summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/19774-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '19774-8.txt')
-rw-r--r--19774-8.txt31131
1 files changed, 31131 insertions, 0 deletions
diff --git a/19774-8.txt b/19774-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ee64a1a
--- /dev/null
+++ b/19774-8.txt
@@ -0,0 +1,31131 @@
+Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Geschiedenis der Europeesche Volken
+
+Author: J.G. Kohl
+
+Illustrator: A. Kretschmer
+
+Release Date: November 12, 2006 [EBook #19774]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Geschiedenis
+ der
+ Europeesche Volken.
+
+
+ Naar het Hoogduitsch
+
+ J. G. Kohl.
+
+ Met gekleurde platen.
+
+ Naar oorspronkelijke teekeningen
+
+ A. Kretschmer.
+
+
+ 's Gravenhage--Joh. Ykema--1874.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EUROPA.
+
+
+"Dit oude Europa verveelt mij!" moet Napoleon eens gezegd hebben. En
+velen, dat werelddeel moede, hebben het hem later nagezegd.
+
+Napoleon uitte dat gezegde waarschijnlijk, toen hij het toppunt
+zijner macht bereikt had, toen hij geheel Europa aan zijne voeten
+zag en hem niets meer te wenschen over bleef. En zij, die even als
+hij Europa moede waren, zeiden het, omdat zij hopeloos, in het oude
+Europa niets te winnen of te verliezen hadden.
+
+Het is een somber gezegde, dat òf uit geblaseerdheid òf uit
+vertwijfeling ontstaan is en er door ingegeven wordt.
+
+Noch de geschiedenis, noch eene bedaarde overweging der bestaande
+verhoudingen, brengt er ons toe dit gezegde te beamen, veeleer brengen
+beide ons tot de overtuiging, dat ons goed Europa noch vervelend,
+noch, zoo als de Amerikanen het uitdrukken, zwak van ouderdom is.
+
+Op de geheele wereld is, tot op den nieuwsten tijd, geen schouwtooneel
+voor hoofd en hart meer onderhoudend en ontwikkelend, dan de
+beschouwing van het leven en het werken der wakkere Europeesche volken;
+nergens vestigt men meer zijne hoop op de jeugd, op vooruitgang en
+op nieuwe gezichtspunten, dan in ons kleine werelddeel, dat wel reeds
+oud is, maar altijd zijn levenslust blijft behouden.
+
+Van de tijden der Atheners af, was Europa de bakermat der
+beschaving. "Met het christendom", zegt Arndt, "zijn alle geniën
+daar heen getrokken. Het is het hart der wereldgeschiedenis
+geworden. Door de ontdekking van Columbus werd Europa het centrum van
+het aard-organisme, en sedert dien tijd kan men bijna met zekerheid
+zeggen, zal het, door alle tijden heen, het geestelijk en lichamelijk
+centrum van onzen aardbol blijven."
+
+Deze zekerheid bevestigt zich bij ons, wanneer, wij het verwonderlijke
+en op Aarde eenige plan, waarnaar de Schepper ons vasteland daarstelde,
+nader beschouwen; wanneer wij nagaan hoe gelukkig de natuurlijke
+aanleg is, die aan de Europeesche volken van den beginne af eigen
+was en hun in hoofdzaak eigen gebleven is.
+
+Als de Grieken den God van den regen en de wolken, en zijn broeder
+den "aarde-schuddenden" Poseidon, den God der zee, de hoogste macht
+toekenden, en de Godin der Aarde slechts als eene ontvangende,
+lijdelijke vrouw voorstelden; als hun groote dichter Pindarus een
+zijner oden met de beroemde spreuk begon: "het water is zeker het
+beste," toont een blik op den aardbol aan, door welk juist begrip
+deze zoowel als gene daarbij geleid werden.
+
+Alle oude en jongere beschaafde landen der wereld waren in de nabijheid
+van het water gelegen. Van China over Indië naar Perzië, Arabië, Egypte
+en Europa, vormen zij een langen gordel van door de zee bespoelde
+schiereilanden. Meer binnenslands, verder verwijderd van de zee, buiten
+het bereik harer bevruchtende wolken en baren, afgelegen van bevaarbare
+rivieren, heeft nooit de beschaving zelfstandige wortels geschoten.
+
+Het in tallooze stukjes land verbrokkelde en steeds barbaarsche
+Australië, waar de eilanden zich met hunne kleine wilde volkstammen
+in de water-woestijn verliezen, bewijst echter dat, ook met betrekking
+tot het water, het goede te veel kan zijn.
+
+Het schijnt, dat bij het huwelijk tusschen vastland en water, beide
+even als echtelieden met nagenoeg gelijke kracht tegenover elkander
+moeten staan; In den omtrek van den onmetelijken oceaan, waar Gaea
+als eene dwerg leeft, ziet het er even onaangenaam uit als in het
+binnenste der grenzenlooze landmassa's, die niet onder het bereik
+van den elektrischen drietand van Neptunus vallen.
+
+In geen werelddeel echter is de verhouding tusschen water en vastland
+zoo gunstig en voordeelig, als in Europa.
+
+Aan drie zijden door zout water omspoeld, wordt het door groote
+zeeboezems in verschillende krachtig ontwikkelde landen verdeeld. Het
+heeft een zeer sierlijken en vasten lichaamsbouw, eene slanke,
+goed geproportioneerde gestalte met duidelijk ontwikkeld hoofd,
+goed gevormde borst, fraaie taille en sterk gespierde armen.
+
+Te recht heeft men daarom Europa met den mensch vergeleken, en haar
+naam aan dien eener goddelijke jonkvrouw ontleend, als had de natuur
+zelve reeds de hooge bestemming van dit gedeelte der wereld bij
+voorbaat aangewezen, als had zij willen zeggen: gij zult de eerste
+onder de werelddeelen, de Koningin der Aarde zijn.
+
+De andere vastelanden Azië, Afrika, schijnen in vergelijking met ons
+Europa, niets dan breede, plompe, ongefatsoeneerde massa's, die nooit
+met eene menschelijke figuur, hoogstens zooals Indische sagen het met
+betrekking tot Azië deden, met de schaal van groote schildpadden of
+met de bladeren der op de wereld-zee drijvende reusachtige planten,
+vergeleken kunnen worden.
+
+De gladde, koele, zilte, landen aan elkander verbindende, wateren,
+waarin Europa zich baadt, bespoelen in Frankrijk en Spanje het hoofd
+en de borst der jonkvrouw, zij versterken in Engeland en Italië hare
+gespierde armen. In de Zwarte zee, en meer noordwaarts in de Witte
+zee, bevochtigen zij hare voeten; en even als de Godin der liefde komt
+zij steeds vroolijker, gezonder en schooner uit dit bad te voorschijn.
+
+De stamvader Oceaan, in wiens schoot Europa ligt, heeft, hoe beweeglijk
+hij ook zijn mag, toch eene zekere mate van gelijkmatigheid in zijn
+karakter. Daar hij, niet zooals de hartstochtelijke vrouw Gaea,
+gemakkelijk door de zon verhit wordt, en zelfs gedurende den winter
+ook nog eenige warmte in zijn bloed blijft behouden, matigt hij daarom
+overal waar hij verschijnt. Hij breekt de spitsen af der pijlen van den
+zuidelijken zonnegod, en tevens maakt zijn zachte adem de verstijfde
+leden van den noordelijken Boreas lenig.
+
+In Europa doet hij dit, ten gevolge van de zamenwerking van
+buitengewone omstandigheden, meer dan in eenig ander gedeelte der
+Aarde.
+
+Het gedeelte der Aarde, dat wij bewonen, keert namentlijk zijn gelaat
+naar die merkwaardige oceanische strooming toe, die als heete stroom,
+onder den naam golfstroom, uit de golf van Mexico te voorschijn komt
+en door de kusten van Amerika teruggestooten, zich als een zacht
+verwarmde stroom uit het zuid-westen tot ons keert.
+
+Met vochtige wolken beladen en door zachte weste-winden, de bloesem
+ontwikkelende Favonius of Zephyr der ouden, begeleid, dringt deze
+strooming door de zuilen van Herkules (Gibraltar) de Middellandsche
+zee, die ons van den Afrikaanschen gloei-oven scheidt, binnen. Even
+als zij in het zuiden verkoelend werkt, zoo werkt zij verwarmend in
+het koude noorden. Zij kronkelt door de golf van Biscaia, verhoogt
+de temperatuur der Britsche eilanden, voert eene menigte warmtestof
+strijkelings langs de kusten van Noorwegen tot aan de Noordkaap,
+en houdt, jaar in jaar uit, de zee tot aan Spitsbergen open.
+
+Aan dezen weldadigen golfstroom, aan wiens--tot in den laatsten tijd
+miskenden--invloed, geheel Europa en zijne beschaving blootgesteld
+waren en nog zijn, hebben de Skandinaviërs het te danken, dat zij
+als Europeanen kunnen leven; dat zij met groote schepen hunne havens,
+waarin het ijs smelt, even gemakkelijk kunnen verlaten als de Italianen
+het de hunne kunnen doen; dat hunne velden, die door de dampen van
+den golfstroom bevochtigd worden, bijna even groen zijn als die in
+Duitschland en Nederland; dat bij hen akker- en boschbouw bloeien op
+een breedtegraad, waar overal elders op Aarde--in Amerika, zoowel
+als in Azië en Australië--de ijskoning zijn ruwen schepter zwaait,
+of hoogstens alleen nog Eskimo's of Päschera's een allerellendigst
+leven leiden.
+
+De afstand van de noordelijkste berken-bosschen van Noorwegen, tot aan
+de zuidelijkste pijnboom-wouden van Griekenland en Italië, bedraagt
+bijna 40 breedtegraden. Op den geheelen aardbol wordt, behalve in
+Europa, nergens in de gematigde luchtstreek een streek gevonden,
+waar op een even groot breedte-verschil zoo weinig onderscheid in
+het klimaat is, als in het hierboven opgegevene.
+
+In Azië zoowel als in Amerika, ook in het zuidelijk gedeelte, staan de
+uiteinden eener dergelijke oppervlakte tegen elkander over als leven en
+dood. Bij de hoog in het noorden gelegene Tornea-rivier, vindt men een
+der vruchtbaarste, bekoorlijkste en volkrijkste streken van Zweden,
+waar in den zomer korenvelden afgewisseld worden door liefelijke
+weidelanden, waarop het gras ongewoon digt en hoog groeit. Ja! aan
+den even noordelijk gelegen Alfen-Elf groeien nog pijnboomen van 60
+voet hoogte, terwijl buiten Europa op dienzelfden breedte-cirkel,
+niets anders dan mos en klein struikgewas wil groeien. In het oosten
+langs de Europeesche helling van het Ural-gebergte, langs de Oka en de
+Wolga, bevinden zich de schoonste en vruchtbaarste landschappen van
+het Russische rijk; voortreffelijke weiden, rijke korenvelden, nu de
+korenschuren van Oost-Europa, en de prachtigste eiken-bosschen wisselen
+daar elkander af. Aan de oostelijke of Aziatische helling van datzelfde
+Ural-gebergte verandert dat tooneel ras. Daar mist men al spoedig den
+echt Europeeschen boom, den mannelijken, koninklijken eik, die bij ons
+overal groeit, dien de Europeesche volken voor heilig hielden en dien
+zij allen, Grieken, Celten, Germanen, zich als om strijd als hunnen
+nationalen boom, als het symbool van lang voortdurende kracht verkozen.
+
+Misschien moeten wij in deze strooming van den oceaan,
+de _allerwezentlijkste_ en afdoendste oorzaak der gesteldheid
+van Europa ten opzichte der andere werelddeelen verklaren; want
+misschien is ook deze stroomrichting uit het Zuid-Westen, die in
+vroegere tijdperken der Aarde-ontwikkeling wellicht veel sneller
+gestroomd heeft, de kracht geweest die onze kusten zoo golfrijk, ons
+vastland zoo bont getooid, zoo open en toegankelijk gemaakt heeft;
+die, met één woord, langzamerhand die jonkvrouwelijke gedaante
+heeft te voorschijn geroepen. Men zou daarom den golfstroom een
+der invloedrijkste onder de natuurkundige factoren kunnen noemen,
+die het lot der Europeesche menschheid bepaald hebben. Daar hij aan
+ons werelddeel de eigenschappen van een trekkas verleende, heeft men
+hem ook wel den eigenlijken vader der westelijke beschaving genoemd.
+
+Weste- en Zuidweste winden, die deze strooming vergezellen, zijn
+de heerschende in Europa. Zij voeren de dampen en nevels van den
+Oceaan over het geheele vasteland heen, bevochtigen het overal,
+spijzigen rijkelijk zijne bronnen en rivieren, en maken het tot
+eene goed bevochtigde en bronnenrijke _regengordel_, namentlijk in
+tegenstelling met dien breeden, waterloozen aardgordel, die in het
+zuiden door Perzië, Arabië, en Afrika om haar heen loopt.
+
+Bevaarbare, vruchtbaarmakende en vroolijk stroomende rivieren, die
+toonbeelden en voorbeelden eener rustelooze werkzaamheid, doordringen
+als een net van levendige aderen alle deelen en onderdeelen van ons
+groot Europeesch vaderland. Zelfs in het hooge noorden brengen zij de
+molens en kunstraderwerken der Schotten en Skandinaviërs in beweging,
+en dragen zij hunne vaartuigen het geheele jaar door, terwijl op
+dezelfde poolshoogte in andere werelddeelen de rivieren met eeuwig
+ijs bedekt zijn, en zich niet anders voordoen dan als toonbeelden
+van traagheid en doodelijke rust.
+
+De regen en de rivieren maken ook nog de zuidelijkste streken van
+Europa, de landen aan de Middellandsche zee vruchtbaar, terwijl in
+den naastgelegen gordel, in de woestijn Sahara, met het wegloopen
+en opdroogen der wateren, alle leven, ook het menschelijke leven,
+versterft.
+
+In de regenlooze zonen is de grond van nature veel minder geschikt
+tot bebouwing. Slechts door kunstmatige bevochtiging en door eene
+inspanning, die nu en dan de krachten der bewoners schier te boven
+ging, kon men dat verhelpen. Wanneer men dit echter naliet, dan moest
+weldra, zooals dit in den nieuwen tijd geschied is, de kunstmatig
+geteelde plant verwelken.
+
+In het steeds door den hemel bevochtigd Europa, zullen de gronden en
+hun plantengroei niet zoo spoedig afgeleefd en afgestorven zijn, als
+daar. Dit werelddeel bevat het element der eeuwige jeugd in zich. Het
+zal zoo lang krachtig blijven, als de Oceaan, de golfstroom en de
+terugkeerende passaatwinden, aan Europa verfrisschend nat zullen
+toevoeren.
+
+Even als het heilaanbrengend nat der wolken, zoo ontvouwt zich een
+vruchtbare bodem over het geheele werelddeel. De vruchtbare akkergrond
+strekt zich uit tot de binnenste dalen der gebergten.
+
+Europa is het eenige onder de groote werelddeelen, dat geen
+voor den mensch onbewoonbare woestenij bezit, waarmede Noord-
+en Zuid-Amerika, Afrika en Azië zoo overvloedig bedeeld zijn. De
+steppen van Rusland, die men wel eens woestijnen genoemd heeft,
+hebben dien naam voornamelijk te danken aan hunne eentoonigheid. Zij,
+zooals ook de moerassen van Polen, wanneer de mensch zich maar eenige
+moeite geeft, zijn vruchtbaar en loonen den arbeid. En als men over
+de zandvlakten van Pruissen als over eene natuurlijke woestijn sprak,
+dan was dat toch eene, die met behulp van regen, vlijt en arbeid,
+in eenen tuin te veranderen was.
+
+Een sporadisch, dat wil zeggen slechts hier en daar, door ijs, kale
+rotsen of moerassen van geringe uitgebreidheid afgebroken plantendek,
+bedekt het geheele, altijd groene Europa; in deze door de natuur
+gevormde schilderij heeft _de kleur der hoop_ den grondtoon.
+
+Europa behoort tot de gematigde luchtstreek. Slechts een onbeduidend
+gedeelte bij de Noordkaap behoort tot de koude luchtstreek, en van
+de heete wordt zij door een fraaie zee over hare geheele lengte
+gescheiden.
+
+Ook in dat opzicht verschillen wij van de andere werelddeelen. Al
+deze behooren deels, zoo als Afrika en Zuid-Amerika met bijna hunne
+geheele oppervlakte tot de aequatoriaal-landen; deels ligt, als Azië
+en Noord-Amerika, hunne breede borst geheel bloot voor den invloed
+der onbarmhartige noordewinden.
+
+Te recht heeft men ook hierin eene hoofdreden gezocht voor de welige
+ontwikkeling der Europeesche natien. Waar, zooals aan de poolstreken,
+de grootste vlijt, de sterkste inspanning geen of slechts een zeer
+karig loon ten deel valt, daar vervalt de geest, evenals de natuur,
+tot den eeuwigen winterslaap.--Waar, zooals in de tropische gewesten,
+een dozijn broodboomen voldoende zijn om eene familie te voeden,
+daar doodt de overvloed de geestkracht der menschen, die niets
+moeielijker kunnen verdragen dan "eene reeks gelukkige dagen."--Waar
+echter, zooals in onze gematigde luchtstreek, eene spaarzame en toch
+niet ondankbare natuur ons ten strijde roept, en die strijd niet te
+zwaar is, daar wordt de geest wakker geschud, daar bloeit de arbeid,
+de moeder van ontwikkeling en vooruitgang.
+
+Hoe practisch, hoe opwekkend, hoe aangrijpend is niet de, onze
+Europeesche zone eigene, natuurverschijning: de wisseling der
+jaargetijden. In de streken, waar de liefelijke zonnegod nooit in zijn
+vollen luister verschijnt, evenals daar waar hij in eentoonige pracht
+eeuwig lachend straalt, kan hij ter naauwernood de menschen wakker
+houden. Met ons Europeanen echter speelt hij het altijd opwekkende
+spel van scheiden en weder verschijnen.
+
+Welk een beteekenisvol beeld van ons eigen leven, toovert deze
+bekoorlijke dans der Horae ons niet voor den geest. Als de jeugdige
+lente en met haar het vernieuwde licht nadert, als de vogelen
+kweelen en de aarde juicht, "wien zweefden dan niet altijd weder de
+droombeelden zijner jeugd voor den geest en wie gevoelde dan niet
+zijne goddelijke bestemming?" En niet alleen de lente, waarin alles
+tot een nieuw leven ontwaakt, of de zomer, waarin alles tot volle
+rijpheid komt, ook de langzamerhand eindigende finale, de herfst,
+maakt op ons gemoed een diepen indruk.
+
+Hoe bezielend, hoe ontwikkelend moet in het verloop der tijden het
+schouwspel van eene zoo tooverachtige afwisseling gewerkt hebben op
+het gemoed onzer volkeren, die altoosdurend strijd en overwinning
+voor oogen hadden, die daardoor als het ware in staat gesteld werden,
+in hunne woonplaats en zonder te reizen, alle luchtstreken der Aarde
+te doorleven en van alle klimaten te genieten.
+
+Gedichten op den zomer, den herfst en de lente maken wel de helft uit
+van de poëzie der Europeesche volken. Ja! als men bedenkt, hoe de
+Grieken den in lentetooi terugkeerenden Apollo den beschermgod der
+dichters maakten, en hoe ook in het noorden van Europa het gezang
+der landskinderen in Mei, tegelijk met het lied van den leeuwerik,
+op nieuw weerklinkt, dan wordt men geneigd juist in deze afwisseling
+der jaargetijden de bron en de aanleiding onzer poëzie te zoeken.
+
+De schoonste en roerendste sagen en ideeën, niet alleen der Romeinsche
+en Grieksche, maar ook der Slawische en Germaansche godenleer, hebben
+betrekking op de afwisseling der jaargetijden, die alle Europeanen
+tot nadenken, tot het maken van vergelijkingen en tot de kennis van
+het menschelijke leven en van hen zelven bracht.
+
+En de bijbel zelf spreekt met lof over den invloed van de wisseling
+der jaargetijden, wanneer hij zegt: "zoo lang de Aarde staat en zoo
+lang er menschen op leven, zullen ook zaaien en oogsten, koude en
+hitte, zomer en winter, dag en nacht blijven bestaan."--Maakt niet
+zelfs de stichter van den godsdienst, die wezentlijk de Europeesche
+geworden is, steeds melding van deze zaken? heeft hij niet vele der
+voor ons bevattelijkste beelden en der fraaiste leeringen uit haar
+geput? Het zijn allen beelden en gelijkenissen en lessen uit den
+schoot der gematigde luchtstreek; van dien grilligen aardgordel,
+die zijne kinderen nu eens in het vuur, dan in het water doopt, die
+hunne gemoederen steeds in spanning houdt, altijd hunne neigingen, hun
+verlangen of hun verdriet wakker maakt, hen nu eens met treurigheid,
+dan weder met vroolijkheid en vreugde vervult, en die daarom _alleen_
+door zulke phenix-volkeren als de Europeesche bewoond wordt, die even
+als de vogel Phenix steeds van voren af hun vernield nest opbouwen,
+en bij wie men nooit aan eene wedergeboorte behoeft te twijfelen.
+
+Even als in de _uiterlijke gedaante_ van het vaste land, en zijne,
+voor het onderlinge verkeer zoo _gunstige zamensmelting met de
+zee_, alsmede in het klimaat, dat van geene uitersten weet, en in de
+grondgesteldheid, die geene woestijnen kent, maar overal, hier meer,
+daar minder, bebouwbaar is; zoo toont zich ook overal elders in de
+geheele verdere natuur van Europa, in zijne oorspronkelijke produkten,
+in zijne planten- en in zijne dierenwereld, eene zekere doelmatigheid,
+zekere bijzonder heilzame gematigdheid. Nergens vindt men Indischen
+overvloed, Aziatische pracht en tropische overdaad. Maar bijna overal
+heeft men het noodige en bruikbare, of kan men het verkrijgen.
+
+In andere werelddeelen, b.v. in Zuid-Amerika, vindt men landen,
+waar op eene vlakte-uitgebreidheid, nagenoeg zoo groot als geheel
+Europa, volstrekt geen vaste steen gevonden wordt, waar straat-
+en bouwsteenen even zeldzaam zijn als diamanten. In Europa steekt
+het oude gebeente der Aarde overal rijkelijk boven den bodem uit,
+of is in puin over zijne oppervlakte verspreid, opdat de Europeesche
+volken hun verstand er aan zouden scherpen, en van de steenen, die
+zij te voorschijn kunnen halen, duurzame werken zouden daarstellen.
+
+Van nature zijn wij arm aan paarlen, edelgesteenten, goud en
+zilver. Daarentegen zijn wij rijk aan het metaal, waardoor men
+zich, op de zekerste wijze, die schatten verschaffen kan. Overal
+in ons werelddeel vindt men ijzer; men vindt het in de moerassen
+van Finland, in de bergen van Skandinavië en Groot-Brittanje,
+en in de rotsen en eilanden der landen aan de Middellandsche
+zee. Uit dit metaal vervaardigden de Europeänen hunne spaden,
+hunne ploegen, hunne zwaarden, hunne machineriën, waardoor zij
+den wereldbol aan zich onderwierpen. Met dit haar ijzererts, dat
+zij hem bijna overal aanbiedt, spreekt Europa tot hare kinderen:
+"arbeidt en heerscht!" "Arbeiden is koninklijk," zoo luidde de
+beroemde spreuk van een met ijzer bekleeden Europeeschen heerscher:
+een echt Europeesch koningsidée, een bon mot, waarin geen Aziatische
+Nebukadnezer den Macedonischen Alexander vóór was. Deze spreuk vormt
+een scherp kontrast met het uit Azië afkomstige en daar algemeen
+verspreide gezegde: "rusten is beter dan gaan, slapen is beter dan
+waken en de dood is het beste van alles."
