luchtstreek, waarin zij, even als ons werelddeel, over de geheele +lengte van het Oosten naar het Westen zich uitstrekken. Zij deelen nog, +ofschoon niet in dezelfde mate, in den invloed van den zuidwest-passaat +en zijn daarom--voor het grootste gedeelte althans--even als Europa +een _regenland_. Zelfs snijdt de zuidelijke grenslijn der met de +oppervlakte der zee op dezelfde hoogte vallende sneeuw, eenige der +hoogste punten van noordelijk Afrika. Hier en daar treft men deze +verschijning aan tot aan den voet van het Atlas-gebergte en der andere +bergen van het binnenland, tot aan den rand van de, tot den altijd +regenloozen en heeten gordel behoorende, Sahara, de groote zandzee +zonder water. + +Even als het karakter van het klimaat, zoo heeft ook de plantengroei +van Noord-Afrika, veel meer overeenkomst met dien van Europa dan met +dien der binnenlanden van Afrika. Ja! dit Noord-Afrika vormt eigenlijk +met het zuidelijke Europa eene en dezelfde botanische provincie. Het +deelt met het zuidelijk gedeelte van Europa de belangrijkste blad- +en vruchtboomen, onder anderen den nuttigen olijfboom, de sappige +citroenen, oranje-appelen en andere Europeesche zuidvruchten. Ook is +het nog een wijnland, maar de zuidelijke grens van den wijnstok loopt +rakelings langs de zuidelijke grens dezer kustlanden heen.--Vooral +ook is het een zeer dankbaar bouwland, en de graansoorten, die wij +gaarne de Europeesche noemen, vinden wij ook hier in zulke gunstige +omstandigheden, dat Noord-Afrika, dat zich in het gezicht van Europa +ontplooit, in vroeger tijden een der voornaamste korenschuren van ons +werelddeel geweest is. Deelde Noord-Afrika met ons onze graansoorten, +zoo kon omgekeerd het in de tropische gewesten te huis behoorende +suikerriet, de katoenstruik en de dadel-palm naar Spanje en Sicilië +overgebracht worden, en aan den drassigen oever van eenige rivieren +van dit eiland, groeit nog heden ten dage de bij den Nijl te huis +behoorende papyrus-plant. + +Even als met den plantengroei, zoo is het in zekere mate ook met +de dierenwereld gesteld, ofschoon, met betrekking tot deze, beide +werelddeelen meer van elkander onderscheiden zijn. Verscheidene +dieren en diersoorten bewonen zoowel de noordkust van Afrika, als de +zuidelijke gedeelten van Europa. Zoo, om slechts eenige voorbeelden +te kiezen, vindt men èn hier èn daar, het damhert, het konijn, den +kraanvogel, verscheidene roofvogels en nog talrijker kruipende dieren, +insekten, kapellen. En daarbij moet wel opgemerkt worden, dat deze +zuidwaarts, de zuidelijke grens dezer aan de Middelandsche zee gelegene +Afrikaansche kustlanden niet overschrijden of overvliegen.--Dat wij +Europeanen jaarlijks vele vroolijk kweelende zwermen zangvogels, en +ook de bij ons zoo inheemsche ooievaars, met Noord-Afrika verruilen, +is van algemeene bekendheid, even als dat eene kolonie Afrikaansche +apen, naar de rotsen van Gibraltar verhuisd is, alsmede dat--in oude +tijden ten minste--de Afrikaansche leeuw ook in Europa zijn gebrul +deed hooren, tot de knods van Herkules hem in Griekenland nedervelde. + +Met het oog op al deze omstandigheden, hebben dan ook vele oude +Grieksche aardbeschrijvers er geen steen of been in gevonden, het +Noordelijk Afrika onder den naam "Libyë" nog tot Europa te rekenen, +en het geheel van het overige Afrika, dat zij bij voorkeur "Ethiopië" +(het land der Zwarten) noemden, af te scheiden. + +De oorspronkelijke bewoners van Afrika, de zwarte kinderen van +Cham, de door de zon aan huid en hersenen verzengde negerstammen +hebben, ofschoon zij over eene groote uitgestrektheid even dichte +naburen van ons werelddeel zijn als de Mongoolsche nomaden-stammen +van Azië, het nooit in hun hoofd gekregen Europa te beoorlogen, +te verwoesten, of er zich met der woon heen te begeven. Diep +verzonken in eene van eeuwen her dagteekenende barbaarschheid, +zijn deze ontelbare volkeren, die niet de minste énergie bezitten, +voor de overige menschheid van niet den minsten dienst geweest, +zij hebben voor haar niets uitgedacht of uitgevonden. Even als de +baren van eene groote, sombere binnenzee, bewogen zich bij hen, +van het begin der wereld af, de volkeren heen-en-weer. Iedere baar, +hoe hoog zij ook mogt stijgen, viel weder binnen de grenzen dezer +zee terug, en nergens stroomde zij vol ondernemingsgeest over.--De +wolharige negers hebben geene geschiedenis. Wij nemen bij hen niets +waar, dan tallooze eentoonige veranderingen en altijd op dezelfde +wijze herhaalde wilde omwentelingen; nergens een vroolijken wasdom, +nergens eenige grootsche ontwikkeling, nergens eenigen belangrijken +vooruitgang. Zij zijn voor ons werelddeel nooit gevaarlijk, maar +ook nimmer nuttig geweest. Ja! zij hebben, voor zoover het oog der +geschiedenis reikt, nooit op de door ons bedoelde noordelijke grens van +hun eigen werelddeel vasten voet gehad. Ook daar verschijnen zij (even +als nu en dan in Europa) niet dan begeleid door krachtiger rassen, +en door dezen behandeld als slaven. Wij mogen deze neger-volken, bij +eene schildering der volken van Europa, geheel en al ter zijde laten. + +Noord-Afrika heeft van oudsher zijne heeren en zijne landbouwers deels +uit Europa, deels uit de omstreken van Hasch, dat is het land der +Zon (Morgenland)--Azië--gekregen, voornamentlijk en het meest uit de +laatste streken, vooral in de vroegste tijden, toen alle verbreiding +van het menschengeslacht en der beschaving, van daar uit het Oosten +naar het Westen gericht was.--Beschouwen wij daarom het allereerst +de verhouding van Noord-Afrika tot Azië. + +Beide zijn door eene hoogst merkwaardige brug, de landengte van Suez +en hare voortzetting in Syrië, aan elkander verbonden. Zij zijn ook +over de geheele uitgebreidheid der smalle kloof van de Roode Zee, +die gemakkelijk bevaarbaar is en vroeger--zoo luidt de bijbelsche +sage--door een geheel volk doorwaad werd, slechts zwak van elkander +gescheiden. Afrikaansche en Aziatische eigenaardigheden vermengen +en verbroederen zich hier. Door Arabië, eene oostelijke voortzetting +der Sahara, en door Perzië en Beludchistan, dringt deze verbroedering +door tot aan Voor-Indië.--Oude schrijvers hebben daarom ook dikwijls +gevraagd, of men niet een deel van Noord-Afrika, namentlijk Egypte +en het geheele Nyl-dal, nog tot Azië rekenen moest; anderen hebben +weder het omgekeerde gedaan en gedeelten van Azië, met name Arabië, +tot Afrika gerekend. En wij, onzerzijds, mogen hier ook deze streken +mede in den kring dien wij zullen nagaan, trekken, en wanneer wij +over de Noord-kust van Afrika spreken, dit ook tot Syrië, Phenicië, +Arabië en hunne naburige landen uitstrekken. + +De geloofwaardige geschiedenis leert ons, dat noordelijk Afrika +herhaalde malen van daar overstroomd en gekoloniseerd geworden is, en +het is hoogst waarschijnlijk, dat alles wat de Noord-kust van Afrika, +wat bevolking betreft, aan ons Europa gegeven heeft, oorspronkelijk +uit Arabië en andere naburige Aziatische streken gekomen is, en dat de +Noord-Afrikaansche landstreken daarbij slechts de rol van bemiddelaar, +van een land dat doorgetrokken wordt, of van een brug voor de volken +gespeeld heeft. + +Dit nu schijnt zeer goed te passen op het Oostelijk Afrikaansche +kustland, waarop ons oog het eerst valt; op den oudsten weg der +westersche beschaving, op het raadselachtig land van sphinxen +en eeuwenoude ruïnes, uit wier overblijfselen van tempels en +grafplaatsen, vijfduizend jaren tot ons spreken. De gelijkvormigheid +der gebouwen die de oude Egyptenaars optrokken, met die der nog oudere +bewoners van Hindostan, hunne priesterheerschappij en verdeeling in +kasten, hunne volks- en staatsregeling, alsmede andere kenmerkende +eigenaardigheden, schijnen het meer dan bloot waarschijnlijk te maken, +dat zij als kolonisten uit het Aziatische Oosten beschouwd moeten +worden. Vermoedelijk kwamen deze kolonisten het allereerst met schepen +aan de zuidkust van Arabië, in het zoogenaamde "gelukkig-Arabië," +aan, en gingen zij vervolgens door de straat van Bab-el-Mandeb, +(_poort des doods_), die, met het oog op de invoering der Oostelijke +ontwikkeling liever "poort des levens" moest gedoopt zijn, naar de +naastbijgelegene gedeelten van het middelste Nyl-dal. + +Van deze middelste landstreken, waarheen ons ook de oudste Egyptische +overleveringen als het beginpunt hunner beschaving wijzen, richtten +zich hunne koloniën en hunne rijken noordwaarts, langs de boorden van +den geheelen Nyl tot aan de Middellandsche zee, waar in de vruchtbare +delta de Egyptische palmboom zijn kroon ontvouwde, en vervolgens +weder zuidwaarts tot diep in Abessynië en Ethiopië. + +In het Nyldal ingesloten, aan de kanalen der rivier wonende, +bloeide de Egyptische beschaving--eene afgeslotene wereld op zich +zelve--onbepaalde tijden lang. Eindelijk werden eenige harer zaadjes +en stekjes over de Middellandsche Zee naar Europa gevoerd, waar zij op +een hoogst vruchtbaren, namentlijk op Griekschen bodem vielen.---Een +Egyptenaar (Cekrops) stichtte Athene; een Egyptenaar (Danaüs) bouwde +het koningsslot van Argos; Minos, de wetgever van Creta, had wellicht +meer dan de overeenkomst van naam gemeen, met den ouden Egyptischen +staten-regelaar Menes. Ja! een Egyptisch Koning, Sesostris, zou, +oorlogvoerend en veroverend, eens het geheele Grieksche schiereiland +tot aan den Donau en tot in het land der Skythen, doorgetrokken zijn. + +Door Griekenland,--wiens oude kunst, zoolang zij nog niet op eigen +wieken gedreven had, blijkbaar hare wieg in Egypte gevonden heeft; +wiens denkende mannen zich tot de Egyptenaren begaven, om daar aan de +oude bronnen wijsheid op te doen--Plato onder anderen, die even als +Herodotus, Solon en Pythagoras, Egypte bezocht en daar studeerde, kende +den Egyptenaren zonder voorbehoud den eersten rang toe, noemde hen de +uitvinders der rekenkunst, der meet- en sterrekunde; volgens Diodorus +stamt de geheele godsdienst der Grieken, hunne goden en helden-sagen +uit Afrika van de Egyptenaars af; alleen stelden de Grieken alles +wat in Egypte geschied was voor, alsof het in Griekenland gebeurd +was--door deze Grieken, zeg ik, die aanvankelijk door de Egyptenaren +voor kinderen, voor piepjonge volken en onontwikkelde barbaren +uitgescholden werden, werd de ontvangen beschaving vervolgens aan het +overig Europa verder medegedeeld; en zoo komt het, dat wij nieuwere +Europeanen--wier hedendaagsche tijdrekening van Egyptischen oorsprong +is--nog heden ten dage eenigzins den Egyptischen stempel dragen, +en dat onze gedachten zich langs banen bewegen, wier oorsprong aan +den Nyl gezocht moet worden. + +Alexander de Groote en na hem de Romeinen braken later den boezem +van het oude Egypte, dat zijne ontwikkeling als in een gesloten +oesterschelp verborg, open, en lieten haar met die van Europa +zamensmelten. Egyptische priesters bouwden hunne tempels in Italië; +Europeesche (Grieksche en Romeinsche) wijsgeeren richtten hunne +scholen aan den Nijl op, terwijl hunne handelaren en krijgslieden +tot in het hart van Ethiopië doordrongen. Door de Bijzantijnsche +Keizers en later door de Turksche Padichas, die nog later Egypte en +geheel Noord-Afrika, zooals vroeger Alexander en Rome gedaan hadden, +veroverden, zijn weder de bewoners der Nijlstreken, even als ten +tijde van Sesostris, tot aan de oevers van den Donau gevoerd geworden, +en bij die rivier kan men onder de Halve-Maan, nog heden ten dage de +gezichten der bruine Egyptenaren en donkere Ethiopiërs, tegenover de +Duitsche troepen zien staan. + +Met den invloed welken de Egyptenaren op Europa gehad hebben, staan, +zoowel wat betreft den tijd waarin als de wijze waarop, die van +een ander volk, de zoogenaamde "purper-menschen" (Pheniciërs), de +bewoners van de Syrische kust, op dezelfde lijn. Die Syrische kust, +tegelijkertijd een oostelijk aanhangsel en een zijvleugel van Egypte en +Afrika, maakt een der belangrijkste deelen uit der door ons beschouwde +zuidelijke kusten van de Middellandsche zee. De zeevaartkundige en +handeldrijvende kinderen van Syrië, scholieren van het oude wijze +Babylonië, hebben reeds vroeg de Middellandsche zee doorkliefd, en +zoowel aan de Afrikaansche als aan de Europeesche kusten, beschaving +en koloniën door het geheele groote waterbekken verbreid, dat ook +nu nog bij de Oostersche volken hun naam draagt, en de Syrische zee +(Bahr el Scham, het water van Scham) genoemd wordt. + +Reeds 1500 jaren vóór Christus kwamen Phenicische zeelieden, +kolonisten, handelaars, planters en veroveraars naar Griekenland. Hun +aanvoerder (Kadmus) bouwde Thebe in Boeotie en bracht het Phenicische +letterschrift naar Griekenland. Hiervan zijn alle andere Europeesche +alphabets afgeleid. Ook brachten de Pheniciërs, wat minstens van +evenveel gewicht is, het allereerst het gebruik van ijzer en van +ijzeren gereedschappen naar Europa over.--Kreta, Rhodus, Cyprus, +ja bijna alle eilanden van den eerst later "Griekschen Archipel" +werden door hen bezet. Zij drongen nog veel verder naar het Westen +door, en bouwden in den omtrek van het tegenwoordige Tunis hun +wereldberoemde "_Kart Chadata_" (Nieuwstad), dat door de Romeinen +"Carthago" genoemd werd. Met de overwinnende vlooten en legerscharen +der Pheniciërs en hunne machtige moederstad, drong de Semitische +volksstam, en met hem ook andere hun onderworpene bewoners van +Afrika, Spanje binnen. Zij overstroomden en veroverden bijna het +geheele Pyreneesche schiereiland, bebouwden en exploiteerden het; +evenzoo handelden zij met de Europeesche eilanden, Sicilië, Sardinië +en Corsica, waar zij verscheidene steden stichtten. + +Hunne tochten ter zee strekten zij zelfs uit tot ver voorbij de zuilen +van Herkules noordelijk tot aan Groot-Brittanje, waar hun naam den +bewoners zoo diep ingeprent is, dat nog heden ten dage vele Ieren +in den waan verkeeren dat hun volk rechtstreeks van de Puniers of +Pheniciërs afstamt. Punische en Afrikaansche volken doortrokken onder +Hannibal zelfs het zuidelijk Frankrijk en Spanje, even als wij weder +in onze dagen onder de vanen van Napoleon, uit diezelfde streken, in +diezelfde landen, Afrikaansche krijgslieden, even woest als de soldaten +van Hannibal, met de Franschen naar den Rijn zagen marcheeren.--Dat +op deze en andere wijze, door tusschenkomst der Pheniciërs en hunne +kolonisten, de Europeesche en Noord-Afrikaansche bevolkingen zich +meermalen vermengden, is onder anderen ook daaraan merkbaar, dat zij +een slavenhandel op groote schaal door de geheele Middellandsche zee +georganiseerd hadden, en daarbij, zooals beweerd wordt, de in Europa +geroofde slaven gewoonlijk in Afrika, de Afrikaansche daarentegen in +Europa verkochten. Dat de Pheniciërs in Europa spoorloos verdwenen, +dat zij bij ons geheel dood en uitgestorven zouden zijn, is niet aan +te nemen; bijvoorbeeld reeds daarom niet, dat de, wel is waar vrij +wat veranderde, letters: letters van den schrijfmeester van Europa, +zich thans nog onder onze hand en pen vernieuwen. Zien niet nog, +om zoo te zeggen, de schimmen der uitvinders van het glas door onze +vensterramen onze huizen binnen? + +Van de Egyptenaren en Pheniciërs stap ik nu over naar de westelijk +gelegene landen en volken aan de zuidzijde der Middellandsche zee. + +De geschiedboeken van Egypte deelen ons verscheidene invallen mede der +oude landsvijanden uit het oosten, de herdersvolken, die zij "Hijksos" +noemen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid de voorvaderen onzer +Arabieren. Zij overstroomden Egypte en een groot deel van Afrika's +noordkust, volgens mededeelingen onder anderen reeds 2000 jaren voor +de geboorte van Christus. De Perzen en Meden, en met hen ook weder +Arabische nomaden-stammen, rukten onder Cambyses het land binnen, +en onderwierpen Egypte en andere gedeelten der noordkust van Afrika. + +Wij zien in latere tijden een dergelijken inval uit diezelfde +landstreken gebeuren, waarmede wij beter bekend zijn. Meer andere +invallen kunnen vóór de Mohamedaansche Arabieren en vóór Cambyses, +en ook vóór de zoogenaamde "Hyksos", plaats gevonden hebben; de +geschiedenis en ook zelfs de sage zwijgt daarover. + +Zoolang wij de volken kennen, die Noord-Afrika, westelijk van Egypte, +en die de Europeanen Nasamonen, Getulers, Numidiërs, Barbarijers, +Mauritaniërs of Mooren noemden en noemen; zoolang zien wij in hen een +ras, dat van de zuidelijke Afrikanen, de negers, geheel verschilt in +lichaamsbouw, kleur, haar, in verstandelijke ontwikkeling, in taal +en in gewoonten. Zij hebben in dat alles veel minder overeenkomst +met de zwarten, dan met de Arabieren en de andere volken van +Zuid-Westelijk Azië, die, zooals gezegd is, vermoedelijk reeds in +de allervroegste tijden hunne beweging naar dit gedeelte der Aarde +begonnen hebben.--Reeds de oude Grieken beweerden dezen oorsprong +der inboorlingen van Noord-Afrika uit Azië. Herkules, die onvermoeide +wandelaar, de halfgod aan wien zij alle groote dingen toeschrijven, +heeft Aziaten uit Indië, over Arabië naar Afrika gevoerd. Ook de Romein +Sallustius, die langen tijd proconsul in westelijk Afrika was, en de +geschiedkundige boeken van Hiempsal, een ouden Koning der Numidiërs, +liet vertalen, was van meening, dat de Mooren en Numidiërs afstamden +van Armeniërs, Perzen, Meden en Arabieren, die zich met der woon hier +gevestigd hadden. + +De naam "Mauritaniers" of "Mooren," waarmede de Romeinen, en na hen de +Spanjaarden en Portugeezen, alle Noord-Afrikanen, zonder onderscheid +van ras, gewoon waren aan te duiden, zou van Aziatischen oorsprong +zijn; zelfs de oude naam van het geheele vasteland "Afrika", alsmede +de reeds door de Grieken opgegevene inheemsche benamingen van het +groote Afrikaansche gebergte, "Atlas", laten zich uit het Arabisch +afleiden. Zekerlijk zijn deze Aziaten, die in de allervroegste tijden +Afrika binnentrokken, even als de vroegste Aziatische bewoners +van Europa, in zeer van elkander verschillende stammen en volken +omgezet. Wij mogen in hen wellicht de, met en door elkander vermengde, +overblijfselen van verschillende kolonie-stichtingen uit Azië, te +herkennen hebben. + +De laatste en ook voor ons, tegenwoordige Europeanen, belangrijke +inval van Aziatische volkstammen in Noord-Afrika, was die der door +Mohamed in beweging gestelde en tot den Islam bekeerde Arabieren. Zij +verspreidden zich tijdens het einde der 7de eeuw, langs de geheele +kust, over het geheele land, dat zij hun Westland ("Magreb", waarvan +Marocco eene afleiding is) noemden. Hunne heerschappij strekte zich uit +tot aan den Oceaan, tot aan de Straat van Gibraltar, van waar zij naar +het naburige Spanje overstaken en in dat land een inval deden. Dit was +eene gelijksoortige beweging, als die welke vroeger door de "Hijksos" +en de voorvaderen der oude Libyërs en Barbarijers bewerkstelligd was. + +De Arabieren, en in hun gevolg de Mooren en andere Afrikaansche, +hun van oudsher verwante, volkeren veroverden, even als eens hunne +voorgangers, de Pheniciërs en Karthagers, het gedaan hadden, bijna +het geheele Pyreneesche schiereiland. Tijdens den hoogsten bloei en de +uitbreiding van hun Kalifaat, bezaten zij ook weder al de voornaamste +eilanden der Middellandsche zee: Cyprus, Kreta, Sicilië, Sardinië, +Corsica en de Balearische eilanden, van welke de Grieken beweerd +hadden, dat zij reeds in de oudste tijden, inwoners uit Afrika zouden +ontvangen hebben, en die ook, zooals reeds gezegd is, vroeger door +de Pheniciërs en Karthagers vermeesterd waren geworden. Over deze +Europeesche eilanden is dus, even als over Spanje, menige stortvloed +van volken uit Noord-Afrika heengegaan. + +Zeer merkwaardig is het, dat de Mohamedaansche Arabieren en Mooren, +ten tijde hunner grootste uitbreiding, vrij wel een even groot deel +van Europa onder hunne macht hadden, als de Pheniciërs en Karthagers +ten tijde hunner grootste macht. Beiden kregen geen vasten voet aan +deze zijde der Pyreneën; beiden werden in Gallië en in Italië door de +Europeanen geslagen, de Puniërs door de Romeinen onder de Scipio's, +de Arabieren door de Germaansche Franken onder Karel Martell. Bij +beide gelegenheden scheen Europa in gevaar, door Afrika overmeesterd +en geafrikaniseerd te worden. + +De invloed, die deze Afrikaansch-Aziatische inval, onder de zonen +van Mohamed, op de moderne Europeesche volken gehad heeft, was van +veel meer belang dan ooit vroeger eene volksbeweging uit diezelfde +streken, en dat wel reeds daardoor, dat zij in een veel lateren +tijd plaats grepen, en ook door den langeren duur der Arabische +heerschappij. Ook kan men den loop van dien invloed, aangaande +welken wij beter onderricht zijn, duidelijker nagaan. De levendige +en hartstochtelijke Arabieren begonnen, nadat zij naar alle vier de +windstreken de schoonste en rijkste landen in wilden haast waren +doorgetrokken, "nadat zij meer vijanden verslagen hadden dan zij +tellen, meer land onder hun juk gebracht hadden dan zij beschrijven +konden", toen zij meer rust hadden, de kunsten en wetenschappen te +beoefenen. Zij maakten zich meester van de door de Grieken en Romeinen +opgegaarde schatten van kennis, verzamelden de geschriften hunner +geleerden, vertaalden die in het Arabisch, bouwden op dezen grond +verder door, en toonden daarbij meer talent en vlugheid dan de langzame +Indo-Germaansche volksstammen, die eerst veel later doordrongen in den +klassieken geest en de wetenschap der oudheid. De Arabieren voerden, +terwijl zij de fakkel der geleerdheid, die bij de overige volken nog +bitter weinig licht verspreidde, tot zich trokken, de eerste ver om +zich heen grijpende _renaissance_ of wedergeboorte der wetenschappen +aan. Zij hadden het merkwaardige en grootsche spreekwoord: "de menschen +zijn òf geleerd òf zij zijn leerlustig. Alle andere menschen zijn +nietige muggen." Tot in Tartarije en de Mongoolsche landen, ja zelfs +tot in het afgeslotene China, werden door hen de edelste schatten +van kennis, en de fraaiste denkbeelden van den menschelijken geest +overgebracht. En evenzoo ontgloeide hun voorbeeld de Europeanen, +onder wie zij in Spanje, in Sicilië en elders, ver om zich heen +lichtverspreidende scholen, waarin zoo wel de goede smaak als het +verstand ontwikkeld werd, stichtten. + +Deze Arabische akademiën, waarin zij aan de Musen een nieuw tehuis +bereidden, b.v. die van Cordova, Sevilla en Grenada in Spanje, de +scholen van Salerno in Italië, die door Arabische geleerden, die alle +doode en levende talen der wereld lezen en schrijven konden, op het +toppunt van glans en aanzien gebracht werden, werden in de elfde en +twaalfde eeuw bezocht, niet alleen door Mohamedanen uit alle deelen +van Afrika, zelfs uit het binnenste gedeelte van Fez en Marocco, +maar ook door Christenen uit alle oorden van Europa, zelfs door +mannen die bestemd waren eens de driedubbele kroon van het Pausdom te +dragen, op gelijke wijze als later het Italiaansche Bologna en daarna +Parijs en de Duitsche universiteiten. Zij, die, door de Arabieren +goed onderwezen en met rijke kundigheden en geestesgaven toegerust, +terugkeerden, werden door de onwetende Europeanen Magiërs genoemd +en door hen dikwijls als heksenmeesters vervolgd. In het begin der +14de eeuw richtte men in verscheidene Europeesche steden, in Parijs, +Bologna, Oxford en Rome leerstoelen voor de Oostersche talen op, +ter ontginning der mijnen van Arabische beschaving. + +De grootste verdienste verwierven zich de Arabieren in de wiskunde, +de natuurwetenschappen en de artsenijkunde, met betrekking tot welke +vakken zij in nog hoogere mate de onderwijzers van Europa geworden +zijn, dan de Grieken en Romeinen het geweest waren. De _algebra_ en +de _chemie_ noemen wij nog heden ten dage met Arabische namen. In de +astronomie, eene wetenschap die hare wieg heeft onder den helderen +hemel, in de onbewolkte schitterende atmospheer van Noord-Afrika, +Egypte en Arabië, gebruiken wij nog dagelijks de Arabische woorden: +"Nadir," "Zenith," "Azimuth," "Almanak" enz. + +De rekenkunst hebben wij nagenoeg geheel alleen aan de Arabieren te +danken, en zoo ook de, misschien in Indië uitgevondene teekens der +getallen, die zooveel doelmatiger waren dan die, welke bij de oude +Romeinen en Grieken in gebruik waren. Ook de benaming "cijfer" is +van Arabischen oorsprong; even als de teekens zelve aan de gestalte +van den kameel hunnen oorsprong zouden te danken hebben. Ook in de +chemie zijn verscheidene dagelijks gebruikt wordende uitdrukkingen +van Arabischen oorsprong, zooals de woorden: "Alkohol," "Alkali," +"Elixer" en vele andere. + +In de uitoefening van vele kunsten echter waren aan de Arabieren, +door de voorschriften van Mohamed de handen gebonden, zooals +b.v. in de schilder- en beeldhouwkunst, daar het hun verboden was, +het menschelijk gelaat en het omhulsel van den menschelijken geest, +tot voorbeeld te kiezen. Toch leverden zij ook daar, waar zij zich +op dit gebied vrij ontwikkelen konden, zooals b.v. in de bouwkunst, +veel schoons en groots. + +In de door hen en naar hunne ideën gebouwde tempels, in Azië (b.v. de +groote moskee te Damascus)--in Afrika (b.v. de prachtige moskee van +Kairwan) en in Europa (b.v. de beroemde moskee van Cordova) voegden zij +aan de zeven wonderen der wereld nog geheel nieuwe toe. Door Spanje +werkten hunne door ieder bewonderde bouwmeesters, ook op het overige +Europa in, en veel van wat wij den Gothischen stijl en smaak noemen, +is eigentlijk niets dan een ideé en eene uitvinding der Arabieren. + +De taal der Arabieren werd, en zulks kon bij al hun streven naar +ontwikkeling moeielijk anders, voor alle takken van menschelijke +wetenschap en kennis, meer beschaafd en verfijnd dan eenige +andere van dien tijd. Alleen aan de muziek, die noch door hunne +godsdienstplechtigheden, noch door hunnen nationalen aanleg in +de hand gewerkt werd, schijnen zij weinig gedaan te hebben. "Van +oudsher waren de Arabieren meer redenaars en dichters, dan zangers, +musici en kunstenaars. Voor rhytmus en melodie in de taal hadden de +Arabieren, wier volks-poezie zeer oorspronkelijk en eeuwen oud was, +en die het eigendommelijk kenmerk van hun vurig en phantastisch +nationaal-karakter droeg, steeds het fijnste gevoel, en daarvoor +maakten zij dan ook het nog ruwe oor der Europeanen het eerst weder +toegankelijk." De Provençaalsche dichtkunst werd, toen het eerste +morgenrood van Nieuw-Europeesche poezie en literatuur in de 12de en +13de eeuw weder gloorde, aan de Europeesche naburen der Arabieren, door +deze hunne vijanden tegelijkertijd opgedrongen en opgezongen. Even als +deze ontleenden ook de Katalonische en Siciliaansche dichterscholen, +de bronnen der Spaansche en Italiaansche poëzie, hun vuur aan de +punten van aanraking der christelijke met de Arabische wereld. En +zoowel in deze "_gaya siencia_" (de vroolijke kunst), als in hunnen +bouwstijl, in de mathesis, geneeskunde en chemie werden de Arabieren +ook in velerlei andere vakken tot voorbeeld genomen. + +Zij brachten niet alleen de fraaiste paarden-rassen naar Europa--zij +waren niet alleen zelven de uitstekendste ruiters en ridders--zij, +die, stoute heldendaden verrichtende, overal in de wereld naar +avonturen zochten, bevorderden ook dikwijls bij de Europeanen dien +zelfden lust naar avonturen, die zelfde ridderlijkheid, dien zelfden +trek naar groote daden. Bij hen ontwikkelde zich (ten deele althans) +dat, wat wij echter even goed de "Arabische geest" zouden kunnen +noemen. De instellingen onzer Europeesche ridderschap waren meerendeels +navolgingen, van hetgeen reeds lang bij de Arabieren gebruikelijk +was geweest. En wanneer ook al onze ridderschap in hoofdzaak een +Germaansch-Romanische instelling moge geweest zijn, zoo geraakte +deze toch eerst tot volkomenheid, toen Noordsche manhaftigheid de +gloeiende geestdrift met den glans en de hoffelijkheid der Oostersche +verfijning, overgenomen had. De oorlogen die de Europeanen gedurende +hunne kruistochten, in het Zuiden en in het Oosten met de Arabieren +voerden, dwongen hen onwillekeurig, veel van de militaire gebruiken +en de krijgskunst der Arabieren over te nemen. Onze christelijke +ridderorden zijn het eerst aan den rand der breede grenslinie van den +strijd met de Saracenen, in Spanje, in Egypte of in het Heilige Land, +ontstaan. De Tempelridders kwamen er rond voor uit, dat zij hunne +orde-voorschriften aan de Muzelmannen ontleend hadden. Ook de wapenleer +(heraldiek) is door de Arabieren en Mooren tot ons gekomen, en onder +anderen is, volgens de onderzoekingen van den Vicomte de Beaumont, +de beroemde lelie in het wapen van Frankrijk van Oosterschen oorsprong. + +Vooral niet minder merkwaardig en van niet minder ingrijpenden aard, +was de van de Arabieren uitgaande inwerking op den Europeeschen +handel en op industrie. Arabische zeevaarders, kooplieden en hunne +vlooten zeilden en verkeerden in de 9de en 10de eeuw door al de +drie deelen der Aarde, aan de eene zijde in den Atlantische Oceaan +en aan de andere zijde tot naar Oost-Indië en China. Zij brachten +de uiteinden der wereld tot elkander, en dreven ruilhandel met de +verst verwijderde volken. Zij waren de aanvoerders der karavanen in +het binnenland van Afrika, zij begeleidden ook de karavanen tot in het +hart van Azië. De handelstakken van bijna alle andere volken der Aarde, +met name ook de Europeesche, waren eveneens niets dan vertakkingen +van den grooten Arabischen wereldhandel, waarvan de Genueesche en +Venetiaansche handel eveneens afstammen. Ook het handelsverkeer +door Rusland langs de Wolga tot aan het oude Nowgorod en het in de +nabuurschap der Samojeden bloeiende "Biarmie" was een tak van dien +machtigen stroom, en daar aan het strand der IJszee en der Oostzee, +worden nog heden Arabische munten gevonden. + +Zooals eens die munten, zoo zijn ook nu nog bij de door ons, en +bij alle Europeanen zonder uitzondering, aangenomene termen, vele +uitdrukkingen in zwang, toepasselijk op handel en zeevaart, die van de +Arabieren afkomstig, en door bemiddeling der Italianen en Spanjaarden +aan onze taal toegevoerd zijn: "admiraliteit", "arsenaal", "tarief", +"magazijn", "karavaan", "bazar", zijn enkele der hiertoe behoorende +woorden, zoo ook de namen der beroemde winden: "monsum", "sirocco", +"samum", waarmede de Arabische schepen zeilden. Ook velen der wijd +en zijd verbreide waren en produkten, hebben door alle tijden heen +Arabische benamingen gehouden, zooals de suiker (_alzucar_), die de +Arabieren ons het eerst leerden kristalliseeren; de koffij (_kawe_), +die zij sedert onheugelijke tijden in Gelukkig Arabië verbouwden; +de kamfer en het lak, dat hunne kooplieden uit Indië aanvoerden; +zoo ook de "safraan", de "artisjok", de "jasmijn", de "tamarinde", de +"boomwol", (_katoen_, _al guoton_) en de daarvan vervaardigde stoffen +"mousselin", en "calico". Even zoo zijn de "gazelle", de "giraffe", +de "civet-kat" en nog eenige andere dieren, in de Europeesche +woordenboeken met Arabische namen aangeduid. + +Ook in verschillende takken van nijverheid zijn de Arabieren +voorbeelden en onderwijzers der Europeanen geworden. Zoo waren +zij b.v. gedurende een gedeelte der midden-eeuwen de voornaamste +en bekwaamste bewerkers der zijde. De Arabische zijde-weefsels +uit Almeria in Spanje, waartoe Marocco de grondstof leverde, +waren beroemd. Het is bekend, dat reeds de ouden hunne kostbaarste +purperkleurige kleedingstukken uit Phenicië kregen, en zoo was het +ook weder in de midden-eeuwen. Gouden treswerk en boordsels, fraai +gekleurde tapijten, gouden en zilveren draadwerk, kostbare weefsels, +waarin sierlijke patronen met gouddraad waren ingeweven, kwamen +nagenoeg alleen van de zoogenaamde "Saraceenen" (Oosterlingen), +d.i. Arabieren en hunne naburen. De Noormansche Koningen in +Beneden-Italië en hunne Hohenstaufsche opvolgers, hadden groote en +wereldberoemde katoen- en zijdefabrieken in Palermo. De teekenaars +en de werklieden in deze fabrieken waren Saracenen. De Oostersche +smaak in de versieringen, en de ingeweefde Arabische spreuken geven +dit genoegzaam te kennen. Deze fabrieken leverden de prachtgewaden +voor de Koningen en Grooten van Europa. Van hen is onder anderen ook +een deel der kroonings-ornamenten der Duitsche Keizers afkomstig. De +Arabische inrichtingen in Palermo werden de leerscholen voor de +zijde- en tapijtweverijen in Opper-Italië. En van hieruit kwamen deze +oorspronkelijk Arabische kunsten in de vijftiende eeuw naar Nederland, +waar zij verder tot bloei en volmaking kwamen. + +Ook met de kunst, reukwerken te vervaardigen, met het distelleeren +van wijn, hebben de Arabieren ons Europeanen bekend gemaakt, en het +is overbekend dat het eerste mechanische uurwerk, dat noordelijk +van de Middellandsche zee gezien werd, uit Arabië afkomstig was; +zooals vermoedelijk ook de eerste invoering van het buskruit en van +het kompas, deze in de geschiedenis der beschaving zoo buitengewoon +belangrijke uitvindingen, aan de Arabieren moeten toegeschreven +worden. Uit dit alles ziet men dus, dat even als de toenmalige dichters +van Europa, Arabische vertellingen en riddergeschiedenissen in hunne +romans inweefden, evenzoo onze kunstenaars en werklieden in hunne +voortbrengselen, Arabische phantasiën tot thema namen; dat even als +in de verzen der Provençalen en Troubadours, Arabische beeldspraak +weerklonk, zoo ook onze Keizers en Koningen Arabische borduursels en +sieraden op schouders, borst en gordel droegen, en dat even als de +ridders en krijgslieden, zoo ook de geleerden en wijzen van Europa, +meermalen de zeden en wetten overnamen van de uit Afrika overgekomene +veroveraars. + +De Europeanen hebben zich echter bij deze door alle tijden +terugkeerende zamensmelting der beide, in het zuiden naburige +vastelanden, niet altijd alleen passief gedragen. Zij hebben +de Puniërs, de Egyptenaren, de Saraceenen niet alleen bij zich +afgewacht. Ten allen tijde zijn zij zelven op verscheidene punten +hun uitgestrekt vaderland binnengedrongen, en zijn zij, doordien zij +herhaalde malen verscheidene gedeelten der Afrikaansche kustlanden +met hunne Europeesche landen in aanraking brachten, met hen in inniger +samenhang gekomen en hebben zij Afrikaansche zeden en bloed van daar +naar hier overgebracht. + +De in het zuiden van Europa gelegene schiereilanden Griekenland, +Italië, en Spanje, waren bij voorkeur de bruggen, waarlangs +hunnerzijds de Europeanen zich naar Afrika begaven. Men zou deze +schiereilanden en de eilanden-keten Sardinië, Corsica en Sicilië, +in zekere mate kunnen vergelijken met groote stukken druipsteen, die +van het hoofdlichaam van Europa in de diepe grot der Middellandsche +zee afhangen. De Afrikaansche kust, die overal dezelfde gedaante +heeft en in eene rechte lijn doorloopt, is dan de vlakke bodem van +deze grot. Even als het kalkwater langs de druipsteenen afvloeit, +en op den bodem der grot duidelijke figuren vormt, zoo hebben ook +altijd de Europeesche volken langs die landen getracht naar buiten te +komen, en is daardoor tegenover de uiterste punten een Afrikaansch +Griekenland, een Afrikaansch Italië of Spanje ontstaan. Zoo kwamen +reeds in de oudste tijden, na de vernietiging van Troje, Hellenen op +het Afrikaansche schiereiland Barca, dat juist onder hun land ligt, +en stichtten daar hunne beroemde kolonie, Cyrene. Zoo kwamen ook +de Romeinen, reeds spoedig in de eerste tijden hunner toenemende +grootheid, in aanraking met dat gedeelte van Afrika, dat juist onder +hun schiereiland Italië lag. Over Sicilië gaande, togen zij naar +Afrika, vernielden Carthago en onderwierpen zich dat Afrikaansche +land. Zoo zijn insgelijks de Spanjaarden--ook weder in onze dagen--over +de straat van Gibraltar--het dichtst bij hen gelegen gedeelte van +Afrika, het zoogenaamde Tingitanische schiereiland, binnengetrokken +en hebben het dikwijls, als behoorende aan hun moederland, als het +_Hispania Transfretana_ (het Spanje aan gene zijde van de straat) +bezet. + +Hadden de Europeanen eerst op een zoo in hunne nabuurschap gelegen +punt vasten voet gekregen, dan breidden zij zich vervolgens, even +als de uit Azië komende veroveraars, over de geheele noordkust, +of ten minsten over groote terreingedeelten er van, uit. De Grieken +stichtten van Cyrene uit, langs dezen kustrand, vele andere koloniën, +en deze Afrikaansche Grieken, die, naar de uitdrukkelijke getuigenis +der oude schrijvers, allen zich, nevens hunne Europeesche moedertaal, +ook de Afrikaansche hadden eigen gemaakt; die ook naar hunne zeden en +gewoonten van tweeërlei natuur, halve Europeanen en halve Afrikanen +waren, vormden langen tijd een belangrijk verband tusschen de beide +werelddeelen. Na de Grieken onderwierpen de Romeinen de geheele +noordkust van het vasteland van Egypte tot aan Marocco, stichtten er +eene reeks bloeiende koloniën en verdeelden haar in verscheidene, +op Europeesche wijze bestuurde en bebouwde provinciën. Zij maakten +zich daar zoo inheemsch, dat er bijna geen onderscheid was tusschen +de Romeinsche provinciën langs de noordelijke, en die langs de +zuidelijke kust der Middellandsche zee. Zij drongen ook dieper het +land in en haalden van daar de Getulische en Numidische ruiters, +die zij bij hunne legers inlijfden en waarmede zij in alle deelen +van ons vaste land oorlogvoerden.--Hunne Afrikaansche legioenen, +hunne zouavenregimenten, waarin zich zoowel Romeinsche Afrikanen als +inboorlingen van Afrika bevonden, toonden in vele op Europeeschen bodem +geleverde veldslagen, eene groote mate van onstuimige dapperheid en +eene bijzondere geschiktheid, die zij zich op de leeuwenjachten en in +de eeuwige guerilla-oorlogen der woeste stammen, in de rotsgebergten +van Getulië hadden eigen gemaakt. + +Na de Romeinen, tijdens de volksverhuizing, vermengden zich, al +was zulks ook maar van voorbijgaanden aard, zelfs de Germanen, de +bewoners van het noorden van Europa, met de Afrikanen. De Vandalen +werden van den Oder, over Spanje, tot naar Mauritanië teruggeworpen, +en zij beheerschten eens zoowel de Europeesche landen ten noorden van +de zuilen van Herkules, als de Afrikaansche landen ten zuiden er van, +oostwaarts tot voorbij Carthago. Onder hunnen Koning Genserik keerden +zij, door Afrikanen vergezeld en zelve waarschijnlijk gedeeltelijk +geafrikaniseerd, naar Europa terug, en brachten de voornaamste stad +van ons werelddeel ten onder, van uit dezelfde haven (Carthago), die +eens door de Europeanen, van Rome uit, een zoo hard lot te verduren +had. Nog in latere tijden heeft men, in eenige blondharige bergvolken +van Afrika, nakomelingen dezer Germanen willen zien. + +In den bloeitijd der Arabische macht, die de Duitsche volksverhuizing +op den voet volgde, was de heerschappij der Europeanen meer dan +ooit van Afrika uitgesloten. Nadat echter het groote Arabische +Kalifaat, even als het Romeinsche rijk, uiteengespat was, gedurende +de kruistochten in de 12de en 13de eeuw, vielen om zoo te zeggen, de +Europeesche volkeren weder midden in het Zuiden en in het Oosten. In +Syrië, Palestina, op de eigentlijke noordkust van Afrika, in Egypte, +in Tunis en Marocco verschenen zij ontelbare malen onder de banier +van Lodewijk den Heilige en andere Koningen, tot op de tijden van +Keizer Karel V en Sebastiaan van Portugal, en brachten van daar +terugkeerende, zuidelijke gewoonten, zienswijzen, zeden, natuur- +en kunstproducten naar Europa. + +Onder de langdurige heerschappij der Turken, kwam vervolgens de geheele +reeks van schoone Afrikaansche landen, wier ontwikkeling vroeger, +zoowel onder de Carthagers als onder de Grieken en Romeinen en later +ook onder de Arabieren, zoo op Europeesche wijze gebloeid had, weder +tot den toestand der oude barbaarschheid. De zoogenaamde roofstaten +ontstonden, en gedurende verscheidene eeuwen betraden Europeanen den +Afrikaanschen bodem niet anders dan als slaven en krijgsgevangenen. Dit +is eindelijk eerst weder in onze 19de eeuw veranderd, want nu zijn +de Romaansche volken andermaal begonnen zich over de tegen hen over +liggende kusten op nieuw te verspreiden. + +Sedert 1830 zijn de Franschen, die zich somwijlen als de erfgenamen +der Romeinen beschouwen, het land binnengerukt en hebben er een +Europeesch-Afrikaansche kolonie gesticht. Zij hebben daar den toegang +gebaand aan de nakomelingen der eertijds daar zoo gevreesde Germanen, +aan de nijvere Duitsche landbouwers, die nu door vlijt en weldaden +de misdragingen hunner Vandaalsche voorvaderen doen vergeten. + +Sedert eenige jaren zijn de Spanjaarden het voorbeeld der Franschen +gevolgd. Vol geestdrift hebben zij de oude veete en den zelden +afgebroken naijver tusschen Europa en Afrika weder opgerakeld, en +schijnen, indachtig aan de vroegere overleveringen van hun land, hun +"Afrikaansch Spanje" weder te willen veroveren. + +Napoleon III heeft van daar zijne Afrikaansche legioenen, de regimenten +zouaven of Afrikaansche Europeanen en de horden der woeste Turco's, +(inboorlingen, geboren leeuwenjagers van het land) naar ons werelddeel +overgevoerd en met hunne hulp in 1859 zijne snelle overwinningen in +Italië behaald. + +Dit is nagenoeg een kort overzicht over de groote rij van +gebeurtenissen, die tot de zamenvlechtingen en zamensmeltingen der +Europeesche en Afrikaansche volks-elementen geleid hebben. Wel zijn +de resultaten van vele dezer zamensmeltingen weder weggevaagd, of +beter gezegd: zij zijn zoo in de Europeesche atmosfeer vervlogen, dat +zij niet meer opgediept en nauwkeurig nagegaan kunnen worden. Maar +er zijn ook streken in ons werelddeel, waar de resultaten van dat +langdurig verkeer met Afrika nog min of meer merkbaar zijn, en die +wij in zekere mate als een midden tusschen ons in gelegen streek +Saraceenen-land, of ten minste als eene zichtbare Afrikaansche tint, +op het gelaat onzer volken kunnen beschouwen. + +Ten slotte wil ik trachten, deze nu nog meer of minder Afrikaansch +gekleurde deelen van Europa aan te duiden: bij onze Europeesche Turken +is de Arabische taal het orgaan van godsdienst en geleerdheid. Bij +den Turkschen stam zelven is nog veel vermomd Arabisch bloed, +en bij hunne legers, aan den Hellespont zoowel als aan den Donau, +dient nog menig Arabier, Egyptenaar en Moor. Ook verschijnen in +hunne handels-havens niet zelden Arabische kooplieden, zooals ook +op hunne galeien, slaven en gevangenen uit alle landen ten noorden +van de woestijn. In het overige niet Turksche Europa, bestaan nog +enkele punten, waar de Saraceenen nog heden ten dage, zoo te zeggen +in persoon, ofschoon met aanzienlijk veranderde nationaliteit en +gewoonten, bestaan. Op Malta b.v. heeft het volk, zooals bekend is, +een Arabisch dialect, en iets dergelijks kan men ook opmerken bij +de bewoners der Balearische eilanden, die zoo dikwijls in handen der +Afrikanen waren, en wier gewoonten en taal nog altijd eene Arabische +tint hebben.--De bevolking van Zuid-Italië en die der groote eilanden +Sicilië, Sardinië, Corsica, die in den loop der tijden zoo dikwijls +en zoo lang onder den invloed van Afrikaansche rassen stonden, duidt +nog heden menig Arabisch en Afrikaansch element aan. + +Veel bij de hedendaagsche bewoners van Sicilië en van het naburige +Abruzzo, doet eerder aan het Oosten dan aan Europa's christelijke +landen denken. Half barbaarsche stam-hoofden, Palikaren en Klephten, +komen hier onder veranderde namen voor. + +De bewoners der bergen van het binnenland van Sardinië ten tijde +der Romeinen, beschreef Strabo ongeveer zoo, als wij tegenwoordig +de Kabylen van Noord-Afrika kennen. "Beschaving," schrijft hij, +"is in Sardinië alleen aan de kusten te vinden. De bergbewoners +echter leven alleen van veeteelt en roof, zij zijn ruw en schuw als +het wild." En wat deze Romein van de half Afrikaansche natuur der +oude Sardinische bergbewoners van voor 2000 jaren zegt, dat geldt in +meerdere of mindere mate ook nog ten huidigen dage van hen. + +Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk +der "corsaren" (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het +binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude +oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht, +bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting +voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen, +ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren, +en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de +andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur +van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van +het lichaam der zoogenoemde "Italiaansche" eilanders schijnt er op +te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar +Europa zijn. + +En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft, +deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen, +nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen +bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje, +de Mooren en Morisco's van hun land, op eene allerwreedaardigste +wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen +die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te "zuiveren," +zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de +bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen +doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde +der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van +Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker +wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte +sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone +dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen, +reeds door Arabische dichters bezongen.--Zeer veel in de levenswijze, +kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het +zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen +oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken +zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd +zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir, +Arabisch _Werd al Kebir_ (het groote water); steden, b.v. Gibraltar, +Arabisch "_Dschebel al Tarik_" (de rots van Tarik); provinciën, +b.v. Algarvië, arabisch _El Garb_; bergketens b.v. de Alpujarras, +Arabisch _Alboscharat_. Een zeer beroemd bergland heet nog heden het +_Moorsche_: "Sierra Morena." + +Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen +uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk +aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis +is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden, +afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen +oorsprong duidelijk verraden. _Piz del Moro_ (de top der Mooren), +_Monte-Moro_ (de Mooren-berg), _Fontane More_ (de Mooren-bronnen), +en de plaats-namen "Allalie," "Alangel," "Algabi" zijn eenige der +Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in +Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige +Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk +in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden +en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in +954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden +deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren +verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners, +volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische +afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden, +taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen +niet meer verschillen. + +Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter +bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding, +die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der +boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het +verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven +post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden +uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en +zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen +kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk. + + + + + +OOSTELIJKE NABUREN VAN EUROPA. + +TARTAREN, MONGOLEN, ENZ. + + +Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet +alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa +vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van +den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte +zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van +Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het +Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee +tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had +deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan +zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke +grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De +ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte +zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in +afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige +engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd, +het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met +Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder +westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede +opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den +zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene +der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee +liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem +ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid +nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest +is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond, +die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de +overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze +onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot +aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen +bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen, +die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien. + +In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid, +zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt +zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In +het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door +het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste +vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de +oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in +welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee +zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste +diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren, +nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander +von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een "afgrond" +van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste +streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een +kolossalen, wijdgeopenden "krater". Vroeger noemde men het naar de +beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken, +ook wel het "Aralo-Kaspische bassin", of ook wel de "lage vlakten +van Turan", naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als +"het land der duisternis", in tegenstelling met Perzië of Iran zelf, +dat beteekent "het land des lichts". + +Uit den "afgrond" der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van +het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele +scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich +stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen +en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van +dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene +landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het +Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en +van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen +deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland, +vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen, +terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen, +die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun +vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en +in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen. + +Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt +hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te +bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met +de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden +en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die +reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken, +die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden +Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters +bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende +Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als +zoodanig de "Massageten" genoemd, en later nog ontelbare andere +stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd +met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan +gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste +van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het +Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste +tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn "Gobi", die van +"Schamo" of de door de Chineezen zoo genoemde "zandzeeën". + +Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke "zand-zeeën," door de passen +der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten +zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en +nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden +naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden +zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even +als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden +zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal +verwoesting aan te brengen. + +Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden +zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren +aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier +eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede, +komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is. + +Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen +en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de +geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en +dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede +zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van +China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar +het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems +der beschaving van den aardbol weggevaagd worden. + +Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde +malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit +het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich +door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur, +steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde +bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid +weten te bewaren. + +Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië, +Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en +overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn +gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord +geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid +en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen. + +Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als +een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel +van Azië, als een der Aziatische schiereilanden ("zooals Bretagne een +aanhangsel van Frankrijk is," zegt Humboldt) beschouwd is geworden; +dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een +gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in- +en uitgetrokken, als de schiereilanden China en Indië, als maakte +het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied, +waarop zij meenden recht van grazen te hebben. + +Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van +ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide +vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt +moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van +uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen +als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal +in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een +aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken, +Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods, +de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen, +als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop +kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in +het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige +opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen +heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder +de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche +krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering +gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius +op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder +Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten +bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren +geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt. + +Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren +na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest +zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen +verschenen, het meest verspreid geworden. + +De ruiters van Attilla werden _Hunnen_ genoemd. Dezen naam hebben zij +van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het +Hemelsche rijk noemden hen "Hungnu" of "Hiongnu," en daar zij onder +dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en +van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft +men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met +hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat, +even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen +onder den algemeenen naam "Skythen" aanduidden. + +Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden +onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam "Tata" of +"Tatar" beroemd onder hen geworden. "Tata" was oorspronkelijk de +naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en +de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij +de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in +gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische +Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en +toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen +werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver +Aziatisch "Tata" luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis +aan den Tartarus herinnerde, nog eene "r." "Wees getroost," had Koning +Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze +hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid +om bijstand smeekte--"wees getroost! want de hemelsche genade zal +in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners +in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen, +terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het +paradijs zenden zullen." Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd +en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan +kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn, +en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke +Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de +Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren, +"Franken" noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer +van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van +elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk +ras, dat den naam, "Turken" verkreeg, en eene meer oostelijke groep, +die den naam "Mongolen" droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan +zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner +dappere strijdmakkers. "Ik wil", zeide hij, "dat dit mijn met een +edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw +was, 'Mongol' d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het +verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt." Weldra beroemde +zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den +nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. "Mongolen en Mongolei" +werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte +heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk +geslacht aangeduid. + +Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige +rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche +rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en +volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden, +nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde, +die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene, +in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe +aanleiding van de groote beweging. + +In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre +vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door +zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt +opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige +knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij +brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met +de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in +den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest +die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer +strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.--Hij +vereffent ze,--verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk, +die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen +de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor +hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij +voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur +en te zwaard. Vrijwillig en uit vrees onderwerpen zich vervolgens +vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, "Temudschin" +genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem +weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.--"Het volk +staat op, de storm breekt los," en de op de grassteppen levendig +geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle +grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam. + + + Uit de rotskloof bruischt de bergvloed + Woedend, dondrend, naar benêen, + Met zich voerend in zijn stortvloed + Eikenboomen, brokken steen. + + +Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere +en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen, +doortrekt met zijne "Tartarus-zonen" de prachtigste dalen, plundert +met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat +hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen +drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt, +"het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen +deelen." Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader +en verkondigt in eene groote, "Kuraltaï" (een Mongoolsche rijksdag) +aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land +dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af "Chakan" +(Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal. + +Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels +zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen +van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat, +met zich medevoert. "Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten," zoo +zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, "voor ik geheel Azië +als een kleine molensteen rond kan draaien."--Hij onderwerpt de halve +wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen +en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd +door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te +danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen +menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave. + +Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook +de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die +in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel +als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig +spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig +in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd +en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder +verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij +hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals +de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen +ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen +Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden +volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: "zoo +gewonnen, zoo geronnen" aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen +op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen +en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof +aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen, +dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in +massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat +geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats, +evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een +steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer +beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne +verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne +maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer. + +Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend +genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden +staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom, +midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument +begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht +uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in +het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder. + +Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche +volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te +gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen +verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische +volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven, +kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog +gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor +weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen +doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder +Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de +bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage +niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan, +daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne +Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche +machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte +dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde "Chanaat +van Kiptschak", de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van +de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou, +en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en +Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als +Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd, +omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats +"Saraï" aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond, +met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was. + +De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende +ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij +de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de +Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de +Tartaren, op de Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi +(in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte, +het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven +grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne +zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste +en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische +bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich +dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder +anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen +en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische) +Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga +reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den +rug te buigen. + +Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en +Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en +met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd +hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog +somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië. + +Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis, +dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van +den "hinkenden man met den ijzeren voet", Tamerlan of Timurlenk, +die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan +een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte. + +Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend +Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van +Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte +slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië +terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in +zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond +gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa +hem aanbieden konden. + +Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht +der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de +Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht, +en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich +het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten +op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim. + +Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd +levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol +werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische +steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten +in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan +aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den +val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch +leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde, +de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers +van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van +ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen. + +Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer +dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog +eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen, +ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische +hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had. + +Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne +verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten +uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan +van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische +linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort +tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden +dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het +ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat +gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij +aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar +uit had ons werelddeel--voor de eerste maal in de geschiedenis--eene +sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen +nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa +plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit +het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die +geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na +het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische +heerschappij onderworpen. + +Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa +binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische +veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten +werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en +deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het +meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne +taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest +en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer +of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde, +grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan +den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en +2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije +genoemd worden. + +Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere +reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het +leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de +hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren, +nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner +Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne +Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische +of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en +is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af, +als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer +fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit. + +Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen +gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen +zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds +bij die legers, waarmede Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa +binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of +Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch +ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der +troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van +ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen +bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen +was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten, +die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche +afkomst zijn. + +Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste) +de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren +verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in +Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar +ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig +met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn +zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste +Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden, +smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol, +hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land +verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles +is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder +hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist +zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst +tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons +Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van +hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen, +die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder +nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen +veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters +der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij +hen wonende vreedzame element naar boven werkten. + +Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen +gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen; +daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote +rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier +in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod, +kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne +Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij +tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die +oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij +goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers +en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland, +midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine +door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten +van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van +Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne +bevolking, zich met der woon deden vestigen. + +Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt +zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar +bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die +de zuidelijke helft van het Taurische schiereiland vormt en met den +schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden "zuid-oever", +in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen +der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine, +vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne +gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen +godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste +fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden, +vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden +van den "Tschatirdag" en de andere hooge toppen van het Taurisch +gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven, +in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het +zoogenaamde "rooversnest", der eens door de Russen zoo gevreesde Chans, +uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan. + +Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche +Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in +Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en +Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der +ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de +uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch +zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge +van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een +geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen, +dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met +dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de +Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de +Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens +voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist +dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras +en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke +scheppingen als zand en stofwolken vervliegen. + +Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland, +zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner +aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige +bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden +van den Kaukasus en de Krim. + +Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft, +ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een +hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of "Kalimik", d.i. de +afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven +"Oeloeth" noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden +als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen, +veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de +eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel, +en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten, +maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken +male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in +kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging +bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet +zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan, +naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond +in de 17de eeuw onder de Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming +van den Chineeschen Mantschu-keizer. + +Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen +het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen +Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in +het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom +sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van +het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of +van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens +hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden. + +Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de +vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht +voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg +liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische +volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703 +in de nabijheid van het Russische gebied aan. + +In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij +zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun +aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden +konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie +aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt +zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel. + +Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd +in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk +verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders +waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in +Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel +vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den +Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun +besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van +50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen--ten getale van, naar hun zeggen, +meer dan 300,000 "monden"--verhieven hunne standaarden en vluchtten +met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals +de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door +de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt: +"de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en +gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid +des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk +vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te +genieten." Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk, +dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij, +in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep, +nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de +toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt. + +Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en +zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene, +die men om hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond, +hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste +en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de +veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en +waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en +veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen +geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en +de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte +van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen. + +Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten +boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den +zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon, +in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten +zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder +Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels, +men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten, +en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den +zadel malsch te zitten. + +Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer +men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan +ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den +zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen, +maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij +er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham +kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den +stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig +wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer +wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan, +juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden +Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en +kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk +stipt nakomen. + +Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking +men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. "De +melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders," +zegt een Chineesch geschiedschrijver, "als zij in den stillen nacht +over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld +zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen." + +Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het +Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige +Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt +gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts +zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier +van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een +volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is; +zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in +Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den +Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij +de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze +groote rijken. Wegens hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers +deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden. + +Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de +volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en +toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken +met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië, +en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan. + +Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van +het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de +Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude +"Sogdianen" en "Baktrianen", bij wie handel, kunsten en handwerken +bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij +hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij +ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook +onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder +Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne +bibliotheeken verbrandden, werden zij "Buckhar" d.i. "de geleerde +mannen" genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam, +zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend. + +"Bochara" is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun +geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders +hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de +Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als +eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle +wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden, +oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar +"Kiptschak" of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche +rijk bezoeken zij--nu onder Russische bescherming--dezelfde landstreken +langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan, +en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe +zijn zij welbekende gasten. + +Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd +volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende +oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij +zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren, +en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben +aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid +zeer welvarend. Zij noemen zich zelve "Tadschicks", dat de oude naam +der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn +zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche +maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan +zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben, +naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden +in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene +Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen. + +Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche +volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons +werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine +kolonie van Hindoes die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat +zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval +der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde +Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar +Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans. + +Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de +Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische +volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der +Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche- +en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden +echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging +op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met +de bevolking van het werelddeel, wilden schatten. + +De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en +sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige +rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene +onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de +Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd, +en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam, +opgedrongen hebben--(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij +de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)--afgezien daarvan, +hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche +rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en +zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische +natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar +physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling, +waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië, +bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten +zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel +van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der +bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de +Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen +met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden, +is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der +Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne +zoogenaamde "Tschin", schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij +de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne +melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de +tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten. + +Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van +oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van +Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken +beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische +nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des +rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche +afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te +halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey, +d.i. "de kleine bey." Misschien is den lezer somwijlen wel eens de +naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn +nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene +Kalmuksche herderstent ontkiemde. + +De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het +vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus, +de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen +zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij +de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale +liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door. + +En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook +bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het +Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook +zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke +gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van +datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd +over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der +Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het +menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig +ras behoort. + +Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke +punt van Duitschland heeft men--en met deze opmerking zal ik deze +beschouwing sluiten--sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen +vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het +Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen +van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende +bewoners, "Mongoolsch". Men heeft gemeend, dat in die gebergten een +verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is, +en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge +on-Duitsche plaatsnamen, "Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch" enz, +uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit +volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in +Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij "Hunnen" +(d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners +gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van +Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers +verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam +op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste +sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En +zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten +dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen, +die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die +van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven +van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en +tegen de Alpen verloor--en de andere, die uit het binnenste van Azië, +uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden "Tartarus", +losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele +Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen +Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de +duidelijkste sporen achterlieten. + + + + + +DE HELLENEN EN NIEUW-GRIEKEN. + + +Tusschen Klein-Azië, het Grieksche schiereiland en het eiland Creta +is het vierhoekige bassin eener kleine binnenzee van het overige der +Middellandsche waterwereld afgesloten. Dit water-parallelogram mag +als eene groote binnenzee, met verscheidene uitgangen die naar groote +zee-partijen voeren, beschouwd worden. Het binnenste van het bassin +is als bezaaid en bestrooid met eene menigte bergachtige eilanden +van vulkanischen oorsprong, die, wat natuurschoon, vruchtbaarheid en +andere voordeelen betreft, met weinig andere eilandgroepen van Europa +vergeleken kunnen worden. + +Een schitterende hemel welft zich er over heen. Zij genieten een +zachten winter en worden door de zeelucht voor eene overmatige hitte +bewaard. Zij zijn allen bewoonbaar, en in het bezit van liefelijke +dalen, afgewisseld door vlakten, die zeer geschikt zijn ter aankweeking +van den wijnstok; de olijf- en citroenboomen bieden de bijen eene +massa van honigrijke tuinen aan. + +Even als de eilanden zoo doen ook de kusten van het omliggende +vasteland zich zeer afwisselend voor. Van het noorden, oosten en westen +uit loopen de landen met vele fraaie schiereilanden in het zee-bassin +uit. Diepe bochten en golven en bijzonder veilige havens dringen het +land in en noodigen overal ter scheepvaart uit. Men zou de geheele +Aegeïsche zee, ten gevolge van haren rijkdom aan ankerplaatsen en +reeden, als eene enkele groote haven kunnen beschouwen. En zeer +goed zou men Griekenland in zijn geheel een Europa in het klein +kunnen noemen. + +Even als Europa door zijne verschillende onderdeelen, door zijne +bijzonder goede verhouding van vastland en water boven al de andere +deelen der Aarde uitmunt, zoo munt Griekenland boven het overig Europa +uit. En even als de Europeesche volken, toen zij eenmaal wakker waren +geschud, bestemd schenen alle andere volken der wereld, scheepvaart, +handel, verkeer, werkzaamheid, énergie, beschaving en wetenschap te +leeren kennen, zoo schijnt de Aegeïsche- of Grieksche zee van nature +bestemd, de wieg en leerschool dezer Europeesche werkzaamheid en +kracht te zijn. + +Wanneer en hoe zich de eerste menschelijke bevolking over dit heerlijk +schoone bassin, over die vriendelijke eilanden en schiereilanden +verspreidde, is in een ondoordringbaar duister gehuld. Maar zooveel +valt uit de taal der Hellenen op te maken, dat zij en hunne stamvaders, +als hoedanig men gewoon is de "Pelasgen" te noemen, uit het Oosten over +Klein-Azië gekomen zijn en tot den grooten Indo-Germaanschen volkstam +behooren, die aan ons Europa, zijne voornaamste en ontwikkeldste volken +gegeven heeft. Uit hunne taal blijkt, dat zij innig verwant zijn met +de Keltische, Romaansche, Germaansche en Slavische volkeren. Even +als van deze, zoo moet ook de oorsprong der Grieken in Indië en aan +den Himalayah gezocht worden. + +Onder wiens aanvoering, onder welke omstandigheden en lotgevallen, +de voorvaderen der Hellenen, de zoogenaamde Pelasgen zich vandaar +losrukten; waardoor zij zich reeds in dezen tijd onderscheiden +konden, en hoe zij toen door het westelijk gedeelte van Azië en door +Klein-Azië zich een doortocht wisten te banen, dat alles is ons niet +zoo nauwkeurig overgeleverd geworden, als b.v. de oorsprong en de +vroegste geschiedenis der Israëliten. + +Juist de beide volken, die in de oudheid het grootste gewicht verkregen +en het meest ontwikkeld waren, de Grieken en Romeinen, deelen het lot, +dat over hunne oudste geschiedenis en over de vroegste bewoners dier +landen eene schier nog grootere onzekerheid bestaat, dan over menig +ander, minder ontwikkeld ras, en dit is ten deele een natuurlijk +gevolg juist van hunne vroegtijdig gerijpte ontwikkeling en bloei, +die alles wat aan vroegere tijden herinnerde en van ouderen datum +afkomstig was, als "barbaarsch" verduisterde, verachtte en aan de +vergetelheid ten prooi gaf. Ja! zelfs hebben wij niet dan eene hoogst +onduidelijke en zeer twijfelachtige voorstelling van de manier en +de wijze, waarop de Hellenen zich in taal en ontwikkeling, uit den +grooten moederstam hunner Pelasgische voorouders of voorgangers, +te voorschijn werkten en zich als een zelfstandig volk neerzetten +en leerden gevoelen. Dergelijke zaken zijn in de geschiedenis der +menschheid meermalen even moeielijk te doorgronden, als b.v. in de +natuur, de manier en de wijze, hoe en door welke chemische werking +in den wortel van den rozenstruik, de droppel die bestemd is den knop +te vormen, opstijgt en zich bevestigt, en hoe zich uit het knopje de +schoone bloem ontvouwt. Weldra staat de volle centifolie heerlijk +riekend daar, voor wij nog kunnen aantoonen, hoe en waarom zij zóó +en niet anders werd. + +Alles wat wij zeggen kunnen, is: dat de zoogenaamde Pelasgen, vooral +echter hunne opvolgers of kinderen, de "Hellenen," een van oudsher +met voortreffelijken aanleg toegerust geslacht moet geweest zijn, +en dat hun goed gesternte hen een tehuis binnenleidde, dat zoo +gunstig, als maar bij mogelijkheid gewenscht kon worden, geschikt +was ter ontwikkeling van zulken voortreffelijken aanleg, namentlijk +in dat bont getooide bekken der Aegeïsche zee, waarvan ik zooeven de +voornaamste eigenaardigheden mededeelde. + +Trots deze gunst en gaven der natuur schijnt het niet te min, dat +zelfs ook bij de Grieken, even als bij alle andere Europeesche volken, +de aanstekende vonk van buiten moest aangebracht worden.--De sagen +der Hellenen wijzen naar landverhuizers, die van buiten af het land +binnenkwamen, als gebeurtenissen, die hun den lust tot een welgeordend +leven inboezemden: op eene uit den vreemde komende onderwijzeres in +den landbouw, Demeter (Ceres) die den echt stichtte, den vijgeboom +naar Griekenland bracht, even als Minerva den olijfboom--op een +buitenlandschen Prometheus, die den Grieken alle kunsten leerde, +waarbij zij van het vuur moesten gebruik maken. Zelfs het gebruik van +het ijzer, ontvingen zij uit den vreemde. De invoering van het paard, +de kunst van spinnen en weven werden aan Poseidon, den god der zee +toegeschreven, dat wellicht even veel zeggen wil als: zij kwam in +schepen naar het tot nu toe onkundige eilanden-volk. + +Even zoo kwamen uit Phenicië en Egypte te scheep tot hen, door Kadmus, +Danaüs, Pelops, de eerste wetgevers, staten-regelaars en de stichters +hunner burgten en steden,--hunne orakels--een groot deel der namen +hunner goden en hunne godsdienstige fabelen en instellingen. Alle +beginselen van beschaving werden den Grieken door zeevaarders en +handelaars gebracht. Hunne ontwikkeling was, met één woord, uit de +zee geboren. Ten gevolge der ligging en grondsgesteldheid groeide +die vervolgens bij hen, met behulp der zee, verder aan. Van de +vroegste tijden af werden de Grieken zelven een volk van zeevaarders +en handelaars. De oudste naam der bewoners van het land "Pelasgen" +zou ook (volgens de meening van sommigen ten minste) af te leiden zijn +van het Grieksche woord Pelagos (Zee) en niets anders dan "zeelieden" +beteekenen. Na den grooten God van den alles omvattenden Hemel, +den ongeëvennaarden Zeus, was Poseidon, de god der wateren en der +winden, bij hen de voornaamste godheid. Hij was machtiger en had meer +invloed op hun lot dan de andere goden. Tot hem stegen in de talrijke, +op de eilanden en voorgebergten opgerichte tempels, hunne vurigste +gebeden omhoog. Uit de zilte baren verrees Aphrodite, hunne godin der +schoonheid, en in de zee zelve had de zonnegod Helios zijn paleis, +waar hij in de armen der onder de wateren heerschende Thetis rustte. + +De eerste belangrijke, gemeenschappelijke ondernemingen der Grieken, +waarin zij als een op zich zelf staand volk optraden en zich leerden +gevoelen, de tocht der Argonauten, de Troyaansche oorlog, waren groote +vloot- en zee-expedities, en even als ten tijde van Agamemnon geheel +Griekenland uit de Aegeïsche zee opdaagde, zoo heeft het uit diezelfde +zee, uit hare eilanden, havens, schepen, ook later meermalen zijne +kracht getrokken--eene wedergeboorte te weeg gebracht. Even als de +door Herkules nedergevelde Antaüs, die steeds van zijne moeder, de +Aarde, nieuw leven ontving, zoo is Griekenland, als het nedergeveld +was (zelfs in onze dagen) uit zijne moeder, de zee, weder opgestaan. + +Hunne oudste en ook bij hen meest gebruikelijke liederen, de gedichten +van Homerus, hebben zeerooverijen, zeeavonturen en scheepvaart +tot onderwerp. Het zijn gedichten, die nog heden ten dage even als +voor 3000 jaren, door het Grieksche volk het best begrepen worden, +even als bij de Nomaden-volken der Arabieren de tradities van hunne +herders-patriarchen Abraham en Ismael. + +Eenmaal door invloeden van buiten wakker gemaakt, ontwikkelde de +vruchtbare, en even als het water beweegbare, genius der Grieken +eene verwonderlijk veelzijdige werkzaamheid naar alle richtingen van +den menschelijken geest. Tot enthusiasmus--dit fraaie woord is van +Grieksche vinding--geneigd, begaafd met eene levendige phantasie +en een levendig voorstellingsvermogen, ontdekten zij op de hooge +toppen hunner bergachtige eilanden, in de wouden hunner langs de +kusten gelegene dalen, op de met bloemen bedekte en door liefelijke +bronnen en stroomen bevochtigde, langs de oevers gelegene landschappen, +overal het spoor eener godheid. Ieder hoekje van hun land werd door +de poëzie verheerlijkt en vereeuwigd. Zij leerden die goden vereeren, +en in alle oorden van Griekenland ontstonden orakel-plaatsen, tempels +en bedevaartsplaatsen. Iedere duim gronds van het land werd klassiek +en geheiligd. + + + Al de hoogten zijn door Oreaden bewoond, + In ieder boomke leeft eene Drijade, + En het helder, rein, schuimend rivierwater stroomt + Uit de urnen der aanminn'ge Najaden. + + +Even als hun land, zoo bood ook hun leven de scherpste contrasten +aan. Het scheepsleven was rijk aan afwisseling en merkwaardige +gebeurtenissen, en zou alleen reeds voldoende geweest zijn, om den +vertellers, den redenaars, den dichters den mond te openen. Maar op den +achtergrond van dit veelbewogen, stormachtig zeeleven lagen de kleine, +bekoorlijke woonplaatsen in de hoekjes der eilanden, de huisselijke +haard aan de helling der bergen, de vruchtbare akkers langs de heldere +stroomen en het idyllische herdersleven op de bergen Ida, Pelion, +Helikon en in het boomenland van Arcadië. + +Noodwendig moesten de Grieken onder dusdanige natuurlijke gesteldheid +en contrasten, zich dichterlijk gestemd gevoelen. Zij grepen naar de +lier en hebben gespeeld en gezongen als geen anderen na hen. + +Naar het model der door de Egyptenaren en Pheniciërs bij hen gestichte +gemeenten, stichtten en bestuurden zij bloeiende steden, republieken +en staten in 't rond om den Archipelagus. Daar versterkt, zeilden +zij verder langs de natte paden der zee, stichtten zij in Italië en +Sicilië hunne koloniën, ontstaken de vuurtorens der beschaving aan alle +barbaarsche kusten der Zwarte Zee, verlichtten daarmede ook, als met +een helder schitterend garneersel de geheele noordkust van Afrika, +entten van Massilia uit, het verre Gallicië de eerste beginselen +der beschaving in, ja voeren zelfs door de zuilen van Herkules, +den Oceaan op. + +Terwijl zij op die wijze de grootte der wereld leerden kennen, +begonnen zij, wier geest van eene even ideale als praktische natuur +was, over het geheele wereldrond handelsondernemingen te doen, +en traden, midden op hunne met waren opgevulde markten en in hunne +van handel en menschen wemelende en levendige havens, als even zoo +scherpe als diepzinnige denkers, natuurvorschers en wijsgeeren op, die +ieder naar hunne wijze van wereldbeschouwing, verschillende systemen, +scholen en sekten oprichtten. + +De handel met volken, die zoo verschillend van aard waren, deed bij hen +rijkdom en weelde ontstaan, en liet een streven naar de verfraaiing +van het alledaagsche leven bij hen ontwaken en de schoone kunsten +bloeien. Een Apelles, een Praxiteles en de tallooze scholieren dezer +meesters traden op; onder hunne handen kreeg het marmer gestalte en +leven, en verrezen de heerlijkste tempels en zalen, op wier wanden +de fraaiste schilderstukken aangebracht werden. + +Daar in het vaderland der Grieken geen vorstelijke, alles uitsluitend +naar zijne nukken schikkende Nijl, geen groote gebiedende Ganges, +geen onmetelijk groot en eentoonig Mesopotamië was; daar hier +integendeel alles verbrokkeld, verschillend en sierlijk gevormd +was--eene gemakkelijk te overwinnen en den menschen niet overweldigende +natuur--kleine dalen, smalle vlakten, talrijke tamelijk hooge bergen, +en dat alles toch door den gladden spiegel der zee nauw verbonden +en saamgesmolten, zoo is ook ten gevolge daarvan de aard van den +Griekschen volksgeest zelf een veelhoekig, een aan alle zijden geslepen +edelgesteente geworden. + +Geheel in tegenstelling met andere volken, b.v. met de eentoonige +en eenvormige massa, die nog heden ten dage ons de Russische land- +en volksgeest biedt, gelijken de Hellenen een boom, die in bevallige +groepeering zijne vele takken naar alle zijden uitbreidt. Hunne +taal scheidde zich in verschillende dialekten, hun stam in talrijke +geslachten, die allen zeer verschillende eigenschappen en toch +allen uitstekende hoofddeugden bezaten, en die ook allen, trots +hunne uitbreiding in zeer tegenovergestelde richtingen, toch, even +als hunne eilanden door de daar tusschen stroomende zee, door den +band van gemeenschappelijke sympathieën en doeleinden aan elkander +verbonden en vastgeknoopt waren. + +Dezelfde verhoudingen, die de verschillende dialekten, bouwstijlen +en wijsgeerscholen der Dorische, Jonische en Aeolische Grieken +in het leven riepen, kweekten bij hen ook een even groot verschil +van politieke inrichting en burgerlijke toestanden. In dezen zin, +hebben zij gedurende hun bestaan, om zoo te zeggen, alles in het +leven geroepen wat maar denkbaar is. Democratiën, monarchiën, +oligarchiën en aristokratiën, heerschappij van het volk en van het +geld, militair-despotismus en priestergeweld, wisselden elkander bij +hen af, al naar mate afstamming, tijd en plaats. De geheele overige +wereld biedt geen staatsvorm aan, waarvoor de kleine Grieksche wereld +niet een model geleverd en waarvoor de Grieksche taal geene bepaalde +benaming uitgedacht heeft, die nu nog bij alle beschaafde volken der +Aarde in zwang zijn. De Grieksche Aristoteles philosofeert, ofschoon +hij niets dan de politieke scheppingen van zijne landslieden en hunne +naaste buren kende, over alle mogelijke vormen van staatsregeling, +als had hij, even als wij, alle politieke toestanden der wereld voor +oogen gehad. + +Vergelijkt men de staats-regeling, het burgerlijke zijn en de +politieke strekking van twee Grieksche staten, b.v. het ernstige, +harde, krijgshaftige, monarchale of aristokratische, om zoo te +zeggen Britsche Sparta, met het fijne, vernuftige, schitterende, +weelderige, demokratische, ietwat Fransche Athene, zoo houdt men het +schier voor onmogelijk, dat menschen, die eene zelfde taal spraken +en zich eene zelfde nationaliteit toeschreven, een, wat karakter en +verstand betreft, zoo scherp contrast kunnen vormen. Men zou eerder +gelooven de vreemdsoortigste bestanddeelen--Noordpool en Zuidpool--op +steenworps afstand naast elkander te zien huizen. De uitersten, +teugellooze vrijheid en onbarmhartige tyrannie onder het juk van +één enkelen, schijnen elkander bij de Grieken de hand te reiken, +en midden tusschen deze beide uitersten, vinden wij dan weder een +menigte staats-inrichtingen, die uit het verstandigst overleg, +en uit het zorgvuldigst overwegen der menschelijke natuur en der +verschillende bestanddeelen der maatschappij ontstonden. + +De revolutie en de afwisseling van meesters, waren bij deze rustelooze +menschen, die zoo belust op nieuwigheden waren, aan de orde van den +dag. In hunne geschiedenis ziet men te vergeefs uit naar een zonnig +tijdpunt van rust, zooals b.v. die van Rome ten tijde van Augustus +aanbood, waarin de kunsten van den vrede en de wetenschappen, +naar onze begrippen gemakkelijk hadden kunnen bloeien. Het zwaard +aangegord, schreven de krachtige Grieken geschiedenis, zoo kernachtig +als later die niet weder geschreven is. Den giftbeker drinkende, +dien de onverdraagzame medeburgers hun reikten, gaven de Grieksche +wijzen zedelessen over verdraagzaamheid en liefde, die nog niet +vergeten zijn. Midden in de wereldsche drukte op straat, onder +de opgewondenheid van het Forum, dachten hunne philosophen rustig +en kalm na over boven-aardsche dingen. Midden tusschen het eeuwige +partij-getwist en bloedige wapengekletter, huldigden hunne dichters en +kunstenaars de gratiën, en schiepen zij zulke volkomene, welluidende +en harmonische taalbeelden, als nimmer aan een vreedzaam volk in die +mate gelukte. Tusschen hunne lippen werd de Grieksche taal gevormd +tot de fraaiste, deftigste, mannelijkste en tegelijkertijd zachtste +taal, waarin ooit menschen gedacht en gedicht hebben, tot eene bij +uitstek rijke taal, wier woordvoeging zoo gemakkelijk, zoo vloeiend +is, die voor den mond zoo aangenaam te spreken, voor het verstand +zoo veelbeteekenend en zoo nauw samenvoegend is, en die gedeeltelijk +middellijk, gedeeltelijk onmiddellijk alle tegenwoordige talen tot +voorlichtster gediend heeft. Wanneer men het doen en laten der Grieken +in hun geheel beschouwt, dan meent men stoute, geniale mannen te zien, +die het verstonden bloemen te doen ontluiken in de vurige kraters +der vulkanen, en die aan de muzentempels gebouwd hebben op den rand +van den steeds vloeienden lavastroom. + +Even als in het moederland Hellas, zoo ging het ook in de koloniën. De +Grieksche dochtersteden ontstonden meestal ten gevolge van inwendige +tweedracht en hartstochtelijke partijtwisten, en deze koloniën zelve, +waarmede zij de barbaarsche kusten der Middellandsche Zee omgaven, +schijnen even vele kraters geweest te zijn, die, als de Etna, het land +in de rondte tegelijkertijd verwoestten en vruchtbaar maakten. Aan +de kleine golf van Tarente in Groot-Griekenland alléén, had een half +dozijn van zulke vuur- en bloemenspuwende vulkanen wortel gevat: +het trotsche Crotona, het weelderige Sijbaris, Heraclea, Tarente en +nog eenige andere onvergetelijke steden. Even als Athene en Sparta +in Hellas, als Ephesus en Milete op de kust van Klein-Azië, als +Syracuse de volkrijkste en machtigste aller Grieksche koloniën, en +het steeds door de Etna verwoeste en steeds weder opbloeiende Catanea +op Sicilië, leefden die steden in eeuwigdurende tweedracht, en hunne +burgers trokken, zoo lang zij zich roeren konden, tegen elkander te +velde en hielden over en weer de onbarmhartigste strooptochten in +het gebied hunner naburen. Men is somwijlen geneigd deze Grieksche +republieken voor even zoovele halfwilde Montenegro's te houden. Niets +van alles wat later de Turken tegen de Christenen uitgevoerd hebben, +bleef door deze Hellenen onbeproefd in de schier nimmer gestilde +partijwoede. Moord, brand, verwoesting, harde slavernij, ja verdelging +tot den laatsten man, tot er geen steen op den ander bleef. En toch +waren deze steden bij wijle rijk, groot, losbandig en weelderig, +telden hunne burgers bij honderdduizenden en hadden volop dichters, +schilders, beeldhouwers en leerlingen van Pythagoras. + +Toch lag vermoedelijk in de bijzonder heftige en vurige natuur +der Grieken opgesloten, dat de geheele tijd van hunnen bloei en +hunne fraaiste scheppingen, slechts kort was, en dat zich hunne +geheele scheppende kracht slechts in een, als een vluchtigen droom +voorbij zwevend oogenblik, samenvatte. Ten tijde van Perikles, +in de 5de eeuw voor Christus geboorte, hadden zij het toppunt van +hunnen bloei bereikt. Om de persoon van dezen "hellenischten aller +Hellenen", groepeeren zich de uitstekendste Grieksche namen, die +door hetgeen zij volbracht hebben, over de geheele wereld bekend en +verheerlijkt zijn geworden. Men heeft de Grieken eene jongelings-natie +genoemd. Ja! Hegel noemde hun geheel nationaal zijn en streven, +"een enkele jongelings-daad". Men kan hun nationaal maatschappelijk +leven met het eigenaardige bestaan van andere geniale, naar het +grootsche strevende jongelings-naturen vergelijken, b.v. met die +van een Raphaël, die zich in de vurige opwelling zijner werkkracht +vroegtijdig ontwikkelde, maar daarop aan de nakomelingschap eene +erfenis van zijne werken vermaakte, waarover zij zich, door alle +tijden heen, verheugen kan. Met zulk eene erfenis in de hand, welke de +tijdgenooten van Pericles achterlieten, heeft de nationale geest der +oude Grieken zich steeds, tot op onze dagen, machtig en invloedrijk +getoond; ofschoon sedert den dood van Perikles bij hen slechts de eene +overheersching door vreemden op de andere volgde, en zij nimmer weder +tot eene zoo krachtvolle zelfstandigheid geraakten, als in die korte +jaren, toen zij ongestraft onder elkander vechten en om den palm der +overwinning strijden konden. + +Het allereerst kwamen zij onder Philippus en Alexander. Maar deze +barbaarsche Koningen van het Noorden helleniseerden zich, huldigden +den geest der Grieken, namen hunne taal over, en verbreidden beiden, +te gelijk met hunne veroveringen, over het geheele Oosten. Aan de +grenzen van Indië en de Mongolen en vervolgens ook aan den Nijl, +stichtten zij rijken, die men naar de aldaar heerschende taal en +ontwikkeling, als Grieksche stichtingen moet aanmerken. + +De Macedoniërs werden, zoowel in de wereldheerschappij als in +het bezit der heerschappij over Griekenland, door de Romeinen +afgelost, en even als gene werden ook deze de scholieren hunner +Hellenische onderdanen. Hebben de Romeinen ook al niet, als de +naburige Macedoniërs, de taal en de zeden der Grieken overgenomen, +zoo moesten zij hen toch, daar zij zelven niets beters konden te +voorschijn brengen, als hunne meesters en modellen beschouwen. Het +gevangene Griekenland nam zelf zijne wilde gebieders gevangen en +bracht de kunst over naar het boersche land der Latijnen. De Romeinen +gingen bij de Grieksche redenaars in de leer. Hunne gedichten waren +niet anders dan een weerklank der Grieksche gezangen, hunne musici, +hunne paedagogen waren Grieksche slaven. Hunne tempels, hunne steden, +hunne marktplaatsen werden versierd en verlevendigd door standbeelden, +die een eeuwig leven ademen en gered waren uit den ondergang van +Griekenland. Op de vleugelen van den Romeinschen adelaar verbreidde +zich Grieksche beschaving over het geheele Westen, even als vroeger de +Macedonische phalanx haar tot aan den Indus en Himalayah, die bronnen +van alle Hellenisch en Indo-Germaansch leven, baan gebroken had. + +Met het goud des verstands, dat de Romeinen uit Griekenland gehaald +hadden, hebben zij om zoo te zeggen de geheele wereld verguld, en de +Grieken zijn op die wijze, in het gevolg der over de Aarde marcheerende +Macedonische en Romeinsche infanteristen, ook in het binnenste van +alle landen gekomen, waarheen zij als een oud zeevaarders- en kustvolk, +alleen misschien nooit gekomen waren. + +De Macedoniërs, die van oudsher naburen en stamverwanten der Grieken +waren, zijn met taal, verstand en zeden, zooals ik reeds zeide, in de +Grieken, om zoo te zeggen, opgegaan. Waar zij geboden en vertoefden, +daar geboden ook de Grieken zelven. De Romeinen daarentegen, +bewoners van een ander schiereiland en van een vreemd geslacht, +ofschoon in alle aangegevene opzichten de kweekelingen der Grieken, +bleven toch altijd Romeinen en verspreidden het ontvangene op hunne +wijze. Daardoor kwam het, dat de Grieken zich in het Westen, waar +zij bijna niet anders dan als dienaren verschenen, nooit zoo te huis +gevoelden als in het Oosten, het schouwtooneel der verrichtingen van +de Macedoniërs. Ja! de Romeinen romaniseerden zelfs dààr geheele +streken, waar in vroegeren tijd Grieksche zeden, taal en bloed de +overhand hadden, b.v. Zuid-Italië en Sicilië. Daardoor kwam het +dan ook dat, toen het Romeinsche rijk zich in twee groote helften +verdeelde, van deze beide helften, het Westersch Romeinsche rijk +en het Oostersch-Romeinsche rijk, het eene aan zijn uiteinde een +geheel geromaniseerd, het andere een predomineerend Grieksch, met +Macedonisch-Grieksche ontwikkelings-elementen bezwangerd, karakter had. + +In het Oostersch-Romeinsche rijk, dat Nieuw-Rome of Bijzantium tot +hoofdstad had, kregen na de afscheiding Grieksche taal, Grieksche +volksstammen, Grieksche geslachts-adel, Grieksche beschaving weder +de overhand, en men kan deze verdeeling van het rijk in zekeren zin +als eene politieke wedergeboorte der Grieken beschouwen, ofschoon +het wedergeborene kind van toen af aan bij de Oostersche volken niet +slechts den naam "Rome" (Rum, Rumili) droeg, maar zelfs de Grieken +zelve, zich eeuwenlang "Romaier," hunne Grieksche taal de Romaiische +noemden. Daar in het geheele Oosten de Grieksche taal bij voorkeur de +taal der letterkundigen was, zoo werd zij dan ook van den eersten tijd +af aan de draagster van het, ten tijde van den bloei der Romeinsche +macht opkomende, _nieuwe geloof_. Het Christendom werd, zoodra het +Jeruzalem verlaten had, het allermeest door de Grieksche taal over +de wereld verspreid. + +Het bekken van den Archipelagus met zijne eilanden en zijne +vooruitstekende landen, dat het best met een naar het Oosten geopend +net vergeleken kan worden, ving nu de eerste, aan de Phoenicische +kusten ingescheepte, christen-apostelen op, zooals het duizend jaren +te voren de van daar scheep gegane professoren der oud-Egyptische +wijsheid ontving. Het Grieksche volk bood den grooten zaaier het eerst +een terrein aan, waar zijne zaadkorrels niet op een steenachtigen +bodem vielen, maar waar zij integendeel al spoedig in Korinthe, +Thessalonika, Ephesus en andere steden diepe wortels schoten. Ook in de +Aziatische steden bestonden de eerste Christen-gemeenten schier zonder +uitzondering uit Grieken. In hunne taal werd de eenige God overal +aangebeden, en de eerste predikatiën der zendelingen gehouden. In hunne +taal werden onze heilige boeken geschreven. Ook was zij de taal der +eerste christelijke conciliën. Grieken brachten het christendom naar +Rome en verbreidden het over het overig Europa; vandaar zijn dan ook +tot op heden in geheel Europa de meeste uitdrukkingen voor kerkelijke +zaken, zelfs de naam der "kerk" en die van het boek der boeken, den +"bijbel", van Griekschen oorsprong. + +Van alle christelijke kerken is de Grieksche de oudste; van Griekenland +uit werd het heidendom het eerst door het Christendom ondermijnd en +eindelijk tijdens de stichting van Nieuw-Rome of Constantinopel geheel +afgeschaft. Gedurende de invallen der barbaren, die op de verdeeling +van het Romeinsche rijk weldra volgden, bleef het Oostelijk Keizerrijk +der Grieken veel langer bestaan dan dat der Westelijke Romeinen. De +onbuigzame, barsche Romeinen, die hun rijk hoofdzakelijk op hunne +dapperheid en stoffelijke overmacht gegrondvest hadden, moesten +het onderspit delven, toen hun die dapperheid begon te ontbreken +en eene grootere macht dan de hunne zich tegen hen over begon te +stellen. De Grieken, die zich tijdens hunnen bloei, behalve den moed +en de vaderlandsliefde die hun eigen waren, ook eene hooge mate van +verstandelijke ontwikkeling, eene bijzonder groote mate van politieke +behendigheid en andere daarmede in betrekking staande eigenschappen, +hadden eigengemaakt,--bewaarden, nadat de bandelooze overmoed en +vrijheidszin gebreideld waren, toch deze taaiere eigenschappen, +en bleven, even als de Chineezen in hunnen strijd met de Mongolen, +zelfs na hunne nederlagen, meermalen overwinnaars. Terwijl het +geheele Westelijk Europa door Noordsche horden overstroomd en eeuwen +lang weder in eene diepe duisternis gestort werd, ontvingen ook de +Grieken vele hun land diep binnendringende benden. Maar zij wisten, +als vlugge strijders, behendig de stooten te ontwijken en ze dikwijls +van zich af te wenden, of, wanneer zij somwijlen het onderspit moesten +delven, zoo stonden zij toch, even als het door de stormen heen- en +weer gezweepte struikgewas der hoog-gebergten, steeds, van frissche +loten voorzien, weder op. + +Sedert de 5de en 6de eeuw trok de groote Slaven-vloed met overmacht het +Grieksche schier-eiland binnen, en drong in alle tot het Europeesche +vasteland behoorende provinciën van het Grieksche rijk, tot aan Athene +en tot in den Peleponnesus. De Slaven kwamen daar nu niet alleen als +soldaten en gebieders, maar met vrouwen, kinderen en kudden zetten zij +zich in deze landen met der woon neder, begonnen na eenigen tijd den +grond te bebouwen, stichtten talrijke Slavische dorpen en vlekken, +en gaven aan landen, bergen, dalen, rivieren, beken en grotten, +Slavische namen. Maar te midden dezer Slavische overstrooming, bleven +de steden en havens aan de kusten, overal langs de Aegeïsche zee, +zelfs in de bangste tijden, in het bezit der Grieksche burgers en der +Byzantijnsche bezettingen. Daar de Slaven geene schepen hadden, zoo +lieten zij de eilanden der Aegeïsche zee grootendeels ongemoeid. Zelfs +in de gevaarlijkste oogenblikken, toen Avaren, Bulgaren en Serviërs +Constantinopel bestormden en te gelijkertijd aan de Aziatische zijde +van den Bosphorus, bij Scutari de Perzen onder de wapens stonden; zelfs +in zulke oogenblikken, waarin alles verloren scheen, hielden de Grieken +zich staande op hunne vloot, met behulp waarvan de verbinding tusschen +het middelpunt van het rijk en de eilanden en kusten nauwelijks een +oogenblik verbroken was, en werd ook telkens weder in de vertwijfeldste +omstandigheden, de buitenste omtrek en het ruwe getimmerte van de oude +Hellenen-wieg, de Archipelagus (de hoofdzee) met haar toebehooren +gered. Rondom deze wieg dus, bleef altijd een overblijfsel van het +Hellenendom bestaan, en van dit oude tehuis en geboorteplaats uit, +dat wil zeggen van uit de schepen, van uit de havenplaatsen Korinthe, +Thessalonika, Patras, Monembasi en vele anderen, verspreidde zich in +de 9de eeuw andermaal dit Hellenendom. Nadat de inval der Slaven in +den loop van 300 jaren hun aanvankelijk zoo woest karakter verloren +had, nadat zij uit roovers, verwoesters en plunderaars, landbouwers en +grondeigenaars geworden waren, toonden zij zich ontvankelijk voor de, +van de Grieksche kusten het land binnendringende, beschaving. Ook de +Grieksche wapens, voornamentlijk onder de regeering van Keizer Basilius +I, in de tweede helft de 9de eeuw, waren weder gelukkig tegen hen, +en vele der door de Slaven bezette provinciën en landschappen werden +toen weder door de Grieken heroverd. + +Eene duizenden tellende en Grieksch sprekende geestelijkheid trok de +nieuw bekeerde provinciën binnen. Kloosters en kerken werden gebouwd, +nieuwe steden en versterkte plaatsen aangelegd en in deze zetten +zich bij voorkeur weder Grieken neder. Ten gevolge van dit een en +ander verstonden en spraken de Bulgaren, die er hun intrek genomen +hadden, spoedig even goed Grieksch als Slavisch, en werden in den +Peleponnesus en aan de kuststreken van Thessalië, Macedonië en Thracië, +de Slavische namen weder òf verdrongen òf verhelleniseerd. Het nieuwe +door Grieken of Grieksch-sprekenden bevolkte Griekenland, dat zich +op deze wijze weder oprichtte, had in hoofdzaak denzelfden omvang, +als het eens door de oude Hellenen bezette land. + +Zoo viel dus toen in Griekenland iets dergelijks voor, als ter +zelfder tijd (na Karel den Groote) in Duitschland plaats greep. Ook in +Duitschland, even als in Griekenland, hadden de Slaven, tijdens hunne +eerste woeste overstrooming van eene menigte oud-Duitsche landstreken, +schier de geheele oostelijke helft van het oude Germanië met hunne +stammen gevuld. Maar ook daar werd weerwraak genomen. Karel de Groote +en de Duitsche Keizers die hem opvolgden, herstelden, terwijl zij +de binnengedrongene Slaven onderwierpen en doopten en ze dwongen de +Duitsche taal en gewoonten aan te nemen, weder de grenzen van het oude +Germanië, even als Basilius en de hem opvolgende Grieksche Keizers, +Griekenland zijne oude grenzen terug gaf. In de groote landschappen, +meer binnenwaarts in het Byzantynsche schiereiland gelegen, won de +van de kusten komende vergrieking minder voet. Daar behielden de +vele binnengedrongene barbaren hunne taal en gewoonten. Slechts nu +en dan kwamen Grieken bij hen in de steden en vestingen wonen. Ook +dit was weder juist zoo, als ten tijde der oude Hellenen, met dit +onderscheid dat nu, in stede der vroegere Macedoniërs, Thraciërs en +Illyriërs, de Slavische Bulgaren, Serviërs, Kroaten enz. de oude, +steeds barbaarsche plaatsen bewoonden, die nooit door Grieksche +schepen en kustbewoners in grooten getale bevolkt waren geworden. + +In hoofdzaak is dit, met eenige geringe wijziging zoo gebleven tot +aan den volgenden grooten inval die Griekenland trof, tot den inval +der Turken. De tusschen beide groote invallen, den Slavischen in de +6de eeuw en den Turkschen in de 14de eeuw, gelegene invallen der +westelijke volken van Europa, die onder den naam van kruistochten +bekend zijn, kunnen in eene geschiedenis van den Griekschen volkstam, +zooals ik die tracht te schetsen, niet dan van minder belang beschouwd +worden, want op taal, zeden en bloed der natie hebben zij betrekkelijk +slechts geringen invloed uitgeoefend. Ten dezen opzichte moet men +de algemeene opmerking voor oogen houden, dat de Grieken over het +algemeen als de Oostersche volken van Europa te beschouwen zijn; dat +zij als zoodanig, van oudsher minder van de Westersch-Europeesche +volken overgenomen hebben, dan zelfs van de Aziaten. In de oudste +tijden waren de volken van West-Europa, de volken van Italië enz., +ruwe barbaren, en stond de Grieksche beschaving in veel nauwere +betrekking met de toenmaals hoogst beschaafde Aziaten. De bewoners +van Italië hebben, ofschoon zij op verschillende tijden Griekenland +geheel of ten deele overheerden, de nationaliteit daar slechts zeer +weinig gewijzigd.--Zelfs de Romeinen, die langer dan 400 jaren in +Griekenland de teugels van het bewind in handen hadden, die daar +geheele volkrijke steden b.v. Korinthe uitmoordden en haar weder +met Italische (Romeinsche) burgers bevolkten, konden de Grieksche +nationaliteit niet in de hunne doen opgaan. Men vindt nu, en vond +reeds spoedig na het einde der Romeinsche opper-heerschappij, +nauwelijks hun spoor meer in Griekenland. Zij hebben geen streek +des lands geitaliseerd of geromaniseerd. Geen overblijfsel hunner +taal laat zich in Hellas bespeuren, zooals zulks in het land der +Daken of der tegenwoordige Wallachijers nog heden ten dage het geval +is. Alle Romeinsche kolonisten in Griekenland werden spoedig uit den +weg geruimd of tot Grieken vervormd. + +Datzelfde nu laat zich ook zeggen van den inval dier Italiaansche +kruisvaarders en der andere Westelijke Europeanen, die in het begin der +13de eeuw het Byzantijnsche rijk veroverden en het een tijdlang onder +elkander verdeelden. Venetianen, Genueezen, Franschen en adellijke +geslachten van andere volken van West-Europa hebben, ten gevolge dier +gebeurtenis, zich wel in Griekenland opgehouden, hebben op de eilanden +en in Grieksche kust-plaatsen vele kleine Vorstendommen gesticht en +deze korteren of langeren tijd beheerd, ja de Venetianen hebben tijdens +hunne grootste macht den geheelen Peleponnesus, de meeste eilanden +der Aegeïsche zee, verscheidene kuststreken van Noord-Griekenland, +ook Cyprus en Creta, om zoo te zeggen, in één woord dus het geheele +stamgebied der Grieken onder hunne heerschappij gehad, en toch neemt +dit niet weg dat op het karakter, op de taal en het bloed van dit volk, +de heerschappij ook dezer Westelijke Europeanen geen beslissenden +invloed gehad heeft. Alleen op de Jonische eilanden heeft de volkstaal +vele Italiaansche uitdrukkingen aangenomen, en op de Cycladen zijn +nog heden ten dage eenige nakomelingen van Fransche en Italiaansche +familiën, die de Roomsch-Katholieke kerk trouw gebleven zijn. Ook +deze Roomsch-Katholieke kerk der Westelijke Europeanen heeft even min +als hunne taal en gewoonten, ooit bij de Grieken wortel geschoten, +welke pogingen de Pausen daartoe ook aanwendden. Hier moet ik nog de +volgende opmerking, die gemakkelijk verder uitgewerkt kan worden, +maken, dat evenmin de Germanen, zoo dikwijls zij op verschillende +tijden in Griekenland verschenen zijn, het eerst als Gothen, +die geheele provinciën van het schiereiland overmeesterd hadden, +vervolgens als Noormannen, die dikwijls als Keizerlijke trawanten, +als zeeroovers, als bedreigers van Constantinopel, onder de Grieken +vertoefden, eindelijk in den nieuweren tijd als Beieren, die het jonge +Koningrijk Griekenland in de 19de eeuw organiseerden, belangrijke +sporen bij het volk of zijn karakter hebben achtergelaten. + +Na de eerste invallen der Turken in Griekenland in de 14de eeuw, en +na de verovering van Constantinopel door de Osmanen in het jaar 1453, +moesten de Grieken, zooals gezegd is, andermaal voor een vreemden +volksstam bukken en wel voor een volkstam van Aziatische afkomst. Met +betrekking tot eene politieke onafhankelijkheid, was dit eene zoo +volkomene nederlaag, als de Grieken haar slechts eens, namentlijk van +de Romeinen, geleden hadden. De Turken brachten in Azië zoowel als in +Europa, schier zonder eenige uitzondering, alle plaatsen en streken +die den Grieken toebehoorden, onder hunne macht. Het Turksche rijk +omvatte nagenoeg alles, wat het Oost-Romeinsche of Byzantijnsche +Keizerrijk ten tijde van zijn grootsten bloei bezeten had. En de +eerste daad, bij de inname van Constantinopel, scheen de Grieken als +een totaal vernietigende slag te zullen treffen. Kort na de overgave +der stad, liet de veroveraar Muhamed II, al de waardigheidsbekleders +en primaten van het door hem vernietigde Grieksche rijk, onbarmhartig +dooden, en deed overal de plaatsen der vermoorden door Osmanlis +innemen. Toen, en ook later, als de Grieken, bij hunne pogingen om +hunne onafhankelijkheid te herkrijgen, gedecimeerd werden, scheen het +nog meermalen als waren de beklagenswaardige Grieken in de holen van +den cycloop geraakt, en als zouden zij allen verdelgd en uitgemoord +worden even als de medgezellen van Odysseus. Maar even als deze +schrandere held, zoo zijn ook de buigzame Grieken weder levend uit die +holen te voorschijn gekomen. Nauwelijks had dan ook die Turksche Sultan +besloten, dat Constantinopel geen puinhoop blijven zou, dat de Grieken +ten minste als slaven en bedienden konden gebruikt worden, en dat een +nieuw gebouw van staat op de fundamenten van het oude zou opgetrokken +worden, of hij zag in, hoezeer hij de met de betrekkingen van het land +vertrouwde en in regeeringszaken bedrevene Grieken noodig had. Het +allereerst deed zich de behoefte gevoelen aan Grieksche tolken, om het +nieuwe volk te kunnen verstaan. De betrekking van rijks-opperste-tolk +werd dus weldra een zeer gewichtig ambt, dat natuurlijk in handen +der Grieken kwam. Door zulke invloedrijke Grieksche tolken, +secretarissen en tusschenpersonen werden langzamerhand de Turksche +Pacha's omgeven. Van het inwendig bestuur der christelijke kerk +verstonden de Mahomedaansche Turken nog minder, dan aanvankelijk van +de regeling der staats-aangelegenheden in hun nieuw gebied. Zoodra de +Sultans besloten waren, de Grieksche Kerk naast den Islam te dulden, +ja zelfs haar tegen den Paus en tegen het Katholieke Westelijk +Europa te ondersteunen, moesten zij ook menschen verheffen, die in +staat waren deze machtige en ver verspreide lichamen in beweging +te brengen. Zij stelden de Grieksche patriarchen en de hoogere +Grieksche geestelijkheid, in wier aangelegenheden zich te mengen +zij vernederend zouden gevonden hebben, op zulk een onafhankelijk +standpunt, als deze vermoedelijk door geene veroverende Katholieke +macht geplaatst zouden geworden zijn. De Grieken bezetten daarom, +zelfs onder de heerschappij der Turken, naar eigen goeddunken uit hun +midden niet alleen de hoogste kerkelijke betrekkingen in de eigentlijk +Grieksche steden en landstreken, maar ook bij de onderworpen volken +van niet-Griekschen oorsprong. De aartsbisschoppen en bischoppen der +Wallachijers, Serviërs en Bulgaren behoorden bijna altijd en behooren +nog heden ten dage tot Grieksche familiën, terwijl alleen de lagere +geestelijkheid uit de Slavische landskinderen zelven bestaat. + +Evenmin konden de Grieken, die van overoude tijden her, bijzonder +geschikt waren de zee te bevaren, op de Turksche vloot ontbeerd +worden. Zij maakten daarvan een zeer belangrijk element uit. De +groot-dragoman der Keizerlijke vloot was bijna altijd een Griek. De +handels-marine bleef natuurlijk van zelf in hunne handen. Uit dit +alles mag men besluiten, dat de Grieken steeds, ofschoon in Turksche +afhankelijkheid, een zeer invloedrijk volk uitmaakten. + +In zekeren zin zelfs kan men beweren, dat, met de steeds toenemende +vergrooting van het Osmanische rijk, ook het gebied van den invloed +der Grieken en van hunne taal toegenomen is, op gelijke wijze als zij +zich eens, toen zij de triumftochten van den Macedonischen Alexander +begeleidden, uitgebreid hebben. De Turken vonden onder de Grieken +in Byzantium menig voor politiek en intrigue zeer geschikt talent, +dat zij ook in hunne Aziatische aangelegenheden zeer goed benutten +konden en toen zij de groote Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachye +geheel van zich afhankelijk gemaakt hadden, werden langer dan eene +eeuw de vorsten-kroonen dezer landen aan Grieksche familiën uit +de zoogenaamde Phanar, d.i. uit dat gedeelte van Constantinopel +waar al de aanzienlijke Grieksche familiën bij elkander woonden, +toegedeeld. De Grieksche taal werd dientengevolge de gewone taal van +het hof en den adel in geheel het oude Dacië, en als zoodanig drong +zij noordelijk door tot in de Bukowina, tot in het tegenwoordig +tot Oostenrijk behoorende Gallicië, waar zij ook nog heden ten +dage geschreven en gesproken wordt. Zoo ver was zelfs ten tijde van +Alexander de Grieksche taal als volkstaal (of ten minste als taal van +een volksstam) het Skythen-land niet binnengedrongen. Toen eindelijk +de Porte langzamerhand meer met Europa vereenzelvigd, en in zekere +mate als een lid der Europeesche staten-familie beschouwd werd, toen +toonden zich ook zeer dikwijls weder de Grieken als de geschiktste +diplomatieke agenten aan de hoven van Parijs, Londen en Weenen. + +Op verscheidene onderdeden der Grieksche natie rustte het Turksche +juk in gewone tijden volstrekt niet zwaar. Verscheidene der Grieksche +eilanden, zooals die, welke aan de vrouwen van den Keizerlijken +harem slechts eene geringe schatting als speldengeld betaalden, +regelden hun bestuur naar oude Grieksche gewoonten. De Grieksche +Klephten met hunne Palikaren leefden hier en daar in de gebergten +van Thessalië en Boeotië, zoo vrij als Koningen. Andere Grieksche +gemeenten, zooals b.v. de nakomelingen der oude Spartanen, de +Mainoten, zijn nooit geheel aan de Turken onderworpen geweest. Daar +de Osmanen, zooals men gewoon is te zeggen, in Stamboel, waar zij +hunne legerplaatsen hadden opgeslagen, slechts "kampeerden", daar zij +in de binnenste gedeelten der landen zonder onderling verband, als +soldaten, ambtenaren, bezettingstroepen in de vestingen, en in allen +gevalle als spahis of landheeren verschenen, daar zij zich slechts +als trotsche veroveraars gedroegen, en zich zelden vernederden om op +stedelijke bedrijven of akkerbouw zich toe te leggen; daar zij in éen +woord in den regel niet met den vriendelijken, de volkeren het best +tot onderwerping brengenden landbouw, in alle afgelegene deelen der +landen binnendrongen, en altijd slechts als krammen of nagels in het +geheele gebouw der volken van hun rijk verschenen, terwijl het gebouw +zelf uit het oorspronkelijke materiaal bleef bestaan, zoo kan men +uit dit alles gemakkelijk afleiden, dat door hen de oorspronkelijke +gewoonten der Grieken in hare hoofdtrekken weinig veranderd werden. + +En inderdaad, als wij deze hoofdtrekken, zooals zij heden ten dage +bestaan, vergelijken met die, zooals zij nagenoeg 400 jaren voor +Christus, ten tijde van Pericles zich vertoonden, dan ziet men, dat +beide nu nog met elkander overeenstemmen, en dat al de Turken- en +Slaven-oorlogen, al de landverhuizingen, omwentelingen, verplaatsingen +en uitroeiingen van bevolkingen, daarin slechts eene nauw merkbare +verandering te weeg gebracht hebben. + +Thans nog--men kan ook zeggen nu weder--wordt de Aegeïsche zee door +een zoom van Grieksche dorpen en steden omgeven. Grieken of Grieksch +gewordene, dus Grieksch sprekende menschen bewonen den geheelen +Peleponnesus, schier het geheele Livadië of de provinciën Attika, +Boeotie, Euboea, en verderop Thessalië. Als eene smalle streek omgeeft +het Grieksche bevolkings-gebied den geheelen kustrand van Macedonië en +Thracië. Bij Constantinopel bewonen zij een vrij aanzienlijk gedeelte +van den Tracischen landen-driehoek tot Adrianopel toe, en ook wonen +zij aan weerszijden van den Propontis, van den Hellespont en van +den Thracischen Bosphorus. Van hieruit begeven zij zich, overal met +Turksche kolonien vermengd, eenerzijds oostwaarts over Sinope tot +Trebizunde, en anderzijds over Troye, Smyrna, Ephese naar Rhodus, +van waar zij ook weder oostwaarts den zuidelijken rand van Klein-Azië +innemen. Verder bewonen zij, en hier maken zij het grootste gedeelte +der bevolking uit, alle eilanden van den Griekschen Archipelagus, +alsmede Creta en Cyprus, waar hun aantal honderdduizenden bedraagt, +en eindelijk vormen zij ook het hoofddeel der bewoners in het westen +op de Jonische eilanden. + +Alleen in de westelijke helft der Middellandsche Zee, in Sicilië, +dat eens nagenoeg even Grieksch was als Cyprus en Creta; in +Zuid-Italië, waar eens eene bloeiende Grieksche kolonie, het +zoogenaamde Groot-Griekenland bestond, en verder op, in Corsica en +Zuid-Frankrijk, Spanje enz., zijn alle Grieksche volks-elementen +verloren gegaan. Maar men meent toch in de dialecten en zeden van +eenige plaatsen in het koningrijk Napels, zoo mede in eene armoedige, +vervallene wijk van Marseille, nog zelfs heden ten dage eenige sporen +te vinden die een Dorischen en Jonischen oorsprong verraden. + +Daarentegen hebben in de latere tijden de Grieken, weder even als +hunne voorvaderen met handels- en reisgeest bezield, in vele andere +steden van Europa, wanneer ook al niet zulke machtige, onafhankelijke +republieken als hunne voorouders, toch handelsnederzettingen, +kantoren en faktorijen gesticht. Deze in het overig Europa verstrooide +nederzettingen der Grieken dagteekenen ten deele reeds van de tijden +der kruistochten, die een levendig verkeer der Grieken met het +avondland veroorzaakten. In Venetië leefden al de tijden van haar +bestaan, Grieksche zee- en kooplieden. Sedert de 17de eeuw vestigden +zij nederzettingen in Moskou en weldra ook in Weenen, waar nog heden +eenige der aanzienlijkste bankiers tot deze natie behooren, en tot +waarheen zich door geheel Hongarije en Zevenburgen een uitgebreid net +van Grieksche kantoren uitstrekt. In de Zuid-Russische havensteden +Odessa en Taganrog, spelen Grieksche huizen, nog of liever weder, +zulk eene hoofdrol, dat men meenen zou, dat in deze steden het +oude Grieksche "Olbia", dat voor Christus geboorte hier eens in het +Skythenland bloeide, met veranderden naam weder opgestaan is. Ook +zijn er, sedert de tijden van Katharina, in de Krim weder Grieksche +dorpen, alsmede eene uitsluitend door Grieken bewoonde stad, het in +den laatsten Russischen oorlog zoo dikwijls genoemde Balaclava, en +eindelijk bevindt zich langs de zee van Asow eene kleine landstreek, +die met landbouwende koloniën van Grieken bezet is. + +Dat sedert de verheffing van het Grieksche volk en sedert de +herleving van zijn handel en zijne ontwikkeling, de Grieken ook +meermalen in andere streken van Europa, in Londen, Parijs, Leipzig +en op andere groote markten en punten van onderling verkeer, als +tusschenpersonen voor den handel met het Oosten, en in de Fransche en +Duitsche akademie-steden als scholieren en kweekelingen der wetenschap +verschenen, mag ik als van algemeene bekendheid rekenen. + +Even als in de grenzen van hun oorspronkelijk woongebied aan +de Aegeïsche zee, wier havens in den loop van 2000 jaren noch +vernauwd noch opgestopt raakten en die nog heden de schoonste van +het morgenland zijn; even als in hun scheepvaart- en handelsgeest, +die hen steeds de wijde wereld indreef, zijn de hedendaagsche Grieken +ook in hunnen lichamelijken en verstandelijken aanleg, in hunne taal +en in de eigendommelijkheden van hun karakter, in vele opzichten de +ouden gebleven. + +Nog heden vinden wij, en dat niet alleen bij de daarom zoo dikwijls +geprezene eiland-Grieken, de schoonste gestalten en lichaamsvormen, en +zien wij onder hen niet zelden den echt Helleenschen, zoozeer geprezen +grondtrek, juist zoo verschijnen als de werken van Praxiteles hen ons +toonen. Die "diepe ligging der oogen in gewelfde oogkassen", de "edele +vorm en de hooge bogen der oogleden, de korte opgetrokkene bovenlip, +de volronde kin, de loodrechte stand van voorhoofd en neus, de breede, +stevige nek, en vooral de door Aphrodite zelve gescheiden en gekrulde +haardos"--dit alles is nog in onze dagen bij hen geene ongewone +verschijning. Niet minder antiek is de kleeding der Nieuw-Grieken, +waarmede zij hun slank lichaam tooien. Oude schilderstukken en +beeldhouwwerken bewijzen ons voldoende, dat wat wij nu Oostersche +of Nieuw-Grieksche kleeding noemen, in menig punt niets anders is, +dan de ook bij de oude Hellenen gebruikelijke kleedij. + +De ruige wollen mantel der hedendaagsche Grieken en de Fez der Turken, +zijn afkomstig van de antieke schippersmutsen, die, op dezelfde +wijze gevormd en met dezelfde roode kleuren geschilderd, op oude vazen +voorkomen. De aloude zoogenoemde Phrygische muts wordt nu in onze dagen +door de Arkadische herdersknapen gedragen. De uit, schelpsgewijze op +elkander genaaide, zilveren munten vervaardigde borstlappen, die de +bruidschat der Livadische jonkvrouwen zijn, herinneren ons levendig aan +het borstpantser van Minerva, dat ons uit onze Musea bekend is. De vorm +der oorringen, colliers en armbanden der Nieuw-Grieksche vrouwen, hare +gewoonte om het donkere haar der bruid met goudpoeder te bestrooien, +dit alles en nog veel meer in den vrouwelijken tooi, doet ons in hooge +mate aan het antieke denken. Ook verwen zij nog heden de punten harer +fraaie vingers met eene roodachtige stof, zonder dat zij er bij denken, +dat reeds Homerus de "rooskleurige vingers" van Aurora bezongen heeft. + +De oude Phrygische kleederdracht, die bij de Grieksche kolonisten in +Klein-Azie vrij algemeen in zwang was, gelijkt somwijlen, zelfs in +de kleinste details, op die, welke wij nu Turksch of Nieuw-Grieksch +noemen, zoo b.v. komen reeds op oude schilderijen, die de geschiedenis +van Achilles voorstellen, de nu nog gebruikelijke gele en roode kleuren +der Turksche pantoffels voor. Zelfs de bekende, uit doeken en shawls +gevormde hoofddekking, de zoogenaamde tulband, was bij de Grieken reeds +lang voor de aankomst der Turken bekend. De hevige en plotselinge +uitwerking der zon in die landen, heeft van oudsher het ook bij de +mannen noodig gemaakt, zich stoffen hoofddekkingen te vervaardigen. + +Niet minder dan bij de kleederdrachten, laten zich ook bij andere +gebruiken en zeden der Nieuw-Grieken, zulke duidelijke overblijfselen +uit de oudheid aanwijzen, dat men dikwijls in de verzoeking komt +te gelooven, dat er in velerlei opzicht bij hen sedert 2000 jaren +weinig veranderd is. Zelfs kerkelijke en godsdienstige handelingen, +zooals b.v. gebruiken bij bruiloften en begrafenissen, die men +bij de verandering van godsdienst vooral gewijzigd en veranderd +zou verwachten aan te treffen, hebben verscheidene overblijfselen +uit het heidendom behouden. Even als in oude tijden, zoo wordt ook +nu nog het bruidspaar, als symbool van huwelijksgeluk, een granaat +gegeven, en even als toen, worden zij nog heden, wanneer zij hun huis +binnentreden, met rijst bestrooid, ten teeken dat hunne jaren van geluk +even talrijk mogen worden als het getal korrels. Even als vroeger +worden, bij de jaarlijksche herdenkingsfeesten der afgestorvenen, +gerst, gedroogde druiven, gebak en wijn als doodenoffer gebracht +en op de graven geplaatst. Aan de hoofdeinden worden kleine kaarsen +geplaatst, zoodat de geheele begraafplaats in den nacht door de vele +flikkerende lichtjes geïllumineerd schijnt te zijn. De oude Charon +is nog, nu even als toen, de verpersoonlijking van den dood. Ook nu +nog zijn uitdrukkingen als "Hades" en "Tartarus" gebruikelijk, en +worden zij dikwijls in de klaagliederen der eenvoudige, poëtische en +bijgeloovige herders, die in den zomer de hooge dalen van den Parnassus +doortrekken, aangetroffen. De beschouwingen der Nieuw-Grieken over het +leven na den dood, wel verre van voor de christelijke leer van het +paradijs en de hel geheel geweken te zijn, toonen zich in de poëzie +dezer natuurkinderen zeer antiek, en dit alles laat zich alleen +verklaren uit een rechtstreekschen, door gedurende eeuwen bewaarde +overleveringen, zamenhang met den heidenschen ouderdom. + +De oude hellenische dansen worden bijna allen nog heden uitgevoerd, +zoowel de militaire wapendans, als de koordans der herders en de +dans van Ariadne of de zoogenaamde "Geranos." Deze laatste nu, de +"Romaika" geheeten, is een der merkwaardigste overblijfselen van +oud-Hellenischen oorsprong. "De figuren van dezen dans, die door +zang begeleid wordt, herinneren nog heden, even als voor Christus +geboorte, aan de dwaalgangen van het labyrinth, waarin Theseus, door +den draad van Ariadne geleid, het monster tegemoet ging. De angst +van de beminde van Theseus teekent zich duidelijk af in de pantomime +der jonge voordanseres, die, een witten doek zwaaiende, de lange +rij harer gezellinnen, aanvoert, en de bloemenketen der meisjes, +wier hoofd en sieraad zij is, nu eens uit elkander dan weder bij +elkander wenkt." Homerus beschrijft dezen dans in heerlijke verzen, +als een der voorstellingen, die op het schild van Achilles figuurlijk +waren aangebracht. + +Hetzelfde wat wij van de dansen der meisjes gezegd hebben, valt ook +bij de spelen der knapen op te merken. Zoo b.v. het Astragalus-spel, +waarbij in ouden tijd ongemakkelijk slagen vielen, en bij welk +spel Patrokles, toen hij het met den zoon van Amphidamas speelde, +het ongeluk had dezen te dooden, waarom hij de vlucht nemen en +bescherming zoeken moest in het huis van koning Peleus, waar hij +vervolgens zijne zoo beroemde vriendschap sloot met Achilles, den zoon +des konings. Volgens getuigenis van den Duitschen hoogleeraar Ulrich, +spelen de Nieuw-Grieksche kinderen aan den Helicon nog heden ten dage +dit in dichterlijke verzen verheerlijkte spel, naar dezelfde regelen +en met dezelfde klassieke stooten en historisch gewordene slagen. + +De Grieksche oude vrouwen bereiden nog even als vroeger toovermiddelen, +waardoor eertijds de Thessalische vrouwen zich zoo beroemd of liever +berucht maakten. Knoflook, die reeds in de Odyssea van Homerus, Hermes +als tegenmiddel tegen de toovenarijen van Circe aanwendt, wordt den +Griekschen kinderen van onze dagen als amulet om den hals gehangen, +om de kracht van het booze oog op hen onschadelijk te maken. + +De landbouw-gereedschappen en huishoudelijke benoodigdheden hebben zoo +geheel den antieken vorm, dat de hedendaagsche Grieksche boerenwoningen +onze musea van de meest echte modellen zouden kunnen voorzien. Zelfs +de herdershonden dezer Nieuw-Grieksche boeren gelijken op de beroemde +Mollossische kudde-bewakers, die wij in de gallerijen van Florence en +van het Vaticaan, door meesters der oudheid afgebeeld en uitgeschilderd +zien. De watervaten der tegenwoordige Thessalische vrouwen hebben +eene opvallende overeenkomst met de antieke vazen, en dragen ten +deele ook nog dezelfde namen als deze. + +Even als dit alles, is onder anderen ook de ronde handspiegel +met handvat, die wij in de handen van zoo menig marmeren Venus +zien, onveranderd gebleven. Evenzoo de handmolens, waarvan zich de +Grieksche vrouwen op de eilanden, terwijl zij hunnen arbeid met gezang +begeleiden, tot het malen van het graan bedienen, en nog ontelbare +andere zaken uit het dagelijksch leven. + +Nog interessanter dan dit alles echter is het, dat de echo der oude +taal, dien welluidenden en tevens manlijken tongval, van de schoonste, +edelste en rijkste taal, die ooit door menschelijke lippen gesproken +werd, ons uit dit land duidelijk en zuiver in de ooren klinkt. Waar +is het echter, dat de tegenwoordige Nieuw-Grieksche of Romanische +taal, even als een fraai standbeeld, dat eeuwen lang in den grond +begraven lag en door de oude elementen vervreten werd, verscheidene +veranderingen ondergaan heeft; zij heeft het een en ander uit het +Slavisch, het Turksch en het Italiaansch overgenomen. Wat hare +syntaxis betreft, is zij vervormd en veranderd. Ook is het accent, +waarmede de taal tegenwoordig wordt uitgesproken, eenigzins vreemd, +misschien Slavisch. Opmerkenswaardig is het, dat zij alle sporen van +het verschil der oude dialecten verloren heeft. Volgens het oordeel +van eenige geleerden zou zij zich alleen uit het Aeolisch dialect +ontwikkeld hebben. In haar wezen is zij echter dezelfde gebleven, +en kan zij met veel meer recht de oude Grieksche taal genoemd worden, +dan men b.v. het tegenwoordige Italiaansch met het oude Romeinsch mag +gelijk stellen. Ook is het tegenwoordige Duitsch verder verwijderd +van het oude Gothisch, dan het hedendaagsche Russisch van het oude +Slavisch, dan het dialect der Atheners van onzen tijd van de taal +der tijdgenooten van Homerus. + +Het Grieksch wordt nog heden met dezelfde letters geschreven als +vroeger. Ja, de Grieksche dorpelingen beschrijven het papier nog op +dezelfde wijze--op de knie, op lange reepen, die zij vervolgens even +als de ouden oprollen. + +Nog heden worden in deze schoone taal volksliederen gedicht en +gezongen, waarvan Goethe getuigd heeft, "dat geene andere natie iets +dergelijks kan aanwijzen." De vrijheids-hymnen, die in het begin +dezer eeuw een Rigas zong, hebben een blijvenden roem verworven. + +In het dialect van vele Nieuw-Grieksche dal-bewoners zijn niet alleen +Oud-Grieksche woorden bewaard gebleven, die bij de spreektaal der +Byzantijnsche Grieken niet meer bekend zijn, maar men treft er zelfs +verscheidene wortelwoorden aan, die ouder zijn dan de ons bekende +Oud-Grieksche schrijftaal. + +De Grieksche taal is in al deze opzichten in Europa eenig in hare +soort. Zij is, in haren rijken vorm, ouder en minder veranderd dan +eenige andere. Want in denzelfden tijd, waarin het Grieksch zich +in zoo hooge mate duurzaam gelijk bleef, hebben vele der andere +Europeesche talen niet alleen verscheidene malen hun alphabet +veranderd, maar hebben zij zich ook op eene zonderlinge wijze +gewijzigd, en verscheidene er van hebben zich te midden van al deze +veranderingen en wijzigingen eerst gevormd. Deze omstandigheid alleen +bewijst voldoende, dat de Grieken, door hunne beschaving en hunne taal, +steeds weder de hun land binnendringende barbaren ten onder brachten, +en dat er ook ten allen tijde nog Grieken genoeg overgebleven moeten +zijn, om deze tenonderbrenging mogelijk te maken. + +Zelfs de sagen, mythen en verhalen, die het volk elkander in zijne +taal verhaalt, de geheele dichterlijke stoffeering, waarmede zij die +omkleedt, zijn nog heden ten dage veelal de oude. In den Peleponnesus +b.v. verhalen de boeren elkander tegenwoordig nog de geschiedenissen +van de daden en verrichtingen van Herkules, welke geschiedenissen zij +vastknoopen aan de nabijgelegene holen en moerassen, en nog heden ten +dage zou een Grieksch dichter uit hunnen mond even goed het thema voor +eene "Herakleïde" kunnen verzamelen, als de oude mythedichters zulks +uit den mond hunner voorouders deden. Den naam Herkules verwisselen +zij echter daarbij met dien van een held der Christenheid, namentlijk +met dien van den heiligen Johannes. + +Het allerminst erkent men den verheven, vaderlandslievenden, +spoedig in geestdrift ontstokenen, tot de schoonste deugden in staat +zijnden nationalen geest der oude Hellenen, in het karakter der +tegenwoordige, als sluw en in handel en wandel slecht te boek staande +Nieuw-Grieken. Maar ook hierin hebben zij veel meer overeenkomst met +de ouden, dan de algemeene meening wel toegeven wil. Geslepenheid, +listigheid, sluwheid en veinzerij, die den Nieuw-Grieken schier +door iedereen ten laste gelegd worden, en die men gewoonlijk aan +de onderdrukking der Turken en aan het juk der Slaven toeschrijft, +waren volgens de getuigenis van Homerus ook reeds den ouden Hellenen +in hooge mate eigen, en de vindingrijke Odysseus was met al die +hebbelijkheden en daarenboven met lust tot stelen, lust tot rooven +en sluwe overredingskunst begaafd. Deze ondeugden der Nieuw-Grieken +zijn dus ook uit de oude tijden naar onze dagen overgebracht. + +Aan den anderen kant munten, trots de onderdrukking en het slavenjuk +der Turken, de Nieuw-Grieken nog heden ten dage even als de Ouden uit +door levendigheid van gevoel en phantasie, gemoedelijkheid, scherpte +van geest en vroolijkheid! Liefde voor hun te huis op berg en eiland, +en tevens groote lust zich, als de baren der zee, te verplaatsen, +bezielt hen even als hunne voorouders, en aan roemrijke voorbeelden +van practischen zin en heldhaftige zelfopofferende verdediging van het +vaderland, heeft het in den nieuweren tijd even weinig ontbroken als +in den ouden, evenmin als ook aan aanleidende oorzaken voor ijverzucht, +partijwoede en eene hartstochtelijke wraakoefening. + +Naast de grootste intriganten, vindt men soms nog in het tegenwoordige +Griekenland, de eerlijkste en rechtschapenste mannen; naast de +slechtste karakters en de grootste ondeugden, menschen met zuiveren, +vasten wil, ja zelfs met den meest grootschen heldenmoed. Ik behoef +slechts Andreas Miaulis, wiens gebeente naast het gedenkteeken voor +Themistocles rust, een Lazarus Konduriotti te noemen, namen die +velen van ons zich nog uit hunne jeugd herinneren, als voorbeelden +van dappere, trouwe en eerlijke mannen, van mannen bezield met een +vasten wil. Een Johannis Kolettis is zelf door zijne vijanden voor +het edelste karakter van Griekenland verklaard, even als zulks in +oude dagen ook met Pericles het geval was. Ja! in de asch van schier +iederen Nieuw-Griekschen stam, als een of ander groot ongeluk dien +trof, is nu en dan eene vonk van heldenmoed opgegloeid, die duidelijk +genoeg bewees, dat de oude geest nog niet verdwenen was. + +De lust tot geleerdheid en wetenschappen is bij de Grieken nimmer +uitgedoofd geworden, en zelfs toen de onderdrukking der Turken in +Constantinopel het zwaarste was, waren er nog altijd eenige Grieksche +afstammelingen, bij wie beschaving en wetenschappelijke ontwikkeling +traditioneel waren, en uit wier midden nu en dan groote geleerden +opstonden, heldere koppen, die veel licht om zich heen verspreidden +en zelfs in het Westen de aandacht tot zich trokken. Zelfs in de +vorige eeuw, toen de Turksche opperheerschappij alles in een diep +duister hulde, hebben oude reizigers bij de behoeftige naburen der +Akropolis, een naklank en een nasmaak van het beroemde oude Attisch +zout en vernuft ontdekt. + +In den nieuwsten tijd heeft zich het geheele volk, in zoo verre het +vrij werd, weder op de studie toegelegd; de lust tot leeren en tot +onderwijzen is herleefd, even als vroeger, zijn hooge- en volksscholen +in haren boezem verrezen. + +Ook met betrekking tot de schoone kunsten, is de volksaanleg nooit +geheel verloren gegaan. Reeds zeer spoedig nadat zij vrij geworden +waren, hebben de Nieuw-Grieken zich op dit gebied eenigen nieuwen roem +verworven.--De Grieksche vrouwen stonden steeds bekend als de beste +borduursters van geheel Turkije, terwijl hare mannen beroemd waren +als aanleggers van tuinen; deze wisten door zorgvuldige aanplanting +van vruchtboomen, aan menige Oostersche stad fraaie wandelwegen +te bezorgen. De aristokratische kunst van Praxiteles, die eens de +roem en de trots der oude Grieken was, is den nakomelingen nimmer +geheel vreemd geworden. Een tak der beeldhouwkunst die in Griekenland +steeds in eere gehouden werd, is de kunst in hout te snijden. De muze +der Grieksche schilderkunst, heeft in de schaduw der Kerk wel een +kommervol leven geleid, maar toch was zij in de midden-eeuwen begaafder +dan hare zusters in alle andere overige landen der christenheid, en +toen in het begin van de dertiende eeuw de Franschen, de Venetianen +en de andere, het kruis dragende barbaren, eens voor korten tijd +het Grieksche Byzantium veroverden, toen begonnen zij kort daarna +de Grieken na te apen en met kleuren te dichten. De zoogenoemde +Italiaansche schilderscholen der 14de en 15de eeuw, vereeren die +Grieksch-Byzantijnsche muze als hare moeder. En nu weder in den +nieuweren tijd, na den vrijheidsoorlog, worden verscheidene Grieksche +jongeren dezer muze, ook in het buitenland met eere genoemd. Zelfs +heeft eene Griekin, de dochter van een Primaat van het eiland Spezzia, +Bukuris, in Italië bewonderaars voor hare schilderstukken gevonden; +en in de muziek heeft onder anderen de Griek Chalkiopulos composities +geleverd, die op alle Grieksche eilanden gezongen worden. Intusschen +moet men deze kunstproducten en talenten der Nieuw-Grieken, in +vergelijk met die welke hunne voorvaderen ons achterlieten, nog zeer +gering schatten en niet meer dan als eene kiem beschouwen op den grond, +waarop eens zoo rijk de muzen bloeiden. + +Derhalve is het ook zeer begrijpelijk, dat de hedendaagsche +Nieuw-Grieken in hunne overleveringen spreken over de roemrijke +verrichtingen hunner voorvaderen, als over daden van een +Titan-geslacht, en dat zij in hunne sagen al datgene wat hun van dat +geslacht ter oore kwam, vermengden met de mythen van de wereld in rep +en roer brengende Cyclopen en reuzen. De Nieuw-Grieken toonen op een +hunner voorgebergten den grafsteen van zulk een Oud-Griekschen Titan, +dien zij "Hellenos" noemen. De geest van dezen Hellenos--ik bedoel +de krachtige geest van het oude Hellas,--waarheen onze beschouwing +ons nog eens terugvoert--die van eene even onvergankelijke en eeuwig +jeugdig blijvende natuur schijnt te zijn als Griekenlands Goden zelven, +is tot den huidigen dag op Aarde nog nimmer geheel onderdrukt geworden. + +Veeleer is hij, heldendaden grooter en schooner dan die van een +Alexander verrichtende, het buitenland doorgetogen, en heeft hij +overal, zelfs terwijl zijn eigen volk sluimerde, de natiën, die hem +verblijf gaven, en waar zich haar zin met den zijnen vereenigde, +verkwikt, verheugd, gelukkig gemaakt en versterkt. Immers de +geheele bloei der ontwikkeling en beschaving van de Arabieren in de +middeleeuwen, ontstond voornamentlijk uit eene vereeniging met dien +ouden Helleenschen geest. De oude Grieken waren de onderwijzers der +Arabieren, die hunne werken in de door hen veroverde provinciën zonden, +ze lazen, in hunne taal overzetten en in hunne scholen invoerden. En +ook het licht, dat toen van het Moorsche Spanje op het overige +barbaarsche Europa viel, was niets dan eene terugkaatsing van den +glans aan de Helleensche zon ontleend. + +Even als bij de Arabische ontwikkeling, zoo was ook bij de Europeesche +zoogenaamde wedergeboorte der wetenschappen, in de 15de eeuw, +die naar het buitenland verdrevene Titan Hellenos degene, die bij +deze wedergeboorte behulpzaam was, ja zelfs was hij de opvoeder en +vader. Want toen de Turken in het jaar 1453 Constantinopel veroverden, +en de voortvluchtige Griek Laskaris van daar de werken van Hesiodus, +Euripides, Sophocles, Aeschylus, Aristophanus, Plato, die het +ongeletterde Europa schier niet anders dan uit Arabische vertalingen +kende, in de zuivere oorsponkelijke taal overbracht naar Italië, waar +zij kort daarna gedrukt werden; toen ontbrandde eindelijk in Europa +weder een nieuw, helder brandend en verwarmend licht. De menschheid, +die nu uit de oorspronkelijke bron van de Grieksche wetenschap putte, +wierp de middeleeuwen ter zijde, en begon andermaal met behulp van +Socrates, Plato en zijne landgenooten, dezen ontwikkelder, dezen +zachter, dezen veel christelijker nieuweren tijd. + +Sedert dien tijd heeft ons die geest der Hellenen niet weder +verlaten. Sedert dien tijd zijn de Grieken, die het goddelijke in den +mensch, inniger dan eenig ander volk, gevoelden en openbaarden, in zoo +velerlei zaken weder modellen geworden, en het oud-klassieke Grieksche +zijn is met ons geheele leven zoo zeer samengevlochten, dat het schijnt +alsof wij het volstrekt niet ontberen konden, en het slechts in ons +nadeel ontberen zouden. Het schijnt dat wij gevaar zouden loopen achter +uit te gaan, als wij niet altijd met de Grieksche oudheid in verbinding +bleven. Staat niet de oude Grieksche geest onzen historici, wien +Thucydides steeds een onbereikbaar voorbeeld was,--onzen philosophen, +die van Plato en Pythagoras de impulsie tot hunne nieuwe ideeën en +onderzoekingen ontvingen,--onzen sterrekundigen, voor wie een Griek +Aristarchus reeds 300 jaren v. Chr. het Copernikaansche zonne-stelsel, +met de zon in het midden, als hypothese vastgesteld heeft,--en +onzen natuuronderzoekers, die hetgeen zij weten lang en bijna +uitsluitend uit Aristoteles en Ptolomeus putten, en nu nog dikwijls, +van hen veel nieuws en veel dat nog niet opgemerkt werd leeren, ter +zijde? Staat hij niet met zijne inspiratiën, achter onze politici, +onze staatsbestuurders, onze volks-vertegenwoordigers?--verzekeren +ons niet dagelijks, om een afdoend bewijs te leveren, de beste en +welsprekendste redenaars, die van het Engelsche parlement, dat zij +in het bad der Grieksche Hippokrene zich versterkten en bekwaamden +tot den strijd voor vrijheid en recht? + +Maar het grootste wonder heeft de reizende en rusteloos werkzame +Hellenos, deze _eeuwige_ Griek, deze met hemelsch licht stralende +broeder van den somberen Ahasverus, den eeuwigen jood, deze altijd door +rijke zaden uitstrooiende en zegen verspreidende geest, gewrocht voor +de herleving der kunsten. Ja, in dezen zin, op dit hun uitsluitend +eigen veld, zijn de oude Hellenen nog grootscher geweest, maar +zijn zij helaas! nog in mindere mate tot ons gekomen dan op eenig +ander. Zij hebben in woord en in kleur, met penseel en met beitel, +zooveel prachtige kunststukken gewrocht, dat als wij ze nog bezaten, +wij er al onze steden mede zoude kunnen versieren en ze rijkelijk +van voorbeelden voorzien. Wat hun penseel schiep, wat hunne lier +melodieus te voorschijn bracht, is schier alles vergaan en verbleekt, +en zelfs van hunne steenen en metalen werken zijn slechts enkele +brokstukken, kapiteelen en torso's overgebleven. En toch spreekt uit +deze overblijfselen hunner scheppingen eene zoo volmaakte schoonheid, +een zoo krachtige geest, dat schier iedere ontdekking en uitgraving +van een enkel brok, van eene enkele torso, van een Venus van Milos, +van een Apollo van Belvedere, of van een Laokoon telkenmale groote +sensatie bij de ontwikkelde wereld teweeg brengt, ja! men zou kunnen +zeggen, een tijdpunt in onze kunstenaars-ontwikkeling aangewezen of +gemaakt heeft. + +De gezamenlijke en zoo verblijdende nieuwste bloei van Europeesche +kunst is in den grond, even als de Macedonische, de Romeinsche en +Arabische geestesontwikkeling, de Italiaansche schilderscholen der +13de eeuw, en de wedergeboorte der wetenschappen in de 15de eeuw het +geweest is, wederom een voortbrengsel van den, uit zijn graf herrezen, +Griekschen geest. + +Inderdaad, hetgeen door deze Grieken voortgebracht is, moet ons +met verbazing vervullen; vooral, wanneer men alles nagaat, wat zij +tot de beschaving van het menschelijk geslacht hebben bijgedragen, +en onze bewondering wordt des te grooter, wanneer wij opmerken, +dat zij daarbij van buiten af, wel eenige maar toch over het geheel +zoo weinig hulp kregen, en dat zij veeleer de helpers en redders +van ons allen werden, en zij nagenoeg alles oorspronkelijk uit zich +zelven hadden, het uit hun eigen brein schiepen en weldra, snel en +met energie den geheelen Olympus als met den stormpas veroverende, +alles tot de grootste volmaking gebracht hebben. + +Volmondig mogen wij het getuigen, terwijl wij aan het slot dezer +beschouwing nog eenmaal zien naar dat kleine zeebekken, aan welks +oevers ik mijne lezers de wieg en de oude woonplaatsen der Grieken +toonde: daar aan den Archipel, daar begon ons Europa, daar liggen +de wortelen onzer beschaving; van deze, ik mag wel zeggen, heilige +zee (_Agio-Pelagos_) waar voor ons geestelijk leven, vrijheid, +en zedelijkheid opgingen; van daar zijn de zaden der humaniteit +overgewaaid tot naar het uiterste Noorden en Westen van ons werelddeel, +en vervolgens naar de nieuwe wereld en over onze geheele planeet heen. + + + + + + +DE OSMANEN. + + +In de twee groote schiereilanden van Griekenland en Klein-Azië, +die slechts door eene nauwe zeeëngte van elkander gescheiden zijn, +zien de beide werelddeelen Europa en Azië tegelijker tijd elkander +in het gezicht. Het is, alsof de vaste landen hier hunne gespierde +vuisten uitsteken, om òf elkander te omhelzen òf de zwaarden met +elkander te kruisen. + +De lotgevallen dezer beide schiereilanden, zijn ten alle tijde nauw aan +elkander verbonden geweest. Het eene (het Westelijke) diende meestal +den Europeanen als sterkte en als haven tegen de Aziatische volken, +die hunnerzijds steeds het Oostelijke als brug tot hunne tochten en +marsenen naar Europa bezigden. De volkeren, die over deze brug heen +op elkander stieten, en tot groote rijken samensmolten, waren, in 't +algemeen en over het geheel genomen, schier altijd dezelfde. Aan de +eene zijde de oude Europeesche volken, de Grieken, de Illyriërs, de +Romanen, de Slawen, met zeer verschillend volks-leven; aan de andere +zijde de West-Aziaten, de Syriërs, de Perzen, de Arabieren enz. met +hun eentoonig levens-type, met de despotische staatsinrichtingen van +het Oosten. + +Alleen de hegemonie der beide hier strijdende partijen is in den loop +der tijden verwisseld. Eerst stonden aan de spits der Europeanen +de Hellenen, daarna de Macedoniers en nog later de Romeinen. En de +Aziatische banier werd eerst door een Perzischen Koning, later door +de Kalifen en eindelijk door de Turksche Sultans gevoerd. + +Meesttijds behaalden, gedurende de twee duizend jaren van strijd, +de Europeanen de overwinning en behielden zij het overwicht. Het +gelukte den Achaeërs Troje te verwoesten, in Klein-Azië bloeiende +koloniën te vestigen en later den aanval van den grooten Koning van +Iran af te slaan. Onder Alexander den Groote stortten zij den Grooten +Heer zelven van zijn troon aan den Euphraat, en heerschten zij voor +eeuwen over het geheele Westelijk Azië, eerst onder de opvolgers van +den Macedoniër, later met en onder de Romeinen en eindelijk weder +onder de Byzantijnsche Keizers. + +Geen West-Aziatisch rijk met Oostersch despotisme van eenige +uitgestrektheid, heeft zich op den duur, noch in de oudheid noch in +de middeleeuwen, in Oostelijk-Europa kunnen vastnestelen. Eerst in +een lateren tijd, heeft het merkwaardig volk der Osmanen, den door +de Atheners zoo zeer gevreesden triumf der Aziatische Groote Heeren, +aan deze zijde van den Hellespont weten te behalen. + +Naar taal, bloed en zeden behoorden deze Osmanen oorspronkelijk tot +dien grooten volksstam, die in Europa gewoonlijk de _Turksche_ genoemd +wordt, en die, even als de Mongolen, Tunguzen en Finnen, wederom +een tak is der nog grootere volkeren-groep, die onze etnographen +als de Tataarsche of Turanische, ook wel als de "hoog-Aziatische" en +"Altaïsche" aangeduid hebben. + +De traditiën en de mythen, aangaande den oorsprong van al deze volken, +wijzen naar den Altaï, het hooge midden-gebergte van Azië, aan de +grenzen van China en Rusland, heen. De Turken, die zich zelven +als stamverwanten dezer Mongolen, Tungusen en andere nomadische +volksstammen van Midden-Azië, erkennen, hebben over hunne afzondering +van hunne broederen, de volgende mythe of sage, die misschien op +een historischen grond berust, maar voor het overige, zooals men +gemakkelijk opmerken zal, zeer poëtisch opgesmukt werd. + +Eens, zoo vertellen de Turken, bij de verwoesting van een grooten +nomadenstam (namentlijk die, welke door de oude Chineesche schrijvers +het rijk der Noordelijke Hunnen genoemd wordt), ontkwamen aan het +algemeene bloedbad slechts twee jonge Hunsche of Tartaarsche Prinsen, +Kaian en Ragos, met hunne vrouwen. Zij verzamelden de overgeblevene +gereedschappen, kameelen, paarden en kudden hunner verslagene vrienden +en trokken Noord-Westwaarts, naar de hooggelegen schuilhoeken van +het Altaï-gebergte, om daar een toevluchtsoord te vinden. Terwijl +zij steeds dieper en dieper dit gebergte introkken, ontdekten zij +ten laatste een uiterst smal spoor, dat aan de voetstappen van het +bergwild zijn ontstaan te danken had, en zoo eng was, dat slechts één +ruiter tusschen de kloven en afgronden passeeren kon. Het gemsen-spoor +dat zij volgden, bracht hen eindelijk in eene aangename, breede, +met beken doorsneden en van rijke weiden voorziene, hoog-vlakte. In +deze welkome en moeielijk toegankelijke plaats vestigden zij zich +met hunne kudden, bouwden zij hutten en tenten en leefden daar vele +jaren, in den winter van vleesch, in den zomer van melk en wilde +vruchten. Zij gaven hunne woonplaats den naam "Erkene-Kom", dat is, +het dal van het hoog gebergte. + +De nakomelingschap dezer beide Nomaden-Prinsen, van buiten ongestoord +en aan geheel de overige wereld gansch onbekend, nam aanzienlijk in +aantal toe en verdeelde zich in verscheidene stammen of horden. Nadat +zij zoo vier eeuwen in hunne schuilplaats geleefd hadden, en deze +hun met hunne groote kudden te klein geworden was, besloten zij in +eene algemeene volksvergadering, even als de Joden uit Egypte, de +wijde wereld weder in te trekken. Maar hunne ouden hadden de plaats +vergeten, waar zich het beroemde smalle bergpad bevond, waarlangs +hunne voorvaderen vluchtende zich hierheen begeven hadden. En alle +nasporingen naar dat pad, in de hemelhooge steile rotswanden, die +hun "Erkene-Kom," deze bakermat van alle Turksche stammen omgaven, +waren te vergeefs. "Men moest daarom tot andere middelen zijne +toevlucht nemen."--Een hoefsmid vond, nadat hij de steile rotswanden, +die als even vele muren het dal omgaven, opmerkzaam gadeslagen had, +eindelijk eene plaats, die niet zoo dik was als de overige, en waar +des te gemakkelijker een doorgang te maken zou zijn, daar zich hier +alleen ijzer-houdende rotsen bevonden. Op zijn raad werd hier een +groot vuur aangelegd. Zeventig groote blaasbalgen werden aangebracht +en met behulp er van smolt men het metaal weg, zoodat er eene bres +en een smallen doorgang gevormd werd, waardoor een beladen kameel +passeeren kon. Zoo trok nu het geheele volk onder aanvoering van +hunnen toenmaligen Chan of Hertog, "Bertezena" genaamd, de wereld in +en stortte zich als een lang bedwongen bergstroom over het omliggende +land uit. Zij zonden gezanten aan alle omwonende stammen en boden +hun bijstand en bescherming aan, wanneer zij hunne weiden afstaan +en zich aan hen onderwerpen wilden. Verscheidene dier stammen, die +zich verbonden hadden om tegenstand te bieden, sloegen zij terug, +en zoodoende werden zij spoedig een groot en machtig volk, uit wiens +schoot vele beroemde geslachten en machthebbers ontsproten zijn. + +Later werd nog lang het aandenken aan den wonderbaren uittocht uit +het dal "Erkene-Kom", bij alle Turksche volken door een jaarlijksch +feest gevierd; zij maakten dan in een groot vuur met vele blaasbalgen +een groot stuk ijzer gloeiend, waarop de opperste Chan den eersten +hamerslag, en na hem alle andere hoofden der horden eveneens een +hamerslag moesten doen. Ofschoon nu dergelijke verhalen,--zooals er bij +de Aziatische volken vele bestaan over den aard en de wijze van hunnen +oorsprong--niet in al hunne bijzonderheden als geschiedenis mogen +beschouwd worden, zoo geven zij toch in het algemeen tamelijk zuiver +aan, hetgeen ontelbare malen gebeurd is, en zijn zij zelfs in hunne +poëtische opsieringen, als het karakter en de phantasie der volken die +deze mythen met zich omdragen, aanduidingen die verdienen opgemerkt te +worden. Ook bezitten zij als onderwerpen van het latere volksgeloof, +ten minste de waarde eener _subjectieve_ historische waarheid. + +Van de op verschillende wijze over de landen ten Westen van het +Altaï-gebergte verspreide volken, waren verscheidene, reeds lang voor +onze Osmanen, langs andere wegen naar Europa gekomen. + +De eerste invallen van Turksche volken in ons vasteland geschiedden +niet over Klein-Azië, maar noordwaarts van de Zwarte zee door +Rusland. De Osmanen, de Polowzer, de Petschenegen en na hen +verscheidene andere horden, die in de 13e eeuw met Tschingis-Chan +naar Europa kwamen, en daar meer of minder duurzame rijken stichtten, +behoorden tot dit ver verspreide ras der Turken. Maar de namen der +Noordelijke Turken zijn meerendeels lang verdwenen, en slechts geringe +overblijfselen er van wonen nu nog in de Krim, in het Uralische +gebergte en aan de Wolga. Van al de verschillende stammen zijn de +Osmanen de eenigen, wien het gelukt is een blijvenden indruk op +Europa te maken, en zelfs ten lange laatste in den Europeaanschen +volks-Areopagus zitting en stem te verkrijgen, even als ook van +de tallooze Finsche stammen de Magyaren, als de ontwikkeldste en +begaafdste, in macht en roem uitgeblonken hebben. + +De voorgangers en broeders der Osmanen in Azië, de Seldschukische +Turken, die daar in de 11de eeuw, uit de overblijfselen van het +Kalifaat, een machtig rijk stichtten, zijn naar Europa zelf nauwelijks +overgekomen, ofschoon zij wel de heerschappij der Europeanen in Azië, +nog voor van Osmanen sprake was, zeer beperkten. Zij ontnamen den +Byzantijnschen Grieken vele hunner Aziatische provinciën, die hun +onder de Arabische Kalifen nog gebleven waren. Ook waren het de door +de Seldschukische Turken gestichte rijken, met welke de Westelijke +Europeanen, ten tijde der kruistochten in strijd geraakten. De groote, +langdurige strijd der Europeanen met de Turken in deze streken, +begon dus eigentlijk reeds in de 11de eeuw in het binnenste van +Klein-Azië, met die Seldschuken, die ook reeds de halve maan in hun +vaandel voerden en van wie de Osmanen dit teeken overerfden. + +De kruistochten golden schier allen bij uitstek Turksch-Seldschukische +Sultans, en daar zij, met betrekking tot hun voornaamste doel (de +verchristelijking van Westelijk Azië) zonder gevolgen waren, daar zij +den voornaamsten schutsmuur van Europa tegen Azië, het Byzantijnsche +rijk, nog meer verzwakten, zoo hebben deze onbekwaam aangevoerde +kruistochten zeker niet weinig er toe bijgedragen, den Turken, +den Islam en het Oosten de poorten van ons werelddeel te openen. De +Turksche veroveringstocht naar het Westen zetten de Osmanen voort, +daar waar hunne broeders de Seldschuken, (die op hun tocht en zelfs +nog voor zij Europa bereikten, uit elkander gespat waren) die hadden +moeten opgeven. + +De sage die de Osmanen hebben, aangaande hunnen bijzonderen +oorsprong en hunne afscheiding van de andere Turksche stammen, +herinnert eenigzins aan het eerste begin van Rome. Eene wolvin en een +Sabynsche maagdenroof spelen er de hoofdrol in. Hunne voorvaderen, +zoo luidt de Osmanische mythe, die als vreedzame weide-bezitters +aan de oevers der _Westelijke zee_ (de Kaspische zee) leefden, +werden door een naburigen, wilden stam, die ouderdom noch geslacht +verschoonde, aangevallen, uit hunne haardsteden verdreven en te +gronde gericht. Slechts een kleine knaap, die de vijanden voor dood +in een meer ge- worpen hadden, ontkwam. Een dier der wildernis, eene +wolvin, had medelijden met den jongen knaap, haalde hem uit het water +en zoogde hem, die tot stamvader der Osmanische Turken bestemd was, +even zooals ook eens eene wolvin aan Romulus en Remus dienzelfden +dienst bewezen had. Onontdekt leefde de jonge herder met zijne wolvin +in een eenzaam hol, groeide op tot een man en verwekte bij eene +eveneens voortvluchtige vrouw 10 zonen. Nadat deze tot jongelingen +opgegroeid waren, roofden zij zich vrouwen van naburige stammen en +vermeerderden hun geslacht. Toen het dal overbevolkt raakte, rukten +zij, met een wolfskop op hunne vaandelstokken, tegen hunne vijanden op +en vervulden onder dit teeken den omtrek met vrees en ontzetting. Dit +geschiedde in de alleroudste tijden. Maar zelfs nog in het begin der +13de eeuw, 300 jaren voor het tijdpunt waarop zij eene macht zouden +vormen die drie werelddeelen verontrustte, waren de Osmanen, even +als eens het volk Israël onder Abraham, niets meer dan eene horde +van slechts weinige duizende beredene herders en herderskinderen, +die vluchtende voor de invallende Mongolen, zich uit de provincie +Korassan en uit den omtrek der Kaspische zee op weg begaven naar het +Westen, en al vluchtende over Armenië naar Klein-Azië kwamen. + +Uit dezen weinig talrijken ruitertroep, die onder weg door deserteurs +en naar huis terugkeerenden nog aanzienlijk verminderde, ontstond +het groote Osmanische rijk; even als uit de muren van een Sabynsch +stadje de, de geheele bekende wereld onderwerpende, Romeinen; even +als uit een bijna onmerkbaar aan den horizon verschijnend wolkje, +een storm ontstaat, die langs den geheelen hemel trekt. + +Even als bij vele vluchtelingen, die uit hun vaderland verdreven de +wijde wereld voor zich open zagen, en door dezen aanblik buiten zich +zelven geraakten, zoo ontwaakte ook bij dit, tusschen de oude steden +van het land langs den Eufraat dwalende hoopje roofzuchtige herders, +weldra een geweldige lust naar heldendaden, roem en schatten. Hunne +aanvoerders droomden al vroegtijdig, even als de stamvaders der Joden, +van roem en grootheid voor hun volk.--Ertogrul, een dezer dikwijls +genoemde allereerste machthebbers en eerste horden-aanvoerders, +droomde eens gedurende een zijner legertochten, dat hij in zijne tent +een fraaie heldere bron zag ontspringen, die met steeds toenemende +kracht, in haren onstuimigen loop, tot eene groote rivier aangroeide +en toen wijd en zijd het land overstroomde. Een zijner wijze Sheiks +leide den droom zoo uit, dat aan Ertogrul weldra een heldhaftigen zoon +zou geboren worden, die het volk tot groote daden zou aanvoeren.--En +nog fraaier en duidelijker droomde daarna deze zoon zelf, Osman +(vrij omineus--beender-breeker--de Turksche naam voor een roofvogel, +den koningsarend)--de meest gevierde held van het naar hem genoemde +volk der Osmanen. + +Als jongeling in liefde ontstoken voor de dochter van Edebalis, +een ouden Sheik, scheen het den jongen Osman op een avond, na het +eindigen van zijn gebed, toe, alsof hij den grijzen vader zijner +geliefde naast zich zag rusten, en alsof de wassende maan schitterend +uit den boezem van den oude opsteeg, om zich weldra als volle maan +in zijn eigen (Osman's) boezem te verbergen. Op de plaats echter, +waar de volle maan verdwenen was, groeide een prachtige boom met +uitgestrekte takken, beladen met kostelijke vruchten, en onder zijn +lommer rustte het _heelal_ met al zijne bergen en dalen, rijke weiden +en fraaie rivieren, provinciën en steden, bewoond door eene werkzame +bevolking, die zich in de schaduw van den prachtigen boom in haar +bestaan scheen te verheugen. Osman ontwaakte in het volle genot van +dit prachtig gezicht, en schilderde vol verbazing het fraaie tooneel, +dat hij in zijn droom gezien had, aan zijn ouden vriend. Deze, die +tot nu toe zijne dochter aan den jongen avonturier geweigerd had, maar +nu in den droom een teeken des Hemels meende te zien, ten gunste der +vereeniging van zijn huis met dat van Osman, en er den toenemenden +bloei der vereenigde stammen uit opmaakte, gaf zijne toestemming +tot eene verbintenis, waaruit het werkelijk schitterend geslacht der +machtige Osmanische Sultans, als eene reeks meteoren ontsproot. + +Nagenoeg alle sagen en verhalen der Osmanen, die op de kindsheid van +hun volk betrekking hebben, zijn van zeer vromen, zeer phantastischen +en prophetischen aard. Ook hebben hunne geschiedschrijvers (want +deze heeft dit volk steeds vele voortgebracht) er voor gezorgd, +dat wij de ontwikkeling en den weg der natie, van af de woestijnen +van Turan, over den Euphraat tot aan den Bosphorus, voet voor voet +beter kunnen volgen, dan die van den oorsprong en vooruitgang van +vele andere Aziatische volken. + +De nu nog in het Turksche rijk bekende en door het volk bezochte en +vereerde graven hunner eerste Sultans, zijn tegelijkertijd de merkpalen +en gedenksteenen op hunne zegebaan. Suleiman, de grootvader van Osman, +die zich te paard in den Euphraat stortte om zijne horde een weg te +banen, werd aan den oever dezer afgelegene rivier begraven. Ter eere +van zijn zoon, den bovengenoemden Ertogrul, werd door de zijnen, eene +halve eeuw later een grafsteen opgericht, 200 mijlen westelijker aan +de oevers der rivier Sangarios, in het midden van Klein-Azië. En de +kleinzoon eindelijk, Osman, de grondvester der Turksche macht, vond +zijne rustplaats reeds zeer dicht in de nabijheid van het Europeesche +zeegebied, in het zoogenaamde "zilveren gewelf" der Bithynische stad +Prusa, wier omtrek het eerste vaste stamgebied en de wieg van het +Osmanische rijk werd. + +Tot zoolang was de horde, onder het verrichten van vele heldendaden, +rusteloos door het noordelijke deel van Klein-Azië, om de in het zuiden +nog machtiger staten der Seldschuken, en deels in dienst van deze, +rondgeslopen. Hier echter in het oude Bithynië en aan de grenzen van +Azië en Europa, waarheen de arm der Seldschuken niet meer reikte en +waar de Byzantijnsche macht niet meer bloeide, nestelden zij zich +onder Orchan, den beroemden zoon van Osman, en zetten als frissche +voortroepen der machtelooze Seldschuken, het eerst in hunne oudste +koningsstad Prusa, vasten voet, even als eene wig, die zich rechts +en links in beide werelddeelen wilde indringen. + +Van daar uit hebben zij om zich heen gegrepen, zoowel westwaarts naar +Europa dat vóór hen, als oostwaarts naar Azië dat achter hen lag. + +Daar het westen voor hen lag en zij aanvankelijk met hunne +stamgenooten, de Seldschuken, op vriendschappelijken voet leefden, +zoo keerden zij het eerst hunne wapenen bij voorkeur tegen ons vaste +land. Nadat zij de kleine Byzantynsche stadhouders en leenroerige +vorsten, en de Grieksche vorsten aan den Hellespont en aan de +zee van Marmora, den een na den ander overwonnen hadden, gingen +zij in het midden der 14de eeuw naar Europa zelf over. Zij kwamen +daar gedeeltelijk als vrijbuiters, die hier en daar rooftochten +ondernamen en onderlinge twisten der Byzantijnen met kracht van +wapenen onderdrukten, gedeeltelijk ook als vrienden en trawanten der +Grieksche Keizers, die deze dappere ruiters tegen hunne oproerige +stadhouders of tegen-keizers in dienst namen--eindelijk ook als +vreedzame landverhuizers, die reeds lang voor zij de stad innamen, in +Constantinopel eene zeer bevolkte kolonie bezaten--weldra echter ook, +nadat zij het masker van vriendschap afgelegd hadden, als gebiedende +veroveraars, die reeds in het jaar 1358 een hunner vorsten, Suleiman, +den hoopvollen kleinzoon van Osman, aan deze zijde van den Hellespont +een grafteeken, het eerste dezer soort, bouwden. Van het graf van dezen +jongeren Suleiman uit, drongen zij al ras, de eene Grieksche stad +na de andere wegnemende, de Europeesche landen dieper in, en reeds +weinige jaren later, in het jaar 1361, bestormden zij Adrianopel, +de grootste provinciestad der Grieken, waar zij hunnen Sultans hunne +eerste Europeesche residentie oprichtten. + +Alle omgelegene Grieksche en Slawische volken bogen zich nu weldra +voor hunne sabels, die een hunner aanvoerders vergeleek bij eene +wolk, die over Europa heentrekkende, bloed in plaats van regen +vergiet. Van hier uit ontnamen zij het oude Grieksche rijk om zoo +te zeggen zijn wortels en takken, eer zij den stam, de drievoudig +ommuurde hoofdstad, velden. In het jaar 1389 vernietigden zij, in +den bloedigen volkenslag op het Amselfeld, de vereenigde macht der +Serviërs, Bulgaren, Walachijers en Hongaren, en verspreidden zij zich +nu over bijna het geheele schiereiland heen. + +Eindelijk, in het midden der volgende eeuw, in het jaar 1453, nadat +zij de stad aan alle zijden omsingeld, het geheele vaartuig om zoo +te zeggen onttakeld hadden, bestormden zij den romp van het oude +Byzantium, vertraden zij geheel en al het laatste nog stuiptrekkende +lid van het Romeinsche rijk, dat achter de muren van eene enkele stad, +als een slak in zijne schulp kruipende, zijn einde vond, even als het +eens, uit de enge muren eener enkele stad, zijne vang-armen over de +geheele wereld uitgebreid had. + +Hier, aan den gouden horen, in het brandpunt van het verkeer tusschen +Azië en Europa, waar de Turksche Sultans hunne tweede en blijvende +Europeesche residentie vestigden, werd nu de schitterende droom van +den heldhaftigen horden-hoofdman Osman bewaarheid. De Osmanische +macht groeide onder eene reeks krachtige, talentvolle en gelukkige +Vorsten, van Mohammed II tot Selim II, in het tijdsverloop eener eeuw +inderdaad tot zulk een reusachtigen boom aan, die de volken van drie +werelddeelen, de beroemdste en gezegendste landen van den aardbol +overschaduwde, zooals Osman het in zijn droom gezien had. + +De aanvankelijk zoo kleine horde, die slechts weinige duizende +koppen telde,--daar zij deels in zich zelve vermeerderde,--deels hare +broeders, de Seldschuksche Turken, wier rijken het een na het andere +opgeslokt werden, in zich opnam,--deels echter ook altijd onder de +onderworpene volken rekruteerde en vele, tot den Islam bekeerden met +den geest der Osmanen vervulde, en hen met dezen naam vereerde--zwol +tot een machtigen stroom van verscheidene millioenen aan, die +overal de woonsteden der uitgemoorde of in slavernij weggevoerde +oorspronkelijke bevolking in bezit namen--die zich als grondeigenaars +en grondbezitters in de Europeesche rijksleenen verspreidden, die als +bevelhebbers en bezettingstroepen alle steden van Syrië, Mesopotamië, +Egypte, ja zelfs de geheele lange noordkust van Afrika binnentrokken. + +Ten tijde van hun toppunt van bloei en macht in het midden der 16de +eeuw, nadat zij onder hunnen vreeselijksten Padischa Suleiman den +Prachtigen, ook Hongarije veroverd en zelfs de Duitsche Keizerstad +Weenen aangevallen hadden, toen het hof van den Turkschen Sultan het +prachtigste van zijn tijd geworden was, strekte in Europa hun rijk +zich noordwaarts uit tot aan de Karpathen, westwaarts tot aan de Alpen +en tot dicht bij Venetië, en oostelijk over Zevenbergen en Moldavië +door geheel zuidelijk Rusland heen, zoover de ruiterscharen van hunnen +vasal, den Chan der Krimsche Tartaren, hunne strooptochten ondernamen. + +Nagenoeg anderhalve eeuw, gedurende de 16de en een gedeelte der +17de eeuw, bleven zij op deze hoogte. Van dien tijd af dagteekent +zoowel het verval hunner innerlijke energie als hunner uiterlijke +macht. Weinige groote en krachtige mannen verschenen meer onder +hen. De Sultans verweekelijkten in de harems, waarin zij hunne +opvoeding ontvingen. Familietwist en broedermoord bevlekten meermalen +de treden van den troon. Even als bij de heerschers geen bepaalde wet +aangaande de troonsopvolging bestond, zoo had zich ook bij het volk +geen oud-adelijk element, op geboorte en vast grondbezit gegrond, +gevormd. Hebzucht, roofgierigheid, omkoopbaarheid begonnen meer en +meer bij de Turken veld te winnen, en ondermijnden de vroeger zoo +geprezene maatschappelijke deugden. + +Niet zoodra tastte die stilstand en verrotting het inwendige aan, +of de tot nu toe in ontzag gehoudene naburen begonnen met meer +geluk tegen de Turken te opereeren. Het geheele oostelijk Europa, +de Duitschers, de Polen, de Russen traden krachtig op. Kleine +christen-legers sloegen nu somwijlen Turksche legerscharen, die +dubbel zoo sterk waren, op de vlucht. Zelfs de vroeger zoo gevreesde +Janitscharen boezemden geen schrik meer in. Oostenrijk, dat Hongarije +bevrijdde, herstelde en met zijne staten vereenigde, knakte in de 17de +eeuw de Turksche macht het eerst aan den Donau. Hem volgde Rusland, +dat in den loop der 17de en 18de eeuw de Tartaarsche Vorstendommen +Kasan en Astrachan veroverde, tot aan den Kaukasus en de Zwarte zee +doordrong, en ten laatste zich ook de Turksche vasallen in de Krim, +alsmede alles wat de Turken aan gene zijde van de Pruth bezaten, +onderwierpen. In onze eeuw werden--hoofdzakelijk met behulp van +Rusland--de Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachije, de Serviërs, +de Montenegrijnen en eindelijk de Grieken, binnen de grenzen van het +oude Hellas, van de opperheerschappij der Turken bevrijd. + +En in al deze bevrijde landen, die zij slechts als militairen +bezet hadden, waar zij naast de inboorlingen slechts als soldaten +gewoond hadden, zonder in de vele betrekkingen en handwerken van +het burgerlijke leven in te dringen, zijn zij nu zoo goed als +spoorloos verdwenen. Slechts vele treurige ruïnes getuigen van +hunne vroegere aanwezigheid. Gebouwen en kunstproducten hebben +zij niet achtergelaten, dan hier en daar de ingestorte muren eener +vroegere Turksche vesting--of ook op de marktplaatsen in de steden +waterleidingen en bronnen, van welke nuttige zaken de Osmanen zeer +groote vrienden waren--ook op menige plaats, b.v. in de stad Ofen, +midden onder de weder opbloeiende christelijke kerken, het graf van +een Mohammedaanschen heilige, waarheen nu en dan nog wel eens een +vrome Turk langs den Donau eene bedevaart maakt. Levende getuigen, +landbouwende kolonisten, burgerlijke handwerken uitoefenende +gemeenten, zijn van hen daar onder de christelijke heerschappij niet +achtergebleven, zooals dat bij hunne stamgenooten, de Turksche Tartaren +in de Krim, in Kasan en Astrachan, wel het geval geweest is. + +Duidelijker zouden wij, als zich dit zoo gemakkelijk nagaan en van +de inboorlingen onderscheiden liet, de indrukken hunner vroegere +aanwezigheid vinden in de zeden, taal en het karakter der hun eens +onderworpene en nu bevrijde natiën. Zoowel in de Hongaarsche, als in +de Walachijsche, Servische en Nieuw-Grieksche taal zijn verscheidene +Turksche woorden ingeslopen, en hiermede natuurlijk, daar vreemde +woorden nooit zonder vreemde begrippen komen, ook menige Turksche +voorstelling en denkwijze. Hongaarsche schrijvers der 17de eeuw klagen, +dat in den tijd der Tursche heerschappij, bij den Hongaarschen en +Zevenbergschen adel, veel in de dagelijksche gewoonten en huiselijke +inrichtingen, Turksch geworden is, en daarvan zou men nu ook nog +overblijfselen kunnen vinden. Dat ook de Wallachijers, de Grieken +en Serviërs, den invloed van den despotischen druk der Turksche +heerschappij nog niet geheel overwonnen hebben, daarover is dikwijls +geklaagd geworden. + +Ook in eenige der den Sultan nog direct onderworpene provinciën, +krijgt men heden ten dage nog slechts zelden een echten Osmanischen +Turk te zien. In het door de Slawen bewoonde Bosnië b.v., is wel de +adel van het land mohamedaansch en in zijne zeden Turksch, maar naar +de afstamming en de taal bestaat deze adel toch uit oorspronkelijke +Slawen. + +Ook in de overige Europeesche provinciën, die de Turken +nog heden in bezit hebben, in Bulgarije, Macedonië, Thracië, +Albanië, enz. is de grond- en landbevolking Slawisch, Grieksch, +Albaansch enz. en de zoogenaamde Osmanen hebben daar slechts, om +zoo te zeggen sporadisch verdeelde woonplaatsen. Zij wonen in de +steden als burgerlijke en militaire ambtenaren en op het land als +grondbezitters, slechts zelden als zelf arbeidende dorpsbewoners +en nijvere handwerkslieden. Zamenhangende, uitsluitend door Osmanen +bewoonde landschappen, vindt men in geheel Europeesch Turkije slechts +enkele. In de steden zullen zij nagenoeg de helft der bevolking +uitmaken, en in het geheel mag men het getal echte Osmanen in geheel +Europa bezwaarlijk op meer dan 1 1/2 millioen stellen, waarvan het +grootste gedeelte bij elkander wonende in Constantinopel gevonden +wordt. Daar ter stede zijn nagenoeg een half millioen ingezetenen, +die tot de Osmanlis gerekend worden. + +Beproeven wij nu de zeden en de eigenaardigheden van het karakter +te schetsen van dit merkwaardige volk, dat tijdens zijn bloei eens +geheel Europa deed beven, en dat ook nu nog, alhoewel niet zoo zeer +door dreigende macht, als wel door de vraag wie van zijne zwakte +voordeel zal trekken, geheel Europa bezig houdt. Wij moeten nog +daarbij in de eerste plaats onderscheiden, wat zij oorspronkelijk +in hun eigenlijk vaderland waren, en wat zij in den loop der tijden, +bij hunne verbreiding over zoovele landen en bij hunne aanraking met +zoo vele verschillende volken, geworden zijn. + +Het eerste en voornaamste geschenk, dat de Osmanen na hunne eerste +ontmoetingen met hunne West-Aziatische naburen ontvingen, was de +godsdienst van Mohamed. De oorspronkelijke godsdienst der Turken +in hunne Aziatische steppen was een ruwe natuurdienst, waarbij zij +voornamelijk de vier elementen: vuur, water, lucht en aarde vereerden, +en tevens aan een hoogsten geest des hemels paarden en schapen +offerden. De Islam kwam in hunne oorspronkelijke woonplaats reeds tot +hen door de Arabieren en Perzen. Deze waren gewoon alle gevangenen, +die zij in hunne oorlogen met de naburige nomadische roofstammen +maakten, tot den Islam te bekeeren, en deze bekeerden, als zij in +hun vaderland teruggekeerd waren, weder hunne stamgenooten. Reeds +omstreeks het jaar 1000 na Christus, waren op deze wijze verscheidene +nog nomadische Turkenstammen goede Mohamedanen geworden, terwijl ook +verscheidene nog het oude Schamanendom aanhingen, en weder andere +door de Chineezen zelfs tot Buddhisten gemaakt waren. + +Onze Osmanische Turken waren reeds lang ijverige aanhangers van den +Profeet, toen zij uit de vlakten langs de Kaspische zee naar het Westen +togen. Door den Islam hebben zij veel van dien godsdienstigen ernst, +die alle Oosterlingen van oudsher kenmerkte, overgenomen. Even als +bij de Hebreërs en bij de Arabieren, is ook bij hen de invloed van den +godsdienst op zeden, zin en werkzaamheid der natie, veel opvallender +dan bij de Europeesche volken, en even als bij hen, schijnt ook bij +de Osmanen al hun doen en denken, om zoo te zeggen, van godsdienst +doortrokken te zijn. + +Streng en met nauwgezetheid vervulden zij ten allen tijde hunne +godsdienstige verplichtingen en de waarneming der met deze +samenhangende gebruiken. En zelfs nu nog is er moeielijk iets +plechtigers te bedenken, dan de gebeden der Turken in de kerken, die +zij op eene in het oog vallende demoedige wijze, en geheel vervuld met +vrome voornemens, verrichten. De daarbij heerschende plechtige stilte +en de indrukwekkende ernst, vervullen zelfs den christen-toeschouwer +met eerbied. Doodstil, zacht en barrevoets als bedelmonniken, sluipen +de mannen--eerwaardige, oude, witgebaarde grijsaards en achter hen +hunne gehoorzame knapen en jongelingen--nader, zinken op de tapijten +der moskee op hunne knieën, slaan als boetvaardige zondaars op hunne +borst, en vervallen in stomme bespiegeling en aanbidding van den +Onzichtbaren, of luisteren aandachtig naar de gebeden en toespraken +van hunnen Iman. + +De uiterlijke godsdienst is bij hen, nagenoeg onveranderd, tot op +onze dagen dezelfde gebleven. Een echt orthodoxe Osmanli beschouwt +nog heden de pest als eene straffe Gods, die het nutteloos en zondig +is te trachten te ontwijken; hij draagt geen parapluie of zonnescherm, +daar het hem zondig schijnt de zegen van Allah van zich af te houden, +en hij geeft kleerborstels van plantaardige stof de voorkeur boven +de gewone, daar de Koran de aanraking verbiedt van alles wat van het +zwijn komt. Hun eerbied voor den Koran is zoo groot, dat zij aan het +bloote lezen er van wonderen toeschrijven. Naar hunne meening worden, +door het lezen van sommige plaatsen uit den Koran, ziekten genezen, en +het zonderlingste daarbij is, dat de psychische invloed van het vrome, +ernstige geloof aan de onfeilbaarheid hunner heilige schriften, op hen +werkelijk dikwijls eene merkwaardige geneeskracht uitoefent. Ontelbaar +zijn de middelen om in de toekomst te lezen en even talrijk die, om +zich voor booze invloeden te vrijwaren. Zij overtreffen daarin nog de +heidensche Romeinen van den ouden stempel. Even als deze lezen zij +het goede of kwade uit de ingewanden van pas geslachte dieren--doen +voorspellingen uit de vlucht der vogels--hebben geluk en ongeluk +aanwijzende uren en dagen, die met nadruk door de astrologen in hunne +kalenders worden aangegeven, en geen Osman zal eene reis ondernemen, +een huis bouwen, zich in het huwelijk begeven of iets anders gewichtigs +ondernemen, zonder zich eerst over het gunstige van het oogenblik +en de constellatie der sterren overtuigd te hebben. Is hij ziek, +of hebben kwade droomen hem droefgeestig gestemd, dan verschaft +hij zich van den Iman een pot, die van binnen met verscheidene +spreuken uit den Koran beschreven is, vult dien met water, laat de +met inkt geschrevene spreuken in het water oplossen, en drinkt dan, +in het heiligste vertrouwen op eene goede uitwerking, deze vloeibaar +gewordene heilige spreuken op. + +Het dak van zijn huis, de voorsteven van zijn schip, de muts zijner +kinderen, de hals van zijn paard, de kooi zijner vogels, alles behangt +hij met amuletten en tegenmiddelen tegen "het booze oog" of tegen +andere betooveringen. Veel van dit bijgeloof stamt nog uit de steppen +en uit den tijd van het Heidensche nomaden-leven af. Echt Mohamedaansch +echter, en dit is hun door den Islam aangebracht en hebben zij +met alle aanhangers van den Profeet gemeen, is hun onwrikbaar en +hun bijzonder eigen geloof aan een onafwendbaar fatum; een geloof, +dat hen eenerzijds zoo onbuigzaam en overwinnend, maar aan de andere +zijde ontoegankelijk maakte voor eene toenemende ontwikkeling. + +De overtuiging, dat in den slag, te midden van een kogelregen, +geen schot hen treffen kon, dat niet door God voor hen bestemd was, +boezemde den Turken een onoverwinlijken moed in. Maar het denkbeeld, +dat God alles hier beneden regelt en leidt, onafhankelijk van eenige +menschelijke inmenging, maakte hen tevens werkeloos en loom. In +gelukkige dagen verhoogde dit geloof de kracht van den veroveraar, +maar in dagen van ongeluk vervulde het hem met zoo groote gelatenheid, +dat hij het verval en de ontaarding van zijn volk met onverschillige +oogen aanzag. + +Zich schikkende in alles, wat hem ook overkomen mag, leeft de Turk +rustig daarheen, zijne grootste voldoening, zijn zekersten troost +vindende in het bewustzijn, dat, wat de toekomst hem ook brengen +moge, het reeds te voren bepaald is. Maakt het ongeluk hem arm en +wordt hij daardoor gedwongen afstand te doen van geriefelijkheden, +waaraan hij sedert jaren gewoon is, verliest hij zijn eenigen zoon, +zijn liefste kind: nimmer zal hij morren. "God is groot! Hij gaf het, +hij nam het ook."--Een minister valt--een stadhouder wordt ter dood +veroordeeld. Zonder tegenspraak geeft hij zijne betrekking en zijn +leven op, en smeekt alleen dat men hem den noodigen tijd moge laten +om zijn gebed te verrichten. Ofschoon zij even als andere menschen +toegankelijk zijn voor teedere aandoeningen en diep gevoel, voeden +zij toch nimmer eene smart op eene wijze die schadelijk is voor +gezondheid en geest, en duurzaam zedelijk lijden, blijvende storingen +in de werkzaamheid van den geest, vindt men derhalve zelden bij de +Turken. En de zich in het leven openbarende gelatenheid, verlaat hen +ook niet in de smartelijkste ziekte en in het laatste uur. Bij geen +volk heeft de dokter, wanneer zijne geneesmiddelen niet helpen, zoo +weinig verwijtingen te wachten dan bij de Turken. Zij verontschuldigen +hem altijd daar mede, "dat het Allah's wil niet was." + +In tegenstelling met de talentvolle maar geslepene Grieken, prijst men +de eenvoudige, ongekunstelde rondheid en de oprechte eerlijkheid der +Osmanlis, die van oudsher gewoon zijn, zonder omwegen hunne meening +te zeggen. Zij mijden de slingerpaden, die de vleiende Zuidelijke +Oosterlingen (de Arabieren en hunne naburen de Perzen) zoo gaarne +bewandelen.