+
+Ook het karakter der dierenwereld komt overeen met de aangegevene
+physionomie van het vasteland. Even als in de wijze waarop de
+lichaamsbouw geregeld is, uitstekend en behendig de juiste maat
+in het oog gehouden is, en men evenmin op het vasteland zulk eene
+verlammende verbrokkeling als in Australië, of zulke kolossale en
+onbehouwen afmetingen als in Azië en Afrika aantreft--zoo heeft ook
+de dierenwereld van ons werelddeel geene soorten die, of in karakter
+of in afmetingen, monsterachtig zijn. Na den zondvloed werden in ons
+Europa geene olifanten, rinocerossen of andere wilde dieren meer
+gevonden. De weinige leeuwen en tijgers, die Griekenland eens zou
+gevoed hebben, heeft de Europeesche Herkules spoedig gewurgd.
+
+Noch in soort noch in aantal, zijn de door den mensch gevreesde
+schepselen, bij ons zeer talrijk geweest. De wolf, de losch, de
+beer zijn, nevens eenige kleinere diersoorten, de eenige die wij als
+bij ons inheemsch kunnen beschouwen, terwijl in verscheidene andere
+oorden der wereld, de mensch moeite heeft zich voor de verscheurende
+en roofdieren te vrijwaren, en genoodzaakt is een onophoudelijken
+strijd tegen hen te voeren.
+
+Vergiftige planten zijn zoo goed als geheel uit onze gezonde wouden
+verbannen; de elders zoo talrijke vergiftige planten zijn, even als
+de vergiftige slangen en andere verschrikkelijke en monsterachtige
+kruipende dieren, bij ons nagenoeg geheel onbekend.
+
+Onze vogels evenaren die der andere luchtstreken niet in grootte en
+kleurenpracht, daarentegen munten zij boven die der andere werelddeelen
+uit door hun liefelijk geluid. Geen werelddeel is zoo rijk aan
+zangvogels als Europa. Kweelend doortrekken de kleine gevederde
+minnezangers onze bergen en bosschen en doen ons gehoor aangenaam
+aan, terwijl de Flamingo's en Kakatoe's der tropische gewesten, door
+de grilheid hunner kleuren het oog verblinden. Het is, als ware in
+Europa de natuur zelve verstandiger, en minder op bloot materieele
+praal en pronk gesteld, dan ergens anders.
+
+Ook in de plantenwereld gaat het bevallige boven het prachtige,
+het nuttige en voor menschelijke doeleinden geschikte boven het
+schitterende.--De broodgevende voedingsplanten, de opvroolijkende
+wijn, vele verfrisschende en gezonde vruchtsoorten, die de Schepper
+Adam in het paradijs gaf, heeft Europa gaarne aangenomen, en zij
+zijn in onze trekkas, met behulp van ons gematigd klimaat, door
+Europeesche kunstvlijt nog in zoo hooge mate veredeld, dat moeielijk
+een verfijnde smaak de voorkeur zal geven aan de overzoete, sterk
+gekruide en lekkere vruchten van het zuiden, boven het bouquet van
+ons druivensap, boven de liefelijk gekleurde vruchten onzer appel-,
+peeren-, pruimen- en citroenboomen.
+
+De bij ons van nature inheemsche bosch- en weidebloemen, spreiden
+wel niet zooveel uiterlijke pracht ten toon als de sierplanten van
+andere werelddeelen, die overdadig prijken met alle kleuren van den
+regenboog. Onze echt Europeesche nachtviooltjes en vergeet-mij-nietjes,
+onze mirre en resida, onze lavendel, onze kleine rosmarijn,
+sneeuwklokjes en meibloemen verbergen zich, om zoo te zeggen. Zij
+moeten ontdekt, hunne bescheidene schoonheid moet erkend, en kan
+dikwijls niet dan alleen met overleg, genoten worden. Zij bezitten
+niet dat bedwelmend aroma, dat aan de planten van Arabië eigen
+is, en toch brengt een Europeesch viooltje of een heerlijk riekend
+"hoe-langer-zoo-liever" eerder den dichter in verrukking, dan de kelk
+van eene schitterende kaktus of eene sterk riekende magnolia.
+
+Kortom, waarheen wij onze blikken ook wenden, overal blijkt het,
+dat de gulden middenweg midden door Europa loopt. De natuur heeft
+Europa nergens geheel verwaarloosd, maar ook nergens den hoorn des
+overvloeds verkwistend over haar uitgestrooid. En juist in deze
+gematigdheid, die bij de Europeesche schepping heerscht, ligt hare
+eigentlijke kracht. Een klein begin heeft de natuur overal gemaakt,
+den aanleg heeft zij allerwege gegeven, den menschen de benuttiging en
+de voltooiing van het werk overlatende. Het borduurraam en de stof die
+geborduurd moet worden heeft zij zeer voordeelig gesteld, het borduren
+zelf echter slechts voorbereid. De Europeaan moest dat werk voltooien.
+
+Sem, de Aziaat, was als Noach's eerstgeborene, om zoo te zeggen
+door eerstgeboorterecht de erfgenaam der schepping; hij bleef op de
+aangeërfde hoeve en volgde de oude overlevering der voorvaderen. Japhet
+echter, de Europeaan, was de jongere zoon, die weinig erfde, die het
+leven in moest en zich in de wereld zijn koningrijk moest en wist
+te veroveren.
+
+
+
+
+
+
+
+ZUIDELIJKE NABUREN VAN EUROPA.
+
+(PHENICIËRS, ARABIEREN, MOOREN, BARBARIJERS.)
+
+
+De lange aaneengeschakelde rij van ter bebouwing geschikte
+landschappen, die tusschen de woestijn van Sahara en de Middellandsche
+zee gelegen is, maakt meermalen, zoowel in physieken zin als in
+betrekking tot de geschiedenis der beschaving, eene uitzondering op het
+groote werelddeel Afrika, waarvan zij een gedeelte uitmaakt. Misschien
+is er eens een tijd geweest, waarin zij daarvan geheel gescheiden was,
+namentlijk, toen de nu opgehevene kom dier groote woestijn ook met
+zeewater gevuld was.
+
+Zij sluit zich in vele opzichten aan de landen van zuidelijk Europa
+aan, en vormde daarmede vroeger, toen de straat van Gibraltar nog niet
+bestond, een samenhangend geheel. Nu ligt zij aan den oever derzelfde
+zee, waaraan zuidelijk Europa gelegen is--deelt met haar een zelfde
+klimaat en een zelfden plantengroei,--is met haar dan ook dikwijls aan
+de zelfde veroveraars en koningrijken onderworpen geweest, en heeft
+tot op onzen tijd--tot het verschijnen der Afrikaansche Turco's onder
+Fransche banier in ons noorden, en tot op de vernieuwde invallen der
+Spanjaarden in Marokko in 1862--met ons van krijgslieden, koloniën,
+bevolking en ontwikkeling omgewisseld.
+
+Hieruit spruit de voor ons onderwerp al aanstonds belangrijke
+vraag voort: welke volks-elementen, welke invloeden op karakter
+en ontwikkeling, welke veranderingen in zeden, gewoonten en taal,
+hebben de Europeanen van deze zijde ontvangen en geleden, en welke
+overblijfselen en indrukken vinden wij daarvan nog ten huidigen dage
+bij ons?
+
+De landen van Noord-Afrika behooren, even als Europa, tot de gematigde
+luchtstreek, waarin zij, even als ons werelddeel, over de geheele
+lengte van het Oosten naar het Westen zich uitstrekken. Zij deelen nog,
+ofschoon niet in dezelfde mate, in den invloed van den zuidwest-passaat
+en zijn daarom--voor het grootste gedeelte althans--even als Europa
+een _regenland_. Zelfs snijdt de zuidelijke grenslijn der met de
+oppervlakte der zee op dezelfde hoogte vallende sneeuw, eenige der
+hoogste punten van noordelijk Afrika. Hier en daar treft men deze
+verschijning aan tot aan den voet van het Atlas-gebergte en der andere
+bergen van het binnenland, tot aan den rand van de, tot den altijd
+regenloozen en heeten gordel behoorende, Sahara, de groote zandzee
+zonder water.
+
+Even als het karakter van het klimaat, zoo heeft ook de plantengroei
+van Noord-Afrika, veel meer overeenkomst met dien van Europa dan met
+dien der binnenlanden van Afrika. Ja! dit Noord-Afrika vormt eigenlijk
+met het zuidelijke Europa eene en dezelfde botanische provincie. Het
+deelt met het zuidelijk gedeelte van Europa de belangrijkste blad-
+en vruchtboomen, onder anderen den nuttigen olijfboom, de sappige
+citroenen, oranje-appelen en andere Europeesche zuidvruchten. Ook is
+het nog een wijnland, maar de zuidelijke grens van den wijnstok loopt
+rakelings langs de zuidelijke grens dezer kustlanden heen.--Vooral
+ook is het een zeer dankbaar bouwland, en de graansoorten, die wij
+gaarne de Europeesche noemen, vinden wij ook hier in zulke gunstige
+omstandigheden, dat Noord-Afrika, dat zich in het gezicht van Europa
+ontplooit, in vroeger tijden een der voornaamste korenschuren van ons
+werelddeel geweest is. Deelde Noord-Afrika met ons onze graansoorten,
+zoo kon omgekeerd het in de tropische gewesten te huis behoorende
+suikerriet, de katoenstruik en de dadel-palm naar Spanje en Sicilië
+overgebracht worden, en aan den drassigen oever van eenige rivieren
+van dit eiland, groeit nog heden ten dage de bij den Nijl te huis
+behoorende papyrus-plant.
+
+Even als met den plantengroei, zoo is het in zekere mate ook met
+de dierenwereld gesteld, ofschoon, met betrekking tot deze, beide
+werelddeelen meer van elkander onderscheiden zijn. Verscheidene
+dieren en diersoorten bewonen zoowel de noordkust van Afrika, als de
+zuidelijke gedeelten van Europa. Zoo, om slechts eenige voorbeelden
+te kiezen, vindt men èn hier èn daar, het damhert, het konijn, den
+kraanvogel, verscheidene roofvogels en nog talrijker kruipende dieren,
+insekten, kapellen. En daarbij moet wel opgemerkt worden, dat deze
+zuidwaarts, de zuidelijke grens dezer aan de Middelandsche zee gelegene
+Afrikaansche kustlanden niet overschrijden of overvliegen.--Dat wij
+Europeanen jaarlijks vele vroolijk kweelende zwermen zangvogels, en
+ook de bij ons zoo inheemsche ooievaars, met Noord-Afrika verruilen,
+is van algemeene bekendheid, even als dat eene kolonie Afrikaansche
+apen, naar de rotsen van Gibraltar verhuisd is, alsmede dat--in oude
+tijden ten minste--de Afrikaansche leeuw ook in Europa zijn gebrul
+deed hooren, tot de knods van Herkules hem in Griekenland nedervelde.
+
+Met het oog op al deze omstandigheden, hebben dan ook vele oude
+Grieksche aardbeschrijvers er geen steen of been in gevonden, het
+Noordelijk Afrika onder den naam "Libyë" nog tot Europa te rekenen,
+en het geheel van het overige Afrika, dat zij bij voorkeur "Ethiopië"
+(het land der Zwarten) noemden, af te scheiden.
+
+De oorspronkelijke bewoners van Afrika, de zwarte kinderen van
+Cham, de door de zon aan huid en hersenen verzengde negerstammen
+hebben, ofschoon zij over eene groote uitgestrektheid even dichte
+naburen van ons werelddeel zijn als de Mongoolsche nomaden-stammen
+van Azië, het nooit in hun hoofd gekregen Europa te beoorlogen,
+te verwoesten, of er zich met der woon heen te begeven. Diep
+verzonken in eene van eeuwen her dagteekenende barbaarschheid,
+zijn deze ontelbare volkeren, die niet de minste énergie bezitten,
+voor de overige menschheid van niet den minsten dienst geweest,
+zij hebben voor haar niets uitgedacht of uitgevonden. Even als de
+baren van eene groote, sombere binnenzee, bewogen zich bij hen,
+van het begin der wereld af, de volkeren heen-en-weer. Iedere baar,
+hoe hoog zij ook mogt stijgen, viel weder binnen de grenzen dezer
+zee terug, en nergens stroomde zij vol ondernemingsgeest over.--De
+wolharige negers hebben geene geschiedenis. Wij nemen bij hen niets
+waar, dan tallooze eentoonige veranderingen en altijd op dezelfde
+wijze herhaalde wilde omwentelingen; nergens een vroolijken wasdom,
+nergens eenige grootsche ontwikkeling, nergens eenigen belangrijken
+vooruitgang. Zij zijn voor ons werelddeel nooit gevaarlijk, maar
+ook nimmer nuttig geweest. Ja! zij hebben, voor zoover het oog der
+geschiedenis reikt, nooit op de door ons bedoelde noordelijke grens van
+hun eigen werelddeel vasten voet gehad. Ook daar verschijnen zij (even
+als nu en dan in Europa) niet dan begeleid door krachtiger rassen,
+en door dezen behandeld als slaven. Wij mogen deze neger-volken, bij
+eene schildering der volken van Europa, geheel en al ter zijde laten.
+
+Noord-Afrika heeft van oudsher zijne heeren en zijne landbouwers deels
+uit Europa, deels uit de omstreken van Hasch, dat is het land der
+Zon (Morgenland)--Azië--gekregen, voornamentlijk en het meest uit de
+laatste streken, vooral in de vroegste tijden, toen alle verbreiding
+van het menschengeslacht en der beschaving, van daar uit het Oosten
+naar het Westen gericht was.--Beschouwen wij daarom het allereerst
+de verhouding van Noord-Afrika tot Azië.
+
+Beide zijn door eene hoogst merkwaardige brug, de landengte van Suez
+en hare voortzetting in Syrië, aan elkander verbonden. Zij zijn ook
+over de geheele uitgebreidheid der smalle kloof van de Roode Zee,
+die gemakkelijk bevaarbaar is en vroeger--zoo luidt de bijbelsche
+sage--door een geheel volk doorwaad werd, slechts zwak van elkander
+gescheiden. Afrikaansche en Aziatische eigenaardigheden vermengen
+en verbroederen zich hier. Door Arabië, eene oostelijke voortzetting
+der Sahara, en door Perzië en Beludchistan, dringt deze verbroedering
+door tot aan Voor-Indië.--Oude schrijvers hebben daarom ook dikwijls
+gevraagd, of men niet een deel van Noord-Afrika, namentlijk Egypte
+en het geheele Nyl-dal, nog tot Azië rekenen moest; anderen hebben
+weder het omgekeerde gedaan en gedeelten van Azië, met name Arabië,
+tot Afrika gerekend. En wij, onzerzijds, mogen hier ook deze streken
+mede in den kring dien wij zullen nagaan, trekken, en wanneer wij
+over de Noord-kust van Afrika spreken, dit ook tot Syrië, Phenicië,
+Arabië en hunne naburige landen uitstrekken.
+
+De geloofwaardige geschiedenis leert ons, dat noordelijk Afrika
+herhaalde malen van daar overstroomd en gekoloniseerd geworden is, en
+het is hoogst waarschijnlijk, dat alles wat de Noord-kust van Afrika,
+wat bevolking betreft, aan ons Europa gegeven heeft, oorspronkelijk
+uit Arabië en andere naburige Aziatische streken gekomen is, en dat de
+Noord-Afrikaansche landstreken daarbij slechts de rol van bemiddelaar,
+van een land dat doorgetrokken wordt, of van een brug voor de volken
+gespeeld heeft.
+
+Dit nu schijnt zeer goed te passen op het Oostelijk Afrikaansche
+kustland, waarop ons oog het eerst valt; op den oudsten weg der
+westersche beschaving, op het raadselachtig land van sphinxen
+en eeuwenoude ruïnes, uit wier overblijfselen van tempels en
+grafplaatsen, vijfduizend jaren tot ons spreken. De gelijkvormigheid
+der gebouwen die de oude Egyptenaars optrokken, met die der nog oudere
+bewoners van Hindostan, hunne priesterheerschappij en verdeeling in
+kasten, hunne volks- en staatsregeling, alsmede andere kenmerkende
+eigenaardigheden, schijnen het meer dan bloot waarschijnlijk te maken,
+dat zij als kolonisten uit het Aziatische Oosten beschouwd moeten
+worden. Vermoedelijk kwamen deze kolonisten het allereerst met schepen
+aan de zuidkust van Arabië, in het zoogenaamde "gelukkig-Arabië,"
+aan, en gingen zij vervolgens door de straat van Bab-el-Mandeb,
+(_poort des doods_), die, met het oog op de invoering der Oostelijke
+ontwikkeling liever "poort des levens" moest gedoopt zijn, naar de
+naastbijgelegene gedeelten van het middelste Nyl-dal.
+
+Van deze middelste landstreken, waarheen ons ook de oudste Egyptische
+overleveringen als het beginpunt hunner beschaving wijzen, richtten
+zich hunne koloniën en hunne rijken noordwaarts, langs de boorden van
+den geheelen Nyl tot aan de Middellandsche zee, waar in de vruchtbare
+delta de Egyptische palmboom zijn kroon ontvouwde, en vervolgens
+weder zuidwaarts tot diep in Abessynië en Ethiopië.
+
+In het Nyldal ingesloten, aan de kanalen der rivier wonende,
+bloeide de Egyptische beschaving--eene afgeslotene wereld op zich
+zelve--onbepaalde tijden lang. Eindelijk werden eenige harer zaadjes
+en stekjes over de Middellandsche Zee naar Europa gevoerd, waar zij op
+een hoogst vruchtbaren, namentlijk op Griekschen bodem vielen.---Een
+Egyptenaar (Cekrops) stichtte Athene; een Egyptenaar (Danaüs) bouwde
+het koningsslot van Argos; Minos, de wetgever van Creta, had wellicht
+meer dan de overeenkomst van naam gemeen, met den ouden Egyptischen
+staten-regelaar Menes. Ja! een Egyptisch Koning, Sesostris, zou,
+oorlogvoerend en veroverend, eens het geheele Grieksche schiereiland
+tot aan den Donau en tot in het land der Skythen, doorgetrokken zijn.
+
+Door Griekenland,--wiens oude kunst, zoolang zij nog niet op eigen
+wieken gedreven had, blijkbaar hare wieg in Egypte gevonden heeft;
+wiens denkende mannen zich tot de Egyptenaren begaven, om daar aan de
+oude bronnen wijsheid op te doen--Plato onder anderen, die even als
+Herodotus, Solon en Pythagoras, Egypte bezocht en daar studeerde, kende
+den Egyptenaren zonder voorbehoud den eersten rang toe, noemde hen de
+uitvinders der rekenkunst, der meet- en sterrekunde; volgens Diodorus
+stamt de geheele godsdienst der Grieken, hunne goden en helden-sagen
+uit Afrika van de Egyptenaars af; alleen stelden de Grieken alles
+wat in Egypte geschied was voor, alsof het in Griekenland gebeurd
+was--door deze Grieken, zeg ik, die aanvankelijk door de Egyptenaren
+voor kinderen, voor piepjonge volken en onontwikkelde barbaren
+uitgescholden werden, werd de ontvangen beschaving vervolgens aan het
+overig Europa verder medegedeeld; en zoo komt het, dat wij nieuwere
+Europeanen--wier hedendaagsche tijdrekening van Egyptischen oorsprong
+is--nog heden ten dage eenigzins den Egyptischen stempel dragen,
+en dat onze gedachten zich langs banen bewegen, wier oorsprong aan
+den Nyl gezocht moet worden.
+
+Alexander de Groote en na hem de Romeinen braken later den boezem
+van het oude Egypte, dat zijne ontwikkeling als in een gesloten
+oesterschelp verborg, open, en lieten haar met die van Europa
+zamensmelten. Egyptische priesters bouwden hunne tempels in Italië;
+Europeesche (Grieksche en Romeinsche) wijsgeeren richtten hunne
+scholen aan den Nijl op, terwijl hunne handelaren en krijgslieden
+tot in het hart van Ethiopië doordrongen. Door de Bijzantijnsche
+Keizers en later door de Turksche Padichas, die nog later Egypte en
+geheel Noord-Afrika, zooals vroeger Alexander en Rome gedaan hadden,
+veroverden, zijn weder de bewoners der Nijlstreken, even als ten
+tijde van Sesostris, tot aan de oevers van den Donau gevoerd geworden,
+en bij die rivier kan men onder de Halve-Maan, nog heden ten dage de
+gezichten der bruine Egyptenaren en donkere Ethiopiërs, tegenover de
+Duitsche troepen zien staan.
+
+Met den invloed welken de Egyptenaren op Europa gehad hebben, staan,
+zoowel wat betreft den tijd waarin als de wijze waarop, die van
+een ander volk, de zoogenaamde "purper-menschen" (Pheniciërs), de
+bewoners van de Syrische kust, op dezelfde lijn. Die Syrische kust,
+tegelijkertijd een oostelijk aanhangsel en een zijvleugel van Egypte en
+Afrika, maakt een der belangrijkste deelen uit der door ons beschouwde
+zuidelijke kusten van de Middellandsche zee. De zeevaartkundige en
+handeldrijvende kinderen van Syrië, scholieren van het oude wijze
+Babylonië, hebben reeds vroeg de Middellandsche zee doorkliefd, en
+zoowel aan de Afrikaansche als aan de Europeesche kusten, beschaving
+en koloniën door het geheele groote waterbekken verbreid, dat ook
+nu nog bij de Oostersche volken hun naam draagt, en de Syrische zee
+(Bahr el Scham, het water van Scham) genoemd wordt.
+
+Reeds 1500 jaren vóór Christus kwamen Phenicische zeelieden,
+kolonisten, handelaars, planters en veroveraars naar Griekenland. Hun
+aanvoerder (Kadmus) bouwde Thebe in Boeotie en bracht het Phenicische
+letterschrift naar Griekenland. Hiervan zijn alle andere Europeesche
+alphabets afgeleid. Ook brachten de Pheniciërs, wat minstens van
+evenveel gewicht is, het allereerst het gebruik van ijzer en van
+ijzeren gereedschappen naar Europa over.--Kreta, Rhodus, Cyprus,
+ja bijna alle eilanden van den eerst later "Griekschen Archipel"
+werden door hen bezet. Zij drongen nog veel verder naar het Westen
+door, en bouwden in den omtrek van het tegenwoordige Tunis hun
+wereldberoemde "_Kart Chadata_" (Nieuwstad), dat door de Romeinen
+"Carthago" genoemd werd. Met de overwinnende vlooten en legerscharen
+der Pheniciërs en hunne machtige moederstad, drong de Semitische
+volksstam, en met hem ook andere hun onderworpene bewoners van
+Afrika, Spanje binnen. Zij overstroomden en veroverden bijna het
+geheele Pyreneesche schiereiland, bebouwden en exploiteerden het;
+evenzoo handelden zij met de Europeesche eilanden, Sicilië, Sardinië
+en Corsica, waar zij verscheidene steden stichtten.