--Zij praten weinig en wat zij zeggen, zeggen zij langzaam, +duidelijk en met uitdrukking, zoodat ook geringe zaken met hen spoedig +afgedaan worden. Wat b.v. een Turksche koopman zegt, geldt bij hem +als het eerste en laatste woord; afdingen is hem onbekend. + +Men ziet het reeds aan hun uiterlijk, dat zij een heerschersvolk +waren. Hun gang is statig. In al hunne bewegingen zijn zij afgemeten +en deftig. Slechts zelden verraden zij uiterlijk, wat hunne ziel +innerlijk aandoet. Waar wij hardop lachen, daar speelt om den mond +der Osmanen slechts een glimlachje. Waar wij in de handen klappen, +daar geeft hij zijn bijval slechts door een licht hoofdknikken te +kennen, of wèl blaast hij den rook zijner pijp wat harder uit. + +"Het gemis aan alle aristokratische kasten- of klassenwezen bij de +Turken is oorzaak, dat niet alleen den hooggeplaatsten, maar ook zelfs +den geringsten onder hen, een zekere zweem van voornaamheid eigen +is. Behalve het onderscheid aan de verschillende ambtsbetrekkingen +verbonden, zijn alle Turken gelijk, en geen stand is zoo hoog, of ieder +kan dien, wanneer geluk, talent en omstandigheden hem begunstigen, +bereiken. De arme en de eenvoudige onder hen, is van nature hoffelijk +en waardig. Hij vergeet en verhoovaardigt zich nooit. Hij schijnt het +bewustzijn te hebben, dat hij, ofschoon in eene hut geboren, in een +paleis sterven kan. En met deze mogelijkheid voor oogen, schijnt hij +altijd zoo te handelen alsof het uur der standsverwisseling reeds +geslagen was. Dit maakt het onderling verkeer tusschen de Turken +zeer gemakkelijk. Men ziet den Bey, wanneer hij niets te doen heeft, +zonder complimenten naast den arbeider, de effendi naast den visscher +plaats nemen, als waren zij voor hetzelfde lot geboren. Bij iedere +heugelijkheid, bij ieder familie-feest of openlijke plechtigheid, +staan de deuren der rijken en grooten veel meer open voor de geringen +en armen dan bij ons." + +Ofschoon de misslagen hunner krijgslieden hen bij ons als hardvochtig +en wreed bekend hebben doen staan, zoo kan men toch in tijd van vrede, +den Turken eene groote neiging tot weldoen en eene geneigdheid tot +medelijden, niet ontzeggen. Zij zijn in staat voor hunne gunstelingen +alles te wagen, hunne slaven behandelen zij als hunne kinderen. Zij +schijnen de oude grondstelling der Romeinsche veroveraars: "_De bellare +superbos et parcere subjectis_" [1] tot het uiterste in praktijk +te brengen. De weerbarstigen werpen zij onbarmhartig ter neder; +de onderworpenen liefkoozen zij. Vandaar ook hunne groote liefde +voor onschuldige kinderen. Niet tevreden met hunne eigene kinderen, +nemen zij ook zeer gemakkelijk en dikwijls, hulpbehoevende kinderen +en weezen aan. Deze aangenomene kinderen noemen zij "_kinderen der +ziele_." Ook de zeer te roemen hartelijkheid, waarmede zij hunne +moeders behandelen, vindt zijn oorsprong in dezelfde bron. Dat is +ook de oorzaak dat de moeder van den Sultan, de zoogenaamde Sultane +Valide, de tweede persoon in het rijk is. + +Zij, die in den oorlog koelbloedig zooveel Christenbloed vergoten +hebben, zijn niet in staat dieren te kwellen. Zij bezitten een hun +aangeboren medelijden met alle stomme creaturen, en bovendien beveelt +de Koran zelf hun, bijen, mieren, kraaien, zwaluwen en visschen te +ontzien. Wanneer een Europeesch reiziger, bij de eene of andere +gelegenheid, voor pleizier een vogel schiet, dan wordt hij door +zijne Turksche reisgenooten beschuldigd van moord. In de nabijheid +der Turksche dorpen in Klein-Azië, vindt men vogelkooien opgericht +waarin oude arenden die niet meer verder kunnen, of patrijzen wier +vleugels lam werden, of ooievaars die een poot gebroken hebben en +die men opgevangen heeft, op algemeene kosten verpleegd en gevoed +worden. De Turken zullen het ontzien, een lam dat nog niet gespeend is +te slachten, om het gejammer van het moeder-schaap niet te hooren. De +paarden worden bij hen als kinderen opgebracht en gevoed, en in plaats +van ze aan de zweep te gewennen, zijn zij gewoon zacht toegesproken te +worden; aan hals en manen zijn zij, even als de kinderen, van amuletten +voorzien om ze tegen booze invloeden en tooverij te vrijwaren. + +Daardoor was en is ook nog nu een weerspanning en koppig paard eene +groote zeldzaamheid bij de Turken, en vroeger was het bekend, dat +wanneer paarden van dat karakter in de oorlogen met de Hongaren, +Duitschers, Polen en Russen opgevangen werden, zulke buitgemaakte +wildzangen onder de zachte tucht der Turksche stalmeesters, weldra +zoo zacht en gewillig werden, dat zij vol vreugde hunnen meester +tegenhinnikten en voor hem de knie bogen, om hem des te gemakkelijker +te laten opstijgen. Ook nu nog laat de voorname Turk, wanneer hij de +lente op het land doorbrengt, gaarne onder een boom in de nabijheid +zijner paarden-weide, eene tent opslaan, en ziet hij van daar vol +genoegen uren lang naar het spelen, het vechten, en het springen +zijner veulens en merriën. + +De Turken hebben zich evenmin als schoolmeesters en opvoeders der +jeugd, hardvochtig of tijranniek getoond. Zelfs in de merkwaardige +opvoedings-gestichten der trawanten van den Sultan en der Janitscharen, +waren de tucht en de orde wel streng, maar men kende in deze +inrichtingen zulke paedagogische dwangmiddelen niet, als men tot op +onze dagen in christelijke landen voor heilzaam hield, zooals ketenen, +plak, donkere kelder en slechte ligging met water en brood. De eenige +straf, stokslagen, mocht slechts zelden toegepast worden, en het getal +der slagen was dan nog zeer beperkt; ook zijn de stokstraffen bij de +Turken nooit met zooveel gestrengheid, nooit in zoo groote hoeveelheid +en zoo onbarmhartig, toegepast geworden als b.v. bij de Russen, +en het is niet zelden gebeurd, dat Turksche krijgsgevangenen bij de +Russen, wanneer zij zich aan de daar heerschende discipline moesten +onderwerpen, luide naar de in Turkije in zwang zijnde rechtspraak +terug verlangden en deze zeer roemden. + +Een zeer voordeelig licht over de gemoedsgesteldheid der Turken, +werpt de hartelijkheid en aandoenlijke wijze, waarmede zij hunne +dooden herdenken. Hunne kerkhoven zijn altijd met bloemen en welig +groeiende cypressen versierd, en gewoonlijk in bekoorlijke dalen of +op liefelijke heuvelen gelegen, waar wij eene villa, een klooster +of een lusttuin zouden aanleggen. Op feestdagen zijn die kerkhoven +de gewone verzamelplaatsen van het volk, waarop de kinderen naast +de graven hunner voorouders spelen, terwijl de volwassenen zich +in het genot der frissche lucht, hunner pijp en hunner ernstige +herinneringen verheugen. Ook zijn de Osmanen groote vrienden van stille +familie-feesten in den kring der hunnen, en eenige dezer feesten, +b.v. het jaarlijks in iedere huishouding terugkeerend tulpenfeest, +zijn van zeer liefelijken aard. + +De natuur heeft evenmin het hoofd als het hart der Turken +stiefmoederlijk bedeeld. Zij zijn niets minder dan dom en +onleerzaam. Veeleer munten zij in den regel uit door een vlug begrip +en vooral door een sterk geheugen. Niet zoozeer hunne ongeschiktheid +staat hun bij hunne ontwikkeling in den weg, als wel hun gebrek aan +werkzaamheid. De onveranderlijke traagheid waarin zij verzonken zijn, +houdt hunne talenten in banden. Het ontbreekt hun aan voortdurenden +ijver, aan lust tot werken, aan de rustelooze nieuws- en weetgierigheid +der Europeanen, om met hunne goede begaafdheden iets groots tot stand +te brengen. + +Zij zijn niet, zooals wij, gewoon te wedden en te wagen, om het geluk +na te jagen. Voelen zij zich door de omstandigheden bevoordeeld of +is de wind hun gunstig, dan laten zij zich dit welgevallen en leven +zij gaarne in gemakkelijke en kalme rust heen. Dientengevolge munten +zij ook daardoor uit, dat zij, in tegenstelling met de Europeesche +natiën, geen geluks- of hazardspelen kennen, zooals dat toch anders +bij hunne onderdanen, de Grieken, Walachijers en Slawen, dikwijls +het geval is. Zelfs hunne jeugd doet aan geene weddingschappen en +kent geen wedstrijden, geen beproeven der wederzijdsche krachten in +gymnastische spelen en wedloopen. Den dans houden zij geheel beneden +hunne waardigheid; hoogstens laten zij zich door hunne vrouwen of hunne +odalisken iets voordansen. Evenzoo worden ook de andere kunsten, die +voortdurende oefening vereischen, door hen niet beoefend. Ofschoon +zij gaarne muziek hooren, beoefenen zij haar even weinig als den +dans. Grieken en Armeniërs zijn hunne muzikanten en voorzangers, en +verwonderd zien de Turksche grooten het aan, dat de afgezanten onzer +Koningen in Constantinopel schilderen of piano spelen, en vragen zij: +waarom zij toch zelve zich met die zaken bemoeien, daar zij immers +rijk genoeg zijn om zelf een troep muzikanten te betalen. + +Alleen op de dichtkunst hebben zij zich toegelegd. Zij bezitten niet +alleen vele lieve volksliederen, maar zij hebben ook menig uitstekend +dichter en eene niet arme literatuur voortgebracht. De beroemde +Duitsche schrijver der Turksche geschiedenis, de heer von Hammer, +heeft eene bloemlezing in vier deelen, uit de werken van niet minder +dan 2200 Turksche dichters samengesteld, die echter niet alle eene +bekrooning op het Kapitool waardig zijn. + +Vooral hebben de Turken--iets dat bij een volk dat zooveel roemrijke +daden verricht heeft, zeer natuurlijk is--zich meermalen op het +schrijven van geschiedenis toegelegd en hebben zij vele historici +voortgebracht. Ja! zij hebben zelfs sedert 300 jaren--en daarop kan +zich niet iedere Christelijke staat beroemen--de vaste betrekking +van een rijks-geschiedschrijver gehad, wiens plicht het is, de +gebeurtenissen, oorlogen, vredesverdragen en inwendige veranderingen op +te teekenen. Toch beschrijven deze Turksche historici de geschiedenis, +even als hunne gedichten, op eene, den Perzen, Arabieren en meest allen +Oosterlingen, eigendommelijke, zeer weidsche manier. Een overzicht +over de bloemrijke titels hunner geschiedkundige werken toont zulks +ten duidelijkste aan. Wat onze prozaïsche geschiedschrijvers eenvoudig +een "geslachtsregister" noemen, heet bij hen: "een rozenkrans der +rechtvaardigen" of "een bloementuin der besten." Wat wij eenvoudig weg +eene "wereldgeschiedenis van de vroegste dagen tot den laatsten tijd" +noemen, daaraan geven zij den hoogdravenden naam van "de golvende zee +en de rijk stroomende bronnen in de wetenschap der eerste en laatste +dingen." Eene "verzameling van biographiën" wordt bij hen verfraaid tot +een "rozenbundel uit den tuin der kennis van de menschen." En als wij +een boek in 8 hoofdstukken deelen, dan verdeelen zij het liever in even +zoo vele "bloem-perken" of wel "paradijzen." Deze zelfde hoogdravende +en weidsche stijl, hebben zij ook bij de titulatuur hunner beambten +ingevoerd, en dientengevolge draagt bij hen, wat wij een "page" +noemen, den naam van "een dienaar van het kleed der gelukzaligheid" +of een opperhof-meester "een heer der poort van genade en eere." + +Eenvoudiger en nuchterder, dan zij zich in hunne gedichten en +geschiedboeken toonen, zijn de Turken in de sedert oude tijden +bij hen gebruikelijke spreekwoorden, die een schat van practische +levenswijsheid aanbieden, en vele bewijzen van een gezond verstand, +fijne opmerkingsgeest en menschenkennis bevatten. + +Vooral de echte oud-Turksche, nog uit den nomaden-tijd afkomstige +spreekwoorden, die men aan vorm en inhoud gemakkelijk als zoodanig +herkennen, en onderscheiden kan van de levensregelen en spreuken die +zij van de Arabieren en Perzen overgenomen hebben, munten door een zeer +krachtig, opvallend en scherp vernuft en uitdrukking uit. Daar geest, +karakter en zeden der natiën zich zoo dikwijls in hunne spreekwoorden +weergeven en daar, als wij over de Turken spreken, veel minder sprake +is van dergelijke zaken, dan van hunne barbaarsche krijgsgebruiken +of van hunne bloemrijke rijmelarijen, zoo wil ik den lezer hier ten +slotte nog op eenige echt Turksche spreekwoorden opmerkzaam maken, +en er eene kleine verzameling van mededeelen. + +Niet zeldzaam zijn de spreekwoorden, waarin de Osman de waarheid +aanbeveelt, b.v.: + +"_Zit_ mijnentwege krom mijn zoon, maar _spreek_ recht." + +"Wie zich _ver houdt_ van de leugen, die _nadert_ God." + +"Wandel niet over de licht breekbare brug van de leugen, beter is het, +mijn vriend! door den stroom te _zwemmen_." + +Zeer karakteristiek zijn de even talrijke spreuken, waarmede de +stilzwijgende, voorzichtig sprekende Turk, even als Salomo, tegen de +tong en de scherpheid van tong te velde trekt. + +"De tong," zoo luidt een dezer, "is een beenlooze slang, die toch +beenderen breekt." + +"Een mes-wond geeft een lidteeken, maar een wond door de tong geslagen, +is onheelbaar." + +"De tong heeft meer menschen gedood dan het zwaard." + +"Die zijne tong aan banden legt, redt zijn hoofd." + +"Wie spreekt die zaait, hij weet niet wat. Wie hoort die oogst, +en heeft de keuze." + +"Het hart van den dwaas ligt op zijne tong,--de tong van den +verstandige is in zijn hart." + +"_Luister_ duizendmaal, _spreek_ eenmaal." + +Verachting voor het gezwets van praatzuchtige en lasterende menschen, +drukt op recht Turksche wijze de volgende spreekwijze uit: + +"De hond blaft, de wolf gaat zijn gang."--en met eene aardige variatie: + +"De hond huilt, de karavaan trekt voorbij," wat men menigen dwazen +bespotter van oude eerwaardige gewoonten en instellingen zou kunnen +toeroepen. + +Eenige in de Turksche spreekwoorden bevatte zedelessen, zou men gerust +in één adem met de uitspraken onzer beste kerkvaders kunnen noemen, +zooals b.v. + +"Doet gij wat goeds, werp het in de zee; merkt de visch het al niet +op, zoo weet de Heer het toch." + +of deze: + +"Het goede der menschen verbergt zich in een eng vertrek, maar het +kwade wandelt op breede wegen." + +Of het volgende: + +"Doe goed dengene die u slecht behandelt, dan zult gij bij hem en +bij God genade vinden." + +Van deze laatste spreuk zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat +de Turken, die wij gewoonlijk het oude: "oog om oog, tand om tand" +toegedaan houden, haar van buiten af ontvangen hebben, wanneer het +niet uitgemaakt was, dat zij reeds bij Turksche stammen, zelfs in +den tijd van Mohammed, gebruikelijk was. + +Niet minder mag het ons verwonderen, dat zelfs het "ken u zelven" +der Grieken, bij deze Osmanische barbaren zoo hoog in waarde was. + +"Wie zich zelven begrijpt," zeiden zij met nadruk, "die begrijpt God." + +Welke fraaie beteekenis heeft ook niet deze spreuk: + +"Die des avonds nog slecht is, die is nimmer goed." Zij schijnt +op een vromen man te duiden, die na zijn avondgebed alle booze en +wraakzuchtige plannen van den dag opgeeft. + +"Toorn is uw vijand, overleg uw vriend." + +"Die toornig opgesprongen is, gaat beschaamd weer zitten." + +"Reik den ongelukkige uwen vinger, en God zal u zijne rechterhand +toereiken." + +De ondankbaarheid wordt door de Turken sterk genoeg veroordeeld, want +"een ondankbare," zeggen zij, "telt niet onder de menschen." + +Geene deugd wordt meer door hen geprezen dan geduldig afwachten, +geen misslag bitterder gehekeld, dan overijling. + +"Snel geloopen, spoedig vermoeid." + +"Snel gewassen, spoedig uitgebloeid." + +"Wandel bedaard, dan haalt gij den haas in." + +"Geduld is de sleutel tot alle genot." + +Hun vast geloof aan het niet te veranderen noodlot, drukken zij +eveneens in vele spreekwoorden eigenaardig uit, b.v.: + +"Geen schild van verstand weert den pijl van den boog des noodlots af." + +"_De mensch spreekt, het noodlot lacht_." ("_l'Homme propose, Dieu +dispose_.") + +"Wat u toegedacht is, wordt u zelfs van daar toegezonden." (uit de +verst verwijderde oorden der Turksche heerschappij.) + +"Die geluk hebben zal, vangt ook met een ezel een gans; de ongelukkige +echter vangt zelfs met een koningsvalk geen muis." + +Vele der in hunne spreekwoorden bevatte lessen van wijsheid, getuigen +van eene hoogst scherpzinnige zaken- en levensbeschouwing: + +"Maak u zelven niet tot een schaap, de wolven zullen spoedig bij de +hand zijn." + +"Niet de reis schaadt den mensch, maar zijne reisgenooten kunnen +hem schaden." + +"Wie een vriend zoekt zonder gebrek, die blijft zonder vriend." + +"Een domme vriend is erger dan een verstandig vijand." + +"Hoed u voor den vijand één maal, maar voor den vriend met wien gij +omgaat, een duizend maal." + +"Wanneer u uw heer ook slechts zand geeft, steek het beleefd in +den zak." + +Schillers: "Sluit u aan het vaderland, aan dat dierbare land aan, daar +zijn de ware wortelen uwer kracht," zeggen zij echt nomadisch, maar +recht begrijpelijk, door: "een hond is het sterkst in zijn eigen hok." + +Ons: "hij slaat den zak en meent den ezel," omschrijven zij sierlijker: + +"Mijne dochter, ik sprak tot u, maar de schoondochter zou het hooren." + +Van het "oog des meesters" zeggen zij: + +"Waar gij niet zelf zijt, daar zijn geene oogen." + +"De liefde is blind," luidt bij hen als volgt: + +"Hij is schoon, dien men van harte lief heeft." + +"Voor den minnaar is ook Bagdad niet ver." + +Ons: "een nieuwe lap op een oud kleed," luidt bij de Turken: + +"Een gezonde os voor een gebrekkelijken ploeg." + +De tijd, waarin de Turken deze en nog vele andere gulden spreuken +en lessen, die ik hier voorbij ga, uitdachten en opstelden, ligt +ver terug. + +Er is een tijd geweest, waarin zij, even als de Spartanen naar hunne +wetten, ook naar deze lessen handelden. + +Er volgde een andere, waarin hun geest, door innerlijke macht +aangedreven, zich machtig verhief en waarin zij, al hunne springveeren +in beweging stellende, met schier Romeinsche energie de wereld +aanpakten en overstroomden. De Turken hebben het beter dan eenig ander +nomaden-volk verstaan, met voorzichtigheid en volgens bepaalde regels, +hunne heerschappij over Europa, Azië en Afrika uit te breiden en te +bevestigen. Deze omstandigheid zou voldoende zijn om te bewijzen, dat +naast hunne geschiktheid voor den oorlog een zeker ordenend instinkt, +naast de vernielende ook een scheppende kracht, zooals die geen andere +stam van Aziatische overweldigers bezeten heeft, gewoond moet hebben. + +Nu echter gelijken zij, zooals gezegd is, een boom wier bladeren +door den storm afgewaaid zijn, de takken en de wortelen zijn nog wel +aanwezig en men kan den geheelen bouw nog herkennen, maar het hout is +broos geworden. En wanneer ook al zijn eindelijke val, "de verdrijving +der ziekelijke Turken uit hunne Europeesche legerplaats naar Azië," +waarschijnlijk nog op velerlei tegenstand stooten zal, wanneer wij ook +al vóór dat einde nog menige ongedachte opflikkering beleven zullen, +zoo gaat de achteruitgang toch zoo zichtbaar, dat een uitdooven der +vlam onvermijdelijk schijnt. + +"De Turken hebben geene toekomst in Europa. Hunne nationaliteit +en hun godsdienst zijn onbuigzaam in wezen en vorm, zonder eenige +levenswekkende kracht en zonder geschiktheid tot eene hoogere +ontwikkeling, die als behoudend element eene toekomst verzekeren kan, +die aan de toenemende eischen van den tijd zou voldoen," zij zijn +van eene stof, die zich niet buigen laat en daarom breken moet. Het +schijnt dat zij eene volledige nederlaag te gemoet gaan. Ten minste +hebben, zooals ik zeide, tot nu toe alle provinciën en staten, die zich +van de heerschappij der Osmanen bevrijdden, van deze vreemdsoortige +nationaliteit geheel afstand gedaan. Waarschijnlijk zullen de staten, +die zich verder boven de graven der Turken verheffen zullen, even +zoo handelen, en een latere ethnograaf van Europa zal dan over deze +Osmanen--niets meer hebben mede te deelen. + + + + + + +DE ZUIDELIJKE-SLAWEN EN DE ALBANEEZEN. + + +Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van +den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije, +de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en +midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks +volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen +gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke +land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het +steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië, +Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen +gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij +vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en +Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche +onderdanen van den Turkschen Sultan uit. + +Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die, +zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch +door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door +gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen. + +Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en +rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken, +gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers +of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen +door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders, +de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de +Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot +hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen +zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon +zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen), +dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen). + +Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande +volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen +trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen +zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen +dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter +weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren +en Serviërs. + +De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling +der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en +Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam +Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan +den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen +der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel +met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot +de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden, +nagenoeg gelijk. + +Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der +Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en +wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het +grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft +genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels +nakomelingen van de hun geheel vreemde "Thraciërs," "Macedoniërs", +"Illyriërs" als heerschende volken vonden. + +Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen, +is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en +in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den +Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische +berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd +hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke +namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te +maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze +dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen +de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die "Thraciërs" en +"Illyriërs" mededeelen. + +Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel +nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich +met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van +het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men +zich voorstelt, dat de zoogenaamde "inval der Slawen in de 6de eeuw" +niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds +homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof, +deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal +leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien +bracht. + +Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig +optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau +te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het +als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang +bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen, +andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging +vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen +gedreven en tot een eng gebied beperkt werden. + +Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende, +oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden +wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk +der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en +aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der +"Zuidelijke-Slawen" samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan +het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden +vastknoopen. + +Daarom zal ik alles, wat ik in deze afdeeling wensch mede te deelen, +in de volgende drie afdeelingen splitsen: + + + + 1) De Bulgaren. + 2) De Serviërs. + 3) De Albaneezen of Arnauten. + + + + + + +DE BULGAREN. + + +De Bulgaren, wier aantal omstreeks 3 à 4 millioen zielen bedragen zal, +bewonen nu, het voornaamste deel der bevolking uitmakende, nagenoeg +geheel het oude Macedonië, het grootste gedeelte van Thracië of +Rumelië en de oude Donau-provincie Neder-Moesië. + +Na hetgeen ik reeds gezegd heb, is het mogelijk dat in deze streken, +sedert de alleroudste tijden, Slawische stammen gewoond hebben, +zonder dat zij zich intussen en op den voorgrond stelden. Eerst na de +groote volksverhuizing in de 5de eeuw begonnen zij zich te roeren, en +daar verscheidene hunner Slawische stamgenooten uit het Noorden zich +met hen verbonden, werden zij, onder den naam "Sklabänen," "Slawen" +of "Anten," gevaarlijk voor de Oostelijke Romeinen; in de 6de eeuw +deden zij verwoestende invallen in het Byzantynsche rijk, bij welke +gelegenheid zij zelfs tot Athene en in den Peleponnesus doordrongen. + +Deze "Sklabänen" kwamen langs de mondingen van den Donau uit het groote +gebied der Russen, en zoo schijnen dan ook nog heden ten dage hunne +nakomelingen in taal, wezen en gewoonten, ware tweelingsbroeders +te zijn der Russen, en wel voornamentlijk der Klein-Russen uit de +omstreken van Kiew en der Ukraine. + +De naam _Bulgaren_ was aanvankelijk bij hen onbekend. Even zooals +zulks meermalen met de andere Slawenstammen plaats had, geraakten +ook de Slawen van den Balkan zeer spoedig onder de heerschappij van +een ander krachtig volk. Het waren de Finsch-Tartaarsche Bulgaren, +die tegen het einde der 7de eeuw van den Ural en de Wolga de Slawen +volgden, toen deze over den Donau trokken en daar aan den voet van +den Balkan op dergelijke wijze een groot rijk stichtten, als hunne +broeders de Magyaren, het iets later in Hongarije deden.--Hun naam +"Bulgaren" stamt, zegt men, af van de groote rivier de Wolga, en +beteekent zooveel als Wolgaren, bewoners der oevers van de Wolga. + +Het grootste deel der onderdanen van dit Bulgarenrijk bestond nu uit +die Slawen, de Koningen en de adel echter waren van Finsch-Tartaarschen +stam. Onder aanvoering der vreemde overheerschers, in wier legers +zij bloot als soldaten dienden, hebben de Balkan-Slawen bijna alle +oorspronkelijke bewoners van Oud-Macedonischen- en Thracischen stam +in die streken, uitgeroeid of in zich opgenomen en zich overal, +tot in Thessalië toe, in hunne plaats gesteld. + +Het rijk der Bulgaren, die vierhonderd jaren lang, met de Byzantynsche +Keizers in schier onafgebroken bloedigen oorlog leefden, bevatte ten +tijde zijner grootste uitgestrektheid, niet alleen de bovengenoemde +provinciën ten zuiden van den Donau, maar ook het oude Dacië +(Zevenburgen) en een groot deel van Hongarije, welk laatste zij echter +weldra aan de Magyaren verloren. Even als Zevenburgen aan de Magyaren +kwam, zoo vervielen de zuidelijke provinciën, Macedonië en Thracië, +somwijlen weder aan de Byzantijnsche Keizers, als deze eens het +bit op de tanden namen, zonder dat dan echter de vreemde bevolking +uitgeroeid werd. Het langst handhaafden de Bulgaarsche Koningen zich +in de Donau-provincie Moesië, waar zij in hunne koningsstad Tirnowo, +het Moskou der Bulgaren, resideerden. Daardoor is ook tot op den +tegenwoordigen tijd de naam "Bulgarije" aan die streek verbleven. + +De Finsche Bulgaren aan den Balkan hebben een ander lot gehad, dan +hunne in Hongarije binnengetrokken broeders, de Magyaren. Terwijl deze +midden onder de Slawen tot op onze dagen als een eigendommelijk volk +zijn blijven bestaan, verloren zich de Bulgaren langzamerhand onder +hunne Slawische onderdanen. Zij namen de taal, de levenswijze en ook +de Grieksch-christelijke godsdienst der Slawen aan en veranderden +zich allengs in Slawen. Dit geschiedde in de 8ste en 9de eeuw. Niets +bleef van hen overig, dan de Finsche naam "Bulgaren," die de eens aan +het groote rijk hunner Chans, ten zuiden van den Donau onderworpene +Slawenstammen, als hun algemeenen nationalen-naam hadden aangenomen, +zooals op gelijke wijze, de oude Galliërs den Germaanschen naam +van Franschen, van hunne in hunne nationaliteit opgegane gebieders, +de Franken, aannamen. + +Sedert de 10de eeuw herinnert slechts weinig bij de Bulgaren aan +de Finnen en Tartaren, veeleer schijnen zij in zeden en gewoonten +werkelijke Slawen, alleen hunne taal toont in bouw en syntaxis nog +eenige Tartaarsche sporen. Even als de Tartaren scheren zij zich +het hoofd, en even als dezen laten zij op den schedel een langen +haarbos staan. De Bulgaarsche Slawen beroemen er zich op, onder alle +Slawen de eersten geweest te zijn, die het Christendom aannamen, eene +schrijftaal en literatuur ontwikkelden. Zonder twijfel hebben zij +dit voorrecht te danken aan hunne nabuurschap met Constantinopel. De +bijbel werd het eerst van alle Slawische dialecten in het Bulgaarsch +vertaald. Het oud-Bulgaarsch, waarvan het nieuw-Bulgaarsch eenigzins +afwijkt, had de eer de heilige kerktaal der Russen en van alle andere +niet-Katholieke Slawen te worden. + +Het schijnt echter, dat met de oplossing van het krachtige, +vreemde, Tartaarsch-Finsche element, met het Slawisch worden van +den Bulgaarschen adel en der Koningen, en met de aanneming van het +christendom, ook de wilde energie van het volk verdween. Wel bestond +het oude Bulgaarsche Koningrijk te Tirnowo in Moesië, binnen beperkte +grenzen nog eenige eeuwen lang; wel voerde het nog menigen oorlog +met de Byzantijnen, de Serben en andere naburen, maar het grootste +gedeelte der Slawische Bulgaren waren aan deze naburen onderworpen, en +eindelijk werd het na de 15de eeuw een gemakkelijke buit der Osmanische +Turken. Van alle Europeanen hebben de Bulgaren het juk der Turken het +langst gedragen, en sinds het zooeven opgegeven tijdpunt zijn zij, +betrekkelijk, de trouwste of liever de geduldigste onderdanen der +Turken geweest, wien zij nimmer zooveel last berokkend hebben, als de +stoutmoedige Serviërs en hunne naburen de dappere Albaneezen. Nog meer +dan dezen zijn zij geheel aan de Turken onderworpen geworden. Onder +hen bestaan er geene zulke onafhankelijke berg-republieken, als die +der Montenegrijnen onder de Serviërs, als die der Mirditen (d.i. de +dappere mannen) en andere, onder de Albaneezen zijn. Alle Bulgaren zijn +over zoogenaamde "Spahiliks," dat wil zeggen leengoederen, verdeeld, +en zij verrichten heerendiensten voor en zijn cijnsplichtig aan den +Spahi, (den leenheer) die altijd een Turk is; aan wien zij dus even +onderworpen zijn als de Russische lijfeigene aan zijn edelman. Zij +maken in de door hen bezette landstreken de eigenlijke landbewoners +en arbeiders uit. Alle bebouwing van den grond en alle handenarbeid +wordt door hen verricht. De ploeg, de spade, de bijenkorf, de veestal, +de jaarmarkt zijn zaken, die zij boven alles liefhebben. Zij gaan, +evenals de Duitsche Holland-gangers, bij geheele scharen naar naburige +rijken of provinciën, om daar als daglooners het gras te maaien of +den oogst binnen te halen. + +Geheel anders dan de oorlogzuchtige Serviërs en Albaneezen, +hebben de Bulgaren, sedert het te loor gaan van hun niet onroemrijk +verleden, met andere woorden sedert meer dan 500 jaren, het moorddadig +krijgsgewemel over hunnen rug laten rollen, zonder daaraan een actief +aandeel te nemen. Zij vreesden oorlog en strijd, en hunne soldaten +hebben zelden heldendaden verricht. Ja de trotsche Osmanli heeft hen +zelfs meermalen vol verachting van zijn leger, waarin Bosniërs en +Albaneezen de voornaamste plaats innamen, uitgesloten. De Bulgaren +hebben in den nieuweren tijd slechts nog ééne soort helden gehad, +hunne zoogenaamde Haiducken, hunne roovers, die ten allen tijde in +de bergen van den Balkan te vinden waren en zijn, maar wier aantal +in onrustige tijden, wanneer hunne vaderlandsliefde opgewekt werd, +dikwijls tot groote en gevaarlijke scharen aanwies. + +Wanneer de Bulgaar de hem dikwijls door zijne Osmanische heeren +toegevoegde onbillijkheden niet langer verdragen kan; wanneer hem zijne +bruid ontvoerd, of zijn land en grond geroofd wordt; wanneer het hem, +zooals den Zwitser Melchtal, gebeurt, dat de een of andere brutale +machthebber, zijn vader het gezicht ontneemt of doodt; wanneer hij +zich in eene samenzwering ter bevrijding van het vaderland ingelaten, +of tegen de wetten zijner gebieders gezondigd heeft, dan zegt hij: +"ik word Haiduck!" met andere woorden, hij gaat naar de woeste en +afgelegene gedeelten van den Balkan, en leidt daar met gelijkgezinden, +de Turksche overheid trotseerende, een wild, vrij rooversleven. Uit +den schoot dezer patriotsche en oproerige Haiducken-vereenigingen +zijn somwijlen, als zij om zich henengrepen, als zij toevloed uit +invloedrijke familiën kregen, groote schokken voor het land ontstaan. + +Zoowel onder Tartaarsche, Byzantynsche, als onder Turksche +heerschappij, onder den hardsten druk en onder eeuwenlange +kwellingen, hebben de Bulgaren hunne oorspronkelijke gewoonten, +hun Slawisch nationaal-karakter en hunne taal bewaard. Zij zijn, +zooals wij reeds zeiden, een wel vreedzaam maar taai volk, geduldig +maar volhardend, gedwee maar arbeidzaam. Overal waar zij komen, +b.v. ook in Zuid-Rusland, dat sedert de tijden van Catherina vele +duizende Bulgaarsche landverhuizers ontving, genieten zij den roep, +uitstekende landbouwers en spaarzame huisvaders te zijn, die somwijlen +niet minder werkzaam en vlijtig zijn dan de Duitsche kolonist. In +Rusland kan men het best opmerken, hoezeer zij in taal en zeden op +de Russen gelijken, hoewel zij in politieken zin niet altijd met den +grooten Czar sympathiseeren. + +De woonplaatsen, dorpen en huizen, die de Bulgaren aan beide +hellingen van den, met bosschen wilde kersen-, pruimen- en andere +boomen bedekten, Balkan en van het Rhodope-gebergte, ja! in alle +bergen en dalen tot aan den voet van den Olympus, tot aan de grenzen +van Thessalië gebouwd hebben, gelijken in hooge mate op die der +Klein-Russen en Kozakken in zuidelijk Rusland. Even als daar hebben +ook zij hunne woningen half in den grond ingegraven, terwijl die +voor het overige uit leem, riet en vlechtwerk bestaan. Even als de +Kozak, bouwt ook de Bulgaar een aparten stal voor zijne paardjes, +een anderen voor zijne ossen, een anderen voor de schapen of geiten, +kippen of honden. En het geheel van zulk eene boeren-hofstede ziet +er uit als eene bonte verzameling korven van wilgentakken gevlochten, +verschillend in grootte en vorm. + +Binnen deze woon- en huishoudingkorven houden zij overigens op hunne +wijze alles zeer netjes; op hunne akkers en in hunne tuinen maken zij +van ieder hoekje gebruik, om het te bebouwen en ieder plekje van eene +vruchtdragende plant te voorzien. + +Even als de Russen en schier alle Slawen, trachten ook de Bulgaren +hun dikwijls treurig bestaan door gezang op te vroolijken. 's Morgens +vroeg als zij uitgaan, en 's avonds laat wanneer zij bij troepen van +het veld terugkeeren, zingen de mannen en vrouwen hunne melancholische, +eentoonige liederen, die ver over de velden klinken en dikwijls den +nacht met zwaarmoedige klanken vervullen. Ook aan het hoofd hunner +kudden, die hunne melodiën volgen, trekken zij met gezang uit. Het +instrument, waarmede zij hunne liederen accompagneeren, schijnt eene +navolging te zijn van de fluit, waarop de herders van Theokrites +bliezen. De oude Grieksche dubbel-tibia is bij de Bulgaren, zooals +ook bij de Zuidelijke-Slawen nog van dezelfde antieke gedaante. Men +beleeft in het binnenste der door hen bewoonde dalen, vlakten en +heuvelen, momenten en tooneelen, die aan het leven der herders en +herderinnen van Arkadië herinneren. + +Een der merkwaardigste onder hunne antieke, nog nu bestaande gewoonten, +is de zoogenaamde "Probatimstwo" (de verbroedering). Evenals de oude +Thraciërs, bij wie reeds de Grieken deze gewoonte vonden, en van +wie de Bulgaren haar waarschijnlijk overnamen, nemen zij meermalen +een geliefd persoon als broeder of zuster aan. Een priester zegent +deze verbintenis, even als het huwelijk, in. Aan de beide vrienden +wordt daarbij, boven het graf hunner ouders, een krans op het hoofd +gezet. Zij geven elkander vervolgens den broederkus en zijn nu als +"Probatim" (bonds-broeders) voor het leven in geluk en ongeluk +aan elkander verbonden. Somwijlen verbinden zich op dezelfde wijze +geheele familiën. Deze schoone gewoonte is echter niet uitsluitend +Bulgaarsch. Men vindt ze ook bij andere Zuidelijke-Slawen. + +De Bulgaarsche vrouwen behooren tot de schoonste van Turkije. Zij zijn +van eene hooge, goedgevormde, krachtige en toch uiterst fijne gestalte, +die men dikwijls, wanneer zij met golvend, met frissche bloemen +versierd haar voorbij zweven, met bewondering in dit barbaren-land +ziet. Meer dan eens is, wanneer door een Osmanli zulk eene Bulgaarsche +Helena ontvoerd werd, het geheele land in rep en roer gekomen, evenals +Griekenland toen de echtgenoote van Menelaus geroofd werd, en zijn +dien tengevolge gebeurtenissen voorgevallen, die men als eene herhaling +in het klein van den Trojaanschen oorlog zou kunnen beschouwen. + +Van de mythe van Orpheus, die 1250 jaren vóór de geboorte van Christus +de dieren des wouds betooverde, en ook van meer andere dergelijke +poëtische sagen, die de Grieken bij de oude Thraciërs putten, +kan men ook onder de hedendaagsche Bulgaren sporen vinden, en tot +zulke idyllische genrebeelden als die welke Homerus en Theokrites +ons schilderen, hadden ook de Bulgaarsche dorpstooneelen aanleiding +kunnen geven, als de dagelijksche voorvallen in het land der Prinses +Nausica of onder de Sikelische herders. + +Een Duitsch geleerde heeft, zooals bekend is, onze Philhellenen op +eene wreede wijze uit den droom gewekt, doordien hij hun trachtte te +bewijzen, dat de tegenwoordige Grieken geene nakomelingen der oude +Hellenen, maar hoofdzakelijk slechts Slawen waren. Wanneer men echter +in het Slawisch-Bulgarije, dingen als de bovengenoemde waarneemt, zou +men haast omgekeerd gelooven, dat zelfs de andere genoemde Slawen nog +dezelfde antieke en onveranderde tijdgenooten van Homerus zijn. Het +schijnt zelfs, dat deze oude zanger dezelfde menschen onder andere +namen voor zich gehad heeft. Is dit wellicht niet anders dan een +schijn, zoo vindt men toch in Thracië, zooals in het algemeen in iedere +andere aardstreek, zekeren geest, niet een volks- maar een landsgeest, +die zich daar zoo inheemsch gemaakt heeft, dat hij alle stammen, +die zijn land binnentrekken, aangrijpt en met zich eenvormig maakt. + +Ook in de groote steden, die in het land aangetroffen werden, in +Sophia, Varna, Philippopolis enz, zijn de Bulgaren ingedrongen, +ofschoon zij daarin niet zoo den boventoon kregen als op het platte +land, waar zij _alles_ overstroomden. Geen dezer steden hebben zij +zelven gebouwd. Het zijn overoude Grieksche en Romeinsche stichtingen, +die in de algemeene Slawen-overstrooming als staan-geblevene boomen +uitsteken, en waarin de kern nog heden Grieksche burgers en nevens +hen Joden en Armeniërs zijn, terwijl als hoofd over allen een Turksch +Pascha met zijne Spahis en Trawanten staat. Zelfs in de steden, +die zooals Adrianopel en Gallipoli reeds geheel in het Grieksche +bevolkings-gebied liggen, zijn de marktkramer, de daglooner en +de mindere man Bulgaren. En zelfs Constantinopel heeft eene zeer +aanzienlijke Slawisch-Bulgaarsche bevolking. + +Hier in Constantinopel was natuurlijk van ouds her, even als voor alle +volken van het groote Grieksch-Illyrische schier-eiland, zoo ook voor +de Zuidelijke-Slawen, een ruim veld ter verkrijging van rijkdommen, +invloed en macht. Vele Slawen werden hier tot den Islam bekeerd en +klommen dan dikwijls als renegaten tot hooge waardigheden op. Eenige +der in de geschiedenis der Osmanen uitstekendste ministers of +Groot-Vizieren, waren van Slawischen oorsprong, zoo b.v. Chosrew-Pascha +onder Murad IV, zoo ook de machtige Mehemed Sokolis, die als een arme +Bulgaarsche Slawe naar Stamboel gesleept, en vervolgens in den dienst +getrokken werd, wiens steun hij worden zou. + +Ja, reeds ten tijde der Byzantynsche Keizers hebben zich niet +zelden zulke Slawen, van slaven of gewone soldaten, tot gekroonde +souvereinen opgewerkt. Meer dan één beroemd Oost-Romeinsch Keizer +was van Slawisch-Bulgaarsch bloed. Ook Belisarius, de gevierde held +en veldheer van Justinianus, schijnt, naar zijne geboorte en naam +te oordeelen, een echte Slawe geweest te zijn. Nog nu weet ieder de +beteekenis van het woord "Belisarius" (Beloi Czar = de witte Vorst.) + +Even als naar Rusland, zoo zijn ook vele Bulgaren bij verschillende +gelegenheden naar Hongarije getrokken, en eindelijk zijn, van +Constantinopel uit, de Bulgaren ook somwijlen bij honderdduizenden +naar Klein-Azië overgeplant geworden. Maar hier, in een overzicht +over Europa, hebben wij hunne lotgevallen dáár niet te volgen. + + + + + + +DE SERVIËRS. + + +Zeer onderscheiden van de Bulgaren, zijn in geest en wezen hunne +broeders en naburen in het Westen, de Slawen van Servischen stam, die +men gewoonlijk Illyro-Serviërs of ook de Illyrische-Slawen noemt. Deze +hebben, in tegenstelling met de geduldige, arbeidzame Bulgaren, eenige +der oorlogzuchtigste en ondernemendste stammen van het Turksche rijk +voortgebracht, die tegelijkertijd de slechtste landbouwers en tuiniers +er van zijn. + +Uit de Slawen van dezen stam, kwamen het eerst de bewoners van +het Vorstendom Servië te voorschijn, die in den nieuweren tijd +hunne onafhankelijkheid door eene reeks bloedige oorlogen bevochten +hebben,--de dappere Bosniaken, die eens de beste rekruten voor het +Janitscharen-korps leverden--de onbuigzame Montenegrijnen, een hoopje +bergbewoners, die van oudsher de macht der Osmanlis trotseerden. Ook +de Morlaken en Dalmatiërs, die somwijlen als zeeroovers de schrik +der Adriatische zee, en gewoonlijk ook de beste matrozen der Dogen +van Venetië geweest zijn, behooren tot dezen kernachtigen Slawenstam; +eindelijk de Slavoniërs en de, zoo al niet geheel Servische, toch den +Serviërs zeer na verwante, "Krowaten" of Kroaten, wier regimenten, +onder Hongaarsche of Oostenrijksche vanen, zich in vreemde landen +dikwijls gevreesd genoeg hebben gemaakt. + +De naam "Serviër" was eens een der groote nationale- of algemeene +namen der Slawen. Even als bij de Duitschers de naam "Allemannen", +die bij de Franschen nog altijd de algemeene naam voor hen is, zoo +is de naam Serviër ook nu slechts aan eene onderafdeeling der Slawen +eigen gebleven. + +De oorspronkelijke woonplaats der Serviërs en der van oudsher met hen +verbroederde en naburige Kroaten, zou aan den noordelijken voet der +Karpathen in het tegenwoordige koningrijk Gallicië geweest zijn, +en zij zouden van de daar woonachtige Ruthenen of Klein-Russen +afstammen. Thans nog duidt hunne taal, die nauw aan de Rutheensche +verwant is, hunne afkomst uit die noordelijke streken aan. + +Ook de talrijke Lithauwsche uitdrukkingen, die in de Servische taal +behouden zijn, schijnen te bewijzen, dat zij van het noorden der +Karpathen, uit de nabuurschap der Lithauwsche en Finsche volksstammen +afkomstig waren. + +Zij moeten in hunne tegenwoordige woonplaatsen, in de vroegere +Romeinsche provincie Illyrië, in het begin der 7de eeuw, toen daar de +Finsch-Tartaarsche Awaren heerschten, binnengerukt zijn. De Serviërs +vernietigden in die streken de heerschappij der Awaren en de hun +onderworpene oorspronkelijke bevolking, en slawiseerden het geheele +land. Hier en daar meent men echter onder hen, b.v. in de zeden en +het uiterlijk der Servische Morlaken van Dalmatië, nu nog sporen dier +Tartaarsche Awaren te herkennen. + +Van af den Donau en de gebergten van Illyrië, waar zij het eerst +kwamen, drongen deze Servische Slawen door tot aan de Adriatische +Zee in de nabijheid van Venetië, en verspreidden zich vervolgens +langs de Drave en Save, tot aan de grenzen van Tyrol, Salzburg en +Opper-Oostenrijk over al de Oostelijke dalen der Alpen. + +Zij verspreidden zich dus, van de noordelijke grenzen van Macedonië +en Albanië, tot in Duitschland, over een lang uitgestrekt gebied, +dat bijna even groot is als het koningrijk Pruissen, en waarin zich +nu nog 6 à 7 millioen Slawen bevinden. + +Bijna geen ander Slawisch volk is in zoovele kleine onderafdeelingen, +nevenstammen en dialekten gesplitst en heeft zulke afwisselende +lotgevallen gehad, als het Illyrische of Servische. Op hun +uitgestrekt gebied ontmoeten wij eene menigte verschillende volks- +en provincienamen. De bij alle Slawen reeds sedert oude tijden in +het ooggehoudene, aan elkander hangende en verschillende onderdeden +bevattende, familie- en stam-verhoudingen, zijn bij deze Servische +Slawen nog tot op den huidigen dag onveranderd gebleven. Als hunne +dochters huwen, begeven zich naar oud gebruik de schoonzonen en +ook de zonen met hunne vrouwen, zoo mogelijk onder hetzelfde dak, +in verschillende kamertjes verdeeld. Kan men dit niet meer, dan +vestigen zij zich ten minste met der woon rondom het huis van den +familie-vader. Breidt het geslacht zich nog meer uit, dan neemt +het den akker, die het dichtst bij de woonplaats van het hoofd van +den stam gelegen is, in bezit; de oudste van den stam blijft het +hoofd van het geslacht. Zoo vormt bij hen in den regel ieder dorp, +eene enkele zich zelve regeerende familie, die met de overige wereld +en met de rijks overheid alleen door hun "Ouden," hun patriarchaal +opperhoofd, in betrekking staat. Ook de grootere staatsburgerlijke +afdeelingen en distrikten, vallen gewoonlijk met geslachts-verbindingen +en bloedverwantschappen zamen. Nagenoeg iedere familie, iedere stam +heeft zijn rivierdal, zijn bergketen, zijne afgeslotene hooge vlakte, +voor zich. In afgelegene en ontoegankelijke hoeken van het land, hebben +deze geslachten dikwijls sedert oude tijden, de Romeinen, Byzantijnen +en Turken getrotseerd en als vrye mannen hunne onafhankelijkheid +bewaard. Hoezeer het familieleven in de natuur dezer volksstammen +ingeweven is, kan men daaruit afleiden, dat bij hen, die de zee +bevaren, letterlijk elk door hen bemand schip, om zoo te zeggen eene +varende familie, eene drijvende Clan is. Van den kapitein tot den +scheepsjongen, bestaat de geheele equipage uit bloedverwanten. + +Uit deze verhoudingen en neigingen zeg ik, zullen waarschijnlijk de +ontelbare stam- en volksnamen der Illyro-Servische Slawen ontstaan +zijn. Om echter over de hierdoor ontstane namenverwarring een overzicht +te hebben, mag men die stammen verdeelen in de volgende hoofdgroepen: +1) De Serviërs in engeren zin, waartoe de Slavoniërs, de Bosniaken, +de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de bewoners van het tegenwoordig +zoogenaamd Vorstendom Servië gerekend worden. 2) De Kroaten in Turkije +en Oostenrijk; 3) de zoogenaamde Slovenen of Wenden in Istrië, +Stiermarken en de Krain. Verscheidene omstandigheden bewijzen, +dat zij allen gezamentlijk tot ééne enkele groote afdeeling der +Slawen behooren, die hoewel in zich zelve gelijksoortig, van andere +groote Slawen-afdeelingen, de Bulgaren in het oosten en de Czechen +en Polen in het noorden, veelvuldig verschillen. Ook is er niet aan +te twijfelen, dat al de genoemde stammen met elkander sympathiseeren +en elkander als broeders van denzelfden stam beschouwen. Zelfs de +ontwikkelde Oostenrijksche officier, die aan de Drave onder Duitsche +heerschappij geboren is, begroet de halfwilde Montenegrijnen, als hij +bij hen in hunne rotsennesten komt, als zijne vrienden, en zijn hart +klopt sneller als hij hunne vaderlandsliefde-ademende gezangen hoort. + +Van genoemde drie afdeelingen der Slawische Illyriërs hebben zich +de eerstgenoemden, de Serviërs in engeren zin, van oudsher als een +levendig, dapper, poëtisch en vrijheidlievend volk gekenmerkt. Zij +bezetten de landen der Dardaners, Triballers en andere wegens hunne +onhandelbaarheid reeds in de oudheid veel genoemde volken, en erfden +iets van hunne zeden en geest, waar zij niet al reeds oorspronkelijk +met hen eenigzins verwant waren. + +De geheele streek, die zij bewonen, van den Donau tot aan de +Adriatische Zee, is met steile bergen en met de schoonste, aan +verschillende boomsoorten rijke, eeuwenoude wouden bedekt, waarin hier +en daar nog wolven, beeren en andere wilde dieren huizen. Tusschen +de door kastanje-bosschen omkranste hoogten, in de taal van het land +"Planina" (zooveel als: Alpen) genoemd, liggen hier en daar liefelijke, +met wateren doorsnedene, groene, vruchtbare dal- en weide-ketels of +campagnen, welke de taal des lands "Livada" noemt. Deze beide woorden +"Planina" en "Livada," die de reiziger overal in Servië ontmoet, +geven op de duidelijkste wijze het karakter aan, der door de Servische +stammen bewoonde streken. + +Even als de oude Triballers en Dardaners, daalden de Serviërs in +vroegere tijden van hunne bergen af en maakten, even als de Bulgaren, +verwoestende tochten naar het zuiden, tot in den Peleponnesus. De +eerste eeuwen hunner geschiedenis zijn eene aaneenschakeling van +onafgebrokene oorlogen met de naburige Bulgaren en met de Byzantijnsche +Keizers, wien zij wel dikwijls nood en gevaar brachten, maar van +wie zij af en toe ook afhankelijk waren. Het toppunt hunner macht +bereikten zij in de 14de eeuw. Toen hadden zij de geheele Oostelijke +helft van Illyrië tot één koningrijk vereenigd. Ja! een korten tijd +(1336-1356) behoorden tot dit Servische Koningrijk zelfs ook Macedonië +en verscheidene provinciën van Griekenland. Dat viel voor onder de +regeering van den Servischen Kraal (Koning) Stephanus Dushan, die dien +tengevolge ook den weidschen titel van "Keizer van het morgenland" +aannam. Maar van dit toppunt hunner macht, gingen de Serviërs weldra +een snellen val te gemoet. + +De Turken vielen Europa binnen, leverden in het jaar 1389, aan de +Serviërs en de met hen verbondene Hongaren en Wallachijers, den slag +op het Amselveld, een der "Livadas" of dalketels in Boven-Servië, +dat zoo dikwijls met bloed gedrenkt is geworden.--En sedert dien tijd +waren de Serviërs de--wel is waar niet zeer gehoorzame--onderdanen der +Turken. Nog heden ten dage staat hun de herinnering aan dien slag op +het Amselveld, waarin hun Koning, hun adel, hunne geestelijkheid, de +bloem van hun volk, hun geheel nauwelijks ontstaan rijk, door de Turken +vernietigd werd, levendig voor den geest. Deze tragische gebeurtenis is +het groote nationale-ongeluk van den Servischen stam. Hunne volkspoëzie +dwaalde sedert dien tijd treurig en klagend langs de grafheuvelen van +het "Amselveld," zooals omgekeerd de natie vol verlangen blikt, naar +het toppunt hunner vroegere macht, onder dien zoogenaamden "Keizer" +Stephanus Dushan, als naar het doel, dat zij zich voorstellen eens +weder te bereiken. + +Tot nu toe echter is hun op dien weg niets verder gelukt, dan de +grondvesting van het kleine Vorstendom Servië in het dal-labyrinth der +rivier Morawa, en die van dien merkwaardigen kleinen roofridderstaat +op de ontoegankelijke sombere rotstoppen van Tschorna-Gora of +Montenegro (Zwarte berg), waar een oorlogzuchtig bisschop, met eene +uit despotismus en republikanismus gemengde regeeringswijze, eene +heldhaftige gemeente bestuurt en met de zijnen een leven leidt, dat +letterlijk in alle bijzonderheden reeds bij Homerus bekend schijnt +geweest te zijn, die het, in zijne schilderingen der roofzuchtige +Phacaken en hunnen Koning, schijnt bezongen te hebben. + +De Serviërs waren, toen zij naar Illyrië kwamen, heidenen, maar weldra +werden zij, even als bijna alle Zuidelijke en Oostelijke Slawen, +door de Byzantynen gedoopt en voor de Grieksche Kerk gewonnen. Het +grootste gedeelte van het volk omhelst dit geloof, dat hen ook +weder met hunne stamgenooten, de Russen en Bulgaren, verbond, nog +ten huidigen dage: slechts bij één stam der Serviërs, de Bosniaken, +is het den Turken gelukt, aanhangers voor den Koran te winnen. De +trotsche en rijke adel der Bosniaken ging bij de Turksche verovering +tot den Islam over, om onder de nieuwe heerschappij hunne privilegiën +en hun landbezit te waarborgen. Hun voorbeeld werd door de gilden en +kooplieden der Bosnische steden om dezelfde reden gevolgd. En zoo +vormen de Bosniaken, tot groot verdriet der Servische patriotten, +midden in Illyrië een Slawischen stam, waarvan de hoogste klassen, +wel niet Turksch, maar toch Mohamedaansch, en wel zooals gewoonlijk +de renegaten, fanatiek Mohamedaansch geworden zijn. Al de door de +Turksche Keizers in den laatsten tijd goedgevondene nieuwigheden en +hervormingen, hebben bij de Bosnische aanhangers van den profeet op +hardnekkigen tegenstand gestooten. Ofschoon zij grootendeels hunne +oude Slawische taal gehouden hebben, ofschoon hun Mohamedanisme met +een weinig christelijks vermengd is--(de muzelmansche edellieden +van Bosnië vieren nog in hunne familiekringen, de oude feesten +der door hunne christen-voorvaderen vereerde beschermheiligen, een +St. Elias- een St. George- een St. Petrus feest; laten somwijlen +door christen-popen bij de graven hunner vaderen bidden, betalen +ook nog missen voor hunne zielen)--ofschoon verder een eigenlijk +Osman nauwlijks in hun land te vinden is--(de Sultans moeten, in den +regel, in het land geboren Slawische edellieden tot gouverneurs der +provincie maken, en was de uit Stamboel gezonden Vizier een Osman, +dan moest hij zich wel wachten zijne citadel bij Trawnik te verlaten, +en mocht hij zelfs in de hoofdstad van het land, Bosna Serai, niet +langer dan drie dagen vertoeven,) zoo hebben toch deze fanatieke en +oorlogzuchtige Bosniaken, dikwijls zelfs tegen den Sultan zelven, +in naam van Mohamed en de oude Turksche instellingen, hunne vanen +ontplooid.--Men heeft hen wel eens "_de Vendeërs van Turkije_" genoemd. + +Van oudsher leverden zij den Sultan mede zijne beste troepen, en de +Janitscharen, die Mahmoed II in de eerste twintig jaren dezer eeuw met +het zwaard en de bijl vervolgde en uitmoordde, waren voor een groot +deel Slawische Bosniaken. Zij zijn ook tot in den laatsten tijd, meer +dan eenmaal tegen hunne christelijke, maar door hen verachte en met +hoogmoed behandelde, stambroeders in het Vorstendom Servië te velde +getrokken, en hebben zij gedreigd de vrijheden, door den Sultan dit +rijk toegekend, te vernietigen. + +Tot aan de Adriatische zee, tot aan de sedert oude tijden Dalmatië en +Liburnië genoemde kustlanden, drongen de gezamenlijke Servische stammen +door, en zelfs hebben zij al de tallooze rots-eilanden en klippen, die +langs de oostzijde van die zee liggen, met hunne geslachten bezet. Daar +vonden zij eene reeks oude, bloeiende, Romeinsche handelsteden: +Rausium of Ragusa, Salona en andere. Ook in deze steden, zelfs in +het oude groote paleis van Keizer Diocletianus, dat binnen zijne +vervallen muren eene geheele gemeente, de stad Spalatro opnam, drongen +de Servische Slawen door, en vulden ze zoowel met hunne burgerlijke als +adellijke geslachten. De in de middeneeuwen zoo bloeiende en beroemde +republiek Ragusa was eene Servische gemeente. Men heeft haar wel eens +"het Servisch Athene" genoemd, en hare patricische geslachten zoeken +nog heden de wortelen hunner stamboomen, in de Planinas en Livadas +van Bosnië en Servië. Van oudsher echter was deze kust, langs de +Adriatische zee, aan de invloeden van Italië blootgesteld. Ten +tijde der Romeinen voerden natuurlijk Romeinsche taal en zeden den +boventoon. Sedert de 10de eeuw tot op den nieuwen tijd stond zij onder +de heerschappij der Dogen van Venetië. De daar woonachtige Slawen +werden dien ten gevolge een weinig geitalianiseerd, en vermengden zich +met, door hen uitgenoodigde, Italiaansche familiën. De ontwikkeldsten +onder hen spreken, nu onder Oostenrijksche heerschappij, in den regel +beide talen, zoowel de Italiaansche handels- en literatuur-taal, +als die der Slawische boeren. + +Aan deze zeeoevers vestigden zich dan ook de Servische bergvolken, +zooals ik reeds gezegd heb, op schepen. Zij werden hier zulke +ijverige en geschikte matrozen,--eerst zeeroovers, vervolgens als +koopvaardijvaarders in dienst der republieken Venetië en Ragusa,--even +als hunne voorgangers, de bij de Romeinen beroemde Liburniers geweest +waren. De _Riva dei Schiavoni_ (de oever der Slawen) in Venetië, +is naar hen zoo genoemd. Ook verschijnen de Slawen nog heden ten +dage, evenals vroeger in de haven en op de markt van Venetië; ook +nu nog is het meerendeel der scheeps-kommandanten en matrozen der +Oostenrijksche oorlogsvloot van den stam der Kust-Serviërs, of zooals +zij zichzelve noemen "Morlaken" (van _mora_, d.i. zee).--Verscheidene +der Servische familiën drongen ook bij den Venetiaanschen adel in, +en hunne geitalianiseerde Slawische namen staan in het _libro d'oro_ +van Venetië opgeteekend. Evenals onder de adellijken der republiek, zoo +vond men ook onder de schilders der Venetiaansche school, somwijlen een +man van Slawische afkomst. Ik wil aan den bekenden _Nicolo Dalmata_ +(Nikolaas de Dalmatiër) en _Medola Schiavone_, gewoonlijk alleen +_Schiavone_ (de Slawe) genaamd, herinneren. Ook verspreidden zich de +Serviërs, van uit de Adriatische zee, vroeger nog over vele deelen +der wereld. Zij kwamen als matrozen in dienst der Napolitaansche +koningen, en men vindt hen nog heden ten dage naast de Italianen in +alle havens der Middellandsche Zee; ja zij hebben zelfs in Amerika, +b.v. in New-Orleans aan den Mississippi, kleine koloniën gesticht. + +De noordwestelijke broeders en naburen der eigenlijke Serviërs, de +_Kroaten_, drongen nog dieper de landen der West-Europeesche volken +in. Zij werden allen, zelfs die, welke in het zoogenaamde Turksche +Kroatië, het westelijkst uiteinde van het Turksche rijk wonen, tot +den Roomsch-Katholieken godsdienst bekeerd. Onder hen vindt men noch +Mohamedanen, noch Grieksche Christenen, of ten minste slechts zeer +weinige. Ook de Kroaten hebben evenals de Serviërs, eens een tijd van +bloei gekend, en vormden in de 10de eeuw onder hunne eigene Vorsten +een eigen, niet zoo heel klein koningrijk. Maar deze Kroatische +bloei duurde nog korter dan die der eigenlijke Serviërs. Reeds in +het jaar 1091 werden de Kroaten door de Magyaren overweldigd, en na +dien tijd deelden zij bijna altijd de lotgevallen van dit volk, als +een aanhangsel van Hongarije. Slechts een klein gedeelte werd aan de +Turken onderworpen en is het nog heden. De naam van hun koningrijk, +figureert nog heden onder de titels van den Keizer van Oostenrijk en +Koning van Hongarije. Men kan zeggen, dat zij de Janitscharen van +Hongarije en Oostenrijk geweest zijn, evenals de Bosniaken die van +Turkije waren. + +Kroaten en Serviërs mochten in den aanvang, van hunne bergachtige +landen in Illyrië uit, noordwaarts langs den Donau en door de vlakten +van Pannonië, zich verbreiden en vastnestelen, maar later bestond +in hun onrustig, door de Turken steeds onderdrukt en aan bloedige +opstanden rijk vaderland, reden genoeg tot landverhuizing. Reeds in +het jaar 1427 stond de despoot van Servië, George Brankowitsch, aan +Koning Sigismund van Hongarije, de hoofdstad van Servië, het beroemde +Weisenburg (Belgrado) af, en verkreeg hij daarvoor in Hongarije +verscheidene landstreken, waarheen zijne onderdrukte landgenooten zich +bij duizenden met der woon vestigden. Deze landverhuizing herhaalde +zich ook bij verscheidene volgende gelegenheden, en zelfs in de twee +laatste eeuwen hebben zich gedurende den bloei der Oostenrijksche +macht, herhaalde malen groote scharen Serviërs, Bosniaken en Turksche +Kroaten, naar het Oostenrijksche gebied begeven, en zetten zij zich +in de groote uitgestrektheden van het Magyaren-land neder, vooral +in die streken aan de zuidelijke Theiss en den Donau, die onder +de Turksche heerschappij van hunne andere oorspronkelijke bewoners +ontbloot waren. Buitendien heeft ook zelfs in tijden van vrede, eene +voortdurende verhuizing uit het land der Serviërs naar Hongarije +plaats gevonden. Van daar komt het, dat wij niet alleen Slavonië en +de Oostenrijksche Militaire-grenzen, maar ook het zoogenaamde Banaat, +het vruchtbare landschap aan de Theiss, en verscheidene andere streken +langs den midden-Donau, vol Servische koloniën vinden. De uiterste, +iets grootere kolonië der Serviërs ligt aan den Donau, deels boven, +deels beneden Pesth. Een kring Kroatische dorpen loopt langs de +westelijke grens van Hongarije, en aan den voet der Stiermarksche +Alpen, hoog naar het noorden toe; en de uiterste Kroatische koloniën +liggen in eene kleine groep aan het Neusiedler-meer, niet ver van +Weenen, bij elkander. + +Evenals naar de Adriatische zee, zoo hebben deze nakomelingen van +den Servischen stam, zich ook te scheep naar den Donau begeven, en +zijn zij hier een der belangrijkste scheepvaart- en handels-volken +geworden. Zij hebben bijna over de geheele rivier, van Pesth tot aan +Belgrado, den voor handel en scheepvaart weinig geschikte Magyaren, +dat werk afgenomen. Zij vervoeren hier tot ver naar Hongarije toe, +de voortbrengselen van hun eigen vaderland, voornamelijk die bij de +Mohamedanen en Joden zoo weinig in aanzien zijnde dieren, die den +overleden Vorst van Servië, Milosch, zoo rijk gemaakt hebben. Zij zijn +natuurlijk hoofdzakelijk de vervoerders van die dieren langs de Save +en Drave. Men noemt de uit Servië overgekomene schippers en kooplieden +in Hongarije, gewoonlijk "Razen" en hunne groote schepen op den Donau +"Razina's" naar het land der Raiszen of Rasziërs, dat de naam eener +Servische provincie is. Uit deze en andere Servische elementen, +heeft zich letterlijk bij iedere der Hongaarsche Donausteden, +eene door Servische schippers, werklieden, kramers en handwerkers +bewoonde, zoogenaamde Razen-stad gevormd, even zooals sommige onzer +steden eene bepaalde Joden-wijk hebben. Het laatste dergelijk Razen- +of Serviërs-kwartier in noord-westelijke richting vindt men in Weenen +zelf, terwijl het uiterste in omgekeerde of in zuid-oostelijke richting +in Constantinopel gezocht moet worden. De gezamelijke Slawische +bevolking van zuidelijk Hongarije is, van af Pesth, als voornamelijk +Servisch te beschouwen, en hun aantal in Oostenrijk, met inbegrip der +Slavoniërs, Kroaten en der Servische bewoners der Militaire grenzen +en der zoogenaamde Woiwodina, bedraagt nagenoeg 3 1/2 millioen. + +Het westelijk gedeelte van den grooten stam der Zuidelijke-Slaven, +bestaat uit de _Slowenzen_ of _Winden_ in Karinthië, Krain en +Stiermarken. Ofschoon de geschiedenis van den inval dezer Winden in +het duister ligt, zooveel is toch zeker, dat hunne taal een dialekt is +der Servische en Kroatische, en dat zij tot dezen zuidelijken, niet +tot den noordelijken Slawenstam der Czechen en Polen, moet gerekend +worden. Dit wordt ook bevestigd door den toon en het karakter hunner +volks-poëzie, die weinig overeenkomst met die der Czechen heeft. Zij +verraadt eene geheele andere wijze van beschouwing en uitdrukking dan +deze, en bezit, even als de Servische, iets zeer tragisch. Veel van +haar is geheel en al Servisch, vooral in de liederen, die het gebied +der geschiedenis en van het nationaal verleden betreden, en die op +volkssagen van smartelijken en beteekenisvollen inhoud berusten. + +Reeds Karel de Groote deed in de 9de eeuw dezen, het Germaansche gebied +al te diep binnengedrongenen, Slawen den oorlog aan, onderwierp hen +en verdeelde hun land in grensmarken; na dien tijd zijn zij bijna +altijd aan de Duitschers onderworpen geweest. Hun adel verloor zich +in dien der Duitschers, en de burgerij der steden van hun land heeft +zich geheel uit Duitsche elementen ontwikkeld; zij zelven zijn niet +anders dan de herders, land- en wijnbouwers van hun land. Nu reiken +deze westelijkste der Zuidelijke-Slawen, niet verder dan tot aan het +Venetiaansche, tot aan den Isonzo en de hooge Alpentoppen van den +Terglou of Triglowa, een Slawische naam die "driehoofdig" beteekent, +en tot voorbij Klagenfurt. Aanvankelijk echter waren zij nog verder +vooruitgedrongen, tot in de dalen aan den Grosz-Glöckner en tot aan +Tyrol en Opper-Oostenrijk. + +Maar hier heeft de terugslag van hetgeen in Duitschland gebeurd +was, hunne macht geknot. In Tyrol, Salzburg, Opper-Oostenrijk en +in de Noordelijke deelen van Stiermarken en Karinthië, zijn alle +Slawische elementen door het zegevierende Duitsche element, weder +geheel verloren geraakt. + +Waarschijnlijk heeft de geographische ligging van de gezamenlijke +Zuidelijke-Slawen, de omstandigheid dat zij tot aan de spits van +de Adriatische zee, dit merkwaardig historisch- en geographisch +keerpunt in den geledingbouw van Europa, opgedrongen werden, het +meest er toe bijgedragen, dat zij zulke verschillende lotgevallen +gehad hebben. Even als de Slawen, zoo streefden ook de Italianen, +de Duitschers, de Hongaren en de Turken, naar dit natuurlijk en +gewichtig grens- en hoekpunt, en de zwakkere, de reeds van nature +verbrokkelde Slawen werden daarbij geheel uit elkander gejaagd en +vernietigd. Eenige werden, zooals reeds gezegd is, gegermaniseerd, +terwijl andere een Italiaansch waas kregen. Eenige werden door +Hongarije geannexeerd en andere met Tartaarsche en Turksche elementen +vermengd. Ook verdeelden zij zich naar hunnen godsdienst, en dit bracht +veel verschil en tweedracht onder hen te weeg, in drie soorten. Eenige +volgden, zooals bereids gezegd is, den Islam, andere den Paus en +weder andere den Griekschen Patriarch. + +Ten slotte wil ik hier, zooals ik reeds aanduidde, nog een +volk vermelden, dat wel in taal en afstamming weinig met de +Zuidelijke-Slawen gemeen heeft, maar waarvan de beschrijving toch +daarom, het gemakkelijkst met die der Slawen kan verbonden worden, +daar zij naburen er van zijn, met hen een gelijk lot deelden, en, +zoo al niet in het bloed, dan toch in de zeden er veel gelijkheid mede +hebben,--en eindelijk, daar het een overblijfsel schijnt te zijn van +dien verspreiden, ouden, Illyrischen volksstam, die vroeger een groot +deel der nu door de Zuidelijke-Slawen bewoonde landen bevatte, en in +wiens grondeigendom de Slawen binnen rukten. Ik bedoel de in de geheele +wereld om hunnen oorlogzuchtigen geest beroemde Albaneezen of Arnauten, +die zich zelve echter "Skypetaren" (de kinderen der rotsen) noemen. + +De "Albaneezen" of de "witte mannen" (naar de beteekenis +der Oosterlingen, die al het koninklijke en zelfstandige wit +noemen: de _vrije onafhankelijke menschen_), nu nagenoeg anderhalf +millioen zielen sterk, bewonen, als oude oorspronkelijke bewoners, +de noord-westelijke helft van het Grieksche schiereiland, of een +stuk van zuidelijk Illyrië en het oude landschap Epirus, dat van de +noord-oostelijke helft (Thessalië en Macedonië) door den bergketen +van den Pindus gescheiden wordt.--Zooals Thessalië tusschen den +Pindus en den Archipelagus ligt, zoo strekt zich Albanië of Epirus +uit tusschen den Pindus en de Jonische zee. Het land is vol woeste, +steenachtige en dikwijls met sneeuw bedekte bergen, waartusschen zich +vriendelijke en welige, met wijngaarden, oranje- en vijgeboomen gevulde +dalen en enkele meeren--hier en daar langs de rotswanden vette weiden +en hoogst vruchtbare, fraaie landstreken bevinden, waarvan een aan +den voet van den Pindus, tegenwoordig nog, even als in de oudheid, +de Elyzeesche velden genoemd wordt. Aan een dezer meren lag het, +bij de Grieken zoo hoog in aanzien staande, heilige eikenwoud van +Dodona. Maar een sterk contrast met deze kleine lachende paradijzen, +vormen de veel talrijker schrikwekkende landschappen, wier donkere +bergkloven het land als met voren doorsnijden, en waarin de Grieken de +ingangen tot de onderwereld, een Erebos en Acheron plaatsten; ook de +onbeschrijflijk woeste, doorgevretene en doorboorde rots-labyrinthen +waarvan een, reeds door de ouden uitgescholden werd als: "_infames +scopuli Acrokeraunii_", die met dreigende klippen in de Adriatische +zee uitspringen. + +De stammen, die deze bergachtige wildernissen, dalen en zeekusten +bewoonden, waren van de vroegste tijden af om hun wilden geest en +hunne oorlogzuchtige gewoonten beroemd. De Mirmidone Achilles, de +meest woeste der Troyaansche helden, werd in de nabijheid van dit +land geboren. Naar de schildering, die Homerus ons van zijne kracht +en ruwe dapperheid geeft, schijnt hij een echte Albanees geweest te +zijn. In lateren tijd kwam de heldhaftige koning Pyrrhus met zijne +Palikaren van daar naar Italië, om Rome schrik in te boezemen. Een +dergelijk Palikaren-opperhoofd, de veel geprezen George Kastriota +of Skanderbeg, kwam uit de Acherontische kloven te voorschijn, toen +in de 15de eeuw de Turken dit bergvolk wilden onderwerpen, wat hun +echter nimmer geheel gelukt is. En ook weder in onzen tijd hebben +wij daar een derden Pyrrhus, den vreeselijken Ali Pascha van Janina, +uit een geslacht der Albanesche "Tosken", de macht van den Sultan +zien trotseeren. Van af Achilles tot op onze dagen heeft dezelfde +sombere geest, in dit van eeuwig wapengekletter weergalmend land, +dezen, zooals Lord Bijron het noemt, "_rugged nurse_ of _savage men_" +bestaan, en steeds heeft daar dezelfde over-oude volksstam, hetzelfde +nationale-type, dezelfde taal geheerscht. Zelfs de alles in zijn +stroom medesleurende volksoverstrooming der Slawen, die slawiseerend +tot aan den Peloponnesus doordrong, is deze stevige rotsmannen voorbij +gestroomd en heeft hen, als de oude wortelen van een eik, die eens +zijne takken wijd uitspreidde, als de overblijfselen van een ouden +burg, in de gebergten laten zitten. + +Wat hun uiterlijk betreft, verschillen deze Arnauten zeer van hunne +naburen de Slawen, de Walachijers en de Nieuw-Grieken. Het zijn meestal +menschen van eene hooge gestalte en van een krachtigen, gespierden +lichaamsbouw, met langen hals en gewelfde borst. Hunne gelaatstrekken +reeds, verraden de moedige, nimmer door slavernij getemde, mannen. Zij +hebben in den regel het type van het Indo-Germaansche ras, waartoe +zij, zooals nog onlangs een geleerde uit hunne taal heeft bewezen, +behooren, ofschoon dit vroeger in twijfel getrokken werd. Hunne +vrouwen staan in schoonheid en uitdrukking bij de mannen niet ten +achter. De gestalte en de gang dezer Albaneesche Amazonen hebben +iets statigs, iets gebiedends. Hunne rijke, smaakvolle kleeding +draagt er niet weinig toe bij, den Albaneezen iets schilderachtigs +en indrukwekkends te geven. Het is dezelfde kleeding, die uit honderd +ellen linnen zamengevouwene Tristanella, het over de borst geworpene, +engsluitende met goud geborduurde "Sjelleck" (vest), de roode met +afhangende zijden kwasten voorziene hoofdbedekking (Fes), die in den +nieuweren tijd als de nieuw-Grieksche kleederdracht, in geheel Europa +bij iedereen bekend is. Zij mag bij de Arnauten oorspronkelijk en +van dezen op de Nieuw-Grieken overgegaan zijn. + +In hun vaderland leven zij, evenals de Serviërs, in talrijke clans en +geslachten verdeeld, die in nimmer eindigende bloedwraak onder elkander +in vijandschap leven en die somwijlen, als een machtige vijand hen +van buiten bedreigde, als een eenig man opstonden. Verscheidene dezer +stammen, b.v. de moedige Chimarioten in de Keraunische bergen, en hunne +buren de Mirditen (d.i. de dapperen) hebben in alle tijden, evenals de +Montenegrynen, hunne onafhankelijkheid van de Turken bewaard. Ook de +door de heldhaftige verdediging van hun rotsdal, over de geheele wereld +beroemd geworden Sulioten, waren van Albaneeschen stam. Deze nooit +onderworpen geworden stammen dragen den trotschen naam van "Armatolen" +(wapenbroeders). Daar zij altijd tot den dood bereid moeten zijn, +òf om hem te ontvangen òf om hem te geven, zoo zijn zij altijd, zelfs +bij hunne vreedzaamste bezigheden en werkzaamheden, tot aan de tanden +toe gewapend, en Ceres wandelt in hun land met de speer en het schild +van Minerva rond, en zelfs Endymion hult zich in het pantser van Mars. + +Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze +Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische +volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk +zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken _opgeworpen_ dan +_gebouwd_ te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten +voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens +bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de +bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen +waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben +zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw +en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene +enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer, +en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke +tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een +idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische +boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de +bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter +de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen +uitlooft, dan dalen de Arnautische "Bulukbaschis" (de opperhoofden +der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de +hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere +of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne "Buren" +("pleegkinderen") zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog. + +Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen +zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten +onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in +de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de +Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke slot te Napels, ja! zelfs +onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij +meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk +voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne +jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun +lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende +schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve +overal als soldaten en trawanten welkom. + +Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen +op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch +"Brokovalas" genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij +het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de +tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken, +en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen +geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en +weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en +van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn +zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans +zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche +soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij +nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone +gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene "Kotsche" (een +gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde +wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt +beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit +het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen, +vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in +stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder +de aanzittende "buren," naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken +het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid. + +Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De +ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen +zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen +trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de +plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige +herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en +zijd in Turkije bekend. + +Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt +te zijn. De in Turkije beroemde kunst der "_Suterazzi_" (bronmeesters) +stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van +Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien, +bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In +Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven +hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle +provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder +wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst, +zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der +plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij +maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van +hunne voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd, +zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot +10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend +is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks +onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden, +even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende +werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden. + +Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige +provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in +Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en +zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het +einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en +Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel, +onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later +dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven, +wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha's, de oproeren der Grieken +onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En +ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche +omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch +nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche +koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte +der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche +de eigenlijke huis- en familie taal. + +Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen, +en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die +zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van +Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan +het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in +zekeren zin ook een Albaneesche geweest. + +Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude +stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden, +voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië +en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate +vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus +der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van +het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk +gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke +kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid +der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te +berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover +heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers, +het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen +en barbaren, aangegeven wordt. + +In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën +Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders +der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en +bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van +dezen volkstak. + +Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne +latere nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar +Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de +beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer +veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog +een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg, +waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote +vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door +de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer +edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en +Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië, +hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische +rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden +bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar +zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als +landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche +familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige +vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan +het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de _wereld_, aan Paus +Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de +prachtige villa Albani leverde. + +Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van +dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken +verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde +"Clementi," in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius +Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van +Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog +heden onder den naam "Clementijnen" midden onder Magyaren en Serviërs, +hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van +een Duitsch vorstenhuis. + + + + + +DE WALACHYERS OF ROMAENEN. + + +Het klinkt als een sprookje, wanneer men zegt, dat in den tijd, toen +het machtige Romeinsche rijk, als de toren van Babel, ineenstortte +en zich in verscheidene kleinere staten en volken oploste, een +overblijfsel Romeinsche burgers en soldaten zich naar een afgelegene +en wilde bergstreek terug trok, en in hare schuilhoeken de stormen +der volksverhuizing lieten uitwoeden; dat zij daar eeuwen lang met +de oorspronkelijke bewoners dier landstreek samenwoonden, en groote +landstreken, aan den voet van het gebergte, met hunne talrijke +afstammelingen weder bevolkten, en zoodoende de _Nucleus_ of het +zuurdeesem van een nieuw, groot, zeer verspreid volk werden, dat +tot op den huidigen dag bestaat en nog vrij duidelijk, ofschoon met +veelvuldige bijmengingen en wijzigingen, de Romeinsche taal spreekt; +bij wien ook de herinnering en den naam der Romeinen behouden bleef--en +dat nog daarenboven dit behoud van den naam en de taal der Romeinen, +juist in eene landstreek plaats vond, die vóór alle andere een groote +volken-poort, een waar doorgangsoord voor de meest verschillende +volksverhuizingen was; in eene landstreek, waarvan men vooral had +kunnen verwachten, dat zoo _ergens_, dan _daar_ al het Romeinsche +en oude tot het laatste spoor zou weggevaagd zijn--dit alles, zeg +ik, schijnt schier ongeloofelijk, en toch is het de van oude tijden +overgebrachte en geloofwaardige geschiedenis van dat gedenkwaardige +volk, dat wij gewoon zijn Walachyers of Moldo-Walachyers te noemen. + +De hoofdkern der landschappen door dit volk bewoond, wordt gevormd +door de boschrijke hoogten en grasrijke Alpenplateaux der zuidelijke +Karpathen, de groote en met vele kloven voorziene bergen van het +tegenwoordige Zevenburgen, die door de inwoners zelve bloot weg +"_Muntje_" (_Montes_, de Alpen) genoemd worden. + +Van dit hooge bergland, dat schier overal door groote vlakten omringd +is, en slechts op twee punten door smalle, lage en nog daarenboven +doorgebrokene bergruggen, met andere gebergten, in het noorden +met de Poolsche Karpathen en in het zuiden met de Servische bergen +gemeenschap heeft, stroomen naar alle zijden heen rivieren. Naar +het noorden en westen de talrijke wateren, die naar de Theiss, naar +het Hongaarsche vlakland stroomen, naar het oosten, de Dniester, de +Pruth en Sereth, die in de Zwarte Zee uitwateren en naar het zuiden +de Aluta en vele andere kleine rivieren, die als in eene goot in +den Donau uitloopen. De breede Donaustroom omgeeft het land, langs +de geheele zuidelijke helft, als eene natuurlijke grens, en scheidt +het van de landen van het groote Illyrisch-Grieksche schier-eiland. + +De binnenste gedeelten van de bergachtige kern des lands, wedijveren +in natuurlijke schoonheden en rijkdommen met de fraaiste gedeelten +der Duitsche Alpen. Hier valt onze blik op eene menigte ijzingwekkende +rotskloven, van de grootste afmetingen, dààr stijgen de oude beenderen +der Aarde in eene duizeling wekkende hoogte op, als waren zij het werk +der Titanen. In de diepte ruischen, in watervallen en draaikolken, +de bergstroomen. De terrassen en hellingen zijn hier en daar met de +weelderigste bosschen op het schilderachtigst getooid. Boven op de +opgehevene en uitgestrekte ruggen treft ons oog met bloemen versierde +weiden en groene dreven. De op zich zelf staande, als torens en koepels +boven alles uitstekende, toppen der bergkolossen, bieden de heerlijkste +uitzichten aan, in het zuiden tot aan den Pontus en tot aan den ouden +Haemus in Thracië, in het noorden tot diep in Polen en Hongarije. + +Langs groote uitgestrektheden is het kolossale muurwerk dezer prachtige +hoogten, eene ware bergvesting, ontoegankelijk voor de karavanen, +legers en volkverhuizingen. Hier en daar echter is de vesting door +natuurlijke bressen of poorten doorgebroken, waardoor de wateren en +winden even als ook de volken, sedert oude tijden uit- en instroomden, +en deze poorten of passen: "de ijzeren poort," "de roode toren-pas," +"de vulkaan-pas" zijn van oudsher in de geschiedenis van het land +beroemd geweest. De kloven en aderen der bergen zijn rijk aan +mineraliën van de meest verschillende soort. Men vindt er berghars, +ijzer, koper, zilver en goud. Zelfs het overal elders zoo zeldzame +kwikzilver ontbreekt hier niet. Aan hunne randen zijn de rijkste +massa's van het zuiverste kristal-zout nedergeslagen. Ter verkrijging +van vele dezer schatten, is reeds sedert den oudsten tijd een gedeelte +der bergen doorboord geworden. Veel echter verbergen zij nog ongebruikt +en onontdekt in hun schoot. + +Langs den lagen rand van het hooggebergte slingert zich een krans +vriendelijke heuvel-landschappen door Opper-Walachye en Moldavië tot +aan de Bukowina. Bij hen wisselen fraaie dalen met boschachtige niet +te steile hoogten, vruchtbare bouwlanden met grasrijke uiterwaarden +elkander op het allerbekoorlijkst af. Levendige beukenwouden en +aangenaam riekende lindenbosschen vindt men daar in hunne grootste +pracht, waar tusschen heuvels met wijngaarden, alsmede mildbloeiende +ooft- en vruchtboomen van zeer verschillende soort, die hier in de +lente geheele landschappen met eene zee van bloemen bedekken, en het +land een aangenamen tuin doen gelijken. Terwijl de beer, de losch, de +wilde kat in de kloven der hooggebergten huizen, worden die linden- +en beukenwouden der heuvelachtige gedeelten verlevendigd door het +gekweel van allerlei zangvogels, die hier in zoo buitengewoon groot +getal komen en nestelen, als nauwelijks in eenig ander gedeelte van +Europa. Ook leven in de bosschen verscheidene soorten van herten en +reeën, een overvloed van wilde zwijnen en andere wildsoorten. + +De heuvelstreken verliezen zich ten laatste in de geheel vlakke +landschappen, die zich langs den Donau, aan den Pontus, de Dniester +en de Theiss, rondom genoemde bergachtige kern van het land, als een +groot tapijt uitbreiden. In deze vlakten hebben de rivieren, van het +begin der schepping af, haar natte slib laten vallen, en over hare +uitgestrektheid zware lagen vruchtbaren bouwgrond gevormd. Even +als in de delta van den Nijl is ook hier, aan de monden van den +Donau, de oogst honderdvoudig, en de onuitputtelijke vruchtbaarheid +dezer Donau-vlakten, die in verschillende tijden de graanschuren +van Constantinopel geweest zijn, en tot het Grieksche schiereiland +nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als de landschappen langs de +Po of Lombardye tot het Italiaansche, is bij de oude, zoowel als bij +de nieuwe schrijvers letterlijk spreekwoordelijk geworden. + +Ik kan dit, hier slechts in hoofdtrekken geschetste, beeld van het +tegenwoordig door de Walachyers bewoonde gedeelte van Europa, dat de +zoogenaamde Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachye, de Russische +provincie Bess-Arabië, het Oostenrijksche Hertogdom Bukowina, +het Koningrijk Zevenburgen, het zoogenaamde Temeswarer Banaat, en +aanzienlijke gedeelten van Hongarije omvat, en in uitgebreidheid vrij +gelijk staat met de grootte van het Pyreneesche schier-eiland, niet in +bijzonderheden verder beschrijven. Al het bovengenoemde samen vattende, +mag men echter wel beweren, dat dit landen-complex van nature alles +aanbood, wat een volk aan grondstoffen noodig had, om beschaving en +kunsten te doen ontwikkelen; had men het gebied, uit de landen-massa +waarover het verdeeld is, kunnen uitsnijden en als een eiland in de +zee kunnen plaatsen, of naar eenige andere gunstige geographische +ligging overbrengen, en het door een nijveren volkstam kunnen laten +bevolken, dan had daarin een der ten allen tijde bloeiendste rijken +en natiën kunnen ontstaan. + +Voltaire heeft ergens gezegd, dat wel het klimaat zeer veel invloed +heeft op het karakter der volken, maar tienmaal meer invloed nog heeft +de regeeringsvorm, en honderdmaal meer de godsdienst. Hij had daar +nog wel bij mogen voegen, dat meer dan dat alles, de aardrijkskundige +ligging van een land en een volk beslist; dat de ligging die het in +den grooten landen- en volkenkrans toegedeeld is, de manier en de +wijze waarop het eene plaats in het groote landen-tapijt van het +vasteland is aangewezen, boven alles en door iedereen in het oog +moeten gehouden worden. Het schoonste land ter wereld zal niet in +staat zijn, eene bloeiende maatschappij, een invloedrijk geslacht +voort te brengen en aan te kweeken, als de ligging, die het op +onze planeet inneemt, ongunstig is voor de ontwikkeling; wanneer +belemmerende invloeden zich in zijne nabuurschap bevinden. De vette +akkers der Walachyers grenzen en vermengen zich aan de eene zijde met +de onmetelijke steppen van zuidelijk Rusland. Tusschen de zuidelijke +voorgebergten der Transylvanische Alpen en den Pontus, blijft eene +ruime, opene poort, waardoor de koude steppen-winden blazen, die +het klimaat in den winter bijna gelijk aan dat van Rusland maken, +en hier, op denzelfden breedtegraad als Florence, den Donau en het +geheele land voor maanden onder eene dikke laag sneeuw en ijs begraven. + +Even als de noord-ooste winden, de in het land zoo gevreesde +"crivans," zoo zijn ook hier van oudsher de onrustige steppen-volken +binnengestormd, en hebben zij herhaalde malen voor lange tijden de +schoone akkers in woestenijen verkeerd en slechts als paarde-weiden +benuttigd. + +De majestueuse Donau, de grootste rivier van Europa, die wel een +huwen met den Oceaan waardig geweest was, beleeft hier het droevig +lot, door het nauw en afgelegen bassin van de Zwarte Zee verslonden +te worden. Daar hij dwars over de noordelijke basis van het groote +Grieksche schiereiland heen loopt, zoo hebben de beschaafde rijken, +die, zich over dit schiereiland verbreidende, aan den Propontis en +aan de Aegeïsche zee hunne wortels hadden, hem niet zoo zeer als +een levensader, maar veeleer als hun grens-kanaal of als eene gracht +beschouwd, waar langs zij hunne militaire grenzen en verdedigingswerken +oprichtten. En zoo hebben zij het land aan gene zijde aan de +barbaarschheid en aan het Noorden prijs gegeven. De volken van het +Noorden en het Oosten wederom, beschouwden deze Donau-landschappen +steeds als het einde van hun gebied, waarheen zij nog op hun gemak +konden rijden, terwijl het Zuiden er zich aan vasthield, als aan het +uiterste, dat het nog vermocht te verdedigen. Ten gevolge hiervan +was aan den Donau nagenoeg nooit een invloedrijk centraalpunt van het +volken-leven. Nooit ontwikkelde zich hier, zooals aan de Delta van den +Nijl, aan den Rijn en andere groote rivieren, eene wijze, machtige en +gebiedende natie. Men vindt hier, zoo lang de geschiedenis aanwijst, +nooit iets anders dan een betwist grensland, dat altijd een, steeds +van heerscher verwisselende, speelbal der machtige naburen geweest is, +en dat veel overeenkomst heeft met een zeeboezem, waarin het schuim der +volken--de uiterste toppen der baren,--tegen aan klotst en gaten slaat. + +Het is hoogst waarschijnlijk, dat deze volken-branding, deze in de +landen van den beneden-Donau ingewortelde, en van oudsher bestaande +tweeslachtige en gemengde toestand, zoo als wij dien in den loop +der eeuwen kunnen volgen, reeds dagteekent van ver vóór den tijd, +waarvan wij de geschiedenis uit geloofwaardige bronnen kennen. De oude +geschriften der Grieken, die deze landen het eerst genoemd hebben, +rekenen de bewoners er van tot de zoogenaamde Thracische stammen, +waaronder allengs de "Geten" en de "Daken" of Daciërs als bijzondere, +onze Donau-Vorstendommen en het Zevenburgsche Alpenland bewonende +natiën te voorschijn treden. De laatste naam van Daciërs behield +ten laatste bij de Romeinen de overhand, en bleef voor langen tijd +de volksnaam. + +De Walachysche taal heeft nog heden ten dagen vele woorden en +wortelen, die wij noch uit de Turksche, noch uit de Slawische, noch +uit de Latijnsche, noch uit eenige andere nu naburige en bekende taal, +waaruit zij elementen ontvangen heeft, kunnen afleiden, en die daarom +vermoedelijk aan die, door de Romeinen en Grieken als oorspronkelijke +bewoners genoemde Tracische "Geten" en "Daciërs" toebehooren. Even +als in de taal heeft het volk ook nog in zijn ras, in zijne zeden en +in zijne geheele wijze van zijn, veel oorspronkelijk "Dacisch." Hij, +die in de gelegenheid geweest is, een grooten en plompen Walachyschen +herder, met zijne in geitenvel gehulde voeten, zijne door een lederen +gordel vastgehouden broek, met zijn schaapsvel op het hoofd, met zijne +lang niet leelijke maar wilde gelaatstrekken onder den kolpak te zien, +en die deze figuur vergeleken heeft met die Dacische krijgsgevangenen, +zooals zij in Rome op de, aan de zuil van Trajanus aangebrachte, +beeldhouwwerken te zien zijn, zal onze gevolgtrekking billijken. De +figuren, die de oude Romeinsche beeldhouwers daar voor 2000 jaren +in steen uitbeitelden, gelijken op de personen, die wij heden ten +dage aan den beneden-Donau, in het gebergte van het oude Dacië zien +ronddwalen, als een goed portret op het origineel. Ook van den bij de +Romeinsche blijspelen ingevoerden knecht, die altijd onder den naam +"Davus" den kwâjongensachtigen en barbaarschen dwaas speelt, heeft +men gemeend eene teekening naar de uit Dacië ingevoerde slaven te +zien. Aanduidingen van dit soort, zeg ik, versterken het vermoeden, +dat wij in de tegenwoordige Walachyers, voor een groot deel, de oude +Daciërs voor ons zien. + +Ten tijde van den grootsten bloei van het Romeinsche Keizerrijk, werden +de Daciërs beheerscht door een Koning "Decebalus" genaamd, die in het +oude beroemde en nu nog in eenige ruïnen bestaande "Sarmizegethusa", +in een der Alpendalen van Zevenburgen resideerde, en van daar uit +het omliggende land beheerschte. De Romeinen onder Keizer Trajanus +overwonnen dezen vorst na hardnekkigen strijd, bouwden eene steenen +brug over den Donau, stuurden troepen en kolonisten het land in, +legden wegen en bergwerken aan en veranderden het geheele Dacische +rijk in eene Romeinsche provincie. De onderworpene barbaren leerden +de Romeinsche taal, die zij echter waarschijnlijk van den beginne af, +met Dacische en andere elementen vermengd hebben. + +Ofschoon Keizer Adrianus de vaste brug over den Donau weder af liet +breken, en vervolgens ook onder Keizer Aurelianus de altijd onrustige +provincie weldra geheel opgegeven werd, en ofschoon de Romeinen daar +hoogstens honderd en vijftig jaren heerschten, zoo hebben zij toch den +inboorlingen in dezen korten tijd den stempel hunner Italiaansche taal +zoo diep ingedrukt, dat hunne nakomelingen die aangeleerde taal nog +niet vergeten hebben en nog heden ten dage hun land "_Zara Rumaneski_" +(land der Romeinen) noemen. + +Het is opmerkelijk, dat de grenzen van het gebied waarover heden ten +dage deze taal en natie verspreid is, bijna nauwkeurig overeenkomen +met de grenzen van het Romeinsche Dacië. Deze provincie grensde ten +oosten aan den Dniester, ten westen aan den Theiss, ten zuiden aan +den Donau en ten noorden tot even verder dan Zevenburgen, met andere +woorden overal juist zoover als nog heden ten dage de "Romaenen" +als oorspronkelijke bewoners het land bewonen. + +Er is moeielijk een tweede, even sterk bewijs te geven, voor de energie +van den korporaal-stok en den schoolmeesterstaf der Romeinen. Tallooze +eeuwen bewonen de barbaarsche "Daken" alleen en ongestoord, op +hunne eigene manier, hun Noordsch land. Zij leeren niets van de +Macedoniërs, niets van de Grieken, die nu eens als vrienden, dan eens +als vijanden hun land bezoeken. Vervolgens, echter komen de Romeinen, +die onweerstaanbare landenbedwingers en volkenverwoesters, en deze +worden voor de korte tijdruimte van 150 jaren hunne leermeesters +en heeren, en ofschoon de Daciërs later weder gedurende bijna twee +duizend jaren, als eene aan de oevers der zee groeiende struik, door +de menigvuldigste volken-brandingen en stormen heen- en weergezweept +werden, zoo hebben zij het van de Romeinen ontvangene toch in zulk +eene groote mate bewaard, dat een reiziger bij hen, om zoo te zeggen +bij iederen voetstap, het Romeinsche element ontwaart. Hoeveel +bruggen ook sedert Miltiades en den Persischen Koning Darius over +den Donau geslagen zijn, zoo is toch de Romeinsche, door Trajanus +gebouwde brug de eenige, die nu nog (ten minste in eenige door +Adrianus niet verwoeste overblijfselen) overgebleven is. Ook vindt +men heden ten dage voor in het land nog eenige duidelijke sporen van +Romeinsche wegen. Ofschoon de Romeinen in hunne bergwerken ieder blok +met hamer en breekijzer moesten losbreken; zoo zijn toch de door hen +uitgebrokene, nu verlatene mijngangen en schachten, veel talrijker in +Dacië, dan die welke men later, na de uitvinding van het buskruit, +door springen veel gemakkelijker kon verkrijgen. Alle eenigzins +aanzienlijke interessante ruïnen van het land stammen van de Romeinen +af, en de munten, mozaïken en andere kunstwerken, die men daar bij +massa's uit den grond opdelft, dragen de beeltenis en den stempel +van Romeinsche Keizers. Het volk zelf versmaadt alle andere namen, +waaronder het bij de overige wereld bekend staat, onderhoudt met +groote voorliefde alleen zijne Romeinsche tradities en herinneringen, +en houdt geene nationale benaming voor eervoller dan die der Romeinen, +"Rumanye" of "Romaenen" die het nu nog op zich toepast. + +Wie de geschriften der geestige Gravin Dora d'Istria, eene dochter +van den Walachyschen Vorst Ghika kent, die zal zich herinneren, +met welke levendige vaderlandsliefde deze geleerde dame, steeds +zoowel van Walachyë, als ook van Italië, als ware dit laatste het +land harer vaderen, spreekt, en hoe warm zij sympathiseert met het +streven naar vrijheid van de Italianen, die zij de broeders der +Walachyers noemt. In de, in het jaar 1849 aan den Donau uitgebrokene +nationaliteits-oorlogen, gaven zelfs deze Walachyers aan het verwonderd +West-Europa het vreemde schouwspel te zien, dat zij onder aanvoering +van "Centurionen" en "Decurionen" te velde rukten, en in hunne vanen +en wapens de klassieke letters S.P.Q.R. (_Senatus Populusque Romanus_) +plaatsten. Ook in de voortbrengselen hunner nationale poëzie wijzen +deze Romaenen ook heden ten dage dikwijls naar Rome terug, als ware +dit Rome hun eigenlijk stamland, hun vaderland, welks verlies hen +met weemoed vervult. + + +Waar is dat Roma? eertijds door verdediging harer zonen geducht! + En dat thans niets dan sombere klachten doet hooren! +Onder vreemde heerschappij én macht én druk wordt nu weemoedig gezucht! + Het vaderland, allen zoo dierbaar, is verloren.-- + Beweent ons toch, die als vreemdlingen in vreemde rijken wonen, + Gij, gebeenten en gij, graven van Romeinen, zoo eerwaard! + Beweent ons toch, gij waardige spruiten, gij dochters en zonen + Uit den doorluchtigen stam van dien Romulus, zoo vermaard! + Verhef ten hemel uw rechtmatig droefgeestig geklag, + Want de Romeinsche Roem voor eeuwig verdween! + Gij heuvels en gij bergen! klaagt toch ook uw wee en ach + En ook gij beken en bronnen in het dal hier benêen; + En gij kleine vogel, zoo vrij van alle banden, + Klaag ook in uw zingen toch steeds met ons! + O! lief Italië! gij schoonste aller landen! + Wat heeft de vijand u verwijderd van ons. + + +Deze verzen en ontboezemingen vond ik eens in eene elegie, die mij een +der patriotische afstammelingen der Romeinsche kolonisten in Dacië, +in den omtrek der ruïnen van de oude Koninklijke residentie van +Decebalus, "Sarmizegethusa" presenteerde. Men ziet daar uit, dat een +Romeinsch nationaal-gevoel, een heimwee naar Rome, zich in de geheele +geschiedenis der Walachyers tot op onze dagen openbaart. Levendig +herinnert men zich bij zulke verzen, de elegiën die de Romeinsche +Ovidius, 1800 jaren geleden in ditzelfde land, waar hij in ballingschap +leefde, dichtte. Is het niet alsof de klaagliederen van den ouden +Naso, in die landstreken onder de Romeinsche kolonisten, van hand +tot hand, van mond tot mond, waren gegaan en zich tot op onzen tijd, +als eeuwenoude nationale treurzangen, steeds op nieuw het burgerrecht +hebben weten te verwerven? + +En nu de taal, waarin die liederen gezongen worden, en die door het +geheele volk gesproken wordt, al is zij ook al niet geheel meer die +van Ovidius, zoo blinken u toch overal uit de massa der taal, òf +zuiver Romeinsche, òf een weinig veranderde Romeinsche uitdrukkingen +tegen, even als het kwartskristal uit de graniet-massa. Niet zonder +verbazing kan zich de reiziger naast een dezer barbaren aan den oever +van Dniester of Pruth nederzetten, en hooren hoe onder het gesprek, +dat hij met hem over zijne nomadische aangelegenheden aanknoopt, +hem het eene Latijnsche woord voor, het andere na, als behoorde het +in de landstaal te huis, over zijne ruwe lippen komt. Hij zelf, uw +Walachysche reismakker, waarmede gij u in een gesprek verdiept hebt, +geeft zich voor eenen "_pescator_" (visscher) uit, en hij spreekt +u met "_Domne_" (_Domine_, heer) aan, hij wenscht u een "_bundi_" +(goeden dag) of "_bun avenit_" (van _advenire_) toe; welke zonderlinge +verwelkomingen, van den Tiber tot aan den Dniester, gedurende zoovele +eeuwen weergalmen. Vraagt gij hem "_Que es_" (tot welk volk behoort +gij?) dan antwoordt u deze ruige, met schaapsvellen bekleedde Nomade: +"_Eo sum Romanie_" (ik ben een Romein). Het gras waarop gij zit, noemt +hij "_frunse värdje_" (_frons viridis_, het groene kruid). Vraagt +gij hem naar de Walachysche benamingen van het om u grazende vee, +dan krijgt gij weder Latijnsche woorden te hooren. Het zijn allemaal +"_capras_" (geiten), "_vaccas_" (koeien), "_boos_" (ossen) en de +hond die ze bewaakt "_kine_" (_canis, chien_). Hoe mogen het toch de +Romeinen wel aangelegd hebben, dat zij de overoude bergbewoners geleerd +hebben, zaken waaraan zij zoo lang gewoon waren, niet in het Dacisch +maar in het Latijn uit te drukken? Gaat hij zijne beesten tellen, +dan is het: "_uno, duo, tri_." Het tellen zelf noemt hij evenals +de Romeinen "_numerare_." De wilde pereboomen, die met vruchten +beladen aan den groen getooiden oever van den Pruth voor u staan, +noemt hij "_pieras formassas_" (_pirus formosa_), en de zwarte pruimen +daarnaast "_prungus negros_" (_pruna nigra_) en de noten, "_nukus_" +(_nuces_). Zoo pratende weg spreekt hij ook veel over zijn "_Imperatu +nostru_" (_Imperator noster_); en gij weet bijna niet of hij op den +ouden Keizer Trajanus in Rome, of op den Czar Nikolaas in Petersburg +doelen wil. Is eindelijk uw gesprek afgeloopen en ook het steppenvuur, +dat naast u flikkerde, uit, dan roept het barbaren-kind, even als +vroeger de Romeinsche Centurio des avonds in zijne legerplaats: +"_extinso fusco_" (ons vuur is uitgedoofd), en gaat hij met u over +den "_podu de leno_" (_pons ligneus_), die over het water ligt, +naar zijne niet ver verwijderde "_casa_" (hut). + +Deze voorbeelden, die wij aanzienlijk zouden kunnen vermeerderen, +mogen voldoende zijn, en ik mag volstaan met de algemeene opmerking, +dat zij, die getracht hebben de elementen der Walachysche taal te +ontleden, tot het resultaat gekomen zijn, dat meer dan de helft dier +elementen van Romeinschen oorsprong zijn; zeer merkwaardig is het +dat de Walachysche uitspraak van het Latijn in hooge mate gelijkt +op die der hedendaagsche Italianen. Zoo b.v., om slechts een enkel +voorbeeld aan te roeren, spreken de Walachyers even als de Italianen +"_Tschitschero_" niet _Sisero_ (_Cicero_), even eens "_dscheme_" +niet "_gemit_" (hij zucht), _dschoku_ (Italiaansch _gioco_, zoet); +_noi_, wij; _voi_, gij; _uovo_ (_ovum_, ei). Het "_gli_" der Italianen +hebben de Walachyers volmaakt op dezelfde wijze, b.v. _tagliari_ in +het Walachysch en het Italiaansch voor "snijden." Men heeft getracht +dit van latere verbindingen der Walachyers met de tegenwoordige +Italianen af te leiden. Maar veel natuurlijker schijnt het aan +te nemen, dat de naar den Donau verplante Romeinsche burgers en +landbouwers-soldaten, in hunne _lingua rustica_, reeds toen ter tijd +veel zoo uitspraken, als nu onze tegenwoordige Italianen doen, en dit +uit Italië mede naar den Donau overbrachten. Nadat de Romeinen Dacië +verlaten hadden, kwam het (waarschijnlijk niet zonder veel strijd) +onder de heerschappij van Germaansche volken, van de "Gothen" en de +"Gepiden." Aanzienlijke gedeelten van het Dacische land en volk, de +Walachysche Bukowina, Zevenburgen, de oostelijke, geheel Walachysche, +helft van Hongarije, staan ook nu nog onder de heerschappij der +Germanen (de Oostenrijkers). Ook is reeds sedert de 12de eeuw, +het geheele binnenste, bergachtige gedeelte van Dacië, met kleine +landschappen van Duitsche kolonisten doorsneden, en ook Moldavië en +Walachye hebben niet weinige Duitsche landverhuizers opgenomen. Heden +ten dage, heeft Romaenië zelfs een Vorst van Duitschen stam. + +Er valt nauwelijks aan te twijfelen, of zulke tijdperken van Duitsche +heerschappij en Duitsche inmenging, moeten niet zonder invloed op de +ontwikkeling der Walachysche nationaliteit gebleven zijn. De taal bevat +nog eenige elementen uit den Gothischen tijd, en ook later zal het +Zevenburgsche Walachye velerlei geleerd en aangenomen hebben, van zijne +Duitsche naburen, zijn Duitsche rentmeesters of Duitsche rechters. + +De volken evenwel, die zich van de zijde der Slawen, weldra nadat +de Gothen west- en zuidwaarts vertrokken waren, in het Dakenland +vestigden, hebben steeds veel invloed van blijvenden aard op de +geschiedenis der Walachysche nationaliteit gehad. Met de Slawen, die +van oudsher meer met hen verwant waren en hun sympathie inboezemden, +hebben de geromaniseerde Daken zich veel meer verbonden. De Slawen, +die evenals de Germanen, door den inval van Attila en zijne Hunnen, +in oproer gebracht waren, rukten tegen het einde der 5de eeuw naar +den beneden-Donau en overstroomden ook het oude Dacië, waarin +zij zich, nevens de door hen ten onder gebrachte inboorlingen, +vestigden. Velen van hen bleven daar zelfs nog, toen in de volgende +eeuwen de opperheerschappij over het land, van de Finsch-Tartaarsche +Nomaden-volken overging op de Bulgaren, Magyaren, Petschenegen +en Kumanen, die achter elkander Dacië geheel of gedeeltelijk, voor +korteren of langeren tijd, bemachtigden. Juist onder de onderdrukking +dezer vreemde overheerschers, kwam eerst de innige vermenging van +het Slawisch en Dako-Romanisch element tot stand. Dit laatste behield +echter de overhand, vermoedelijk daar de binnengedrongene Slawen de +minderheid vormden tegen de oorspronkelijke inboorlingen. + +Dat echter de vermenging, met de Slawen van grooten invloed en van +blijvenden aard was, wordt heden ten dage in Moldavië en Walachye +door velerlei zaken bewezen. Men ontmoet daar bij iedere schrede, +even goed het Slawisch element als het Romeinsche, zoowel in zeden, +als in taal en andere uiterlijke gesteldheden van het volk. In zijne +geheele lichamelijke gesteldheid, zijne physionomie, zijne wijze +van zijn en doen, heeft de Walachyer meermalen veel overeenkomst met +zijne Slawische naburen in Bulgarije en Zuid-Rusland. Zijne woningen +zijn juist zoo ingericht als die der Ruthenen en Kozakken. Zijn +bijenteelt, zijn landbouw en huishouding is meermalen op dezelfde +leest geschoeid als die van zijn buurman. Veel daarvan mag misschien +al niet rechtstreeks van de Slawen overgenomen zijn, maar zijn ontstaan +te danken hebben aan de overeenkomst van klimaat. + +Ook in de taal der Walachyers vinden wij duidelijke sporen van een +het volk diep ingeprent Slawisme. Van de helft van den Walachyschen +woordenschat, die niet uit Italië kan afgeleid worden, is, volgens +het beweren van den Slawischen geleerde Schaffarik, de helft +Slawisch. Ja! zelfs verscheidene eigenaardige grondtoonen, vokalen, +consonanten en samengestelde klanken van het Slawisch alphabet, zijn +in het Walachysche overgegaan. Wij kunnen echter niet verklaren, +of dit niet ook ten deele berust op eene oorspronkelijke, van vóór +de geschiedenis dateerende, verwantschap van het Slawische met het +Walachysche of Thracische ras. Ook moet hierbij opgemerkt worden, +dat de uit het Slawische ontleende woordenschat, in het Walachysch +ongeassimileerd bleef, zonder invloed op vorm en bouw van het +Walachysch, en dat deze taal daarom in hoofdzaak eene Romanische, +eene zuster van het Italiaansch _gebleven_ en niet eene Slawische +_geworden_ is, zooals sommige wel meenden. + +Herhaalde malen verviel de gezamenlijke Walachysche natie, of ten +minste een aanzienlijk gedeelte er van, met Slawische stammen tegelijk, +aan hetzelfde rijk of tot dezelfde dienstbaarheid. Zoo b.v. kwam het in +de 8ste en 9de eeuw onder het groote Walacho-Bulgarenrijk, waarin de +Slawen het grootste gedeelte der onderdanen uitmaakten. En vervolgens +werden dikwijls door Tartaarsche gebieders, Slawen naar het land der +Walachyers, en omgekeerd Walachyers naar de oorden door de Slawen +bewoond, overgebracht. Ook later nog kwamen de Walachyers meermalen +onder Slawische heerschappij. Galicische (Ruthenische) Vorsten +heerschten in de 12de eeuw over een groot gedeelte van Bess-Arabië +en van Moldavië. Ook traden de Walachyers met de Zuidelijke-Slawen +tot dezelfde christelijke kerk, tot het Grieksche of Oostersche +patriarchaat toe. + +Langen tijd, zelfs tot in de 17de eeuw, was dientengevolge het +Slawische niet alleen de kerktaal, maar ook de staats- en rechtstaal +der Walachyers. De wetten, de rechtspleging, contracten werden in het +Slawisch gesteld, evenals in andere landen in het Latijn. Ook bedienen +de Walachyers zich nog tot op den huidigen dag, voor het schrijven en +drukken hunner taal, van het Slawische alphabet. Nagenoeg alle hoogere +betrekkingen en waardigheden aan het hof, zelfs de latere Walachysche +Vorsten, kregen en behielden Slawische namen en titels. De geheele +staats- en kerkelijke inrichting was in zekeren zin op Slawischen +voet geschoeid. + +Ook de Bojaren, de hooge adel der Walachyers, zijn naar het oordeel +van enkelen, van Slawischen oorsprong, iets wat de Bojaren zelven +niet willen toegeven; zij beweren zelfs uit echt Romeinsch bloed +gesproten te zijn. Eveneens is de nationale naam der Walachyers, +waar onder zij in Europa vrij algemeen bekend zijn, door de Slawen in +omloop gebracht. De Slawen noemden alle afstammelingen of onderdanen +der Romeinen "Wlach." Italië zelf noemen zij ook het land der Walachen +(Walachyers.) "Wlach" beteekent nu nog in het Poolsch een Italiaan. Het +is hetzelfde woord, dat de Duitschers in den vorm "Wälsche" (vreemd, +Italiaansch) gebruiken. Door de Slawische en Germaansche benaming der +Walachyers, wordt dus weder de Italiaansche en Romanische herkomst +der hedendaagsche bewoners van Dacië erkend, ofschoon zij zelve dien +naam niet gaarne hooren. + +Ook in hunne huiselijke gewoonten en alledaagsche gebruiken, toonen de +hedendaagsche Romaenen dikwijls eene groote gelijkheid met de Slawen, +en ofschoon de geleerden niet zoo groote waarde aan zulke dingen +hechten, als aan het onderzoek naar het alphabet, de deelwoorden, de +voegwoorden en de samenvoegingen der woorden, zoo moeten deze toch ook +beschouwd worden als hulpmiddelen om de bestaande volksverwantschappen +te bewijzen. Enkele voorbeelden daarvan wil ik hier aanhalen: evenals +in de Slawische landen, zoo verlaat ook in het Dakenland, het landvolk +naar een oud gebruik, wanneer de boomen bloeien, dansende zijne +winterkwartieren; de met bloemen getooide meisjes in afzonderlijke +reien, en in andere reien de knapen, door hunne met zijden doeken +zwaaiende voordansers aangevoerd. "Zij hebben," zegt Demetrius +Kantemir, eens zelf een Walachysch Vorst en een der beste kenners +der gewoonten van zijn volk, "meer dan honderd verschillende wijzen +en maten en vele zeer élégante dansen, die daarop kunnen uitgevoerd +worden." Daarmede worden tien dagen tusschen Hemelvaartsdag en de +Pinksterdagen in voortdurende beweging doorgebracht, en alle vlekken +en dorpen al dansende doorgetrokken. + +Dit is nagenoeg juist zooals bij de Kozakken en Bulgaren; ook de +manier en de wijze, waarop bij de half-Slawische Letten en Lithauers, +de verliefde jongeling, aan de ouders zijner geliefde, iemand zendt +om de hand der dochter te vragen,--en hij, die voor den minnaar +het aanzoek doet, voorzichtig en met van oudsher gebruikelijke +plechtigheid, alsof het er om te doen was een Prins met een Prinses +te verloven, zijn boodschap overbrengt--hoe ontwijkend hij door de +ouders behandeld wordt, hoe men hem, die naar hij zegt gekomen is, +om een verloren lammetje, een opgespoorde maar verdwenen ree, een eens +gezien maar toen weder weggevlogen duifje te zoeken, eerst met opzet +de andere dochters voorstelt,--hoe deze door hem wel geprezen, maar +tegelijkertijd gecritiseerd en als ondergeschoven verworpen worden--en +hoe men dan eindelijk, als de aanzoeker dringender wordt, met het +echte duifje, dat in een schuilhoek reeds op het fraaist opgetooid +werd, voor den dag komt--en wat dan nog verder plaats heeft,--dat +alles komt zoo nauwkeurig overeen met de Walachysche gebruiken bij +diezelfde gelegenheden, dat zelfs de vergelijkingen en de beelden, +waarvan de sprekers zich bedienen, bijna geheel dezelfde zijn, als die +bij de half-Slawische Lithauers en Letten, die toch door uitgebreide +landstreken van de half-Slawische Walachyers gescheiden zijn. + +Even als dergelijke gewoonten, zoo zijn ook verscheidene bijzondere +wijzen van bijgeloof bij de Walachyers evenzeer ingeworteld, als in de +geheele Slawische wereld. Zoo--om ook hier onder de vele voorbeelden +slechts een zeer bijzonder aan te voeren--gelooven de Walachyers, +dat de zon op den St. Johannes-dag, haren loop niet recht door, +maar met eene trillende beweging, huppelend en springend begint. De +Walachysche boeren staan daarom dien dag vroeg op, om de opkomst +der zon en die "trillende beweging" aan haren lichtenden bol waar te +nemen. Zij beschouwen het als een goed teeken en als eene reden tot +vroolijkheid, als het hun gelukken mag, dit te kunnen waarnemen. Ook +weet ik bij eigene ervaring, dat ook in vele, vroeger Slawische streken +van Duitschland, de _nu Duitsche_ boeren, juist hetzelfde bijgeloof +van hunne Slawische voorouders overgenomen hebben, en nog heden ten +dage, uit verlangen de zon op den St. Johannes-dag te zien "huppelen +en springen," zich reeds vroeg in den morgen naar de bij hunne dorpen +gelegene hoogten begeven. Iets dergelijks zou men nog van vele andere +gebruiken, meeningen en gewoonten der Walachyers kunnen opmerken. Zoo +hebben zij ook, om nog een voorbeeld aan te roeren, de "Wila", de +lucht- en wolken-godin der Slawen, in hun bijgeloof opgenomen, die +daarin evenzeer verbleef, als van de tijden van Keizer Trajanus af +"de tooveres Tina" of Dina, dat wil zeggen de Romeinsche Diana. + +Dergelijke zaken wijzen, naar mijne meening, even duidelijk als +taalwortels, grammatikale vormen en gebruikelijke uitdrukkingen +en woorden, eene zeer belangrijke en langdurige vermenging van het +Slawisch onder de Walachyers aan, want alleen daardoor schijnt het +zich te laten verklaren, dat iets dergelijks in alle plaatsen en +huishoudingen van het volk binnendringt, en zich daar als dagelijks +gebruikt wordende en zeer gewone wijze en vorm van het leven +vastzetten kon. Men dringt den volken nieuwe wetten, godsdienstige +ontwikkeling en dikwijls zelfs een nieuwe taal eerder op, dan nieuwe +_familie_gewoonten, _huiselijke_ gebruiken en _dorps_zeden. + +Ook in den nieuwsten tijd weder hebben de Slawen (Russen) een +aanzienlijken invloed op het Walachysche volk uitgeoefend. Zij hebben +eene groote, door Walachyers bewoonde, provincie (Bess-Arabië) +met hun rijk vereenigd, en ook in den loop dezer eeuw herhaalde +malen jaren lang in andere Romaenische provinciën, namelijk in +Moldavië en Walachye, als meesters huis gehouden; zij hebben ze door +hunne ingevoerde hervormingen, tamelijk wel aan zich zelven gelijk +gemaakt. Vooral de Romaenische Bojaren hebben zich in den nieuweren +tijd, den Russischen adel meermalen tot model en voorbeeld genomen. + +Deze aanhoudende en dikwijls herhaalde inwerkingen der Slawen op de +Romaenen, die, zooals reeds gezegd is, reeds van 6de eeuw dagteekenen, +werden echter in deze lange tijdruimte door vele andere vreemdsoortige +invloeden, die van de Finsche-, Mongoolsche-, en Turksch-Tartaarsche +volken uitgingen, even als in het vaderland der Slawen zelf gekruist +en gewijzigd. De nomadische ruiter-volken der Avaren, der Magyaren, +der Bulgaren, der Petschenegen en Polovzers, vervolgens de Mongolen +en ten laatste de Turken, overvielen achtereenvolgens, de eerst +met de Romeinen en vervolgens met de Slawen vermengde Daciërs, en +namen ze of geheel of ten minste gedeeltelijk in hunne wisselende, +snel aangroeiende en snel vervallende rijken op. Bij deze bloedige +veroveringen en wisselingen van heerschappij, werden dikwijls +groote gedeelten van het land verwoest, geheele gedeelten van het +volk vernietigd, verdreven en hunne plaats door vreemdelingen +ingenomen. Wanneer de oude gebieders door nieuwe te voorschijn +getredene Nomaden uit den zadel werden gelicht, dan verdween wel hun +naam uit de geschiedenis, maar waarschijnlijk bleven toch hier en daar +overblijfselen van hunnen stam en van hun bloed in het land achter, +en deze werden dan, even als de Romaenen zelven, onderdanen der nieuwe +overheerschers, en voegden zich bij de massa der reeds onderdrukten. In +elk geval bleef bij de Romaenen, even als bij de Russen, veel van +den geest, de zeden en de taal dezer Nomaden-volken achter. + +In de taal der Walachyers vinden wij nu nog, naast het Oud-Dacische, +Gothische en Slawische element, verscheidene woorden van Finschen, +Turkschen of Tartaarschen oorsprong, die ongetwijfeld toe te schrijven +zijn aan die afwisselende opperheerschappij der Oostersche natiën. Geen +dezer veroverende volken heeft zedelijke kracht genoeg bezeten, om de +vroegere bewoners van het land de taal te ontnemen, die zij van hunne +eerste machtige overwinnaars, de Romeinen, ontvangen hadden. Als +een gevolg van de heerschappij der Nomaden is ook waarschijnlijk +onder anderen de omstandigheid aan te merken, dat de Walachijers, +ofschoon zij het heerlijkste akkerbouwland bewonen, toch veel liever +herders dan landbouwers zijn; en dat zelfs hun akkerbouw, die geene +afschutting der landerijen kent,--waarbij slechts opene dorschvloeren +op het vrije veld, en geene andere dorsch-machines dan de hoeven +der paarden bekend zijn,--zoo veel Nomadisch bezit. Als bijenhouders +trekken de Romaenen nomadisch rond, even als de Baschkiren in de velden +van hun land. De veeteelt beminnen zij hartstochtelijk, en een gezeten +Walachijsche boer bezit dikwijls meer ossen en paarden, dan hij zelf +weet of geteld heeft. Vooral als schaapherder schijnt de Walachyer op +zijne plaats te zijn, wanneer hij, voor de vreedzame woldragers uit, +met de uit hertenhoorn eigen gemaakte pijp in den mond, langzaam over +de weiden wandelt. Hij is goed voor zijn vee en gaat met hen om als een +vader, en deze gedragen zich daardoor ook altijd zeer tam, gewillig en +gehoorzaam als goede kinderen. St. George, de schutspatroon der kudden, +is bij hen de grootste en meest gevierde heilige van den kalender. + +De Walachysche bergbewoners en veehoeders trekken met hunne kudden +de wereld diep in. Zij gaan met hunne kudden tot ver in Turkije, +waar zij op den Balkan dreven en weiden bezitten, waarop zij het +recht van grazen hebben. Zij hebben ook een groot gedeelte van den +veehandel aan den Pontus, den Donau op, tot aan Hongarije en Weenen, +in handen. Men treft ze daar overal als ruwe ossendrijvers bij de +kudden aan. En dit nomadische herdersleven valt zeer in hunnen smaak, +en in alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk is _"Wlach"_ en +_"herder"_ vrij wel identiek. In Rumelië, Macedonië, Thessalië stooten +deze veedrijvers uit de Donaulanden, ook weer op zeer merkwaardige +en ver verspreide overblijfselen van hunne eigene nationaliteit, op +de zoogenaamde "Cutzo-Walachyers", die hunne schapen en geiten zelfs +tot in den Peleponnesus voor zich uit drijven, en die, zooals sommigen +gelooven, de nakomelingen zijn van die Dako-Romanen, die de Romeinsche +keizers, na den inval der Gothen, zuidwaarts van den Donau verplantten. + +Van alle bovengenoemde Uralisch-Aziatische nomaden-volken, hielden +de Magyaren, die zich sedert de 10de eeuw in een gezeten Donau-volk +veranderden, de Walachyers het langst onder den duim. Zij vereenigden +een groot gedeelte van het oude Dacië, Zevenburgen, het Banaat en +het geheele land langs den Theiss, en nu nog beheerschen zij die +streken onder de opperheerschappij van Oostenrijk. Zij zijn niet +alleen als gebieders, soldaten, beambten, overheden en leenheeren, +maar ook op sommige plaatsen als grondeigenaars en landbouwers dit +land binnengedrongen, zoodat men nu ook midden onder de Walachyers +geheele landschappen en dalen vindt, waarin de oude Romano-Dacische +bevolking geheel verloren gegaan en door Magyaarsch bloed vervangen is, +zooals zulks voornamelijk langs den geheelen Theiss plaats vond. Ook +de Romanische bevolking zelve is, onder die aan de kroon van Hongarije +onderworpene Walachyers, veelvuldig gemagyariseerd, vooral de hoogere +klassen van het volk, de meer ontwikkelden van den adel. Daardoor +komt het, dat men onder de 1 1/2 millioen Walachijers van Hongarije +en Zevenburgen bijna geene oude Romanische Bojaren-familiën vindt. De +grondbezittende edelman is daar in den regel Magyaar, en het volk +bestaat, in dit gedeelte van zijn oud Dacisch stamland, in hoofdzaak +nog slechts als een deel van het zoogenaamde _"misera contribuens +plebs."_ [2] + +De laatste groote volksbeweging uit het Oosten stortte zich in het +begin der 13de eeuw, toen de opvolgers van Dschingis-Chan zich op +weg begeven hadden, om het Westen der bewoonde wereld te veroveren, +over de Dako-Romanen uit, nadat Dschingis-Chan zelf reeds het Oosten +en het Zuiden onderworpen had. De heerschappij der Mongolen in deze +westelijke streken van Europa, waarin zich nu de hechte Koningrijken +der Duitschers, Polen en Magyaren gevormd hadden, was echter slechts +van zeer korten duur. Al ras bepaalde zij zich uitsluitend tot +Oostelijk Europa, het tegenwoordige Rusland, en daar geene nieuwe +volksverhuizing na hen volgde, zoo slaagden daarna met zeker goed +gevolg, de Walachyers in hunne dikwijls beproefde pogingen, om eene +onafhankelijke nationaliteit te verwerven. + +Kort na het terugtrekken der Mongolen, na het midden der 13de eeuw, +stonden onder de, in de bergdalen van Zevenburgen te zamen vluchtende +Romaenen, twee volksleiders op, die de hunnen naar de, door de Mongolen +verwoeste en door de Slawen sporadisch bezette Donau-landen, aan den +voet der gebergten terugvoerden. + +Een dezer, "Dragosch" geheeten, trok, zooals de Walachysche +kroniekschrijvers zich uitdrukken, "met de jeugdige bloem van het +Romaensche volk," van uit de Marmarosch aan de bronnen van den +Theiss, oostwaarts. Het eerste oostwaarts stroomende water, dat hij +onder zeer avontuurlijke omstandigheden bereikte,--de vaderlandsche +geschiedschrijvers hebben er eene fraaie mythe van gemaakt--heette +"Moldava" en daarom gaf Dragosch aan het land dat hij veroverde en +weder met Romaenen bevolkte, aan den staat dien hij stichtte, den +naam van "Moldavië." + +De andere Romaensche staten-vormer "Radul" of "Rudolf de Zwarte" +genaamd, die in een gedeelte van Zevenburgen aan de bronnen der Aluta +gewoond had, welk gedeelte van oudsher "Fogarasch" genoemd werd, +had op gelijke wijze, reeds eenigen tijd voor Dragosch, de bergen +verlaten, en was zuidwaarts langs genoemde rivier gegaan, terwijl hij +de daargelegen landschappen op de Daken heroverde, op nieuw bevolkte, +bebouwde en tot éénen staat vereenigde, die "Walachye" _par excelence_ +genoemd werd. + +Op deze beide merkwaardige staten-vormen van Dragosch en van Radul, +die tot op onze tijden, ofschoon met eene zeer onvolkomene en steeds +bevochten zelfstandigheid, en hoogstens slechts als vasallen-staten +van naburige rijken zijn blijven bestaan, zien de Romaenen met +bijzonder welgevallen neder, als op de periode der wedergeboorte en +der hernieuwing hunner nationaliteit, die, zooals zij meenen, eens +onder Decebalus en Trajanus hare gouden eeuw gehad heeft, vervolgens +onder de duizendjarige verhuizing in de bergen van Fogarasch en +Marmarosch gesluimerd, maar in stilte taal en zeden onderhouden heeft, +en nu onder de beide bovengenoemde volkshelden, op eens als een +losgebroken bergstroom bruisend en bevruchtend weder over de vlakte +henenvloot. Verscheidene streken van het oude Dacië, aan den Donau en +aan den Pontus, werden weder gedaciseerd en het onder de asch glimmende +Romaensche volkselement, dat natuurlijk ook onder de Tartaren nooit +geheel uitgestorven was, kwam weder bovendrijven. In de 14de en 15de +eeuw weerden de Walachijers zich dapper tegen de Polen, Hongaren +en andere naburen, die zich altijd in hunne zaken mengden. Toen +hadden zij hunnen Alexander, hunnen Stephanus en andere vorsten, +die door hunne geschiedschrijvers als nieuw opgestane Decebalussen, +"de goede" of "de groote" enz. worden bijgenaamd. + +Maar ook deze nationale zelfstandigheid duurde niet lang, want reeds in +het midden der 15de eeuw, trok aan den zuidelijken horizon een nieuw +onweder, de over Klein-Azië en Constantinopel naderende macht der +Turken, samen. De Walachyers riepen deze nieuwe Aziatische naburen, +aanvankelijk zelf in hun land, daar zij hoopten zich van hunnen +bijstand tegen de Hongaren te kunnen bedienen, en de Turken hunnerzijds +verschoonden hen zoolang, als de macht der christelijke naburen +geëerbiedigd moest worden. Toen echter in den noodlottigen slag bij +Mohacz (in het jaar 1526) een einde aan het rijk der Magyaren gemaakt +werd, en de halve maan in het oosten en tot onder de muren van Weenen +wapperde, toen kwamen ook langzamerhand de Walachyers geheel onder de +macht der Turken. Aanvankelijk werd hun eene geringe schatplichtigheid +opgelegd, die echter met de jaren steeds grooter werd. + +De inheemsche vorsten-waardigheid, die na het verdrijven der oude +vorstengeslachten van Dragosch en Radul, niet meer erfelijk, maar een +verkozen ambt was, werd spoedig onder den steeds meer rechtstreekschen +invloed des Sultans bezet, en ten laatste werden deze Walachysche +vorsten, even als de Pascha's, met het onderscheidingsteeken "de +drie paardenstaarten" vereerd, en ook even als de Pascha's naar het +goedvinden van den Sultan benoemd en afgezet. Aanvankelijk waren de +Padischa's nog zoo meegaande, dat zij deze hunne vorstelijke vasallen +uit de oude, in het land geborene Bojaren-geslachten der Walachyers +kozen. Langzamerhand echter lieten zij ook deze gewoonte varen, en +begonnen zij vreemde avonturiers uit Epirus en Albanië, wie er maar +het meeste voor bood, op den troon te plaatsen, en sedert het begin +der 18de eeuw werd het een blijvend gebruik bij de Turksche keizers, +de Walachysche en Moldavische vorsten, die hunne grens bewaken, +en zooals eens Miltiades voor Darius, hunne Donau-opzichters en +Donau-bruggenbouwers geworden waren, uit de in Constantinopel levende +Grieksche familiën te nemen, en gewoonlijk tot deze waardigheid +die Grieken te benoemen, die hen als staatstolken gediend hadden en +waarover zij tevreden waren. De Sultans waren gewoon in de decreten, +waarbij zij deze tot vorsten der beneden-Donaulanden benoemde tolken +bevorderden, in hunne bloemrijke, maar toch zeer veel beteekenende +oostersche taal over hen te spreken, als over "eene door hunne hand +aangekweekte plant, eene licht verspreidende en door hen aangestokene +kaars." Zij bliezen deze kaarsen uit, als het hun goed dacht, zonder +dat er overigens de minste reden voor bestond, en zoo zag Walachye, +sedert dit systeem in werking gesteld was, in den loop eener eeuw, +niet minder dan 40 verschillende Grieken op hunnen vasallen-troon +verschijnen en weder verdwijnen. + +Deze "Grieksche Hospodars" voegden nu, bij alle onder de Romaenen reeds +bestaande nationaliteiten en talen, ook de Grieksche. Het Grieksch werd +niet alleen de hoftaal der Hospodars, maar ook de conversatie-taal der +beschaafde klasse, en de dagelijksche taal van alle, van het hof meer +of minder afhankelijke Bojaren, die onder de heerschappij der Turken in +hooge mate vergriekscht of gebyzantiniseerd werden. De Grieksche taal +schoot zulke diepe wortels, dat zij zelfs nu nog, onder de Walachysche +edellieden der Oostenrijksche provincie Bukowina, de gewone spreek- +en schrijftaal is, zooals zulks in Petersburg met het Fransch het +geval is. Verscheidene Grieksche woorden en elementen zijn daardoor +ook geheel in de Dako-Romaensche taal en nationaliteit overgegaan. + +Eerst sedert het begin dezer eeuw heeft Ruslands ingrijpende overmacht, +den invloed dier door de Turken zoo groot gemaakte Grieksche familiën, +gefnuikt. Met behulp van Rusland zijn weder geboren Walachysche +geslachten op den troon gekomen, en ook hebben de Russen bij de +voorname kringen van het vorstendom, nevens _hunne gewoonten_, de +_Fransche taal_ in velerlei opzicht de Grieksche doen vervangen. + +De aanhoudende afwisseling van regeering, het onbestendige van het +tegenwoordige, het onzekere der toekomst, gedurende het geheele +tijdperk der door de Turken ingevoerde heerschappij der Grieken, +moest bij de Walachyers iedere duurzame onderneming en nuttige +hervorming onmogelijk maken. De nu en dan te voorschijn tredende +kiemen der industrie werden altijd weder verstikt, de handel en +alle vaderlandslievende bewegingen verlamd en onderdrukt. Het door +de Grieken voor goeden buit beschouwde, en onder belastingen gebukt +gaande volk kon, evenmin als de door de Spanjaarden uitgemergelde +Peruanen, in zijnen staat van lijfeigenschap eenig teeken van leven +geven, terwijl al zijne naburen in ontwikkeling toenamen. + +Wanneer men nu nog daarbij voegt, dat, als men de geschiedenis der +Walachyers in het algemeen en in het groot beschouwt, het blijkt +dat iedere afwisseling en iedere onzekerheid sedert overoude tijden, +bijna altijd het treurig lot geweest is van dit in zulk eene ongunstige +positie verkeerend volk, dat in zulk een kwaden wind geplaatst was, +een hoek, die tegelijk de plaats was, waardoor alle volken Europa +binnen- en uittrokken, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat +onder zulke omstandigheden, zich noch eene grootsche en gelukkige, +noch eene zeer bedrijvige of industrieele natie, vormen kon. + +Inderdaad zou men gelooven, wanneer men onder de Walachyers komt, +hetzij men uit het Westen van de energieke Magyaren, hetzij uit +het Oosten van de insgelijks minder indolente Kozakken, hetzij uit +het Zuiden van de moedige en bedaarde Serviërs komt, eene schrede +bergafwaarts gedaan te hebben. + +De wegen, waarlangs de reiswagen, door eenige daaraan met touwen +vastgebondene wilde paarden wordt voortgetrokken, zijn, al naar +mate van het jaargetijde, of een diep moeras of eene stoffige +zandstreek. De huizen der bewoners, of liever hunne stroo- of rieten +hutten, hunne in de aarde gegraven gaten en gelapte zomer-tenten en +hunne ellendige winterholen, die men ter nauwernood ziet, daar zij +zich altijd vreesachtig zijwaarts van den straatweg, in het binnenste +van het land verschuilen, zijn nog minder bewoonbaar dan die der +Hongaren en Kozakken, terwijl hunne akkers nog meer verwaarloosd +zijn. De gedaanten der menschen, door wie men zich omgeven ziet, de +herders, die hun hoornvee, dat met hen vergeleken er aangenaam, rein, +sierlijk en men zou kunnen zeggen, beschaafd uitziet, met een ruw +"hallo" vooruitdrijven;--de plompe landlieden, die met een voorspan +van 6 ossen langzaam een ellendigen en zeer ouderwetschen ploeg, +door den van vet glimmenden akkergrond trekken--de postiljons, +de stalknechten, de logementhouders en hunne handlangers die de +reizigers bedienen, en die hun stekelig haar met spek ingesmeerd +hebben,--zij allen zien er zeer wild en somber uit. Zelfs in den +dorpsschoolmeester en den predikant, is men eerder genegen een Heiduk +dan een zacht brandend licht der gemeente te zien. Het is onmogelijk, +dat het er bij de eens door Ovidius beklaagde onderdanen van Decebalus, +erger uitgezien kan hebben, en men mag het eens zijn met het gezegde +van den Moldavischen Vorst Kantemir, die zijne boersche landlieden +"de ellendigste dorpbewoners onder de zon" genoemd heeft. + +"Krachtige vastberadene en groote mannen, sterke en edele karakters, +heeft men bij dit volk zelden aangetroffen, ofschoon een hoofdtrek +in hun karakter vermetelheid is en zij gaarne twist zoeken. Het hart +hebben zij niet ver van den mond, en even als zij hunne spoedig gaande +gemaakte vijandelijkheden spoedig vergeten, zoo zijn zij ook niet lang +trouw aan gesloten vriendschap. Zij zijn meer sluw dan voorzichtig en +weten bij hun onvast karakter, van geene matiging hunner gevoelens. Als +het hun goed gaat, geven zij zich aan overmoed en aan de uitgelatenste +vroolijkheid over, maar treft hun het ongeluk, dan laten zij ras den +moed zinken. Niets schijnt hun op het eerste gezicht moeielijk toe, +maar stooten zij op de eene of andere zwarigheid, dan geraken zij in +de war en geven hun plan op. Tegen overwonnenen en ondergeschikten +zijn zij afwisselend goedig en wreed." + +"Trouw wordt zelden bij hen aangetroffen, en zal ik het eerlijk +zeggen," zegt Vorst Kantemir, dien ik hier, als landgenoot en +bevoegd beoordeelaar der Walachyers, liever dan mij zelven of andere +berichtgevers volg, "dan vind ik weinig in het karakter en de zeden +der Walachyers, mijne landslieden, te prijzen dan hunne aangeborene +gastvrijheid en hunne strenge rechtzinnigheid. Tegen alle nieuwigheden +zijn zij ten sterkste ingenomen, wat trouwens zeer gemakkelijk te +begrijpen is, daar al het nieuwe, wat hun van buiten werd aangebracht, +steeds nieuwe plagen en tyrannie waren." + +Alle handwerken, kunsten en wetenschappen worden bij hen beoefend door +vreemden, die zich bij hen met der woon gevestigd hebben: Duitschers, +Russen, Franschen, Armeniërs en Joden. Zij zelven zijn niet alleen +geene liefhebbers en bewonderaars der kunsten en wetenschappen, +maar "bijna allen" zooals meergenoemde Vorst beweert, "verachten +haar even hard als zij de vreemde 'avonturiers' doen, door wie zij +beoefend worden." Voor een echten Walachyer is het volgens hunne +meening voldoende, als hij zijne gehoornde ossen, zijne paarden, +schapen en bijenkorven, met streepjes en schrappen in den kerfstok, +die hun rekening-courant-boek voorstelt, kunnen aanteekenen. Al het +andere schijnt hun overtollig toe. + +Het allerminst heeft men van oudsher de Bojaren en in het algemeen +den adel der Walachyers te roemen. De adel is in verscheidene +klassen verdeeld, naast de in het land geborene Dako-Romaenen hebben +vele rijk geworden Grieken, Armeniërs, Joden, Polen, Tartaren, ja +zelfs Tscherkessen, zich in den lands-adel der Vorstendommen doen +opnemen. Dientengevolge is die adel bijna nog bonter samengesteld +dan het gemeene volk zelf. De mishandelingen waaraan deze Bojaren, +òf als hovelingen der Hospodars òf als dienaren van den Turkschen +Sultan vroeger even goed blootgesteld waren, als hunne eigene door hen +weder onderdrukte en geplaagde boeren, hebben ook bij hen het gevoel +voor de edele genoegens des levens en alle fijnere aandoeningen van +het hart ondermijnd. + +Wel hebben zij in lateren tijd hunne nationale dracht afgelegd, en zijn +West-Europeesche modes en gewoonten, die grootendeels over Rusland, +maar gedeeltelijk ook over Oostenrijk en Weenen tot hen kwamen, +ingevoerd geworden; zulks neemt echter niet weg, dat zij in hunne +manieren, in hunne neigingen en liefhebberijen, nog in velerlei +opzicht de _ouden_ gebleven zijn: Fransch of Duitsch sprekende, +zich Europeesch voordoende Oosterlingen. + +Zij hebben een grooten tegenzin tegen alle inspanning van lichaam of +geest. Iedere beweging, waaraan eenige moeite verbonden is, is hun +onaangenaam. Men ziet hen haast nimmer te voet. Het paardrijden en +andere lichaamsoefeningen, zelfs de jacht, die bij zoovele hoogere +standen van andere volken tot de lievelings-bezigheden behooren, +worden door hen niet bemind. Zij bewegen zich bijna niet anders dan in +gemakkelijke rijtuigen. De luxe in kleeding is, zoowel bij de mannen +als bij de vrouwen, groot, en werkt verderfelijk op hunne huiselijke +omstandigheden en hun vermogen. Hunne zucht tot verkwisting evenaart +hunne begeerlijkheid, terwijl zij daarbij nu eens door onbeperkte +pronkzucht, dan weder door eene angstvallige gierigheid beheerscht +worden. + +Geheel overgegeven aan weelde, zinnelijk genot en aan de +min-vermoeiende genoegens der gezelligheid, hebben zij weinig gevoel +voor de prachtige natuur van hun land. Zij willen alleen in de +residenties der Vorsten leven, waarin van oudsher genade-bewijzen +en ambten, titels en prebenden verdeeld werden en te verkrijgen +waren. De heerlijkste oorden van hun vaderland zijn daardoor +eenzaam en verwaarloosd; de dalen en de fraaiste landschappen, +waarin ridders en Koningen hunne zetels zouden kunnen opslaan, worden +dientengevolge alleen bewoond door beeren en arenden en--door arme, +ruwe herders. Somwijlen komt het in hun hoofd op, hier of daar een +fraai landhuis te laten bouwen, maar bijna nooit brengen zij het +dikwijls geuite voornemen om het te gaan bewonen tot werkelijkheid, en +zoo zijn ze binnen weinig tijds weder tot puinhoopen vervallen. Slechts +zelden kunnen zij het over zich verkrijgen, eens, welk jaargetijde +het moge zijn, de stad te verlaten, wier kringen een onweerstaanbare +aantrekkingskracht op hen uitoefenen. "Groote, oorspronkelijke genieën +en grootsche gedachten leven even weinig onder hen, als groote deugden +en de geest van zelfopoffering." Maar wat zij spoedig kunnen leeren, +dat maken zij zich gaarne en zeer gemakkelijk eigen, daar zij in den +regel niet van vermogens ontbloot zijn. + +Dit zijn minder opwekkende opmerkingen, die echter door nagenoeg allen, +die de afstammelingen der oude Dako-Romaenen in hun land opzochten, +gemaakt zijn. Echter mogen wij niet onopgemerkt laten, dat men zich +bij algemeene schilderingen van een volk, wachten moet de pen te +zeer in zwarte kleuren te dompelen, daar men overal te veel aantreft +wat te gispen of te beklagen gevonden kan worden. Hij, die beproeft +met weinige zwakke en algemeene penseelstreken, de trekken van een +volk of van eene maatschappij te schetsen, mag niet vergeten welk een +groot en veelzijdig wezen een volk is, dat met verscheidene millioenen +zielen over eene groote vlakte-uitgebreidheid verdeeld is. Er bestaan +zooveel schakeeringen in de toestanden, die men niet dan door eene +nauwkeurige beschrijving der bijzonderheden in het oog kan doen +springen; bij eene dergelijke beschrijving toonen geheele gemeenten, +ja geheele stammen, eene physionomie, belangrijk afwijkende van die, +welke men als algemeen aangegeven heeft--vele uitzonderingen op den +regel--enkele edele individuën, die zich verre boven de algemeene +middensoort, welke de etnograaf beschreven heeft, verheffen, en die +zich deugden, smaak en ontwikkeling, waartoe men aan de geheele massa +aanleg ontzeggen moet, in hooge mate eigen gemaakt hebben. + +Zoo hebben dan ook de Walachyërs, trots de geringe achting, die +zij volgens de getuigenis van hunnen ouden Vorst Kantemir, voor de +wetenschappen aan den dag leggen, dezen geleerden en waarheidslievenden +schrijver, een vriend van Peter den Groote, zelven voortgebracht, en +nevens hem nog verscheidene andere wetenschappelijke celebriteiten, +onder wie ik ook weder aan de beminnelijke, geestige en geleerde +Gravin Dora d'Istria herinneren mag, die in onze dagen met zoo'n diep +gevoel haar zoo deerlijk geteisterd vaderland, en de lichtzijden van +hare zoo dikwijls berispte landgenooten, geprezen heeft, terwijl +zij toch tegelijkertijd den invloed der Duitschers billijken tol +betaalde. Zoo beroemen de Walachyers er zich op, onder vele andere +gevierde helden, eens den Hongaren hunnen grooten Johan Hunyades +(wiens moeder ten minste eene Walachysche was) en zijnen zoon Matthias +Corvinus geschonken te hebben. Verscheidene in de geschiedenis dikwijls +genoemde Vorsten der Bulgaren waren eveneens van Walachyschen stam, +en in oude tijden zijn, naar men zegt, zelfs de Romeinsche Keizers +Aurelianus en Galerius geborene Dako-Romanen geweest, en al deze +worden door de Walachysche patriotten met niet weinig trots als hunne +landgenooten beschouwd. + +Evenzoo vindt men in het land der Walachyers hier en daar zeer nette +en deftige woningen, die volstrekt niet gelijken op het algemeen +beeld, dat wij zooeven geschetst hebben, op de anders vrij algemeene +stroohutten en in de aarde gegraven holen. In de bergen treft men +soms dorpen aan, wier bewoners eene bijzondere zorg wijden aan hunne +oofttuinen, vooral aan de kwetsen-boomen, de lievelings-vruchtsoort +der Walachyers. + +Heeft het harde lot, dat steeds hun land trof, hen loom en traag +gemaakt, daar zij slechts zelden de vruchten van hun werk konden +deelachtig worden, zoo hebben de voortdurende oorlogen en rooverijen +hun ook geleerd, gemakkelijk afstand te kunnen doen van hetgeen zij +bezitten of minnen. Niemand schikt zich gemakkelijker in het verlies +dan de Walachyer, met zijn dikwijls herhaalden lakonieken uitroep: +"zooals God wil." Zonder groote behoeften te kennen, streng en gehard +opgegroeid, laten zij zich zelden door een ongeluk geheel ter neder +slaan. Hagelslag, overstrooming, brand en dergelijke beschouwen zij +eenvoudig als "van God komende," en verspillen er daarom ook geene +weeklachten aan. Slechts zelden bedelen zij. + +Hunne gastvrijheid, die zooals reeds opgemerkt is, hun kritische +dichter en rechter, de Vorst Kantemir als hunne meest in het oog +springende deugd prijst, komt bij iedere gelegenheid aan den dag; +waar maar een paar Walachyers bijeen zitten en niets dan een stuk +droog maïs-brood eten, waarbij zij als eenige kruiderij, nu en dan een +vingerlang stukje van een knoflookstengel afbijten, daar is de reiziger +zeker, door hen vriendelijk uitgenoodigd te worden aan hun maal deel +te nemen. Bij hunne bruiloften en andere feestelijkheden, waar het +stout toe gaat, heeft de aan hunne deur kloppende wandelaar altijd +zijn deel, en bij hunne begrafenissen wordt altijd een aantal armen, +in het huis van den afgestorvene, gespijzigd en naar vermogen bedeeld. + +Over het algemeen weet of denkt iedereen, die slechts eens de +Lüneburger heide doorreisde, en in deze treurige streek, die over +het geheel zeer te recht als eene "woestenij" afgeschilderd wordt, +toch menig vriendelijk, ja bekoorlijk natuurbeeld ontdekte, dat op +de heide van den Walachyschen volksgeest ook nog veel vriendelijks +en weldadigs kan aangetroffen worden. Hoe trouw en standvastig +was, in weerwil van de, zijn volk in het algemeen ten laste gelegde +"lichtzinnige vergeetachtigheid," b.v. de oude Abram Babecz, dien een +Duitsch reiziger eens in Walachye ontmoette, en die naar Walachysche +gewoonte 12 jaren om zijnen vroeg gestorven zoon treurde, d.i. steeds +blootshoofds ging. En hoevele dergelijke trekken zou men hier nog +niet bij kunnen voegen. + +Hoe welluidend en aangrijpend zijn niet vele der bij de "barbaarsche" +Walachyers inheemsche zangwijzen, die, even als die der Slawen, +altijd in den klagenden moltoon gezongen worden. Hoe roerend en +poëtisch zijn niet dikwijls de onder het volk verbreide liederen en +gedichten. Gedurende mijne reizen in Walachye heb ik eenige er van +bij een verzameld, en wat kan aandoenlijker klinken dan de volgende +verzen, die een geboren Walachyer mij als een volkslied zijner +natie mededeelde, en onder den titel: "_Impartire a florilor_." (de +verdeeling der bloemen) voor mij opgeschreven heeft. + + + _Florilor, o Florilor_ + _Di livada reserite_! + + o! Bloemen gij bloemen! + Ontsproten uit den grond! + Ieder moet u roemen + En hier en daar in 't rond. + Gij dochters der natuur! + Getooid met zonnepracht + + Van geel, groen en azuur + Van hemelsblauw, zoo zacht. + In een krans heb ik keur, + Van bloemen fijn geteeld; + Wat vorm betreft of kleur + Juist ieder meisjes beeld. + + U, o Flora! aanminnig wezen + Met uw oogjes, zacht en lieflijk, + Met uw mondje, nooit volprezen, + Met uw inborst, zoo bekoorlijk + Geef ik gaarne een viooltje, stil en klein + Als zinnebeeld uwer deugden, veel en rein. + + En voor u, Isaa! dient tot zinnebeeld + De schoonste roos, vol vuur en gloed, + Daar uw wezen noch uw spreken ooit verheelt + De warmte van uw hartebloed. + + Maria! uw hart is zoo rein en zoo goed, + Den dauwdrop gelijk, die daar glinstert in 't veld. + Gij die aan 't doornloos bloempje ons denken doet, + En zonder dat ge 't u ten taak hebt gesteld. + De lelie schenk ik u dus tot beeldnis, + Die als zij zich 's morgens ontsluit, + Der geheele schepping tot vreugde is, + Uit wier geur niets dan liefde ontspruit. + + +Dergelijke dichtregels zijn wel in staat ons met het "barbaarsche" +volk, dat ze dichtte, te verzoenen. En wie de hoogst belangrijke +Walachysche volksverhalen gelezen heeft, die eenige jaren geleden +door een Duitscher bijeen verzameld en uitgegeven werden, die zal +aan de Walachyers eene groote mate van phantasie niet kunnen ontzeggen. + +Eindelijk kan ons, bij de ontmoedigende beschouwing van het treurig lot +en de verwaarloozing van dit volk, ook nog de omstandigheid eenigzins +opvroolijken, dat in den allernieuwsten tijd, minstens twee deelen van +dit nog meer dan de Polen verbrokkelde volk, zich weder broederlijk +verbonden hebben, en dat Moldavië en Walachye althans eene poging tot +vereeniging en nationale versterking gedaan hebben. Dit is sedert de +tijden van Decebalus de eerste maal, dat zooveel Daciërs weder even +als nu, onder een door hen zelven gekozen Vorst staan. Of dit een begin +is tot zulk eene herstelling van het oude Daken-rijk in zijn geheelen +omvang, als waarvan de Romaensche patriotten, die in hunne verbeelding +"de ongebaande steppen en wouden van Walachye met gouden korenvelden, +met straat- en spoorwegen doorsneden, met fabrieken bezaaid en met +10 millioen ontwikkelde Romaenen bevolkt zien," droomen, dat zal de +toekomst moeten leeren. + +Eene zekere hoop, dat deze droom eens verwezenlijkt zal worden, kan +men echter bezwaarlijk uit de treurige geschiedenis van het verledene +van het land en volk putten. Verscheidene nationaliteiten schijnen, +zoowel door hunnen natuurlijken aanleg, als door de plaats die het +oord dat zij bewonen in de wereld inneemt, veroordeeld te zijn, +voortdurend eene ondergeschikte en onzekere rol te spelen. Ook kan +men ter nauwernood zonder schrik aan de bloedige wegen en vreeselijke +schokken denken, met wier hulp alleen het zou kunnen gelukken, alle +Walachysche stamgenooten, op wier ruggen in Rusland, in Gallicië, +Hongarije, Zevenburgen, andere volken en staten zich opgebouwd hebben, +te vereenigingen en ze te ontdoen van alle vreemde bestanddeelen. + + + + + + +DE MAGYAREN. + + +In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van +den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks +groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met +elkander hebben.--Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije), +allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle +zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men +in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt, +die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier +wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn. + +Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste, +en ook in historischen zin was het het belangrijkste. + +In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk +slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het +door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen, +waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door +welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een +groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten, +waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten, +is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde "ijzeren +poort," bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange +galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant. + +Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich, +tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des +lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen +komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken +van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa. + +In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van +de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een +bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks +doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de +Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit +de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in +een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder +en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De +talrijke vertakkingen der Karpathen vormen in Noordelijk Hongarije +eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er +rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren, +ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke +bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene +dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde "gouden land van Hongarije," +het groote eiland Schutt in de armen van den Donau. + +De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen +wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en +bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land, +dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd +geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye +een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van +50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen +van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar +zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch +geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit. + +De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land, +dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen +aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken +gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener +binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der +Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal +waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt, +meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen, +dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische +steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim, +overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen +zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout- +en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met +onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar +en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den +Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en +vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel +een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-, +boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher "Püsten" +(Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de +gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije--bouwlanden zoowel als +woestijnen--aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt +men ook in deze Hongaarsche "püsten" talrijke zout- en natron-meren +als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat +dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der +Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In +den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend +als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen +wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In +den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land +heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten +beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke +zusterlanden Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden +buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten _zeer_ +harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van +Rusland en Tartarye, bij duizenden om. + +Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in +deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men +aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou, +hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te +zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de +ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze +een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze +steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het +wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op +het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa, +door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere +geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben +aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen +ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde +prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land +van belofte beschouwd worden. + +De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste +tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben +van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij +beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land +een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een +ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En +zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest. + +Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den +Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de +Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich +over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten +van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze +Jazijgen als "een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen +en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken +legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende, +naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen +en weer trokken." Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid +zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden +zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig +gemaakt. + +Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de +aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land +bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen _na_ de Jazijgen in +het land, en wie weet hoe dikwijls reeds _voor_ hen, gelijksoortige +stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren. + +Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische +nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons +bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er +aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn +van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals +waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij dus hier reeds in de +oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije +voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene +Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende, +in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten. + +Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door +een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken +werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van +Hongarije, in het district "Jazijgië" aan den Theiss, vereeuwigd +is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun +aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der +Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss +op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande +onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote +staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan +het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed +van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije +uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder +bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht +ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden +de aanvoerders. + +Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde +Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in +de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam +"Hunnenland" of "Hungarn" (Ungarn--Hongarije) bij de westelijke +Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de +ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten +gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche +wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der +revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar +Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij, +de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen, +ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den +Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en +uit het Oosten en de schatting van vele volkeren. + +Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in +inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand +hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam +de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden, +Gothen en Longobarden.--Maar ook deze hielden niet lang Hongarije +onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken +uit het Oosten en het Westen binnenstormen. + +Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het +voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te +herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der +horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar +uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende, +het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen +aan der zoogenaamde _Avaren-ringen_, groote ronde verschansingen, +waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten. + +Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in +drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den +Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar +Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling, +tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw, +langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab +hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn "_Avaren-mark_", +Avarengrens, ook wel de "_Oostelijke-mark_" later "_Oostenrijk_" +genoemd, tegen hen oprichtte. + +Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de _Bulgaren_, van +den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug +hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën +wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije, +en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau +bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den +beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in +Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne +noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij +onderdoen voor de Magyaren. + +Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als +hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen, +hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet, +en waren zij strijdende, slagen _winnende_ en _verliezende_, nu eens +overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor +hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden +grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne +voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde +bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten +overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers, +in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar, +midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste +legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op, +en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze +kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds +daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken +plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden, +Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts +langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende +eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming +op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de +wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna +geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk +gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland, +het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene +groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste +tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op +weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten +deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen +uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren. + +Het geheele _zuiden_ van Rusland is eene met gras bedekte vlakte, +die den Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende +uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van +_midden_ Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar +het noorden, terwijl _zuidwaarts_ de Zwarte Zee hun in den weg lag. + +Zij trokken dus het liefst _westwaarts_. In deze richting stieten zij +op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk +te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den +Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en +gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek +verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den +Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer +natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan +de reeds bovengenoemde "IJzeren Poort" in het zuiden, waardoor de +Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis- +en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije. + +De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is, +niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls +als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet +der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken +aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen +konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn, +en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers, +of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en +verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars +en gebieders optreden. + +Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als +hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land +aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid +van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten, +weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der +wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de +kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere +zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren +en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede +koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar +niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel +was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage +is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge +dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: "maar dat is +verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar _stikken_." + +Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland +binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar +vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op +elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde +en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij +allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau, +en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar +alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den +vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang schoot +bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in +nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke +groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De +horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd +weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield +was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den +roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn. + +De Magyaren _waren de eersten_ en _bleven de eenigen_, die het talent +of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen +der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof +vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en +hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche +volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen, +stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen +uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even +als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne +rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren, +gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door +eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij +veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche +beschaving en het Christendom--en wel het Westersche en niet zooals +de Russen, het Oostersche Christendom--aannamen, als Europeanen in +Europa te _blijven_, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden +maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan, +riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van +dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de +Duitschers en Slawen den landbouw. + +Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren, +nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de +eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd +waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers, +beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van +Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan +dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar +de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een +even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en +Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook +dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen, +en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede +zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden +in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden, +ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over +de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen, +en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat, +deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen, +even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden. + +Van _Duitschland_ uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik +den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende, +door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een +langzaam kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche +volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden, +met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder +naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche +Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen +beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder +vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen. + +Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land +binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij +vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat +zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië, +in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan +deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen +getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen, +stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van +zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en +beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische +Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee +omvatte. + +Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder +hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden +uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo +groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst +van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer +zij spreekwoordelijk zeggen: "Koning Mathias en de gerechtigheid zijn +dood," bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en +aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht +bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke +afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche +volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht +bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid +in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de +Donau-grenzen. + +Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige +voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden +onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige +gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna +(1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij +Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras +verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid +der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de +_Hongaren_ zelf in een poel van machteloosheid en verwildering. + +De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke +Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische +nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen +gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare +wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren, +bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden +moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de +Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden +de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve +maan, en schreven daaronder: "Voor Allah en het vaderland." Dat het +hun niet _geheel_ zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat +bij slot van rekening, zij ook uit _dit_ gevaar de hoofdtrekken +hunner nationale-eigendommelijkheid redden, "dat zij" zooals een +hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte "langzamerhand weder een +behoorlijk christen-gelaat toonen konden," hebben zij grootendeels +te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van +een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche +Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van +gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot +nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven. + +Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit +eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere +volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft +men tot den huidigen dag veel gestreden. + +De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande +de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land "Ugrien," het oude +stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz, +die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot +hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van +de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef +een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in +wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het +oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste +verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren, +wier land in de middeneeuwen langen tijd "Groot-Hongarije" genoemd +werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert, +dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit +"Groot-Hongarije," der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die +der Magyaren aan den Donau. + +Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van +den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar +Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een +Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren, +namentlijk de "Metscher-jakers." En eindelijk bevinden zich zuidelijk +van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama, +de ruïnen eener stad die nog heden "Madschar" genoemd wordt, en die +men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt. + +De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der +tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten, +zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide +volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren +ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit +hun meer of minder lang _verblijf_ onder de Finnen. De Bijzantynsche +schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk +"Tourkoi" (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele +woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met +de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder +de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch +dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben vele geleerden hen tot +de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude +Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel +in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat +noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk +de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de +Oostjäcken of Lappen--de Keizer van Rusland loofde orden uit, +om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen--niet vleiend +genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het +liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij "Mag" +d.i. kern van het volk (vandaar "Magyaren") noemden, zoo is in den +nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma +von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den +oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht, +naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van +alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken, +waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de +onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn +leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen, +ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der +Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is. + +Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste +behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd +is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche +en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun +eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden, +dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin +zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing +der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk, +een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en +zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der +bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen +er van _geheel_ oplossen en verklaren kunnen. + +Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen, +op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken +van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van +Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen +lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der +Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich +met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije +zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij +overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische +stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen +waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd +eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen +en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern +der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest +passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden +der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke +groote daden uitvoerden, toen versmolt in het volksbewustzijn der +Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede +hebbend tegenwoordige. + +Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren +roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der +Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles, +wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun +Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila +een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers +nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding +opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen +grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren, +waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van +dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren +de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk +de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en +consolideering van het land voltooiden. + +Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de +Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die, +zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel +als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te +vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe +spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen, +dat hij daarbij veel _ook van dit element_, te midden waarvan hij +zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden +in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook +vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten +Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen +vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of +comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen +uit den Slawischen ondergrond te voorschijn. + +De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het +karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers +van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder +verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn +Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel. + +Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens +door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na +het jaar 1000--door den gedoopten Koning Stephanus geroepen--Duitsche +zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen, +kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen +dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op +den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel +veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in +het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten +blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer +karakteristieke, grondstelling aangenomen: _Unius linguae uniusque +moris regnum fragile est_ (een rijk van _eene_ taal en van _dezelfde_ +zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling +als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei +volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder +te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op +hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in +weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht +en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel +eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den +eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer +begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in +hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de +ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige +ter nauwernood herkennen. + +De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het +daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam +als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. "Wat het uiterlijk +betreft," zegt een dier ouden, "zijn de Hongaren afschuwelijk, +zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken, +zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en +nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren." "Men +moet" voegt een ander hier nog bij "het geduld en de inschikkelijkheid +der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft, +dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich +mocht nemen." + +Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken +en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land +bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens, +munten nu de echte Magyaren--de _Kern_mannen--vooral uit, en nemen zij +door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende +en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt, +hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en +lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid +en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen +gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur, +en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde +knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut +beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote +sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders +eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige +physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan +men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke +geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen, +niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen +der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door +hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene +lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich +eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag, +gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap +Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen +dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters +inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles +wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter +hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen +der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben, +zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet +hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke +woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene +woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren +en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige +jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden +zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een +schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten +zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de +liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen +is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de +Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk +vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is +weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische +en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat +ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door +schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt. + +In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet +zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten +wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog +zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft +men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige +wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder +de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt, +zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen +zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook +in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang +bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene +hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting +van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het +oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd +is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, 't is zeggen zij, "wel +een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend," want moed, +kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer +dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden, +door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna +evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd +daarvan staande Koning Etzel. + +Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate +van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden +door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, "waarmede een Magyaar +in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman +gedurende zijn geheele leven." De Hongaren zelven leiden deze en andere +zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden, +"uit het edele, vurige, opbruisende temperament" af, dat zij zich, +vooral in vergelijking met de door hen als flegmatisch en flauw +uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers, +of zooals zij hen noemen "de Schwaben," met hunnen kouden, zuren wijn; +zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige, +uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als +in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste +en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin +heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen. + +Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo +gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk +in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin +tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud +Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: "de Hongaar doet geene schrede +buiten zijne Hongaarsche zeden." Daarin verraden zij het meest hunne +oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de +Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne +uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van +het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van +hen gaf, noemt hen: "_natura taciti_". "Men sla den Magyaarschen boer +gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt +en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen, +als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den +mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen +heeft." De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher, +schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe, +wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar +een waar potsenmaker. + +Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer +spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle +krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een +gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën +niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een +der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen +advokaatje speelt. + +Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En +inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende +rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in +laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt. + +In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste +hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs +spreekwoordelijk gewoon te zeggen: "De Slawe is geen man." Eene +critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een +bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. "Die +zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn +heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem +door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen." Zij +leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer +dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk +afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen, +geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de +Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken en beschaven, +maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen +schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn, +schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. "Buiten Hongarije", +zeggen zij spreekwoordelijk "is geen leven ("_extra Hungariam non est +vita et si est vita non est ita_"), en bestaat daar al leven, dan is +het daar toch niet zooals hier." Zij zijn daarom als kolonisten schier +nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij +hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte +massa bij elkander gehouden. + +Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken +daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich +altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van +het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit +merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer +in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men +het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die +naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De +Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen +afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van +Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel +der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de +stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog +het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide +en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen +gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid, +dat hun naam "Szekler", in het Hongaarsch zooveel als vluchteling +beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat +de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij +spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de +oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard. + +Buiten hunne "Püsten" en Karpathen, vindt men de Hongaren +nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele +uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën +van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen +zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook +bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven; +in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente +Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten. + +Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza, +tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher, +als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie, +verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer +twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten, +met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun +al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting, +persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele +straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van +het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld, +waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men +kan nagaan welke hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg +moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en +koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten +eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten. + +Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de +Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en +hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is +bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is +hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap, +maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid, +zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer +terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin +zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale _trots_ komt +overeen met zijne _vrijheidsliefde_. Even als hij een vijand is van +nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en +gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht, +sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn +land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij, +trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder +de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk +van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den +beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen, +blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat +tot _groot_moedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook +anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der +meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land +ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den +reiziger met _dank_ aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt +de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne _betaald +wordende_ logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag "wat +kunnen wij krijgen?" als antwoord de tegenvraag krijgt: "wat hebt gij +medegebracht?" als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft, +zoo toonen zij zich als gastheeren, _die zelf de kosten bestrijden_, +des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene +vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij +zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer +aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne +geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren. + +Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van +het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia +met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der +Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle +vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift +uit: "leve onze Koning!" en redden zij door hunne dapperheid en +zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch +eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen. + +Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst +dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt +zich wel als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; "Uram" +(mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met "jij" of +"jou" aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die +hij dikwijls zijne "roos", zijne "ster" noemt, en die zeker is in hem +een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij, +die hij "zijne lieden" d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met +welwillendheid en goedheid. + +Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van +énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij +is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit +naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een +harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de +eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin, +dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver +en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn +spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert +niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu +de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene +schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den +Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De +geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen +aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend +zijn. Van oudsher hebben zij--en daarin hebben zij veel overeenkomst +met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken--een bijzonder +grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers +gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer, +dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de +onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen +van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te +bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer +von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene +lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig +toeschijnen. + +De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en +zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende +welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich +bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel +tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te +hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen, +waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en +de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze +liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het +land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten +van hunne "Lehel" en "Botonds" naar Konstantinopel, Italië en zelfs +naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der +oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele +wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld, +hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van +slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook +somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen +te worden. De namen der beide broeders Kisfaludy en van den genialen +Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen. + +Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: "_anch +ioson' pittore_", is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij +hebben ook _dat_ met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere +kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen +de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de +Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne +veldslagen en dansen. + +Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de +Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd +worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen +uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en +hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten +over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet +hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van +Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is. + +Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat, +is de landbouw, terwijl hij met _aangeborene_ voorliefde zich op +de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het +duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne +uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of +Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed +van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van +graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw +zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal +en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk +afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder +dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije +zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van +den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men +ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten, +die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige +handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden, +de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het +eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De +Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide +"Schwaben" een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als +zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen. + +Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in +tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen +kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door +de Duitsche bouwmeesters geleerd, "hàsz" (huizen) aannamen. Daarbij +bleef echter het plan van een legerplaats bewaard--de bijzonder +breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor +binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de +hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is +spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel +van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met +uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk, +ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen +de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen. + +Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd +zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden +aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste +aaneensluiting der "_polgars_" (burgers), geen gemeenschappelijk +en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met +architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen, +zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers +het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag +duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat +soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de +kroniekschrijvers eene "_magna et ditissima Teutonica villa_" genoemd +werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden, +kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche +nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden. + +Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den +regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche +gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te +vervangen, weder ingang. + +En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen +het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten, +waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels +en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en +_vele_ kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook +moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met +die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid +in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In +alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek +aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die +een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen +beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor +zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven, +genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land +te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen, +den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen. + +Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch +huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan +trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen +winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten, +naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare +pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant +ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch +en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman +naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne +liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij +niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich +eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het +voorplein zijner woning, en slaapt daar met zijne geheele familie, +onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is. + +Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens +onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er +niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt, +en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren +zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische +Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje +spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen +deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo, +zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende, +komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken, +met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die +zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden. + +Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar +des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee +naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau: + + + Toen ik trok door het verre Hongaarsche land, + Was de vreugde mijns harten zeer groot. + Als dorp en bosch en boom verdween in 't land + En de heide zoo woest zich ontsloot. + + +Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten, +mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook, +eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote, +ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert, +uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude +Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden +der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch +ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, "uit louter adem +bestaande." De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige +vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd +verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld, +bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig +als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland. + +De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is +een geboren ruiter, een centaur. "De Magyaar komt te paard ter wereld," +zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is, +tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen +nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters +waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard +te vallen zijn eersten galop doet: "gij zijt een man!" + + + "Heerlijk leven, 't ruiterleven, + Dat is leven, dat alleen." + + +zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar +gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar +bij het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich +vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het, +dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat +der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote +daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge "_huzaren_"--eene +Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord--in alle landen van +Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook +verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden "Schako," +"Dolman," "Haiduck", en zoo vele andere in alle Europeesche talen +opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij +onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij +is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes, +die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle +smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af, +beter verstond te kleeden dan Europa. + +Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren +oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl +deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en +kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen +overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der _herders_ +echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie +eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort +kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een +ossenherder heet "Gulijas," een zwijnenherder "Kanasz," een +schaapherder, "Juhasz" en de koene paardenherder "Czikos," als waren +het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere +kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons +geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de +Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners +van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen, +ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf, +de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit. + +Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls +raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor +de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch +volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken +en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde, +dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich +vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale +eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling +heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met +vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men +ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt +had, en toch zijn zij altijd weder als "Magyaren" uit dien chaos +te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de +Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks +nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen, +die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het +Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk +den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze +Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie +jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan +moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft +hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een +nieuwe _Arpad_ of een tweede _Mathias Corvinus_ verwacht, de oogen +van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in +Oostelijk-Europa--met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid +en andere moreele eigenschappen--als het eerste volk daar staan. In +dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers, +de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook +beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot +de _ziekelijke_ volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit +kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal, +te midden der volken van Europa eene _geheel zelfstandige plaats_ +in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een +machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss +te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd +jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht, +opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste, +en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht +iets groots tot stand brengen, "maar spoedig ook weder verdwijnt de +opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige +Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden." + + + + + + +DE TSCHECHEN EN POLEN. + + +Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk +verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het +Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam "Lechen" +woonde. Onder den naam "Obotriten" en "Wagriers", waren andere Slawen +tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als +"Wenden," "Pomeranen" "Lusitzer" en onder talrijke andere benamingen, +bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot +over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische +"Sileziërs" bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de +"Tschechen" vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar +waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam "Slowaken", de +heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene +Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda +gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als +onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en +Vorsten daarheen verplant. + +Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid +veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten +van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren, +Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft +hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en +naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie, +onder den naam "Voorste" of "Westersche Slawen." + +Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan +de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der +tot de "Westersche Slawen" behoorende natiën, zijn geheel van den +aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende +onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de +Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs +en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen +aan vreemde volken en staten onderworpen geworden. + +Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw) +verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen, +die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het +schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk +Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot +was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende, +voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden zij +zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder, +van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder +vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende +hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en +krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten, +als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk, +of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren. + +Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen, +zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter +den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne +dorpen toevoegden. + +Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn +eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige, +heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten. + +Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige, +vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en +dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch +leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten +schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van +harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk +bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den +bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen, +brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij +kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche +kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen +te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den +gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot +zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den +tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken. + +Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen +zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat +van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het +zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij +en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt +van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het +Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot +vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale +machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom +met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke +en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs +de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine +zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den +invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken, +Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en +eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in +hun midden geplante kruis. + +Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche +Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde +groote Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de +verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur +was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze +Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat +hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste, +even als zij, tot verval komen moest. + +De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren +bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven, +werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige +Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten +laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de "Wagriers" +in Holstein, de "Obotriten" in Mecklenburg, de "Pomeranen" aan de +Oostzee, de "Ukrer" in de Ukermark, de "Hevellers" in de Havelmark, +de "Polaben" aan de Elbe--ja! wie kan al de namen noemen der kleine +heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen, +en aan de vereering hunner "Tschernobogs" en "Bielobogs" vasthoudende, +in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen +door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder +oprichtten--zich met elkander verbonden of in twist met elkander +leefden--het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden +brengen--de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte +grensmarken en bisdommen opgenomen werden--en ten lange laatste allen +in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal +en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn +onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen, +steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers +binnenrukten, verloren gegaan. + +In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen, +bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande +Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche +steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene +Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van +Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte +landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het +Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige +overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten +gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en +daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op +enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens +volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische +nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van +zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft +laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen. + +In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het +Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere +gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche +vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt +men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw +en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van +Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van die welke +de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde +der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte +der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het +"Wendenland" noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed +is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden, +kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land, +nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt. + +Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke +Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle +provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer +volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw, +somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige +streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij +compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen, +omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon +Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder +het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen +van het Slawisme aangetroffen worden. + +Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk +nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en +volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de +Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel +in West-Pruissen, eene streek, waarin de "Kassüben" en de aan hen +verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree +in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land +en het volk der zoogenaamde "Sorben-Wenden".--Deze nu nog Slawisch +sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt +uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden +door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te +vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit, +waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt +ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen +ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood +te bloeden. + +De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den +aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en +die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale +zelfstandigheid twee compacte volken vormen--bij wie ook nog altijd +de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is--en waarvan wij dus +hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking +van Europa moeten melding maken, zijn de _Tschechen_ en de _Polen_. + + + +Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer +dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke +gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier +lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en +vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk +vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. Van alle zijden stroomen +van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in +de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte +ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat +dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van +eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte +bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal, +wordt deze geïsoleerdheid nog grooter. + +Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan +mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn +binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus +geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en +hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de +geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken +genoemd wordt, de "Bojers", zou van Celtische afkomst geweest +zijn en van hen zou het land zijne namen "Bojenheim", "Boheim" +"Boheme" ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd +dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de "Markomannen" +in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of +verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs +de Romeinsche keizers. + +De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers +in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op +de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de +volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der +5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der +Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden +zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de +Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen +hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische +vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan +moet "Tschech" geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des +lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden +smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook +de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der +Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam "Tschechen", +welke naam de overhand verkregen heeft. + +Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen +ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den +Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie +heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte +Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen +der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de +Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit +der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal +en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië, +toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen +later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op +het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen +door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden, +om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen +te bedienen tot het vervaardigen van molens of van andere werken, +die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen +vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken +aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen +weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de +overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen +langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen +behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van +Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden, +door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde. + +Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne +af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken +zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de "ontoegevendste onder +de Slawen" genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd, +toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en +hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit +alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun +bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge +van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten +deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom +zamenliepen, _moesten_ de landskinderen zich wel nauwer bij elkander +aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt, +een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest +eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme +ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren +de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden, +beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in +staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden. + +Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den +Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier +natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde +malen--eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de +eeuw--later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw--nog later +onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw +later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land +en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des +lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de +belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit +telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000 +studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste +gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld, +wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend +voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad. + +Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls +echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden +van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten +gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden, +Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het +westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam +van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land en +volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond, +meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen +tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de +Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar +steeds werden hun die zoogenaamde "nevenlanden" weder afgenomen en +als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet +lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar +blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting, +het Boven-Elbe-bekken, beperkt. + +Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop +der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd +en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars +meermalen uit Duitschland kwamen--daar hunne Koningen tot Keurvorsten +en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven +werden--daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de +13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,--daar +Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren--daar +eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der +"Przemysliden" in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers +in de hoofdstad van Boheme resideerden,--zoo vulden zich ook de hoven +der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds +meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even +als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd +en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden +van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden. + +De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw +uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der +Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland, +beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste +aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij +toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en +bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer +der Duitschers zich bij de "rechtgeloovige" partij schaarden, eene +_nationale_ wending. + +Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij +de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren, +uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en +vreeselijke Ziska's en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen, +ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen. + +Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar +1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen +tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie +onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke +wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen. + +Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche +geschiedschrijvers, als het "_Finis Bohemiae_" beklaagd, even als +de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken +verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz +als de ondergang van Polen. Na dien slag werd de Duitsche taal +met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke +geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren +verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste, +landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene +duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men +vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en +andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan +eene "boerentaal" genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne +oude nationale dracht af. + +Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de +twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden, +hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd +en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden +Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden +adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren, +de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong +herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame +geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben +de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt, +zijne oude "boerentaal" gezuiverd en weder in eere gebracht. + +Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs +uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale +grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der +Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude +Slawische heldenliederen en lyrische gedichten gevonden, die den +Tschechen in den nieuweren tijd even waard geworden zijn, als den +Duitschers hunne Nibelungen-liederen. + +Op den ouden grond is nu eene nieuwe bloesemrijke Tschechische +literatuur ontsproten, en deze heeft zich ver buiten de grenzen van het +oude Boheme uitgebreid en aanzien verworven. De Slawische Moraviërs +in Moravië, de Slowaken in Noord-Westelijk Hongarije, die van den +beginne af in stam en taal de naaste verwanten der Tschechen waren, +en zich dikwijls met hen onder dezelfde heerschappij vereenigden, +hebben den Tschechen hunne sympathie weder betuigd, zich aan hunne +literarische onderzoekingen aangesloten, en zich gewend, zich met hen +als één volk te beschouwen. Zij hebben het spraakeigen der Tschechen, +deze ijverige voorvechters der nationaliteit hunner gezamenlijke +volkengroepen, als hunne literatuur-taal aangenomen. En zoo vindt +nu weder alles, wat bij de Bohemers in Praag gesproken, gedacht, +onderzocht en gedrukt wordt, een grooten weerklank bij meer dan +8 millioen Slawen, die elkander als broeders beschouwen en die, +bij de verschillende schokken van den nieuweren tijd, reeds van eene +herstelling van een Groot-Moravisch of Groot-Tschechisch rijk droomen, +zooals dat eens ten tijde van Keizer Arnulphus tusschen den Donau en +de Karpathen, van het Saksische ertsgebergte tot in de nabijheid van +Zevenburgen bestaan heeft. + +De Tschechen--en wat men van hen zegt, geldt, ten gevolge van het +zooeven opgemerkte, ook in meerdere of mindere mate van de hun +nabestaande Moraviërs en Slowaken--beschouwt men onder de Slawen +als de representanten van het cholerisch temperament, terwijl men +den Polen en Russen het sanguinische, den Zuidelijken-Slawen en +Serviërs het melancholische temperament toeschrijft. Zij bezitten +niet de ridderlijke manieren en de vroolijke levenslust der +Polen. Zij zijn somberder, achterhoudender en minder beweeglijk +dan de Russen. De Duitschers schelden hen uit voor stijfkoppig, +hardnekkig, sluw en arglistig, somber en wantrouwend. Twistzucht en +de zucht altijd gelijk te willen hebben zou hun erfgebrek zijn. De +"groote ernst en sombere trots", die de Tschechen van de overige, +veel luidruchtiger en lichtzinniger Slawen onderscheiden, zijn +hun wellicht gedeeltelijk, tengevolge van hun verkeer en strijd +met de Duitschers, eigen geworden. De oorzaak daarvan moet niet, +zooals sommigen meenen, in hunne tragische nationale geschiedenis +gezocht worden. Want reeds in de 9de en 10de eeuw, toen de Duitsche +jaarboeken melding van hen begonnen te maken, zien wij in de Tschechen +"ernstige en hardnekkige menschen." Vele vreemde schrijvers hebben, +wat energie en genialiteit betreft, den Polen de eerste plaats onder +de Slawen toegekend. Een uitstekend Pool echter, Maciejowsky, geeft +deze eer aan de Tschechen en stelt deze boven de Polen, waar hij zegt +dat zij, onder alle Slawen, met de levendigste verbeeldingskracht, +met den scherpsten blik begaafd zijn en "het meest vatbaar zijn voor +hooghartige gevoelens en verhevene dichtkunst." + +Hun "politiek talent", dat zich vroegtijdig in de schepping van +een eigen, onafhankelijk, en hunnen Duitschen erfvijand lang het +hoofd biedend, koningrijk openbaarde, wordt nog heden ten dage, +veel aangewend in de groote Oostenrijksche monarchie, waartoe zij +behooren. De bestuurs-bureaux van Weenen, Gallicië, van Hongarije +en zijne nevenlanden, zijn met eene menigte bekwame en geschikte +beambten uit Boheme voorzien. Dat zij, van hunne groote Slawen-familie +afgescheurd, zonder nationalen of geographischen zamenhang met een +grooter geheel, toch hunne eigendommelijke wijze van zijn bewaard +hebben, zelfs onder den dikwijls zwaren druk van den Duitschen +schepter, bewijst meer dan iets anders, dat zij van eene krachtige, +vaste grondstof zijn, die eene nog verdere ontwikkeling belooft. + +De Tschechen houden, even als alle Slawen, veel van muziek en dans. Er +is geen land ter wereld, waaruit jaarlijks zooveel muzikanten te +voorschijn komen, als uit Boheme. In het Parijsche muzikale Lexicon, +zijn het meerendeel der daarin genoemde virtuozen, Bohemers. Onder +2650 muzikale celebriteiten van Europa, bevinden zich 709 Bohemers, +701 Italianen, 517 Duitschers, slechts 134 Franschen en niet meer +dan 27 Spanjaarden en Portugeezen. Hierbij moet men echter opmerken, +dat Bohème wel virtuoozen maar slechts zelden componisten voortbrengt, +waarom bij al hunne bekwaamheid en vormbaarheid, die den Slawen in het +algemeen eigen is, hun de gave iets uit te vinden, ontzegd wordt. En +dan zeker moet men ook een groot gedeelte van hen, die daar "Bohemers" +genoemd worden, niet tot de Tschechische, maar tot de Duitsche +Bohemers rekenen, die--door den muzikalen geest van hunne Slawische +buren geïnspireerd--overeenkomstig hunnen even ontvankelijken als +vindingrijken geest, die kunst onder zich nog verder ontwikkeld hebben. + +In de dorpen der muziekminnende Tschechen en Moraviërs, ziet men +dikwijls iets dergelijks gebeuren als in Rusland, waar somwijlen ook +het zwaarste werk onder muziek verricht wordt. De tot het doen van +heerendiensten verzamelde lieden trekken met violen en hobo's op, +en eenige hunner virtuozen musiceeren onder het werk, dat hun dan +gemakkelijker van de hand gaat; somwijlen laat ook de rentmeester +van het goed, aan de maaiers gedurende hunne rusturen een concert +geven, wat hen niet zelden in den vrijen tijd tot dansen en zingen +verlokt. De menschen beschouwen daarom deze gezellige heerendiensten +niet als een last, maar veeleer als een vroolijk feest, en met het +afschaffen der heerendiensten, neemt men in die streken tevens een +gedeelte der poëzie uit het volksleven weg. + +Ook in Hongarije ziet men ieder jaar de Slowaken, deze oostelijke +broeders der Tschechen en Moraviërs, met muziek en zang uit de +dalen der Karpathen naar de rijke Donau-vlakten trekken, om daar de +Magyaarsche grondbezitters bij het oogsten te helpen. + +Deze Hongaarsche Slowaken, ofschoon voor het overige in hunne +physionomie, in hunnen stompen neus, hunne kleine diepe oogen, +hunne zware wangbeenderen, op en top Slawen, hebben zich wat hun +lichaamsbouw betreft, in het zuidelijke, weelderige klimaat van +het land, meer volmaakt. De gedrongene vormen der groot-Russen en +Tschechen zijn bij hen geheel verdwenen. Hun lichaam is langer en +welgemaakter geworden. Men vindt onder hen schoone gelaatstrekken, +buitengewoon fraaie mannen-gestalten. + +In vele kleine industriën zijn zij zeer bedreven. Als kramers, +daglooners, handwerkers, zijn zij over geheel Hongarije verspreid, +en waar zij in groote massa's binnensluipen en zich vastnestelen, +verdringen zij spoedig de oorspronkelijke nationaliteit. Er zijn +verscheidene, vroeger Duitsche en ook Magyaarsche plaatsen, die nu, +ofschoon zij nog hunne oude Duitsche en Magyaarsche namen dragen, +door de steeds voortwoekerende en om zich heen grijpende Slowaken +geheel geslawiseerd zijn. Het is eene opmerkenswaardige ethnographische +bijzonderheid, dat zij in het overig Europa het meest door den oorlog +bekend zijn geworden, dien zij ijverig tegen zekere kleine plaaggeesten +der Duitsche Vorstenhuizen geleverd hebben. Als vroolijke gasten, die +zich weinig bekreunen om behoefte en gemak, en zich onledig houden met +het verdelgen van mollen, ratten en muizen, en het vervaardigen van +allerlei zaken uit gebogen of gevlochten ijzerdraad, als muizenvallen, +vleeschdeksels, lampglazen-borstels, pijpendoorhaalders, van waar +zij, onder verschillende andere namen, "draad-Slawen" genoemd worden, +trekken de Slowaken niet alleen geheel Duitschland door, maar ook het +Noorden en Westen van ons werelddeel en zelfs Azië. Zij zijn in deze +kunst reeds eeuwen lang beroemd. Vreemd genoeg is het, dat zoo geheel +speciale talenten zich naar de nationaliteiten verdeeld hebben, en +dat ook zulke geringe rollen en bezigheden, in de Europeesche familie +zoo geheel in het bezit van een bijzonderen volksstam konden komen. + +De Slowaken en Tschechen sluiten zich aan dat andere groote +West-Slawische volk aan, dat als het eerste onder alle Slawen-volken +beschouwd wordt, en dat in de wereld even beroemd is geworden door +zijne schitterende daden en zijn heldhaftig karakter, als door de +groote nationale ramp die het getroffen heeft, aan de Polen, die wij +nu tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken. + + + +Van het land, dat de Polen bewonen, heeft men, om een denkbeeld zijner +eentoonigheid te geven, meermalen gezegd, dat hij die één akker er +van gezien heeft, het geheele rijk kent. "Allerwegen," zegt men, +"dezelfde treurige kleur in de natuur en in de menschenwereld, overal +dezelfde zeden, taal en levenswijze der bewoners, overal dezelfde +grondgesteldheid, bebouwing en vruchtbaarheid. De natuur is in het +geheele land even hard, den menschen gaat het overal even slecht. Het +is een onmetelijk moeras, met steenen en granietblokken bezaaid en met +dichte bosschen bezet, waartusschen hier en daar ellendige woningen +en ongezellige woonplaatsen verstrooid liggen." Deze schildering +hebben, zeg ik, eenigen van het door de Polen bewoonde land gegeven, +en zij dachten daarmede alles gezegd te hebben. Ja! de Franschen zelfs, +opperden, toen zij dit land eens binnenrukten, de beroemde vraag: "_Est +ce, qu'on appelle ça une patrie_?" "Noemt men dat een vaderland?" Maar +zulke algemeene opvattingen, doen de scheppende natuur dikwijls onrecht +aan, doen het patriotisme der menschen zeer. De eerste heeft zich zelfs +in Polen niet onbetuigd gelaten, en ook daar heeft het andere vrij wat +aangetroffen, dat liefde en bewondering verdient. Het poëtische sombere +der eeuwenoude donkere Sarmatische wouden, heeft den Byron der Polen, +den dichter Mezkiewitsch stof geleverd tot vele fraaie sonnetten. En de +dikwijls lachende velden langs de oevers der rivieren, waren daartoe +niet minder in staat. In het zuiden sluit Polen zich aan een der +grootste Europeesche bergruggen, de Karpathen, aan, die door enkelen +als de oudste oorspronkelijke woonplaats der Slawen beschouwd wordt, +wien het waarlijk niet aan het romantische in geschiedenis en natuur +ontbreekt. In het noorden slingert zich in de richting der Oostzee, +in Polen evenals in Pruissen, een kring kleinere en grootere meren, +aan wier oevers bosschen, weiden en begroeide heuvelen menig lieflijk +natuurbeeld vormen. + +Zelfs de uitgebreide steppen, waarin Polen zich in het +zuid-oosten in de nabijheid van Rusland verliest, zijn niet zonder +bekoorlijkheid. Daar in Volhijnië en Podolië, neemt men, zoover +het oog reikt, onafzienbare weidevelden waar, die in de lente met +de kleurenpracht van verscheidene bloemsoorten versierd zijn. In +den dorren zomer en stormachtigen winter echter zijn zij woest +genoeg. Maar hoe verrassend is niet midden in deze woeste vlakten de +aanblik der, door de tallooze zijrivieren van den Dniepr, Dniestr, +in het weideachtige plateau ingesnedene dalen. Deze rivieren-dalen +der steppen, door de Polen "_jary_" genaamd, door de natuur als breede +kanalen uitgegraven, doorsnijden het woeste land als een net van lang +uitgestrekte, vriendelijke oasen. + +In deze dal-kanalen, die dikwijls eene mijl breed zijn en die even +als souterrains, bescherming tegen het onweder of de droogte, die op +het steppen-plateau heerschen, geven, concentreert zich alle leven +en alle natuurpracht dier streek. Zij bevatten boschjes en wouden +van allerlei soort boomen, hebben bijzonder veel zangvogels, en zijn +zoowel door wilde dieren, als door tamme kudden bewoond. Daarin liggen, +zooals het merg in de beenderen, alle plaatsen en steden van het land, +en in de diepte midden tusschen dat alles in, stroomen de wateren van +helder vlietende beken en rustig stroomende rivieren. Zulke beelden +grijpen de phantasie des te meer aan, daar zij in het uitgestrekte, +eentoonige steppenland slechts als gouddraden verschijnen, en daar +zij nog daarenboven,--van verre niet zichtbaar--zonder dat men het +te voren weet en als onaangemeld, voor het betooverd oog van den +reiziger plotseling verschijnen. Kortom, ook een Pool, die van jongs +af aan al deze verschillende bekoorlijkheden en vormen, waaronder +de natuur zich in zijn groot vaderland vertoont, in zijne ziel en +phantasie opgenomen heeft, zal niet verlegen staan op bovengenoemde, +onhoffelijke vraag der Franschen te antwoorden. + + + +Welk ras het eerst het groote land tusschen de Karpathen en de Oostzee +bezet en bewoond heeft, en ten gevolge van welke veranderingen en +gebeurtenissen de Slawen er zich eindelijk in uitgebreid hebben, +dit alles ligt in een diep duister begraven. + +Volgens Tacitus hebben, ten tijde der Romeinen, Duitsche volken, +hier oostelijk zelfs tot over den Weichsel geregeerd. Of wij echter +die Duitschers ons moeten voorstellen als grondbevolking, die de +geheele streek in bezit hadden, of dat zij veeleer slechts de heeren +en veroveraars, zooals nu nog de Pruissen en Oostenrijkers, over die +landen en de toen wellicht reeds Slawische grondbevolking heerschten en +regeerden, blijft onzeker. Ook "Skijthen" en "Sarmaten," nomadische +volken uit Azië, zijn waarschijnlijk ten tijde der Romeinen van +uit het Oosten, evenals de Germanen van uit het Westen, deze landen +binnengedrongen, op gelijke wijze als wij zulke nomadische volken +van Tartaarschen oorsprong, ook nog later onder Attila, en nog later +onder Dschingis-Chan en Batu-Chan, hier zien verschijnen. De Slawen +van dien tijd, waarvan wij nauwelijks met zekerheid in deze streken +eenig spoor kunnen aanwijzen, ofschoon zij daar zeker reeds lang voor +Christus geboorte bestonden, hebben waarschijnlijk reeds voor die +actieve en gebiedende rassen, slechts eene lijdelijke rol gespeeld, +en zijn daardoor aan de oudste berichtgevers ontgaan. + +Eerst na de volksverhuizing, die het rijk der Romeinen verwoestte +en de Germanen noodzaakte west- en zuidwaarts te gaan, schijnt het +Slawisch element hier ontwaakt te zijn, en na de tijden van den +uittocht der Germanen, zien wij alras, even als de oostelijke helft +van Duitschland, zoo ook het Weichsel-land door eene menigte vrij +gewordene Slawen-stammen bevolkt. Zij leefden eeuwen lang zonder +nationale eenheid en zonder een gemeenschappelijken naam, in kleine +Vorstendommen of in kleine gemeenten met een patriarchaal bestuur, +maar zullen ook wel toen reeds die eigenaardige zeden en taal met +zich rondgedragen hebben, waardoor zij later, eerst onder den naam +"Lächen" en later onder dien van "Polen," zich vereenigden en boven +de Russen, boven de Tschechen en de andere Slawen, uitmuntten. + +De wieg van den Poolschen naam en de wortels van het onder dezen naam +opgegroeide volk en staat, liggen dicht aan de grenzen van Duitschland, +in het nu door het Koningrijk Pruissen geannexeerde Posen. Daar is +de schouwplaats der oudste konings-sagen der Polen, der sagen van de +Piasten. Daar was ook hunne oudste vorstelijke residentie, Gnesen +(Gnesna), hunne oudste stad. Even als de Magyaren, even als ook de +Skandinaviërs, waarvan eveneens het oudste en eerste Koningrijk, het +zich noordwaarts uitbreidende Denemarken, aan Duitschland grensde, +zoo schijnen ook de Polen in den samenhang met de Duitschers, den +eersten spoorslag tot nationale en staatsontwikkeling, even als het +Christendom, ontvangen te hebben. Weldra echter gingen zij uit hunne +westelijke wieg verder oostwaarts, evenals de Denen noordwaarts en +de Hongaren zuidwaarts. Naar het westen heen, waar Duitschland de +overige West-Slawen in zich opnam, waar het later den Polen en hunnen +Piasten het geheele Oder-gebied afnam, en de Silezische provinciën +germaniseerde, werden den Polen vroegtijdig en in den loop der eeuwen +altijd _weder_ en altijd _meer_ de wegen versperd. Zij hebben zich +daardoor, uit hunne aan de Warthe gelegene wortelen, van den beginne +af, bij voorkeur in de richting van het verre Oosten uitgebreid. Daar +hadden zij het ruimste veld en daarheen hebben zij van oudsher hun +gelaat gekeerd. + +In die richting hun gebied verder uit te breiden, daarheen de uit het +Westen verkregene beschaving en christelijke leer over te brengen, +Europa tegen de van daar dreigende barbaarschheid te beschermen, +dat was om zoo te zeggen, de zending der Polen. Ten allen tijde +zijn zij aan het Westen meer vriendschappelijk verbonden geweest, +het eerst als vazallen der Duitsche Keizers, altijd als medeleden der +Roomsch-Katholieke kerk, bijna altijd als leerlingen van het Duitsche +volk in kunsten en wetenschappen, later meermalen als onderdanen +van daaruit, uit Hongarije of Zweden, uit Frankrijk of uit Saksen +afkomstige Prinsen en Koningen, _het meest_ echter als bondgenooten +tegen Mongolen, Tartaren, Russen of als redders uit den Turken-nood. + +Met het Oosten daarentegen, met de Russen, waarmede zij reeds in de +11de eeuw onder hunnen eersten grooten Hertog Boleslaus, wien Keizer +Otto III den Koningstitel zou verleend hebben, in oorlog geraakten; +met de Lithauers, die zij tot het Christendom bekeerden, met de +Tartaren, aan wie zij meer slagen geleverd hebben dan eenige andere +West-Europeesche mogendheid, hebben zij van dien tijd af tot op den +nieuweren tijd toe, een 800 jarigen strijd volgehouden. + +Het eerst en vóór alles namen de Polen, op dezen weg naar het Oosten, +nadat zij uit hunne enge wieg aan de Warthe waren voorwaarts gerukt, +bezit van den geheelen Weichsel, die van de Karpathen naar de +Baltische zee stroomt. In het gebied van dezen stroom zetten zich +de Polen en hun wordend Koningrijk, nu bij voorkeur vast. Zij gingen +naar die streek over, als ware het hunne tweede wieg, of als ware het +de eigenlijke groote geographische kern en het centraal-kanaal van +hunne staatkundige en nationale ontwikkeling. De Weichsel is voor de +Polen hetzelfde geworden, wat voor Duitschers en ons Nederlanders de +Rijn, voor de Groot-Russen de Wolga, voor de Klein-Russen de Dniepr, +voor de Hongaren en Zuidelijke-Slawen de midden- en beneden Donau +steeds geweest zijn,--hun voornaamste levensweg, de hoofd-ader +van hun nationaal lichaam, de uitgangs-linie hunner veroveringen, +en ook hunne verdedigings-linie in tijd van nood. In dichte massa's +en als domineerende grond-bevolking, hebben zij zich ook niet ver +over het stroomgebied van den Weichsel uitgebreid. Daarentegen heeft +hun geslacht _deze_ rivier van de bron af tot aan de monding toe +en schier al hare nevenrivieren, geheel bewoond.--Weichsel-land en +Polen zijn dientengevolge twee namen, die men in aardrijkskundigen en +geschiedkundigen zin, als woorden van gelijke beteekenis beschouwen +mag. + +In het Weichsel-dal, van hare bronnen uit het Tatra-gebergte +tot aan de monding, liggen de beroemdste plaatsen, oude en +nieuwere Koningssteden, talrijke burgten van edelen, de beroemdste +strijdplaatsen en parlementsvelden der Polen. Aan deze knoopen zich +hunne dierbaarste herinneringen vast. Ter plaatse, waar de Weichsel +de bergen verlaat, en waar zijne laatste vertakkingen in de vlakte +uitsteken, blikt van een der uiterste bergtoppen, "Wawel" genaamd, +het schouwtooneel van eeuwen oude sagen, het eens zoo prachtige, +nu eenzame, vervallen Koninklijk slot der Jagellonen, op de beroemde +stad neder, die het langst de hoofd- en krooningsstad van het Poolsche +rijk en zijner Koningen geweest is. Met talrijke torens, prachtige +kerken, ouderwetsche gebouwen die rijk aan monumenten zijn, strekt +Krakau zich langs den voet der bergen in het Weichsel-dal uit. Oude +grafheuvels, hoog als de pyramiden, liggen als stomme getuigen van een +groot verleden in het landschap verstrooid, en onder deze den heuvel +welken men den laatsten Pool (Kosziusko) oprichtte, tot welks bouw +ieder patriot een hoopje aarde bijdroeg. Eens rijke en beroemde abdijen +versieren den achtergrond van dit oude Persepolis der Polen. Ruïnen van +talrijke burgten, deels de stamsloten van edele en beroemde geslachten, +deels door de vorsten ter verdediging des lands gebouwd, stijgen in +de bosschen op rotsen omhoog, en vormen een schilderachtigen krans +langs den voet der Karpathen en langs de zijrivieren van den Weichsel, +westwaarts tot naar Silezië en oostwaarts tot aan de Russische grenzen. + +Verder beneden Krakau, stroomt de Weichsel nog door menig fraai dal tot +naar Sandomir, de hoofdstad van het oude Wojewodschap van den zelfden +naam. Daar besproeit hij de vruchtbaarste velden van het land. De +stamhuizen der doorluchtige familiën der Ossolinskij, der eens machtige +Zborowsky, en vele oude Benediktyner en Cisterzienser-abdijen versieren +den stroom, die op zijn linker-oever nog overal door schilderachtige +rotswanden versierd is. Niet minder vruchtbaar zijn de, van Sandomir +rivier-afwaarts liggende heuvelvlakten van het vroegere Wojewodschap +Lublin, waar de tarwe den rijksten oogst geeft, en waarin, aan een der +zijrivieren van den Weichsel, de oude eens volkrijke hoofdstad van +gelijken naam, met vele paleizen van beroemde adellijke geslachten, +kerken en kloosters versierd, ligt. Aan den Weichsel zelf volgt verder +Kazimierz, met de ruïnen van het door Kasimir den Groote gebouwde +slot, en verder benedenwaarts het door de edele Czartoryski's rijk +versierde, door Poolsche en Fransche dichters bezongene en door de +Russen verwoeste, wereldberoemde Pulawy; en zijwaarts aan de oevers +eener zijrivier "Sobieska Wola", de zetel van Johan Sobiesky, den +bevrijder van Weenen. Oostwaarts krijgt het landschap een ander +karakter; in plaats van de heuvels ziet men groote vlakten, die +zich verderop in de eindelooze moerassen van Volhynië verliezen. De +Weichsel zelf treedt eerst bij de monding der Pilica, ongeveer in +het midden van zijnen loop, geheel uit de zuidelijke hoogten des +lands te voorschijn. Nu eerst verdwijnen zijne tot nu toe hooge, +met bosschen omkranste, dikwijls romantische oevers, en nu vliet zij +in een breed dal rustig naar het noorden. Op zijn westelijken oever +verschijnt nu, op aangename hoogten gelegen, de residentie der latere +Poolsche koningen, het prachtige en ongelukkige Warschau, dat altijd, +als geheel Polen zelf, zijn voorhoofd (het bruggenhoofd Praga) naar +het Oosten keerde, en in welks stadsgebied den ouden oostelijken +erfvijand zoo veel schitterende slagen geleverd werden. + +Er zijn niet veel landen en volken, wier geheele geschiedenis en +ontwikkeling, zich zoo om ééne rivier heen beweegt, zoo als het +leven der Polen om hunne "Wisla". Van haar uit, die hun bij al +hunne bewegingen tot operatie-basis diende, verbreidden de Polen +zich hoofdzakelijk in drie richtingen, in welke zij hunnen invloed +verder uitbreidden. Het eerste naar het zuid-oosten in de richting +van den Dniepr, waar zij zich, in Volhynië en in de vruchtbare +heuvelachtige streken van Podolië, verscheidene klein-Russische +stammen en Vorstendommen onderwierpen, waar zij het oude Russische +Kiew veroverden en beheerschten, en den Ruthenischen adel van het +land poloniseerden.--Vervolgens naar het noord-oosten--naar de +bosschen en moerassen aan den Niemen en aan de Duna, waar zij op +de nog langen tijd barbaarsche en Heidensche Lithauers stieten, +die hun eerst, door tallooze verwoestende invallen, verderfelijk +waren, maar die zij sedert de 14de eeuw steeds meer en meer binnen +den kring van hun nationaal-leven trokken. De Polen verwierven zich +naast de Duitsche ridders de verdienste, deze streken en volken +van Europa het Christendom te brengen en hen te vereenigen met de +Roomsch-Katholieke Kerk. De Groot-Vorsten van Lithauen, de Jagellonen, +die door huwelijk met de laatste Piastin Hedwig, de Poolsche kroon +verwierven, werden daarbij zelven Polen. Ook nam ten lange laatste, +in den loop der tijden, de geheele Lithauïsche adel de taal der Polen, +die meer beschaafde natie aan, en daar hij eindelijk in alle opzichten +gepoloniseerd werd, zoo deelt hij ook nu nog de Poolsche sympathiën. In +direct oostelijke richting eindelijk, stieten de Polen op de eigenlijke +Russische kern-landen. Hierheen zijn zij langs de zijrivieren van den +Dniepr, langs den zelfden door de natuur aangegeven weg, waarlangs +ook de grootste veroveraar onzer eeuw, Napoleon, het Oosten aanviel, +ontelbare malen gemarcheerd en hebben zij, onder de Jagellonen en +onder hunne heldhaftige koningen Stephanus Bathory en Johan Sobiesky, +vele schitterende overwinningen op de Russen behaald. + +In het midden en tot na het einde der 16de eeuw had de heerschappij +der Polen hare grootste uitbreiding gekregen. Toen waren zij, wat nu +de Russen zijn, het machtigste volk in het Oosten van Europa. Toen +hadden zij zelfs de geheele Duna- en Dnieprlinie in hun bezit. De +witte Poolsche adelaar breidde zijne vleugels van de Oostzee tot aan +de Zwarte Zee uit. Toen handelde de Poolsche partij en het leger, +zelfs in Moskau, herhaalde malen naar goeddunken, en meer dan de +helft der Russische volkeren stonden onder Poolschen invloed. + +De uitbreiding der Roomsch-Katholieke kerk, waarmede ook vele +Russisch-Grieksche volken onder de heerschappij der Polen vereenigd +werden, en met welke deze--zelfs na de slechts gedeeltelijk gelukte +terugvoering der vereenigden, tot de Grieksch-Russische nationale kerk +door keizer Nikolaas--nog heden ten dage vereenigd zijn, mag als een +nu nog bestaand gevolg der uitgebreide Poolsche heerschappij beschouwd +worden, en evenzoo de groote uitbreiding van Poolsche taal en zeden +op Russischen ondergrond. In het vroeger door Russische Groot-Vorsten +beheerschte Gallicië, in Volhynië en Podolië tot aan "het heilige +Russische Kiew", in de geheele westelijke helft van Klein-Rusland +of het Russinnen-land, is de Russische nationaliteit in hoogen graad +uitgewischt. Van de familiën der Russische vorsten, de nakomelingen en +opvolgers van Wladimir den Groote, die het rijk onder elkander verdeeld +hadden, is niets meer over gebleven. Poolsche taal en Poolsche zeden +hebben hier eene merkwaardige, beslissende en blijvende overwinning +op het oudere Russendom behaald, en zijn langzamerhand tot in alle +hoogere standen en klassen der maatschappij doorgedrongen. Zelfs +de Grieksch-Slawische priesterschap heeft daar hare Russische taal +vergeten. Zelfs in de vertrouwelijkste, alledaagsche gesprekken +bedient men zich van de Poolsche taal, en het Russische dialekt is +slechts aan het onbeschaafde landvolk eigen gebleven. + +Toen, ook gedurende de geheele 16de eeuw, in den glorierijken tijd +der Sigismunden, der laatste Jagellonen, bereikten taal, literatuur +en ontwikkeling der Polen hun toppunt, en deze tijd wordt dan ook +hun "gouden tijd" genoemd. De wetenschappen verheugden zich in +eene ongewone beoefening en gunst. Koningen en Magnaten stichtten +akademiën. De naar het model van Praag ingerichte universiteit te +Krakau, waarvan Copernicus lid was, telde niet minder dan over de 50 +drukpersen. Daar en ook buitenslands, in Duitschland, Frankrijk en +Italië, bezochten de Polen de hoogescholen. Ook de Poolsche dames +hadden hare bloeiende scholen in de kloosters, waarin zij zelfs +de Grieksche en Romeinsche dichters lazen. De Polen wijdden zich +met evenveel liefde aan de literatuur en de dichtkunst, als aan +de wapens. En toen na het midden der 16de eeuw, eenige dezer goed +ontwikkelde Polen in Parijs verschenen, om den door hen gekozen +Koning Hendrik van Anjou te begroeten, schilderde een beroemd +Fransch geschiedschrijver van dien tijd hen op de volgende wijze: +"het geheele Parijsche volk," zegt de Thou, "stond verbaasd over +de verschijning dezer Poolsche gezanten; over hunne fijne pelzen, +hunne elegante en met edelgesteenten bezaaide kleederen, over hunne +waardige en manhafte wijze van zich voor te doen, en vooral over de +gemakkelijkheid, waarmede zij zich in het Fransch, Duitsch, Latijn +en Italiaansch uitdrukten. Deze vreemde talen spraken zij, als hunne +eigene. Zij spraken onze Fransche taal zoo zuiver en zoo juist, dat +men zou kunnen gelooven, dat zij niet aan den Weichsel, maar aan de +oevers der Seine geboren waren. Onze Fransche hovelingen schaamden +zich voor hen, als onwetenden, en de meesten hunner antwoordden, als +hunne Poolsche gasten met hen over wetenschappelijke zaken begonnen +te spreken, slechts door teekens, en bleven blozend zwijgen. Aan het +geheele Fransche hof vond men slechts twee mannen, die in staat waren +die Polen in het Latijn te antwoorden." + +Een even vleiend getuigenis geeft Muretus, een der grootste geleerden +der 16de eeuw, die door Koning Stephanus Bathory uit Italië naar +Krakau beroepen werd, aan de Polen. "Onder onze Italianen," dus +zegt deze beroemde man, "is nauwlijks één onder de honderd, die +het Latijn verstaat of smaak voor de wetenschappen heeft. Onder de +Polen daarentegen vindt men eene groote menigte mannen, die beide +talen volkomen verstaan, en die eene zoo groote voorliefde voor de +wetenschappen hebben, dat zij haar hun gansche bestaan wijden." + +Ook de aangelegenheden der steden en harer burgers, verkeerden toen +in een betrekkelijk bloeienden en geregelden toestand, beschermd als +zij waren door de stedelijke privilegiën. En zelfs de arme landman +was nog ver van de vernedering, armoede en slavernij, waartoe hij +later vervallen is. De tijd van den grooten Kasimir, die zich (in +de 14de eeuw) den eeretitel van "den boerenkoning" verwierf, lag +nog niet ver. Velen hebben zelfs beweerd dat, in de 14de, 15de en +tot in de 16de eeuw, alle eeren en waardigheden in Polen, voor den +wedijver en de deelneming van alle klassen ruimer waren opengesteld, +dan in andere Europeesche landen. Verscheidene der beroemdste Poolsche +mannen uit dien tijd behoorden oorspronkelijk tot den boerenstand. + +Sedert het uitsterven van den erfelijken koningsstam der Jagellonen (in +het laatst der 16de eeuw), verminderden de bloei en de macht van het +Poolsche volk, en gedurende de 17de eeuw gingen de zaken een snel en +steeds sneller verval te gemoet. De monarchie werd een kiesrijk. Het +kiezen der koningen begon hevige oneenigheden te veroorzaken, en +duizende edellieden verzamelden zich daartoe gewapend op het veld bij +Warschau, en kampeerden daar, in op elkander verbitterde partijen +gescheiden, dikwijls zelfs als vijanden des lands, in tegenover +elkander liggende legerplaatsen. De wijze waarop de verkiezing van +een Koning plaats had, en de den koningen voorgelegde voorwaarden, +werden telkens veranderd. De eene nieuwigheid volgde op de andere. En +bij iedere schrede verder werden de, voor het geheel en de eenheid +zoo weldadige, prerogatieven der kroon, verzwakt; terwijl intusschen +de macht en de overmoed van den adel steeds toenam, zonken de lagere +volksklassen, door den adel in het stof vertreden, in steeds dieper +ellende en werden zij hoe langer zoo minder beschermd. + +De adel matigde zich zulke groote persoonlijke privilegiën en vrijheden +aan, dat hij ten laatste niet meer in staat was een politiek geheel +te vormen. Ieder dezer Poolsche edellieden bezat op zijn grond en +bodem de rechten van een souverein, daar was hij als het ware, een +onafhankelijk koning. De wetgeving van het volk en den staat betrof +slechts zijn stand. Tegenover zijne vazallen, ondergeschikten en +lijfeigenen, regelde hij zelf de wetgeving, was hij zelf rechter en +onbeperkt souverein. De Poolsche staat, dien men eene republiek noemde, +was ten laatste niets anders dan een bondgenootschap van ontelbare +kleine despoten. En deze despoten verbonden zich onder elkander niet +alleen tegen hunne lijfeigenen, tegen den koning en het rijk, maar +ten laatste ook tegen de hun vijandige fractiën hunner eigene kaste. + +De merkwaardigste en verderfelijkste politieke instelling van geheel +eigenaardige Poolsche vinding, is echter het beruchte "vrije veto", +treuriger nagedachtenis, geweest. De voorstellingen van het ideaal +van persoonlijke vrijheid en individueele onbeperktheid van macht +van den edelman, ontaardden bij de Polen zoover, dat zij de, in geen +anderen beschaafden staat ooit gehoorde bepaling vaststelden: een lid +der republiek, d.i. een edelman, mag onder geene voorwaarde, zelfs +niet door de meerderheid der natie gedwongen worden, eenig besluit, +eenige wet of eenige keuze aan te nemen, als hij niet zijne vrije +persoonlijke toestemming geven wil. Men gaf aan ieder afzonderlijk +het recht zijn "_Nie pozwalam_" (ik _wil_ het niet) tegen den wil +van de meerderheid te stellen, en een enkel stijfhoofdig of door +vreemde invloeden gewonnen individu, kon daardoor de meerderheid +machteloos maken. De geschiedenis levert ons geen tweede voorbeeld +van eene dergelijke staats-instelling. Door de steeds toenemende +ontwikkeling en doorzetting van deze onzinnige grondstelling, +ontnamen de Polen aan hunnen staat alle stabiliteit, maakten dien +en het volk, om zoo te zeggen _onmogelijk_. Een volk met zulke +allerdolste aristokratische idealen in het hoofd, _moest_ weldra den +ondergang gewijd zijn. Daardoor werd aan de partijschappen van binnen, +en aan het ingrijpen van vreemde machten van buiten, deur en poort +geopend. Polen werd een nimmer rustende vulkaan, die zich zelven +vernietigde, de vreemdelingen in het land lokte en ten slotte onder +zijne eigene ruïnen begraven werd. + +De dubbelgangers der Polen, hunne mededingers en naburen, de Russen, +die zich sedert het begin der 16de eeuw onder het Vorstenhuis +der Romanows, tot een steeds machtiger en steeds verder om zich +heengrijpenden staat gevormd hadden, begonnen nu zich van den invloed +der Polen, die hen eens overweldigd hadden, vrij te maken, en hun de +eene oostelijke provincie voor, de andere na te ontnemen. + +Kort na het midden der 17de eeuw, kregen zij de zuidelijke helft, +van de sedert langen tijd aan de Polen behoord hebbende provinciën, +oostelijk van den Dniepr, de Ukraine, het geheele land der Kozakken en +voor de tweede maal Smolensko, dat zij reeds eenmaal, in het jaar 1500 +veroverd hadden--in den loop der 18de eeuw door de reeks zoogenaamde +verdeelingen van het snel verzinkende Polen, die elkander slag op slag +volgden, het eerst in het jaar 1772, de rest van het land oostelijk +van den Dniepr, het vorstendom Witepsk; vervolgens in 1793 het land +westwaarts langs den Dniepr, Podolië en de rest van Klein-Rusland, twee +jaren later in 1795 het voornaamste gedeelte van Lithauen, benevens +Koerland en Volhynië. Het Weichsel-land kwam bij deze deelingen ook +gedurende korten tijd onder Oostenrijk en Pruissen. Maar sedert 1815 +heeft Rusland ook dit voorname stuk, het geheele middenste gedeelte +van het oude nationale Poolsche Weichsel-land in bezit genomen, +en nu zijn sedert dien tijd, verreweg de meeste der eens door de +Polen bevolkte of bezette landstreken, hunnen vijandigen broeders, +den Russen, onderworpen. Aan Pruissen is slechts de kleine oude +Poolsche wieg aan de Warthe en den zoom der Oostzee-kusten, en aan +Oostenrijk de fraaie Poolsche landschappen aan den noordelijken rand +van den Karpathen-muur ten deel gevallen. + + + +Bij hun uitstekenden aanleg, niettegenstaande hunnen moed en +ridderlijken zin, schijnen aan de natuurlijke geaardheid der Polen, +van den aanvang af, en meer dan ooit in de laatste tijden van +hun staatkundig bestaan, vele eigenschappen ontbroken te hebben, +die bijzonder geschikt zijn het geluk van staten en volken te +grondvesten. Men heeft hen de genialen maar buitensporigen, en ook +wel den "verloren zoon" van moeder Europa genoemd. Vooral schijnt hun +niets van den spaarzamen, huishoudelijken, industrieelen en nijveren +zin, die onder vele andere goede hoedanigheden de Germaansche volken +kenmerkt, eigen geweest te zijn. Van hen is het spreekwoord afkomstig: +"op de jacht een haan dooden en aan den maaltijd een os eten." En +de uitdrukking "'t ziet er Poolsch uit," is ook bij ons, in de +beteekenis van een verward staatsbestuur en ongeregelde huishouding, +spreekwoordelijk geworden. + +Ofschoon groote beminnaars van poëzie en muziek, hebben zij zich +nooit met goed gevolg op handel, handwerken en kunsten toegelegd, +en worden bij hen niet de geduldige, werkzame, zeer te waardeeren +middenklassen gevonden, die voor iedere menschelijke maatschappij zoo +weldadig en noodzakelijk zijn, en die haar eerst volkomen maken. Zij +waren altijd de uitersten toegedaan. Daar oorlogsroem, heerschappij, +een schitterend, teugelloos en ongebonden leven, voor hen de hoogst +mogelijke bekoorlijkheid bezat, zoo moesten, opdat dit alles aan +_eenigen_ ten deel zou vallen, _velen_ tot afhankelijkheid en tot +harden slaafschen arbeid gedoemd worden. De bescheidene idealen van +een vrijen, nijveren boer, of van een eerzamen, vlijtigen burger, zijn +dingen, waarvan de Polen zich nooit een goed denkbeeld hebben kunnen +vormen. De adel was de spil, waarom bij hen alles draaide. Wie slechts +het geringste grondbezit machtig was, wilde bij hen stedelijk edelman +en magnaat worden. Scheppende handels- en nijverheids-koloniën zijn +nooit van de Polen uitgegaan, alleen adellijke- en militaire koloniën. + +De Polen vormden in deze hunne neigingen, een groot kontrast met de +naburige Duitschers, die in alle takken van het menschelijke kunnen en +volbrengen, een zoo ernstigen, volhardenden en werkzamen zin bezaten, +en hoofdzakelijk daardoor op de Polen zulke merkwaardige overwinningen +behaalden. Als nijvere en ondernemende kooplieden, hebben de Duitschers +namelijk den Polen de lange kuststreek langs de Oostzee weggenomen, +en hier, van Dantzig over Koningsbergen, Memel en Libau tot aan Riga, +langs de geheele kust van het oude Poolsche rijk, eene reeks bloeiende +Duitsche handels-koloniën gesticht. De Polen hebben zich door hen +overal van den levenwekkenden adem der zee laten afsluiten. Eens (in +het laatste der 15de eeuw) hebben zij deze streek Duitsche koloniën +wel voor eenigen tijd heroverd, hebben zij hunne grenzen weder tot +de zee uitgebreid, en, naar men zegt, toen zij destijds de Baltische +zee zagen, van blijdschap gedanst. De Polen dansten en zongen wel, +maar zij verstonden de kunst niet, zich de zee ten nutte te maken. De +Duitschers gingen, zelfs onder Poolsche opperheerschappij, voort, van +de zee gebruik te maken, en bleven daardoor de eigenlijke bezitters en +voordeeltrekkenden van het strand. Na eenigen tijd maakten zij zich ook +in politieken zin weder onafhankelijk van de Polen, sneden dezen weder +geheel van de zee af, terwijl zij langs de kust alles germaniseerden, +en de Polen noodzaakten zich tevreden te stellen met de moerassen en +wouden van het binnenland. Ook in vele gedeelten van dit binnenland +drongen de bedrijvige Duitschers binnen, en vormden zij bij de Polen, +even als bij de Tschechen en Magyaren, het wezenlijk element der +bevolking van de steden. + +Met de Duitschers, maar in veel grooter aantal dan deze, kwamen +de Joden in het land en namen bij voorkeur de uitoefening op zich, +van verscheidene der burgerlijke bedrijven, waarvoor de Polen geen +aanleg of lust hadden. Zij, de kinderen Israëls, vonden bij de Polen +een zoo gunstig terrein, dat zij in alle steden, dorpen en gehuchten, +waar Polen woonden en heerschten, als handwerkslieden, kunstenaars +en kramers, de ledige ruimte binnendrongen die zij in het Poolsche +nationale-zijn vonden, en hier weliger tierden dan in eenig ander land +van Europa. Zij vormden een surrogaat voor de den Polen ontbrekende +midden-klasse, en als 't ware den derden stand van het volk, daar zij +het midden hielden tusschen de overmoedige heeren en de ellendige +onwetende lijfeigenen. Terwijl echter in andere landen "de derde +stand" eene weldaad is, zijn deze Joodsche burger-gemeenten in Polen +dikwijls eene plaag voor het land geweest, en toch eene onontbeerlijke +toevoeging. Zooals de Duitschers door hunne meerdere beschaving, en de +Joden door hunne rustige industrie, zoo hebben de nationale vijanden +der Polen, de Russen, in den loop der tijden de overwinning op hen +behaald door de enkele hoedanigheid: gehoorzaam en ondergeschikt te +zijn aan een leidenden wil, welke hoedanigheid de Russen in hooge +mate bewaard of zich eigen gemaakt hebben, ofschoon zij overigens, +in hunnen geheelen verstandelijken en lichamelijken aanleg, vooral +niet boven de Polen staan. + +Men heeft meermalen de Polen de Franschen van het Noorden +genoemd. Even als deze zijn zij levendig, vlug en bevattelijk, maar +tegelijkertijd ook even als deze onbestendig. Altijd zijn zij bij +dans- en vechtpartijen en bij drinkgelagen vooraan. Zelfs de ouderen +van dagen bij de Polen, wier hoofden reeds grijs zijn, hebben nog +iets van het vlugge der vechtersbazen der universiteiten. Evenals +de Franschen bezitten de Polen eene elasticiteit, die hen zich in +alle omstandigheden doet schikken, alle indrukken doet volgen en +geene blijvend aanneemt. Hun doen en hun denken zijn eeuwigdurend met +elkander in strijd. Evenals het de menschelijke ziel in het algemeen +eigen is, de sterkste tegenstellingen in zich op te nemen, zoo weet +zulks de Pool in hooge mate te doen. + +Jaren lang leven zij onbezorgd, vroolijk daarhenen, maar plotseling +rapen zij alle krachten samen tot het bereiken van een of ander +doel, dat hunne geestdrift heeft opgewekt, en weten zij een tijdlang +met veel energie te handelen. Onverschillig, oppervlakkig en alles +veroordeelende, beschouwen en bespreken zij menschen en zaken, maar +vatten vervolgens op eens haat of liefde voor een persoon of eene +zaak op. Heden vieren zij een feestdag met boete en gebed, morgen +een luidruchtig carneval in vroolijkheid en brooddronkenheid. Het +eene uur spreken zij vol geestdrift over vrijheid en menschenrechten, +en in het volgende zondigen zij, misschien hoogst ondoordacht, daar +tegen, in de behandeling hunner bedienden en ondergeschikten. + +Geestdrift en apathie, ijver en nalatigheid, toegeving en tegenstand, +verkwisting en gierigheid, al deze tegenovergestelde eigenschappen +treden in de geschiedenis der Polen, even als in hun dagelijksch +leven, duidelijk te voorschijn. En evenzoo ook de grootst mogelijke +trotschheid naast de vernederendste onderworpenheid. Een duidelijk +bewijs hiervan geeft het reeds vermelde "_Nie pozwalam_," dat een +Poolsch edelman, in het gevoel zijner souvereine grootheid, tegenover +de besluiten stelde van het parlement en den wil van het geheele volk, +alsmede de in Polen zoo gebruikelijke phrasen, "ik kus uwe voeten" of +"ik val onder uwe voeten," uitdrukkingen, die bij alle klassen van +Polen, eene even gewone uitdrukking van dank is, als in Weenen het +welbekende maar veel gematigder, "ik kus u de hand"--"Maar"--zegt +eene talentvolle schrijfster, die over de Polen schreef--"al deze +verschillende, afwisselende, in elkander overgaande, dikwijls moeielijk +van elkander te onderscheiden eigenschappen van het Poolsche nationaal +karakter te schilderen, is bijna even moeielijk als eene poging om +de kleuren van den vleugel eener kapel te analiseeren. Reeds door +het aanraken wischt men het teere en bonte email weg." + +Een hoogst elastische zin, die zich over alles heen zet, niet +bevreesd is voor de toekomst, het verledene niet betreurt, eene +krenking--trouwens ook dikwijls eene weldaad--spoedig vergeet, onder +alle omstandigheden een goed gelaat bij een slecht spel tracht te +zetten, lachend alles verdraagt, zoo een zin is het erfdeel van +alle Polen.--Met verwondering ziet de vreemdeling, zelfs de meest +verwenden onder hen zich schikken in de ongemakken eener reis, de +onaangenaamheden eener slechte tijdelijke woning, de misgrepen hunner +boersche bedienden, het lastig indringen van Joodsche handelaars--dit +alles ziet hij met de beminnelijkste luim verdragen. + +Zij lachen met het moeielijke en vermaken zich over hetgeen anderen, +namelijk de met hen vergeleken, weekelijke of zwaartillende Duitschers, +vertoornen, althans wrevelig maken zou. + +"Poolsche edellieden en vorsten, die in hunne eigene huizen door +alle mogelijke luxe omgeven zijn, die meestal veel gereisd hebben en +met al de genietingen van groote hoofdsteden bekend zijn, kan men +_con amore_ in de kleine, vuile Joodsche stadjes van hun land zien +rondwandelen--in de onzuivere logementen hun intrek zien nemen, +in de nauwe, donkere winkels hunne inkoopen zien doen, zich zien +amuseeren met de, in de rookerige schouwburgen der groote steden, +gegevene ellendige opvoeringen van deze of gene reizende troep, of +met het oorverscheurend spel van dezen of genen reizenden virtuoos, +of wèl dagenlang in harde britschen op hobbelige wegen zien rijden, +om eene wolf- of rendier-jacht bij te wonen. En dit alles ziet men hen +met zoo veel beminnelijke vroolijkheid en natuurlijkheid doen, dat men +hen, die genoegens vinden waar anderen niets dan moeielijkheden zien, +moet bewonderen." + +Met deze, den Polen eigene, elasticiteit gaat hunne rusteloosheid--die +hen van de stad naar het land, van het eene slot naar het andere +doet gaan, die hun eene aanhoudende reislust als ingeënt heeft, +ja hen in hunne huizen onophoudelijk de bestemming en de inrichting +hunner kamers en de plaatsing hunner meubels doet veranderen, en dus +eeuwig aan de in het Oosten van Europa ingewortelde nomaden-natuur +doet herinneren--hand aan hand. Men zou meenen, in eene Poolsche +huishouding eene afbeelding in het klein voor zich te hebben, van +hunne vroegere huishouding van staat, waarin ook, even als in een +kaleidoskoop, alles door elkander gewerkt werd. + +Ook de hartstocht voor het spel, behoort tot de schaduwzijden in +het karakter van den Pool, die samenhangen met zijn lichtzinnigen, +vluchtigen, onstandvastigen, avontuurlijken, naar opwekkingen +verlangenden zin. Deze hartstocht schijnt nu nog, even als ten tijde +van Tacitus de Duitschers, alle klassen der Polen te beheerschen. Niet +alleen de heeren in de zaal, maar ook de bedienden in de voorzaal, +de soldaten in de kazerne, de boeren voor hunne hutten ziet men zich +met kaart- en dobbelspel bezig houden. Somwijlen echter behaalt eene +andere edeler zucht, de overwinning op dezen hartstocht voor het +onzalige en het geluk van vele familiën verwoestende spel, namelijk +hunne voorliefde voor den dans. Ook deze is den Polen, evenals allen +Slawen, aangeboren. Zij geven zich daaraan, zoowel op hoogen ouderdom +als in de jeugd over, en de dans vermag zelfs levensmoede voeten +nog op te wekken tot eene mazurka, dezen levendigen, sierlijken, +afwisselenden, alle ledematen elektriseerenden, half militairen +nationalen dans, die zoo juist de uitdrukking der opgewekte, schielijk +tot hartstochtelijkheid overslaande Polen-natuur schijnt te zijn. + +De gastvrijheid der Polen is, even als die van alle Slawen, van +oudsher beroemd geweest. Zij oefenen die op de grootst mogelijke wijze +uit. Niet alleen hun lust tot verkwisting en opschik, hun genot om +pracht en luxe te kunnen ontwikkelen, hunne begeerte zich in het midden +van een door hen beschermden en hen daarvoor huldigenden kring te zien, +maar ook eene natuurlijke goedhartigheid en mededeelzaamheid drijft +hen daartoe aan. Men treft daarom deze nationale deugd in het geheele +land aan, zoowel bij de geringen als bij de grooten, ieder naar zijne +krachten en omstandigheden, ja zelfs te midden der tegenwoordige zoo +afhankelijke, gedrukte en verwarde omstandigheden van het volk. + +In het oude Polen heerschte de gewoonte, dat de rijke Magnaten of +"Pake," in hunne huizen eenige edellieden, aanverwanten of vazallen +met hunne vrouwen en kinderen bij zich opnamen, die zij "residenten" +noemden, en die geene andere verplichting hadden, dan den geheelen +trein van het slotleven mede te maken, en zooveel in hun vermogen was, +tot den glans der familie bij te dragen. Toen vond men in de Poolsche +wouden zulke groote paleizen, zooals b.v. dat der beroemde familie Pac +er een was, dat het trotsche, reeds in de verte zichtbare opschrift +droeg: "dit paleis behoort aan Pac, en dit paleis is Pac waardig," +en waarin somwijlen behalve de hoofdfamilie en de, aan het paleis +geattacheerde "residenten" en de soldaten, die vroeger de Poolsche +souvereine magnaten gewoon waren om zich te verzamelen, wel duizende +menschen samen huisden. + +Zoo iets ziet men tegenwoordig niet meer, maar wel is men thans nog, +en niet alleen bij de Pac's en de Branitzky's, Potozky's en Sapreha's, +maar ook op de kleiner adellijke goederen, er op ingericht, geheele +familiën met hunnen trein van bedienden, paarden en rijtuigen op +te nemen, en daarbij ontzegt men zichzelven dikwijls, ten gerieve +der vreemdelingen, de gewone gemakken. Op den middagdisch staan +couverts voor onverwachte gasten gereed, en gaarne bespaart men +zelfs aan doortrekkende reizigers, die men ter nauwernood kent, +het onaangename rusten in ongemakkelijke logementen. En zoo ziet +zich zulk een doortrekkend reiziger, tot zijne groote verwondering, +dikwijls midden in de Poolsche heiden en steppen, plotseling als door +een tooverslag in hoogst aangename kringen verplaatst, waarin hij +zich gedurende eenigen tijd aan al de gezellige genoegens van het +slotleven, aan jacht, renpartijen, dans en spel, aan het tooneelspel, +aan levende beelden, aangename conversatie en andere genoegens, +op Poolsche wijze kan vergasten. De Polen zijn aan deze gezellige +manier van leven zoo gewend, dat zij er niet meer buiten kunnen. En +wanneer men hun vertelt, dat in Engeland en in Nederland b.v., +dikwijls de heer des huizes alleen met zijne vrouw en kinderen +aan den middagdisch of aan de theetafel zit, dan roepen zij uit: +"_Ah! que c'est triste_!" en vergeten geheel, dat dit toch ook eene +zeer prijzenswaardige huiselijkheid is. + +De Polen worden om zoo te zeggen midden in de drukten en de genoegens +van het "gezellig samenzijn" geboren, en van de wieg af, in en voor +hetzelve opgevoed. Zoodra een jong Poolsch edelmannetje alleen op +zijn stoel zitten en op zijne voeten staan kan, tafelt en danst hij, +converseert hij en maakt hij pret met de grooten, vermoedelijk niet +ten voordeele zijner lichamelijke en verstandelijke gezondheid, +ofschoon daardoor de in Polen zoo onontbeerlijke gehechtheid aan +het gezellige, wel in de hand gewerkt wordt. De Polen sterven ook +niet gaarne in de eenzaamheid, liefst zoo mogelijk te midden eener +talrijke omgeving. Daarvan zal ik een merkwaardig geval, dat ik zelf +ten deele mede beleefde, mededeelen: eene voorname Poolsche dame, +die tachtig jaren te midden van den maalstroom van haren grooten +huiselijken kring geleefd had, kon ten laatste niet meer in persoon +bij de feesten van haar huis verschijnen. Zij liet haar ziekbed daarom +dicht bij de prachtige zaal, waar hare gasten zich iederen avond aan +allerlei genoegens overgaven, overbrengen. Men ging nu en dan achter +het beschot, dat de beide vertrekken van elkander scheidde, naar haar +toe, om haar te vertellen: wie met de schoone Gravin T. de mazurka +danste, wie met mejufvrouw P.; en toen zij geen dans of muziek meer +verdragen kon: welke whistpartijen er gemaakt waren, wie gewonnen +en wie verloren had en verder wat er al zoowat in de zaal gepraat +was. Eens op een avond, toen de gasten weder als naar gewoonte een +tijd lang bij elkander gezeten hadden, werd plotseling iets van tafel +tot tafel gefluisterd. De elegante heeren legden de kaarten neder, +stonden op en gingen zacht heen. De bedienden bliezen de lichten +uit.--Hunne oude vriendin en meesteres was zooeven, gedurende de +soirée, zacht ontslapen. + +Men behoeft slechts korten tijd in zulk een Poolsch huis doorgebracht +te hebben, om te weten welken grooten invloed de vrouwen in Polen +uitoefenen. Over het algemeen munten zij uit door lieftalligheid +en gratie, zij deelen den levendigen, lichtzinnigen en ook den +ridderlijken geest van het andere geslacht. Daarbij hebben zij +meermalen eene grootere mate van ontwikkeling, en dikwijls zelfs eene +grootere wilskracht en vastheid van karakter, dan de mannen. Zij zijn +de eigenlijke gebiedsters der gezellige samenleving, en zijn steeds +ingewijd in de belangrijkste plannen der mannen. Ja! zij leiden deze +dikwijls met groote behendigheid en voorzichtigheid, iets wat tot op +den laatsten tijd door de politieke en bloedige gebeurtenissen in dit +land bewezen is, daar de Poolsche vrouwen niet alleen ruimschoots voor +het vaderland offerden, maar ook aan den strijd voor het vaderland +deel namen en geen gevaar ontzagen. Algemeen bewonderd en om haar +droevig uiteinde betreurd, werd in lateren tijd eene dezer schoone en +edele kampvechtsters voor het vaderland, de heldhaftige Gravin Helena, +uit het vaderlandslievende geslacht der Graven Plater. Maar men zou +een boek kunnen vullen met de levensgeschiedenis van teedere Poolsche +vrouwen, die, even als de maagd van Orleans, hare borst ten dienste +van het vaderland gepantserd hebben en de uhlanen-lans tegen de Russen +en andere vijanden hanteerden. In onbaatzuchtigheid en opoffering +hebben deze Poolsche vrouwen meermalen de partij- en ijverzuchtige +mannen overtroffen, en een Fransch geschiedschrijver heeft daarom +niet geheel ten onrechte gezegd, de kreet: "_Finis Poloniae_" zou +nooit weerklonken hebben, als men de Poolsche vrouwen gevolgd was. + +Dit "_Finis Poloniae_" is een treurkreet die dikwijls herhaald werd, +maar die alleen waarheid behelst en van gewicht is, met betrekking +tot het oude politieke staatsgebouw van Polen. Dit is inderdaad in +elkander gestort en dood, maar als volk zijn de Polen nog volstrekt +niet opgelost of gestorven. Hun ras is, als zoodanig, niets minder +dan wegkwijnend of ziekelijk. Veeleer worden bij hen overal, even als +vroeger, de krachtigste vrouwen en mannen geboren, en deze hebben ook +weder in den loop dezer eeuw, zoowel buiten hun vaderland, in Italië, +Spanje en andere landen, met hun ouden, hun eigenen moed gestreden, +als binnen de grenzen van het Weichselland wonderen van dapperheid +tegen de Russen en Kozakken verricht. Evenmin als met het oog op +hun bloed en hun ras, kunnen de Polen, wat hunne moreele toestanden +betreft--eenigzins zooals de bandelooze Romeinen tijdens de oplossing +van hun rijk--als geheel ontaard of vervallen worden beschouwd. De +godsdienst, het gewichtigst element van ieder "vaderland" is nog +altijd een heilig goed voor het volk. In vele oude vrome gebruiken +en gewoonten openbaart zich hun godsdienstzin. Onder het uiterlijke +van een vroolijken wereldzin, bemerkt men, zelfs bij hunne hoogere +standen, eene opvallende neiging tot dweepzucht en geestdrijverij. Men +ontwaart bij hen een jeugdig gevoel voor het verhevene, geheimzinnige, +wonderbaarlijke, waarin zij zich gaarne verdiepen. Zelfs de grijsaards +bij de Polen dweepen nog dikwijls als jongelingen, terwijl bij andere +volken, b.v. bij de Franschen, dikwijls jongelingen als grijsaards +keuvelen. + +Het allerminst echter vindt men bewijzen van kwijning in de taal +en literatuur der Polen. Te midden van hunnen politieken winter is +veeleer voor hunne taal en literatuur eene nieuwe lente ontstaan. In +het laatst der vorige eeuw was in geheel Polen weinig verstandelijke +beweging. Ja! verscheidene gedeelten van Polen, b.v. Gallicië, +werden nog in het begin der tegenwoordige eeuw als een literarisch +China beschouwd. In geheel Polen verscheen nauwelijks eene courant, +nauwelijks een periodiek blad, om de wereld te bewijzen, dat daar +eens een Sigismundische tijd bestaan had. + +Sedert de tijden van Napoleon, later sedert het jaar 1830 en nog +later sedert 1848, is dit echter aanzienlijk veranderd. Ofschoon ook +in deze jaren, bij vergeefsche pogingen, nieuwe politieke ongelukken +de Polen troffen, hebben zij toch op nieuw de lier gegrepen, en is +uit de oude, nog niet opgedroogde bron der poëzie een frissche stroom +ontsprongen. Hunne taal heeft zich aanhoudend verrijkt en veredeld. Wat +zij niet in Polen zelf, in deze hunne oorspronkelijke en van nature +krachtige taal, denken, schrijven en drukken durfden, dat hebben zij +in Parijs, Londen, Duitschland, Amerika en andere landen in het licht +gegeven. Er zijn weinige plaatsen, die door hunne drukkerijen bekend +zijn, in de wereld, waar ook geene Poolsche boeken gedrukt worden. En +zooveel beroemde dichters als de Polen nu hebben, hadden zij vroeger +bijna nooit. Al die dichters, wel verre van aan een voortbestaan +van hun volk te twijfelen, verkondigen veeleer op profetischen toon, +de heerlijkheid, de weder opstanding en den krachtigen roem van hun +ongelukkig vaderland. Ja! de eerste dichter der Polen, hun Byron +Mickiewitz, een echte zoon van het land, noemt zijn volk zelfs: +"het toekomstige middelpunt, het leven wekkende brandpunt van het +geheele Slawendom." + +Dit alles zijn zeker geene kenteekenen van een inwendig verval van +den geest des volks, en eener oplossing van zijn bloed en ras. Veeleer +geeft dit alles ons het recht, trots het treurige "_Finis Poloniae_" +van Kosziusko, aan het populaire "_nog is Polen niet verloren_" +te gelooven, als wij ook al niet kunnen zeggen, hoe hetgeen men met +eenig recht meent te mogen voorzien, werkelijkheid zal worden. + + + + + + +DE RUSSEN. + + +In de uitgestrekte middelste streken van het tegenwoordige Rusland, +in de boschrijke bron-gebieden van Don, Wolga, Duna en Dniepr, in het +heuvelachtige en vruchtbare Moskovieten-land, hebben sinds onheugelijke +tijden de Slawische voorvaderen der tegenwoordige Russen den grond +bebouwd, en het land met hunne van hout vervaardigde huizen en dorpen +gevuld. Reeds de vader der geschiedenis wijst waarschijnlijk op hen, +wanneer hij spreekt over "de landbouwende of Koninklijke Skythen," +en latere schrijvers der Byzantijnen spraken dikwijls over hen onder +den naam "Anten" (of Wanten?) wat wellicht niets anders is dan ons +"Wenden." + +Hoe en wanneer zij in die streken kwamen, weten wij niet. Veel echter +(zelfs ook verscheidene der eerste, door de Grieken tot ons gebrachte, +namen der rivieren, die duidelijk van Slawischen oorsprong zijn), +spreekt er voor, dat hier hun oud Europeesch vaderland was. Hunne +stammen, die reeds door tijdgenooten van Constantijn den Groote, +zeer talrijk en volkrijk genoemd werden, vulden het binnenste der +"_immensa spatia_" van het breede oostelijk uiteinde van Europa. + +Van de zeebekkens, die de wiegen der Europeesche beschaving geweest +zijn, waren zij door andere, hun voorgeschovene volken en landen +uitgesloten, in het zuiden van de Zwarte Zee door de groote steppen, +die altijd door herdersvolken bewoond waren, in het westen door de, +door Lithauers en Finnen bewoonde, moerassen van de Baltische Zee, en +in het noorden van de Witte- en Pool-Zee door onmetelijke wouden en +de daarin wonende Finsch-Uralische volken. In het oosten hadden zij +het groote Azië der Tartaren en Mongolen. Van het middel-Germaansche +Europa waren zij door andere Slawische volken gescheiden. + +De tijd hunner, ons ten eenemale onbekende, kindsheid, zal wel +in ontelbare oorlogen en worstelingen met de hun naburige volken +vervlogen zijn, en naar het schijnt hebben de voorvaderen der Russen +daarbij meer eene lijdelijke dan eene overwinnende rol gespeeld. Als +hun voortijd bijzonder schitterend en roemrijk geweest was, dan zou +hij niet zoo duister zijn. + +Reeds het vroegste schemerlicht der geschiedenis toont ons de Russische +Slawen, als zijnde in eene afwisselende afhankelijkheid, aan de _eene_ +zijde van de _Germanen_, die van oudsher de Baltische zee beheerschten, +en aan de _andere_ zijde van de _Aziatische Nomaden_. Van beide zijden +werden zij herhaalde malen tot onderwerping en dienstbaarheid gebracht, +hetgeen op hun karakter en hunne wijze van zijn niet zonder invloed +bleef, en deze naar die der overheerschers wijzigde. + +Reeds het eerste volk, dat al lang voor Christus geboorte, de oude +Hellenen als het ten Noorden van den Pontus gebiedende, noemden, +"de nomadiseerende Skijthen", bestond vermoedelijk uit dergelijke +Tataarsche herders-stammen, zooals die hier later ook nog dikwijls +verschenen. Hunne heerschappij omvatte een groot deel van het +tegenwoordige Rusland, en de Noord-Oostelijke Slawen zelfs, waren +onder den naam "Skijthen" even goed begrepen, als tegenwoordig +ontelbare volken onder den triomfeerenden naam "Russen" verdwijnen, +ofschoon zij van geheel ander bloed en stam zijn. + +In de derde en de vierde eeuw na Christus, kwamen de Germaansche +Gothen over de Oost-zee, en marcheerden veroverend door de groote +landschappen heen tot aan den Pontus. De zich hier met der woon +gevestigd hebbende Slawen, werden nu onderdanen van den, in het +Oosten van Europa eene groote heerschappij hebbenden, Gothen-Koning +Hermarich. Na de overwinning op deze Gothen, ketende weder de Tataren- +of Hunnen-koning Attila de Slawische onderdanen der Gothen aan zijne +zegekar, en voerde hen als zijne rekruten of trawanten ter slachtbank, +op de door hem uitgekozene strijdplaatsen in westelijk Europa. Den +Hunnen volgden uit het Oosten hunne broeders, de Normandische Avaren +en Chazaren, die weder, ten tijde van Karel den Groote, dergelijke +uitgestrekte rijken stichtten ten koste der Russische Slawen, en den +geessel boven hunne hoofden zwaaiden. + +Tegen de Chazaren riepen de geplaagde Slawen vervolgens--wederom--de +hulp in van hunne westelijke nationale-vijanden, de Skandinavische +Noormannen, en deze kwamen sedert het midden der 9de eeuw, andermaal +over de Oost-zee, langs denzelfden weg, waarvan in latere tijden de +Zweedsche Koning Karel XII gebruik maakte, Onder hunnen beroemden +aanvoerder Rurik (Roderik?) en zijne strijdgenooten, bevrijdden de +Zweedsche Wäringer of Waräger (d.i. de verbondenen) het Slawenland +van de Aziaten, maar maakten het aan zich zelven onderdanig. + +Dezen Germaanschen strijders, die echter ook vele uitstekende +eigenschappen als staatsmannen en wetgevers moeten bezeten hebben, +gelukte het voor de _eerste maal_, de Slawische stammen tot een +duurzaam geheel, tot een staat aaneen te smeden, wat de Slawen, tot +dien tijd toe, uit eigene krachten niet hadden kunnen doen. Daar de +Ruriks en hunne opvolgers zich geheel van hun eigen vaderland los +maakten, eerst in Nowgorod en vervolgens in Kiew hunne residentie +opsloegen, en zich met de overwonnen vreemdelingen assimileerden +en aansloten, even als de Franken het in Gallië, de West-Gothen in +Spanje gedaan hadden, zoo ontstond vervolgens met hunne hulp een +nationaal, groot en machtig Rusland, een eenig Russisch volk, dat +dezen naam--(naar men zegt is die van Germaanschen oorsprong en werd +het eerst langs de kusten van Zweden aangetroffen)--even als zijne +eenheid, zijne vroegste wetten en zijne oudste Vorsten en adellijke +geslachten, van die Noordelijke Germanen kreeg. + +Tot in de 11de eeuw kwamen nog dikwijls nieuwe Skandinavische +avonturiers of "Waräger", door de Russische Groot-Vorsten in het +land geroepen, naar Rusland over. Even als in Zweden, waren de +Skandinavische Vorsten ook in Rusland, door eene schaar raadgevende +wapenbroeders, de zoogenaamde "Druschina" omgeven; eveneens deelden +deze veroveraars ook in Rusland, naar een oud Germaansch gebruik, +het volk voor den krijgsdienst in afdeelingen van 10, 100 en 1000 +koppen in, die door zoogenaamde "honderdmannen" en "duizendmannen" +gekommandeerd werden. In de Russische dorpen bestaat nog heden ten +dage deze uit Zweden afkomstige volksindeeling. Verscheidene Russische +historici zijn de meening toegedaan, dat ook oude Skandinavische sagen +naar Rusland overgeplant werden, en dat de oudste gedichten der Russen, +even als hunne wetten, uit Skandinavischen bodem opgroeiden. Dit, +b.v. zou ook het geval zijn, met het onlangs in Duitschland door +eene vertaling bekend geworden oudste heldendicht der Russen, het +zoogenaamde lied van den tocht van Igor tegen de Chazaren, een soort +van Russische Iliade. Het is vrij bekend, dat ook nog tegenwoordig +verscheidene der eerste Russische Magnaten-familiën, b.v. de beroemde +vorsten Dolgoruki (d.i. de langhanden) hunnen oorsprong bij Rurik en +zijne Zweden zoeken. + +In deze periode der vroegste van de Skandinaviërs uitgaande schepping +van een vasten Russischen staat, valt ook de voor de ontwikkeling van +het volk en zijn karakter zoo gewichtige gebeurtenis, de invoering +van het Christendom, de grondvesting der Grieksche kerk onder de +Russen, voor. Wladimir I, uit het Skandinavische geslacht van Rurik, +wien het oude heidendom verdroot, liet omstreeks het jaar 1000, +Roomsch-Katholieke zoowel als Grieksch-Katholieke priesters voor +zich komen, die hem met de grondstellingen van hun geloof bekend +maakten. Ook de Joden en zelfs de Mohamedanen zou hij aanvankelijk +ten gehoore ontvangen hebben. Het best echter bevielen hem ten slotte +de praal en de ceremoniën der Grieksche kerk, die toen bij andere +verbroederde Slawenstammen, b.v. bij de Bulgaren, reeds ingevoerd was, +en Wladimir, die in zekeren zin als de Karel de Groote der Russen te +beschouwen is, verhief deze tot de nationale kerk der Russen. + +De Russen, wier voornaamste landsrivieren naar den Pontus en de +Byzantijnsche provinciën stroomden, hadden reeds van den aanvang af +met Constantinopel, zoowel in oorlogzuchtige als in vredelievende +verbinding gestaan. Goederen, kooplieden, zendelingen, andere gasten, +ook Prinsessen van het Keizerlijke huis, waren hun reeds geruimen +tijd van daar toegezonden geworden. De eindelijke aanneming van den +Griekschen godsdienst, bracht hen nu in nog nauwere betrekking tot +het Grieksche rijk. + +De Russen plaatsten zich daardoor dikwijls buiten den kring +der beschaving van westelijk Europa. Zij namen geen deel aan de +enthusiastische pogingen der Roomsch-Katholieke volken ter bevrijding +van het heilige graf, aan de kruistochten, en ook niet aan de andere +veel leven en opwekking verspreidende impulsiën, van de Kerk van Rome +uitgaande, die het geheele Westersche volken-systeem, onder anderen +ook de Polen, de Tschechen en andere West-Slawen doorgedrongen zijn, +en deze in beweging gebracht hebben. Niets heeft nadeeliger op den +nationalen geest der Russen gewerkt, dan de inmenging der Byzantijnsche +beschaving en van het stijve Grieksche dogma. Zij hebben zich daarmede +zoo nauw verbonden en verbroederd, dat men hun even gemakkelijk hunne +nationaliteit, als hunnen Griekschen godsdienst zou kunnen ontnemen. De +eerste bisschoppen der Russen waren geboren Grieken, en Rusland werd +eene kerkelijke provincie van het patriarchaat te Constantinopel. En +zoo ook al niet meer dat patriarchaat, zoo is toch de inrichting der +Grieksche hiërarchie en het Grieksche kerkelijke, recht, tot heden bij +de Russen van kracht. Ook werden de Russische kloosters natuurlijk naar +het model der Grieksche ingericht, en verscheidene der godsdienstige +sekten, die voorheen de Oostersche kerk in Griekenland verdeelden, +ook naar Rusland overgebracht. Het bouwen van kerken en kloosters, +had de invoering van den Byzantijnschen bouwstijl en verscheidene +der daarmede samenhangende kunsten, der Grieksche schilderkunst +en der kerk-muziek ten gevolge. De kerken werden in Rusland, naar +het model van den beroemden Sophia-tempel van Keizer Justinianus in +Constantinopel, versierd. Ook bouwden de Russische Graven in hunne +residentie Kiew, paleizen en "gouden poorten," in den stijl van +de gebouwen der Byzantynsche Keizers. En daar de overige Russische +steden hun heilig Kiew eveneens tot model namen, als deze de Grieksche +hoofdstad, zoo verbreidde zich dit alles over geheel Europa. + +Ook veel later nog, na de verovering van Constantinopel door de +Turken, is den Russen weder veel Byzantijnsch toegestroomd. Toen +namen de Russische Groot-Vorsten den titel Czaren (_Caesaren_) aan, +welke de Byzantijnsche Keizers reeds lang gevoerd hadden, en nu werd +ook de adelaar met dubbelen kop van het Grieksche Keizerrijk, het +wapen der Russische heerschers, even als vele Byzantijnsche gebruiken +bij het Moskovische hof werden aangenomen. Byzantijnsche pronkzucht, +hof-etikette en hof-waardigheden, bloeiden, onder den Russischen Czar +Johan III, die zich ook met eene Grieksche Koningsdochter in den +echt begaf, in Moskou weder op, nadat zij in Constantinopel zelve, +onder de Turken, reeds lang verloren gegaan waren. De ceremoniën +bij de krooning der Czaren waren navolgsels van het Byzantijnsche +ceremonieel. Ook de vroegste beginselen der Russische literatuur en +geleerdheid zijn spruiten uit Grieksche wortelen. In de Russische +kloosters werden het eerste de Grieksche annalisten en kerkvaders +vertaald, en de beroemde oude Russische kroniekschrijver Nestor, is +uit deze Grieksch-Russische school voortgesproten. Daar op deze wijze +ook wereldsche kundigheden den Russen genaakten, b.v. vertalingen der +geschiedenissen of sagen van Alexander den Groote, zoo zijn daardoor +bij de Russen, ook eigenaardige Russische variatiën op deze en andere +traditiën en sagen ontstaan. + +Daar in het Ruriksche Vorstenhuis de grondstelling van de +ondeelbaarheid des rijks niet aangenomen werd, zoo verviel met behulp +der oude, ingewortelde eigenaardigheden der verschillende stammen, +het geheel door Rurik en Wladimir gestichte en vereenigde rijk, zeer +spoedig weder in eene menigte kleine Vorstendommen, en deze moesten +later in de 13de en 14de eeuw, nog eens het onderspit delven, zooals +het dezen Oostelijken Slawen in vroegere tijden reeds herhaaldelijk +gebeurd was, voor een inval der Nomaden uit Azië. + +De Mongolen verspreidden zich, even als hunne voorgangers de Skythen, +de Hunnen, de Avaren, de Chazaren zulks vroeger ook deden, over het +geheele Oosten van Europa. Zij kwamen niet zooals de Skandinavische +Waräger, alleen als hulpvolken, volksleiders en veldheeren. Zij +rukten met den geheelen tros hunner karavanen en herdersstammen +Rusland binnen. Zij vormden zich daar een vaderland, waarin zij de +eenige meesters bleven. Daardoor is ook, behalve de aanneming van het +Oostersche of Grieksche Christendom, geene gebeurtenis, met betrekking +tot de ontwikkeling van den Russischen nationalen geest, van meer +belang geweest, dan deze laatste, van langen duur zijnde en diep in +het volksleven ingrijpende, heerschappij der Tataren of Mongolen. + +Zij deden het land hier en daar in eene woestenij verkeeren, om +weiden voor hunne kudden te verkrijgen. Zij zonden hunne beambten +en inners der belastingen naar alle buurtschappen en hutten. Zij +dwongen de Russische Vorsten en grooten, in de legerplaats hunner +"gouden horde" aan de monding der Wolga te komen, daar te leven, daar +hunne vrouwen te nemen en zich daar in onderdanigheid en Aziatische +heeren-diensten te oefenen. Daardoor komt het, dat de Russen zoo +dikwijls verschijnen als kweekelingen der Mongolen, wier opvolgers +in het in bezit nemen van het Oosten zij slechts worden konden, +door zich zelven de, sedert het begin der wereld daar toegepaste en +in gebruik gebrachte ruwe regeeringskunsten, het Oostersch bestuur +en eene Tataarsche discipline eigen te maken. + +De Groot-Vorsten van Moskou zamelden de schatting eerst in, in naam +van hunne overheden de Tataarsche Chans. Zoo lang zij zich nog zwak +gevoelden, stonden zij de schatting ook aan de Tataren af, maar +toen zij sterker werden, behielden zij ze voor zich. De Tataarsche +manier van schatting-innen en het eischen van gehoorzaamheid bleef +bij hen in zwang. Het oude, door Germanen bestuurde Rusland van de +kinderen Ruriks, had Vorsten gehad, die bijgestaan werden door eene +"Duma" (raad der Grooten), overigens een zelfstandig bestuur en eene +persoonlijk vrije grondbevolking. Zelfs machtige republieken, zooals +Nowgorod en Pleskow hadden zich uit zijn schoot ontwikkeld. Het nieuwe, +door de Mongolen veranderde Rusland, schafte bij de pogingen die +het in het werk stelde, om eene wedergeboorte tot stand te brengen, +dit alles af. Om kracht en eenheid te herstellen, kweekte het +onbeperkte autokraten, die een einde maakten aan die republieken, +en de vrijheden der gemeenten onderdrukten. En, toen de pogingen +naar eene wedergeboorte weldra in ver uitgestrekte veroveringen +ontaardden, toen verviel langzamerhand het geheele volk in eene +strenge afhankelijkheid en lijfeigenschap. + +Zelfs in hunne kerkelijke gewoonten, en in de manier en de wijze +hunner godsdienstige gebruiken, schijnen de Russen veel, ofschoon in +Christelijken vorm, van de Oosterlingen overgenomen te hebben. Hun +geheele wezen schijnt, evenals dat der Oosterlingen, van godsdienstigen +ernst doordrongen te zijn. Zij nemen hunne vasten, kruisslagen en +kniebuigingen even nauwlettend in acht, als de muzelmannen hunne +afwasschingen en gebeden. Het "_Slawa Bogu_" (roem bij God), dat den +Rus dagelijks honderd maal bij vele gelegenheden over de lippen komt, +klinkt in hunnen mond dikwijls niet anders, dan als eene vertaling +van het Turksche "Allah is groot." En de Rus toont eene nauwelijks +mindere mate van (dikwijls zeer prijzenswaardige) berusting in den +wil van God en het noodlot, dan de Mohamedaansche fatalist. + +Evenals in hunne godsdienstige en staatkundige zeden, hebben de Russen +ook in hunne taal veel van de Nomaden en Aziaten behouden. Menige +tak van den boom der Russische taal, is, om zoo te zeggen, geheel +met Mongoolsche woorden behangen, zoo b.v. is dit het geval met +uitdrukkingen voor zaken en kunsten, die den Nomaden eigen waren, +b.v. met veel, wat op de veeteelt en met bijna alles, wat op +locomotie, reizen, rijden, vervoer, rijtuigen, paarden, paardentuig +enz. betrekking heeft. Ook het eigenaardige Russische post- en +koerierwezen is afkomstig van de heerschappij der Mongolen.--Met de +Mongolen kwamen ook Turksche en andere Aziatische volken onder de +Russen, en over het geheel werd door hen het gansche Slawische rijk, +om zoo te zeggen, ten vollen in de Aziatische wijze van verkeer en +leven, ingesponnen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat ook +vele Turksche, Perzische en andere Aziatische taal-elementen, zeden, +kunsten en takken van industrie, onder de Russen achtergebleven en +nog ten huidigen dage over geheel Rusland verspreid zijn. + +Alle bij de Russen gebruikelijke namen der edelgesteenten zijn +van Oosterschen oorsprong, wat bij ons slechts ten deele het geval +is. Verscheidene tuinplanten, b.v. de nu zelfs in de Oostzee-provinciën +groeiende water-meloenen, hebben zich met de Aziaten over geheel +Rusland verspreid, en eveneens de Aziatische naam er van, "_Arbusi_"; +zoo ook de Aziatische namen van verscheidene Oostersche dieren, +b.v. van den kameel (_Werblud_). Daarentegen zijn omgekeerd eenige +Slawische namen voor Noordsche dieren, b.v. voor den bever, het +sabeldier enz., tot naar Arabië en Perzië doorgedrongen. + +In den handel, de handwerken en bij de Russische industrie, zijn +verscheidene zaken en uitdrukkingen van Aziatischen oorsprong. Zoo +b.v. de naam en de inrichting der Russische bazars. Niet alleen +de kaftan van den Russischen koopman, ook zijn lichte pels +(_Tulup_), zijn gordel (_Kuschak_), zijn geldbuidel (_Kése_), zijn +reiskoffer (_Sundúk_), zijn magazijn (_Anbár_), hebben Persischen +of Turkschen vorm en naam. Evenzoo ook het potlood (_Karandasch_), +het lak (_Surgutsch_). Zelfs de algemeene Russische benaming voor +"handelswaren" (_Tawar_) is Mongoolsch. Ook het beroemde rekenbord, +zonder't welk geen Russisch koopman zaken doet, en dat men zoo +gemakkelijk vond om het rekenen te onderwijzen, dat men ook getracht +heeft het in eenige onzer scholen in te voeren, is van Mongoolschen +oorsprong. In denzelfden vorm als men het bij de Russen aantreft, +is het zelfs bij de Chineezen algemeen in zwang. + +Vele in Rusland bloeiende en daar algemeen verspreide takken +van industrie, zijn van dien zelfden (Mongoolschen, Turkschen, +Buchaarschen of Perzischen) oorsprong. Zoo b.v. de beroemde fabrieken +der met goud geborduurde marokijn-pantoffels en laarzen van Torjok, +en de vervaardiging van het gedamasceerde staal van Slatouft. De +tuin- en wijnbouw in Zuid-Rusland, zijn daar waarschijnlijk door de +Oosterlingen het eerst ingevoerd geworden. Door hunne, in vroegere +tijden daar aangebrachte, kunstmatige bevochtiging, maakten zij daar +menige landstreek vruchtbaar, die het nu niet meer is. Men noemt ook +de fabrikatie van zeep en lak als een tak van industrie, die door +de Aziaten naar Rusland overgebracht is. Men kan het aanbrengen van +zulke erfstukken uit het Oosten, aan de eene zijde over Afrika naar +Andalusië, aan de andere zijde over den Kaukasus tot in de streken +van Moskou en verder Europa in, volgen. + +Ook onze West-Europeesche legerinrichtingen wijzen dergelijke +erfstukken uit Tataarschen tijd aan. Wij hebben b.v. de huzaren van +de Hongaren, de Uhlanen van de Tataren gekregen. "_Ulan_" (Turksch: +"_Oglan_" d.i. knapen, jongelingen) heetten bij de Tataren bij +voorkeur de jonge ridders der horde, welke de garde van den Chan +vormden en leengoederen en ambten van hem kregen. Hun naam en hunne +lichte bewapening gingen van de Tataren op de Russen en Polen over, +en kwamen van de Polen naar de andere volken van Europa. + +Eindelijk herinnert ook de tegenwoordige nationaal-physionomie der +Russen, levendig aan het Tataarsche of Mongoolsche type; hun laag +voorhoofd, hunne sterk uitstekende wangbeenderen, hunne kleine oogen, +hun ingedrukte en eenigszins opgewipte neus, die minder overeenkomst +heeft met den arendsneus der Romeinen of met den rechten neus der +Grieken, dan die van eenig ander volk. Wanneer ook bij de Slawen +van nature iets oorspronkelijks ten grondslag ligt, wat wij het +Aziatische type en karakter noemen, dan heeft zulks bij de Russen, +ten gevolge van de heerschappij der Mongolen, zich meer bevestigd. + +Nagenoeg 200 jaren had Rusland onder het Tataarsche juk gezucht, +en wat de Mongolen niet weggenomen hadden, dat hadden in dezen tijd +in het Westen de Lithauers en Polen veroverd, en met hun rijk, dat +destijds van de hulpeloosheid van hunnen Russischen nabuur partij +trok, verbonden. Alleen in het Noorden, aan het Ilmen-meer, was een +zelfstandige Russische staat, de in de 14de en 15de eeuw bloeiende +republiek Nowgorod, blijven bestaan. + +Toen zij het diepst gezonken waren en de nakomelingen van Tamerlan +onderling in oneenigheid geraakten, vermanden de Russen zich eindelijk, +en nu voor den eersten keer uit eigene nationale kracht, zonder hulp +der Germanen of van andere vreemden. Sedert zijn eersten triumf op +de Tataren, op het beroemde Kulikow'sche veld aan den Don, in het +jaar 1380, begon Rusland van uit zijn hart (Moskou) langzamerhand +alle landen, die vroeger tot het rijk behoorden, weder aan zich +te trekken. Het meest droeg daar toe bij, dat in dit Moskou, van +den beginne af, de grondstelling der ondeelbaarheid van het rijk en +der eenheid van het volk, vastgehouden was. In eene reeks gelukkige +overwinningen en veroveringen, onder zijne energieke Czaren Iwan den +Groote en Iwan den Verschrikkelijke, dreef het de Aziaten over den +Don en de Wolga terug, vereenigde het oude, lang afgescheiden geweest +zijnde Nowgorod weder met zich, nam onder aanvoering zijner gelukkige +Czaren uit het Romanow'sche huis, ook in het westen den Lithauers +en Polen hunnen buit stuksgewijze af, en onder zijn grooten Peter +den Eerste, den voltooier der Russische nationale macht, sloeg het +ook den laatsten inval der Skandinaviërs onder Karel XII, die als de +Waräger Rurik over de Oostzee gekomen was, af. + +En sedert dien tijd is de politieke macht van het Russische volk, tot +op den nieuwsten tijd voortdurend vooruitgegaan en ontwikkeld. Sedert +dien tijd is het uit zijne wouden als een reus te voorschijn getreden, +en heeft zijn weg genomen naar al de zeeën, die als vensters of +poorten in het lichaam van den staat geplaatst zijn, in het Noorden +naar de Witte- en Baltische Zee, in het Zuiden naar de Zwarte- en +de Kaspische Zee. Ja! terwijl het zijne oude plagers in het Oosten +geheel terneder wierp, en de bronnen der Nomadische volksverhuizingen +voor eeuwig verstopte, heeft het zich daar zelfs door Siberië heen, +den weg naar de kusten van den grooten Oceaan gebaand. In het Westen +heeft het zich zijne broeder-stammen de Lithauers en Polen, die +vroeger hem zelven de wet hadden voorgeschreven, ten slotte geheel +onderworpen, en is het op deze wijze ook midden in het centrum van +Europa binnengerukt. Toen (voor 400 jaren) de Czar Johan III aan +de regeering kwam, heerschte hij over een gebied, dat niet veel +grooter was, dan het tegenwoordige Pruissen. Maar Peter de Groote +reeds heerschte over een rijk, dat meer dan zes maal zoo groot was +als Duitschland, en het rijk van de Keizers Nikolaas en Alexander is, +zooals Alexander von Humboldt berekend heeft, in vlakte-inhoud gelijk +aan het gedeelte der Maan, dat naar ons toegekeerd is. + +Even als de Russen, gedurende den langen duur hunner ondergeschiktheid +aan de over hen heerschende volken, veel vreemds ontvingen, zoo hebben +zij ook later weder op de baan hunner overwinningen verscheidene +vreemde volken gevonden, die zij wel ten deele assimileerden, die +zij om zoo te zeggen in hunne eigene massa opnamen maar van wie zij +ook gedurende dat proces weder zelve inwerkingen ondervonden. + +Bijna alle eens onafhankelijke Finsch-Uralische volken zijn in het +Russische nationale-lichaam opgegaan. Kalmuksche, Baschkirische, +Samojeedsche stammen zijn hun toegevoegd of aan hen onderworpen +geworden, eveneens talrijke volken van den Kaukasus, Grusiërs, +Tscherkessen en Armeniërs. Verder hebben zij de landen der Lithauers, +Polen en Walachyers en ook menige Duitsche provincie geannexeerd. En +al deze vermengingen en annexaties zijn niet zonder terugwerking op de +Russen gebleven. De belangrijkste en merkwaardigste aanrakingen hebben +echter met de Duitschers plaats gegrepen. Want _na_ de Grieken en na de +Tataren heeft geen volk meer invloed op de Russen uitgeoefend, dan de +Duitschers; wel is waar had die invloed minder betrekking op het ras, +bloed, temperament en hunnen natuurlijken aanleg, maar des te meer op +hunne beschaving en verstandelijke ontwikkeling, even als op staatkunde +en wetenschap. Vele Duitsche kunstenaars en handwerkslieden trokken, +met de Hanzeatische kooplieden in de 13de eeuw, de Westelijke gedeelten +van Rusland binnen. In het groote Nowgorod schijnen zij langen tijd de +voornaamste kunstenaars geweest te zijn. Zelfs de beroemde, kunstvol +bewerkte deuren der kathedraal van Nowgorod, die men tegenwoordig +bewondert en die men de "Cherson'sche deuren" placht te noemen, +omdat men ze langen tijd voor een Grieksch kunstprodukt uit Cherson +hield, stammen, zooals men later ontdekt heeft, uit Duitschland af, +en toonen ons onder anderen het portret van een Duitschen werkmeester, +Wikmann uit Maagdenburg. Een Russisch kroniekschrijver uit dien tijd, +noemt het, bij gelegenheid dat er in Rusland eene groote kerk gebouwd +werd, iets bijzonders, dat zij alleen door Russen "zonder de hulp +van Duitsche bouwmeesters" tot stand gebracht is. De nadruk, waarmede +hij deze omstandigheid vermeldt, bewijst, hoe gewoon men in die dagen +aan de hulp van Duitsche bouwkundigen moet geweest zijn. + +Toen de Groot-Vorsten van Moskou opkwamen, zochten zij ook weder +door Duitsche hulp hun volk te ontwikkelen. De meeste gezantschappen +der eerste Moskovische Groot-Vorsten aan Duitsche Vorsten-hoven, +hadden nevens hun politiek doel, vooral ook tot taak, door fraaie +beloften Duitsche handwerkslieden, kunstenaars en geleerden over te +halen naar hun land te gaan. Reeds in de 15de eeuw was in Moskou +eene afzonderlijke wijk, waar deze in het land geroepene Duitsche +kolonisten bij elkander woonden. + +Sedert den tijd van Peter den Groote en Katharina II, stroomden +Duitsche bevolking en Duitsche gewoonten nog in veel grootere mate het +land toe. Geheele Duitsche provinciën, Koerland, Lijfland, Esthland, +werden met het rijk vereenigd, wier Duitsche adel sedert, Rusland van +veldheeren en diplomaten voorzien heeft. De midden in deze Baltische +provinciën opkomende nieuwe Keizerlijke residentie, Petersburg, werd +half en half eene Duitsche stad. Ook aan het hof werd sedert dien +tijd eene Duitsche partij steeds machtiger. Menige landstreek in het +binnenste van het rijk werd door Duitsche kolonisten bezet, die den +Russen als model en prikkel dienden, en nagenoeg alle Russische steden, +tot aan Irkutzk in Siberië toe, hebben van lieverlede iets Duitsch, het +uiterlijk eener meer of minder aanzienlijke Duitsche kolonie gekregen. + +Het innerlijk bestuur dezer Russische steden, hunne gilden-besturen, +hunne magistratuur, als mede de stadsverordeningen, door Peter den +Groote en Katharina II ingevoerd, waren naar het Duitsche model +genomen. Van 179 tijdschriften en couranten, die in het jaar 1858 in +Rusland uitkwamen, waren niet minder dan 30, dus het 1/6 gedeelte, +in het Duitsch geschreven. Ook in de inrichting van het leger, in +alle militaire instellingen heeft Rusland steeds van Duitschland +geleerd. Zelfs het heerschende Vorsten-huis is oorspronkelijk van +Duitsche afkomst, en heeft door gestadige aanhuwelijking met Duitsche +Vorsten-huizen, steeds het Duitsche bloed behouden. [3] + +Men moet hierbij echter opmerken, dat Rusland bijna alles wat het van +Duitschland overnam, naar zijne gebruiken en naar zijne behoeften +wijzigde. En ook de Duitsche individuen, die Rusland toegevallen +zijn, te beginnen met het souvereine Vorsten-huis, hebben zich maar +al te gemakkelijk en spoedig Russen laten worden. "De energie en de +assimilatie-kracht van dezen verwonderlijken tak van den Slawischen +menschenstam"--zegt een Russisch schrijver--"zijn zoo sterk, dat +het in zijne aanraking met de, het meer of minder verwante volken, +dezen steeds _zijn_ tongval, _zijn_ geest en _zijne_ gebruiken +mededeelt". Als de Russen dus ook, zoo als boven gezegd is, veel van +anderen hebben overgenomen, zoo hebben zij toch in hoofdzaak hun oud +Slawisch nationaal-karakter bewaard, en is dit altijd, te midden van al +het aangenomene, boven blijven drijven.--Ja! de grootte van het land, +de roem en ten slotte het geluk van het volk, nu de eenige Slawenstam, +die zelfstandig en den toon aangevend in een groot rijk bestaat, +hebben uitgewerkt dat bij hen, aan menige Slawische nationale- en +stam-eigenaardigheid en oorspronkelijken aanleg, bij hunne minder +begunstigde en nu nog niet zelfstandige broeders moesten sluimeren, +een ruimer veld tot ontwikkeling en eene grootere energie gegeven werd. + +Ook door hunne taal plaatsen zij zich aan de spits der Slawen. De +Russische taal is onder de Slawische talen de fraaiste, de meest +ontwikkelde en de krachtigste. Zij is eene der merkwaardigste en +rijkste talen van Europa. Zij heeft meer klinkers, een grooter +alphabet dan de andere talen van ons werelddeel. Men heeft daarom +ook gezegd, dat met geen ander alphabet, zich de vele toonen +en toon-samenstellingen van andere talen zoo gemakkelijk laten +uitdrukken en nederschrijven dan met het, in aantal en bepaaldheid +der karakters, zoo rijke alphabet der Russen. En de, in de juiste +behandeling dezer lange toon-ladder geoefende Russische tong, +is derhalve tegelijkertijd even goed voorbereid als geschikt, de +geluiden van iederen tongval na te bootsen, waarin de Rus niet spoedig +het eene of andere tong-kunststuk zal vinden, dat zijne moedertaal +hem niet alreeds geleerd heeft. Hunne spraakkunst is zeer rijk aan +vormen, hun woordenboek in het bijzonder vol stof tot onomatopoeische +natuurschildering. De fijnste nuancen in het rijk der kleuren en der +klanken, heeft de Rus met uiterst scherpen blik waargenomen. Even zoo +heeft hij eene menigte uitdrukkingen, om de aandoeningen der ziel en +de indrukken van het menschelijk hart en gemoed zuiver uit te drukken. + +De overwinningen der natie, hare grootheid en veroveringen, hebben +meermalen eene gelukkige inwerking op hunne taal gehad. In den loop +hunner politieke loopbaan door zulke ver afgelegene landen, werden den +Russen verscheidene zaken ter bespreking voorgelegd, en hunne taal werd +daardoor in staat gebracht, zeer verschillende en menigvuldige zaken te +behandelen. Even als de Russen zelven, zoo heeft dien ten gevolge ook +hunne taal eene groote gemakkelijkheid verkregen om zich het vreemde +eigen te maken en dit te verwerken. Hunne groote buigzaamheid stelt hen +in staat, de vreemde woorden geheel als hunne eigene te behandelen, +ze te behouden en op eigenaardig Russische wijze zoo te veranderen, +dat uit de aangenomene schatten, even als de eigene oorspronkelijke +bron, weder nieuwe takken en woorden ontstaan. + +Tot op Peter den Groote, bestonden in Rusland verschillende tongvallen +nevens elkander, en heerschte als schrijftaal, in de literatuur, +de oud-Slawische kerktaal. Hij eerst gaf aan het Groot-Russische +dialekt een bepaald overwicht, verhief het tot landtaal, regelde +eigenhandig zijn alphabet en liet de eerste boeken in dit dialekt +drukken. Sedert heeft Rusland, met uitzondering _der_ theologie +en philosophie, bijna in alle takken der literatuur, niet weinig +uitstekende, talentvolle schrijvers in proza en poëzie, historici, +lyrische-, dramatische- en epische-dichters voortgebracht, meer dan +in nieuweren tijd alle andere Slawen te zamen. En deze hebben de +oorspronkelijk zoo vormbare taalstof, in alle richtingen nog verder +ontwikkeld. De Russische taal is dien ten gevolge even geëigend voor +het triviale, als voor het verhevene, voor het luimige en komische, +als voor het ernstige en tragische genre. Zij bezit nu even veel kracht +en ernstigen nadruk voor de behandeling der geschiedenis, als fijne +gratie en snijdende scherpte voor fabelen en epigrammen; zij munt, +naar het oordeel der kenners, vooral uit door hare natuurlijkheid. Aan +rijkdom en buigzaamheid komt zij het Grieksch zeer na. Homerische +composita, als b.v. "de wereld-omspoelende zee", "schoongelokte" of +"rozenvingerige Godinnen", heeft men even gemakkelijk in het Russisch +als in het Duitsch of Nederlandsch kunnen overzetten. + +Verscheidene der in nieuweren tijd in Rusland opgetredene dichters +zijn echt nationaal, zoo geheel uit de psyche der natie geboren. De +geniale en oorspronkelijke Dershawin, de Schiller der Russen, die de +beroemde Ode aan God dichtte, is een echt Russisch dichter. Krylow, +de Russische Boileau, heeft zijnen landgenooten op zoo klassieke +wijze fabelen en verhalen verteld, dat zij bij hen algemeen populair +geworden zijn. Puschkin, de Russische Byron, wiens gedichten de +vreugde, de smart, de roem der natie met warmte behandelen en levendig +afspiegelen, heeft zich onder het volk grooten invloed verschaft. De +Klein-Rus Gogel, een tweede Goldoni, heeft het Russische leven met +veel luimigheid ten tooneele gevoerd. En vele andere, uit wier werken +de volksgeest tot ons spreekt, zouden hier nog bij genoemd kunnen +worden. Over het geheel moet men echter zeggen, dat de kunst-poëzie der +Russen, hunne hoogere literatuur, niet of toch nog niet zoo nationaal +is, als b.v. die der Spanjaarden of Franschen. Zij is in het meerendeel +harer voortbrengselen slechts iets dat tot haar overgebracht, van +buiten overgeplant is. Zij leeft gedeeltelijk als eene kasplant, +een van de massa der natie afgezonderd leven. Zij ontvangt van deze +niet zooveel, en werkt ook niet door zoovele kanalen op haar terug, +als de literatuur in andere langer ontwikkelde landen van het Westen. + +Veel karakteristieker en van veel meer gewicht voor onze +ethnographische schildering, is daarentegen de Russische _volks +poëzie_, wier talrijke, levendige geestesbloemen, de eigenlijke +openbaring van het nationaal-karakter bevatten. Sedert onheugelijke +tijden zijn de Russen, als alle Slawen, groote liefhebbers van muziek +en zang geweest, waarvoor hunne welluidende taal in zoo hooge mate +geëigend is. Reeds in de 6de eeuw na Christus verhaalden, volgens +de getuigenis der Byzantijnsche kroniekschrijvers, eenige afgezanten +der Noordelijke Slawen aan een Keizer van Constantinopel, dat rijm, +vers en zang de liefste opvroolijkingen voor hun volle waren, en dat +zij overal hunne met snaren bespannen citers met zich medevoerden, +waarmede zij hunne in koor gezongene liederen begeleidden.--Deze oude +citers door hen "Gusli" of ook wel "Balaleiken" genoemd, bezitten de +Russen nog heden ten dage, alsmede nog menig ander, zeer eigenaardig +muziek-instrument. + +Over het geheel echter zijn zij minder instrumentalisten dan +vocalisten, en daarbij is hun het zingen even gewoon, even natuurlijk +als den vogelen. Met gezang begeleiden zij, om zoo te zeggen, alle +verrichtingen van het leven, niet alleen hunne dansen, feesten +en gezellige bijeenkomsten, maar ook zelfs hunne vermoeiendste +werkzaamheden. De Russische voerman zingt, terwijl hij met zijn +driespan geheel alleen door de steppe jaagt, al maar door, ook +wanneer een koude nachtwind hem langs den mond strijkt; de Russische +houthakker, wanneer hij geheel alleen midden in het woud bezig is +boomen te vellen en tot balken te verwerken--neuriet of prevelt +daarbij een eindeloos lied. Het is als ware dit gezang het in zich +zelf spreken dezer menschen. + +In het zingen in koren zijn de Russen nagenoeg allen geoefend; niet +alleen de poëtische herders, boeren en boschbewoners, maar ook de +kramers en handelaars in de steden. De jonge kooplieden, zelfs op de +kleine, in het binnenland gelegene marktplaatsen, hebben onder elkander +zangvereenigingen, waar zij hunne talenten oefenen en aan hunnen lust +tot muziek voldoen. De troepen landlieden trekken met koorgezang +naar het veld en met koorgezang keeren zij weer huiswaarts. Ja +zelfs de maaiers hoort men, wanneer zij al maaiende zich in lange +reien door de afgemaaide aren bewegen, in weerwil van den invloed der +Zuid-Russische verzengende middaghitte, met stof, zonnegloed en zweet +bedekt,--toch, zeg ik, hoort men hen de zwoele lucht met liefelijke +koorgezangen vervullen. Datzelfde doen met lust de arme, geplaagde +soldaten gedurende hunne lange marschen. Datzelfde de timmerlieden, +die een huis bouwen en zoo ook de in Rusland om hunne grofheid, in +zoo'n slechten naam staande zoogenaamde "Burlaken", d.i. de schippers +en schuitentrekkers, die bij duizenden langs de stroomen van het rijk +verdeeld zijn, en als galeislaven een vermoeiend werk doen, daar zij +de zware rivierschepen op- en afwaarts moeten sleepen. In troepen +van 50 en 100 man aan een touw gespannen, gaan deze sterke menschen, +stap voor stap, dag aan dag, de zware Wolga-schepen trekkende, langs +de groote rivieren. Bijna onophoudelijk klinken bij dit eentoonig +en moeielijk werk hunne liederen, die bijna even langdradig zijn +als de rivieren zelve, en waardoor zij elkander opvroolijken. Soms, +bij bijzonder slecht weer, of wanneer het schip bijna niet tegen den +stroom op kan, worden de arme "Burlaken" zoo vermoeid, dat zij geen +pas meer voorwaarts kunnen doen. Hun schip begint terug te drijven +en de sterk aangespannen lijn, trekt de sterke mannen mede. Deze +laten zich echter niet overweldigen en wijken niet. Spoedig leggen +zij hunne gordels van hunne borst over den rug, draaien zich om, +zetten of leggen zich tegen den zandigen oever vast, en trachten zoo +met geweld het verder afdrijven van het schip tegen te gaan. Op deze +wijze rusten zij een weinig uit, en tot zijne verwondering hoort de +reiziger zelfs dan nog, die onvermoeide zangers een gezang--nu wel +een droefgeestig--neuriën, dat echter weldra, als het weder op nieuw +voorwaarts gaat, in eene vroolijke melodie overgaat. + +Gaat gij eene Russische kloosterkerk binnen, waar men bezig is eenige +reparatiën te doen, dan ziet gij op hooge stellages eenige schilders +zitten, die den koepel der kerk met kleuren en vergulde beelden +versieren. Hun vlijtig penseel gunt zich den geheelen dag geen rust en +evenmin hunne onvermoeide lippen, waarover de fraaiste koraalgezangen, +als engelenstemmen uit den koepel der kerk nederdalen. Als men iets +dergelijks gehoord heeft, dan begrijpt men de Grieksche mythe, die +vertelt, dat de steenen der stadsmuren van Sardes op de maat der +muziek en bij fluitspel opgebouwd werden. Alle Russische kerken en +kloosters stellen prijs op een uitstekend koorpersoneel, en dat der +Keizerlijke kapel in St. Petersburg is het fraaiste en beste van dat +soort, dat in de geheele wereld gevonden wordt. + +Zelfs de arme, oude, witgebaarde bedelaars, die voor de Russische +kerken zitten, smeeken niet met prozaïsche woorden om eene +gift. Zingend zitten zij ter neder, en trekken de opmerkzaamheid +der voorbijgangers tot zich, door de voordracht van een vroom oud +kerk-koraal. + +Onder de Russen zelven echter, is geen stam zanglustiger en rijker aan +liederen dan de stam der Zuidelijke Malorossianen of Klein-Russen. Vele +Klein-Russische gezangen zijn in hunne diep melancholische melodiën +van eene verrassende schoonheid en oorspronkelijkheid. De inhoud +van sommige dezer gezangen is, naar men zegt, van hoogen ouderdom +en heeft eene historische beteekenis. Er worden er onder gevonden, +waarin heldendaden bezongen worden, die door de oude kroniekschrijvers +zelfs niet opgeteekend zijn, en andere, waarin zelfs nog heidensche +godheden figureeren of die ten minste van een overoud bijgeloof de +onmiskenbare sporen dragen. Verreweg de meesten zijn echter, zoowel +bij de Klein-Russen en Kozakken als bij de Russen over het geheel +niet van historischen of epischen maar van lyrischen inhoud. Het Epos +heeft onder de Slawen alleen bij de oorlogszuchtige Serviërs eenig +geluk had. Bij de Russen had de poëzie van het gevoel veel meer den +boventoon. Zij schijnen in hunne volks-poëzie als van eene uiterst +vreedzame, stille, men zou haast zeggen, zachte en sentimenteele +natuur. En dit is zelfs bij de Russische Kozakken, een volk, dat toch +uit den oorlog ontstond en geheel en al voor den oorlog georganiseerd +werd, het geval. + +Zij toonen zich in hunne liederen altijd vol gevoel voor de hen +omringende natuur, en zij ontleenen meermalen hunne verzen aan +hetgeen bosch en veld hun toonen. De lindeboom, de vlier, de ahorn, +de jeneverboom, de salie, de wijnruit en andere planten spelen daarin +eene groote rol. Zelfs ons kleine, "vergeet-mij-niet" wordt door deze +Kozakken niet over het hoofd gezien. + + + Toen ik treurig, weemoedig, gedrukt, + Doolde door 't woud en de weide, + Vergeetmijnietjes had tot een ruiker geplukt, + Weende ik bitter en zeide: + Vergeet mij toch nooit, o! geliefde! + Vergeet mij toch nimmer, mijn leven! + Dierbare! beloon steeds mijn liefde, + Doch niet door geschenken te geven. + Want wat zal uw goud mij ook helpen! + Wat uw rijkdom, die een ieder verrukt? + Dan eerst zult ge mij overstelpen, + Wanneer gij mij aan uw harte drukt + En uitroept: "Nooit vergeet ik U, getrouwe! + + +De koekkoek, die de lente verkondigt, de vroolijke kleine leeuwrik, +die den menschen "waarom zoo treurig?" vraagt, de blauwe duif, waarmede +een meisje, de witte valk, waarmede een jongeling vergeleken wordt, +en vele andere schepselen uit de dierenwereld, spelen in de liederen +der Kozakken eene even groote rol, als de liefelijke planten. + +Even als diep en innig gevoel voor de natuur, zoo spreekt ook een +geest der hartelijkste liefde voor zijne geboorteplaats en voor zijne +onderhoorigen, uit deze Russische volksliederen: + + + Van verre, langs berg en dal en meer, + Kwam eenmaal een koekoek gevlogen. + In den Donau, geraakte een veer + Uit zijn staart, zoo sierlijk gebogen. + Aan die bonte veder gelijk, + Die door den stroom wordt gedreven, + Zoo verkwijn ik in 't vreemde rijk, + Eenzaam, verlaten in 't leven. + + +De band tusschen moeder en zoon, tusschen broeder en zuster wordt +in die liederen, waarin de Russische Kozak, als met een soort van +voorgevoel, zijn dood op het slagveld bezingt, als een dikwijls +wederkeerend onderwerp, zeer treffend geschilderd: + + + Toen stormen loeiden en 't gras zich bewoog, + Lag stervend en bleek een Kozak op den grond, + Met zijn hoofd geleund op een struikje, dat boog, + Met zijn oog gericht op de heide in 't rond. + Zijn groot blank zwaard lag naast hem ter neêr, + Geduldig toefde het paard bij zijn voet, + Een vogeltje, schittrend door dosch en door veêr, + Zat boven zijn hoofd, enz. enz. + + +Bijna altijd eindigen die liederen daarmede, dat de klagende ruiter +in zijn stervensuur zijne moeder of zijne zuster een brief of eene +teedere boodschap, zoo hij niemand anders tot zijne dispositie heeft, +door zijn "zwart ros" of den "duizendkleurigen vogel", toezendt. Een +dezer eindigt met het volgende algemeene gezegde: + + + Der ouderen gebed beveiligt in gevaren, + Maakt onze zielen rein, zelfs van de zwaarste zonde, + Zal ons op land en zee steeds veilig goed bewaren. + + +Even als in hunne liederen, zoo doen zich deze baardige Russen ook +in het dagelijksche leven en in den omgang, veel hartelijker en +levendiger voor dan wij.--Vriendschap en liefde worden bij hen veel +levendiger uitgedrukt dan bij ons. Iedereen kust en omarmt voor en na +iedere scheiding. Zelfs mannen en grijsaards kussen elkander rechts +en links naar voorgeschrevene regels. Ook worden zij licht tot tranen +toe geroerd. + +Het gebeurt niet zelden, dat men een ouden, grijsbaardigen Rus van +Herkulischen lichaamsbouw, ziet schreien en luide hoort jammeren, +dat hij alleen staat in de wereld zonder vader en moeder, of wèl +over eenig ander ongeluk. "Waar treft men", vraagt de schrijver, +die dit mededeelt, "in Engeland of Duitschland, of in eenig ander +land der weinig teergevoelige Germanen, iets dergelijks aan?" + +Deze zachte en teedere geaardheid der Russen en der Slawen in het +algemeen, verklaart ook hunne gelatene onderwerping aan de macht van +den Czaar en de Kerk. Geen volk van Germaansch bloed, zou eeuwen +lang het juk der dienstbaarheid zoo geduldig gedragen hebben, als +deze zanglustige, lichtzinnige, lyrisch-poëtische Russen. + +Andere eigenschappen en eigenaardigheden van de Russische +volks-geaardheid, ontdekt men in den rijken schat van spreekwoorden, +die in den loop der tijden in hunne taal opgenomen zijn en bij hen +het burgerrecht verkregen hebben. Zij getuigen van een scherpen +waarnemingszin en fijne menschenkennis, en zijn vol treffende +vergelijkingen en pikante uitdrukkingen. Daar zij deels oude, ook bij +ons in spreekwoorden vervatte lessen, op eene ons nieuwe en verrassende +wijze inkleeden, en deels eigenaardigheden van het Russische leven +en hart zeer levendig uitdrukken, zoo zij het mij vergund, eenige +preciosa uit die schatkamer hier uit te kramen. Ik wil ze den lezer +zonder veel commentariën mededeelen. Hij zelf zal de beteekenis en +het gebruik gemakkelijk beseffen. + +In verscheidene Russische spreekwoorden, wordt, om zoo te zeggen, +met een paar woorden eene geheele fabel verteld, b.v.: + +"Toen men de stem van den nachtegaal prees, begon het karrepaard +te hinneken." + +Of: "een onnoozel schaapje weende van aandoening, toen de herder den +wolf met zijne knots doodde." + +Zeer scherp wordt het dwaze egoïsme der menschen in de volgende +lakonische woorden gehekeld: + +"Hoe jammer van mijn mooie schip, riep de schipper, toen hij met +al zijne manschappen zonk."--En hoe treffend worden de gedachten en +verborgene daden van den gierigaard verraden in het: + +"Nadat de hebzuchtige het geheele bosch verkocht had, wilde hij ook +nog ieder boom afzonderlijk verkoopen." + +"De bijen verzamelden was en honing, maar de gierigaard zou willen, +dat zij ook nog de mede brouwden." + +"Schenk den eenbeenigen gierigaard eene kruk, hij zal haar als +brandhout in de kachel steken." + +Hem, die moedeloos de hem getroffene onheilen bejammert, roept het +Russische boeren-spreekwoord toe: + +"Zie de gaten in uw wambuis toch niet zoo bedroefd aan, maar zet er +een paar lappen op."--En hem, die 's levens lusten en lasten niet in +den waren zin opneemt: + +"Eet den honig, vadertje, dien gij kunt, en drink den alsem, dien +gij moet gebruiken."--Den al te strengen berisper waarschuwt het: + +"Als gij zelfs de sneeuw vuil noemt, hoe wilt gij dan het roet noemen?" + +Met betrekking tot het gevaarlijke van het prijzen, zegt het: + +"Ook den verstandigsten groeien eindelijk ezels-ooren aan, als men +hem te zeer prijst."--En van de behendigheid der menschen om hunne +fouten te bedekken en hunne baan schoon te vegen: + +"De domste is verstandig genoeg, zich te verontschuldigen." + +De tegenzin, dien wij gevoelen als men ons het geluk opdringen wil, +wordt uitgedrukt door: + +"Sluit een wolf in eene volle schaapskooi op, en hij zal nergens aan +denken, dan hoe hij het best weder naar het bosch ontvluchten zal." + +Het Engelsche _love in a cottage_, heet bij de Russen: + +"Geene liefde brandt zoo heet, dat het de kachel verhit." + +In aanprijzingen van die deugd, waarin de Slawen sedert onheugelijke +tijden uitmunten, de gastvrijheid en weldadigheid, is het Russische +spreekwoord onuitputtelijk: + +"Zooals men het zijnen gasten geeft, zoo geeft men het God." + +"Wie den musch het kruimeltje niet gunt, dien zal de lieve God het +brood niet gunnen." + +"Willig het verzoek van uwen gast in, nog voor hij het uitspreekt." + +"Bespaar uwe laatste snede honig voor een laten gast." + +"Voeder eerst het vette paard van uwen gast, vervolgens uwe magere +koe." + +Het: "is uw deken lang, strek dan vrij uwe beenen uit; is uw deken +kort, behelp u er mede, en trek uwe beenen naar u toe," luidt bij hen: + +"Spin vlas, broertje, als gij geen zijde weven kunt." + +Ons "zoo heer, zoo knecht" is bij hen: + +"Aan de kat van het kind kunt gij zien, hoeveel slaag het van zijne +ouders krijgt." + +Van de echte innerlijke waarde en van uiterlijken schijn zeggen zij: + +"Het vuile zilver wordt hooger geschat dan het blanke tin," of: +"messing! hadt gij slechts de waarde van het goud, daar gij den +trots er van toch bezit," of "de augurk wil voor eene dochter van +den meloen doorgaan." + +Recht uit het leven en uit de zinnelijke wereld gegrepen is ook, +wat de Russen zeggen van de wijsneuzigheid der jonge lafbekken: + +"Geen trotscher koper, dan wat juist uit het hamerwerk komt." + +Eveneens, wat zij bij den omgang met hartstochtelijke menschen +aanraden: + +"Als uw vriend opvliegend is als buskruit, zet hem dan niet bij +het vuur!" + +Of wat zij aangaande de liefde opmerken: + +"De plasregen, die de minnenden treft, bestaat slechts uit +dauwdruppels,"--en wat zij den opvliegenden mensch herinneren: +"brandnetel, waarom brandt gij, als gij toch niet gaar koken kunt?" + +De macht der vooroordeelen hebben zij zeer goed begrepen; want zij +zeggen er van: + +"Men raakt eerder zijne jicht kwijt, dan zijne vooroordeelen." + +Het Lithauische: "maak u tot een schaap en de wolf zal ras bij u zijn," +heet bij de Russen: + +"Wie zich tot paard maakt, dien wil iedereen den zadel opleggen." + +En ons: "het ei wil wijzer zijn dan de hen," drukken zij uit door hun: +"de paddestoel zou het woud wel een lesje willen geven." + +De machteloosheid van onze opvoedingsmiddelen tegenover eigenzinnige +naturen, drukken zij door het volgende beeld uit: "uit eendeneieren +kan zelfs een zwaan niet dan eenden broeden." + +Hij, die iets tracht te bewijzen, wat van zelf spreekt, roepen zij +zeer verstandig toe: "ja, zeer juist, mijn vriend, in de vlakte hebben +de bergen een einde." + +Deze kleine bloemlezing uit een overrijk veld zal wel voldoende zijn; +ik ga derhalve nu tot een ander onderwerp over. + +Waar, naar hetgeen boven aangevoerd werd, bij een volk Kalliope zoo +ijverig gehuldigd werd als bij de Russen, daar kon onmogelijk hare +zuster Terpsichore in minachting zijn, vooral niet bij de Slawische +volken, bij wie de beiden Musen, zooals het overal zijn moest, +als de twee intiemste tweelingzusters verschijnen, bij wie poëzie, +gezang en dans, veel meer dan bij ons, op eene allerbevalligste +wijze saamverbonden werden. De dans was van oudsher bij de Russen, +even als bij alle Slawische volken, eene volksuitspanning. "_Slavus +saltans_" (de dansende Slawe) was reeds bij de Latijnsche schrijvers +der middeneeuwen spreekwoordelijk. Hun beweeglijk temperament, hunne +vlugheid, bracht hen op zeer natuurlijke wijze tot de beoefening +dezer kunst. Het Germaansche en Romaansche Europa heeft immers de +polonaise, de polka, de mazurka en meer andere zijner lievelingsdansen +aan de Slawen ontleend, ofschoon het die op eene wijze uitvoert, die +den Slawen zelven zeer weinig voldoet. Zij daarentegen hebben ook +onze dansen aangenomen, en op hunne tallooze dans-partijen, die in +den winter in alle steden, tot aan het uiteinde van Siberië plaats +hebben, voeren zij die uit op eene wijze, die veel bevalliger is, +dan die waarop de uitvinders zelven ze uitoefenen. + +Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge +feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen +de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral +als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en +altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige +uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen +tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot +eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De +Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en +als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen +bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den +aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar +in de wildernis, onder den vrijen hemel--_danst_. De jonge langharige +knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen +en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt, +en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken +pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij +opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen +der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een +nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme +duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij +hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante +voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren. + +Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische +soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra +zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij +hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen +gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende +goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust +hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en +een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze +weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het +woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken +en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld +bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het +bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die +zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets +moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen +verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk +aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden. + +Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer +tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis, +maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten +u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange +reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka" +(een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander +geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de +figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens +vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij +den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik +op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot +een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde +keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de +zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de +been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten, +en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer +en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten +zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien +der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke +groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan, +terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk +voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit, +maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp, +de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen, +zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende +viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste, +dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren +neemt eerst bij het maanlicht een einde. + +Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een +niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker +tijd kleine dramatische voorstellingen. + +Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken +ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans +wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de +rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres, +werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij +allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt, +al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking +of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt +de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt +maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar +zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een +zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens +het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen, +terug trekt. + +Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en +twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden +afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden +voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig +talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en +voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en +bewegen zich ook op de maat der muziek. + +Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers +waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet +voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen +neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap +te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar, +zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier +heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren; +deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd, +phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de +hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen +orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als +een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker +wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De +akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen, +op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen +en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch +dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne +beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en +slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op +den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond +gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al +deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem, +noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen +van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging +deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op +zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele +lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest +worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische +toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt +heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en +spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met +nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten, +ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de +danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich +zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende. + +Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf +niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen, +er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige, +naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in +woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder +de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich +in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk, +dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen, +zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen, +kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid +hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of +wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door +hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste +zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen, +en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen +roepen wil. + +Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in +tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof +der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te +huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten +trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes +versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de +hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch +dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff +was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens +herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural. + +Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling, +den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered; +en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem +met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische +regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene +zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten +bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen +en te wenschen was. + +Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder +eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis +te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis, +die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld +hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de +hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven +en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter +ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze +oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij +der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven +roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich +geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan, +die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs +de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord: +"Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten +te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden +nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt, +of verwachten kan ze te kunnen opwekken. + +Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor +een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt +het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo +dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn, +hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche +tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn +voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers +dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een +tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met +de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke +mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer +algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent +te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en +toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften +geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld +geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden +gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite +meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door +de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het +noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van +hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige +krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht +zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water +tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In +Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van +vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig +gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste +aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk +gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een- +en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne +lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel +in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts +geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in +hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische, +bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men +zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij +hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke +toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen +en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk +niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad +en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een +vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd +worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de +lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht +is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener +Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is, +maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top, +een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes. + +Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur, +die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg +en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk +ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne +af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in +zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden +hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat +lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch +zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen. + +Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland +vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden +stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen +bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast +den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden +Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen +Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze +provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde +thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt +men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema, +of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan. + +Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer +echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit- +en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher- +en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren +deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over +groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig +onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart +wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten +kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou +moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle +kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die +kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in +deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins +sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde +Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit +onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen +de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers. + +De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van +Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen +vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke +helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich +meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije +aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden +bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is +meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen +werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd, +en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen +uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg +van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar +nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus +over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op +wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in +het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer +van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats, +hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen +en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer +door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer +Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De +Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal +blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de +verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast +staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die +zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt: +"Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met +het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap +met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand." + +Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige +Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den +hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en +zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal +welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot +de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der +boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur, +wetgeving en van gezelligen omgang geworden. + +In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw +zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is, +als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke +sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor +de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene +volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige +Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus +Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in +het jaar 1850 op 35 millioen. + +Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het +geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige +volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische +rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische +steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van +de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken, +Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt +heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van +het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn. + +De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen +en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering, +die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk, +militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels +door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw +land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele +etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische +boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude +woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze +bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok" +(erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen +daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae +adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de +vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed +vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden. + +De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen: +"zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien +een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld +wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik, +om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt +Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder +anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten +van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij, +warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen, +de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige +klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen, +de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade +hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls +zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor +hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende +tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl" +is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich +als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere +bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig +weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven, +dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat +zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven +zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk +met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot +als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich +niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne +meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet +zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou, +Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen. + +Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de +Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen, +waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der +Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der +Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door +avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het +hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich +tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren +tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks, +die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor +Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika +ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot +in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden +Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt. + +Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische +Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling +van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij +op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de +IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den +ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger +of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende +jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar, +onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige, +dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en +andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan +de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de +oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met +den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen, +zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne +naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere +volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder, +een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter +de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in +hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type. + +Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De +zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het +hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten +de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland, +aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even +als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden +zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige +Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw, +als eene roover-kolonie, de _Uralische Kozakken_ die nu, vermengd met +Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen +en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar +daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten +en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de _Siberische Kozakken_, die +als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst +Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid, +van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken +vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen. + +Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen +de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers, +jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen- +en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende +volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk +overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen +land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover +hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer +heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich +te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij +niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten +maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks" +of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en +eenige andere naburige landen gevestigd. + +Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders +toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke +staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden +baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien +dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons +is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels +staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant, +nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open; +deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de +beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust +deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken, +kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen +land zijn, ergens anders van weinig waarde. + +De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich +zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote +liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland, +dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen +zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het +"heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne +eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd +op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet +evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn +zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte +heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in +hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner +Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn +eigen gewicht toeschijnen. + +En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven, +dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen +der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten +bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij +den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde +onderdanen, zeer zelden zal aantreffen. + + + + + + +LITAUERS EN LETTEN. + + +Midden tusschen de Duitschers in het Westen, de Finsche stammen +in het Noorden, de Slawische Polen in het Zuiden en de Russen in +het Oosten, woont sedert overoude tijden in Europa een volkstam, +dien men, naar den naam zijner beide meest bekende onderafdeelingen, +den Litauischen of ook wel den Lettischen genoemd heeft. "Litwa" of +"Ljetuwa" (Letland), schijnt wel de oude en inheemsche naam van hun +land te zijn. Onder andere namen is waarschijnlijk land en volk, +reeds in de vroegste eeuwen der geschiedenis, bekend geweest. + +Nu bewonen deze Litauers en Letten het beneden-gebied der groote +rivieren Duna en Niemen, langs de Oostzee het geheele schiereiland +Koerland, een gedeelte van Oost-Pruissen tot dicht bij Koningsbergen, +de zuidelijke helft van Lijfland, noordelijk tot bij Dorpat, bijna +de geheele naar hen genoemde provincie Litauen, en een stukje van +het Koningrijk Polen tusschen den Niemen en de Pruissische grenzen +tot aan Augustowo. Het is een groot, met wouden, moerassen, heiden +en zandvlakten, nu en dan door vruchtbare weiden afgewisseld, bedekt +gebied, dat nagenoeg even groot is als het Koningrijk Hongarije en +eene bevolking van iets meer dan drie millioen menschen telt. + +De Litauers en Letten zijn, ofschoon zij van al hunne bovengenoemde +naburen, waarmede zij dikwijls in oorlog of vrede zich vermengden, +waardoor zij somwijlen beheerscht werden maar die zij ook af en toe +beheerschten, veel in taal en zeden aangenomen hebben--toch een +van hen zeer verschillend en zeer eigenaardig volk gebleven. Dat +zij van Indo-Germaanschen oorsprong zijn, en dien ten gevolge met +de Slawen, Grieken, Latijnen en Duitschers tot een en denzelfden +grooten, oorspronkelijken stam behooren, is door niemand in twijfel +getrokken. Hunne taal, die in bouw en wortels al het wezenlijke met +de talen van den Indo-Germaanschen stam gemeen heeft, duidt zulks +voldoende aan. Ook is het nagenoeg even zeker, dat zij, onder al die +stammen het nauwst aan de Slawen verwant zijn, ofschoon wij ons weder +die verwantschap niet zoo denken mogen, dat wij ons daardoor gerechtigd +zouden achten, de Litauers op dezelfde wijze als de Tschechen tot de +Slavoniërs of de Kroaten tot de Slawen te rekenen. De Litauers zijn +niet in den nieuweren tijd, en ook niet op Europeeschen bodem, uit +het Slawendom ontstaan. Het is eene overoude en scherpe scheiding, die +reeds in het Aziatische moederland moet gebeurd zijn, en waaromtrent +geen onderzoek meer valt in te stellen. + +Van hunne Duitsche naburen in het Zuiden, weken de Litauers echter +stellig meer af dan van de Slawen, en eene nog grootere klove +scheidt hen van hunne naburen in het Noorden, de Finnen, ten minste +in den oorspronkelijken stam, in taal en wezen; want hetgeen zij, +wat hun uiterlijk betreft, in hunne zeden en ook in hunne denkwijze +en zielsstemming met de Finnen gemeen hebben, is in hoofdzaak eene +uitwerking van het gemeenschappelijk klimaat en van het harde lot, +dat sedert oude tijden al die volken van het Noorden met elkander +deelden, ten deele echter zeker ook tengevolge van plaats gevonden +hebbende vermenging, en van het lang neven elkander wonen. + +Hoe en wanneer die Litauers, uit het Indo-Germaansche Azië naar hun +tegenwoordig vaderland aan de Oostzee gevoerd zijn, is eveneens een +ondoordringbaar geheim. Dat zij zich onder heldhaftige aanvoerders +daar heen doorgeslagen hebben, is niet waarschijnlijk, want hunne +sagen en gedichten hebben zoo weinig heroïsch, en wijzen even +weinig naar een grootschen voortijd heen, als het tegenwoordig niet +hoog strevende karakter dier menschen, die reeds door een der oude +schrijvers als een "_pacatum hominum genus omnino_" (een uiterst +vreedzaam menschengeslacht) geschetst worden. Zij werden wel door +andere volken, op groote vóór de geschiedenis plaats gehad hebbende +volksverhuizingen, daarheen _gedrongen_ waar zij nu zitten, en waar +zij vervolgens op wonderbare wijze, trots al verdere voortstuwingen, +sedert eeuwen zijn blijven zitten en hunne eigendommelijkheid bewaard +hebben. Zij liggen daar, als een van elders overgekomen rotsblok, +alleen en afgescheurd, midden tusschen louter vreemde, maar toch in +de verte verwante stoffen. Wij herkennen wel het afgelegene gebergte, +waaraan dit blok ontnomen werd, maar de zonderlinge wegen waar langs +het in den chaos der volken-stroomen hier heen kwam, verraadt ons +zelfs de sage nauwelijks met eene vingerwijzing. + +De Litauers en Letten hebben, zooals dikwijls met onderdrukte +en in hunne ontwikkeling tegengehouden volken het geval is, +het oorspronkelijke en oude in menig opzicht zuiverder bewaard, +dan andere volken van een krachtiger leven en meer energieken +drang tot ontwikkeling. Hunne taal duidt nog heden ten dage +hunnen Hoog-Aziatischen oorsprong duidelijker aan, dan die der +Germanen en Slawen. Zij heeft de vroegere vormen en wortels der oude +Indo-Germaansche oorspronkelijke taal, veel meer onveranderd bewaard, +dan bij voorbeeld het tegenwoordige Duitsch of Russisch. De Godheid, +de zon, de elementen, de deelen van het menschelijk lichaam, en vele +andere wezenlijke en over de geheele Aarde gelijke zaken, worden +door de Litauische en Lettische boeren nog heden ten dage door namen +aangeduid, die bijna geheel dezelfde zijn als wij ze in de heilige +schriften der Brahminen vinden. En over het geheel genomen, bestaat +er in Europa wellicht geene taal, die de oude oorspronkelijke moeder +meer nabij staat, dan die der Litauers en Letten. Vele klanken en +woorden dier moeder heeft de dochter nagenoeg geheel onveranderd +bewaard. "_Esmi_" (ik ben) zegt de Lette, "_asmi_" (ik ben) zegt de +Himalaya-bewoner; "_eimi_," (ik wandel) heet het aan de Oostzee, +"_aimi_" (ik ga) luidde het in Indië; "_Diewas_" (God), "_sunus_" +(zoon), "_wissa_" (alles), klinkt het aan den Niemen, "_dewas_" +"_sunis_." en "_wiswa_" hoort men wederom aan den Ganges. + +Ja! men heeft zelfs getracht, eenige Sanskritische spreekwijzen samen +te stellen, die een Litauisch Duna-bewoner, toen men ze hem voorlegde, +zonder veel moeite even goed verstond als de taal van zijn buurman. Er +bestaat een verwonderlijk verband tusschen de vorming der talen, die in +ruimte door vele honderde mijlen, en in tijd door eeuwen gescheiden +zijn. Het is een verschijnsel, waaruit menigeen het bewijs heeft +trachten af te leiden, dat de Litauers en Letten, later dan alle +andere Europeanen, hunne Aziatische woonplaatsen verlaten hebben, +en onder de Indo-Germanen de laatste betreders van den Europeeschen +bodem geweest zijn, maar dit bewijs is fout; wellicht laat zich de +zaak gedeeltelijk daaruit verklaren, dat de Litauische taal nooit +geschreven werd, en dat zij dientengevolge even als alle andere talen, +die geene literatuur bezitten, die zich niet verder ontwikkelden, +onveranderd en verstijfd--meer dan het Slawische en het Duitsche--op +het aanvankelijk standpunt bleef staan. Ook bij de literatuur-looze +Vlaamsche taal, [5] zien wij de oude vormen der Nederduitsche moeder +meer bewaard, dan in het Hollandsch, dat zich grammaticaal, in proza +en poëzie meer ontwikkelde, en door de veranderingen die het onderging, +zijne jeugdige kracht behield. + +Wanneer ook al iets minder onzeker, zoo toch nagenoeg even duister +als de allereerste tijd van hun bestaan, is de latere geschiedenis +der Letten en Litauers, dezer "_inter septentrionales populos +obscurissimi_" (de allerduisterste onder de noordelijke volken) +zooals een oud Slawisch schrijver hen noemt, in hunne woonplaatsen in +de moeras- en boschachtige steden aan de Oostzee. Zij schijnen van +oudsher een landbouwend volk geweest te zijn, want reeds de eerste +Grieksche en Romeinsche berichten over hen, uit den tijd van Christus +geboorte, maken melding van hunne korenschuren, "die zij met groote +ovens verwarmen, om het koren van hunnen altijd vochtigen bodem, +spoediger te droogen," en de Romeinen beschrijven deze graanovens +ongeveer op dezelfde wijze, als men ze heden ten dage nog in Koerland, +Lijfland en Litauen zien kan. + +Zij leefden, naar het schijnt, onder de heerschappij van een +gemeenschappelijken opperpriester, een soort van paus "_Kriwe_ of +_Kriwe-Kriweito_" (d.i. de rechter der rechters) genoemd, die met zijne +"_Weideloten_" (onder-priesters) de zaken van het volk regelde--Oude, +eerwaardige eikenbosschen, de beroemde van "Romowe" in het tegenwoordig +Oost-Pruissen en andere, worden als de verblijfplaatsen van zulke +Lithauische priesters en der heidensche godheden, in wier naam zij +regeerden, genoemd. "_Waidawut_", een soort van Lithauische Mozes, zou +de eerste dier opperpriesters en de stichter der priesterheerschappij +geweest zijn. De "_Kriwe-Kriweito_" was de vertrouwde der goden, die +in donder en onweder bij voorkeur tot hem spraken.--Hij verkondigde +het volk hunnen wil en stond in zoo groote eer, dat een mensch, +dien hij met zijn opperpriesterlijken staf ergens heen zond, als een +heilig persoon beschouwd werd. Misschien kwam oorspronkelijk ook deze +priesterheerschappij, evenals de taal der Litauers, regelrecht uit +het land der Brahminen. + +Ook hunne godsdienst en hunne mythen, voor zoover die ons bekend zijn, +ademen een geheel Indischen geest. Daar de Litauers zoo laat tot +het Christendom bekeerd werden, hunne oude heidensche beschouwingen +nu nog bij hen eene niet onbeduidende rol spelen, en nog veelvuldig +in de phantasie en de dichtkunst der landskinderen voortleven, zoo +schijnt een vluchtige blik op hunne mythologie, hier op zijn plaats +te zijn. Evenals de Slawen en andere Indo-Germanen vergoodden de oude +Litauers en Letten de natuur. De hemel, de zon, de maan, de sterren, +de bliksem en alle in het oog vallende natuurverschijnselen, werden +door hen aangebeden; hunne phantasie schiep uit al deze, levende en +persoonlijke gedaanten. + +Zij schijnen vooral eene algemeene moeder der natuur, onder den naam +"_Karaluni_" (Godin des lichts), waarin zich de geheele hemel en +al zijne verschijnselen verlichamelijkte, vereerd te hebben. Zij +stelden zich deze "_Karaluni_" voor als eene schoone maagd, wier +hoofd met den diadeem der zon versierd was. Zij droeg den blauwen +met sterren bezaaiden hemel-mantel aan den schouder, door de maan, +bij wijze van broche, vastgehecht. De veelkleurige regenboog was haar +gordel. Haar lachen was het morgenrood. Als het echter bij zonneschijn +regende, dan "schreide Karaluni."--Bij verdere ontwikkeling hunner +godsdienstige denkbeelden, werden ook de afzonderlijke verschijnselen +aan den hemel, afzonderlijke godheden; zon, maan en sterren, werden +op zich zelf staande goden. De zon was eene godin, die over de wereld +heenreed in een wagen met drie paarden bespannen, een gouden, een +zilveren en een diamanten. Haar paleis lag in het oosten, in het land +waarheen de zielen der deugdzame menschen na den dood terugkeeren, +om, nadat zij den hoogen, gladden hemelsberg beklommen hebben, eene +eeuwige gelukzaligheid te genieten. Twee sterren, "_Anschrinne_" en +"_Wakarinne_" (morgen- en avondster) staken de zon aan, maakten haar +bad in orde en spreidden haar bed: + + + "Schoone zon! dochter van God! hoor mij aan! + Wie steekt des morgens het vuur bij U aan? + Wie moet des avonds uw bedje weer spreiden? + De morgen- en de avondster beiden. + De morgenster stookt het vuurtje goed heet, + En d' avondster maakt mij het bedje gereed. + Gij hebt dan ook zulk een kinderstoet! + En van schatten zulk een overvloed!" + + +Zoo wordt nog heden ten dage in de Lettische volksliederen +gezongen. De Zon was de gemalin van de Maan. Als deze ontrouwe echter +de rooskleurige Morgenster het hof maakt, dan grijpt "Perkronos", +de god van den donder, het zwaard, en verminkt de volle Maan tot +straf het gelaat, terwijl hij hem toeroept: + + + Waarom hebt gij de zon verlaten? + Waarom bij 't morgenrood vertoefd? + Waarom des nachts alleen gedoold? + + +De sterren waren de kinderen van de Zon en de Maan, die slechts +een weinig licht ten huwelijk mede kregen. Deze karig uitgeruste +zonnedochters huwden met zonnezonen, en daaruit ontstonden dan weder +de kleinste en allerkleinste sterren, wier uitzet nog geringer was. De +sterren werden door de mythologie der Litauers ook met de menschelijke +ziel, die zij zich als eene vonk van het goddelijke licht voorstelden, +in verband gebracht. Met de geboorte van ieder kind op Aarde, geloofden +zij, verscheen ook eene nieuwe ster aan den hemel. Eene Parce hing +deze ster aan het hemelgewelf op en bevestigde daaraan de levensdraden +van den jonggeborene. De Parce of schikgodin, door hen "_Laima_" +genoemd, spint den levensdraad, en weeft daaruit voor den mensch een +kleed, dat hij na zijn dood, ter herinnering aan de vreugde en de +smart van zijn aardsch leven, dragen moet. Van de "_Laima maminga_" +(het noodlots-moedertje) zingen zij nog ten huidigen dage in hunne +liederen, waarin wij somwijlen spreekwijzen als: "gisteren zat ik in +den nacht met Laima te praten", ontmoeten. + +Merkwaardig, maar zeker niet onnatuurlijk is het, dat de zonnegodheid +bij de Letten, even als Helios op Sicilië, ook de hoeder en beschermer +der veekudden is: + + + O! Godheid met uw gouden lokken! + Wil mijne koe doen weiden, + Zoo ook mijn ossen, schapen, bokken, + En hun der wolven bloeddorst mijden! + Dit smeek ik U! o Zonne! + + +Op deze wijze zingen de herders in Litauen en in het Lettenland nog +heden ten dage. + +Behalve de "kudden beschermende" zonnegodheid, en de het leven +leidende "noodlot-moeder", hebben zij ook nog eene "woud-moeder", eene +"bloemen-moeder", eene "tuin-moeder", eene "wind-moeder". Het meest +echter hoort men hen over eene "_Semmes-Mathe_" (het aard-moedertje) +praten. Deze heerscht op en onder de oppervlakte der Aarde. Hare +helpsters heeten "_Swehtas meitas_" (de heilige maagden), die bij +hen de plaats onzer Elfen bekleeden, en die, zonder toedoen van den +mensch, bij nacht alles in de natuur klaarmaken; van de aard-moeder +zeggen de Lettische boerenmeisjes nog heden, als zij iets verloren +hebben, b.v. eene naald, schertsenderwijze: "aardmoedertje geef mij +mijne naald terug". + +Een hunner machtigste goden, hun "donderaar", hun Zeus, heette +"Perkun". Hij speelde bij hen ongeveer dezelfde rol als Thor bij de +Skandinaviërs. Hem was de eik toegewijd, en ieder voorwerp dat door +zijnen bliksem getroffen werd, gold eveneens voor heilig. Ook hij, +die door zijnen bliksem gedood werd, kon van zijne zaligheid zeker +zijn. Perkun hadden de Litauers met de Slawen gemeen, en even als +deze, offerden zij hem paarden. Anders waren hunne offers in den +regel noch zeer bloedig, zooals b.v. de offers der Celten, noch +waren hunne godheden wreed en verschrikkelijk, als die van vele +Oost-Aziatische volken. Slechts één bij hen gebruikelijk offer, +verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar het bewijst, tot welke +heldhaftige vaderlandsliefde deze menschen toch ook in staat moeten +geweest zijn. Wanneer een oorlog of eenige andere ramp het volk +bedreigde, dan wijdde een hunner zich als zoenoffer ten dood. Hij +stortte zich te midden der vijandelijke gelederen of doodde zich +op eene andere wijze. Wanneer zich niemand anders daartoe voordeed, +dan trad een priester in plechtgewaad te voorschijn, en wijdde zich +tot heil van het vaderland, openlijk aan den dood in de vlammen. Deze +trek herinnert aan dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis der +Romeinen en der Zwitsers. + +Deze en andere overleveringen en mythen aanklevende en bovengenoemde +goden vereerende, kunnen de Litauers zich waarschijnlijk gedurende +onmetelijke tijdruimten in vele, door geene geschiedschrijvers +beschrevene, gevechten en oorlogen, met hunne Slawische, Finsche en +Duitsche naburen gemeten hebben. Alleen de met wapens en doodsbeenderen +gevulde grafheuvels, die men hier en daar in de bosschen en langs de +rivieren van hun land aantreft, getuigen van dergelijke gebeurtenissen. + +Ofschoon zij hunne heilige wouden, hunne vaderlijke akkers, somwijlen +dapper en hardnekkig genoeg verdedigden, zoo toont de geschiedenis hen +ons toch, nu eens onderworpen aan dezen, dan aan genen nabuur. Zelfs de +Finsche stam, de Koeren, Lijflanders en Esthen, hebben bij tijden het +Lettische land en volk overheerd, en de beide eersten hebben zelfs, +aan de hoofdzakelijk Lettische provinciën Koerland en Lijfland, +hunne namen opgedrongen. + +Veel hadden zij van oudsher te dulden van hunne naburen aan de andere +zijde van den Oceaan, van de Gothen of Germaansche Skandinaviërs, wier +groote koning Hermanrich hen reeds in de 4de eeuw na Christus, even zoo +onderwierp en bij zijn groot rijk inlijfde, als hij zulks met hunne +naburen, de Finnen en Slawen deed. Reeds toen zullen waarschijnlijk +menige arme Letten op de slagvelden der Gothen gesleept geworden zijn, +en als gedwongen recruten aan de volksverhuizing en de verovering +van Rome deel genomen hebben, even als zij nog heden ten dage in de +regimenten van den keizer van Rusland, bij Austerlitz en Leipzig, +aan den Donau en bij den Kaukasus, hun bloed moesten vergieten, voor +eene zaak die hun niets aanging.--Menig geleerde heeft de metgezellen +van Odoaker, die een einde maakte aan het Romeinsche Keizerrijk, +"de Herulers", voor Litauers of Letten willen houden. + +Een tweede Hermanrich, de Noorman Rurik, versmolt hen, of ten minste +een gedeelte van hen, op gelijke wijze in de 9de eeuw, met het door hem +gestichte Russische rijk, en reeds van dien tijd af hebben de Russen +deze Litauers en Letten en hun land als hunne onderdanen beschouwd, +ofschoon zij volstrekt niet, sinds dien tijd altijd in het bezit der +opperheerschappij geweest zijn. Skandinavische in- en aanvallen op +Litauen en Lettland zijn tot op de jongste tijden herhaald. + +Veel beslissender voor den tegenwoordigen toestand van dezen volkstam, +dan al die ontelbare en voorbijgaande Zweedsche invallen van over de +zee, zijn zijne aanrakingen met de Duitschers en Slawen, van wie hen +geene zee scheidde, geweest. Reeds in de oudste tijden schijnen de +Litauers meermalen, onder den invloed en de heerschappij van Duitsche +en Slawische volken gestaan te hebben,--maar wij willen over de +vroegere duistere en twijfelachtige gebeurtenissen heenstappen. Sedert +den aanvang den 13de eeuw echter, drongen de Duitsche ridders en +kolonisten van twee zijden op hen in, eens van af den Duna en eens +van den Weichsel af, bij wier mondingen deze zich aan de Oostzee +nederzetten. + +Hier in het zuid-westen, roeiden zij in een langdurigen en bloedigen +oorlog een ouden stam der Litauers, die der "_Porussen_", tot op +eenige nu nog bestaande overblijfselen na, uit, en germaniseerden +verscheidene streken van het land, tot aan den Niemen toe, waarin +van de oude Litauers weinig meer over bleef dan de beroemde naam der +tenondergegane Porussische vaderlandsverdedigers, die in "Pruissen" +veranderd op hunne doodsvijanden overging, en nu nog als de naam van +een grooten Duitschen staat bloeit. + +Dáár in het noord-oosten van den Duna, maakten zich de Duitschers +den stam in engeren zin, de _par exellence_ zoo genaamde, "Letten", +onderdanig, en verdeelden zijn land onder de ridders der zwaard-orde, +wier opvolgers daar nog tot op den huidigen dag de grondbezitters +zijn. Het geheele Litauische volk werd op die wijze, toen in de 13de +en 14de eeuw, om zoo te zeggen aan twee kanten door de Duitschers +aangevallen, en het schijnt, dat juist daardoor ten minste de kern en +het hoofdlichaam van den stam--het in het midden liggende eigenlijke +Litauen--tot eene vereeniging gedrongen werd en zich, hoewel slechts +van korten duur, een historisch gewicht verwierf. Er ontstond ten +gevolge van dien druk van buiten, in de 13de eeuw, hartstocht tot +oorlog voeren en landen veroveren onder dit "_pacatum genus_". Het +tot dien tijd--ten minste als aanvallers (waarlijk niet als het de +_verdediging_ van het vaderland gold) slaperige geslacht der Litauers, +vermande zich en begon te steigeren, als een paard dat men de sporen +in de beide zijden drukt. + +Daar de Russische aangelegenheden toen ten tijde, onder de heerschappij +der Mongolen, zeer in verval waren, breidde de machtig opdoemende +heerschappij der vertoornde Litauers zich voornamelijk in die richting +uit. Zij maakten veroveringen ten koste van Rusland; Litauische legers +drongen tot aan den Dniepr, tot aan Kiew door, ja streden zelfs tegen +Tataren en Russen aan de oevers van de Zwarte Zee. En zoo bestond dan, +in het begin der 14de eeuw, een groot, zeer gebiedend Litauisch rijk, +wiens woeste vorsten Gedemin, Olghard, Witoft en Jaguel (Jagello,) +in geheel Europa beroemd en bij de Russische geschiedschrijvers maar +al te bekend geworden zijn; zoo heeft dus ook deze "_duisterste_" en +vroeger altijd onderdrukte stam der Europeesche familie, ten minste +eens een tijd van roem gehad of eene invloedrijke rol gespeeld, +wel is waar echter slechts ééne maal en ook slechts voor korten +tijd, want reeds sedert het jaar 1386, nadat zij door het huwelijk +van Koningin Hedwig en den Groot-Vorst Jagello met Polen verbonden +werden, verloren de Litauers langzamerhand weder hunne nationale +zelfstandigheid, en werden zij door eene andere, en wel krachtiger +nationaliteit in de schaduw gesteld. + +Eigenaardige bloesems van hoogere ontwikkeling, bracht het volk, ook +ten tijde zijner politieke macht en zelfstandigheid, niet voort. De +Litauers bleven zelfs heidenen tot aan het begin der 15de eeuw. In het +land "Smudz" of "Samogitië" werden zij zelfs eerst in het begin der +16de eeuw gedoopt. Van alle grootere Europeesche volken zijn de, zon-, +maan- en sterren aanbiddende, Litauers het laatste tot het christendom +bekeerd. Genoemde Litauische Groot-Vorst Jagello gold zelfs in Polen +voor een heidensch barbaar. Hoe donker het daar, zelfs ook in de oogen +der Russen, moet uitgezien hebben, bewijst onder anderen de naam, +dien zij van oudsher aan de, door de Litauers bevolkte bosschen en +moerassige landschappen gaven, aan die wildernissen, die nooit de +zetel eener beschaving geweest zijn, waarin zich nog heden ten dage, +kudden der elders overal uitgestorvene wilde ossen ophouden. De Russen +noemden die oorden: _Zwart-Rusland_. + +In die vereeniging met een meer ontwikkeld, krachtiger en reeds sedert +lang christelijk volk, werden de voornaamste klassen onder de Litauers +gedenationaliseerd, gepoloniseerd en, ten minste in naam, Katholieke +christenen. Sedert dien tijd zijn adel en stadbewoners in dat +voornaamste gedeelte van Litauen, in zeden, denkwijze en taal geheel +Poolsch geworden, en zijn ook, zelfs na de uitbreiding der Russische +heerschappij over het geheele land, tot nu toe Poolsch gebleven. + +Even als in het eigenlijke Litauen, _vele_ in dat land te huis +behoorende geslachten in het Polendom opgingen, zoo zijn in het +Letten-land, dat is in Koer- en Lijfland, ten minste menigen in het +Duitschdom opgegaan. Het Duitsch sprekende burgerlijke gedeelte der +bevolking van de steden dezer Lettische landstreek, is gedeeltelijk +van Lettische afkomst. Ja! ook onder den Lijflandschen adel, wiens +voorouders anders meestal in Westphalen, in het Bremensche en andere +streken van Noord-Duitschland gezocht moeten worden, bevinden zich +eenige oorspronkelijk inheemsche geslachten. Zoo b.v. zouden de +Vorsten Liesen van een Lettischen aanvoerder "Kaupo" afstammen. + +Alleen de oorspronkelijke plattelandsbevolking in de genoemde streken +is de oorspronkelijke taal en gewoonten van den stam onveranderd +trouw gebleven, en leeft nog, ofschoon zij in strenge afhankelijkheid +gehouden wordt, en van den eenen kant met het Duitsch overtrokken, +aan de andere zijde door Poolsche en Russische nationale elementen +overdekt is, een geheel eigenaardig en in Indië zijn wortel hebbend +leven; niet ongelijk aan dat der bijen, spinnen en andere dieren +van lagere orde, die onder eene op haar nedergestorte rots, hun +leven leiden. Trots het bij hen ingevoerde christendom, vindt men in +hunne zeden en gebruiken nog veel heidensch. Ook hierin herinneren de +Litauers en Letten aan Indië. Even als de Hindoe's, hebben zij altijd +onder vreemde opperheerschappij gestaan, en toch even als deze, ten +minsten in de lagere volksklassen, aan hunne zeden en hun voorvaderlijk +geloof, met eene hardnekkige taaiheid eeuwen lang vastgehouden, +ofschoon zij wederom geene geestkracht bezaten, en het hun daardoor +ook nooit gelukte, hun nationaal-type ook op eenige andere natie te +drukken. Ten gevolge van dit gebrek aan énergie, hadden ook de hoogere +klassen der Litauers, en hunne Vorsten en hun hof, reeds gedurende, +den tijd der staatkundige grootheid van hun stam, Russische taal en +zeden aangenomen, die zij later weder tegen de Poolsche omruilden. + +Ofschoon zij in Litauen zelf den Katholieken godsdienst, in Pruissen, +Koer- en Lijfland echter het protestantisme omhelsden, en ofschoon +onder hen zelven menige stam-verscheidenheid en tallooze variaties +in tongval, kleeding en gebruiken bestaan, zoo zijn toch nog heden +ten dage alle opmerkingen, die men over hen gemaakt heeft, zoowel +over de Litauers, die voor de poorten van Koningsbergen wonen, als +over die aan den Duna en aan het Peipus-meer, alsook over die bij +Wilna en aan den Niemen, zoo bijzonder overeenstemmend, dat men wel +inziet, dat men overal splinters van hetzelfde blok, een en dezelfde +nationaliteit voor oogen heeft. + +De nuancen hunner taal zijn niet grooter, dan die onder de verscheidene +Duitsche dialekten. Hunne poëzie heeft overal een gelijksoortig +gronddenkbeeld, behandelt gelijksoortige onderwerpen op gelijksoortige +wijze, en Duitsche letterkundigen, die hunne tradities in Gumbinnen in +Oost-Pruissen opzamelden, stieten op letterlijk dezelfde verdichtingen +en sagen, ja dikwijls op letterlijk dezelfde verzen, uitdrukkingen +en gedachten, als de Russische literatoren, die aan het meer Peipus +dergelijke Lettische of Litauische bloemlezingen vervaardigden. + +In hunne kleeding, ofschoon deze dikwijls in kleinigheden bijna +in iedere landstreek verschilt, hebben zij toch in de hoofdzaak +overal dezelfde voorliefde voor zekere kleuren en vormen, denzelfden +nationalen smaak en snit, die van dien der Russen, Polen, Finnen +en Duitschers merkelijk afwijkt. In de wijze waarop zij hunne huizen +bouwen, hunne gereedschappen vervaardigen, is overal een gelijksoortige +stijl, welke van dien der Russen en andere naburen zoo zeer afwijkt, +dat men b.v. met een enkelen oogopslag, een Russisch huis of dorp van +een Lettisch of Litauisch onderscheiden kan. Ditzelfde valt omtrent +hunne gebruiken en gewoonten bij bruiloften, begrafenissen en andere +gebeurtenissen in het leven op te merken. + +Wat hun lichamelijk voorkomen aangaat, verschijnen de Litauers en +Letten als een goedgevormd slag van menschen. Zij zijn over het geheel +genomen grooter dan hunne naburen de Finnen, en men vindt vele lange, +hooge gestalten onder hen. Hun gelaat draagt schier geene sporen van +het Mongoolsche type, dat bij de Russen zoo duidelijk spreekt. Ook +bezitten zij niet die vlugheid en lenigheid, die den Russen en anderen +Slawen eigen is. Hunne vrouwen bezitten in den regel, een frissche +vroolijke gelaatskleur en eene zachte liefelijke schoonheid. Naar hun +geheelen lichaamsbouw is men eerder genegen de Letten tot de Germanen, +dan tot de Slawen te rekenen. + +In hunne kleeding zijn ze vermoedelijk even ouderwetsch als, +naar hetgeen hierboven vermeld is, in hunne taal. Wat de Duitsche +kroniekschrijvers, voor 500 jaren, over de kleeding der oude Litauische +Pruissen mededeelden, geldt nog heden ten dage van hen. Dit is trouwens +zeer natuurlijk bij een volk, dat op het gebied van kleeding geene +kunstenaars bezit, bij hetwelk niet alleen het winnen en de eerste +toebereiding der stof, maar ook hare fatsoeneering en vervaardiging +eene familie-aangelegenheid is; waar de dochter des huizes zingende, +als Penelope het weeftouw in beweging brengen, en de vrouwen +zelve, evenals de echtgenoote van Odijsseus, die fraaie kleederen +vervaardigen, de broeders en vaders eigenhandig de pelzen bereiden, +en de knapen hunne schoenen zelf snijden en maken. Konden wij maar +onze kleermakers afschaffen, en wilden onze zusters, dochters en +vrouwen voor ons weder spinnen, weven en naaien, dan zouden wij ook +weldra een vast nationaal kostuum hebben. + +Men heeft bij de naakte, wilde natiën opgemerkt, dat die, welke zich +bijzonder prachtig tatoueeren, gewoonlijk ook een trotschen en koenen +geest hebben. Bij de van kleeding voorziene volken, kan met betrekking +tot hunne kleedij eene dergelijke opmerking gemaakt worden. De moedige +Hongaren, de ondernemende Russen, de levendige Polen, hebben allen +een zeer opgeruimd en schitterend nationaal kostuum. De nationale +kleederdracht van het "_pacatum genus_" der Litauers en Letten, heeft, +zoo oud zij is, niets bijzonder in het oog vallends, niets elegants of +zwierigs in kleur en snit. Hunne lievelingskleur is nu nog, evenals +in de heidensche oudheid, wit en lichtgrijs. Niet alleen de mannen, +maar ook de vrouwen kleeden zich meestal met flauwe kleuren. Zij vormen +daarin een groot contrast met de levendige Russen, die in den regel +veel van bonte kleuren houden, en zelfs liever groene en roode dan +witte hemden dragen. Dit gemis aan scherpte, dit gebrek aan kleuren, +schijnt eene weerkaatsing te zijn van den lauwen, weekelijken, weinig +levendigen en weinig hartstochtelijken zin der Letten. Als iets van +het vúúr, dat zijne naburen bezitten, hem éigen was, dan zou hij +daarvan wel iets in de kleur en de manier van kleederdracht toonen, +evenals de tijger dat in zijne gevlekte huid doet. + +In de vervaardiging van hun schoeisel zijn zij niet meer vooruitgegaan, +dan de Indianen van Canada; het bestaat gewoonlijk slechts uit een +zacht stuk leder, dat door eene lis om den voet vastgesnoerd wordt, +of ook wel uit een vlechtsel van linden- en wilgen-bast, dat zij +"_passeln_" noemen. Met lichten tred loopen zij daarmede over de +moerassen van hun land heen, waarin de zwaar gelaarsde Pool of +Duitscher dikwijls zou blijven steken. Daarentegen zorgen zij meer +voor eene stevige bedekking der hand, dan zij zulks voor den voet +doen, en men zal moeielijk een volk op aarde aantreffen, waar de +handschoen eene zoo groote rol speelt dan bij de, _in dit opzicht_ +zeer bijzondere, Letten en Litauers. De herdersknapen, die achter +de ossen en paarden loopen, de houthakker in het bosch, ja, zelfs de +staljongen, zijn allen altijd "_bien ganté_." Waar zich de eene Lette +aan een anderen verhuurt, daar wordt telkens het aantal der te leveren +handschoenen vastgesteld, vier paar 's jaars voor den ganzenhoeder, +acht paar voor den eersten knecht enz. Handschoenen zijn dientengevolge +bij hen ook vaste feestgeschenken geworden. Zoo worden zij den gasten +als een geschenk, als eene ridderorde, aan den jas vastgespeld, +gewoonlijk tegelijkertijd met een eveneens ruim versierden, met rood +garen omzoomden handdoek, het symbool der zindelijkheid. Eene bruid +moet voor haren huwelijksdag wel eenige honderd paar handschoenen en +handdoeken gereed hebben. + +In hunne _woningen_ zijn zij vermoedelijk niet minder primitief dan +in hunne kleeding. Boven is reeds opgemerkt, dat, bij de schrijvers +der ouden, eenige aanduidingen over hunne gebouwen voorkomen, die nog +heden geldig zijn. Zij huizen gewoonlijk in op zich zelf staande, +verstrooide boerderijen. Want de weinige lust tot gezelligheid +dezer menschen, liet hun niet eens tot het vormen van dorpen en +dorps-gemeenten geraken, zooals die bij de Russen en bij alle Slawen +van oudsher schijnen bestaan te hebben. + +Ver van de sloten en lusthoven, die de Poolsche, Russische en Duitsche +edellieden bij hen gebouwd hebben, ter zijde van de wegen, die de +vreemde veroveraars aanlegden, daar, waar de wegen en paden van het +land, slechts aan de in het mos nauw zichtbare sporen van wagens en +paardenhoeven, te herkennen zijn, en zich in de bosschen en moerassen +verliezen, daar begint het eigenlijke vaderland der landskinderen, +daar liggen hunne kleine, onaanzienlijke landhoeven, beschut door +eenige oude eiken of berken, of in plaats van door vruchtboomen, +door hooge pijnboomen omgeven.--Even als overal in het Noorden, ook +bij de Russen en Zweden, zijn hunne huizen uit over elkander liggende +en in elkander ingelatene balken gebouwd, maar zij zijn weder geheel +anders geconstrueerd dan deze. + +Al de gebouwen der boerderijen liggen in een cirkel, waarbinnen zich +eene ronde binnenplaats bevindt. Alles is even eenvoudig, even klein, +met stroo gedekt, naar buiten zonder eenige versiering en zonder +vensters, maar ook van binnen zijn er deze slechts weinige. Het geheel +ziet er uit, als een kleine houten burgt voor bange menschen, die +zich tegen de ruwheid van het klimaat (en der menschen?), evenals de +slakken zoo diep mogelijk in hunne woning verbergen. Langs een smallen, +hobbeligen weg, aan weerszijden met hooge heggen beplant, komt men +tot de uit balken in elkander geslagen deur der boerderij. Daar binnen +ziet het er bont genoeg uit, en alles is, evenals bij de Lilliputters, +zeer in het klein. + +Het gebouw bestaat uit eene menigte kleine afdeelingen, kamertjes +en hokken. Daar is het gemeenschappelijke woonhuisje, dat door een +paar vensters wat in het oog valt; daaraan sluit een ander huisje +"_Kleete_" genaamd, voor de kleederen, het lijnwaad, den voorraad +boter, vlas en koren van den huisheer; een andere "_Kleete_" voor +het huisraad van den knecht, een derde voor de meiden; dan is er +nog een klein schuurtje voor de sleden en wagentjes, voor de lompe +ploegen en landbouw-gereedschappen; een afzonderlijk huisje, dat wij +het best met een duiventil kunnen vergelijken, voor het droogen van +kaas; vervolgens nog een koren-droogoven, eene zoogenaamde "_rige_" +voor het droogen en het dorschen van het koren; gewoonlijk ook nog +een vertrek voor stoombaden in de koude winters, zooals men die +bij de Finnen en Russen aantreft, en somwijlen ook een ijskelder +voor den heeten zomer. Bovendien nog eene massa andere kamertjes en +hokjes, die zich naast elkaar bevinden als de kajuiten in een schip; +een stalletje voor de schapen, een ander voor de kleine, magere, +meest horenlooze koeien, en wederom andere voor de even kleine en +ongelooflijk geplaagde en daarbij duurzame paarden; een afzonderlijk +stalletje voor het rijpaard van den huisvader, een ander voor de +paarden van den knecht, en nog een ander voor andere paarden, want de +paarden en het rijden, zoo te paard als in een rijtuig, speelt bij +deze menschen nog eene even groote rol, als waren zij pas van Azië +naar Europa heengereden. Naar hun werk op het veld gaan zij òf te +paard, òf in rijtuigen en sleden; naar de kerk gaan alleen zij die +er het dichtst bij wonen te voet, de meesten echter te paard of op +wagens. Wanneer hier of daar eene boodschap moet gedaan worden, zetten +zich de knapen, en ook de meisjes die hier bijna evenveel rijden als +de mannen, in den zadel, en rijden daarheen waar wij, die veel van +te voetgaan houden--reeds Tacitus duidt ons als voetgangers aan--als +Merkurius, de sandalen of waterlaarzen zouden aantrekken. Schuifkarren, +draagkorven, handwagens, en dergelijke Duitsche uitvindingen, komen +in de huishouding der Letten niet voor, terwijl men bij de Duitschers, +de menschen met kruiwagens en draagkorven dikwijls verre reizen maken, +en als het ware geheele winkels op hun rug dragen ziet. + +De Letten transporteeren zelfs de kleine hoeveelheden melk, die +hunne magere koeien geven, het pondje boter, het hoopje vlas, het +bundeltje hout, dat zij als "houtdieven" uit het bosch van hunnen +heer haalden, op den wagen, en om een paar hazen naar de markt te +brengen, spannen zij twee hunner paardjes in. Vroeger--zoo gaat de +sage onder dit volk--waren de menschen veel grooter, waren het ware +reuzen en daarbij verschrikkelijk sterk, en "zij torschten zulke zware +lasten, als men nu nauwelijks durft te zeggen". Later echter werden de +menschen van jaar tot jaar zwakker en "wij zullen nog zoover komen, +dat wij in dwergen veranderen en met ons zevenen aan een stroohalm +moeten trekken". Dergelijke sagen treft men, wel is waar, ook wel bij +andere volken aan, maar bij de tegenwoordige Letten komen zij recht +te pas en schijnen zij reeds half in vervulling gekomen te zijn. + +Ook hunne dooden _dragen_ zij niet als wij ten grave, zij zetten ze +op een met paarden bespannen slede, en rijden zoo met den doode in +snellen draf over de sneeuwvlakte en door de wouden naar het kerkhof +heen. Treurende mannen en vrouwen jagen er te paard, onder het prevelen +van klaagliederen, achter aan. Veelvuldig en bij allerlei gelegenheden +ziet men dus karavanen sleden en wagens door het land trekken, en +bereden mannen, knapen en vrouwen over de velden jagen. En dit is niet +alleen van toepassing op Koer- en Lijfland en op de Russische Litauers, +maar dergelijke tooneelen en zeden neemt men ook in Oost-Pruissen waar. + +Even als het paard onder de dieren, zoo speelt de berk onder de +boomen de voornaamste rol in de huishouding en den landbouw der +Litauers en Letten. Hunne tafels, hunne kroezen, emmers, vaten, +kortom het grootste gedeelte hunner gereedschappen zijn vervaardigd +van het taaie berkenhout, dat zich zoo fraai en gemakkelijk op +de draai- en schaafbank laat bewerken. Hunne sleden loopen over +lijsten van berkenhout, de velgen der raderen zijn van hetzelfde hout +vervaardigd. Aan de elastieke berkentakken worden ook de schommelende +kinderwiegen opgehangen. + +De schors en de bast van den berkenboom zijn zeer taai en laten het +water niet door. Zij nemen daarom dikwijls de plaats van het leder in, +korven, goten, flesschen en drinknappen worden er van gemaakt. En +bij het vervaardigen van daken op de huizen, wordt de schors der +berken in even groote hoeveelheden verbruikt, als bij de Indianen van +Noord-Amerika. Ook bevat zij die krachtige looistof, die het Noordsche +juchtleder zijne beroemde eigenschappen geeft. De ziekelijke uitwassen +van den berk, zijne zwammen, knoesten en de verharde vlechtingen zijner +plantenvezels dienen dikwijls de industrie van het land. Tonder, +kurken, sleutels en verscheidene andere kleinigheden worden er uit +vervaardigd. De lentesap uit den berk, wordt ook wel bij ons uit den +boom gehaald, maar meer slechts uit aardigheid. Bij deze Noordlanders +echter word de zaak ernstiger behandeld. Want in de lente is het +zoetachtige berkenwater niet alleen hun gewone drank, maar zij +vervaardigen er ook hunnen azijn van, en weten het ook weder hier +en daar tot eene stroop te verdikken, die hun tot suiker dient. In +Maart of April, als de sappen uit de wortelen opstijgen, worden in +alle krachtige berkenboomen gaten geboord, en met groote emmers, +vaten en bakken begeven de meisjes en knapen zich naar het bosch om +het begeerde vocht naar hunne voorraadkamers te halen. Zij hebben het +daarmede even druk als de wijngaardeniers bij den druivenoogst. Door +het bijvoegen van kruiden weten zij het berkensap een tijdlang goed te +houden, en tegen Paschen en Pinksteren hebben dan de armen, wien mede +of bier te kostbaar is, geen anderen feestdrank dan dezen palmwijn +van het Noorden. + +De berk gaat, om zoo te zeggen met bloed en been, in de huishouding +dezer Noordsche volken over. Uit de vette wortelen van den boom winnen +zij hun teer,--zijne eerste, jonge, eenigzins bitter smakende knoppen +verzamelen zij, om met hun heilzaam planten-aroma de ledematen +hunner jichtigen te versterken,--uit de frissche, licht groene, +juist ontvouwde bladeren bereiden zij eene fraaie, gele verf,--en in +den herfst verzamelen zij weder de drooge bladeren van dezen boom, +om hunne divans of althans hunne bedkussens er mede te vullen. + +Bovendien is de berk het voornaamste sieraad van een Lettisch +landschap. Hij omzoomt als een dunner voorhout overal de dichte +dennenbosschen, en is de meest voorkomende boom in de tuinen van het +Noorden, waar men haar gaarne kweekt, omdat zij in de lente het eerste +gewas is, dat tot het nieuwe leven ontwaakt, en reeds spoedig na het +smelten der sneeuw met zijn liefelijken, frischgroenen bladerensluier +getooid, daar staat. Ook in den herfst nog, voor de bladeren geheel +verbleeken en wegwaaien, verheugt zijn loof het oog door zijne +violette-, weerschijnende-, bruinroode-, goudgele kleuren. Even als +de berk in den tuin de boom der vreugde is, zoo is hij als treurberk +op de Noordsche graven, de met de menschen sympathiseerende boom +van den rouw.--Hier en daar vormen de berken op zich zelf staande +groote, vroolijke bosschen, door de Letten "_Behrsen_" genoemd, waar +een Ruysdael de liefelijkste gezichten voor zijne schilderijen zou +kunnen vinden. Zij hebben dikwijls veel van door de natuur aangelegde +parken. Deze "_behrsen_" zijn de geliefkoosde schuilplaatsen voor de +talrijke zangvogels van het land, die zich in de donkere eeuwenoude +wouden niet wagen. In hen huist de berkhaan en dikwijls ook de ree +en het reuzenhert van het Noorden, de eland, die gaarne het jonge +loof van den boom afknauwt.--De Letten zelven houden niet minder van +hunne "behrsen". In hunne liederen bezingen zij dikwijls den lof der +berkenbosschen, die in de lente en in den zomer op zon- en feestdagen +hunne gewone plaatsen zijn, waarin zij zich vermaken, dansen, en waar +zij ook aan de boomen hunne schommels hangen. Voor deze schommels, +die in het voorjaar even regelmatig als de bladeren zelve, in de +Noordsche berkenbosschen verschijnen, hebben de Letten eene even +groote voorliefde als de Russen. Als er niets te doen is, dan brengen +de meisjes, gedurende de heldere zomernachten, er uren lang zingende en +tusschen de boomen op- en nederzwevende, in door. Wellicht hebben hunne +voorouders op gelijke wijze in de palmbosschen van Indië geschommeld. + +Even als in alle bovengenoemde zaken, in hunne kleeding en hunne +huiselijke inrichtingen, zoo hebben zij ook verder in hunne gewoonten, +in hunne levensbeschouwingen, in hun bijgeloof, in hunne gebruiken +bij begrafenissen, bruiloften en andere plechtigheden, veel overouds +en zeer eigendommelijks. + +Hunne gebruiken bij bruiloften vooral, worden door de eerste en oudste +Duitsche schrijvers over het heidensche "Pruissen", in hoofdtrekken +juist zoo beschreven, als men ze nog heden ten dage in Koerland en +Litauen mede beleven en zien kan. Ik zal ze hier, als voorbeeld, +wat meer in bijzonderheden mededeelen. De jonge dochters der Letten +en Litauers beginnen reeds bij tijds, zich voor hun huwelijk, +eene gebeurtenis die haar allen dreigt en waarnaar zij allen in +stilte wenschen, voor te bereiden. In haar vrijen tijd, spinnen, +naaien en weven zij vlijtig, en verschaffen zich in den loop der +jaren een kleinen bruidschat van handschoenen, doeken en ander nuttig +huisraad. Hoort nu een jonge, trouwlustige knaap van een vlijtig, zedig +en niet zelden ook mooi meisje, heeft hij geinformeerd hoeveel ponden +wol zij bijeengegaard, hoeveel warme sokken enz. zij klaar, hoeveel +lammeren zij groot gebracht heeft, en voor alles, of daar ook een paar +koeien bij zijn, en heeft hij zich vervolgens, nadat hij dit alles +overwogen heeft, van de gevoelens zijner geliefde verzekerd, dan zendt +hij eerst naar het huis zijner uitverkorene een bruidwerver, die onder +allerlei ceremonieel met hoesten, kuchen en verlegene complimenten, +eene toespraak tot den huisvader richt. Met veel omwegen vertelt +hij vervolgens, dat hij voor een vriend een meisje, een goed vlijtig +meisje noodig heeft om te spinnen, te weven, te bleeken, te wasschen, +te breien en te naaien, te melken en te karnen. Hij heeft nog nergens +de rechte kunnen vinden, hij gelooft echter in dit hoog geachte en +zeer geroemde huis te moeten zijn. De huisvader of woordvoerder der +bruid bedankt voor het vertrouwen en de eer, en stelt vervolgens den +bruidwerver de meisjes van het huis voor. "Hier zijn meisjes genoeg, +zoek de uwe en neem haar!"--Daar de ware, om wie het te doen is, maar +die zich gewoonlijk even als Asschepoestertje beschaamd verscholen +heeft, niet onder haar is, zoo prijst de bruidwerver allen, die +hem voorgesteld zijn geworden. "Maar," zegt hij, "zij, naar wie ik +verlang, is er niet bij." Hij heeft gehoord, dat er nog een teeder +wezen in huis is, een ander lieftallig duifje, een vreedzaam lammetje, +een vroolijke ree, een sierlijk betooverend kindje, en die bedoelt hij +eigenlijk. Na vele verontschuldigingen, dat men niets van haar weet, en +nog verscheidene dringende pogingen en bemoeiingen van den bruidwerver, +wordt vervolgens de gezochte eindelijk, uit den eenen of anderen hoek, +voor den dag gehaald. Ontdekt en overwonnen, treedt zij eindelijk +bedeesd en beschaamd te voorschijn, en nadat zij het jawoord gegeven +heeft, en nog eenige andere punten vastgesteld zijn, geven vervolgens +alle partijen elkander de hand, en drinken zij elkander toe met een +glas mede of brandewijn, waardoor het verdrag bezegeld wordt. + +Eenigen tijd daarna, verschijnt de vrijer zelf op een bontgetooid +paard, en legt zijn bezoek af, om de bekrachtiging te halen en +te geven.--Staat eindelijk de bruiloft voor de deur, dan noodigt +de bruid in persoon al hare verwanten daartoe uit en evenzoo de +bruidegom de zijne. Tot de trouwplechtigheid komen beiden, door hunne +beredene bloedverwanten omgeven, in twee afzonderlijke treinen aan, +die elkander bij de kerk ontmoeten, en na de plechtigheid zich het +eerst naar de woning der bruid begeven. + +Het bruiloftshuis is met dennentakken, in den zomer ook met berkenloof +en met allerlei phantastische sieraden, die veel overeenkomst met +kroonlichten en kransen hebben, versierd. Dergelijke zaken weten +zij uit gras en stroohalmen zeer sierlijk te vervaardigen, en roode, +gele en witte bessen nemen daarbij de plaats in van edelgesteenten, +glas-kristallen of bloemen, die men in het Lettenland niet aantreft. In +het bruidshuis, treedt de bruidsjonker, waartoe een der vlugste knapen +gekozen is, op, en houdt eene aanspraak tot haar, en vervolgens nemen +de feesten en maaltijden een aanvang, iets wat niet zelden drie dagen +en drie nachten duurt. + +Bij dit feest speelt de bruid zelve wel de voornaamste, maar ook +de treurigste rol. Op haar mooist aangekleed, gaat zij aanhoudend, +en zooals zulks haar plicht is de aangename gastvrouw spelende, +tusschen de gasten door. Maar, terwijl zij hun de mede toedient, +vergiet zij menigen traan, tracht hun medelijden in te boezemen, +en toont zich zoo treurig als wachtte haar het zwaarste lot. De +smart, dat zij haar moederlijk huis, de plaats waar zij hare jeugd +doorgebracht heeft, nu verlaten zal, doet zich nu veel meer bij haar +gevoelen dan de vreugde, dat zij nu haren geliefde toebehooren zal.