+
+Hunne tochten ter zee strekten zij zelfs uit tot ver voorbij de zuilen
+van Herkules noordelijk tot aan Groot-Brittanje, waar hun naam den
+bewoners zoo diep ingeprent is, dat nog heden ten dage vele Ieren
+in den waan verkeeren dat hun volk rechtstreeks van de Puniers of
+Pheniciërs afstamt. Punische en Afrikaansche volken doortrokken onder
+Hannibal zelfs het zuidelijk Frankrijk en Spanje, even als wij weder
+in onze dagen onder de vanen van Napoleon, uit diezelfde streken, in
+diezelfde landen, Afrikaansche krijgslieden, even woest als de soldaten
+van Hannibal, met de Franschen naar den Rijn zagen marcheeren.--Dat
+op deze en andere wijze, door tusschenkomst der Pheniciërs en hunne
+kolonisten, de Europeesche en Noord-Afrikaansche bevolkingen zich
+meermalen vermengden, is onder anderen ook daaraan merkbaar, dat zij
+een slavenhandel op groote schaal door de geheele Middellandsche zee
+georganiseerd hadden, en daarbij, zooals beweerd wordt, de in Europa
+geroofde slaven gewoonlijk in Afrika, de Afrikaansche daarentegen in
+Europa verkochten. Dat de Pheniciërs in Europa spoorloos verdwenen,
+dat zij bij ons geheel dood en uitgestorven zouden zijn, is niet aan
+te nemen; bijvoorbeeld reeds daarom niet, dat de, wel is waar vrij
+wat veranderde, letters: letters van den schrijfmeester van Europa,
+zich thans nog onder onze hand en pen vernieuwen. Zien niet nog,
+om zoo te zeggen, de schimmen der uitvinders van het glas door onze
+vensterramen onze huizen binnen?
+
+Van de Egyptenaren en Pheniciërs stap ik nu over naar de westelijk
+gelegene landen en volken aan de zuidzijde der Middellandsche zee.
+
+De geschiedboeken van Egypte deelen ons verscheidene invallen mede der
+oude landsvijanden uit het oosten, de herdersvolken, die zij "Hijksos"
+noemen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid de voorvaderen onzer
+Arabieren. Zij overstroomden Egypte en een groot deel van Afrika's
+noordkust, volgens mededeelingen onder anderen reeds 2000 jaren voor
+de geboorte van Christus. De Perzen en Meden, en met hen ook weder
+Arabische nomaden-stammen, rukten onder Cambyses het land binnen,
+en onderwierpen Egypte en andere gedeelten der noordkust van Afrika.
+
+Wij zien in latere tijden een dergelijken inval uit diezelfde
+landstreken gebeuren, waarmede wij beter bekend zijn. Meer andere
+invallen kunnen vóór de Mohamedaansche Arabieren en vóór Cambyses,
+en ook vóór de zoogenaamde "Hyksos", plaats gevonden hebben; de
+geschiedenis en ook zelfs de sage zwijgt daarover.
+
+Zoolang wij de volken kennen, die Noord-Afrika, westelijk van Egypte,
+en die de Europeanen Nasamonen, Getulers, Numidiërs, Barbarijers,
+Mauritaniërs of Mooren noemden en noemen; zoolang zien wij in hen een
+ras, dat van de zuidelijke Afrikanen, de negers, geheel verschilt in
+lichaamsbouw, kleur, haar, in verstandelijke ontwikkeling, in taal
+en in gewoonten. Zij hebben in dat alles veel minder overeenkomst
+met de zwarten, dan met de Arabieren en de andere volken van
+Zuid-Westelijk Azië, die, zooals gezegd is, vermoedelijk reeds in
+de allervroegste tijden hunne beweging naar dit gedeelte der Aarde
+begonnen hebben.--Reeds de oude Grieken beweerden dezen oorsprong
+der inboorlingen van Noord-Afrika uit Azië. Herkules, die onvermoeide
+wandelaar, de halfgod aan wien zij alle groote dingen toeschrijven,
+heeft Aziaten uit Indië, over Arabië naar Afrika gevoerd. Ook de Romein
+Sallustius, die langen tijd proconsul in westelijk Afrika was, en de
+geschiedkundige boeken van Hiempsal, een ouden Koning der Numidiërs,
+liet vertalen, was van meening, dat de Mooren en Numidiërs afstamden
+van Armeniërs, Perzen, Meden en Arabieren, die zich met der woon hier
+gevestigd hadden.
+
+De naam "Mauritaniers" of "Mooren," waarmede de Romeinen, en na hen de
+Spanjaarden en Portugeezen, alle Noord-Afrikanen, zonder onderscheid
+van ras, gewoon waren aan te duiden, zou van Aziatischen oorsprong
+zijn; zelfs de oude naam van het geheele vasteland "Afrika", alsmede
+de reeds door de Grieken opgegevene inheemsche benamingen van het
+groote Afrikaansche gebergte, "Atlas", laten zich uit het Arabisch
+afleiden. Zekerlijk zijn deze Aziaten, die in de allervroegste tijden
+Afrika binnentrokken, even als de vroegste Aziatische bewoners
+van Europa, in zeer van elkander verschillende stammen en volken
+omgezet. Wij mogen in hen wellicht de, met en door elkander vermengde,
+overblijfselen van verschillende kolonie-stichtingen uit Azië, te
+herkennen hebben.
+
+De laatste en ook voor ons, tegenwoordige Europeanen, belangrijke
+inval van Aziatische volkstammen in Noord-Afrika, was die der door
+Mohamed in beweging gestelde en tot den Islam bekeerde Arabieren. Zij
+verspreidden zich tijdens het einde der 7de eeuw, langs de geheele
+kust, over het geheele land, dat zij hun Westland ("Magreb", waarvan
+Marocco eene afleiding is) noemden. Hunne heerschappij strekte zich uit
+tot aan den Oceaan, tot aan de Straat van Gibraltar, van waar zij naar
+het naburige Spanje overstaken en in dat land een inval deden. Dit was
+eene gelijksoortige beweging, als die welke vroeger door de "Hijksos"
+en de voorvaderen der oude Libyërs en Barbarijers bewerkstelligd was.
+
+De Arabieren, en in hun gevolg de Mooren en andere Afrikaansche,
+hun van oudsher verwante, volkeren veroverden, even als eens hunne
+voorgangers, de Pheniciërs en Karthagers, het gedaan hadden, bijna
+het geheele Pyreneesche schiereiland. Tijdens den hoogsten bloei en de
+uitbreiding van hun Kalifaat, bezaten zij ook weder al de voornaamste
+eilanden der Middellandsche zee: Cyprus, Kreta, Sicilië, Sardinië,
+Corsica en de Balearische eilanden, van welke de Grieken beweerd
+hadden, dat zij reeds in de oudste tijden, inwoners uit Afrika zouden
+ontvangen hebben, en die ook, zooals reeds gezegd is, vroeger door
+de Pheniciërs en Karthagers vermeesterd waren geworden. Over deze
+Europeesche eilanden is dus, even als over Spanje, menige stortvloed
+van volken uit Noord-Afrika heengegaan.
+
+Zeer merkwaardig is het, dat de Mohamedaansche Arabieren en Mooren,
+ten tijde hunner grootste uitbreiding, vrij wel een even groot deel
+van Europa onder hunne macht hadden, als de Pheniciërs en Karthagers
+ten tijde hunner grootste macht. Beiden kregen geen vasten voet aan
+deze zijde der Pyreneën; beiden werden in Gallië en in Italië door de
+Europeanen geslagen, de Puniërs door de Romeinen onder de Scipio's,
+de Arabieren door de Germaansche Franken onder Karel Martell. Bij
+beide gelegenheden scheen Europa in gevaar, door Afrika overmeesterd
+en geafrikaniseerd te worden.
+
+De invloed, die deze Afrikaansch-Aziatische inval, onder de zonen
+van Mohamed, op de moderne Europeesche volken gehad heeft, was van
+veel meer belang dan ooit vroeger eene volksbeweging uit diezelfde
+streken, en dat wel reeds daardoor, dat zij in een veel lateren
+tijd plaats grepen, en ook door den langeren duur der Arabische
+heerschappij. Ook kan men den loop van dien invloed, aangaande
+welken wij beter onderricht zijn, duidelijker nagaan. De levendige
+en hartstochtelijke Arabieren begonnen, nadat zij naar alle vier de
+windstreken de schoonste en rijkste landen in wilden haast waren
+doorgetrokken, "nadat zij meer vijanden verslagen hadden dan zij
+tellen, meer land onder hun juk gebracht hadden dan zij beschrijven
+konden", toen zij meer rust hadden, de kunsten en wetenschappen te
+beoefenen. Zij maakten zich meester van de door de Grieken en Romeinen
+opgegaarde schatten van kennis, verzamelden de geschriften hunner
+geleerden, vertaalden die in het Arabisch, bouwden op dezen grond
+verder door, en toonden daarbij meer talent en vlugheid dan de langzame
+Indo-Germaansche volksstammen, die eerst veel later doordrongen in den
+klassieken geest en de wetenschap der oudheid. De Arabieren voerden,
+terwijl zij de fakkel der geleerdheid, die bij de overige volken nog
+bitter weinig licht verspreidde, tot zich trokken, de eerste ver om
+zich heen grijpende _renaissance_ of wedergeboorte der wetenschappen
+aan. Zij hadden het merkwaardige en grootsche spreekwoord: "de menschen
+zijn òf geleerd òf zij zijn leerlustig. Alle andere menschen zijn
+nietige muggen." Tot in Tartarije en de Mongoolsche landen, ja zelfs
+tot in het afgeslotene China, werden door hen de edelste schatten
+van kennis, en de fraaiste denkbeelden van den menschelijken geest
+overgebracht. En evenzoo ontgloeide hun voorbeeld de Europeanen,
+onder wie zij in Spanje, in Sicilië en elders, ver om zich heen
+lichtverspreidende scholen, waarin zoo wel de goede smaak als het
+verstand ontwikkeld werd, stichtten.
+
+Deze Arabische akademiën, waarin zij aan de Musen een nieuw tehuis
+bereidden, b.v. die van Cordova, Sevilla en Grenada in Spanje, de
+scholen van Salerno in Italië, die door Arabische geleerden, die alle
+doode en levende talen der wereld lezen en schrijven konden, op het
+toppunt van glans en aanzien gebracht werden, werden in de elfde en
+twaalfde eeuw bezocht, niet alleen door Mohamedanen uit alle deelen
+van Afrika, zelfs uit het binnenste gedeelte van Fez en Marocco,
+maar ook door Christenen uit alle oorden van Europa, zelfs door
+mannen die bestemd waren eens de driedubbele kroon van het Pausdom te
+dragen, op gelijke wijze als later het Italiaansche Bologna en daarna
+Parijs en de Duitsche universiteiten. Zij, die, door de Arabieren
+goed onderwezen en met rijke kundigheden en geestesgaven toegerust,
+terugkeerden, werden door de onwetende Europeanen Magiërs genoemd
+en door hen dikwijls als heksenmeesters vervolgd. In het begin der
+14de eeuw richtte men in verscheidene Europeesche steden, in Parijs,
+Bologna, Oxford en Rome leerstoelen voor de Oostersche talen op,
+ter ontginning der mijnen van Arabische beschaving.
+
+De grootste verdienste verwierven zich de Arabieren in de wiskunde,
+de natuurwetenschappen en de artsenijkunde, met betrekking tot welke
+vakken zij in nog hoogere mate de onderwijzers van Europa geworden
+zijn, dan de Grieken en Romeinen het geweest waren. De _algebra_ en
+de _chemie_ noemen wij nog heden ten dage met Arabische namen. In de
+astronomie, eene wetenschap die hare wieg heeft onder den helderen
+hemel, in de onbewolkte schitterende atmospheer van Noord-Afrika,
+Egypte en Arabië, gebruiken wij nog dagelijks de Arabische woorden:
+"Nadir," "Zenith," "Azimuth," "Almanak" enz.
+
+De rekenkunst hebben wij nagenoeg geheel alleen aan de Arabieren te
+danken, en zoo ook de, misschien in Indië uitgevondene teekens der
+getallen, die zooveel doelmatiger waren dan die, welke bij de oude
+Romeinen en Grieken in gebruik waren. Ook de benaming "cijfer" is
+van Arabischen oorsprong; even als de teekens zelve aan de gestalte
+van den kameel hunnen oorsprong zouden te danken hebben. Ook in de
+chemie zijn verscheidene dagelijks gebruikt wordende uitdrukkingen
+van Arabischen oorsprong, zooals de woorden: "Alkohol," "Alkali,"
+"Elixer" en vele andere.
+
+In de uitoefening van vele kunsten echter waren aan de Arabieren,
+door de voorschriften van Mohamed de handen gebonden, zooals
+b.v. in de schilder- en beeldhouwkunst, daar het hun verboden was,
+het menschelijk gelaat en het omhulsel van den menschelijken geest,
+tot voorbeeld te kiezen. Toch leverden zij ook daar, waar zij zich
+op dit gebied vrij ontwikkelen konden, zooals b.v. in de bouwkunst,
+veel schoons en groots.
+
+In de door hen en naar hunne ideën gebouwde tempels, in Azië (b.v. de
+groote moskee te Damascus)--in Afrika (b.v. de prachtige moskee van
+Kairwan) en in Europa (b.v. de beroemde moskee van Cordova) voegden zij
+aan de zeven wonderen der wereld nog geheel nieuwe toe. Door Spanje
+werkten hunne door ieder bewonderde bouwmeesters, ook op het overige
+Europa in, en veel van wat wij den Gothischen stijl en smaak noemen,
+is eigentlijk niets dan een ideé en eene uitvinding der Arabieren.
+
+De taal der Arabieren werd, en zulks kon bij al hun streven naar
+ontwikkeling moeielijk anders, voor alle takken van menschelijke
+wetenschap en kennis, meer beschaafd en verfijnd dan eenige
+andere van dien tijd. Alleen aan de muziek, die noch door hunne
+godsdienstplechtigheden, noch door hunnen nationalen aanleg in
+de hand gewerkt werd, schijnen zij weinig gedaan te hebben. "Van
+oudsher waren de Arabieren meer redenaars en dichters, dan zangers,
+musici en kunstenaars. Voor rhytmus en melodie in de taal hadden de
+Arabieren, wier volks-poezie zeer oorspronkelijk en eeuwen oud was,
+en die het eigendommelijk kenmerk van hun vurig en phantastisch
+nationaal-karakter droeg, steeds het fijnste gevoel, en daarvoor
+maakten zij dan ook het nog ruwe oor der Europeanen het eerst weder
+toegankelijk." De Provençaalsche dichtkunst werd, toen het eerste
+morgenrood van Nieuw-Europeesche poezie en literatuur in de 12de en
+13de eeuw weder gloorde, aan de Europeesche naburen der Arabieren, door
+deze hunne vijanden tegelijkertijd opgedrongen en opgezongen. Even als
+deze ontleenden ook de Katalonische en Siciliaansche dichterscholen,
+de bronnen der Spaansche en Italiaansche poëzie, hun vuur aan de
+punten van aanraking der christelijke met de Arabische wereld. En
+zoowel in deze "_gaya siencia_" (de vroolijke kunst), als in hunnen
+bouwstijl, in de mathesis, geneeskunde en chemie werden de Arabieren
+ook in velerlei andere vakken tot voorbeeld genomen.
+
+Zij brachten niet alleen de fraaiste paarden-rassen naar Europa--zij
+waren niet alleen zelven de uitstekendste ruiters en ridders--zij,
+die, stoute heldendaden verrichtende, overal in de wereld naar
+avonturen zochten, bevorderden ook dikwijls bij de Europeanen dien
+zelfden lust naar avonturen, die zelfde ridderlijkheid, dien zelfden
+trek naar groote daden. Bij hen ontwikkelde zich (ten deele althans)
+dat, wat wij echter even goed de "Arabische geest" zouden kunnen
+noemen. De instellingen onzer Europeesche ridderschap waren meerendeels
+navolgingen, van hetgeen reeds lang bij de Arabieren gebruikelijk
+was geweest. En wanneer ook al onze ridderschap in hoofdzaak een
+Germaansch-Romanische instelling moge geweest zijn, zoo geraakte
+deze toch eerst tot volkomenheid, toen Noordsche manhaftigheid de
+gloeiende geestdrift met den glans en de hoffelijkheid der Oostersche
+verfijning, overgenomen had. De oorlogen die de Europeanen gedurende
+hunne kruistochten, in het Zuiden en in het Oosten met de Arabieren
+voerden, dwongen hen onwillekeurig, veel van de militaire gebruiken
+en de krijgskunst der Arabieren over te nemen. Onze christelijke
+ridderorden zijn het eerst aan den rand der breede grenslinie van den
+strijd met de Saracenen, in Spanje, in Egypte of in het Heilige Land,
+ontstaan. De Tempelridders kwamen er rond voor uit, dat zij hunne
+orde-voorschriften aan de Muzelmannen ontleend hadden. Ook de wapenleer
+(heraldiek) is door de Arabieren en Mooren tot ons gekomen, en onder
+anderen is, volgens de onderzoekingen van den Vicomte de Beaumont,
+de beroemde lelie in het wapen van Frankrijk van Oosterschen oorsprong.
+
+Vooral niet minder merkwaardig en van niet minder ingrijpenden aard,
+was de van de Arabieren uitgaande inwerking op den Europeeschen
+handel en op industrie. Arabische zeevaarders, kooplieden en hunne
+vlooten zeilden en verkeerden in de 9de en 10de eeuw door al de
+drie deelen der Aarde, aan de eene zijde in den Atlantische Oceaan
+en aan de andere zijde tot naar Oost-Indië en China. Zij brachten
+de uiteinden der wereld tot elkander, en dreven ruilhandel met de
+verst verwijderde volken. Zij waren de aanvoerders der karavanen in
+het binnenland van Afrika, zij begeleidden ook de karavanen tot in het
+hart van Azië. De handelstakken van bijna alle andere volken der Aarde,
+met name ook de Europeesche, waren eveneens niets dan vertakkingen
+van den grooten Arabischen wereldhandel, waarvan de Genueesche en
+Venetiaansche handel eveneens afstammen. Ook het handelsverkeer
+door Rusland langs de Wolga tot aan het oude Nowgorod en het in de
+nabuurschap der Samojeden bloeiende "Biarmie" was een tak van dien
+machtigen stroom, en daar aan het strand der IJszee en der Oostzee,
+worden nog heden Arabische munten gevonden.
+
+Zooals eens die munten, zoo zijn ook nu nog bij de door ons, en
+bij alle Europeanen zonder uitzondering, aangenomene termen, vele
+uitdrukkingen in zwang, toepasselijk op handel en zeevaart, die van de
+Arabieren afkomstig, en door bemiddeling der Italianen en Spanjaarden
+aan onze taal toegevoerd zijn: "admiraliteit", "arsenaal", "tarief",
+"magazijn", "karavaan", "bazar", zijn enkele der hiertoe behoorende
+woorden, zoo ook de namen der beroemde winden: "monsum", "sirocco",
+"samum", waarmede de Arabische schepen zeilden. Ook velen der wijd
+en zijd verbreide waren en produkten, hebben door alle tijden heen
+Arabische benamingen gehouden, zooals de suiker (_alzucar_), die de
+Arabieren ons het eerst leerden kristalliseeren; de koffij (_kawe_),
+die zij sedert onheugelijke tijden in Gelukkig Arabië verbouwden;
+de kamfer en het lak, dat hunne kooplieden uit Indië aanvoerden;
+zoo ook de "safraan", de "artisjok", de "jasmijn", de "tamarinde", de
+"boomwol", (_katoen_, _al guoton_) en de daarvan vervaardigde stoffen
+"mousselin", en "calico". Even zoo zijn de "gazelle", de "giraffe",
+de "civet-kat" en nog eenige andere dieren, in de Europeesche
+woordenboeken met Arabische namen aangeduid.
+
+Ook in verschillende takken van nijverheid zijn de Arabieren
+voorbeelden en onderwijzers der Europeanen geworden. Zoo waren
+zij b.v. gedurende een gedeelte der midden-eeuwen de voornaamste
+en bekwaamste bewerkers der zijde. De Arabische zijde-weefsels
+uit Almeria in Spanje, waartoe Marocco de grondstof leverde,
+waren beroemd. Het is bekend, dat reeds de ouden hunne kostbaarste
+purperkleurige kleedingstukken uit Phenicië kregen, en zoo was het
+ook weder in de midden-eeuwen. Gouden treswerk en boordsels, fraai
+gekleurde tapijten, gouden en zilveren draadwerk, kostbare weefsels,
+waarin sierlijke patronen met gouddraad waren ingeweven, kwamen
+nagenoeg alleen van de zoogenaamde "Saraceenen" (Oosterlingen),
+d.i. Arabieren en hunne naburen. De Noormansche Koningen in
+Beneden-Italië en hunne Hohenstaufsche opvolgers, hadden groote en
+wereldberoemde katoen- en zijdefabrieken in Palermo. De teekenaars
+en de werklieden in deze fabrieken waren Saracenen. De Oostersche
+smaak in de versieringen, en de ingeweefde Arabische spreuken geven
+dit genoegzaam te kennen. Deze fabrieken leverden de prachtgewaden
+voor de Koningen en Grooten van Europa. Van hen is onder anderen ook
+een deel der kroonings-ornamenten der Duitsche Keizers afkomstig. De
+Arabische inrichtingen in Palermo werden de leerscholen voor de
+zijde- en tapijtweverijen in Opper-Italië. En van hieruit kwamen deze
+oorspronkelijk Arabische kunsten in de vijftiende eeuw naar Nederland,
+waar zij verder tot bloei en volmaking kwamen.
+
+Ook met de kunst, reukwerken te vervaardigen, met het distelleeren
+van wijn, hebben de Arabieren ons Europeanen bekend gemaakt, en het
+is overbekend dat het eerste mechanische uurwerk, dat noordelijk
+van de Middellandsche zee gezien werd, uit Arabië afkomstig was;
+zooals vermoedelijk ook de eerste invoering van het buskruit en van
+het kompas, deze in de geschiedenis der beschaving zoo buitengewoon
+belangrijke uitvindingen, aan de Arabieren moeten toegeschreven
+worden. Uit dit alles ziet men dus, dat even als de toenmalige dichters
+van Europa, Arabische vertellingen en riddergeschiedenissen in hunne
+romans inweefden, evenzoo onze kunstenaars en werklieden in hunne
+voortbrengselen, Arabische phantasiën tot thema namen; dat even als
+in de verzen der Provençalen en Troubadours, Arabische beeldspraak
+weerklonk, zoo ook onze Keizers en Koningen Arabische borduursels en
+sieraden op schouders, borst en gordel droegen, en dat even als de
+ridders en krijgslieden, zoo ook de geleerden en wijzen van Europa,
+meermalen de zeden en wetten overnamen van de uit Afrika overgekomene
+veroveraars.
+
+De Europeanen hebben zich echter bij deze door alle tijden
+terugkeerende zamensmelting der beide, in het zuiden naburige
+vastelanden, niet altijd alleen passief gedragen. Zij hebben
+de Puniërs, de Egyptenaren, de Saraceenen niet alleen bij zich
+afgewacht. Ten allen tijde zijn zij zelven op verscheidene punten
+hun uitgestrekt vaderland binnengedrongen, en zijn zij, doordien zij
+herhaalde malen verscheidene gedeelten der Afrikaansche kustlanden
+met hunne Europeesche landen in aanraking brachten, met hen in inniger
+samenhang gekomen en hebben zij Afrikaansche zeden en bloed van daar
+naar hier overgebracht.
+
+De in het zuiden van Europa gelegene schiereilanden Griekenland,
+Italië, en Spanje, waren bij voorkeur de bruggen, waarlangs
+hunnerzijds de Europeanen zich naar Afrika begaven. Men zou deze
+schiereilanden en de eilanden-keten Sardinië, Corsica en Sicilië,
+in zekere mate kunnen vergelijken met groote stukken druipsteen, die
+van het hoofdlichaam van Europa in de diepe grot der Middellandsche
+zee afhangen. De Afrikaansche kust, die overal dezelfde gedaante
+heeft en in eene rechte lijn doorloopt, is dan de vlakke bodem van
+deze grot. Even als het kalkwater langs de druipsteenen afvloeit,
+en op den bodem der grot duidelijke figuren vormt, zoo hebben ook
+altijd de Europeesche volken langs die landen getracht naar buiten te
+komen, en is daardoor tegenover de uiterste punten een Afrikaansch
+Griekenland, een Afrikaansch Italië of Spanje ontstaan. Zoo kwamen
+reeds in de oudste tijden, na de vernietiging van Troje, Hellenen op
+het Afrikaansche schiereiland Barca, dat juist onder hun land ligt,
+en stichtten daar hunne beroemde kolonie, Cyrene. Zoo kwamen ook
+de Romeinen, reeds spoedig in de eerste tijden hunner toenemende
+grootheid, in aanraking met dat gedeelte van Afrika, dat juist onder
+hun schiereiland Italië lag. Over Sicilië gaande, togen zij naar
+Afrika, vernielden Carthago en onderwierpen zich dat Afrikaansche
+land. Zoo zijn insgelijks de Spanjaarden--ook weder in onze dagen--over
+de straat van Gibraltar--het dichtst bij hen gelegen gedeelte van
+Afrika, het zoogenaamde Tingitanische schiereiland, binnengetrokken
+en hebben het dikwijls, als behoorende aan hun moederland, als het
+_Hispania Transfretana_ (het Spanje aan gene zijde van de straat)
+bezet.
+
+Hadden de Europeanen eerst op een zoo in hunne nabuurschap gelegen
+punt vasten voet gekregen, dan breidden zij zich vervolgens, even
+als de uit Azië komende veroveraars, over de geheele noordkust,
+of ten minsten over groote terreingedeelten er van, uit. De Grieken
+stichtten van Cyrene uit, langs dezen kustrand, vele andere koloniën,
+en deze Afrikaansche Grieken, die, naar de uitdrukkelijke getuigenis
+der oude schrijvers, allen zich, nevens hunne Europeesche moedertaal,
+ook de Afrikaansche hadden eigen gemaakt; die ook naar hunne zeden en
+gewoonten van tweeërlei natuur, halve Europeanen en halve Afrikanen
+waren, vormden langen tijd een belangrijk verband tusschen de beide
+werelddeelen. Na de Grieken onderwierpen de Romeinen de geheele
+noordkust van het vasteland van Egypte tot aan Marocco, stichtten er
+eene reeks bloeiende koloniën en verdeelden haar in verscheidene,
+op Europeesche wijze bestuurde en bebouwde provinciën. Zij maakten
+zich daar zoo inheemsch, dat er bijna geen onderscheid was tusschen
+de Romeinsche provinciën langs de noordelijke, en die langs de
+zuidelijke kust der Middellandsche zee. Zij drongen ook dieper het
+land in en haalden van daar de Getulische en Numidische ruiters,
+die zij bij hunne legers inlijfden en waarmede zij in alle deelen
+van ons vaste land oorlogvoerden.--Hunne Afrikaansche legioenen,
+hunne zouavenregimenten, waarin zich zoowel Romeinsche Afrikanen als
+inboorlingen van Afrika bevonden, toonden in vele op Europeeschen bodem
+geleverde veldslagen, eene groote mate van onstuimige dapperheid en
+eene bijzondere geschiktheid, die zij zich op de leeuwenjachten en in
+de eeuwige guerilla-oorlogen der woeste stammen, in de rotsgebergten
+van Getulië hadden eigen gemaakt.
+
+Na de Romeinen, tijdens de volksverhuizing, vermengden zich, al
+was zulks ook maar van voorbijgaanden aard, zelfs de Germanen, de
+bewoners van het noorden van Europa, met de Afrikanen. De Vandalen
+werden van den Oder, over Spanje, tot naar Mauritanië teruggeworpen,
+en zij beheerschten eens zoowel de Europeesche landen ten noorden van
+de zuilen van Herkules, als de Afrikaansche landen ten zuiden er van,
+oostwaarts tot voorbij Carthago. Onder hunnen Koning Genserik keerden
+zij, door Afrikanen vergezeld en zelve waarschijnlijk gedeeltelijk
+geafrikaniseerd, naar Europa terug, en brachten de voornaamste stad
+van ons werelddeel ten onder, van uit dezelfde haven (Carthago), die
+eens door de Europeanen, van Rome uit, een zoo hard lot te verduren
+had. Nog in latere tijden heeft men, in eenige blondharige bergvolken
+van Afrika, nakomelingen dezer Germanen willen zien.
+
+In den bloeitijd der Arabische macht, die de Duitsche volksverhuizing
+op den voet volgde, was de heerschappij der Europeanen meer dan
+ooit van Afrika uitgesloten. Nadat echter het groote Arabische
+Kalifaat, even als het Romeinsche rijk, uiteengespat was, gedurende
+de kruistochten in de 12de en 13de eeuw, vielen om zoo te zeggen, de
+Europeesche volkeren weder midden in het Zuiden en in het Oosten. In
+Syrië, Palestina, op de eigentlijke noordkust van Afrika, in Egypte,
+in Tunis en Marocco verschenen zij ontelbare malen onder de banier
+van Lodewijk den Heilige en andere Koningen, tot op de tijden van
+Keizer Karel V en Sebastiaan van Portugal, en brachten van daar
+terugkeerende, zuidelijke gewoonten, zienswijzen, zeden, natuur-
+en kunstproducten naar Europa.
+
+Onder de langdurige heerschappij der Turken, kwam vervolgens de geheele
+reeks van schoone Afrikaansche landen, wier ontwikkeling vroeger,
+zoowel onder de Carthagers als onder de Grieken en Romeinen en later
+ook onder de Arabieren, zoo op Europeesche wijze gebloeid had, weder
+tot den toestand der oude barbaarschheid. De zoogenaamde roofstaten
+ontstonden, en gedurende verscheidene eeuwen betraden Europeanen den
+Afrikaanschen bodem niet anders dan als slaven en krijgsgevangenen. Dit
+is eindelijk eerst weder in onze 19de eeuw veranderd, want nu zijn
+de Romaansche volken andermaal begonnen zich over de tegen hen over
+liggende kusten op nieuw te verspreiden.
+
+Sedert 1830 zijn de Franschen, die zich somwijlen als de erfgenamen
+der Romeinen beschouwen, het land binnengerukt en hebben er een
+Europeesch-Afrikaansche kolonie gesticht. Zij hebben daar den toegang
+gebaand aan de nakomelingen der eertijds daar zoo gevreesde Germanen,
+aan de nijvere Duitsche landbouwers, die nu door vlijt en weldaden
+de misdragingen hunner Vandaalsche voorvaderen doen vergeten.
+
+Sedert eenige jaren zijn de Spanjaarden het voorbeeld der Franschen
+gevolgd. Vol geestdrift hebben zij de oude veete en den zelden
+afgebroken naijver tusschen Europa en Afrika weder opgerakeld, en
+schijnen, indachtig aan de vroegere overleveringen van hun land, hun
+"Afrikaansch Spanje" weder te willen veroveren.
+
+Napoleon III heeft van daar zijne Afrikaansche legioenen, de regimenten
+zouaven of Afrikaansche Europeanen en de horden der woeste Turco's,
+(inboorlingen, geboren leeuwenjagers van het land) naar ons werelddeel
+overgevoerd en met hunne hulp in 1859 zijne snelle overwinningen in
+Italië behaald.
+
+Dit is nagenoeg een kort overzicht over de groote rij van
+gebeurtenissen, die tot de zamenvlechtingen en zamensmeltingen der
+Europeesche en Afrikaansche volks-elementen geleid hebben. Wel zijn
+de resultaten van vele dezer zamensmeltingen weder weggevaagd, of
+beter gezegd: zij zijn zoo in de Europeesche atmosfeer vervlogen, dat
+zij niet meer opgediept en nauwkeurig nagegaan kunnen worden. Maar
+er zijn ook streken in ons werelddeel, waar de resultaten van dat
+langdurig verkeer met Afrika nog min of meer merkbaar zijn, en die
+wij in zekere mate als een midden tusschen ons in gelegen streek
+Saraceenen-land, of ten minste als eene zichtbare Afrikaansche tint,
+op het gelaat onzer volken kunnen beschouwen.
+
+Ten slotte wil ik trachten, deze nu nog meer of minder Afrikaansch
+gekleurde deelen van Europa aan te duiden: bij onze Europeesche Turken
+is de Arabische taal het orgaan van godsdienst en geleerdheid. Bij
+den Turkschen stam zelven is nog veel vermomd Arabisch bloed,
+en bij hunne legers, aan den Hellespont zoowel als aan den Donau,
+dient nog menig Arabier, Egyptenaar en Moor. Ook verschijnen in
+hunne handels-havens niet zelden Arabische kooplieden, zooals ook
+op hunne galeien, slaven en gevangenen uit alle landen ten noorden
+van de woestijn. In het overige niet Turksche Europa, bestaan nog
+enkele punten, waar de Saraceenen nog heden ten dage, zoo te zeggen
+in persoon, ofschoon met aanzienlijk veranderde nationaliteit en
+gewoonten, bestaan. Op Malta b.v. heeft het volk, zooals bekend is,
+een Arabisch dialect, en iets dergelijks kan men ook opmerken bij
+de bewoners der Balearische eilanden, die zoo dikwijls in handen der
+Afrikanen waren, en wier gewoonten en taal nog altijd eene Arabische
+tint hebben.--De bevolking van Zuid-Italië en die der groote eilanden
+Sicilië, Sardinië, Corsica, die in den loop der tijden zoo dikwijls
+en zoo lang onder den invloed van Afrikaansche rassen stonden, duidt
+nog heden menig Arabisch en Afrikaansch element aan.
+
+Veel bij de hedendaagsche bewoners van Sicilië en van het naburige
+Abruzzo, doet eerder aan het Oosten dan aan Europa's christelijke
+landen denken. Half barbaarsche stam-hoofden, Palikaren en Klephten,
+komen hier onder veranderde namen voor.
+
+De bewoners der bergen van het binnenland van Sardinië ten tijde
+der Romeinen, beschreef Strabo ongeveer zoo, als wij tegenwoordig
+de Kabylen van Noord-Afrika kennen. "Beschaving," schrijft hij,
+"is in Sardinië alleen aan de kusten te vinden. De bergbewoners
+echter leven alleen van veeteelt en roof, zij zijn ruw en schuw als
+het wild." En wat deze Romein van de half Afrikaansche natuur der
+oude Sardinische bergbewoners van voor 2000 jaren zegt, dat geldt in
+meerdere of mindere mate ook nog ten huidigen dage van hen.
+
+Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk
+der "corsaren" (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het
+binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude
+oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht,
+bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting
+voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen,
+ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren,
+en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de
+andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur
+van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van
+het lichaam der zoogenoemde "Italiaansche" eilanders schijnt er op
+te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar
+Europa zijn.
+
+En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft,
+deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen,
+nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen
+bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje,
+de Mooren en Morisco's van hun land, op eene allerwreedaardigste
+wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen
+die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te "zuiveren,"
+zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de
+bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen
+doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde
+der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van
+Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker
+wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte
+sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone
+dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen,
+reeds door Arabische dichters bezongen.--Zeer veel in de levenswijze,
+kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het
+zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen
+oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken
+zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd
+zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir,
+Arabisch _Werd al Kebir_ (het groote water); steden, b.v. Gibraltar,
+Arabisch "_Dschebel al Tarik_" (de rots van Tarik); provinciën,
+b.v. Algarvië, arabisch _El Garb_; bergketens b.v. de Alpujarras,
+Arabisch _Alboscharat_. Een zeer beroemd bergland heet nog heden het
+_Moorsche_: "Sierra Morena."
+
+Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen
+uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk
+aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis
+is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden,
+afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen
+oorsprong duidelijk verraden. _Piz del Moro_ (de top der Mooren),
+_Monte-Moro_ (de Mooren-berg), _Fontane More_ (de Mooren-bronnen),
+en de plaats-namen "Allalie," "Alangel," "Algabi" zijn eenige der
+Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in
+Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige
+Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk
+in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden
+en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in
+954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden
+deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren
+verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners,
+volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische
+afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden,
+taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen
+niet meer verschillen.
+
+Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter
+bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding,
+die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der
+boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het
+verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven
+post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden
+uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en
+zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen
+kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk.
+
+
+
+
+
+OOSTELIJKE NABUREN VAN EUROPA.
+
+TARTAREN, MONGOLEN, ENZ.
+
+
+Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet
+alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa
+vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van
+den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte
+zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van
+Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het
+Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee
+tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had
+deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan
+zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke
+grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De
+ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte
+zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in
+afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige
+engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd,
+het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met
+Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder
+westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede
+opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den
+zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene
+der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee
+liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem
+ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid
+nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest
+is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond,
+die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de
+overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze
+onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot
+aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen
+bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen,
+die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien.
+
+In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid,
+zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt
+zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In
+het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door
+het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste
+vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de
+oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in
+welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee
+zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste
+diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren,
+nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander
+von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een "afgrond"
+van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste
+streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een
+kolossalen, wijdgeopenden "krater". Vroeger noemde men het naar de
+beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken,
+ook wel het "Aralo-Kaspische bassin", of ook wel de "lage vlakten
+van Turan", naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als
+"het land der duisternis", in tegenstelling met Perzië of Iran zelf,
+dat beteekent "het land des lichts".
+
+Uit den "afgrond" der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van
+het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele
+scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich
+stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen
+en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van
+dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene
+landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het
+Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en
+van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen
+deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland,
+vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen,
+terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen,
+die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun
+vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en
+in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.
+
+Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt
+hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te
+bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met
+de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden
+en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die
+reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken,
+die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden
+Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters
+bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende
+Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als
+zoodanig de "Massageten" genoemd, en later nog ontelbare andere
+stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd
+met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan
+gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste
+van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het
+Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste
+tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn "Gobi", die van
+"Schamo" of de door de Chineezen zoo genoemde "zandzeeën".
+
+Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke "zand-zeeën," door de passen
+der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten
+zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en
+nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden
+naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden
+zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even
+als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden
+zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal
+verwoesting aan te brengen.
+
+Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden
+zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren
+aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier
+eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede,
+komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.
+
+Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen
+en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de
+geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en
+dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede
+zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van
+China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar
+het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems
+der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.
+
+Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde
+malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit
+het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich
+door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur,
+steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde
+bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid
+weten te bewaren.
+
+Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië,
+Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en
+overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn
+gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord
+geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid
+en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.
+
+Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als
+een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel
+van Azië, als een der Aziatische schiereilanden ("zooals Bretagne een
+aanhangsel van Frankrijk is," zegt Humboldt) beschouwd is geworden;
+dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een
+gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in-
+en uitgetrokken, als de schiereilanden China en Indië, als maakte
+het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied,
+waarop zij meenden recht van grazen te hebben.
+
+Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van
+ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide
+vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt
+moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van
+uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen
+als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal
+in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een
+aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken,
+Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods,
+de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen,
+als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop
+kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in
+het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige
+opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen
+heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder
+de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche
+krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering
+gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius
+op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder
+Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten
+bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren
+geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.
+
+Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren
+na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest
+zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen
+verschenen, het meest verspreid geworden.
+
+De ruiters van Attilla werden _Hunnen_ genoemd. Dezen naam hebben zij
+van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het
+Hemelsche rijk noemden hen "Hungnu" of "Hiongnu," en daar zij onder
+dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en
+van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft
+men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met
+hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat,
+even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen
+onder den algemeenen naam "Skythen" aanduidden.
+
+Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden
+onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam "Tata" of
+"Tatar" beroemd onder hen geworden. "Tata" was oorspronkelijk de
+naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en
+de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij
+de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in
+gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische
+Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en
+toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen
+werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver
+Aziatisch "Tata" luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis
+aan den Tartarus herinnerde, nog eene "r." "Wees getroost," had Koning
+Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze
+hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid
+om bijstand smeekte--"wees getroost! want de hemelsche genade zal
+in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners
+in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen,
+terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het
+paradijs zenden zullen." Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd
+en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan
+kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn,
+en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke
+Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de
+Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren,
+"Franken" noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer
+van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van
+elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk
+ras, dat den naam, "Turken" verkreeg, en eene meer oostelijke groep,
+die den naam "Mongolen" droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan
+zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner
+dappere strijdmakkers. "Ik wil", zeide hij, "dat dit mijn met een
+edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw
+was, 'Mongol' d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het
+verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt." Weldra beroemde
+zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den
+nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. "Mongolen en Mongolei"
+werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte
+heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk
+geslacht aangeduid.
+
+Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige
+rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche
+rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en
+volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden,
+nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde,
+die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene,
+in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe
+aanleiding van de groote beweging.
+
+In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre
+vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door
+zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt
+opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige
+knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij
+brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met
+de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in
+den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest
+die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer
+strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.--Hij
+vereffent ze,--verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk,
+die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen
+de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor
+hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij
+voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur
+en te zwaard. Vrijwillig en uit vrees onderwerpen zich vervolgens
+vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, "Temudschin"
+genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem
+weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.--"Het volk
+staat op, de storm breekt los," en de op de grassteppen levendig
+geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle
+grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.
+
+
+ Uit de rotskloof bruischt de bergvloed
+ Woedend, dondrend, naar benêen,
+ Met zich voerend in zijn stortvloed
+ Eikenboomen, brokken steen.
+
+
+Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere
+en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen,
+doortrekt met zijne "Tartarus-zonen" de prachtigste dalen, plundert
+met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat
+hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen
+drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt,
+"het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen
+deelen." Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader
+en verkondigt in eene groote, "Kuraltaï" (een Mongoolsche rijksdag)
+aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land
+dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af "Chakan"
+(Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.
+
+Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels
+zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen
+van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat,
+met zich medevoert. "Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten," zoo
+zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, "voor ik geheel Azië
+als een kleine molensteen rond kan draaien."--Hij onderwerpt de halve
+wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen
+en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd
+door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te
+danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen
+menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.
+
+Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook
+de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die
+in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel
+als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig
+spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig
+in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd
+en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder
+verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij
+hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals
+de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen
+ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen
+Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden
+volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: "zoo
+gewonnen, zoo geronnen" aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen
+op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen
+en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof
+aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen,
+dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in
+massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat
+geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats,
+evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een
+steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer
+beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne
+verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne
+maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.
+
+Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend
+genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden
+staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom,
+midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument
+begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht
+uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in
+het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.
+
+Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche
+volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te
+gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen
+verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische
+volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven,
+kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog
+gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor
+weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen
+doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder
+Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de
+bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage
+niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan,
+daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne
+Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche
+machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte
+dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde "Chanaat
+van Kiptschak", de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van
+de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou,
+en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en
+Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als
+Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd,
+omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats
+"Saraï" aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond,
+met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.
+
+De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende
+ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij
+de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de
+Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de
+Tartaren, op de Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi
+(in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte,
+het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven
+grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne
+zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste
+en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische
+bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich
+dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder
+anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen
+en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische)
+Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga
+reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den
+rug te buigen.
+
+Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en
+Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en
+met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd
+hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog
+somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.
+
+Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis,
+dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van
+den "hinkenden man met den ijzeren voet", Tamerlan of Timurlenk,
+die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan
+een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.
+
+Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend
+Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van
+Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte
+slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië
+terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in
+zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond
+gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa
+hem aanbieden konden.
+
+Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht
+der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de
+Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht,
+en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich
+het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten
+op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.
+
+Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd
+levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol
+werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische
+steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten
+in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan
+aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den
+val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch
+leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde,
+de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers
+van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van
+ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen.
+
+Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer
+dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog
+eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen,
+ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische
+hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.
+
+Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne
+verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten
+uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan
+van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische
+linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort
+tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden
+dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het
+ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat
+gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij
+aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar
+uit had ons werelddeel--voor de eerste maal in de geschiedenis--eene
+sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen
+nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa
+plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit
+het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die
+geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na
+het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische
+heerschappij onderworpen.
+
+Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa
+binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische
+veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten
+werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en
+deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het
+meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne
+taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest
+en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer
+of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde,
+grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan
+den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en
+2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije
+genoemd worden.
+
+Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere
+reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het
+leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de
+hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren,
+nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner
+Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne
+Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische
+of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en
+is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af,
+als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer
+fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.
+
+Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen
+gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen
+zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds
+bij die legers, waarmede Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa
+binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of
+Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch
+ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der
+troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van
+ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen
+bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen
+was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten,
+die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche
+afkomst zijn.
+
+Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste)
+de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren
+verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in
+Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar
+ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig
+met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn
+zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste
+Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden,
+smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol,
+hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land
+verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles
+is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder
+hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist
+zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst
+tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons
+Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van
+hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen,
+die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder
+nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen
+veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters
+der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij
+hen wonende vreedzame element naar boven werkten.
+
+Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen
+gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen;
+daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote
+rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier
+in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod,
+kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne
+Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij
+tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die
+oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij
+goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers
+en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland,
+midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine
+door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten
+van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van
+Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne
+bevolking, zich met der woon deden vestigen.
+
+Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt
+zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar
+bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die
+de zuidelijke helft van het Taurische schiereiland vormt en met den
+schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden "zuid-oever",
+in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen
+der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine,
+vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne
+gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen
+godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste
+fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden,
+vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden
+van den "Tschatirdag" en de andere hooge toppen van het Taurisch
+gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven,
+in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het
+zoogenaamde "rooversnest", der eens door de Russen zoo gevreesde Chans,
+uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.
+
+Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche
+Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in
+Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en
+Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der
+ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de
+uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch
+zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge
+van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een
+geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen,
+dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met
+dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de
+Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de
+Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens
+voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist
+dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras
+en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke
+scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.
+
+Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland,
+zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner
+aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige
+bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden
+van den Kaukasus en de Krim.
+
+Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft,
+ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een
+hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of "Kalimik", d.i. de
+afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven
+"Oeloeth" noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden
+als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen,
+veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de
+eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel,
+en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten,
+maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken
+male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in
+kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging
+bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet
+zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan,
+naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond
+in de 17de eeuw onder de Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming
+van den Chineeschen Mantschu-keizer.
+
+Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen
+het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen
+Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in
+het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom
+sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van
+het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of
+van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens
+hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.
+
+Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de
+vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht
+voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg
+liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische
+volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703
+in de nabijheid van het Russische gebied aan.
+
+In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij
+zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun
+aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden
+konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie
+aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt
+zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.
+
+Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd
+in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk
+verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders
+waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in
+Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel
+vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den
+Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun
+besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van
+50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen--ten getale van, naar hun zeggen,
+meer dan 300,000 "monden"--verhieven hunne standaarden en vluchtten
+met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals
+de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door
+de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt:
+"de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en
+gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid
+des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk
+vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te
+genieten." Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk,
+dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij,
+in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep,
+nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de
+toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt.
+
+Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en
+zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene,
+die men om hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond,
+hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste
+en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de
+veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en
+waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en
+veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen
+geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en
+de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte
+van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen.
+
+Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten
+boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den
+zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon,
+in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten
+zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder
+Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels,
+men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten,
+en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den
+zadel malsch te zitten.
+
+Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer
+men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan
+ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den
+zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen,
+maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij
+er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham
+kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den
+stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig
+wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer
+wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan,
+juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden
+Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en
+kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk
+stipt nakomen.
+
+Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking
+men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. "De
+melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders,"
+zegt een Chineesch geschiedschrijver, "als zij in den stillen nacht
+over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld
+zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen."
+
+Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het
+Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige
+Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt
+gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts
+zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier
+van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een
+volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is;
+zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in
+Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den
+Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij
+de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze
+groote rijken. Wegens hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers
+deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden.