--De +ongetrouwde meisjes, hare vriendinnen, houden zich intusschen druk met +haar bezig en trachten haar te troosten. Door de getrouwde vrouwen +worden zij daarover bespot in verzen, die zij improviseeren en in +koor zingen. De meisjes antwoorden de vrouwen ook weder in verzen, +die zij eveneens in koor zingen, en op die wijze ontspinnen zich +formeele zang-gevechten en poëtische wedstrijden, die zij elkander, +aan lange tafels zittende, leveren. + +In de verzen der eene partij wordt het huwelijk en de stand der +huisvrouwen geprezen, en met nadruk geëischt, dat de bruid door de +meisjes uitgeleverd zal worden. In de liederen der andere partij +daarentegen, wordt de jeugd en de maagdelijke staat geprezen, worden +de ruwe getrouwde mannen voor hard en wreed uitgescholden en de +vrouwen berispt. Somwijlen komen de zangeressen daarbij zoo in vuur, +dat zij van hare plaatsen opspringen en staande peroreeren, terwijl +zich dan de geheele rei op de maat van het lied op en neder beweegt, +of heen- en weerschommelt. Om de kracht te vermeerderen en de maat +voor het gezang duidelijker aan te duiden, slaan zij daarbij met een +klein met ijzer beslagen instrument, dat met schellen en kletterende +metalen plaatjes behangen is, op de tafel. + +Slaat eindelijk het bittere uur, waarin de bruid het moederlijke huis +moet verlaten en naar dat van den bruidegom gevoerd zal worden, dan +bereikt de droefheid den hoogsten graad. Zij mijdt dan de gasten, +trekt zich terug, verschuilt zich; staat de reisslede eindelijk +gereed, dan ontdekt men haar ten slotte in de slaapkamer harer moeder, +op wier bed zij ligt te schreien. Slede en paard zijn met doeken, +bonte linten en pluimen versierd, en de schelklinkende bellen en de +het geheel omgevende ruiterschaar, verkondigen iederen voorbijganger, +dat het eene bruid is, die men ontvoert. + +Even als de bruiloften, zoo worden ook andere gebeurtenissen in +het leven, even als alledaagsche zaken door de Letten in liederen +("_Dainos_" genaamd) verheerlijkt. Het hoofdthema voor alle dichters en +van alle liederen is meestal, de aan de bruiloft voorafgaande liefde. + +De Letten behandelen dit thema met groote gevoeligheid en poëtischen +tact. Uit hunne "Dainos" spreekt eene zuivere zedelijkheid, eene hooge +achting voor betamelijkheid en voegzaamheid, die, vooral wanneer men +in aanmerking neemt het weinige, wat kunst en opvoeding daaraan voor +deel hebben, iemand werkelijk met bewondering vervult. "Ook geen +enkel lied," zoo luidt de merkwaardige uitspraak van den bekenden +professor Rhesa, die 13 jaren lang bij de Litauers liederen verzameld +heeft. "Geen enkel," zegt hij, "vindt men er onder, dat men ruw zou +kunnen noemen, dat ook maar in het allerminst de grenzen, door tucht +en zedelijkheid voorgeschreven, te buiten gaat. Veeleer komen daarin +overal trekken van het fijnste zedelijk gevoel voor, die even vele +waarborgen zijn voor de edele gezindheid van het volk, en den reinen +grondtoon zijner bestemming. De liefde is bij hen niets minder dan +een wilde hartstocht, veeleer een zeer teeder en kuisch gevoel. Eene +zachte melancholie, een treffende weemoed geeft eene eigenaardige, +weldadige tint aan al hunne liefde-liederen. Levendige schilderingen +der bekoorlijkheden van de geliefde, zooals bij de Zuidelijke dichters, +komen in de 'Dainos' dezer schuchtere en beschaamde minnaars van het +Noorden in het geheel niet voor. 'Vurige' of 'smachtende blikken,' +of zelfs 'een kus van roozeroode lippen,' zooals onze poëten zulks +in hunne verzen zeggen, zouden hun al te sterke uitingen van hun +gevoel toeschijnen, en zij laten dat alles uit hunne liederen weg; +evenals de Grieksche treurspeldichters alle, het zedelijk gevoel en +de oogen kwetsende zaken, van het tooneel verwijderden. Ja! de liefde +zelve heeft ter nauwernood een naam bij hen, en is nog dat heilige +geheim der natuur, dat hij, die het gevoelt, ter nauwernood durft uit +te spreken. En toch is alles in hunne gedichten even waar gedacht, +als diep gevoeld en zedelijk gehouden." (Rhesa.) + +Ten bewijze van het hierboven medegedeelde, zal ik eenige proeven +van zulke bescheidene en gracieuse "dainos" of liefdeliederen der +Letten, die ik zelf eens bij dat volk verzameld heb, mededeelen. Ik +merk hierbij echter op, dat de geliefden elkander in deze liederen +gewoonlijk "zustertje" of "broertje" noemen. Ook de naam "_geliefde_" +schijnen zij dus te sterk te vinden. Hunne genegenheid is zoo zacht +als broeder- en zusterliefde. + +"Zustertje! zustertje!" zoo zucht een Lettisch minnaar in een vers: + + + "Kom in mijne woning en zie nu, + Hoe ik mij wakend en slapend steeds kwel, + In tranen steeds baad en--dit alles om U.--" + + +Dat zij echter, even als andere menschen, zeer goed een onderscheid +tusschen broeder- en zusterliefde en dat andere gevoel kennen, blijkt +ons onder anderen uit het volgende vers, waarin een minnaar zijne +eigenlijke zuster en zijne geliefde met elkander vergelijkt: + + + "Zoet is de boschbezie, + Maar zoeter nog de aardbezie. + Mijn zuster heb ik schrik'lijk lief, + Maar meer toch nog mijn hartedief!" + + +Even als ook andere dichters, leggen zij dikwijls gevoelens, waardoor +zij zelve bezield zijn, voorwerpen in de natuur waarmede zij omgaan, +bloemen en boomen waaronder zij eenzaam wandelen, in den mond: + + + "Ik beluisterde mijn appelboom, toen hij 't volgende bad: + Als de herfstmaand komt, dat dan een meisjelief moge + Van mijn takken plukken, heel de appelenschat; + Daarna haar garen aan mijn takken doe droogen." + + +Eigenaardig en teeder--maar psychologisch zeer natuurlijk--is de +oorzaak en de grond tot de liefde, die een meisje in de volgende +verzen aangeeft: + + + Ik breide onlangs een handschoenenpaar! + Zal ik ze aan mijn broedertje geven? + Neen! ik schenk ze dien goeden jongling maar, + Die mijn moeder zoo roemt om zijn leven.-- + + +Zij laten in hunne "dainos" veel _raden_, wat zij niet bepaald +uitdrukken, zooals b.v. in de volgende verzen geschied is, waarin een +meisje, dat ziek is van liefdesmart en verlangen, door het bezoek van +den geliefde en de eindelijke toestemming en verloving genezen wordt: + +Door berkenboschjes, door pijnboomenwoudjes droeg mij mijn paardje, +mijn bruintje, naar het huisje van mijn schoonvader. "Een fraaie dag, +een fraaie avond, geliefde schoonvader! Hoe maakte het mijn zusje? wat +doet mijn jong meisje?"--"Ziek is het meisje, ziek, ach! zeer +ziek! ginds boven in de nieuwe kamer, in haar wit bedje!"--Daar, in +den tuin! en voor de deur weenende, wischte ik de tranen uit mijne +oogen; ik greep hare hand en stak er het ringetje aan. "Gaat het u +zoo niet beter, mijn liefje?" "Ha! zal uw hart u nu niet genezen?" + +De vele in die verzen telkens voorkomende diminutiva zijn bij de Letten +bijzonder in trek. Deze weekelijke, eenigzins vervrouwelijkte menschen, +die, zooals ik boven reeds opmerkte, ook in hunne huishouding, zooveel +Lilliputachtigs hebben, bij wie alles, gedachtengang, gezichtskring, +phantasie en gevoel om zoo te zeggen van kleinen stijl is, die +van alles hier op Aarde slechts een klein weinig bezitten, bij wie +ook in natuur en land alles zoo armoedig en niets in overvloed is, +die ook naar hun bedeesden aard, zoo gaarne vleien en liefkoozen, +zijn de grootste vrienden van verkleiningswoordjes. Zij hebben eene +menigte aanhangsels in hunne taal ontwikkeld, om verkleinings-vormen +te maken en zij verkleinen daarmede alles: zelfstandige naamwoorden, +werkwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden.--Als men hen +hoort spreken, is het, of zij alles door een verkleinglas bezien. Zij +verkleinen zelfs nog die woorden, die reeds uit en op zich zelve iets +kleins aanduiden, en hunne bedelaars b.v. bidden niet, om "een stuk +brood" maar om "een klein stukje broodje." Zij verkleinen ook nog weder +de verkleinwoorden zelf, en hebben zooveel dubbel-verkleinwoorden, als +men moeielijk in eene andere taal zal aantreffen. Zoo b.v. beteekent +"_Matte_" bij hen "moeder", en daarvan maken zij door verschillende +aanhangels de verkleinwoorden: "_Mahtite_", "_Mahminja_" (moedertje) +en "_Mahmulite_" (klein moedertje). Van dit laatste vormen zij +weder het uiterst vleiende drievoudige verkleinwoord "Mahmulinga" +(heel klein moedertje). Hetzelfde is ook het geval met "_Meita_", +"_Meitscha_" en "_Meitschinga_" (meid, meisje en klein meisje). + +Dit nu over de verkleinwoorden der Letten. Ik keer tot de "Dainos" +terug. Ik sprak boven over het verdriet der Lettische bruid bij het +afscheid van haar ouderlijk huis. Dit thema is door hen natuurlijk in +vele roerende verzen behandeld. Als proeve daarvan diene het volgende: + + + Waarom toeft gij meisje! hier zoo alleen? + Waarom 't hoofdje in de hand, schatjelief! spreek? + Zijt ge niet prettig gestemd of tevreên? + Is ook uw hartje soms ietwat van streek? + 'k Ben zeer vrolijk en tevreên bovendien, + Ook mijn hartje is kalm en vol van de vreugd! + Maar toch kan ik wel eens bedrukt om mij zien, + Want heden toch eindigt mijn jeugd. + O! mijn kransjelief! schoone bruidskrans! + Steeds zal 'k U bewaren zorgvuldig en goed. + Leef wel, moederlief! 'k neem afscheid thans, + Vaartwel, broeders, zusters, 't ga U allen goed! + + +In de volgende verzen wordt de smart der bruid nog onbestemder, +algemeener en daardoor nog poëtischer uitgedrukt: + + + Wat huilt de wind, wat zucht het woud! + Wat zwaait de lelie op en neêr! + Doch de wind, zij huilt noch loeit in 't woud + Noch zwaait de lelie op en neêr! + De teedere maagd, het meisje weent, + Haar bruidskrans slingert heen en weer. + Hebt ge over uw moeder geweend? + Of treurt ge om uw zuster zoozeer? + Of kindlief, betreurt g'uw maagdelijken tijd? + Ik beween mijn goede moeder niet, + En betreur mijn lieve zuster niet, + Maar ik beween, betreur mijn maagdelijken tijd!-- + + +In tallooze verzen van dit soort en met menigerlei variatie, mengen +zich de snaren treurende onder het vroolijke huwelijksfeest. In +de ziel van dit altijd zoo ongelukkige volk, dat altijd +zoo'n hard lot te verduren had, wortelt een diep melancholisch +element. Hunne halve literatuur bestaat uit zoogenaamde "_Raudas_" +of klaagliederen, afscheidsliederen, grafgezangen en in verzen +gebrachte verzuchtingen. Zij schijnen zich zoo recht te goed te doen +in de poëtische beschouwing der weemoedige en smartelijke zijden en +gebeurtenissen van het leven. + +In de aan hunne afgestorvenen gewijde verzen, zijn zij gewoon deze +complimenteus aan te spreken en hun vele verwijtingen te doen, dat +zij de hunnen in den steek gelaten hebben. + + + Waarom gestorven, moedertjelief? + Hadt ge geen levend dochtertje meer? + Waarom vertrokken, moedertjelief? + Was mijn verpleging niet zorgzaam en teêr? + Sta op! sta op toch! moedertjelief! + Ik zal uw graf van zijn zoden ontdoen. + + +En dan ontwaken de dooden uit het graf en trachten de achtergeblevenen +te troosten: + + + Wie beweent mij boven op aarde? + Wie knielt op mijn grafheuvel neêr? + Dochterlief! ga naar huis, mijn waarde! + Waar een ander' moeder toch weêr, + 't Haar van uw hoofd zal opmaken willen, + Waar een jongling zal spreken van liefde, + En daarmêe uw tranen zal stillen. + + +Tot eene zeer rijke verzameling treurdichtcn onder de Letten heeft +voornamelijk eene nu regelmatig van tijd tot tijd terugkeerende +ramp, de Russische recruten-lichting, aanleiding gegeven. Ofschoon +zij zich, zooals reeds opgemerkt is, in geval van nood en wanneer +het hun vaderland gold, dapper genoeg geweerd hebben, zoo is toch +dit herders- en landbouwersvolk, van nature en uit eigen beweging, +zeer weinig oorlogzuchtig en ondernemend. Zij hebben, zooals reeds +ter loops aangemerkt is, zelfs geene overleveringen van vroegere +helden. Hunne poëzie is zoo weinig heroïsch, zoo zuiver idyllisch +als die der Arkadische herders. Als natuurkinderen, zonder eenigen +zin voor politiek, zijn deze geheel onstaatkundige menschen aan +den zeer beperkten kring van hunne geboorteplaats en hunne familie +gehecht. Wanneer derhalve de Russische werver zijne trom roert, +om de landskinderen onder de keizerlijke vanen te verzamelen en +hen de wijde wereld in te voeren, dan rilt, om zoo te zeggen, het +geheele land. Het geheele volk baadt in tranen, en overal hebben de +treffendste en hartroerendste tooneelen plaats, welke hij, die ze +eens zag, nimmer weder vergeet. + +Het einde der treurliederen bij het afscheid van de tegen hun zin ten +oorlog trekkende jongelingen, is gewoonlijk, dat de zusters klagende +naar den tuin gaan, om den hoed van hunnen broeder voor het laatst met +bloemen te versieren. Terwijl zij dien tooien, vragen zij hem weenend: +wanneer hij terugkomen wil? en de wanhopende broeder antwoordt haar +in troostelooze beelden: _dan_ zal hij terugkeeren,--als de palen +der omheining bloeien,--als de steenen verrotten--als de keien op het +water drijven--en als de veeren naar den bodem van het water zullen +zinken. Hij neemt dus afscheid voor eeuwig. + +Als proeve van een dergelijk lied, moge den lezer het volgende dienen, +waarvan echter het beloop eenigzins anders is, waarin de zusters het +lot van den broeder profetisch vooruitzien, en al het verschrikkelijke +van den slag, als zagen zij alles in een droombeeld, uitschilderen. Ik +moet nog opmerken, dat de in dit vers voorkomende "mees" dikwijls de +profetische vogel der Letten is. + + + Klagend klinkt der meezen gefluit, + Dicht onder 't raam van den broeder: + Zuslief! ga en hoor toch eens uit + Wat zij wel zegt van dien broeder?-- + Dit liedje zingt het meesje ons voor: + Ten oorlog moet de broeder gaan!-- + O! zuslief! pluk dan bloemen, hoor! + Steek die op broeders hoed, vooraan.-- + Zingend, maar ook weenend, smeekt hij: + Zuslief! wil niet droevig wezen! + Mij zult gij weerzien goed en blij. + Mocht uw wachten vruchtloos wezen, + 't Paardje zult gij wederzien! + Het paardje komt, helaas! wel weer, + Maar broeder is er niet te zien. + Toen het teruggekeerd was, weer + Met stof bedekt zeer bovenmate, + Vroeg ik het paardje vleijend af: + Waar hebt ge uw ruiter nu gelaten? + Ginder ligt de ruiter in 't graf, + Waar men niets dan bloed zag stroomen, + Waar de beenderen bruggen maken, + Waar gelijk gevelde boomen, + Vele lijken hopen maken.-- + + +Ook de dagelijksche taal der Letten is vol klagende tusschenvoegsels, +zuchten en jammerkreten, rijk aan uitdrukkingen voor ellende, zorg, +verdriet, weemoed, kommer en gebrek, zoomede aan woorden om verzoeken +en smeekbeden uit te drukken. Daar zij altijd een treurig nationaal-lot +hadden, daar zij ten allen tijde vreemde gestrenge Heeren boven zich +zagen, wier genade en medelijden zij afsmeeken moesten, zoo is onder +anderen het gezegde: "Erbarm u!" bij hen stereotiep geworden, en wordt +het zelfs daar gebruikt, waar van medelijden volstrekt geen sprake is, +en waar anderen eene andere uitdrukking zouden gebruiken. Zij zeggen +b.v. "Erbarm u! wat regent het van daag!" of ook "Erbarm u! gij zoudt +iemand zich dood doen lachen!" + +Ja zelfs de zoogenaamde jubelliederen der Letten, die vreugde moeten +uitdrukken, zijn door min of meer melancholieke melodiën vergezeld, +die als treurmuziek klinken. In de heldere zomernachten, omstreeks +St. Johannes, wanneer op alle heuvels en aan de oevers van alle +rivieren, de zingende maagdenscharen zitten; wanneer de herders al +zingende het vee naar de weiden drijven; wanneer de paardenhoeders, +zich tegen middernacht, rondom hunne wachtvuren, zingende aan den +zoom van het woud verzamelen, dan klinken deze murmelende melodiën +over het geheele landschap heen, even als in het land der Kozakken het +klaaggeschreeuw der krekels en kikvorschen, en de geheele landstreek +schijnt dan hem, die dit geneurie--onbewust, dat het hier eene +uitdrukking van vreugde is--hoort, als gehuld in een somber treurwaas +van muzikale klaagtoonen. + +Zekerlijk mag men dit alles slechts over het geheel en in het algemeen +aannemen. Ik geef hier natuurlijk slechts den _grondtoon_, die in het +geheel merkbaar is, en de meest in het oog vallende kleur aan. Want +geen een volk is zoo door God en de natuur verlaten, dat hem geheel +alle vroolijkheid van gemoed ontbreekt. Tusschen hun nachtelijk +geneurie heen, hoort men somwijlen zeer vroolijke, zeer aangename en +zeer bekoorlijke wijzen en melodiën, die echter--vreemd genoeg--nog +niemand op noten gebracht heeft. Ook in hunne spreekwoorden en in +hunne puntdichten, waarvan zij er zoovele bezitten, toonen de Letten +genoeg, dat het hunnen geest niet aan kernachtigheid, hun verstand +niet aan scherpte en Attisch zout ontbreekt. + +Zij merken de zwakheden, ondeugden en belachelijkheden hunner +medemenschen zeer duidelijk op; bezitten even als alle onderdrukten, +zooals b.v. ook de Joden, eene besliste neiging tot satirieke bonmots, +tot het bespotten en uitlachen van anderen, en zijn daarbij uiterst +vindingrijk, zinrijk, somwijlen zeer bijtend. In het volgende vers +b.v. bespot een Lettisch meisje een jongen man, die haren vader +beleedigde, op pikante, lakonieke en treffende wijze: + + + Met de stoute achterpootjes + Sloeg een haasjen eens mijn vader, + Gaarne had ik hem gewroken, + Maar--door 't lachen ging het niet. + + +Vele hunner spreekwoorden zijn ook vol scherpe en bijtende satire +en zijn even vele bewijzen eener gezonde levens-philosophie. Uit +honderden, die voor de hand liggen, neem ik slechts enkele: + +"Laat den duivel maar eerst in de kerk, dadelijk wil hij ook den +kansel bestijgen," luidt een hunner, dat de brutaliteit van een +Mephistopheles, die in dienst van de hel zich zelfs vermeet Gods +woord te prediken, zeer treffend aangeeft.--Een eenvoudigen sukkel +zonder eenige ondervinding kan men moeielijk beter uitduiden, dan +in de volgende spreekwoordelijke uitdrukking der Letten geschiedt: +"de goede man schijnt in eene ton grootgebracht en door het spongat +gespijsd te zijn."--In eene andere spreekwijze drukken zij zeer naïef +en duidelijk ons "schoenmaker blijf bij uw leest," uit. Zij zeggen: +"het schaap wenscht zich hoorns, maar het hert geeft ze hem niet."--Het +Lettische "met een gouden hengel visschen" herinnert ons aan het +Duitsche "met een zilveren spinnewiel spinnen."--Dat men den duivel +niet op den muur uitteekenen moet, leeren zij in de volgende spreuk: +"roep den wolf maar, en hij is er al." Ons "van den regen in den drup," +is bij hen niet minder veelbeteekenend en eigenaardig uitgedrukt in: +"hij vluchtte voor den wolf en liep den beer in den muil." + +Het Duitsche: "schrijf de schuld in den schoorsteen" heet bij hen: +"dat betale de spade" (namelijk de grafspade, de dood). Vergelijkt +Salomo de spraak bij een tweesnijdend zwaard, de Letten zeggen van +haar: "de tong hakt om zich heen als eene bijl, de tong hangt op als +een strik."--Hem, die eene oude verbintenis lichtvaardig breken wil, +waarschuwen zij met het zeer begrijpelijke en uit het dagelijksch +leven gegrepene beeld: "afgesneden brood plakt gij moeielijk weder aan +een." Niet weinig pikant zijn nog de volgende spreekwijzen der Letten: + +"Toon hem uw open hart, hij zal u den rug toonen," (van iemand, +die zijn hart bij een hardvochtig mensch uitstort). + +"Vraag den wolf om het lam," (bij een vergeefsch verzoek, dat men +tot een onbarmhartig mensch richt). + +"Hij zoekt het paard, waarop hij rijdt," (van een ontevredene, die +zijn geluk miskent). + +"Daar blijft de goudberg der rijken, daar blijft de bedelzak der +armen," zeggen zij van het alles gelijkmakende graf. + +Bestudeert men dezen door de Litauers en Letten in woorden gebrachten +schat van levenswijsheid,--beschouwt men het fijne, dat hunne taal +aanbiedt, fijnheden, die niet anders dan de uitdrukking van een +even fijnen volks-geest kunnen zijn, overweegt men de vele echt +dichterlijke gedachten in hunne liederen en "Dainos," die echter als +_membra disjecta_, (verstrooide ledematen) als verstrooide steenen +over het land verspreid liggen--ontdekt men ook de talrijke talenten +en gaven, wier kiemen duidelijk bij deze menschen zichtbaar zijn, +hunnen in kleinigheden zoo vindingrijken geest, hun buigzaam wezen, +dat zoo gemakkelijk het een of ander opneemt, dan mag men zich wel +met recht afvragen, hoe het toch gekomen is, dat bij dit volk zulk +een aanleg nooit tot een krachtige ontwikkeling gekomen is, dat +die _membra disjecta_ nooit tot een samenhangend geheel vereenigd +geworden zijn.--Vele hunner lessen van wijsheid zijn een Uilenspiegel +of een Esopus, ja zelfs een Sokrates niet onwaardig. Verscheidene +hunner dichterlijke beelden en uitdrukkingen zijn zoo treffend +en dichterlijk, dat geen Ovidius of Tibullus zich hun gebruik had +behoeven te schamen. Meer dan één groot dichter schijnt om zoo te +zeggen in deze geheele massa opgelost voorhanden, even als de parel +in den beker van Cleopatra. En toch is nooit, noch een Shakespeare, +noch een Goethe, noch een Tibullus of een Ovidius bij hen uit die +massa geconcentreerd en nedergeslagen geworden. Bij de Duitschers +vindt men nu eens een paar millioen prosaïsche boersche zielen, +en dan weder een Uhland of een Schiller als een Blocksberg in de +vlakte. Bij de Letten schijnt het dichterlijk bloed overal verspreid, +bijna ieder heeft er min of meer talent voor, maar men treft er geene +boven allen uitmuntende, geene opzien barende geniën. Het is alles +als van een gereten en verbrokkeld. Een jachtsneeuw van vlokken en +toch geen gletscher. Het is een uitgebreid veld met kleine boschjes, +waarin de vinken slaan. Nergens echter verheffen zich hooge boomen +waarin adelaars nestelen. + +De Koerlandsche, Lijflandsche en Poolsche heeren zijn, in hunne +dagelijksche gesprekken, altijd vol aardige anekdoten over hunne +Litauische en Lettische boeren; vertellen veel van schrandere +invallen en scherpzinnige opmerkingen, die deze gemaakt hebben; van +de vindingrijke wijze en kunstgrepen, waarmede zij zich spoedig uit de +verlegenheid geholpen hebben, en waarbij onze boeren om zoo te zeggen, +de handen en voeten in den weg zouden staan; van roerende trekken, +waarin zij de grootste aanhankelijkheid, trouw en liefde en andere +schoone eigenschappen van hun hart openbaarden. Ja, menig bewonderaar +van het Lettendom is tot de conclusie gekomen, dat dit volk door de +natuur tot de ontwikkeling der heerlijkste humaniteit en beschaving +bestemd schijnt geweest te zijn. Dit neemt echter niet weg, dat trots +deze veelzijdige begaafdheid, die hoogere humaniteit en beschaving +bij hen nooit doorgebroken of tot uitbotting gekomen is. Het volk is +altijd in Europa een obscuur en laag, zwak, rank gewas gebleven. + +Niettegenstaande de vele wijze ouden, die men, evenals de leerlingen +van Plato, sprekende onder de Letten gevonden heeft, is toch nooit een +Plato onder hen opgestaan. Niettegenstaande hunne fraaie spreuken en +leefregels, hebben zij nooit een Lycurgus of Solon voortgebracht, +die hun eene vaste en zelfstandige nationaliteit gegeven en een +staatsgebouw opgetrokken heeft.--Bij al hunne bekwaamheid en hun +vindingrijk genie, is toch nooit iets blijvends, iets van ingrijpenden +aard bij hen gevonden. Ongeacht hunne neiging tot vrijheid en +onafhankelijkheid, die hun even als allen menschen eigen is, trots de +verwonderlijke hardnekkigheid, waarmede zij in oude tijden somwijlen +hunne vrijheid tegen Slawen en Duitschers verdedigd en ook later nog +dikwijls getracht hebben te herwinnen, hebben zij toch geen Mozes en +Jozua, die het volk een eigen en duurzaam huis gebouwd of veroverd +had.--Daartoe heeft hun een hoogere vlucht, een sterk geconcentreerde +energie, eene groote neiging zich met elkander te vereenigen, kortom, +een zeker iets ontbroken, wat eerst elken schoonen aanleg eener +natie ontwikkelt, en wat de groote en machtige volken vormt. Hoe +zich dit laat verklaren en waardoor dit komt, valt moeielijk te +zeggen. Op de vraag: waarom één volk machtig, rijk en groot wordt, +en waarom het andere zich nooit uit zijne moerassen en wouden tot het +daglicht opwerkt? vinden wij dikwijls geen meer voldoend antwoord, +dan op die: waarom de eene plant in de natuur een bloemrijke heester +blijft, terwijl de andere tot een eik of een vruchtdragenden boom +opgroeit?--Een Lettisch spreekwoord zelf zegt: "wie zich tot een lam +maakt, die wordt door den wolf verscheurd." Hebben zij begrepen, dat +dit woord op hun geheele volk past, en dat het daarom den buit van +anderen werd, omdat het niet, zooals de duigen van een goed wijnvat, +van ijzeren hoepels voorzien was? + +Even als dat spreekwoord, zoo zou men ook de vele poëtische klaagtoonen +en treurliederen, die de Letten aan de arme weeskinderen wijden, +zeer goed op het geheele volk kunnen toepassen. "Arme verlatene +weeskinderen, tot wie niemand woorden van liefde richt, die niemand +hebben die hun tot voorspraak kan dienen; die in storm en sneeuwjacht +weenen en klagen, wier tranen alleen door de zon gedroogd worden," +zijn beelden en tooneelen, die in hunne, boven door mij aangehaalde, +elegische "Raudas" zeer dikwijls voorkomen. Dit volk schijnt in zijne +weeskinderen eveneens zich zelven te bezingen. Eene dier Lettische +weeskinderen-Raudas luidt als volgt: + +"Wij arme weeskinderen, aan den oever van een snelvlietend beekje +toevende, wachten onze moeder. O! wij treurende meisjes, verlatene +weezen, gewoon in bittere ellende te ontberen: niemand weet, hoe +droevig wij schreien. Alleen de zon weet het, die onze tranen met +hare warme stralen droogt. Alleen ons doekje weet het, waarmede wij +onze oogen afwisschen. Ach! zullen de moeders niet met den stroom +komen aandrijven?--Eeuwig stroomt het, eeuwig ruischt het. Maar de +kinderen wachten te vergeefs en snikken. Zuchtend en klagend gaan +zij hunnen weg." + +Met die weeskinderen, welke zij zoo dikwijls bezingen, zeg ik, is dit +in geheel Europa vergetene, verweesde, onderdrukte en werkelooze volk +der Litauers en Letten te vergelijken. Zij verwachten de reddende +moeders van den stroom der tijden. Maar nimmer komen deze aandrijven. + + + + + +FINNEN, LAPPEN EN SAMOJEDEN. + + +Door de onmetelijke wouden, aan de tallooze meren, over de +uitgestrekte, moerassige en dorre vlakten van het Noorden van +Europa--in de heuvel- en bergketenen, die ons werelddeel van Azië +scheiden en in de uiterste einden der Skandinavische Alpen, zoomede +aan de kusten van de Yszee, zijn eene menigte merkwaardige volken +en overblijfselen van volken verbreid, die allen in lichaamsbouw, +taal, zeden en ontwikkeling met elkander meer of min verbroederd, +en evenzoo van hunne zuidelijke naburen verschillend zijn, en die men +daarom kan beschouwen als tot eene en dezelfde volkengroep te behooren. + +Reeds Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt een oppervlakkig +bericht aangaande het bestaan van deze kinderen van het Noorden, +misschien door tusschenkomst der in verre streken handeldrijvende +Grieksche kooplieden aan de Zwarte Zee, gekregen te hebben. Want +hij zegt, "dat aan gene zijde der akkerbouwende Scythen (Slawen), +in de landen waar de zon niet meer schijnt, geheel wilde, geheel +vreemdsoortige volken leefden die hunne eigene taal spraken, die niets +met de 'Scythen' gemeen hadden, die zonder de minste gezellige orde, +jagende in de bosschen rondzwierven, en waarvan hij onder anderen +een stam aangeeft, die door hem de 'Melanchlänen' (de zwartmantels) +genoemd worden." + +Ook wat Tacitus in zijne beschrijving van Germanië ons van zijne +"uiterste Europeanen" mededeelt, en wat dezen Romein door tusschenkomst +der Germanen ter oore kwam, is slechts weinig en fabelachtig.--Toch +noemt Tacitus voor het eerst den naam der "Fennen" of Finnen, en zegt +van hen, dat zij van kruiden leefden, zich met dierenhuiden kleedden, +geene paarden bezaten, geen ijzer kenden en dat zij in "verwonderlijke +wildheid, in de allergrootste behoeftigheid" (mira ferocitas, foeda +paupertas) levende, geene Goden schenen te vereeren. + +De naam Finnen, die van het Germaansche "Fenn" (broekland, moerassig +land) afgeleid schijnt te zijn, is dien ten gevolge waarschijnlijk +eene overoude benaming der Duitschers voor hunne, in de noordelijke +moerassige streken wonende, naburen geweest. Wij hebben dien naam +tot op den huidigen dag blijven gebruiken, en op den geheelen ver +verbreiden Finschen volkstam overgebracht. + +Van alle Germanen zijn van oudsher de Skandinaviërs dezen Finnen, die +ook gedeeltelijk met hen hetzelfde schier-eiland bewoonden, het meest +nabij gekomen. De oudste Skandinavische overleveringen maken van hen +melding als van een ruwen, elkander over en weer beoorlogenden stam, +als "zonen der rotsen," als het "volk der bergkloven" en duiden hun +land aan met den naam "Jötunheim," het vaderland der "Jötunen" of +"Jätten"--der "bergwolven" en "der het licht schuwende toovenaars." In +latere geschiedkundige geschriften geven de Zweden en Noorwegers, +even als de Duitschers, hun ook den naam Finnen of Fennen. + +Behalve de Duitschers en Skandinaviërs, kennen wij in den historischen +tijd geen ander Europeesch volk, dat met deze Finnen in zoo groote +aanraking gekomen is, dan de Oostelijke Slawen, de tegenwoordige +Russen, wier woonplaatsen sedert onheugelijke tijden over eene lange, +groote uitgebreidheid, naast die der Finnen zich uitstrekten. Ook +zij schijnen in deze hunne naburen, het den Slawen vreemde en het hun +onder elkander eigenaardige, reeds vroeg opgemerkt te hebben. Want zij +hadden en hebben voor hen eene overoude, veelbeteekenende benaming. Zij +noemen hen "Tschuden", een woord, waarvan de afleiding duister is, +maar dat vermoedelijk zooveel beteekent als "vreemden," "niet-Slawen." + +Toen de Russen bij de uitbreiding hunner veroveringen tot aan den +Ural doordrongen, vonden zij daar ook overal deze vreemdsoortige +("Tschudische") stammen, en daar men nu dit geheele, lange gebergte, +dat de Finnen "Ogur" d.i. "de hoogten" noemden, door hen bezet +vond, en omdat men meende, dat zij uit de dalen van dit Aziatische +grensgebergte, als van uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen, even +als de daar ontspringende rivieren, zich over het Noordelijk Europa +verspreid hadden, zoo heeft men hun daarna ook wel den naam van +"Ogurischen, Ugrischen of Uralischen volkstam" gegeven. + +Bij de Finnen zelven, zijn natuurlijk al deze hun gegevene namen +onbekend. Daar zij, verspreid als zij waren over eene groote +uitgestrektheid, al hunne stambroeders nooit hebben leeren kennen; +daar zij nooit eene tot gemeenschappelijke daden, en onder hetzelfde +staatsbestuur verbondene natie gevormd hebben, zoo bezitten zij +ook geen naam, die op hen allen van toepassing is.--Iedere kleine +stam heeft zijn eigen naam. Toch keert bij velen hunner den naam +"Suomalaiset" of iets dergelijks, terug, dat naar de meening van +Duitsche onderzoekers, even als het Duitsche woord "Finnen" zooveel als +"watermannen of moerasbewoners" beteekenen moet, en men zou dien in +zekeren zin als den echten inheemschen, en met de moerassige natuur +van hun vaderland zamenhangenden, nationalen naam der Finnen kunnen +beschouwen. + +De tijd, waarin de verbreiding der "Finnen" of "Tschuden" of "Suomen," +van den Ural plaats mag gevonden hebben, moet vóór den oorsprong +der geschiedenis, ja vóór al de sagen van ons werelddeel, gezocht +worden; hij heeft zich noch door taalonderzoek, noch door andere +gevolgtrekkingen laten bepalen. Wijl wij intusschen in den historischen +tijd, de Slawen zoowel als de Germanen, altijd van het zuiden af, +tegen de Finnen zien optrekken, en deze, steeds voorwaarts gaande, naar +het noorden zien terugdrijven, zoo is het aan te nemen, dat de Finnen +als de allereerste binnentrekkers, als de eigenlijke oorspronkelijke +bewoners van Europa, of ten minste van een groot gedeelte van Europa +te beschouwen zijn, en dat, zoowel de Germanen als de Slawen, als +latere indringers binnen hun gebied moeten aangemerkt worden. + +Diensvolgens zullen, naar de zienswijze van verscheidene Duitsche en +Skandinavische geleerden, deze moeras-menschen zich eens veel verder +zuidwaarts hebben begeven, niet slechts het grootste deel van Rusland +en het Skandinavische schier-eiland bewoond hebben, maar dat men +ook in Denemarken en Duitschland, ja zelfs in Engeland en Frankrijk, +zooals ook in den nieuweren tijd in Zwitserland, in de zoogenaamde +"paalwoningen", sporen en monumenten van het bestaan der "Fennen" +ontdekt en aangewezen meent te hebben. Naar dit oordeel moeten zij +daar als de eigenlijke voor-historische, oorspronkelijke bewoners +beschouwd worden, wier kleine rookerige hutten in onze bosschen en +moerasachtige streken en langs onze rivieren verspreid waren, en +op wier graven wij Indo-Germanen, wij Duitschers, Celten, Slawen, +later onze steden bouwden en onze beschaafde staten oprichtten. + +Deze zienswijze wordt onder anderen ook ondersteund door de opmerking, +die eenige taalonderzoekers gemaakt hebben, dat namentlijk de +Finsche taal met die der in Europa ook overoude Iberiërs en Celten, +met welke de Finnen het bezit van het wereldeel deelden, veel meer +overeenkomst heeft dan met de talen der jongere Germanen en Slawen. Ook +Engelsche taalonderzoekers hebben in het idioom der Britten eenige +Finsche elementen ontdekt.--Ook aan gene zijde van den Ural, in de +onmetelijke landstreken van Noordelijk en Midden-Azië, heeft men de +sporen van ten ondergegane Finsche volken gevolgd.--Tusschen den Ural +en de grensgebergten van China, vindt men ontelbare gedenkteekenen van +verschillende soort: grafheuvels, aarden wallen, ruïnen, overblijfselen +van mijngrotten en bergwerken, waarvan de daar nu wonende Tataarsche +volken zeggen, dat zij noch van hen, noch van hunne voorouders, maar +veeleer van een ten ondergegaan ras afkomstig zijn. Men beschouwt +daarom deze werken als zoovele getuigenissen voor de aanwezigheid +van een daar wijd verspreid volk, en de Russen die nu die streken +beheerschen, gelooven, dat ook dit volk een "Tschudisch" of "Finsch" +volk moet geweest zijn. Zij noemen al die bovengenoemde overblijfselen +uit een over-ouden tijd "Tschudengraven", "Tschuden-vestingen" en +"Tschuden-putten." + +"Er is of was dus", zegt reeds de Duitsche Schlözer, "eene groote +Finnenwereld, die, met betrekking tot hare uitgebreidheid, een der +grootste in de geschiedenis der menschheid is, en in vergelijking +waarmede zelfs de groote Slawenwereld, zoo ver wij hare oorspronkelijke +grenzen kennen, eens eene kleinigheid was."--Nu ligt deze eens zoo +bloeiende Finnen-wereld in duigen, en is zij niets meer dan eene +ruïne, en wanneer eenig volk in Europa recht heeft, eene gouden +eeuw, een verloren Arcadië te beklagen, dan zijn het de Finnen, +die dan ook dikwijls de levendige frischheid van hunnen lang +verdwenen levensmorgen, "den tijd, waarin ieder Fin vrij, sterk, +wijs en gelukkig was; toen de honig van de takken zijner eiken +druppelde, en beken van melk zijn grond bevochtigden", in hunne +sagen afschilderen. Er zijn nu nog slechts eenige schrale loten in +'t leven van den eens zoo breed getakten boom, en ofschoon zij nu +van eene geringe politieke beteekenis zijn, zoo blijkt uit het boven +aangevoerde toch voldoende, van hoe groot belang in andere opzichten, +de studie en de poging eene karakterbeschrijving te vervaardigen van +deze Finsche volkenoverblijfselen, voor ons Europeanen zijn moet. + +_Hoe_ in Azië de vroegere Finsche volken te gronde gingen, en _welke_ +overblijfselen van hen, daar in Siberië en aan den Altaï misschien +nog te vinden zijn, hebben wij hier niet te onderzoeken. Volgens +ons aanvankelijk plan, blijven wij met onze beschouwing aan de +westelijke zijde van den Ural. In de zuidelijke gedeelten van dit +woud-gebergte, aan de midden- en boven-Wolga en hare nevenrivieren, +hebben in oude tijden die Finsche stammen gewoond, wier namen in de +wereld-geschiedenis het meest bekend zijn geworden. In die streken +waren de woonplaatsen der "Spalen", "Skamaren", "Sabiren" en na hen +die der meer beroemde Avaren, Bulgaren, Chasaren en Magyaren, die men +allen in hoofdzaak voor volken van Finschen oorsprong houdt.--Ik zeg in +hoofdzaak, want daar de Zuid-Finsche stammen zich allen in de nabijheid +van die breede volken-poort tusschen den Ural en de Kaspische Zee, en +bij den grooten Nomaden-weg uit Azië naar Europa ophielden, zoo werden +zij vermoedelijk reeds van den oudsten tijd af, door de langs dezen weg +binnentrekkende, hun naar taal en afstamming meer of minder verwante, +Mongolen en Tataren, in hunne woonplaatsen verontrust en in beweging +gebracht. Bij alle andere echte en onvervalscht geblevene Finnen, +zoover wij hen nu nog kunnen opnemen, merken wij geen grooten lust +tot reizen en trekken of tot het maken van veroveringen op. Veelmeer +verschijnen zij ons overal als stille, zwakke, verbrokkelde stammen, +als duldende offers en onderdanen van vreemdelingen, en niet als +de overweldigers en gebieders van dezen.--Misschien namen, zeg ik, +de genoemde Zuidelijke Finnen die groote vlucht, alleen door eene +vermenging met hunne, uit Azië voorwaarts rukkende bloedverwanten, +en wij hebben dus in hen alleen getatariseerde of gemongoliseerde +Finnen--bastaardvolken--te zien, die door genen uit den Ural, waar +zij woonden, losgescheurd en medegevoerd werden, en die door hen met +een grooteren ondernemingsgeest bezield, vervolgens, gedurende een +meer of minder langen tijd, zelfstandig eene rol in de geschiedenis +van Oostelijk Europa speelden. + +Eenige dezer Uralische of Finsch-Tataarsche gemengde volken hebben zich +slechts gedurende een korten tijd doen opmerken, zooals de nu nog ter +nauwernood bij naam bekende "Spalen", "Skamaren" en "Sabiren". Zij zijn +weldra weder verdwenen, en hunne namen staan deels nog slechts in de +oudste Russische annalen opgeteekend, deels leven zij nog, maar niet +zonder eene slechte nevenbeteekenis, in den mond der Slawische volken, +bij welke b.v. "Skamare" zooveel als een schelm, "Sabire" zooveel +als knecht, "Spale" zooveel als een lompert of roover beteekent. + +Andere van deze gemengde Finsch-Tataarsche volken daarentegen, zijn +tot grooter en blijvender macht gekomen. + +De Avaren, die wij in Europa het eerst aan de beneden-Wolga en aan den +Don zien verschijnen, volgden de Hunnen van Attila op hunnen tocht +naar het Westen, en stichtten een machtig rijk aan den midden-Donau +in het tegenwoordige Hongarije, van waar uit zij, even als de Hunnen, +in vele deelen van Westelijk Europa strooptochten deden. Zij leden +echter eene nederlaag tegen de Duitschers onder Pepijn en Karel den +Groote, door wie zij in het Westen, en tegen hunne eigene stamgenooten, +door wie zij in het Oosten aangevallen werden. De overblijfselen van +hun volk in het Donau-land, hebben zich later met de Magyaren vermengd. + +De Chasaren stichtten na de Avaren, aan de benedenste gedeelten der +Wolga en van den Don, een groot rijk, dat zijne grootste macht en +uitgestrektheid ten tijde van Karel den Groote verkreeg.--In deze +voor den wereldhandel zoo gunstig gelegene streken waren de Chasaren, +die niet onvatbaar voor ontwikkeling waren, een tijdlang de personen +die het goederen-verkeer tusschen Europa en Azië bevorderden en in +handen hadden; en het natuurlijke handelskanaal der Wolga droeg in +het Oosten, naar hen, langen tijd den naam "Chasaren-rivier". In de +9de eeuw werd echter hunne macht door de Russen, die onder hunne +Noormansche aanvoerders den eersten bloeitijd hunner geschiedenis +intraden, gebroken, en zij verdwijnen daarna midden in de later hier +bruisende volken-baren. Zij gingen geheel in de Turksche stammen op, +die reeds sedert het begin der 9de eeuw door de Uralisch-Kaspische +volken-poort Europa binnenstormende, de keten der Finsche volkstammen +aan den Zuidelijken Ural verbroken hadden. + +De Bulgaren, die aan de midden-Wolga te huis behoorden, stichtten daar +een, ten tijde der kruistochten bloeiend rijk, waarvan het middelpunt +in de nabijheid van het tegenwoordige Kasan, aan de vereeniging der +Wolga en Kama lag, en waarin zich, behalve landbouw en veeteelt, +ook handel en industrie ontwikkelden, maar dat in de 13de eeuw door +de Mongolen onder Batu-Chan vernietigd werd. Eene afdeeling dezer +Finsch-Uralische Bulgaren aan de Wolga, was reeds tijdens Karel den +Groote, door de naar het Westen gerichte volksbewegingen medegesleurd, +waarschijnlijk door de Chasaren naar den beneden-Donau gedreven, en +had daar op den rug van onderworpene Slawen, het tweede Bulgarenrijk, +dat voor langen tijd het Byzantijnsche Keizerrijk lastig en gevaarlijk +werd, gesticht. In dit Westelijke Bulgaren-rijk gingen echter de +Finsch-Tataarsche nationaliteit, taal en zeden weldra geheel verloren +onder de talrijke Slawen. Van hen is daar nu niets meer over dan de +naam der provincie "Bulgarije." + +De Magyaren eindelijk, wier oorspronkelijke woonplaatsen aan den +midden-Ural, aan de bronnen van de Kama zich bevonden, en die hier +door de Turksche Petschenegen opgejaagd werden, volgden wederom +hunne broeders in den algemeenen tocht naar het Westen en nestelden +zich, even als deze, in het midden-Donauland vast. Zij zijn van alle +Finsch-Uralische stammen de eenige, die tot op onze dagen als een +invloedrijk en historisch belangrijk volk zijn blijven bestaan. De +geweldige Tataarsch-Mongoolsche inval onder Dschingis-Chan en zijne +opvolgers in het begin der 13de eeuw, die weder zooveel Turken over +het geheele Oostelijk Europa bracht, en die, zooals gezegd is, ook +het laatste bloeiende Finnen-rijk, dat der Bulgaren aan de Wolga, +vernietigde, schijnt aan alle oorspronkelijk Finsche volks-bewegingen +in den Zuidelijken Ural een einde te hebben gemaakt. Van nu af hooren +wij van geene Avaren of Magyaren, of van andere geheel of half Finsche +stammen, die van daar uitgetrokken waren, meer. De geheele landstreek +in den Zuidelijken Ural, aan de beneden-Wolga en aan den Don, schijnt +nu bijna geheel getatariseerd of gemongoliseerd.--Heden ten dage vinden +wij daar nog de Tschuwaschen, Teptjären, Metscherjäken en Baschkiren, +allen tot den Islam bekeerde Finnen, die aan alle zijden door echte +Tataren omringd zijn, en behalve hunnen godsdienst, ook hunne zeden en +hunne taal aangenomen hebben, en daarom bijna even goed tot de Tataren +gerekend kunnen worden, als b.v. de gegermaniseerde Slawen in Saksen +tot de Duitschers. De meest bekende onder deze, tot Mohamed bekeerde en +nu Turksch-Tataarsch sprekende Finnen, zijn de Baschkiren of zooals zij +zich zelve noemen de "Baschkurt", die onder den naam "Pascatir" reeds +in zeer oude tijden daar bekend waren. Zij wonen in het oude stamland +der Magyaren, in de streken die eens "Groot-Hongarije" genoemd werden, +aan de bovenste bronnen van den zuidelijken hoofdtak der Kama, in de +dalen en op de heuvels der zuidelijke gedeelten van den midden-Ural, +ten noorden van Orenburg, waar alle hoogten, alle rivieren en beken +Baschkirische namen hebben, en luide verkondigen dat genoemd volk daar +lang inheemsch is geweest. Hun tegenwoordige naam "Baschkurt," die ook +bij de Arabische schrijvers genoemd wordt, moet zooveel beteekenen +als "de bijenhouders" en wijst op hunne lievelings-bezigheid, +de verzorging en voortteeling der in den Ural zoo veel voorkomende +wilde bijen. Ook doen zij iets aan den akkerbouw, en eenigen van hen +hebben vaste woningen. De meesten hunner wonen echter alleen in den +winter in huizen, en gebruiken ook alleen in den winter brood. In den +zomer leiden zij, met hun vee en hunne paarden een nomadisch leven, +en generen zich, even als de Mongolen, van de melk van hun vee. + +Ofschoon, zooals reeds gezegd is, oorspronkelijk Finnen, hebben zij nu +zelfs hunne oude taal, die nog in de 13de eeuw zeer veel overeenkomst +met die der Finsche Magyaren moet gehad hebben,--(Rubruquis, de +beroemde reiziger en gezant van den Franschen Koning naar den Chan +der Mongolen, merkt op, dat in zijn tijd de Baschkiren nog dezelfde +taal als de Magyaren gesproken hebben)--geheel tegen die der Turken +of Tataren omgeruild; zijn dezen zelfs ook in gelaatsuitdrukking en +in de donkere kleur van het haar gelijk geworden, en hebben van hen +eindelijk ook het Mohamedaansche geloof aangenomen.--Een bewijs voor +hunnen oorspronkelijk Finschen oorsprong, vindt men onder anderen +ook nog daarin, dat zij in oude tijden bij hunne Tataarsche naburen +"_Sari-Ueschtek_" (roodharige Oostjaken) genoemd werden. Zij moeten +dus wel, even als de meeste Finnen, vroeger blond of roodharig +geweest zijn. + +Op de zoogenaamde _Metscherjäken_ en _Teptjären_, die naast en +gedeeltelijk onder de Baschkiren wonen, zijn alle opmerkingen, die +wij aangaande laatstgenoemden maakten, van kracht. Met de genoemden te +samen, moeten de Baschkiren in staat zijn een leger van 100.000 ruiters +op de been te brengen, en de Russen zeggen van hen, dat zij, wat hunne +dapperheid en rooflustigen aard aangaat, na de Uralische Kozakken, +de eerste plaats onder de volken, der Orenburgsche landstreek innemen. + +Aan de Baschkiren en de Metscherjäken, sluiten zich hunne naburen de +_Tschuwaschen_ aan, die eveneens oorspronkelijk wel een Finsch volk, +maar nu in zoo hooge mate getatariseerd zijn, dat zij door verscheidene +ethnologen _geheel_ tot de Tataren gerekend worden. Bij de vermenging +met de Tataren schijnen zij hunne oude Finsche taal geheel verloren +te hebben. Bij eenige hunner stammen moet deze voor drie-vierde +Turksch-Tataarsch zijn. Een Duitsch taalonderzoeker, Schott, die +eene grammatica dezer taal uitgegeven heeft, houdt haar in haren +geheelen bouw voor wezenlijk Tataarsch. De Tschuwaschen hebben ook, +even als de Baschkiren, en anders dan de andere echte, zooals gezegd +is, meestal blondharige Finnen, donkere haren en een donkeren baard +gekregen, en ook in hunnen geheelen lichaamsbouw en levenswijze veel +van de Tataren overgenomen, die zij zelfs in hunne liederen, hunne +"broeders" noemen. Varkensvleesch is hun, even als den Tataren een +gruwel, ofschoon zij ten deele Christenen geworden zijn en nooit +Mohamedanen waren. Niettemin echter onderscheiden zij zich toch weder +zeer merkbaar van de echte en eigenlijke Turk-Tataren. Zij hebben +de Tataarsche kleederdracht niet. Zij wonen schuw en afgezonderd in +hunne eigene dorpen, en hebben niet, zooals de Tataren, de gewoonte, +te samen met de Russen in vlekken en dorpen te wonen. "Steden," zegt +een Russisch schrijver, "schuwen de Tschuwaschen als de pest." Zij +zijn ook veel koeler en ongevoeliger, dan de veel levendiger, +nieuwsgieriger en weetgieriger Tataren, die, als zij maar een +vreemdeling zien, allen klein en groot, voor de deur gaan staan en +hem met duizend vragen lastig vallen. Geheel anders de Tschuwaschen, +die, als zij een vreemdeling ontmoeten, hem nauwelijks met een blik +verwaardigen. Zij laten zich verder ook nog gemakkelijk van de geheel +verturkte Baschkiren en echte Tataren onderscheiden, redenen waarom +Russische geleerden hen nog altijd tot de Finsche volken rekenen. + +De Tschuwaschen maken nu nog een tamelijk volkrijke stam uit, en +moeten bij de 400.000 hoofden tellen, die in den omtrek van Kasan, +Simbirsk en Pensa, in de wouden en weiden aan de Wolga, als vreedzame +akkerbouwers en bijenhouders wonen. + + + +Zoo gewichtig de rol was, die de "door de Tataren geïnspireerde," +door hen in beweging gebrachte en met hen vermengde Zuidelijke en +Oostelijke Finnen in ouden tijd speelden, zoo weinig schitterend was +het lot hunner meer Noordelijke broeders. Over al de oorspronkelijke +stammen dier moeras- en boschmenschen, waarop de Skandinaviërs, +Slawen en ook andere Indo-Germanen, bij hun eerste binnendringen in +Europa gestooten zijn, en die zij waarschijnlijk uitgeroeid hebben, +zwijgt de geschiedenis. Zij zijn door den stroom der gebeurtenissen +weggevaagd, zonder eenig--behalve misschien de boven vermelde +"paalwoningen"--belangrijk spoor van hun bestaan, of eenig opschrift +op hunne graven achtergelaten te hebben. In den tijd van de eerste +schemering der authentieke geschiedverhalen, vinden wij hunne +overblijfselen reeds ver naar het Noorden teruggedrongen, en hunne +Indo-Germaansche naburen met hen, over eene lange grenslijn, aanhoudend +in aanraking en strijd. Daar de Skandinaviërs vroeger dan de Slawen, +in het Noorden van Europa eene groote politieke macht ontwikkelden, +zoo ontvangen wij ook eerst van deze zijde de eerste stellige berichten +aangaande hen. De voorgangers der Noormannen en Zweden zien wij van +den beginne af, op hun schiereiland aanhoudend voorwaarts schrijden, +in een voortdurenden veroveringsoorlog tegen de Finsche "Jötunen," +die zij voet voor voet altijd verder naar het noordelijk uiteinde +van hun schiereiland terug- en zamendrongen. + +Zelfs de allernoordelijkste Finnen aan de oevers der Witte- en +der IJszee werden reeds vroegtijdig door Noormansche zeevaarders +bezocht. In de 9de en 10de eeuw dreven zij in den omtrek van het +tegenwoordige Archangel een bloeienden handel, bij welken voornamelijk +een Finsch volk, de "Biarmiërs" of "Termiërs," als tusschenpersonen +diende. Naar hunnen eens zoo beroemden naam, draagt nog tegenwoordig +het Russisch gouvernement "Term" zijn naam. + +Sedert het midden der 12de eeuw, tijdens de kruistochten, begonnen +de Zweden onder hunnen koning Erik, door den bekeeringsgeest der +kruisvaarders aangetast, die gedeelten van het Finsche Oostland, +die het dichtst bij gelegen waren, namelijk het groote schier-eiland +tusschen de Bothnische en de Finsche golf te veroveren, blijvend te +bezetten en van kolonisten te voorzien. Sinds oude tijden woonden +hier de Finsche stammen der "Tawasten," "Cajanen" of "Quanen," +"Carelen" of "Karjalaiset" (d.i. kudden-mannen) en der "Inger," naar +wie nog heden de provinciën Tawasteland, Quäneland, Ingermanland, +en Karelië genoemd worden. De Zweden behielden het land 500 jaren, +maakten zijne bewoners tot Christenen, en onder hunne niet zeer harde +kolonie-wetten, is daar in dit _par excellence_ zoogenaamde Finland, +nog heden ten dage de grootste massa der eigenlijke Finnen blijven +bestaan. Ook in de koloniën die de Denen en de Duitsche ridders aan +de Oostzee vestigden, werd een Finsch volk, de zoogenaamde "Esthen", +onder de Germaansche heerschappij gebracht. + +Vóór allen echter drongen, sedert de stichting van een +grooten Russischen staat, onder Rurik, de Slawen het gebied +der Uralisch-Finsche stammen binnen, alles vernielende en +onderwerpende. Zij streden met de "Wessen," met de "Meezen," de +"Muronen" en andere volken van dezen stam. Voornamentlijk waren de +ver om zich henen grijpende burgers der Russische republiek Nowgorod, +van wier jongen staat de "Meezen" een hoofdbestanddeel uitmaakten, +verderfelijk voor de Finnen, en van de zooeven genoemde Finsche +volken bestaat nu niets meer, dan hunne in de Russische annalen van +Groot-Nowgorod opgeteekende namen. De Russen bezetten en koloniseerden +hunne landen, en namen de oorspronkelijke Finsche bewoners in den +schoot hunner eigene nationaliteit op. Zij drongen op deze wijze +veranderend, van Nowgorod uit in noordelijke richting naar de Witte +Zee door, en vernietigden op dezen tocht, gelijk een lawa-stroom, +langs de Dwina, schier alle oorspronkelijk Finsche bewoners. Als eene +breede wig dringt het Slawische land zich hier, langs de rivieren +Dwina en Onega, tusschen de onder de Zweden staande Finnen en de +oorspronkelijk Finsche stammen, naar den Noordelijken Ural in. + +Deze decimeering, opname en slawiseering van Finsche stammen door +Russische kolonisatie, heeft tot op de nieuwste tijden geduurd, en +heeft bij de toenemende vergrooting van het Russische rijk, ook in +noord-oostelijke en oostelijke richting om zich heen gegrepen.--Hier +zijn de eens zoo beroemde Finsche volken, b.v. de genoemde oude +"Permiërs" bijna geheel verdwenen. De Wogulen, Sirjänen, Permiërs, +Wotjäken, Tscheremissen en Modwinen, zijn tot op eenige ver verstrooide +bewoners van woeste streken saamgesmolten. + +De Groot-Russen zonden niet alleen soldaten en handelaren naar hen, +maar ook ijverige zendelingen en bisschoppen, die in de Russische +annalen als apostelen en martelaren der heidensche Finnen geprezen +worden. Bijna alles, wat zij doopen en tot de Grieksche kerk bekeeren +konden, nam ook langzamerhand de Russische taal, kleeding en zeden +aan. En dien ten gevolge is daar een groot gedeelte van hen die wij nu +Russen noemen, niets anders dan bekeerde en geslawiseerde Finnen, even +als een groot deel der tegenwoordige "Duitschers," als verduitschte +Slawen moeten beschouwd worden. + +Sedert de verovering van Siberië door de Russen in de 16de eeuw, +sedert de annexeering van verscheidene Oostzee-provinciën onder +Peter den Groote, en eindelijk sedert het verkrijgen van Finland +in het begin dezer eeuw, zijn nu schier alle Finsche stammen, met +uitzondering alleen der Magyaren en een gedeelte der van de Zweden +afhankelijke Lappen, onder het opperbestuur der Russen gekomen.--Om +nu een gemakkelijk overzicht te hebben, over hetgeen na al deze +gebeurtenissen, van de eens zoo groote volkenfamilie op Europeeschen +bodem nog overgebleven is, kunnen wij na het boven opgemerkte het +geheel in drie groepen verdeelen, en de volgende drie afdeelingen +aannemen: + +1. De overblijfselen der Finsche volken op het Skandinavische +schiereiland, die door de Baltische zee van hunne broeders in het +Oosten gescheiden zijn. + +2. De overblijfselen van Finsche stammen, aan het noordelijke en +middelste gedeelte van den Ural en aan de Kama en de Wolga, die door +eene breede geheel Slawische landstreek aan de Dwina, gescheiden zijn +van hunne broeders in het Westen. + +3. De Finsche volken in het midden tusschen die beide gedeelten, die +in het westen door de Baltische zee en in het oosten door de breede +Slawische landen-wig, van hunne broeders gescheiden zijn. + +De overblijfselen der Finsche bevolking in Skandinavië, of _Westelijke_ +Finnen, zijn van deze drie groepen tegenwoordig de zwakste en minst +belangrijke. + +Door het geheele binnenste gedeelte van het Zweedsche schiereiland +tot aan het Wener-meer, gaat in zuidwaartsche richting een streek, +wier bevolking nog min of meer met Finsche elementen doortrokken is, +en gedeeltelijk ook nog de Finsche taal spreekt. Zelfs in eene der +zuidelijkste provinciën van Zweden, in Gothland, vindt men nu nog +verscheidene zoogenaamde "Finnenheiden" of "Finnenwouden," waarin +enkele overblijfselen van Finsche bevolking uit de oudste tijden, +zouden zijn blijven bestaan. De Zweedsche Koningen hebben ook nu en +dan deze oude Finsche bevolking van hun rijk, door nieuwe versterkt, +doordien zij Finsche landlieden van gene zijde der Bothnische +golf, uit het eigenlijke Finland haalden en in Zweden zich lieten +nederzetten. In den ouden Skandinavischen tijd, waren de Finsche +bewoners van het schiereiland bijzonder beroemd om de vervaardiging +van smidswerk. Finsche zwaarden spelen eene hoofdrol bij de Zweedsche +helden. Ook moeten, zoo luidt ten minste de sage, de belangrijkste +bergwerken in Zweden, door Finnen ontdekt geworden zijn. Nu echter +hebben deze Zweedsche Finnen niet meer het karakter van eigendommelijke +stammen of volksgroepen. Zij bezitten geene nationale stamnamen meer, +leven verspreid onder de Zweedsche boeren, zijn reeds sedert lang +Luthersche Christenen en verstaan meestal ook de Zweedsche taal. + +Ook de in het hooge Noorden van Skandinavië, als Bedouïnen +rondtrekkende _Lappen_, worden door de Noorwegers en Zweden gewoonlijk +Finnen genoemd, en ofschoon de Lappen zich van de eigenlijke Finnen, +zoowel door lichaamsbouw, als door levenswijze en karakter zeer +onderscheiden, zoo schijnen toch de onderzoekingen naar hunne taal en +andere omstandigheden, het bewijs geleverd te hebben, dat zij slechts +een verschillend ontwikkelde tak van één en denzelfden wortel zijn. De +Lappen zijn over het algemeen klein van stuk; de eigenlijke Finnen +daarentegen even groot als andere Europeesche volken. De Lappen hebben +in den regel zwart haar, eene sterk geelachtige lichaamskleur, een +hoekig gezicht, platten neus, lange oogen, hooge bakbeenderen, breeden +mond, spitse, baardelooze kin, dik hoofd, pyramidale schedelvorm, +en schijnen in dit alles het Aziatisch-Mongoolsche type in zeer +hooge mate te naderen. Hunne naburen en broeders daarentegen, de +eigenlijke Finnen, hebben meestal blond haar, ronde gelaatstrekken, +eene frissche gelaatskleur, en dragen over het algemeen in mindere mate +de kenteekenen van het Mongoolsche ras. Beiden hebben een zeer van +elkander afwijkend temperament. De eigenlijke Fin heeft in den regel +iets beslissends, iets krachtigs, een rijp verstand, een dikwijls +somberen ernst en diepe melancholie. "De Lap daarentegen is een +ten eenemale wild, zorgeloos natuurkind, een wonderlijk mengsel van +wantrouwen en kinderlijke luimen en gemoedsaandoeningen." Eindelijk is +de Lap met hart en ziel een nomade, trotsch op zijne kudden rendieren, +heeft eene echte Bedouïnen-natuur, en laat zich volstrekt niet in +een rustigen kolonist veranderen. Kan hij als eigenaar van kudden +niet meer bestaan, dan grijpt hij in zijn nood naar het visschers- +en jagers handwerk, letterlijk nooit naar den akkerbouw. + +Zijn buurman, de eigenlijke Fin daarentegen, is in den regel een rustig +landman, en als zoodanig wordt hij door de Lappen verafschuwd. Deze +gaan voor de nederzettingen der Finnen overal op de vlucht. En dat de +antipathie, deze nationale weerzin tusschen Lappen en Finnen reeds van +zeer ouden datum is, wordt daardoor bewezen, dat het beroemde oude, +Finsche nationale-heldendicht "Kalewala" hoofdzakelijk de tegenkanting +en den strijd tusschen de oude Goden en helden der Finnen en die der +Lappen tot onderwerp heeft. + +Dat echter, trots al deze sterke verschillen, de Lappen toch met +de Finnen tot één en denzelfden volkstam gerekend moeten worden te +behooren, wordt, zooals opgemerkt is, uit verscheidene verhoudingen en +omstandigheden duidelijk. Ten eersten daaruit, dat beide stammen sedert +onheugelijke tijden naast elkander gewoond hebben. De Lapsche taal +heeft denzelfden bouw en wortelen als de Finsche, en het is niet aan +te nemen, dat den Lappen deze Finsche taal met geweld opgedrongen zou +zijn, omdat wij er niets van hooren, dat de Finnen ooit de gebieders +en leermeesters der Lappen geweest zijn. De sagen en mythen der +Lappen zijn, trots den strijd tusschen hunne Goden en helden, innig +met die der heidensche Finnen samen geweven. Men heeft, kort geleden, +ook bij hen, epische gedichten ontdekt, die zeer overeenkomen met die +der Finnen. Dat de Skandinaviërs beide volken onder denzelfden naam +"Finnen" samenvatten, moge te dien opzichte niet veel bewijzen, wel +echter de omstandigheid, dat de Lappen zich zelven een nationalen +naam geven, die in vorm en beteekenis geheel overeenstemt met dien, +welken ook de Finnen op zich toepassen. Deze noemen zich, zooals reeds +opgegeven werd, "Suomalaiset," gene "Saomelad" en beide beteekenen +hetzelfde, "moerasmenschen." Daarenboven zijn ook alle zooeven +aangegevene afwijkingen en contrasten tusschen de beide natiën niet +zoo groot, dat zij eene nauwe verwantschap zouden uitsluiten. De +kleinere gedaante der Lappen kan hare oorzaak hebben in het ruwere +klimaat en in het verschil van levenswijze. Het leven der Lappen +wisselt veel meer af dan dat der Finnen, tusschen den grootsten +overvloed en het bitterste gebrek, tusschen groote hitte en scherpe +koude, tusschen groote inspanning en volslagene werkeloosheid. Door +muskieten vervolgd, vluchten zij sedert eeuwen in den zomer naar de +zee, om zich en hunne kudden in zeelucht en zout water te baden, en +door honger gedreven snellen zij in den herfst terug naar de bergen, +waar hun rendiermos groeit. Dat van verschillende takken van denzelfden +stam, zich de eene aan landbouw, de andere aan een nomadisch leven +wijden, en er scherpe contrasten en groote antipathiën tusschen hen +zijn ontstaan, is eene verschijning die in de geschiedenis der volken +meermalen voorkomt. Ja! onder de onderafdeelingen en de verschillende +gedeelten der Lappen zelven, bestaat eene bijna even zoo sterke, ten +deele onverklaarbare tegenzin voor elkander. De "Lappen van Umea" +b.v. hebben een zoo diepen afschuw voor de "Lappen van Lulea," dat +zij, ofschoon beiden nomadische bloedvrienden zijn, volstrekt niet +met elkander om gaan en nooit onder elkander trouwen. + +Het in aantal zwakke volk der Lappen is, als op zich zelf staande +familiën, verstrooid in de wilde dalen en kloven, aan de tallooze +meren en fjorden van een uitgestrekt en onvruchtbaar, maar aan +natuurwonderen rijk en weinig bekend gebied, dat zich door noordelijk +Zweden en Noorwegen, en door een gedeelte van Rusland tot aan de +Witte Zee uitstrekt. De kale rotsen en ijsbergen hunner marken, en +de ontembare natuur van deze, geven voor het vervolg niet de minste +hoop, dat ook akkerbouw, beschaving en sterke bevolking zich tot in +dezen uithoek van Europa zullen uitstrekken. Rendieren en Lappen +is het beste wat het daar geven, kan, het eenige wat daar bestaan +kan. Echter moet hierbij nog opgemerkt worden, dat eene zekere langzame +germaniseering bij de aan de Zweden en Noorwegers onderworpene Lappen, +schijnt plaats te grijpen. Taalkundige onderzoekingen ten minste hebben +doen zien, dat reeds een derde der woorden van hunnen taalschat van +Skandinavischen oorsprong, of wel eene bloote overzetting van het +Zweedsch en Noorweegsch is. Bij de aan de Russen onderworpene Lappen +kan een dergelijk proces van langzame slawiseering plaats hebben. + + + +De tweede of Oostelijke groep overblijfselen van Finsche volken, aan +den Noordelijken en Midden-Ural en aan de Wolga, biedt eene groote +verscheidenheid van zeer verschillende stammen en namen aan. Tot hen +behooren de van het Zuiden naar het Noorden naast elkander wonende +_Tscheremissen_, _Mordwinen_, _Wotjäken_, _Permiërs_, _Wogulen_, +_Ostjäken_, _Sirjänen_, en in velerlei opzicht ook nog de aan de +IJszee hun kommerlijk bestaan rekkende _Samojeden_. + +De Zuidelijkste van deze Oostelijke Finnen zijn de _Tscheremissen_. Zij +hebben de meeste overeenkomst met de Tschuwaschen, zoowel wat betreft +hunne woonplaatsen als met betrekking tot hunne stamverhoudingen. Even +als de Tschuwaschen wonen zij in den omtrek van Kasan, maar meer +noordelijk dan deze, en aan de oevers der beneden-Kama. Daar zij, +even als Tschuwaschen, dikwijls en lang onderworpen waren aan de +Tataren, zoo hebben ook zij veel, ofschoon veel minder dan gene, +van dezen overgenomen. Zij zijn een overoud Finsch volk, van wier +namen wij, reeds sedert duizend jaren, eenige sporen in de Russische +annalen vinden. De meeste der Tscheremissen zijn nu christenen, maar +even als onder andere dezer Noord-Oostelijke Europeanen, vindt men +onder hen ook nog heidenen, die echter tegelijk met hunne afgoden, +de Russische heiligen even als ook Mahomed aanroepen, en zoowel +mahomedaansche als christelijke feestdagen en heidensche gebruiken +waarnemen. Hunne lichamelijke gesteldheid, hun blond haar, hun +dunne baard, hun eerlijk maar stuursch karakter, hun schuw wezen, +dit alles kenmerkt de Tscheremissen als Finnen. Ook zijn de bij hen +gebruikelijke kleederen, even als de inrichting hunner woningen en +hunner huishouding, geheel op Finschen voet geschoeid. + +De heidensche Tscheremissen noemen hun oppersten God, "Juma" wat een +onder de Finsche volken zeer algemeen verspreide naam is. Want "Juma" +of "Jumala" of "Jummal" of "Ibmel" is bijna bij alle Finnen de naam +der Godheid of van den Hemel. Deze "Juma", zeggen de Tscheremissen, +is de schepper der natuur en der menschen en regeert het wereldgebouw. + +Zij gelooven ook aan een boozen geest, dien zij "Keremet" of +"Keremiet" noemen. Bij de schepping der wereld, en der menschen, +hielp deze Keremiet Juma. Maar hij werd hoogmoedig en wilde Juma +evenaren. Daar hij echter in kracht bij dezen ten achter stond, +zoo bedierf hij Juma's scheppingen. Toen deze b.v. het drooge land +scheppen wilde, en Keremiet beval in de gedaante van eene eend op +de wateren rond te zwemmen, en in het water duikende de aarde op +te halen, toen deed Keremiet dit wel, maar hij gaf niet alle aarde, +die hij opgedoken had aan Juma af, maar hield er een gedeelte van in +zijn bek, en toen de schoone oppervlakte van het landschap klaar was, +toen spuwde hij de achtergehoudene aarde uit, en waar die nederviel +ontstonden wilde bergen en andere nadeelige zaken. + +Onder denzelfden breedtegraad met de Tscheremissen, maar meer +westelijk, aan de rechterzijde van de Wolga, zijn de overblijfselen +der Mordwinen verstrooid. Zij werden in deze streken, dus in den +grooten landencirkel tusschen de Oka en de midden-Wolga, reeds door +Byzantynsche schrijvers en als onderdanen der West-Gothen genoemd. Hoe +lang zij reeds in deze streken te huis behooren, blijkt onder anderen +reeds uit de omstandigheid, dat zij nog heden ten dage de Wolga met +denzelfden naam noemen, waaronder zij den Grieken en Romeinen bekend +was. Zij noemen haar "Ràwa", wat eigenlijk met den naam der ouden: +"Rha" tamelijk wel overeenkomt. + +Als zeer dicht bij de hoofdmassa der Slawische bevolking van Rusland, +hebben zij nu reeds meer van de levenswijze van het Russische landvolk +aangenomen, en komen zij ook in lichaamsbouw en in hun geheele wezen +den Russen meer nabij dan de andere Finnen. + +Men heeft al de zooeven genoemde Finnen-stammen, ook wel samengevat +onder den naam Wolga-Finnen, omdat zij zich allen langs den oever en +de vertakkingen van deze rivier groepeeren. En de Wolga zelve, aan +wier machtige polsader het leven der Finnen, zich eens zoo belangrijk +en voor de wereldgeschiedenis zoo gewillig ontvouwde,--aan welke +de dikwijls door mij genoemde Bulgaren en Chasaren hunne bloeiende +en niet geheel onbeschaafde rijken stichtten--van waar de Finsche +Avaren en Magyaren naar Westelijk Europa trokken,--deze Wolga zelve, +zeg ik, heeft men wel de groote "nationale rivier der Finnen" genoemd, +evenzoo als men den Dnieper bij voorkeur de Slawen-rivier, en den Rijn +de Germanen-stroom genoemd heeft. Even als naar het reeds opgemerkte, +de den Grieken bekend geworden naam voor de Wolga "Rha", zoo moet ook +de bij de Tataren gebruikelijke naam voor deze rivier, "Itil" niet +van Tataarschen of Slawischen, maar van Finschen oorsprong zijn. De +Tataren namen den Finnen de Wolga af, en nu is zij, nadat ook de +macht dezer Tataren onderging, de hoofd-levensbaan der Groot-Russen +en Kozakken geworden, en heeft daarom ook algemeen den Slawischen +naam Wolga aangenomen. + +Noord-Oostwaarts van de Wolga en van Kasan, aan de door hen zoogenoemde +Wiatka, komen het eerst de _Wotjäken_ die zich zelven "Udmurdi" +d.i., "mannen" noemen. Zij zijn in de meeste zaken den Finnen in het +tegenwoordige Finland zeer gelijk. Zij moeten sedert de heerschappij +der Russen, dus sedert 300 jaren, hunne nomadische levenswijze hebben +laten varen en tegen een meer rustig leven verruild hebben. Zij worden +als zeer vlijtige en bekwame landbouwers geroemd.--"Nauwelijks is de +winter voorbij, of de Wotjäk verlaat zijne warme, vol rook staande +'Isba' (houten hut), waarin hij in gezelschap zijner ganzen, eenden +en kalveren het koude jaargetijde zeer genoegelijk heeft doorgebracht, +betrekt geheel doorrookt en met zieke oogen de luchtige zomerstroohut, +en begint zijn werkzaam leven, ploegt, zaait en egt, evenwel niet +eerder voor dat hij daarvoor de noodige gunstige voorteekens gehad +heeft, voor hij den hemel nauwkeurig gadeslagen en den raad der +grijsaards ingewonnen heeft." Zij zijn bij de Russen beroemd om hunne +huishoudelijke bekrimping, maar ook om hunne eerlijkheid. Wat zij +eenmaal bij wijze van verdrag, beloofd hebben te geven, dat geven +zij ook even als alle Finnen. Hunne naburen, de Tataren schijnen zij +van oude tijden af te vreezen, want zij hebben een spreekwoord "de +Tataar is een wolf, de Wotjäk een hazelhoen." Gedeeltelijk zijn zij +nog heidenen en vereeren, even als de meeste nog heidensche Finnen +een aardgod (het goede principe) en een watergod (het booze wezen), +en boven beiden een oppergod, dien zij "den Ouden" noemen. Hunne +vrouwen, die zich even als de vrouwen van alle Finsche volken door +eene groote eigenaardigheid in hunne nationale-kleeding van de mannen +onderscheiden, dragen hooge uit berkenschors vervaardigde mutsen, die +zij met geweven stoffen overtrekken en met zilveren munten versieren. + +Noordelijk van deze Wotjäken wonen de _Sirjänen_ en Oostelijk van hen +de _Permiërs_. De 30.000 Sirjänen (grensbewoners) zijn verscholen in +de Noordelijke gedeelten der groote wouden van Noord-Oostelijk Rusland, +die de grootste naaldhout-magazijnen van geheel Europa vormen. Zij zijn +als zeer goede jagers en vooral als koene beerenjagers beroemd. Reeds +hunne kleine kinderen vragen hunnen ouders om niets met meer aandrang, +dan om "knalspeelgoed" (een geweer). "Van de jeugd af in het jachtwerk +geoefend, worden zij zulke volleerde schutters, dat bij hen geen +ander schot voor goed geldt, dan in den snuit van het beest, opdat de +huid onverlet blijve." Kruit, dat in hunne dichte wouden altijd een +zeldzaam artikel is, schijnt hun even kostbaar als stofgoud. Alleen +onder de dringendste omstandigheden, deelen zij daarvan aan anderen +mede, en stellen dan daarbij als voorwaarde, dat het in _natura_, kruit +tegen kruit, terug betaald moet worden. Als zij het woud binnentrekken, +tellen zij zorgvuldig het aantal patronen of schoten die zij medenemen, +en berekenen daarnaar het aantal pelzen, die zij mede terugbrengen +zullen. Ook de in kruit handelende koopman weet precies, hoeveel otter- +of hermelijn- of vossenpelzen hij voor ieder pond kruit, dat hij eenen +Sirjän crediteerde, terug verwachten kan.--In hun nationaal-karakter +verraden zij nog nu hunne nauwe verwantschap met den Finschen +moederstam. Overleg, ernst, eerlijkheid en bedachtzaamheid kenmerken +den Sirjän even als de andere Finnen. Voor het overige moeten zij nu +ook reeds begonnen zijn, meer overeenkomst te krijgen met de Russische +boeren. Rusland verandert of verzwelgt al deze Finsche volken, even +als het Anglo-Saksische ras de Indianen van Noord-Amerika. + +Hetzelfde laat zich van de niet talrijke _Permiërs_ zeggen, die +in den omtrek der naar hen genoemde stad Perm wonen. Eens waren, +zooals reeds gezegd is, deze Permïers beroemd, en was hun naam, +als die van een bedrijvig Finsch handelsvolk, ver in het Noorden +en bij de Skandinavische zeevaarders bekend. Men heeft ook wel de +Sirjänen en Wotjäken, en nagenoeg alle Noord-Oostelijke Finnen, +onder den gemeenschappelijken naam van den "Permischen Finnen-Stam" +saamgevoegd en hen door deze benaming onderscheiden van de Zuidelijke +"Wolga-Finnen."--Thans echter, nu de Russen vele houten steden onder +hen gebouwd hebben, is de glans van den naam "Permiërs" verdwenen, +hunne getalsterkte tot 30,000 koppen ingesmolten en hunne nationaliteit +met die der Slawen vereenzelvigd. + +Nauwelijks hebben zij van de, in de oude annalen der Skandinaviërs +en Russen zoo dikwijls besproken tijd, toen de Permiërs, als een half +beschaafd volk, den handel van het Europeesche Noorden met het Oosten +in aanraking brachten, toen zelfs Arabische en Indische waren hier +doorgevoerd werden, eenige overleveringen bewaard. + +Nog verder Oostwaarts van de Permische Finnen, wonen de _Wogullen_ +en naast hen de _Ostjäken_, wier met elkander verwante talen bewijzen, +dat zij eveneens tot den Finschen stam behooren. + +Al deze volken echter, vallen in hoofdzaak reeds buiten den kring +onzer beschouwing, want zij staan, om zoo te zeggen, nog slechts met +éénen voet op Europeeschen bodem. Het gebied, waarover zij verspreid +zijn, strekt zich grootendeels aan de andere zijde van den Ural uit, +langs de Westelijke nevenrivieren der Irtisch en Ob. Ook gaan zij, +aan de Ob, Siberië diep in tot aan Tomsk en verder. + +Noordelijk van de Wogulen en Sirjänen, in het allerwoestste en door de +natuur het schraalst bedeelde gedeelte van ons werelddeel, op kale, +boomlooze gebieden, en in zelden ontdooide moerassen, de akelige +zoogenaamde "Tundren" aan de oevers eener bijna altijd met ijs gevulde +zee, houdt zich eindelijk de armzalige stam der Samojeden op. Wel +behooren zij in hoofdzaak tot Azië, en hebben daar (aan den Altai) +ook hun oud stamland, van waar uit zij, door onbekende gebeurtenissen +en omwentelingen, naar de uiterste, noordelijke uiteinden der wereld +gedreven zijn. + +Hunne jachten en hun heen en weer trekken brengen hen echter ook op +Europeesch gebied, zelfs tot in de nabijheid van Archangel, waar zij +somwijlen dat andere, Europa geheel toebehoorende, trekkende volk, +de Lappen, ontmoeten.--Even als de Lappen, en in nog hoogere mate +dan die, verschillen de Samojeden in taal en wezen van hunne Finsche +naburen. Volgens Pallas behooren zij naar de vorming van hun hoofd, +naar hunne breede platte gezichten, "die echter bij hunne jonge vrouwen +somwijlen zeer aangenaam kunnen zijn," naar hunne opgetrokken lippen, +hun zwart, borstelig haar, het meest tot de Tungusen, den grootsten +volksstam van Noord-Oostelijk Azië. Desniettemin zijn zij ook weder +aan hunne Finsche naburen verwant, zooals dit een nieuw, onvermoeid +onderzoeker dezer streken en volken, de uitstekende geleerde en +reiziger Castrèn, aangetoond heeft. + +Even als de Finsche Ostjäken kleeden zij zich in rendiervellen. Hunne +taal toont in hare wortelwoorden eene groote overeenstemming met +de Finsche dialekten aan de Wolga. Ontelbare eeuwen lang hebben +zij met deze Finsche volken in nabuurschappelijke, landbouw- en +familie-betrekkingen gestaan. Ook in hunne zeden en gebruiken +hebben zij dikwijls eene groote mate van overeenstemming met +die der Finnen. Zoo, om één voorbeeld uit velen aan te roeren, +b.v. bij verlovingen. Bij de Samojeden rijdt de trouwlustige met +dengeen die zijne aanstaande voor hem vragen zal, naar het huis der +uitverkorene. De bruidwerver gaat binnen en brengt den vader of voogd +der bruid, de aanvrage over. Gedurende dien tijd, moet de minnaar zelf +daarbuiten in de koude bij de slee en de paarden blijven wachten, +tot men hem de toestemming komt mededeelen. Dit en alle verdere, +daarbij voorkomende details van het gedrag en handelwijze, vindt men +juist zoo ook bij de 500 mijlen verwijderd wonende Finsche Esthen in +de Duitsche Oostzee-provinciën weder. + +Zelfs de naam _Samojeden_ of _Samogieten_, waaronder zij van oudsher +bij alle volken, ook bij de Mongolen bekend waren, schijnt van Finschen +oorsprong. Deze naam komt ons, onder de meest verschillende vormen, +in de geheele Finsche wereld, tot aan de grenzen van Duitschland +tegen. Ik heb reeds opgemerkt, dat de Lappen zich "Samelads" de Finnen +"Suomalaiset" noemen. In Litauen vinden wij eene oude provincie +"Samogitie" en zelfs in Pruisen nog een "Sameland." Het zijn allen +woorden, die een gemeenschappelijken Finschen oorsprong schijnen +te hebben. + +Het duidelijkst openbaart zich de verwantschap der Samojeden en Finnen, +in den verwanten geest hunner taal en nationale-poëzie. Tot in het +midden der vorige eeuw had men, in het dikwijls laatdunkende Europa, +zulke grove en onphilosophische voorstellingen van de arme Samojeden, +dat men meende, dat dit volk zich in plaats van eene taal, bediende van +"een zeker dierachtig knorren en sissen." Het is eerst een resultaat +van nieuwe onderzoekingen, waarover men zich zeer te verheugen heeft, +dat ook de Samojeden niet alleen eene zeer kunstige en ontwikkelde +taal met verschillende dialecten bezitten, maar in deze taal, ook +allerlei sprookjes, aardige vertellingen en liederen gedicht hebben. + +Een groot kenner der Finsche volkeren zegt, dat zelfs het beroemde +Finsche heldendicht "Kalewala," waarvan wij hier beneden het een en +ander zullen mededeelen, alleen te beschouwen is als eene ontwikkeling +der zaadkorrels, die ook in de Samojeedsche volkswijze verborgen +liggen. De rapsodiën van het Finsche heldendicht Kalewala en der +Samojeedsche heldenliederen, schijnen uit dezelfde bron voortgekomen +te zijn.--"Heldenzangen van dit soort staan bij de Samojeden in hoog +aanzien. Met bijna godsdienstige aandacht luisteren de toehoorders +naar ieder woord, dat over de lippen van den zanger komt." Zij laten +hem gewoonlijk midden in het vertrek plaats nemen en de toehoorders +plaatsen zich in een kring om hem heen. "De zanger zelf is niet zelden +gedurende zijne voordracht zoo geroerd, dat bij zeer aangrijpende +passages zijn lichaam trilt en zijne stem beeft." De toehoorders +zitten meerendeels stom om hem heen. Bij opwekkende passages en +momenten van het verhaal echter--wanneer de held van het gedicht, die +nog in de wieg liggende er reeds aan denkt dat het tijd is zich eene +huisvrouw te kiezen, vervolgens, even als Herkules, als een krachtig +mensch uit de wieg opstaat, en uittrekt om de koningsdochter op de +met koper bedekte burgt te winnen--als hij na eene avontuurlijke +reis van zeven weken, onder de aarde door, het doel bereikt,--daar +in eene hermelijn verandert en op de muren en boomen huppelende +alles afloert--als hij met zijne minnaars in strijd geraakt,--zijn +tooverpijl op hen afschiet, die nog krachtiger dan de snorrende pijl +van Odysseus, op den aftocht 20 dezer medeminnaars doodt, en op den +terugweg, terwijl hij tot zijnen heer gehoorzaam terugkeert, weder +20 doorboort--wanneer dan echter ook de strijder zelf òf valt en +sterft, òf triumfeerend met zijne veroverde geliefde op een adelaar +rijdende opstijgt--bij al zulke passages van de vertelling, drukken +die Samojeedsche toehoorders luide en eenstemmig hunnen bijval uit. + +Overigens houden de Samojeden--zoo zegt ten minste de heer Castrèn--het +voor eene gemakkelijke zaak een lied te dichten, want ieder hunner +rekent zich daartoe in staat. Maar een lied goed te kunnen zingen, +roerend te kunnen _voordragen_, dat geldt bij hen voor een zeldzaam +en hooggeschat talent. Men zou hier kunnen zeggen: _Tout comme chez +nous_. Want ook bij ons zijn de zangers en acteurs er beter aan toe +dan de dichters. + + + +Nadat wij zoo de wereld der Finnen tot hare uiterste Noord-Oostelijke +voorposten en stamverwanten gevolgd hebben, willen wij ons naar het +Westen keeren, waar wij midden tusschen de overblijfselen der Finnen +van het Skandinavische schier-eiland, en tusschen de gedeeltelijk +verturkte of verrussischte Finnen van den Ural, het verreweg grootste +getal echte Finnen langs de Oostelijke kusten van de Baltische zee in +eene hoofdmassa dicht bijeengedrongen vinden. Dit zijn ten eersten de +Finnen in de nu bij voorkeur "Finland" genoemde Russische provincie, +vervolgens de Kareliërs in het Oosten en Noorden, de _Ingern_ ten +Zuiden van Petersburg, en eindelijk de _Esthen_ in Esthland. + +Al deze stammen waren als oorspronkelijke bewoners aan weerszijden en +rondom de groote golf, die met veel recht naar hen de Finsche genoemd +is geworden. Te zamen tellen zij meer dan twee millioen zielen, en +zij overtreffen in aantal verreweg alle andere bovengenoemde zwakke +en dun gezaaide Finnenstammen in het Oosten, Noorden en Westen, +die gezamenlijk wel niet meer dan een millioen zielen zullen tellen. + +De Zuidelijke grens, tot waar deze Baltische Finnen de grondbevolking +uitmaken, loopt nu tot eene lijn, welke van het Zuidelijk uiteinde van +het meer Peipus, westwaarts door het midden van Lijfland kan getrokken +worden.--Vroeger gingen ook hier de Finnen veel verder Zuidelijk, +in voorgeschiedkundige tijden waarschijnlijk, zooals reeds gezegd +is, tot diep in Duitschland en het Westen van Europa; evenwel zijn +zij zelfs nog in historische tijden--nog buiten geheel Lijfland en +Koerland aan te wijzen. + +Even als door de Skandinaviërs in het Westen, door de Slawen en Tataren +in het Oosten, zoo schijnen ook hier in de Oostzee-provinciën de +Letten door hunne naburen, de Indo-Germaansche Letten of Litauers, +die zich aan den Niemen en aan de Duna vastgenesteld hadden, +aangevallen, overweldigd, uit hunne woonplaatsen verdreven of van +hunne nationaliteit beroofd te zijn geworden, en wellicht duidt op deze +gebeurtenis nog de tegenwoordige naam, die de Letten den Finnen geven, +de naam "_Iggaunis_," dat zooveel als "de verdrevenen" beteekent. Deze +naam staat in eene zeer beteekenisvolle tegenstelling tot dien, welken +deze Finnen zich zelven geven, namelijk met den naam "_Tallopoig_" +"zonen der aarde," of "_Maamees_," "mannen des lands." Het is, alsof +deze oorspronkelijke Europeanen, met dergelijke nationale-namen als +"het volk," "de mannen," "de lieden," "de menschen," die herhaaldelijk +bij verscheidene hunner stammen als nationale-namen voorkomen, en +die er op schijnen te wijzen, dat zij zich als het eigenlijke ware, +oorspronkelijk Europeesche menschen-geslacht, beschouwen, hebben willen +protesteeren tegen de invallen der binnendringende Indo-Germanen. + +Men vindt in de Noordelijkste punten van Koerland, en ook in +het Zuidelijke of Lettische gedeelte van Lijfland, eenige kleine +districten, in welke, midden onder de Letten, overblijfselen der oude +Finsche _Koeren_ en _Liven_ tot op den nieuweren tijd toe leefden. Doch +ook bij deze Finsche overblijfselen krijgen Lettische taal en zeden +de overhand. In hoofdzaak bestaat hier niets meer van hen dan de +landnamen Koerland en Lijfland, die niet van de Letten ontleend, +maar van Finschen oorsprong zouden zijn. + +De Finnen, die nu nog de grond-bevolking van het Noordelijke Lijfland +en van de provincie Esthland uitmaken, worden door de Duitschers +gewoonlijk _Esthen_ of _Oesthen_ (dat is Oostlanders) genoemd. + +Het is een overoude naam, dien de Germanen voor alle Oostwaarts van hen +wonende kustvolken der Baltische zee gebruikten, die bij Tacitus reeds +bekend was en die nu, in de zooeven aangegevene nauwe grenzen, nog +in zwang is gebleven. De zoogenaamde Esthen kennen hem natuurlijk niet. + +Zij tellen wel bij de 600,000 zielen. Vroeger waren zij een koen +en vrij jagers-, visschers- en zeeroovers volk, maar sedert lang +hebben zij onder eene harde dienstbaarheid der Duitsche ridders en +kolonisten gezucht, die hun land onder elkander verdeelden, en nu +nog in vele heerlijkheden, steden en vlekken onder hen, of liever +gezegd over hen wonen. Veel van de hun aangeborene nationaliteit zal +in deze dienstbaarheid verloren gegaan zijn, veel is waarschijnlijk +juist door haar behouden gebleven. Als "gegermaniseerd" kan men hen +niet beschouwen. + +Zij spreken nog altijd hunne oude Finsche taal, die tot de Finsche +idiomen in dezelfde verhouding staat, als het Saksisch tot het +Beiersch. Zij hebben hunne oude sagen, verhalen, overleveringen, +spreekwoorden, gedichten met de overige Finnen gemeen. + +Ook schijnen zij eene overoude Finsche volkskleeding van oudsher trouw +gebleven te zijn. Daar zij bij deze hunne nationale-kleeding gewoonlijk +donkere, zwarte kleuren kiezen, zoo hebben Duitsche geleerden gemeend, +dat deze Esthen, de vroeger vermelde "Melanchlänen" (zwartmantels) +van Herodotus zouden zijn.--Men heeft opgemerkt, dat in zeker distrikt +van Esthland, de menschen witte en in eene andere streek zwarte kousen +dragen, en men heeft gevonden, dat in de oudste, reeds voor 500 jaren +geschrevene kronieken van het land, deze districten "_Mustjalla_" +(het land der zwarte kousen) en "_Waldjalla_" (het land der witte +kousen) genoemd werden. Toont zich in de kousen eene zoo groote 500 +jarige bestendigheid, dan is het niet zonder grond, als men voor de +zwarte mantels een duizendjarig bestaan waarschijnlijk vindt. + +Het land der _Ingren_ en _Kareliërs_, Ingermannland en Karelië, +ten Zuiden en Noorden van Petersburg, was zoo lang een twistappel +tusschen Russen en Zweden, dat van hun aantal en hunne nationaliteit +niet veel meer is overgebleven. + +De Finnen eindelijk in het _par excellence_ zoogenaamde Finland, +zitten nu eigenlijk, om zoo te zeggen in het centrum der wijd +verspreide overblijfselen der Finnenwereld. Zij overtreffen ook al +de overige stammen in getalsterkte en vormen bijna de helft van alle +Finnen. Reeds vroegtijdig werden zij door de Zweden tot het Christendom +bekeerd, daarna werden zij Luthersch, en door den invloed van Zweedsche +scholen verkregen zij eene hoogere mate van beschaving. Ook hebben al +de nieuwere levens-uitingen, die sedert den aanvang dezer eeuw, even +als bij alle volken van Europa, zoo ook bij de Finnen ontwaakten, zich +nergens met meer energie doen kennen dan bij de Finnen in Finland. Van +dit Finland zijn de meeste patriotische bemoeiingen tot redding van +het Finsche volksleven, tot het instellen van een onderzoek naar hunne +talen en zeden, tot herstel en ontdekking hunner poëtische schatten, +uitgegaan. + +Uit dit alles is het duidelijk, dat de _Finnen_ in _Finland_ zelf de +beste gelegenheid geven, om aan hen de eigenaardigheden, en vooral +de lichtzijden van het nationaal karakter der Finnen in het algemeen, +op te merken. In Finland vindt men de Zweden in grooten getale alleen +aan de zeekusten, waar zij talrijke havensteden gebouwd hebben, en waar +daarom de Finnen ook meer onder hen verdwenen of tot Zweden veranderd +zijn. In het binnenste van het aan rotskloven en meren overrijke land, +hebben zich de oorspronkelijke bewoners in grootere zuiverheid bewaard. + +Daar kan men hen nog in hunne oude "zwarte" of "rookkamers," die uit +ruwe balken, zonder vensters en schoorsteen, getimmerde woningen zien, +die op donkere houten holen gelijken, waarin als Noordsch hoofd-meubel +zich een groote oven, als rustplaats der familie, verheft, waaruit den +binnentredende een altijd vochtige en warme damp tegenslaat, en waarin +altijd tot op 3 voet van den zolder een dikke rooksluier afhangt. + +Daar kan men ook nog het oorspronkelijke type der beruchte Noordsche +zweetbaden vinden, in wier heete en bedwelmende dampen de Finnen +de beste uren van den dag wegzweeten, waarin zij een niet gering +deel van hun leven doorbrengen, die ook bij alle Noordsche, Finsche +en Mongoolsche volkeren der Aarde, zelfs bij de Indianen van Noord +Amerika, op dezelfde wijze gebruikelijk zijn en wier gebruik van de +Finnen eerst later op de Russische Slawen overging. + +Daar kan men eveneens nog de eigenaardige kleederdrachten der +Finsche vrouwen bestudeeren, op wier opvallende en origineele +sieradiën zoo menig reiziger opmerkzaam gemaakt heeft, die hooge +uit berkenschors vervaardigde en met munten en banden versierde +mutsen,--verder de kolossale, zoogenaamde "Preesen" of zilveren +gespen, waarmede de vrouwen hunne mantels vastmaken, die echter +door toevoeging van allerlei versierselen van munten, crucifixen, +koralen, stukjes barnsteen, gouden schilfers en bellen, tot zulk +eene grootte aangegroeid zijn, dat zij de borst als met een harnas +bedekken, en die later als pronk-erfstukken in de familie van moeder +op dochter overgaan--eindelijk ook de sierlijk met roode draden +afgezette en omgeboorde hemden, die op dergelijke wijze, ofschoon in +de menigvuldigste modellen en variaties, bij alle Finsche natiën, +tot zelfs bij de Samojeden, teruggevonden worden. Daar, in dat +oude Finsche kernland, geldt ook nog het oude Finsche spreekwoord: +"aan den hoorn den os, bij het woord den man", dat het vaste, +eerlijke en tegelijk halsstarrige karakter der Finnen zeer juist +aangeeft. Finsche eigenzinnigheid is bij de Zweden even als bij +de Slawen spreekwoordelijk geworden, en deze hoekige stuurschheid, +deze afstootende wijze van in zich zelven gekeerd te zijn, moet een +grondtrek zijn, die in de geheele Finnenwereld opgemerkt wordt, want +men zou verscheidene door Duitsche, Russische en andere schrijvers +gemaakte beschrijvingen der genoemde Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken +enz. kunnen aanhalen, die overal, ook bij deze stammen, "hunne schuwe +ontoegankelijkheid, hunne onbuigzaamheid en eigenzinnigheid," als +eene in het oog vallende eigenaardigheid opgeven. + +Ditzelfde is ook het geval met het den Finnen zoo algemeen +toegeschrevene, "droefgeestige temperament." Zelfs de zich in +Skandinavië met der woon gevestigd hebbende Finnen worden door +de Zweden voor melancholici uitgemaakt, en zelfs de Russen, die +langeren tijd onder de Finnen woonden--er bestaan midden in Finland +eenige oude Russische gemeenten--"_hebben niet meer_" (zooals Rühs, +een vroegere aardrijksbeschrijver van Finland, zegt) "_de Russische +vroolijkheid_". Aan de melancholieke tint die zij gekregen hebben, +herkent men hunnen omgang met de Finnen. + +Het is zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zulk eene droefgeestige +tint, als grondtrek diep in de ziel van een volk zetelen moest, dat +een vroege buit van ondernemende naburen geworden is, geen anderen +strijd gestreden heeft dan den strijd van vertwijfeling, en nimmer +vroolijke zegepralen behaald heeft. + + + Mijn ziel is zwart gelijk koolteer, + Mijn hart niet blanker dan houtskool. + + +zoo klaagt een Finsch poëet in een gedicht. + + Uit slechte tijden werd mijn hemd geweven, + Uit nijd en boosheid mijn hoofddoek gemaakt. + + +zoo hoort men in een ander volkslied der Finnen, wier gedichten men +bijna alle: "uitvloeisels van weemoedigheid en zwaarmoedigheid" zou +kunnen noemen. Zelfs bij die, welke een vroolijker inhoud hebben, +is zielesmart als omkleeding niet te miskennen: + + + "Harpan ar of sorgar bildad, + Och ut af bekümmer danad, + Kupan ut af harda dager. + Strängarne af smärter spunna, + Og af andra widrigheter, + Skrufvarna in harpens ända." + + + Mijn harp ontstond uit zorgen, + Uit verdriet werd zij geschapen, + In droeve dagen kreeg zij haar vorm, + De snaren zijn uit pijnen gesponnen + En de schroeven aan haar hals + Zijn uit ellende gedraaid. + + +De liederen, die aan eene dusdanige Noordsche harp ontlokt werden, +zijn droefgeestig en kunnen met die nevelachtige herfstdagen +vergeleken worden, wanneer een zonnestraal slechts zelden door de +wolken henendringt. Welk zwart treurfloers somwijlen het gemoed der +Finnen omhult, wordt op zeer pikante wijze duidelijk in den inval, +dien een hunner dichters in een lied bezingt. Daar hij zijn innerlijk +verdriet, zijn aan zijn hart knagende "vogel des verdriets" niet kwijt +kan raken, zoo komt hij op de gedachte hem in de zee te werpen. De +gedachte komt daarbij echter bij hem op, dat zijne droefheid zich +dan aan de vroolijke visschen zoude mededeelen, en dat zoodoende de +geheele natuur zou kunnen aangestoken worden. + + + Alle visschen zullen treuren, + Op den bodem zakken baarsen, + Groote snoeken zullen barsten, + Pijnlijk sterven de forellen, + En de roodoog zal bedrukt zijn. + Ieder vischsoort zal vergaan, + Door de smart des diepbedroefden + Door des zwarten vogels woede.-- + + +Tot deze melancholie en tot die halsstarigheid der Finnen, heeft +hun diep ingeworteld bijgeloof en hun sedert de oudste tijden bekend +geloof aan wonderen, waarschijnlijk veel bijdragen. De Finnen gaan +bij al hunne naburen door voor heksenmeesters. Zelfs in Stokholm +wendt men zich tot de eerste de beste Finsche meid, als men meent +eenige hulp uit het geestenrijk noodig te hebben. Hoe Noordelijker +de Finnen wonen, des te grooter is hun roep te dien opzichte. Maar +zelfs de beproefdsten onder hen gelooven, dat de Lappen hen allen nog +verre overtreffen. Van een beoefenaar der zwarte kunst, die in zijn +vak goed te huis is, zijn zij gewoon te zeggen: die is door en door +een Laplander. In iederen vreemden dwarrelwind, meenen zij, huist eene +Laplandsche heks. Evenzoo worden in het Oosten de daar wonende Finnen +beschouwd als in die kunsten ver boven de Tataren verheven, en zoo +ook gelooft men dat de _Noordelijk_ Samojeden weder de _Zuidelijke_ +Finnen overtreffen. + +Het is merkwaardig genoeg, dat de Finnen in hunne bijgeloovige +gezichten en voorstellingen, en zelfs in de dit bijgeloof vergezellende +verschijningen--de geestdrift--de vervoeringen hunner door de geesten +bezielde toovenaars en in de daarbij op te merken gewoonten--met vele +andere Noordsche volken eene groote gelijkheid in tooverformules en +toovermiddelen verraden. De wonderdoeners der Finnen, de "Schamanen" +der Tunguzen, de "Angeköko" der Groenlanders, ja zelfs de "Jongleurs" +der Canadezen in Amerika, gaan bij hunne offerhanden en bezweringen +allen naar de zelfde methoden en principes te werk. + +Daaruit zijn zelfs--dit moet ik hier nog opmerken--bij ver afgelegene +volken geheel gelijksoortige benamingen, voor deze verschillende +toovernaars ontstaan. Wijl de Canadasche "Jongleurs" de reliquiën, +toovermiddelen, medicamenten en gereedschappen, die zij voor hunne +bezweringen meenen noodig te hebben, in een van dierenhuiden +vervaardigden zak met zich dragen, hebben de Franschen hun den +naam, medicijn-zak-mannen of medicijn-mannen (_Gens de médicine_) +gegeven. Omdat de toovenaars in Zweedsch Finland een dergelijken zak +met zich dragen, hebben zij ook daar den naam "_Kockoromies_" dat is +"zak-mannen" ontvangen. + +Er was en is nu gedeeltelijk nog door het geheele Noorden der wereld, +van Amerika door Azië naar Europa, eene zekere godsdienstige wijze +van beschouwing, die zich over een grootere aardruimte verspreidt +dan zelfs het Budaïsme, en die men wellicht nog niet scherpzinnig +genoeg onderzocht heeft, om bepaald te kunnen zeggen, of eene haast +wonderbaarlijke gelijksoortigheid zich bloot psychologisch laat +verklaren, of dat men daarbij tot de geschiedenis en ethnologie zijne +toevlucht moet nemen. + +Even als bij de Indianen van Amerika en bij de Siberische volken, +zoo vindt men ook bij de Finnen, de helft en het oudste gedeelte +hunner nationale-poëzie, in hunne zoogenaamde "_toover-Runot_" +(toover-gezangen). Vroeger was eene meer algemeene neiging voor +de dichtkunst over het geheele volk verbreid, en zij verfraaiden +daarmede ook andere zaken en verhoudingen van het leven. Ieder Finsch +moeras-bewoner dichtte liederen en gezangen. Uitstekende dichters +droegen bij hen den eerenaam _Runo-niekat_ (lieder-kunstenaars), +en stonden algemeen in aanzien. Hunne poëzie bestond meestal uit +lyrische gedichten, die zij _Runot_ (Runen) noemden.--Kort geleden +is echter ook een groot episch gedicht uit het land der Finnen tot +ons gekomen, het in korten tijd beroemd gewordene, uit niet minder +dan 50 gezangen en 20,000 verzen bestaande heldendicht "Kalewala," +dat men de Finsche Edda of Iliade zou kunnen noemen. + +Dit gedicht schijnt sedert oude tijden, even als door de Grieken +de verzamelingen van Homerus, door de Barden der Kareliërs, aan de +Tawasten en Esthen voorgedragen te zijn, en lang in den mond des volks +bestaan te hebben. De een kende het eene, de andere een ander gedeelte, +weinigen het geheel. Enkele gedeelten werden reeds in de vorige eeuw, +bij verschillende gelegenheden opgeteekend en door den druk aan het +overig Europa bekend gemaakt. Maar eerst in nieuweren tijd heeft +een ijverig Finsch geleerde, de zeer verdienstelijke Lönnrot, alle +brokstukken van dit bewonderingswaardige gedicht, als de scherven +van een fraai standbeeld, te samengebracht en het geheel onder onze +oogen gebracht. + +Dit bijzonder merkwaardige Finsche heldendicht heeft zijn naam ontleend +aan "Kalewa," den God van het gezang. "Kalewala" beteekent zooveel +als: land van Kalewa of land van het gezang, waardoor Finland bedoeld +wordt: "het schoone land, dat uit duizend zeeën de zon op haren loop +vriendelijk toelacht." + +Het bezingt hoofdzakelijk de avonturen en krijgstochten van Kalewa, van +zijn zoon Wainämoinen en de heldendaden van andere Finsche halfgoden en +helden. Vele interessante schilderingen der oude tijden en zeden zijn +daarin bewaard. De kruistochten dier Finsche helden gaan bijna allen +naar het Noordland, "Pohjola" genoemd, waardoor Lapland bedoeld wordt, +en daarbij is het meestal te doen om eene schoone Prinses te winnen, +(even als het doel van den Trojaanschen oorlog Helena was) alsmede om +de verkrijging van een zekeren kostbaren schat of talisman, "Sampo" +genoemd, die in het Finsche epos ongeveer hetzelfde schijnt te zijn, +als het gulden vlies in de sage der Argonauten, of de "Nibelungen-Hort" +in het Duitsche nationale-heldendicht. Ook worden daarbij den +helden dergelijke taak opgelegd of dergelijk werk gegeven, als aan +Herkules bij de Grieken. Zoo moet b.v. de geweldige "Lemminkainen," +die in zekeren zin de Ajax of Achilles dezer Finsche Iliade is, het +vuursnuivende ros van Heisi beteugelen, het vlugge hert van Pohjola +opvangen, de zwaan, die op den vloed van Tuonela (de onderwereld) +zwemt, dooden. Bij deze laatste onderneming wordt hij wel gedood, +in stukken gehouwen en in de rivier der onderwereld geworpen, maar +zijne moeder, die van de zon bericht ontvangt aangaande het lot dat +haren zoon wedervaren is, haalt met eene lange hark alle stukken +van het lijk haar zoons uit het water op, voegt ze weder bijeen, +maakt hem met zalven en tooverspreuken weder levend, en reist met +hem naar huis, om hem na eenige verzorging, tot het verrichten van +nieuwe daden weder te laten vertrekken. + +Het is merkwaardig, hoe behalve het genoemde, ook nog verscheidene +andere poëtische thema's en opvattingen in dit Finsche heldendicht +voorkomen, die men ook in de gedichten der Grieken en andere volken +aantreft. Zoo b.v. brengt Wainämoinen met zijn gezang de geheele +natuur in verrukking, even als Orpheus zulks ook doet, en even als +deze, verzamelt hij alle dieren des wouds om zich. Zoo betoovert +hij de vijanden en doet hen door zijn spel op zijne "Kantele" (harp) +inslapen, even als Oberon met zijn tooverhoorn. + +Over het geheel echter is de geest van het Finsche +nationale-heldendicht veel zachter, dan die in de Oud-Noordsche sagen +der Germanen, waarin het bloed bij stroomen vergoten wordt en al wat +wreed en verschrikkelijk is, opeengehoopt is. Alle familie-verhoudingen +worden er met bijzondere voorliefde in behandeld. Man en vrouw, ouders +en kinderen, broeders en zusters, bruid en bruidegom, in een woord +alle personen en gedaanten, waarin zich het huiselijk en zedelijk leven +openbaart, worden er met de fijnste penseelstreken in afgemaald. Zeer +merkwaardig is het slot van het gedicht. Het maakt aan het geheele +avontuurlijke doen en streven een einde, door eene onberispelijke +jonkvrouw "Mariatta" (Maria) te doen optreden. Zij is met haar pas +geboren kind uit een ver land door den wreeden Koning Ruotas (Herodes) +verdreven geworden. Zij gaat daarop naar "Tapiomäki" in Finland, waar +zij in een stal wonen moet en haar kind in eene krib laat slapen. Toen +zij wenscht het te laten doopen, verzet zich Wainämoinen, de Finsche +God van het gezang daartegen, en beweert hij dat men, naar eene oude +Finsche wet, den kleinen vreemdeling het hoofd splijten moet. Maar +het kind, dat pas twee weken oud is, doet den mond open, spreekt +met Wainämoinen, bewijst hem, dat hij eene valsche uitlegging aan +de wet geeft, laat zich doopen en blijft met zijne moeder Mariatta +in het land. Wainämoinen, hierover beschaamd en verschrikt, gaat in +een koperen schip zitten en zeilt voor eeuwig weg naar het uiterste +einde der wereld, terwijl hij zijne onvergetelijke gezangen en zijne +"Kantele" aan de Finnen achterlaat. + +Het slot van het gedicht zou ons reden geven om te veronderstellen, +dat het tijdens de eerste invoering van het Christendom in Finland, +in de 13de eeuw, ontstaan is. Het is echter ook zeer goed mogelijk, +dat alleen het laatste gedeelte van het gedicht toen ontstond, en +dat zijne eerste, bepaald heidensche gezangen, reeds vroeger bestonden. + +De neiging en het talent voor de dichtkunst en wat daarmede samenhangt, +zijn onder de Finnen ook nu nog niet uitgestorven. Bij de Esthen, +even als bij de Tawasten, bij de Quänen, en ook wel bij andere +Finsche volken, geldt nog heden ten dage het oude spreekwoord: +"de dag wordt verlengd door den er bij gevoegden nacht, en evenzoo +verdubbelen gezangen het karige maal," en nog tegenwoordig leeft +bij al deze volken het verlangen, zich op de vleugelen der phantasie +uit de treurige werkelijkheid op te heffen, een verlangen, dat in de +schoone inleidende verzen van het zoo even vermelde gedicht Kalewala, +zeer lief uitgesproken wordt, wanneer de dichter zingt: + + + Altijd ben ik vol verlangen, + En ik denk steeds naar behooren, + Om legenden in gezangen, + Of te zingen of te hooren. + Gouden broertje, is 't niet waar? + Ed'le metgezel in 't dichten! + Zelden spraken wij elkaar; + Laat ons in dit woeste land, + In deez' noordsche barre streken, + Plaatsen samen hand in hand + Gelijk men haak in haak zal steken. + Laat ons bezingen goede dâan, + En verhalen beste werken, + Dan hooren deze braven 't aan, + Deez geliefden zal dat sterken, + Ook deez' jeugd, die nu al opgroeit, + En dit volkje, dat vooruitgaat. + En men alzoo een ieder boeit, + Met dien zegen, met die weldaad, + Die men vindt in 't hooge Noorden + Bij Kalewala's barre oorden. + + +Ter verklaring der toespraak in deze karakteristieke verzen, aan het +"gouden broertje," aan den "ed'len metgezel" en "het plaatsen hand +in hand, gelijk men haak in haak zal steken," moge deze opmerking +dienen: de Finsche dichters improviseeren meestal twee aan twee, +en zitten daarbij met in elkander geslagen handen knie aan knie, +als aan elkander geketend, tegen elkander over. Terwijl de een +zijne strophe zingt, bedenkt de ander wat hij antwoorden zal, en +beiden herhalen daarna--terwijl zij op de maat voor- en achterover +buigen--het laatste vers van hunnen "ed'len metgezel in het dichten." + +Dit zijn zeer merkwaardige en zeer in het oog vallende dichterlijke +gebruiken. Ook eigent zich de Finsche taal uitstekend voor de +dichtkunst; zij is uiterst melodieus en zeer klankrijk. Zelden komen +bij haar twee medeklinkers en vele sissende en ruischende klanken, +zooals in het Duitsch en Russisch, bij elkander, en de meeste woorden +eindigen in eene volklinkende vocaal. Nooit komen bij haar zulke +opeenhoopingen van consonanten voor als b.v. in ons "schelmsch," +of "herfststorm." Als harde Germaansche woorden door de Finnen in +hunne taal worden opgenomen, dan ondergaan zij in hunnen mond een +verfraaiings-proces. De korte Zweedsche naam "Olof" verandert tusschen +hunne lippen tot "Wuolaba." Het harde Zweedsche "Konge" (Koning) +maken zij tot "Kunigu." Ons "Petersburg," verzacht zich bij hen tot +"Pietapori." Van ons "vaandrig" maken zij "wänteriki." De welluidende +namen der bekende Russische meeren "Onega" en "Ladoga," ook die der +"Newa," zijn van Finschen oorsprong. Hoe lieflijk klinken ook niet, +de door mij reeds genoemde namen der zang- en luchtgoden "Wainämoinen" +en "Ilmarinen." + +De Finsche taal heeft, als zij goed gesproken wordt, eene zekere +deftige volheid. Zij is rijk aan tweeklanken en vocalen en is daarin +wel met het Italiaansch vergeleken. Men heeft dikwijls verhaald, +hoe een Russisch gezant uit Esthland eens aan het Spaansche hof, +toen er van welluidende talen sprake was en men het welluidende van +het Portugeesch, het Italiaansch en het Spaansch geciteerd had, de +volgende Esthnische of Finsche woorden uitsprak: "_pois ssaïda tassa +ülla sülla_," en den aanwezigen verzocht hem te willen zeggen tot welk +genre zij den inhoud dezer woorden rekenden te behooren, Zij dachten +dat het het begin van een episch of lyrisch gedicht was en stonden +niet weinig verbaasd, toen de Noor hun den volzin vertaalde, die niets +meer of minder beteekent dan: "hallo! domme knaap, rijd langzaam over +de brug."--eene phrase, die men men op de slechte wegen dier landen +zich dikwijls genoeg genoodzaakt ziet, den postillon toe te roepen. + +Dat de Finnen zelven ook in hooge mate overtuigd zijn van de +voortreffelijkheid hunner taal, bewijst de oude sage van het koken +der talen, die zij te pas brengen, en waarin zij zich en hunne taal +als lievelingen van Wainämoinen voorstellen. Toen deze Finsche Apollo, +zoo heet het in die sage, wenschte, dat de menschen zich op aarde in +verscheidene nationaliteiten verbreiden en ieder volk zijne eigene +taal hebben zou, plaatste hij op een hoogen berg een tooverketel, +en maakte er een vuur onder aan, om de talen voor de volken, die hij +bijeenriep, te kooken. De gehoorzame Finnen volgden de roepstem van +hunnen God zoo spoedig mogelijk, en verschenen zelfs zoo bijtijds, dat +Wainämoinen nog niet eens met zijne toebereidselen klaar was. Verheugd +over hunne buitengewone stiptheid, zeide de God hun daarom, dat hij, +daar de taalmassa nog niet goed door elkander gemengd was, hun, dezen +Finnen, zijne eigene goddelijke taal wilde geven en dat zij op Aarde +zijn eerste en uitverkoren volk zouden zijn. Hij liet hen, vereerd +door deze tijding, naar huis gaan. De talen der andere later komende +volken echter werden uit het sissen, ruischen, knetteren, flikkeren +en uit het schuim van het taal-brouwsel in den ketel, gevormd.--De +Italianen zelve hadden geen treffender satire op de harde en met +consonanten overvulde talen der Germanen en Slawen kunnen uitdenken. + +Met den Wainämoinen, hunnen Musagetes, dien zij zich echter niet, +zooals de Grieken, eeuwig jong en schoon, maar van zijne geboorte af +met grijzen baard, wit hoofd, maar tevens met een jong hart, hooge +wijsheid en dichterlijke geestdrift begaafd, voorstellen,--(het is +zeer karakteristiek, dit moet hier nog ter loops opgemerkt worden, dat, +terwijl de Hellenen zich alle Goden jong dachten, deze Noordsche volken +zich de hunnen als oud en grijs voorstelden,)--met dien Wainämoinen +zeg ik--houden zich, behalve het gedicht Kalewala, nog vele andere +Finsche sagen en gezangen bezig, waarin verhaald en soms uitvoerig en +dichterlijk beschreven wordt, hoe hij de Kantele, de Finsche cither, +uitvond en vervaardigde; hoe hij aan de vogelen, aan de echo en de +menschen de muziek leerde; hoe hij zelf zong, hoe hij door zijne eigene +melodiën geroerd en in geestdrift ontstoken, dikke tranen schreide, +die hem als dauwdroppels langs zijn baard vielen--en van den baard +op de knie--en van de knieën in de zee--waar zij echte paarlen werden. + +Ook de indrukken der natuur, de moeder van alle wezens, aan wier +boezem deze stille volken zich zoo veel inniger vastprangen dan de naar +heldendaden beluste, politieke en gezellige natiën van het _Zuiden_, +waaraan zij zich voor de over hen heen bruisende stormen verbergen, +vinden bij hen in die sagen en gezangen hunne zuiverste uitdrukking. + +Het gemoed dezer eenzame, over uitgebreide streken spaarzaam +verstrooide kinderen van het Noorden, gevoelt zich sterk aangetrokken +tot den omgang met de natuur, en dicht aan alles, zelfs aan de +geringste voorwerpen, ziel en leven, gedachte en taal toe. De Finnen, +zooals ook hunne naburen, de Letten, beiden door de menschen zoo +dikwijls mishandeld, zoeken hun troost in vertrouwelijke gesprekken +met vogels, visschen en andere dieren, met bloemen en boomen, ja, +met rivieren, meren en vijvers. Uit de, ieder mensch ingeschapene, +behoefte en zucht naar gezelligheid, die zij, omdat bij hen de menschen +zoo dun gezaaid zijn, zelden bevredigen kunnen, knoopen zij zelfs met +boomstronken, steenen en granietblokken, die zij dikwijls aanspreken, +eene dichterlijke vriendschap aan. Waar en bij welke gelegenheden +zij nog heden ten dage hunne liederen componeeren en zij zich die +over en weer overleveren, daarvan geeft weder de dichter van hunne +Kalewala zelf, de trouwste schildering in een soort van inleiding, +waarin hij op zeer aardige en naïve wijze allegorisch aangeeft, +op welke wijze hij zijn schat van sagen samenbracht: + + + Vader leerde mij er menige, + Als hij zich een bijlsteel kapte: + En mijn moeder ook nog sommige, + Als zij aan haar spinwiel trapte. + Velen heb ik ook vernomen, + Zoo al gaande langs den weg, + Of ook zittend onder boomen, + In de hei of bij een heg, + Of wel midden in het groen, + Of al loopende in de wei. + Voorts als herder heb ik toen + Op heuvels vol van bosch of hei, + Op schoone bergen, ongestoord, + Vele liederen ook verzonnen, + Vele sagen ook gehoord. + + +Even als de natuurschilderingen, zoo speelt vooral ook de liefde in +die Finsche volksgedichten eene groote rol. Ouder-, kinder-, broeder- +en zusterliefde, riepen bij hen een gedeelte der bekoorlijkste lyrische +producten in het leven. Eene zuivere, diepe en hartelijke innigheid +ligt in hunne liefdeliederen. Zoo, om een uit duizend voorbeelden te +nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart +over de scheiding van haren geliefde uitspreekt: + + + O! beste vriend, hoort gij 't wel. + O! hartelief, merkt gij 't wel! + Als ik zingend om u klaag? + Scheiden moeten wij van daag!-- + Wachtend moet ik naar u uitzien + Schriklijk ver trekt g'hier van daan! + Ik blijf terug bij vreemde lien, + 't Is wel hard zoo weg te gaan. + Pijnlijk is--het afscheid geven, + Smartelijk tevens het vertrekken,-- + Altijd blijf ik met u leven: + Altijd zie ik uwe trekken + Droomend, etend, zonder falen! + Kunt g' de mijne voor u halen? + Zullen w'elkander wedervinden? + In 't dal of bij de linden? + Bij den oever of in 't gras? + In het koren, onder bloemen? + Of als 't in den hemel was? + Of bij vaders schoone bloemen? + Ja! daar vinden wij elkaar, + Om te sâam altijd te leven.-- + + +Wel komt men bij de kennismaking van zulke liederen in de verzoeking, +het gevoelen van een beroemd kenner en beminnaar der Finsche poëzie +te beamen, wanneer hij, vol geestdrift over zijn onderwerp, beweert, +"dat de echte innerlijke gloed en sterkte van gevoel niet in het warme +Zuiden, maar in het koude Noorden bij de Finnen te huis behoort, +en dat den Noorschen literator, alles wat hem van Zuid-Europeesche +volken-stammen ter oore komt, in vergelijking met dergelijke producten +van het Noorden, koud moeten toeschijnen." + +Eindelijk zijn de Finnen, even als de Arabische Bedouïnen, groote +vrienden van woordspelingen en poëtische aardigheden. Hunne taal en +literatuur zijn zeer rijk aan spreekwoorden.--Een Duitsch geleerde +heeft kort geleden onder de Finnen aan het meer Peipus, bij Dorpat en +in verscheidene deelen van Esthland, eene menigte merkwaardige Finsche +spreekwoorden bijeen verzameld, en eenige uit deze verzameling, +die ik hier wil mededeelen, zullen voldoende zijn, om zoowel de +scherpzinnigheid als den wijsgeerigen geest dezer menschen, te doen +uitkomen: + +"Eerst zaaien, dan maaien." + +"Zit het geluk met iemand in het schuitje, dan behoeft hij niet naar +het kompas te zien." + +"De man schudt de dobbelsteenen, het geluk geeft de oogen." + +Aan een zeer zwijgzaam mensch: "Spreek toch zoontje, de lippen vallen +u immers niet af." + +Aan de grootsprekers: "Ook de hoogste berg kan niet boven zijn top +uitsteken." + +In plaats van ons: "paarlen voor de zwijnen" zeggen zij: "geeft den +ezel rozen, hij verlangt naar distels." + +"De gierigaard zou wel eerst den molen en dan nog den wind willen +verkoopen." + +"Die een ongeluk houden moet, die zal ook wel den spiegel breken, +als hij er maar in ziet." + +"Voor de gelukkigen zijn de bergen vlakker, dan voor de ongelukkigen +het dal." + +"Braad den beer niet, voor gij hem geveld hebt." + +"Dank God voor het stroo, als Hij u het koren ontzegd heeft." + +"Dien runderen ontbreekt, die prijze zijne kat." + +"Spring niet, voor gij bij de sloot komt." + +"Wie bij windstilte slaapt, moet bij storm roeien." + +"Ook de slimste slang, zal het nooit zoover brengen, dat zij rechtop +loopt." + +"Ver klinkt het klokje der vromen, maar nog veel verder het woord +van den booze." + +"Die zonder reden boos is, verzoent zich zonder zelfvoldoening." + +"Ver _ziet_ de verstandige, maar verder nog _denkt_ hij." + +"De tijd vraagt niet naar den man, als de man niet naar den tijd +vraagt." + +"Heeft de muis tijd tot geeuwen, als hij reeds in den bek van de +kat zit?" + +Wanneer bij een volk een schat van levenswijsheid gevonden wordt, +waarvan het opgegevene slechts enkele proefjes zijn, dan mag men met +recht beweren, dat niet moreele zwakte en slechtheid, maar alleen +gebrek aan politiek verstand en aan staatkundige degelijkheid, zijn +treurig lot heeft teweeg gebracht. + +Ook de woordspelingen en raadsels, waarop de Finnen zich, ter oefening +van het verstand, zoo gaarne toeleggen, zijn zeer origineel. + +Het ei wordt daarin bestempeld als een "tonnetje met tweeërlei bier," +een sluitkool als "een klein, rond, rimpelig vrouwtje, die haar hoofd +in honderd doeken gewikkeld heeft." "De vader is nog niet geboren en de +zoon zit reeds op het dak" beteekent de rook, voor dat de vlam nog te +zien is. "Een rood hondje blaft door eene uit beenderen vervaardigde +heg," is de booze tong tusschen de tanden. "Zij hebben geene voeten +en loopen toch tot aan het einde der wereld," dat zijn de wolken, +de schippers der lucht. + +Slechts vluchtig kon ik hier op al deze interessante en karakteristieke +dingen wijzen, die men overigens ook tot nu toe, nog slechts in hare +bijzonderheden bij twee Finsche volken, bij de veelbesprokene Esthen +en bij de Finnen in Finland, meer en détail nagegaan heeft. + +Waarschijnlijk echter zijn deze raadselen, deze spreekwoorden, +die lyrische "Runot," even als de Wainëmoinen, sagen en gedichten, +tot hoog in het Noorden, door alle heide-, bosch- en moeraslanden der +Tscheremissen, Wotjäken, Wogulen en Samojeden verspreid, en daar al die +zaken gedeeltelijk met zeer oude heidensche mythen in verband staan, +zoo is het eveneens waarschijnlijk, dat ook de vroeger genoemde nu +verdwenen Koeren, Liven, Wessen, Mezen en andere talrijke verdwenen +Finnen-stammen, van welke ons niet eens de naam overgebleven is, +door een dergelijken geest bezield zijn geweest, en dat dus, als ik +over eene onder onze voeten verdwenen Finnen-wereld sprak, daaronder +niet alleen verwoeste paalwoningen, visschershutten en "rookkamers" +verstaan moeten worden, maar ook, wat nog belangrijker is te vernemen, +een geheel rijk van oorspronkelijke gedachten, eigendommelijke sagen, +mythen, gedichten, zeden en gewoonten, over wier bouwvallen wij +nu wandelen. + + + + + +DE JODEN. + + +De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en +overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de +volgende wijze: + +Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000 +jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den +Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen +Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam, +zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en +de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden, +noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige +Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van +den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van +het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren +over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche +Zee verspreid. + +Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en +gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen +te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend +man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden +geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden +en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij +verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke +voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn +stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof, +zekere plechtigheden of eene soort doop in. + +Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot +een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige +secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig +en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de +andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen +eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar +het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische +godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de +hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten +over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de +overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen, +als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid +neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld, +en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook +afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen +langzamerhand een eigen physisch _type_, eene afzonderlijke taal, +andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen +en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige +overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten, +(Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat _eerst_ +den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving, +omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden. + +Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want +langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte, +als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan, +en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door +de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk +weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte +en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste +plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch +vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te +vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij +zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar +het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop +het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van +Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij +verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na +de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en +legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken, +die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in +het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na +Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever, +ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand +waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was +de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham, +en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene +zeer eigenaardige grondstellingen. + +Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere +krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en +namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche +tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten +gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al +ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans, +onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en +Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische +volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een +groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en +westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en +Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende +met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in +den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe +en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische +werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen +van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich +beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering +dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift +ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur +den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd. + +Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het +volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet +lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het +leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde +volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid +terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid +genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin +het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds, +maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich +hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar +zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou. + +Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in +dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige +twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den +ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat +bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande +de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit +Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God +in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij +voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen +van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze +naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij +de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor +Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte +begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet. + +Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen, +die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou +uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de +geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of +de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de +hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste +stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in +het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk +gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug, +toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof +gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel +te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des +volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder +hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat +van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen) +zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost +hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs +van nu af aan _Joden_. + +De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet +met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden +van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de +vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door +de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen +benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der +mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen +hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten +tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort, +den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen. + +Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische +verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate +verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer +aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden +bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid. + +Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren, +die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds +eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun +nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten +door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo +ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De +Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook +met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang +de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd +ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij +met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde +verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren +bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen +in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun +moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken +verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen +en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie +of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven, +bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te +ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke +onder verscheidene volken verstrooide volkplanters _moeten_ daarom, zeg +ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen, +waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor +den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook +bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na +hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en +Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren +tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten +gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid +werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen +een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen +godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin +eigen te maken. + +Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe +alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters +en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is, +de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer, +noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap +toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten +diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook +zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest +om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen, +nederzettingen en de stichting van factorijen. + +Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische +monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun +vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden +Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in +de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja, +dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang, +waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China +binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus +geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden +de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner +moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen +en stadhouders hebben weten op te werken. + +Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en +Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen +betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden +den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet +reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne +handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen +dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel +Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk, +dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en +Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land +Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa +zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van +zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst +de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het +Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel +eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan, +leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken +de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de +groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het +door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus, +waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en +van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar +uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika +heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich +verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en +zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika, +waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien +in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië, +eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen, +dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in +grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan +de poorten van Europa werden vooruitgeschoven. + +Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen, +zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de +opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën, +nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners +der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog +eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den +strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne +nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw +v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel +overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders +en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd. + +De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift +voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van +buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei +opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun +heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de +onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld +waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de +overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde, +de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten +waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel, +zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone +energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de +verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde +Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus +leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang, +de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens +overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en +huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder +op nieuw, met bewondering voor hen, en _moest_ vooral bij hunne in +het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer +versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield, +hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en +hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van +eigenwaarde inboezemde. + +De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr., +en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden, +en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus, +moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle +Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit +hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en +deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats +der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma +tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter +eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia" +zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd. + +De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde +akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht +en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog +overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar +het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter +van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche +heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen +tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze, +door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de +wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen +toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer +gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en +Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden +met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië, +Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de +Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken. + +De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne +provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk +lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot +op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje +geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst, +zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht +toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien, +betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus, +is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch +stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat +de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere +volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke +trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken, +waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige +voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij +ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke +kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der +Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige, +altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke +menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het +voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers, +schrijvers en volk. + +Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid, +die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig +ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne +Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden +geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen +vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen +was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche +volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van +vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het +eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld +verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst +verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven, +als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de +aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander +staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen +elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge +grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest +ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden, +overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de +Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen +de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde +der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen +tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige +vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer +verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en +Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden +ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk +gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden +afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij +zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden. + +Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der +Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde, +onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over +de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het +Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal +echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de +overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame, +moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de +deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking +en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten +zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd; +over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander +bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke +geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen +heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der +volksverhuizing heen. + +Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude +kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten +deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal +en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der +West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door +hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig +maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk +leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische +[7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden +daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het +einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan, +vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van +het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest +ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij +zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne +kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te +worden opgevoed. + +Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij +bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door +de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer +verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra +weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in +aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het +toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij +waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting, +beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten, +stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter +zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de +wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters +waren geboren Joden. De grootste der _Arabische_ geleerden in Spanje, +de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche _Joden_, +de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten +en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door +laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu +nog onledig, even als wij met die van Aristoteles. + +Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon +om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette +landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook +eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit +hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet, +deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te +verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich +het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders +geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den +nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden +in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid, +dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander +stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders +in beide legers zulks verlangden. + +Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden +gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland, +wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die +somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons +de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door +Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief +het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal +tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de +ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en +schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe +verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder +de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis +behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders +geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen +moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De +geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand +boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige +vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje +soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom +aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot, +nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren, +dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren +en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel +te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het +geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken +langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke +en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar, +waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495), +Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten. + +Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de +Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf +de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf +hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche +Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen +van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller +en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij +verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn +wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel +aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare +kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het +Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een +tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche +Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden, +doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden +ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten +getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich +nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand +vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende, +doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen, +die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten +zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux +en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en +tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid +voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later +naar Hamburg en andere Noordsche steden. + +Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het +Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal +hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land +hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak +van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche +Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene +edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene +onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten +gehad hebben. + +In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden +nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche +schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen, +in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij +maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen +overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig +bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als +afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette, +ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk +van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de +belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe +meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en +der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming +der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen +vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk +zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden, +en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen +zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden +zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan +eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande +Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard; +zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven +hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere +keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot, +die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De +Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als +over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne +synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche +synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien +tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens +weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het +eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden +somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk +gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene +naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij +in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te +verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk +als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar +het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort +den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land, +dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren, +slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten +eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die +zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen +genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit +op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden, +in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal +diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed +in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan +hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel +onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar +1394 voor altijd uit Frankrijk verbande. + +Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk + XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder +Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier +zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en +deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land +gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche +politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen +grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel +met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend. + +Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche, +want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het +Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de +Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij +verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie +en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot +het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de +Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der +kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd, +dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte +gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de +veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling, +dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten +ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon, +niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke +onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te +wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met +schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner +ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo +ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge +der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en +Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer +te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en +zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven, +begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren, +en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer +wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere +landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men +heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende +vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel +gevolg gewerkt. + +Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige +Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in +hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig +maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer +verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden +te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië, +zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich +beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in +Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in +alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene +beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche +heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even +goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote +vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers, +schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek) +onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet +gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun +in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet, +dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij +geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde. + +In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met +alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel +van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten +tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne +ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden, +en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden, +werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen +bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij +hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd, +even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven. + +Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en +ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste +bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de +zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini" +(de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het +armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden +echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de +regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd +en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie +beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder +gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare +muren toegelaten. + +In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met +betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte, +door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig _Italia Unita_ +zal daar echter ook wel beter voor zorgen. + +Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in +Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen +in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op +schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van +een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden +zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als +eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen +en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het +Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze, +dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden, +uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in +gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene +landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der +volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar) +meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en +daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte +in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in +alle kreitsen en marken van Duitschland te huis. + +Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste +gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders, +gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa, +en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland, +van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne +buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche +roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten +beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden, +deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij +waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben, +zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden, +zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De +kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan +den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen +Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van +Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde +Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne +synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan +den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner +heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten +waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone +verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug, +als onweder en hagelslag in den loop van het jaar. + +Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten +in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de +en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging +der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar +Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer +gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds +vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met +het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische +steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor +de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren, +dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen, +overal de Duitsche taal heerscht. + +Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen +van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het +Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig +gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar +noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken +souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats +verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord +was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje, +door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog +altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk +Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter, +zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de +uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden. + +Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen +aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het +grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan +den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van +buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige +hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij +hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom +zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat +bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche +Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar +haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden, +dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden +in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in +Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs, +niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting +vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen +van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde +stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen +in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en +kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan +hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand, +die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het +zich zelf niet verwoesten. + +De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche +adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden, +en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen +zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen +eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten, +deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde +geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen +geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de +onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om +dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan, +en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de +geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen. + +Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom +uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens +allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook +daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden, +als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen +van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche +element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der +Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden +zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers. + +Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen, +de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige +Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en +10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land +binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij +zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het +Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000, +afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen, +en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir +verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen +Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de +Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze +oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als +in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden +der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en +later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De +Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze, +met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver +hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar +de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat +ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds +van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de +Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen +en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat, +die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en +kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even +verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van +Ferdinand en Isabella. + +De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen +hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde +verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als +inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische +landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden, +gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen +teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het +gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven +is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den +Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben, +dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken, +waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen +bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich +voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden, +die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf, +hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen. + +In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer +merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden, +namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere +"Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het +optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich +ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de +wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje, +naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op +Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in +Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze +Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de +Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van +den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op +den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een +Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook +het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is +"de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij +van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der +talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en +wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de +oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere +mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich +de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden, +zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een +afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner +broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït +wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen +en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke +en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen +de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover +de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename +eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun +slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn, +en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste +verzacht worden. + +Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo +vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland +gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende +Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms +Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen +dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene +eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar, +waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal, +eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook +_Denemarken_ voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene +schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige +steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar +zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. _Zweden_ heeft--eerst +sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en +Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog _Zwitserland_ genoemd worden +als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad +hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig +Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden. + +Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa +door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook +gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer +weinig getrokken. + +In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke +Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet +vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de +Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest, +als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het +ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het _Rijk der +Osmanen_. + +Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet +in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij +toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de +hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in +zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de +nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden +jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora, +het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden +geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de +kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat, +getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in +Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis +van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver, +"is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom, +eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene +Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de +Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als +ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood +tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten +in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging, +in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa +een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als +eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering +van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden +van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen, +voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp" +der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije, +waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn, +in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch +sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche +Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in +Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den +Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was. + +Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij +dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij +stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de +kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met +de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van +Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met +hen. Ook zijn in den _nieuwen_ tijd de in Turksche steden opgehoopte +Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling +hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude +vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte +der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner +vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort. + +Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen +nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende +banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en +leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven +der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen; +het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de +_emancipatie der Joden_, een vraagstuk, dat echter eerst sedert +de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij +gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de +diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden, +oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen +vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd +worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars +van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen +en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich +beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk _nooit_ +begaan hadden. + +Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men +hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in +Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken +op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel +blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator) +had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde +klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot, +had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had +bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering +van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote +geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen +afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de +eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de +Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig +aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen +met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden +enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het +Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk +der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed, +zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens +een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan +heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den +Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk +Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren +aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele +Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel" +gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als +zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen, +over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij +hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het +parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte +ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij +verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest +dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste +horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de +marktpleinen bij groote hoopen verbrandden. + +Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen +noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich +tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette +hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood, +of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als +vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich +den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren +laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke +den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver +van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene +helden der geschiedenis vergelijken." + +Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel +uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden +gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna +ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot +de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's, +als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land +bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om +het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen +hadden de Joden geen ander grondbezit, dan _het plekje grond_, waarop +zij hunne dooden begroeven, hunne _begraafplaats_. Bij de wreedheid +voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als +wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de +rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar +op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een +rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang +de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan +liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij +zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In +de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte +bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden, +op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te +ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid +nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan +der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den +grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in +grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die +zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen. + +Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden, +overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken +der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië +"_Ghettis_," in Spanje "_Juderias_" noemde, die op Christelijke Zon- +en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens +gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de +poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke +vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele +andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan +heeft. In die _Ghettis_, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts +onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij +met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren, +en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel +zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden +zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid, +christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge +afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo +zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden +in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de +genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit +ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al +stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend +over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men +bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over +hun geheele zijn uitgespreid." _Misschien zeer waar, mijnheer! maar +zeker zeer natuurlijk_!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher +zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der +midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang +met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene, +ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden +bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren, +was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en +bekrompen van geest werden? + +Het _Jodendom_ zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste +onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover +zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel +putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen +van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen +toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers +voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand +òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen +is, uit die _Ghettis_ niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen +sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar +hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of +beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het +_eenige_ bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen +zich niet _mochten_ toeleggen, op de geringste en verachtelijkste +handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst +beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood +gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars +van het werelddeel worden of blijven. + +Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij +er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden +zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij +zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als +kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven +eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der +heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij +maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare +zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene +welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in +hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld +heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag +te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden, +wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren, +toch niet anders _worden_ konden dan zooals zij zijn. + +Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk, +waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden +aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar +zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk +ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun +duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun +vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit +verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden +van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen +zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende +godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en +Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid +opgekomen en weder verdwenen. _Het geloof der Joden_ alleen, heeft zich +onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd +en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te +houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale +zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en +de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke +eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband, +verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige +eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten +te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het +noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest +kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren. + +Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder +verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele +eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne +monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails +volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen +zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde _Ghettis_, met de Prinses +onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die +schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als +door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van +den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de +Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen +uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik + II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon, +deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der +Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken, +voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als +nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten +en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht +ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds +groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van +het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene +uitstekende vernuften geleverd heeft. + +Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza, +de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende, +zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier +onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd +worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere +en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een +Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland +geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der +Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al +hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De +Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer +is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als +geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor +staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond +groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde +gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten +zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten +der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen +geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de +rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis +ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der +emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer +parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in +Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige, +vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien. + +Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de +lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren, +dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de +componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten +te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen, +waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek +behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler, +tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu, +sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument +te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed, +in verrukking hebben gebracht. + +Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied +der _beeldende_ kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd +geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne _beeldende_ +kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend +werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht, +maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder +anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere +werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben +de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices, +die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest +bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten +der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden. + +Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende +gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien, +laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te +zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen +de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten, +weg te nemen. + +Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad +van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde +Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen, +waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en +plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit +van een vaderland toegelaten zullen worden, in _ieder_ land aan te +geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven +gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die +dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft, +dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken +zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der +Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar +het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen +voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld +heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische +slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede +onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer +bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden. + + + + + +DE ARMENIËRS. + + +De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste _grootendeels_ +ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in +Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel, +even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk +nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen, +na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene +beschouwing der Armeniërs overgaan. + +Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus, +is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den +heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong +van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten +aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van +het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De +geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid +en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader, +die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen +binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou +hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land +door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld. + +Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische +nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst +ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van +Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen +werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige +en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden, +een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische +harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk +door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of +Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even +als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen +machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd, +of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit +treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij +dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft +hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even +als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk. + +Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen +zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner +berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden +zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die +zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben, +even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks +20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden. + +Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter +verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich +ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid +hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar +ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de +zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd +en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken +van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden +en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog +verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later +heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het +Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis +ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont. + +Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders, +reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds +met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers +verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs, +die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren +geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche +steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen +waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen, +en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben. + +Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot +ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het +Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en +West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische +gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de +eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische +Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden +ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben +zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van +Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten +hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken +aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun +eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan +hunnen ouden speculatieven zin. + +Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in +Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden +rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook +naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien +nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren +in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen +van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten. + +De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel +Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar +Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden, +Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden +behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van +tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van +Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde +rol spelen. + +Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen, +dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne +handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij +de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de +provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De +handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in +hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars +der Turksche hoofdstad. + +Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich +vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië +en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad: +"Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die +handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt +de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond, +en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de +groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten +en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun +vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn +overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters, +vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls +rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije, +Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen +adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even +als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche +afkomst aantrof. + +In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het +meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder +de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen +de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen +de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van +het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral +Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in +het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en +door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk +verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke +landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in +Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten +getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder, +en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen +handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen +hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere +zijde even ver Rusland in. + +Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van +zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de +Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs +ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen +de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele +scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw +vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering +van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus +naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan, +van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten +zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en +wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en +zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad +aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw, +nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit +der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën +tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven. + +Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een +aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte +ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het +beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der +Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede +werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten +naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als +officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen +adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van +Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven +Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong. + +Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk, +zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk +niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in +Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van +Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar +1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en +door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een +door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en +opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster +van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van +Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw, +van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is. + +Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid, +hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou +en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot +zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden +overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal +eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland +en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na +de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den +bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en +kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden, +boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen +van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de +geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs +steeds innig samenhing. + +De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als +hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige +consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin +vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders, +de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten +een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken, +een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte, +melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel +van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot +welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk, +gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en +Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de +Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter +niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te +rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen +beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens +anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval +op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst +in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs +met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en +Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en +taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen +en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon +in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend +verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele +Turksche en Arabische _woorden_ ingedrongen zijn, maar ook zelfs de +geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der +taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft. + +Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs, +stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken +kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van +menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij +donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en +hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen, +de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer +alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen +even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde +familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs +in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo +hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals +de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de +Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst +dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider +volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst +met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden +bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden, +dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst +geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden, +en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van +de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel, +geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een +zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden, +eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is +bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin, +vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één, +en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft, +onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf, +komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie +geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à +vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60 +jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de +achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs +den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band +is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken +van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden +genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek" +dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij, +die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne +"Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar +omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij +hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te +danken hebben. + +Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken, +als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders +bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan +als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat +zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en +voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens +een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit, +dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel +toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten +op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede +kunstenaars en fabrikanten. + +Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten +en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en +drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij +zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk +zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst +berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij +zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden +hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij +koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten +voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken +strevenden zin, geen geestdrift _pour l'honneur_! Zoo lang hunne zaak +goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn +zij door de Turksche Ulema's ook wel de "_paarlen der ongeloovigen_" +genoemd geworden. + +Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een +millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel +zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons +Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en +waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten. + + + + + + +DE ZIGEUNERS. + + +De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist +hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met +uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door +het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken +hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen, +die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt, +hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel +verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der +volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen, +die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende +dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een +onweder en verdwenen als een nevel. + +Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren, +dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de +strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard +niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in +weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve +heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht +machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht. + +Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze +vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch +hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene +woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne +takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor +ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde +aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de +altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door +de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs +tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en +hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks +geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd, +zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de +Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal +binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor +ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben +zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze +akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En +toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste, +dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij, +die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen +het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte +der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en +politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte +geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië, +als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin +der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook _vóór_ +dien tijd niet ontbroken. + +Men zegt, en dit is wel de _waarschijnlijkste_ onder de vele hypothesen +over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners, +dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en +zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden +der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen, +zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken +zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur +en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden, +de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit +alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste +kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar +die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in +rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste +zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam, +voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in +het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen +lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben +te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus, +het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun +beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In +den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij +niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt +men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd. + +Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der +Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der +maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht +worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken, +buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten +in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die +niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en +scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der +rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg, +in Indië tot de minst in tel zijnde behoort. + +Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden +hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen +godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat +andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van +den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en +daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden +zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met +het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot." + +Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden +zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de +lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij +eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor +den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische +danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende +klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn. + +Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles, +wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op +onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de +Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien +verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag +gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen +afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse, +dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt. + +De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het +schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan +op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor +zooverre ons bekend, _nooit_, of ten minste nooit in aanzienlijken +getale, _voor_ dien inval der Tataren het land uit. Noch den +overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote, +noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere +naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende +beweging gesteld te hebben, ofschoon wel _eenige_ sporen, die wij +reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van +het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende +volksverhuizingen wijzen. + +Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde +der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden, +op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in +zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de +vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke +wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen +bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de +inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten +plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om +weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen +van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk +kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij +ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een +der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind" +schijnen ontleend te hebben. + +Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de +Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het +land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken +gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de +Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten +zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners, +wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden +naam schijnen te zijn. + +Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de +Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte +van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot +naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en +langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door +de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen. + +Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren, +golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk, +zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove +wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden +waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door +opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië +betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk +behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427, +de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding +gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen +de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats +der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden +aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte +waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren, +en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en +menige almoes. + +Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met _de zelfde_ +klachten en vertellingen als _daar_, "een onbeschaafd, zwart, vreemd, +woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt, +waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere +Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg +alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van +ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte +tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau +in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd +hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij +ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook +de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op +de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland +en Skandinavië zijn niet _zeer_ lang daarna de jaarboeken des lands +vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver +schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen +en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere +ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa +heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen +hen nog op de hielen. + +Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims +uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de +oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij +Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en +zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit +den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van +dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben, +waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande, +deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo +lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en +boete duren zouden, _eene boete_, die hun opgelegd was geworden +als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus +op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd +hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal +den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding +door de Christenheid bevorderd hebben. + +Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk +alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en +in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en +ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat, +leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet, +_martelaars_ en _slachtoffers_ van den Koning der Mongolen," zeide men, +"waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de +landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor +te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij +"Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die +sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader +getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men +noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam +"Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk +gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner" +(dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis. + +Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen +geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin +zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van +allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd +heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus, +tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het +schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden +jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten +uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de _vlugge_ Zigeuners +aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen, +nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd +in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook +de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten, +verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij +groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam, +was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare +Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes +vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze +te voorschijn kwamen. + +In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving, +en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen, +de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging +moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was +even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen. + +Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd +tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen, +noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de +Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen, +konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche +overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat +ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na +gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het +nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner +die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen +bodem gevat werd, aan den _dood_ vervallen verklaard en aan den +scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te +vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen +van Indië zijn grondgebied in _beide_ werelddeelen _onverwijld_ +verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten: +"_ubi bene ibi patria_" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk +in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet +vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners +vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men +als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen +zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze +ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn +stelde, zoo _bleven_ zij toch overal en plantten zich voort, als de +vossen in de zandholen onzer heidevelden. + +Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met +de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid +en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon +worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen, +ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven, +en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken. + +Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de +Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger +en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die +drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken +en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten +te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog +heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog +eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne +taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen +nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men +er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van +Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere +Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig +zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit +ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in +hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen, +vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke +verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere +landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene +manier gewijzigd. + +In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en +bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in +Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand +der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor +Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen +in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die +het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften +en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter +hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel +lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging +van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest +Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten +geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de +Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het +algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen, +dat _tot nu toe_ aan die vreemde en tegenstribbelende menschen, +_ook zachtheid_ bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid +bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze +pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw, +hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem +van voor-historische tijden. + +De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland +gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts +weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze +aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet +bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het +dorp blijven _moesten_, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen +of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners +in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen +genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen +en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne +moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk +te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter +slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede +Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te +verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg, +en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich +zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven +wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere +landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr +in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland, +dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te +bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde +Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton +in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had, +nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van +onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren +hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken, +waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels +uitbreiden zou. + +Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft +dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden, +zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in +te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald, +zoo b.v. het volgende: + +Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den +Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar +met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze +dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde, +haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam +en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine, +lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en +groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw +op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer +pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te +trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te +stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en +op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele +familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de +nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte, +de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds, +aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij +verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht +had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar +voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte, +in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek +bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de +kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een +onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer +hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde, +dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man, +dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had, +moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en +verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter +beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij +als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw +bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens +naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank +van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger +luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets +van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret, +waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend +opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke +trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen. + +Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle +verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken +vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan, +en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige +verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de +Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor +400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij +zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich +bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000 +geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije +op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der +Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp, +de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden +hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in +Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland +is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook +in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn, +en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in +Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden, +dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in +geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men +ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen, +en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog +altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving +onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte +der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de +Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem +mogen rondkruisen, in rekening brengen. + +In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich +het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten +geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst +vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de +politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije +volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat +deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor +hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor +de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de +meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de +bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin +in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en +oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit +dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken. + +In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken +samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van +uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door +Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel +in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten +de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren +meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot +gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen. + +Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke +leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij +b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als +zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme +aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar +verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten +uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als +hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen. + +Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in +Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het +asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud +bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet +hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in +het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen +nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw +goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken, +hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van +het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen, +hangen blijven wil. + +Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed +hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar +het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen +onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder +voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en +dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze +den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert, +wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er +de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers +en goudwasschers van die streken geworden zijn. + +Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks +bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer, +algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel +smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde +spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije, +zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners +deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in +Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte +Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen, +b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon +en de eerste na den Koning is. + +In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en +kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte +Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg +gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan +gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond, +om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk +mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond, +brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader +het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te +voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid +in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de +meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig +geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo +lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en +tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze +afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken +kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen +kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene +oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed +steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als +huisvader vestigen. + +Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne +kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk +te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt +in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De +bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers, +vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd +Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere +dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden. + +Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa +in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden +aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken, +even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de +nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende +volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den +nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen +af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak +bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der +Tataren-clans _waren_, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten +bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen +met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld, +geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de +schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen +voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam +der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest +van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de +violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het +meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht. + +De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij +vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot +tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch, +kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar +electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn +de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende +en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van +het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de +geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke +wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe, +worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene +goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener +Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste +door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in +alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast." + +De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door +hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de +theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets +nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie +leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de +geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten +zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie +luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij +een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat +eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal +hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De +heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners, +verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer, +geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne +violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera +"la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was, +naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen +der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in +het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren +kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor +300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars +hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die +in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd, +onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en +wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het +land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster +Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten, +dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen +hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een +Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus +der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche +verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde +Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres +en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den +adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze +genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele +bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de +tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij +schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende +talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden. + +Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk +van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft +te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij +zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even +moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche +kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze +vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer +muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken +Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als +eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale +onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit +als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten +opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en +püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u +belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet +zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt, +door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm, +de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij +kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling, +en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk +van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen +en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur +zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene +Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen: + + + En rondom in wijde kringen + Hoort het moedig volk ons aan. + Laat de vedels wilder zingen! + Wilt de bekkens harder slaan! + Woester en niet zachtkens meer + Klinkt der instrumenten strijd; + D'oude krijgszang ruischt ook weer, + Die te voren met veel macht + Flinke knapen en ook grijsaards + Tegen Turken samenbracht. + + +In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten +onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens +aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl, +die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van +dien tijd" bestemd was geweest. + +De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen +_kunst_ onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne +lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne +Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor +alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even +als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en +daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka" +noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd +wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op +het Spaansche tooneel. + +Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet +zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier +kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale +voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de +Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor. + +In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons +laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid +en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden +van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en +reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige +bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij +in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid, +voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven +onder te doen. + +Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs +en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder +geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden +onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle +moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten +gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier +nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch +gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde +maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar +zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij, +die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst +en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene +moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over +hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij +leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen +altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige +oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige +en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren +der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en +biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft, +weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te +verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den +gever ondankbaar vergetende. + +Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam +en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop +zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen +daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl +zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners +ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet +beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin +der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten, +om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed +in zekerheid te brengen. + +Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote +mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de +vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar" +en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk, +luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon +schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de +levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze +vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche, +Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is +zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne +kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de +sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk +de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen, +die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen" +na te leven, tot voorbeeld dienen. + +Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of +ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan +ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden +en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den +dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter +nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed +waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van +Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne +nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op +eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder, +even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte +af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder +mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op, +en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig +eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort +van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op +het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een +reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde, +in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep +zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder +wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm +je er mee en troost je." + +De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste +wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die +zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de +armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich +denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden +van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de +regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar, +in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen +muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten +doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met +de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende +stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent +van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw +is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare +kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en +andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden +last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste +slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben +geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte, +dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene, +nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en +welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij +schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare +terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men +beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke +ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking +wegsterft. + +Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel +meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van +lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met +de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen +voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang +door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind +mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin +opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische +Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan +grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor +de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke +bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der +muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de +Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in +de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij +haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid +altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen +is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar +bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals +zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname +en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar +nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij +verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley +hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en +ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar +aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang +der hoogere standen. + +Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland, +de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij +tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid +dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van +bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij +ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in +Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid +zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen +oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen +hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën +Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de +Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van +strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen, +tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen. + +Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden +ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk +rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en +waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen, +om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven +te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en +scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der +Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats +tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen +van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen +het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen +voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen +zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze +beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de +Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten +hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor +den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de +Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die +door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland +"potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan +de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere +landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt, +doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater, +weinig van het Christendom over. + +Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor +godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om +vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den _Koran_, en zij kussen, +als zij zich in een Christelijk land bevinden, het _kruis_. In ieder +nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst +aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek, +dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de +Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van +Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus +als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk +ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam +wisten te geven, dan dien van "heidens". + +Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen, +dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig +gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is +opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche +leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan +zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren +zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser. + +Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott +in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als +door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn +"Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in +Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en +hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar +het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs +onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in +het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene +soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in +verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben +en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet +"de Stanleys", een andere "de Levells" enz. + +In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het +Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm +heet, en schertsenderwijze ook wel "_the Metropolis of the +Gipsy-kingdom of Scotland_ (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk +in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt +een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft: +"zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en +hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij +aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde, +wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland +opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt +dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe +men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en +heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen +zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter +komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige +kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook +dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan +den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een +tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw +denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen +der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding, +aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene +plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen. + +Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor +hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners +denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden +zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het +eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de +Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden +zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten +moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe +kennis maken. + +Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter +tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls, +als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur +nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen +men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met +ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder +en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner +is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in +zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen. + +Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van +het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig +genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze +"verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate +ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij +zich daardoor, dat zij zich _boven allen_ stellen. Even als de Osmanen +betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of +"Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware +moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun +door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem +niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren. + +Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor +elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden; +in Spanje b.v. het volgende: + +In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene +kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele +"Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de +grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden +aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend, +welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke +doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te +veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als +losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar +hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te +vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was +_besloten_ een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het +marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen, +toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel, +maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het +bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten +en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen, +terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar +nooit weder te betreden. + +Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet +bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's" +of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het +Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven, +in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de +bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren, +schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken, +misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland +gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg, +uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den +bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen +aangenomen hebben. + +De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos +worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder +belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen +met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde +van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht +door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe, +geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde +Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude, +eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed +wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens +te voorschijn." + +Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken +tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het +ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der +Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland, +in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel + III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven +te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken +van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar, +even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de +Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria" +(zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het +lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste +schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het +minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient, +verkwist hij reeds voor den avond." + +Dit alles en _in één woord ook alles anders_, wat men bovendien +nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer +overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat +het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne +bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat +dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds +bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld, +waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft, +op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich +zelven trouw is gebleven. + +Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid +en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij +de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en +onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij +alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke +macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven, +laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele +Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne +nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche +overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij +bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun +geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling +van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij +zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die +hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen +zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het +geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval +met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen +en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens +Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken, +geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een +hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van +_bijgeloof_ der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even +gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als +hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen +onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale +kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk +eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch, +bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen +gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft, +zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip +"hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of +"wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn +onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder +bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en +compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en +los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze, +en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen +van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en +dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den +grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels +gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid +wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende +nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die +atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten, +tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit, +zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die +bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur +en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen, +maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is +in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel, +dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen. + + + + + + +DE ITALIANEN. + + +Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt +Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af, +dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche +Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen, +waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn, +met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten +als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden +landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door +een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de +"_Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda_" [10]. + +De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons +vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele +zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen +voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland +in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van +Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld +te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend +bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft +zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur, +de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En +dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam, +met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne +Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel +minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland +met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of +aan gene zijde der zee. + +Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland +veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in +het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten, +en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden +der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het +Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele +andere betrekkingen een contrast. + +Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand +gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin, +die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven +staand menschengeslacht te zijn. + +De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der +Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen +en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de +Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind +blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare +zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van +Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei +kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien +slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de +warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom +aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië, +de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland, +dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft. + +Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen, +de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg +beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving +en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië, +het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche +leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche +genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf, +zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze +binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door +vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee +met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou +deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed +als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken +genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in +geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit +zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de +bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het +Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo +verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In +deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen +altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers, +hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren. + +Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die +in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter +dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het +is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de +Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende +dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze +bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet +der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge +met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien. + +De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige +landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt +derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en +kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen +verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming +van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft +Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het +bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen, +en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de +eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen, +dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd +langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich +tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft +de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering +en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten +heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het +Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen, +verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls +zeer scherp afgeteekende onderdeelen. + + + +Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen, +van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste +punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond, +dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten +gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en +psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij +noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken +allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten, +door dezelfde sympathieën bezield te zijn. + +Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië, +van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en +één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit +geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen +der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer +verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven, +onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van +elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander +verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den +minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten +minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne +oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben +zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de +vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen, +dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen, +die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de +voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen. + +In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze +van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen +en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen +zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn +dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De +lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke +wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij, +trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke +algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals +het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men +in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen +der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het +minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van +de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich +ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en +ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen +zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen +samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam +"Groot-Griekenland" ontving. + +De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke +uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten, +dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele +verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op +Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij +wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij +der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen +met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen +zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving +aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst +bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde +ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië +en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in +de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is +in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking +overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert, +dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog +Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid, +hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van +sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni +in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van +Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor +Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden. + +Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden +eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne +afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest +belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw +van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin +landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in +het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij +nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de +Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten +is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die +der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar +niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige +kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van +erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud +en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere +Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij +uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt +nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil, +die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun +godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig +met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner +steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende +den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne +koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië +verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte +van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn. + +Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving +zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles +zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit +volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië +gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië +zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor +Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen +Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij +zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of +"Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is, +zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige +Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie +der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen, +die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn; +anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de +bergen gevluchte Etruskers. + +Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de +massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men +toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag +voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering, +hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen +mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen +grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook +nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der +Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk +was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen +Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde +van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd +voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee. + +Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster, +het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en +met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen +vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers +der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden +reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen +overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche +eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen +streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel +Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in +het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij +en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers +bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als +hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland, +en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik, +overal in kwartier. + +Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen +Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen, +en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het +karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne +taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben +op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd +Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland +Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche +eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de +inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter +der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament, +dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de +Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners +waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek +gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren. + +Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal +der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de +Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar +het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons +werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken, +de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de +Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij +hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van +Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele +fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang, +voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette +voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het +groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der +Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen +deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en +andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters +van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië. + +De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het +type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de +Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen +onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of +te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der +Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen +beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze +dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van +gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs +en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome +geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog +dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en +in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van +bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen, +en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers, +zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er, +over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk +is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid +hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke +nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even +als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode, +ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der +Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk, +in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in +het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De +door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië +met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in +omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat +men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling +der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken +Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet +hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest +geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de +Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch +sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste +tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde +heerschappij verbonden geweest. + +Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu +veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen +neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak +der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den +nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam +maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs +dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen, +die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend, +daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met +betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de +Galliërs of Celten behooren. + +De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke, +vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen +laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte +van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen," +hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor +het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter, +zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest, +zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de +Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de +hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander +schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende, +landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn- +en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land; +zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd +hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het +fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne +taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen, +stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over, +met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene +weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd +naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk, +dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij +dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "_Graecia capta +ferum cepit victorem._" Het onderworpene beschaafde volk ving de +wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen, +de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden, +allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd. + +Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen +oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op +Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle +Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt +hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en +met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna +over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de +lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het +grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels +bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en +smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde +Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden +dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten, +zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen, +en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude +Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven +reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde +staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den +beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt +wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun +volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en +die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal, +van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen +eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de +menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf, +"nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur, +groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte, +van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan +consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in +het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in +Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht +en kortheid." + +Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige +geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem +Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië +aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten. + +Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de +boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en +Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van +Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de +herdersdorpen der zoogenaamde _Tredeci_ en _Sette Comuni_, die nog +heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen +afstammelingen der oude Germanen te zijn. + +Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog +ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De +Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische, +Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen +een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door +deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende, +zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter +geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche +volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers +verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige +oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen +de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld +waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne +tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften; +eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche +Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven +Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche +staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede +naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch +geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze +"Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk +gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders, +maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten +noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de +tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op +hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de +stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de +ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is +verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen +van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen +zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "_guerra_" (weer), +"_arnese_" (harnas), "_stivali_" (stevels), "_caccia_" (jagt), +"_fiasci_" (flesch), "_bicchiere_" (beker), hebben alleen op jagt, +oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens +zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen, +zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard, +dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal. + + + +Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen +ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen, +in aanraking gekomen. + +In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk, +dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en +dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der +Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst +van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden +hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs, +van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen +geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog +heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in +tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg +dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der, +nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest", +"Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter. + +Dat ten tijde der volksverhuizing, met de Germanen, vooral ook met de +uit Hongarije hier binnenrukkende Longobarden, ook vele Slawen naar +Italië kwamen, even als in onze dagen met de Oostenrijksche legers, +is aan geen twijfel onderhevig. Hunne elementen zijn daar echter +onder Germaansche namen verborgen.--Even zoo uitgemaakt zeker is het, +dat de Noord-Oostelijke uiteinden van Italië, reeds in de 7de eeuw +door Slawen omsingeld waren. De Slawische taal was toen zelfs aan +het hof van den Hertog van Friaul in gebruik, en de Slawen trokken +dikwijls over de Isonzo op Italiaanschen bodem, en stichtten daar +steden, burchten en dorpen, die nu nog bestaan en waar beide talen, +het Italiaansch en het Slawisch nog heden gesproken worden. Op eene +tamelijk uitgestrekte lijn, langs de grenzen van Karinthië, Kroatië en +Istrië, zijn Slawische en Italiaansche elementen met elkander vermengd, +en deze grens is, door de veroveringen en volkplantingen der Italianen +in Illyrië en Dalmatië, nog verder uitgebreid geworden. Daardoor +werd Venetië zelve een middelpunt voor de Slawen, die als matrozen +en soldaten daar heen gingen, wier voorname geslachten niet zelden +in de Venetiaansche aristocratie werden opgenomen, en wier heldere +geesten somwijlen deelnamen aan het streven der Italianen om kunst +en beschaving te ontwikkelen. + + + +Uit dit overzicht der vroeger Italië binnengedrongene volken, +blijkt dus, dat dit land in oude tijden,--vóór Rome--door de meest +verschillende stammen, men kan zeggen door gedeelten van alle in Europa +en om de Middellandsche Zee wonende rassen, bewoond was, en dat het +ook in het vervolg van tijden meermalen weder door al deze stammen, die +daarheen als tot een geographisch middelpunt samenliepen, aangegrepen +werd. Vraagt men nu, hoe al deze op het schiereiland van de vroegste +tijden af voorhandene, en steeds op nieuw binnendringende vreemde +elementen, zich tot één volk gevormd hebben dat in aanhoudenden +strijd met hen eene gelijkvormige nationaliteit ontwikkeld en +behouden heeft? Het is vrij wel uitgemaakt dat de eerste, en ook +voor alle tijden voornaamste grondvesters van een "_Italia Unita_," +de Romeinen geweest zijn.--Zij waren van oud-Italiaanschen stam en +bewoonden het midden van het lange land, waar zich altijd de echte +Italiaansche natuur zuiverder bewaard heeft, dan in de naar het Oosten +gekeerde Zuidelijke punt, en in de, het Noorden de hand reikende, Po- +en Alpendalen. Van uit het midden veroverden de Romeinen het eene der +Italiaansche landschappen na het andere, het eerst die der met hen +verwante Latijnen, Umbriërs en Samnieten, en ook die der zeer van hen +verschillende Etruskers.--Hunne veroveringen sleepten niet alleen +eene omverwerping van de oude staatsregelingen der onderworpene +steden en staten na zich, maar ook eene vereenzelving in bloed, +zeden en taal. Burgerlijke- en militaire koloniën trokken buiten de +muren der stad Rome, en maakten het geheele land, waarover zij zich +verbreidden, gelijkvormig. De groote land- en militaire wegen, die +de Romeinen in de Apennijnen in verschillende richtingen aanlegden, +brachten er het hunne toe bij, om het geheele schiereiland in een +maatschappelijk geheel te hervormen. De scherp in het oog vallende +volkseigenaardigheden verminderden allengs overal. De oude, zeer van +elkander verschillende Oscische, Etrurische, Ausonische tongvallen, +werden overal op den achtergrond gedrongen, de Romeinsche of Latijnsche +taal werd overal de heerschende. + +Op die wijze overal omwentelingen en volksplantingen aanbrengende, +drongen de Romeinen ook het Grieksche Beneden-Italië en Sicilië +binnen. Ook daar moesten Grieksche taal en zeden het onderspit delven +voor de Romeinsche. Daar de Romeinen hier echter het gebied eener +meer ontwikkelde en oudere beschaving binnenrukten, zoo konden zij +er wel niet buiten, hier veel van aan te nemen, en van toen af aan +ging derhalve ook de toenemende Latiniseering van het schiereiland, +met de toenemende Helleniseering der Romeinen hand aan hand. + +Van dit Zuiden, niet uit de muren hunner stad, waaruit zij anders +alles van daan haalden, ontleenden de Romeinen den naam van het door +hen tot één gemaakte en veranderde land en volk. Geene benaming +zou er natuurlijker voor geweest zijn, dan de naam "_Romania_" +(het land der Romeinen), want de Romeinen waren zijne scheppers.--In +stede van dien duldden zij het, dat uit de zuidpunt van het land, +wij kunnen niet meer nagaan _hoe_, de ten eenemale onbekende naam +van een arm herdersgeslacht, zich als eene slingerplant uitbreidde +en het geheele schiereiland overtoog. In de landpunt aan de zeeëngte +van Messina, die wij heden ten dage Calabrië noemen, moet volgens de +legende in oude, gouden tijden een Koning "Italus" geheerscht hebben, +wien ter eere de menschen daar, die tot dien tijd toe "_Oenotri_" +(d.i. de wijnbouwers) heetten, zich "Itali" en hun land "Italia" +noemden.--Volgens anderen zouden de Calabriërs dezen naam, uit +hoofde hunner schoone weidevelden, van oudsher gevoerd hebben; +want "Italia" van oudsher verwant met het Latijnsche "_Vitulus_" +(jong rund) moet zooveel als het runder- of weiland beteekenen. Nog +tijdens den bloei van het oude Syracuse strekte zich echter deze +naam, die voor zoo grooten roem bestemd was, niet Noordwaarts van het +Calabrische schier-eiland uit. Langzamerhand sedert de 4de eeuw voor +Christus geboorte, omvatte hij reeds het Zuidelijk Italië.--Tegen +het einde dezer eeuw namen de Romeinen hem aan, toen zij Zuidelijk +Italië veroverden; zij brachten hem verder Noordwaarts, aanvankelijk +echter niet aan gene zijde der Toscane omgevende Apennijnen.--Daar +scheidde de Rubico, eene kleine rivier in het Zuiden van Ravenna, +nog lang dat wat men "Italië" noemde, van de Noordelijke Po-vlakte, +die nog onder den naam "Gallië" begrepen werd. Eerst na de Punische +oorlogen drongen de Romeinen ook als overwinnaars, koloniseerende +en de oude Cis-Alpijnsche Galliërs hunne nationaliteit ontnemende, +het Po-land binnen. Zij verbreidden hunne taal en zeden en die der +nu met hen verbondene Italianen, van het Zuiden tot aan den voet der +Alpen, die hun eene zeer natuurlijke grens van hun verruimd vaderland +toeschijnen moest. Deze italianiseering van het Po-land was echter +reeds lang half voltooid, voor men het den naam Gallië officieel +ontnam. Eerst Keizer Augustus volgde de publieke opinie, die reeds +toen algemeen tot aan de Alpen reikte, dat is, hij breidde den naam +Italië zoover uit als die later bijna altijd gegolden heeft, tot aan +den Varus of Var bij Nizza tegen Gallië, tot naar Istrië in het Oosten +en tot aan de gletschers in het Noorden. Men mag dus Keizer Augustus +als den schepper van het idee "Italië" en "Italianen" beschouwen. + +De geheele bedwinging en verovering van Italië door de Romeinen, kan +men beschouwen als eene vereeniging der Italianen tot één staat onder +echt Italiaansche banier, als eene gelijkmaking en samensmelting van +al het vreemde op Italiaanschen bodem tot één volk.--De Italianen +hebben door de Romeinen onder alle volken in Europa, het eerst het +voordeel behaald, dat zij, als een, wat taal, zeden, sociale en +politieke inrichting betreft, vereenigd volk daar stonden, in een +tijd, toen nog alle andere rassen van ons werelddeel in stammen en +clans opgelost, door elkander lagen. Zulk eene nationale vereeniging +was zelfs den zoo hoog beschaafden, maar altijd in tweespalt levenden +Grieken nooit gelukt. + +Het werk der, om zoo te zeggen voor de eeuwigheid bouwende Romeinen, +heeft alle wisselvalligheden der volgende eeuwen overleefd. De door +hen gelegde grondslagen voor de Italiaansche eenheid, vormen nu nog +de basis der Italiaansche nationaliteit. Hunne, in het verloop der +tijden gewijzigde taal, den door hen aan het volk, tusschen de Alpen +en Sicilië, gegeven toon, en de herinnering aan hunne heldendaden, +zijn in alle eeuwen tot op den huidigen dag, het patriotische cement +geweest, dat de Italianen tot één volk verbond en verbindt.--Alleen de +voorbereidselen der Romeinen maakten het mogelijk dat de liederen, in +lateren tijd door een Dante of Petrarca aan den Arno gezongen, in het +geheele land als uit het gemoed des volks voortgekomen, weerklonken. + +De stempel, dien zij op het volk, tot aan den Var en tot aan den +bovensten rand der Alpen, drukten, was zoo onuitwischbaar en vast, +dat die altijd weder, door alle later daarover uitgeschudde elementen +heen, te voorschijn kwam en zich overwinnend naar boven werkte, en dat +Italië ten allen tijde daarnaar streeft, zich politiek binnen dezelfde +grenzen te vereenigen, die Keizer Augustus het afbakende.--Deze +vroeger door de Romeinen tot stand gebrachte vereeniging van geheel +Italië tot ééne gelijksoortige natie, gaf den Italianen het groote +overwicht over Europa, waardoor zij in staat waren ons werelddeel +te veroveren. Italië werd onder de Romeinen in zoo hooge mate en in +zoo uitgebreiden zin het levens-centrum van geheel Europa, als na hem +geen ander Europeesch land en volk weder geweest is.--Het bloed en de +denkbeelden van het geheele beschaafde _Orbis terrarum_, culmineerden +en centraliseerden een vijfhonderdtal jaren in Italië.--"Rome ontving +bij zich alle vreemdelingen, drukte hun zijn stempel op het voorhoofd +en zond hen als Romeinen weder de wereld in." + +Daar zij een zoo krijgshaftig, krachtvol, ernstig, consequent, +gedisciplineerd, politiek en wetkundig volk waren, als men nauwlijks +eenig ander in de geschiedenis aantreft, zoo hebben zij dien ten +gevolge ook meer dochter-volken en dochter-talen in de wereld gebracht +dan eenig ander volk.--Zij brachten eene min of meer algeheele +romaniseering of italianiseering van alle landen en volken, van +af Schotland tot aan Afrika, van het Pyreneesche schiereiland tot +aan den Eufraat, tot stand. De in verschillende landen gesprokene +talen werden, door de wereld veroverende Latijnen, niet alleen +uit de gerechts-zalen en bestuurs-bureau's van het rijk, maar +grootendeels ook uit de bijeenkomsten der beschaafde maatschappijen +verdrongen; de Grieksche taal was bijna de eenige die naast die der +Latijnen bleef bestaan. De bijzondere rechtspraak en de oude staats- +en maatschappelijke instellingen der verschillende rijken, weken +overal voor de algemeen in zwang komende rechtspraak en toestanden +der Romeinsche monarchie. + +Overal waar de Romeinsche soldaat zijn kwartier opsloeg, de +Romeinsche kolonist zijne akkers omheinde, aan de Theems, aan den +Donau, aan de Tigris en den Nijl, zetten zich ook de Romeinsche +bankier en de Romeinsche koopman neder, begaven zich ook uit Italië +de landmeters en de architecten, de opperpriesters en de advokaten, +de schoolleeraars, de kunstenaars en de handwerkers heen. Overal werden +de tegenstellingen uit den weg geruimd, die vroeger de nationaliteiten +zoo streng van elkander scheidden, en naast de uiterlijke gelijkheid in +de officieele taal, in het geld, de rechtspraak en de administratie, +werd het geheele leven, denken en wezen der volken met Romeinsche +elementen doordrongen. "Onder alle hemelstreken" zegt Prudentius, +"leefden de menschen op Romeinsche wijze, als ware de geheele wereld +slechts ééne Italiaansche stad." + +Trots de later volgende eindelooze omwentelingen en volksverhuizingen +is deze stempel, dien de Romeinen een groot gedeelte van Europa op +het voorhoofd drukten, in den loop der eeuwen niet weder verloren +gegaan. Waarheen wij ons ook wenden, overal ontmoeten wij nog heden ten +dage hunne machtige en onvergelijkelijke inwerkingen. Zij lieten in ons +werelddeel, de ver verbreide groep der naar hen genaamde Romaansche +volken, achter.--Evenals de nationale geest en de taal der Italianen +zelve, zoo rusten ook die der Spanjaarden, der Portugeezen, der +Franschen, der Belgen, der ver langs den Donau verspreide Walachyers +op de, door de Romeinen door romaniseering gelegde fundamenten. + +Maar hun invloed op de beschaving van Europa steekt verre uit boven +het bestaan hunner politieke macht en bloei. Zelfs nadat hun lichaam +reeds lang dood was, waarde de door hen in het leven geroepen geest +in Europa nog rusteloos rond, groote daden verrichtende en bijna nog +meer volken bindende, dan hunne legioenen zulks vermocht hadden. + +De met de Romeinen opgegroeide en door hen zeer ontwikkelde taal, +bleef nog, bijna een duizendtal jaren na de ontbinding van het +Romeinsche rijk, de taal van den beschaafden stand, der dichters, +der diplomaten, der wetgeving en van het algemeen verkeer in ons +werelddeel.--Zij verwierf zich zelfs het burgerrecht in landstreken, +waarin Romeinsche krijgslieden nooit gekomen waren, b.v. ook in het +geheele uitgestrekte land der Sarmaten en in Skandinavië.--Zij is +nog heden ten dage naast hare zuster, de Grieksche taal, de taal +der wetenschappen in zoo hoogen graad, dat men zelfs geene nieuwe +uitvinding, geen aan de uiteinden der wereld gevonden plantje, +gelooft wetenschappelijk geplaatst te hebben, wanneer men er geen +Latijnschen naam aan gegeven heeft.--Nog omstreeks het einde der +midden-eeuwen werden de dichters vóór Petrarca, niet voor dat wat zij +in hunne _eigene_ taal gezongen hadden, maar voor hunne _Latijnsche_ +gedichten op het Kapitool gekroond, zooals ook nu nog onze geleerden, +alleen door in het Latijn geschrevene verhandelingen, den graad van +doctor verwerven kunnen. [11] + +Ofschoon de Romeinen geen oorspronkelijken naam voor den eeuwig +bloeienden aanvoerder der Muzen uitgedacht, maar den naam "Apollo" +onveranderd van de Grieken overgenomen hebben, ofschoon hunne poëzie +niet oorspronkelijk was, maar er de "geestdrift der Grieken luide +in weerklonk", zoo hebben zij toch alles, wat zij van Griekenland +ontvingen, met eene zoo groote politieke macht gestut, dat zij en +hunne taal de dragers en verbreiders ook der Grieksche ontwikkeling +in Europa geweest zijn. + +"Voor de schoone kunsten hebben de stijve, harde, punctueele, dappere, +geheel door heerschzucht vervulde Romeinen het minst gedaan." Zij +waren vreemdelingen op dit gebied, en bedienden zich hierop van +bijna niets anders dan van het hoofd en de armen der Grieken. Niet +ten gevolge eener warme geestdrift voor de kunst, maar ter opsiering +hunner Keizerstad, plunderden zij de veroverde landen en voerden zij +de kunstschatten naar Italië. + +"Ook in de wijsbegeerte waren zij slechts napraters der diepzinnige +Grieken. Men bemerkt dit het best in hunne taal, die zoo arm +schijnt aan philosophische uitdrukkingen en kunstwoorden, dat +Plato en Aristoteles moeielijk in goed Latijn kunnen vertaald +worden."--Daarentegen hebben zij, als eene door en door tot +heerschappij voeren geborene en gevormde natie, in hunne taal even +als in hunnen geest en hunne wetgeving, alle bont geschakeerde +rechtstoestanden en rechts-vragen van het burgerlijke leven beter +doorschouwd, bewerkt en de taal daarvoor beter bruikbaar gemaakt, +dan eenig volk te voren. + + + +Hun recht heeft tweemalen de wereldkwestiën geregeld, eens, +zoolang hunne Keizers nog den schepter zwaaiden, door den steun +van hun overwinnend zwaard, en een tweede maal langs vreedzameren +weg, ten gevolge der hulde, die men aan hunne juiste inzichten, +principes en definities vrijwillig toebracht.--Het Romeinsche recht +was reeds eens, ten gevolge van de stormen der volksverhuizing, +buiten gebruik gekomen. Ja! de Justiniaansche codex, de quintessence +van dit recht was, even als eens ten tijde der Makkabeën bij de +Joden de Mozaïsche canon, verloren gegaan. Hij moest uit het puin +der verwoesting weder voor den dag gehaald worden, even als de +Laokoon-groep, de Venus van Medici en andere antieke standbeelden; +en even als aan deze uitgegravene Grieksche kunstscheppingen zich +een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis vastknoopte, zoo kwam ook +uit het weder ontdekte Romeinsche wetboek, eene nog veel machtiger, +laat geborene heerschappij der burgerlijke wetgeving der Romeinen +te voorschijn.--Deze merkwaardige tweede verovering der wereld +door de Romeinsche wet, ging in de midden-eeuwen van eene der +voornaamste en oudste leer-inrichtingen in Italië, van Bologna, +uit. Een geleerde, Irnerius, begon in de 15de eeuw de pandecten +te lezen, te bestudeeren en te verklaren. Op zijn aandrang werden +daarop Romeinsche recht-scholen gegrondvest, en toen weldra haar roem +zich verbreidde, zonden de volken van allerwege hunne weetgierige +afgezanten over de Alpen, werden de geduldige scholieren der, uit +den mond der Italiaansche professoren tot hen sprekende, Romeinen, +en staken nog eenmaal geheel vrijwillig hun nek in het Romeinsche juk. + + + +De rechtsgeleerden der Romeinen brachten langzamerhand de onderwerping +tot stand van geheel Germanië en van vele andere volken, die hunne +veldheeren niet hadden kunnen bedwingen; de verhoudingen en toestanden +van iedere stad, van ieder dorp in Europa, werden naar de uitspraken +en besluiten der oude, reeds lang verstomde Romeinsche praetoren en +Keizers geregeld. + + + Staten blijven niet eeuwig bestaan, + Ook zijn reeds geheele geslachten + Door der tijden wisseling vergaan, + En dus als vergeten te achten. + Maar aan den hoogsten bergtop gelijk, + Door Aurora omkranst steeds met licht + Is slechts de Vorst, aan schranderheid rijk, + Die zoo veel goeds daardoor heeft gesticht. + + +Dit woord van den grooten Schiller, dat hij tot lof der groote +mannen zong, mag men in nog hoogeren zin van toepassing beschouwen, +op den geest van zulke krachtig optredende en verstandige volken, +als de Grieken en de Romeinen. Even als de Montblanc werpen zij +breede schaduwen over de landen heen; zij verlichten nog lang het +landschap, als hun voet reeds lang in duisternis begraven is.--Zij zijn +onsterfelijk, en zelfs als zij schijnen te sterven, is het eigenlijk +geen dood, maar slechts eene verpopping en een weder opleven in +anderen vorm. + + + +Reeds terwijl hun door de barbaren het zwaard afgenomen was, hadden +de Italianen zich een anderen schepter der wereldheerschappij +gevormd. Rome had de zaden van het christendom in haar boezem +opgenomen, en de uit dit zaad ontkiemende wijnstok, de macht van den +Romeinschen bisschop, had zich ongemerkt en langzamerhand tegen den +boom van het Keizerschap aangeklemd en was met hem opgewassen.--Nadat +de barbaren den Keizerlijken eik geveld hadden, bleef de moeielijker +op te ruimen rank der Kerk bestaan. Daar zij den wereldlijken +schepter niet meer zwaaien konden, grepen de Romeinen naar den +bisschoppelijken staf, en met dezen hebben zij langzamerhand in den +loop der midden-eeuwen, door zachtere kunsten, door zachtere middelen +en wegen, door woord en overreding, weder alle volken van Europa in +hun net vastgesponnen. + +Onder de vele gaven, die wij uit de handen van Rome en Italië +ontvingen, is de gewichtigste: het Christendom. Het groote werk der +verchristelijking, dat in Rome begonnen werd, werd van daar uit, door +Italië's zonen, trots de stoornissen door het ongunstige politieke +lot van hun vaderland, verder gebracht.--Er is een tijd in Europa +geweest,--en die tijd duurde lang--toen Italianen, als zendelingen +der nieuwe leer, door alle landen van ons werelddeel trokken, om +het barbarendom en heidendom te bezweren, en toen Italianen aan de +hoven der Koningen en in de hoofdsteden der volkeren, als kerkvorsten +aan het hoofd der geestelijke zaken stonden. Daar zij als soldaten en +praetorianen niet meer de Keizerskroon vergeven konden, begonnen zij nu +het als priesters te doen. Sedert Karel de Groote, omstreeks het jaar +800, deze kroon uit de handen van Leo III had ontvangen, was Rome, +de eeuwige stad, weder de hoofdstad der wereld. Het groote overwicht +der door de Italianen gevormde, onderhoudene en grootgebrachte macht +der christelijke kerk bewerkte, dat in de midden-eeuwen even als in +de oudheid, de geschiedenis van Europa, Italië weder tot brand- en +middelpunt verkreeg, waarop alle kampstrijden, de geestelijke zoowel +als die van den krijg, gestreden werden. + +"De Roomsch-Christelijke kerk, haar indrukwekkende ritus, de pracht +en het betooverende van haar cultus, die den geest op verheven zaken +leidt en de ziel tot godsdienstigheid opwekt, hare liefelijke aria's, +hare indrukwekkende kooren, hare schitterende versierselen, de groote, +majestueuse ruimte harer Godshuizen, het bekoorlijk poëtische waas, +dat haren geheelen godsdienst een zoo verheerlijkt uiterlijk geeft, +hare aantrekkende geheimzinnigheid, die het gemoed naar hoogere +sfeeren brengt"--dat alles is een werk van Italiaansche vinding en +kunst.--In alle landen van Westelijk- en Midden-Europa, noordelijk +tot aan de Noordkaap, en oostelijk over de grenzen van Sarmatië, +verbreidde zich deze door de Italianen geregelde godsdienst en de +door hen georganiseerde kerkelijke heerschappij. Overal diende men +God op Italiaansche wijze en in de door de Italianen over de wereld +verspreide taal. "Italië was de opperheerscheresse in het rijk der +hoogste geestes-aangelegenheden."--In de 11de eeuw, toen den geweldigen +Benedictijner-monnik Hildebrand de driedubbele kroon op het hoofd +gezet werd, bereikte deze theocratische monarchie der Italianen, +die bijna geheel Europa omvatte, even als eens onder Augustus hunne +militaire monarchie, hare voltooiing. + +Even als die jonge Mongoolsche paardenhoeder, en nog met meer +recht dan Dschingis-Chan, kon de geniale zoon van een Italiaanschen +handwerker zeggen, "de geheele wereld draait zich om mij, als om haar +middelpunt."--De Keizers hielden de stijgbeugels der hoogepriesters +van Italië, en de Koningen van Europa kwamen om hun den pantoffel +te kussen. De macht dezer Romeinsche Kerkvorsten heeft nog langer +geduurd dan die der Romeinsche consuls, en hunne reeks is langer dan +die der Romeinsche Imperatoren. En ofschoon later ook deze wijze van +Italiaansche suprematie, even als die welke zij door hunne Imperatoren +over Europa uitgeoefend hadden, door een nieuwen geestelijken Arminius +in de wouden van Duitschland gebroken werd, zoo is toch nog heden +ten dage een groot gedeelte van ons werelddeel, met betrekking tot +hun werkelijk leven en godsdienstig denken, als geitalianiseerd, +of als onder den invloed van Italië staande, te beschouwen. + +Ja, het terrein, dat in Duitschland en in het Noorden van Europa voor +het Pausdom verloren ging, werd rijkelijk vergoed door de provinciën, +die zijne zendelingen, zijne jezuïten en bedelmonniken aan gindsche +zijde van den oceaan in de nieuwe wereld veroverden. + +En dit Pausdom, deze door Italië voortdurend uitgeoefende geestelijke +wereldheerschappij, heeft een zoo onverwoestbaar leven, dat ook +tot nu toe, al de groote volksstormen van den nieuweren tijd, de +Fransche revolutie, de Napoleontische oorlogen, de volksbewegingen +van 1848 en de nieuwste omwentelingen in Italië zelve, die allen het, +als Luther in Duitschland, met wortel en tak dreigden uit te roeien, +het slechts weinig geschaad hebben. Het zwenkte door al die stormen +heen, werd wel heen en weer geslingerd, maar bleef voor anker liggen +en gebiedt nog heden, even als vroeger. + +De Katholieke kerk en het Pausdom zijn wel de meest grootsche en de +invloedrijkste scheppingen, die uit den geest van het moderne Italië +te voorschijn getreden zijn, maar het zijn niet de eenige.--Tegelijk +met den opbouw der Kerk en ten deele onder hare bescherming, die zij +hun in den strijd met de Duitsche Keizers verleende, bloeiden in Italië +eene menigte andere staten en republieken, zetels der beschaving.--Eene +voorliefde, als ik het zoo noemen mag, voor een stedelijk, burgerlijk +en republikeinsch volksbestaan, schijnt van oudsher den geest der +Italianen eigen geweest te zijn. Wellicht heeft zij haren oorsprong te +danken aan het karakter van hun vaderland, dat in zoo vele afgesloten +deelen is afgeperkt. Reeds in de oude tijden zien wij het land met +steden bedekt, en het volk niet zooals de Duitschers, in onderlinge +betrekkingen die door het boerenbedrijf of het landbezit in het leven +waren geroepen; niet zooals de Slawen vereenigd door den band van +het familieleven, van stam- of bloedverwantschap, maar in stedelijke +gemeenten of stedelijke staten vereenigd. Eene stad noemen de Italianen +"_una nazione_". + +Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden +uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen +van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten, +zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad, +werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen +scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld, +slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen +burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der _Orbis terrarum_, om +zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche +Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde +neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want +de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en +landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke +familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting +van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend +te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich +geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen +machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche +stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste +zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op, +weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland, +met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door +de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen +land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo +vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië, +maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke +republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd +vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe +monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in +Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal +voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden +van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen +riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels +schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de +midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is +de oorsprong van het _moderne_ Italiaansche karakter. Dientengevolge +is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden, +en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman +met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft, +maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook +de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië +toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den +burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men +heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en +Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in +Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in +Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer +verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen +ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de +nu _moderne_ Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals +ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom +ook dat, wat Sismondi een _gevolg_ van het overwicht der steden noemt, +omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende _oorzaak_ +van dit overwicht beschouwen. + +Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten +en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde +Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken, +zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie +van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend +jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der +volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze +Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen +des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche +staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en +plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen, +en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke +schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten +bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de +eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden +in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden +gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, +een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid, +overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende +verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af +en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de +Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden +bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige +havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten, +opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare +werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders." + +Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer +Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel +van al haar streven. + +Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij +daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste +kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het +boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van +Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste +proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust +de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende +volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de +wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd +werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot +stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die +van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van +deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen +breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche- +en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in +Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen +en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland, +zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij +vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen +bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal +tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken, +de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant +is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige +Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in +Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog +heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is, +Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen". + +Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en +zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der +Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen +en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne +hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een +Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote +ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche +school gevormd. + +Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in +hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen +elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen +bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen +en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij +eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor +voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste +tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de +meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de +gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de +en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven +de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde +kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme, +ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu +zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding +der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius, +de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi, +de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was +een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten, +zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd +ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar, +die 20 jaren lang Europa beheerschte. + +Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her +echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor +alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de +bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het +langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei +en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst +of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten +van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen +van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele +takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren +dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de +geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken, +wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en +hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk" +is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs +uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de +ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche +bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier +volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen, +in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd. + +En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die +zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw, +in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen +nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij +voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië +beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen, +zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van +den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen, +in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich +in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen +indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond +een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze +doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel +echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne +koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde +bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den +door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en +torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche +barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de, +het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen +altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven +is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence, +Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf, +Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties, +zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele +wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele +familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de +daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog +treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners +als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden- +en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken. + +Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst, +de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige +voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten +geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst, +de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest +Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor +alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden +ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig +had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die +de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien, +die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang +en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft, +moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken. + +Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten, +de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke +scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen +zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter +wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander +den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen +den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het +plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische, +steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten +minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het +beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden +Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië, +hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter +en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In +den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke" +genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste +te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is, +"een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke +natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft, +en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste +en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël, +den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde +_Cinque cento_, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië +haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche +steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars, +zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was +zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk, +het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft. + +Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden +van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met +elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte +van Christus, en bij de Italianen het _Cinque cento_ na Christus +geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000 +jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden +treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen, +in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke +wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die +somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene +verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den +Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche +geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van +vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke +wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene +andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen +hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan +met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige, +onbuigzame Romeinsche landgenooten. + +Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen +bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een +zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend +erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de +minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide +en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij +een smaakvol uiterlijk te geven." + +In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de +mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van +smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog +steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van +figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen +door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk +voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en +oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst, +laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het +kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij +bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in +schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het +gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook +maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar +netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig +aanzien heeft." + +Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in +hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne +lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde +gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht +gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze +zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene +zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een +eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene +en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige +uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken, +die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak +dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of +minder als een oud erfdeel van _alle_ inboorlingen van Zuid-Europa, +deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons +werelddeel, karakteriseert. + +Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen +smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van +de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds +even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche +tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende +musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen, +die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een +onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden, +werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met +de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den +engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek +Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp +afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en +daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste +vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk +gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel +te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek, +een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en +ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten +zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men +bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt." + +De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele +andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen, +dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet +afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan +de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek +overtreffen. + +De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van +Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de +Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als +in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend, +"in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere +welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere, +zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als +het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne +trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels +en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren." + +Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke +behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de +gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste +gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in +Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook +alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en +aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke +geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië +slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken, +als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking +waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's +vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle +de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin +den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt. + + + +Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk +Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen, +geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel +aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen +goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen +eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto," +en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze +muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd +eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt. + + + +Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat +de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna +elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen, +voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond, +de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter +merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den +loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste +tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en +zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van +de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons +gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over +den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van +de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en +ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende +Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een +zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas," +Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke" +enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin +later de zoozeer geprezene "_lingua Toscana_" bloeide.--Ook het oude +Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen +der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde, +welluidende taal. + +Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in +dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben, +want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd +worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig, +volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen, +zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het +oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo +zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt +het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de +oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en +moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten, +alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid +van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het +welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden. + +De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn, +doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen, +b.v. in "_madre_" in plaats van _mater_, "_imperatore_" in plaats +van _imperator_. De scherpe _t_ verzachten zij in de zachtere _d_, +b.v. "_lido_" in plaats van _litus_, "_podesta_" in plaats van +_potestas_. De _l_ in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen +in eene _i_ b.v. _fiamma_ in stede van _flamma_, "_piangere_" +in stede van _plangere_. Evenzoo worden de gehemelte-letters +meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. _vox_ tot "_voce_", +_occidere_ tot "_uccidere_". De vermoeiende geadspireerde _h_ aan +het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als _u,_ +b.v. "_uomo_" in plaats van _homo_. Zulk een verzachtende _u_ wordt +ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe +_o_ geplaatst b.v. "_suono_" in plaats van _sonum_. De zachte _v_ +vervangt dikwijls de plaats der harde _p_ of _b,_ b.v. "_tavola_" +in plaats van _tabula_, "_avere_" in plaats van _habere_. Dit zijn +slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een +Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren +wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene +verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren +zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt. + + + +Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting +van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië, +onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de +vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen, +tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het +Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende +toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd +tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten +het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de +rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook +oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn, +zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de +woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der +Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht +werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de +majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen +mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als +op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming +eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De +zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke +Italiaansche uitspraken der "_Bocca Romana_," beroemd. + +Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van +den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar +ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen +wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest, +bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in +deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is +de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking +van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat, +de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van +den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden, +hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de +zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie +in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven +is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het +drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters +aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij +hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen +heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn +allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen +een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en +erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar +vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning +hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot +eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk +hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft +met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met +de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen +schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer +te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de +gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en +karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige +en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen, +zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna +alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog +voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil" +enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en +namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten. + +Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen, +die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en +Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel +vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne +geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime +met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle +Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt. + +Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger +dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook +in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe +tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging +om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te +zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur +van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de +verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen +om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht +zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter, +die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze +neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort, +Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals +Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft +dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de +daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn", +"bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen. + +De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie, +muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig +proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle +Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is +een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van +hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische, +kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië, +verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op +hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks +300 jaren achtereen tot de daarstelling van een _Italia Unita_ +medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte, +waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element +is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen +in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa +verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen +land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat +zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden +Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks +is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch" +discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk +ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken. + +Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier +denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder +van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische +en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische +geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke +literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin +de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp +afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië +overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en +afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en +natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken +tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst, +karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk +denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien +nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen +en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs", +"Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik +boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele +schiereiland, den eersten grond tot een _Italia Unita_ legden, zoo mag +toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, _alle_ overoude en +met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen +verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende +Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche +moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door +dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn. + +Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste +hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk +nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede +samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de +hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover +de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen +eenigen nationalen geest bemoeilijkt. + +Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen +om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij, +machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en +denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden +aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het +zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek +aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren +dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude +Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en +beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene +onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig +ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt, +maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich +verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië +heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, _nooit_ +geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken +bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor +lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange +perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog +altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven, +en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke, +innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in +het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk, +waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig +medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei +hebben zal. + + + + + + +DE SPANJAARDEN. + + +Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen +bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd, +het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige +physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het +hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, _Hesperia_ (het +Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger, +door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat +van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft +het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen +der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas +vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche +schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij +naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een Afrika in het klein, +een Europeesch Afrika willen vormen. Eerst toen de Oceaan in de +eens geheel afgeslotene Middellandsche Zee binnendrong en de poort +van Herkules uitgroef, kwam dit miniatuur-Afrika, wat de samenhang +met het vaste land betrof, aan de zijde van Europa, kwam het, in +physikalischen, ethnographischen en anderen zin, onder haren invloed, +maar bleef toch steeds ook in velerlei opzichten in gemeenschap met het +naburige Zuidland, waarnaar het, om zoo te zeggen, voortdurend zijne +hand uitstrekte.--De geheele natuur van het Pyreneesche schiereiland +schijnt dientengevolge een mengsel van het Zuiden en het Noorden. + +Het heeft warmere en droogere landstreken dan eenig ander gedeelte van +Europa. Zijn klimaat brengt hier een daar het suikerriet, den palm en +andere zuidvruchten tot rijpheid, en op zijn zuidelijkst punt hebben +zelfs, wat hun anders nergens mogelijk was, de koude-schuwende dieren +der keerkringen, de apen, en naast hen de Afrikaansche kameleons, hunne +woonplaatsen kunnen opslaan.--In het scherpste contrast daarmede, +vindt men ook Spaansche bergstreken van zoo ruwe temperatuur, +dat zelfs onze Noordsche woudbewoner, de beer, er zich te huis +gevoelt.--Uitgestrekte streken van dit groote schiereiland zijn even +woest en dor, als de melancholische woestijn van Sahara of de Duitsche +heidevelden van Lüneburg. En ook weder treft men er gedeelten aan, +die, in liefelijkheid en natuurschoon, alles overtreffen wat ons +werelddeel aanbiedt. + +De _Sierras_, die getakte, onregelmatig getande _rots-zagen_ +van Andalusië en Grenada, waarop nauwlijks ooit een boom wortels +geschoten heeft, zijn bedekt met reusachtige granietblokken +en marmer-massa's van allerlei kleur, en hare ontoegankelijke +kruinen hebben veel overeenkomst met puntige kegels, die zich in +het altijd helder blauwe hemelsgewelf schijnen in te boren.--In den +schoot dezer Sierra's echter, zijn vruchtbare dalen verscholen, wier +plantengroei en weelderige schoonheid zich de levendigste verbeelding +niet tooverachtiger droomen kan.--Deze heerlijke dalen, waarin de +welriekendste Flora de lucht met hare geuren doortrekt, schijnen, naar +de poëtische volks-uitdrukking der Spanjaarden, door de engelen des +hemels als hunne wiegen, in den boezem der rotsen ingelaten te zijn. + +Het ernstige, treurige, sombere echter heeft over het algemeen +den boventoon. Onmetelijke boomlooze, verbrande vlakten, eenzaam en +doodstil, "als geschapen voor het gebed van boetedoende anachoreten," +breiden zich wijd en zijd door het binnenste van Spanje uit.--De +lucht is daar scherp en droog, verschrikkelijk heet gedurende het eene +jaargetijde, en snijdend ruw gedurende het andere. Te vergeefs zoekt +men daar de zachte velden, de steeds door luwe, zachte westenwinden +beademde tuinen van Italië, te vergeefs de frissche heerlijkheid, het +zachte groen der Duitsche wouden met hun vroolijk vogelengekweel. Die +zachte, rustige vroolijkheid van het groene woud- en weidentapijt, ligt +over Spanje niet uitgespreid, wiens natuur wel--zelfs in zijne sombere +gedeelten--_verheven_, maar niet altijd tot het gevoel sprekende, wel +hier en daar _prachtig_, maar slechts zelden bewoonbaar en gemoedelijk +is.--Zij hult zich, om zoo te zeggen, in een schilderachtig gedrapeerd +overkleed, dat wel uit een grof weefsel bestaat, maar met gouden +treswerk, edelgesteenten en paarlen bezet is. + +De beroemde "_Vega_" (beemden) van Grenada--het bekoorlijke +weidebloemen-plateau van _La Serena_, dat nu de Merinos-schapen +beweiden,--het weelderige Andalusië, waarover de hoorn des overvloeds +zijne natuurgaven uitgestrooid heeft, dat reeds de ouden roemden,--de +rijk bevochtigde "_Huerta_" (tuin), in wier schoot Valencia ligt,--zijn +eenige dezer paradijzen, die den voet der berg-plateau's van het +Pyreneën-land bijgevoegd of aangehangen zijn, met welke ook het +binnenland hier en daar doorweefd is, en in welke de zuivere lucht, +de krachtige zonnestralen en de rijkelijke dauw van deze hemelstreek, +alle planten en producten eene weelderige fijnheid en zachtheid van +kleuren, een glans geven, die de zinnen bekoort. + +Wanneer men deze weinige, zoo scherp tegen elkander overstaande, +grondtrekken van hun vaderland, bij elkander voegt, meent men +reeds het portret der bewoners zelven geteekend te hebben, en +de in het oog loopende eigenschappen van hun karakter, zoomede de +wisseling der lotgevallen die daartoe de aanleidende oorzaak waren, te +herkennen.--Even als in het _klimaat_ en in de _natuur_, zoo openbaart +zich ook in de geschiedenis van het land een aanhoudende strijd, eene +voortdurende vermenging van Zuidelijke of Oostersche en Noordsche +of Europeesche invloeden en elementen.--Als de koude Noordenwinden, +zoo stormen Noordsche volken over de Pyreneën het land binnen, en +even als de heete "Solano", trekken uit het Zuiden Afrikaansche +volken tegen de natie op.--En het Spaansche volks-karakter, dat +uit deze vermenging ontstaan is, is even als het land, een zeer +scherp geteekend beeld zonder halflichten en schaduwbeelden, in de +hoogste plaats phantastisch, vol hoogen zin; vol gloeienden trots, +vol koude koenheid,--op al wat gemeen of middelmatig is minachtend +nederziende--rustig en onverschrokken aan het grootste ongeluk het +hoofd biedende,--haat en liefde vereenigende,--rijk aan de scherpste +contrasten, even als die woeste Sierra's met de daar aan, als het +ware, hangende paradijzen,--in staat tot de bitterste wraak en tot +de schoonste deugd, grootmoedig en toch wreed,--uit onverschillige +gevoelloosheid tot stormachtige uitgelatenheid, uit trage rust +en stijve onbeweeglijkheid tot de onstuimigste werkzaamheid +overslaande,--geestig en onwetend, vrijmoedig en achterhoudend, +lichtgeloovig en tegelijkertijd wantrouwend, zooals veranderlijke, +dweepachtige phantastici zulks gewoonlijk zijn. + +De eerste menschen van dit soort, die de geschiedenis ons in Spanje +aanwijst, zijn onder den naam "_Iberiërs_" bekend. Vóór hen schijnt +_geen_ ander volk in Spanje gewoond te hebben, zij schijnen de +oorspronkelijke inwoners, de vroegste die het land in bezit namen, +geweest te zijn, waarvan nog slechts een gering gedeelte, de +zoogenaamde "Basken," bestaat. + +Deze oude Iberiërs zijn niet alleen in Spanje, maar naast de Finsche +stammen wellicht ook in geheel Europa het oudste volk. Daarvoor +spreekt onder anderen de omstandigheid, dat zij het uiterste, +westelijk gedeelte van ons vasteland bewoonden, waarheen zij door +de hen later natrekkende Indo-Germanen, de voorvaderen der Grieken, +Romeinen, Celten en Germanen, gedrongen werden. + +Wijl men eenige gelijkheid der Iberische taal met de talen van +Afrikaansche volken ontdekte, heeft men somwijlen gemeend, dat +Spanje ook deze vroege bevolking uit Afrika gekregen heeft. Dit was +voornamelijk eene hypothese van den grooten Duitschen philosoof +Leibnitz. Maar veel meer omstandigheden wijzen daarheen, dat de +Iberiërs, even als andere Europeesche volken, langs de Middellandsche +zee uit het Oosten gekomen zijn.--Want ook op Sicilië en de andere +Italiaansche eilanden, ook in Zuidelijk Frankrijk, worden ons Iberiërs +als de allereerste elementen der bevolking aangewezen. Daar werden +zij door hun nakomende en het land binnentrekkende vreemdelingen +overstroomd, en nu waren zij wel genoodzaakt zich in massa +verder Westwaarts te begeven. De overblijfselen, die onder vreemde +opperheerschappij zijn achtergebleven, geven nog den weg aan, langs +welken zij trokken. Behalve deze richting uit het Oosten, dien +oorsprong uit Azië, die gemeenschappelijke moeder der Europeesche +menschheid, kan men anders weinig ontdekken, wat de Iberiërs met de +overige Europeanen gemeen hadden. + +Hunne taal, die wij nog heden ten dage bij de Baskiërs in de Pyreneën +hooren, is zoo eigenaardig, volgens de nieuwste onderzoekingen onzer +taalvorschers, zoo geheel verschillend van alle andere taaleigens +van Europa, dat men noch eenige verwantschap met die der Celten, +noch met die der Germanen of Grieken ontdekken kan.--Men heeft in de +verwijderdste oorden der Aarde naar eenige verwantschap met dit zoozeer +geïsoleerde ras en taal gezocht. Eenigen hebben gelijkenis bij de +Finnen, anderen zelfs bij de Indianen van Noord-Amerika willen vinden. + +De Iberiërs hadden het geheele Pyreneesche schiereiland in bezit, +maar reeds toen de geschiedenis gewag van hen begon te maken, +woonden zij daar niet meer alleen.--Reeds een ander groot volk had +zich over hen heengestort. Hunne oostelijke naburen en opdringers, +de "Celten," de voorvaders der Franschen, die hen uit Azië naar het +Westen gevolgd waren, die hen reeds uit Italië en Zuid-Frankrijk +verdreven hadden, waren van uit het tegenwoordig Frankrijk over de +Noordelijke grensbergen getrokken, en hadden groote gedeelten van +het Pyreneesche schiereiland betrokken. Deze eerste verdrukking van +Spanje, van de zijde der bewoners van Frankrijk, dit vroegste spoor der +door de geheele geschiedenis merkbare, en de tot op den huidigen dag +voortdurende ijverzucht tusschen Spanjaarden en Franschen, verliest +zich eveneens buiten den tijd der geloofwaardige geschiedenis.--Dit +moet een overoud iets zijn, want toen de Romeinen deze verhoudingen +leerden kennen, waren de gasten uit Gallië, in zeden en taal, reeds in +hooge mate Iberisch, dat wil zeggen Spaansch geworden.--Zij verschilden +reeds geheel en al van de Celten in Gallië, en werden daarom ook +"_Celto-Iberiërs_" of Iberisch gewordene Celten genoemd.--Nevens hen +woonden nog in grootere massa de oude onvermengde oorspronkelijke +bewoners, zoowel in de gebergten van het Noorden en het Oosten, +als ook langs de kusten der zee, in vele volkssoorten verdeeld, +waarvan eenige, b.v. de heldhaftige Cantabriërs en de Basconen, +(de tegenwoordige Baskiërs) in het Noorden, en de Lusitaniërs, de +voorvaderen der Portugezen, in het Westen, hunnen naam bijzonder +beroemd gemaakt hebben. + +Het is niet weinig te betreuren, dat een Tacitus ons niet de zeden +dezer Iberische voorouders der Spanjaarden, even als die der Germanen, +geschilderd heeft.--Het weinige echter, wat wij van hen hooren, +wijst daarheen, dat wij hun karakter en hun gansche wijze van zijn, +als de ware bron en grondoorzaak der nationale eigenaardigheden onzer +hedendaagsche Spanjaarden moeten beschouwen; dat wij den oorsprong +en het begin der meeste eigenschappen van de moderne Spanjaarden, +te zoeken hebben bij de oude Iberiërs, wier oorspronkelijke natuur, +trots alle daarop door latere volksverhuizingen uitgeoefende invloeden, +om zoo te zeggen, altijd weder boven kwam drijven. + +De oude Iberiërs leefden, ten gevolge van de gesteldheid van hun door +bergen doorsneden land en hun nationaal karakter, verbrokkeld in +tallooze scherp van elkander afgescheidene stammen. Zij kenmerkten +zich door eene diep gewortelde en hartstochtelijke liefde voor +hun geboorteland, dat zij met hardnekkigheid verdedigden.--Zij +waren echter weinig geneigd, zich te plaatsen onder de vanen van +machtige aanvoerders, en groote ondernemingen in den vreemde uit te +voeren. Het patriotisme, waarmede zij een hunner steden, Numantia, +tegen de Romeinen verdedigden, is door hunne tijdgenooten algemeen +geprezen geworden, en men heeft deze verdediging van het oude Numantia, +dikwijls vergeleken met die van Saragossa tegen de Franschen, die +door onze grootouders bewonderd werd.--Als men de geschiedenis dezer +beide, tijdelijk zoo ver van elkander verwijderde, handelingen leest, +meent men dikwijls juist denzelfden gang van gebeurtenissen waar te +nemen;--dezelfde verschijnselen doen zich voor, ja men zou zeggen, +dezelfde persoonlijkheden treden op. + +De oude Iberiërs gebruikten tot het oorlogvoeren geene groote legers, +maar kleine, zeer beweegbare benden "op de manier der roovers," +zooals reeds de Griek _Strabo_ zegt, terwijl hij er bijvoegt: "de +Iberiërs waren alleen geschikt tot het doen van kleine ondernemingen" +(wij zouden zeggen tot het voeren van guerilla-oorlogen).--Wanneer men +hetgeen de Romeinen over deze wijze van oorlogvoeren zeggen, vergelijkt +met hetgeen wij in deze eeuw, bij de gevechten van _Don Carlos_ en +bij verschillende andere gelegenheden hebben kunnen waarnemen, dan +is men geneigd te gelooven, dat nog nu in Spanje in hoofdzaak weinig +veranderd is in de oude, het volk kenmerkende manier van vechten en +oorlogvoeren.--De veldtochten van Don Carlos tegen de nieuwe monarchie, +die van den ouden Spaanschen held Viriathus tegen de Romeinen; later +die van den vluchteling _Pelayo_ tegen de Arabieren, gelijken, niet +alleen wat de hoofdgebeurtenissen betreft, maar ook in de bijkomende +episodes, in zoo hoogen graad op elkander, dat men in de verzoeking +komt te gelooven, dat dit alles niets anders is dan de herhaling van +hetzelfde feit, naar hetzelfde beraamde drama. Wij herkennen in de +Iberische patriotten en krijgslieden die Plutarchus beschrijft, de +Spaansche soldaten der midden-eeuwen en ook die van den nieuweren tijd. + +Maar ook de geschiedenis van zulke weinig wezenlijke zaken, als +b.v. nationale-dansen zijn, schijnt zich in Spanje in den grijsten +voortijd te verliezen.--De schilderingen, die Romeinsche schrijvers +van de kunst der Iberische danseressen, van hare levendige bewegingen +en gesticulaties bij den klank der castagnetten, van hare lenigheid en +hare uitdrukkingvolle muziek geven, pleiten ten voordeele der stelling, +dat die Iberische dansen niet anders geweest zijn dan de tegenwoordige +"Fandango's" en "Boleros," in de uitvoering waarvan de Spanjaarden +heden ten dage nog evenzeer bewonderd worden, als hunne voorouders +ten tijde der Romeinen. + +Even als met de dansen en de guerilla-oorlogen, zoo staat het ook +met de overeenkomst van vele andere zaken, die de oude en de nieuwe +Spanjaarden met elkander gemeen hebben, en die over het algemeen +bewijzen, dat de gezamenlijke bevolking van Spanje, trots alle +vreemdsoortige toe- en bijvoegsels, die zij in den loop der tijden +gekregen heeft, nu nog in haar _wezen_ berust op de primitieve, +nog niet vergane Iberische elementen; dat men haar in hoofdzaak als +Iberisch beschouwen mag, en men haar land nog zeer te recht met den +ouden naam "_Iberisch schiereiland_" benoemen mag. + +Volkomen zuiver en onveranderd is het oude beeld der Iberiërs nog +heden ten dage, zooals gezegd is, bewaard gebleven in de interessante +blauwoogige en blondharige bewoners van den noordwestelijken +bergachtigen hoek van Spanje, de zoogenaamde Baskische provinciën, +waarheen slechts de uiterste voorposten der Romeinsche, Arabische +en andere volken, die het land overstroomden, gekomen zijn.--Deze +Baskiërs geven ons nog heden ten dage het echte beeld van die "wilde, +stijfkoppige, onbuigzame, trotsche, maar tegelijkertijd ook vroolijke, +goedhartige en vergenoegde oudste Spanjaarden," en zij beroemen zich, +in hunne dalen de oudste adellijke geslachten van het schiereiland +te bezitten.--Als op zich zelve staande klippen rondom door andere +volken-baren omspoeld en waarvan hier en daar stukken afgeslagen +zijn, steken deze oude geslachten boven de stroomen uit, die over +hunne andere Spaansche medebroeders heenstroomden. Van den _naam_ +der Iberiërs getuigt heden ten dage nog zeer duidelijk de naam van +de bekende rivier Ibero of Ebro. Ook bestaat nog in de tegenwoordige +Spaansche taal menig Iberisch element, zooals ook nog vele namen van +beroemde Spaansche steden niets dan later gewijzigde oud-Iberische +namen zijn. + +Het is hoogst waarschijnlijk, dat de Iberiërs, even als in het Noorden +met de Galliërs of Celten, zoo ook in het Zuiden met hunne naburen +in Afrika, van ouds aanhoudend in twist leefden, en dat zij van daar +reeds invloeden en koloniën ontvingen, waarvan onze overleveringen +niet meer gewagen. + +Als den eersten _bekenden_ inval _van daar_ kan men de stichting van +koloniën in Zuidelijk Spanje, door de Pheniciërs en Carthagers, de +stamgenooten en voorgangers der Arabieren, beschouwen. De Pheniciërs +bouwden daar Cadix, Malaga en eenige andere beroemde steden. Toch +schijnen zij als _zeelieden_, even als de Grieken, die ook in Spanje +eenige koloniën, zooals Saguntum, stichtten, hunne havens en den +kustrand slechts zelden verlaten te hebben, en het binnenste gedeelte +van het land niet diep binnengedrongen te zijn. Zulks neemt echter +niet weg, dat nog heden ten dage, verscheidene zaken in Spanje aan de +aanwezigheid der Pheniciërs herinneren, zooals b.v. de naam "Spanje" +zelf, die naar men meent van Phenicischen oorsprong is. + +De Carthagers, die de voetstappen der Pheniciërs, hunne vaders, +volgden, verbreidden zich _verder_ in het land, stichtten daar talrijke +koloniën, ontginden meer de zilvermijnen van het schiereiland, en +besloten eindelijk, ten einde tegen hunne aartsvijanden, de Romeinen, +met wie zij om de wereldheerschappij streden, een vaste burcht te +winnen, geheel Spanje aan zich te onderwerpen.--Zij zonden hunne +beste veldheeren, de _Hamilkars_, de _Hasdubrals_ en _Hannibals_ daar +heen, en deze veroverden, in eene reeks merkwaardige veldtochten, +het grootste gedeelte van Spanje.--Daar de Carthagers zelven reeds +sedert lang halve Afrikanen geworden waren, en zij als soldaten en +begeleiders _dezelfde_ volken naar Spanje overbrachten, die later +_weder_ met de Arabieren kwamen, voornamelijk de Mooren, Barbarijers +enz. zoo kan men dit als den _eersten_, door de geschiedenis eenigzins +nauwkeurig bekenden groooten _Moorschen_ of Afrikaanschen inval in +Spanje beschouwen. + +De naam der door den Carthager Hasdrubal gestichte stad _Carthagena_, +getuigt onder anderen van de aanwezigheid der Karthagers in Spanje. Het +is een Punische naam, die zelfs in zijn Afrikaansch geboorteland nu +verdwenen is. + +Na eenigen tijd echter, moesten de Carthagers op het Pyreneesche +schiereiland voor de Romeinen wijken, die vervolgens na hunne +verdrijving, trachtten het geheele land te onderwerpen. + +Daar de Iberiërs even hardnekkig en heldhaftig waren in de verdediging +van hun vaderland, als de Romeinen zulks waren in hunne pogingen +om de _wereld te veroveren_, zoo duurde de strijd tusschen deze +beide hardnekkige volken bijna twee eeuwen.--De veroverings- en +bestrijdingsoorlogen in Spanje hebben zich, onder steeds hernieuwde +guerilla-oorlogen, bijna bestendig op die wijze door de eeuwen +heengeslingerd. Romeinsche schrijvers bejammeren het dikwijls, +dat geene onderwerping hunnen veldheeren moeielijker gevallen is, +dan die van Spanje. De onderwerping van Gallië door Cesar was, in +vergelijking met die van Spanje, om zoo te zeggen een: "_veni, vidi, +vici!_" (Ik kwam, zag en overwon.) + +Natuurlijk echter was ook de door de Romeinen doorgezette verovering, +van langeren duur, van ingrijpender aard en meer doordringend, dan al +de van de Celten, Pheniciërs en Carthagers uitgegane invallen.--Zij +lijfden het geheele Iberische schiereiland stukswijze bij hun rijk in, +en maakten het tot eene provincie, die langen tijd een der bloeiendste +en volkrijkste gedeelten van het geheele groote Keizerrijk was.--Even +als overal, zoo ook in Spanje, beschaafden en onderrichtten zij +de inboorlingen op Romeinsche wijze, en beheerschten hen meer dan +vier honderd jaren lang. Maar deze wijziging der nationaliteit ging +niet zoover, dat men daardoor de Iberiërs tot in hart en nieren, +naar geest en lichaam, tot volslagen Romeinen of Italianen maken +kon. Het oude ras bleef veeleer in hoofdzaak hetzelfde, de naar het +land overgeplante werkelijk Romeinsche kolonisten, waren natuurlijk +betrekkelijk altijd slechts weinig talrijk. Alleen de schoolmeester, +de korporaal, de advocaat, de gouverneur, waren Italiaansch.--De +andere bleven Romeinsch sprekende, Romeinsch gekleede, met het +Romeinsche burgerrecht begenadigde, maar voor het overige Iberisch of +Spaansch denkende en gevoelende menschen.--De Spaansche legioenen, +die de Romeinen op het Iberisch schiereiland aanwierven, behoorden +lang tot hunne beste troepen, en nooit zijn, vóór de ontdekking van +Amerika, de Spanjaarden de wereld verder ingetrokken, dan onder de +Romeinsche vanen. + +Dat de Spanjaarden niettegenstaande de Romeinsche opleiding en +ontwikkeling, naar den geest en het hart altijd Spanjaarden bleven, +en dat zij reeds toen dezelfde eigenschappen bezaten of verkregen, +die zij vroeger of later geopenbaard hebben, laat zich tamelijk goed +aantoonen. Zelfs bij eene vluchtige vergelijking is het b.v. onzen +historici niet ontgaan, hoe zeer vele Spaansche eigenaardigheden in +de werken, den schrijftrant en de gedachten der beroemde Romeinsche +schrijvers en dichters: _Seneca_, _Quinctilianus_, _Lucanus_, +_Columella_, _Martialis_, die op het Pyreneesche schiereiland geboren +werden, te vinden zijn. Misschien ligt er ook iets bepaald Spaansch +in de houding, het karakter en de wijze van zijn, der beide groote +Keizers _Trajanus_ en _Theodosius_, die geboren Spanjaarden waren, +en die dit land aan den Romeinschen staat schonk. + +Een later Romeinsch, in Spanje geboren, dichter _Prudentius_, is +volgens een historicus door en door Spaansch. "De hoogste dweeperij +van het gevoel, moeielijk volgehoudene afleidingen, gewaagde sprongen +en koene allegorische beelden," zegt de heer von _Schack_, "vindt +men overal in de gedichten van _Prudentius_ even dicht bij elkander, +als b.v. in de treurspelen van den modernen _Calderon_. Bij beiden +dezelfde innigheid van gevoel en dezelfde verhevene beeldenpracht, +naast de vervelendste langdradigheid en eindelooze herhalingen,--de +fraaiste en schitterendste plaatsen naast uiterst vermoeiende en +krachtelooze zinnen," die overal op de velden der Spaansche poëzie +voor en na te voorschijn treden, even als in de natuur van het land +de uitgestrekte dorre berg-plateau's en heidevlakten tusschen die +"door de engelen toebereide dalen."--Deze Prudentius was zelfs, +even als zijn landsman Quinctilianus, in dezelfde Spaansche provincie +geboren, waaruit later de grootste dichters dier natie, een Calderon, +een Cervantes, een Lopes de Vega ontsproten, namelijk in Castilië, +het hart des lands. + +De inwerkingen der Romeinen op de Spanjaarden zijn duurzamer en van +meer beslissenden aard geweest, dan die van eenig, ander voor of na +hen, op het schiereiland verschenen volk.--Zij hebben de Iberiërs voor +het vervolg van tijd aan dien tak van het Indo-Germaansche ras, dat men +den Celto-Romaanschen noemt, verbonden, hebben hun eene Romaansche taal +en beschaving gegeven, die de oude Iberische bijna geheel verdrong, +en hebben hen daardoor tot broeders der Italianen en Franschen gemaakt. + +Op eene vreemde en nog weinig verklaarbare wijze, heeft zich deze +welluidende, edele, rijke en trotsche Romaansche taal over alle +deelen des lands,--met uitzondering van den Baskischen hoek--in +verscheidene dialecten verbreid, en heeft zij zich later, zelfs +onder de heerschappij der Gothen en Mooren, natuurlijk een weinig +gewijzigd door den invloed van dezen, weten te bewaren en verder te +ontwikkelen; zij is tot een boom met rijke vruchten van poëzie en +literatuur opgegroeid, zooals geen der andere op Spaanschen bodem +overgeplante of daar inheemsche tongvallen.--Zij is in woordvorming +en buiging echt Romaansch, ja! in menig punt zelfs het Latijn nader +gebleven, dan zulks met het Italiaansch het geval is. + +Even als hunne taal, zoo hebben de Romeinen ook hunne oude +overleveringen, hunne mythen en hunne godenleer aan de Iberiërs +medegedeeld. En even als bij andere Romaansche volken, zoo is ook +bij de Spanjaarden de herinnering aan de Grieksch-Romeinsche oudheid +levendig gebleven. "Nog heden ten dage moet de reiziger er zich +over verwonderen, als hij hoort hoe de Spaansche landlieden in het +binnenste van het land, de namen van Venus, Amor, Bacchus, Herkules en +andere Grieksch-Romeinsche goden-namen in den mond hebben en dezen, +even als de Sicilianen, nevens hunne heiligen aanroepen." Ook putten +de oude en nieuwe dichters van Spanje, zoowel hunne allegoriën als +de thema's voor hunne treurspelen, met zoo groot gemak uit de stoffen +die de oude mythologie, de Trojaansche oorlog, de tocht der Argonauten +enz. hun aanbieden, dat men wel ziet, hoe dit alles uit de tijden der +Grieken en Romeinen bij hen populair en eigen geworden is, en niet, +zooals bij ons, eerst door philologen en oudheid-onderzoekers onder +het volk verspreid is. + +Even als in andere landen, zoo werd ook na de vijfde eeuw in Spanje, de +heerschappij der Romeinen gevolgd door die der zich over geheel Europa +verspreidende Germanen.--Het eerst trokken de Sueven en Vandalen, +als voortroepen der Gothen, over de Pyreneën en wisten daar eene +tijdelijke heerschappij te voeren; een gedeelte der Vandalen namelijk +zette zich in de rijkste en zuidelijkste provincie van Spanje, in +het dal van den Guadalquivir neder, maar weldra trokken zij van daar +naar Afrika.--Deze Duitsche Vandalen lieten in Spanje weinig meer +achter dan hunnen naam, die van toen af voor altijd aan dat paradijs +"Vandalitia" of "Andalusia" eigen gebleven is. + +Op de Sueven en Vandalen volgden de West Gothen, die door onstuimige +aanvallen te midden der Spaansche Romanen, hunne heerschappij in het +land grondvestten en een Koningrijk stichtten, dat twee eeuwen bleef +bestaan.--Daar deze Gothen zich door huwelijk als anderszins spoedig +met de inboorlingen van het land vermengden, de taal en de zeden en +na eenigen tijd ook den rechtgeloovigen katholieken godsdienst van +dezen aannamen--daar zij dus mede Spanjaarden werden en zij verder hun +onafhankelijk Koningrijk over het _geheele_ Pyreneesche schiereiland, +en ook over Lusitanië of Portugal uitbreidden, zoo mag men het +zoogenaamde Gothische tijdperk als het eerste tijdvak beschouwen, +waarin de Spanjaarden een eenig vereenigd volk, een staat onder een +opperhoofd uitmaakten--als een volk optraden. + +Want in de Iberische oudheid bestonden, zooals boven reeds opgemerkt +is, slechts eene menigte naast elkander wonende stammen van hetzelfde +ras--_later_ waren vele dezer stammen min of meer afhankelijk van +de Pheniciërs, Carthagers, Grieken, en vermengden zij zich met +dezen. Nog later was geheel Spanje niets meer dan eene Romeinsche +provincie. Onder de Gothen echter had het geheele land één geloof, +vormde het éénen staat, was het één volk. Aan hen moet men de +schepping der _politieke_ onafhankelijkheid en het aanzien der +Spaansche nationaliteit toeschrijven. + +Van hunnen tijd dagteekenen wellicht ook vele der eigenaardigheden en +neigingen, die de geaardheid van het Spaansche karakter eigen geworden +en gebleven zijn, b.v. hunne ernstige godsdienstigheid, hunne strenge +rechtgeloovigheid en hun haat tegen allen, die zij ketters noemen; +eene eigenschap, die reeds de Gothische Koningen, in eene wreede +verdrijving der Joden en in andere maatregelen, openbaarden.--Hun oud +Gothisch Koningrijk te herstellen, was ook later in de oorlogen met de +Arabieren, om zoo te zeggen het ideaal, dat de Spaansche natie voor +den geest zweefde, en toen zij dat ideaal eindelijk onder Ferdinand +en Isabella bereikten, toen was onmiddellijk dezelfde daad, waarmede +de oude Gothische Koningen van het tooneel der geschiedenis waren +afgetreden--eene vreeselijke Jodenvervolging--weder een der eerste +maatregelen, waarmede de katholieke Koningen de herstelling en de +hereeniging van het oude rijk vierden. De geest der ketter-rechtbanken +heeft zich dus, in het nationaal-karakter der Spanjaarden, lang voor +men den naam "inquisitie" kende, geopenbaard. + +Zeer weinig Gothisch of Germaansch is in hunne taal overgebleven. Toch +beschouwt men, als uit dien tijd afstammende: den harden klank die +aan de Spaansche uitspraak eigen is, hunne harde gehemelte-letters, +vooral ook de harde uitspraak der "_G_" voor "_e_" en "_i_", en zekere +den Duitschers en Spanjaarden eigene wijzigingen der klinkletters, +b.v. de verwisseling van de Latijnsche "_O_" in een tweeklank; +Latijnsch: _corpus_, Spaansch _cuerpa_, Duitsch _Körper_; Latijnsch +_populus_, Spaansch _puebla_, Duitsch _Pöbel_ enz. + +Iets meer Germaansch is in hunne staatsregeling, hunne zeden, hunne +rechts- en maatschappelijke toestanden gebleven, wat zich gemakkelijk +uit de omstandigheid laat verklaren, dat de Gothen langen tijd de +machthebbers, de wetgevers en de overmachtige adel des lands bleven, +terwijl hunne Romaansche onderdanen, de Romeinsche beschaving, +de scholen en de literatuur in handen hadden.--De staatsregelingen +der latere Koningen van het schiereiland, behielden nog lang een +Gothischen grondslag en eene Germaansche tint, die eerst in den loop +der tijden langzamerhand verminderde, en in onze negentiende eeuw +geheel verdwenen schijnt te zijn. + +Sommigen gelooven, dat ook de wereldbekende adeltrots der Spanjaarden, +hun door Germaanschen geest ingeboezemd is. "_Ser Godo_" (een Gothe +zijn) heeft in eenige provinciën van Spanje nog de beteekenis: +"_van goeden adel zijn_." + +Duitsche schrijvers en reizigers hebben ook het Duitsche ras, de hooge +Germaansche gestalte en andere Duitsche eigenaardigheden, nu eens +hier, dan daar, in Spanje willen terugvinden. Zoo verklaart b.v. de +een alle _Castilianen_ voor echte Gothen-zonen, en gelooft zelfs, dat +de Spanjaarden en Portugeezen _slechts_ ten gevolge van den hun door +de Gothen aangebrachten avontuurlijken geest, de nieuwe wereld ontdekt +hebben, en met behulp van hetgeen zij van de Duitschers ontvingen, nog +lang na dien de voornaamste en koenste zeevaarders gebleven zijn.--Zoo +ziet een ander in Catalonië niets dan Germaansch en Gothisch, terwijl +men bij een derde leest, dat Asturië en Galicië en het Noordelijk +gedeelte van Portugal, waaruit de flinke, sterk gebouwde menschen, +de in Spanje zoo genaamde "Gallegos" (Galiciërs), voortkomen, "om +overeenkomstig de Duitsche lust tot reizen, de Zuid-Spaansche en +Zuid-Portugeesche streken als rustige, vlijtige arbeiders door te +trekken, en later, even als de Duitsche handwerksgezellen, met de +verkregene winst en ervaring naar het geliefde geboorteland terug +te keeren, het _meest wezenlijk Germaansche_ gedeelte van geheel +Spanje is," en dat ook bij voorkeur van daar uit, het verwonderlijke, +poëtische en phantastische waas van het Germaansche en Gothische +Noorden, over de overige Spaansche landen bezielend heengewaaid is. + +Inderdaad! deze laatste bewering vooral, kan iets waars tot grondslag +hebben; want in dien Noord-Westelijken hoek hebben zich, bij den +inval der Mooren, de meeste overblijfselen der Germaansche elementen +opgehoopt. De Mooren hebben daar slechts ter loops bezoeken gebracht, +en de geheele herbouwing van het Nieuw-Gothische rijk en de Spaansche +nationaliteit, is ook van daar uitgegaan. Ook droeg juist dit gedeelte +van het Pyreneesche schiereiland, in de middeneeuwen nog lang den naam +"_Gothia_" (Gothenland), en zelfs nog tot op den huidigen dag noemt men +in Zuid-Amerika, de Spaansche landverhuizers en kolonisten uit Asturië +en Galicië "Godos" (Gothen).--Over het geheel echter mag men niet te +veel waarde hechten aan de voorstelling, dat nog vele Germaansche, +aan het bloed en de afstamming klevende, geestelijke en lichamelijke +eigenaardigheden in Spanje te vinden zijn,--ofschoon somwijlen de +Spanjaarden zelven, als zij in hun land een Duitscher ontmoeten, +indachtig aan hunne oude Gothische voorvaderen, zeer vriendelijk +plegen op te merken: "_Somos Hermanos_" (wij zijn immers broeders). + +De Duitschers hebben zich, als ras, nooit en nergens zoo hardnekkig +en vast bewezen, als b.v. de Romeinen of als vele Aziatische +stammen. Voornamelijk in de warme klimaten van Europa zijn zij spoedig +geabsorbeerd geworden, minder in het Noorden, b.v. in Engeland. Ook +kwamen zij niet in zoo grooten getale en niet zoo frisch en direct uit +Duitschland naar Spanje, als zij b.v. naar Engeland gekomen zijn, maar +eerst nadat zij reeds in andere Romeinsche provinciën rondgetrokken +en woonachtig geweest waren, nadat zij daar waarschijnlijk reeds veel +van hun oorspronkelijk Duitsch wezen verloren hadden.--Van Duitsche +vrouwen hooren wij bij de Spaansche Gothen nooit iets. Hunne Koningen +en voornamen trouwden al ras met voorname Spaansche vrouwen. Hieruit +laat het zich gedeeltelijk verklaren, dat het Duitsche element in de +Spaansche taal zoo zwak vertegenwoordigd is. + +Op den inval der Gothen uit het Noorden, volgde na eenigen tijd, in het +begin der achtste eeuw, nogmaals eene hoogst belangrijke overstrooming +uit het Zuiden, uit Afrika, langs den weg vroeger door de Pheniciërs +en Carthagers genomen.--De toen ter tijd in Afrika en Azië machtige +Arabieren trokken over de straat van Gibraltar, en vernietigden, tot +op een klein gedeelte na, het Gothische rijk.--Even als de Carthagers, +brachten zij vele stammen van het Noord-Afrikaansche stamvolk, de +Barbaryers, met zich mede. Door de Spanjaarden en Portugeezen werd dit +Afrikaansch-Aziatische, tot den Islam bekeerde volkenmengsel "Mooren" +genoemd, omdat zij het laatst kwamen uit de, het dichtst bij het +schiereiland gelegene Barbarysche provincie, die sedert oude tijden het +"Moorenland" (Mauritanië) heette.--Zoo lang de Mahomedaansch-Arabische +wereld een machtig, wanneer ook al niet altijd staatkundig, een eenig +lichaam vormde, dat door dezelfde sappen gevoed werd, kwamen met de +Arabieren ook gedeelten van andere Aziatische volken naar Spanje. Zij +voerden er Syriërs en Perzen, en gedurende den laatsten tijd dat zij er +vertoefden, ook Turken heen.--Al die Oostersche volken trokken eeuwen +lang uit het binnenste van Marocco en uit Westelijk Azië naar Spanje, +als ware dit land een tot hun Oosten behoorend gebied, en de prachtige +steden, die zij daar bouwden, bevolkten en opsierden: "Korthoba" +(Cordova), "Ischbilia" (Sevilla) enz. waren bij de patriotten van +Egypte of Yemen, even zoo gevierd als Kaïn, Aleppo of Damascus. + +Nadat deze verschillende, met de Arabieren overgewaaide +buiten-Europeesche rassen daar een tijd lang gewoond hadden, nadat +zij daar een eigen, volkrijk en van het groote Kalifaat afgezonderd +Koningrijk gesticht hadden, toen onder hen op Europeeschen bodem +eene bloeiende beschaving wortel geschoten had, versmolten zij in +meerdere of mindere mate tot _een_ volk, waarvan het hoofdkarakter +en de taal wel Arabisch waren, maar dat zich ten langen laatste van +zijne landslieden in Afrika en Azië evenzeer onderscheidde, als nu de +Europeesche Turken van hunne Aziatische broeders in de steppen.--Er +ontstond eene afzonderlijke Spaansch-Arabische nationaliteit, die trots +de taaiheid, die aan alle Aziatische en Afrikaansche rassen eigen is, +meer of minder van de Europeesche natuur, en de volkenfamilie waarin +en waarmede zij leefde, moest aannemen. + +In het noordelijke, bergachtige Spanje, in de Pyreneën en hare +voortzettingen, in het oude, schier niet veroverde land der Cantabriërs +en Baskiërs, dat door de Carthagers slechts ter loops aangeraakt +was, waarin de Romeinen zich _nooit_ recht te huis gevoeld hadden, +verschenen ook de Arabieren niet anders dan als _trekvogels_. Eene +lijn, die men van daar naar Gibraltar trekt, doorsnijdt het eerst +streken, die de Mooren slechts nagenoeg 40 of 50 jaren in hun +bezit hadden;--vervolgens gedeelten, waarin zij langer dan eene +eeuw woonden,--eindelijk geheel in het zuiden, dicht bij Afrika, +streken, die zij bijna 800 jaar als hun vaderland beschouwden. In +al de schoone provinciën van het Pyreneesche schiereiland, die van +Lissabon uit door de straat van Gibraltar tot aan Barcelona toe, +hare dalen en hare kusten naar Afrika gekeerd en geopend hebben, +zijn zij in de _grootste_ getalsterkte gekomen, en daar hebben zij +zich, _eerst_ als onafhankelijke heeren van het land, _daarna_ als +onderdanen der Spaansche Koningen, het langst staande gehouden. + +Daar zij gedurende den tijd hunner heerschappij steeds meer en meer +kolonisten uit Afrika aanvoerden; daar zij zich in het vruchtbare land +zelf aanzienlijk vermeerderden, zoo maakten zij ten langen laatste in +deze provinciën, met name in Andalusië, Grenada, Murcia en Valencia, +niet alleen het meerendeel uit der in de steden wonende burgers, +maar bewoonden zij ook overal als landbouwers naast de inboorlingen +het land. Door de vlijtigste industrie en ontginning, gaven zij aan +de vruchtbare dalen dezer streken eene zoo dichte bevolking, eene +zoo zorgvuldige bebouwing, een zoo lachend uiterlijk, als geen volk +voor of na hen in staat is geweest ze te verleenen.--Verscheidene +hunner met de prachtigste moskeeën, sierlijkste paleizen, talrijke +inrichtingen voor onderwijs en ter bevordering van het volks-welzijn, +met tuinen en waterwerken versierde steden, telden hare inwoners +bij honderdduizenden. + +Het aanvankelijk zoo heftige fanatisme, waarmede de Arabieren +hun vaderland in Azië verlaten hadden, en waarmede zij Egypte +en Noord-Afrika verwoestend waren binnengevallen, was bij hunne +aankomst in Spanje reeds merkelijk getemperd. In Spanje hebben zij +aan de voorschriften van den Koran, met betrekking tot de hun daar +ontmoetende vreemdgeloovigen, eene zoo zacht mogelijke uitlegging +gegeven. De Spaansche Christenen, wier landen zij daar veroverden, +werden niet te zwaarde verwoest, maar alleen tot schatplichtige +onderdanen gemaakt, die slechts eene matige belasting behoefden +op te brengen. Zij bleven in massa naast en onder de Arabieren +wonen. De Moorsche heerschers belemmerden de godsdienstoefeningen +der overwonnenen door geene wreede dwangmaatregelen. Den Christenen +werd de uitoefening van hunnen godsdienst en de vervulling hunner +geestelijke betrekkingen vrijgelaten. Zij behielden aanvankelijk +in alle steden, zelfs in de residentie van het rijk, Cordova hunne +bisschoppen en kerken, zij mochten zich in de kerken zelfs van de +klokken bedienen, wat, zooals bekend is, tot in den laatsten tijd +niet eens aan de Duitsche protestanten, in eene groote residentie van +een Duitsch vorst toegestaan was,--De meeste Spaansche onderdanen +der Mooren leerden de Arabische taal, die veel fijner beschaafd en +wetenschappelijker was dan hun Gothisch-Romaansch patois,--namen hunne +Arabische zeden en gewoonten aan, en werden dikwijls de leerlingen der +meer beschaafde en meer wetenschappelijk ontwikkelde Arabieren.--Vele +van deze Spaansche Christenen, de Katholieke heiligen-aanbidding +en martelaars-vergoding moede, gingen tot den Islam over. Vele +der Mahomedanen ook, ofschoon zulks veel zeldzamer voorgekomen is, +lieten zich doopen. Huwelijken tusschen Christenen en Mooren, onder +voornamen en geringen, waren veelvuldig.--En zoo waren al ras eene +menigte draden gesponnen, waardoor beide rassen zich met elkander +verbonden en vermengden; vele bruggen, wegen en kanalen gevormd, +waardoor het Arabische bloed in het lichaam van het Spaansche volk, +zoover dit door Arabieren beheerscht was, binnenvloot. + +De Mooren zelven werden, zooals boven gezegd is, gedurende hun +oponthoud in Spanje, reeds een weinig gehispaniseerd. Evenzoo +werden hunne christelijke onderdanen, niettegenstaande zij hun +geloof behielden, veelvuldig gearabiseerd, hadden zelfs ook onder +zich in hunne eigene kerkelijke gemeenten, menschen van Moorsche +afkomst. Evenzoo ontstond er weldra eene burgerklasse van gemengden, +die uit de, niet zelden voorkomende, huwelijken tusschen Mooren +en Spanjaarden ontstond. Reeds de tweede stadhouder der Califen +in Spanje huwde met eene Gothische Prinses. Deze gemengden werden +aanvankelijk "Moz-Arabieren" genoemd. En ten slotte noemde men alle +onder de Arabieren wonende Spanjaarden "Moz-Arabieren", dat is: +gearabiseerde Christenen. + +Hadden de Arabieren zich voor altijd in het bezit van het _geheele_ +Pyreneesche schiereiland weten te handhaven, dan zou op gezegde +wijze, waarschijnlijk een eigendommelijk volk, met sterk in het +oog springenden Arabischen toon op het Romaansch-Iberisch fundament +ontstaan zijn. Daar zij echter een gedeelte van het land onveroverd +lieten, en daaruit langzamerhand het oorspronkelijke volk weder +te voorschijn trad, zoo ontstond het omgekeerde, een volk met +_oud-Spaanschen_ grondtoon en hier en daar iets Arabisch. + +De bevrijdingsoorlog dien de Spanjaarden, van uit Asturië en het oude +land der Cantabriërs, tegen de Arabieren begonnen, en dien zij, met +eene in de geschiedenis zelden zoo aangetroffene volharding en energie, +gedurende vijf eeuwen volhielden, tot zij eindelijk hun doel bereikt +hadden, was even als alle nationale oorlogen der Europeanen met de +Aziaten en Afrikanen, der Christenen met Mahomedanen, een strijd +op leven en dood. Even als de over hunnen godsdienst in geestdrift +ontstokene Koningen van Leon, Castilië, Arragon, en hunne door ras-haat +bezielde Spanjaarden, voet voor voet, stad voor stad, dal voor dal, +hun gebied naar het zuiden vergrootten, zoo werden ook voet voor voet +de Moorsche bewoners dier streken, deels met het zwaard verdelgd, deels +uit den grond waarin zij wortelden, als onkruid uitgeroeid.--Uit ieder +streepje grond dat zij den Arabieren ontnamen, werden deze verdreven; +zij moesten dan zuidwaarts trekken en hunne plaatsen werden door +christelijke kolonisten uit het noorden ingenomen.--Evenals men een +oranje-appel schilt, zoo werd Spanje langzamerhand stuk voor stuk +ontdaan en gezuiverd van de over haar heengegroeide schil. Maar, wie +met een molenaar vecht, die behoudt, zelfs al doet hij hem de vlucht +nemen, sporen van het meel aan zich.--Het is eene tamelijk algemeene +verschijning, dat een paar elkander als doodvijanden vervolgende +natiën, zelfs midden in den strijd, onwillekeurig en tegen hunnen wil, +op elkander beginnen te gelijken.--Reeds om tegen zijne tegenpartij +opgewassen te zijn, moet de een veel van de wijze van oorlogvoeren +van den ander, van zijne wapens en listen leeren kennen en aannemen, +en moet hij zich met hem, wat betreft oefening, geest, list en kracht, +op dezelfde lijn stellen. + +Dit geschiedde met de Spanjaarden in hunnen verdelgingsoorlog tegen de +Arabieren. Beide partijen waren met denzelfden godsdienstijver bezield, +ieder voor haar geloof, beide gloeiden van hetzelfde patriotisme,--de +een voor het land, dat hunne voorvaderen sinds onheugelijke tijden +bezaten,--de andere voor den grond, dien zij lief hadden. Daar beide +partijen, al waren zij ook verbitterde vijanden, toch een edel slag van +menschen waren, zoo bewonderde men elkander dikwijls van weerszijden, +en had er dikwijls een strijd van grootmoedigheid tusschen hen plaats, +en in de, echter altijd slechts korte, tijden van vrede, werden +somwijlen zelfs banden van vriendschap en huwelijk gesloten.--Zoo al +geene geloofsstellingen, zoo werden toch Arabische liederen, muziek +en dergelijke naar de Spaansche legerplaats overgeplant. Natuurlijk +liepen ook gedurig, nu en dan, soldaten uit het eene leger naar het +andere over. + +Niet zelden verbonden de Christen-Koningen zulke Arabische overloopers +aan zich, en verdedigden met hen hunne grenssloten. Omgekeerd hadden +Mahomedaansche Vorsten soms christelijke ridders in hunnen dienst. De +gevierdste aller Spaansche volkshelden uit dien tijd, vocht zelfs aan +de zijde der Mahomedanen, en hij is ons zelfs onder zijn Arabischen +eeretitel "_El Cid_" (de heer), nog heden ten dage beter bekend +dan onder zijn Spaanschen naam: _Roy Diaz, el Campeador_ (Roderik +Diego's zoon, de strijder). Arabische geleerden en kunstenaars, +wiskunstenaars, sterrekundigen en geneesheeren, waren aan de hoven +der Christen-Koningen eene nog meer voorkomende verschijning. Bij de +gebouwen die zij in hunne steden daarstelden, maakten zij dikwijls +gebruik van Arabische bouwkunstenaars, en er ontstond onder de +Spaansche Christenen, naast den meest in zwang zijnden Gothischen +bouwstijl, eene lichtere, meer elegante architectuur, die zij "_Obra +Morisca_" (Mooren-werk) noemden. De Arabische gedichten, waarmede de +Emirs van Grenada zich den tijd verdreven, werden door de Spanjaarden +met welgevallen opgenomen, naverteld en vervolgens vrijer nagevolgd, +en zoo ging ongemerkt menige trek der Arabische helden in het karakter +der Castiliaansche ridders over. + +In plaats der verdrevene Arabische bevolking, namen de Spanjaarden de +ietwat gearabiseerde Christenen, de "Moz-Arabieren" op, die zij in de +Arabische steden vonden, als wier bevrijders zij verschenen, en deze +werden aldra beschouwd als tot de massa van het volk te behooren. Door +deze werd aan het Spaansche volk eene menigte menschen toegevoegd, +die gewoon waren geweest Arabisch te spreken, en min of meer op +Arabische wijze te leven en te denken.--Men begrijpt gemakkelijk, dat +op deze wijze, terwijl zij van Asturië, Leon enz. uit, de verovering +voltooiden van Oud- en Nieuw Castilië, Arragon, Valencia en Murcia, +Toledo en Andalusië, allen landen waarin de Arabieren korter of langer +gewoond hadden; terwijl zij steeds dieper in het, om zoo te zeggen +Afrikaansche Spanje binnendrongen, ook hun geest steeds dieper in +den Arabischen geest gedoopt werd. + +Eene volledige uitroeiing en verbanning van het Arabisch element +scheen ten laatste niet meer mogelijk, als men niet het geheele +land ontvolken en het zijne waarde ontnemen wilde. Ook vreesde men +aanvankelijk, door hunne verdrijving naar Afrika, de daar aanwezige +nationale vijanden te versterken.--In de Zuidelijke provinciën +liet men daarom dikwijls de Arabische bevolking, vooral de boeren, +met rust, terwijl men hen alleen, evenals de Arabieren het eens +de Christenen gedaan haden, schatplichtig maakte en aan eenige +beperkingen onderwierp.--Op deze wijze woonden dan ook weder, onder +de Christelijke Koningen van Castilië en Arragon, de Spanjaarden en +Arabieren nevens elkander. Vooral lieten langen tijd de christelijke +grooten en grondbezitters der Koningrijken Valencia, Murcia, Andalusië +enz., hunne akkers door Arabische boeren en tuiniers bebouwen. Men +noemde deze midden onder de Christenen levende Arabieren "_Morisco's_" +of Moorsche Spanjaarden.--Na de verovering van Grenada, het laatste +Moorsche Koningrijk, in het einde der 15de eeuw, werden vervolgens +zelfs, om de daar sterk opgehoopte Arabische bevolking te verminderen +en hunnen oproerigen geest te verzwakken, vele Arabieren naar het +binnenste van Spanje overgebracht, op dezelfde wijze als in den +laatsten tijd hunner steeds meer verdrongene heerschappij, de Moorsche +Koningen dikwijls vele christelijke Spanjaarden, om zich van dit steeds +lastiger wordend element te ontdoen, naar Afrika overgeplant hadden, +waardoor dan ook op die wijze Spanje weder met Afrika samengroeide. + +De laatste stuiptrekkingen van Moorsche onafhankelijkheid en +nationaliteit in Spanje, en de laatste gevechten der Spanjaarden +met hen, hadden een uiterst bloedig karakter.--De Mooren verdedigden +iederen voet van den hun dierbaar geworden bodem, streden om ieder +dorp, iedere hut--om ieder hol, waarin een mensch, al was het dan +ook als een wild dier, wonen kon.--De Spanjaarden echter vervolgden +hen in iedere schuilplaats, verdelgden hen in iederen schuilhoek, +en verstikten hen met vuur en rook in de rotsholen der Sierra-Morena +en der Alpujarras, het zuidelijkste gebergte van Spanje, waarin bij +onderscheidene gelegenheden, de laatste overblijfselen der kampvechters +voor de Moorsche onafhankelijkheid, gevlucht waren. + +Ten laatste vatten de Spanjaarden ook de onzalige gedachte op, zich +te ontlasten van de Moorsche elementen, die zij vroeger in hunne +Koningrijken begenadigd, en als hunne onderdanen en arbeiders tot nu +toe geduld hadden. Deze in hun staatswezen opgenomene afstammelingen +van Mooren, waren reeds lang met geweld tot het christendom +bekeerd geworden. Zij leefden onder hunne christelijke heeren, +in eene steeds harder geworden afhankelijkheid, in eene ten laatste +ongehoorde inkorting. Het leven der christenen onder de Arabieren was, +naar de getuigenis van een christen-schrijver, eene _te verdragen +ondergeschiktheid_ geweest, maar het leven der Mahomedanen onder de +christenen was eene _hel_. Niettegenstaande alle plagen, die door +de Spanjaarden op die arme Moriscos, ter wille van hun geloof en +hunne nationaliteit, werden opgehoopt, waren dezen toch aan hunne +vaderlijke gewoonten, hunne taal en, onder het hun opgelegde masker des +christendoms, ook hun geloof trouw gebleven. Daar de Spanjaarden zagen, +dat zij de Moriscos op geene wijze tot ware christenen maken konden, +besloten zij eindelijk zich geheel van hen te ontdoen, en hen geheel +en al naar Afrika te verdrijven. + +Sedert de vereeniging der Koningrijken Castilië en Arragon onder +één hoofd, onder Ferdinand en Isabella, en later na de verovering +van Portugal onder Filips II, behoorde alles wat op het Pyreneesche +schiereiland huisde, tot een en hetzelfde staatslichaam. Het denkbeeld, +dat alles één bloed, één gelijksoortig volk, met dezelfde zeden +en met hetzelfde zuiver christelijk geloof moest vormen; dat het +geheele land der Iberiërs een heilige bodem was, die door niets +onchristelijks mocht bevlekt worden; dat men ook de laatste Arabische +vonken vertrappen, en de laatste Mahomedaansche ziektestof uitdrijven +moest, maakte zich met steeds meer kracht van het volk meester. Deze +langzaam wortelschietende nationale-overtuiging bij de Spanjaarden, +had zich reeds lang daarin geopenbaard, dat zij de invoering van +eene zoo vreeselijke, aanvankelijk alleen tegen andersdenkenden +gerichte instelling, als de inquisitie was, deelden, en dat zij +aan de, door hunne Koningen en priesters in het jaar 1492 bevolene +verdrijving der Joden, hunnen bijval schonken. In het jaar 1610, +onder den zwakken Koning Filips III, voerde dit denkbeeld eindelijk +tot de beklagenswaardige algeheele uitroeiing der Moriscos. De +Koninklijke officieren en de inquisiteurs der kerk, gingen in Arragon, +Castilië, Catalonië, Andalusië, in alle landschappen van Zuidelijk en +Midden-Spanje rond, en rukten als tuiniers, overal dat wat zij onkruid +noemden, uit den bodem.--Een millioen der beste onderdanen van den +Koning, die ook reeds lang (_tot_ op één enkel vreemd druppeltje +in hun bloed en _tot_ op de in hun hart glimmende godsdienstige +overtuiging na,) zeer goede Spanjaarden geworden waren, werden bij +deze gelegenheid onbarmhartig te samen gedreven, in schepen gepakt +en in verscheidene transporten naar Afrika overgebracht. + +Dikwijls woedden daarbij de Spanjaarden tegen hun eigen, of tegen innig +met hen verbonden bloed. De wonden, die zij zich zelven toen sloegen, +zijn heden ten dage nog niet ten volle geheeld. Nog liggen verscheidene +vruchtbare streken, die onder de Mooren met bloeiende dorpen en tuinen +bezaaid waren, geheel braak en dienen zij der natie tot niets. + +Verscheidene dezer vroegere _tuinen_ worden nu, even als de steppen +van Rusland, alleen door kudden schapen, half wild vee, beweid. + +Dat echter die hardvochtige verdrijving der Moriscos, die strenge +veroordeelingen der Arabische taal, en zelfs de scherp in het bloed en +in de harten dringende inquisitie, al het Moorsche, wat in de taal en +de geaardheid der Spanjaarden binnengeslopen was, _niet_ meer wegnemen +kon, zal naar het boven medegedeelde, gemakkelijk begrepen worden. + +De Spaansche taal, niet alleen de verschillende provinciale tongvallen, +maar ook het in de literatuur algemeen heerschend klassieke dialect, +dat even als het volk en het rijk der Castilianen, van het Noorden +uit, over Arabische gebieden en bouwvallen heen, zich van het geheel +meester maakte, is vol Arabische uitdrukkingen. Van geene andere +niet Romaansche taal, hebben de Spanjaarden zooveel elementen en +eigenaardigheden aangenomen. "Hunne poëzie, vooral hunne lyrische, +en hunne poëtische gewoonten hebben zij aan de Arabieren ontleend." + +Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo +rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat +zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur +meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk +verklaren, zoo al niet uit eene _vermenging_ met de Arabieren, +dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen, +een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend +hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien +ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk, +zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en +uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben; +dat, even als _Klio_ de stof der Spaansche geschiedenis uit louter +drama's geweven had, zoo nu _Thalia_ haar alleen in treurspelen +naschilderde, dat een _Molina_ niet minder dan 300, een _Calderon_ +700, de nog vruchtbaarder _Lopez de Vega_ anderhalf duizend tooneel- en +treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden; +en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne +landslieden _dat_ werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en +Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een "archief +voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn +van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene +annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken +van het Spaansche volk bevatte."--"De beeldspraak en het figuurlijke +in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen +met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en +toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen +verwant" herinneren in hooge mate aan de Arabieren.--Wie ook, die ooit +met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende, +aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder +oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek +voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde +"_Clavel de mi alma_" (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer +een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een +"zoutvat vol geest" prijst, of wanneer iemand opgetogen over een +heerlijk glas wijn, uitroept: "dat het hem een voorsmaak van het +paradijs geeft."--Is dit niet alles, als ware het aan Hafis [12] +en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende +pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen +in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken, +meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen. + +In de zeden van het volk, in de dansen, spelen en in de kleeding der +Spanjaarden is eveneens, in de eene provincie minder, in de andere +meer, veel Oostersch of Arabisch achtergebleven. De mantille en +de sluier, waarmede de Andalusische schoonen zoo gracieus weten +te coquetteeren, zijn b.v. geheel aan Afrika ontleend.--In de +zuidelijkste gebergten van Spanje, in de Alpujarras, in het gezicht +van Afrika, zooals ook in de Sierra Morena, moeten naar men zegt, +nog heden ten dage directe afstammelingen der Mooren gevonden worden, +die hunne natuur zuiver bewaard hebben. (Hun Mohamed en den Koran +hebben zij echter geheel verleerd, terwijl zij de Spaansche taal +geleerd hebben.) Alleen moet men hier, naar hetgeen boven opgemerkt +is, de vraag stellen, of dit alles _alleen_ en _uitsluitend_ van +die Arabieren en Mooren, die in het jaar 711 met _Musa_ en _Tarik_ +over de straat van Gibraltar kwamen, en van hunne opvolgers moet +afgeleid worden, dan of wij niet veeleer aan nog veel vroegere, de +geschiedenis ten deele ontgane vermenging der volken van weerszijden +dezer straat, moeten gelooven, of daar ook niet misschien eene +oorspronkelijke verwantschap van het nationaal-karakter der oude +Iberiërs en Mauritaniërs ten grondslag ligt; of in één woord bij +de Spanjaarden niet iets Oostersch wordt aangetroffen dat van vóór +de tijden der geschiedenis dagteekent?--In alle geval men heeft dit +vermoeden geopperd, en men heeft zelfs een bewijs voor dit vermoeden +_daarin_ willen zien, dat die Iberiërs (Spanjaarden) zich al het +latere Arabische zoo gemakkelijk en spoedig eigen maakten. Daar de +geschiedenis ons hierbij niet met de noodige feiten bijstaat, zoo +kan dit niets meer dan een vermoeden of _vraag_ blijven. + +Na de overwinning der Mooren heeft Spanje geene zoo diep ingrijpende +overstrooming van vreemde volksstammen weder beleefd.--De Spaansche +nationaliteit is na dien tijd in hoofdzaak derwijze voltooid, als wij +haar heden ten dage zien, en heeft zich in taal, zeden en staatkunde, +hoofdzakelijk slechts _in en door zich zelve_ verder ontwikkeld. + +Wel hebben de Spanjaarden na dien tijd nog meerdere malen weder +vreemdelingen bij zich gezien. Met den te Gent geboren Karel V +kwamen, zooals bekend is, vele Belgen in het land. De naburen +ten Noorden der Pyreneën, de Franschen, keerden het meest terug; +eens op eene belangrijke wijze, die rijk aan gevolgen was, in het +begin der 18de eeuw met de Bourbons; later eens in het begin der +tegenwoordige eeuw met de Napoleoniden, en tusschen beiden door en +later nog enkele malen, in alleen voorbijgaande krijgstochten.--Hoe +invloedrijk deze en andere aanrakingen met hunne Noordelijke naburen +ook op de staatkundige toestanden der Spanjaarden, en zelfs ook op +het karakter hunner ontwikkeling, van hun bestuur, hunne kunsten en +literatuur geweest zijn,--na Lodewijk XIV b.v. "nam bijna geheel de +Spaansche literatuur een Fransch gewaad aan"--zoo waren het toch geen +volks-overstroomingen meer, die op het _bloed_, het _ras_, de _taal_ +en het _grond-karakter_ der volks-nationaliteit zoo ingewerkt hebben, +als eens de Celtische, die de Celt-Iberiërs in het leven riep,--de +Romeinsche, die de Spanjaarden met de Romanen verbond,--de Moorsche, +die hen weder met Afrika deed samensmelten, geweest waren. + +Nadat nu op deze wijze in het kort aangetoond is, welke elementen +het Spaansche volk van buiten ontving, hoe het deze in zich opnam, +blijft ons nog over een blik te slaan, op hetgeen de Spanjaarden +aan de wereld en voornamelijk aan ons Europa terug gaven, en welke +inpulsies en volks-elementen zich van hen uit bij ons verbreid, welke +rol zij in de geschiedenis der ontwikkeling onder ons gespeeld hebben. + +Even als het land Spanje een geheel afzonderlijk gedeelte van Europa +vormt, dat in zich zelf afgesloten is door breede zeeën en bergmuren, +aan het Westelijk einde van ons werelddeel, waarmede het slechts door +een bergachtige landengte verbonden is, zoo heeft ook het volk in +de geschiedenis van Europa eene in hooge mate geïsoleerde stelling +ingenomen.--Veel meer dan de volken van Midden-Europa is het zijn +eigen gang gegaan. Het is in het binnenste zijner bergen, zijne eigene +revolutiën waaraan het overige Europa betrekkelijk weinig aandeel nam, +en waarvan het gewoonlijk even weinig voordeel trok als het er van +leed, te boven gekomen. + +Nooit is het Pyreneesche schiereiland het brandpunt geweest eener +ver om zich heengrijpende beschaving, die in haren duurzamen invloed +en hare verre verbindingen, bij voorbeeld met de zon der beschaving, +die eens uit het kleine Griekenland over Europa opsteeg, vergeleken +kon worden.--Nooit is eene verovering van daar uitgegaan, gelijk +aan die der Romeinen uit het Italiaansche schiereiland.--Nooit is +daar aan het uiteinde van ons werelddeel, noch in oude tijden noch +in de midden-eeuwen, een zoo machtig middelpunt van het Europeesche +leven geweest, als in Italië tweemaal door hare de wereld gebiedende +Keizers en Pausen geruimen tijd plaats had. Ook geene dergelijke steden +verwoestende en landen bevolkende stroomen zijn van de Spanjaarden +uitgegaan, zooals die der Germanen en Slawen uit het midden en het +oosten van ons werelddeel. + +Nooit was Spanje, zooals Duitschland, eene onuitputtelijke +werkplaats voor natiën en staten, ter gedaante-verandering der +Europeesche landen. Ook hebben de trotsche, weinig _mededeelzame_ +Spanjaarden nooit _duurzaam_ en _herhaaldelijk_, zooals hunne naburen, +de Franschen, de wereld met hunne taal, hunne zeden, modes, hunne +staatkundige beschouwingen trachten voor te lichten. Hunne edele taal +is nooit--slechts een korten tijd uitgenomen--zooals die der Franschen, +Latijnen, Grieken, in aller mond geweest. Zelfs de rijke producten +hunner literatuur zijn betrekkelijk slechts bij weinigen bekend +geworden. Ook de schoone kunsten hebben bij hen, zonder navolging +te vinden, dikwijls onopgemerkt gebloeid. In het geheel en in het +groot genomen, en in hunne betrekking tot Europa, zou men nu nog van +de Spanjaarden kunnen zeggen, wat de ouden van de Iberiërs zeiden, +namelijk dat zij, als men hen in hun huis niet stoorde, een vergenoegd +volk waren. Eene nagenoeg gelijke isoleering en afgeslotenheid als +bij de Spanjaarden, vindt men ook bij de bewoners der beide andere +eilanden en schiereilanden, waarmede Europa in den Oceaan uitloopt, +bij de Engelschen en Zweden.--Ook Groot-Brittanje _ontving_ meer van +Europa dan het haar gaf, en ook Skandinavië heeft zich gewoonlijk +in zijne afgezonderde stelling buiten 't spel gehouden. Slechts +voorbijgaande, en alleen nu en dan als hulptroepen, rukten al deze +eiland- en schiereiland-bewoners van ons werelddeel, uit hunne in de +zee uitstekende landpunten naar de oorlogs- en zedelijke kampplaatsen +van Midden-Europa. + +In de oudste tijden was Spanje een kolonie-land der Pheniciërs +en Carthagers, het was hun Peru.--Later werd het eene provincie +van Rome.--Gedurende de volksverhuizing zuchtte het onder de van +Duitschland uitgaande stormen.--Onder de Arabieren ontviel het bijna +_geheel en al_ aan Europa en werd het om zoo te zeggen, een stuk van +Afrika.--Daarna, toen de Arabieren weken, had het weder eeuwen lang +zoo zeer met de innerlijke weeën zijner wedergeboorte te kampen, +dat het ook toen gewoonlijk het overig Europa den rug toekeerde, +en noch aan de kruistochten, noch aan andere grootsche vragen, +die de volken-familie van ons werelddeel bezig hielden, deel kon +nemen. Spanje had zijne eigene kruistochten tegen den Islam, en bleef +nog diep in dit kruistochttijdperk vertoeven, toen het overig Europa +reeds boeken drukte, zich reeds in de studie der Grieksche oudheid +verdiepte, midden in het tijdperk zijner wedergeboorte was, en reeds +de hervorming naderde. + +De gelukkige beëindiging van den nationalen-strijd met de Arabieren, +de daardoor gevolgde vereeniging van alle bewoners van Spanje, "_het +land der heiligen en der helden_," zooals het toen ter tijd dikwijls +genoemd werd, tot één staat en volk, gaven de natie in de 16de eeuw +zulk een stoot, dat zij _nu_ ook, en nu voor de _eerste en eenige_ +maal--over de grenzen van haar schiereiland stroomde, _buiten_ de +Pyreneën landen in bezit nam, kolonisten naar den vreemde zond, +andere volken door veroveringen en erfenissen aan hare zegekar +ketende, dikwijls invloed op hunnen geest en zeden uitoefende, +en eindelijk ook een zoo grooten Europeeschen staat vormde, dat +een _tijd lang_ het geheele werelddeel voor haar bevreesd was, en +voor zijne onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden streed, zooals de +Spanjaarden zelven voor de hunne tegen de Mooren gekampt hadden, en +dat Spanje, om zoo te zeggen, gedurende een gedeelte van de zestiende +en zeventiende eeuw, het hoek- en draaipunt van de staatkunde der +Europeesche volken werd. + +De blikken en schreden der Spanjaarden richtten zich toen bij voorkeur, +evenals later die der Engelschen, buiten Europa, naar de andere +zijde van den Oceaan, naar de door hen ontdekte nieuwe wereld, +in welke richting de stroom hunner landverhuizing en van hunnen +ondernemingsgeest verreweg het sterkst was, waar zij vele volken deden +verdwijnen en nieuwe volken en staten stichtten, wier lotgevallen wij +echter, daar wij ons tot Europa bepalen, niet te beschrijven hebben. + +Deze uitbreiding van macht naar het Westen (naar Amerika) kon echter +niet zonder terugwerking op het Oosten (Europa) blijven; daarom alreeds +niet, omdat de Spaansche Koningen zich met het machtigste Keizershuis +van dien tijd, door huwelijken verbonden en vereenzelvigden.--Zooals +hun _Columbus_ en hun _Cortes_ zich naar de nieuwe wereld begaven, +zoo kwamen ook de heldhaftige _Gonzalvo de Cordova_, de veroveraar +van Italië, de vreeselijke Hertog _van Alva_, die de Nederlanden tot +onderwerping trachtte te brengen, de edele _Juan d'Austria_, de schrik +der Turken, en talrijke andere in Europa wereldberoemde veldheeren, uit +den schoot der Spaansche natie te voorschijn. Zooals eens Griekenland +beefde voor de phalanxen der Macedoniërs, zoo beefde nu, wat nooit +te voren gebeurd was, Europa onder de voetstappen der Spaansche +regimenten, wier dapperheid en discipline ten voorbeeld genomen werden. + +Geheel Napels, Sicilië, Sardinië, het Hertogdom Milaan, de +Zuidelijke Nederlanden werden voor langeren tijd,--Duitschland +en de Oostenrijksche bezittingen aan den Donau en die aan de +Rhone, in _Franche-Comté_, slechts voor korten tijd--onder de +heerschappij, of ten minste onder den machtigen invloed der +Spanjaarden gebracht. Spaansche troepen overwonnen toenmaals bij +Mühlberg in Noord-Duitschland, dat de Romeinen niet hadden kunnen +overwinnen.--Spaansche vlooten zeilden op den Oceaan waar zij +Engeland bedreigden, en op de Middellandsche Zee waar zij in den +slag bij Lepanto de Turksche macht de spits afbeten.--De Spaansche +monarchie werd toen de grootste en schitterendste in Europa, en bleef +zulks tot aan het midden der 17de eeuw; en daar kunsten en literatuur +als trouwe afschijnsels van het geheele gehalte eener natie, achter +de wapens zelden wegblijven, zoo verhieven zich toen ook de taal, +de poëzie en de Musen der Spanjaarden, trots de inquisitie en trots +despotische Koningen, tot hun toppunt. + +De _Cervantes_ vochten zelfs mede in die veldslagen der veldheeren; +de _Vegas_, de _Calderons_, die zooveel gedichten vol phantasie +vervaardigd hebben; de _Velasquez_, de _Murillos_ en hunne talrijke +scholieren, die zooveel bleeke heiligen- en monnikengezichten +geschilderd hebben; al deze waren tijdgenooten dier ruwe _Cordovas_ +en _Alvas_, en verschenen in hun gevolg.--Het volk passeerde toen het +Zenith zijner beweging en doorliep de gouden eeuw, het rijkste tijdperk +zijner ontwikkelings-periode.--In dien tijd van _zeer_ bewonderde en +zeer gevreesde Spaansche grootheid, werd de Castiliaansche taal voor +een groot gedeelte van Europa _tijdelijk_ bijna hetzelfde, wat later +de Fransche _meer blijvend_ geworden is, de modetaal der voorname +wereld.--Daar de aanzienlijke Spaansche familiën, zich evenals hunne +Koningen, door huwelijken, met de familiën van Italië, Duitschland, de +Nederlanden verbonden, daar men overal Spaansche grandes, militairen, +diplomaten, hovelingen, gouverneurs ontmoette, zoo werd het eindelijk +aan de hoven van Weenen, Milaan, Napels, Brussel, Londen, zelfs ook +in Parijs, goede toon, Spaansch te spreken. + +Even als de welluidende, majestueuse en hoogdravende Spaansche +taal, zoo verbreidden zich in dien tijd ook de Spaansche modes en +zeden in kleederdracht en gedragswijze over geheel Europa.--Vooral +in de residenties behaalde het deftige, statige en stijve kostuum +en hofwezen der Spanjaarden de overhand. Het scheen een oogenblik +alsof geheel Europa zich geheel op Spaansche wijze inrichten wilde, +eerst de hoogere standen, en later ook de burgerklassen. Duitschland +zuchtte lang onder den druk der Spaansche halskragen en Spaansche +poffen. Zelfs de Engelsche heeren, de overwinnaars der Spaansche Armada +"droegen hun baard en knevel op Spaansche wijze". En alle pronkers +van Europa trachtten zich voor te doen, sierlijk van het hoofd tot +de voeten, onnatuurlijk geregen, afgemeten en beredeneerd in gedrag +en bewegingen, solide en kostbaar versierd, over zich zelven tevreden +en trotsch als een Spaansch Hidalgo. + +Men kan deze Spaansche invloeden zelfs tot in het Skandinavische +Noorden, en door Hongarije en Zevenburgen heen, tot in Rusland +naspeuren. Een en ander daarvan, b.v. in de kleeding der patriciërs +en raadsheeren der Duitsche vrije steden, zijn tot op onzen tijd +bewaard gebleven.--Natuurlijk aapte men in dien tijd de Spanjaarden +ook in gewichtiger zaken na, vooral in hunne militaire organisatie +en de discipline bij hunne legers. Veel ouds in de Engelsche marine +is van de Spaansche schepen afkomstig, zelfs verscheidene technische +scheepstermen. + +Ook de Spaansche dichters vonden bewonderaars en naäpers zoowel in +Italië als in Frankrijk. De Franschen vooral waren, nadat zij de rijke +_poëtische_ goudmijnen aan gene zijde, der Pyreneën ontdekt hadden, +zooals eens de Pheniciërs de _minerale_, onvermoeid in de benuttiging +en uitbreiding er van.--Natuurlijk geschiedde zulks, op gemakkelijk +te begrijpen gronden, wel wat te laat, omdat de eigenlijke bloei in +Spanje reeds voorbij was, Kleederenpronk en uiterlijkheden deelen zich +altijd sneller en onmiddelijker mede dan literarische producten, voor +welker genot en goed begrip menige voorbereiding noodig is. Duitschland +had reeds lang Spaansche mantels gedragen en weder afgelegd, eer zijn +zin voor de voortbrengselen van den Spaanschen geest ontwaakte. Maar +toen hebben de Duitschers zich met bijzondere voorliefde op de edele, +ernstige, kuische en gevoelvolle Spaansche Muze toegelegd, als zagen +zij in zekere mate in haar eene halfzuster van hun eigen geest. + +In die niet-Spaansche landen van Europa, welke de Spanjaarden het +langst beheerschten, zijn nog tot op den huidigen dag eenige sporen +hunner aanwezigheid te herkennen. Het zuivere en ijverige Katholicisme, +dat bij de Belgen in waarde is gebleven, is ten deele een voortbrengsel +der heerschappij van de Spanjaarden, wier Koningen, veldheeren en +priesters met taal, vuur en zwaard zich beijverden, de Vlamingen voor +de nieuwe leer hunner Hollandsche broeders te bewaren. De trotsche +Belgische adel, wiens afstammelingen zich dikwijls door huwelijk +met de Spaansche adellijke geslachten verbonden, werd in hoogen +graad voor Spaansche zeden en denkwijze gewonnen, en men ontdekt nog +heden ten dage menig overblijfsel daarvan bij hen, zooals men ook nog +in de Belgische steden op enkele zaken en gewoonten stuit, die van +den Spaanschen tijd dagteekenen.