+
+Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de
+volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en
+toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken
+met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië,
+en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan.
+
+Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van
+het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de
+Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude
+"Sogdianen" en "Baktrianen", bij wie handel, kunsten en handwerken
+bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij
+hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij
+ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook
+onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder
+Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne
+bibliotheeken verbrandden, werden zij "Buckhar" d.i. "de geleerde
+mannen" genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam,
+zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend.
+
+"Bochara" is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun
+geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders
+hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de
+Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als
+eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle
+wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden,
+oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar
+"Kiptschak" of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche
+rijk bezoeken zij--nu onder Russische bescherming--dezelfde landstreken
+langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan,
+en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe
+zijn zij welbekende gasten.
+
+Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd
+volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende
+oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij
+zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren,
+en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben
+aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid
+zeer welvarend. Zij noemen zich zelve "Tadschicks", dat de oude naam
+der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn
+zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche
+maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan
+zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben,
+naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden
+in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene
+Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen.
+
+Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche
+volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons
+werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine
+kolonie van Hindoes die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat
+zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval
+der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde
+Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar
+Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans.
+
+Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de
+Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische
+volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der
+Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche-
+en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden
+echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging
+op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met
+de bevolking van het werelddeel, wilden schatten.
+
+De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en
+sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige
+rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene
+onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de
+Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd,
+en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam,
+opgedrongen hebben--(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij
+de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)--afgezien daarvan,
+hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche
+rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en
+zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische
+natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar
+physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling,
+waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië,
+bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten
+zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel
+van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der
+bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de
+Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen
+met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden,
+is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der
+Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne
+zoogenaamde "Tschin", schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij
+de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne
+melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de
+tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten.
+
+Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van
+oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van
+Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken
+beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische
+nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des
+rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche
+afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te
+halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey,
+d.i. "de kleine bey." Misschien is den lezer somwijlen wel eens de
+naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn
+nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene
+Kalmuksche herderstent ontkiemde.
+
+De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het
+vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus,
+de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen
+zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij
+de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale
+liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door.
+
+En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook
+bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het
+Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook
+zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke
+gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van
+datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd
+over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der
+Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het
+menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig
+ras behoort.
+
+Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke
+punt van Duitschland heeft men--en met deze opmerking zal ik deze
+beschouwing sluiten--sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen
+vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het
+Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen
+van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende
+bewoners, "Mongoolsch". Men heeft gemeend, dat in die gebergten een
+verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is,
+en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge
+on-Duitsche plaatsnamen, "Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch" enz,
+uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit
+volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in
+Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij "Hunnen"
+(d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners
+gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van
+Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers
+verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam
+op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste
+sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En
+zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten
+dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen,
+die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die
+van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven
+van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en
+tegen de Alpen verloor--en de andere, die uit het binnenste van Azië,
+uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden "Tartarus",
+losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele
+Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen
+Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de
+duidelijkste sporen achterlieten.
+
+
+
+
+
+DE HELLENEN EN NIEUW-GRIEKEN.
+
+
+Tusschen Klein-Azië, het Grieksche schiereiland en het eiland Creta
+is het vierhoekige bassin eener kleine binnenzee van het overige der
+Middellandsche waterwereld afgesloten. Dit water-parallelogram mag
+als eene groote binnenzee, met verscheidene uitgangen die naar groote
+zee-partijen voeren, beschouwd worden. Het binnenste van het bassin
+is als bezaaid en bestrooid met eene menigte bergachtige eilanden
+van vulkanischen oorsprong, die, wat natuurschoon, vruchtbaarheid en
+andere voordeelen betreft, met weinig andere eilandgroepen van Europa
+vergeleken kunnen worden.
+
+Een schitterende hemel welft zich er over heen. Zij genieten een
+zachten winter en worden door de zeelucht voor eene overmatige hitte
+bewaard. Zij zijn allen bewoonbaar, en in het bezit van liefelijke
+dalen, afgewisseld door vlakten, die zeer geschikt zijn ter aankweeking
+van den wijnstok; de olijf- en citroenboomen bieden de bijen eene
+massa van honigrijke tuinen aan.
+
+Even als de eilanden zoo doen ook de kusten van het omliggende
+vasteland zich zeer afwisselend voor. Van het noorden, oosten en westen
+uit loopen de landen met vele fraaie schiereilanden in het zee-bassin
+uit. Diepe bochten en golven en bijzonder veilige havens dringen het
+land in en noodigen overal ter scheepvaart uit. Men zou de geheele
+Aegeïsche zee, ten gevolge van haren rijkdom aan ankerplaatsen en
+reeden, als eene enkele groote haven kunnen beschouwen. En zeer
+goed zou men Griekenland in zijn geheel een Europa in het klein
+kunnen noemen.
+
+Even als Europa door zijne verschillende onderdeelen, door zijne
+bijzonder goede verhouding van vastland en water boven al de andere
+deelen der Aarde uitmunt, zoo munt Griekenland boven het overig Europa
+uit. En even als de Europeesche volken, toen zij eenmaal wakker waren
+geschud, bestemd schenen alle andere volken der wereld, scheepvaart,
+handel, verkeer, werkzaamheid, énergie, beschaving en wetenschap te
+leeren kennen, zoo schijnt de Aegeïsche- of Grieksche zee van nature
+bestemd, de wieg en leerschool dezer Europeesche werkzaamheid en
+kracht te zijn.
+
+Wanneer en hoe zich de eerste menschelijke bevolking over dit heerlijk
+schoone bassin, over die vriendelijke eilanden en schiereilanden
+verspreidde, is in een ondoordringbaar duister gehuld. Maar zooveel
+valt uit de taal der Hellenen op te maken, dat zij en hunne stamvaders,
+als hoedanig men gewoon is de "Pelasgen" te noemen, uit het Oosten over
+Klein-Azië gekomen zijn en tot den grooten Indo-Germaanschen volkstam
+behooren, die aan ons Europa, zijne voornaamste en ontwikkeldste volken
+gegeven heeft. Uit hunne taal blijkt, dat zij innig verwant zijn met
+de Keltische, Romaansche, Germaansche en Slavische volkeren. Even
+als van deze, zoo moet ook de oorsprong der Grieken in Indië en aan
+den Himalayah gezocht worden.
+
+Onder wiens aanvoering, onder welke omstandigheden en lotgevallen,
+de voorvaderen der Hellenen, de zoogenaamde Pelasgen zich vandaar
+losrukten; waardoor zij zich reeds in dezen tijd onderscheiden
+konden, en hoe zij toen door het westelijk gedeelte van Azië en door
+Klein-Azië zich een doortocht wisten te banen, dat alles is ons niet
+zoo nauwkeurig overgeleverd geworden, als b.v. de oorsprong en de
+vroegste geschiedenis der Israëliten.
+
+Juist de beide volken, die in de oudheid het grootste gewicht verkregen
+en het meest ontwikkeld waren, de Grieken en Romeinen, deelen het lot,
+dat over hunne oudste geschiedenis en over de vroegste bewoners dier
+landen eene schier nog grootere onzekerheid bestaat, dan over menig
+ander, minder ontwikkeld ras, en dit is ten deele een natuurlijk
+gevolg juist van hunne vroegtijdig gerijpte ontwikkeling en bloei,
+die alles wat aan vroegere tijden herinnerde en van ouderen datum
+afkomstig was, als "barbaarsch" verduisterde, verachtte en aan de
+vergetelheid ten prooi gaf. Ja! zelfs hebben wij niet dan eene hoogst
+onduidelijke en zeer twijfelachtige voorstelling van de manier en
+de wijze, waarop de Hellenen zich in taal en ontwikkeling, uit den
+grooten moederstam hunner Pelasgische voorouders of voorgangers,
+te voorschijn werkten en zich als een zelfstandig volk neerzetten
+en leerden gevoelen. Dergelijke zaken zijn in de geschiedenis der
+menschheid meermalen even moeielijk te doorgronden, als b.v. in de
+natuur, de manier en de wijze, hoe en door welke chemische werking
+in den wortel van den rozenstruik, de droppel die bestemd is den knop
+te vormen, opstijgt en zich bevestigt, en hoe zich uit het knopje de
+schoone bloem ontvouwt. Weldra staat de volle centifolie heerlijk
+riekend daar, voor wij nog kunnen aantoonen, hoe en waarom zij zóó
+en niet anders werd.
+
+Alles wat wij zeggen kunnen, is: dat de zoogenaamde Pelasgen, vooral
+echter hunne opvolgers of kinderen, de "Hellenen," een van oudsher
+met voortreffelijken aanleg toegerust geslacht moet geweest zijn,
+en dat hun goed gesternte hen een tehuis binnenleidde, dat zoo
+gunstig, als maar bij mogelijkheid gewenscht kon worden, geschikt
+was ter ontwikkeling van zulken voortreffelijken aanleg, namentlijk
+in dat bont getooide bekken der Aegeïsche zee, waarvan ik zooeven de
+voornaamste eigenaardigheden mededeelde.
+
+Trots deze gunst en gaven der natuur schijnt het niet te min, dat
+zelfs ook bij de Grieken, even als bij alle andere Europeesche volken,
+de aanstekende vonk van buiten moest aangebracht worden.--De sagen
+der Hellenen wijzen naar landverhuizers, die van buiten af het land
+binnenkwamen, als gebeurtenissen, die hun den lust tot een welgeordend
+leven inboezemden: op eene uit den vreemde komende onderwijzeres in
+den landbouw, Demeter (Ceres) die den echt stichtte, den vijgeboom
+naar Griekenland bracht, even als Minerva den olijfboom--op een
+buitenlandschen Prometheus, die den Grieken alle kunsten leerde,
+waarbij zij van het vuur moesten gebruik maken. Zelfs het gebruik van
+het ijzer, ontvingen zij uit den vreemde. De invoering van het paard,
+de kunst van spinnen en weven werden aan Poseidon, den god der zee
+toegeschreven, dat wellicht even veel zeggen wil als: zij kwam in
+schepen naar het tot nu toe onkundige eilanden-volk.
+
+Even zoo kwamen uit Phenicië en Egypte te scheep tot hen, door Kadmus,
+Danaüs, Pelops, de eerste wetgevers, staten-regelaars en de stichters
+hunner burgten en steden,--hunne orakels--een groot deel der namen
+hunner goden en hunne godsdienstige fabelen en instellingen. Alle
+beginselen van beschaving werden den Grieken door zeevaarders en
+handelaars gebracht. Hunne ontwikkeling was, met één woord, uit de
+zee geboren. Ten gevolge der ligging en grondsgesteldheid groeide
+die vervolgens bij hen, met behulp der zee, verder aan. Van de
+vroegste tijden af werden de Grieken zelven een volk van zeevaarders
+en handelaars. De oudste naam der bewoners van het land "Pelasgen"
+zou ook (volgens de meening van sommigen ten minste) af te leiden zijn
+van het Grieksche woord Pelagos (Zee) en niets anders dan "zeelieden"
+beteekenen. Na den grooten God van den alles omvattenden Hemel,
+den ongeëvennaarden Zeus, was Poseidon, de god der wateren en der
+winden, bij hen de voornaamste godheid. Hij was machtiger en had meer
+invloed op hun lot dan de andere goden. Tot hem stegen in de talrijke,
+op de eilanden en voorgebergten opgerichte tempels, hunne vurigste
+gebeden omhoog. Uit de zilte baren verrees Aphrodite, hunne godin der
+schoonheid, en in de zee zelve had de zonnegod Helios zijn paleis,
+waar hij in de armen der onder de wateren heerschende Thetis rustte.
+
+De eerste belangrijke, gemeenschappelijke ondernemingen der Grieken,
+waarin zij als een op zich zelf staand volk optraden en zich leerden
+gevoelen, de tocht der Argonauten, de Troyaansche oorlog, waren groote
+vloot- en zee-expedities, en even als ten tijde van Agamemnon geheel
+Griekenland uit de Aegeïsche zee opdaagde, zoo heeft het uit diezelfde
+zee, uit hare eilanden, havens, schepen, ook later meermalen zijne
+kracht getrokken--eene wedergeboorte te weeg gebracht. Even als de
+door Herkules nedergevelde Antaüs, die steeds van zijne moeder, de
+Aarde, nieuw leven ontving, zoo is Griekenland, als het nedergeveld
+was (zelfs in onze dagen) uit zijne moeder, de zee, weder opgestaan.
+
+Hunne oudste en ook bij hen meest gebruikelijke liederen, de gedichten
+van Homerus, hebben zeerooverijen, zeeavonturen en scheepvaart
+tot onderwerp. Het zijn gedichten, die nog heden ten dage even als
+voor 3000 jaren, door het Grieksche volk het best begrepen worden,
+even als bij de Nomaden-volken der Arabieren de tradities van hunne
+herders-patriarchen Abraham en Ismael.
+
+Eenmaal door invloeden van buiten wakker gemaakt, ontwikkelde de
+vruchtbare, en even als het water beweegbare, genius der Grieken
+eene verwonderlijk veelzijdige werkzaamheid naar alle richtingen van
+den menschelijken geest. Tot enthusiasmus--dit fraaie woord is van
+Grieksche vinding--geneigd, begaafd met eene levendige phantasie
+en een levendig voorstellingsvermogen, ontdekten zij op de hooge
+toppen hunner bergachtige eilanden, in de wouden hunner langs de
+kusten gelegene dalen, op de met bloemen bedekte en door liefelijke
+bronnen en stroomen bevochtigde, langs de oevers gelegene landschappen,
+overal het spoor eener godheid. Ieder hoekje van hun land werd door
+de poëzie verheerlijkt en vereeuwigd. Zij leerden die goden vereeren,
+en in alle oorden van Griekenland ontstonden orakel-plaatsen, tempels
+en bedevaartsplaatsen. Iedere duim gronds van het land werd klassiek
+en geheiligd.
+
+
+ Al de hoogten zijn door Oreaden bewoond,
+ In ieder boomke leeft eene Drijade,
+ En het helder, rein, schuimend rivierwater stroomt
+ Uit de urnen der aanminn'ge Najaden.
+
+
+Even als hun land, zoo bood ook hun leven de scherpste contrasten
+aan. Het scheepsleven was rijk aan afwisseling en merkwaardige
+gebeurtenissen, en zou alleen reeds voldoende geweest zijn, om den
+vertellers, den redenaars, den dichters den mond te openen. Maar op den
+achtergrond van dit veelbewogen, stormachtig zeeleven lagen de kleine,
+bekoorlijke woonplaatsen in de hoekjes der eilanden, de huisselijke
+haard aan de helling der bergen, de vruchtbare akkers langs de heldere
+stroomen en het idyllische herdersleven op de bergen Ida, Pelion,
+Helikon en in het boomenland van Arcadië.
+
+Noodwendig moesten de Grieken onder dusdanige natuurlijke gesteldheid
+en contrasten, zich dichterlijk gestemd gevoelen. Zij grepen naar de
+lier en hebben gespeeld en gezongen als geen anderen na hen.
+
+Naar het model der door de Egyptenaren en Pheniciërs bij hen gestichte
+gemeenten, stichtten en bestuurden zij bloeiende steden, republieken
+en staten in 't rond om den Archipelagus. Daar versterkt, zeilden
+zij verder langs de natte paden der zee, stichtten zij in Italië en
+Sicilië hunne koloniën, ontstaken de vuurtorens der beschaving aan alle
+barbaarsche kusten der Zwarte Zee, verlichtten daarmede ook, als met
+een helder schitterend garneersel de geheele noordkust van Afrika,
+entten van Massilia uit, het verre Gallicië de eerste beginselen
+der beschaving in, ja voeren zelfs door de zuilen van Herkules,
+den Oceaan op.
+
+Terwijl zij op die wijze de grootte der wereld leerden kennen,
+begonnen zij, wier geest van eene even ideale als praktische natuur
+was, over het geheele wereldrond handelsondernemingen te doen,
+en traden, midden op hunne met waren opgevulde markten en in hunne
+van handel en menschen wemelende en levendige havens, als even zoo
+scherpe als diepzinnige denkers, natuurvorschers en wijsgeeren op, die
+ieder naar hunne wijze van wereldbeschouwing, verschillende systemen,
+scholen en sekten oprichtten.
+
+De handel met volken, die zoo verschillend van aard waren, deed bij hen
+rijkdom en weelde ontstaan, en liet een streven naar de verfraaiing
+van het alledaagsche leven bij hen ontwaken en de schoone kunsten
+bloeien. Een Apelles, een Praxiteles en de tallooze scholieren dezer
+meesters traden op; onder hunne handen kreeg het marmer gestalte en
+leven, en verrezen de heerlijkste tempels en zalen, op wier wanden
+de fraaiste schilderstukken aangebracht werden.
+
+Daar in het vaderland der Grieken geen vorstelijke, alles uitsluitend
+naar zijne nukken schikkende Nijl, geen groote gebiedende Ganges,
+geen onmetelijk groot en eentoonig Mesopotamië was; daar hier
+integendeel alles verbrokkeld, verschillend en sierlijk gevormd
+was--eene gemakkelijk te overwinnen en den menschen niet overweldigende
+natuur--kleine dalen, smalle vlakten, talrijke tamelijk hooge bergen,
+en dat alles toch door den gladden spiegel der zee nauw verbonden
+en saamgesmolten, zoo is ook ten gevolge daarvan de aard van den
+Griekschen volksgeest zelf een veelhoekig, een aan alle zijden geslepen
+edelgesteente geworden.
+
+Geheel in tegenstelling met andere volken, b.v. met de eentoonige
+en eenvormige massa, die nog heden ten dage ons de Russische land-
+en volksgeest biedt, gelijken de Hellenen een boom, die in bevallige
+groepeering zijne vele takken naar alle zijden uitbreidt. Hunne
+taal scheidde zich in verschillende dialekten, hun stam in talrijke
+geslachten, die allen zeer verschillende eigenschappen en toch
+allen uitstekende hoofddeugden bezaten, en die ook allen, trots
+hunne uitbreiding in zeer tegenovergestelde richtingen, toch, even
+als hunne eilanden door de daar tusschen stroomende zee, door den
+band van gemeenschappelijke sympathieën en doeleinden aan elkander
+verbonden en vastgeknoopt waren.
+
+Dezelfde verhoudingen, die de verschillende dialekten, bouwstijlen
+en wijsgeerscholen der Dorische, Jonische en Aeolische Grieken
+in het leven riepen, kweekten bij hen ook een even groot verschil
+van politieke inrichting en burgerlijke toestanden. In dezen zin,
+hebben zij gedurende hun bestaan, om zoo te zeggen, alles in het
+leven geroepen wat maar denkbaar is. Democratiën, monarchiën,
+oligarchiën en aristokratiën, heerschappij van het volk en van het
+geld, militair-despotismus en priestergeweld, wisselden elkander bij
+hen af, al naar mate afstamming, tijd en plaats. De geheele overige
+wereld biedt geen staatsvorm aan, waarvoor de kleine Grieksche wereld
+niet een model geleverd en waarvoor de Grieksche taal geene bepaalde
+benaming uitgedacht heeft, die nu nog bij alle beschaafde volken der
+Aarde in zwang zijn. De Grieksche Aristoteles philosofeert, ofschoon
+hij niets dan de politieke scheppingen van zijne landslieden en hunne
+naaste buren kende, over alle mogelijke vormen van staatsregeling,
+als had hij, even als wij, alle politieke toestanden der wereld voor
+oogen gehad.
+
+Vergelijkt men de staats-regeling, het burgerlijke zijn en de
+politieke strekking van twee Grieksche staten, b.v. het ernstige,
+harde, krijgshaftige, monarchale of aristokratische, om zoo te
+zeggen Britsche Sparta, met het fijne, vernuftige, schitterende,
+weelderige, demokratische, ietwat Fransche Athene, zoo houdt men het
+schier voor onmogelijk, dat menschen, die eene zelfde taal spraken
+en zich eene zelfde nationaliteit toeschreven, een, wat karakter en
+verstand betreft, zoo scherp contrast kunnen vormen. Men zou eerder
+gelooven de vreemdsoortigste bestanddeelen--Noordpool en Zuidpool--op
+steenworps afstand naast elkander te zien huizen. De uitersten,
+teugellooze vrijheid en onbarmhartige tyrannie onder het juk van
+één enkelen, schijnen elkander bij de Grieken de hand te reiken,
+en midden tusschen deze beide uitersten, vinden wij dan weder een
+menigte staats-inrichtingen, die uit het verstandigst overleg,
+en uit het zorgvuldigst overwegen der menschelijke natuur en der
+verschillende bestanddeelen der maatschappij ontstonden.
+
+De revolutie en de afwisseling van meesters, waren bij deze rustelooze
+menschen, die zoo belust op nieuwigheden waren, aan de orde van den
+dag. In hunne geschiedenis ziet men te vergeefs uit naar een zonnig
+tijdpunt van rust, zooals b.v. die van Rome ten tijde van Augustus
+aanbood, waarin de kunsten van den vrede en de wetenschappen,
+naar onze begrippen gemakkelijk hadden kunnen bloeien. Het zwaard
+aangegord, schreven de krachtige Grieken geschiedenis, zoo kernachtig
+als later die niet weder geschreven is. Den giftbeker drinkende,
+dien de onverdraagzame medeburgers hun reikten, gaven de Grieksche
+wijzen zedelessen over verdraagzaamheid en liefde, die nog niet
+vergeten zijn. Midden in de wereldsche drukte op straat, onder
+de opgewondenheid van het Forum, dachten hunne philosophen rustig
+en kalm na over boven-aardsche dingen. Midden tusschen het eeuwige
+partij-getwist en bloedige wapengekletter, huldigden hunne dichters en
+kunstenaars de gratiën, en schiepen zij zulke volkomene, welluidende
+en harmonische taalbeelden, als nimmer aan een vreedzaam volk in die
+mate gelukte. Tusschen hunne lippen werd de Grieksche taal gevormd
+tot de fraaiste, deftigste, mannelijkste en tegelijkertijd zachtste
+taal, waarin ooit menschen gedacht en gedicht hebben, tot eene bij
+uitstek rijke taal, wier woordvoeging zoo gemakkelijk, zoo vloeiend
+is, die voor den mond zoo aangenaam te spreken, voor het verstand
+zoo veelbeteekenend en zoo nauw samenvoegend is, en die gedeeltelijk
+middellijk, gedeeltelijk onmiddellijk alle tegenwoordige talen tot
+voorlichtster gediend heeft. Wanneer men het doen en laten der Grieken
+in hun geheel beschouwt, dan meent men stoute, geniale mannen te zien,
+die het verstonden bloemen te doen ontluiken in de vurige kraters
+der vulkanen, en die aan de muzentempels gebouwd hebben op den rand
+van den steeds vloeienden lavastroom.
+
+Even als in het moederland Hellas, zoo ging het ook in de koloniën. De
+Grieksche dochtersteden ontstonden meestal ten gevolge van inwendige
+tweedracht en hartstochtelijke partijtwisten, en deze koloniën zelve,
+waarmede zij de barbaarsche kusten der Middellandsche Zee omgaven,
+schijnen even vele kraters geweest te zijn, die, als de Etna, het land
+in de rondte tegelijkertijd verwoestten en vruchtbaar maakten. Aan
+de kleine golf van Tarente in Groot-Griekenland alléén, had een half
+dozijn van zulke vuur- en bloemenspuwende vulkanen wortel gevat:
+het trotsche Crotona, het weelderige Sijbaris, Heraclea, Tarente en
+nog eenige andere onvergetelijke steden. Even als Athene en Sparta
+in Hellas, als Ephesus en Milete op de kust van Klein-Azië, als
+Syracuse de volkrijkste en machtigste aller Grieksche koloniën, en
+het steeds door de Etna verwoeste en steeds weder opbloeiende Catanea
+op Sicilië, leefden die steden in eeuwigdurende tweedracht, en hunne
+burgers trokken, zoo lang zij zich roeren konden, tegen elkander te
+velde en hielden over en weer de onbarmhartigste strooptochten in
+het gebied hunner naburen. Men is somwijlen geneigd deze Grieksche
+republieken voor even zoovele halfwilde Montenegro's te houden. Niets
+van alles wat later de Turken tegen de Christenen uitgevoerd hebben,
+bleef door deze Hellenen onbeproefd in de schier nimmer gestilde
+partijwoede. Moord, brand, verwoesting, harde slavernij, ja verdelging
+tot den laatsten man, tot er geen steen op den ander bleef. En toch
+waren deze steden bij wijle rijk, groot, losbandig en weelderig,
+telden hunne burgers bij honderdduizenden en hadden volop dichters,
+schilders, beeldhouwers en leerlingen van Pythagoras.
+
+Toch lag vermoedelijk in de bijzonder heftige en vurige natuur
+der Grieken opgesloten, dat de geheele tijd van hunnen bloei en
+hunne fraaiste scheppingen, slechts kort was, en dat zich hunne
+geheele scheppende kracht slechts in een, als een vluchtigen droom
+voorbij zwevend oogenblik, samenvatte. Ten tijde van Perikles,
+in de 5de eeuw voor Christus geboorte, hadden zij het toppunt van
+hunnen bloei bereikt. Om de persoon van dezen "hellenischten aller
+Hellenen", groepeeren zich de uitstekendste Grieksche namen, die
+door hetgeen zij volbracht hebben, over de geheele wereld bekend en
+verheerlijkt zijn geworden. Men heeft de Grieken eene jongelings-natie
+genoemd. Ja! Hegel noemde hun geheel nationaal zijn en streven,
+"een enkele jongelings-daad". Men kan hun nationaal maatschappelijk
+leven met het eigenaardige bestaan van andere geniale, naar het
+grootsche strevende jongelings-naturen vergelijken, b.v. met die
+van een Raphaël, die zich in de vurige opwelling zijner werkkracht
+vroegtijdig ontwikkelde, maar daarop aan de nakomelingschap eene
+erfenis van zijne werken vermaakte, waarover zij zich, door alle
+tijden heen, verheugen kan. Met zulk eene erfenis in de hand, welke de
+tijdgenooten van Pericles achterlieten, heeft de nationale geest der
+oude Grieken zich steeds, tot op onze dagen, machtig en invloedrijk
+getoond; ofschoon sedert den dood van Perikles bij hen slechts de eene
+overheersching door vreemden op de andere volgde, en zij nimmer weder
+tot eene zoo krachtvolle zelfstandigheid geraakten, als in die korte
+jaren, toen zij ongestraft onder elkander vechten en om den palm der
+overwinning strijden konden.
+
+Het allereerst kwamen zij onder Philippus en Alexander. Maar deze
+barbaarsche Koningen van het Noorden helleniseerden zich, huldigden
+den geest der Grieken, namen hunne taal over, en verbreidden beiden,
+te gelijk met hunne veroveringen, over het geheele Oosten. Aan de
+grenzen van Indië en de Mongolen en vervolgens ook aan den Nijl,
+stichtten zij rijken, die men naar de aldaar heerschende taal en
+ontwikkeling, als Grieksche stichtingen moet aanmerken.
+
+De Macedoniërs werden, zoowel in de wereldheerschappij als in
+het bezit der heerschappij over Griekenland, door de Romeinen
+afgelost, en even als gene werden ook deze de scholieren hunner
+Hellenische onderdanen. Hebben de Romeinen ook al niet, als de
+naburige Macedoniërs, de taal en de zeden der Grieken overgenomen,
+zoo moesten zij hen toch, daar zij zelven niets beters konden te
+voorschijn brengen, als hunne meesters en modellen beschouwen. Het
+gevangene Griekenland nam zelf zijne wilde gebieders gevangen en
+bracht de kunst over naar het boersche land der Latijnen. De Romeinen
+gingen bij de Grieksche redenaars in de leer. Hunne gedichten waren
+niet anders dan een weerklank der Grieksche gezangen, hunne musici,
+hunne paedagogen waren Grieksche slaven. Hunne tempels, hunne steden,
+hunne marktplaatsen werden versierd en verlevendigd door standbeelden,
+die een eeuwig leven ademen en gered waren uit den ondergang van
+Griekenland. Op de vleugelen van den Romeinschen adelaar verbreidde
+zich Grieksche beschaving over het geheele Westen, even als vroeger de
+Macedonische phalanx haar tot aan den Indus en Himalayah, die bronnen
+van alle Hellenisch en Indo-Germaansch leven, baan gebroken had.
+
+Met het goud des verstands, dat de Romeinen uit Griekenland gehaald
+hadden, hebben zij om zoo te zeggen de geheele wereld verguld, en de
+Grieken zijn op die wijze, in het gevolg der over de Aarde marcheerende
+Macedonische en Romeinsche infanteristen, ook in het binnenste van
+alle landen gekomen, waarheen zij als een oud zeevaarders- en kustvolk,
+alleen misschien nooit gekomen waren.
+
+De Macedoniërs, die van oudsher naburen en stamverwanten der Grieken
+waren, zijn met taal, verstand en zeden, zooals ik reeds zeide, in de
+Grieken, om zoo te zeggen, opgegaan. Waar zij geboden en vertoefden,
+daar geboden ook de Grieken zelven. De Romeinen daarentegen,
+bewoners van een ander schiereiland en van een vreemd geslacht,
+ofschoon in alle aangegevene opzichten de kweekelingen der Grieken,
+bleven toch altijd Romeinen en verspreidden het ontvangene op hunne
+wijze. Daardoor kwam het, dat de Grieken zich in het Westen, waar
+zij bijna niet anders dan als dienaren verschenen, nooit zoo te huis
+gevoelden als in het Oosten, het schouwtooneel der verrichtingen van
+de Macedoniërs. Ja! de Romeinen romaniseerden zelfs dààr geheele
+streken, waar in vroegeren tijd Grieksche zeden, taal en bloed de
+overhand hadden, b.v. Zuid-Italië en Sicilië. Daardoor kwam het
+dan ook dat, toen het Romeinsche rijk zich in twee groote helften
+verdeelde, van deze beide helften, het Westersch Romeinsche rijk
+en het Oostersch-Romeinsche rijk, het eene aan zijn uiteinde een
+geheel geromaniseerd, het andere een predomineerend Grieksch, met
+Macedonisch-Grieksche ontwikkelings-elementen bezwangerd, karakter had.
+
+In het Oostersch-Romeinsche rijk, dat Nieuw-Rome of Bijzantium tot
+hoofdstad had, kregen na de afscheiding Grieksche taal, Grieksche
+volksstammen, Grieksche geslachts-adel, Grieksche beschaving weder
+de overhand, en men kan deze verdeeling van het rijk in zekeren zin
+als eene politieke wedergeboorte der Grieken beschouwen, ofschoon
+het wedergeborene kind van toen af aan bij de Oostersche volken niet
+slechts den naam "Rome" (Rum, Rumili) droeg, maar zelfs de Grieken
+zelve, zich eeuwenlang "Romaier," hunne Grieksche taal de Romaiische
+noemden. Daar in het geheele Oosten de Grieksche taal bij voorkeur de
+taal der letterkundigen was, zoo werd zij dan ook van den eersten tijd
+af aan de draagster van het, ten tijde van den bloei der Romeinsche
+macht opkomende, _nieuwe geloof_. Het Christendom werd, zoodra het
+Jeruzalem verlaten had, het allermeest door de Grieksche taal over
+de wereld verspreid.
+
+Het bekken van den Archipelagus met zijne eilanden en zijne
+vooruitstekende landen, dat het best met een naar het Oosten geopend
+net vergeleken kan worden, ving nu de eerste, aan de Phoenicische
+kusten ingescheepte, christen-apostelen op, zooals het duizend jaren
+te voren de van daar scheep gegane professoren der oud-Egyptische
+wijsheid ontving. Het Grieksche volk bood den grooten zaaier het eerst
+een terrein aan, waar zijne zaadkorrels niet op een steenachtigen
+bodem vielen, maar waar zij integendeel al spoedig in Korinthe,
+Thessalonika, Ephesus en andere steden diepe wortels schoten. Ook in de
+Aziatische steden bestonden de eerste Christen-gemeenten schier zonder
+uitzondering uit Grieken. In hunne taal werd de eenige God overal
+aangebeden, en de eerste predikatiën der zendelingen gehouden. In hunne
+taal werden onze heilige boeken geschreven. Ook was zij de taal der
+eerste christelijke conciliën. Grieken brachten het christendom naar
+Rome en verbreidden het over het overig Europa; vandaar zijn dan ook
+tot op heden in geheel Europa de meeste uitdrukkingen voor kerkelijke
+zaken, zelfs de naam der "kerk" en die van het boek der boeken, den
+"bijbel", van Griekschen oorsprong.
+
+Van alle christelijke kerken is de Grieksche de oudste; van Griekenland
+uit werd het heidendom het eerst door het Christendom ondermijnd en
+eindelijk tijdens de stichting van Nieuw-Rome of Constantinopel geheel
+afgeschaft. Gedurende de invallen der barbaren, die op de verdeeling
+van het Romeinsche rijk weldra volgden, bleef het Oostelijk Keizerrijk
+der Grieken veel langer bestaan dan dat der Westelijke Romeinen. De
+onbuigzame, barsche Romeinen, die hun rijk hoofdzakelijk op hunne
+dapperheid en stoffelijke overmacht gegrondvest hadden, moesten
+het onderspit delven, toen hun die dapperheid begon te ontbreken
+en eene grootere macht dan de hunne zich tegen hen over begon te
+stellen. De Grieken, die zich tijdens hunnen bloei, behalve den moed
+en de vaderlandsliefde die hun eigen waren, ook eene hooge mate van
+verstandelijke ontwikkeling, eene bijzonder groote mate van politieke
+behendigheid en andere daarmede in betrekking staande eigenschappen,
+hadden eigengemaakt,--bewaarden, nadat de bandelooze overmoed en
+vrijheidszin gebreideld waren, toch deze taaiere eigenschappen,
+en bleven, even als de Chineezen in hunnen strijd met de Mongolen,
+zelfs na hunne nederlagen, meermalen overwinnaars. Terwijl het
+geheele Westelijk Europa door Noordsche horden overstroomd en eeuwen
+lang weder in eene diepe duisternis gestort werd, ontvingen ook de
+Grieken vele hun land diep binnendringende benden. Maar zij wisten,
+als vlugge strijders, behendig de stooten te ontwijken en ze dikwijls
+van zich af te wenden, of, wanneer zij somwijlen het onderspit moesten
+delven, zoo stonden zij toch, even als het door de stormen heen- en
+weer gezweepte struikgewas der hoog-gebergten, steeds, van frissche
+loten voorzien, weder op.
+
+Sedert de 5de en 6de eeuw trok de groote Slaven-vloed met overmacht het
+Grieksche schier-eiland binnen, en drong in alle tot het Europeesche
+vasteland behoorende provinciën van het Grieksche rijk, tot aan Athene
+en tot in den Peleponnesus. De Slaven kwamen daar nu niet alleen als
+soldaten en gebieders, maar met vrouwen, kinderen en kudden zetten zij
+zich in deze landen met der woon neder, begonnen na eenigen tijd den
+grond te bebouwen, stichtten talrijke Slavische dorpen en vlekken,
+en gaven aan landen, bergen, dalen, rivieren, beken en grotten,
+Slavische namen. Maar te midden dezer Slavische overstrooming, bleven
+de steden en havens aan de kusten, overal langs de Aegeïsche zee,
+zelfs in de bangste tijden, in het bezit der Grieksche burgers en der
+Byzantijnsche bezettingen. Daar de Slaven geene schepen hadden, zoo
+lieten zij de eilanden der Aegeïsche zee grootendeels ongemoeid. Zelfs
+in de gevaarlijkste oogenblikken, toen Avaren, Bulgaren en Serviërs
+Constantinopel bestormden en te gelijkertijd aan de Aziatische zijde
+van den Bosphorus, bij Scutari de Perzen onder de wapens stonden; zelfs
+in zulke oogenblikken, waarin alles verloren scheen, hielden de Grieken
+zich staande op hunne vloot, met behulp waarvan de verbinding tusschen
+het middelpunt van het rijk en de eilanden en kusten nauwelijks een
+oogenblik verbroken was, en werd ook telkens weder in de vertwijfeldste
+omstandigheden, de buitenste omtrek en het ruwe getimmerte van de oude
+Hellenen-wieg, de Archipelagus (de hoofdzee) met haar toebehooren
+gered. Rondom deze wieg dus, bleef altijd een overblijfsel van het
+Hellenendom bestaan, en van dit oude tehuis en geboorteplaats uit,
+dat wil zeggen van uit de schepen, van uit de havenplaatsen Korinthe,
+Thessalonika, Patras, Monembasi en vele anderen, verspreidde zich in
+de 9de eeuw andermaal dit Hellenendom. Nadat de inval der Slaven in
+den loop van 300 jaren hun aanvankelijk zoo woest karakter verloren
+had, nadat zij uit roovers, verwoesters en plunderaars, landbouwers en
+grondeigenaars geworden waren, toonden zij zich ontvankelijk voor de,
+van de Grieksche kusten het land binnendringende, beschaving. Ook de
+Grieksche wapens, voornamentlijk onder de regeering van Keizer Basilius
+I, in de tweede helft de 9de eeuw, waren weder gelukkig tegen hen,
+en vele der door de Slaven bezette provinciën en landschappen werden
+toen weder door de Grieken heroverd.
+
+Eene duizenden tellende en Grieksch sprekende geestelijkheid trok de
+nieuw bekeerde provinciën binnen. Kloosters en kerken werden gebouwd,
+nieuwe steden en versterkte plaatsen aangelegd en in deze zetten
+zich bij voorkeur weder Grieken neder. Ten gevolge van dit een en
+ander verstonden en spraken de Bulgaren, die er hun intrek genomen
+hadden, spoedig even goed Grieksch als Slavisch, en werden in den
+Peleponnesus en aan de kuststreken van Thessalië, Macedonië en Thracië,
+de Slavische namen weder òf verdrongen òf verhelleniseerd. Het nieuwe
+door Grieken of Grieksch-sprekenden bevolkte Griekenland, dat zich
+op deze wijze weder oprichtte, had in hoofdzaak denzelfden omvang,
+als het eens door de oude Hellenen bezette land.
+
+Zoo viel dus toen in Griekenland iets dergelijks voor, als ter
+zelfder tijd (na Karel den Groote) in Duitschland plaats greep. Ook in
+Duitschland, even als in Griekenland, hadden de Slaven, tijdens hunne
+eerste woeste overstrooming van eene menigte oud-Duitsche landstreken,
+schier de geheele oostelijke helft van het oude Germanië met hunne
+stammen gevuld. Maar ook daar werd weerwraak genomen. Karel de Groote
+en de Duitsche Keizers die hem opvolgden, herstelden, terwijl zij
+de binnengedrongene Slaven onderwierpen en doopten en ze dwongen de
+Duitsche taal en gewoonten aan te nemen, weder de grenzen van het oude
+Germanië, even als Basilius en de hem opvolgende Grieksche Keizers,
+Griekenland zijne oude grenzen terug gaf. In de groote landschappen,
+meer binnenwaarts in het Byzantynsche schiereiland gelegen, won de
+van de kusten komende vergrieking minder voet. Daar behielden de
+vele binnengedrongene barbaren hunne taal en gewoonten. Slechts nu
+en dan kwamen Grieken bij hen in de steden en vestingen wonen. Ook
+dit was weder juist zoo, als ten tijde der oude Hellenen, met dit
+onderscheid dat nu, in stede der vroegere Macedoniërs, Thraciërs en
+Illyriërs, de Slavische Bulgaren, Serviërs, Kroaten enz. de oude,
+steeds barbaarsche plaatsen bewoonden, die nooit door Grieksche
+schepen en kustbewoners in grooten getale bevolkt waren geworden.
+
+In hoofdzaak is dit, met eenige geringe wijziging zoo gebleven tot
+aan den volgenden grooten inval die Griekenland trof, tot den inval
+der Turken. De tusschen beide groote invallen, den Slavischen in de
+6de eeuw en den Turkschen in de 14de eeuw, gelegene invallen der
+westelijke volken van Europa, die onder den naam van kruistochten
+bekend zijn, kunnen in eene geschiedenis van den Griekschen volkstam,
+zooals ik die tracht te schetsen, niet dan van minder belang beschouwd
+worden, want op taal, zeden en bloed der natie hebben zij betrekkelijk
+slechts geringen invloed uitgeoefend. Ten dezen opzichte moet men
+de algemeene opmerking voor oogen houden, dat de Grieken over het
+algemeen als de Oostersche volken van Europa te beschouwen zijn; dat
+zij als zoodanig, van oudsher minder van de Westersch-Europeesche
+volken overgenomen hebben, dan zelfs van de Aziaten. In de oudste
+tijden waren de volken van West-Europa, de volken van Italië enz.,
+ruwe barbaren, en stond de Grieksche beschaving in veel nauwere
+betrekking met de toenmaals hoogst beschaafde Aziaten. De bewoners
+van Italië hebben, ofschoon zij op verschillende tijden Griekenland
+geheel of ten deele overheerden, de nationaliteit daar slechts zeer
+weinig gewijzigd.--Zelfs de Romeinen, die langer dan 400 jaren in
+Griekenland de teugels van het bewind in handen hadden, die daar
+geheele volkrijke steden b.v. Korinthe uitmoordden en haar weder
+met Italische (Romeinsche) burgers bevolkten, konden de Grieksche
+nationaliteit niet in de hunne doen opgaan. Men vindt nu, en vond
+reeds spoedig na het einde der Romeinsche opper-heerschappij,
+nauwelijks hun spoor meer in Griekenland. Zij hebben geen streek
+des lands geitaliseerd of geromaniseerd. Geen overblijfsel hunner
+taal laat zich in Hellas bespeuren, zooals zulks in het land der
+Daken of der tegenwoordige Wallachijers nog heden ten dage het geval
+is. Alle Romeinsche kolonisten in Griekenland werden spoedig uit den
+weg geruimd of tot Grieken vervormd.
+
+Datzelfde nu laat zich ook zeggen van den inval dier Italiaansche
+kruisvaarders en der andere Westelijke Europeanen, die in het begin der
+13de eeuw het Byzantijnsche rijk veroverden en het een tijdlang onder
+elkander verdeelden. Venetianen, Genueezen, Franschen en adellijke
+geslachten van andere volken van West-Europa hebben, ten gevolge dier
+gebeurtenis, zich wel in Griekenland opgehouden, hebben op de eilanden
+en in Grieksche kust-plaatsen vele kleine Vorstendommen gesticht en
+deze korteren of langeren tijd beheerd, ja de Venetianen hebben tijdens
+hunne grootste macht den geheelen Peleponnesus, de meeste eilanden
+der Aegeïsche zee, verscheidene kuststreken van Noord-Griekenland,
+ook Cyprus en Creta, om zoo te zeggen, in één woord dus het geheele
+stamgebied der Grieken onder hunne heerschappij gehad, en toch neemt
+dit niet weg dat op het karakter, op de taal en het bloed van dit volk,
+de heerschappij ook dezer Westelijke Europeanen geen beslissenden
+invloed gehad heeft. Alleen op de Jonische eilanden heeft de volkstaal
+vele Italiaansche uitdrukkingen aangenomen, en op de Cycladen zijn
+nog heden ten dage eenige nakomelingen van Fransche en Italiaansche
+familiën, die de Roomsch-Katholieke kerk trouw gebleven zijn. Ook
+deze Roomsch-Katholieke kerk der Westelijke Europeanen heeft even min
+als hunne taal en gewoonten, ooit bij de Grieken wortel geschoten,
+welke pogingen de Pausen daartoe ook aanwendden. Hier moet ik nog de
+volgende opmerking, die gemakkelijk verder uitgewerkt kan worden,
+maken, dat evenmin de Germanen, zoo dikwijls zij op verschillende
+tijden in Griekenland verschenen zijn, het eerst als Gothen,
+die geheele provinciën van het schiereiland overmeesterd hadden,
+vervolgens als Noormannen, die dikwijls als Keizerlijke trawanten,
+als zeeroovers, als bedreigers van Constantinopel, onder de Grieken
+vertoefden, eindelijk in den nieuweren tijd als Beieren, die het jonge
+Koningrijk Griekenland in de 19de eeuw organiseerden, belangrijke
+sporen bij het volk of zijn karakter hebben achtergelaten.
+
+Na de eerste invallen der Turken in Griekenland in de 14de eeuw, en
+na de verovering van Constantinopel door de Osmanen in het jaar 1453,
+moesten de Grieken, zooals gezegd is, andermaal voor een vreemden
+volksstam bukken en wel voor een volkstam van Aziatische afkomst. Met
+betrekking tot eene politieke onafhankelijkheid, was dit eene zoo
+volkomene nederlaag, als de Grieken haar slechts eens, namentlijk van
+de Romeinen, geleden hadden. De Turken brachten in Azië zoowel als in
+Europa, schier zonder eenige uitzondering, alle plaatsen en streken
+die den Grieken toebehoorden, onder hunne macht. Het Turksche rijk
+omvatte nagenoeg alles, wat het Oost-Romeinsche of Byzantijnsche
+Keizerrijk ten tijde van zijn grootsten bloei bezeten had. En de
+eerste daad, bij de inname van Constantinopel, scheen de Grieken als
+een totaal vernietigende slag te zullen treffen. Kort na de overgave
+der stad, liet de veroveraar Muhamed II, al de waardigheidsbekleders
+en primaten van het door hem vernietigde Grieksche rijk, onbarmhartig
+dooden, en deed overal de plaatsen der vermoorden door Osmanlis
+innemen. Toen, en ook later, als de Grieken, bij hunne pogingen om
+hunne onafhankelijkheid te herkrijgen, gedecimeerd werden, scheen het
+nog meermalen als waren de beklagenswaardige Grieken in de holen van
+den cycloop geraakt, en als zouden zij allen verdelgd en uitgemoord
+worden even als de medgezellen van Odysseus. Maar even als deze
+schrandere held, zoo zijn ook de buigzame Grieken weder levend uit die
+holen te voorschijn gekomen. Nauwelijks had dan ook die Turksche Sultan
+besloten, dat Constantinopel geen puinhoop blijven zou, dat de Grieken
+ten minste als slaven en bedienden konden gebruikt worden, en dat een
+nieuw gebouw van staat op de fundamenten van het oude zou opgetrokken
+worden, of hij zag in, hoezeer hij de met de betrekkingen van het land
+vertrouwde en in regeeringszaken bedrevene Grieken noodig had. Het
+allereerst deed zich de behoefte gevoelen aan Grieksche tolken, om het
+nieuwe volk te kunnen verstaan. De betrekking van rijks-opperste-tolk
+werd dus weldra een zeer gewichtig ambt, dat natuurlijk in handen
+der Grieken kwam. Door zulke invloedrijke Grieksche tolken,
+secretarissen en tusschenpersonen werden langzamerhand de Turksche
+Pacha's omgeven. Van het inwendig bestuur der christelijke kerk
+verstonden de Mahomedaansche Turken nog minder, dan aanvankelijk van
+de regeling der staats-aangelegenheden in hun nieuw gebied. Zoodra de
+Sultans besloten waren, de Grieksche Kerk naast den Islam te dulden,
+ja zelfs haar tegen den Paus en tegen het Katholieke Westelijk
+Europa te ondersteunen, moesten zij ook menschen verheffen, die in
+staat waren deze machtige en ver verspreide lichamen in beweging
+te brengen. Zij stelden de Grieksche patriarchen en de hoogere
+Grieksche geestelijkheid, in wier aangelegenheden zich te mengen
+zij vernederend zouden gevonden hebben, op zulk een onafhankelijk
+standpunt, als deze vermoedelijk door geene veroverende Katholieke
+macht geplaatst zouden geworden zijn. De Grieken bezetten daarom,
+zelfs onder de heerschappij der Turken, naar eigen goeddunken uit hun
+midden niet alleen de hoogste kerkelijke betrekkingen in de eigentlijk
+Grieksche steden en landstreken, maar ook bij de onderworpen volken
+van niet-Griekschen oorsprong. De aartsbisschoppen en bischoppen der
+Wallachijers, Serviërs en Bulgaren behoorden bijna altijd en behooren
+nog heden ten dage tot Grieksche familiën, terwijl alleen de lagere
+geestelijkheid uit de Slavische landskinderen zelven bestaat.