--Aan het Oostenrijksche hof bleven +Spaansche geest, taal en zeden tot diep in de 18de eeuw bestaan. Ook +vindt men in Oostenrijk nog hier en daar Spaansche familienamen, +die van de onder Karel V en Ferdinand I het land binnengetrokken +Spanjaarden afkomstig zijn.--Ook in Sicilië, eene bakermat der +oude Iberiërs, dat de nieuwere Spanjaarden langen tijd in hun bezit +hadden, treft men nog menige overeenkomst met Spanje aan. Spaansche +adellijke familiën, sedert eeuwen met die van dit eiland verbonden, +hebben daar nog heden ten dage een niet onaanzienlijk grondbezit, en +menige Spaansche rechterlijke gewoonte is daar ook nog heden ten dage +van kracht.--Van alle Cis-Pyreneesche volken van Europa zijn echter +de Spanjaarden het meest met de bewoners van Zuidelijk Frankrijk +verbroederd. Met deze hunne naburen hebben zij van oudsher meer +te doen gehad, dan met eenig ander Europeesch volk.--Het Zuidelijk +Frankrijk, door Languedoc en Provence om den Noordelijken boezem van +de Middellandsche Zee heen, is altijd een overgangsland voor Italië of +Frankrijk naar het Pyreneesche schiereiland geweest. Van daar rukte +gewis eens het Iberische volk het Pyreneënland binnen, en Iberisch +bloed stroomt gedeeltelijk nog door de aderen dezer heetbloedige +Zuidelijke Franschen.--De West-Gothen heerschten geruimen tijd zoowel +over het eigenlijke Spanje als over dit Iberische gedeelte van Gallië, +en de Spaansche Souvereinen van Catalonië bezaten daar geruimen tijd +het landschap Roussillon en andere streken van het land. + +Het gebied van den eens zoo bloeienden tuin der Provençaalsche +dichtkunst en taal, strekte zich zoowel door Noord-Oostelijk Spanje als +door Zuidelijk Frankrijk uit, en nog heden wordt daar, zoowel aan deze +als gene zijde der Pyreneën, het Catalonische dialect gesproken, zooals +zich, van Spanje uit over Narbonne en Marseille, eene reeks verwante +dialecten, in zachte toon afwijkingen, langs de kust der Middellandsche +zee tot naar Italië uitstrekt.--Nergens binnen de grenzen van zijn +eigen land, voelt de Noordelijke Franschman zich minder te huis, +dan bij deze Zuid-Fransche grensbewoners van de Pyreneën en de +Middellandsche Zee, bij wie zich daarentegen de Spanjaard meer te +huis gevoelt, dan ergens anders aan deze zijde der Pyreneën. + +Voor het overige ontmoet men nu, nadat zij zich weder achter hunne +Pyreneën teruggetrokken hebben, den eigenlijken Spanjaard zelden onder +de Europeesche volken. Zij hebben zich hier nergens als landbouwende +kolonisten verstrooid.--Men kan geen tak van industrie opnoemen, +waarin hun in de Europeesche steden de voorkeur gegeven wordt, zooals +de Italianen, de Franschen, de Duitschers overal op ons vasteland, +vele hebben. En terwijl men in bijna iedere hoofdstad van Europa, in +meerdere of mindere mate, Duitschers, Franschen en Italianen aantreft, +kan men in de minste ook slechts een klein Spaansch element in hare +gezamenlijke bevolking ontdekken.--Er bestaan niet zulke in geheel +Europa bekende en populaire persoonlijkheden uit Spanje, als b.v. de +Italiaansche handelaars in lekkernijen, de Savoiaardsche musici, +de Toscaansche gipswerkers of de cantatrices uit het Romeinsche +schiereiland, die bij ons om zoo te zeggen inheemsch zijn geworden. Ook +hebben verder de Spanjaarden noch geleerden, noch handwerkslieden, +noch ambtenaren met ons geruild, terwijl de Midden-Europeesche volken +dat meermalen met elkander gedaan hebben. De Russen, die in nieuweren +tijd gaarne van alle Europeesche volken voordeel trokken, namen +dikwijls Duitsche, Italiaansche, Fransche, Engelsche, Hollandsche +generaals, admiraals en ministers bij zich in dienst. Een Spaansche +naam treft men onder hen, die sedert Peter den Groote, Rusland voor +de beschaving gewonnen hebben, niet aan. Evenmin ontmoeten wij +noch in Italië, noch aan den Rijn, Spaansche grand-seigneurs, of +Spaansche natuurbewonderaars, zooals Rusland, Engeland, Nederland en +Skandinavië die aanhoudend derwaarts zenden. Zij vallen ons met niets +lastig, zij verheugen ons met geen talent, zij brengen ons niets. Men +ziet op de markten van het Europeesche binnenland en in de havens, +schier meer Turksche dan Spaansche kooplieden, ofschoon men ze zoo +gaarne zien zou, daar zij gewoonlijk zeer eerlijke en geschikte +handelaren zijn. Zij zijn in het Europeesche dagelijksch verkeer +schier onbekende verschijningen. Alleen de vlijtige Cataloniërs, de +eenige Spanjaarden die de werkzaamheid en de industrie huldigen, maken +daarop eene uitzondering. De Spaansche taal, die zich _zeewaarts_ over +geheel vreemde vaste landen verspreidde, is in Europa maar op enkele +weinige plaatsen door verdrevene Spaansche Joden inheemsch geworden, +zooals ook in nieuweren tijd staatkundige vluchtelingen, in Londen +en eenige andere plaatsen, kleine Spaansche koloniën gevormd hebben. + + + + + + +DE PORTUGEEZEN. + + +Veel van hetgeen wij over de Spanjaarden gezegd hebben, is ook van +toepassing op hunne buren en tweelingbroeders, de Portugeezen, die +den uitersten rand, of zooals Portugeesche dichters zich uitdrukken, +"_het voorhoofd van Spanje_", van Europa's hoofd bewonen, en die op +ons vasteland slechts _een enkelen_ nabuur, de Spanjaarden, hebben. + +Onder de zelfstandige volken van ons werelddeel, die eene eigene taal, +ontwikkeling en literatuur hebben, is het Portugeesche volk een der +jongsten. Zijne losmaking van het overige lichaam van het Pyreneesche +schiereiland, dateert eerst van den aanvang der 12de eeuw, en de +wasdom dezer nationaliteit is dien ten gevolge nauwelijks zoo oud, +als die der oude eiken in onze wouden. + +Gedurende de lange tijdruimte, die dat tijdstip voorafging, maakten +de bewoners van het tegenwoordig Portugal slechts een gedeelte van +Spanje uit. Ook viel het hunnen voorouders niet in, zich zelven van +het begrip Spanjaard en Spanje uit te sluiten. Zij deelden in alle +lotgevallen van het overige Spanje, waarmede zij achtereenvolgens +onder de opperheerschappij der Puniërs, Romeinen, Germanen en Arabieren +geraakten. + +De door de Romeinen zoogenaamde Lusitaniërs, die door de dichters +en patriotten van het land, als de Portugeezen van den ouden +tijd verheerlijkt worden, bewoonden slechts een gedeelte van +het tegenwoordige Portugal, en waren ook over een gedeelte van +het overige Spanje verbreid. Zij waren een tak van den grooten +Iberischen stam, zooals men nog andere in Spanje aantrof, en er +vormde zich bij hen een tongval, die niet anders dan als een dialect +van den Iberisch-Romaanschen stam beschouwd kan worden, die niet +_meer_ zelfstandige eigendommelijkheden had, dan de Arragonische en +Catalonische dialecten ook bezaten. Als een staatkundig en nationaal +geheel trad het land, dat wij nu Portugal noemen, in die tijden nooit +op. Het had altijd slechts eene provinciale beteekenis, en zoowel de +Romeinen als de Gothen en de Arabieren smolten het land, terwijl zij +het verschillend verdeelden, met de districten en provinciën van het +binnenste gedeelte van het Pyreneesche schiereiland samen. + +In het jaar 1095 behoorde de Noordelijke helft van het tegenwoordige +Portugal tot het Koningrijk Castilië en Leon, de Zuidelijke helft +onder den naam Algarvië (d.i. het Westland) tot het Arabische Kalifaat +van Cordova. + +Eerst door het in genoemd jaar plaats hebbend huwelijk eener +Castiliaansche Prinses Theresia, met een Franschen Prins, Hendrik +van Bourgondië, begon dit anders te worden. + +Alphonsus VI, Koning van Castilië, verleende aan deze zijne kinderen, +als een stadhouderschap, den omtrek van het tegenwoordige Oporto, +dat sedert oude tijden den naam "_Portus Cale_" (de haven van Cale) +droeg. Daarom noemde zich genoemde Hendrik van Bourgondië _Comes +Portugalensis_ (de Graaf van de haven Cale), en reeds zijn zoon Alfonso +I, die den omtrek van dit Graafschap vergrootte, nam den titel Koning +aan, verdedigde zijne zelfstandigheid tegen Castilië, en moet als de +eigenlijke stichter der Portugeesche natie beschouwd worden. + + + +Hij en zijne opvolgers breidden, van uit die Noordelijke wieg des +volks, van uit het land bij Oporto, tusschen den Minho en Duero, waar +ook nog tot in den nieuweren tijd de lotgevallen der natie zoo dikwijls +beslist werden, hunne heerschappij en den naam "Portugal" verder naar +het Zuiden uit. Zij marcheerden en veroverden langs de kusten van den +Atlantischen Oceaan, aan welks strand deze heerschappij ontstaan was, +van de eene haven naar de andere, van de eene riviermonding tot de +andere, naar beneden toe, terwijl zij de Arabieren eerst uit Coïmbra, +daarna uit Santaren, vervolgens met behulp van Vlaamsche en Duitsche +kruisvaarders uit het Koninklijke "Lischbuna" (Portugeesch Lisbona) en +eindelijk uit Algarvië verdreven, en tegelijkertijd aan de bevrijde +volken hunnen, uit het Noorden afkomstigen en met de Galliciërs +verwanten, en nu ook weldra gevierden naam "Portugal" mededeelden. + + + +Reeds na niet veel meer dan 100 jaren, stond het vaderland dezer +Portugeezen reeds kant en klaar zoo daar, als wij het nog in dit +oogenblik kennen. Van toen af aan, gingen de Portugeezen zich over +zee in de andere werelddeelen uitbreiden. In Europa hebben zij zich +sedert dien tijd, dus sedert meer dan 600 jaren niet verder uitgebreid, +maar hebben zij,--terwijl zij hun gebied met eene keten van sterke +vestingen omgaven en met hunne eenige naburen, de Spanjaarden, +daarover een, om zoo te zeggen, nooit eindigenden verdedigingsoorlog +voerden,--met buitengewone hardnekkigheid het eens genomen grondgebied +weten in bezit te houden. Deze omstandigheid is wellicht eenig in +de geschiedenis van Europa. Want omstreeks dien zelfden tijd hebben +schier alle andere nationaliteiten en staten van ons werelddeel, zelfs +de Britsche eiland-bewoners, hunne grenzen en het gebied waarover +zij zich verbreidden, zeer dikwijls veranderd gezien. + +Deze omstandigheid is daarom des te merkwaardiger, omdat eigenlijk +geene zeer scherp afgeteekende natuurlijke grenzen tusschen Portugal +en Spanje bestaan. Dezelfde gebergten, hooge plateau's en rivieren +treft men in beide landen aan. Beiden hebben hetzelfde klimaat en +brengen dezelfde producten voort, en daar nog bovendien Portugal in +het vierhoekige figuur van het Pyreneesche schiereiland geheel invalt, +zoo schijnt het, dat de natuur, zoo ergens dan hier, beide landen +voor eene eenheid in nationaliteit en heerschappij bestemd heeft. + +Niettemin bieden beide landen ook eenige natuurlijke contrasten aan, +waarop waarschijnlijk dan ook de zedelijke contrasten van beide +volken berusten. + +De Portugeezen hebben zich uitsluitend aan den zoom van den +Atlantischen Oceaan opgehouden. Zij hebben alle mondingsgebieden +der grootere Spaansche rivieren bezet, en langs dezen zijn zij maar +zoover landwaarts ingedrongen, als zij bevaarbaar zijn, terwijl +zij den Spanjaarden het bronnengebied en de diep tusschen de bergen +ingeslotene bergstroomdalen overlieten. + +Daar hun land openstaat voor de zee, zoo is ook het klimaat gematigder +en vooral vochtiger dan dat van Spanje; Portugal is, geheel anders dan +Spanje, een groot regenland. Zijne wijnen hebben dien ten gevolge eene +wat mindere natuurlijke hitte dan de Spaansche. Zelfs de Koninklijke +wijn van Oporto verkrijgt zijn gloed het meest door de spiritus, die +aan het druivensap wordt toegevoegd. De Portugeesche wijnen hebben +in het algemeen meer vet, hangen meer aan het glas en zijn zwaarder, +dan de drooge, van nature vurige Spaansche wijnen, en ook dit wijst +op een karakteristiek verschil tusschen beide landen en volken. + +Over het algemeen zou men de Portugeezen, de Nederlanders van het +Pyreneesche schiereiland kunnen noemen. Zij staan in allerlei opzicht +tot de rots- en bergvolken van Spanje, als de Vlamingen en Batavieren +tot de Duitschers. Zij zijn, hun oorsprong uit eene haven getrouw--men +zou den naam _Portugeezen_ in _havenlieden_ kunnen vertalen--groote +schippers en handelaars geweest. Zij hebben dien ten gevolge ook +meer het burgerlijke en neringdoende element in zich opgenomen, +dan de ridderlijke Spanjaarden. Zij zijn werkzamer dan deze. Als +oude handelsvolken openbaren zij in hun geheele wezen iets weeks +en buigzaams, in tegenstelling met de Spanjaarden, die door het +harder, hooghartiger, ruwer wezen eens bergvolks bezield schijnen +te zijn. Het is een min of meer dergelijk contrast, als men aantreft +bij den Skandinavischen stam, in de Denen en Zweden. + +Veelvuldig openbaart zich die grootere weekheid van het Portugeesche +wezen, in hunne taal en literatuur, waarin b.v. de bij de Spanjaarden +zoo nationale dramatische en historische voortbrengselen ontbreken, +terwijl de herder-dichten door geen volk in zoo hooge mate beoefend +werden als door de Portugeezen. Even als de Italianen weinige +dichters gehad hebben, die niet iets satirieks hebben voortgebracht, +zoo tellen de Portugeezen bijna geen dichter, die niet in eclogen, +idyllen, bukolische en erotische gedichten ruimschoots het zijne heeft +gedaan. "Elegische sentimentaliteit en droefgeestige zwerving van +gedachten, is een hoofdtrek van hun karakter. Zelfs hunne edele ridders +en Koningen, die in oude tijden bijna altijd in geestdrift ontstokene +dichters waren, zongen in den regel het liefst van Amynthas, Chloë en +Daphnis, en in geheel Portugal was bijna iedere berg een Parnassus, +iedere bron een Castiliaansche bronwel." + +Daardoor verschijnen zij ook overal als de lievelingen van Venus, en +in hun groot heldendicht, de Lusiade, treedt in den raad der goden, +de godin der liefde op als beschermster en voorspraak van Vasco +de Gama en zijne Portugeezen, terwijl Bacchus, de god des wijns, +de rol van hunnen tegenstander en verderver speelt, welk laatste, +zooals ik hier ter loops opmerk, voor de in het eten en drinken zoo +uiterste matige Lusitaniërs, even veel beteekenend is. + +Even als in de keuze der geliefkoosde onderwerpen hunner dichters, zoo +ontmoet men ook in de klanken en in den bouw der Portugeesche taal, +iets ongemeens, weeks en zelfs iets zoets, zij begunstigt in hooge +mate de uitdrukking van zachte en teedere gevoelens. Zij verwisselt +overal de keel- en gehemelteklanken der Spaansche taal in sis- en +tongklanken, en brengt meer klinkers bijeen dan de Spaansche. + +In stede van den ruwen klank, die aan de Spaansche taal eigen +is, bezit de Portugeesche meer de gladheid van het Fransch. Zij +heeft met deze ook den eigenaardigen neusklank gemeen, die aan het +Spaansch geheel vreemd is. Men schrijft dit en veel meer Fransch in +het Portugeesch--gedeeltelijk ten minste--aan de eerste grondvesting +der Portugeesche zelfstandigheid door bovengenoemden Franschen Prins +toe, die met vele Fransche ridders en zangers in het land kwam. De +Portugees heeft minder Germaansch of Gothisch, en ook minder Arabisch +dan de Spanjaarden behouden. + +Het Spaansch klinkt indrukwekkender en voornamer dan het Portugeesch, +dat b.v. eene menigte volklinkende woorden,--die uit het fraaie land +der welluidendheid, uit Italië en uit de taal van Rome, afkomstig zijn +en aan wie de Spanjaarden hun Romeinsch karakter lieten--afgekort, +verminkt en uitgewischt heeft. Wie zou niet het Spaansche _color_, +_palacio_, _pueblo_, _madre_, _padre_, _poner_ veel welluidender +vinden, dan de Portugeesche veranderingen _cor_, _paço_, _povo_, +_may_, _pay_, _por_! Het Spaansche oor zijn dergelijke Portugeesche +woorden onhoorbaar en zij schijnen hem bedorven, verminkt, plat +Spaansch.--Ook in dit opzicht, verhoudt zich het Portugeesch weder +nagenoeg tot het Spaansch als het Nederlandsch tot het Opper-Duitsch, +welk laatste eveneens zoowel ruwer en volklinkender, als ook voornamer, +deftiger en trotscher is dan het weekere en plattere Nederlandsch. Even +als het een Duitscher zelden inviel Nederlandsch te leeren en zijne +gedachten in die taal in te kleeden, zoo hebben ook de Spanjaarden +zich bijna nooit op het Portugeesch toegelegd, terwijl omgekeerd bijna +geen Portugeesch dichter genoemd kan worden, die het ook niet in den +mannelijken, Castiliaanschen tongval beproefd heeft. Verscheidene +Portugeesche classici behooren tot de literatuur van beide volken, +wat men zeker van geen Spaanschen dichter zeggen kan. + +Even als de taal der Spanjaarden, zoo was ook hun geheele leven en +hun zijn, oorspronkelijker en rijker ontwikkeld, als zijnde dat van +een grootscher, machtiger en talrijker volk. De Spanjaarden hebben in +alle soorten der dichtkunst, in alle soorten van kunst en wetenschap +uitgemunt. Bij de Portugeezen, die dikwijls slechts naäapten, vindt men +menig geheel onbebouwd veld. In het satirieke en komieke genre b.v., +waren zij zeer zwak en bewogen zij zich moeilijk. Een zoo fijne en +scherpe geest als die van Cervantes werd nooit bij hen geboren. Ook in +de schoone kunsten, de architectuur uitgezonderd, hebben de Portugeezen +zelden iets groots voortgebracht. Hunne schilders en beeldhouwers +kennen wij niet, terwijl die der Spanjaarden in de wereld algemeen +geprezen worden. + +Over het geheel is, na al wat wij boven opgemerkt hebben, de moreele +invloed der Portugeezen op de Spanjaarden gering geweest, terwijl +omgekeerd die der Spanjaarden op de Portugeezen zoo groot was, +dat men zeggen kan, dat zij hunne naburen aan den oever der zee, +meestal op sleeptouw hebben. + +De Portugeezen hebben in de ontwikkeling hunner beschaving bijna +altijd met de Spanjaarden gelijken tred gehouden. De perioden der +poëzie en literatuur zijn bij beide volken geheel dezelfde, en +evenzoo ook de tijdperken van bloei en verval hunner staatkundige +macht. Werden in Spanje de troubadours, de Italianen of de Franschen +nageaapt, gelijktijdig geschiedde zulks in Portugal. Had Spanje wijze, +poëtische, de wetenschap hooge eischen stellende Koningen, dan had +Portugal die ook. Stond in Spanje een Peter de Wreede aan het hoofd, +dan had Portugal ook dergelijke despoten met dergelijke bijnamen. De +beroemde Koningen van Portugal, Johan II, Emanuel en Johan III, +waren tijdgenooten van de grootste Spaansche monarchen Ferdinand, +Karel I en Filips II, en gewoonlijk hadden beide volken gelijktijdig +hunne groote mannen en hunne groote omwentelingen. + +Werd bij de Spanjaarden het Romeinsche recht of de inquisitie of eenige +andere heilzame of onheilzame hervorming ingevoerd, zoo duurde het +ook niet lang of zij werden ook bij de Portugeezen aangenomen. Hadden +de Moriscos of Joden in Spanje vervolgingen der Christenen te lijden, +zoo konden zij kort daarna in Portugal op hetzelfde rekenen, ofschoon +het hier meestal zachter toeging, daar de Portugeezen zich, als alle +handelsvolken, over het algemeen verdraagzamer getoond hebben dan de +hooghartige en sombere Spanjaarden. + +Binnen hetzelfde tiental jaren begaven zich de voornaamste zeehelden +der beide volken scheep, en zeilden den aardbol rond, de eenen langs +den Oostelijken, de anderen langs den Westelijken weg, ofschoon ter +zee, van den beginne af aan, de Portugeezen iets op de Spanjaarden +voor hebben gehad. Beide volken gingen, als eene dubbelster, bijna in +hetzelfde oogenblik door het zenith hunner macht. En toch vindt men +naast al die overeenkomsten in de geschiedenis hunner ontwikkeling, in +hun karakter en hunne neigingen, en naast alle opgesomde aesthetische +en literarische overeenkomst het merkwaardige, dat zij daarbij altijd +in aangeborene vijandschap leefden, steeds de grootste antipathie +tegen elkander koesterden, en even als een paar broeders of naburen, +die vijandig tegen elkander over staan, alleen door de omstandigheden +gedrongen met elkander gelijken tred hebben gehouden, om zoo te zeggen +tegen wil en dank, dezelfde melodie, op slechts weinig van elkander +verschillende instrumenten, gespeeld hebben. + +In de oorlogen, die beiden--dikwijls met vreemden verbonden--tegen +elkander voerden, hebben de Spanjaarden meestal het overwicht +gehad. Ontelbare malen zijn zij Portugal als overwinnaars +binnengetrokken, en hebben het nu en dan beheerscht, eens (van 1580 +tot 1640) langer dan eene halve eeuw. Niettemin hebben zij het nooit +blijvend kunnen verbreken, overmeesteren of met hun land ineensmelten, +ofschoon het tot den huidigen dag een lievelingsidée der Spaansche +patriotten is, alle stammen van het Pyreneesche schiereiland, _ook_ +de Portugeezen, tot één groot rijk en volk te vereenigen.--En dit +is een idée, welks verwezenlijking onze tegenwoordige eeuw met hare +handelsvrijheid, hare spoorwegen, kanalen, bevaarbaar gemaakte +rivieren, waarmede, de Spanjaarden zoowel als de Portugeezen, de +scheidsmuren die tusschen hen bestaan, trachten omver te werpen, +_misschien_ bewerken zal. + +Hebben de Portugeezen reeds in hunne betrekking tot hunne buren, de +Spanjaarden, meer eene lijdende of verdedigende, dan eene werkdadige +en voorlichtende rol gespeeld, zoo is hunne inwerking op de beschaving +van het overig Europa nog van veel minder beteekenis geweest. Van hoe +veel meer gewicht zijn niet de Zwitsers en Nederlanders (ook slechts, +even als de Portugeezen, kleine volken) voor Europa geworden. Onder +de regeering van Koning Emanuel, in de 16de eeuw, was wel bij hen +het middenpunt van den Europeeschen handel, was Lissabon wel eene +wereldmarkt, waar men alle zeevarende volken aantrof; maar dit +duurde niet lang, en van nog korteren duur was de roem van hun +Coïmbra, als schitterendste Muzen-zetel van ons werelddeel. Hunne +taal heeft men in het overig Europa even weinig geleerd en er even +weinig notitie van genomen als b.v. van het Nederlandsch. Hunne taal +is bijna even eng begrensd gebleven, als b.v. de tongval der Denen +tot Jutland.--Van al hunne talrijke dichters heeft slechts _één_ +zich een Europeeschen naam, in de geschiedenis der Europeesche +ontwikkeling eenig gewicht verworven. Wij bedoelen den, door een +hoogst ongelukkig noodlot vervolgden, door zijne tijdgenooten niet +gewaardeerden, ja geplaagden armen soldaat, dien men later, opdat hij +in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, de hoogst ondichterlijke +betrekking van lijkbezorger te Macao, in China gaf; dien men later, +wegens eene vergissing in de administratie aan zijne betrekking eigen, +in de gevangenis wierp, en ten laatste in een hospitaal als bedelaar +liet verkwijnen en sterven. Onder al die mishandelingen en kwellingen, +werkte die geestige man steeds aan zijne kunstrijke, prachtige verzen, +waarin hij op onsterfelijke wijze den roem zijner landslieden, zijner +Koningen en hunner voorvaderen bezong, de Portugeesche dichtervorst +_Camoëns_, wiens Lusiade een bij alle volken bekend en bewonderd, +in alle talen der wereld overgezet heldendicht geworden is. + +Even als deze Camoëns van hunne dichters, zoo is van hunne +geschiedschrijvers nagenoeg alleen Barros,--van hunne zeehelden alleen +Magellaan, de eerste die een vaart om de wereld deed,--van hunne +Vorsten, de groote Emanuel, die zich er op beroemde dat in zijn rijk de +zon nooit onderging,--van hunne veldheeren Albuquerque, de veroveraar +van Indië,--van hunne staatslieden Pombal, de verdrijver der jezuïten, +bij alle Europeanen bekend geworden. Algemeen bekende Spaansche, +Italiaansche of Fransche celebriteiten zijn er ontelbaar velen.-- + +Het voornaamste veld van de grootheid en de in de geschiedenis der +ontwikkeling bekende werkzaamheid, der aan den uitersten rand van ons +werelddeel geborene Portugeezen, ligt buiten Europa, aan gene zijde +van den Oceaan, in Afrika, in Indië, in de nieuwe wereld, waar zij +aan vele volken hunne taal leerden, hunne beschaving mededeelden; +waar zij groote staten, Koningrijken en Keizerrijken stichtten; waar +zich hunne geheele nationale neerlijkheid _overmachtig_ ontvouwde; waar +zij zich echter, tegelijk met de gemakkelijk verworvene rijkdommen en +de steeds toenemende luxe, ook de lust tot pronk en den tegenzin in +den arbeid eigen maakten, die eene groote verslapping hunner energie +ten gevolge gehad hebben, en waaruit zij zich eerst nu weder, na vele +vergeefsche omwentelingen, tot nieuwe nationale werkzaamheid en bloei +beginnen te verheffen. + + + + + + +GALLIË EN DE FRANSCHEN. + + +Ten Noord-Oosten van Spanje wordt door de elkander dicht naderende +zeeën, het lichaam van ons Europa weder aanzienlijk verengd, en als +ineengeregen. Het vormt om zoo te zeggen, den hals van het groote +standbeeld van ons werelddeel. + +Even als bij de buste van het menschelijk lichaam, zoo is ook bij ons +werelddeel deze halsvernauwing van geen langen duur. Aan weerszijden +vindt men de breede schouders. De borst van het "schoone Frankrijk," +dat zijne armen, Italië en Groot-Brittanje, rechts en links uitbreidt, +welft zich hier. + +Bijna even scherp en duidelijk als het Spaansch hoofdgedeelte, heeft +de natuur ook dit gedeelte van ons vasteland, als geheel op zich +zelf staande gevormd en van de andere landen-massa's gescheiden; +zij schijnt dit land oorspronkelijk reeds tot de woonplaats van +een eigenaardig geslacht, tot het schouwtooneel van invloedrijke +gebeurtenissen, tot wieg en bakermat van één volk, en tot het goed +voorbereide fundament van een machtigen staat bestemd te hebben. + +De Pyreneën is het als een parelsnoer om den hals gestrengeld. Als eene +muur scheidt die keten het van het Iberische schiereiland. Zijne beide +schouders worden door de zee bespoeld en zijn in scherpe kust-lijnen +duidelijk afgeteekend. Op de hoogte der taille echter slingert zich +de vaste gordel der Alpen, van den Jura, der Vogesen, der Ardennen, +die het van Italië en Duitschland scheidt, waarbij echter in het +midden (ter hoogte van Midden-Duitschland) het slot en de sluiting +vergeten is.--Van de hooge grensomwallingen in het Oosten en Westen, +loopt het land vlak naar binnen en naar het westen, alwaar het een +bassin vormt, af. + +De stroomen van dit bassin vormen een samenstelsel van eigenaardig +tot elkander behoorende en door elkander gevlochten aderen, die allen +als stralen uit een zelfde middenpunt loopen.--Geen van hen maakt +zulke excentrische en afwijkende banen, als b.v. de Duitsche Donau +naar het Oosten. Daar zij allen in hunne hoofdtakken in hooge mate +bevaarbaar zijn, veel meer dan b.v. de kleine, korte bergstroomen +van Italië, of de arm aan water zijnde stroomaderen van Spanje, +zoo zijn zij zeer geschikt om bij wijze van band, de bevolking +te zamen te houden en in elkander te versmelten. Zij worden door +onbeduidende hoogte-ketens, dikwijls slechts geheel vlakke en kleine +plateaus, nergens door zulke steile rotsgebergten als de Italiaansche +Apennijnen, of als de Spaansche Sierra's, van elkander gescheiden, +en zij konden alzoo, door handelswegen van den eenen stroom tot den +anderen en door kanalen, tot een zeer nauw verbonden scheepvaart- +en verkeerstelsel vereenigd worden. Strabo heeft gezegd, dat het +schijnt alsof de Voorzienigheid de stroomstelsels van Gallië, volgens +een vastgesteld plan, ter bevordering van het verkeer en ten gerieve +der bewoners aangelegd heeft. + +De geheele figuur van dit scherp afgeteekende gedeelte van Europa, +is noch zooals Italië zeer in de lengte uitgestrekt, noch zooals +Rusland overmatig breed, of als het Grieksche schiereiland verkorven +en versnipperd. Het is veeleer een in hooge mate aaneengesloten, +goed geëvenredigd geheel, en laat zich binnen den omtrek van een +regelmatig vierkant of wel binnen dien van een cirkel vatten. Het +strekt zich ook niet over zoo aanzienlijk verschillende luchtstreken +uit, maar valt veeleer midden in den schoot van den gematigden +aardgordel, en heeft daardoor ook in al zijne deelen een meer +gelijkmatig klimaat, dan misschien eenig ander der _grootere_ +onderdeelen van ons werelddeel. Frankrijk maakt met betrekking tot +zijn klimaat een overgang uit tusschen het Zuiden en het Noorden, +en staat midden tusschen het Oosten en Westen. Het is veel minder +droog dan Spanje, niet zoo heet als Italië, op verre na niet zoo +vochtig als Groot-Brittanje, en gemiddeld vriendelijker en zachter +dan Duitschland of zelfs het verre Oosten. + +Even als met betrekking tot klimaat en vorming der oppervlakte, +zoo heeft het ook nog in andere opzichten niet die veelvuldige +verscheidenheid zijner naburige landen, en is het eenvormiger dan +deze. Het is over het geheel zeer geschikt tot de verbouwing der +Europeesche granen, overal redelijk vruchtbaar en productief, en +slechts bij uitzondering staan onoverwinbare hinderpalen de bebouwing +van den grond in den weg. Nergens groeien de Europeesche vrucht- +en ooftboomen beter dan daar. Ook valt bijna het geheele land nog +in de streek van den wijnstok, wat, voor het karakter van klimaat en +luchtgesteldheid, misschien van meer beteekenis is dan alles, wat men +nog meer over zijne gemiddelde of zomer- en wintertemperatuur-graad +zou kunnen zeggen. + +Het is gemakkelijk te begrijpen, dat in eene landstreek van dergelijke +gesteldheid, die in zoo hooge mate met alle naburige landstreken +in contrast staat, die daarentegen in zich zelve eene zoo groote +eenheid vormt, ook een bepaald volken-geslacht zich vastzetten en +verbreiden, en in den loop der tijden eene bijzondere en eenige natie +zich vormen moest. + +Toch heeft men ook in Frankrijk, bij alle gelijkvormigheid in _het +geheel_, verscheidene natuurlijke afscheidingen en geledingen, +die zich in de geschiedenis van het volk van veel invloed getoond +hebben, en op deze wil ik thans de aandacht vestigen. In de eerste +plaats verbergt het land, trots die nagenoeg overal heerschende +gelijkvormigheid in de verhoudingen van zijn klimaat, in zijn schoot +een Zuiden en een Noorden. De Zuidelijke helft is merkbaar warmer dan +de Noordelijke en nadert een weinig de natuur van Italië en Spanje, +midden tusschen welke landen het gelegen is. Het Zuiden vormt ook +daardoor een contrast met het Noorden, dat het bergachtiger is. Het +bevat het eenige, tamelijk hooge en _echt Fransche_ bergstelsel, +de Cevennen, met zijne vertakkingen. + +Het Noorden is een breeder vlakte- en heuvelland, en neigt zich, +zoowel wat zijn klimaat betreft als uit een geologisch oogpunt, +tot de natuur van Engeland en Duitschland. Daar beide deelen, het +Zuiden en het Noorden, door geheel verschillende zeeën bespoeld +worden, gene door de Middellandsche, deze door de Atlantische Zee, +zoo zijn ook daardoor hunne belangen, en hunne punten van aanraking +met de buitenwereld, verschillend. Eene lijn, die Oostwaarts door het +midden van Frankrijk, van Genève over Lyon naar den mond der Gironde +gaat, mag ongeveer beschouwd worden het Fransche Noorden en Zuiden +van elkander te scheiden.--Langs deze lijn loopt in Auvergne en in +Limousin, eene reeks met bosschen bedekte bergen. Daar bestonden +sedert de 12de eeuw groote kastanjebosschen, die hier eveneens de +plantengroei-grens tusschen Noord en Zuid vormden. + +Beide deelen van het groote land hebben, ten gevolge hunner contrasten, +meermalen geheel verschillende lotgevallen gehad. Het Zuiden heeft +in den loop der geschiedenis dikwijls bevolking en heerschappij +met Italië en Spanje gedeeld, en is herhaaldelijk een tusschenlid, +een doortrekkings-gebied tusschen deze beide naburige landen +geweest. Het Noorden daarentegen is meermalen, zoowel ethnographisch +als staatkundig, met het naburig Engeland, met de Nederlanden en met +Duitschland vereenigd geweest. Nog tegenwoordig toonen Zuidelijke- +en Noordelijke Franschen, in ras, zeden en taal een aanmerkelijk +verschil, dat zoo groot is, dat zij zich dikwijls nog ternauwernood +onder denzelfden naam begrijpen. De Zuidelijke-Franschen in Provence +noemen zich b.v. liever alleen "Provençalen", en laten den naam +"Franschen" bij voorkeur aan de Noordelijke Franschen. Het verschil +tusschen Noord en Zuid toont zich, zoowel in de natuur des lands als +in de geheele geschiedenis van het volk, van de oudste tijden af tot +op de jongste tijden toe. + +Ofschoon verder, zooals ik zeide, de deelen van Frankrijk ook door de +figuur en den omtrek van het land, tot een in hooge mate compacten +en in zich zelven besloten landenkring samengeweven zijn, zoo maken +zich toch eenige dier deelen meer of minder van het hoofdlichaam los, +zooals zulks bij voorbeeld zeer in het oogvallend het geval is met +het lange schiereiland in het Westen, dat wij nu Bretagne noemen, +en verder ook met het daarmede zeer veel overeenkomst hebbende +Normandische schiereiland. Niet alleen geographisch, maar ook +ethnographisch en staatkundig, hebben zich deze beide schiereilanden +van het overige lichaam des lands gescheiden gehouden, hebben eene +eigene bevolking gehuisvest, of somwijlen tot grondslag gediend +voor afzonderlijke staten, als waren zij niet anders dan eilanden, +die aan het hoofdlichaam van Frankrijk werden toegevoegd. + +Iets dergelijks laat zich aangaande eenige riviergebieden van het land +opmerken, vooral dat der Rhône, die, ofschoon met andere naburige +Fransche stroomen verbonden, toch een zeer exceptioneelen loop +heeft. Al de andere rivieren in Frankrijk loopen naar het Westen, +en alleen de Rhône is van het Noorden naar het Zuiden gericht, en +vormt daarom met haar een dergelijk contrast, als in Spanje het zoo +exceptioneele Ebro-gebied ten opzichte der overige rivieren van het +Pyreneesche schiereiland.--Meermalen heeft zoowel het Rhônegebied in +Frankrijk als het Ebro-bekken in Spanje, een rijk en een volk op zich +zelf gevormd. + +Met uitzondering dezer meest opvallende natuur-verschillen en van +zooveel andere kleine verscheidenheden, zooals die in ieder land +voorkomen, staat Frankrijk echter--ik herhaal het--in hoofdzaak als een +uiterst gelijkmatig geographisch, klimatisch, hydro- en orographisch +geheel daar. + +Nieuwere onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat de +Noordelijke helft van dit land, even als geheel het overige midden- +en westelijk Europa, oorspronkelijk door wilde jagersvolken van +Finschen oorsprong bewoond is geweest, die noch de zee, noch de +rivieren op grootsche wijze bevaren hebben, die ook, in kleine +barbaarsche stammen verdeeld, niet in staat waren, een zoo grooten +gemeenschappelijken staat, een zoo groot gebied als Frankrijk, tot een +vaderland te stempelen of te benuttigen. Alle menschenschedels uit +de oudste graven van Frankrijk dragen, naar de meening van Prichard +en andere geleerden, een "Finsch" of "Mongoolsch" karakter. + +Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling, +was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds +in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet, +die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan, +en die vroegtijdig den naam "Celten" verkreeg. Deze Celten verdreven +geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij +in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen, +voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren +van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken, +elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne +Fransche taal--naar de meening van enkele taalonderzoekers--nog met +de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft. + +De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in +Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden, +en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten, +konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene +dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen +deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze +anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam +deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de +Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.--Zelfs Napoleon heeft nog +gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even +heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten +geweest zijn, "de oude heetbloedige Iberiërs" erkende. + +Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke +bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten, +uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne +taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten +heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap +van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken +geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben. + +Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door +Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische +stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door +de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die +breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is +binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden. + +Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in +bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen +en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven. + +Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene +tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen +omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op +de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder +invloed uitgeoefend.--De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk +eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte +van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische +bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en +daaruit ontstonden de zoogenaamde "Celtiberiërs" dat wil zeggen +geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver +Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de "Celtiberiërs" +zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds +opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan, +waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke +Celten in Frankrijk uitmaakten. + +Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar +Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en +Lombardije, die nog door de Romeinen _Cisalpynsch_ Gallië of Celtenland +genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals +reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch +of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens, +in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun +moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn. + +Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de +Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op +hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner "Brennus" +(Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs +tot Klein-Azië.--Zij verwoestten in die richting--het was dezelfde +weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden--eens zelfs het +Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun +niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met +hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische +en Germaansche verloren gegaan. + +Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de +Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers +en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden +de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen, +en ook uit het geheele Rijndal verdreven. + +Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten, +overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van +Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd +in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.--Hunne +stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken, +aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje +is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven +van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet +men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal, +de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten +een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp, +ontstane Engelsche natie. + +Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen +buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en +zelfs nog in de jongste tijden, langs _dezelfde_, zoo even aangegevene +natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw +een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje, +of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar +Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen; +en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om +zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk +geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij +in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene +landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven. + +Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij +waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest +zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te +koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke +Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich +vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen +verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt +te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze +ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds, +toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een +deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter +verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere +mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd, +oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.--De +Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene +_standen_ bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der +zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand +van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over +zeer groote gedeelten van het land heerschten. + +En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de +tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het +geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch +bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten +naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders, +de bovengenoemde "Brennus" aan het hoofd, die men in zekeren zin als +de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen. + +Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het +beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het +eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar +waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot +als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten +der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië, +verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille) +reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit +deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving +Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs +de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met +Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille, +in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen, +leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie. + +Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het +groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de +natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men +kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had +als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog +heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de +arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs +beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen, +dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen. + +Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen +de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte +van Zuid-Frankrijk, dat zij "_Provincia_" (Provence) noemden, en +in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden +en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het +Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd, +en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche +ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft, +de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen. + +Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator +Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon +gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, _geheel_ Gallië tot +aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden +en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu +langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat +eindelijk dat rijk zelf ten onder ging. + +Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook +in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en +oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige +schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij +voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de +zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne +geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons, +zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat. + +De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de +Duitschers--dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers, +om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen--menschen van eene +stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote +gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van +het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers, +die nog heden ten dage door de Franschen voor "_têtes quarrées_" +uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.--De +gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben +meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote, +zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen +inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden, +spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig +volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame, +bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen +hen overstelt. Van de "_subita et repentina consilia Gallorum_" (de +plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs) +maakt Cesar dikwijls melding.--"_In consiliis mobiles, plerumque de +novis rebus student_" (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig +en zij haken altijd naar veranderingen.)--"_Levem auditionem habent +pro re comperta_." (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene +uitgemaakte zaak aan).--Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden, +zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en +hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders +voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een +bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik. + +Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten, +bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en +gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn +bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden +zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of +zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. "_Avidi jurgiorum_" +(zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige +aanmatiging.--Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend +en lachend hunne beloften breken. (_Ridendo fidem frangunt_). En hunne +lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor +geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. "Somwijlen schijnen zij +bezield door een dollen waanzin," voegt de verbaasde Romein er bij, +"die aan het ongelooflijke grenst." + +Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard +onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting, +als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog +overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden +zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets +dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de +volgende woorden teekent. _Plerumque Gallia duas res industriosissime +persequitur, rem militarem et argute loqui_; wat men zou kunnen +vertalen door: "op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen), +bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken." + +Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. "Niet +alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en +de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene +betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde +kleedingstukken. De Gallische _Sagum_ (mantel) is zelfs bij de mindere +standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die +zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook, +zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder +geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken, +en verwisselen gaarne van bestuur, "_mobilitate et levitate animi +novis imperiis student_." + +Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft +iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te +voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen +(_bons enfans_) zijn. "Zij zijn," zegt hij, "zeer gemakkelijk tot een +goed plan over te halen." "Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht +geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn +geen perken." Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers +overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht +en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en +nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.--Met betrekking +tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude +schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen, +wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven. + +Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het +grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo +was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard +heeft.--Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de +hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten +tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben. + +Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type +der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De +heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke +nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische +schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en +met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in +Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige +Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat, +in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn. + +Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook +het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte +woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene +Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden. + +Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in +den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun +Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer +te herkennen. Vooral de toon, de stem, de "_timbre_" waarmede +het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of +Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den +bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd, +dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis +heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal, +die er haren invloed op liet gelden. + +Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere +Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische +grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen +kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid +der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in +de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in +den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo +invloedrijke priesterkaste der Celtische "Druïden," die ook in het oude +Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam +bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals +later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen +en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals +Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was. + +Ook de _troubadours_ der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht +in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de +Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen +en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne +gezangen van eene harp, in het Gallisch "_Kruit_" geheeten, die in +hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de +Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven. + +Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere +klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier _geheel_ van +het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen +berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk, +mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond +voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke +geestvervoering der maagd van Orleans, meer "Druïdisch" dan christelijk +geweest zijn. + +Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in +de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige +Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik, +bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude +aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef, +gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden +hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs +uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn +nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de +Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden +wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een +even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken, +nog zeer veel onveranderd vinden. + +Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat +oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in +een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan +de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig +westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde _Cornu Galliae_ +(den hoorn van Gallië), dat vroeger "_Armorica_" (het land aan de zee) +en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende +invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig +genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het +binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe, +hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.--De +mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde _Breizards_ of _Bretons_ +spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude +Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene +Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in +Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland, +hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is +bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige "Bretons", +evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak +het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek +is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals +die der Hoog-Schotten en Italianen. + +Evenals bij de bewoners der Schotsche-Hooglanden, evenals bij de oude +Baskiërs in Spanje, bij wie ieder zich een edelman verbeeldt te zijn, +evenals bij alle overblijfselen der eerste volkenrassen van Europa, +vindt men ook bij hen veel adeltrots. Verscheidene der voornaamste +geslachten van Frankrijk behooren oorspronkelijk in Bretagne te huis, +zoo b.v. de Rohans, wier brieven van adeldom reeds door Noach in de ark +werden gered. In dit oude dichterlijke Bretagne, hebben de Fransche +dichters en letterkundigen, tot aan de "Kruisvaart van Ploërmel" +toe, meermalen de onderwerpen voor hunne novellen, romans en opera's +opgedaan. Een treurige, droefgeestige toon heerscht, evenals bij alle +overwonnene, sedert eeuwen onderdrukte volken, door alle gedichten +der Bretons. "Deze langzaam verdwijnende en uitstervende stammen," +zegt een Franschman van hen, "gebruiken hunne laatste ademtochten, +om hunne herinneringen op te sieren, om zich zelve hunne ongelukken +te verhalen. Zij tellen de dooden op, die in hunne veldslagen gevallen +zijn, zij wijzen op de oude graven en ruïnes, op de verwoeste woningen +van hun land, die nu met gras begroeid zijn, waar, zooals zij zich +uitdrukken, de klaver bloeit, rood van het bloed der Bretonsche +krijgers."--Verscheidene oude volksfeesten zijn nergens in Frankrijk +zoo plechtig, en zoo overeenkomstig het karakter van het volk, als +in Bretagne. Zoo b.v. het Kerstfeest, dat waarschijnlijk niets anders +dan eene Christelijke opsiering van een druïdisch winterfeest is. De +zoogenaamde Kerstmis-zangers spelen daarbij eene belangrijke rol, +en zijn om hunne liederen, die zij, van huis tot huis trekkende, +zingen, overal welkom. Zij moeten, naar gezegd wordt, in hun geheugen +de schoonste proeven der oude Celtische dichtkunst bewaard hebben. + + + +Deze merkwaardige volken-oase in het bergachtig Westelijk uiteinde +van Frankrijk, kreeg nog herhaalde malen uit Engeland toevoer van +Gallisch bloed, wanneer het Celtische ras daar door vreemden in +het nauw gebracht werd. De voor de Pikten en Skoten en later voor +de Angelsaksers vluchtende Britten, gingen bij scharen naar hunne +oude broeders in "_Armorica_", en van dezen ontving later het land, +in tegenstelling met Groot-Brittanje, den naam _Britania Minor_ +(Klein Brittanje). + +Tot op de jongste tijden toe, hebben de Britten in Frankrijk, en die +in Engeland, met elkander op vriendschappelijken voet geleefd en zich +met elkander omgewisseld. Nog voor eenige jaren, vereenigden zich +de patriotten van beide takken van den ouden Celtischen volkstam, +tot een feest in Wales, om gezamenlijk in hunne volkstaal het oude +Bretagnische lied te zingen: "neen, Arthur is niet dood!" waaraan +zij ongeveer eene zelfde beteekenis gaven als de Polen aan hun: +"Polen is nog niet verloren!"--Lodewijk Filips begon het krachtigste +middel ter ondermijning van deze oude volks-ruïne aan te wenden. Hij +liet de Vendée en Bretagne, het vaderland der Celtische Chouans, +met straatwegen doorsnijden. En onze spoorweg-eeuw zal hen nu wel +geheel medesleuren in den draaikolk der wereldgeschiedenis, en hunne +taal en gewoonten geheel doen verdwijnen. + +Zooveel van de volksstammen, die de tegenwoordige bewoners van +Frankrijk en hunne nationaliteit tot voornaamsten grondslag dienden. Ik +ga nu over tot de elementen, die op deze oorspronkelijke Celtische +stammen van buiten af geënt zijn, en zich met hen vermengden. + + + +De geschiedenis is niet bij machte de groote tijdruimten te meten, +waarin de oude woeste Galliërs, onvermengd en onveroverd, door hunne +inheemsche Druïden en Vorstengeslachten bestuurd, in hun vaderland +huisden. De Romeinen waren, nadat zij in den loop der jaren tot macht +geklommen waren, geheel Italië aan zich onderworpen en Carthago's +macht gebroken hadden, de _eerste_ buitenlanders, die het geheele land +en volk der Galliërs onderwierpen, en hen eene even zoo wezenlijke +verandering deden ondergaan, als zij zulks ook met de Iberiërs in +Spanje hadden gedaan. + +De door Cesar bewerkstelligde vernietiging van de wilde +onafhankelijkheid der Galliërs, is tot op heden de gewichtigste +gebeurtenis in het leven der bewoners van Frankrijk geweest. Door haar +werd de oude versnippering in stammen, de bij alle Celten gebruikelijke +indeeling in Clans, opgeheven, en werd eene grootere gelijkheid in +taal en zeden ingevoerd. + +Door de Romeinen allen op gelijke wijze behandeld, smolten de +Gallische stammen als onderdanen, inniger samen tot een volk van +dezelfde physionomie. De Romeinen verzachtten hunne zeden, schaften +den somberen godsdienst der Druïden, die zelfs menschen-offers +verlangde, af, en voerde de beschaving van het Zuiden en Oosten in +het geheele land in.--Zij bereidden daardoor de Galliërs ook voor tot +de aanneming van het Christendom, dat even als de beschaving en eene +rijke literatuur, uit Italië tot hen overgebracht werd. + +Geen Europeesch volk, behalve Italië, hebben de Romeinen in zoo hooge +mate geromaniseerd als de Galliërs. De Celtische taal werd overal, tot +op genoemden engen kring in _Armorica_, verdrongen, en de Romeinsche +taal kwam langzamerhand bij alle klassen van het volk in het Noorden +en het Zuiden, in hare plaats. + +Toen de Romeinen begonnen, hunne armen nog verder over het Noorden van +den _Orbis terrarum_ uit te strekken, werd Gallië, zooals door de boven +opgegevene geographische ligging als het ware van zelf aangegeven werd, +hunne hoofdburcht in Westelijk Europa. Zij voerden de geromaniseerde +Galliërs, onder wie zij hunne legioenen rekruteerden, langs alle wegen, +waarlangs zij reeds vroeger als zuivere Celten, gemarcheerd waren. + +Reeds Cesar trok met behulp zijner Gallische legioenen den Rubicon +over, en veroverde met hen weder Rome, dat hunne voorouders reeds +eens onder "Brennus" door storm genomen hadden. Van uit Gallië en +met de Gallische legioenen werd in het Westen de onderwerping van +Spanje voltooid, en in het Oosten de Rijn beheerscht. Ook deze nu +beschaafde Galliërs, drongen onder de vanen der Romeinen het land der +Britten, hunne voormalige barbaarsche broeders, weder binnen.--De +gelatiniseerde Galliërs namen, even als aan de krijgstochten der +Romeinen, ook aan hunne werkzaamheden deel. Zij werden Romeinsche +burgers. Vele der "Romeinsche" dichters en schrijvers waren van +Celtisch bloed, en vele der tot den troon verhevene Imperatoren +waren uit Gallië geboortig.--Eenige Romeinsche Keizers hadden daar +hunne gewone residentie en regeerden van daar uit de wereld, en een +overblijfsel van het Romeinsche Keizerrijk bestond zelfs in Gallië +iets langer dan in Italië zelf. + +Daar veel van hetgeen de Romeinen in Gallië op den ouden Celtischen +bodem geplant en in het leven geroepen hebben, evenals de door hen uit +Italië daarheen gevoerde olijf- en wijnbouw, door alle eeuwen heen +tot op den tegenwoordigen tijd daar voortgewoekerd en voortgewerkt +heeft, zoo is het niet te verwonderen, dat de Franschen Cesar, die +dit en zooveel anders invoerde, in zoo hooge waarde houden en hem +als den eersten souverein van Frankrijk, als den grooten schepper +of stichter hunner nationaliteit, den grondvester hunner beschaving, +den Mozes of Jozua van hun volk vereeren. + +Ten slotte moet ik hier nog opmerken, dat opmerkzame waarnemers +nog heden ten dage, een tamelijk belangrijk onderscheid willen +zien, in den graad van romaniseering der verschillende deelen van +Frankrijk. Zoo wil men in het algemeen een opvallend verschil opgemerkt +hebben, tusschen het type der stedelingen en dat der landlieden +in Frankrijk. Deze laatsten zijn veel Celtischer gebleven. "In +de grootere provincie-steden wordt eene ontwikkeling waargenomen, +die het door de Romeinen opgedrukte stempel nader komt, dan in de +kleine landstadjes." Maar ook daar, waar de bevolking het meest met +de Romeinen vermengd werd, is, zooals reeds gezegd werd, het Celtische +type niet verdwenen. + +Na den ondergang van het Romeinsche rijk, volgde de tweede +invloedrijke en gewichtige overstrooming der Celten door eene vreemde +volken-stof. De Germanen drongen over den Rijn, overstroomden even +als het _geheele_ Romeinsche Europa, zoo ook Gallië. + +Hier verdeelden zich aanvankelijk drie verschillende Duitsche stammen +over het land. De Bourgondiërs nestelden zich in het Zuid-Oosten +vast. Hun rijk omvatte het geheele gebied en het stroomstelsel der +Rhône, het oude Provincia. De West-Gothen bezetten het Zuid-Westen +en beheerschten het stroomgebied der Gironde, met het Pyreneesche +schiereiland, dat zij eveneens veroverden, en van waar uit zij het +genoemde gedeelte van Frankrijk regeerden. Men kan zeggen, dat beide +stammen gezamenlijk het geheele Zuiden innamen.--De Franken eindelijk +onderwierpen de Noordelijke vlakten, het stroomgebied der Seine en +het geheele land tusschen den Rijn en de Loire of het Noorden. + +Deze laatsten, de Franken, muntten boven alle Duitsche stammen uit, +door hunne staatkundige énergie en bekwaamheid. Hun opgewonden +karakter maakte hen er geschikt voor, om aan het zich uit den chaos +der volksverhuizing op nieuw gevormd hebbende Gallië tot kern te +dienen, en ook tot centrum van het kristallisatie-proces, en aan +het in den loop der eeuwen daaruit voortkomende nieuwe volk en rijk +hunnen naam mede te deelen.--Zij sloegen van het Noorden af, eerst de +West-Gothen uit het veld, en verdreven vervolgens de Bourgondiërs tot +aan de Alpen.--En tegelijk bewaarden zij Frankrijk, door de roemrijke +overwinningen onder aanvoering van hunnen Karel Martel, voor een onder +de bedrijven dreigenden, ten eenen male anti-Europeeschen inval, voor +dien der Arabieren namelijk, die in de 8ste eeuw de West-Gothen in +Spanje hadden overwonnen, en weldra ook aan deze zijde der Pyreneën in +Zuidelijk Frankrijk verschenen waren. Daar hebben deze Oosterlingen +zelfs nog _na_ de overwinningen van dien Frankischen Martel, eene +streek aan de zeekust, namelijk den omtrek van Narbonne, bezeten, +van waar uit zij hunne strooptochten naar het binnenste gedeelte +van Frankrijk geruimen tijd herhaalden. Ofschoon de Arabieren in +Zuid-Frankrijk niet geheel zonder invloed bleven op de vorming +der nationaliteit aldaar, ofschoon vooral de Zuidelijke Franschen, +even als de Spanjaarden, vele poëtische indrukken van de Arabieren +ontvangen hebben, en men ook in de Fransche taal eenige sporen van +het Arabisch ontdekt heeft, zoo kan in de geschiedenis der _Fransche_ +nationaliteit, deze Arabische inmenging, die zich bij de _Spanjaarden_ +zoo diep doet gevoelen, als van weinig belang beschouwd worden, +en mag hier slechts ter loops er melding van gemaakt worden. + +Onder de Karolingers beheerschten de Franken Gallië over zijne geheele +uitgestrektheid; aanvankelijk omvatte wel het Frankenland ook nog +vele andere landen, bijna geheel Duitschland en Italië; maar in het +jaar 843 werd dit groote rijk, door het beroemde verdrag van Verdun, +tot hare door geographische en ethnographische betrekkingen aangewezene +natuurlijke grenzen teruggebracht. Het wezenlijk _Celtisch-Romanische_ +Westelijke land, scheidde zich van het wezenlijk _Duitsche_ Oostelijke +land af, en vormde nu, als een, den gang zijner eigene ontwikkeling +volgend volk, een rijk onder den bij voorkeur blijvenden naam +"_Francia_" of "Frankrijk," en dat wel min of meer binnen de grenzen +en den omtrek van het oude Gallië.--Ik zeg, min of meer; want zeker +ontbrak er gedurende geruimen tijd nog veel aan, voor dit raam, door +een eenig en eensgezind nationaal- en rijkslichaam, was ingevuld. Het +gedeelte in het Oosten, het Rhône-dal, bleef nog langen tijd een op +zich zelf staand land en volk, dat als oud- en nieuw-Bourgondisch rijk, +eenigen tijd zelfstandig bestond en later met het Duitsche Keizerrijk +verbonden was. Verscheidene Celtisch-Romanische landstreken in het +Rijngebied, waren bij het zoogenaamde Lotharingsche rijk ingelijfd, +dat, even als Bourgondië, dikwijls eene twijfelachtige positie +tusschen Galliërs en Germanen innam, maar grootendeels met het +Duitsche Keizerschap verbonden bleef.--De oude "hoorn van Gallië," +dat lange en breede schiereiland, Bretagne, leefde onder eigen +Vorsten nog lang een staatkundig afgezonderd leven, en het andere, +het ten Noord-Oosten aangrenzende schiereiland, werd spoedig na de +Carolingers weder door een nieuwen Germaanschen volkenstroom uit +Skandinavië van het hoofdlichaam afgescheurd, en bestond eenigen tijd +als een op zich zelven staand Vorstendom, het zoogenoemde Hertogdom +Normandië.--Ook stonden, toen deze Hertogen van Normandië, Koningen +van Engeland geworden waren, gedurende de middeneeuwen somwijlen +groote gedeelten van Frankrijk, onder den invloed en de heerschappij +der Engelschen. Daar verder ook bovendien hier en daar aanzienlijke +Vorstengeslachten, in sommige gedeelten van het lichaam des lands, +als Souvereinen regeerden, zoo ontbrak er, zooals reeds gezegd is, +veel aan, dat overal de invloed van eene eenige normale taal, ras, +nationaliteit en gebruiken, spoedig overal alles gelijkmakende, +had kunnen doordringen. + +Overal in Frankrijk groeiden en woekerden gedurende de midden-eeuwen, +op den ouden bodem, provinciale eigenschappen en gewoonten, lokale +dialecten en literatuur, welig voort.--Het eenige, wat dit geheel +midden-eeuwsche Frankrijk ethnographisch voortdurend vereenigde, was +die van de Romeinen afkomstige, vast gelegde oud-Celtisch-Latynsche +ondergrond, die, zooals gezegd is, echter menigvuldige bijkleuren en +nuances aannam. + +Het was een groot geluk voor de Fransche nationaliteit, dat bij alle +splitsing, toch _een_ eenige politieke kern, een meer of min machtig en +erfelijk Koningsgeslacht, in eene vaste nooit verplaatste hoofdstad, +in het te midden van alle harrewarrerijen steeds groot wordende en +in bloei toenemende Parijs, dat reeds in de 5de eeuw de Merowinger +Clovis tot zijne residentie uitgekozen had, is blijven bestaan. Hoe +langzamerhand van deze kern uit, alle deelen van het land samenkwamen, +hoe de eene onafhankelijke provinciale-vorst na den anderen door zulke +machtige onbeperkte heerschers, als een Filips Augustus, een Lodewijk + XI, een Karel VIII en later door de sterke hand van een Richelieu +gebogen werden,--hoe de vreemdelingen, de Noormannen, de Engelschen, +de Duitsche Keizers, de Spaansche Vorsten van Navarre en Catalonië, +weder van den ouden Gallischen bodem verdrongen werden,--hoe van het +steeds schitterender, steeds meer om zich heen grijpende, steeds meer +alles vereffenende Parijs, ten slotte een eenige spraakvorm, een eenig +zedenstempel, een gemeenschappelijk patriotsch nationaal-gevoel het +geheele land en volk aangreep, en hoe ten gevolge daarvan de oude +Galliërs in de gedaante van een der machtigste en meest eensgezinde +natiën, die der nu zoogenaamde "Franschen" weder opleefden, dat +is de geschiedenis van een 1000 jarig proces, vol van de meeste +afwisselingen geweest. + +De verovering van Gallië door de Duitschers, die het begin van dit +proces vormt, heeft zich, hoe stormachtig zij ook was, op verre na +niet zoo doortastend, veranderingen aanbrengend en voordurend bewezen, +als de vroegere, die der Romeinen.--Duitsch bloed, Duitsche wijze van +zijn, Duitsche taal, dit alles is met der tijd weder uit Frankrijk +verdwenen. Daar de Duitschers wel als dappere maar onbeschaafde +veroveraars en meesters, en niet zooals de Romeinen tegelijkertijd +ook als leermeesters en zedepredikers, en als deze met den geheelen +toestel van beschaafde, gezellige toestanden, kunsten en handwerken, +maar eenvoudig alleen met het zwaard kwamen; daar zij bovendien uit +een zwakker bevolkt in een dicht bewoond, bebouwd en stedenrijk land +overgingen, zoo moest wel hun type voor dat van de ingezetenen des +lands wijken, zooals bij alle vermengingen van de volken der wereld, +altijd verstand en beschaving per slot van rekening de overwinning +behaald hebben op physiek geweld. Daarbij moet men echter opmerken, +dat de Duitsche Franken in Frankrijk, niet zoo snel wegsmolten als +de Duitsche Gothen in Spanje of de Longobarden in Italië; Frankrijk +betoonde zich ook daarbij als een tusschen- of overgangsland tusschen +het Germaansche Noorden en het Romaansche Zuiden. + +Van de vijfde eeuw af, toen de Duitschers Frankrijk veroverden, tot +aan den tijd van Karel den Groote en tot aan het verdrag van Verdun, +en nog iets later tot na het midden der 9de eeuw, dus meer dan 200 +jaren langer dan in Spanje, hebben in Frankrijk Duitsche taal en +zeden naast de Celto-Romaansche geheerscht.--De heeren van het land, +de gebiedende grondbezitters, de adellijke geslachten waren allen +blondharige blauwoogige Germanen. De wetten en bevelen werden in +Duitsche taal gegeven. Het Duitsch zou zelfs ten tijde van Karel den +Groote nog de hoftaal geweest zijn. Nog in het begin der 9de eeuw +werd op de kerkvergadering in Tours bevolen, het godsdienstonderwijs +in beide talen te geven. En toen ten tijde zong men nog in Frankrijk, +ter eere der Koningen Duitsche lof- en zegeliederen, zooals b.v. het +beroemde Lodewijkslied, ter eere der overwinning van Koning Lodewijk + III op de Noormannen in het jaar 881, een kostbaar oud monument +der Duitsche taal, dat door een gelukkig toeval voor ons bewaard is +gebleven, en waaraan nieuwere Fransche en Duitsche geleerden op even +patriotsche wijze hunne opmerkzaamheid gewijd hebben. + +Beide naast elkander bestaande talen onderscheidde men in Frankrijk, +de Duitsche onder den naam "_lingua francica_" of "_francisca_" (de +taal der Franken) en die der onderworpene inboorlingen onder den naam +"_lingua Romana_." Bij de samensmelting van beide rassen behield deze +ten slotte de overwinning, ofschoon gene aan het nieuwe product den +naam gaf.--Met deze samensmelting ging het na het verdrag van Verdun, +door meer dan eene oorzaak snel voorwaarts; daar geen nieuwe toevoer +van Duitsch bloed van gene zijde van den Rijn meer plaats vond; +daar de huwelijken onder elkander steeds talrijker geworden waren; +daar de oude Germaansche geslachten uitstierven; daar de aanvankelijk +ter nedergeworpene en gedecimeerde Romaansche provincie-bewoners, +langzamerhand weder op hun verhaal kwamen, krachtiger werden en zich +weder vermeerderden. + +Reeds omstreeks het midden der 9de eeuw moesten de jonge Fransche +geestelijken, om Duitsch te leeren, waarvan de kennis hun hier en daar +van nut kon zijn, naar abdijen in Duitschland reizen. En omstreeks +het einde der 9de eeuw was de Duitsche taal in Frankrijk nergens meer +in gebruik. Zelfs de Noormannen in Normandië hadden toen reeds hun +Noord-Germaansch tegen het Romaansch omgeruild. De overwinning van +het Romanisme op het Germanisme was toen reeds overal beslist. + +Op het nieuw ontstane volkswezen, dat nu sedert de 10de eeuw de +geschiedschrijvers den naam _Franschen_ gaven, behield, ten minste +wat taal, zeden en gezindheid aangaat, de Duitsche geest een tamelijk +beperkten invloed. Al de dialecten en patois, die nu in Frankrijk +ontstonden, zijn niet zoozeer te beschouwen als ontstaan uit eene +verbinding van het Romaansche met het Germaansche element, maar veeleer +als weder voortgekomen uit den Latijnschen en Celtischen ondergrond. + +Ook tot de nieuwere Fransche taal, die langzamerhand eene +algemeene heerschappij over al deze patois verkreeg, schijnt het +Germaansch slechts weinig toe- of afgedaan te hebben. De Frankische, +Bourgondische, Gothische en Noormansche krijgers, hadden zich van den +beginne af, bij de vorming van dit Fransch uiterst passief gedragen. De +innerlijke bouw en geest der taal is, naar het oordeel der kenners +geheel anti-Duitsch, geheel Romeinsch-Celtisch gebleven. Ook in het +fond der woorden vindt men in het Fransch niet veel overblijfselen +van Duitsche uitdrukkingen. Slechts een zeer gering aantal Fransche +woorden, en wel zulke, die op verschillende standen der maatschappij, +op openbare ambten, op militair-, zee- en jachtwezen betrekking hebben, +kan men tot Duitsche wortels terugbrengen. + +Daarentegen laat zich in de behandeling der van de Romeinen en Celten +overgekomene spraakstof, in de formatie en uitspraak der woorden, +Duitsche invloed niet miskennen. In Italië en Spanje is de welluidende +volle Latijnsche klank gebleven. In het Noordelijk gedeelte van +Gallië echter heeft _daarin_, Duitsche taal en uitspraak meermalen +den doorslag gegeven: De Franken en Noormannen hebben de Latijnsche +woorden overal de karakteristieke eindsyllaben, die in de Germaansche +taal onbekend zijn, ontnomen, of hebben ze tot doffe, toonlooze +Germaansche halfvocalen verzwakt. Zoo b.v. het Romaansche _uno_, +_una_ in _un_ en _une_, _vino_ in _vin_, _Roma_ in _Rome_. De fraaie, +eenvoudige, welluidende vocalen veranderen zij in de onaangename, +doffe nevenklanken; a in ä, o in ö, u in ü b.v. _clarus_ tot _clair_, +_luna_ tot _lune_, _boves_ tot _boeufs_. Dikwijls trokken zij, iets wat +de Engelschen nog meer deden, de lange Romaansche woorden tot kortere +te samen b.v. _brevis_ tot _bref_, _crudeli_ tot _cruel_, _spiritus_ +tot _esprit_, _profundus_ tot _profond_, _aurum_ tot _or_, _Johannes_ +tot _Jean_ (geheel ons "_Jan_"). In plaats der eenvoudige, scherp +geteekende Romeinsche consonanten, voerden zij dikwijls Germaansche +ruischklanken in, b.v. in stede van _calore_, _chaleur_, in plaats +van _cavallo_, _cheval_, _bouche_ in plaats van _bocca_. De Duitschers +ontnamen op die wijze in Frankrijk veel welluidends en muzikaals aan +de Romaansche taal, die zij aannamen. + +Ofschoon volgens dit alles de _aard der taal_ der Franschen wel iets, +maar over het geheel toch slechts weinig van het Germaansch element in +zich bewaard heeft, zoo heeft toch in _andere_ opzichten de Fransche +verovering op de natie een langdurigen invloed uitgeoefend, en moeten +de Franken eenigermate, naast de Romeinen en naast de Celten, als +de voorouders der tegenwoordige Franschen beschouwd worden.--Vooral +bleef, even als in Spanje en elders, in het staats- en rechtswezen +der Franschen veel Germaansch bestaan. "De Duitsche overwinnaar +heeft in velerlei opzicht den overwonneling (wiens taal, zeden en +vaderlandsliefde hij aannam) de publieke inrichtingen, die bij hem +van kracht waren, aangebracht. In Noord-Frankrijk waren de zoogenaamde +"_coutumes_," die op het Duitsche recht gebaseerd waren, zelfs tot in +de 18de eeuw van kracht.--Het leenstelsel, de militaire-inrichting, +het Frankische Koningschap, de geest der ridderschap, dit alles was en +bleef langen tijd Germaansch. De onafhankelijke Fransche Koningstroon +was oorspronkelijk eene Duitsche stichting, en de Franschen hebben +het daarom oorspronkelijk, even als de Spanjaarden, alleen aan de +Duitschers te danken, dat zij als een eigen en eenig volk, in de +Europeesche familie hun hoofd verheffen. Want te voren, zoo lang +zij enkel Celten waren, was bij hen, zooals ik zeide, eene groote +versnippering in clans en stammen. Toen zij Romeinen werden, kwam +er wel eene vereeniging, maar alleen door inlijving in een grooten, +de wereld omvattenden staat. Eerst toen de Duitsche statenstichters +onder de Galliërs optraden, verkregen zij het zuurdeeg, met behulp +waarvan een brood gebakken werd--het hekwerk langs welke de Fransche +wijnstok zich uit de verslapte Romeinen-wereld omhoog kon heffen, en +tot eene groote en zelfstandige Europeesche volkenplant kon opwerken. + +Tot aan het jaar 1792 vernieuwde, gedurende 1281 jaren, dagelijks een +priester aan het graf van Chlodwig, in de dikwijls gerestaureerde en +verbouwde kerk, later het Pantheon genaamd, in de mis het aandenken +aan den Duitschen stichter en voorvader der Frankische monarchie, +aan den oudsten aller Europeesche souvereinen.--Eerst met het genoemde +jaar, met de Fransche revolutie hield ook _dit_ huldebetoon op, door +de Franschen aan hun Germanendom gebracht. Men heeft deze omwenteling +zelve en alle innerlijke veranderingen en allen strijd in Frankrijk, +die ten slotte tot de revolutie voerden, beschouwd als een streven van +het oude Celtische en Romaansche element, om zich van het Germaansche +element te ontdoen en er zich van te zuiveren.--"Met hunne groote, het +geheele land op zijne grondvesten schuddende omwenteling, werd onder de +Franschen de gedachte weder levendig dat zij niets dan geromaniseerde +Galliërs, Celten waren. Zij spreken nu van de Franken en de Frankische +Koningen, als van vreemde barbaren. Zij nemen zelfs de oud-Romeinsche +kleeding aan. Ook kiezen zij zich vervolgens een staats-opperhoofd, +dien zij den Romeinschen titel "_Imperator_" (Empereur) geven, en die, +even als vroeger Cesar met de Galliërs, naar Rome marcheert. "_La +blonde Germanie_", zegt een Fransch schrijver van dien tijd, "_a eu +beau nous envoyer ses Francs, ses hommes du Nord: notre temperament +n'a rien perdu de ses tendances originelles. C'est que malgré les +revolutions et les siecles nous sommes toujours l'ancienne Gaule_ +avec ses emportements et ses impatiences." [13] + +De groote Napoleon zelf heeft de geschiedenis der Fransche revolutie +in twee merkwaardige woorden vervat: "_Les Gaulois secouèrent le +joug des Francs_ (De Galliërs schudden het juk der Franken [der oude +feodalen] af).--Ook van de nieuwere Fransche taal heeft men opgemerkt, +dat zij het Latijn weder nader gekomen is, dan het oud-Fransch. En +zoo heeft waarschijnlijk dan ook de Paus gelijk, die tot op dit +oogenblik voortgaat, in zijne bullen Frankrijk niet "_Francia_," +maar even als ten tijde van Cesar "_Gallia_" te noemen. + +Na het, slechts korten tijd durende, herstel van het oude Frankische +Koningshuis, keerden de Franschen, in het midden onzer tegenwoordige +19de eeuw, tot het Imperatorendom terug, en hun Napoleon III vergeleek +zich met niemand liever dan met den Romeinschen Cesar, wiens leven +hij ijverig bestudeerde, en die onder hem in Frankrijk oneindig meer +gehuldigd werd, dan die andere voorvader, de Duitsche Chlodwig. + +Overigens is het opmerkingswaardig, dat er onder de Fransche historici, +om zoo te zeggen, schier altijd twee partijen, eene Celtisch-Romeinsche +en eene Germaansche bestaan hebben, van welke de eene (b.v. Thiers, +Thierry) gestreden heeft voor het denkbeeld, dat de Franschen niets +anders zouden zijn, dan door de Romeinen eenigzins gewijzigde Celten, +terwijl de andere (b.v. Montesquieu, Guizot en andere) meer gewicht +hechtten aan den invloed van het Germaansche element. Het is echter +natuurlijk, dat dit altijd slechts een strijd over het _hoeveel_, +over het _meer_ of _minder_ zijn kan. + +Dat namelijk in de zeden en gebruiken der Noord-Franschen, nog +heden ten dage menig erfstuk uit den tijd der Franken aangetroffen +wordt, hebben Duitsche schrijvers meermalen aangetoond. Op het punt +"nationaal costuum" wil ik twee kleine voorbeelden aanvoeren, die even +merkwaardig zijn, als met het oog op de Celtische overblijfselen, de +Bajonner hammen en de naar pik smakende wijn van Strabo. De klompen +onzer Neder-Saksische boeren, zijn bij den landman in Frankrijk even +ver het land in, in gebruik, als de oorspronkelijke heerschappij der +Franken ging. Ook heeft de Duitsche onderzoeker Clement, een zeker +kleedingstuk der vrouwen, een hoofddoek gevonden, dat hij het Friesche +of Frankische noemt, en dat volgens hem in geheel Noordelijk Frankrijk, +tot aan Parijs toe, in alle oudste en voornaamste bezittingen der +Franken, het gewone hoofdtooisel der vrouwen gebleven is. + +De beschaving door de Romeinen en de verovering door de Duitschers, +zijn de beide grootste en invloedrijkste gebeurtenissen in de +geschiedenis der Fransche nationaliteit geweest. Wel zijn _na_ en +behalve deze nog andere vreemdelingen het land binnengerukt, maar +òf zij verschenen slechts als doortrekkende legers, òf in zoo gering +aantal, dat zij geen blijvenden invloed op het karakter der natie en +van het ras konden uitoefenen. + +De moderne Spanjaarden zijn slechts zelden in massa hunne Pyreneën +overgetrokken, om Frankrijk binnen te rukken, ofschoon wel, in tijden +van innerlijke beroerten, b.v. toen de Saracenen Spanje veroverden, +vele Spanjaarden naar Zuid-Frankrijk trokken. + +De Engelschen hadden, tijdens zij groote streken van Frankrijk +beheerschten, toen eens zelfs een hunner Koningen (Hendrik V) +te Parijs tot Koning van Frankrijk geproclameerd werd, en daar met +Engelsche en Fransche Baronnen zijn hof hield, veel meer overeenkomst +met de Franschen dan zij nu hebben. Hunne Koningen en hun adel +waren toen Noormansch-Fransch en spraken Fransch. Ook streden en +regeerden zij in hunne Fransche bezittingen meestal door middel der +inboorlingen.--_Anglo-Saksische koloniën_ werden door hen niet naar +Franschen bodem overgeplant, en de Engelschen dachten er niet aan +hunne Fransche onderdanen te angliseeren. Zij werden slechts hunne +leenheeren. In het inwendig bestuur hunner Fransche landschappen, +in de wetgeving, de zeden en inrichtingen der bevolking, werd niets +veranderd. De overwonnenen wisselden alleen van bewind en bleven +voor het overige Franschen. De Engelschen brachten toenmaals meer +uit Frankrijk over naar hunne eilanden, dan de Franschen van hen +ontvingen. In den nieuwsten tijd, nadat zij op het vasteland van +Frankrijk niet meer gebieden willen, hebben de Engelschen daar een +veel sterkeren invloed op de beschaving uitgeoefend, en zijn zij +in hunne zeden en gebruiken, in hunne taal en literatuur, door de +Franschen veel meer bewonderd en nagevolgd dan te voren. + +Slawen en andere Europeesche Oost-volken, Joden, Turken, Armeniërs, +Zigeuners heeft Frankrijk altijd slechts in zeer gering aantal bij +zich gezien, en men kan al zulke toevallige landverhuizers in Gallië, +beschouwen als droppels die in de zee verloren gingen, iets wat men +ten aanzien van andere Europeesche landen, b.v. van Duitschland, +niet in gelijke mate beweren kan. + + + +Vraagt men nu, waarin de eigenaardige geest en het karakter dezer, +uit de door mij vluchtig aangegevene elementen bestaande, Fransche +natie, dezer uit zoovele bestanddeelen gevormde, groote, uit veertig +millioenen menschen samengestelde persoonlijkheid bestaat--en zal ik +deze karakter-schildering dadelijk aanvangen, met de beschrijving +van een der meest in het oog springende kenteekenen van den +Franschen volksaard, dan begin ik met de uitspraak van Arndt, dat de +Franschen--in den ruimsten zin des woords--de gezelligste onder de +menschen zijn. Daarmede heeft men een der hoofdpunten in het zijn der +Franschen aangegeven, en daaruit laten zich de meeste hoedanigheden, +waardoor de Franschen zich kenmerken, verklaren of afleiden, even +als rivieren uit hare bron. + +De Franschen hebben het verkeer met hunne medemenschen, in bijna al +hunne betrekkingen en bij alle soorten hunner werkzaamheid noodig. Zeer +duidelijk leert ons dit het karakter hunner volksliederen. De +volksliederen der Franschen, hunne "_Chansons_" zijn in den regel +gemaakt om door meerdere tegelijk gezongen te worden. "Liederen, die +door een enkel persoon gezongen worden, treft men bij hen lang niet in +die mate aan, als bij de Slawen, Duitschers of Engelschen." Daar de +eenzaamheid meestal tot melancholie leidt, zoo zijn de volksliederen +bij de laatst genoemde natiën in den regel zwaarmoedig, terwijl het +Fransche volkslied in den regel vroolijk is. "Omdat men," zegt Arndt, +"zich in gezelschap liever aan scherts en vroolijkheid, dan aan +weemoed en treurigheid overgeeft, bestaat de inhoud van het Fransche +volkslied, uit allerlei geestige toespelingen, kluchten, potsen, +satyren, luchtigjes in elkander geweefde vriendelijke beelden, alles +bijeengehouden door een refrein dat uit ieders mond klinkt.--Voor +zich zelven te gevoelen, te droomen, aan het innerlijk gevoel toe te +geven, zelfs wanneer men er zich geene rekenschap van weet te geven, +de phantasie, de luim doelloos en vrij te laten werken, de stemming +der natuur in zich op te nemen, zonder te weten waar men hare oorzaak +moet zoeken, dat alles zal den gezelligen Franschman maar zelden in +het hoofd komen."--Dat zijn zaken, die men meer zoeken moet bij zijn +buurman aan den Rijn, die in zoo velerlei beteekenis zijn antagonist +is, die, zooals Tacitus opmerkte, zich zoo gaarne isoleert, en die +zich van oudsher, in een groot gezelschap zoo weinig op zijn plaats +gevoelde. + +Gezelligheid is den Franschman voor alle zaken noodig, even als +bij zijne gezangen zoo ook bij zijne _heldendaden_.--"Evenmin als +hij iemand is, die op zijn eentje _zingt_, is hij iemand die op zijn +eentje _vecht_." Men heeft de opmerking gemaakt, dat de Franschen het +dapperst zijn als zij in groote massa's vechten; dat het tweegevecht, +ofschoon het tegenwoordig bij de Duitschers den Franschen naam _duel_ +draagt, oorspronkelijk niet bij hen inheemsch was, maar eerst door de +Duitschers tot hen overgebracht werd. Ook in den slag willen zij door +anderen in werking gebracht, door hen gezien en aangevuurd worden. Van +daar dat zij, als hunne gezellige gelederen (hunne regimenten) eens +opgelost en geslagen waren, somwijlen geheel den moed verloren. De +geslagen legers der Franschen hebben zelden zulke bewonderenswaardige +terugtochten uitgevoerd, als die der Duitschers. Ook hebben de +Franschen in den oorlog niet zoo dikwijls beroemde partijgangers gehad, +als die bij de volken van Germaansch ras, bij de Duitschers, Zweden, +Noormannen, Engelschen, Zwitsers, ten allen tijde aangetroffen zijn. + +Even als ten opzichte hunner militairen in het veld, zoo merkt men +ook ten opzichte hunner schrijvers vrij algemeen aan, dat zij zich +bij het schrijven om zoo te zeggen, altijd in het gezelschap hunners +lezers denken, dat zij bij den arbeid hunner gedachten, geen oogenblik +het oordeel of den spot of bijval der maatschappij, van het publiek, +uit het oog verliezen.--En wat Madame de Stael van de Duitsche +geleerden zeide, "dat zij als kluizenaars leefden," dat kan van de +Franschen volstrekt niet gezegd worden.--"Wat zich eene berisping der +maatschappij op den hals kan halen, wordt door hen meer dan door eenig +ander volk geschuwd, en de heerschappij der despotische mode, strekt +zich dientengevolge bij hen over veel meer en belangrijker zaken uit +dan bij ons.--Niet alleen de kleeding en dergelijke uiterlijkheden, +maar ook wetenschappen en kunsten, ja zelfs de politieke inrichting +en de belangrijkste zaken, schijnen bij de Franschen in hooge mate +onderworpen te zijn aan de gezindheid, die op het oogenblik in de +maatschappij den boventoon voert. + +Het ontbreekt den Franschen aan die innerlijke persoonlijke +zelfstandigheid en individueele vastberadenheid, die de Germanen +kenmerkt. Op zich zelven staande of in kleinen getale, gaan zij +gemakkelijk te loor, verbrokkelen zij, om zoo te zeggen. Zij moeten, +als zij iets beteekenen zullen, met anderen, met Franschen te samen +zijn. Daaruit laat zich ook de sterke concentreering van het leven +der Franschen in eene enkele stad, de buitengewone voorkeur die zij +aan hunne hoofdstad Parijs geven, verklaren. + +Een naar bijval, naar een publiek verlangend, gezellig volk als +de Franschen, moest wel een druk bevolkt en domineerend centrum in +de wereld roepen. Zij moesten zich een groot tooneel met talrijke +toeschouwers, eene groote schouwplaats voor hunnen roem wenschen. Vele +kleine residenties, en kleine stille plaatsen, waar men zich op +ontwikkeling en beschaving toelegde, konden den Franschen niet +voldoen. Zij stichtten daarom reeds vroegtijdig eene hoofdstad, +waarin zij al hunne schatten, al hunne talenten, hun gansche vernuft +concentreerden. "Zij lieten geheel Frankrijk," zooals een Franschman +zich eenigzins sterk uitdrukt, "eene woestijn worden, om in het midden +er van eene schitterende oase, hun Parijs te scheppen." + +Tot op onzen tijd toe, heeft Europa geen volk bezeten, welks geheele +leven zoo binnen de muren eener stad bevat is, als dat der Franschen +binnen Parijs. Geheel Frankrijk was in Parijs vertegenwoordigd. Van +daar uit bouwde het zich voortdurend op; daarheen stroomden al +zijn krachten. Parijs vormde het hoofd en het hart der natie; hare +zeden en denkwijzen waren Parijsch. Ieder van hunne dichters, hunne +redenaars, hunne kunstenaars, beijverde zich de goedkeuring uit den +boezem dezer stad te verwerven; ontvingen zij die, dan waren zij +zeker van den bijval van het overige Frankrijk.--Voor alles moesten +ook hunne regenten trachten de goedkeuring van Parijs te ontvangen, +even als Alexander streefde naar die van Athene, en zij voelden zich +in hunne heerschappij over het geheele land en volk verzekerd, als +zij die stad in handen hadden, van welke madame de Stael gezegd heeft: +"dat het leven er zoo schitterend, zoo aangenaam en zoo behagelijk was, +dat men daar alle verder geluk en ook de vrijheid ontberen kon." + +Aan de uit Parijs verbannen, op zich zelven in het buitenland wonende +Franschen, heeft men iets zonderlings opgemerkt.--Zij leeren de taal +en de gewoonten der vreemdelingen moeielijk aan, en sluiten zich +niet zoo gemakkelijk en gaarne bij dezen aan, als de Duitschers.--"De +Germaansche plant kan men deelen en scheuren, en ieder takje er van in +een vreemden bodem planten; zij groeit daar tot een boom op en blijft +in leven. De Franschen kan men niet als stekken verplaatsen. Zij zijn +_gezaaid_ geworden, en bloeien, zooals verschillende soorten van +zaaiplanten, slechts bij massa's."--Zoodra zij uit den inheemschen +kring hunner vaderlandsche maatschappij verbannen zijn, schijnen zij +de kracht te verliezen, even als bijen die van den zwerm afgeraakt +zijn. Zij hebben dientengevolge ook niets van den Germaanschen lust +tot reizen en zich te verplaatsen over zich, maar bezitten veeleer +eene sterk in het oog vallende neiging, voor goed zich neder te zetten +binnen den tooverkring van hun vaderland, waarheen zij ook meestal, +zoo spoedig mogelijk, uit den vreemde weder terugkeeren. + +Over het algemeen, hebben zij in de wereldgeschiedenis deze +eigenaardigheid daardoor bewaarheid, dat zij buiten hun vaderland +nergens in staat zijn geweest, machtige koloniën en dochter-volken te +stichten. Waar de oude Duitsche Longobarden, de Gothen, de Saksers, +zich nederzetten, daar ontstond een staat, een politiek gebouw, +waarin de geslachten eeuwen lang woonden. Waar later de Germaansche +zeeroovers uit het Noorden vasten voet kregen, daar schoot weldra een +gemeenschappelijk samenleven wortel. Datzelfde is in nieuweren tijd +het geval geweest met de Germaansche Britten, die overal, waar zij hun +anker nederwierpen, naar het model van hun vaderland, een nieuw nest +voor een nieuw volk bouwden.--Op iets dergelijks kunnen de Franschen +zich niet beroemen, hoe dikwijls zij ook uit hun vaderland marcheerden +of zeilden; dikwijls hebben zij de wereld geschokt, maar nergens met +frissche koloniën, waarvan iets te hopen was, voorzien. Niet eens +in de Nieuwe wereld, waar dit betrekkelijk zoo gemakkelijk scheen, +is het den Franschen gelukt iets duurzaams tot stand te brengen, +zooals de Spanjaarden, de Nederlanders en zelfs het kleine Portugal +zulks deden. In Brazilië, Florida, Canada, aan de Mississippi, +overal hebben zij met hun "Nieuw-Frankrijk," schipbreuk geleden, +dat, naar men zou kunnen zeggen, altijd als zand verstoof, terwijl +de nederzettingen der andere volken, "Nieuw-Spanje," "Nieuw-Holland" +en "Nieuw-Engeland" wortel vatten en zware spruiten uitschoten. + +Men vindt in de geschiedenis van Frankrijk, slechts eene merkwaardige +volksverhuizing en koloniestichting, die heilzame gevolgen had. Het +is de eenige Fransche emigratie, die, ofschoon zij Frankrijk zeker +vele wonden sloeg, voor de andere volken weldadig was, en die in de +geschiedenis der Europeesche ontwikkeling van niet onbelangrijken +invloed geweest is. Ik bedoel de gewelddadige verstrooiing der +Fransche, zoogenaamde Refugié's of Hugenoten, die voor de dragonders en +jezuïten van Lodewijk XIV vluchtten. De wreede en gedwongene uittocht +dezer Franschen, die veel overeenkomst heeft met die der Morisko's uit +Spanje, schonk aan Duitschland, de Nederlanden, Zwitserland, Denemarken +en Engeland, vele bloeiende nederzettingen van nijvere en ontwikkelde +burgers, en bracht naar onze steden velerlei producten van Fransche +kunstvlijt. Want genoemde slag trof gedeeltelijk juist de vlijtigste +en met den ernstigsten en godsdienstigsten zin vervulde klassen der +natie.--Vandaar hebben nog heden ten dage Berlijn, Dresden, Frankfort, +Londen, Kopenhagen, Amsterdam en verscheidene andere steden van +Europa hunne Fransche gemeenten, die aan de staten, wier gastvrije +bescherming zij erlangden, van onze Ancillon's en Savigny's af, +vele uitstekende mannen, geleerden, beambten en officieren gegeven +hebben.--In menige dezer vreemde staten, in Denemarken en Pruissen, +dagteekent gedeeltelijk van deze Fransche emigratie, het begin van +hunnen tegenwoordigen industrieelen bloei. + +Even als, niettegenstaande al hunne omwentelingen en oorlogzuchtige +ondernemingen, de Franschen, met betrekking tot het stichten van +staten, weinig scheppend geweest zijn, zoo hebben zij zich ook, +trots den hun eigen kritischen geest en fijnen kunstzin, in poëzie +en kunst weinig scheppend betoond. + +Men heeft hen, sedert de tijden van Cesar, wel als bijzonder heldere +en scherpe, als zeer logische en wiskunstige koppen geroemd, maar zij +hebben weinig idealisch of enthusiastisch over zich. Het ontbreekt hun +aan diepen ernst. Hunne natuur brengt mede, dat zij zich met het zekere +en stellige bezig houden. Bezielde dichter- en kunstenaars-naturen, +zijn echter juist op het bovenzinnelijke, op het ontastbare, op dat, +wat men niet weet maar alleen denkt, gericht.--In alle kleine kunsten +van het leven zijn zij onovertreffelijk. Vooral zijn zij sedert lang +voor geheel Europa de meesters geweest, in al wat dienen kan, om +alles bekoorlijk te tooien en de menschelijke persoon een aangenaam +uiterlijk te geven. Een oud Germaansch spreekwoord zegt van de +Franschen: "fraai van kleed maar licht van zin." Reeds tijdens de +kruistochten, was het nieuwe kostuum, dat toen voor geheel Europa +ontstond, grootendeels van Franschen oorsprong, en wat later ook nog +in dit vak uitgevonden werd, de schoenen met lange punten der 14de +eeuw, of de torenvormige kapsels en allonge-paruiken der 17de, of +de, door de Fransche Jakobijnen en terroristen het eerst ingevoerde, +zwaluwstaart-achtige rokken, en heeren hooge hoeden van onzen modernen +tijd, of de dames "Garibaldi" en "Hongaarsche" hoedjes der laatste +dagen,--de Franschen hebben al deze en tallooze andere fatsoenen en +snitten onzer kleedingstukken zoo weten uit te denken, zoo netjes +weten te maken en zoo in den smaak weten te doen vallen, dat zij +daarin steeds alle andere volken van Europa tot model hebben gediend, +en ten slotte bijna alle eigendommelijke nationale-kleederdrachten +dezer volken opgeruimd hebben. Zij zijn 500 jaren lang tot op den +jongsten tijd de tyrannen der mode geweest. Geheel Europa had zich +gewend, op een wenk van Frankrijk, van tot tijd tot tijd, als eene +rups, zijn verouderd omkleedsel af te leggen en zich in een nieuw +hulsel van Fransche vinding te steken.--"Frankrijks hoofdstad, waar +onder de vlugge vingers der Fransche arbeiders ieder klein produkt +der industrie, iedere schoen of handschoen, een licht en gracieus +meesterstuk werd, was eene onuitputtelijke broeikas geworden, die +met ieder nieuw saisoen een frisschen overvloed van mode-bloesems +over de wereld uitschudde, die door deze begeerig werden opgevangen, +en even als de van een Vorst ontvangene ridderorden, als geschiedde +het op hooger bevel, aan hoofd en borst werden gehecht." + +Maar deze meesters in het maken van bevallige kleedingstukken, +deze wetgevers van den smaak in kleine zaken, zijn in de hoogere +kunst meestal slechts navolgers, zelden vruchtbare uitvinders en +oorspronkelijke scheppers geweest. "Vooral de liefelijke toonkunst had +in Frankrijk geen recht natuurlijken bodem." De vriendelijke zang was +het Fransche volk nooit zoo van nature eigen, als dat bij andere volken +het geval was. Alle Fransche aria's, liederen, zangstukken hebben +voor ons iets opvallends, onmuzikalisch. "Zij zijn bijna niet anders +dan een gezongen gesprek, even als het deklamatorische recitatief, +dat men het proza der muziek genoemd heeft." Een zoo harmonisch, +verkwikkend en verheffend koorgezang, als de Duitschers hebben, +bezitten de Franschen niet. In het ernstigste en verhevenste genre +van muziek, in de kerk-muziek hebben zij het minst geleverd. De +opera daarentegen hebben zij vlug van de Italianen geleerd, en in +de _Opera comique_ zijn zij rijk en onuitputtelijk. In den regel +zijn zij betere instrumentalisten dan vocalisten geweest, en hebben +zij meer uitoefenende kunstenaars dan dichterlijke componisten +voortgebracht. De meeste der groote virtuozen en meesters, die in +Frankrijk de Vorsten der toonkunst geweest zijn, waren Italianen of +Duitschers of hunne leerlingen. + +Als leerlingen der Italianen hebben de Franschen ook steeds goede +schilders voortgebracht, en hebben zij alle genres dezer beeldende +kunst met geluk beoefend. Desniettegenstaande is er geene eigenlijke +karakteristieke nationale Fransche schilderschool, die men, wat +oorspronkelijkheid en rijkdom betreft, met de Duitsche, Nederlandsche, +Italiaansche of Spaansche scholen op ééne lijn stellen kan. Kenmerkend +is het weder voor hen, voor de zuiverheid en juistheid van al hunne +voortbrengselen, voor hunnen smaak en hunne geschiktheid voor het +sierlijke, dat zij ten allen tijde, reeds sedert Karel den Groote, +de smaakvolste miniatuur-schilders gehad hebben. Dante stelt in zijne +goddelijke comedie, de Fransche miniaturen boven de Italiaansche. Ook +hebben zij steeds in het graveeren in koper uitgemunt, iets wat +zij intusschen even min _uitgevonden_ hebben, als de lithographie +of typographie of eenige andere gewichtige kunstsoort. Bijna al +deze en andere _uitvindingen_, ontstonden het eerst bij hunne +naburen, de Duitschers, bij wie men altijd meer oorspronkelijke +denkers en peinzers aangetroffen heeft, terwijl de verfijnende, +beschavende Franschen later den smaak en de talenten er bijvoegden, +die de uitvinding verder ontwikkelden, beter deden voorkomen, recht +genietbaar maakten, in vele opzichten op het leven toepasten, in de +wereld brachten en haar populariseerden. + +Daar de Franschen in den regel meer handige, smaak- en talentvolle +navolgers en verfijnende voltooiers, dan geniale voortbrengers +geweest zijn, zoo hebben zij dien ten gevolge vermoedelijk ook juist +die kunst, die louter navolging is, het tooneelspel, met voorliefde +en bijzonder goed gevolg beoefend. Intusschen viel hun ook hierin +de bijval der overige wereld, hoofdzakelijk slechts ten deel in +lichtere soorten, in de blijspelen, in de opéra comique, in luimige +conversatie-stukken, in het kluchtspel. Hunne _hoogere Cothurn_ [14], +hunne klassieke drama's en treurspelen, imponeeren ons niet.--Meer dan +iets anders verwierf in den nieuweren tijd een product van lichter, +minder dramatisch genre, de grappige, onderhoudende, vermakelijke, +luimige vaudeville, eene merkwaardige populariteit, wat van evenveel +beteekenis voor de Franschen zelven, als voor den modernen smaak en +tijdgeest heeten mag. Aan deze, met gezang en gesprekken vermengde +compositiën, die zoowel kleine als groote zaken, anekdoten, +vermakelijke voorvallen uit het dagelijksch leven, geschiedkundige +gebeurtenissen enz. van den vroolijken kant beschouwen, waren in het +vroolijke Parijs eene geheele reeks schouwburgen bijna uitsluitend +gewijd. Er waren daar goede dichters, zooals Scribe, die dergelijke +voortbrengselen bij honderden schiepen. En de vaudeville, dit echt +Fransche dramatische speelgoed, dit letterkundig windvlaagje maakte +de reis om de wereld. Londen, Weenen, Petersburg, New-York en Brazilië +verheugden zich er in. Misschien is er geen tweede dichtsoort geweest, +dat door alle volken zoo geëxploiteerd en toegejuicht is geworden, +als de vaudeville en het blijspel der Franschen. + +"Even als het den Franschen in de kunst _ontbreekt_ aan idealiteit, +zoo ontbreekt het hun in de wetenschap aan universaliteit." Er +is letterlijk geene wetenschap te noemen, waarop deze geestige en +levendige menschen zich niet met ijver hebben toegelegd. En toch +stelt men hen niet aan de spits in de eigenlijke wetenschappelijkheid +der volken.--Zij hebben wel altijd zoogenaamde philosophen gehad, zij +hebben zelfs, waarop zij zich beroemen, eene philosophische eeuw gehad, +en toch heeft bij hen de philosophie nooit zoo diep wortel geschoten, +nooit zoo welig gebloeid als bij de Duitschers, die Voltaire reeds "de +grijsaards van Europa" noemde, terwijl hij zijne eigene landgenooten +als "kinderen" betitelde. "Het ligt niet in het karakter der Franschen, +het geheele rijk der gedachte en der schepping in zijnen samenhang en +in zijn geheel op te vatten." Het enkele vatten zij beter en daaraan +moet het ook toegeschreven worden, dat zij, wat men eene _Universitas +literarum_ noemt, bijna volstrekt niet kennen. Zij bezitten in hun land +slechts afzonderlijke faculteiten, collegie's en bijzondere scholen, +geene universiteiten in algemeenen zin. Slechts één universeele +philosoof en werkelijk groot meta-physicus is uit hunnen boezem +voortgekomen, hun bewonderenswaardige Des Cartes, die echter even +eenzaam in hun midden staat, als Dante bij de Italianen. Daarentegen +overtreffen de Franschen in de zoogenaamde wereld- en menschenkennis, +die men door een onbevangen en geoefenden blik in het gezelllige leven, +en door waarneming der moreele variëteiten der menschelijke natuur +verkrijgt, alle philosophen en dichters van den vroegeren en lateren +tijd. De lijst hunne zoogenaamde "moralisten," hunne Montaigne's, +la Bruyère's, Pascal's, is lang en rijk aan geestige schrijvers +en geschriften. + +Daar zij meer verstand dan vernuft bezitten, zoo hebben ook bij hen +_geene_ wetenschappelijke stelsels meer geluk gehad, dan die, waarbij +boven alles een scherp oog, een berekenend verstand noodig zijn, en +waarbij geene sprake is van algemeene beschouwingen, maar van bepaalde +feiten en duidelijk bewezene zaken, zooals de wiskunde, sterrekunde, +natuurkunde, werktuigkunde, met één woord alles, wat zij zelven de +"_sciences exactes_" noemen. + +Ofschoon de lier in Frankrijk nooit voor eeuwen lang verstomde, +zooals b.v. in Duitschland, ofschoon herhaalde malen, eens ten tijde +der troubadours en later voor en na Lodewijk XIV, andere volken +dichterlijke opwekkingen en impulsies van Frankrijk ontvingen, +en de Fransche verzen-kunstenaars in hunne vormen navolgden, +zoo wil toch de publieke opinie den Franschen evenmin een diep +gevoelend dichterlijk gemoed, als een diepen philosophischen zin +toekennen. Vooral valt het den Duitschers moeielijk, een werkelijk +genot te vinden in de producten der Fransche poëzie. De Engelsche +dichters, een Shakespeare, Byron, Moore, Burns enz. staan den +Duitschers in hunne wijze van gevoelen zoo na, dat zij gelooven +met hen, als met gelijk-gevoelenden, gelijk-denkenden te doen te +hebben. Ook gevoelen zij zich nauwer verwant aan de groote Spaansche +en Italiaansche zangers, aan een Cervantes, een Calderon of Dante, +dan aan de Fransche dichters. Ja! zelfs wat in overoude tijden een +Homerus of een Anakreon bij de heidenen zongen, gaat hun meer ter +harte dan de zoogenaamde classieke--zij zijn geneigd te zeggen: +koude--composities van een Racine of Voltaire. + +Zonder een diep godsdienstig gevoel, zonder een gevoelen, een leven met +de natuur, met Gods schepping, met alle schepselen en geesten, kan men +zich geene ware dichters denken. En van dezen innigen samenhang met de +wereldziel, van deze vervuldheid met God, van dit enthusiasmus, zooals +de Grieken het zoo schoon noemden, van deze oudste eigenschap en oudste +voorwaarde voor het dichterlijk gemoed, hebben de zich alleen om het +tegenwoordige bekommerende, schitterende, geestige Franschen juist niet +veel. Voltaire zelf heeft dit gevoeld en erkend. Deze scherpzinnige +vriend der waarheid heeft de merkwaardige uitspraak gedaan, dat van +alle beschaafde natiën de Fransche de minst dichterlijke is. _De +toutes les nations polies la notre est la moins poëtique._ + +"De sierlijke spelen en kunstjes van den zoogenaamde esprit, +verstikken bij de Franschen ieder sterk gevoel. Eene fijne, behendige +wending schatten zij boven alles, terwijl zij den stillen maar sterk +aangrijpenden natuurklank van het hart minachten. Eene eenigzins +stoute en wijze vlucht der phantasie, ieder krachtig woord van het +overstroomende dichterlijke gevoel wordt door hen zelfs al spoedig +"smakeloos" genoemd. Hunne dichters zijn vernuften, en dichtten van +oudsher meer voor den gezelligen kring en voor het salon, dan voor +het volk. Een waar dichter echter wil _vrije_ lucht, eene _breede_ +straat, en daarenboven in de allereerste plaats, eene rijke, levendige, +ontwikkelde, beeldrijke, oorspronkelijke taal, en ook daaraan ontbreekt +het den Franschen maar al te zeer. "Hunne taal is uiterst scherp, +duidelijk en zakelijk. Voor iedere gedachte heeft zij eene bepaalde +uitdrukking. Maar zij bezit weinig oorspronkelijke volheid. Alles is +bij haar zoo schraal, zoo conventioneel, zoo kunstmatig geregeld, +zoo correct en dien ten gevolge ook zoo beperkt, zoo weinig vrij, +als de aanleg der oude Fransche tuinen en de boomen die zij zoo +stijf afsnoeiden. Een zoo schoolsche, conventioneele, geacademiseerde, +onvrije taalgeest, staat echter lijnrecht over tegen den dichter-geest, +die zelf stempelen, leveren, zelf vormen en gevoelen wil en moet, +even als de geheele afronding, geslotenheid en vlugheid, die den +Franschen eigen is, hunne poëtische opvatting der dingen schaadt. + +Dezelfde verhoudingen, omstandigheden en aanleg echter, die bij een +volk de poëzie schaden, zijn somwijlen het proza nuttig, en dit maakt +het begrijpelijk, dat de Franschen om dezelfde redenen in de poëzie +zwakker zijn, in het proza daarentegen meer uitgemunt en meer invloed +uitgeoefend hebben. Schijnt hunne poëzie ons somwijlen proza in verzen, +hunne vocale muziek een gezongen discours toe, hun proza daarentegen +heeft somwijlen een poëtisch waas. Frankrijk is het land van het beste +proza. Hare literatuur bestaat voor drie vierde uit fraaie proza, +redekunst en rhetoriek. De poëzie spreekt gaarne voor zich zelve, +de welsprekendheid gedijt slechts in gezelschap. Een gezellig, +roemlustig en met zich zelven ingenomen volk, moest in zijn wezen +wel een volk van redenaars en prozaïsten worden. + +Een der Duitsche aesthetikers zegt in zijne geschiedenis der Fransche +poëzie: "dat in geene literatuur van den nieuweren tijd het zoo +moeielijk is, de geschiedenis der prozaïsche welsprekendheid van de +geschiedenis der poëzie af te scheiden en te onderscheiden, als in +de Fransche." Er kan geen twijfel bestaan over den oorsprong dezer +moeielijkheid. De vernuften en de geleerden stonden bij de Franschen +altijd dichter bij elkander, dan bij de Duitschers, waar de geleerden +dikwijls in een erg prozaïsme verzonken waren. Bij de Franschen hebben +beiden steeds van elkander geleerd, en de proza-literatuur heeft +dien ten gevolge bij hen eene levendiger tint aangenomen. Dezelfde in +het oog vallende helderheid, luchtigheid en netheid van uitdrukking, +dezelfde opwekkende, levendige en dramatische wijze van voorstelling, +die men van den dichter verlangt, is bij de Franschen ook den geleerden +en prozaïsten eigen geworden. + +"Zij hebben beter dan eenige andere natie de kunst verstaan, den inhoud +van het gezond menschenverstand, eene pikante, vernuftige, bepaalde en +tegelijk geestige uitdrukking, een duidelijken en tevens liefelijken +vorm te geven." "De Franschman," zegt madame de Stael, "schrijft +en spreekt, zelfs als hij geen ideeën heeft. De Duitscher echter," +zegt zij, "heeft, zooals meestal het geval is met dichterlijke, +dweepachtige gemoederen, altijd meer denkbeelden, in het hoofd dan +hij uitdrukken kan." De Fransche taal is een ware wetsteen van het +oordeel en het zich duidelijk uitdrukkend verstand. Vertaalt iemand +verwarde Duitsche begrippen, onduidelijke Duitsche volzinnen in het +Fransch, dan lossen zij zich van zelf in hunne bestanddeelen op, +of toonen het gebrek aan onderling verband. Op het Duitsch, even +als op alle beschaafde talen van Europa, heeft ten gevolge daarvan +in nieuweren tijd het Fransch, doordien men zijne duidelijkheid, +netheid en helderheid algemeen begreep, een niet geringen invloed +gehad. De lange volzinnen der Italianen, Spanjaarden, Duitschers, +heeft het ontbonden; de slepende voordracht, die men vroeger bij +de schijvers dezer volken zonder tusschenpunten aantrof, heeft het +verlevendigd. Dat heden ten dage over het algemeen in Europa zooveel +bondiger, zooveel duidelijker en ook natuurlijker geschreven en +gesproken wordt dan vroeger, is eene verdienste der Franschen, die +hierin natuurlijk waren en aan andere volken den weg wezen. Als zij de +poëzie hunner naburen, de Italianen, Spanjaarden, Portugeezen somwijlen +waterachtig maakten, zij hebben daarentegen in geheel Europa in het +proza den goeden smaak en het gezond menschenverstand bevorderd.--Een +der Duitsche literatoren zegt: "men mag er niet aan denken, hoe donker +het in dit opzicht nog in onze hoofden, hoe onbeholpen onze sprekende +lippen en schrijvende vingers zijn zouden, als er in de Europeesche +volken-familie geen Frankrijk geweest was, als het heldere hoofd van +den Franschman ons niet voorgelicht had." Dit zal het ook duidelijk +maken, hoe in geheel Europa geene andere nieuwere taal, noch de +muzikale der Italianen, noch het pathetische en edele Spaansch, noch +het kernachtige Engelsch of het rijke en degelijke Duitsch, in die +mate invloedrijk geworden is als het Fransch. Tot aan het einde der +17de eeuw was het Latijn de algemeene taal der Europeesche geleerden, +der diplomaten en politici. Bij den vrede van Rijswijk 1697 stelde +Lodewijk XIV het Fransch in de plaats van het Latijn. Na dien tijd +verhandelden alle volken van Europa hunne zaken met elkander in _deze_ +taal, omdat zij vonden, dat men in die taal het nauwkeurigst uit kon +drukken wat men zeggen wilde.--Later waren er geheele landen en groote +rijken, waarin de hoogere maatschappelijke klassen het bevallige, +elegante Fransch als hunne dagelijksche spreektaal aannamen. Als een +geleerde of een of ander vernuft zijne werken aan de geheele groote +beschaafde wereld nuttig en verstaanbaar wilde maken, moest hij 200 +jaren geleden Latijn schrijven. Van dien tijd tot op onze dagen, +kon hij om het zelfde doel en dezelfde uitwerking te verkrijgen, +geene betere taal kiezen dan de Fransche. + +Even als in taal en literatuur, hebben de Franschen ook in hun +dagelijksch leven, vooral in tegenstelling met de in dit opzicht +vrijere en plattere Duitschers, iets zeer kenmerkends en formeels.--In +hunne conversatie en in hunnen omgang schijnt bij hen alles in +hooge mate geregeld. Ieder schijnt daar eene goed bestudeerde en +beoefende rol te spelen. Men zou meenen geoefende tooneelspelers in +hen te zien, die begaafd met eene groote tegenwoordigheid van geest +en een goed geheugen, nooit in gebreke blijven een antwoord te geven, +en ter juister tijd het gehoorde en het passende aan den man weten te +brengen. Dat, wat men "goeden toon" noemt, is hun meer aangeboren dan +den Duitschers, die het eerst leeren moeten. De Franschen werden dien +ten gevolge, even als zij de stichters der beste gezelschapstaal en +van het proza waren, ook de vaders van den goeden gezelschapstoon +in Europa.--Reeds tijdens de kruistochten waren "galanterie" en +"courtoisie" woorden en zaken, die in Europa algemeen aangenomen en +van Frankrijk afkomstig waren. In den nieuweren tijd echter, sedert +het schitterend tijdperk van Lodewijk XIV, werd het voor de geheele +beschaafde Europeesche wereld eene gewichtige zaak, op Fransche wijze +te leven, zich te bewegen en met elkander om te gaan. Zelfverloochening +is de hoogste wet van het verkeer, en deze wordt te aangenamer, naar +mate ieder zijne eigene kleur laat varen, hoe meer hij zich onderwerpt +aan al wat _algemeen_ bevalt. Den Franschen, die minder gevoel van +ingenomenheid met zich zelven hadden dan anderen, moest het veel +gemakkelijker vallen deze, voor een gemakkelijken omgang met menschen, +zoo noodige zelfverloochening, die aan allen gelijk moet geven, te +beoefenen, dan den Duitschers, bij wie ieder zijn eigen zin heeft en +een geheelen mikrokosmus van eigen gedachten met zich omdraagt. + +Bij dit alles echter en niettegenstaande hun veel geprezen "goeden +toon," vallen de bewegelijke Franschen maar al te gemakkelijk +dikwijls geheel uit hunne rol. "Zij dalen," zooals Herder zegt, +"zoo snel mogelijk van het kookpunt tot het vriespunt." De +stemming springt bij hen, meestal niet met een zachten overgang, +maar somwijlen met geheel onverwachte sprongen, over tot heftige en +geweldige uitdrukkingen. Uit den luchtigen conversatie-toon slaan +zij plotseling tot een geheel anderen over, en onvoorbereid vervallen +zij uit onschuldige vroolijkheid tot teugellooze hartstochtelijkheid. + +Even als in het dagelijksch leven, zoo zijn ook in de staatkundige +geschiedenis der Franschen, zulke plotselinge overgangen als Herder +ze ons schildert, of zulke _repentina consilia_, zooals Cesar het +noemde, meermalen voorgekomen. Ofschoon zij gewoonlijk menschen van +veel "_bonhommie_" geweest zijn, zoo heeft toch ook dikwijls bij hen, +wanneer de leeuw wakker werd gemaakt, een teugelloos botvieren aan +de hartstochten plaats gegrepen. Zulke hoog-tragische en vreeselijke +gebeurtenissen, als de St. Bartholomeus-nacht tijdens Karel IX, of als +het schrikbewind gedurende de eerste revolutie, of nogmaals gedurende +de Commune in het jaar 1871, zijn bij ons bijna eene onmogelijkheid. + +Daar het geheele volk, even gemakkelijk als de individuen, +van de eene stemming in eene andere, en somwijlen in eene geheel +tegenovergestelde overslaat, zoo laat zich daaruit ook de heftigheid +verklaren der golven en stroomen, die het geheele volk in massa, +en wel binnen een zeer kort tijdsbestek, uit de monarchie in den +afgrond eener republiek geslingerd, en uit deze weder op de kruinen +van een militair Imperatoren-dom getild hebben, deze "wervelorkanen, +waarin het Fransche schip van staat zich snel, door alle richtingen +der windroos heen, bewogen heeft." + +Sedert bijna honderd jaren, sedert zij het oude, door den Duitschen +Chlodwig onder hen gestichte Koningschap op zijde hebben gezet, zijn +de Franschen een vulkaan geweest, die door plotselinge uitbarstingen, +den geheelen omtrek heeft doen beven, en door de stroomen lava, die +hij uitstortte, gedeeltelijk verwoest, gedeeltelijk waarschijnlijk +ook vruchtbaar gemaakt heeft. Zij hebben daarbij in Duitschland, in +Italië en elders vele middeleeuwsche treurige toestanden opgeruimd, +verscheidene nieuwe en vruchtbare denkbeelden over het werelddeel +uitgestrooid, het Duitsche en Italiaansche volk tot nationale en +politieke vereeniging opgewekt. Voor zich zelven echter hebben zij, +door herhaalde omwentelingen en staatkundige proefnemingen, weinig +gewonnen. Zij gelijken nu een uitgewoeden en ingestorten krater. De +laatste "wervel-orkaan," dien wij in onze dagen bij de Franschen +beleefd hebben, heeft nog niet uitgewoed, en men herkent nog de +haven niet, waarin dit onrustige en door zijne lichtzinnigheid +en te groot gevoel van eigenwaarde zoo ongelukkig geworden volk, +binnenloopen zal.-- + + + + + + +DE ENGELSCHEN EN HUNNE EILANDEN. + + +De beide groote, rijk bedeelde eilanden met hunne kleine naburige +eilanden, die wij onder den naam Groot-Brittanje en Ierland +samenvatten, zijn het centraal-lichaam van ons vasteland, als een +lang uitstekende arm, op dezelfde wijze in Noord-Westelijke richting +bijgevoegd, als het Italiaansche schiereiland in Zuid-Oostelijke +richting.--Het is een der schoonste landen, die de natuur den +Europeanen tot woonplaats gegeven heeft. De voordeelen van een gematigd +klimaat, van een dankbaren bodem, en een overal openstaan voor de zee, +dat men als iets kenmerkends voor geheel Europa, in tegenstelling +met de andere werelddeelen aangemerkt heeft, bezit Groot-Brittanje +in vergelijking met het overig Europa in hooge mate. + +Men zou zijne natuur eene bij uitstek Europeesche kunnen noemen. De +eilanden liggen midden in de zachte aanademing der uit de tropische +gewesten terugkeerende Zuid-Westen winden, even als ook midden in +de branding van de deze winden vergezellende groote zeestrooming, +die wij golfstroom noemen en die, Zuidelijke vruchten en verwarmde +lucht met zich voerende, zich aan de kusten van Schotland en Ierland +verdeelt.--Deze wind- en zeestrooming ontnemen zoowel aan den winter +als aan den zomer, hunne onaangename zijde, en zijn oorzaak, dat +bijna het geheele jaar door een klimaat heerscht, dat noch door te +drukkende hitte verslapt, noch door te scherpe koude verstijft, en dat +de geheele oppervlakte des lands, met een altijd bevochtigd, altijd +frisch en altijd groen planten-tapijt bedekt doet schijnen.--Tacitus +heeft met een paar woorden, het klimaat van Engeland zeer treffend +geschetst. Hij zegt er van, dat zijn wezen is: "_vroeg_ ontkiemen, +_laat_ rijpen." Het schijnt, dat Tacitus daarmede tegelijkertijd, op +fijne profetische wijze, ook den geheelen geest van de nationaliteit +had willen aangeven, die zich in den loop der tijden op deze koele +eilanden ontwikkelde. + +De oppervlakte van den bodem is overal matig boven het niveau der +zee verheven. Zij zinkt noch zoo diep, dat de mensch zich, als in +Nederland, door een langdurigen strijd met de elementen, woonplaatsen +moest verwerven, noch verheft zij zich zoo hoog in de ruwe luchtlagen, +dat, zooals in Skandinavië, door sneeuw en gletschers, aan geheele +aanzienlijke gedeelten des lands alle bewoonbaarheid ontnomen werd. Ook +hebben hier (gedeeltelijk om dezelfde redenen) nooit zulke uitgestrekte +moerassen als in Polen, zulke dichte bosschen van naald-boomen, +zulke groote woeste zandvlakten als in Noordelijk-Duitschland +bestaan. Alles is van nature om zoo te zeggen, met een evenredigen +en netten snit bewerkt. De bosschen, meestal vriendelijk loofhout +zijn, liefelijk tusschen de van nature bestaande weiden verstrooid; +vruchtbare landstreken zijn overal rijkelijk verspreid. Wel treft men, +bij wijze van uitzondering, hier en daar een naakten rotsbodem of een +onbegaanbaar turfveen, of een melancholiek en dor heideveld aan, maar +nergens vindt men zulke groote, dorre vlakten, als b.v. op de plateau's +van Spanje, nergens zulke treurige, woeste, eindelooze rotslabyrinthen +als in het Illyrisch-Grieksche schiereiland. Zeer spoedig daalt men, +zelfs in Schotland, van den smallen rug van het onhuiselijk bergland, +weder in den boezem der vriendelijkste dalen neder. + +Ook de rivieren van Groot-Brittanje bezitten dit uitnoodigende, +vriendelijke, alles behalve Titansche karakter. Zij gaan bijna +nergens in wilde en woeste watervallen over. Veeleer hebben zij +nagenoeg allen een zeer kalmen loop, zonder te groote snelheid, wel +zonder schilderachtige en hoog-romantische oevers, maar ook zonder +rotsige ondiepten, die door de schippers zoo gevreesd worden. Ook +voeren zij niet zooveel van de bergen afgerolde steenen en zand met +zich, en vormen daarom ook nergens zulke onherbergzame steenvelden, +als b.v. de Alpenstroomen van Beieren, of zooals de Rhône aan hare +monding. Zij zijn redelijk diep ingesnedene en liefelijk kronkelende +natuurlijke kanalen, die (bijna altijd tot aan den rand gevuld) de +weiden en beemden doorstroomen. In den zomer droogen zij nooit zoo +geheel uit als de berg-stroomen van Italië, en in den winter en het +voorjaar zijn zij nooit zoo bovenmatig gezwollen, zoo gevaarlijk en +verwoestend, als de groote stroomen van verscheidene andere landen van +Europa.--Zij doorstroomen in één woord het lichaam des lands, zonder +bijzonder hevige opbruisingen en toch met een meestal vollen ader, +even als het bloed in het organisme der koudbloedige schepselen. Zij +zijn allen in hooge mate bevaarbaar, en de meesten vereenigen zich met +den Oceaan, op eene den handel zeer voordeelige wijze. De zee komt de +rivieren tegemoet, dringt overal met diepe, havenachtige bochten het +land binnen, en neemt daar in den kalmen boezem, de binnenwateren en +de schepen gemakkelijk in zich op. + +Tweemaal daags stort de zilte vloed de boezems, mondingen en kanalen +binnen, zuivert deze en komt hunne verzanding en verslikking voor. Er +is geen tweede land in Europa, dat door het water der zee, zoo van +alle kanten tot in zijn hart toe, doorspoeld en verfrischt wordt, +als Groot-Brittanje. De geringe hoogte zijner bergen, de vele dalen, +insnijdingen en verzakkingen, die geheel anders dan b.v. in het door +eene enkele steile, hooge rotsmuur, verdeelde schiereiland Italië, +van oceaan tot oceaan het land in de breedte doorloopen, hebben het +maken van kanalen en wegen in alle richtingen mogelijk gemaakt. + + + +De natuurlijke producten van het land zijn niet zulke schitterende +zaken, dat zij de hebzucht of de phantasie der menschen in den +regel bijzonder opwekken. Albion, dat weinig of in het geheel geen +zilver, of goud bezit, heeft nooit, zooals eens Andalusië, de rol +van een Europeesch Peru gespeeld. Daarentegen, als men zich eens +zoo mag uitdrukken, munten al zijne producten uit door nuttigheid +en bruikbaarheid. Het bezit een grooten overvloed van ijzer, lood, +koper en andere mineralen, die de industrie bij voorkeur noodig +heeft. Het is zeer rijk aan tin en werd daardoor het eerst met de +beschaafde wereld in verbinding gebracht. Steenkolen noemt het zijne +"zwarte diamanten." De Europeesche weidekruiden en graansoorten +groeien voortreffelijk tot in de verst afgelegene punten der eilanden. + + + +Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over +het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig _wild_, +geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu +moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig +Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest, +door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen, +en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren, +in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt, +dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche +vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en +bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste +klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd +naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten, +rotspartijen en woestenijen bezit. + +Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het +eens ontdekt was--en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk--alras en +spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis +van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht +worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het +land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam +van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en +Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe +diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der +tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken +het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug, +verbonden waren. + +Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte +tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene +betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en +menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door +de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is, +dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs "het +kanaal" zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen +schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien, +ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar +het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het +Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo +is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking +is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de +Nederlanden gekomen. + +Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is +het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van +het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens- +en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste +duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen, +de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische +volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen, +nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier +Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over. + +Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als +aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus +weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af, +even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden +(België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten +ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even +als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje +en Frankrijk, Iberiërs. + +Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje +in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend, +dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der +Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van +Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland +heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit +eiland als "tegenover de Spaansche kusten liggende." Van de visschers +aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden +afstammen. + +Dat echter in menige streek van Engeland, _Finsche_ stammen de +primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische +onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de +oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type, +dat eerst in latere graven geheel verdwijnt. + +Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en +de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra +het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al +wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht +geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven. + +In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee +verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde +"Gaelische" of "Gadhelische" Celten, en vervolgens na hen als hunne +veroveraars en onderdrukkers de "Kymrische" of "Britsche" Celten, die +hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en +eilanden verdreven. Tot de "Gaelische" Celten behooren de tegenwoordige +Ieren en de Hoog-Schotten, tot de "Kymrische of Britsche," de bewoners +van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen, +in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen +den naam "Brittania." Zij worden als een naar lichaam en geest boven de +andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien +tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben, +dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren. + +Even als in _geheel_ midden-Europa, voornamelijk langs genoemde +Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in +Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie +vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met +Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de +tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als +de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet +zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De +Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook +vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder +de Celten "Belgen," dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten, +maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met +Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.--Daaruit, en uit andere +omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr +de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep +naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige +vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn, +ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na +Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk +het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche. + +Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder +Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden +in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk, +en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter +dit afgelegene land, deels _later_ bereikten dan de andere streken +van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder +_vroeger_ verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe +en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als +elders.--Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd, +Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien +zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde, +slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en +verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en +hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne +Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook +is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook +het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland +onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.--Niettemin is +dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje, +Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan +den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou +zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen, +die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door +de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen +toegevoerd geworden. + +De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er +tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden +hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de +grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit +ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der +Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden +en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de +_Romeinen_, die zoovele _Zuidelijker_ volken hun stempel voor eeuwige +tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren, +die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren +gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot +op onze dagen geblevene physionomie te geven. + +Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende "volksverhuizing", +toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende +streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het +Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende +Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan +de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij, +op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van +hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de +zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe _uitgenoodigd_ door de Britten, +die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht +waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen +terug.--Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland +gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche +bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven +zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was. + +In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische +inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene +gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet, +in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij +verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne +overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen, +die de Germanen met de "volksverhuizing" binnentrokken, is Engeland +het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden +blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk, +even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en +in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen +gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal +is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne +voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element +weder verdrongen.--Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk +uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten, +gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en +Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher +zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen, +op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen, +dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de +Gothen over de _Alpen_ en Pyreneën, of de Franken over den _Rijn_, +zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende +land toch beter handhaven en vermeerderen.--De hoofdzaak echter lag +wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de +verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten +zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde +Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden +de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken +en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het +wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.--In Groot-Brittanje +daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in +hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten +van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd +of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen +bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven +en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo +maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor +voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien +ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat, +die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen +in Engeland tegen de "Saksers" gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk +in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft. + + + +Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen, +voornamelijk de Neder-Duitsche [15] uit Holland door Friesland tot +aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts +na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere +Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die +steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht +aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar +Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en +hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar +de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke +helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele +bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het +Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige +schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische +oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de +sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed, +verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch +geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke +stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch +Saksendom ontstaan is.--Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene +overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen "der verdelging +van al het inheemsche." + + + +Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen +verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan, +dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch +altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder +de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe +bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den +beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de +tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden. + +De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na +hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven +hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300 +jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand +alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit +de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken +daar, zoo al niet _vele_, toch _eenige_ der door de Romeinen gebouwde +en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog +nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter +ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun +bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden +voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand +plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan +de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint. + +Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn, +laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een +geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner, +den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich +overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak, +die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen +onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal +is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland +herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land +hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk +uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische +Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van +Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en +denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge, +dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die +der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak, +denzelfden "timbre" hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die +wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong, +gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen +niet _aangeboren_ zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich, +om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen +gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon, +zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid +van het inheemsche bloed medegedeeld werd. + +Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en +in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de +physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel +oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten +in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen +en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van +een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige +gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.--In een tijd, toen nog +geene "Anglo-Saksers" naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de +Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia +Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook "blauwoogig" noemt. Men +meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd +te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek +Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien +heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel +een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele +lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd +geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag +van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene +Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: "zij +zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers +lang." De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de +blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers +naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het +schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen +vermengde Britten, van de overige Celten. "En dien ten gevolge," +zegt een geleerd Engelschman terecht, "is menigeen onder ons, die +zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor +de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten." Ook vele +zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude +Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende, +bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking +hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij +het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene +vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden +somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich +niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich +b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet "Saksers", +maar "Britten" noemen: "_Britons never will be slaves_"--of "_Rule +Britannia, rule the waves_" wat zij even dikwijls in den mond hebben, +als hun "_Old England for ever_." + +Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo +behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen +voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en +bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels +Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op +den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de +Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met +Celtische namen. Ook hunne rivieren "Theems", "Severn", "Trente", +"Ouse" hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en +Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van +het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van +vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge, +Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten +slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts +met Duitsche stembuiging. + +Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische +volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst +langzaam, stuksgewijze--ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje--zijn +de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes +gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in "Cambria" of +"Cumberland") onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde +van "Cornwallis", en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor +een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales. + +De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor +anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun +eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder +Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder +Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke +zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan, +noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te +werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers, +schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor +ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales +was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne +mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd +de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances +in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo +populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel, +Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die +het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft. + +En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer +eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van +groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw +en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle +Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne +gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam, +even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne +macht dan de Engelschen.--In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner +dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde +klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen +en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de +oude Arthur-harp getokkeld wordt [16]. Boven de Celtische Ieren en +Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en +literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de +Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die +elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen, +waarvan een, "de Walische Times," voor 20 jaren eene oplage van 100.000 +exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot +eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten +geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801 +onder den titel "Gälische archeologie van Mywyr," eene verzameling +verhandelingen uit, die "een waar arsenaal van Kymrische oudheden" +bevatten moeten. + +In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in +Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde +genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering +van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar +102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald. + +De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden +bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht +te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting +voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten +eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig +tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in +beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië +scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers, +naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende +Europa te plagen.--Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als +een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht +bijzonder opwekte. + +Daar zij zich _hoofdzakelijk_, en _meer_ dan ooit eenig Europeesch +volk _voor_ hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het +overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere +zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het +werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de +rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge, +en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland, +aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen, +werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische +rijk der groote Koningen Sven en Kanuth. + +De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen +reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de +volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De +roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden, +vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan, +en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke +langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten. + +Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet +gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras +geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate +geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was, +dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven +is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren: +ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den _geheelen_ Oceaan +tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden +zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar +de Middellandsche Zee en elders.--Bij de geringe bevolking van hun +vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen, +niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden +in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de +overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen +was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw +vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte +massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds +een talrijk volk uit. + +Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot +het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als +de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge +hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten, +bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en +wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele +kuststeden _blijvend genesteld_, en eenige plaatsen en kleine eilanden +van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld. + +In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet +in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke +vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in +Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet +geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts +aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker +nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende +Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den +Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten +minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam +naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan +dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne +grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de +onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland, +en deelden hun het Christendom mede. + +Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers +en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen +zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort +fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in +ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder +verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het +Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen, +in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.--Dit neemt echter +niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten. + +Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers +en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende +samentrekken: + +In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover +Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn, +in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest +blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu _vele_ +Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft +daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet +weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich +half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo +karakteristieke _"r"_. Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds +meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan, +die overeenkomst hebben met die in Noorwegen--zelfs tijdens het latere +leenwezen van een Willem den Veroveraar. + +Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland, +als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der +Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers, +dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs, +zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven, +het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo +heeft zich ook aan _geheel_ Engeland, en aan geheel het Engelsche volk, +veel Skandinavisch medegedeeld. + +Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de +Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en +Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak +van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar +Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals +onze Neder-Saksers, de woorden "uhs" (ons) en "bloht" (bloed) op eene +gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs "_oss_" en +"_blodd_". + +Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie- +en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt, +om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis, +in Engeland even als in Noorwegen het "_Yule_-blok" aangestoken, en +ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden +versierd in menige Engelsche huishouding 's middags wordt opgedragen, +moet _iets_ gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden +in Walhalla. + +Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch +zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid +tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs +of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht +zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers--en +met recht--geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen. + +In het algemeen mag ik opmerken, dat de Engelschen zelven er somwijlen +een zeer verschillend oordeel over uitspreken, of hunne nationaliteit +meer politieke kracht en vrijheid aan den nationalen geest der +Skandinaviërs, dan wel aan den Anglo-Saksischen zin en wezen ontleend +hebben. Terwijl Sir Edward Bulwer Lytton den Noorwegers en Denen +veel verdienste toekent, daar hij er met lof van gewaagt, hoe _die_ +deelen van het Koningrijk, waarin zij de grootere massa der bevolking +uitmaakten, zich vooral door onafhankelijkszin en weerstandskracht +tegen onderdrukking kenmerkten, en in hen het duidelijkst het krachtig +beeld der oude Germanen te herkennen is,--heeft Sir Robert Peel, in +zijne in het Parlement uitgesprokene redevoeringen, herhaaldelijk als +zijne meening te kennen gegeven, dat de Denen in het algemeen, na al +hunne verwoestings-tochten, bijna in het geheel niets nieuws, groots +en duurzaams in Engeland gegrondvest en achtergelaten hebben.--Aan de +overdrevene eischen van Deensche schrijvers, mag men in dit opzicht +wel de beschouwing van een onpartijdigen Franschman tegenoverstellen, +die in de _Revue des deux mondes_ tegen de Denen optreedt: "_Les Danois +n'ont point conquis l'Angleterre_," zegt hij, "_leur invasion n'était +qu'un déluge et ce déluge n'a fait que glisser_ sur la société Saxonne +[17]." + +Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en +Noorwegers was, dat zij voor de _eerste_ maal, de uiterste Noordelijke +en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje'sche eilandgroep, het +oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring +van het Germaansche volkenleven trokken.--De allereerste grondslag +tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden, +tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden +der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk +reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad, +welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef +Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten +na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische +grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als +de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische +Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant, +zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger +Schotland, _vóór_, _gedurende_ en nog langen tijd na de heerschappij +der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen +bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit, +van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der +Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot +overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië +(Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel +dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd "_Scotia_" +(het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam +in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland +rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving +en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te +zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het +licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian'sche +gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche +omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar +naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de +eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen +kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en +andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid, +te stichten.--Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het +eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de +10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan +te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger +Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen. + +Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels +als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar +Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal +en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland +begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in +groote massa's naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk +in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers +het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de +eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met +eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. _Alleen_ de Denen, die op +iedere _baar_ een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen +het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden +van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten +en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland, +de "Orkneys" en de woeste, zwak bevolkte "Shetlands" roeiden zij de +oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne +plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder, +sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden, +in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen +vermengd zijn geworden. + +Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op +de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen +eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan +hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche +taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit +het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer +vermengd met het Engelsche element. "Men kan bij deze eilanders +dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch +is." Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit, +dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon +het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men +berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden, +het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond +wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man +voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels, +21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën +en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs +is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige +instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar +een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde +Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene +Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich +ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche +Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd "Thing" of eilandparlement, +wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche +parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen +òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen +van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof +zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische +elementen zijn. + +Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft +tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking +met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers +hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen +verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de +zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling +te bestrijden. + +Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand +tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom +kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot +de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen +de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte +eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der +Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd +Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder +heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving, +een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en +vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland, +België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het +geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte, +had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner +onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van +het "_eiland der Heiligen_". + +De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland +ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven +binnendrongen, waren, zeide ik, de _eersten_, die aan dezen overouden +toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde +maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de +kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de +havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde +Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking +traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook +kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar +Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo +namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van +oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden, +om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op. + +Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet +konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar, +in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne +andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De +Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland +voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der +heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen, +geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op +den jongsten tijd gevonden. + +Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis +der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden. + +Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar +worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden +plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal +door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den +Veroveraar, _de Fransche Noormannen_. Deze wonnen,--geheel anders dan +de Saksers en Denen--geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den +vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander. + +Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende, +volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met +vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde +Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen, +maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen +medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke +land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden, +hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen. + +Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend +karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar +dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen +van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk +gerekruteerde _troepen_, en de hun nakomende _emigranten_, waren +zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk +woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden, +echte Franschen.--De uitbreiding dezer door den Noordschen geest +bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder +Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen +voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië +bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen +zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen +zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door +de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen, +is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen +in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand +gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk +het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn +getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend: +"_The Norman conquest was the Making_ of England" (De verovering der +Noormannen was de geboorte van Engeland). + +Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen +volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd +geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene +voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie +meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is +vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat +van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke +vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der +tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door +de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het +nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne +strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt +geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit +grooten invloed gekregen. Ook is het--en in dit opzicht kan het met +zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden--ontkomen aan verscheidene +andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen +lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken. + +In het begin der Noorman'sche of Fransche heerschappij, woonden nog +alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast +elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische +volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid; +de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid, +ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het +Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen +was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen +als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende +volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.--Uit de +samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een +heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten +slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen. + +Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht +worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman'sche +Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs +gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot +dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal +werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor +de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de +Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof, +onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere +standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en +vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde, +werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene--de +Fransch-Noorman'sche--poëzie, als ook een eigen Noorman'sche +bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want +ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in +het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur- +en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de +toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard +Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie +bijna geheel als Franschen beschouwd. + +Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een +kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland +in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën +naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken; +daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te +velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan +het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang +steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht. + +Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen, +maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk +te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte +macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren, +weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de +onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij +der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen +gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de +inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het +Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder +geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In +den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die +het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers +zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen +tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de +Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren +gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn +eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van +het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide +volken samen. + +Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik +der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter +zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het +Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook +zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten +bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden +oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de +beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen "Dieu et mon Droit", +en ook het "Hony soit qui mal y pense", zijn nog kleine Fransche +overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman'schen tijd. + +Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch +in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog +zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden +zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon +op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij +heden ten dage doen, _afféction_, maar _affectión_, niet _afflíction_ +maar _afflictión_. + +Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van +Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat, +vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote +familie-oorlogen der Engelsche _grooten_ en Konings-geslachten +bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de +elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof +weder naar boven werkten. + +Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van +beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene +nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het +aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo +te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat +onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen +of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van +Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het +Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het +Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag, +in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de +bovenhand heeft, als maatstaf dienen. + +Verder is daarbij niet alleen de _quantiteit_ van het uit beide bronnen +geputte, maar vooral ook de _qualiteit_, voor de verhouding en het +gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche +taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van +woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche +ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle +uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde, +vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de +meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het +volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning +omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk, +zijn Duitsch. + +Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van +den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van +ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.--Aan den +Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen +van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der +maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen +zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land, +uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote +maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven +Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen. + +Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen +met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven, +dat, terwijl alle _ruwe_ zaken, alle _inheemsche_ boomen, dieren en +levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar +waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche +element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van +de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien, +de ossen blijven Duitsch--"_sheep_", "_cow_", "_oxen_"--zoolang zij +onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra +zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen +medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen +Fransche en worden "_mutton_" (_mouton_), "_beef_" (_boeuf_), "_porc_" +(_porc_).--Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even +als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met +een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek +Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou +beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament +en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de +hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.--Het geheele beendergestel +der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden, +en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn +Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter, +de geheele ornamentiek, is Romaansch. + +De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal +haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal +hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd +en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch, +een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en +leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.--"De +Fransche of Latijnsche woorden," zegt een Duitsche taalvorscher, "staan +naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en +bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders." En men zou +er bij kunnen voegen, "ook naast kooplieden en schippers." Want even +als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen, +bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef +bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest, +geheel en al een deel van het Germaansche wezen.--De oorlog en het +militaire wezen daarentegen werden weder Fransch. + +De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd +door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets +anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij +hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en +is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de +hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in +zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der +doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch +takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den +een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze +uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken, +òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen. + +Echter--en dit is het allermerkwaardigste--hebben de beide +vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig +doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds, +maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander +gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide +volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot +eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste +tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met +elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het +nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het +zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot +gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch +enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden +aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele +fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige +poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit +het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur +bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn +namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche +ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen +voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld, +heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter +Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare +herkent men, zooals Gervinus zegt, _beide_ elementen even sterk. In de +keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als +in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen, +verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid, +uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die +eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de +Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem, +even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het +Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit +een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden +als Shakespeare in Duitschland. + +Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook +in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene +voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het +Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche +elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode +waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met +woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere, +waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische +taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd +om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische +volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en +eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest. + +Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige +Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest +van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide +nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een +voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de +politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige +toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat +gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het +leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste +te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen. + +Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden +sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen +sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat +zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren +gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche +historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of +van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen +den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als +een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen +nationalen geest. Volgens hunne meening drong van _beneden_, uit de +Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den +loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds +invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in +het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij +eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom +over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in +omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de +gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier +werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij +het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den +onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even +als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere +standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne +eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne +latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als +een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit +op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De +demokratische zoogenaamde _rondhoofden_ uit de tijden van Cromwell, +kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen, +waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand +gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder +Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen, +dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate +de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand, +weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair +en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van +het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent +van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn, +daarop is boven reeds gezinspeeld. + +Ook in de voorzichtige en langzame _manier_ der sociale hervormingen, +in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus +afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het +duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige +vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in +de hevigheid der, het op _vernietiging_ en volkomene _gelijkheid_ +aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte +teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart. + +Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest, +als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de +hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland +godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij +de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten +weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich +ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los. + +Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg +voor zijn _half_-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie +van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het +Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den +Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt +en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te +zeggen, een _dubbel uiterlijk_ gekregen. Aan de eene zijde heeft zij +zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken, +en heeft de _nieuwe_ brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de +Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding +met de Roomsche wereld niet _geheel_ afgebroken, heeft _veel_ van +den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden. + +Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten +gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal +hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid +die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige +andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen. + +Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche +eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte, +rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan +beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en +omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele +natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische +staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern +der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette. + +Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter +zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het +Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de +manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande +nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft, +eene zeer langzaam rijpende natuur. + +Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd, +zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden: +"vroeg _ontkiemen_, laat _rijpen_" te herinneren. Deze woorden +schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe +individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie +tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner +in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op +langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende +processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit +eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te +zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen, +met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien +ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen. + +Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland +gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle +nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde +gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal +als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden. + +Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb +ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering +gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het +kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische +ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische +(Engelsche) nationaliteit aangetast werd. + +Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is, +de strijd der Celten met de Germanen, door de _Denen_ begonnen. Op hen +volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning +Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland +veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het +voor de Anglo-Saksische immigratie openzette. + +Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet +geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen, +opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en +tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de +verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen, +die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche +Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende +immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet +geheel gebluscht. + +In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude +Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche +bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds +voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt +de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte +rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond +door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke, +maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar +wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige +maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover +de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende +Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de +Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met +dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher. + +Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van +Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft +ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen, +waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen +nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch, +of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000, +die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel +moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden +inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas +Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak, +in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het +volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele +groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen, +die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische +natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van +zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling +van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten +uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk +aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene +smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar +van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze +verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der +Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die +hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van +Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen +en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen. + +In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen +zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd +zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke +nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn, +deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne +kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men +treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan. + +Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische +Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst +opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden +de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend +gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft +hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden +veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij +daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten, +waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken, +waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de +Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren. + +In _Schotland_ heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der +beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook +weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid +bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking +een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe +het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd, +en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is. + +Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en +geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne +Germaansche taal (het Schotsch) niet _geheel_ als een dialect van +het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst +mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich _buiten_ +en _naast_ de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte, +zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en +zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt +geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens +natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen, +als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen +tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder +vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal +der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens +eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland, +als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland, +die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde +Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen +die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de +Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist +hadden, daar hunne invallen in Engeland en _vice versa_ de invallen +der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken +jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten +in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen +in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed +verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige +volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden, +zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met +elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar +het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der +Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen +vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding +tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals +bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne +Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle +betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de +Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen. + +Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat +zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig +Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de +Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met +hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in +zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder +de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in +Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor +in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou +geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof, +even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam +vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich +op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar +Schotland kwamen. + +Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins +ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche +volks-dialect niet _in die mate_ geromaniseerd als de Engelsche +taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en +stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche +en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch +element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot. + +Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het +overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in +Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig +talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken, +de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen +hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden +hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en +naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot +_gemeenschappelijke_ ondernemingen. Zij leefden met hen op _gelijken_ +voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke +staats-gemeenschap. + +Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten +der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet +gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de +Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal, +ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert +den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden, +op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening +tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen, +terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij +kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand +bleef behouden. + +Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering +van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij +de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche +invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der +Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de +Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms +waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche. + +Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen +voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs _daarna_ duurde het nog lang, +voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden, +voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden. + +De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen +troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op +hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien +tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene _lingua rustica_, tot +een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der +voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting +der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen +bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen, +de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen, +maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming +van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland +langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen, +werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier. + +Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der +kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde +keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude +zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland +onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene +vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de +Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele +vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg +eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude +indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste +toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken. + +Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen +dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot +voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch, +vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje +overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het +hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun +geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman +als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van +een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch +gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo +heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op +het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval +is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog +hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap, +handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele +bedaardheid dan de Engelschman. + +Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig +en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle +mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo +eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die +kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het +duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die, +om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen +geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme +bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog +minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen, +zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers +en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd +Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden, +als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons. + +Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de +Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren +tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in +beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed +onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en +philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de +philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene +der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en +volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en +Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene +der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott, +Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën +wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton, +Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd. + +In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en +den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote +rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der +overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje +mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten, +eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd +worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der +Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen +en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit +kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en +de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle +bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne +industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen, +is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der +weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking +van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen +zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden +prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel +geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier +en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit +waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch, +een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het +zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element _alle_ +onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en +gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in +het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste +toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou. + +De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de +Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren, +in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij +waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds +vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de +Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met +hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote +Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het +bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, _even als_ +hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en, +_even als_ deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon +dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en +later ingang vond, dan bij gene. + +Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar +voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de +met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met +heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame +woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en +oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit +geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die +uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg +100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen +ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die +hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element; +zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort +te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich +niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende +clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog +slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan +iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke +aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in +Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte +familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's +zijn, die elkander neef, oom en tante noemen. + +Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang +der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen +toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op +de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige +volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die +zij nu, tengevolge _der eigenaardigheid van haar karakter_, in de +geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt. + +Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover +de andere volken van Europa tamelijk _passief_ gedragen. Sedert zij +hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert +zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan +ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit, +en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij +als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer +weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in +Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in +Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen, +de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa +vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken. + +Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen +van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche +volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene _innerlijke_ +nationaliteits-vragen _voor zich_, en alleen buiten Europa, aan gene +zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën, +waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende +kracht doen zijn. + +Met betrekking tot ons _Europa_, doen de Engelschen zich als +eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich +met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering, +namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze +hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij +gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel +van hun "_home_" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen +op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten, +wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en +daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van +Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar, +Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met +een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven. + +Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen, +het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de +vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom +ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel +afkeerig van _directe_ inmenging in de zaken van vreemde natiën, +_indirect_ in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen, +hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of +de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie. + +Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij +noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij +treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen +geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale +hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet +bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor +fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk, +de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of +onverschilligheid, dan haat of sympathie. + +Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot +hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de +verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er +door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale +smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was, +toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren, +of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18] + +Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij +zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door +buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang +durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw +hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs +slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in +het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich +zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover +bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne +toestanden gemaakt. + +Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de +andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd +naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke +constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal, +waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche +eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van +spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd +ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche +maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner +macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen _kanon_ +meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld +vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat +in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen _woord_ +zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond, +en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der +kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne +taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner +gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met +ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers, +de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken, +iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen +datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende _voorbeeld_, +dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging, +die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet +breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken, +dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis +der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw, +naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "_Engelsche +tijdperk_" noemen zal. + +In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer +men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele +en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder +zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben. + +De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten +van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga, +Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige +er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in +de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te +Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand +uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van +Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche +voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere +zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der +Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers, +in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te +vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere +zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije +vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn, +om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen. + +Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun +dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe +handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne +vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan, +door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door +de Engelschen voor het overige Europa opengezet. + +Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche +handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige +handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der +privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der +belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en, +met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele +stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel +strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond, +de Elbe en de Wezer nog niet gevallen. + +Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele +voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is +vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds +vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen, +de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw, +waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de +mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen +onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam, +den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd +te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de +door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan +zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere +industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch, +echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft. + +Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren +geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die +de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich +bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's +tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en +invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der +Europeanen ingevoerd. + +In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de +verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging +der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan +eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek- +en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen +dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen +van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de +grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De +meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij +van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme +Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van +de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote +veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne +Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen, +de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische +inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen, +de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze +waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid +te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke +uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters, +in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En +datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren +tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste, +tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot +staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence +in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen, +heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te +vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen +door hare Gothische kerken. + +Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend +enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige +taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele +bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld +vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige, +werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het +idealische en schoone gericht is. + +"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn +roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij +hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt: +"_to scorn delights and live laborious days_" (vermaken te versmaden +om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben +het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in +het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche +uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in +hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven +der Duitschers. De Engelschen hebben de "_useful pleasures_" (nuttige +genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn +leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn +de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig +Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche +wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even +algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige +gladiatoren-spelen en dierengevechten. + +Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht +is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid, +dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin, +een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische +kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het +geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn, +ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen, +hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen +zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal +tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den +nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode. + +De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich +zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht +af. In alle _alleen_ schoone en vrije kunsten, staan zij bij de +andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets +wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek +bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende, +lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de +meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen +van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half +droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers +de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd +blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben +zij veel te veel _gevoel van eigenwaarde_. "In een door Engelschen +bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn +eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te +spelen," "_avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste +anglais_." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn. + +Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene +natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten +voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een +Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen +David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover +stellen kan. + +In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen +slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook +heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren +die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle +mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne +waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van +eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in +het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als +het geliefkoosde "_watercolourpainting_," bloeien bij hen welig. De +grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets +idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls +zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne +phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag, +aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren, +aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar +iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen +moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische +producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps. + +Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten +zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige +levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne +bekoorlijke _cottages_, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid +met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te +verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle +Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook +de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het +wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote +natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan +het hoofd, maken een armzalig figuur. + +Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten +voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren +tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren +hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met +deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan +is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den +aankoop der producten van _andere_ volken, den bloei der kunsten op +_zijne wijze_ te bevorderen. + +Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun +klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden +zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in +eene lichtere stof, die echter Horatius _aere perennius_ (duurzamer +dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het +ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de +Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog +hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen +ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste +idiomen van het nieuwere Europa. + +Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de +schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat, +even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en +in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche +en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie, +deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de +Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is. + +Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de +uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook +bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere +talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip +verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der +fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen +taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in +hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik +van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in +het Engelsch woordenboek." + +Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich +gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo +te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging +en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij +meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden. + +Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal +zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote, +nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol +geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene +taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk +gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene +menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan, +maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen +en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden. + +Even als de Engelschen in de _trans-oceanische_ wereld, de buitengewone +bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne _zeevaarders_, +kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze +gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te +danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene +afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig +ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en _voedzame_ vruchten. + +Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig +gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene +natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische +gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat +en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij +en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift, +zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te +overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen +en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden +en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één +opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de +natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld, +geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer +oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd, +dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even +bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de +groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon +hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van +hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt. + +"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en +andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen, +zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven, +even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De +Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een +geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen, +om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen +plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche, +correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn +fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven." + +De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft +voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene +zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene +eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen, +dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt +van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde +eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms +tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling +bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden +voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als +een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen. + +In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls +ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland +staat de _waarheid_ zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en +ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den +hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs +met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met +toegevendheid. + +Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije +staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken +en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici +bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De +geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste +verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne +kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus, +Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed +opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te +vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale +schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in +het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig +vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden, +waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen, +eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek, +saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat +kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan. + +Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en +door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der +literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste +tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden +zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren +is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben +ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden +met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van +alle _buitenlandsche_ geschiedenissen, hebben zij geene meer en +beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de +schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret, +zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met +voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is +overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen. + + + +Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering, +heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te +voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de _historische +roman_ en de _familie-roman_, beide om zoo te zeggen soorten van +wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort +van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De _Engelschen_ echter +overtreffen _daarin_ allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet, +Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als +onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne +Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen, +om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het +buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland +zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen +en nagevolgd. + + + +Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk +uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij +tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en +door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben, +naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus +ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift +ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen +onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier +Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne, +in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd +waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der +wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën, +de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele +Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen +en kweekelingen van kooplieden. + +De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden, +dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden, +waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote +voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de +in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig +dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het +landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën, +zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in +hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor +het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij +de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden +als _steedsche_ gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de +Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken +doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen +en het _leven genieten_. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige +samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn +wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën, +meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur +gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons +daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve +eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van +wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben. + +De _practische_ landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij +is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang +voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig, +iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het +glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks +een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met +voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe +dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz., +zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst, +om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het +doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit, +worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons +geheel vasteland verspreid. + +Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde +nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst +hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche +volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch, +iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche +tuin-terrassen, aan de Fransche boom-_poorten_, loof-_pyramiden_ en +bladen-_wanden_. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug, +en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen +en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der +moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken, +de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke +bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom +aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of +te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit +krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak +in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over +geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een +natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke +natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden, +in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is. + +Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde, +om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten +zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der +Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge +Noorden te plaatsen. _Dien ten gevolge_--en ook ten gevolge zijner +uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten +der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht +dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld, +en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen, +sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door +Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare +bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder +wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft +ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij +ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij. + +Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter, +hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag +inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken +geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen +hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons +in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest. + +Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne +kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen +gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder +sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk +lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen, +hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die +wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der +engsluitende Fransche kleeding bevrijd. + +Er zijn volken in Europa, die _in het geheel_ geen of slechts een +_geringen_ invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad +hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten, +hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de +Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene +kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne +namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang +brachten. + +Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het +substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal +tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in +de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm, +maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid +van het voedingsmiddel. + +De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige, +soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst +en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne +vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht +aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het +vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld +het porter-bier, is een vloeibaar voedsel. + +In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der +Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou +het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking) +nog meer aan dien invloed toegaven. + +Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den +Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner +nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik +den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig +labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken +aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door +een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit +onuitputtelijk thema trachten te ontkomen. + + + + + + +DE ZWEDEN, NOORWEGERS EN DENEN. + + +Uit steen en erts gebouwd, om zoo te zeggen één enkel kolossaal van +vele kloven voorzien graniet- en ijzerblok--strekt zich het groote +Skandinavische schiereiland ver in het ijs en het schemerlicht der +poolstreken uit.--Zich in de gedaante eener groote halve maan van +ons werelddeel losmakende, zweeft zij als een getrokken zwaard over +het middelste lichaam van Europa heen.--Aan alle zijden is het door +zeewater omgeven, en slechts een gedeelte is door uitgestrekte +sneeuwvelden met het overige vasteland verbonden, zooals zulks +gedeeltelijk ten Zuiden bij Denemarken, gedeeltelijk ten Oosten +bij Finland, door eilanden groepen, die als bruggen zouden kunnen +beschouwd worden, geschiedt. + +Van het Zuiden naar het Noorden gaande--in tegenstelling met het +van het Oosten naar het Westen loopende hoofdgedeelte van ons +vasteland--gaat het door 20 breedtegraden, 300 mijlen opwaarts tot +in die streken, waar men aardappelen en erwten in bloempotten moet +aankweeken, en strekt zich tot hoogere parallellen uit, dan zelfs +het land der Samojeden, waar men alleen onder den grond bescherming +vindt tegen koude en orkanen. Met recht noemen wij Europeanen het dus, +bij voorkeur "_het Noorden_" van ons werelddeel, en zeer opmerkelijk +is het, dat de Romeinen, toen zij dat zoo eigenaardige land het eerst +leerden kennen, het "_eene andere wereld_" noemden. + +Even als een oude, knoestige en rimpelige eik boven het lage hout der +elzen- en hazelnooten-boschjes uitsteekt, zoo steekt dit Noordsche +gletscherrots- en Alpengebied, boven de lage vlaklanden uit, die +aan gene zijde der zee er in het Zuiden en Oosten om heen gelegen +zijn. En als een eik heeft het van oudsher in zijne geïsoleerdheid, +vrij, eigenaardig en onafhankelijk daar gestaan, zelden lijdende van de +volksoverstroomingen en veranderingen, die het hoofdlichaam van Europa +doorwoelden, en daarvan slechts de laatste golfslagen gevoelende; +daarentegen heeft het van zijn hoogen zetel, dikwijls op de lotgevallen +van het Zuiden ingewerkt en genoemde stormen zelfs aangeblazen. + +Even als door het geheele Oosten van ons werelddeel heen, zoo +hadden ook de eerste herders- en jagersvolken van den Finschen stam, +reeds in overoude tijden, den weg naar de bosschen en bergkloven van +Skandinavië gevonden en daar hunne rookerige hutten gebouwd. Nog heden +ten dage beroemen de Lappen, de broeders der Finnen, er zich op, dat +zij het oudste volk in het Zweedsche rijk zijn, en dat het geheele +land hun eens toebehoord heeft. Deze Lappen zijn waarschijnlijk de +overblijfselen der merkwaardige Aborigines, van die oorspronkelijke +bevolkingsstof, waarop de sagen der tegenwoordige Germaansche +Skandinaviërs wijzen, en wier met gras begroeide grafheuvelen wij +overal in het land, naast de heldengraven hunner nakomelingen, +verstrooid vinden. De latere Germanen, die het land binnentrokken, +roeiden die Finnen of Lappen ten deele uit, of dreven hen naar het +hoogste Noorden terug. + +Dat daarbij ook een deel der oorspronkelijke bewoners met de +Germaansche stammen versmolt, bewijst de Zweedsche taal, die een +groot getal uitdrukkingen voor huisraad en visschers gereedschap, +aan het Finsch en Lapsch ontleend heeft. Ook merkt men hier en +daar in het Noorden van Skandinavië, dal-bevolkingen op, die in +lichaamsbouw en gelaat duidelijk het Finsche of Lapsche type hebben, +ofschoon zij nu Noorweegsch of Zweedsch spreken. Ook de Loffodische +eilanden, bij Noorwegen, zijn, naar men meent, nog heden door zulk een +Germaansch-Finsch volk bewoond. De tijd, waarin deze zaken voorbereid +werden, ligt buiten het bereik der geschiedenis. Wij weten noch +wanneer, noch hoe en langs welken weg die Germaansche inval plaats +had. De eigenaardigheid van het afgelegene en door zeeën afgescheidene +groote land, waarin zij kwamen, moest de daarheen trekkende Germanen, +wanneer zij het van nature niet reeds waren, tot een bijzonder, +van de overige Germanen verschillend volk maken. + +Men kan zeggen, dat al het in Europa door Germanen bewoonde land, +geographisch uit twee hoofddeelen bestaat, uit het groote in het +midden van Europa tusschen de Noordzee en de Middellandsche zee +ingewrongene stuk (Duitschland) en uit het even groote door de zee +daarvan gescheidene, Noordsche schiereiland. Dat in deze beide groote, +zulk een scherp contrast met elkander makende, gedeelten van het +Germaansch Europa, zich ook twee groote takken van den volksstam, een +Noord-Germaansche (of zooals de Skandinaviërs zelven liever zeggen +_Gothische_) en een Zuid-Germaansche of Duitsche tak, òf vormen +moesten, òf moesten blijven bestaan, was, zeg ik, zeer natuurlijk. + +Behalve de oorspronkelijke Lappen of Finnen en de het land +binnengetrokkene Germanen, weten wij van geen ander eenigzins gewichtig +volk af, dat zich blijvend op het groote schiereiland nedergezet of +uitgebreid heeft. De ethnographische geschiedenis der Skandinaviërs is +daarom vrij eenvoudig. Al die ontelbare volken-vermengingen in al de +overige gedeelten van Europa, hebben het, buiten de bewegings-richting +liggende, Skandinavië niet aangedaan. Nooit is het, na die eerste +Germaansche verovering, andermaal door vreemden bezet of zelfs +gekoloniseerd geworden. + +Phenicische zeevaarders zouden echter, naar de meening van een +nieuweren Zweedschen onderzoeker, tot naar Skandinavië doorgedrongen +zijn, en daar menig spoor hunner aanwezigheid achtergelaten +hebben. Hunne inwerking was echter in alle geval noch van zoo +ingrijpenden aard, noch zoo langdurig, als b.v. in Spanje. De Grieken +hebben hier geene handelskantoren of factorijen gehad. Romeinsche +soldaten of kolonisten hebben het land nooit onderworpen. Vooral +ook is het schier van alle latere Aziatische en Oostersche invallen +bevrijd gebleven. Nooit is het--zooals Duitschland en zelfs Frankrijk +somwijlen--door de invallen der Hunnen, Mongolen, Turken en Tataren +verontrust geworden. Ook de Slawen, die bij massa's tot in het hart +van Duitschland doordrongen, deden dit Noorden slechts even terloops +aan. Zelfs van de overal zijne vertakkingen hebbende immigratie +der Israëlieten, en de door hen veroorzaakte harrewarrerijen en +vermengingen, is dit land vrij gebleven. En in dit, evenals nog in +menig ander opzicht, is dit land eenig in Europa. + +Bezwaarlijk zal men ergens anders een minder vermengd oud ras, een +oorspronkelijker Indo-Germaansch volk vinden, dan in Skandinavië, in +welks granietrotsen en gebergten ook, even als in zijne bevolking, de +oorspronkelijke vormingen zichtbaar zijn, terwijl deze, in zuidelijker +gelegene landen, door vele jongere vervormingen bedekt zijn. Vooral +is dit Noorden, in menigerlei opzicht, de oud-Germaansche geaardheid +trouwer gebleven, dan het Duitsche hoofdland zelf, en is het in +verscheidene opzichten de bewaarplaats en beschermer der traditiën van +den geheelen grooten Duitschen stam geworden. Dààr bleven de mythen van +den ouden Odins-dienst zeer lang bestaan. Dààr weerklonken nog langer +de vroegste helden-liederen en sagen, die misschien nog zinspelen +op de daden der Germanen onder de Asen [19] en in Azië, en die naar +de getuigenis van den Gooth Jornandes, [20] eens ook in den mond der +stammen van Duitschland zelf leefden. Dààr ook, aan gene zijde van de +Belten en van den Sond, vindt men nog onveranderder dan ergens anders, +de goudgele lokken, de helder blauwe oogen, de slanke taille, de hooge +gestalte der oude Germanen, die eens door Tacitus geschilderd werden. + +Hoe ongedeerd, volgens dit alles, dit land van buiten gebleven is, +zoo weinig rust heeft het van vroege tijden af inwendig genoten. Reeds +zijne oudste geschiedenis is zoo rijk aan omwentelingen, aan bloedige +burger- en broederoorlogen, als eenig ander land. De verschillende +stammen, waarin de Skandinaviërs verdeeld waren, waren over en weer +dikwijls met elkander in oorlog, en hebben meer dan één vreeselijken +Brawalla-slag [21] onder elkander gevochten, waarvan het aandenken +en de helden die er in uitmuntten, in hunne liederen gevierd werden, +als waren het zegepralen over vreemdelingen. Deze inwendige, van de +vroegste tijden af dagteekenende, wijzingen en vijandelijkheden,--de +rustelooze en ondernemende zin van het volk--de karige en armelijke +natuur van het land, die de bewoners wel verstaalde en verhardde, +maar dikwijls met hongersnood en ellende plaagde, hebben dien ten +gevolge dikwijls tot verhuizingen en krijgstochten naar den vreemde +aanleiding gegeven. + +Af en toe hebben zich de onrustige onweerswolken van het Noorden +ontladen en zich, van uit het machtige schiereiland, naar alle zijden +heen doen gevoelen, en tengevolge daarvan hebben de Skandinaviërs, +in het overig Europa veel meer verwoestingen aangericht en er veel +meer koloniën heen _gezonden_, dan zij van daar _ontvingen_. + +Deze tochten der Skandinaviërs naar het buitenland waren vermoedelijk +overoude, dikwijls herhaalde gebeurtenissen. Want reeds Tacitus +vermeldt in de eerste eeuw na de geboorte van Christus, dat Suionen +(Zweden, Skandinaviërs) sterk door hun getal, door hunne wapens en +vloten waren. De Germaansche kolonisten, die de Romeinen, reeds lang +voor de Anglo-Saksers het land binnentrokken, in Schotland vonden, +zijn misschien wel uit Skandinavië overgekomen. Ook zou voor Christus +geboorte, de beroemde tocht der Cimbren en Teutonen,--die, zooals het +heet, door overbevolking, honger en watersnood veroorzaakt werd,--in +Skandinavië zijn oorsprong gevonden hebben. + +Even als de tocht der Cimbren en Teutonen, zoo willen de Skandinavische +patriotten, de geheele verdienste en ook de geheele verantwoording +der zoogenaamde volks-verhuizing op zich nemen. Zij beweren, +dat niet alleen de Oost- en West-Gothen, maar ook de Longobarden +en de Vandalen, ja zelfs ook de Franken en de Saksers, of toch +ten minste de Koningen, stichters en helden dezer volkenbonden +uit Skandinavië, deze, zooals zij het noemen, wieg en werkplaats +van tallooze volksstammen, af te leiden zijn. Zij hebben zelfs het +portret van den Oost-Gothischen Koning Theodorik, te Upsala onder de +rij portretten van Zweedsche Koningen opgenomen, en hebben daar ook +den beroemden zilveren codex, het kostbare met zilveren letters op +purperkleurig perkament geschreven brokstuk, van het oude in Duitsche +(Gothische) taal opgestelde boek, als iets wat hun het meest aanging, +bewaard; ofschoon juist dit boek, waarvan de taal veel meer met het +Hoog-Duitsch dan met het Skandinavisch gemeen heeft, het best bewijst, +dat de Gothen der volks-verhuizing die het schreven, niets minder +dan Gothen uit Skandinavië of minstens dit zeker niet _uitsluitend_ +en in hoofdzaak waren. + +De volksverhuizing, die de oorzaak van den ondergang van het Romeinsche +rijk was, was veeleer een uitspruitsel der groote beweging van het +geheele Germaansche Europa, en waarschijnlijk had hierop,--niet, +zooals de Zweden en Denen meenen, op het altijd slechts schaars +bevolkte Skandinavië _alleen_,--dikwijls herhaalde uitdrukking van een +Romeinschen schrijver, als hij spreekt over _de wieg en de werkplaatsen +der volkeren_, betrekking. Bezwaarlijk zal zich nu nog het aandeel, +dat de Skandinaviërs aan die, de wereld in rep en roer brengende +gebeurtenissen hadden, laten onderscheiden van het aandeel dat de +eigenlijke Duitschers daaraan namen. + +Veel meer uitsluitend Skandinavisch en veel belangrijker in +hare gevolgen en voor ons onderwerp, was eene tweede reeks van +onweersbuien en volks-ontladingen uit het Noorden, die eerst begon, +nadat de stormen in het hart van Europa waren gaan liggen, al de door +elkander woelende natiën hare vaste woonplaatsen reeds ingenomen en +duurzame Christelijke rijken gegrondvest hadden. + +Een geheele stilstand en volkomen vrede, zal bij de Skandinaviërs tot +op de groote, zoogenaamde _Wikinger-_ of _Nooren-tochten_, die ten +tijde van Karel den Groote een aanvang namen, wel nooit geheerscht +hebben.--Hongersnood, inwendige verdeeldheid en andere oorzaken tot +tochten op den Oceaan, vond men daar voortdurend. Ook was het in +het Noorden een oud gebruik, dat het jongere volk, daartoe door het +lot aangewezen, zijn geluk als "Vikinger" (krijgslieden) in vreemde +landen zoeken moest. Maar in rustige tijden bepaalden die zich tot +de nabuurschap. + +Waardoor deze, van oudsher dagteekenende Wikinger-tochten, in het +aangegevene tijdperk, een zoo grooten sprong en uitbreiding namen, +dat zij, om zoo te zeggen, het geheele werelddeel als eene algemeene +branding bestormden, is ten deele uit den toenmaligen toestand +van Europa, ten deele uit bijzonder sterke innerlijke bewegingen +in Skandinavië zelf, te verklaren.--Het Christendom, dat bij zijne +aankomst overal stormen verwekte, drong toen ten tijde het Noorden +binnen en te gelijk de vorming eener overwegende, vereenigende, +koninklijke- en staatsmacht.--Dit nu dreef de kleine stamhoofden of +zeekoningen en hunne zonen, die noch hun oud Odinsgeloof, noch hunne +even zoo oude persoonlijke onafhankelijkheid wilden opgeven, meer dan +ooit naar de zee, en wel met het bepaalde doel, niet zooals vroeger +alleen om te plunderen, maar ook om hun oud, door die nieuwigheden +aangetast vaderland te verlaten, en zich in het overig Europa nieuwe +_vaderlanden_ te veroveren. + +Dit overig Europa echter was toen, na de oplossing van het groote +Karolingische huis, in een toestand van erge ontbinding.--Vooral was +het zwak ter zee; alle staten waren zonder vloten, de kusten zonder +verdediging. Op de geheele Middellandsche Zee heerschten de Arabieren, +de vijanden van het Christendom, en even als deze in het Zuiden, zoo +vulden de zeevaartkundige Noormannen weldra de geheele Noordzee met +al hare zeeboezems en kusten.--Tuk op schatten, voeren zij in kleine, +onder het kommando van stoute zeekoningen vereenigde eskaders, door +alle wateren, en vonden zij den waterweg naar Spanje en tot naar de +Middellandsche Zee. Als eene eeuwig dreigende onweerswolk, waaruit +men ieder oogenblik hagel en bliksem verwachten kon, verbreidde zich +het woeste Skandinavendom over den Oceaan. "Als zee-monsters stortten +zij uit de golven op de landen, drongen de mondingen der stroomen +van Duitschland, Frankrijk, Engeland, ja! van alle andere landen +binnen, en rukten, overal roovende en verwoesting aanbrengende, +diep landwaarts in. + +Verscheidene landstreken plunderden en verwoestten zij slechts, +herhaalde malen in den loop van tweehonderd jaren, zonder daar +blijvende koloniën te stichten. In andere streken echter kregen zij +vasten voet en stichtten zij--zooals in Groot-Brittanje, Frankrijk, +Rusland en eindelijk in Zuid-Italië--nieuwe en zeer merkwaardige +rijken. + +In Rusland hadden zij reeds zeer vroeg, duurzame en dikwijls +bezochte handels-koloniën. Zij--daar "Waräger" (bondgenooten) +genoemd,--marcheerden onder hunnen "Rürik" en zijne broeders en +strijdmakkers, in herhaalde tochten dwars door de geheele breedte +van het groote land, zeilden uit de mondingen zijner rivieren +Zuidwaarts naar de Zwarte zee, en grepen van die zijde herhaalde +malen Constantinopel aan, waar zich aan het hof der Byzantijnsche +Keizers, ten slotte een blijvende lijfwacht van Noormansche trawanten +vormde. Zij bouwden in Rusland ook steden, en de oudste Russische staat +dien zij stichtten, schijnt zijne kracht en levensduurzaamheid aan +den geest der bestuurders, wetgevers en veldheeren van Noormanschen +oorsprong ontleend te hebben.--Niettemin is de Skandinavische +nationaliteit, in het hart van Rusland, spoedig in de Slawische +weder ondergegaan. Alleen hebben eenige oude Russische familiën zich +nog lang, op hunne Noormansche afstamming uit de familie van Rürik, +beroemd; ook dragen de "Russen" en "Rusland" zelf nu nog een naam, +die van Skandinavisch-Germaanschen oorsprong is. + +De Britsche eilanden, die zeer dicht bij hen aan de andere zijde +van hunne West-Zee lagen, behandelden de Skandinavische zee-koningen +gedurende twee eeuwen, om zoo te zeggen, als een deel hunner domeinen, +die zij ieder jaar een onafgebroken schatting afpersten.--In schier +alle kuststeden van Schotland, Ierland en Engeland nestelden zij zich +vast, en hadden zij hunne legerplaatsen overal in de rondte aan de +oevers. Eindelijk veroverden de groote Denen-Koningen Sueno en Kanut +zelfs het geheele eilanden-rijk, en beheerschten het een tijdlang, +tot zij het weder aan de dikwijls in opstand gekomene Anglo-Saksers +verloren. + +Van dien Deenschen tijd zijn vele gewoonten en eigenaardigheden +afkomstig, die de Engelschen met de Skandinaviërs gemeen hebben. Ook +vindt men sedert dien tijd in de Noordelijke provinciën van +Engeland, b.v. in Northumberland en in het noordelijk Schotland, +nog heden in de gebruiken, de taal en het uiterlijk type van het +landvolk veel Skandinavisch.--De tot Engeland behoorende Orkneys en +Shettlands-eilanden zijn sinds dien tijd bijna geheel door een volkje +van Skandinavische afkomst bewoond geweest, waarbij ook nu nog een +Noorweegsch dialect van het zoogenaamde "Norse" ten deele in gebruik +is. Hetzelfde geldt ook van de kleine groep der 25 Schapen-eilanden +of Färoër, in wier nevelrijke bergdalen en steeds bedauwde weiden, +een eenvoudig, flink, Noorweegsch menschenslag van vischvangst en +schapenteelt leeft. + +Even als in Rusland en Groot-Brittanje, zoo is ook in Frankrijk de +naam der Noormannen groot geworden.--Bij hunne dikwijls herhaalde +invallen in de monden der Seine, die naar de rijke, dikwijls door +hen geplunderde stad Parijs voert, hadden zij zich daar eindelijk +vastgenesteld, en dat merkwaardige Hertogdom gesticht, waarin hun +krachtige Noorsche geest grootere dingen gewrocht heeft dan ergens +anders, en dat nog heden naar hen Normandië heet.--Ofschoon, wat +taal en zeden betreft, zij spoedig in Franschen veranderd werden, +bleef de heldhaftige ondernemingsgeest der ridders van Normandië, +nog langen tijd geheel Noordsch-Germaansch en was dat zelfs nog, +toen zij onder Willem den Veroveraar Engeland binnentrokken. Ook +veel later nog, openbaarde het Germaansche karakter in deze Fransche +provincie, zich nog in vele zaken. En zelfs nog heden ten dage, +lacht den Germaanschen reiziger in Normandië, om zoo te zeggen, iets +vaderlandsch tegen. Industrie, ontwikkeling, landbouw en de physionomie +door hen aan het land gegeven, zijn in hooge mate Germaansch. Dat de +bewoners van het Fransche Normandië nog heden, om hunnen strijdlust +en om hunne zucht tot processen te voeren bekend zijn; dat zij, ten +tijde der Hugenoten, het protestantisme bijzonder toegenegen waren, +is volgens sommigen een naklank uit het Germanendom. Ook dat Frankrijk +van oudsher uit Normandie zijne uitstekendste en meest volhardende +zeelieden kreeg, en dat zijne beroemdste admiraals en vlootvoogden +inboorlingen van Normandie waren, schrijft men aan hunne afstamming +van de landslieden der "Zee Koningen" toe. Ook hoort men nog heden +meermalen de Franschen hunne landgenooten uit Normandie, als wilden zij +aan hunnen oorsprong uit het Noorden herinneren, _les froids Normans_ +(de koude Noormannen) noemen. + +Ook tot in het hart van Duitschland drongen toen de koene en +ruwe mannen uit het Noorden door. De Rijnsteden brandschattende, +voeren zij herhaalde malen den Rijn op, zoover als zij met hunne +kleine schepen komen konden.--Bij die tochten kregen zij zelfs het +verhevene Gletscher- en Alpenland, Zwitserland, in het gezicht en +daar dit hun eenige gelijkenis scheen te hebben met hun vaderland, +zoo besloten de aanvoerders van een hunner strooptochten, zich daar +neder te zetten. Zij kozen daartoe, het nu zoogenoemde "Ober-Hasli-dal, +eenige nevendalen van het Berner-Oberland en de landstreken aan het +Vierwaldstädter-meer. Daar leeft nog heden ten dage een bijzonder +fraaie en flinke Noordsche volksstam, die, zooals ik bij het +behandelen der Zwitsers opmerkte, tot op den huidigen dag de sage +zijner afstamming van de Noormannen bewaard heeft. De beste Zweedsche +geschiedschrijver, Geyer, gelooft aan deze sage. Ook den naam van het +kanton Schwijz en die van het geheele land Zwitserland ("Schweiz") +heeft men van den naam "Zweden" (Suita) afgeleid. Zoo heeft men ook +de omstandigheid, dat de sage van Willem Tell in Skandinavië eveneens, +met hetzelfde appelschot, met denzelfden voor een tyran bestemden pijl, +verhaald wordt als in Zwitserland, met dit indringen der Noormannen in +de Alpendalen in verbinding gebracht. Oorspronkelijk zou deze mythische +Willem Tell (daar "Palnatoke" geheeten) in de bergen tusschen Zweden +en Noorwegen te huis behooren. + +Dat in de Alpen, in het zoo nabij het Hasli-dal gelegen Wallis, +ook de Noordelijkste sporen der aanwezigheid van de Saraceenen of +Arabieren uit het Zuiden gevonden worden, is boven reeds medegedeeld, +en zoo hebben dus deze ver verspreide tijdgenooten, de Noormannen +en de Arabieren, in de binnenste kern van het Centraal-gebergte, +waaruit onze rivieren ontspringen, elkander even zoo ontmoet als op +de Middellandsche Zee. + +De zonderlingste ondernemingen echter, die de Noormannen omstreeks +dezen tijd in het Noord-Westen van Europa uitvoerden, golden het ver +afgelegene Thule, het groote door vulkanen gekliefde en met ijs bedekte +eiland IJsland.--Daar schiepen zij, om zoo te zeggen, een geheel +nieuw land en volk, stichtten en bevolkten eene hoogst merkwaardige +republiek, wier burgers door heldenzin, poëzie en ontwikkeling, boven +alle Skandinaviërs der 10de eeuw bijzonder uitmuntten.--Ofschoon deze +eens onafhankelijke Skandinavische vrijstaat op IJsland, later aan +de Noorweegsche en vervolgens aan de Deensche Koningen onderworpen +geraakte, en onder hunne heerschappij tot onbeduidendheid verzonk, +zoo zijn toch in taal, sagen, gezangen en in de oude geschriften van +die afgelegenste aller Europeesche landen, de oudste overleveringen, de +edelste taalschatten en historische heiligdommen van de Skandinavische +volken beter bewaard gebleven dan ergens anders; eerst in lateren +tijd zijn zij weder van onder het stof te voorschijn gebracht, om zoo +te zeggen van onder sneeuw en ijs voor den dag gehaald [22] om menig +duister punt in de geschiedenis van den geheelen Germaanschen volksstam +op te helderen.--De IJslanders, die niet alle latere omwentelingen +en veranderingen der Skandinaviërs medemaakten, spreken nog heden de +primitieve Noordsche taal het zuiverst, verstaan gemakkelijk het oude, +harde, ruwe Lapidair-schrift [23] der Edda (d.i. stammoeder) en lezen +daarin, in den walm en het schemerdonker hunner houten hutten zittende, +met den meesten ijver de heldendaden hunner voorouders. + +Van uit IJsland bereikten reeds toen de Noormannen ook Groenland, +en oogstten zelfs den roem in, eener ontdekking en betreding van het +nieuwe vasteland van Amerika, lang voor Columbus [24]. + +De tijd, waarin zich dit schilderij van den grooten invloed der +Skandinavische Noormannen ontvouwde, mogen wij in ronde cijfers, +omstreeks het jaar 1000 n. Chr. vaststellen. + +Toen hadden zij ons geheele vasteland in hunne netten ingesponnen, en +waren er, om zoo te zeggen alom tegenwoordig, even als hun element, +de overal in het land binnenkijkende Oceaan.--Zij trokken Europa om +van de tundra [25] der Samojeden, tot de straat van Gibraltar en van +deze Oostwaarts tot het Heilige land en tot den Pontus Euxinus, en +vervolgens van dezen, zooals gezegd is, dwars door het breede Rusland +weder terug tot hun Noordsch vaderland.--Als gebieders zetelden zij +overal op de uiterste punten van het werelddeel, bij de Noordkaap en +bij het Zuidelijk uiteinde van Italië, en hadden zij bovendien vele +eilanden en punten van Groot-Brittanje en Gallië in hun bezit.--Wanneer +ook al niet overal als _land_-heeren, zoo mochten zij toch alle havens +van het werelddeel, als _zee_-heeren vrij binnenloopen, en op alle +punten der kusten, als de schrik der bevolking, ongehinderd hunnen +voet zetten. + +Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na +hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om +zoo te zeggen, in handen gehad.--Waren zij niet de _membra disjecta_ +[26] van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele +staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als +eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid +van Europa geworden zijn.--Langzamerhand echter verminderde de kracht +en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde +vaderland. Toen de andere staten en volken--ten deele zelfs met +_behulp_ dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche +emigranten en van hunnen frisschen geest--zich weder vermanden; +toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het +christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën--het +eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der +beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens +in Noorwegen en ook in Zweden,--zich bevestigd en den wilden zin der +stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke +bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar +het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden +op.--Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En +eene _dergelijke_ grootsche periode van roem en grooten invloed, +heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd. + +Wel is de stroom ook later nog herhaalde malen buiten zijne +oevers getreden, maar deze overstroomingen bepaalden zich tot een +kleiner gebied. Het meest ontmoeten wij na den tijd der Wikinger, +de Skandinaviërs aan de overzijde der Baltische zee, op den sedert +overoude tijden door hen bewandelden weg naar het Oosten, waar hunne +voorvaderen het groote Rusland gesticht hadden.--Hunne nationale +oorlogen tegen de Finsche stammen voortzettende, veroverden en +bevolkten de Zweden daar, in de 12de eeuw, het geheele groote +schiereiland Finland, dat zij met Skandinavische kolonisten vulden, +en bijna 600 jaren lang als een integreerend deel van hun eigen rijk +beheerschten.--Zij verloren deze groote provincie eerst in het begin +dezer eeuw aan Rusland, maar tot op den huidigen dag zijn Zweedsche +wetten, taal en zeden daar nog van kracht.--De kusten van het nu +Russische Finland, zijn overal in de rondte door Zweedsche steden en +Zweedsche bevolking omzoomd, terwijl het binnenste gedeelte, ofschoon +door de Zweden voor de Luthersche kerk gewonnen, nog door de Finnen +bewoond wordt. + +Ook de andere, nu Russische Oostzee-provinciën, zijn door de +Skandinaviërs, zooals vermoedelijk _dikwijls_ in oude tijden, zoo ook +in de latere eeuwen nog herhaalde malen meer of minder lang beheerscht +geworden; zoo Esthland het eerst door de Denen in de 13de eeuw, later +weder door de Zweden in de 16de en 17de eeuw tot op Peter den Groote; +en even zoo ook Lijfland (maar niet zoo lang) in de 17de eeuw door de +Zweden. Ja! in het begin der 18de eeuw, scheen het een oogenblik, alsof +een tweede Rurik, een karakter dat zeer veel overeenkomst had met dat +der oude Wikingers en Warägers, de avontuurlijke en heldhaftige Karel + XII, die langs de oude wegen der Noormannen, Rusland diep binnendrong, +zich gereed maakte, daar een nieuw Noormannenrijk te stichten. In de +stamlijsten van den Duitschen adel der Russische Oostzee-provinciën, +vindt men sedert dien tijd nog menige familie van Zweedschen naam +en oorsprong, opgeschreven. Ook bevinden zich langs de kusten van +Esthland, even als langs die van Engeland, eenige kleine eilanden, +waar nog ten huidige dage, onder Russischen schepter, Zweedsche +visschers en boeren wonen, die Zweedsche gewoonten huldigen en +Zweedsche taal spreken. + +Ook in de Zuidwaarts gelegene landen, in Polen en Duitschland, zijn +in latere tijden de Skandinaviërs meermalen binnengedrongen.--Van +Oldenburg, oostwaarts over Pommeren tot naar Koerland, is nauwelijks +ééne Noord-Duitsche stad of provincie te noemen, waarin niet een of +meermalen Denen of Zweden geheerscht, en die zij niet sedert de 12de +eeuw tijdelijk in bezit gehad hebben.--Daar behoorden ook de Polen +tot de erfvijanden der Zweden, waarmede zij dikwijls hunne zwaarden +kruisten, wier landen hunne legers meermalen binnen marcheerden, +en met wie zij ook eens, voor een korten tijd, in het einde der 16de +eeuw, onder denzelfden koning vereenigd waren. + +Het gewichtigst echter waren hier in het Zuiden, van oudsher de +verwikkelingen hunner aangelegenheden met die hunner oude Duitsche +stambroeders. Ja! van alle aanrakingen die zij met vreemden gehad +hebben, is van oudsher geene voor de Skandinaviërs van meer invloed +geweest, dan die met de Duitschers. + +Van Duitschland kregen zij het eerst het oude katholieke en later +ook het hervormde christendom. Door Duitschland werden zij, door het +Hanze-verbond, dat reeds in de 14de en 15de eeuw geheel Skandinavië +met koloniën en handelskantoren vulde, in den verkeers-kring van het +Zuiden getrokken, en werden hunne oude zeeroovers langzamerhand in +vreedzame, zegen aanbrengende handelaars veranderd. + +Ook hunne Koningen hebben zij dikwijls aan Duitsche familiën te danken; +de Zweden alleen vijf of zes maal. Vele adellijke geslachten werden +hun van Duitschland toegevoerd en steeds, tot op den jongsten tijd, +ontvingen zij van daar, meer steden-bewonende burgers, handwerkslieden +en kolonisten, dan uit eenig ander land van het werelddeel. De weinige +steden, die het aan steden arme Skandinavië bezit, werden met Duitsche +hulp gebouwd. Ook hebben ten gevolge van dit alles, in het geheele +Noorden, van oudsher de zeden, de ontwikkeling, de literatuur en de +omgangs-taal der Duitschers, zich meer aanzien en invloed verschaft, +dan die van eenig ander volk. + +Met betrekking tot kunsten en wetenschappen, maakten de Skandinaviërs +in zekeren zin slechts eene _provincie_ van Duitschland uit, welks +bewegingen zij altijd gevolgd zijn.--De geschiedenis van de poëzie +en literatuur der Zweden, Noorwegers en Denen, heeft bijna geheel +dezelfde tempo's, perioden en afdeelingen als die der Duitschers, +en sluit zich aan deze op gelijke wijze aan, als de geschiedenis van +de ontwikkeling der Portugeezen aan die der Spanjaarden, of als die +der Schotten aan die der Engelschen. _Met_ de Duitschers dommelden +zij nog in de 14de en 15de eeuw, toen de muzen der Romeinen reeds +lang ontwaakt waren. _Met_ de Duitschers ontwaakte hun geest tijdens +de kerkhervorming. _Even_ als bij de _Duitschers_, ontstonden ook +bij de Noord-Germanen, hunne moderne schrijf- en literatuur-talen, +uit de kerkelijke beweging, uit de bijbelvertaling. _Even_ als +de Duitschers zongen zij aanvankelijk in de 16de en 17de eeuw, +niet anders dan godsdienstige liederen en psalmen. Gelijktijdig +met de Duitschers, werd hun Parnassus, omstreeks het einde der +18de eeuw, bezield en verlevendigd door talenten en bloesems van +anderen aard. Hunne nationale en lievelingsdichters, de Denen Ewald, +Baggesen, Oehlenschläger, de Zweden Bellmann, Tegnér en Geijer, waren +de tijdgenooten en gedeeltelijk de vrienden van de Duitsche Schiller +en Goethe. Iets dergelijks laat zich van hun Thorwaldsen en Byström, +en van hun Linnaeus en Berzelius, met betrekking tot Duitsche mannen +van kunst en wetenschappen zeggen. + +Van minder gewicht is van oudsher, de terugwerking der Skandinaviërs op +de Duitschers geweest. Slechts eens hebben zij in latere tijden weder +krachtig in de geschiedenis der Duitschers ingegrepen, in de treurige +perioden van den dertigjarigen oorlog, toen hun edele koning Gustaaf +Adolf (die door Napoleon zelfs naast Hannibal, Cesar en Alexander den +Groote, als een der grootste veldheeren der wereldgeschiedenis werd +geplaatst) het Noordelijk Duitschland voor de overmacht van het huis +Habsburg, en voor het bijna reeds overwinnende Katholicisme redde, +en toen Zweedsche soldaten, Zweedsche nationale kleederdrachten en +zeden, in Duitschland even algemeen werden, als eene eeuw te voren de +Spaansche geweest waren. Maar ook deze zoogenaamde Zweedsche tijd in +Duitschland, heeft in de ontwikkeling en de taal van het volk slechts +weinige sporen achtergelaten die nog aangewezen kunnen worden. + +Nadat de Zweden in het begin dezer eeuw, hunne laatste uit den +dertigjarigen oorlog afkomstige bezitting ten zuiden der Oostzee, het +eiland Rügen en een gedeelte van Pommeren, verlaten hebben, zijn daar +van hen geene kolonisten en afstammelingen, geene taal overblijfselen, +overgebleven, wel misschien nog iets in de gebruiken dier streek, en +den hier en daar spreekwoordelijk geworden schrik voor den Zweedschen +naam, waarmede men nog heden ten dage in Pommeren de kinderen naar bed +jaagt. Skandinaviërs en Duitschers hebben zich hier overal duidelijk en +scherp van elkander afgescheiden, en hebben zich naar hunne natuurlijke +grenzen aan deze en gene zijde der zee teruggetrokken. + +Zooveel, wat betreft de punten van aanraking der Skandinaviërs met +vreemde volken, hunne koloniën, staat-stichtingen en zijtakken, +en hunne voetstappen, sporen en overblijfselen buiten hun +vaderland. Beschouwen wij hen nu in hun vaderland zelf, dan kan men +beginnen met te zeggen, dat het geheele Skandinavië, in hoofdzaak +ten gevolge van geographische- en historische verhoudingen, in drie +groote hoofd-landen en volken-groepen, die der Zweden, der Noorwegers +en der Denen, gesplitst is. + +Even als door de zee en de noordelijke ligging, van het overige der +wereld afgescheiden, zoo is het Skandinavische schiereiland over zijne +geheele lengte door een groote bergstreek in twee deelen gesplitst, +Oostelijk Zweden en Westelijk Noorwegen. + +Zweden is veel bergachtiger, hooger, boschachtiger dan het vlakke +Denemarken, maar vergeleken met Noorwegen schijnt het een laag heuvel- +en rotsplateau-land, dat vóór de groote Noorweegsche bergruggen +gelegen is. + +Terwijl Noorwegen en zijne kusten naar den Westelijken Oceaan +gekeerd zijn, is Zweden gekeerd naar het binnen-bekken der Oostzee, +en dit heeft een beslissenden invloed op de natuur der beide groote +helften van het schiereiland, en op de lotgevallen zijner bewoners +uitgeoefend. De eene helft, de Noorweegsche, is overal toegankelijk +voor de nevelen, de wolken, de gematigde winden der wereldzee, die +zich aan hare bergen legeren en die haar een zachten regenrijken +winter en vochtigen zomer, een eiland-klimaat geven.--De andere helft +daarentegen, de Zweedsche, ontvangt met open armen alle invloeden +van het Oosten, meer zonneschijn, meer helderheid, zeer koude en +scherpe winters en korte, heete zomers. Noorwegen is een der grootste +regenlanden van Europa, op Zweden daarentegen valt slechts een vierde +der Noorweegsche regenmassa. + +Het is gemakkelijk te begrijpen, dat wanneer ook al niet, beide zoo +opvallend van elkander verschillende streken, van den beginne af aan +door twee verschillende stammen _bewoond_ werden, zich toch ten slotte +een groot verschil in karakter en nationaliteit _vormen_ moest.--De +Noorwegers vooral waren het, die de groote daden der Skandinaviërs, +op de door hen zoo dikwijls bezongene zeeën, verrichtten. Van hen zijn +de meeste dier trans-oceanische Skandinavische koloniën in IJsland, +Groot-Brittanje enz. uitgegaan.--De Zweden daarentegen hebben zich +altijd in het breede, dicht voor hen liggende Oosten verdiept. Van +_hen_ vooral waren de _Waräger_ afkomstig, die tot Constantinopel +doordrongen en aan Rusland zijnen naam gaven. De koloniseering van +het groote Finland is hun werk. + +Aan de Denen kan men in dit opzicht onder de Skandinavische volken, +eene middel- en dubbele plaats toekennen. Aan de vereeniging van de +Oostzee met den Oceaan gevestigd, namen zij aan de beide richtingen der +werkzaamheden hunner stamgenooten deel. Zij voeren met de Noorwegers +in Westelijke richting den Oceaan in, en werden daar, even als deze, +machtig--en aan de andere zijde in Oostelijke richting gingen hunne +ondernemingen dikwijls parallel met die der Zweden, soms tot diep in +Rusland, Polen en Duitschland. + +Dat de Zweden, ten gevolge der aangegevene omstandigheden, tot +een door ligging en gesteldheid van hun land verbonden geheel te +samensmelten, en zich van de Noorwegers en Denen scheiden moesten, +is natuurlijk.--Maar uit eene verdere onderverdeeling van het land +ontstaat op even natuurlijke wijze eene verdere onderverdeeling van +het volk.--In het Zuiden maakt zich het Zweedsche vasteland van zijne +aaneengroeiing met Noorwegen los. Het loopt Zuidwaarts in een breeden +landentop uit, die zoowel eene Oostzeekust heeft, als voor een gedeelte +door den Oceaan begrensd wordt.--Deze Zuidelijke helft van Zweden is +van het Noordelijke hoofdlichaam van het land, verder door eene reeks +groote zeeboezems, en eindelijk nog door een breede streek van vroeger +ondoordringbare en eerst in lateren tijd gedunde wouden gescheiden. + + + +Er ontstaat op die wijze een _Zuidelijk_ Zweden, dat zich bijna als een +groot eiland voordoet, en een _Noordelijk_, dat meer met het Noorden +van het vasteland vastgegroeid is.--Deze verdeeling van het land in +twee deelen heeft ook van de oudste tijden af, eene verdeeling in +twee deelen van het Zweedsche volk veroorzaakt, die nog heden ten dage +uit een ethnologisch oogpunt eene meerdere of mindere waarde heeft. + + + +In de Zuidelijke breede landenpunt, woonden de zoogenaamde Gothen of +Guthen, die lang hier hun eigen koningrijk "Gothland" of "Götarike," +hadden; in het Noorden der bosschen en merenrij daarentegen, +de in naam, zeden en dialect van genen afwijkende, _eigenlijke_ +Zweden. De wieg en oorspronkelijke woonplaats van laatstgenoemden, +is in de vlakke en vruchtbare landschappen rondom den grooten fiord, +die men het Meler-meer noemt. + +Hier vormde zich het oude koningrijk en volk "Suithiod" of "Swearike," +het eigenlijke Zweden, dat langzamerhand echter verder om zich +heengreep en ook het Zuidelijk land en volk der Gothen, ten deele door +geweld en bloedige oorlogen, met zich vereenigde.--De veel bezongene +Brawalla-slag, die op de grens van het land der Zweden en dat der +Gothen plaats vond, mag als een dezer gevechten tusschen de Zuidelijke +en Noordelijke Skandinaviërs beschouwd worden. Die vijandelijkheden +en verschillen tusschen Zweden en Gothen, waren dergelijke als die +tusschen Noord- en Zuid-Duitschland, en meestal was het de vraag of +de "Gothen" dan wel de "Zweden," aan het geheele rijk een opperhoofd +zouden geven. + +Eerst in nieuweren tijd hebben de Denen hunne uiterste en laatste +bezitting op het Skandinavische vasteland, in het oude land vanwaar +zij herkomstig zijn, het landschap Schonen opgegeven.--En eerst +sedert dien tijd, sedert de Roeskilder-vrede in het jaar 1658, omvat +de Zweedsche naam het geheele tesamenhangende en natuurlijk begrensde +land ten Oosten van den Noorweegschen bergrug.--Desniettemin echter +is er nog tot op den huidigen dag, altijd een onderscheid tusschen de +Zuidelijke Zweden aan deze zijde van het groote woud en de meren--de +Gothen--en de eigenlijke Zweden in het Noorden, in het stamland aan +het Meler-meer. En nu nog verdeelt men de Zweedsche taal in twee +hoofd-dialecten, het Gothische en het Zweedsche, het Zuidelijke en +het Noordelijke. + +De oude en de nieuwe koninklijke residenties der Zweden, Sigtuna +(de Odins-stad), Upsala, Stockholm, liggen om het Meler-meer. Daar +is nog heden het hart van het volk, even als dat van het Deensche +volk rondom Kopenhagen. Daar zijn de hoofdzetels van den Zweedschen +adel. Niet ver van daar ligt het oude IJzerland, de woonplaats der +dappere Dalekarliërs (dalkerels), van uit wier dalen in nieuwere +tijden Gustaaf Wasa, een tweede Sigurd Ring, het oude Noordsche Zweden +van de opperheerschappij der Denen bevrijdde, en het moderne Zweden +grondvestte. Daar ook, aan het Meler-meer, wordt het dialect gesproken, +dat zich tot de hoofdtaal van het volk en van de literatuur in Zweden +verheven heeft. + + + +Het laat zich begrijpen, dat er buiten de beide genoemde +hoofdafdeelingen der Zweedsche natie (de Gothen en de eigenlijke +Zweden) nog vele andere plaatselijke schakeeringen van den volkstam +en zijne taal bestaan. Men treft b.v. binnen het Gothische +gedeelte alleen, nog een half dozijn meer of minder verbreide +dialecten.--Ja! men kan zeggen dat in al de tallooze dalen van +Zweden, die als smalle strooken bewoonbaar en bebouwd land uit het +dichte oorspronkelijke woud uitgesneden zijn, even zoo vele kleine +eigenaardige volks-zeden en taal-gebieden bestaan, als er sporten +aan eene ladder zijn. + +Laten wij echter deze fijnere schakeeringen rusten en bepalen wij ons +er bij, de kleur van het geheele volk in het groot te beschouwen, dan +zien wij in het Zweedsche nationaal-karakter en type wel vele trekken, +die het met alle stammen der groote Germaansche familie gemeen heeft, +maar aan de andere zijde ook niet weinig eigenaardigheden, die het +van zijne andere verwanten zeer doen verschillen. + +In de reislust, die zijn borst ontgloeit, die de Zweedsche dichters +even veel bezingen als de Duitsche, zoo mede in de innige en warme +liefde voor de natuur, die bij hen, even als bij andere Germanen, eene +reeks der uitstekendste natuurvorschers deed ontstaan, hebben de Zweden +overeenkomst en verwantschap met de Germanen.--Even als het wezen +en de geest der Germanen, zoo zijn ook die der Zweden in hooge mate +vormbaar en vlug. Vreemde manieren, zeden, taal en gewoonten leeren +zij, even als de Duitschers, gemakkelijk aan, en maken zij zich nog +gemakkelijker eigen dan deze.--Even als vele andere Germanen, hebben +zij ook altijd eene groote neiging gehad, voor het tot de vizioenen- +en geestenwereld behoorende, en Swedenborg en consorten hebben bij de +Zweden evenveel aanhangers gevonden, als bij de Duitschers Stilling, +de zienster van Prevorst enz. En even als bij andere Germanen ligt +ook bij de oud-Luthersche Zweden, eene groote vroomheid, eene diep +ernstige godsdienstigheid, tot grondslag dezer neiging. + +Daarentegen springen ons weder vele andere eigenaardigheden bij de +Zweden in het oog, die met het ernstige grond-karakter der Germanen +in tegenspraak schijnen te zijn. "Naast zijn Germaanschen ernst in +godsdienstzaken, bezit de Zweed eene zekere onbestendigheid en eene +groote neiging tot glans en praal, eene soort van lust tot pronken en +schitteren, die hem niet alleen van den Duitscher, maar ook van den +Noorweger en den Deen onderscheidt. Hij heeft eene bepaalde voorliefde +voor uiterlijke vormen, voor het ceremonieele, en spreidt die gaarne +ten toon. In _dit_ opzicht kon men de Zweden, de _Spanjaarden_ +van het Noorden noemen." Zijn streven naar het liefelijke openbaart +zich zelfs in zijne taal, die de welluidendste en muzikaalste onder +alle Germaansche tongvallen is, even als het Italiaansch zulks is +onder de Romaansche, als ook daarin dat aesthetische ontwikkeling +in Zweden altijd hooger stond, dan wetenschappelijk onderzoek en +werkzaamheid. "Zij zijn meer geniale kunstenaars en dichters, dan +ijverige geleerden. En ook weder in hunne poëzie toonen zij, nevens +het bedaarde en bedachtzame karakter en den rijkdom van gedachten, +die zij met den Duitscher gemeen hebben, tegelijkertijd iets dartels, +iets phantastisch, een zich overal openbarende pracht en gloed, die +men genegen zou zijn als Zuidelijk te beschouwen, wanneer niet juist +dat vuur in het hoogste Noorden ontgloeide." + +In hoogere mate en met meer lust en behendigheid dan de adel van +eenig ander Germaansch land, heeft de Zweedsche zich de gladde +taal en de buigzame zeden der Fransche eigen gemaakt, en aan deze +omstandigheid--de vertrouwelijkheid en gehechtheid van Zweedsche +militairen met den generaal Bernadotte--hebben de Zweden het onder +anderen ook te danken, dat zij in den nieuweren tijd eene dynastie +van Franschen oorsprong op hunnen Vorsten-troon kregen. + +Bijzonder opvallend openbaart zich onder anderen de groote neiging +der natie tot blinkenden glans en klank, ook in de Zweedsche +familie-namen.--"Alles, wat men melodieus en schitterends aan metalen, +sterren, bloemen, vogelen vindt," zegt Arndt--"wat er ridderlijks +en roemrijks in de menschelijke zaken aangetroffen wordt, schijnt +het ridderhuis van den dapperen en oorlogzuchtigen Zweedschen +adel geplunderd te hebben, om namen te vinden voor zijne heeren +von Güldenstern en Silbersparre, zijne Baronnen von Goldgranat, von +Sternen- of Liliënkrone, zijne Graven von Rosenzweig of Lorbeerkranz, +von Adlersklaue en Löwenhelm. Men vindt in de gulden adels-boeken +van geen land van Europa, eene tweede dergelijke vreemde verschijning. + +Misschien zijn hiermede ook andere tegenstrijdigheden verbonden, +die men in het Zweedsche nationaal-karakter ontdekt. Zoo b.v. de +avontuurlijke, heftige, belachelijke, ruwe manier van doen, die alle +Koningen en groote mannen van Zweden gekenmerkt heeft; eene kenmerkende +eigenschap, die met de ook den Zweden toegeschrevene Germaansche +bedachtzaamheid, zoo weinig schijnt te harmonieeren.--Er is nauwelijks +in Europa nog een land, waarin nog gedurende de laatste eeuwen--om van +vroegere avontuurlijke tijden niet eens te spreken--middel-eeuwsche +geschiedenissen, hevige staatkundige woelingen, onttrooningen, +voorgekomen zijn, als in Zweden, dat zich in dit opzicht als een +tweede Hoog-Schotland aan ons voordoet. + +Even als de werkdadig optredende mannen, even als ook de heldhaftige +vrouwen, waaraan de Zweedsche geschiedenis zoo rijk is, zoo hebben +ook de gebeurtenissen zelve, in dit land altijd iets krampachtigs, +iets losbarstends en hoog-tragisch gehad, wat alles ook met het +scherpe verschil der standen, het ijverzuchtig streven naar glans en +onderscheiding, en hunne aristokratische bemoeiingen samenhangt. + +Een in het oog vallend contrast vormt de Zweed in bijna al +die opzichten, trots eenige gelijksoortigheid in ras, taal en +bloed, met zijn Noorweegschen broeder.--De Noorweger bewoont +het _Skandinavische Zwitserland_. In de lange en enge dalen dezer +groote klippen en gletschers, waarin het bebouwbare aardrijk slechts +schaars vertegenwoordigd is, was geene ruimte voor groot grondbezit, +voor adellijke landheeren met een uitgestrekt gebied, zooals in +in Zweden. In de natuur van dit Noordsche Alpenland, heeft het +democratische principe diepe wortels geschoten. Alleen zoolang zij +als zeeroovers de overige wereld plunderden en den roof naar hunne +rotshavens sleepten, konden de Noorwegers inheemsche hofhoudingen, +Zee-Koningen, aristokraten, ridders in hun land onderhouden. Maar toen +de Wikinger-tochten, de aanhoudende oorlogen ter zee ophielden, ging +de adel langzamerhand te niet, zonder dat men met zekerheid zeggen +kan, hoe en wanneer. De Noorwegers werden weer een eenvoudig en vrij +boeren-, visschers- en schippers-volk, wat zij in hoofdzaak _altijd_ +geweest waren en gebleven zijn. + + + +Op de Noorwegers is nog altijd van toepassing, wat Tacitus +gezegd heeft van den aard der Germaansche wijze om zich hier of +daar neder te zetten. Zij leven verstrooid over het geheele lang +uitgestrekte land aan de rivieren, fjorden, en de hellingen der +bergen op afzonderlijke landhoeven, in zoogenaamde "Gards." Ter +nauwernood hebben zij dorpen. Van de verdere wereld gescheiden, +in hunne rust sedert onheugelijke tijden door vreemde invloeden nog +minder gestoord dan de Zweden, hebben zij hunne oude manier van zijn, +nog onveranderder dan deze voortgeplant. Dat afgesloten leven heeft +den Germaanschen stam in zeldzame zuiverheid bewaard. In ieder der +diep ingesnedene dalen, volgt op groote afstanden het eene gehucht +op het andere. Ieder dal vormt op zich zelf een district, en staat +slechts in geringe gemeenschap met de naburige districten. Dikwijls +zijn de scheidende bergruggen, dagreizen ver, woest en onbewoond. + + + +De bewoners dezer elkander naburige dalen, die ieder genoeg aan zich +zelf hebben, onderscheiden zich onder elkander zeer in zeden, gewoonten +en taal, welk onderscheid dikwijls niet minder scherp en in het +oogvallend is, dan dat der Zweden, Denen en Noorwegers onder elkander. + +Eene Noorweegsche taal, die men naast de Zweedsche of Deensche +zou kunnen plaatsen, is er nog niet. Even als in het _Duitsche_ +Zwitserland, zoo bestaan ook in dit _Skandinavische_, alleen patois en +dialecten, die echter gedeeltelijk nog oude eigenaardige leden van de +oorspronkelijke Noordsche taal zeer trouw bewaard hebben. Even als in +Zwitserland de taal van Luther, zoo is in Noorwegen die der Denen de +spreek-taal der beschaafde klasse, en de schrijf- en literatuur-taal +geworden. De verstandelijk veel werkzamer Denen, die alles wat invloed +had op de beschaving, uit het Zuiden, uit de eerste hand ontvingen, die +aan het hoofd der meeste wetenschappelijke bewegingen van het Noorden +stonden, en die Noorwegen zelf lang overheerschten, hebben de hoogere +standen van het volk in menigerlei opzicht verdeenscht. Ten opzichte +van literatuur, kunst, geleerdheid en poëzie, vormt Noorwegen nog +heden eene provincie van Denemarken; evenwel hebben de Noorwegers, +sedert zij staatkundig van de Denen onafhankelijk werden, al het +mogelijke gedaan om hunne Deensche literatuur-taal eene eigenaardige +en zelfstandige tint te geven, ze uit de bronnen der inheemsche +dialecten te versterken, en eene eigene Noorweegsche nationaal-poëzie +en redekunst te vormen. + +Het lange schiereiland eindelijk en de groep vriendelijke eilanden, +welke de Denen bewonen, staan met Duitschland in het innigste physisch +verband. Zij hebben het klimaat, den plantengroei, de heiden, +de wouden, het landschapskarakter van Noordelijk Duitschland. Zij +zijn, even als dit, vlak en wijd en zijd bebouwbaar, en vormen in +al deze opzichten een opvallend contrast met het groote, rotsachtige +Skandinavische schiereiland in het Noorden; van den beginne af aan, +hebben daarom waarschijnlijk de Duitschers het geheel, als een +hun van nature toekomend gebied beschouwd.--Geheel Jutland en de +naburige eilanden waren in den tijd, toen de geschiedenis haar eerste +schemerlicht over deze streken wierp, niet door Skandinaviërs, maar +door Duitsche Angeln en Saksers bewoond.--Eerst sedert de 5de eeuw, +nadat de Angeln en Saksers een groot deel van hun volk naar Engeland +overgeplaatst hadden, drongen de Denen uit het Noorden, en wel uit het +Zuidelijk Skandinavië, hunne verlatene woonplaatsen binnen, geheel +op dezelfde wijze, als in denzelfden tijd en om dezelfde redenen, +de Slawen van het Oosten uit, in andere streken van Duitschland, +die eveneens gedurende de groote volksverhuizing door de Duitschers +verlaten waren, binnen trokken. + +Vele kenteekenen bevestigen de door de Duitsche historici aangenomene +bewering, dat de tegenwoordige Denen _niet vóór_ de Duitschers, in +het land, dat zij thans het hunne noemen, te huis behoorden, maar +dat zij het veeleer eerst in een lateren tijd, van uit het Noorden +binnengetrokken zijn. + +In het binnenste gedeelte van Zweden ten noorden van het Meler-meer, +treft men nog heden hunnen naam aan, onder anderen in het +kerspel "Danmark," en in het gehucht "Danemora". Daar zullen zich +waarschijnlijk de oorspronkelijke woonplaatsen der Denen bevonden +hebben. Van het Meler-meer zegt ook nog de sage, dat daar eens een +hunner halfgoden geploegd heeft. Zijne vier ossen hadden zoo sterk +aangetrokken, dat zij een groot stuk land uit den bodem scheurden. Dit +uitgescheurde stuk land hadden de zonen van Odin in het Westen van +den Sond in de zee gelegd, en daaruit zou het fraaie eiland Seeland +ontstaan zijn. De ontstane kuil vulde zich met water en zoo ontstond +het Meler-meer.--Ook deze sage wijst naar eene verplaatsing van het +Denendom, uit Zweden naar zijne tegenwoordige Zuidelijke ligging. + +Zij zelven ook beschouwen algemeen het zuidelijke Zweden, het land +"Schonen" of "Skone" of "Scandia", waarvan de naam "Skandinavië" +afgeleid is, als hun oudste vaderland aan den Sond, van waar uit zij +hunne godensteden en offerplaatsen, eerst Leire, daarna Roeskild, +later Kopenhagen, naar Seeland verplaatsten. + +Toen de Denen naar het schoone weide- en beuken-eiland der oude +Saksers en Angeln kwamen, brachten zij uit het Zuidelijk Zweden een +anderen, met hen verbroederden Skandinavischen volksstam mede, de +Jüten of Güten, vermoedelijk identiek met de Zuid-Zweedsche Gothen, +die zich bij voorkeur langs de met bosschen omgroeide fiorden, en over +de wouden van het Cimbrische of Anglische schiereiland verbreidden, +en aan het land den naam "Jutland" gaven. + +Dat deze, het land binnengetrokken Jüten, daar nog vele Duitsche Angeln +en Saksers aantroffen, zich met dezen vermengden en vele Germaansche +invloeden van hen ondergingen, bewijst onder anderen de physionomie +hunner taal, die veel eigenaardigheden bezit, die bepaald Duitsch, +en niet Deensch of Skandinavisch zijn. Deze Jütische taal plaatst, bij +voorbeeld, om slechts eene zaak aan te roeren, even als alle Duitsche +talen, het lidwoord _voor_ het zelfstandige naamwoord en niet, zoo +als alle Skandinavische talen, er _achter_. + +Reeds iets voor den tijd van Karel den Groote, hadden de Denen en +Jüten hunne veroveringen, koloniën en politieke grenzen tot aan den +Eider voortgeschoven, maar ook reeds toen bleven binnen deze grenzen, +verscheidene kleine streken van het land, midden onder de Denen, +door hunne oude Duitsche bewoners bevolkt, zooals bij voorbeeld het +kleine land Angeln, waarin zich nu de eens zoo ver verspreide stam +en naam der Angeln terugtrokken, zoo ook de Marsch-eilanden ten +westen van Jutland, die van oudsher door Duitsche Friezen bevolkt +waren, en die nu ook onder Deensche heerschappij bleven. Ook werd de +Deensche grond-bevolking in Zuidelijk Jutland, door den uit het Zuiden +terugkeerenden vloed van Duitsche nationaliteit, beschaving en taal +weder Noordwaarts teruggedrongen. Het land binnentrekkende Duitsche +Vorsten, adellijke geslachten, landbouwers, zendelingen, kooplieden en +kunstenaars, die de steden Schleeswijk, Flensburg en andere bouwden, +hebben dit Zuid-Jutland grootendeels weder Duitsch gemaakt, zonder dat +echter de Denen ooit geheel geweken waren, en het is dien ten gevolge +sedert Karel den Groote, aanhoudend een twistappel tusschen beide +nationaliteiten geweest tot op onze dagen toe, toen de Duitschers hun +oud nationaalgebied weder tot aan de Königsau vooruitgeschoven hebben. + +Niet alleen de Zuidelijke gedeelten van Jutland echter, maar ook de +geheele Deensche stam, zijn in den langen strijd met hunne Duitsche +naburen, nog meer aan Duitsche invloeden blootgesteld geweest, dan +hunne overige Skandinavische broeders, de Zweden en Noorwegers. + +Bijna ten allen tijde waren Duitsche provinciën, òf ten gevolge +van erfenissen òf ten gevolge van oorlogen, met het Deensche rijk +verbonden. Deze hunne veroveringen strekten de Denen somwijlen, zooals +b.v. eens in de 13de eeuw, toen de Duitsche kracht in de oorlogen om +het Zuiden zich naar Italië verloor, zoover in Noord-Duitschland uit, +dat hun staat meer _Duitsche_ dan _Deensche_ landstreken en onderdanen +had. Hunne Koningen waren dien ten gevolge vasallen of bondgenooten +der Duitsche Keizers, en zijn ook in lateren tijd, om hunne Duitsche +provinciën, leden van den Duitschen bond geweest. + +Het Deensche volk, zijne zeden, zijne ontwikkeling en literatuur +hebben, ten gevolge van al deze menigvuldige vermengingen hunner +aangelegenheden met die der Duitschers, een veel meer Duitschen +stempel verkregen, dan die der Noorwegers en Zweden. + +Ook van de, den Duitschers naburige, Slawen heeft de Deensche stam +_meer_ ontvangen dan zijne Noordsche broeders. Tijdens de Deensche +zeerooverstochten, werden de kusten der Slawische Obotriten en +Pommeranen voortdurend door de Denen opgezocht. Eeuwen lang trokken +zij van daar hunne slaven en krijgsgevangenen. Geheele scheepsladingen +tot dienstbaarheid gebrachte Wenden, werden van daar naar de Deensche +eilanden gevoerd en moesten zich daar nederzetten.--Zoo hadden ook +de Deensche Koningen in hunnen titel het attribuut: "Koningen der +Wenden en Slawen." + +Ook van deze Slawische inmengingen ontdekken wij nog heden onder de +Denen der eilanden, menig duidelijk spoor. Het menschenslag op Seeland +en de naburige eilanden is kleiner dan de Skandinaviërs gewoonlijk +zijn. Het blonde Germaansche haar treft men daar weinig aan. Even als +bij de Slawen, heeft het _gevoel_ bij deze Seelanders de overhand, +en even als in de Slawenlanden, heeft nergens de macht van den +grondbezittenden adel meer de bevolking gedrukt dan op dit hoofdeiland +der tegenwoordige Denen.--"Ook op het aan de Denen toebehoorende eiland +in het midden der Oostzee, op Bornholm, vertoont zich eene inmenging +der Slawische elementen. Het noordelijk gedeelte van dit eiland is +door een krachtig, groot, sterk, ernstig en weinig woorden gebruikend +menschenslag bewoond, dat alle echte trekken van den Skandinavischen +stam bezit, terwijl in het Zuiden kleinere, luchtiger, beweeglijker +menschen met bruine oogen en donker haar leven, die nu wel Deensch +spreken, maar voor het overige vele karakteristieke eigenaardigheden +der Slawen bezitten. + +Voor de oudste en zuiverste Denen beschouwen zich de bewoners van +Fünen. Zij beschouwen zich als het hart van Denemarken. "Wij Denen," +hoort men hen somwijlen zeggen, niet in tegenstelling met de Duitschers +of Franschen, maar met de "Jüten" en "Seelanders." + +Overigens zou men de bevolking van elk der vele Deensche eilanden, +even als in Noorwegen die van elk dal, een eigen karakter kunnen +geven. Op ieder schijnt zich een bijzondere stam van eiland-bewoners +gevormd te hebben. + +Het meerendeel en de hoofdkracht (ten minste de physische) van den +Deensche stam, wordt gevormd door de Jüten. Uit hen rekruteeren de +Denen de kern hunner nationale troepen. "De Jüten zijn in tegenstelling +met de Deensche Seelanders en Fünen langzaam en omslachtig in hunne +bewegingen, maar volhardend en ijverig in alles wat zij ondernemen. En +met al hunne gemakkelijkheid, weten zij toch het gebrek uitstekend van +de deur te houden. Men vindt nergens in Denemarken zulke welgezetene, +nette en knappe boerenplaatsen als bij de Jüten, terwijl men bij de +boeren op Seeland somwijlen een weinig aan hetgeen wij eene Poolsche +huishouding noemen, herinnerd wordt. + +Deze Jüten zijn in Denemarken beroemd om hun handels-talent en om +hunne huishoudelijke spaarzaamheid. Daarin kan men ze met de Schotten +in Engeland vergelijken. Het "iets met iets, geeft iets," is bij de +volhardende Jüten een zeer geliefd spreekwoord. De aankweeking van +rundvee is naast den handel, hunne meest geliefkoosde bezigheid. + +Ook zijn zij de bewaarders der oudste zeden en traditiën der Denen. Bij +hen worden ook oude volksfeesten gevierd, waarvan de sporen op de +eilanden en bij Kopenhagen verdwenen zijn. Ook leven in het Noordelijk +en Westelijk gedeelte van het land tot aan het, met de beenderen en +ribben van walvisschen en het wrakhout van gestrande schepen altijd +bezaaide voorgebergte Skagen toe, in den mond der bewoners nog oude +volksliederen en heldensagen, even als op IJsland. Gewoonlijk is de +Jüt niet weinig ingenomen met zijn, in het overig Europa zoo onbekende +en geignoreerde, schiereiland. + + + De magere grond der bruine heide + Ziet hij altoos het liefst. + Bij de voorvaderlijke, met heide begroeide grafplaatsen, + Wil ook hij zijn grafstee hebben. + + +"Bij dit alles, is toch de lang uitgegroeide en lichamelijk krachtig +gebouwde Jüt, in het politieke en ontwikkelingsleven der Denen, slechts +een nevenpersoon, zonder eene beslissende stem in den raad van het +rijk. De kleinere Deen, uit het midden des rijks, de _Seelander_, de +lichamelijk zwakkere, geestelijk echter meer opgewekte eiland-bewoner, +leidt de politieke en moreele beweging van het volk." Hij vormt en vult +de bevolking der hoofdstad Kopenhagen, van het Skandinavisch Athene, +aan. Hij levert ook de beste ambtenaren aan de regeering, aan het +Deensche parlement de staatslieden en redenaars. Op Seeland werden de +Oehlenschläger, de Ewalds, de Baggesen's, bijna alle groote Deensche +dichters en literatoren geboren. En de, in Denemarken en Noorwegen +heerschende taal der literatuur en beschaving, heeft zich ten gevolge +van dien, ook het meest uit het dialect der Seelanders ontwikkeld. + +"Deze Seelanders zijn vooral die prikkelbare, die met zich +zelven ingenomene Denen, met een ras besluit en brutalen moed, +wier eigenaardige nationale-ijdelheid zelfs bij hunne broeders in +Zweden berucht is." Het is een gebrek, dat wel zeer opvallend en +onaangenaam is, maar zeer natuurlijk bij een klein volk, dat eens +ver gebood, dat eene niet arme literatuur ontwikkelde, dat lang aan +het hoofd der beschaving en somwijlen ook der politieke macht van +het geheele Skandinavische Noorden stond, maar nu daarentegen zich +tot enge grenzen moet bepalen, en zich, even als alle kleine volken, +bijzonder gevoelig toont bij de gedachte, dat het eenmaal met taal, +zeden en politieke zelfstandigheid in het lichaam van een grooteren +nabuur zou kunnen opgaan. + + + + + + +DE NEDERLANDERS. [27] + + +Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van +het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de +grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene +Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het +Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk +uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl +zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van +Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is, +dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.--Verscheidene +groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze +lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam +"_Nederlanden_" gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige +Europeesche talen vertaald opgenomen "_Netherlands_," "_Pays-Bas_," +"_Paeses-Baxos_," maar zelfs ook door de bewoners van het land, als +de nationale naam (zij noemen zich zelven "Nederlanders") aangenomen +geworden. + +Bij den eersten aanblik schijnt het, dat de natuur weinig voor dit +land gedaan heeft. Natuurlijke bekoorlijkheden, zoogenaamde romantische +schoonheid bezit het niet. De deels zandige, deels moerassige vlakten, +strekken zich in groote eenvormigheid uit. Bijna al het vriendelijke, +dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven [28] + +Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten +einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water +vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide, +in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan +wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander, +den beroemden Hugo de Groot, "alle zaken die een land constitueeren, +in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets +aanwezig schijnen te zijn." + +Het _water_ slechts eene schets, zich verliezende in en vermengende +met zand en veen; niet, zooals in een bergland, in diep uitgegravene +vaarten besloten, of in stevig gebouwde zeeboezems verzameld. Het +_land_ ook slechts eene schets, nauwelijks boven het water uitkomende, +overal druipende, ten gevolge van overstroomingen [29] zelfs _de +hemel_ slechts eene schets, niet een schoon, scherp geteekend, +aetherisch gewelf, zooals in Italië, maar met nevelen en dampen +opgevuld en bijna altijd met wolken bedekt [30]. De mensch eerst +moest met scheppende hand in deze vormlooze massa ingrijpen, om er +een bewoonbaar vaderland uit te vormen. Ook eenige waarde hebbende en +den mensch welkome natuurvoortbrengselen kan men bijna niet opnoemen, +die het land van den beginne af in overvloed gehad heeft. Om van goud +en zilver en andere dergelijke kostbare zaken niet te spreken, die +sommige landen beroemd hebben gemaakt, heeft het zelfs geene streken, +waar men wouden of steengroeven aantreft, om door hout of bouwsteenen +of door metalen zich bij zijne naburen bemind te maken [31]. + +Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk +aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of +uit de verte aangevoerd worden. + +Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst +kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders, +die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks +een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.--Ook in dit +opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de +meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige, +vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen, +zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen. + +Er gebeuren echter geen _wonderen_ in de geschiedenis. En wij ontdekken +daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een +evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers +even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig _alles_ +ontzeide, als dáár, waar zij welig _alles_ van zelf opleverde; het +best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs +voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de +Nederlanden het geval. + +Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan +de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde +rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als +bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus +der hoogere streken, als vet slijk met zich mede [32], en vormen in de +Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem, +als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even +rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en +krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de +grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren +en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk, +en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in +den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen, +zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen, +die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij +overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in +alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.--Reeds +als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen +Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer +bevoorrecht land beschouwd worden. + +Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer +rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging, +ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van +zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa +aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de +Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene +zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de +eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het +groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste +land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op +de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het +midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer +en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier +op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan +de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral +Londen groot gemaakt heeft. + +Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote +aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al +het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk +volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden +en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds +van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren, +zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning +der natuurlijke hinderpalen dezer streken.--De ernstige, geduldige, +volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers, +die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte +uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk +dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit +genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant. + +De Romeinen, wier schrijvers het eerste licht op de bevolking +der Nederlanden werpen, stieten hier op Germaansche volken [33], +die hun bijzonder dapper en flink toeschenen. Onder de vele namen, +die zij noemen, zijn die der "Friezen" en der "Batavieren" [34] +de voornaamste. Deze, die de Noordelijke helft der Nederlanden +bewoonden, worden door de Romeinen als zuivere, onvermengde Germanen +aangegeven. Van de Batavieren hoorden zij, dat die van de landstreken +aan den Wezer afkomstig waren [35]. In de Zuidelijke helft van +het land echter, vonden reeds de Romeinen zulk eene vermenging van +Germaansche en Celtische stammen, als wij daar nu nog aantreffen, +en die den ouden naam "Belgen" behouden hebben. + +Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de +Germanen, reeds _lang_ voor den tijd der Romeinen om de heerschappij +over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is +deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische +geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd +tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige +mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.--Het is een strijd, +die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het +beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging. + +Het eerst verschaften de Romeinen de overhand aan het Zuiden. Zij +maakten het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot eene Romeinsche +provincie, en dwongen zelfs de dappere Batavieren en de vrije Friezen, +ten Noorden van den Rijn, door kracht van wapenen en staatkunde, +tot een bondgenootschap [36].--Even als later Napoleon, gebruikten +zij de Nederlanden en de monden van den Rijn, als operatie-basis +tegen Noordelijk-Duitschland. Maar zij hadden daar de opstanden der +vrijheidlievende bevolking onder den beroemden Batavier Claudius +Civilis te bestrijden, die in zeer veel opzichten overeenkwamen met +den lateren opstand en oorlog der Hollanders onder Willem van Oranje +tegen de Spanjaarden. + +De Romeinen, die het kanaal- en dijkwezen, in het Nijl-dal hadden +leeren kennen, hebben, naar men meent, deze kunsten, die later door +de landskinderen zulk eene hooge mate van volkomenheid bereikten, +het eerst in de Nederlanden ingevoerd [37]. + +Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als +overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken, +waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking +toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land +der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde +Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche +stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in +eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.--Deze "Franken" +zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een +Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen +samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen, +die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de +Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne +voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden +tot hunne operatie-basis. + +Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als +van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche +verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische +Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der +zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den "Isala") +te huis behoort. "Heristall"--"Landen" zijn Nederlandsche plaatsen, +waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der +Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de +Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en +hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.--In +het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand +en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking +verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het +Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien +tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de +inboorlingen nu met de woorden "Neder-Duitsch" bestempelen, en die +men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen, +den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de +volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken, +Friezen en Neder-Saksers. + +De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts +zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte +haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen, +in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre +en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde +Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde "Walen", die wel +meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en +van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak +nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en +eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen +lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar +minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal, +die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is. + +Deze Walen, van wie de Vlamingen het oude spreekwoord hadden: "_wat +Walsch is, valsch is_," of van wie zij ook wel zeggen: "_de Vlamingen +mogen den Walschman met zout noch smout_," hebben meermalen storend op +de ontwikkeling der Nederlanden gewerkt, en het zou voor hen heilzaam +geweest zijn, als zij dezen vreemdsoortigen druppel hadden kunnen +kwijt raken. Tijdens de kerkhervorming waren zij de steunpilaren +van het katholicisme, en hielpen zij de Jezuïten de hervorming in +het Zuidelijke gedeelte der Duitsche Nederlanden tegenwerken. De +Waalsche regimenten hebben zich, in Spaanschen en Oostenrijkschen +dienst, op eene den Noord-Duitschers zeer onwelkome wijze, beroemd +gemaakt. Ook in den nieuweren tijd waren het hoofdzakelijk weder +de Walen, die als aanvoerders de toestanden der Belgische zaken op +Fransche leest schoeiden, en die daar met de leiders der Vlaamsche +of Duitsche beweging streden en nu nog strijden, ten behoeve van +Fransche taal en zeden. [38] + +Even als de groepeering van de beide hoofd-massa's der bevolking van de +Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den +Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van +het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van +verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen +weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk +werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en +Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het +aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die +nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan. + +Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en +Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten +vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze +een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam +Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel +aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken +onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen +van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder +de Duitsche minnezangers genoemd. + +Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de _Zuidelijke- of +Belgische Nederlanden_ het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke +Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende, +dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan +hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van +Duitschen stam ontleend.--De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere, +werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen +begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te +bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa +aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk, +brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden +zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met +recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en +dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen, +door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone, +eens uitriep: "dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen +krijgslieden spuwde en regende." + +De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste +Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden +eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die +men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen +van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen +zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd. + +Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook +zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der +Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon +van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië, +dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels +door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche +landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen +en tot één grooten staat te vereenigen.--Het was sedert de tijden +der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder +één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend +rijk vormden.--De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen +Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen, +en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden +in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den +adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls +en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche +taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren. + +Al de, toen 16, Nederlandsche provinciën, werden wel door Keizer +Maximiliaan I, aan wien ze door zijne gemalin Maria van Bourgondië, +na het uitsterven van den Bourgondischen mannelijken stam, toevielen, +onder den naam "_Bourgondische Kreits_," weder met het Duitsche rijk +verbonden [39], maar deze verbinding bestond eigenlijk slechts in naam +en was tijdelijk. Want reeds de kleinzoon van dien Duitschen Keizer, +Karel V, vereenigde ze 40 jaren later, als een, zooals hij zeide, +voor eeuwig onscheidbaar land, met de kroon van Spanje. Onder dezen +Keizer, die een geboren Nederlander was [40], die met voorliefde de +Nederlandsche taal sprak, en dien daarom de Nederlanders nog heden +met trots een hunner grootste landslieden noemen en in zekeren zin +als een Belgisch Vorst beschouwen, ("als een der schoonste paarlen," +zooals een patriotisch geschiedschrijver uitdrukt, aan den krans +van Belgiës roem)--onder dezen Karel V, zeg ik, en ten deele ook nog +onder zijn zoon Filips II, bleven alle Nederlanders, even als onder de +Hertogen van Bourgondië, onder ééne macht vereenigd.--De duur dezer +vereeniging omvat eene tijdruimte van ongeveer 150 jaren [41]. Het +was het tijdperk van den hoogsten bloei in het vereenigde land. + +Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den +Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd +in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd, +als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende +Manchesters van het toenmalige Europa.--Er waren in België steden, +als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende +den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars +aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent +alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen +zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde, +daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.--De burgers +dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon, +dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den +Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat +zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de +burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond; +en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij +elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten +zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was. + +Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste +en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan +of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden +nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar +Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren +in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad. + +De Brabantsche kant-fabricatie, was een geheel eigenaardige tak +van industrie der Nederlanders, waarin nog geen ander volk het hun +afgewonnen heeft, en met wier kostbare en smaakvolle producten zij, +sedert het Bourgondische tijdvak, de schoonen van alle landen der +wereld versierd hebben.--Lodewijk Berken uit Brugge [42], vond de kunst +uit, de diamanten op ijzeren platen met hun eigen stof te slijpen.--Ook +de steenkolen, eene stof, die tegenwoordig eene zoo groote rol in +de wereld speelt, zijn door de Nederlanders het eerst ontdekt [43], +gegraven en gebruikt, en de Vlaming Willem Beukelszoon, heeft door +zijne uitvinding van het haringkaken, de nu in alle Europeesche +huishoudingen zooveel gebruikte haringen, het eerst tot algemeen nut +gemaakt, en aan de haringvisscherijen haar, zelfs in de politiek niet +te miskennen, gewicht gegeven.--Door Vlaamsche kooplieden werden de in +Italië uitgedachte wissels het eerst in den Noord-Europeeschen handel +ingevoerd.--Zij hadden reeds in het begin der 14de eeuw _kamers van +verzekering_, de _eerste_ die in Europa ontstonden [44]. Ook moet de +handels "beurs" van eene Vlaamsche familie, de heeren "van Beurse", +in wier huis de handelsheeren van Brugge hunne bijeenkomsten hielden, +haren overal in Europa in zwang zijnden naam ontvangen hebben. + +Uit de bronnen van den rijkdom des lands ontsprong een opgewekt leven +op het gebied der kunst. De fraaiste kerken verhieven zich op den +bodem des lands. De bouwkunst, de schilderkunst, de muziek hebben +aan de Schelde en aan den Neder-Rijn een hunner voornaamste wiegen en +zetels gehad.--De Hertogen van Bourgondië, die toen gedurende eenigen +tijd de Europeesche mode beheerschten, die in de 15de eeuw den toon +gaven in alles wat kleederdracht, kunst en industrie betrof, waren +ook groote liefhebbers der muziek, die gedurende hunne heerschappij +door de Vlaamsche Belgen met meer succès dan door andere natiën +beoefend werd [45]. Het waren Neder-Duitsche of Vlaamsche Belgen, +die in Frankrijk en Italië de muziek als eene wetenschap invoerden, +en als kapelmeesters aan de hoven der Koningen, zelfs aan het hof der +zoo ver van hun land verwijderde Vorsten van Arragon schitterden.--Jan +van Eyk, een tijdgenoot van den Bourgondischen Hertog Filips den Goede, +een der grootste schilders uit de oudere Vlaamsche school, vond het +schilderen met olieverf uit of voerde die kunst ten minste algemeen +in, en gaf daardoor aan de kleuren, die men vroeger met gomwater, +eiwit of was aanmengde, dien frisschen gloed, dien wij nu niet gaarne +bij haar zouden ontberen. Ook verbeterde hij de kunst om op glas te +schilderen in die mate, dat zij eene geheel nieuwe kunst werd [46]. + +Even als in de, in de steden te huis behoorende, kunsten en handwerken, +bereikten de Nederlanders ook reeds vroeg eene groote volkomenheid +in den landbouw en werden daarin reeds in de 12de eeuw zoo beroemd, +dat men hen dikwijls naar vreemde landen riep. Ten gevolge van de +oorspronkelijke natuur van hun land, werden zij vooral zeer bekwaam +in het bruikbaar maken van waterige of moerassige landstreken. Het +ontbrak in hun stormachtig en door partijschappen verdeeld land nooit +aan vervolgde en onderdrukte klassen der maatschappij, die gaarne zulke +uitnoodigingen naar het buitenland aannamen.--Reeds in de meergemelde +12de eeuw, gingen Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen in grooten getale +naar de Havel en de Spree. Hunne kolonisten namen een groot deel van +de tegenwoordige Pruissische Altmark in bezit, waar zij Tangermünde, +Seehausen, Stendal, en andere steden stichtten [47]. Ook zouden door +hen Keulen aan de Spree en andere gedeelten van Berlijn, gebouwd +zijn.--Van grooten invloed waren deze Nederduitsche kolonisten op de +lage streken aan de Eems, Wezer en Elbe. Men kan zeggen dat de geheele +Noord-Duitsche vlakte tot aan Pommeren en Kopenhagen toe met hunne +nederzettingen doorweefd werd. Vele der Noord-Duitsche broeklanden +brachten zij tot den bloei, waarin wij ze nog heden ten dage zien. In +het Noord-Duitsche dijk- en kanaalwezen, in de Noord-Duitsche veen- +en turfkoloniën, hebben de Duitschers zich hen tot model gekozen. Bij +den Noord-Duitschen weg- en waterbouw, zijn zij in den nieuweren +tijd nagevolgd en heeft men zich van hunne hulp bediend.--Toen de +Spanjaarden de vrijheid en levenskracht der Zuidelijke Nederlanders +braken, ging een groot deel hunner fabrikanten en handwerkslieden +naar Engeland, waarheen zij hunne kunsten en handwerken overbrachten, +en eerst van dien tijd af begon Engeland in stede der Nederlanden, +aan het hoofd der Europeesche industrie te staan. Meermalen zijn de +Engelschen de scholieren en leerlingen der Nederlanders geweest. + +De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde +Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene +Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft +gesplitst.--Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen +stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en +broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen +en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van +Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de +Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den +geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke +provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden +opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van +hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming +doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig. + +Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in +de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde, +zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche +lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel +verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche +of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het +Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en +zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering, +die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende +naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige +verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land +herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals +b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748, +en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814. + +Sedert dien tijd is het Zuidelijke Nederland of België weder bijna in +dezelfde mate geromaniseerd als ten tijde der oude Romeinen zelven. In +geloofszaken ontvangt het de bevelen van Rome. Zijn wetboek is het door +den Gallischen Imperator gegeven Code. De hoogere en beschaafde standen +van het volk bedienen zich in den regel van de Fransche taal, die ook +de taal der wetgeving, van het parlement en der gerechtshoven geworden +is.--In het karakter van de hoofdmassa des volks, vertoonen zich wel +overwegend de eigenaardigheden van den Germaanschen Nederlander, maar +ook bij hen merkt men een sterke Fransche tint op. Een Engelschman +zegt van de hedendaagsche Belgen: "zij hebben het oppervlakkige van +den Franschman maar niet het bevallige;--den trots en de bigotterie +van den Spanjaard maar niet de ridderlijkheid;--het uiterlijke gebrek +aan vormen van den Duitscher, maar niet de trouwhartigheid."--Wanneer +men de scherpe kanten van dat te harde oordeel wat afrondt, verkrijgt +men misschien een goed portret der Belgen [48]. + +Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots +gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo +lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot +eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche +kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter +in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch +is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu +weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen: + + + Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit, + Van vreemde smetten vrij, + Wiens hart voor land en Koning gloeit + Verheff' den zang als wij. + Hij stell', met ons vereend van zin, + Met onbeklemde borst, + Het Godgevallig feestlied in + Voor Vaderland en Vorst. + + +en die zelfs ook met de Duitschers, in den lof op de "_Brüdertreue +aller Deutschen Stämme_" en "_des groszen Vaterlandes_" instemmen, +zooals de Vlaamsche patriotten dat, op het groote Vlaamsch-Duitsche +zangersfeest te Brussel in het jaar 1846 gedaan hebben [49]. + +Tegenover het, op gezegde wijze door de Spanjaarden en Franschen +in Zuid-Nederland zegevierende Romanendom, stonden in het einde +der 16de eeuw de Hollanders onder hunnen Prins van Oranje op, +even als vroeger hunne voorvaderen, de Batavieren, onder Claudius +Civilis. Het is zeer opmerkingswaardig, dat de Romeinen reeds bij +die oude Batavieren menige eigenschap prezen, waarom nog heden ten +dage de Nederlanders geprezen worden [50]. Zij schenen hun zeer +achtenswaardige menschen toe, van meer passieven dan actieven moed, +die zich tot eene dappere verdediging hunner grenzen en hunner +vrijheid bepaalden. In een vijftigjarigen [51], met afwisselend +geluk gevoerden oorlog tegen de Spanjaarden, de toenmalige heeren +der wereld, waarin zij zegevierend hunne onafhankelijkheid bewaarden, +bewezen de nakomelingen dier Batavieren, hoe sterk de patriottische, +dezen edelen Neder-Duitschen stam aangeborene, vrijheidsliefde is.--De +geheele heerlijkheid en kracht van dezen stam vertoonde zich nu in even +heerlijke bloesems en vruchten, als eens in het oude Vlaanderen in den +strijd tegen Frankrijk. Al het echt Nederlandsche verzamelde zich onder +de vanen der Hollanders. De Vlaamsche dichters en vrijheidsmannen, +hunne geleerden, hunne kooplieden en de kapitalen van deze laatsten, +vluchtten van Gent, Brugge en Antwerpen naar het Noorden, dat nu de +opvolger van het Zuiden werd. De Hollanders werden nu (nadat zij den +Spanjaarden en Portugeezen een groot deel hunner koloniën afgenomen +hadden), wat hunne Zuidelijke broeders, de Vlamingen, vroeger geweest +waren, "de handelaars en scheepvaarders van Europa", en maakten hun +land tot het groote magazijn van het werelddeel. Men kan zeggen, +dat de handels-aangelegenheden driemalen in handen der Nederlanders +geweest zijn: eens in de 14de en 15de eeuw, het Bourgondische tijdperk, +binnen Gent en Brugge; een tweede maal in de 16de eeuw onder Karel V +en Filips II te Antwerpen; een derde maal in de 17de en 18de eeuw, +in het op palen in een moeras gebouwde Amsterdam. + +De Hollanders staken de banier der onafhankelijkheid niet alleen +voor zich zelven op, zij lieten veeleer de vrijheidskleur hoog door +geheel Europa wapperen. Alle door despoten vervolgden vluchtten (even +als eens de Venetianen naar de Lagunen de wijk namen voor Attila) +onder de machtige bescherming der Hollandsche moerasbewoners. Evenals +hunne eigene landgenooten uit Antwerpen en Brabant, zoo namen zij ook +de door dezelfde harde Koninklijke decreten gedrukte Israëlieten uit +Portugal en Spanje op, die sedert eene zeer belangrijke kolonie onder +hen gesticht hebben. De dertigjarige oorlog bracht hun ook grooten +toevloed van krachten uit het toenmaals zoo ongelukkige Duitschland. En +toen Lodewijk XIV in Frankrijk het edict van Nantes ophief, stroomde +eene zoo groote menigte Fransche protestanten, kunstenaars en geleerden +naar Holland, dat deze immigratie zelfs een weinig het Duitschdom der +Hollanders schaadde, en het Fransche wezen bij hen het burgerrecht +verkreeg. Vele beroemde Fransche geleerden en aanzienlijke mannen, +vonden bescherming en erkenning hunner verdiensten bij hen. Een der +grootste Fransche denkers, Des Cartes, schreef te midden der Hollanders +zijne scherpzinnige en door de wereld bewonderde werken, die zijn +naam onsterfelijk gemaakt hebben [52].--Ook de godsdienst-onlusten +in Engeland dreven talrijke vervolgden naar Holland, en van hier uit +en met Hollandsche schepen zeilden die Engelsche pelgrims uit, die de +merkwaardige staten van Nieuw-Engeland in Amerika stichtten. Zelfs de +grondvesting der nieuwe vrijheid in Oud-Engeland, kwam niet zonder +medewerking der Hollanders tot stand. Het was een Hollander van +geboorte en van karakter, Willem III, die met Hollandsche troepen aan +de willekeur der Stuarts een einde maakte, en aan wien de Engelschen +hunne "revolution", de eindelijke vaststelling hunner kerkelijke en +staatkundige vrijheid, te danken hebben. + +Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter +tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel +Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de +eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke +en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en +een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de +Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben +met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk. + +De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene +vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen +geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen +ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een +handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te +werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een +voorbeeld voor andere volken.--Hunne verstandige opwekkingen, hunne +punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren +en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het +eerst eene goede orde gebracht te hebben.--De organisatie hunner zee- +en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken, +Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen +over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de +Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van +bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling +te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp +zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen. + +In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen, +hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en +staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk +was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister +Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere +inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later +Peter de Groote, te hulp geroepen. + +Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken, +met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire- +en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de +Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de +Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis +geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens +weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad +hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid, +is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren +van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers +steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje, +de edele metalen bij massa's toevloeiden. + +Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en +wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven +die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne +zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den +nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen +hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden. + +Het meest echter hebben de natuur-wetenschappen te danken aan de +Hollanders, aan wie, even als aan alle Neder-Duitschers, eene groote +liefde voor de natuur eigen is. Hunne Swammerdams, hunne Boerhave's, +hunne Huygens, hebben zich door geheel Europa beroemd gemaakt. En +zelfs de grootste natuur-onderzoeker der vorige eeuw, Linnaeus, +studeerde en leefde in Holland en schreef daar een gedeelte zijner +beste werken.--Men zal moeielijk een land aanwijzen, waar men, zelfs in +particuliere huizen, zooveel verzamelingen voor natuurlijke-historie +aantreft als in Holland. Ook mag het in dit opzicht karakteristiek +genoemd worden, dat eenige der uitvindingen, die het meeste nut voor +de natuur-wetenschappen hadden, die van den telescoop, den microscoop +en van den thermometer, in Holland gedaan zijn [53]. + +In geene kunst hebben niet alleen de Hollanders, maar _alle_ +Nederlanders meer geleverd, dan in de schilderkunst [54]. Zij nemen +in dit vak de tweede plaats na de Italianen in, die zij, wat rijkdom +aan talenten en menigte van voortbrengselen betreft, bijna evenaren, +maar met wie zij, wat betreft het karakter der schilderscholen, +een opmerkelijk contrast vormen.--De zachte bevalligheid, de hooge +idealiteit en het poëtisch schilderachtige der in geestdrift ontstokene +Italianen, hebben de strenge Hollanders niet kunnen bereiken. In het +teruggeven der _natuur_ en van het werkelijke, hun omgevende _leven_, +toonden zij hunne hoofdkracht. Hunne groote meesters van Veen [55], +van Dijck, Rembrandt waren in de opvatting van het individueele, +als nabootsers van natuurverschijnselen, als portretschilders +het grootst. Zelfs van Rubens zegt men in dit opzicht, kenmerkend +genoeg, dat hij zijne schoone echtgenooten, die dikwijls voor hem +zaten, veel beter terug gaf, als hij ze alleen portretteerde, dan +wanneer hij ze idealiseerde.--Aan dier- en landschapschilders hebben +de Nederlanders, even als aan stille natuurvorschers, een grooten +rijkdom. Het bij hen zoo beminde, zoogenaamde "stilleven", is eene der +voor hen meest karakteristieke kunsttakken, en op het schilderen van +bloemen hebben deze bedaarde, natuurkundige, vlijtige menschen zich, +even als op de bloemkweekerij, met eene voorliefde als geen ander +volk, toegelegd. Het origineel dier geschilderde stillevens, bloem- +en boomstukken, ziet men nog in duizend bevallige vormen bij hunne +landgoederen, hunne geliefde buitenplaatsen, die, wat hunnen omvang +betreft slechts hutten, maar inwendig paleizen zijn, waarin een geest +van reinheid en nette sierlijkheid ieder voorwerp verfraait. + +Het minst hebben de Nederlanders in de poëzie uitgeblonken, waarin +trouwens alle Neder-Duitschers niet alleen bij de andere volken, +maar in het bijzonder ook bij de Hoog-Duitsche stammen ten achter +stonden [56]. Zij bezitten wel, even als andere volken, hunne oude +volksliederen, en ook hunne "Maerlants", "Cats", "Tollens" en andere +aan de Schelde en den IJssel gevierde muzen-jongeren [57], maar geen +hunner heeft als een Portugeesche Camoëns, als een Italiaansche +Petrarca, of als een Engelsche Shakespeare, de lier zoo luid en +schoon getokkeld, dat men de echo zijner gezangen, ook in andere +landen, krachtig en op den duur vernomen heeft. Ik zeg krachtig en +op den duur, want wij Duitschers mogen niet vergeten, dat toch een +korten tijd (in de 17de eeuw) onze Duitsche poëzie zoo laag en de +Hollandsche zoo hoog stond, dat toen onze Opitz, en de andere eerste +grondleggers onzer moderne literatuur, naar de Nederlanden gingen, +om daar aan de Hollandsche hippokrene te putten. + + + +In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur +van hun land, zijne _vochtige dampen_, die, als men niet aanhoudend +poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne +_wateren_, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in +slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand, +overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht, +ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op +die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. "Daarom +haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het +vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten," wat hij, even +als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt +hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij +Duitschers tot dweeperij en verwardheid. + +Alle neigingen en begeerten zijn bij de Hollanders ietwat mat en koel, +wat hun bij de volken van Europa den roep van groote, zich afzonderende +en niet meer dan de hoog noodige woorden gebruikende flegmatici te +zijn, gegeven heeft. Gloeiende wraak, jaloezie en andere hartstochten +zijn, naar de meening van een Spanjaard, bij hen "onbekend." Hunne +liefde vlamt niet, maar glimt slechts. Eer geldt bij hen minder dan +geld [58]. Wanneer het echter op geldverdienen aankomt, zijn zij daar +even tuk op, als de Romeinen op eene "verovering." Zij hebben meer +gezond verstand dan vernuft en geest, meer natuurlijke goedhartigheid +dan warm gevoel, en streven meer naar dat, wat zij gemakkelijkheid +[59] (een der groote woorden in hunne dictionnaire) noemen, dan naar +de vroolijke genoegens, die smaak en gezelligheid opleveren. Hunne +genoegens zijn eenvoudig, en bepalen zich grootendeels tot den kring +hunner huisgenooten, hunner familie en hunner beste vrienden. Men +vindt bij hen meer menschen, die men hoogachten moet, dan menschen +waarmee men zou kunnen dweepen, en hun land, dat den opmerker zooveel +merkwaardigs en leerzaams aanbiedt, beloont meer de moeite het te +bereizen, dan het aangenaam is te bewonen. + +Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en +pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil +en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke +flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen +brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke, +mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en +in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in +hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam +geweest, dat zij--een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen +zielen telde--zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover +om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als +men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens +menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener +aardglobe--of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad +werkten,--of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders, +die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven--of, +natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden +(en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele +soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te +kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk, +dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in +het leven roepen. + +In al hunne openbare betrekkingen hebben de Hollanders eene groote +liefde voor rechtvaardigheid bewaard, want nauwelijks maakt de +geschiedenis gewag van eene regeering, die door hare onpartijdige, +onomkoopbare, en voor alle standen der maatschappij gelijke +wetgeving en rechtswezen, beroemder geweest zou zijn, dan die der +Nederlanders.--De oude Hollandsche bank was er beroemd voor, dat +zij nooit meer bankpapier in omloop bracht dan waarvoor zij baar +geld bezat. Zich groot voor te doen is nooit een nationaal-gebrek +der Hollanders geweest; zij zijn niets minder dan pralers en +zwetsers. Zij verachten of belachen het declamatorische bij hunne +naburen, de Franschen. Nimmer hebben zij "Magnaten", of "Grandes" +gehad. Die namen hebben wij (de Duitschers) uit Hongarije en Spanje +ontvangen. De Nederlandsche grooten, rijken en machtigen, muntten +steeds uit door eene groote mate van bescheidenheid. Hunne machtigen +gebruikten hunne macht alleen daar, waar zij noodig was, maar brachten +weinig daarvan in het particuliere leven over. Zelfs, toen zij over de +schatten van Indië geboden, zag men hunne staatslieden, wier invloed +somwijlen met dien van Koningen gelijk stond, zonder bedienden en te +voet wandelen. En ook nu nog leven bij hen de rijken, ofschoon niet +zonder eene zeer soliede luxe, toch stiller en gewoonlijk eenvoudiger +en spaarzamer dan ergens anders [60]. + +Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor +verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de +waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in +denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke +werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het +standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer +zoo hoog als vroeger. "Zij gelijken een oud beroemd handelshuis, +waarvan de draagbalken broos geworden zijn." Toch echter zijn bij +de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne +zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een +verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der +Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval +geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner +macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid, +dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd +bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke +stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te +zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden, +toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den +bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren, +of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche +Souvereinen veel te zeggen hadden. + + + + + + +DE ZWITSERS. + + +Van de Nederlanders wend ik mij nu tot de Zwitsersche Alpenbewoners, +van de golven aan het strand der zee naar de bergen en hunne hemelhooge +toppen. Op het eerste gezicht schijnt dit een enorme sprong te zijn +en toch blijkt bij eene nadere beschouwing, dat die niet zoo groot +is. Want, vreemd genoeg, hebben niet alleen de politieke toestanden +maar ook de aanleg van het volk, in de hooge Alpen en in de lage +moerassen, in vele punten zooveel overeenkomst, dat men bijna geneigd +is aan eene geheime keurverwantschap tusschen beide landen en volken +te gelooven. + +Geographisch zijn zij reeds door den Rijn, die bij de Zwitsers +ontspringt en bij de Hollanders in zee loopt, verbonden. Zoowel de +bronnen als de mondingen van dezen grooten stroom, waren van oudsher +de schouwplaatsen van merkwaardige vermengingen en oorlogen van het +Celtisch-Romaansche en het Germaansche ras, zoodat wij dien ten gevolge +in de Nederlanden, even als in Zwitserland, bijna in alle tijden der +geschiedenis, deelen van beide groote stammen, tot een en hetzelfde +nationaal of politiek geheel, vereenigd zien. + +De vele breede stroom-armen en zeeboezems, die de Nederlanden in eene +menigte eilanden en deelen verdeelen, hebben daar dezelfde uitwerking +gehad, als in Zwitserland de bergen en bergruggen, die het hooge land +evenzoo in onderdeelen splitsen, en in beide landen heeft zich daardoor +een veelzijdig leven en werken van kleine vrijstaten, nevens, met en +tegen elkander ontwikkeld.--De moerassen en onderwaterzettingen in de +lage landen, hielpen de vrijheid der bewoners even zoo verdedigen, als +in de hooge bergstreken de ontoegankelijke ijsvelden en ongenaakbare +bergtoppen deden, en gene hebben bij de Hollandsche visschers eene +even groote zucht tot onafhankelijkheid doen ontstaan, als deze het +bij de arme herders der Alpen deden. Ook de natuurlijke gesteldheid +des lands, de strijd met de elementen, dààr met de zee, hier met +de aan sneeuwvelden en gletschers verbondene bezwaren, heeft in +beide landen een volhardend en dapper geslacht doen ontstaan, en +tegelijkertijd heeft bij beide volken de oorspronkelijke armoede van +het land, de ondernemingsgeest der bewoners opgewekt.--De Zwitsers, +aan de grenzen en bergpassen tusschen het Noorden en het Zuiden, aan +de uitgangs punten van groote stroomen op post gesteld, werden op het +vaste land even ijverige tusschenhandelaars als de Nederlanders op +de zee. Ook hebben gene naar hunne bergdalen, even als deze op hunne +duinen en heidevelden, verscheidene takken van industrie overgeplant, +waardoor zij welgesteld en voor de geschiedenis der ontwikkeling +belangrijk geworden zijn. + +In de republikeinsche gewoonten, in den godsdienstigen zin, in de +kerkelijke zaken van beide volken, vinden wij menigmaal (somwijlen tot +in de kleinste bijzonderheden toe) eene verrassende overeenkomst. Beide +zoover van elkander verwijderde volken, Nederlanders en Zwitsers, +waren eens op gelijke wijze met het Duitsche rijk verbonden, zooals +zij zich eens, ook weder op gelijke wijze, er van gescheiden hebben. + + + +Met betrekking tot de allervroegste bewoners van Zwitserland, heeft +men in de laatste jaren hoogst merkwaardige ontdekkingen gedaan en +onderzoekingen ingesteld.--In eenige zeer drooge zomers, waarin de +Zwitsersche meren, ver binnen hunne gewone oevers, zich terugtrokken, +heeft men aan hunne randen, eeuwenoude, in het water staande +paalwerken, en naast deze palen, op den bodem der meren verzonken, +gereedschappen, werktuigen, wapens, huisraad, visschers-booten van de +ruwste en eigenaardigste gedaante gevonden. Waarschijnlijk was het toen +aan de oevers der fraaie Zwitsersche meren wonende en visschende volk, +verwant met en van denzelfden tijd als de primitive rassen, van welke +men ook in Denemarken, Frankrijk en Engeland in den laatsten tijd zulke +belangrijke sporen ontdekt heeft, en van welke menigeen vermoed heeft, +dat het Finsche stammen geweest zijn, die eens (misschien verscheidene +duizende jaren voor Christus geboorte) het geheele nog uit moerassen +en wouden bestaande Noord- en Midden-Europa bewoond hebben. + +Toen de Romeinen (die het eerste licht in de geschiedenis +van Noordelijk Europa gebracht hebben) aan gene zijde der Alpen +verschenen, was het land even als Gallië en andere naburige landen, +door "Celten" bewoond, die waarschijnlijk uit het Oosten langs den +Donau over de Bodensee, veroverend het land waren binnengerukt, die +oude, Samojeed-achtige oorspronkelijke bewoners vernietigd hadden, +en die in Zwitserland den naam "_Helvetiërs_" droegen. Merkwaardig +genoeg vonden reeds de Romeinen, deze oude Celtische Helvetiërs binnen +dezelfde grenzen, waarbinnen nu nog de Zwitsersche bondsstaat bevat +is, namelijk tusschen het meer van Genève in het Westen, het meer +van Constans in het Oosten, de Jura in het Noorden en de Alpen in het +Zuiden. Dien ten gevolge kan men dus deze grenzen wel als _natuurlijk_ +beschouwen, en Zwitserland in hoofdzaak definieeren als dat groote, +fraaie, 40 mijlen lange en 12 mijlen breede dal, dat ten Noorden +door de Jura en het Schwarzwald omgeven, in het Zuiden de Alpen +tot grensmuur heeft, en in het Westen door beide genoemde meren +afgesloten wordt. + +Dit dal, dat door den Rijn en zijne takken bevochtigd wordt, en dat men +daarom ook het groote Boven-Rijn-bassin zou kunnen noemen, vormt het +hoofdlichaam van het vaderland der Helvetiërs of Zwitsers. Zij hebben +echter dit hoofdlichaam niet ten allen tijde, als een ethnographisch +of politisch geheel bezeten, en hebben ook nu eens dit, dan weder dat +der talrijke naburige dalen als leden of deelen er mede verbonden. De +Romeinen, onder en na Caesar, veroverden dat groote dal, stichtten +daar, even als in de andere Celtische landen, koloniën en steden, +voerden hunne taal in en romaniseerden het geheele Helvetië. Bij den +ondergang hunner macht echter, drongen, even als de Neder-Duitsche +Franken in het Nederlandsche België, de Boven-Duitsche Alemannen +(Sueven of Schwaben) Helvetië binnen, verdrongen de geromaniseerde +Celten, en brachten er voor het geheele vervolg van tijd, Duitsche +grond-bevolking voor in de plaats. Het gelukte hun echter niet, +deze germaniseering van Helvetië, geheel en in alle dalen door te +voeren. Even als in de Nederlanden, zoo bleef ook hier een deel van den +Romano-Celtischen, volksstam bestaan. En zelfs in de Duitsch geworden +Oostelijke helft van Zwitserland, dragen vele plaatsen en streken nu +nog Romeinsch-Celtische slechts eenigzins op Duitsche wijze veranderde +namen, zooals de steden Zürich (Thuricum), Constanz (Constantia), +Bregenz (Brigantium), Solothurn (Solodurum), Bazel (Basilea) en andere. + +Toen na de stormen der volksverhuizing zich groote Germaansche rijken +vormden, werd Helvetië vaneengescheurd. De grootere Oostelijke +helft, tot aan eene lijn die van het meer van Neufchatel tot het +meer van Genève loopt, bleef sedert de 5de eeuw bijna altijd een +deel van het groote Hertogdom Alemannië of Schwaben, en viel met +dit onder de macht der Frankische Koningen en later der Duitsche +Keizers. Deze lang durende staatkundige vereeniging met het +"Schwaben land," deed de Oostelijke Zwitsers hunne Duitsche taal en +hunne Alemannische nationaliteit behouden. De kleinere Westelijke +helft van Helvetië daarentegen, viel aan het groote Bourgondische +rijk toe, dat overal op romanischen bodem stond, en waarin de het +land binnengetrokkene Duitsche Bourgondiërs, zeer spoedig weder +geromaniseerd werden. Geruimen tijd vormde zich onder den naam +"Burgundia Minor" (klein-Bourgondië) een gedeelte van dat rijk, dat +wel een tijd lang ook onder de opperheerschappij der Duitsche Keizers +stond, maar met betrekking tot taal en bevolking, zich echter steeds +als een Romaansch land vertoonde. De Westelijke Zwitsers bleven dien +ten gevolge ook, even als de andere "Bourgondiërs," deze nationaliteit +toegedaan, en vervormden hunne Romaansche taal en gewoonten, in +verbinding met hen, en even als zij verscheidene phasen doorloopende, +ten slotte tot een Nieuw-Fransch. + +Uit deze gebeurtenissen in haar geheel beschouwd, laten zich de +ethnographische verschijnselen en verscheidenheden in Zwitserland zeer +goed afleiden, ofschoon daarbij in sommige onderdeelen veel vreemd en +onverklaarbaar blijft; zooals b.v. hoe en waarom de groote Duitsche +volksvloed het eene dal binnendrong, het andere niet,--hoe en waarom de +germaniseering dikwijls midden in eene vlakte staan bleef, en daar, +zonder eenige natuurlijke aanleiding, met het Romaansche element +eene scherpe afscheiding maakte, ja met dezen zelfs hier en daar +dezelfde dalen deelde, en soms zich, b.v. in eenige Monte-Rosa-dalen, +sporadisch en eilandachtig vooruitschoof. Eene der merkwaardigste +onder deze bijzonderheden, is zeker het zeshonderdjarig samenleven van +een Fransch en een Duitsch element binnen de muren der zelfde stad +(Freiburg), zonder dat daaruit een ethnographisch geheel ontstaan +is. Nog heden ten dage spreekt men in het hoogere gedeelte dezer stad, +op hare rotsen, Romaansch, en in de dalhelft, aan de rivier, Duitsch, +zonder dat alle inwoners beide talen verstaan. + +Na den ondergang van het oude Helvetië, is ook, gedurende de geheele +middeneeuwen tot aan de veertiende eeuw, van een eigendommelijk +Zwitsersch volk, van eene Zwitsersche _natie_, geen sprake. De +landstreken en bevolkingen, die zich heden ten dage als deelen dezer +"natie" beschouwen, gingen toen in andere grootere politieke lichamen +op.--Genève, Waadland en het halve Wallis waren afhankelijk van Savoye; +Tessin behoorde tot het Hertogdom Milaan; Graubunderland of Rhaetië +had zijne eigene ontwikkelings-geschiedenis op zich zelf. Overal trof +men kleine dynastiën en Vorsten aan, en nevens hen bloeiden, even +als in het geheele Duitsche rijk, vrije steden en bisschops-zetels, +tusschen welke verder geene politieke vereeniging bestond, dan +de zeer losse die het Duitsche rijksverband aan een sloot. Alleen +gedurende de de 11de en 12de eeuw laat zich eene zekere eenheid van +Zwitserland daarin _herkennen_, dat de Hertogen van Zähringen, ten +minste in de groote deelen van het land, als erfelijke stadhouders +van den Duitschen Keizer regeerden. + +Eerst in het begin der 14de eeuw, werd de grondslag tot dat staatswezen +gelegd, dat voor en na alle deelen van het oude Helvetië weder tot +een geheel vereenigen zou, en toen werd voor het eerst de naam der +aanvankelijk zeer kleine landstreek genoemd, die langzamerhand alle +medeburgers van dezen staat, als hun nationalen naam aangenomen +hebben.--Deze naam zou (zoo beweert eene oude sage) uit Zweden +afkomstig zijn, en van eene schaar Noorman'sche avonturiers afstammen, +die in de vroegste middeleeuwen, den Rijn opvarende, zich om het +Vierwaldstädter meer nederzetten en een daar gelegene landstreek, +"Suitia" of "Schwijz" noemden. Schwijz was het grootste van de drie +Duitsche ur-kantons, die tegen de despotische landvoogden van Keizer +Albrecht opstonden, en door een eed met elkander verbonden waren. + +Aanvankelijk noemden zij zich slechts de "eedgenooten" of na de +toetreding van Lucern ook wel "den bond der vier woudsteden." Schwijz +bleef ook later voor langeren tijd de ziel van dezen bond, en gaf +dien ten gevolge eindelijk aan het geheel zijne kleuren, wit en rood, +en zijn naam, die echter eerst sedert de 16de eeuw algemeen en aan +alle eedgenooten deelachtig geworden is. + +In een bijna 200 jarigen oorlog tegen Oostenrijk, die even rijk aan +roemrijke daden en overwinningen der vrije Zwitsersche bergbewoners is, +als de 80 jarige oorlog der Nederlanders tegen Spanje, handhaafden zij +hunne onafhankelijkheid, verwierven zich roem en macht, en daardoor +vele bondgenooten onder de landschappen en steden, rondom hunne hooge +bergen gelegen. + +Na iederen grooten strijd en overwinning vergrootte zich hun +bond. Reeds dadelijk bij de eerste overwinning, bij Morgarten [61], +nog in het begin der 14de eeuw, traden de steden Lucern, Zürich, Bern +en Glarus tot hem toe, en vermeerderden daardoor het aantal "Orten" (of +kantons) tot 8, die later de acht "oude Orten" genoemd werden. Weder +na een reeks Spartaansche veldslagen, bij Sempach, bij Näfels en bij +St. Jacob, [62] in het einde der 14de en het begin der 15de eeuw, +waarin zij hunne zelfstandigheid tegen de Oostenrijkers en Franschen +handhaafden, breidde zich hun gebied andermaal uit,--over Aargau en +Thurgau.--Toen de machtige Hertog van Bourgondië, Karel de Stoute, +die midden tusschen Duitschland en Frankrijk eene groote monarchie, +door alle Westelijke Rijnlanden heen, stichten, en de Zwitsers met de +Nederlanders onder zijn schepter vereenigen wilde, in de heldenslagen +bij Grandson, Murten en Nancy [63] bezweek, toen annexeerden de +eedgenooten ook Freiburg en Solothurn, en nadat zij andermaal, +in eene reeks bloedige overwinningen, tegen Keizer Maximiliaan zich +hadden weten te handhaven, werden ook Bazel, Appenzell en Schaffhausen +opgenomen [64]. En ook de zoogenaamde "Graue Bündte," der Rhätische +dalbewoners, traden toen met de eedgenooten in verbroedering. + +Van nu af aan, dus van het einde der 15de eeuw, was er tusschen +de Jura en de Alpen,--voor het eerst na den ondergang van het oude +Helvetië,--een, zoo ook al niet in hooge mate vereenigd Zwitsersch +volk, dan toch een begin er toe, een onafhankelijke staat, die zich +van het Duitsche rijk losmaakte, en zich als eene, politisch steeds +gewichtiger wordende, Europeesche macht vertoonde. + +De roep hunner dapperheid maakte alle Vorsten begeerig naar den +bijstand der geharde, en in ontelbare veldslagen ervaring opgedaan +hebbende, zonen van het Alpenland. Daar hun vaderland arm was, zoo +waren zulke hulptroepen gemakkelijk voor geld te krijgen. Zij hadden +bij de deeling van den rijken Bourgondischen buit geleerd, hoe men, +aan gene zijde hunner bergen, door het zwaard en de strijdkolven +schatten winnen kon. Van dien tijd dateert het beruchte, zoogenaamde, +"reislaufen" der Zwitsers, het dienstnemen bij vreemde mogendheden +der geldgierige helden en vechtersbazen, dat gedurende twee of drie +eeuwen meer Alpen-zonen door de geheele wereld gevoerd, en hier en +daar inheemsch gemaakt heeft, dan eenige andere drijfveer. In dit +opzicht vormen de Zwitsers een scherp contrast met de Nederlanders, +met wie zij in andere punten zooveel overeenkomst hebben. Want +deze werden, zooals vroeger reeds opgemerkt is, in denzelfden tijd +waarin de Zwitsers, door _oorlogszucht_ gedreven, hunne razzia's in +Europa hielden, alleen door _vreedzame_ kunsten, als stadbewoners +en landbouwers in verscheidene landen woonachtig.--Waar zich ook de +_boten_ (afgevaardigden) der eedgenooten verzamelden, daar verschenen +de gelukwenschende gezanten met zakken vol blanke thalers, om voor den +Keizer van Duitschland, of voor den Koning van Frankrijk, voor den Paus +of voor de Vorsten van Hongarije, voor de rijkstad Neurenburg of voor +eenige staat der wereld, als zij maar betalen konden, bondgenootschap +en soldaten te zoeken. De boer verliet den ploeg, de kunstenaar zijne +werkplaats, en begaf zich in vreemden krijgsdienst, waar steeds op +geld en buit te hopen viel. Vrije Zwitsers "_Rusticorum mascula militum +proles_" mannelijke spruiten van boersche soldaten dienden, evenals de +Turksche Albaneezen onzer dagen, den Vorst die hen betalen wilde. Zij +leverden _voor geld_ de bloedigste veldslagen, veroverden voor geld, +op de Franschen het schoone dal van de Po voor den Hertog van Milaan +zoolang hij betaalde, en toen deze niet meer betaalde, heroverden zij +dat zelfde Po-dal op den Hertog van Milaan ten behoeve der Franschen. + +Daar zich somwijlen twee tegen elkander strijdende partijen +Zwitsersche bondgenooten hadden verschaft, zoo stonden deze niet +zelden op het slagveld tegen hunne broeders over. Daar winzucht en +lust om zich buit te verwerven deze onoverwinnelijke berg-troepen +bezielden; daar zij ook despoten en tyrannen dienden, als deze maar +betalen konden, zoo heeft niets meer, dan deze uit hunne roemrijke +vrijheidsoorlogen voortgesprotene buiteniandsche krijgsdienst, de +Zwitsers bij de overige volken onbemind gemaakt. Het spreekwoord +"_point d'argent, point de Suisse_" (geen geld, geen Zwitser) werd +na dien tijd in alle talen overgebracht. Geldgierigheid en winzucht +zijn eigenschappen, die men na dien tijd den Zwitsers meermalen +verweten heeft. Ook heeft daaraan misschien eene zekere stuursche +hardheid in hunne manier van zijn en in hun gedrag haren oorsprong +te danken. Ten deele echter ook, moet deze hardheid, zooals ook hunne +uiterst harde en ruwe taal, aan het bergachtige karakter van hun ruw +land worden toegeschreven. Mij dunkt, dat zulks zich zelfs in den +stijl der Zwitsersche schrijvers afspiegelt. Ik herinner den lezer +slechts aan de Tacitanische schrijfwijze van den grooten Zwitserschen +geschiedschrijver J. v. Muller. Ook de Zwitser Zschokke heeft, in +zijne geschiedenis van Helvetië, iets dergelijks, en het schijnt +wel als bespeurde men bij iederen Zwitser, redenaar en schrijver, +een weinig, wel niet altijd klassieke Tacitus-manier, gebrek aan +vloeiendheid en losheid, iets rots- en lawineachtigs.--De vreemde +militaire dienst was een kanker, die op verschillende wijze aan +het kapitaal van het nationaal-karakter der Zwitsers teerde, en hun +staatsbestuur op gelijke wijze een tijdlang ondermijnde, als eens in +Rome de praetorianen deden. Eerst in den allernieuwsten tijd is het, +na veel moeite en vele verboden, den wetgevers gelukt deze slechte +nationale gewoonte af te schaffen, en hare bronnen te verstoppen. + +Trots de scheiding der Zwitsers van het Duitsche, in den aanvang +der 14de eeuw, bleven toch de kern en geest van het volk eigenlijk +Duitsch. Van de Duitsche Zwitsers uit de zoogenaamde "Urkantonen" +ging de eerste grondvesting van het eedgenootschap uit, van hen ging +ook de uitbreiding van het grondgebied uit, evenals later ook de +kerkhervorming en nog andere dier bewegingen, die aan het Zwitsersche +volk zijn eigenlijk karakter gegeven hebben. Met uitzondering der +oude Rhaetische Romanen in Graubunderland, en in den omtrek der stad +Genève, zijn bijna het geheele niet-Duitsche gebied en volk, door de, +van de Duitsche Zwitsers uitgaande inspanningen en veroveringen, tot +het eedgenootschap gekomen. Zoo ging het met het Fransche Wallis door +de ondernemingen der Duitschers in _Ober_-Wallis; zoo met het Fransche +Waadland, door de krijgshaftige Berners, die het aan de Hertogen van +Savoije ontnamen; zoo met het Italiaansche Tessin door de dappere +Duitsche herders uit de Ur-kantonen, die het op Milaan veroverden, +zoo met meer andere Italiaansche gebieden, door de Duitsche leden +van het Godshuis-Bond en van het Grauwe Bond. + +Deze vreemde onderdanen werden door de Duitsche Zwitsers, hunne heeren, +eeuwen lang door landvoogden even despotiek geregeerd, als zij zelven +vroeger door de stadhouders der Oostenrijksche Vorsten geregeerd waren +geworden. En buitendien was er ook in de gemeentelijke inrichting +der Duitsche Zwitsers zelve, tot op den nieuweren tijd toe, zooveel +ongelijkheid in rechtspraak, waren er zoovele onderdrukte onderdanen, +zoovele bevoorrechte heeren en stadsburgers, zooveel kleine geheel +en al souvereine staten, die, zonder het eedgenootschap te vragen, +dikwijls onder elkander, somwijlen zelfs met vreemde machten +bondgenootschappen sloten, dat van een eenig Zwitsersch staatswezen, +nog steeds geen sprake kon zijn. Iets dergelijks heeft zich eerst in +onze eeuw langzamerhand gevormd. + +De Fransche revolutie, Napoleon en de hem volgende nationale +bevrijdingsoorlogen, hebben ook daartoe, evenals tot de opkomst +van andere Europeesche nationaliteiten, den stoot gegeven. Men mag +van de Franschen zeggen, dat hun de eer toekomt, de Romaansche +onderworpelingen van het oude Zwitserland in Wallis, Waadland, +Tessino enz. van hunne Duitsche landvoogden bevrijd te hebben, en +hen met de overige Zwitsers in eene en dezelfde staatsregeling, die +alle oude voorrechten en ongelijkheden gelijk maakte, op gelijken voet +vereenigd te hebben.--Wel moesten de Zwitsers zich later eerst weder, +evenals het overig Europa, van de heerschappij der Franschen bevrijden, +en daarna zich ook weder opwerken uit de reactie, waardoor bij haar +evenals overal elders, alles op middeneeuwschen voet teruggebracht +werd; maar in den loop der laatste halve eeuw ontwikkelden zich de +door de Franschen ingevoerde hervormingen, en voerden eindelijk, +tengevolge der door de Juli-revolutie ontstane werking, vervolgens +na de overwinning van den Sonderbond [65] tot eene steeds grootere +nationale gelijkheid, verzoening en vereeniging. + +Tallooze gehate beperkingen, die Zwitsers van Zwitsers scheidden; de +privilegiën der steden, de voorrechten der verschillende burgerklassen, +de macht der patriciërs en "heeren," de ketenen der landlieden, de +erfrechten van vreemde Vorsten (b.v. van den Koning van Pruissen in +Neufchatel), de muren, die het onderling verkeer der verschillende +staten belemmerden, zijn gevallen.--Een eenig handelsgebied, eene +staatkundige gelijkheid van alle burgers en de deelen van het land +en hunne talen, is nu ingevoerd, en eindelijk is het geheele werk +in het jaar 1848, door de zoo gelukkig doorgezette verandering van +het vroeger zoo losse statenverbond, in een eenigen _bonds-staat_ +met krachtig opperbestuur, gekroond geworden. + +De in de laatste tijden plaats gehad hebbende veranderingen, +de politieke vrijheid en het daardoor voortgebrachte goede, +heeft nu in geheel Zwitserland eene groote harmonie in gezindheid, +vaderlandsliefde en in wederkeerige sympathiën veroorzaakt, zoodat +men hier, niettegenstaande de bonte verscheidenheid in afstamming, +bloed en taal, eene eenige, door de staatsregeling te zamen gehoudene +nationaliteit, herkent. + +De Zwitsers bieden het merkwaardige en in Europa bijna eenige +schouwspel aan, dat bij hen op verschil in taal en ras, geen verschil +in nationaliteit berust, dat er geene antipathiën, wrijvingen en strijd +uit ontstaan. In Pruissen en Oostenrijk staan Slawen, Duitschers +en Oostenrijkers vijandig tegen elkander over; in Denemarken +Duitschers en Skandinaviërs; in Zweden zelfs de nuances van den +grooten Skandinavischen stam, de Noorwegers en Zweden; in Engeland +de Anglo-Saksers en de Celtische Ieren. In België bestaat tweespalt +tusschen de Vlaamsche en Waalsche of Fransche beweging.--Schier niets +dergelijks treft men in Zwitserland aan; daar zijn de brokstukken van +stammen van zeer verschillende geaardheid, tot diep in de gebergte +doorgedrongen, hebben zich tusschen elkander ingewerkt, en laten +zich zeer vreedzaam en geduldig door den zelfden staat tot één +samenvoegen. Daar reikt de Celtische bewoner van Genève en Waadland, +aan den Germaanschen bewoner van Bern en Bazel de broederhand. Het +komt hem niet in het hoofd, tengevolge van het bloed of van de +moedertaal, met den bewoner van Frankrijk te sympathiseeren, zooals +de Schleeswijk-Holsteiner met den Duitscher deed. Ofschoon zij taal +en literatuur met den Galliër deelen, zoo zijn toch deze Fransche +Zwitsers, in nationalen en politieken zin, Helvetiërs tot in merg +en been.--Daar treedt ook de Italiaansche bewoner van Tessino, +gewillig het gebouw van het eedgenootschap binnen. Ofschoon hij van +zijn Franschen en Duitschen medeburger in vele opzichten verschilt, +ofschoon hij als alle andere Italianen met Petrarca en Tasso dweept, +en ofschoon hij _alleen_ meer voor de kunst gedaan heeft, dan alle +andere Zwitsers te zamen, zoo wil hij toch sedert lang niets anders +dan een "Suizzero" zijn. Wel heeft natuurlijk de smartkreet van Italië +bij hem weerklank gevonden, maar dit geval heeft toch geen lust bij +hem opgewekt zich van Zwitserland te scheiden. Zelfs reeds in het +jaar 1798 protesteerden de bewoners van Tessino, die toch pas het +juk hunner Duitsch-Zwitsersche veroveraars ontkomen waren, ijverig +tegen eene inlijving in de Transpadinische republiek der Italianen, +wat het doel van Frankrijk was, en verklaarden zij eenstemmig dat zij +bij Zwitserland blijven wilden.--Even vast is ook de oude Rhaetiër, +wiens Ladinische taal niemand in het overige Zwitserland verstaat, +en die zich beroemt van het geslacht der oude Etruskers af te stammen, +aan den bond en aan het Zwitsersche volk gehecht. + +Daar er geene ijverzucht en geen haat tusschen de rassen bestaat, +zoo bestaat er ook geen taalstrijd in Zwitserland. Veeleer krijgen de +verschillende talen daar, in hooge mate overeenkomst met elkander, +en deelen zij zich zonder tegenstreven over en weer aan elkander +mede. De Duitsche Zwitsers maken zich gaarne het Fransch eigen, en +aan den anderen kant zijn er in Zwitserland meer Franschen die ook +het Duitsch geleerd hebben, dan ergens anders in het gebied van het +Celtische ras. Vele Zwitsers zijn dubbelsprakig, even als de Belgen +in Vlaanderen, b.v. de meeste beschaafden in het Westelijk gedeelte +van Duitsch Zwitserland. + +De Duitsche Zwitser heeft van oudsher een innig aandeel genomen, aan +al de literarische, godsdienstige en wetenschappelijke bemoeiingen +van Duitschland. + +Reeds in den eersten bloeitijd der Duitsche poëzie, waren eenige der +beroemdste minnezangers uit het Alpenland geboortig. En later bij de +tweede moderne poëtische vlucht in Duitschland, plaatste zich weder +eene Zwitsersche school van dichters en geleerden, naast de zoogenaamde +Saksische school, toongevend aan het hoofd dezer Duitsche beweging. De +Bodmers en Breitingers in Zurich, baanden de nieuwe Hoog-Duitsche taal +en literatuur den weg in de Alpen.--De kerkhervorming in de 16de eeuw, +vond bij de Duitsche Zwitsers terstond een even grooten weerklank als +in Duitschland zelf, en wekte daar mannen als Zwingli en Oekolampadius +op, die dien tak van het protestantisme (de zoogenaamde gereformeerde +kerk) in het leven riepen, dien men wel het Zwitsersche protestantisme +zou kunnen noemen. Want het draagt in zijn republikeinsch kerkelijk +bestuur, en in zijn koelen, nuchteren, bedachtzamen geest, geheel +en al den stempel der Duitsche Zwitsers, die misschien door niets +wat overigens van hen uitging, zoo invloedrijk in de wereld geweest +zijn, als door deze, door hen het eerst georganiseerde, geloofs- +en kerkhervorming, die zich van Zürich uit, door Calvijn aan de +Fransche Zwitsers mededeelde, en vervolgens door Frankrijk, Holland, +Schotland en vele andere landen, toongevend verbreidde.--Ook in de +wetenschap en kunst hebben de Zwitsers van oudsher, met de Duitschers +hunne groote mannen en denkbeelden omgeruild. Hunne Hallers [66] +hebben bij de Duitschers gewoond even als de Duitsche Okens [67] +bij de Zwitsers willige opname vonden. + +Bij dit alles echter hielden zich deze, dikwijls met de Duitschers +verbroederde Zwitsers, in politieken zin scherp van hen gescheiden, +en staan zij in dit opzicht geheel aan de zijde hunner medeburgers +van Franschen, Italiaanschen of Rhaetischen stam. + +Tengevolge van dezen innigen politieken band, die al de +verschillende rassen in Zwitserland samen verbindt; ten gevolge hunner +gemeenschappelijke herinneringen en republikeinsche staats-regelingen; +zoo mede ten gevolge van het lang nevens elkander wonen en hunnen +omgang, heeft zich dan ook onder hen in vele andere punten eene zekere +gemeenschappelijkheid in wezen, een zeker algemeen nationaal-type +gevormd, dat bij hen iets _aangetrokkens_, van den _staat_ uitgegaans +schijnt, terwijl het bij andere volken aangeboren is en in het +bloed zit. Vele eigenaardige dagelijksche zeden en gewoonten in het +gezellige verkeer, hebben zich over geheel Zwitserland verbreid. Eene +zekere republikeinsche ruwheid, stroeve nuchterheid en stijfheid, +valt den Franschen bij de Fransche Zwitsers evenzeer op, als den +Duitschers bij de Duitsche Zwitsers. De verhouding tusschen de beide +geslachten, is in het Oostelijk Graubunderland ongeveer dezelfde als +aan het Westelijk uiteinde van het meer van Genève. Bekend is het +b.v. dat de jongelui zich, hier even als daar, in een zeer vrijen +omgang mogen verheugen, hetgeen met de in Frankrijk ingevoerde +kloosterlijke opvoeding en opzicht, een scherp contrast vormt. De +spaarzame, voordeel zoekende, industrieele zin, heeft alle stammen van +Zwitserland in gelijke mate aangegrepen. In het Fransche Zwitserland +vindt men geheele bergstreken vol van de bekwaamste uurwerkmakers, +terwijl in het Duitsche Zwitserland de dalen met zeer ijverige +houtsnijders, stroovlechters, borduursters en neteldoek-wevers +gevuld zijn. Ook de innige vaderlandsliefde, de bekende en treffende +Zwitsersche zielsziekte, het heimwee, is aan alle vrije Alpen-zonen, +welke taal zij ook spreken mogen, gemeen. Niet alleen bij Duitsche, +maar ook bij de troepen uit Fransch-Zwitserland, die in den vreemde +dienden, was het onder zware straffen verboden, op den koehoorn +te blazen, om bij de soldaten geen ziekelijk verlangen naar het +vaderland op te wekken. De naast deze diep gewortelde liefde tot +den geboortegrond bestaande lust om te reizen en te trekken, een +oud erfdeel aller Schwaben, is ook een erfdeel van alle Zwitsers +geworden. De Zwitsersche gouvernante uit Waadland, de koekbakker +uit Engadin [68], de kunstenaar uit Tessino, ontmoet men overal +in de wereld, en naast deze, tot in China en Oost-Indië toe, den +Zwitserschen handelaar uit Zürich, Bazel of Genève. Er is bijna geene +stad in Europa, die niet eene kleine kolonie Zwitsers bezit. Zij +hebben overal hunne gevolmachtigden, agenten en consuls, en spelen +heden ten dage, als bevorderaars van handel en industrie, in onze +geheele Europeesche volken-familie eene zeer welkome, vereffenende +en vreedzame rol, die een aller-aangenaamst contrast vormt met de +krijgshaftige wijze, waarop zij vroeger, als betaalde landsknechten, +in de lotgevallen der volken van ons werelddeel ingrepen. + +Trots de geringe getalsterkte hunner bevolking (het aantal van +alle Zwitsers bedraagt niet veel meer dan 2 millioen, dus evenveel +als het getal bewoners van het kleine Duitsche Koningrijk Saksen), +hebben de Zwitsers, dank zij hunne geographische ligging in Europa, +en ten gevolge hunner patriotische vrijheidsliefde en énergie, +zoo mede ten gevolge hunner kerkhervorming, af en toe den invloed +eener macht van den eersten rang bezeten en uitgeoefend, en op hunnen +grooten, prachtigen Alpenburg, aan de grenzen van Italië, Frankrijk +en Duitschland, geplaatst aan de bronnen van Rijn, Po en Röhne, nemen +zij ook nu nog eene hoogst belangrijke en invloedrijke stelling in. + + + + + + +DUITSCHLAND EN DE DUITSCHERS. + + +Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen +zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden +van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het +zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland +dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk +van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten. + +Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde +zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens +uitgespannen. + +In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het +Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in +het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee. + +Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact +geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen +de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle +windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere, +zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken, +Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De +Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische +streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau +stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen +in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den +ver verwijderden Pontus verliest. + +Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking +tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de +gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd +van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt, +over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer +gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al +zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene +alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een, +overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau; +Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna +geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in +hoofdzaak een kolossaal granietblok. + +Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur +van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het +Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede, +effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge +bergmassa's. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met +elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux, +die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich +niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in +de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen, +door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs. + +Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in +Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land +van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee, +een Noordsch klimaat, dat overal _hetzelfde karakter_ heeft, bezit; +terwijl Italië _van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen_ +Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal +als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl +Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den +Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt _Duitschland_ in meerdere of +mindere mate aan al deze toestanden deel. + +In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters +en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden, +druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het +Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland, +en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten, +jaargetijden en vruchten binnen. + +Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke +toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht "l'indécise +Allemagne" (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland) +genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit +verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere +Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had, +tot politieke en nationale eenheid gekomen. + + + +Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog +voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd, +is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het +_Oosten_ kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle +bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.--ten +minste grootendeels--door de bosschen en bergen van Duitschland +getrokken zijn. + +De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door +verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel +vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het +Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen +Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker +zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het +Oosten, dan nu. + +De _Germaansche_ stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere +geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die +der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen +drongen, kwamen even als _zij_, uit Midden-Azië, waar zij bij de +Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde "Ariërs," +hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en +reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het +Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan +bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken, +zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en +aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij +andere volken. + +Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den +Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd +zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende, +zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid +hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee, +als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch +vaderland, als naar het _oudste_ Duitschland, van waar uit zij zich +het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste +komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de +overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der +Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De +_Noord-Duitsche_ dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner +klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der +Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en +West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen. + +Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der +geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de +Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke +Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers +in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun +bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen +en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche +(Celtische) stammen. + +De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden, +hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden +tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de +bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den +Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden, +en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot +daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen +vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij _niet_ +veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land, +en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die +het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden. + +Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het +Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen +Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na +de 3de en 4de eeuw Rome's macht verminderde, braken de Duitschers +in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte +wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen _slechts een tijd lang_ +tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort. + +De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs +(Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van +het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde +Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg +en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen +of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal +en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot +diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte +Duitsche volks-elementen. + +Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande +namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de +stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van +de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden, +bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele, +nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen +wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen. + +De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk, +als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht +tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het +geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij +af.--Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam, +aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene +kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met +behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene +zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn +geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag, +die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun +inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, _slechts_ met behulp der +Duitschers werkelijk gelukt is.--Deze kernachtige, jeugdig frissche +barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk, +een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk +gemaakt. Van _hunne_ stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna +alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige +daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen, +zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden, +de Andalusiërs en andere. + +Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo +veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke +scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische +rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig +geweest. "Uit het _romanisme_ en het _germanisme_, verklaren zich +in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen." Wie den +geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die +heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere +volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand. + +Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt, +Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken +daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen +stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken +op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot +den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het +moederland zelf. + +Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing, +eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk +binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een _nieuw_ +Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke +Rijn- en Donaulanden, die te voren maar _half_ Duitsch, grootendeels +Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de +Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum, +werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging +daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en +Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren. + +Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de +Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder +hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts +voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op +Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs, +Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland +weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de +Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde +Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in +Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben, +zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers, +op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te +achten.--Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de +Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers +aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden +om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten- +en stedenbouw te danken hebben. + +Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander +ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing, +plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot +gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië, +niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als +grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden. + +De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische +bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers, +de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van +hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van +Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije) +verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken +door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot +aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van +Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de +Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der +Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten +de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en +Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over +de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben +drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en +tot het hart van Thüringen. + +Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele +Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna +_zonder_ Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers +moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud +vaderland terug _veroveren_. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid +in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest, +waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk +Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben +deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke +wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude +grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote, +hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot +aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij +zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast +de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving +zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van +het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers +te beschouwen. + +Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing +en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen, +nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische +schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar +Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan +den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben +de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden +overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd +gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene +ten minste grootendeels terug te krijgen. + + + +Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier +namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de "Brukteren," +de "Angrivariërs," de "Cheruskers," de "Chauken," de "Markomannen" +en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de "West"- en +"Oost-Gothen," de "Longobarden," de "Bourgondiërs," de "Vandalen," +de "Gepiden," de "Herulers" en nog vele andere uit de wouden van +Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen +weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen +eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken, +of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante +_volks_-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde +wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken +van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich +daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene +zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen +"Hannoveranen," "Baden," "Wurtembergers," "Pruissen," geene Duitsche +stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen +aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere +volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid +hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het +groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig +zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in +het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen +zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen +zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen +onderscheiden. + +Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur +bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de +benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld, +als zij ze nu nog in bezit hebben. + +Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den +Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de +Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië, +uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der +natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en +karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing +verdwenenen getreden zijn. Van een "Duitsch-Oostenrijker," een +"Tyroler," een "Sileziër," een "Boven-Sakser" of "Meiszner," een +"Brandenburger," een "Mecklenburger" of een "Lijflander," wisten +noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw +ontstane variëteiten van het Duitsche ras. + +Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche +nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig +de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen; +zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner +hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen. + +Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen +kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene +Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken, +en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en +Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga. + + + +Met den naam "_Allemannen_" en "_Beieren_," bestempelt men de beide +hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.--Genen +bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden. + +De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de +Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de +Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de +rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het +Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura +en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten, +tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke +grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die +door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt. + +Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke +ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen +vereenigd, waren de "Sueven" of "Schwaben" een even beroemde Duitsche +volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in +elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen +en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd +tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne +gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil +bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder +van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt, +de _Allemannische_ in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan +den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau. + +Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben +de Franschen den naam "Allemands" voor het geheele volk ontleend. Zelfs +nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in +het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand +Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben +tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd, +en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche +natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens +"banierdragers" zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden. + +Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen +gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook +de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche +steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg, +Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei +en gewicht gebracht. + +De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische +dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen +de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect, +voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs +de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het +Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd +vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect. + +Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam +zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan +de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene +geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de +uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals +een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars +zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd +geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg, +zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische +kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone +Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste +Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg. + +Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der +Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de +eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende +Schwabische Hertogdom, een einde. + +Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en +Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook +in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland, +door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde +"Schwabische steden-verbond," waartoe ook vele niet-Schwabische steden +toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in +het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den +roofridder-tijd en aan het vuistrecht. + +Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte, +kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche +stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af, +en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne +broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en +den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de +Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand +in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen +in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van +hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele +hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber, +Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij +in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede +verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen, +dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche +moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden, +is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar +getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische +stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk. + + + +Het "lustige Schwaben," zooals velen het noemen,--anderen zeggen, +misschien met meer recht, het "tobberige Schwaben"--eindigt, +zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland +ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche +hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende +Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de "Bojen" +(vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf +Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond, +en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van +den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en +het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand +tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom +stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde +Regensburg werd. + +Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve +mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en +beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk +hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen +en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al +deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van +den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche +dialect in al deze streken, onder den naam van _Beiersch-Oostenrijksch_ +dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk, +heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen +zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, +tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de +kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat +en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die +der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke +beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds +die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat +in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau, +Hannover, Pruissen enz. + +"De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen +stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij +met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd +niet zeer gewillig instemden." Reeds in de middeneeuwen, hebben zij +onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen, +de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl +bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en +pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt: +"een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,--ook +nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal." + +Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht +gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij +"Lutheraansch Duitsch," noemden, langen tijd niet wilden aannemen, +hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der +literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren +voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving +en ontwikkeling. + +Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd, +en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook +sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd, +en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap +geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende +kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten, +met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en +kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie, +met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten, +zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden. + +Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam +dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond +getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd +Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen +te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde +Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal +gevoel op te wekken. + +In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel, +nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. "De Beieren, vroeger +dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche +eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen +geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de +laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen +Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken +de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd. + + + +Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal +der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de +Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers +geworden zijn. + +Geheel en _uitsluitend_ kan men deze "Tyrolers" wel niet als +een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven +gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in +hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij +dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs, +oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren +hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het +langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben +hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar +intusschen na de verbrokkeling van het groote "Bavaria,"--alle +bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand +onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het +slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met +behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam "Tyrolers," een +afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge +Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het +integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor +zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde. + +Geen der Duitsche stammen is langs de oude wegen en bergpassen +van den Brenner [69] zoover in het Italiaansche land en klimaat +vooruitgedrongen als de Tyrolers. Zij zijn tot diep in het schoone +Etsch-dal afgedaald en hebben Duitsch sprekende districten en +volkjes--_Sette en Tredeci communi_, zelfs nog tot in nabijheid van +Vicenza en Verona vooruitgedreven. In den nieuweren tijd echter zijn +Duitschdom en Duitsche taal door de bewegelijke en daar woonachtige +Italianen overstelpt en teruggedrongen. + + + +Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol, +heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen +Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in +het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken +verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in +het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen +grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de +Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren. + +Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers +het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders, +gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels +der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz, +Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit. + +Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook, +terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke +Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond +was, Duitsch gemaakt. + +Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen +aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters +achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele +bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen, +zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand +van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en +heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd, +dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie +koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men +èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken, +het een het andere zou doen overkoken. + +Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene +eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na +niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de +oud-Beieren. "Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd +uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de +rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar +men genoegen schept in muziek en dans." Van daar uit hebben zich de +Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld +verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de +eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid, +als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt. + +In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de +verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich +von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook +werd in Oostenrijk het "Nibelungen-lied" zoo bij elkander gevoegd, +als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna +met hem op gelijke lijn staande componist der "Jahreszeiten" werden +aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en +dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit. + +Maar bij alle "zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid," +bij hunne, zooals men zegt, "geborneerde" naïviteit, moet toch een +fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers +steken. Want juist dit "land van het Duitsche epicurisme," met zijne +prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote +Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche +volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden +heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door +de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en +tot aan de Zwarte Zee toe.--Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte +Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en +Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde +steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs. + +Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij +meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral +de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau +woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen +medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar +overal de naam "Schwaab" de algemeene benaming voor een Duitscher is. + +Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want +de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten +Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide, +stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af. + +Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon +door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam +gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche +universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche +wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche +kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt. + +Niet alleen uit de talrijke, _geheel_ Duitsche provinciën van +Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en +Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering +van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden, +edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en +kunstenaars voortgekomen. + +Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche +Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen +aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten +musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der "Püsten" geboren +zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom +geput hebben. + +Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het +geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene, +zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke +alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der +ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een +Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek +is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van +Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis, +even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden. + + + +De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland +zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken +"Allemanno-Schwaben" en "Bavaro-Oostenrijkers," gemakkelijk te +overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben +daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote +gedeelten en onderdeelen doen samen vatten. + +In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en +veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland, +vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord +van eene menigte--tot een, met verscheidene mazen voorzien net +samengeweefd--bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde +vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische +beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten, +koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte +af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen +uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen, +en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op +engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan +in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden. + +In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten--hier +in het midden nog meer dan ergens anders--uit elkander gegaan, en voor +"de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier +het ware land." Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen +men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier +is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er +talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote +Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen +in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede +hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied. + +Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel +samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander +gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote +Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke +Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen, +en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen +deze en de Neder-Duitschers. + +Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van +het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze +Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle +drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van +allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers +aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten +Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers +het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en +de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men +_alle_ Duitsche hoofd-dialecten. En _daaruit_ laat zich _gedeeltelijk_ +de liefde van _alle_ Duitschers verklaren voor hunnen "Vader Rijn," +wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en +wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle +stammen heentrekt.--De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste +stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers, +van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en +geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz. + +De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen, +die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan +den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den +Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten. + +Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het +Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den +naam van "Franken" ("Vrijen"), een machtig bondgenootschap van +Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in +twee groote afdeelingen, de zoogenaamde "Salische" en de "Ripuarische +Franken." Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het +Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten, +terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De +Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den +Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en +werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte +Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische +wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk +als "het Frankische Hertogdom," dat tamelijk wel het voornaamste stuk +van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van +den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte. + +Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto's, het geslacht +der zoogenaamde "Frankische Keizers," op. De Rhijnsche Franken waren +ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in +Duitschland.--Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook +meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden. + +Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere +gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam +der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan +den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte +bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door +Keizer Maximiliaan georganiseerde "Frankische Kreits." Frankisch bloed, +Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten +van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan +de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel +opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven. + +De Franken van den Main en van het daartoe behoorende deel van den +Midden-Rijn, zijn een der wakkerste, begaafdste en gemoedelijkste +Duitsche stammen. Bij hen bloeien de Duitsche wijngaarden. Zij +stichtten de, nog heden ten dage groote handelstad Frankfort en +bouwden Bamberg, Würzburg en andere steden, die een beroemden naam +dragen. De machtige "Rijn-stedenbond" was hun werk. Bij hen kwam in +Neurenburg het oudste, meest grootsche tijdperk van Duitschlands +industrie tot bloei. Zij hebben den grootsten Duitschen schilder, +Albrecht Dürer, en den meest populairen meesterzanger, Hans Sachs, +voortgebracht. Door hen is de boekdrukkunst uitgevonden. [70] En in den +nieuwsten tijd hebben zij, wat bijna tegen eene nieuwe uitvinding en +een stedenbond opweegt, mannen als Goethe en den Vrijheer von Stein, +aan het Duitsche volk geschonken. + + + +In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste +takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de "Katten" +of "Hessen." Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene +periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad. + +Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren, +de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af, +en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne +nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de +dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens +tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen +zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het +blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton, +de "blinde Hessen" verwierf. + +Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne +machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte +Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote +taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen +naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene +Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit +landsvaders voor hen geweest zijn. + +Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, "men heeft daar groote schotels +maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne +in Hessen willen zijn." Den bewoners is ook iets van de schraalheid +van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en +achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land +en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden. + +Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige +groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars +zijn uit het arme "Hessenland" voortgekomen. + +"Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog +heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie +als morgendrank dient." De weinige behoefte, die zij hebben, +blijkt uit het spreekwoord, "waar Hessen versterven, kan niemand +voedsel verwerven." Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding +in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche +leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden +strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo +merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en +slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig +op zijde geschoven heeft. + + + +Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de +hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland +heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of +Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische. + +Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het +volk der "Duren" of "Hermunduren," waarvan men later "Thüringers" +gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege +staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main, +tusschen Bohemen en den Harz, het groote "Thüringsche Koningrijk" +stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten. + +Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan +het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef +een "Thüringsch Hertogdom," later "Landgraafschap" bestaan: wèl +onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak +het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het +Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern. + +Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende +dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken, +zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad +heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen, +hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche +opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten, +die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.--Daarbij +kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de "Soraben," +die het Oostelijk deel van het oude "Hermunduren-land" waren +binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen +van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten +en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt. + +Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk "Saksen," ofschoon +het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark +Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie +beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand +het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele +oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene +zijde der midden-Elbe, omvatte. + +Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van +den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende +verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede +later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam +langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten. + +"In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een +degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor." Zij +zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de +Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne +kolonisten in "Meiszen", de tegenwoordige "Opper-Saksers", gematigder +dan de levendige Franken aan den Rijn. "Een kostbaar kleinood van den +Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid, +hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude +tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den +Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord: +"in twee huizen, drie violen," getuigt. + +Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In +de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als +zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen +afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit +Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen +nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het +onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.--Ook heeft deze stam vele +edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het +Saksen-Coburg-Gotha'sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen, +Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft. + +Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten, +de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk +Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn +oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid +van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers, +en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede, +door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei +takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den +Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, "met betrekking +tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland." Hunne beide groote +steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en +industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt +der Duitschers, en de andere "het Duitsche Florence", als Vorstelijke +residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele +beschaafde kringen uit alle landen. + +Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde "Opper-Saksers," +die men liever "Nieuw-Thüringers" noemen moest, bij alle andere +Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere +Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd, +door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst +geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming +die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling +en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen +verspreide kennis. + +Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke +groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing, +Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende +bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een +groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen +vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen +geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude +stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen. + + + +Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even +als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op +Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren, +Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. "De +Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal, +zeden en denkwijze," ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder +geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst +onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam +en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land +natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks +behouden. + +Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk, +langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst +door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden, +zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan +al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden- +en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is +het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche +vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn, +die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste +hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit +intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het +gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden, +door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd. + +Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het +benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de "Opper-Sileziërs," +in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten +en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat +van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing +dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal, +tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot +de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den +grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak. + + + +In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van +Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De +Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn +waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden, +wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt, +alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het +tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan +den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel. + +Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun +land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat +door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd, +bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude +Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. _Alleen_ +in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het +Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen, +de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche +stammen kennen. + +Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder +één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der +onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden +zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met +den naam "Sakser-land", de geheele Noordelijke helft van Duitschland +betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in +het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten, +met de woorden "_Saksen_" en "_Saksisch_", ongeveer hetzelfde bedoelen, +wat wij Germaansch of Duitsch noemen. + +Het oorspronkelijk vaderland dezer "Saksers", zou in het Cimbrische +schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland, +gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst +naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de +hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van +hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot +een "Saksisch" land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende, +weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen +genaamd) weinig meer te maken had. + +Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten, +als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere +Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den +Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk +vereenigd. + +In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst +volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het, +zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone +energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden +hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in +dit rijk innamen. + +Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland, +en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken, +ontstond ook een groot "Hertogdom Saksen," dat geheel Noord-Westelijk +Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der +Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen +de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende +eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige +zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en +de Otto's gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon--tot op den +allernieuwsten tijd--niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen. + +Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans +geene winst gehad. Hunne Otto's, welke die taal spraken, konden +haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche +dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar +veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te +herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen, +en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde +Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers. + +Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers, +het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden +van de Elbe, het zoogenaamde "_transalbingsche Saksen_," dan mag men +wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere +degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls +roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd, +dikwijls vol lijden geweest is. + +Tegen de Slawische Wagriërs, die hun land binnendrongen, hebben zij +zich met goed gevolg verweerd en hen in Duitschers veranderd. In +Dithmarschen [71] hebben zij eene boeren-republiek gesticht, welker +roem bijna met die der oude Zwitsersche kantons overeenkomt. Met +hunne Noordelijke naburen, de Denen, die steeds op hen instormden, +hebben zij meermalen heldhaftig gestreden en tegen hen, in den loop +der tijden, roemrijke slagen geleverd. Ofschoon in den nieuweren +tijd hunne ondernemingen tegen de Denen ongelukkig waren, en deze +met verdeensching en vele, aan de Duitsche nationaliteit vijandige, +maatregelen tot hen kwamen, hebben zij altijd aan hunne Neder-Saksische +taal en gewoonten vastgehouden, en deze zelfs nog verder in het +Denenland, ver over den Eider, de oude Duitsche rijksgrens, tot +in Schleeswijk verbreid. Zelfs als zij aan de Denen staatkundig +onderworpen waren, toonden zij zich toch zoowel voor de intellectueele +als voor de materieele uit- en aanbouw van het Cimbrische schiereiland +(Jutland) en van geheel Denemarken, even invloedrijk als b.v. de +Duitschers der "Oostzee-provinciën" voor Rusland.--De allernieuwste +tijd heeft hen van de Denen, waarmede zij als het ware samengegroeid +waren, ook staatkundig weder losgemaakt, en hen weder aan hunne oude +Noord-Duitsche stamgenooten, wien zij den ouden naam gegeven hebben, +en vervolgens ook aan geheel Duitschland toegevoerd. + +De _Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe_, waren in drie +hoofdstammen verdeeld, de "Engern," de "Oostfalen", en de "Westfalen," +wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald +werden. "Engern" noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf, +"Oostfalen," die ten Oosten van de Wezer wonende, en de "Westfalen" +waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de +Eems toe. + +De namen _Oostfalen_ en _Engern_ zijn verdwenen. Hunne nakomelingen +werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten +verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het +oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige "Huis +Hannover", het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern +en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel; +zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene, +bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn +te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene, +Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte +op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen, +dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als +dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën +en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den +grooten schoot hunner moeder geplaatst. + +De "Westfalen" hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle +scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen +waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun +oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren +van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte +tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar +den Rijn stroomen. + +Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden, +de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op +Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de +naam "Hertogdom Saksen" reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen +tijd een groot "Hertogdom Westfalen," evenals na de verdeeling van het +Duitsche rijk in kreitsen, een even groote "Westfaalsche kreits." Ook +Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om +zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, "Westfaalsch Koningrijk," +in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen. + +"De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van +oudsher uitmuntten," is zeker de hoofdreden van den langen duur van +hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel +overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne +manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam +is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd. + +Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en +Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid +geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, "het Neder-Rijnsche" +bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen +uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben. + +Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende +en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van +België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten +aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later +gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte +der Noord-Duitsche vlakte. + + + +De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden +vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed +te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende +veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste +eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het +stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen +de Slawen optrokken. + +Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het +tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam +het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in +aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig +aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte +stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer +Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het +Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten +invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen. + +In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder +Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den +Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in +_politiek_ en _heerschappij_ ineenstortte, zoo langzaam is het--op +sommige plaatsen ten minste--in taal en _zeden_ verdwenen. Nog in +het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der +Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche, +midden in Neder-Saksen, eene streek, het "Wendland" genoemd, waarin +Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn. + +Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar +Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne +Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier +aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen +(Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw, +een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin, +beleenden. + +Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser +Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische +Vorsten-familiën geworden is, werd de naam "Saksen" op dit Duitsche +kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen, +ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer +streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het +meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer +van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was +het gevolg, dat ten laatste de naam "Saksers," die in het eigenlijke +vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch +volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste +Vorsten ontvangen had. + + + +Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers +reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst +omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om +zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark +uit, de oude Slawische Vorsten-residentie "Brennabor" (Brandenburg) +veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van +een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste +provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is, +en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het +verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten, +ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben. + +In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers, +Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke +residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer +kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige, +werkzame en scheppende karakter en geest van het "moderne Markerdom," +dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte +Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde. + + + +Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der +Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan +de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben +zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die +hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd, +hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers +en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook +zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het +rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen +naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch +Vorsten-slot "Mikilin-burgt." + +Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den +loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu +nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten +het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van +Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene +groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele +wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel +ouderwets bewaard hebben. + + + +Aan de "breitspurigen Mecklenburger" [72] en aan de stramme, hoekige, +oorlogzuchtige Markers, sluiten zich in het Noorden en Oosten, de +ruwe bewoners van Pommeren aan, wier geschiedenis en verduitsching +zeer veel overeenkomst heeft met die hunner Westelijke naburen. + +De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als +"bewoners van de oevers der zee," leefden aan weerszijden van den +Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die +echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten +werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam +in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de +Vorsten van Brandenburg overgingen. + +Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch +opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land +binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch +(plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de +oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke +geslachten, versmolten. + +Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en +hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck, +wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid +werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in +het binnenland. + +De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow, +reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd: +"zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal +haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan +verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins +grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop +te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die +zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich +en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast." Hunne +"grofheid" heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen +en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald, +de kern van het Pruissische leger uit te maken. + +Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende +uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij +de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een +dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde +"Pomerellen", gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch, +Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche +Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen +tijd onder hunne macht gehad hebben. + +Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van +het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het +land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig +met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op +verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing +van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen +in _geheel_ Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als +uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht. + +De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het +Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij _alle_ +Duitsche stammen.--De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet +de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen +kolonisten en immigranten uit _alle_ deelen van Duitschland, soms +uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit +Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel +trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door +haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke +bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur +bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische +provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische +Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der +orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook _deze_ +Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische +tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect. + +Door dezelfde Hanzeatische schippers en kooplieden was het +Neder-Saksische kolonie-gebied, reeds sedert het midden der 12de eeuw, +nog verder Oostwaarts tot aan de rivier de Duna in het land der Liven +vooruitgeschoven. Zij en de aartsbisschoppen van Bremen stichtten hier +de Hanzeatische dochterstad Riga, als ook de "Zwaardbroederen-orde" +[73] die zijne leden voornamelijk uit Saksen en Westfalen trok, +en langzamerhand Lijf-, Esth- en Koerland veroverde en bezette. + +Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak +gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in +Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw +was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte +toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit +van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de +nabijheid der Newa reikte, "en een tijdlang een der bloeiendste en +best bestuurde rijken van Europa was." + +De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en +stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den +Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit +vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke +tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche +kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij. + +De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken +gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen, +eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop +in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen. + +In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen +geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle +verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200 +jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander +afgelost hebben, het is blijven bestaan. + +In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht +van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door +de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche +huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende +Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet +te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten +met hem ten slotte verbonden Duitschen staat "Pruissen", helaas! niet +Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners +van die streek. + +In Oost-Pruissen ("Pomerellen"), dat nog lang Poolsch bleef, en +eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793) +met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder +talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland, +waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de +vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl +in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en +adellijke geslachten bloeien. + +Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene +Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken +adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander +verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer +landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg, +waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten +in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom +noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van +Koer- en Lijfland zooveel Slawische "ows", "tzows", "itz" en "plitz", +als in de landen, nader bij Duitschland gelegen. + +Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale +geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar +vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die +Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen. + +Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit +Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder +en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers +uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds +vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben +voortgebracht. + +Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en +wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik +moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een +bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken, +daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich +hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen. + +In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse, +nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in +gebruik geweest. + +Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische +Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral +uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en +burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel +uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als +de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het +verre Noord-Oosten beschouwen. + + + +Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen +en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers +verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid +heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en +gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af +eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben +veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd +dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van +denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren. + +De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij +nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg +bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers +zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat, +het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge +mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden, +tot zeer hoog op na te gaan. + +Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt, +is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun +toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen, +die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men +de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst +in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds +zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen, +als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers. + +In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke +gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. "Heilig," zegt hij, +"is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van +alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam +en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer +gevoelens en gedachten is.--Zij zijn de eenige onder de barbaren die +slechts _ééne_ vrouw nemen." + +Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus, +de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren +zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die +opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen, +hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het +christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn. + +"De vrouw," zegt Tacitus verder, "staat bij de Duitschers in hooge +achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs, +dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft +voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche +Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden." + +Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht +bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de +Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten +en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. "Het is wel bij de +Duitschers voorgekomen," zegt Tacitus, "dat hunne vrouwen door beden +en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den +strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den +vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten." + +Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen +volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche +rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren, +geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde, +Europa, de vereering "onzer lieve vrouw", van moeder Maria, tot eene +te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken, +bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte, +de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk +met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke +hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den +Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van +Veleda te danken. + +Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille +harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot, +en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even +als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan +minnen en bedienden over. "Hare knapen," zoo meldt Tacitus verder, +"spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de +deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op." + +Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin +ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en +opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere +wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die +ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs +gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid, +familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en +in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden "_home_", "_hjem_", +even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende "_daheim_". + +Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers +geeft, is vervat in deze weinige woorden: "niemand lacht bij hen om +de ondeugd." Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen +voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel +afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige +gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en +het woord "_frivolité_" niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den +spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher +eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen +karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter +hunner naburen, de Franschen. + +Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden +beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken +te zijn. "Klagen en weenen," zegt hij, "geven zij _spoedig_ op, +smart en treurigheid zeer _laat_,--zij _gedenken_."--Moet men niet +gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen +der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is, +die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van +het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt; +die geen "smartkreet" kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve +pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts "_leeddragers_." "Zij +gedenken," zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze, +waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders, +treuren--om van ons zelven te zwijgen--gade te slaan, dien zal de +waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen +niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden "_Eingedenk_", +"_Erinnerung_," waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden, +doen eene snaar in ons binnenste trillen. + +Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan +twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst +Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij +bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid +aan hunne Vorsten ontdekt heeft. "Bij hunne Vorsten de eerste plaats +in te nemen," zegt hij, "is bij alle Duitschers eene zeer begeerige +zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral +verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs +hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt +hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, _na_ +den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn." + +Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten +gedaan en _geduld_ hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog +bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne +Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets +van die uitspraak terug te nemen. + +Ook op menige der nationale _ondeugden_ en _gebreken_ der Duitschers, +die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het +drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof, +heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der +Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die +der Indianen in Amerika. "Zij zijn daarin," zegt hij, "zoo onmatig, +dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als +zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten +delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen +en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij." + +Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór +Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er +over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van +Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat +zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben +de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers, +geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in +zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: "daar nu eenmaal ieder +land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig +een wijnzak gekregen." + +Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen +voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus +verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk +arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens +en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van +"een _roes_ van genot", van "_dronken_ van wellust", van "_dorst_ naar +daden"; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart +van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat "_Hopfen und Malz_ +an ihm verloren sei" (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het +oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den +onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters +zingen zelfs: "wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver +Mann" (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man), +en verklaart hem "für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang" +(voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof +ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink- +en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde +tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden. + +Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der +Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen +te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. "In het zweet +huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen +kunnen," zegt hij, "houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk +zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te +verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen +zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan +ledigheid en slaap, in trage rust." + +Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van +Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is; +menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in +alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het +woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws +aanschijns zult gij uw brood verdienen;--bij wie de _lust_ tot den +arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is. + +De Duitschers hebben zich, niet _moeielijk_, zooals Tacitus +vreesde, maar veeleer _bijzonder gemakkelijk_ laten overhalen, de +ijverigste landbouwers der wereld te worden. Niet alleen hunne eigene +Hercynische [74] wouden en vuile moerassen hebben zij in bouwgrond +en tuinen veranderd, maar ook overal, waarheen in het buitenland +hunne landlieden geroepen werden, in Skythië (Rusland), in Dacië en +Pannonië (Hongarije), in Amerika, daar is de woeste natuur vriendelijk +en productief geworden. + +Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de +Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller +werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk +geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst +van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn +in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend. + +Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar +schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers +geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in +verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in +bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen. + +Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was, +zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner +Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. "De +Germanen houden het," zegt hij, "de grootheid der Godheid onwaardig, +dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante +verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die +bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied +aanschouwen. + +Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen +geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij +Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote +liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt +met de godsdienstleer van hem, die sprak: "ziet de leliën op het veld, +hoe zij groeien."--Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher) +het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers +gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn +lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen, +en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen, +de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel +ademt, geurt, suist of ruischt.--En wat meer in het bijzonder de +door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt, +zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor +hen bewaard, dan de Duitschers. Voor "dat, wat het woud vertelt," +voor de "eenzaamheid des wouds," voor "droomen des wouds" enz. hebben +hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende +uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema's van Duitsche +gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene +lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers. + +"De tempeldienst en de _vorm_ der kerken is den Duitschers nooit zoo +diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken." Hunne +philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld +geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen +gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den +Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen, +toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest, +"die geene muren en beelden voor de Godheid wilde," die reeds in den +heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs +bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige +vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten +duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte, +en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast +en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van +andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne +staatkundige omwentelingen bijna altijd--tot op onze dagen--den +spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers +geweest zijn. + +Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets +kwaads. "Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen +bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde +richting aan,--wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen +geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met +het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn +eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot _stellige_ +zekerheid en vastheid komt.--De schrik voor dezen, onder de Duitschers +zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele +eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt, +en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest +afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een +geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze +blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen +en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het +bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het +in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen. + +Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die +tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan +hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij "romaansch formalisme" +noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van +het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele +uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen, +Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer +volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken +vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt +onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze +uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij +vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht +en lief huisje bouwden, en ons--ietwat dichterlijk--met weekdieren +zonder huis, figuur of schaal. + +Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat "formalisme" den Duitscher +niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig +overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het +is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene +nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er +zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den +geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen +uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij +gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna +onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer +scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke +nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat +"_indécise Allemagne_", iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische +zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in +lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in +iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de +waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt +iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel +uiterlijk voor zich. + +Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen +daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk +verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben, +of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men +later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de +trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet +ik weder de Israëlieten noemen--ik kan even goed van de Engelschen +of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij +de laatste kindskinderen duidelijk in het oog. + +Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in +hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer, +veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. "Elders, +niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de +republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling +aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen +en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene +tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens +aan gewend heeft, veel gemak oplevert." + +Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen, +ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur, +spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd "formalisme" +evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele +vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer +dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en +kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde +metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van +de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische +voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in +gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De +treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect, +den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt +het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed +slot. Ook die hebben iets van dat _indécise Allemagne_, iets breeds, +vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter +meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten, +dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht +wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van +hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken +te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat, +aan duidelijke omtrekken en aan vorm. + +Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden +stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en +menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond, +als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in +oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden, +zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.--Bij vele Europeesche +volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw +een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van +kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier +alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig, +nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het +gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt, +als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt: +"alleen in tooi, verrukt Apollo mij." Verscheidene dezer volken, +hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat +zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst, +hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner, +ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de +nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden, +ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn. + +Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele +overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo +b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de +Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets +nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of +gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze +van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering +van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo +zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan +daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van +uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het +kleinste gedeelte komen. + +"Als wij," zegt Falk, "de Duitsche kostumes, van de herders +en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en +Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen +wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks- +en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het +kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog +een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden. + +Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het +geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets +recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar +eene andere zijde gekeerd. + + + +Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt +tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen +en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken +met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs +bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich +vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De +Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals +deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en +bewegen zich slechts langzaam, + +De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls +even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke +ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder +naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit +komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene +lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter +samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch +leven, werken en denken, ontmoet men het. + +Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne +stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden +van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en +rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar +in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers +van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd, +dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die +der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig +iederen wenk in de verte gevolgd zijn. + +Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht, +dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle +naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders +en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor +hunne Afrikaansche veroveringen. + +Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de +reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs +niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen. + +Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard, +aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden +en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher +grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven +zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen, +om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel +te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de +trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille +der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische +of wetenschappelijke doeleinden na te jagen. + +En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende +toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen +makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende +studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet +ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje. + +Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel +"Oden" aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de +kraanvogels van Ibicus,--"wandelaars nachtliederen",--lofzangen op eene +wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht--op herberg--verblijf +of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,--zooveel poëtische vragen +aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,--aan de +eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,--als in de Duitsche +literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe +lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze +horizon--de schemerende verte--zijn zaken die bij de Duitsche dichters +eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen. + +De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de +Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt, +en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen +hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust +tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan +alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige +reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele +boekdeelen bestaande, als de Duitschers. + +En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner +Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen +werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in +Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen +en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der +beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te +versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan +Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche, +Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa's navolgingen +van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland, +een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder +aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen +een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte. + +Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in +het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete +Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij +te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal +heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. "De +Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen +schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien, +te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten, +eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen."--Veel +vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het "uit de verte" +kwam. + +In het bijeenverzamelen en het overnemen van alles wat vreemd is, zijn +de Duitschers onvermoeid geweest. Er is geene literatuur in Europa, +die aan vertalingen uit alle oude en nieuwe talen zoo rijk is als de +Duitsche. Geen volk kan zich beroemen, zich de voortbrengselen van den +geest van alle landen en volken, zoo eigen gemaakt te hebben als de +Duitschers. "Zij hebben zich door hunne literarische veroveringen, de +geestelijke rijken der volken van den aardbol ontsloten, de bloesems +der poëzie, alsmede de vruchten der wetenschappen van de meest +verschillende luchtstreken en uit de meeste verschillende tijden, bij +zich inheemsch gemaakt," Het Duitsch is daardoor de sleutel tot groote +schatten geworden, en zeker schijnt het, dat als een vreemdeling zich +een levend taaleigen zou willen eigen maken, waardoor hij zich in alle +overige literaturen het gemakkelijkst te huis zou willen gevoelen, +hij geen ander zou moeten kiezen, dan het Duitsche. + +"Hierdoor is den Duitscher, bij al zijne uiterlijke stijfheid, eene +innerlijke geestelijke vlugheid en buigzaamheid in hooge mate eigen +geworden, waardoor hij het niet-Duitsch verstaan, het vreemdste in +zich opnemen kan, waardoor hij zich zelven zoo gaarne uitdrukt, vermag +te verplaatsen in het wezen van anderen, en het hem mogelijk is zich +vreemde gedachten en zienswijzen eigen te maken." "En dit," zegt een +Duitsche schrijver (Arndt), "is een onzer kostelijkste gaven."--Zeer +waar. Maar merkwaardig is het toch, dat ook hier de uitersten elkander +raken en contrasten vormen. "Bij alle ontvankelijkheid hunner borst +voor groote gedachten uit het boek van het menschelijke natuurrecht, +bij al hunne gemakkelijk op te wekken deelname in de smart en de +vreugde dezer wereld, gaan zij toch ook van oudsher mank aan geheel +tegenovergestelde kwalen, aan klein-steedschheid en burgerlijkheid. + +Wie zou het gelooven "de meest kosmopolitische aller wereldburgers, +zijn tegelijkertijd ook dikwijls genoeg de eenvoudigste kleinburgers +geweest." De breedvoerigste, Duitsche wandelaars zijn ook de echtste +huishennen geweest. Naast de waarachtig meest ruime zienswijzen en de +groothartigste gevoelens, die hunnen grooten geesten eigen waren, +en die een hunner dichters het vers ingaven: "Seid umschlungen +Millionen!" vindt men niet zelden juist onder de Duitschers +"de kleingeestigste beschouwingen, de kortzichtigste hoofden, de +bekrompenste verstanden, menschen van het meest beperkte begrip." + +Duitschland, het land der Leibnitzen en Kanten, is tegelijk het +vaderland der echte Schöppenstädter en Schildaër. "Zulke kostelijke +botterikken (Einfalts-pinsel)," zegt een geschiedschrijver der Duitsche +nationaliteit (Prof. Wachsmuth), "als overal in Duitschland, vindt men +nauwelijks bij eenig ander volk, noch bij de Engelschen die daartoe +te weinig naïve kinderlijkheid hebben, noch bij de Franschen wien +het daartoe aan humor ontbreekt, noch ook bij de Slawische rassen +die daarvoor in den regel te veel sluwheid bezitten." + +De vertelseltjes van Schwabische of Pommersche staaltjes van +eenvoudigheid, zijn volstrekt niet bij de Duitschers afzonderlijk +gebleven. Veeleer is het zaad daarvoor in alle Duitsche landen +opgekomen. Iedere volkstam, iedere provincie heeft bij hen zijne +plaats, die om hare onnoozelheid bekend is. + +Ja! bij hen bestaan niet alleen de onbevooroordeeldste en vrijgevigste +geesten, _naast_ de meest beperkte verstanden; maar juist hunne +burgerluitjes (Philister, Kannegiesser, Spiessburger), die, waar +het praktische zaken geldt, op duizend hinderpalen stooten, zijn +meestal juist dezelfde menschen, die met betrekking tot het ver van +hen verwijderd liggende, een waar wereldburgerschap huldigen. + +Men moet daarom gelooven, dat--ten minste gedeeltelijk--juist de +Duitsche kleinsteedschheid en kleinstaatschheid de broeikas van +het hun ingeplante kosmopolitisme geweest is. Juist omdat zij te +veel in eene, tusschen muren eng ingeslotene Schwabische stad, +aan een pijnlijk klein Thüringsch hof leven moesten, juist daarom +gevoelde hun geest, nog meer dan hij het reeds van nature deed, +zich tot eene grootere ideale wereld getrokken, en leed hij dan ook +aan wereldsmart, aan Europa-moêheid en dergelijke kwalen. Zoo eenige +natie, dan had de Duitsche, om haar van dergelijke kwalen te genezen, +en om van hare "kostelijke gaven" gebruik te kunnen maken en ze voor +ontaarding te bewaren, behoefte aan verzameling, concentreering en +verharding.--Maar ook juist een volk van zoo groote universaliteit, +van zoo groote kosmopolitische gezindheid als het Duitsche, dat veel +meer humaniteit dan gevoel van eigenwaarde en egoïsme bezat, en dat +in Europa een met bijna alle andere volken en machten saamgegroeid +gebied bewoonde, moest zijne pogingen, om nationale en politieke +eenheid bij zich in het leven te roepen, bijzonder moeielijk vallen. + +Zij zijn later met elkander saamgesmolten en hebben later hunne +uiterlijke vestiging tot stand gebracht, dan de meeste andere groote +volken van Europa. "Het is een opstandings-proces geweest, dat +eeuwen geduurd heeft, en met allerlei wisselingen en veranderingen +te kampen had." + + + +De gunstige uitslag en de zege, die de pogingen der Duitschers om +tot eenheid te komen, eindelijk gehad hebben, werden aanhankelijk +door Luther's kerkhervorming voorbereid. Deze groote beweging der +geesten, waarbij vele andere Europeesche volken de Duitschers, die de +vaan droegen, volgden, gaf hun vrijheid van denken en verschafte aan +hunne philosophen een terrein, waarop zij zich vrij bewegen, waarop +zij gedijen konden. Bijna alle groote nieuwere denkers en verlichte +geesten van Duitschland, die aan het volk roem en kracht verschaften, +ontstonden uit het protestantisme, dat, naar te hopen is, in zijne +verdere ontwikkeling, in nog hoogere mate dan tot nu toe het geval +geweest is, de zuurdeesem van de Duitsche eenheid worden zal. + +Door zijne bijbelvertaling en wat haar volgde, gaf Luther aan de +Duitschers tegelijk een begin tot eene algemeene schrijftaal, die +langzamerhand ook als taal van het dagelijksch verkeer, in het gebied +van alle Duitsche stammen binnendrong, en die nu allen als hunne +moedertaal, als een dierbaar goed, beschouwen. Daar deze taal ook +steeds meer en meer, ook in de laagste klassen van het volk, doordrong, +werd zij een machtige hefboom ter versterking van het nationaal gevoel +en ter vereeniging. In haar ontbloeide langzamerhand, vooral in de +18de eeuw, eene heerlijke literatuur. Groote dichters en schrijvers, +die bij het volk algemeen bijval vonden, en in alle Duitsche landen +met steeds toenemende geestdrift bemind werden, stonden op. + +Even als in de poëzie en in de fraaie letteren, zoo stonden ook bijna +gelijktijdig op het gebied van andere kunsten, vooral op dat van +muziek, groote talenten en geesten onder de Duitschers op, die met +hunne heerlijke composities het geheele volk aangrepen, en weldra, +even als de dichters, als de geestelijke Koningen der Duitschers +vereerd werden. Zij spanden en slingerden, even als de dichters, +onzichtbare banden om alle stammen van het volk, die op deze wijze +vele beroemde mannen verkregen, waarop zij trotsch konden zijn, +en in wier bewondering zij allen eenstemmig waren. + +Dezelfde beweging, die de algemeene Duitsche schrijf- en +literatuur-taal en dichters en denkers in het leven riep, deed ook +onder de Duitschers eene sterke staatsmacht, waarom zij zich scharen +konden, ontstaan. Het protestantsche Pruissen greep, klein beginnende, +steeds verder om zich heen. Reeds in de 17de en 18de eeuw verrichtte +het, onder flinke Vorsten en veldheeren, groote daden, die aan de +wapens der Duitschers algemeene achting verschaften, en in het begin +der 19de eeuw redde het in roemrijke volkenslagen--wel niet zonder +de hulp van vreemdelingen,--Duitschlands onafhankelijkheid uit +de klauwen van zijn erfvijand aan gene zijde van den Rijn. Steeds +toenemende in aanzien, getalsterkte en gebied, werd het van nu af +aan, als Duitschlands zwaard gevierd. Daar echter in den, na den val +van Napoleon opgerichten, Duitschen Bond, nevens Pruissen nog eene +andere groote macht, het slechts half-Duitsche Oostenrijk opgetreden +was, zoo ontstond nu tusschen beide machten een langdurig tijdperk, +waarin steeds onbeslist, een politieken strijd om de opperheerschappij +gestreden werd. + +Hoe treurig het er ook, gedurende de geheele eerste helft der 19de +eeuw, met die uitwendige of staatkundige eenheid der Duitschers +dikwijls uitzag, zoo werkte het volk zelf toch, den eens ontvangen +spoorslag volgende, in vele takken en gebieden des levens, aan zijne +innerlijke samensmelting voort. Er ontstonden groote vereenigingen +en vergaderingen der Duitsche natuur-onderzoekers, de Germanisten, +Turners, zangers en later ook de algemeene Duitsche "Schützenbund", +die patriotten uit alle klassen en uit alle streken des lands +samenbrachten, en niet weinig bijdroegen tot eene inniger verbroedering +van alle Duitsche stammen, landen en steden; ook begon de natie al ras, +de herinnering aan hunne meest populaire "geestelijke Koningen," in de +"Schiller-feesten" en dergelijke, met algemeene deelname te vieren. + +Ook de vroeger zoo universeele geleerden en onderzoekers werden steeds +patriotischer. Vooral begonnen zij hunne moedertaal, de bron van alle +nationale gevoel, hare geschiedenis, hare vorming, hare verbreiding, +grondiger dan te voren te bestudeeren. Zelfs de afzonderlijke dialecten +der Duitsche taal werden ijverig bestudeerd. En dit geschiedde +niet meer, zooals vroeger, met kleingeestige en partikularistische +bedoelingen, maar met betrekking tot het geheel, zoodat dan ook +schrijvers of dichters in een bijzonderen tongval optraden en veel +voortreffelijks voortbrachten, zooals b.v. de Alleman Hebel, of later +de Neder-Saksische Fritz Reuter, Klaus Groth enz. of de Beier Kobel +en niet alleen in hunne provincie roem inoogstten, maar hunne werken +door geheel Duitschland genoten en toegejuicht werden. + +Niet minder ijverig legde men zich toe op de studie en de opheldering +der geschiedenis van het eigen volk en van het vaderland. Zelfs de +Duitsche Bond eischte dien arbeid, doordien hij het, reeds door den +grooten Duitschen Stein opgevatte denkbeeld, ter daarstelling eener +authentieke verzameling van alle bronnen der Duitsche geschiedenis, +hielp verwezenlijken. Ook enkele Duitsche Vorsten, zooals b.v. de +Beiersche, werden door dezen ijver bezield en riepen stichtingen +in het leven, die datzelfde doel beoogden, het Germaansche museum +in Neurenburg, de historische commissie in München enz. "Het veld +der Duitsche geschiedenis werd ten slotte," zooals Giesebrecht zich +uitdrukt, "mikroskopisch bearbeid." Iedere Duitsche historische vraag, +ieder tijdperk der geschiedenis, iedere Duitsche provincie, iedere stad +kreeg haren onderzoeker, hare "monumenta", hare beschrijvers. Dit alles +was een gevolg van de algemeene patriotische vlucht in Duitschland, +die het tegelijkertijd bevorderlijk was. + +Evenveel als men deed voor de verduidelijking der politieke +geschiedenis van het volk, deed men ook voor die zijner literatuur. Ook +daaraan werd "met ijverige miskroskopie" gearbeid, zoodat bijna iederen +Duitschen dichter, niet alleen een Lessing, Schiller en Goethe, waar +ook bijna iederen ouden minnezanger, eene eigene, door eene menigte +lichtjes geïllumineerde kapel gebouwd werd, en dat het geheele volk +in de scholen en elders, alle bijzonderheden in het leven en werken +hunner dichters en in de wijze waarop de werken van hunnen geest +ontstonden, om zoo te zeggen van buiten leerde. + +Een nog hechter en sterker band ter vereeniging, brachten echter +de practische en handige Pruissen tot stand, namelijk het Duitsche +"Zollverein", dat, verscheidene phasen doorloopende, langzamerhand +schier alle Duitsche staten en stammen omslingerde, eene menigte +oude scheidingsmuren tusschen de staten en stammen afbrak, en ten +slotte eene bijna algemeene eenheid in Duitschen handel en verkeer +in het leven riep. Het werd, door het zich langzamerhand over geheel +Duitschland uitbreidend spoorwegnet, aanzienlijk in de hand gewerkt. + +Op deze en andere wijze werden de wegen tot vereeniging, in vele +richtingen gebaand. De geest der Duitschers, hun nationaal-gevoel, +hunne gezindheid was reeds één geworden. Het kwam er nu nog alleen maar +op aan, dien geest den uiterlijken vorm te geven, de _staatkundige_ +banden der eenheid te smeden. De gebeurtenissen, die dit bewerkten, +volgden slag op slag, en de Pruissen stonden ook daarbij weder als +vaandeldragers vooraan. Zij gaven zich eene vrijzinniger wetgeving. Zij +schiepen een groot parlement, waarin zich vele politieke talenten +ontwikkelden en vormden. Pruissen werd dien ten gevolge weldra zoozeer +en algemeen aangezien als het hoofd van Duitschland, dat zijnen Koning +reeds in het jaar 1848, door liberaal gezinde en vaderlandslievende +mannen, die te Frankfort samenkwamen en poogden een algemeen, eenig +Duitsch parlement tot stand te brengen, de Duitsche Keizerskroon +aangeboden werd. Maar ter aanneming eener dergelijke opdracht +waren de zaken toen nog niet rijp genoeg. Keizerskroonen zijn in de +geschiedenis zelden door parlements-besluiten of besprekingen van +geleerden en ontwikkelden, in het leven geroepen. Zij kunnen ook niet +saamgeschreven of gezongen worden. Meestal worden zij op slagvelden +geboren. Zeker was steeds de geboorte gemakkelijker, als zij door +zangvereenigingen, dichters en allerlei andere gunstige uitwerking +hebbende bemoeiingen, voorafgegaan werd, maar de meeste menschen zijn +niet door zingen of door praten, maar door daden te overreden. "Alleen +de veldslagen, die voor het bestaan van een volk geleverd worden, +wekken de massa, ook de bloodsten, op, en brengen geestdrift en een +waas van het hoogere, tot zelfs in de armste hut. Bloed en ijzer +moesten Duitschland aaneensmelten. + +Het eerst werd dat kleine, vijandige Noordsche volk, dat zoo dikwijls +den toorn van Duitschland opgewekt had, met schitterend gevolg binnen +zijne grenzen teruggeworpen. Vervolgens nam Pruissen den strijd met +de half-Slawische Donau-macht op, voerde dien met gunstig gevolg en +maakte een einde aan het, de eenheid meer dan iets anders hinderlijke, +dualismus der opperheerschappij in het inwendige van Duitschland. Het +met Slawen, Magyaren en Italianen saamgegroeide Oostenrijk, werd in +weinige, krachtig gevoerde veldslagen uit Duitschland geschoven, +en in dit land gebood nu slechts één wil, eene enkele politieke +macht en wèl eene Duitsche. Zeer beslist trad deze echter in midden- +en Noord-Duitschland op. De Zuidelijke Duitschers, de Allemannen, +Schwaben en Beieren, aarzelden een weinig, en wisten nog niet goed +wat zij doen zouden. + +Maar tot geluk der Duitschers, maakten hunne oude tegenstanders aan +gene zijde van den Rijn, de Franschen, die reeds lang het begin van +het vereenigings-werk der Duitschers met bezorgdheid en jaloezie hadden +gadeslagen, zich op en vermanden zij zich tot het doen eener poging, om +den voortgang van het werk der Duitschers tegen te houden. Plotseling +vielen zij Duitschland aan, in de hoop, even als vroeger meermalen, +een gedeelte van het volk op hunne zijde te zullen vinden. Tot hun +schrik en nadeel bemerkten zij, dat zij te laat gekomen waren, dat +door al de boven aangegeven voorvallen en gebeurtenissen, eene niet +geringe versmelting en vereeniging in gezindheid en nationaal-gevoel +reeds tot stand gekomen was. De Duitsche stammen en Vorsten volgden +allen hunnen vaandeldrager Pruissen en bevochten--ditmaal alleen +en zonder de hulp van vreemde machten--eene reeks der roemrijkste +overwinningen op hunnen Westelijken erfvijand. In een zeer korten, +met bewonderingswaardig talent geleiden en door een ongehoord succès +bekroonden veldtocht, wierpen zij Frankrijk ter neder en namen +het de beide oude heerlijke Duitsche provinciën, die het eens aan +het Duitsche rijk en volk ontroofd had, weder af. En nu, nu de oude +rijks-grenzen weder hersteld waren en de geheele natie van de ergste +der haar dreigende gevaren gered was, nu nam ook Pruissen, de hem +door de dankbare Duitsche Vorsten en volken andermaal aangebodene +Keizerskroon aan. + +Op deze wijze is dus een rijk in het leven geroepen, dat ten minste +de verreweg grootste massa der Duitschers, tot een machtig en een +vereenigd lichaam samenvat. Wanneer ook al nog niet alles, wat men +zou kunnen wenschen, bereikt is, en wanneer het ook al niet op die +wijze bereikt is, als velen het verwacht hadden, zoo is ons (den +Duitschers) toch meer ten deel geworden, dan de meesten der levenden +durfden te droomen, of hoogstens als iets durfden te beschouwen, +dat zij misschien in het verloop der tijden zouden kunnen verkrijgen. + +De gevolgen en resultaten van den grooten oorlog van 1870 en 1871, zijn +niet alleen voor de Duitschers, maar ook voor alle volken van Europa +gelukkig. Het vasteland kon zich niet rustig en wel te moede gevoelen, +zoo lang zijn hart- en middel-volk zwak was, en tot aanhoudende +aanvallen, botsingen en verwikkelingen, van alle zijden uitnoodigde. Nu +is dit rustige, dit beschaafde midden-volk van Europa, dat zooveel +scholen doorloopen heeft, tot kracht gekomen en heeft het onrustige, +vredelooze volk der Galliërs, den ouden Europeeschen rustverstoorder, +den schepter uit de hand gewrongen. Dat het Duitsche rijk van heden, +niet met zulke ver reikende ideeën van wereld-heerschappij, zooals +het vroegere oude "Romeinsche Keizerrijk der Duitsche natie," in den +kring der Europeesche machten getreden is; dat het niets wil dan de +herstelling der onafhankelijkheid en de bevestiging van het eigenlijke +Duitschland; dat het er niet aan denkt, buiten-Duitsche veroveringen te +maken; dat het een rijk des vredes is, heeft de tegenwoordige Duitsche +Keizer Willem, reeds bij verscheidene gelegenheden geproclameerd. Maar +ook het gezamenlijke Duitsche volk heeft het reeds sedert geruimen +tijd bewezen, dat het gebroken heeft met de, den vrede van Europa +verstorende, neigingen van hun middeneeuwsch Keizerschap. Het dweept +niet meer met tochten naar Rome, met Donau-expedities en zulke, ver +naar buiten voerende ondernemingen. Door al zijne organen (dichters, +staatslieden, patriotten enz.) heeft het verklaard, dat het niets +wil, dan hun Duitsch vaderland, den ouden Duitschen bodem, en het +oude Duitsche taalgebied. Zeer duidelijk heeft het juist daardoor te +kennen gegeven, dat het er reeds sinds langen tijd naaf gestreefd +heeft, zich te scheiden van dien staat, dien nog veel van de oude +verkeerde Duitsche Keizer-politiek der Otto's en der Hohenstaufens +aanhing; die Italië, Hongarije enz. niet wilde laten varen; dat het +zich daarentegen liet leiden door dien Noord-Duitschen staat, die, +evenals eens de edele Duitsche koning Hendrik de Vogelaar, niets dan +Duitschland wil. + + + +Schijnt het na het bovengezegde, dat men de vereeniging en versterking +der Duitschers, als eene voor geheel Europa nuttige gebeurtenis +beschouwen mag, zoo mag men uit een ethnographisch gezichtspunt +ook op al de ontwikkelingsprocessen, die de meeste hoofdvolken van +Europa in den loop der laatste drie of vier eeuwen doorgemaakt hebben, +en op de resultaten, welke zij met behulp van het, hun meer en meer +beheerschende "nationaliteits-principe," en van het steeds krachtiger +geworden streven naar het verkrijgen van "natuurlijke grenzen," +met eenige bevrediging terugzien.-- + +De _Spanjaarden_ hebben niet alleen de hun land binnengedrongene +Afrikanen van hunnen bodem verjaagd, maar ook al de kleine rijkjes, +waarin zij gesplitst waren, tot eene monarchie vereenigd. Zij hebben +eene algemeene schrijf- en omgang-taal bij zich ontwikkeld, in Madrid +een politiek en nationaal middelpunt, en de door zee en Pyreneën +gevormde natuurlijke grenzen gewonnen.--Wel is hun verlangen, ook de +Portugeezen, hunne broeders, naburen en medebewoners op het Pyreneesche +schiereiland, politiek en nationaal met zich te vereenigen, nog niet +tot vervulling gekomen. [75] + +De _Italianen_ hebben, nadat bij hen eene gemeenschappelijke taal en +literatuur tot bloei en in zwang gekomen is, in den jongsten tijd +hun geheele schiereiland, met de er toe behoorende eilanden, van +staatkundig particularisme gezuiverd, en van de Alpen tot Sicilië, +een, het geheele volk vereenigend, Koningrijk tot stand gebracht. + +De _Franschen_ hebben, deels door verovering, deels door gelukkige +erfenissen die hunne Koningen deden, alle deelen van het oude Gallië +om hun Parijs vereenigd, en zijn nu tusschen de Vogezen, Pyreneën en +Alpen, alsmede door de zee, als hunne natuurlijke grenzen, ingesloten. + +De _Nederlanders_ hebben eene scheiding der beide hoofdelementen der +bevolking van hun land, de Germaansche Nederlanders en de Fransche +Walen en Belgen, wier grenzen volgens het nationaliteits-principe over +het geheel op bevredigende wijze aangegeven werden, tot stand gebracht. + +De _Engelschen_ hebben bijna al hunne vroegere, zoo groote Europeesche +veroveringen en bezittingen op ons vasteland opgegeven, hebben zich +tot hunne beide groote eilanden bepaald, en hunne bevolkingen, +in taalkundige en politieke beteekenis, meer en meer vereenigd, +ofschoon Ierland hen altijd slechts met tegenzin volgt. + +De _Denen_ zijn uit Noorwegen en Zweden geweken, en het groote +Skandinavische schiereiland is tot aan den rand in het politiek +bezit hunner oorspronkelijke bewoners, de Zweden en Noorwegers, +die beiden binnen hunne natuurlijke grenzen tot een dubbel-staat +vereenigd zijn. Ook tegen de Duitschers hebben zich de Denen binnen +het natuurlijk gebied van hun eilanden-archipel en het daarmede +samenhangende schiereiland Jutland teruggetrokken. + +De _Duitschers_ hebben de Zweden uit Pommeren, de Polen uit Pruissen, +de Denen uit Schleeswijk-Holstein en onlangs de Franschen uit Elsasz +en Lotharingen verdreven, en hun oude Germania tusschen Alpen en +zee bijna geheel weder bijeengebracht en het taalkundig, krijgs- +en staatkundig in hooge mate vereenigd, ofschoon hun daarbij echter +nog veel te wenschen en te voltooien overblijft. + +De _Russen_ hebben zich van de opperheerschappij der Tataren bevrijd en +tusschen de hun als natuurlijke grenzen gegevene zeeën, een krachtig, +in taal en nationaliteit vereenigd, rijk gesticht. + +De _Magyaren_ hebben, met behulp der Oostenrijkers, de Turken uit hun +land verdreven, en zijn onder het Oostenrijksche Vorstenhuis, tot de +herstelling van een nationaal staats-organisme en tot literarische +en taalkundige zelfstandigheid gekomen. + +De _Grieken_ zijn insgelijks, nadat zij zoo lang onderdrukt en +van het schouwtooneel der gebeurtenissen afgetreden waren, als een +nieuwgeboren en zelfstandig geworden volk, weder in den kring der +Europeesche volken opgenomen. + +Zelfs den _Rumeenen_ is het gelukt, zich tusschen den beneden-Donau +en de Karpathen een huis te bouwen, en eene soort nationale +zelfstandigheid te erlangen. + +In elk geval, zeg ik, zijn dit voor een ethnograaf toch eenige +zeer merkwaardige, en stof tot dankbaarheid gevende uitkomsten +van het, in de natuur als ingeweven, nationaliteits-principe, dat +de Europeesche volken sedert meer of minder langen tijd, gehuldigd +hebben. Echter hebben geschiedenis en politiek eenige zeer grootsche +ethnographische vraagstukken en knoopen, vooral de Poolsche quaestie +en mede de zoogenaamde Oostersche vraag, die hoofdzakelijk draait om +de grondvesting of het herstel der zelfstandigheid van de Slawische +volken van Europeesch Turkije, nog niet opgelost. En zeker zullen +in geheel Europa wel _nimmer_ toestanden in het leven geroepen +worden, die in staat zijn alle nationale belangen en wenschen +en _détail_ te bevredigen, en waarop een ethnograaf en vriend der +ongestoorde ontwikkeling van het nationaal-karakter, met onverdeelde +vreugde blikken kan. Nog minder kan helaas de vervaardiger der hier +medegedeelde proeve van schildering dier toestanden en ontwikkelingen +er op hopen, de eischen van zich zelven en van zijne lezers op +voldoende wijze bevredigd te hebben. Misschien zal men wel geneigd +zijn, hier de spreuk: _in magnis voluisse sat est_, (In groote zaken +is het voldoende, gewild te hebben), een weinig in zijn voordeel te +doen gelden. Mocht het hem slechts gelukt zijn, ten minste hier en +daar het rechte getroffen, en op aangename wijze tot verder nadenken +opgewekt te hebben. + + + + + +ERRATA. + + +Pag. 42 tot en met pag. 56, staat aan het hoofd der pagina: _Oostelijke +naburen van Europa_, lees _Hellenen en Nieuw-Grieken_ + +Pag. 167 regel 4 v.o. staat: _Pac is dit paleis_, lees _dit paleis +behoort aan Pac_. + +Pag. 488. Onder de plaat staat: _Duitschland_, _Vlieland_, lees: +_Duitschland_. + + + + + +INHOUD. + + + Europa. 1 + Zuidelijke naburen van Europa (Pheniciërs, Arabieren, Mooren, + Barbarijers) 10 + Oostelijke naburen van Europa (Tataren, Mongoolen) 26 + De Hellenen en Nieuw-Grieken 42 + De Osmanen 64 + De Zuidelijke Slawen en Albaneezen 82 + De Bulgaren 84 + De Serviërs 90 + De Walachyers of Romaenen 103 + De Magyaren 124 + De Tschechen en Polen 146 + De Russen 171 + De Litauers en Letten 198 + De Finnen, Lappen en Samojeden 222 + De Joden 251 + De Armeniërs 275 + De Zigeuners 282 + De Italianen 303 + De Spanjaarden 332 + De Portugeezen 356 + Gallië en de Franschen 363 + De Britten en hunne eilanden 393 + De Zweden, Noorwegers en Denen 435 + De Nederlanders 455 + De Zwitsers 477 + Duitschland en de Duitschers 488 + + + + + +DE PLATEN MOETEN GEPLAATST WORDEN, ALS VOLGT; + + + Nederland tegenover den titel. + Arabieren en Mooren pag. 10. + Polen pag. 146. + Spanje pag. 332. + Schotland pag. 393. + Noorwegen pag. 435. + Zwitserland pag. 477. + Duitschland pag. 488. + + + + + + + +NAAMLIJST DER INTEEKENAREN. + + + +A. + +E. van Aalderink, Kampen. +J. Aanstoods, Gorinchem. +H. P. van den Aardweg, Purmerend. +W. C. Abbema, 's Hertogenbosch. +Abels, Amsterdam. +I. N. Abendrooth, Utrecht. +A. Abrahams, Zoutelande. +J. Ackema, Rotterdam. +J. Acqerlin, Antwerpen. +Adelaar, Amersfoort. +Dames van Adrichem, Zierikzee. +J. C. Alberti, Leeuwarden. +van Alderwereldt, Groningen. +H. Allan, Nijmegen. +D. Allart, boekhandelaar, Amsterdam. 5 +J. S. Alma, Schalzum. +J. F. Almekinders, Groede. +A. van Altena Arnzn., Dordrecht. +Altmann & Roosenburg, boekhandelaars, Rotterdam. 2 +W. L. van Amerom, Leiden. +K. van Ammers, Medemblik. +J. Amoreus, Schiedam. +W. U. Amweg, Boxtel. +Mr. J. v. Andel, Mijnsheerenland. +W. A. van Andel, Delft. +Wed. van Andel, Rotterdam. +H. C. Anderson, Dieren. +Andretsch, Amsterdam. +Andretsch, » +G. A. Anjema, 's Hage. +L. Antoni, Dordrecht. +W. B. Ansink, Zutphen. +J. D. K. Apken, Purmerend. +J. A. C. Apol, Leiden. +J. Arendse, Opheusden. +J. Aris Jr., Amsterdam. +C. A. J. Arkesteijn, 's Bosch. +J. J. van Arkesteijn, boekh., » 1 +J. J. Arnd & Zoon, boekh., Amsterdam. 4 + +F. Arntzenius, Leiden. +G. M. R. Asmus, » +Asp. Kweekelingen Armenschool, Culemborg. +C. van Asperen, Phillipine. +E. van Asperen, Leeuwarden. +H. van Asperen, » +v. Asperen v. d. Velde & Co., boekhandelaars, Haarlem. 9 +C. van Assen, Tjummarum. +Augustinus, Rotterdam. +I. B. Aukes, Amsterdam. +Wed. J. G. Aukes, » +Wed. J. G. Aukes, boekh., » 30 +J. Avé, Schiedam. +A. M. Averes, Hengelo. + + + +B. + +J.van Baalen en zonen, boekhandelaars, Rotterdam. 2 +P. H. van Baasbank, Vlijmen. +J. van Baaren Jr., Apeldoorn. +G. Baars, Rotterdam. +Baars Jzn., Zwolle. +J. F. Backerus, Nijmegen. +J. J. Bächer, Wageningen. +Baffel, Amsterdam. +Wed. C. D. L. Bähler, Leiden. +R. F. Bakelman, Dockum. +Bakels, Amsterdam. +L. van Bakkenes, boekh., » 1 +C. G. Bakker, Rotterdam. +E. J. Bakker, boekh., Veendam. 1 +Jb. Bakker, Haarlemmermeer. +H. Bakker, Amsterdam. +Hk. Bakker, Leeuwarden. +K. Bakker, Hoogwoud. +P. K. Bakker, Ee. +W. Bakker, Alkmaar. +G. J. Bakkes, +Gebr. van Bakum, Rotterdam. + +B. van Balcen, Vogelenzang. +D. A. Balfoort, Utrecht. +F. Banning, boekhandelaar, Oldenzaal. 12 +J. Banning, Alkmaar. +C. Barendrecht, Puttershoek. +I. H. Barrelmeijer Jr., Amsterdam. +E. M. Batist, Sliedrecht. +P. M. Bazendijk, boekh., Rotterdam. 9 +T. G. Beekhuis, Leeuwarden. +Beckman, Maastricht. +Theod. van Beeckum, Antwerpen. +J. H. Beek, Utrecht. +P. van Beek, Leiden. +W. van Beek, Rotterdam. +M. Beekhuis, Groningen. +L. van Beekhuis Damsté, boekhandelaar, » 9 +Dr. W. Beekhuis, Nijland. +J. Beekman, Amersfoort. +H. Beekman, boekh., Schagen. 4 +J. L. F. Beens, Leiden. +J. M. van Beest, Deventer. +W. Beets, boekhandelaar, Delft. 19 +W. Beetsma, Hantum. +A. Begeman, Schagerbrug. +G. Beins, Zutphen. +C. A. Bekker Kzn., Amsterdam. +C. C. H. Bekker, » +W. Beljers, Puttershoek. +M. Belju, Rotterdam. +J. van Belkum, Noordlanen. +G.W. van Belle, boekh., Rotterdam. 9 +G. Belonje Czn., Gouda. +C. C. Bender, Leiden. +J. van Benten, » +J. C. Benteyn, Tholen. +van Benthem, Almelo. +van Benthem & Jutting, Middelburg. +v. Benthum & Jutting, boekhandelaars, » 2 +J. v. Bentum & Zoon, boekh, Gouda. 2 +Mej. C. Benz, Dordrecht. +Bereboom, Amsterdam. +J. Berends, Apeldoorn. +D.Berends, Harderwijk. +H. A. Berends, boekh., » 9 +H. v. d. Berg, Alkmaar. +C. van der Berg, Schiedam. +M. van den Berg, Amersfoort. +J. Bergé, Rotterdam. +J. Bergé, boekhandelaar, » 12 +Dr. T. M. ten Bergen, Amsterdam. +P. J. v. Bergen Henegouwen, Heusden. +H. J. Bergh, Zierikzee. +A. Berghauser, Ried. +Berghuis, Almelo. +H. Berghuijs, boekh., Kampen. 5 +T. Bergman, Amsterdam. +H. W. Bergman, boekh., » 1 +J. Bergsma, Poppingawier. +Wed. H. van Berkel, Ouderkerk a/d. Amstel. +Berkhout & Co., boekh., Nieuwediep. 9 +P. Berkhout, Hillegom. +L. Berkhout, Amsterdam. +Berkenkamp, » +Dr. Berman, Nieuwer-Amstel. + +T. Berrier den Boer, boekh., Middelburg. 5 +G. A. Betersen, Zutphen. +R. Beukers Jr., Bunschoten. +C. J. Beuskamp, Deventer. +H. J. Beuskamp, » +J. J. Beuzemaker, Leiden. +H. W. de Beijl, Nunspeet. +I. M. Beyersbergen, Rotterdam. +J. Bezemer, Amersfoort. +J. E. Bertling, Velp. +C. G. J. van der Bie, Utrecht. +P. Bier, Haarlemmermeer. +Joh. Bierenbroodspot, Hoorn. +Bierman, Zalt-Bommel. +Bierhorst, Utrecht. +G. Bik, Leiden. +J. van Binsbergen, Utrecht. +A. Bisschop, Dordrecht. +A. Bisschop, » +A. Bisschop, » +R. J. Bisschop, Wageningen. +J. W. H. Blaas, Leeuwarden. +J. F. de Blaauw, Rotterdam. +A. T. Blanche & Co., boekh., Utrecht. 10 +B. Blanken, Hoorn. +F. P. Blanken, Delfshaven. +B. Blankenberg & Zoon, boekhandelaars, Amersfoort. 18 +B. Blankenberg, firma Couvée & Cie., Leiden. 98 +B. H. Blankenberg Jr., boekh., Amsterdam. 16 +J. Blanker, Ysselstein. +I. T. van Blaricum, +W. Blaupot, Tilburg. +S. Bleeker, Wolvega. +A. Blenken, Hengelo. +B. T. Blenken, boekh., Almelo. 30 +H. Bloem, Alkmaar. +S. Blok, boekhandelaar, Wormerveer. 11 +H. C. Blom, boekh., Utrecht. 5 +J. C. Blom, Leiden. +P. I. Blom, Bergen. +M. J. Blom, Leiden. +Blom, Twello. +Blom & Olivierse, boekh., Culemborg. 5 +Mr. J. G. van Blom, Dragten. +Adolf Blomhert, boekh., Nijmegen. 28 +H. C. van Blommestein, Apeldoorn. +D. W. Blöte, Leiden. +Blussé & v. Braam, boekh., Dordrecht. 41 +J. J. van der Blij, Leiden. +W. J. Blijdenstein, Enschedé. +G. Bode, Rheden. +Friese van Boekeren, Utrecht. +Jos. Boekers, Amsterdam. +K. H. te Boekhorst, Gendringen. +D. W. A. Boekhorst, Ulft. +L. Boekhout, Kralingen. +W. G. Boele, Kampen. +J. Boelken Bakker, Gasselternijeveen. +D. Boer, Amsterdam. +H. C. de Boer, Groningen. +H. G. de Boer, Leeuwarden. +K. de Boer Hzn., Leiden. +K. C. de Boer, Krommenie. +R. de Boer, Bolswart. +A. W. de Boer, Blaauwhuis. + +A. Boers, Dordrecht. +J. K. Boersma, Garijp. +Mej. B. T. de Boevé, Zwolle. +P. Boezaardt, Hillegom. +Henri Bogaerts, boekh., 's Bosch. +Henri Bogaerts, boekh., Amsterdam. +F. Bohlander, » +Bohres, » +I. R. Bok, Ginneken. +P. Bokhorst Jr., Schiedam. +L. J. W. ten Bokkel, Calumet (Illinois). +H. Bokma, boekhandelaar, Leeuwarden. 4 +H. Bokma, » +D. J. Bokslag, Deventer. +J. G. van der Bolch, Wieringerwaard. +v. Bolhuis Hoitsema, boekh., Groningen. 14 +J. Bolkstijn, Haarlemmermeer. +A. Boll Azn., boekh., Coevorden. 2 +D. Bolle, boekhandelaar, Rotterdam. 5 +A. A. W. Bolland, boekh., Goes. 27 +B. Bolleman Kijlstra, Sloten. +W. N. Bollen, Amsterdam. +B. Boltman, Rotterdam. +A. C. Boluijt, Kruiningen. +IJ. Bolman, Harlingen. +G. Theod. Bom, boekh., Amsterdam. 9 +H. G. Bom, boekhandelaar, » 2 +A. Bomhoff, boekh., ter Neuzen. 3 +A. Bomhoff, Neuzen. +W. J. Bomli, Leiden. +A. H. van Bon, Assen. +J. de Bondt Jzn., Zierikzee. +Bonekamp, Heerenveen. +W. F. Bonga, Vlissingen. +E. de Bont, boekhandelaar, Rotterdam. 7 +Wed. H. Bontamps, boekh., Venlo. 1 +F. A. Bonté, Utrecht. +G. W. de Boo, Dordrecht. +Mevr. Boode, Gouda. +H. C. Boogaard, Utrecht. +Dr. J. A. Boogaard, Leiden. +L. Boogerd, Brouwershaven. +H. Boom, Amsterdam. +M. P. Boom, » +Dr. J. M. Boom, Tholen. +Boombergen, Geertruidenberg. +J. P. Boon, Purmerend. +K. Boon, Berkhout. +C. Boonacker, Schagen. +H. Boonen, Arnhem. +J. C. Bootz, Doesborgh. +L. G. C. Bopp, Bodegraven. +A. N. Borch, boekh., Amsterdam. 2 +G. Borg, boekhandelaar, » 5 +G. J. Borg, » +B. G. Borggreven, Silvolde. +Bork, Amsterdam. +Dr. J. A. E. Born, Groningen. +P. J. Born, Leiden. +L. J. de Borst Verdoorn, Ameide. +van den Bos, Neuzen. +H. Bos, Eethen. +Hendrik J. J. Bos, Rotterdam. +J. Bos, Amsterdam. +J. Bos Azn., Alblasserdam. +W. Bos, Hoogwoud. +P. Bos, Wierden. + +A. M. van den Bosch, Tilburg. +Jan F. Bosch, Hallum. +P. J. Bosch, Arnhem. +J. G. van den Bosch, Wieringerwaard. +Wed. P. van den Bosch-van der Werff, Zalt-Bommel. +Berns. v. Bösekötter, Arnhem. +F. A. Bosman, boekh., Franeker. 30 +H. M. Bosman, 's Bergh. +J. Bosscha, Wolvega. +C. Böten, Zwolle. +G. J. Bötger, Bloemendaal. +Bots & Jansen, boekh., Helmond. 8 +Bottenheim, Amsterdam. +R. Bottinga, Leeuwarden. +D. R. Bouhuijs, Aalten. +G. W. Bouhuijs, » +Mevr. D. Bouman, Tilburg. +E. C. F. Bouman, Utrecht. +Boucher, boekhandelaar, 's Hage. 3 +Dr. Bource, Rotterdam. +A. v. d. Bout, Zonnemaire. +Johs. Bouwman, Wageningen. +G. P. F. Bouwman, » +P. Bozua, Dordrecht. +L. ter Braake, Almelo. +G. J. te Braaken, Ulft. +Dr. J. Braakenburg, Leiden. +K. W. Braakensieck, Haarlem. +H. Braakhuis, Gendringen. +I. Th. A. Braams, Buren. +J. van Braband, boekh., Houtenisse. 4 +J. W. von Braband, Brouwershaven. +D. Brakel, Berkel. +Jac. J. Brakenhof, Castricum. +Simon Brandenburg Jr., boekhandelaar, Wolvega. 2 +Brandes, Amsterdam. +W. A. A. Brands, Deventer. +Brands, Bergen-op-Zoom. +W. J. Brandt, Dordrecht. +B. Braskamp, Tricht. +Th. Bray, Utrecht. +A. van Breda, Gorinchem. +Dr. J. van Breda Kolff, Amsterdam. +L. J. Bredenberg, Warmond. +J. J. van Brederode, boekh., Haarlem. 2 +D. K. Breebaart, Winkel. +A. C. Breedveld, Amsterdam. +P. Bregman, Scharwoude. +P. Breidveld, Venlo. +J. W. H. Breitner, Rotterdam. +E. Bremer, Amsterdam. +H. M. Bremer, boekh., » 5 +J. Bremmer, Kampen. +E. J. Brill, boekhandelaar, Leiden. 5 +H. ten Brink, boekh., Meppel. 14 +Ten Brink & de Vries, boekh., Amsterdam. 2 +Brinkboek, » +Wed. J. Brinkgreve, boekh., Deventer. 14 +C. L. Brinkman, boekh., Amsterdam. 5 +J. H. Brinkman, boekh., » 8 +A. Brinkman, boekh., Gouda. 2 +G. Brinks, Leiden. +J. H. Broedelet, Zwolle. +F. H. L. Broedelet, Rotterdam. +J. den Broeder, » + +W. J. van den Broek, Rotterdam. +v. d. Broek, Amsterdam. +I. A. ten Broek, Leiden. +E. Broekhuis, boekh., Hengelo. 43 +C. Broeksmit, Schiedam. +F. Broeksmit, Zwijndrecht. +G. Broekstra, Berlikum. +G. H. Brokmeier, Amsterdam. +J. Broere, 's Hertogenbosch. +C. Broers, Maastricht. +Dr. J. H. Broers, Hoorn. +Broese & Co., boekh., Breda. 9 +J. G. Broese, boekh., Utrecht. 5 +I. H. Brokmeier, Amsterdam. +M. Bron, Gouderak. +Brongers, Amsterdam. +A. J. Bronswijk, boekh., Oostburg. 5 +A. G. Brouwer, Alkmaar. +B. Brouwer, Deventer. +A. M. M. Brouwer, Renkum. +G. Brouwer, boekhandelaar, Deventer. 7 +Jan D. Brouwer, boekh., Amsterdam. 1 +Brouwer, » +Jac. Bruce, Groningen. +J. T. C. Bruckwilder, boekh., Vlaardingen. 8 +J. C. W. ter Bruggen Jr., Gouda. +Aaldt. ten Bruggencate, Almelo. +B. ten Bruggencate, » +Mej. M. A. Brugsma, Tiel. +M. A. Brugsma, » +Bruin, Amsterdam. +H. Bruin, Groningen. +K. de Bruin, Dordrecht. +Mej. T. de Bruin, » +G. Z. Bruinier, Almelo. +G. L. Bruist, Zalt-Bommel. +Brummelhof, Amsterdam. +H. A. M. Brumstede, Assen. +F. Bruning, Alkmaar. +H. B. Bruijer, boekh., Arnhem. +L. de Bruijn, Beek. +D. de Bruijn, Leiden. +IJ. de Bruijn, +H. W. Bruijns, Amstelveen. +W. G. de Bruyn Kops, Leiden. +C. Bruynzeel, Rotterdam. +H. de Bry, » +K. Buchner, Leiden. +B. H. Budde, Amsterdam. +H. Budelman, » +J. J. P. Buhlman, Delft. +H. Buirma, Groningen. +W. Buis, Bergen. +J. C. de Buisonje, boekh., Nieuwediep. 1 +P. Buitendijk, Leiden. +W. N. Bulleman, » +A. B. H. Bulterman, Rotterdam. +C. L. Bulthuis, Groningen +A. J. C. van Bunge, Sliedrecht. +P. Bunkerink, Zwaag. +J. Burg, Leeuwarden. +J. Burger, Amsterdam. +A. Burggraaf, Leidschendam. +I. P. Burgerhout, Tholen. +J. P. Burgerjon, Zevenhuizen. +Ds. J. van der Burght, Tholen. +A. v. d. Burght, » + +C. A. van Burgt, Tholen. +G. Burgraaff, Wons. +B. T. Bussemaker, Almelo. +Busweiler, Amsterdam. +A. D. van Buuren, Niewwendiep. +Mejufvr. Buwalda-Delhave, Hilversum. +A. J. Buijs Czn., Heusden. +C. Buijs, Utrecht. +W. A. Buytenhek, Dordrecht. +D. Bwik, Amsterdam. +M. J. Bijlau, Brouwershaven. +J. Bijleveld, boekh., Utrecht. +v. Bijlevelt, Rotterdam. +A. C. v. d. Bijllaart, Zwolle. +Paulus Bijlsma, Burgwerd. +J. C. Bijsterbos, Kampen. +Jhr. P. J. de Bye, Lunteren. +H. W. de la Bye, Leiden. + + + +C. + +Caarelsen, boekhandelaar, Amsterdam. 1 +Calcar, Zwolle. +Ds. H. van Calcar, Veenwouden. +C. T. Callenbach, boekh., Nijkerk. 10 +C. M. Camauer, Bergen-op-Zoom. +W. Cambier van Nooten, boekhandelaar, Alphen. 10 +G. Camminga, Leeuwarden. +H. C. A. Campagne, boekh., Tiel. 5 +J. Campen, boekh., Sneek. 6 +Chr. Cannegieter, Franeker. +J. Cardinaal, Tilburg. +Carpeles, Amsterdam. +C. J. Carrière, Willemsdorp. +Jhr. S. O. de Casembroot, Tholen. +Dr. H. G. Caudi, Doesborgh. +Mr. M. L. Celosse, Amersfoort. +J. J. Ceulen, boekh., Middelburg. 5 +Jhr. F. de Charon de Saint Germain, Oudshoorn. +G. D. Châtelain, Amsterdam. +E. B. J. Moïse de Chateleux, Leiden. +C. Christiaans, boekh., Amsterdam. +C. C. C. Christiaans, » 5 +Jhr. Mr. C. van Citters, Heinkenszand. +Jhr. F. van Citters, Bodegraven. +Gebr. van Cleef, boekh., 's Hage. 1 +B. Clerk, Heerenveen. +P. H. Le Clercq, Delft. +A. A. Cluwen, Haarlem. +H. J. Cobus, Deventer. +J. Cocort, Rotterdam. +P. H. Cockuyt, Leiden. +Coerman, » +C. H. Colenbrander, Varsseveld. +D. Colenbrander, Zutphen. +J. B. Colenbrander, Dinxperlo. +B. H. Colenbrander, boekh., Zutphen. 5 +Collin, Zwolle. +W. L. Combé, Schiedam. +I. I. Comerell, Amsterdam. +W. Cool v. Bokma, boekh., Sneek. 1 +Mej. Coole, Bloemendaal. +Mej. S. L. Coronel, Leiden. +Cordes, Amsterdam. +C. J. Cornelis, Biervliet. + +J. J. H. Cornelisse, Amsterdam. +Cornelissen, » +J. H. le Cosquino de Bussij, boekhandelaar, Veenendaal. 4 +Herm. Coster & Zn., boekh., Alkmaar. 30 +H. Cosijn, Gouda. +C. Couturier, 's Hage. +Couvée & Co., boekh., » 86 +G. Couvée, Leiden. +M. M. Couvée, boekh., » 3 +T. N. Crul. Cramer, Delden. +H. J. Crans, Dordrecht. +J. Creemer, boekhandelaar, Groningen. 9 +A. Crefeld, Alkmaar. +A. E. J. Creyghton, Beekbergen. +J. W. Cremer, Zwolle. +I. F. Croes, Amsterdam. +Mr. J. Cromhoff, Ootmarsum. +W. A. Croockewit, Amersfoort. +B. de Cruijff, Zutphen. + + + +D. + +F. van Daal, Amersfoort. +Dahne, Amsterdam. +Dake, » +v. Dalen, » +H. van Dalfsen, Steenwijk. +G. H. Dalhuizen, Kampen. +Dalmeijer, Amsterdam. +P. van Dam, Leeuwarden. +A. van Dam, Pingjum. +J. Damman, boekhandelaar, Goor. 17 +Dr. J. H. Damman de Witt, Gieten. +A. J. Daniels, Amsterdam. +M. Polak Daniëls, Leiden. +Dankmeijer, » +Dannefelser & Co., boekh., Utrecht. 5 +G. A. Dassen, Zwolle. +C. Davervelt, Bergen-op-Zoom. +J. A. W. den Decker, boekh., Hardenburg. 1 +A. A. Deenik M.Lzn., Terwaard. +J. W. Deerenkamp, Doetinchem. +J. F. G. Deicke, Amsterdam. +P. T. Dekema, boekh., Utrecht. 9 +G. Dekker, Purmerend. +H. Dekker, Rotterdam. +J. Dekker Jz., Westzaan. +P. A. Dekker, Utrecht. +W. J. Dekker, Rotterdam. +Dekker & v. d. Vegt, boekh., Utrecht. 5 +A. M. Dekkers, Apeldoorn. +Mevr. van Delden, Ootmarsum. +Mevr. van Delden, Hengelo. +Denik, Amsterdam. +Denik, » +H. Denker Huneman, Dodewaart. +M. Derksema, Groningen. +J. Desablijn, boekh, Overschie. 2 +H. van Deurzen, Haarlem. +Deuss, Rotterdam. +D. W. van Deventer, Apeldoorn. +J. C. Dezens, Nijmegen. +L. J. Dhaenens, Middelburg. +A. J. M. Dibbits, Gieten. +Jhr. Mr. F. W. K. Dibbets, Maastricht. +I. H. Diederiks, Amsterdam. + +J. P. Diehl, Amsterdam. +J. Diehe Chaam, Breda. +W. J. Diekhof, Deventer. +Gustave Diepen, Tilburg. +G. J. O. D. Dikkers, Hengelo. +F. H. Dikschei Jzn., Zierikzee. +Dirks, Utrecht. +C. Dirksen, Rotterdam. +A. M. E. van Dishoeck, boekhandelaar, Zierikzee. 25 +F. T. J. H. Dobbelmann, Nijmegen. +J. T. van Dobben, boekh., Haarlem. 1 +P. Doedes, Zutphen. +H. C. van Dongen, Rotterdam. +P. M. v. Dongen, » +Donker, Amsterdam. +J. H. Donleben, Hees bij Nijmegen. +I. Doon, Rotterdam. +E. C. U. van Doorn, Utrecht. +J. Doornbos, Assen. +A. H. A. Dopheide, Groningen. +H. J. Dopheide, » +W. A. Dopheide, » +H. M. van Dorp, boekh., Zwolle. 1 +Ps. van Dorp, Vlaardingen. +S. P. van Dorp, Leiden. +G. van Dorsser, Dordrecht. +L. J. Dorst, Stavenisse. +A. van Dorsten Jr., boekh., Utrecht. 5 +I. W. D. van Dorth, Bergen-op-Zoom. +B. van Dortmond, Hensdenhout. +R. Douma, Oostram. +A. Draisma de Vries, Achlum. +T. Draaisma, boekh., Wormerveer. 2 +W. F. Draijer, Amsterdam. +M. Dreesen, Helmond. +W. Drektraan, Schiedam. +Dr. G. Dresselhuis, Voorst. +Drevel, Rotterdam. +Mr. J. v. d. Drift, Alkmaar. +P. A. v. d. Drift, » +G. A. v. Driel, Mijnsheerenland. +P. C van Driem, boekh., Voorburg. 9 +A. W. Driessen, Nieuwendiep. +G. C. Drooglever, Gorinchem. +L. Droogleever Fortuyn, Rotterdam. +Abm. Drop, Vlaardingen. +Hk. Drop, » +J. Dropper, boekhandelaar, » 14 +Hk. Droppert, » +H. Drost, Marrum. +J. F. Drost, Almelo. +H. C. Drove, boekhandelaar, Zwolle. 40 +v. Druten-Bleeker, boekh., Sneek. 4 +M. J. Duvelaar van Campen, Zutphen. +F. Dubel, Klaaswaal. +D. Dufour Roelland, Bergen op Zoom. +P. J. Duinker, Nieuwendiep. +E. J. Duintjer, Veendam. +J. H. Duisdeiker, boekh., Amsterdam. 1 +D. ten Dulk, Bergen-op-Zoom. +H. Dull, boekhandelaar, Borculo. 1 +J. H. Dunk, boekhandelaar, Rotterdam. 30 +S. Dunk, » +H. W. Dusauld, Utrecht. +W. H. Dusault, boekh., » 1 + +W. J. Dusseldorp, Utrecht. +M. D. van Duivenbode de Vlugt, Delft. +C. B. Duyster Jr., Leiden. +Jurrien Dijk, Wolvega. +A. M. v. Dijk, boekh., Delft. 4 +H. C. Dijk, Alphen. +I. P. van Dijk, +J. van Dijk, Dinxperlo. +Jan van Dijk Hzn., Meppel. +J. P. van Dijk, boekh., Zwolle. 2 +B. Dijkgraaff, Nunspeet. +F. Dijkstra, Wierum. +Wed. H. Dijkstra, Assen. +R. J. Dijkstra, Leeuwarden. +R. Dijkstra, boekhandelaar, Wolvega. 2 +Waling Dijkstra, Holwerd. +W. Dijkstra, Coinjum. +J. van Dijl, Dordrecht. +van Dijl, » + + + +E. + +Gebr. Ebert, boekhandelaar, Amsterdam. 2 +H. Edelman, boekhandelaar, Leeuwarden. 30 +W. Eekhoff & Zoon, boekh., » 14 +W. D. Eeltjes, Alkmaar. +W. Eelkema, boekh., Amsterdam. 5 +J. R. v. Eerde, boekh., Winschoten. 9 +Ds. J. R. van Eerde, Boyl. +J. J. Egbers, boekh., Naarden. 3 +J. W. B. Egberts, Kampen. +Dr. E. J. Egberts, Zalt-Bommel. +D. Eggink, Haarlemmermeer. +A. Egmond, boekh., Enkhuizen. 5 +van Egmond & Heuvelink, boekhandelaars, Arnhem. 3 +P. C. N. Eichholtz, Zierikzee. +P. G. C. Eigeman, Leiden. +B. Eisendrath, boekh., Amsterdam. 179 +C. W. Eisma, Bolsward. +Z. A. E. van Eldek, » +Ds. W. van Elden, Gouda. +K. Elders, Leeuwarden. +H. Elemans, Rotterdam. +B. T. Elias, Amsterdam. +P. v. d. End, Delfshaven. +Jb. van der End, Vlaardingen. +v. d. Ende, » +J. van der Endt, boekh., Maassluis. 5 +D. Engelberts, Leiden. +v. Engelen, » +H. van Engen, Veenhuizen. +B. Engelen, boekhandelaar, Meppel. 1 +P. Engels, boekhandelaar, Leiden. 2 +G. H. Engels, Vriezenveen. +Engels, Amsterdam. +Engering, » +W. Enklaar, Apeldoorn. +R. van Enst, Doetinchem. +A. van der Ent, Wageningen. +W. van der Ent, Amsterdam. +L. J. v. Enter, Zwolle. +Dr. E. Epkema, Zalt-Bommel. +W. S. van Erp, Leeuwarden. +C. van Es, Rotterdam. +G. van Es, Breda. + +H. van Es, 's Gravendeel. +D. van Essen, Velzen. +E. v. Essen, Deventer. +P. Essers, Leiden. +J. H. A. M. Essink, Utrecht. +H. D. Evelein, Amsterdam. +M. van Everdingen, Tiel. +I. F. Evers, Amsterdam. +B. H. Everts, Bloemendaal. +J. W. Eversz., boekh., Zeist 5 +Dr. J. Everwijn, Noortwijk. +G. J. van Eybergen, Amersfoort. +Eyster, Amsterdam. +D. H. Ezerman, Zierikzee. + + + + +F. + +Falk, Amsterdam. +W. W. Fasmer, » +A. B. Fassmer, Rotterdam. +A. J. Feddema, Leeuwarden. +G. B. Feekes, +G. Feenstra, Heeg (Friesl). +H. Feenstra, Bergum. +T. E. Feenstra, Leeuwarden. +T. S. Feenstra, boekh., Sneek. 6 +W. Feenstra, Heerenveen. +H. C. Felser, Assen. +A. Nicolai Fellinga, Amsterdam. +J. G. H. Ferman Jr., » +J. D. Ferwerda, » +B. Fikkert, Almelo. +J. W. Filippo, Leiden. +W. Finkelenberg, Nieuwendiep. +Abraham Fock, Almelo. +J. F. Fleischacker, Amsterdam. +M. Fliermans, Arnhem. +I. B. van Florenstein, Bergen-op-Zoom. +J. A. Foest, Amsterdam. +Dames Fockens, Bolsward. +G. Fockens, boekhandelaar, Groningen. 3 +D. Fokkens, » +L. de Fouw, boekh., Goes. 13 +C. A. Franchimon, Leiden. +C. Francken, » +J. J. Francken, » +L. J. Francken & Co., boekhandelaars, Schiedam. 6 +Frank, Amsterdam. +Frantzen, Groningen. +Franzen, Amsterdam. +H. C. Frautwein, Zwolle. +A. Frelier, Middelburg. +Cs. Frets, Boskoop. +Frielink, Amsterdam. +L. Friese, 's Hertogenbosch. +W. Fröger, Amersfoort. +J. Fröhn, Gorinchem. + + + + +G. + +J. van Gaal, Helmond. +M. Gaasbeek, boekh., Groningen. 1 +P. L. de Gaaij Fortman, Leiden. +J. H. F. van Gangel Czn., » +J. Galema, Hallum. +J. A. Gallois, Apeldoorn. + +J. Gann Dun, Ommere. +J. Garçin, Amsterdam. +H. J. v. d. Garde, boekh., Zalt-Bommel. 22 +J. A. A. van de Garde, » +I. M. Gardenier, Rotterdam. +P. Gardin, » +L. van Gastel, Schuddebeurs. +Mr. P. H. de Gavere, Almelo. +G. van Geer, Leiderdorp. +D. H. van Geer, » +N. A. Geerlofs, Rotterdam. +Geffel, Amsterdam. +H. van Geffen, +H. J. Gelderman, boekh., Meppel. 9 +Jhr. P. P. van Gelre van Vryberghe, Rijsenburg. +M. L. Gemert, Alkmaar. +Joh. Geradts & Co., boekh., Hilversum. 1 +J. H. Geraerts Jr., Velzen. +P. Gerbrand & Co., boekh., Arnhem. 1 +E. Gerdes, Haarlem. +L. Gerhardt, Utrecht. +S. Geri, Bergen-op-Zoom. +A. Gerretsen, Rotterdam. +H. J. Gerretsen, boekh., 's Hage. 10 +P. Gerrits, Amsterdam. +I. Gerritsen, » +Gerritsen, Leeuwarden. +Gerritzen, Amsterdam. +A. H. Gezelle Meerburg, 's Gravendeel. +G. Giel Gzn., Meppel. +L. van Giffen, boekh., Groningen. 1 +A. Giljam, Zierikzee. +C. S. Gilhuys, Amsterdam. +N. Gillat Jr., » +Joseph Dieudonné Gillet, Kampen. +Gillieron, Amsterdam. +A. M. v. Gils, Rotterdam. +J. Giltay, boekhandelaar, Dordrecht. 14 +J. van Ginkel, Wageningen. +C. Glene, Wehl. +J. J. Glinderman, Amsterdam. +G. J. A. de Gocq van Herwijnen, Arnhem. +H. Godefroi, Leiden. +D. Goede, Alkmaar. +J. de Goede Czn., Purmerend. +Mej. de Goede, Dordrecht. +J. Goedeljée, Leiden. +J. P. Goedhart, Dordrecht. +M. Goedhart, Hellevoetsluis. +H. J. de Goeijen, Rotterdam. +F. Goedknegt, Vlaardingen. +G. J. van der Goes, Rotterdam. +Johs. G. D. Goffrée, Amsterdam. +J. M. Goldbach, Dinxperlo. +J. van Golverdinge, boekh., 's Hage. 1 +H. Gonggrijp, boekh., Harlingen. 10 +H. Gonggrijp, » +J. Gonggrijp, » +Tj. Gonggrijp, Sneek. +J. de Gooijer, Utrecht. +J. G. Gooijer, Zwolle. +A. A. van Gool, Zalt-Bommel. +B. J. van Goor, Amersfoort. +G. B. van Goor Zonen, boekh., » 30 +v. Gorcum & Co., boekh., Assen. 9 + +Willem v. Gorcum, boekh., Assen 9 +Maruis J. Gordon, boekh., Gorinchem 16 +Willem J. Gordon, boekh., » 4 +D. Gorter, Sneek +K. S. Gorter, Hollum (Ameland) +J. R. P. F. Gouggrijp, Delft. +I. L. Gouka, Schiedam. +N. K. Gouman, Scherpenzeel. +J. F. Graaf, Spijk. +A. J. E. J. de Graaf, Zwijndrecht. +Wed. C. Graaff, Alkmaar. +M. C. de Graaff, Purmerend. +R. de Graaff, Leeuwarden. +W. C. de Graaff, boekh., Haarlem. 33 +J. Graansma, Kampen. +W. de Graauw, Heusden. +W. van Grafhorst, Kampen. +G. Gratama, Leeuwarden. +H. L. de Grave, Alkmaar. +I. C. M. van Graven, Gouda. +G. J. de Greef, Arnhem. +Grees, Amsterdam. +T. J. Grevelink, Heerenveen. +J. Greven, boekhandelaar, Utrecht. 1 +A. J. Grey, Rotterdam. +P. J. van Griethuysen, Losdorp. +I. B. Groenewegen, Amsterdam. +J. Groenendaal, Groningen. +R. D. Groenhout, St. Anna Parochie. +H. J. van Groeningen, Leiden. +W. van Groeningen, Soeterwoude. +Dr. F. G. Groneman, Groningen. +J. Groot, boekhandelaar, Beverwijk . 4 +H. de Grood, Nijmegen. +H. de Groot, Groningen. +J. Groot, Beverwijk. +J. de Groot, Akkerwoude. +M. Grootes, Nieuwe Niedorp. +P. Gruijs, Overschie. +P. M. Grijpink, Amsterdam. +G. B. Guichard, Rotterdam. +J. A. van Gulden, Alphen. +F. L. van Gulik, +Gurken, Amsterdam. +J. P. C. van Gurtzgen, Haarlem. +H. van Gijn, boekh., Delft. 5 +B. D. van Gijn, Rotterdam. +H. J. Gijsbers, Dinxperlo. + + + +H. + +J. M. van 't Haaff, boekh., 's Hage. 3 +Gebr. Haagens, boekh., Rotterdam. 5 +Haak, Amsterdam. +A. op de Haak, Alkmaar. +de Haan. Leiden. +de Haan & Zoon, boekh., Haarlem. 5 +A. de Haan, Rotterdam. +H. de Haan Jr., » +Jan Haan, boekhandelaar, Delfzijl. 1 +J. T. de Haan, Wolvega. +E. ter Haar, boekh., Dieren. 6 +J. G. ter Haar, Arnhem. +Haarlem, Amsterdam. +C. de Haas, Rotterdam. +E. de Haas, boekhandelaar, » 24 + +G. de Haas, Renkum. +H. de Haas, Sliedrecht. +S. J. de Haas, boekh., Amsterdam. 1 +W. J. de Haas, Kampen. +B. H. Habbema, Leiden. +F. Haeijen, Heer. +Haensbergen, Leiden. +Hagdom, Maastricht. +Hage, Amsterdam. +A. Hagedoorn, Ambt-Almelo. +H. K. Hagedoorn, Utrecht. +P. Hagedoorn, Amsterdam. +Rolandus Hagedoorn, Amersfoort. +Dr. H. G. Hagen, Leiden. +P. G. C. Hajenius, Amsterdam. +J. van Hal, Breda. +Wed. I. Halderiet & Zn., Amsterdam. +van Halteren, boekh., » 1 +A. Ham, Rotterdam. +Mr. I. C. Ham, Utrecht. +Mr. H. J. Hamaker, Leiden. +H. J. Hamer G.Jzn., Zutphen. +P. J. Hamers, Amersfoort. +Hamming, 's Hage. +J. Hansen, Rotterdam. +J. J. Hansma, boekh., Dockum. 19 +J. H. Harbach, Zutphen. +Harfold, Amsterdam. +D. R. v. Harinxma, Hallum. +E. E. Harmsen, Oldenzaal. +J. B. Harperink, Enschedé. +L. J. Harri Jr., Amsterdam. +ter Hart, » +P. Harte, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 30 +Jacq. de Hartog, Wageningen. +Hartsteen, Rotterdam. +A. van Haselen, N.-Loosdrecht. +L. T. J. Hassels, boekh., Amsterdam. 3 +B. van Hattem, Sliedrecht. +Hauben, Amsterdam. +W. F. L. Haus, Rotterdam. +G. L. Hausen, Appingedam. +Haye, Amsterdam. +J. R. Hazelhorst, Kampen +Jac. Hazenberg Czn., boekh., Leiden. 2 +H. Hazes, Alkmaar. +F. L. Baron van Heeckeren van Brandsenburg, Utrecht. +Baron v. Heeckeren v. Molecate, Zwolle. +J. Heek, boekhandelaar, Hilversum. 4 +T. van Heelsum, Wageningen. +Abrm. de Heer, Rotterdam. +E. I. de Heer, » +G. Heerenga, Franeker. +M. Heerens Jr., Delfshaven. +J. G. Heesen, Dinxperlo. +Ds. G. N. Heessen, Maasdam. +C. L. de Heger, Leiden. +J. D. van der Hegge Spies, Haarlem. +W. C. ter Heide, Wassenaar. +Ph. Heidenrijk, Zalt-Bommel. +C. H. Hein, Kampen. +W. Heinen, Steenwijk. +D. Heinrig, Gendringen. +P. J. W. L. Hekker, 's Gravenhage. + +S. van Helden, boekh., Amsterdam. 9 +H. W. Helmig, boekh., » 1 +A. Helders, Rotterdam. +Hellingman, Amsterdam. +J. van der Helm, Vliedorp (Prov. Groningen.) +J. G. Helmerhorst, Amersfoort. +Hemring, Amsterdam. +D. van Hemert, Haarlem. +W. A. van Hemert, Dordrecht. +J. Hemker, Noordwijk. +H. W. Hemmes, Groningen. +J. J. Henckel, » +J. Hendriks, Amsterdam. +Hendriks, » +C. H. Hendriksen, boekh., Utrecht. 1 +Gebr. Hendriksen, boekh., Rotterdam. 5 +H. T. Hendriksen, boekh., » 14 +H. J. Hendriksen, Soeterwoude. +E. A. van Hengel, Dinxperlo. +F. W. van Hengel, Kampen. +G. H. van Hengel Jr., boekh., Velp. 5 +Hengerer, Amsterdam. +B. Hengeveld, Dinxperlo. +J. H. Henkes, Delfshaven. +H. Hennephof, Kampen. +H. P. Henneveld, boekh., Delft. 10 +C. D. van der Henst, Leiden. +Hennings, Amsterdam. +H. D. van Herikhuizen, Arnhem. +E. Heringa, Leeuwarden. +W. Hermans, Amsterdam. +J. G. Herpel, » +G. T. Heslinga, St. Anna Parochie. +Wed. A. Hess, Alkmaar. +F. Hessel, boekhandelaar, Heerenveen. 4 +H. C. T. Hesselink, Varsseveld. +J. F. Hessels, Amersfoort. +G. van Hest, Leiden. +J. H. & G. v. Heteren, boekh., Amsterdam. 4 +van Heusden, boekh., 's Bosch. 5 +A. B. van den Heuvel, boekh., Haarlem. 3 +M. J. van den Heuvel, Middelburg. +D. Heijdeman Jr., Amsterdam. +van der Heijden, Nieuwendiep. +J. M. v. d. Heijden, Elburg. +H. Heijkamp, Rotterdam. +C. J. Heijl, boekhandelaar, Utrecht. 5 +H. Heijmanns, Zwolle. +J. Heijnis, boekhandelaar, Zaandijk. 3 +Dr. G. Heijnitz, Boskoop. +A. J. van Heijst, Leiden. +P. J. Heyberg, Rotterdam. +J. Heyblom, » +Ph. van der Heyden, Leiden. +K. J. H. Heyen, Amsterdam. +Heyinks, » +F. Heykoop, Nieuwland. +W. H. Heytman, Ned.-Indië. +J. Hilarius, boekhandelaar, Leeuwarden. 1 +J. H. Hillebrand, Groningen. +W. P. Hillen, Rotterdam. +G. C. van Hilten, Leiden. +G. van Hilten, Amsterdam. +F. W. Hincken, Rotterdam. +N. A. Hingst, boekh., Heerenveen. 16 +Mevr. J. Hingst-Visser, Workum. + +Hinloopen Labberton, Doesborgh. +R. v. Hinloopen Labberton, boekhandelaar, » 6 +D. R. Hinse, boekh., Amsterdam. 9 +D. W. Hinse Jr., » +J. W. Hissink, » +J. Hissink, Kampen. +Prof. J. Hissink Jansen, Groningen. +Wed. G. J. Hobbelink, Delden. +J. Hoebee, Dordrecht. +P. Hoebert, Leiden. +W. den Hoed, Rotterdam. +Z. Hoefnagels, Lent. +H. Hoegen, Apeldoorn. +T. Hoek, Schiedam. +Gebr. van der Hoek, boekh., Leiden. 7 +J. Hoekstra, Leeuwarden. +Wed. T. J. Hoeksema, boekhandelaar, Winschoten. 9 +S. Hoekzema, Franeker. +H. L. C. T. Hoen, Zalt-Bommel. +H. ten Hoet, boekhandelaar, Nijmegen. 4 +D. J. van 't Hoff, Rotterdam. +H. T. Hoffmann, Steenbergen. +J. Hofs, Westendorp. +T. Hofstra, Leeuwarden. +J. J. Hofstede, boekh., Brielle. 1 +K. Holleman, Leeuwarden. +J. Hollmann, Alkmaar. +A. Hollestelle, St. Maartensdijk. +de Holter, Amsterdam. +E. Holthaus, Alkmaar. +F. C. Holtz, Purmerend. +H. Holtzschu, Noordwijk. +H. Hommes, Utrecht. +J. J. Honigh, boekh., Schagerbrug. 7 +J. Hordijk, Dreischor. +A. Horselenberg, Rotterdam. +H. ter Horst, Zwolle. +H. Hoste, boekhandelaar, Gent. 25 +J. O. van Houten, boekh., Assen. 2 +W. Houtsma, boekh., Joure. 4 +Mej. de Wed. Houtzager, Amersfoort. +Höveker & Zoon, boekh., Amsterdam. 6 +G. Hovens Greve, boekh., Steenwijk. 11 +G. B 't Hooft, boekh., Rotterdam. 2 +G. de Hoog Czn., Assendelft. +Hoog & Kruijt, boekh., Rotterdam. 5 +A. Hoogeboom, boekh., Amsterdam. 3 +M. Hoogenboom J.Jz., Noordwelle. +C. Hoogermolen, Rotterdam. +J. W. Hoogezand, Heusden. +H. de Hoogh & Co., boekh., Amsterdam . 1 +J. G. Hoogklimmer, Almelo. +J. Hoola van Nooten, boekh., Doesborgh. 5 +Hoogland, Zeddam. +H. Hoogland, Utrecht. +Mej. M. C. Hoogvorst, boekh., Alkmaar. 19 +A. van Hoogstraten & Zoon, boekhandelaar, 's Hage. 60 +G. H. van Hoolwerff, Hoorn. +P. de Hoop, Nieuwland. +N. A. W. Hoos, Rotterdam. +J. Hoosemans, » +G. J. Hopkes, Zwolle. +P. Hoppen, Rotterdam. +van Horn, Franeker. + +I. Horre, Leiden. +J. ter Horst Gzn., Rijssen. +Mej. C. F. ter Horst, Arnhem. +H. W. Hortschäfer, Hoorn. +E. C. Houbolt, Leiden. +P. G. Houthuysen, » +Mevr. Wed. J. R. G. Huber, Haarlem. +J. B. Huber, boekhandelaar, Groningen. 1 +Huckman, Amsterdam. +C. A. L. Baron v. Hugenpoth tot Aerdt, 's Bergh. +R. C. Huge, boekh., Rotterdam. 11 +Huisman, Amsterdam. +F. Huizers, Bazendrecht. +E. Huizinga, Veendam. +J. Huizenga, Groningen. +J. Huizinga, Leeuwarden. +J. J. Huldij, Schiedam. +W. Hulscher G.Jzn., boekh., Deventer. 2 +B. Hulshof Jr., Amsterdam. +I. Hulselman, Rotterdam. +M. Hulshoff, Almelo. +D. Hulsinga, Schiedam. +J. B. C. Hulsman, boekh., » 5 +Hulst, Dordrecht. +D. van Hulst, boekh., Nieuwveen. 2 +J. H. van Hulst, Kampen. +Laurens van Hulst, boekh., » 20 +W. Hummelen, Assen. +J. A. Huneman, boekh., Kampen. 11 +A. van den Hurk, Leiden. +D. H. Hus, » +W. F. K. Hussem, Boskoop. +A. Huysse, Delft. + + + +I. + +K. H. Idema, boekh., Medemblik. 1 +W. Idema, Hoorn. +Ierbroek, Amsterdam. +I. Igesz, Hoorn. +Imminck, Amsterdam. +W. P. Ingenegeren, Utrecht. +P. van Iperen, Rotterdam. +F. H. G. van Iterson, Leiden. +P. E. van Ittersum, Amersfoort. + + + +J. + +C. de Jaager, Bodegraven. +J. J. de Jaager, Amstelveen. +B. Jacobs, Nijmegen. +J. F. Jacobs, Zegwaard. +N. G. Jacobs, Zutphen. +Jacobson, Amsterdam. +W. H. Jager, Leidschendam. +S. A. Jager, Workum. +W. Janmaat, Rinnegom. +Jansen, Amsterdam. +B. Jansen, Gorinchem. +G. Jansen, Rheden. +H. B. Jansen, boekh., Arnhem. 7 +H. W. Jansen, Veenhuizen. +J. J. Jansen, Bloemendaal. +J. L. M. Jansen, boekh., Sittard. 6 +M. J. Jansen, Winkel. +R. Jansen. +W. J. Jansen, Rotterdam. +G. Jansen van Rijssen, Hallum. +H. Janssen, Rotterdam. +Karel Janzon, Heusden. +G. F. Japikse, Leiden. +N. J. C. Jeekel, Gouda. +A. van Jelgerhuis, Leeuwarden. +H. Jelgersma, Kampen. +E. Joël, Tilburg. +C. de Jong, Gouda. +F. J. de Jong, Leiden. +H. de Jong, Lutjebroek. +Henri de Jong, Utrecht. +J. de Jong, Haarlem. +J. de Jong, Voorschoten. +J. de Jong, Oudega. +J. L. de Jong, Amsterdam. +M. de Jong, Hoorn. +T. de Jong, boekhandelaar, Westzaan. 1 +W. W. de Jong, Deventer. +W. F. Jongbloed, Leiden. +A. C. de Jonge, boekh., Goes. 1 +Corn. de Jonge, Brouwershaven. +H. de Jonge, Kampen. +J. J. de Jonge, Groningen. +Cand. W. de Jonge, » +G. I. de Jongh, Amsterdam. +Mevr. de Wed. J. W. Jongeling, geb. Beuns, Utrecht. +W. Jongeneel, Oudewater. +I. de Jongh, Leeuwarden. +P. de Jongh, Heusden. +J. Jongsma, Achlum. +D. Jonk Jr., Middelburg. +Jonker, Apeldoorn. +P. Jonker, Beverwijk. +Js. Jonker Hzn., Purmerend. +Jonxis, Heusden. +H. v. Joolen, Almelo. +G. D. Jordens, Zwolle. +G. Jorissen, Heerenveen. +N. A. Jorissen, Dinxperlo. +Julius, Beverwijk. +C. Julsing, Alkmaar. +H. Jungblut, Utrecht. +Just de la Passières, Bergen-op-Zoom. + + + +K. + +H. J. Kaak, Silvolde. +H. G. Kaks, Amsterdam. +L. van Kalken, Utrecht. +J. H. J. Kam, Delfshaven. +W. Kamerlingh, Groningen. +G. J. A. Kamerman. Utrecht. +J. Kamminga Kijlstra, Dragten. +P. N. van Kampen & Zoon, boekhandelaar, Amsterdam. 1 +J. Kamps, Leeuwarden. +J. A. Kannegieser, boekh., Brummen. 2 +W. A. Kanters, Gendringen. +J. P. Kappel, Heusden. +W. J. Kat, boekhandelaar, Haarlem. 10 +G. A. de Kater, Brouwershaven. +J. A. Kaulen, Helmond. +A. Keck, Leeuwarden. +Keerens, Maastricht. +G. J. G. Kehl, Leiden. +H. P. Kelder, » +C. F. Kellenbach, Rotterdam. +H. Kellevink, Amsterdam. +Kemink & Zoon, boekh., Utrecht. 5 +J. J. H. Kemmer, boekh., » 5 +W. van Kempen, Zierikzee. +E. F. Kempers, Groningen. +Kepler, Amsterdam. +G. L. Kepper, Heusden. +M. Kerdel, Schiedam. +I. C. van Kerkwijk, Aarlanderveen. +J. W. van Kerkwijk, Zalt-Bommel. +J. Kersten, Zutphen. +H. van Kesteren, Gorinchem. +H. J. van Kesteren & Co., boekhandelaar, Amsterdam. 5 +J. J. A. Keuchenius, Assen. +C. J. Keuker, firma Brandon & Co., Rotterdam. +H. Keulen, Westhem. +G. J. ter Keurst, Ambt Doetinchem. +Harm. Keus H.Bzn., Meppel. +J. H. Keusschot, Wageningen. +D. Keijzer, Amsterdam. +Johs. Keyzer, Amersfoort. +J. Kielburger, Rotterdam. +A. Kielman, boekhandelaar, Veendam. 1 +Kierschberg, Amsterdam. +W. der Kinderen, Heusden. +Jhr. Mr. A. R. P. v. Kinschot, 's Gravendeel. +W. H. Kirberger, boekh., Amsterdam. 1 +L. C. Kisteman, Rotterdam. +F. Kleeuwens & Zn., boekh., Goes. 2 +C. Klaar, Zwolle. +W. J. Klaar, Maasdam. +Jb. Klaasesz, Steenwijk. +C. Klaassen, Utrecht. +Klaassen, » +A. Kläsener, Alkmaar. +J. P. C. van den Klashorst, Noordwijk. +A. van Klaveren, Gouda. +H. A. van Klaveren, Amsterdam. +W. F. M. van Klaveren, » +J. A. Klaverweijden, Alkmaar. +A. Klein, Amsterdam. +I. I. Kleine Azn., Kralingen. +A. Kleingeld, Rotterdam. +J. de Klerk, » +Th. Kley, Harderwijk. +H. v. d. Kloet, Dordrecht. +Wed. J. T. Kloosterman, boekhandelaar, Nijmegen. 6 +M. Kloot, Oudshoorn. +P. Kluitman, boekh., Alkmaar. 5 +L. Kniepstra, Leeuwarden. +U. Knotterus, Franeker. +G. W. Kobus, Sinderen. +Koch Jr., Arnhem. +A. Koedijk, Rijssen. +S. M. Koekoek, Rotterdam. +Hendrik Koelstra, Tjalbet. +B. Koendrink, Almelo. +A. Koene, Rotterdam. +W. Koens Jr., Almelo. +D. Koffijberg, Amsterdam. +Kohl, » + +A. J. A. de Kok, boekh., Bergen op Zoom. 14 +B. Kok, Arnhem. +T. H. Kok, Deventer. +E. H. Kol, Utrecht. +W. Kolthof, Almelo. +Komen, Delft. +F. Kommers, Maastricht. +D. H. Koning, boekh., Deventer. 2 +F. H. de Koning, Schagerbrug. +I. I. R. Koning, Rotterdam. +T. G. Koning, » +Ph. de Koning, Alkmaar. +Mevr. Wed. Koning-Kuijt, Utrecht. +D. Konijnenburg, Alphen. +J. Konijnendijk, Heinenoord. +Kool, Amsterdam. +M. Kool, Bodegraven. +H. Koomen, Winkel. +H. G. Koopmans, Holwerd. +L. M. Koopmans, Fochtelo. +W. A. F. Koopman, boekh., Lemmer. 2 +Ds. H. Koops, Wons. +J. Kooremans, Hooftplaat. +C. A. Koorenaar, Bergen-op-Zoom. +J. A. Koot, Wilnis. +J. Kooij, Beemster. +P. Kooij, » +C. Kooijker, boekhandelaar, Leiden. 11 +J. Kooijman, Dordrecht. +W. P. Kooy, boekh., Nieuwediep. 5 +J. Th. v. d. Kop, boekh., Vlaardingen. 3 +J. G. Koppe, Amsterdam. +W. van Koppenhagen, Lienden. +Korenblik Reyn, Amersfoort. +M. J. de Kort, Keppel. +W. Korteweg, Overschie. +Jbs. de Korver, Vlaardingen. +Anthonie Koster, Boskoop. +Wed. P. Koster, » +Henry Koster, boekh., Amsterdam. 1 +J. Koster, » +G. Kotting, » +G. Kottner, Leiden. +L. Kottner, » +L. Kous, . Weesperzijde. +T. Kouwenaar, boekh., Amsterdam. 3 +J. Kouwenberg, Zalt-Bommel. +Wed. Kouwenhoven-Sebbler, Amsterdam. +Wed. Kraaijenvanger, Delft. +Dr. J. Kraakman, Alkmaar. +P. B. Kraakman, » +Kraal, Rhenen. +M. Kraal, Rotterdam. +J. Kraan, boekhandelaar, Amsterdam. 5 +H. v. d. Kraan, Ysselmonde. +D. Kraaijenbrink, boekh., Woerden. 1 +Gebr. Kraay, boekh., Amsterdam. 1 +G. A. Kraft, » +P. J. Kraft, boekhandelaar, 's Hage. 1 +J. Kraijenbelt, Alkmaar. +J. A. Kramer, Heusden. +N. Kramer, Overveen. +H. A. Kramers, boekh., Rotterdam. 5 +Kramps, Roermond. +F. A. Kramps, boekh., Hoorn. 14 +J. J. Krantz, Leiden. + +Wed. Krap & van Duijm, boekhandelaars, Rotterdam. 3 +H. Kreeftenberg Jzn., Varsseveld. +C. Kreet de Virieux, Wageningen. +B. Kreft, Rotterdam. +H. J. Kremer, Meppel. +G. de Kroes, Gorinchem. +G. van de Krommestraat, Werkendam. +A. Kroon, Amsterdam. +T. Kroon, » +Dr. J. Kroon, Zutphen. +C. Kroon, Sliedrecht. +F. Kroon, Hoorn. +H. v. d. Kroon, Rotterdam. +H. W. F. Kroos, Amsterdam. +H. Krop, Aarlanderveen. +P. A. Kropff, Leiden. +D. Kropholler, Amsterdam. +D. Kruit, Zijpe. +Krummer, Amsterdam. +J. J. Kruseman, Haarlem. +de Kruijff, Maastricht. +J. de Kruyff, boekhandelaar, Utrecht. 10 +J. J. Krijne, boekhandelaar, Amsterdam. 4 +A. C. Kubatz, Kampen. +J. H. Kuhleman, Amsterdam. +Kuhn, » +Gebr. Künen, boekh., Delden. 4 +P. W. Kühne, Gorinchem. +J. Kuiker Jzn., boekh., St. Anna Parochie. 1 +C. ter Kuile, Zaandam. +J. ter Kuile Lemke, Enschedé. +J. B. van der Kuijlen, Utrecht. +Kuiper, Amsterdam. +H. Kuipers, boekhandelaar, Leeuwarden. 1 +J. Kuipers, Groningen. +IJ. Kuipers, Harlingen. +Kuit, Amsterdam. +L. K. Kumpe, Zutphen. +J. F. Kuneman, Rotterdam. +D. M. Kurz, » +H. Kusters, Leiden. +P. Kuijlaars, boekh., Breda. 5 +J. Kuijper, Baarlo. +S. D. Kuijpers, Terwaard. +I. L. Kuijper, +J. van Kuyk, Amsterdam. +B. Kwak, Dordrecht. +J. C. Kwant, Amsterdam. +P. H. Kwant, » +J. Kwinkelenberg, » + + + +L. + +A. van der Laan, Haarlem. +Mr. J. W. v. d. Laan, Gendringen. +M. P. van Laar, Almelo. +B. G. J. de Laat, Alkmaar. +Mw. D. van Laer, Zwolle. +A. Lafors, Vlaardingen. +H. Lakenman, boekh., Zierikzee. 1 +A. H. de Lamaar, Wassenaar. +I. G. Lambers, Meppel. +P. A. Lammerts v. Bueren, Utrecht. +H. Baron v. Lamsweerde, Wehl. +J. Landaal, Wageningen. +J. D. Landré, Amsterdam. +Landweer, » +G. van Lange, Waddinxveen. +P. J. H. Lange, Amsterdam. +G. Langelaar, Rotterdam. +J. W. C. van Langen, Ginneken. +C. L. van Langenhuyzen, +boekhandelaar, Amsterdam. 1 +P. Langerveld, Delft. +B. Langeveld, Zuilen. +J. G. Lankelma, boekh., Amsterdam. 18 +J. V. Lankelma, Purmerend. +H. Lankenau, Gorinchem. +C. P. J. Lauberheimer, Amsterdam. +T. C. Lauberheimer, » +H. J. Lauden, Rotterdam. +H. Lauer, Arnhem. +L. A. Laurey, boekh., Nieuwediep. 3 +J. W. Lauthendorffer, Haarlemmermeer. +Lavalette, Amsterdam. +J. Laverman, boekh., Dragten. 4 +H. J. van Lawick, Leiden. +Lazonder, Almelo. +P. Leautaud, Steenbergen. +Lebeau, Amsterdam. +Leclerq, » +A. van der Lee, Grosthuizen, +W. Leembruggen, Frederiksoord. +Jan Leendertz, boekh., Amsterdam. 1 +J. W. van Leenhoff, Rotterdam. +Leesgezelschap "de Eendragt", Oostburg. +Leesgezelschap "Onderling Genoegen," Vlaardingen. +Leesgezelschap "Stichting", Leiden. +Leesgezelschap "Verscheidenheid", Amsterdam. +Leesgezelschap van Predikanten, Ylst. +Leeskring "Onderzoek", Menaldum. +Het Leesgezelschap, Oud-Vossemaer. +P. de Leeuw, Wageningen. +Adr. van der Leeuw, Delft. +D. M. van Leeuwen, Oudshoorn. +Ds. E. H. van Leeuwen, Vlaardingen. +M. D. v. Leeuwen, boekh., Rozendaal. 3 +J. W. van Leeuwen, boekh., Leiden. 5 +W. van Leeuwen, Schiedam. +A. G. W. van Leeuwen, Arnhem. +J. Leeuwenburg, Rotterdam. +As. Leeuwenburgh, Heinenoord. +P. Leeuwenburgh Jzn., » +P. Leeuwenburgh W.Bzn., » +L. Leeuwenburgh W.Bzn., » +H. Leeuwenhoek, Delfshaven. +Leeuwenkuyl, Amsterdam. +Louis Legros, boekh., Antwerpen. 150 +J. H. Lehmann, Zeist. +A. L. Lehr, Rotterdam. +L. Leicht, Franeker. +Leids, Amsterdam. +T. H. Lejay, » +J. Lendering, Zutphen. +C. Lenfring, boekh., Amsterdam. 1 +Lenguis, » +Lenting, Neuzen. +R. Lentz, Franeker. + +P. Leunis, 's Hage. +Leupen, Amsterdam. +J. Leupen, Haarlem. +A. de Leur, Gussendam. +S. B. Levelt, Amsterdam. +P. H. Lexis, Helmond. +J. Leijds, Doetinchem. +C. Leijerdorp, Rotterdam. +H. W. Leygraaff, Renkum. +J. H. Lichtenbelt Jr., Aalsmeer. +J. K. de Liefde, boekh., 's Hage. 5 +T. J. F. A. Liefrinck, Leiden. +Liese, Almelo. +C. M. van Limburg, Rotterdam. +J. Linchers, Wageningen. +W. van der Linde, Spijkenisse. +A. W. van 't Lindenhout, Hoorn. +J. van der Linden, Kampen. +J. van der Linden, Hoevelaken. +W. Over de Linden, boekh., Enkhuizen. 3 +Paul van der Linge, Utrecht. +C. J. Th. Lindgreen, boekh., Amsterdam. 1 +August Lindner, » +Lindner ten Velthuis, » +H. de Lint, Spijkenisse. +Dr. J. J. van der Lip, Wijk-bij-Duurstede. +W. van Lith, Eindhoven. +H. Lobach, Obdam. +J. M. Locker de Buijne, Brouwershaven. +S. F. Lodewijks Jr., Amsterdam. +C. Loeff, Zuidzande. +M. J. van der Loeff, boekh., Enschede. 14 +Vernier van der Loeff, Eindhoven. +A. H. Lohse, Loman & Verster, boekh., Amsterdam. 1 +J. van Loo, Zwolle. +S. van der Loo, Overschie. +G. J. van der Loo de Jong, Amersfoort. +A. van Loon, boekh., Tiel. 6 +K. van Loon, Harlingen. +P. van Loon, boekhandelaar, Utrecht. 1 +K. Loos, boekhandelaar, Rotterdam. 5 +Erven Loosjes, boekh., Haarlem. 14 +C. Lopse Hocker, Brouwershaven. +C. H. Looijaard, Rotterdam. +L. Looijenga, Leeuwarden. +Looijenga, » +J. Loretz, boekhandelaar, 's Bosch. 1 +A. F. van Lottom, Amsterdam. +P. J. Lowis, » +O. Lubberts, Leeuwarden. +Lucassen, » +H. J. P. Lucassen, Amsterdam. +P. Luigies, Groningen. +W. van der Lugt, Renkum. +I. H. Lukken, Amsterdam. +D. H. Lunenburg, Gouda. +Lutkemeijer, Amsterdam. +J. Theod. Luijckx, Gaunder. +M. J. Luijks, Rotterdam. +D. Luijt, boekhandelaar, Assendelft. 5 +Jb. Luijt, boekhandelaar, Sliedrecht. 9 +J. Luyt, » +F. Luyten de By, Roermond. +L. I. Luycx, Alkmaar. +J. Lijbaart, Krabbendijke. + +J. Lijbering, Dockum. +Jhr. Mr. G. W. F. Lijcklama v. Nyeholt, Heerenveen. +K. Lybering, Amsterdam. +J. H. Lypbardt, Groningen. + + + +M. + +A. J. M. de Maak, +P. C. Maan, Leeuwarden. +I. B. Maandag, Hummelo. +P. Maarleveld, Vlaardingen. +Charles Maas, Scheveningen. +H. A. Maas, Harlingen. +J. Maas, Almelo. +P. C. Maas Jr., boekh., Gouda. 23 +A. C. van der Maas, » +T. van der Maas, Rotterdam. +Job. Maasdam, Numansdorp. +B. H. Maaskant, boekh., Gouda. 1 +F. J. Maassen, Dordrecht. +Wed. H. Maat, Winkel. +P. Maat Pz., Vlaardingen. +I. W. Maatman, Amsterdam. +A. le Maes, Steenbergen. +J. P. Mahlstede, Uithoorn. +H. F. Maks Jr., Amsterdam. +J. Malefeyt, Rotterdam. +W. J. F. J. Malherbe, Haarlem. +A. M. Mallée Jr., 's Gravenhage. +D. Maltha Jr., Schiedam. +Mandemaker, Amsterdam. +Ph. M. van der Mandere, Kapelle. +A. de Mandt, Aalburg. +Mans, Amsterdam. +J. W. J. Mans veldt Beck Jr., Loo bij Apeldoorn. +van Mansvelt, Steenbergen. +M. Maquiné, Venlo. +Jonkvrouwe A. A. de Marees van Swinderen, Groningen. +C. I. B. Marchés, Rotterdam. +Mark & Co., » +v. Marken, Amsterdam. +H. Martin, Zeist. +Maruis, Hengelo. +Mason, Amsterdam. +Mastal, » +J. Mast, Groningen. +J. W. Mast, Dordrecht. +C. I. Mathies, Amsterdam. +P. J. Mathijssen, Rotterdam. +Matveld, Amsterdam. +A. von Mauw, boekh., Maastricht. 5 +C. Maystre, Rotterdam. +F. T. Maywald, Amersfoort. +Jac. van der Meer, boekh., Deventer. 5 +J. van der Meer, Leiden. +J. W. van der Meer, Almelo. +W. J. van der Meer, Harlingen. +A. Gezelle Meerburg, boekh., Heusden. 14 +J. W. G. Meerstad, Rijssen. +J. Mees Fzn., Groningen. +H. J. Meessen, Utrecht. +A. C. van Meeteren, Amsterdam. +J. Meeussen & Zoon, boekh., 's Hage. 6 +B. Meeuwig, Utrecht. +Meg, Amsterdam. +G. F. Mehlbaum, » + +J. C. Mekel, boekhandelaar, Winsum. 5 +P. van Meldek, Roermond. +H. Melder, boekhandelaar, Utrecht. 2 +de Mellet, Maastricht. +G. F. Menger, Berkel. +Menagé Challa, Amsterdam. +Ds. W. Mense, Heeg. +M. J. Mensing, boekh., Rotterdam. 3 +P. H. W. Menzel, Leiden. +Jhr. Ph. E. van de Merwede, Zutphen. +G. van Mesdag, Groningen. +H. Messink, Tiel. +I. H. Metten, Nijmegen. +Jan Mettes, Hoorn. +Mej. C. C. Metz, Haarlem. +J. ter Meulen, Purmerend. +F. v. d. Meulen, Barendrecht. +J. D. van der Meulen, Irnsum. +R. van der Meulen, Franeker. +P. C. van der Meulen, Nieuwendiep. +J. Meulenbelt, boekh., Rotterdam. 8 +J. Meurs, boekhandelaar, 's Hage. 1 +H. van Meurs, Assen. +P. van Meurs, Schiedam. +v. Meurs, Amsterdam. +de Meij Mecima, Spijkenisse. +Meijer, Amsterdam. +Meijer Jr., » +D. H. Meijer, Hekendorp. +E. Meijer, Groningen. +G. L. Meijer, boekh., Lochem. 1 +H. A. Meijer, boekh., Amsterdam. 5 +H. J. Meijer, Rotterdam. +J. G. Meijer, Groningen. +J. M. E. & G. H. Meijer, boekhandelaars, Amsterdam. 2 +J. W. Meijer, Renkum. +P. Meijer Levy, Leeuwarden. +C. P. de Meijer, Maurik. +W. H. de Meijer, Rotterdam. +D. J. D. de Meijere, Ysselmonde. +Ph. Meijers, boekh., Amersfoort. 5 +Meijes, Amsterdam. +D. N. Meijners, Geertruidenberg. +H. G. J. L. Meijners, Nijmegen. +J. van der Meyden, Haarlem. +J. Meynadier, Amsterdam. +M. E. Meyneken, Rotterdam. +J. H. Michaelis, Vlissingen. +S. Middeldorp, Deventer. +C. Middelman, Utrecht. +C. Miedema, Minnerstga. +A. Mielart, Uithoorn. +H. I. van Mierlo, Eindhoven. +W. Millard, Rotterdam. +I. G. Milo Jr., » +H. Minkman, Arnhem. +L. Mirande, Harlingen. +Jhr. E. A. L. Mock, Haarlem. +Mr. A. E. I. Modderman, Leiden. +W. Moet, boekhandelaar, Dordrecht. 5 +C. C. Mohrmann, Leeuwarden. +A. Mol, Amersfoort. +P. H. Mol, Amsterdam. +P. de Mol Moncourt, Garijp. +M. S. Molders, Leiden. +P. W. Molenaar, Scharnegoutum. + +S. H. Molenbroek, Leiden. +B. N. I. T. Molkenboer, » +G. Molkenboer, Amsterdam. +Jhr. Mr. G. W. Mollerus, Heusden. +H. I. Molsbergen, Utrecht. +Mejufvr. Mom Visch, Haarlem. +Monrooij, boekhandelaar, Amsterdam. 1 +D. Monsma, Franeker. +A. Montagne Izn., Leiden. +A. Montauban, Haarlem. +H. J. Moojen, boekh., den Burg. 6 +A. Moolenaars, Haarlem. +J. Moolenburg, Brouwershaven. +H. J. Moonen, boekh., Oosterhout. 2 +J. M. de Moor, Rotterdam. +J. W. Moot, Amersfoort. +A. C. de Mooij, boekh., Zierikzee. 4 +H. H. Mooy, boekh., Amsterdam. 5 +E. Mooyaart, Haarlem. +A. Moritz, Rotterdam. +A. Moritz, » +J. Moritz, » +C. Morks Jzn., boekh., Dordrecht. 35 +C. Morks D.Wzn., » +J. Morks Jzn., » +M. C. Morks, Amsterdam. +Morriën, » +Morriën, » +F. Mos, Dwingelo. +G. Mosmans, boekh., 's Bosch. 28 +B. Mossel, Renkum. +Wed. S. H. Most, Nijmegen. +S. J. A. du Moulin, Rotterdam. +F. J. v. d. Mueren, Oostmahorn. +J. F. H. Muhring, Steenbergen. +G. Muilwijk, Rotterdam. +H. A. Mulder, Groningen. +J. Mulder, Amsterdam. +Mulder, » +P. D. Mullaard, Hellevoetsluis. +G. Muller, Amsterdam. +I. I. Muller, » +J. Muller, » +Gebr. Muller, boekh., 's Bosch. 8 +Gebr. Muller, boekh., Maastricht. 9 +Dr. F. Muller Massis, Aan de Bilt. +F. M. Muller, Holter. +J. Muller, Eendr. bij Apeldoorn. +J. Muller, Maastricht. +H. E. A. Muller, Zalt-Bommel. +J. V. Münch, Almelo. +von Munchen & Rookmaker, + boekhandelaars, Haarlem. 10 +J. J. Munniks de Jongh, Leeuwarden. +van Munster, Rotterdam. +A. W. van Munster, boekh., Utrecht. 5 +J. P. Munting, Assen. +E. W. Mus, Zierikzee. +J. Mus, » +I. F. Musbach, Amsterdam. +J. Musses, boekhandelaar, Purmerend. 19 +J. A. Muijzert, Utrecht. +G. J. Mijnlieff, Renkum. +D. Mijs, boekhandelaar, Tiel. 4 +A. P. te Mijtelaar, Amsterdam. +Mevr. D. M. geb. van R., + + + + +N. + +L. Naaktgeboren, 's Gravendeel. +Mevr. de Douairière Nagel, Zwolle. +A. J. H. M. A. Baron van Nagell van Nederhemert, Nederhemert. +Nagtegal, Amsterdam. +Nagtglas, Renkum. +Mr. J. Nanninga Uiterdijk, Kampen. +V. R. Nederländer, Amsterdam. +L. de Neef, Rotterdam. +M. Nelemans, Zetten. +Neidlinger, Amsterdam. +Neomagus, Reeze. +O. P. de Nes, Heerenveen. +W. J. de Neth, Zalt-Bommel. +J. v. d. Neut, Amsterdam. +G. P. de Neve, Heen. +P. J. Neijt, Vlissingen. +G. J. Nibbelink, Varsseveld. +J. H. Niemeijer, Vlissingen. +Niendieck & Eden, boekh., Amsterdam. 2 +A. C. Niermeijer, Deventer. +A. van Nieuwbeert Oonk, boekhandelaar, Elburg. 13 +J. B. Nieuwenhuis, Deventer. +J. G. Nieuwenhuis, » +Wed. J. Nieuwenhuis, boekhandelaar, Gorinchem. 2 +Wed. J. H. Nieuwenhuis, Utrecht. +J. L. Nieuwenhuijsen, Culemborg. +R. O. van Nieuwenhuijzen, Zierikzee. +W. A. Nieuwenhuijzen, boekhandelaar, Tholen. 7 +Nieuwenhuys, Amsterdam. +P. B. Nieuwenhuys, boekh., Breda. 16 +J. Niewold, Groningen. +J. Niezen, » +Mr. C. J. R. Nobel, Zwolle. +A. Nobel, Rotterdam. +G. Noë Lzn., boekh., Leeuwarden. 3 +W. Ph. Noë Iz., Amsterdam. +J. Noest, Leiden. +P. Nol, Alkmaar. +R. Nolen, Heurne. +G. A. Nolen, Heerjansdam. +J. Noomen, Heerde. +H. Noordendorp, Oegstgeest. +B. van Noordenne, Sliedrecht. +A. Noordhoek, Delfshaven. +P. Noordhoff, boekh., Groningen. 30 +M. Noordtzy, Schiedam. +J. Noortveen, Rotterdam. +W. van Noortwijk, boekh., Schiedam. 3 +H. J. van Noppen, Goes. +H. C. Noyen, Leiden. +A. Nugteren, Rotterdam. +A. Nuijens, boekh., Alkmaar. 17 +Is. An. Nijhoff & Zoon, boekhandelaars, Arnhem. 5 +Mej. M. W. Nijhuis, Doetinchem. +H. Nijland, boekhandelaar, Epe. 5 +C. Nijsen, Utrecht. +Societeit van Nyveren, Deventer. +F. Nijhoff, Almelo. + + + + +O. + +David Obenhuysen, Amsterdam. +G. Ockers, » +Jb. Ochtman Johz., Zierikzee. +S. Ochtman Jz., boekh., » 9 +J. Odé, boekhandelaar, Schiedam 30. +W. Odendaal, Ulft. +J. K. F. van Oeveren, Aalten. +H. J. Offerhaus, Veenhuizen. +N. Oldenburg, Rotterdam. +G. I. C. van Oldenburgh, » +I. Oldigs, Amsterdam. +S. C. J. Olivier, » +A. J. Olivier, Leiden. +Olij, Utrecht. +Joh. van Ommen, Amersfoort. +R. Ommering, Vlaardingen. +Onderw. Leesgezelschap, Samarang (O.-I.) +J. J. Oord, Bolswart. +W. H. van Oordt. Rotterdam. +G. A. Oortenbroek, Haarlem. +Oosink, Bloemendaal. +R. Oostdam, Arnhem. +Oostendorp, Amsterdam. +J. van Oostende Az., Zutphen. +F. J. Oosterbaen, Dragten. +T. Oosterman, Gorinchem. +H. J. van Oosterom, Utrecht. +Oostwald, Kampen. +Opdenheid, Amsterdam. +A. Ophorst, boekhandelaar, Wageningen. 30 +M. Oppenheim, Rotterdam. +W. M. Oppedijk, Ylst. +T. Orelio, 's Hertogenbosch. +H. van Os, boekhandelaar, Schagerbrug. 5 +J. C. van Os, » +D. Oskam, Berg-Ambacht. +J. Osti, Amsterdam. +G. H. Otjens, Bergen op Zoom. +P. Otter, Tjalbet. +A. A. van Otterloo, Amsterdam. +Milar van Otterloo, 's Gravenhage. +Otto, Amsterdam. +M. Ottevanger, Rotterdam. +E. J. de Oude, Tjalbet. +J. de Oude, Brouwershaven. +I. H. den Ouden, Amsterdam. +W. v. Ouwerkerk, Rotterdam. +A. Overbeek, Ambt Doetinchem. +G. A. Overbeek, Erichem. +G. van Overbeek, boekh., Alphen. 10 +P. J. van Overbeék, Dordrecht. +P. J. Overberg, Amsterdam. +P. J. Overberg, » +Overbosch, Venlo. +S. Overbosch, Epe. +J. A. Overdiep, Heerenveen. +D. Overeem, Veenhuizen. +A. M. Overeijnder, Moordrecht. +J. Overweg Wzn., Zwolle. +W. Overweg Jzn., Kampen. +W. Overweg, Almelo. +A. P. van Oijen, + + + + +P. + +A. C. F. van Paddenburg, boekhandelaar, Amsterdam. 4 +Mevr. de Wed. Paets, Amersfoort. +E. J. Pannekoek, Keppel. +G. H. Pannekoek, Batavia. +C. F. J. Pape, Heusden. +J. B. Paris, Amsterdam. +A. Parmentier, Leiderdorp. +J. N. Parrée, Utrecht. +G. A. Parser, Amsterdam. +J. G. van Parijs, Leiden. +Jn. van der Pas, Vlaardingen. +Jongenh. J. Pasteur, Doetinchem. +Joh. L. v. d. Pauwert, boekh., Delfshaven. 1 +J. A. Peekel, Amsterdam. +C. M. H. Pel, Bergen-op-Zoom. +H. J. Peppink, Spijkenisse. +H. H. Penaat, Groningen. +W. Perk, Alphen. +P. J. Persijn, boekh., Hoorn. 1 +J. A. Perlee, Kampen. +P. J. Peskens, Leiden. +Jhr. V. A. de Pesters, Amersfoort. +C. Pet, boekhandelaar, Hoogeveen. 14 +M. Peters, Veenendaal. +G. A. Peters, Schore. +A. E. Petersen, Zutphen. +C. Petersen, Dockum. +M. G. Petersen, Amsterdam. +Ch. Ph. Petit, Breda. +I. G. de Petit, Gendringen. +Louis D. Petit, boekh., Amsterdam. 9 +G. van Peursem, boekh., » 6 +J. H. van Peursem, boekh., Utrecht. 1 +Peuschgen, Amsterdam. +J. Peijer, Heerenveen. +P. Pey, Utrecht. +H. Pezie, Ambt-Almelo. +F. A. I. Pichot, Schiedam. +B. Pichsma, Harlingen. +Mej. Wed. J. Pieckers, Alkmaar. +A. C. Pielanen, Leiden. +J. Pieters, 's Hertogenbosch. +A. Pieters, Dordrecht. +P. Pieterse, Amsterdam. +M. F. van Pierre, boekh., Eindhoven. 19 +J. G. Piket, Leiden. +D. Pinkert, Arnhem. +A. Pitaffe, Hoorn. +Plaat, Amsterdam. +H. Plaizier, Leeuwarden. +F. Plantenga, Franeker. +Plas, Wateringen. +A. J. Plas, Schagerbrug. +E. C. Platvoet, Velsen. +W. C. Plet, 's Hertogenbosch. +J. Plet, Leeuwarden. +J. van der Ploeg, Franeker. +W. Ploegsma, Akkerwoude. +M. J. van der Poel, Almelo. +v. d. Poel, Amsterdam. +B. W. Poeschmann, » +B. W. Poeschmann, » +G. B. Poeschmann, boekh., Rotterdam. 5 + +J. Pogge, Amsterdam. +Joh. van der Pol, Wijk bij Heusden. +A. R. Polet, Dordrecht. +J. v. Poll Suykerbuijk, boekhandelaar, Rozendaal. 5 +H. Pollema, Berlikum. +R. G. Pollman, Wehl. +Guillaume Pollet, Tilburg. +J. B. Poort, Amersfoort. +J. N. Poort, » +A. K. Poortman, Vlaardingen. +C. van Poortvliet, Nieuw-Vossemeer. +J. van Poortvliet, Nieuwerkerk in Duiveland. +Gebr. Poot, boekhandelaar, Rotterdam. 43 +P. Poots, Dordrecht. +L. van Popering, Dreischor. +J. G. Portegeis, Bergen op Zoom. +P. Portegies, Alkmaar. +W. Pos, Vroomshoop. +H. A. Posno, Kampen. +L. G. Post, boekhandelaar, Purmerende. 3 +H. Post van der Burg, Rotterdam. +L. Posthuma Ezn., Oosterwolde. +W. Posthuma, Dockum. +W. Posthumus, Groningen. +N. W. Posthumus, Amsterdam. +Posthumus, » +Clement Postmus, Heerenveen. +F. Postma, Leeuwarden. +G. Postma, Hallum. +J. Postma, Cornwerd. +D. Pot, Franeker. +J. Pothof, Silvolde. +J. Pottebakker, Breukelen. +F. Th. Potter, Utrecht. +C. H. A. Poulich, Rotterdam. +D. Pouwels, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 3 +W. F. Pouw, Amsterdam. +C. M. Pouwels, Sneek. +Mevr. de Wed. van Praag, Leiden. +L. van Praag, » +G. du Pré, Ambarawe. +W. F. Prels, Nijmegen. +J. Preuijt, Terheijden. +J. H. Prikken, Amersfoort. +H. W. Prillewitz, Heusden. +J. H. Prillewitz, Wijk (bij Heusden.) +A. M. Prins, Wageningen. +Maurits Prins, +N. Prins, Sliedrecht. +P. J. Prins, Rotterdam. +S. H. Prins, Bolsward. +J. Prins de Bennekom, Bennekom. +G. Prinsenberg, Gouda. +T. D. H. Pull, boekh., Apeldoorn. 13 +C. Pullewitz, Heusden. +G. Prümers, Leiden. +J. J. F. Thomas van Putt, Brussel. +W. van Putten, Kampen. +K. v. d. Pijll, Groningen. +H. J. Pijlman, Vroomshoop. +H. Pyttersen Tzn., boekh., Sneek. 1 + + + + +Q. + +Mr. A. Quaëstuis, Dronrijp. +H. Quakkelsteijn, Vlaardingen. +Arts J. A. Quanjer, Amsterdam. +Quarles van Ufford, Zutphen. +C. Quast, Dordrecht. +A. W. Quint, boekh., Houtrijk & Polane. 11 +H. I. Quint, Amsterdam. + + + + +R. + +D. de Raad, Puttershoek. +W. J. Raadgeep, boekh., Doetinchem. 64 +F. Raadman, Kampen. +H. Raamaker, Groningen. +J. Rademakers, Venlo. +B. Radstake, Varsseveld. +Jos. Raemaekers, boekh., Roermond. 4 +E. C. Rahms, boekh., Oudewater. 1 +C. J. Ramann, Amsterdam. +Ranning Eylerts, boekh., » 3 +B. J. Ras, » +Joh. H. Rasël, » +Jb. Raven, Groningen. +P. van Raven, boekh., de Rijp. 1 +F. Rauch, Amersfoort. +F. C. G. Graaf v. Rechteren Limpurg, Varsseveld. +A. E. J. Reckers, Rotterdam. +D. v. Reenen, Amsterdam. +J. J. van Reenen, Leiden. +W. Reeser, Rotterdam. +M. I. Reesse, Delft. +H. Regelman, Winkel. +P. F. Regnault, Amsterdam. +H. de Regt, Rotterdam. +J. W. Regtering, Amsterdam. +A. Ph. G. Reigersberg, Utrecht. +W. Reinders, Kampen. +G. J. Reits, boekhandelaar, Groningen. 1 +W. A. W. Rengers Hora Siccama, Hoogeveen. +M. H. Reterink, boekh., Schiedam. 9 +J. P. Revers, boekh., Dordrecht. 1 +J. van Reijen, Haarlem. +W. J. Reijnders, Utrecht. +Franc Reynders, Rotterdam. +P. H. J. Reynet de la Rue, boekhandelaar, Amsterdam. 1 +C. D. Rezelman, Wieringerwaard. +Mevr. Richelle-Swaan, Woerden. +J. de Ridder, Wageningen. +de Ridder, Amsterdam. +de Ridder, » +Riebel, » +J. Riesberg, boekhandelaar, Nieuwe Niedorp. 11 +D. Rietveld de Hondt, Velp. +J. Rikkers, Leeuwarden. +G. W. Ringeling, Amsterdam. +C. W. J. Rink, Oosterhout. +J. Rit, Zalt-Bommel. +C. M. Ritmeester, Gorinchem. +Wed. E. H. Ris, Schiedam. + +Robbers & de Haas, boekh., Rotterdam. 30 +Mej. Rodbard, Leiden. +J. H. de Rode, Zutphen. +A. Rodenburgh Mentz, Renkum. +Rodenhuis, Amsterdam. +H. C. Roeff, » +Mr. B. A. Roelvink, Aalten. +I. Roer, Alblasserdam. +W. Roetman, Schiedam. +H. A. M. Roelants, boekh., » 1 +Joh. Roem, boekh., Alkmaar. 7 +J. W. v. d. Roest, boekh., Nunspeet. 3 +C. Rogge, Retranchement. +IJ. Rogge, boekhandelaar, Amsterdam. 1 +C. van Roggen, Amersfoort. +W. Roggenbach, Utrecht. +W. Rogghé, boekh., Gent. 70 +A. J. M. Roldanus, Wageningen. +A. C. Rolff, boekhandelaar, Amsterdam. 7 +J. P. Romein, Leeuwarden. +J. J. Romeijn, Ouwerkerk. +J. Romelingh, boekh., Groningen. 1 +H. de Ronde, Delfshaven. +B. H. de Ronden, boekh, Amsterdam. 8 +J. de Roo, Overveen. +H. J. de Roo, Doesborgh. +Wed. J. M. Roodenburg-Nolet, Nijmegen. +Dr. H. Roodhuijzen, Zalt-Bommel. +R. H. de Roodt, Rotterdam. +J. Roorda, bij Leeuwarden. +J. J. Roos Jr., Wormerveer. +Mej. F. W. de Roos, Bloemendaal. +J. Rooseboom, Zwolle. +A. Roost, Overschie. +F. A. Roost, Zalt-Bommel +C. J. van Roosendael, Culemborg. +I. H. v. d. Roovaart, Vlaardingen. +M. van de Roovaart, Rotterdam. +H. van Rooijen, » +J. J. van Rooijen, Leiden. +W. van Rooyen, » +Jos. M. Roozenburg, boekh., 's Hage. 4 +W. Rosenkranz, boekh,. Maastricht. 10 +G. Rosier, Gendringen. +Th. Rosier, Leeuwarden. +H. Roskam, Sliedrecht. +F. van Rossen, boekh., Amsterdam. 1 +Dr. A. J. van Rossum, Enschedé. +J. v. Rossum Dzn., boekh., Bodegraven. 9 +G. Rubbers, Hengelo. +C. Ruben Bzn., Westword. +Ruhl, Amsterdam. +W. Ruitinga, Harlingen. +J. C. C. Rupp, boekh., Ede. 1 +Vrouwe Douairière Rutgers van Rozenburg, Haarlem. +G. Rutter, Amsterdam. +F. F. Rüvekamp, Nijmegen. +W. J. Ruijs, Haarlem. +D. J. Ruijter, Gouda. +P. H. de Ruyter, Leeuwarden. +A. C. van Ruyven, » +W. van Rij, Puttershoek. +J. van Rij, Rotterdam. +F. D. Rijf, Harlingen. +A. Rijken, Dordrecht. + +A. G. Rijkens, Groningen. +Rijks Hoogere Burgerschool, Winterswijk. +Rijks Hoogere Burgerschool, Zwolle. +Rijks Normaalschool, Amersfoort. +Ph. van Rijn, Berkel. +D. Rijnders, Alkmaar. +C. A. Rijpost, Groenveld. +G. Rijsdijk, 's Gravendeel. +A. van Rijs, Zwijndrecht. +C. J. F. Ryperman, Velzen. + + + +S. + +Gerrit Saager, Wensum bij Apeldoorn. +F. Salvezen, Nieuwendiep. +J. Samplonius, boekh., Heeg. 10 +J. C. Sander, Schiedam. +C. J. van Santen C. Jzn., Vlissingen. +Mevr. Wed. Saportas, Arnhem. +G. J. Sas, Harderwijk. +R. Sasburg, Wijdenes. +J. G. Sasse, Leiden. +H. Sasse, » +J. C. Sauerbier, Nieuwerkerk a/d.yssel. +R. J. Sauerbier, » +D. Schaaf, Leeuwarden. +A. Schaafsma, boekh., Dockum. 5 +Schaap, Delft +Gebr. Schaap, Arnhem. +A. Schaap, Winkel. +H. A. Schaap, Almelo. +Schaap, Amsterdam. +Schadd & Schröder, boekh., » 14 +Schalekamp, v. d. Grampel & Bakker, boekh., » 10 +van der Schalk & v. Dijl, boekhandelaars, Dordrecht. 6 +Schaller, Amsterdam. +C. W. Schalij, Leerdam. +Dr. J. van der Scheer, Assen. +Erven D. H. v. d. Scheer, boekhandelaar, Assen. 9 +E. Scheepers, Heerlen. +Scheltema, Amsterdam. +Scheltema & Holkema, boekhandelaars, Amsterdam 17 +H. Scheltes, Groningen. +J. A. Scheltens, Herwynen. +J. Schenk, Rotterdam. +P. Schenk, Dordrecht. +Scheppers, Maastricht. +J. Scheres, Dordrecht. +H. Scheringa, Beemster. +Mevr. Scherius, Utrecht. +W. Schermer, Amsterdam. +F. A. Schiebelhout, Rotterdam. +R. J. Schierbeek, boekh., Groningen. 9 +W. C. Schiff, Nes (Ameland). +Schiffelers, Maastricht. +I. W. Schimsheimer, Amsterdam. +J. F. Schimsheimer, » +P. W. A. Schipper, Rotterdam. +P. J. Schipperhein, Wageningen. +R. Schippers, Middelburg. +C. L. Schleijer & Zn., boekh., Amsterdam. 1 + +J. F. C. Schlimme, Amersfoort. +J. P. Schluiter, » +F. H. Schmidt, Rustenburg. +L. W. T. Schmidt, Leiden. +A. Schneidener, Zandpoort. +Schneider, Zalt-Bommel. +C. F. Schneiders, Zutphen. +W. Schof, Dordrecht. +J. L. Scholberg, Maastricht. +Mej. M. Scholmeijer, Alkmaar. +K. L. Schols, Amsterdam. +Scholte, » +P. Scholtens, Groningen. +R. Scholtens, Enschedé. +Scholtens & Zoon, boekh., Groningen. 5 +H. W. Schonewald, Wageningen. +M. Schooneveld & Zn., boekhandelaar, Amsterdam. 6 +J. Schoonman, Zutphen. +J. Schoonman, boekh., » 9 +R. Schoonman, Lochem. +Dr. Schoorel, Katwijk aan Zee. +R. van der Schoot, Hillegom. +A. P. Schotel Gzn., Dordrecht. +D. Schotel J.Wzn., boekh., » 5 +I. Schotman, Dordrecht. +A. Schout Velthuijs, boekh, » 9 +J. Schouten, Alkmaar. +Mej. de Wed. B. Schouten, Wassenaar. +Schouw, Amsterdam. +J. van der Schouw, boekh., Leiden. 34 +I. Schreuder, Aalzum. +A. Schram Jzn., Sliedrecht. +W. E. Schravensande, Rotterdam. +J. E. Schreiber Jzn., Amsterdam. +Schreiner, Arnhem. +J. W. Schreurs, Leeuwarden. +S. H. Schrik, Zwolle. +W. C. Schrikker, Amsterdam. +T. Schroder, » +Schröder, » +Schröder, Amersfoort. +J. van der Schroeff, Kampen. +D. Schrijver, Nieuwendiep. +Schrijver, Amsterdam. +A. W. Schuhkrafft, Melbourne. +J. Schuitemaker, boekh., Purmerende. 1 +N. Schuitemaker, Leeuwarden. +L. A. E. Schuller, Renkum. +Schulte, Amsterdam. +W. Schultz, » +J. Schültze, 's Hertogenbosch. +G. Schumacher, Heerenveen. +E. Schut, Dordrecht. +F. Schut, Heilo. +I. Schut, Leiden. +J. J. Schutte, Amsterdam. +Willem Schutte, Zwolle. +P. F. Schutz, Hoorn. +H. F. Schuurman, Alkmaar. +G. J. Schuijt, Amsterdam. +N. Schuijt, » +H. Schuijten, Leiden. +N. Schuyt, Amsterdam. +A Schwab, Kampen. +J. Schweinzberg, Amersfoort. +M. C. Segmond, s'Gravendeel. + +A. J. Servaas van Rooijen, boekhandelaar, Utrecht. 34 +H. Seubring, Noordlaren. +Seyffardt's Boekhandel, Amsterdam. 1 +P. C. Sidema, Zalt-Bommel. +G. J. Siddré, Amersfoort. +Siep, Amsterdam. +J. Siemerink Schaap, Alkmaar. +J. de Sille, Rotterdam. +F. W. Simons, Overveen. +W. H. Simons, Middelburg. +H. Singer, Rotterdam. +Mevr. Wed. W. de Sitter-ten Berge, Glimmen (Prov. Groningen). +K. Slikker, Kolhorn. +R. Slikker Jr., Almelo. +H. J. Slinkert, Utrecht. +Mr. A. F. Baron Sloet van Zwanenburg, Apeldoorn. +H. J. F. Slinkert, Rotterdam. +A. M. Slothouwer, boekh., Amersfoort. 25 +A. J. Sloores, Winkel. +Sluik, Amsterdam. +D. v. d. Sluis, Barendrecht. +Dr. A. R. van der Sluis, Oosterwolde. +H. Sluiter, Gouda. +Jb. van der Sluijs Veer, Alkmaar. +E. W. G. Sluyter, Amsterdam. +L. van der Sman, Schiedam. +J. Smedes Houwerzijl, boekhandelaar, Appingedam. 3 +Mej. L. Smeding, Leeuwarden. +S. Smeding, boekh., » 6 +P. Smeding, Scharnegoutum. +F. W. Smets, Almelo. +A. J. Smeulders, Breda. +Smid, Amsterdam. +Smies, » +Smirren, » +Smit, » +Smit, » +W. A. Smit, Groningen. +J. Smit, Bloemendaal. +J. H. H. Smit, boekh., Amsterdam. 1 +N. Smit, Purmerend. +G. J. A. Smit, Zutphen. +K. M. Smith, Rotterdam. +H. Smits, boekhandelaar, Ootmarsum. 9 +W. H. Smits, Leiden. +N. D. Smits, » +Ds. F. W. Smits Pzn., Enschedé. +P. Smits, Alkmaar. +J. C. J. Smits, Bronbeek. +J. Smolders, 's Heerenhoek. +Mej. M. Snellen, Rotterdam. +J. G. Sneltjes, Amsterdam. +Persant Snoep, 's Gravenpolder. +W. Snijders, Rotterdam. +Sodenkamp, Maastricht. +A. Soederouw, Amsterdam. +C. J. van Soest, boekh., » 6 +Soeters, Bergen-op-Zoom. +J. Soff, Leiden. +Ph. Sollmann Jr., Arnhem. +P. N. Sombeek, boekh., Zaandam. 8 +A. E. C. v. Someren, boekh., Zutphen. 3 +P. Somerwil, boekh., Leiden. 5 + +J. T. Sommer, boekh., Almelo. 5 +G. Sommeling, Amsterdam. +P. Sommerling, » +D. J. Somsen, Heurne. +J. A. Sonne, Hellevoetsluis. +G. Sormevelt, Zwolle. +Sormani & Co., Groningen. +J. B. Soute, Rotterdam. +Mej. H. G. P. Spaargaren, Oegstgeest. +H. Spanjaard, boekh., Steenwijk. 6 +D. J. Spanjaard, Borne. +Iz. J. Spanjaard, » +N. Spanjaard, » +K. T. v. Spanjen Koppenal, boekhandelaar, Zaandam. 5 +A. Spek Azn., Gorinchem. +N. M. van der Spelt, Steenbergen. +Jhr. Th. v. Spengler, Gendringen. +W. H. Freule von Spengler, Kampen. +J. Sperling, Leeuwarden. +D. M. Speyer, Leiden. +C. G. Spit, Gouda. +P. Splinter, Bodegraven. +M. Splinter, Leiderdorp. +Spruit, Amsterdam. +Spruyt, » +Wed. J. C. Spijker, boekh., » 5 +J. Spijkman, Alkmaar. +A. van der Stadt Jr., boekh, Haarlemmermeer. 1 +Stakenburg, Amsterdam. +H. G. Stahl, boekhandelaar, 's Gravenhage. 47 +D. J. Stam, » +A. Stam, Culemborg. +N. Stam, Alkmaar. +P. Stam, Dordrecht. +G. Starink, boekhandelaar, Zutphen. 3 +J. Stasse, Werkendam. +Staumer, Amsterdam. +H. G. van Steeden, boekh, Hellevoetsluis. 4 +Mej. C. A. v. d. Steek, Dordrecht. +van der Steen, Bergen-op-Zoom. +G. R. van der Steen, Zalt-Bommel. +H. J. K. van der Steen, Spanbroek. +A. A. Steenbergen, Hoogeveen. +D. Steenbergen, Kampen. +J. Steenmeijer, boekh., Middelburg. 14 +H. Steenwinkel, Gorinchem. +B. P. P. Steevert, Delft. +Steiger, Amsterdam. +Wed. R. P. Steltman, Groningen. +C. F. Stemler, boekh., Amsterdam 32 +v. d. Stempel, » +Stein, » +Steinberg, » +W. Steinmetz, 's Gravenhage. +W. H. Stenfert Kroese & v.d. Zande, boekhandelaars, Arnhem. 12 +C. J. Stephanus, boekh., Meppel. 5 +W. Sterk, boekhandelaar, Den Burg. 15 +van Steijn van Hensbroek, Wageningen. +G. Stiel, Maastricht. +Daniel Stigter, Goes. +Wed. Stipriaan Luçius, Enschede. +J. H. Stöcker, Wageningen. +J. Stoecke, Leiden. +W. Stoeder, Amsterdam. + +W. L. Stoeller, boekh., Rotterdam. 5 +P. J. Stoffers, Amsterdam. +H. Stoffels, Leeuwarden. +L. Stoffers, Meppel. +W. J. Stokvis, Arnhem. +W. Stokhuijzen, boekh., » 10 +T. Stokhuyzen, Leiden. +H. Stol, Haarlem. +J. M. Stolk, boekhandelaar, Gorinchem. 6 +R. Stolp, Kwadijk. +M. C. v. d. Stolpe, Bruinisse. +H. Stoof, Voorhout. +I. W. Stooker, Nieuwendiep. +D. J. P. Storm Lotz, boekh., Rotterdam. 5 +A. G. W. van der Straaten, Amsterdam. +K. F. Stremming, » +K. F. Stremming Jr., » +R. Stuffken, Arnhem. +H. S. van der Stum, Rotterdam. +B. van Stumperen, Amsterdam. +J. Sturm, Neuzen. +C. H. Sunderman, Dordrecht. +F. W. Sunderus, Rotterdam. +H. Suringar, Leeuwarden. +Hugo Suringar, boekh., » 1 +W. Sutorius, Helmond. +J. W. & C. F. Swaan, boekh., Arnhem. 15 +H. Swagerman Dzn., Amsterdam. +H. Swank, Barendrecht. +S. A. N. Swart, Amsterdam. +W. Swart, Marrum. +P. Swart, Almkerk. +A. Swartjes, Egmond aan den Hoef. +W. J. A. Sweep, Alkmaar. +N. K. Swemer, Leiden. +W. Swinkels, Helmond. +J. Switzer Az., Gouda. +J. van der Sijde, Almelo. +G. van Sijtveld, Watergraafsm. + + + + +T. + +J. Taats, Amersfoort. +Tabak, Amsterdam. +M. Tachi, Zierikzee. +S. Tacoma, Baard. +J. C. Takke, boekh., Rotterdam. 7 +J. Tat, Haarlem. +L. C. Teber, Bergen-op-Zoom. +van Teefelen, Zalt-Bommel. +Wed. P. M. Teenstra, boekh., Bolsward. 7 +P. Tegelbeckers, Utrecht. +J. C. Tegen, Gendringen. +C. Tekes, Harlingen. +T. Telenga, boekh., Franeker. 5 +W. Tellinga, boekhandelaar, Nijmegen. 5 +W. F. van Tellingen, Alkmaar. +P. A. Tenenti, Dordrecht. +J. G. van Terveen & Zoon, boekhandelaars, Utrecht. 5 +D. C. Terveer, Sliedrecht. +Mej. Wed. W. C. Tetenburg, Rotterdam. +A. Textor, Bloemendaal. +G. J. van Thiel, Amsterdam. +J. J. van Thiel, Breda. +H. C. A. Thieme, boekh., Nijmegen. 14 + +W. J. Thieme & Co.; boekh., Zutphen. 5 +Erven Thierrij & Mensing, boekhandelaars, 's Hage. 5 +G. Thomassen, Velp. +G. Thomassen Tzn., » +Thomson, Bergen-op-Zoom. +C. Thömssen, Bloemendaal. +A. Thijssen, Zwolle. +Gebr. Thijsen, Amsterdam. +Tiege, Ede. +Th. Tielkens, Rotterdam. +J. H. Tielkemeijer, boekh., Amsterdam. 7 +Tieman, » +Jan Tiemstra, Franeker. +K. Tietema, Tzum. +Tilburg, Amsterdam. +J. Timmer, » +G. W. Tinke, Heerenveen. +H. A. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Zwolle. 1 +W. E. J. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Arnhem. 1 +Tolhuyzer, Amsterdam. +Tomassen, Maastricht. +Mr. J. Tonckens, Westervelde. +F. F. Tönjes, Leeuwarden. +H. M. Tonopeus, Uitwierde. +D. Tool, Wognum. +J. Tool, » +W. Toole, 's Hage. +W. Toor, boekhandelaar, Krommenie. 1 +Tosi Facino, Amsterdam. +W. J. Tresling, Kampen. +Mevr. van Troijen, Haarlem. +J. Turelme, Tol nabij Zierikzee. +H. van Tussenbroek, boekh., Wageningen. 16 +P. Tuijtel, Zierikzee. +Twisk, Amsterdam. +Erven J. J. Tijl, boekh., Zwolle. 1 +H. F. Tijnje, Aarlanderveen. + + + + +U. + +V. Uchtman Jr., Middelburg. +Uffen, Amsterdam. +A. B. Uhl, Oranjewoud. +W. J. Uilkens, boekh., Groningen. 5 +A. Uit den Boogaard, Heerde. +Uitenhoven, Amsterdam. +M. J. Uitzinger, boekh., » 2 +H. Ulrici, » +L. Uunk, Heerde. +Wed. H. H. Uyttenbroeck, boekhandelaar, Venlo. 6 +H. J. Uytterbroeck, 's Hertogenbosch. + + + + +V. + +L. J. v. d. Vaart, Deventer. +v. d. Valk, Amsterdam. +B. W. Vallenduuk, Overveen. +J. M. Vallentgoed, Wommels. +M. G. Vattier Kraane, boekh., Tilburg. 5 +H. J. van der Vecht, boekh., Hasselt. 1 +Erven G. Veel, boekh., Alkmaar. 1 +Johs. Veen, Wageningen. +J. H. Veen, Haarlem. +G. H. van Veen, Zwolle. +J. J. van Veen, Bergen op Zoom. +E. J. van 't Veen, Kampen. +I. B. Veenenbos, Dordrecht. +L. L. Veenendaal, Hillegom. +M. O. Veenstra, Akkrum. +J. Veenvalck, Kampen. +C. de Veer, Amsterdam. +L. de Veer, Gorinchem. +L. Veerman, boekhandelaar, Heusden. 14 +N. P. van der Veer, Utrecht. +A. van der Velde Czn., Hees. +A. C. van der Velden, Amsterdam. +J. P. Velderman, Hillegersberg. +T. Velthuijzen, Haarlem. +W. G. van Velsen Coster, Zwolle. +S. van Velzen Jr., boekh., 's Hage. 1 +S. van Velzen, Kampen. +G. van de Ven, Tilburg. +Jb. van der Ven, Tiel. +M. C. van der Ven, Heusden. +A. Venema, Groningen. +B. J. Veraart, Bergen-op-Zoom. +Veraarts, Amsterdam. +B. J. Verbeek, Groningen. +J. Verbeek, Dinxperlo. +J. Verboon, Krimpen a/d. IJssel. +J. J. Verbeek, Rotterdam. +Joh. H. Verborne, » +Verbruggen, Renkum. +L. G. Verburg, Amsterdam. +K. Verburgh Jr., Nijmegen. +B. Verburgt, Utrecht. +D. Verdoes, boekh., Rotterdam. 14 +Dk. Verdoes, Vlaardingen. +Vereeniging voor Handwerksnijverheid, Olst. +P. Vergers, Heemstede. +J. Verheij, Gorinchem. +J. C. Verheyen, Leeuwarden. +G. A. Verhoeff, Soetermeer. +N. J. Verhoeff, boekh., Rotterdam. 2 +J. J. Verhout, Oudshoorn. +J. Verhoole, St. Annaland. +J. A. Verkerk, Utrecht. +Jacs. Verkerk L.Czn., Culemborg. +A. Verlaan, Amsterdam. +J. C. Vermaes, Hellevoetsluis. +Gebr. Vermande, boekh., Hoorn. 14 +Vermeulen, Amsterdam. +Alph. Vermin, Maastricht. +W. Vermooten, Utrecht. +Verney, Amsterdam. +P. Vernimmen, Kampen. +P. H. Verpoorten, Ysselstein. +Verschoor, Amsterdam. +P. Verschuur, » +C. van Vessem, Bruinisse. +J. Versteeg, Zeist. +P. Versteeg, Vlaardingen. +L. Versteege, Deventer. +Mej. A. Verstraten, Ouwerkerk in Duiveland. +G. C. Verveer, Soetermeer. +Theod. Ververs, Aarlanderveen. +E. Verwer, Amsterdam. +I. A. Verweij, Gendringen. +H. G. J. Verweij, Almelo. +P. G. de Vey Mestdag, boekhandelaar, Vlissingen. 5 +L. A. van Viegen, Utrecht. +E. Vierkant, Deventer. +A. J. Viesée van Tuyll, Amsterdam. +C. A. Vieweg & Zoon, boekh., Nijmegen. 1 +de Vink, Soeterwoude. +A. Vinke, Amsterdam. +Visser, Bloemendaal. +A. Visser Jzn., Franeker. +Corn. Visser, Rotterdam. +D. Visser, Schiedam. +H. Visser, Assen. +H. Visser, Leiden. +H. C. Visser, Akkrum. +I. Visser, Leeuwarden. +J. Visser, Groningen. +J. Visser Jaczn., Rotterdam. +M. J. Visser, boekh., 's Hage. 6 +Ph. Visser Lzn., Klaaswaal. +W. Visser Azn., Heerjansdam. +W. J. Visser, boekh., Sliedrecht. 5 +J. de Visser, Stavenisse. +N. J. Visscher, Zutphen +H. H. Vitringa, Nunspeet. +C. Vizjevene, Amsterdam. +J. E. Vlaanderen Jr., Leiden. +P. van Vlaardingen, Schiedam. +M. P. Vlamingh Kiebèrt, Uithoorn. +J. W. de Vletter, Rotterdam. +J. W. A. de Vletter, » +F. F. Vlieland, Leiden. +D. Vliegenthart, Zwijndrecht. +P. H. van Vliet, Kampen. +W. C. van Vliet, Amsterdam. +Wed. J. van Vliet, Rotterdam. +W. van der Vliet, Amsterdam. +J. Vloei, Apeldoorn. +H. W. Vlotman, Hillegom. +de Vogel, Zwolle. +F. Vogel, boekhandelaar, de Rijp. 7 +Mej. A. M. Vogel, Doetinchem. +C. Vogelaar, Puttershoek. +R. Vogelensank, Gouda. +A. Volkmaars, Purmerend. +Volkland, Amsterdam. +R. H. Volmary, » +J. Vonk, Leeuwarden. +F. Voogel, Amsterdam. +G. G. de Voogt, boekh., Breda. 5 +J. E. de Voogt, Wageningen. +E. van Voorden, Zalt-Bommel. +J. Voordendagh, Puttershoek. +P. M. van der Vooren, Purmerend. +A. v. d. Voort & Zn., boekh., Tilburg. 11 +A. v. d. Voort Zonen, Tilburg. +J. W. Vorstheuvel la Brand, Zierikzee. +J. de Vos, Dordrecht. +C. Baron de Vos v. Steenwijk, Zwolle. +C. L. C. Voskuil, boekh., Amsterdam. 10 +Voskuyl, » +J. Voijeman, Spanbroek. +A. M. Vreeswijk, Rotterdam. +A. de Vries, Groningen. +A. de Vries, Amsterdam. +C. de Vries, Dordrecht. +H. de Vries, Wageningen. +J. de Vries, Leeuwarden. +P. de Vries, Breda. +P. N. de Vries, Amsterdam. +D. de Vrieze, Muntendam. +J. C. Vrugt, Venlo. +Vuurberg, Amsterdam. +Dr. J. M. Vuijlsteke, Delfshaven. + + + + +W. + +Grietje Waal, Spanbroek. +J. de Waal, Harderwijk. +J. M. W. Waanders, boekh., Delft. 5 +J. M. W. Waanders, boekh., Zwolle. 1 +Fr. Waem & Lienders, boekhandelaar, Gent. 130 +H. van Wageningen, Wageningen. +H. W. Wagenaar, Arnhem. +P. J. Waha, Schiedam. +G. v. d. Wal, Leeuwarden. +J. E. v. d. Wal, » +P. F. v. d. Wal, Amsterdam. +H. A. M. van Walchren, Amersfoort. +H. M. van der Walle, +L. Wallenga, Schalzum. +Mr. P. J. Walrave, Dieren. +Ds. J. van Walsem, Apeldoorn. +J. Waltman Jr., boekh., Delft. 7 +W. C. Wansleven, boekh., Zutphen. 11 +Warburg & Co., boekh., Dordrecht. 5 +Wark, Amsterdam. +C. P. Was, Mijnsheerenland. +H. J. Wassen, Delft. +K. Wassing, Groningen. +H. H. van Waveren, Hillegom. +H. L. van Waveren, » +G. J. Weber, Rotterdam. +Albert Wedding, boekh., Middelburg. 5 +J. Wedding, boekhandelaar, Harderwijk. 45 +M. van Weddingen, Antwerpen. +van Weelden & Mingelen, boekhandelaars, 's Hage. 2 +J. ter Weele, Enschedé. +J. J. de Weerd, Zierikzee. +J. W. van Weerden, Zalt-Bommel. +W. van Weeren, Leiden. +Rommert Weerstra, Wons. +Lolle Weerstra, » +de Weert, Amsterdam. +Eduard van Wees, boekh., Breda. 1 +Weesing, Amsterdam. +J. van Weezenbeek, boekh., Rotterdam. 9 +H. Wegenbergh, Haarlem. +Mejufvr. Wegman, Amsterdam. +C. van der Weide, boekh., Vlissingen. 9 +J. A. Weinbeck, boekh., Rotterdam. 3 +Weiss, Amsterdam. +Mr. W. J. van Welderen Baron Rengers, Leeuwarden. +H. D. van Welie, Leiderdorp. +D. C Wellinghoff, Amsterdam. +Weltink, 's Bergh. +J. Ph. Wendel, Leeuwarden. +W. Wenk, boekhandelaar, Rotterdam. 18 +Marcel. Wenmackers, Luik. +S. Wenselaar, Huins. +W. Wenselaar, Wirdum. +J. Wesseling, Amersfoort. +H. F. Wensing, Zutphen. +Werker, Utrecht. +Wed. D. P. Wermeskerken, boekhandelaar, Tiel. 7 +J. C. Werner, Ambt Doetinchem. +G. Wesseldijk, Leiden. +Wesselink, Roozendaal. +Jhr. Mr. A. P. Wesselman van Helmond, Helmond. +W. Wessels, Groningen. +Th. Wessels Boer, Hoogeveen. +C. H. Wesser, boekh., Zevenaar. 15 +R. Wind, Zwolle. +J. Wind, » +Winkel, Amsterdam. +H. J. Winkel, Nieuwendiep. +A. de Winter, Franeker. +N. L. W. Winter, Nieuwendiep. +J. Ph. Winterwerp, Groningen. +C. Wisboom, Gorinchem. +G. K. Wissink, Zwolle. +J. G. W. Wissink, Donkerbroek. +H. de Wit, Groningen. +J. de Wit, Steenwijk. +C. A. Witte, Ulft. +C. J. Witte, Goes. +H. G. Wittebol, Aardenburg. +A. Wittentrop, 's Gravenhage. +N. P. J. Woensdregt, Schiedam. +A. A. C. van Woerden, Utrecht. +Woerst, Amsterdam. +Woerst, » +Wed. Woldringh, Groningen. +Mr. Th. Woldringh, Hummelo. +J. Wolf, Bergen op Zoom. +W. J. Wolff, boekh., Amsterdam. 1 +Wolmerstett, Oudshoorn. +W. Wortelaar, Leeuwarden. +J. H. Wolters, Almelo. +J. Wolthekker, Groningen. +B. H. Wolthuis, Almelo. +P. Wonder Azn., Veenhuizen. +J. H. Wonn, Rotterdam. +A. K. Wouters, Zwolle. +C. H. Wubbenhorst, » +H. Wust, Dordrecht. +Ds. A. W. Wijbrands, Hoorn. +J. D. van Wijk, Leiden. +v. Wijk, Amsterdam. +D. van Wijk, Leiden. +I. I. van Wijk, Schiedam. +J. J. van Wijk, Hoogwoud. +O. Wijma, Leeuwarden. +A. K. Wijmenga, Hoorn. +B. R. Wijminga, Minterscha. +de Wijn, Amsterdam. +G. Wijngaarden, Oostermeer. +J. Wijnhorst, Vlaardingen. +J. C. Wijsman, Leiden. +W. Wijsman, Rotterdam. +M. Wijt en Zonen, boekh., » 3 +A. van der Weste, Leiden. +J. G. Wester, boekh., Leeuwarden. 30 +B. J. Westerbeek v. Eerten, Doetinchem. +C. J. Westerman, Amsterdam. +H. Th. Westerman, » +M. Westerman & Zn., boekh., » 2 +Ds. J. Westrik, Cothen. +Wetenschappelijk Leesgezelschap, Culemborg. +T. van der Weij, Bolsward. +A. v. d. Weijden, Amsterdam. +Karl Weijerhorst, boekh., Heerlen. 2 +Weytingh & Brave, boekh., Amsterdam. 3 +v. Wezel, » +B. J. W. Wiebols, Purmerend. +M. W. van der Wiel, Rotterdam. +G. W. v. d. Wiel & Co., boekhandelaars, Arnhem. 3 +IJ. v. d. Wielen, Leeuwarden. +W. M. Wientjes, Enschedé. +C. P. Wierts van Coehoorn, Werkendam. +J. J. Wiesemann, Pekalongan. +J. Wigeri Aberson, Oosterhout. +Wed. Wiggers, Arnhem. +P. J. Wigtman, Alkmaar. +H. de Wilde, Tjalbet. +J. H. T. Wildenboer, 's Hage. +Wildschut, Amsterdam. +F. Wilkens, boekhandelaar, Groningen. 2 +Willems, Amsterdam. +Willems, » +H. W. Willems, boekh., » 3 +Willemsen, » +J. A. Willemsen, boekh., Zutphen. 5 +J. H. Willers, Leeuwarden. +Willing, Amsterdam. +J. Willing, Rotterdam. +Mr. J. A. Willinge Gratama, Assen. +Johs. Wilmes, boekh., Almelo. 29 +D. J. Wilterdink, boekh., Deventer. 1 + + + + +IJ. + +A. C. van IJsseldijk, Rotterdam. +Wed. Y. IJske, Hees. +Mevr. de Wed. v. IJsselsteijn, Zierikzee. + + + + +Z. + +J. van der Zaag, Steenbergen. +A. P. Zaalberg, Alphen en Aarlanderveen. +Dames Zaalberg, Leiden. +A. J. van Zadelhoff, Renkum. +B. v. d. Zalm, Zierikzee. +G. Ph. Zalsman, boekh., Kampen. 6 +Dr. J. A. Zeegelaar, Helmond. +J. K. Zeehuizen, boekh., Leeuwarden. 1 +A. P. Zeilmaker, Alkmaar. +D. Zeeuw, Overschie. +S. J. Zeevat. Amsterdam. +Zerbst, » +Zerbst, » +G. Zevenbergen, Heerde. +I. Zillesen, Rotterdam. +Zoest, Amsterdam. +F. E. de Zoete Made, Breda. +A. Zoot, Amsterdam. +W. K. van Zutphen, Gouda. +J. Ph. Zuijdam, Franeker. +C. Zwaardemaker, boekh., Amsterdam. 1 +G. W. A. Zwakenberg, Zwolle. +A. G. de Zwart, boekh., Gorredijk. 18 +B. C. E. Zwart, Amsterdam. +D. Zwart, Leeuwarden. +J. Zwart, Schoonhoven. +W. van Zwieten, Leiden. +J. A. van Zijl, boekh., Haarlem. 3 +D. K. Zijlstra, Tjerkwerd. +J. ten Zythoff, Ridderkerk. + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert. + +[2] Het ellendige, lasten opbrengend gemeen. + +[3] Ook Nederlanders, vooral uit Overijssel, vestigden zich, althans +tijdelijk, in Rusland. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld +toen zij te Almelo en Vriezenveen op zijn Russisch toegesproken en +behoorlijk op hun plaats gesteld werden. Toen voor weinige jaren de +thans overleden onderwijzer van Vriezenveen zijn veertigjarig jubilé +vierde, kwam een zijner zonen, ter bijwoning van het feest, uit Rusland +over, en bracht een album mede, waarin de portretten waren van circa +40 vroegere leerlingen, toen in Rusland als handelaars gevestigd. + +De Heer Scholten te Groningen heeft een zijner fabrieken te Tarnow, +die door een Nederlander bestuurd wordt. Vert. + +[4] _Wikinger_, noemden de oude Noorwegers hunne zeehelden. Vert. + +[5] Dat de Vlaamsche taal van vroeger literatuurloos is, moge de +Schrijver beweren en bewijzen als hij kan. Het tegendeel te bewijzen +had meer kans van slagen. Vert. + +[6] Echter zijn onder de Romeinen enkele opstanden en vervolgingen +der Joden voorgekomen. + +[7] De Arianische leer of het Arianismus (ontstaan in de 4de eeuw) +ontkende de Godheid van Jezus. Vert + +[8] Waar 't goed is, daar is het vaderland. Vert. + +[9] Door het _Patrimonium Petri_ verstaat men het gedeelte van den +Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita +Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer +Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven +zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert. + +[10] Het schoone Italië, door de Apennijnen doorsneden en door de +zee omzoomd. Vert. + +[11] Sedert kort is dit in ons land afgeschaft, en mogen zoowel thesis +als dissertatie in het Hollandsch geschreven worden. Vert. + +[12] Hafis was een der beroemdste Perzische dichters uit het begin +der 14de eeuw. Hij was geboren en ligt begraven te _Schiras_, eens +het brandpunt der Perzische wetenschap en poëzie. Vert. + +[13] Het blonde Germanie heeft te vergeefs ons zijne Franken, zijne +Noormannen gezonden; ons temperament heeft niets verloren van zijne +oorspronkelijke neigingen. In weerwil van de omwentelingen en de +eeuwen zijn wij nog altijd het oude Gallië met zijne opvliegendheid +en zijn ongeduld. Vert. + +[14] Bij de oude Grieken werd onder _Cothurn_ verstaan, een hooge +tooneelschoen: in het algemeen genomen moet aan dit woord de beteekenis +van _treurspel_ gegeven worden. Vert. + +[15] De Schrijver bedoelt de bewoners der, in vergelijking van +Germania in zijn geheel, lage landstreeken langs de Noordzee, +van Schelde tot Elbe, destijds onder den gemeenschappelijken naam +"Friezen" samengevat. Vert. + +[16] De Kymren achten zich eenigermate beleedigd, wanneer men +hen Engelschen noemt, en zeggen: "_We are not Englishmen, we are +Walishmen_." + +Als een staaltje der taal van Wales, moge het volgende dienen: + + + Epistol Paul yr Apostol at yr Hebreaid. + + Pennod I. + + 1. Duw, wedi iddo lefaru lawer gwaith, a llawer modd, gynt wrth + y tadau trwy y prophwydi, yn y dyddiau diweddaf hyn a lefarodd + wrthym ni yn ei Fab; + + 2. Yr hwn a wnaeth efe yn etifedd pob peth, trwy yr hwn hefyd y + gwnaeth efe y bydoedd; + + 3. Yr hwn, ac efe yn ddisgleirdeb ei ogoniant ef, ac yn wir lun + ei berson ef, ac yn eynnal pob peth trwy air ei nerth, wedi puro + ein pechodau ni trwyddo ef ei hun, a eisteddodd ar ddeheulaw y + Mawredd yn y goruwchleoedd; + + 4. Wedi ei wneuthur o hynny yn well nâ'r angelion o gymmaint ag + yr etifeddodd efe enw mwy rhagorol nâ hwynt-hwy. + + +Vert. + +[17] De Denen hebben Engeland niet ten onder gebracht. Hun inval was +slechts een zondvloed, en deze zondvloed is slechts heengegleden over +de Saksische maatschappij. + +[18] Bij de Franschen over Elsasz-Lotharingen. Vert. + +[19] Volgens oude overleveringen (die echter door velen zeer in twijfel +getrokken worden) zou het volk der Asen uit Azië, door Saksen naar +Denemarken en zoo naar Zweden en Noorwegen getrokken zijn, onder hun +aanvoerder Odin. Vert. + +[20] Jornandes, bisschop van Croton, leefde omstreeks 551. Vert. + +[21] Later wordt in dit werk melding gemaakt van: "de veel bezongen +Brawalla-slag die aan de grens van het Gothen- en Zwedenland geslagen +werd." Op eene tamelijk uitvoerige oude kaart van Zweden, wordt de vrij +breede uitmonding van het Wettermeer in de Oostzee, "golf de Brawiken" +genoemd en een weinig landwaarts in ligt Braborg. Waarschijnlijk is +daaromstreeks Brawalla te zoeken. Vert. + +[22] Dit werk werd door Arngrim Johnson in 1628 wedergevonden. De +_Edda_ is de algemeene titel van twee zeer van elkander te +onderscheiden oud-Noordsche werken: de _prozaïsche_ zoogenaamde +_jongere Edda_ (_Snorra Edda_), gedeeltelijk verzameld door _Snorri +Sturluson_ (1178-1241) een geleerd IJslander, en de zoogenaamde +_poëtische Edda_ of _Suemundar Edda_, die toegeschreven wordt aan +den geleerden priester _Suemundar_ (1133). Vert. + +[23] Geschreven letters, die de vormen der letters voorkomende op +opschriften van gedenksteenen (lapides), trachten terug te geven, +worden lapidair-schrift genoemd. Vert. + +[24] Als zeker wordt beschouwd, dat in de 10de eeuw, Noormannen van +IJsland uit, de Amerikaansche kusten ontdekt en bewoond hebben. Tot +in de 14de eeuw werden tochten naar het vasteland van Amerika +ondernomen. Vert. + +[25] _Tundra_ is de Russische naam voor de groote vlakten, die in +Siberië en Westelijk van het Uralisch gebergte tot aan de Witte zee +en de Dwina, in Noordelijk Europa de Ijszee begrenzen. Vert. + +[26] Verstrooide ledematen. + +[27] De vertaler heeft gemeend, het door den schrijver gestelde, +woordelijk terug te moeten geven. Niettemin neemt hij de vrijheid hier +en daar in eene noot, eene naar zijne meening gegronde opmerking mede +te deelen. Vert. + +[28] Had de schrijver het door Karel den Groote geliefde Nijmegen, +en de omstreken naar de zijde van Kleef bezocht; was hij van daar +naar Duitsche wijze, over Elten naar 's Heerenberg gewandeld, en den +zoogenaamden achterhoek van het Zutfensche doorgetrokken; voorts van +Zutfen den straatweg gevolgd over Arnhem naar Utrecht--ongetwijfeld +had hij zijn vonnis over het gemis aan alle natuurschoon wel gewijzigd. + +Wanneer de schrijver zegt: "bijna al het vriendelijke, dat het land +nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven," dan heeft +dit voornamelijk op de mondings-gebieden van Rijn, Maas en Schelde +betrekking. De oudere, Oostelijke bodem valt gemakkelijk aan zijne +meer ongelijke oppervlakte te kennen. Op vele plaatsen treft men op +het oudere diluvium het nieuwe alluvium, waaronder ook alle veenlagen +behooren, aan; de schacht van dit alluvium heeft eene dikte van 150 +tot 300 voet. Alleen in enkele gedeelten van Overijsel, Gelderland +en Limburg wordt de tertiaire vorming aangetroffen. + +De kusten van Holland liggen gemiddeld 2 voet boven de oppervlakte +der zee; bij Katwijk, waar de zee 1/2 voet, bij Oosten-wind 3 +voet beneden de oppervlakte van het land ligt, stijgt de vloed bij +sommige winden tot 6 voet boven de oppervlakte van het land, zoodat +het gemakkelijk te begrijpen is, hoe Nederland en de Noordzee-kusten +vroeger eene andere gedaante zouden hebben dan tegenwoordig. Men wil, +dat van af het begin der 6de eeuw tot 1825, Nederland door 190 groote +overstroomingen geteisterd is. Ook wordt door sommigen beweerd, dat +de Nederlandsche bodem zakt; het eiland Walcheren b.v. zou in 2000 +jaren van 28-30 voet gezakt zijn. Als bewijs voor de bewering, dat de +bodem van ons land zakkende is (men begroot deze verzakking op 1 voet +per eeuw), neemt men, dat de _Arx brittanica_, die men in 1752 in de +zee, in de nabijheid van Katwijk nog opmerkte, nu niet meer gezien +wordt. Dijken en duinen (door zandverstuivingen langs onze kusten +ontstaan) beschermen ons vaderland tegen de zee. De duinen hebben +eene gemiddelde hoogte van 17 à 18 meter; enkelen echter zijn hooger, +eene enkele bereikt zelfs een hoogte van 60 meter. Vert. + +[29] Land en water mogen voor zeer vele eeuwen in sommige gedeelten +van het land slechts _schets_ geweest zijn, zelfs de Zuiderzee, de +Biesbosch en de Dollard van land in water zijn veranderd--gedurende +de laatste eeuwen is menige vrij uitgestrekte vlakte aan het water +ontwoekerd en in vruchtbaar land herschapen, en daarmede wordt nog +steeds voortgegaan, zoodat land en water thans behoorlijk gescheiden +zijn. Vert. + +[30] Aan Nederland te verwijten, dat zijn hemel niet zoo helder was +als in Italië, is niet billijk. Thans is hier te lande de hemel wel +niet altijd even helder, maar een zoo zware mist als dikwijls in het +zuiden van Engeland heerscht, is hier eene zeldzaamheid, vooral in +onze Oostelijke grenzen, die niet aan zee liggen. Vert. + +[31] Wouden wijken overal voor eene beschaafde bevolking. Dat in +oude voortijden, hier te lande houtgewas veelvuldig was, blijkt uit +het vele hout dat in den ondergrond der veenen wordt gevonden. Op +de Veluwe bestaan nog uitgestrekte bosschen van opgaand geboomte. De +heuvelrij, die van Arnhem tot tegenover Zwolle zich uitstrekt, draagt +den naam van _Woldberg_. Ook bij den Haag, Haarlem, Alkmaar en elders +zijn nog overblijfselen van overoude wouden. + +Edelgesteenten of goud en zilver mochten de naburen te vergeefs uit den +bodem van Nederland wachten, maar de Duitschers halen thans ijzererts +bij scheepsladingen uit Overijsel, en ook steenkolen uit Limburg. Vert. + +[32] Over het ontstaan van het aangeslijkte land en de aanslijking, +vergelijke men Dr. R. Westerhoff, de _Kwelder-Kwestie_ bl. 53 en +verder. Groningen 1844. Vert. + +[33] Tijdens de Romeinen droeg ons vaderland den naam van _Germania +inferior_ (Neder-Duitschland), in tegenstelling met de hoogere, +bergachtige streken, die _Germania superior_ (Opper-Duitschland) +genoemd werden. Vert. + +[34] Sommigen zijn van oordeel, dat de Friezen uit Klein-Azië, en wel +uit Troje afstammen. Zij gronden hunne bewering op sagen. Een dier +sagen vermeldt, dat de Friezen onder zekeren Marcomir uit Phrygië +of Troje (433 v. Chr.) herwaarts zouden gekomen zijn. Eene andere +sage wil, dat de Petroklers (een stam in Klein-Azië) na den dood +van Alexander den Groote, op schepen verhuisd en op de Saksische +en Pruissische kusten geland zijn. Friso zou deelgenoot van dezen +tocht geweest zijn, hij zou de kusten van de Elve tot aan het Vlie in +bezit genomen hebben. Nog eene andere sage doet de drie gebroeders +Saxo, Bruno en Friso, 313 j.v. Chr., na lang omzwerven uit Indië, +op de kusten der Noordzee landen; zij onderwierpen zich de inwoners, +verdeelden het land, en aan Friso viel Friesland ten deel, dus genaamd +naar een landschap in Indië, Fresia genaamd. + +Volgens "Der Friezen herkomst," naar het boek van Adela (Thet Oera +Linda Bok, zie hierachter pag 472 noot) is Friso uit Indië gekomen en +wel met de vloot van Nearchus, maar is hij geen Indiër, maar behoort +tot Frya's volk. Hij behoorde namenlijk tot eene kolonie Friezen, die +na den dood van Nyhellênia, 15 1/2 eeuw v. Chr., onder aanvoering eener +priesteres Geert, zich aan den Pangab neergezet hebben en den naam +Geertmannen aannamen. Onder dien naam worden ze bij Strabo vermeld. + +Aangaande de Batavieren vermeldt Tacitus: "dat de in dapperheid al +de door hem reeds vermelde Rijnbewoners overtreffende Batavieren, +voornamelijk het Rijneiland, maar toch ook een deel van zijnen oever +of den uitersten zoom van Gallië bewoonden; dat zij vroeger geheel +over den Rijn hadden gewoond en een deel der Katten hadden uitgemaakt, +maar bij een opstand onder dit volk waren verdreven, en zich in die +nieuwe woonstreken, die toen nog onbevolkt waren, hadden neergezet, +waar zij een deel van het Romeinsche gebied uitmaakten. Vert. + +[35] De overeenkomst van het boeren-Friesch met het Engelsch schijnt +aan te duiden, dat de Friezen Angel-Saksers waren, dus uit de streken +van Wezer en Elbe; terwijl het vestigen van de Batavieren aan den +Rijn, en de meening dat zij op vlotten waren gekomen, doet vermoeden, +dat zij uit de Rijn-streken afkomstig waren. Vert. + +[36] De Friezen brachten aan de Romeinen huiden en hoorns op; de +Batavieren daarentegen niets, maar deze versterkten de Romeinsche +legers met hunne ruiterij, die de beste onder de Germanen genoemd +werd. Gedurende vier eeuwen treffen wij Batavieren bij de Romeinsche +legers aan. Nadat de Batavieren uit de geschiedenis verdwenen waren, +zijn de Friezen als een vrij volk blijven bestaan. Men mag aannemen +dat het oude Bataafsche element in het Friesche is opgenomen Vert. + +[37] De Romeinen verbeterden den moerassigen grond, wierpen dijken +op, vervaardigden wegen en groeven kanalen. Drusus deed de gracht +(Drusus-gracht) graven, die den middelsten arm van den Rijn met den +IJssel verbindt, en maakte een begin met het, later door Corbulo +voltooide kanaal, dat bovengenoemden arm van den Rijn met den +Zuidelijken Rijnmond verbindt. + +Sommige schrijvers, o.a. Dr. Acker Strating in zijn _aloude staat +en geschiedenis des Vaderlands_, beweren dat noch de Romeinen de +eersten zouden geweest zijn, die in ons land dijken aangelegd hebben, +noch Drusus de Drusnsgracht heeft laten graven. Deze laatste bewering +grondt de schrijver op eene plaats in Tacitus, waarin uitdrukkelijk +gezegd wordt, "dat P. Pompejus (tusschen het jaar 50 en 60) voltooid +heeft den dijk, voor 63 jaar door Drusus begonnen, ter beteugeling +van den Rijn." Ten bewijze, dat die dijk niet langs den oever van +den Midden-Rijn kan gelegen hebben, maar ter plaatse, waar de Waal +zich van den Rijn scheidt, en blijkbaar met het doel is aangelegd, om +den stroom alleen langs de Waal of den Gallischen Rijnarm te keeren, +strekt de geheele samenhang, waarin de vermelding van den dijk met +het overige verhaal aldaar (bij Tacitus) voorkomt. De daar vermelde +vernieling toch had plaats bij Vetera Castra, toen Civilis naar het +eiland der Batavieren terug week. Zoo weinig belang nu de Romeinen +er bij hadden, om het eiland der Batavieren te beveiligen tegen +het Rijnwater, zoo belangrijk was het voor hen, om zulks te doen +ten aanzien van Gallië of hun Rijk. Hier langs stroomde de Waal, +en door deze rivier af te dammen van den Rijn, werd zij belet de +oevers van den Rijn te overstroomen. Dezen dam vernielde Civilis, +die daardoor weer aan den Rijn vrijen loop door de Waal gaf en zoo de +Romeinen belette hem te volgen, daar hij, zooals Tacitus er bij voegt, +wist dat de Romeinen geen schepen hadden, om eene brug te maken, en +dat zij de rivier niet op eene andere wijze konden oversteken. Door +het doorsteken van den Rijndijk zou Civilis zijn toevluchtsoord +(het eiland der Batavieren) onder water gezet hebben, maar door het +doorsteken van den Waaldam stelde hij zich daarmede in verbinding, +immers de Rijn liep nu nagenoeg geheel droog, en de Waal nam het +weggeloopen water op. (_Acker Stratingh: Aloude staat en geschiedenis +des vaderlands_ Dl. 1 bladz. 48). + +Ten bewijze verder, dat Civilis en zijne Batavieren even goed dammen +wisten aan te leggen als de Romeinen, verwijst Dr. A. S. ons +weder naar Tacitus Hist. V. 14 en C. 18 waaruit blijkt, dat +Civilis vóór het gevecht van Castra Vetera, een dwarsdam door den +Rijn legde, om de naburige oeverstreken onder water te zetten +(Dr. A. S. Dl. 1 bladz. 50). Wat meer is, zegt Dr. A. S. "bij +denzelfden geschiedschrijver (Tacitus Hist. V. 23) vindt men eene +stellige bewijsplaats, dat het eiland der Batavieren in dien tijd +niet bedijkt was. Meldende namelijk, dat Civilis eindelijk ook uit het +eiland der Batavieren moest wijken en Cerealis dit eiland toen innam +en plunderde, voegt Tacitus er bij, hoe intusschen met het invallen +van den herfst en ten gevolge van hevige regenbuien, de Rijn het +moerassige en lage eiland overstroomde en als in een poel herschiep, +waardoor de Romeinen in geene geringe ongelegenheid geraakten, daar +hunne legerplaatsen op het vlakke veld met den geweldigen stroom +weggerukt werden en zij vloot noch leeftocht hadden, zoodat de +Romeinsche legioenen toen gemakkelijk door de Germanen hadden kunnen +vernield worden." Ook de door velen voor van Romeinschen oorsprong +gehoudene, op verscheidene plaatsen in en aan de Zuiderzee ontdekte +muren of steenen wegen, die ook wel voor dijken gehouden worden, +beweert Dr. A.S. dat die niet aan de Romeinen moeten toegeschreven +worden, (meergemeld werk van Dr. A. S. blad. 55). Vert. + +[38] Wanneer men België in twee deelen scheidt, door eene lijn +getrokken van Menin naar Tongeren, dan mag men de Noordelijke helft +beschouwen als bewoond door de Vlamingen (bijna 2 1/2 millioen +zielen), terwijl de Walen (bijna 2 millioen zielen) de Zuidelijke +helft tot woonplaats hebben. Het Vlaamsche deel der bevolking tracht +de Vlaamsche letterkunde hoe langer zoo meer te ontwikkelen en zoo +doende zijne taal te verheffen. Het Waalsch mag als niet veel meer, +dan een bedorven Fransch beschouwd worden. Vert. + +[39] Dit geschiedde in 1548. De Nederlanden moesten wel aan de +rijkslasten deelnemen maar waren overigens aan de macht en de +rechtspleging van het Duitsche rijk onttrokken. Vert. + +[40] Karel V werd in het jaar 1500 te Gent geboren. Vert. + +[41] Hoe telt de Schrijver die 150 jaren? Van 1543 tot 1579 is +slechts 36 en telt men tot 1648 dan is het nog weinig meer dan 100 +jaren. Mogelijk rekent hij van 1648 tot 1795. Vert. + +[42] In het jaar 1476. Vert. + +[43] Tegen het einde van de 12e eeuw schijnt men met de steenkool +in België bekend geworden te zijn. Volgens sommigen zouden de +steenkolenbeddingen het eerst in de nabijheid van Luik op den Mont +Public, in het jaar 1198, door een smid van Plenivaux, _Houilleux_ +genaamd, ontdekt zijn, waardoor de Fransche benaming van _houille_ +zou zijn ontstaan. + +In het midden der 14e eeuw was het mijnwezen in België reeds zoo +aanzienlijk, dat een groot gedeelte van het Luiksche leger uit +kolenmijnwerkers bestond. Vert. + +[44] Ofschoon Engeland het vaderland is der levensverzekeringen, +zoo mag men toch Nederland beschouwen, als het land, waar de +eerste degelijke grond voor de theorie der levensverzekeringen werd +gelegd. Huyghens behoorde tot de eersten, die eene studie maakten +van de kans-rekening, die er de basis van is. Vert. + +[45] Zoo b.v. was Orlando Lasso, eigenlijk Roland Delattre genaamd, +in 1520 te Bergen in Henegouwen geboren, naast Palestrina de grootste +componist der 16de eeuw. Zijne tijdgenooten geven hem den eernaam van +"Vorst der toonkunst." Ook zijne zonen Ferdinand en Rudolf (gestorven +in 1609 en in 1625) en zijn kleinzoon Ferdinand (gestorven 1636) +waren componisten. Vert. + +[46] De geschilderde glazen in de St. Jans-kerk te Gouda, vervaardigd +door de gebroeders Crabeth, zijn alom beroemd. Vert. + +[47] Sommigen willen, dat het aangeslijkte land in Sleeswijk +en Holstein, reeds vóór de 10de eeuw door Friezen, uit ons land +afkomstig, zou bedijkt zijn; de Oosterkade aan den Wezer zou zulks +in 1020, het Alte-land in 1106 eveneens door de Friezen gedaan +zijn. Vergelijk: _A. von Wersebe, über die Niederl. Coloniën, welche +im Nörd Deutschlande im 12ten Jahrh: gestiftet worden_. Vert. + +[48] "Misschien" zegt de Schrijver, hij schijnt dus zijn zegsman niet +ten volle te vertrouwen; inderdaad, verkeerde hij thans genoegzamen +tijd in onderscheiden streken van België, dan zou hij "gewis" de te +scherpe kanten aanmerkelijk afronden. Vert. + +[49] Sedert het einde der 16de eeuw had het Vlaamsch opgehouden eene +schrijftaal te zijn; wel kwam zij onder Maria Theresia weder in eere, +maar de Fransche overheersching deed haar geheel voor het Fransch +plaats maken. Na de vereeniging van België met Nederland, brak er +een tijdperk van herleving voor de Vlaamsche taal aan, maar na de +omwenteling van 1830 werd het ten tweede male geheel door het Fransch +verdrongen. Na het eindigen der staatkundige verwikkelingen door +genoemden opstand in het leven geroepen, werd door den dichter Willems +de Vlaamsche beweging van voor 1830 weder in het leven geroepen, +de regeering begon meer en meer de wenschen der Vlaamsche bevolking +in te willigen. Van het _Vlaamsen gezelschap_ en het _Nederduitsch +taalverbond_, te Gent, ging de oproeping uit tot een taalcongres, +dat aldaar, in vereeniging met de letterkundigen van Noord-Nederland +zou gehouden worden; dit taal-congres, dat sedert in verschillende +plaatsen bijeenkwam, is van grooten invloed geweest op de ontwikkeling +der Nederduitsche taal in de Vlaamsch sprekende gewesten. Niet alleen +de Vlaamsche taal maar ook de Vlaamsche letterkunde is in de laatste +35 jaren herleefd, en heeft tegenwoordig in hare verschillende takken +uitstekende beoefenaars. Vert. + +[50] De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen +van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van +lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor +de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of +rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing, +als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor +zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank. + +Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid +en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus +prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en +verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven +woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan +onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten +zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting +voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw, +veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden +en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren +hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig, +dat, zegt Tacitus, "wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun +geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne +eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn." Vert. + +[51] De Schrijver bedoelt hier blijkbaar den 80 jarigen oorlog van +1568 tot 1648. Vert. + +[52] René Des Cartes, meer bekend als Renatus Cartesius, werd +in 1596 te Lahaije (Touraine) geboren. Men noemt hem den vader +van het _individualisme_. Na eerst onder Prins Maurits, daarna +onder Tilly gediend te hebben, zette hij zich in ons vaderland +neder. Hij begon in zijn wijsgeerig denken, met wat hij tot dien +tijd wist in twijfel te trekken. In zijn oog staat alleen vast: +"ik denk, dus besta ik." Hieruit leidt hij af, dat alles waar is, +wat duidelijk en klaar geacht wordt. De vruchten van zijn onderzoek +heeft hij nedergeschreven in zijn _Meditationes de prima philosophia_ +en _Principia philosophiae_. Des Cartes heeft de wiskundige wetenschap +ten zeerste aan zich verplicht door zijne analytische meetkunde, door +zijne ontdekking der ware beteekenis van de negatieve wortels in de +vergelijkingen, door zijne nieuwe oplossing der vergelijkingen van +den vierden graad; hij was het, die het eerst de exponenten invoerde, +en die leerde hoe men tangenten en normaallijnen op ieder punt eener +kromme lijn trekken kan en men de natuur en de eigenschappen van +iedere kromme lijn door eene vergelijking tusschen twee veranderlijke +coördinaten kan uitdrukken. + +Descartes stierf in 1650 te Stokholm. Vert. + +[53] De verrekijkers en spiegeltelescopen en thermometers werden +uitgevonden door Corneles Drebbel, geboren te Alkmaar omstreeks 1572, +die van den microscoop wordt toegeschreven door sommigen aan Zacharias +Jansen van Middelburg (1590) door anderen aan een Napolitaan Francesco +Fontana (1545). Vert. + +[54] De Nederlandsche schilderschool dateert van het begin der +15de eeuw. De miniaturen, waarmede men de handschriften van dien +tijd versierde, getuigen genoeg van de hoogte, toen reeds door de +schilderkunst bereikt. Op de miniatuur-schilderingen volgde sedert +het begin der 15de eeuw de Vlaamsche school, met Huibert en Jan van +Eyck aan het hoofd. In het midden der 16de eeuw openbaarde zich eene +voorliefde voor de Italiaansche school die men dikwijls trachtte met +de Vlaamsche school te verbinden. Omstreeks het midden der 17de eeuw, +splitste zich het historie-schilderen in twee richtingen, waarvan +de eene van de Spaansche Nederlanden (Brabant) uitging, terwijl de +andere in Holland ontstond. De eerste richting, die tot hoofdzetel +Antwerpen had, boogt en terecht op haren grooten meester P. P. Rubens +(1577-1640). Het krachtigste penseel der tweede richting (waarin +zich het protestantisme en de vrijheidszin afspiegelde, die na de +scheiding van de Spaansche Nederlanden zich in Holland zoo duidelijk +openbaarden) was Rembrand van Rijn (1606-1664). Naast deze twee +richtingen der Nederlandsch-historische school, was nog eene derde, +die zich aan de Italiaansche nationalisten aansloot. + +In de 17de eeuw kwamen ook alle andere takken der schilderkunst tot +ontwikkeling en bloei, het portret-schilderen, het genre-schilderen +van bambocciaden, het schilderen van tooneelen ontleend aan het +soldatenleven, den deftigen stand enz. Ook het landschapschilderen werd +met gelukkig gevolg beoefend, zoomede het schilderen van voorwerpen +tot de dierenwereld behoorende. De Hollandsche schilderschool blonk +verder in de 17de eeuw uit door hare bloem- en vruchtenschilders, +en door het schilderen van zee-, water- en strandgezichten. + +De 18de eeuw was voor de kunst, die eene zoo groote hoogte bereikt had, +eene eeuw van verval. Een enkele bloem- of vruchtenschilder treft +men in die eeuw aan, maar wat zij overigens opleverde was niets +dan navolging. In onze eeuw echter herleeft de schilderschool en +heeft zich de tegenwoordig nationale school krachtig ontwikkeld, en +zoowel op historieschilders als op kunstenaars die zich met uitstekend +gevolg op de andere takken dezer kunst toelegden, kan ons vaderland +tegenwoordig weder trotsch zijn. Vert. + +[55] De naam "van Veen" als groot schilder is min bekend; mogelijk +is hier bedoeld "van de Velde" beroemd als zeeschilder. Vert. + +[56] Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland +bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de +verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken, +dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets +karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor +de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort, +de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde, +die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche +geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks +bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters +en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit +volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken. + +Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van +verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals +wij die in de _Karolingische Psalmen_ aantreffen, is het meest aan het +oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den _Heliand_ +(een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende +verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt); +het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende "Oera Linda Bok", +in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door +den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze +tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste +voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is +opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het +midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het +oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene +Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch +als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de +eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob +v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner +spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder +het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen +invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche +overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het +Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert +(1552-1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538-1598) werd +het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581-1647) en Vondel +(1587-1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In +het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit +zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als +grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal, +noemt men het _woordenboek van Kilianus_. Zooals gezegd is, was het +tijdvak van 1700--1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel +brachten een _ten Kate_ en een _Huydecoper_ veel bij tot de kennis +en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar +daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen, +die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de +kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw +begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur +der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het +onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar +Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener +spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de +_Neder-Duitsche spraakkunst_ van Siegenbeek werd aangenomen, en dus +eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig +tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en +Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons +aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels +door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld +en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde _Woordenboek +der Nederlandsche taal_, ofschoon lang niet door alle taalkenners +onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo +meer veld. + +De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4 +tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200-1600: het tweede bevat +de 17de eeuw; het derde loopt van 1700-1795 en het vierde van 1795 +tot op onzen tijd. + +De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt +(1235--1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest +vertalingen uit het Latijn) zijn: de _rijmbijbel_, de _Bestiaris_ of +_der naturen-bloeme_. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: _verkeerde +Martijn_. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: _Melis Stoke, +Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout_. In de romantische letterkunde +hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo +b.v. behoort het 1ste gedeelte van _Reinaart de Vos_ tot de 12de +eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: _de cyklus der Karolingische +romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van +de tafelronde_ enz. + +Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk +v. Velthem, Jan Boendale. + +Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns, +Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel. + +Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria +Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen, +v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den +Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige +noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot. + +Dichters in het 3de tijdperk (1700-1795) waren Rotgans, Poot, +Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter +en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit +tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar, +Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons, +Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper. + +Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers, +getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker, +v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep, +Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de +kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als +v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans, +Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen, +den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert. + +[57] Vreemd is het, dat hier niet gedacht is aan Vondel, wiens +"Lucifer," naar men beweert, aanleiding heeft gegeven aan Milton, +tot diens wereldberoemd "Paradise lost." Vert. + +[58] Menig voorbeeld uit de geschiedenis van ons land geput, zou deze +bewering van den schrijver geheel logenstraffen. Vert. + +[59] "Gemakkelijkheid" is den Nederlander op verre na niet zoo in +den mond bestorven als den Engelschen hun "comfort, comfortable." Het +schijnt, dat hier vroegere zeden en gewoonten geschetst zijn. Bejaarde +lieden wenschen zeer, dat het met hartelijkheid en huiselijkheid nog +zoo ware als in hunne jeugd, en toen en zelfs vroeger klaagde men, +dat pracht en kostbare vermaken, de oude eenvoudige gezelligheid +hadden verdrongen. Vert. + +[60] Wenschelijk ware het dat zulks algemeen kon gezegd worden, maar +veeleer tracht elke stand, tot de laagste toe, er naar, in woning, +huisraad, kleeding, zich groot voor te doen en de hoogeren op zijde +of zelfs voorbij te streven. De moraal van Lafontaine's fabel "de os +en de kikvorsch," is ook in Nederland van toepassing. Vert. + +[61] In 1315 Vert. + +[62] In 1386, 1388 en 1443. Vert. + +[63] 1477. Vert. + +[64] Beide eerstgenoemde kantons 1501, Schaffhausen in 1513. Vert. + +[65] Tengevolge der ontevredenheid, die zich na de Fransche omwenteling +van 1830 in sommige kantons openbaarde, werd voorgesteld in het +bondsverdrag veranderingen te maken. Op den tot dat einde, in dat jaar +gehouden buitengewonen landdag, riepen 8 kantons hunne afgevaardigden +terug, welke handeling door binnenlandsche onlusten (waarin zich ook +de godsdienst mengde) gevolgd werd. In het jaar 1843 vereenigden zich +de Katholieke kantons Lucern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug, Freiburg +en Wallis tot een of- en defensief verbond (_Sonderbund_). In 1844 +werd tegen dezen Sonderbund door den landdag een leger saamgebracht, +binnen kort was de rust hersteld, en in 1848, werd de nu nog van +kracht zijnde staatsregeling tot stand gebracht. Vert. + +[66] Albrecht von Haller in 1708 te Bern geboren, was een +beroemd ontleedkundige, physioloog, plantenkenner, geneesheer en +dichter. Zijn kleinzoon Karel Ludwig von Haller, in 1768 te Bern +geboren, heeft zich beroemd gemaakt door zijn werk: _Restauration +der Staatswissenschaft_. Vert. + +[67] De eigenlijke naam van Lorenz Okens, geboren in 1799 te Bohlsbach +(Zwaben), was Ockenfusz. Hij was hoogleeraar in de natuurkundige +wetenschappen te Jena, en heeft zich vooral bekend gemaakt door zijn +doel, een algemeen natuursysteem tot stand te brengen, dat alle rijken +der natuur en hare grondstoffen zou omvatten. Vert. + +[68] Engadin is het grootste dal van het kanton Graubunderland. Vert. + +[69] De Brenner is de spits der Rhaetische Alpen in Tyrol. Vert. + +[70] Dit beweren der Duitschers stemmen wij Nederlanders niet als +bewezen toe. Vert. + +[71] Dithmarschen is de naam van het meest Westelijke der zes +landschappen van het Hertogdom Holstein. Het is gelegen tusschen de +Elbe, de Noordzee en Westmarschen. Vert. + +[72] Wat met dezen bijnaam bedoeld wordt, is mij niet +duidelijk. Mogelijk zijn zij wat onbehouwen, en zetten bij het gaan +de voeten wat ver van elkander, zoodat zij bij het loopen, over de +sneeuw b.v. een breed spoor maken. Vert. + +[73] De geestelijke orde der Zwaardbroeders werd omstreeks 1200 door +bisschop Albert, ter verspreiding van het Christendom in het Noorden, +gesticht. In 1237 vereenigde zij zich met de orde der Duitsche +ridders. Vert. + +[74] Door de _Hercynii Montes_, verstaat men de geheele uitgestrekte +bergketen, welke bij het Zwarte-woud, aan den Rijn, begint, zich +door het Thüringer-woud, den Fichtelberg, het Boheemsche woud en de +Karpathen tot door Hongarije uitstrekt. Vert. + +[75] De Spanjaarden hadden, sedert hunne vereeniging tot één rijk, +niet veel reden zich op hunne Koningen te beroemen. De krachtige +verdediging tegen de Franschen in het eerste vierde dezer eeuw, +deden de Spanjaarden in veler achting rijzen, ofschoon hunne daartoe +gebezigde middelen deden ijzen. Te bejammeren is het, dat sedert +dien tijd de nietige Vorsten en Vorstinnen niet in staat waren de +partijtwisten te bedwingen en de ruime hulpmiddelen tot bloei te +doen benuttigen. De verdrijving van Isabella beloofde eene schooner +toekomst, die zich, helaas! tot heden nog niet verwezenlijkt, daar--wel +verre van eendrachtig, met den zoo welwillenden Koning Amadeus, samen +te werken tot nationale verheffingopstanden en burgeroorlog schatten +goed en bloed verspillen, de natie in welvaren doen zinken en in de +schatting van Europa doen dalen. + +Dat onder zulke omstandigheden de Portugeezen, thans minder dan ooit, +genegen zouden zijn zich met de Spanjaarden te verbroederen, behoeft +geen betoog. Vert. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE *** + +***** This file should be named 19774-8.txt or 19774-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/7/7/19774/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