+
+Evenmin konden de Grieken, die van overoude tijden her, bijzonder
+geschikt waren de zee te bevaren, op de Turksche vloot ontbeerd
+worden. Zij maakten daarvan een zeer belangrijk element uit. De
+groot-dragoman der Keizerlijke vloot was bijna altijd een Griek. De
+handels-marine bleef natuurlijk van zelf in hunne handen. Uit dit
+alles mag men besluiten, dat de Grieken steeds, ofschoon in Turksche
+afhankelijkheid, een zeer invloedrijk volk uitmaakten.
+
+In zekeren zin zelfs kan men beweren, dat, met de steeds toenemende
+vergrooting van het Osmanische rijk, ook het gebied van den invloed
+der Grieken en van hunne taal toegenomen is, op gelijke wijze als zij
+zich eens, toen zij de triumftochten van den Macedonischen Alexander
+begeleidden, uitgebreid hebben. De Turken vonden onder de Grieken
+in Byzantium menig voor politiek en intrigue zeer geschikt talent,
+dat zij ook in hunne Aziatische aangelegenheden zeer goed benutten
+konden en toen zij de groote Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachye
+geheel van zich afhankelijk gemaakt hadden, werden langer dan eene
+eeuw de vorsten-kroonen dezer landen aan Grieksche familiën uit
+de zoogenaamde Phanar, d.i. uit dat gedeelte van Constantinopel
+waar al de aanzienlijke Grieksche familiën bij elkander woonden,
+toegedeeld. De Grieksche taal werd dientengevolge de gewone taal van
+het hof en den adel in geheel het oude Dacië, en als zoodanig drong
+zij noordelijk door tot in de Bukowina, tot in het tegenwoordig
+tot Oostenrijk behoorende Gallicië, waar zij ook nog heden ten
+dage geschreven en gesproken wordt. Zoo ver was zelfs ten tijde van
+Alexander de Grieksche taal als volkstaal (of ten minste als taal van
+een volksstam) het Skythen-land niet binnengedrongen. Toen eindelijk
+de Porte langzamerhand meer met Europa vereenzelvigd, en in zekere
+mate als een lid der Europeesche staten-familie beschouwd werd, toen
+toonden zich ook zeer dikwijls weder de Grieken als de geschiktste
+diplomatieke agenten aan de hoven van Parijs, Londen en Weenen.
+
+Op verscheidene onderdeden der Grieksche natie rustte het Turksche
+juk in gewone tijden volstrekt niet zwaar. Verscheidene der Grieksche
+eilanden, zooals die, welke aan de vrouwen van den Keizerlijken
+harem slechts eene geringe schatting als speldengeld betaalden,
+regelden hun bestuur naar oude Grieksche gewoonten. De Grieksche
+Klephten met hunne Palikaren leefden hier en daar in de gebergten
+van Thessalië en Boeotië, zoo vrij als Koningen. Andere Grieksche
+gemeenten, zooals b.v. de nakomelingen der oude Spartanen, de
+Mainoten, zijn nooit geheel aan de Turken onderworpen geweest. Daar
+de Osmanen, zooals men gewoon is te zeggen, in Stamboel, waar zij
+hunne legerplaatsen hadden opgeslagen, slechts "kampeerden", daar zij
+in de binnenste gedeelten der landen zonder onderling verband, als
+soldaten, ambtenaren, bezettingstroepen in de vestingen, en in allen
+gevalle als spahis of landheeren verschenen, daar zij zich slechts
+als trotsche veroveraars gedroegen, en zich zelden vernederden om op
+stedelijke bedrijven of akkerbouw zich toe te leggen; daar zij in éen
+woord in den regel niet met den vriendelijken, de volkeren het best
+tot onderwerping brengenden landbouw, in alle afgelegene deelen der
+landen binnendrongen, en altijd slechts als krammen of nagels in het
+geheele gebouw der volken van hun rijk verschenen, terwijl het gebouw
+zelf uit het oorspronkelijke materiaal bleef bestaan, zoo kan men
+uit dit alles gemakkelijk afleiden, dat door hen de oorspronkelijke
+gewoonten der Grieken in hare hoofdtrekken weinig veranderd werden.
+
+En inderdaad, als wij deze hoofdtrekken, zooals zij heden ten dage
+bestaan, vergelijken met die, zooals zij nagenoeg 400 jaren voor
+Christus, ten tijde van Pericles zich vertoonden, dan ziet men, dat
+beide nu nog met elkander overeenstemmen, en dat al de Turken- en
+Slaven-oorlogen, al de landverhuizingen, omwentelingen, verplaatsingen
+en uitroeiingen van bevolkingen, daarin slechts eene nauw merkbare
+verandering te weeg gebracht hebben.
+
+Thans nog--men kan ook zeggen nu weder--wordt de Aegeïsche zee door
+een zoom van Grieksche dorpen en steden omgeven. Grieken of Grieksch
+gewordene, dus Grieksch sprekende menschen bewonen den geheelen
+Peleponnesus, schier het geheele Livadië of de provinciën Attika,
+Boeotie, Euboea, en verderop Thessalië. Als eene smalle streek omgeeft
+het Grieksche bevolkings-gebied den geheelen kustrand van Macedonië en
+Thracië. Bij Constantinopel bewonen zij een vrij aanzienlijk gedeelte
+van den Tracischen landen-driehoek tot Adrianopel toe, en ook wonen
+zij aan weerszijden van den Propontis, van den Hellespont en van
+den Thracischen Bosphorus. Van hieruit begeven zij zich, overal met
+Turksche kolonien vermengd, eenerzijds oostwaarts over Sinope tot
+Trebizunde, en anderzijds over Troye, Smyrna, Ephese naar Rhodus,
+van waar zij ook weder oostwaarts den zuidelijken rand van Klein-Azië
+innemen. Verder bewonen zij, en hier maken zij het grootste gedeelte
+der bevolking uit, alle eilanden van den Griekschen Archipelagus,
+alsmede Creta en Cyprus, waar hun aantal honderdduizenden bedraagt,
+en eindelijk vormen zij ook het hoofddeel der bewoners in het westen
+op de Jonische eilanden.
+
+Alleen in de westelijke helft der Middellandsche Zee, in Sicilië,
+dat eens nagenoeg even Grieksch was als Cyprus en Creta; in
+Zuid-Italië, waar eens eene bloeiende Grieksche kolonie, het
+zoogenaamde Groot-Griekenland bestond, en verder op, in Corsica en
+Zuid-Frankrijk, Spanje enz., zijn alle Grieksche volks-elementen
+verloren gegaan. Maar men meent toch in de dialecten en zeden van
+eenige plaatsen in het koningrijk Napels, zoo mede in eene armoedige,
+vervallene wijk van Marseille, nog zelfs heden ten dage eenige sporen
+te vinden die een Dorischen en Jonischen oorsprong verraden.
+
+Daarentegen hebben in de latere tijden de Grieken, weder even als
+hunne voorvaderen met handels- en reisgeest bezield, in vele andere
+steden van Europa, wanneer ook al niet zulke machtige, onafhankelijke
+republieken als hunne voorouders, toch handelsnederzettingen,
+kantoren en faktorijen gesticht. Deze in het overig Europa verstrooide
+nederzettingen der Grieken dagteekenen ten deele reeds van de tijden
+der kruistochten, die een levendig verkeer der Grieken met het
+avondland veroorzaakten. In Venetië leefden al de tijden van haar
+bestaan, Grieksche zee- en kooplieden. Sedert de 17de eeuw vestigden
+zij nederzettingen in Moskou en weldra ook in Weenen, waar nog heden
+eenige der aanzienlijkste bankiers tot deze natie behooren, en tot
+waarheen zich door geheel Hongarije en Zevenburgen een uitgebreid net
+van Grieksche kantoren uitstrekt. In de Zuid-Russische havensteden
+Odessa en Taganrog, spelen Grieksche huizen, nog of liever weder,
+zulk eene hoofdrol, dat men meenen zou, dat in deze steden het
+oude Grieksche "Olbia", dat voor Christus geboorte hier eens in het
+Skythenland bloeide, met veranderden naam weder opgestaan is. Ook
+zijn er, sedert de tijden van Katharina, in de Krim weder Grieksche
+dorpen, alsmede eene uitsluitend door Grieken bewoonde stad, het in
+den laatsten Russischen oorlog zoo dikwijls genoemde Balaclava, en
+eindelijk bevindt zich langs de zee van Asow eene kleine landstreek,
+die met landbouwende koloniën van Grieken bezet is.
+
+Dat sedert de verheffing van het Grieksche volk en sedert de
+herleving van zijn handel en zijne ontwikkeling, de Grieken ook
+meermalen in andere streken van Europa, in Londen, Parijs, Leipzig
+en op andere groote markten en punten van onderling verkeer, als
+tusschenpersonen voor den handel met het Oosten, en in de Fransche en
+Duitsche akademie-steden als scholieren en kweekelingen der wetenschap
+verschenen, mag ik als van algemeene bekendheid rekenen.
+
+Even als in de grenzen van hun oorspronkelijk woongebied aan
+de Aegeïsche zee, wier havens in den loop van 2000 jaren noch
+vernauwd noch opgestopt raakten en die nog heden de schoonste van
+het morgenland zijn; even als in hun scheepvaart- en handelsgeest,
+die hen steeds de wijde wereld indreef, zijn de hedendaagsche Grieken
+ook in hunnen lichamelijken en verstandelijken aanleg, in hunne taal
+en in de eigendommelijkheden van hun karakter, in vele opzichten de
+ouden gebleven.
+
+Nog heden vinden wij, en dat niet alleen bij de daarom zoo dikwijls
+geprezene eiland-Grieken, de schoonste gestalten en lichaamsvormen, en
+zien wij onder hen niet zelden den echt Helleenschen, zoozeer geprezen
+grondtrek, juist zoo verschijnen als de werken van Praxiteles hen ons
+toonen. Die "diepe ligging der oogen in gewelfde oogkassen", de "edele
+vorm en de hooge bogen der oogleden, de korte opgetrokkene bovenlip,
+de volronde kin, de loodrechte stand van voorhoofd en neus, de breede,
+stevige nek, en vooral de door Aphrodite zelve gescheiden en gekrulde
+haardos"--dit alles is nog in onze dagen bij hen geene ongewone
+verschijning. Niet minder antiek is de kleeding der Nieuw-Grieken,
+waarmede zij hun slank lichaam tooien. Oude schilderstukken en
+beeldhouwwerken bewijzen ons voldoende, dat wat wij nu Oostersche
+of Nieuw-Grieksche kleeding noemen, in menig punt niets anders is,
+dan de ook bij de oude Hellenen gebruikelijke kleedij.
+
+De ruige wollen mantel der hedendaagsche Grieken en de Fez der Turken,
+zijn afkomstig van de antieke schippersmutsen, die, op dezelfde
+wijze gevormd en met dezelfde roode kleuren geschilderd, op oude vazen
+voorkomen. De aloude zoogenoemde Phrygische muts wordt nu in onze dagen
+door de Arkadische herdersknapen gedragen. De uit, schelpsgewijze op
+elkander genaaide, zilveren munten vervaardigde borstlappen, die de
+bruidschat der Livadische jonkvrouwen zijn, herinneren ons levendig aan
+het borstpantser van Minerva, dat ons uit onze Musea bekend is. De vorm
+der oorringen, colliers en armbanden der Nieuw-Grieksche vrouwen, hare
+gewoonte om het donkere haar der bruid met goudpoeder te bestrooien,
+dit alles en nog veel meer in den vrouwelijken tooi, doet ons in hooge
+mate aan het antieke denken. Ook verwen zij nog heden de punten harer
+fraaie vingers met eene roodachtige stof, zonder dat zij er bij denken,
+dat reeds Homerus de "rooskleurige vingers" van Aurora bezongen heeft.
+
+De oude Phrygische kleederdracht, die bij de Grieksche kolonisten in
+Klein-Azie vrij algemeen in zwang was, gelijkt somwijlen, zelfs in
+de kleinste details, op die, welke wij nu Turksch of Nieuw-Grieksch
+noemen, zoo b.v. komen reeds op oude schilderijen, die de geschiedenis
+van Achilles voorstellen, de nu nog gebruikelijke gele en roode kleuren
+der Turksche pantoffels voor. Zelfs de bekende, uit doeken en shawls
+gevormde hoofddekking, de zoogenaamde tulband, was bij de Grieken reeds
+lang voor de aankomst der Turken bekend. De hevige en plotselinge
+uitwerking der zon in die landen, heeft van oudsher het ook bij de
+mannen noodig gemaakt, zich stoffen hoofddekkingen te vervaardigen.
+
+Niet minder dan bij de kleederdrachten, laten zich ook bij andere
+gebruiken en zeden der Nieuw-Grieken, zulke duidelijke overblijfselen
+uit de oudheid aanwijzen, dat men dikwijls in de verzoeking komt
+te gelooven, dat er in velerlei opzicht bij hen sedert 2000 jaren
+weinig veranderd is. Zelfs kerkelijke en godsdienstige handelingen,
+zooals b.v. gebruiken bij bruiloften en begrafenissen, die men
+bij de verandering van godsdienst vooral gewijzigd en veranderd
+zou verwachten aan te treffen, hebben verscheidene overblijfselen
+uit het heidendom behouden. Even als in oude tijden, zoo wordt ook
+nu nog het bruidspaar, als symbool van huwelijksgeluk, een granaat
+gegeven, en even als toen, worden zij nog heden, wanneer zij hun huis
+binnentreden, met rijst bestrooid, ten teeken dat hunne jaren van geluk
+even talrijk mogen worden als het getal korrels. Even als vroeger
+worden, bij de jaarlijksche herdenkingsfeesten der afgestorvenen,
+gerst, gedroogde druiven, gebak en wijn als doodenoffer gebracht
+en op de graven geplaatst. Aan de hoofdeinden worden kleine kaarsen
+geplaatst, zoodat de geheele begraafplaats in den nacht door de vele
+flikkerende lichtjes geïllumineerd schijnt te zijn. De oude Charon
+is nog, nu even als toen, de verpersoonlijking van den dood. Ook nu
+nog zijn uitdrukkingen als "Hades" en "Tartarus" gebruikelijk, en
+worden zij dikwijls in de klaagliederen der eenvoudige, poëtische en
+bijgeloovige herders, die in den zomer de hooge dalen van den Parnassus
+doortrekken, aangetroffen. De beschouwingen der Nieuw-Grieken over het
+leven na den dood, wel verre van voor de christelijke leer van het
+paradijs en de hel geheel geweken te zijn, toonen zich in de poëzie
+dezer natuurkinderen zeer antiek, en dit alles laat zich alleen
+verklaren uit een rechtstreekschen, door gedurende eeuwen bewaarde
+overleveringen, zamenhang met den heidenschen ouderdom.
+
+De oude hellenische dansen worden bijna allen nog heden uitgevoerd,
+zoowel de militaire wapendans, als de koordans der herders en de
+dans van Ariadne of de zoogenaamde "Geranos." Deze laatste nu, de
+"Romaika" geheeten, is een der merkwaardigste overblijfselen van
+oud-Hellenischen oorsprong. "De figuren van dezen dans, die door
+zang begeleid wordt, herinneren nog heden, even als voor Christus
+geboorte, aan de dwaalgangen van het labyrinth, waarin Theseus, door
+den draad van Ariadne geleid, het monster tegemoet ging. De angst
+van de beminde van Theseus teekent zich duidelijk af in de pantomime
+der jonge voordanseres, die, een witten doek zwaaiende, de lange
+rij harer gezellinnen, aanvoert, en de bloemenketen der meisjes,
+wier hoofd en sieraad zij is, nu eens uit elkander dan weder bij
+elkander wenkt." Homerus beschrijft dezen dans in heerlijke verzen,
+als een der voorstellingen, die op het schild van Achilles figuurlijk
+waren aangebracht.
+
+Hetzelfde wat wij van de dansen der meisjes gezegd hebben, valt ook
+bij de spelen der knapen op te merken. Zoo b.v. het Astragalus-spel,
+waarbij in ouden tijd ongemakkelijk slagen vielen, en bij welk
+spel Patrokles, toen hij het met den zoon van Amphidamas speelde,
+het ongeluk had dezen te dooden, waarom hij de vlucht nemen en
+bescherming zoeken moest in het huis van koning Peleus, waar hij
+vervolgens zijne zoo beroemde vriendschap sloot met Achilles, den zoon
+des konings. Volgens getuigenis van den Duitschen hoogleeraar Ulrich,
+spelen de Nieuw-Grieksche kinderen aan den Helicon nog heden ten dage
+dit in dichterlijke verzen verheerlijkte spel, naar dezelfde regelen
+en met dezelfde klassieke stooten en historisch gewordene slagen.
+
+De Grieksche oude vrouwen bereiden nog even als vroeger toovermiddelen,
+waardoor eertijds de Thessalische vrouwen zich zoo beroemd of liever
+berucht maakten. Knoflook, die reeds in de Odyssea van Homerus, Hermes
+als tegenmiddel tegen de toovenarijen van Circe aanwendt, wordt den
+Griekschen kinderen van onze dagen als amulet om den hals gehangen,
+om de kracht van het booze oog op hen onschadelijk te maken.
+
+De landbouw-gereedschappen en huishoudelijke benoodigdheden hebben zoo
+geheel den antieken vorm, dat de hedendaagsche Grieksche boerenwoningen
+onze musea van de meest echte modellen zouden kunnen voorzien. Zelfs
+de herdershonden dezer Nieuw-Grieksche boeren gelijken op de beroemde
+Mollossische kudde-bewakers, die wij in de gallerijen van Florence en
+van het Vaticaan, door meesters der oudheid afgebeeld en uitgeschilderd
+zien. De watervaten der tegenwoordige Thessalische vrouwen hebben
+eene opvallende overeenkomst met de antieke vazen, en dragen ten
+deele ook nog dezelfde namen als deze.
+
+Even als dit alles, is onder anderen ook de ronde handspiegel
+met handvat, die wij in de handen van zoo menig marmeren Venus
+zien, onveranderd gebleven. Evenzoo de handmolens, waarvan zich de
+Grieksche vrouwen op de eilanden, terwijl zij hunnen arbeid met gezang
+begeleiden, tot het malen van het graan bedienen, en nog ontelbare
+andere zaken uit het dagelijksch leven.
+
+Nog interessanter dan dit alles echter is het, dat de echo der oude
+taal, dien welluidenden en tevens manlijken tongval, van de schoonste,
+edelste en rijkste taal, die ooit door menschelijke lippen gesproken
+werd, ons uit dit land duidelijk en zuiver in de ooren klinkt. Waar
+is het echter, dat de tegenwoordige Nieuw-Grieksche of Romanische
+taal, even als een fraai standbeeld, dat eeuwen lang in den grond
+begraven lag en door de oude elementen vervreten werd, verscheidene
+veranderingen ondergaan heeft; zij heeft het een en ander uit het
+Slavisch, het Turksch en het Italiaansch overgenomen. Wat hare
+syntaxis betreft, is zij vervormd en veranderd. Ook is het accent,
+waarmede de taal tegenwoordig wordt uitgesproken, eenigzins vreemd,
+misschien Slavisch. Opmerkenswaardig is het, dat zij alle sporen van
+het verschil der oude dialecten verloren heeft. Volgens het oordeel
+van eenige geleerden zou zij zich alleen uit het Aeolisch dialect
+ontwikkeld hebben. In haar wezen is zij echter dezelfde gebleven,
+en kan zij met veel meer recht de oude Grieksche taal genoemd worden,
+dan men b.v. het tegenwoordige Italiaansch met het oude Romeinsch mag
+gelijk stellen. Ook is het tegenwoordige Duitsch verder verwijderd
+van het oude Gothisch, dan het hedendaagsche Russisch van het oude
+Slavisch, dan het dialect der Atheners van onzen tijd van de taal
+der tijdgenooten van Homerus.
+
+Het Grieksch wordt nog heden met dezelfde letters geschreven als
+vroeger. Ja, de Grieksche dorpelingen beschrijven het papier nog op
+dezelfde wijze--op de knie, op lange reepen, die zij vervolgens even
+als de ouden oprollen.
+
+Nog heden worden in deze schoone taal volksliederen gedicht en
+gezongen, waarvan Goethe getuigd heeft, "dat geene andere natie iets
+dergelijks kan aanwijzen." De vrijheids-hymnen, die in het begin
+dezer eeuw een Rigas zong, hebben een blijvenden roem verworven.
+
+In het dialect van vele Nieuw-Grieksche dal-bewoners zijn niet alleen
+Oud-Grieksche woorden bewaard gebleven, die bij de spreektaal der
+Byzantijnsche Grieken niet meer bekend zijn, maar men treft er zelfs
+verscheidene wortelwoorden aan, die ouder zijn dan de ons bekende
+Oud-Grieksche schrijftaal.
+
+De Grieksche taal is in al deze opzichten in Europa eenig in hare
+soort. Zij is, in haren rijken vorm, ouder en minder veranderd dan
+eenige andere. Want in denzelfden tijd, waarin het Grieksch zich
+in zoo hooge mate duurzaam gelijk bleef, hebben vele der andere
+Europeesche talen niet alleen verscheidene malen hun alphabet
+veranderd, maar hebben zij zich ook op eene zonderlinge wijze
+gewijzigd, en verscheidene er van hebben zich te midden van al deze
+veranderingen en wijzigingen eerst gevormd. Deze omstandigheid alleen
+bewijst voldoende, dat de Grieken, door hunne beschaving en hunne taal,
+steeds weder de hun land binnendringende barbaren ten onder brachten,
+en dat er ook ten allen tijde nog Grieken genoeg overgebleven moeten
+zijn, om deze tenonderbrenging mogelijk te maken.
+
+Zelfs de sagen, mythen en verhalen, die het volk elkander in zijne
+taal verhaalt, de geheele dichterlijke stoffeering, waarmede zij die
+omkleedt, zijn nog heden ten dage veelal de oude. In den Peleponnesus
+b.v. verhalen de boeren elkander tegenwoordig nog de geschiedenissen
+van de daden en verrichtingen van Herkules, welke geschiedenissen zij
+vastknoopen aan de nabijgelegene holen en moerassen, en nog heden ten
+dage zou een Grieksch dichter uit hunnen mond even goed het thema voor
+eene "Herakleïde" kunnen verzamelen, als de oude mythedichters zulks
+uit den mond hunner voorouders deden. Den naam Herkules verwisselen
+zij echter daarbij met dien van een held der Christenheid, namentlijk
+met dien van den heiligen Johannes.
+
+Het allerminst erkent men den verheven, vaderlandslievenden,
+spoedig in geestdrift ontstokenen, tot de schoonste deugden in staat
+zijnden nationalen geest der oude Hellenen, in het karakter der
+tegenwoordige, als sluw en in handel en wandel slecht te boek staande
+Nieuw-Grieken. Maar ook hierin hebben zij veel meer overeenkomst met
+de ouden, dan de algemeene meening wel toegeven wil. Geslepenheid,
+listigheid, sluwheid en veinzerij, die den Nieuw-Grieken schier
+door iedereen ten laste gelegd worden, en die men gewoonlijk aan
+de onderdrukking der Turken en aan het juk der Slaven toeschrijft,
+waren volgens de getuigenis van Homerus ook reeds den ouden Hellenen
+in hooge mate eigen, en de vindingrijke Odysseus was met al die
+hebbelijkheden en daarenboven met lust tot stelen, lust tot rooven
+en sluwe overredingskunst begaafd. Deze ondeugden der Nieuw-Grieken
+zijn dus ook uit de oude tijden naar onze dagen overgebracht.
+
+Aan den anderen kant munten, trots de onderdrukking en het slavenjuk
+der Turken, de Nieuw-Grieken nog heden ten dage even als de Ouden uit
+door levendigheid van gevoel en phantasie, gemoedelijkheid, scherpte
+van geest en vroolijkheid! Liefde voor hun te huis op berg en eiland,
+en tevens groote lust zich, als de baren der zee, te verplaatsen,
+bezielt hen even als hunne voorouders, en aan roemrijke voorbeelden
+van practischen zin en heldhaftige zelfopofferende verdediging van het
+vaderland, heeft het in den nieuweren tijd even weinig ontbroken als
+in den ouden, evenmin als ook aan aanleidende oorzaken voor ijverzucht,
+partijwoede en eene hartstochtelijke wraakoefening.
+
+Naast de grootste intriganten, vindt men soms nog in het tegenwoordige
+Griekenland, de eerlijkste en rechtschapenste mannen; naast de
+slechtste karakters en de grootste ondeugden, menschen met zuiveren,
+vasten wil, ja zelfs met den meest grootschen heldenmoed. Ik behoef
+slechts Andreas Miaulis, wiens gebeente naast het gedenkteeken voor
+Themistocles rust, een Lazarus Konduriotti te noemen, namen die
+velen van ons zich nog uit hunne jeugd herinneren, als voorbeelden
+van dappere, trouwe en eerlijke mannen, van mannen bezield met een
+vasten wil. Een Johannis Kolettis is zelf door zijne vijanden voor
+het edelste karakter van Griekenland verklaard, even als zulks in
+oude dagen ook met Pericles het geval was. Ja! in de asch van schier
+iederen Nieuw-Griekschen stam, als een of ander groot ongeluk dien
+trof, is nu en dan eene vonk van heldenmoed opgegloeid, die duidelijk
+genoeg bewees, dat de oude geest nog niet verdwenen was.
+
+De lust tot geleerdheid en wetenschappen is bij de Grieken nimmer
+uitgedoofd geworden, en zelfs toen de onderdrukking der Turken in
+Constantinopel het zwaarste was, waren er nog altijd eenige Grieksche
+afstammelingen, bij wie beschaving en wetenschappelijke ontwikkeling
+traditioneel waren, en uit wier midden nu en dan groote geleerden
+opstonden, heldere koppen, die veel licht om zich heen verspreidden
+en zelfs in het Westen de aandacht tot zich trokken. Zelfs in de
+vorige eeuw, toen de Turksche opperheerschappij alles in een diep
+duister hulde, hebben oude reizigers bij de behoeftige naburen der
+Akropolis, een naklank en een nasmaak van het beroemde oude Attisch
+zout en vernuft ontdekt.
+
+In den nieuwsten tijd heeft zich het geheele volk, in zoo verre het
+vrij werd, weder op de studie toegelegd; de lust tot leeren en tot
+onderwijzen is herleefd, even als vroeger, zijn hooge- en volksscholen
+in haren boezem verrezen.
+
+Ook met betrekking tot de schoone kunsten, is de volksaanleg nooit
+geheel verloren gegaan. Reeds zeer spoedig nadat zij vrij geworden
+waren, hebben de Nieuw-Grieken zich op dit gebied eenigen nieuwen roem
+verworven.--De Grieksche vrouwen stonden steeds bekend als de beste
+borduursters van geheel Turkije, terwijl hare mannen beroemd waren
+als aanleggers van tuinen; deze wisten door zorgvuldige aanplanting
+van vruchtboomen, aan menige Oostersche stad fraaie wandelwegen
+te bezorgen. De aristokratische kunst van Praxiteles, die eens de
+roem en de trots der oude Grieken was, is den nakomelingen nimmer
+geheel vreemd geworden. Een tak der beeldhouwkunst die in Griekenland
+steeds in eere gehouden werd, is de kunst in hout te snijden. De muze
+der Grieksche schilderkunst, heeft in de schaduw der Kerk wel een
+kommervol leven geleid, maar toch was zij in de midden-eeuwen begaafder
+dan hare zusters in alle andere overige landen der christenheid, en
+toen in het begin van de dertiende eeuw de Franschen, de Venetianen
+en de andere, het kruis dragende barbaren, eens voor korten tijd
+het Grieksche Byzantium veroverden, toen begonnen zij kort daarna
+de Grieken na te apen en met kleuren te dichten. De zoogenoemde
+Italiaansche schilderscholen der 14de en 15de eeuw, vereeren die
+Grieksch-Byzantijnsche muze als hare moeder. En nu weder in den
+nieuweren tijd, na den vrijheidsoorlog, worden verscheidene Grieksche
+jongeren dezer muze, ook in het buitenland met eere genoemd. Zelfs
+heeft eene Griekin, de dochter van een Primaat van het eiland Spezzia,
+Bukuris, in Italië bewonderaars voor hare schilderstukken gevonden;
+en in de muziek heeft onder anderen de Griek Chalkiopulos composities
+geleverd, die op alle Grieksche eilanden gezongen worden. Intusschen
+moet men deze kunstproducten en talenten der Nieuw-Grieken, in
+vergelijk met die welke hunne voorvaderen ons achterlieten, nog zeer
+gering schatten en niet meer dan als eene kiem beschouwen op den grond,
+waarop eens zoo rijk de muzen bloeiden.
+
+Derhalve is het ook zeer begrijpelijk, dat de hedendaagsche
+Nieuw-Grieken in hunne overleveringen spreken over de roemrijke
+verrichtingen hunner voorvaderen, als over daden van een
+Titan-geslacht, en dat zij in hunne sagen al datgene wat hun van dat
+geslacht ter oore kwam, vermengden met de mythen van de wereld in rep
+en roer brengende Cyclopen en reuzen. De Nieuw-Grieken toonen op een
+hunner voorgebergten den grafsteen van zulk een Oud-Griekschen Titan,
+dien zij "Hellenos" noemen. De geest van dezen Hellenos--ik bedoel
+de krachtige geest van het oude Hellas,--waarheen onze beschouwing
+ons nog eens terugvoert--die van eene even onvergankelijke en eeuwig
+jeugdig blijvende natuur schijnt te zijn als Griekenlands Goden zelven,
+is tot den huidigen dag op Aarde nog nimmer geheel onderdrukt geworden.
+
+Veeleer is hij, heldendaden grooter en schooner dan die van een
+Alexander verrichtende, het buitenland doorgetogen, en heeft hij
+overal, zelfs terwijl zijn eigen volk sluimerde, de natiën, die hem
+verblijf gaven, en waar zich haar zin met den zijnen vereenigde,
+verkwikt, verheugd, gelukkig gemaakt en versterkt. Immers de
+geheele bloei der ontwikkeling en beschaving van de Arabieren in de
+middeleeuwen, ontstond voornamentlijk uit eene vereeniging met dien
+ouden Helleenschen geest. De oude Grieken waren de onderwijzers der
+Arabieren, die hunne werken in de door hen veroverde provinciën zonden,
+ze lazen, in hunne taal overzetten en in hunne scholen invoerden. En
+ook het licht, dat toen van het Moorsche Spanje op het overige
+barbaarsche Europa viel, was niets dan eene terugkaatsing van den
+glans aan de Helleensche zon ontleend.
+
+Even als bij de Arabische ontwikkeling, zoo was ook bij de Europeesche
+zoogenaamde wedergeboorte der wetenschappen, in de 15de eeuw,
+die naar het buitenland verdrevene Titan Hellenos degene, die bij
+deze wedergeboorte behulpzaam was, ja zelfs was hij de opvoeder en
+vader. Want toen de Turken in het jaar 1453 Constantinopel veroverden,
+en de voortvluchtige Griek Laskaris van daar de werken van Hesiodus,
+Euripides, Sophocles, Aeschylus, Aristophanus, Plato, die het
+ongeletterde Europa schier niet anders dan uit Arabische vertalingen
+kende, in de zuivere oorsponkelijke taal overbracht naar Italië, waar
+zij kort daarna gedrukt werden; toen ontbrandde eindelijk in Europa
+weder een nieuw, helder brandend en verwarmend licht. De menschheid,
+die nu uit de oorspronkelijke bron van de Grieksche wetenschap putte,
+wierp de middeleeuwen ter zijde, en begon andermaal met behulp van
+Socrates, Plato en zijne landgenooten, dezen ontwikkelder, dezen
+zachter, dezen veel christelijker nieuweren tijd.
+
+Sedert dien tijd heeft ons die geest der Hellenen niet weder
+verlaten. Sedert dien tijd zijn de Grieken, die het goddelijke in den
+mensch, inniger dan eenig ander volk, gevoelden en openbaarden, in zoo
+velerlei zaken weder modellen geworden, en het oud-klassieke Grieksche
+zijn is met ons geheele leven zoo zeer samengevlochten, dat het schijnt
+alsof wij het volstrekt niet ontberen konden, en het slechts in ons
+nadeel ontberen zouden. Het schijnt dat wij gevaar zouden loopen achter
+uit te gaan, als wij niet altijd met de Grieksche oudheid in verbinding
+bleven. Staat niet de oude Grieksche geest onzen historici, wien
+Thucydides steeds een onbereikbaar voorbeeld was,--onzen philosophen,
+die van Plato en Pythagoras de impulsie tot hunne nieuwe ideeën en
+onderzoekingen ontvingen,--onzen sterrekundigen, voor wie een Griek
+Aristarchus reeds 300 jaren v. Chr. het Copernikaansche zonne-stelsel,
+met de zon in het midden, als hypothese vastgesteld heeft,--en
+onzen natuuronderzoekers, die hetgeen zij weten lang en bijna
+uitsluitend uit Aristoteles en Ptolomeus putten, en nu nog dikwijls,
+van hen veel nieuws en veel dat nog niet opgemerkt werd leeren, ter
+zijde? Staat hij niet met zijne inspiratiën, achter onze politici,
+onze staatsbestuurders, onze volks-vertegenwoordigers?--verzekeren
+ons niet dagelijks, om een afdoend bewijs te leveren, de beste en
+welsprekendste redenaars, die van het Engelsche parlement, dat zij
+in het bad der Grieksche Hippokrene zich versterkten en bekwaamden
+tot den strijd voor vrijheid en recht?
+
+Maar het grootste wonder heeft de reizende en rusteloos werkzame
+Hellenos, deze _eeuwige_ Griek, deze met hemelsch licht stralende
+broeder van den somberen Ahasverus, den eeuwigen jood, deze altijd door
+rijke zaden uitstrooiende en zegen verspreidende geest, gewrocht voor
+de herleving der kunsten. Ja, in dezen zin, op dit hun uitsluitend
+eigen veld, zijn de oude Hellenen nog grootscher geweest, maar
+zijn zij helaas! nog in mindere mate tot ons gekomen dan op eenig
+ander. Zij hebben in woord en in kleur, met penseel en met beitel,
+zooveel prachtige kunststukken gewrocht, dat als wij ze nog bezaten,
+wij er al onze steden mede zoude kunnen versieren en ze rijkelijk
+van voorbeelden voorzien. Wat hun penseel schiep, wat hunne lier
+melodieus te voorschijn bracht, is schier alles vergaan en verbleekt,
+en zelfs van hunne steenen en metalen werken zijn slechts enkele
+brokstukken, kapiteelen en torso's overgebleven. En toch spreekt uit
+deze overblijfselen hunner scheppingen eene zoo volmaakte schoonheid,
+een zoo krachtige geest, dat schier iedere ontdekking en uitgraving
+van een enkel brok, van eene enkele torso, van een Venus van Milos,
+van een Apollo van Belvedere, of van een Laokoon telkenmale groote
+sensatie bij de ontwikkelde wereld teweeg brengt, ja! men zou kunnen
+zeggen, een tijdpunt in onze kunstenaars-ontwikkeling aangewezen of
+gemaakt heeft.
+
+De gezamenlijke en zoo verblijdende nieuwste bloei van Europeesche
+kunst is in den grond, even als de Macedonische, de Romeinsche en
+Arabische geestesontwikkeling, de Italiaansche schilderscholen der
+13de eeuw, en de wedergeboorte der wetenschappen in de 15de eeuw het
+geweest is, wederom een voortbrengsel van den, uit zijn graf herrezen,
+Griekschen geest.
+
+Inderdaad, hetgeen door deze Grieken voortgebracht is, moet ons
+met verbazing vervullen; vooral, wanneer men alles nagaat, wat zij
+tot de beschaving van het menschelijk geslacht hebben bijgedragen,
+en onze bewondering wordt des te grooter, wanneer wij opmerken,
+dat zij daarbij van buiten af, wel eenige maar toch over het geheel
+zoo weinig hulp kregen, en dat zij veeleer de helpers en redders
+van ons allen werden, en zij nagenoeg alles oorspronkelijk uit zich
+zelven hadden, het uit hun eigen brein schiepen en weldra, snel en
+met energie den geheelen Olympus als met den stormpas veroverende,
+alles tot de grootste volmaking gebracht hebben.
+
+Volmondig mogen wij het getuigen, terwijl wij aan het slot dezer
+beschouwing nog eenmaal zien naar dat kleine zeebekken, aan welks
+oevers ik mijne lezers de wieg en de oude woonplaatsen der Grieken
+toonde: daar aan den Archipel, daar begon ons Europa, daar liggen
+de wortelen onzer beschaving; van deze, ik mag wel zeggen, heilige
+zee (_Agio-Pelagos_) waar voor ons geestelijk leven, vrijheid,
+en zedelijkheid opgingen; van daar zijn de zaden der humaniteit
+overgewaaid tot naar het uiterste Noorden en Westen van ons werelddeel,
+en vervolgens naar de nieuwe wereld en over onze geheele planeet heen.
+
+
+
+
+
+
+DE OSMANEN.
+
+
+In de twee groote schiereilanden van Griekenland en Klein-Azië,
+die slechts door eene nauwe zeeëngte van elkander gescheiden zijn,
+zien de beide werelddeelen Europa en Azië tegelijker tijd elkander
+in het gezicht. Het is, alsof de vaste landen hier hunne gespierde
+vuisten uitsteken, om òf elkander te omhelzen òf de zwaarden met
+elkander te kruisen.
+
+De lotgevallen dezer beide schiereilanden, zijn ten alle tijde nauw aan
+elkander verbonden geweest. Het eene (het Westelijke) diende meestal
+den Europeanen als sterkte en als haven tegen de Aziatische volken,
+die hunnerzijds steeds het Oostelijke als brug tot hunne tochten en
+marsenen naar Europa bezigden. De volkeren, die over deze brug heen
+op elkander stieten, en tot groote rijken samensmolten, waren, in 't
+algemeen en over het geheel genomen, schier altijd dezelfde. Aan de
+eene zijde de oude Europeesche volken, de Grieken, de Illyriërs, de
+Romanen, de Slawen, met zeer verschillend volks-leven; aan de andere
+zijde de West-Aziaten, de Syriërs, de Perzen, de Arabieren enz. met
+hun eentoonig levens-type, met de despotische staatsinrichtingen van
+het Oosten.
+
+Alleen de hegemonie der beide hier strijdende partijen is in den loop
+der tijden verwisseld. Eerst stonden aan de spits der Europeanen
+de Hellenen, daarna de Macedoniers en nog later de Romeinen. En de
+Aziatische banier werd eerst door een Perzischen Koning, later door
+de Kalifen en eindelijk door de Turksche Sultans gevoerd.
+
+Meesttijds behaalden, gedurende de twee duizend jaren van strijd,
+de Europeanen de overwinning en behielden zij het overwicht. Het
+gelukte den Achaeërs Troje te verwoesten, in Klein-Azië bloeiende
+koloniën te vestigen en later den aanval van den grooten Koning van
+Iran af te slaan. Onder Alexander den Groote stortten zij den Grooten
+Heer zelven van zijn troon aan den Euphraat, en heerschten zij voor
+eeuwen over het geheele Westelijk Azië, eerst onder de opvolgers van
+den Macedoniër, later met en onder de Romeinen en eindelijk weder
+onder de Byzantijnsche Keizers.
+
+Geen West-Aziatisch rijk met Oostersch despotisme van eenige
+uitgestrektheid, heeft zich op den duur, noch in de oudheid noch in
+de middeleeuwen, in Oostelijk-Europa kunnen vastnestelen. Eerst in
+een lateren tijd, heeft het merkwaardig volk der Osmanen, den door
+de Atheners zoo zeer gevreesden triumf der Aziatische Groote Heeren,
+aan deze zijde van den Hellespont weten te behalen.
+
+Naar taal, bloed en zeden behoorden deze Osmanen oorspronkelijk tot
+dien grooten volksstam, die in Europa gewoonlijk de _Turksche_ genoemd
+wordt, en die, even als de Mongolen, Tunguzen en Finnen, wederom
+een tak is der nog grootere volkeren-groep, die onze etnographen
+als de Tataarsche of Turanische, ook wel als de "hoog-Aziatische" en
+"Altaïsche" aangeduid hebben.
+
+De traditiën en de mythen, aangaande den oorsprong van al deze volken,
+wijzen naar den Altaï, het hooge midden-gebergte van Azië, aan de
+grenzen van China en Rusland, heen. De Turken, die zich zelven
+als stamverwanten dezer Mongolen, Tungusen en andere nomadische
+volksstammen van Midden-Azië, erkennen, hebben over hunne afzondering
+van hunne broederen, de volgende mythe of sage, die misschien op
+een historischen grond berust, maar voor het overige, zooals men
+gemakkelijk opmerken zal, zeer poëtisch opgesmukt werd.
+
+Eens, zoo vertellen de Turken, bij de verwoesting van een grooten
+nomadenstam (namentlijk die, welke door de oude Chineesche schrijvers
+het rijk der Noordelijke Hunnen genoemd wordt), ontkwamen aan het
+algemeene bloedbad slechts twee jonge Hunsche of Tartaarsche Prinsen,
+Kaian en Ragos, met hunne vrouwen. Zij verzamelden de overgeblevene
+gereedschappen, kameelen, paarden en kudden hunner verslagene vrienden
+en trokken Noord-Westwaarts, naar de hooggelegen schuilhoeken van
+het Altaï-gebergte, om daar een toevluchtsoord te vinden. Terwijl
+zij steeds dieper en dieper dit gebergte introkken, ontdekten zij
+ten laatste een uiterst smal spoor, dat aan de voetstappen van het
+bergwild zijn ontstaan te danken had, en zoo eng was, dat slechts één
+ruiter tusschen de kloven en afgronden passeeren kon. Het gemsen-spoor
+dat zij volgden, bracht hen eindelijk in eene aangename, breede,
+met beken doorsneden en van rijke weiden voorziene, hoog-vlakte. In
+deze welkome en moeielijk toegankelijke plaats vestigden zij zich
+met hunne kudden, bouwden zij hutten en tenten en leefden daar vele
+jaren, in den winter van vleesch, in den zomer van melk en wilde
+vruchten. Zij gaven hunne woonplaats den naam "Erkene-Kom", dat is,
+het dal van het hoog gebergte.
+
+De nakomelingschap dezer beide Nomaden-Prinsen, van buiten ongestoord
+en aan geheel de overige wereld gansch onbekend, nam aanzienlijk in
+aantal toe en verdeelde zich in verscheidene stammen of horden. Nadat
+zij zoo vier eeuwen in hunne schuilplaats geleefd hadden, en deze
+hun met hunne groote kudden te klein geworden was, besloten zij in
+eene algemeene volksvergadering, even als de Joden uit Egypte, de
+wijde wereld weder in te trekken. Maar hunne ouden hadden de plaats
+vergeten, waar zich het beroemde smalle bergpad bevond, waarlangs
+hunne voorvaderen vluchtende zich hierheen begeven hadden. En alle
+nasporingen naar dat pad, in de hemelhooge steile rotswanden, die
+hun "Erkene-Kom," deze bakermat van alle Turksche stammen omgaven,
+waren te vergeefs. "Men moest daarom tot andere middelen zijne
+toevlucht nemen."--Een hoefsmid vond, nadat hij de steile rotswanden,
+die als even vele muren het dal omgaven, opmerkzaam gadeslagen had,
+eindelijk eene plaats, die niet zoo dik was als de overige, en waar
+des te gemakkelijker een doorgang te maken zou zijn, daar zich hier
+alleen ijzer-houdende rotsen bevonden. Op zijn raad werd hier een
+groot vuur aangelegd. Zeventig groote blaasbalgen werden aangebracht
+en met behulp er van smolt men het metaal weg, zoodat er eene bres
+en een smallen doorgang gevormd werd, waardoor een beladen kameel
+passeeren kon. Zoo trok nu het geheele volk onder aanvoering van
+hunnen toenmaligen Chan of Hertog, "Bertezena" genaamd, de wereld in
+en stortte zich als een lang bedwongen bergstroom over het omliggende
+land uit. Zij zonden gezanten aan alle omwonende stammen en boden
+hun bijstand en bescherming aan, wanneer zij hunne weiden afstaan
+en zich aan hen onderwerpen wilden. Verscheidene dier stammen, die
+zich verbonden hadden om tegenstand te bieden, sloegen zij terug,
+en zoodoende werden zij spoedig een groot en machtig volk, uit wiens
+schoot vele beroemde geslachten en machthebbers ontsproten zijn.
+
+Later werd nog lang het aandenken aan den wonderbaren uittocht uit
+het dal "Erkene-Kom", bij alle Turksche volken door een jaarlijksch
+feest gevierd; zij maakten dan in een groot vuur met vele blaasbalgen
+een groot stuk ijzer gloeiend, waarop de opperste Chan den eersten
+hamerslag, en na hem alle andere hoofden der horden eveneens een
+hamerslag moesten doen. Ofschoon nu dergelijke verhalen,--zooals er bij
+de Aziatische volken vele bestaan over den aard en de wijze van hunnen
+oorsprong--niet in al hunne bijzonderheden als geschiedenis mogen
+beschouwd worden, zoo geven zij toch in het algemeen tamelijk zuiver
+aan, hetgeen ontelbare malen gebeurd is, en zijn zij zelfs in hunne
+poëtische opsieringen, als het karakter en de phantasie der volken die
+deze mythen met zich omdragen, aanduidingen die verdienen opgemerkt te
+worden. Ook bezitten zij als onderwerpen van het latere volksgeloof,
+ten minste de waarde eener _subjectieve_ historische waarheid.
+
+Van de op verschillende wijze over de landen ten Westen van het
+Altaï-gebergte verspreide volken, waren verscheidene, reeds lang voor
+onze Osmanen, langs andere wegen naar Europa gekomen.
+
+De eerste invallen van Turksche volken in ons vasteland geschiedden
+niet over Klein-Azië, maar noordwaarts van de Zwarte zee door
+Rusland. De Osmanen, de Polowzer, de Petschenegen en na hen
+verscheidene andere horden, die in de 13e eeuw met Tschingis-Chan
+naar Europa kwamen, en daar meer of minder duurzame rijken stichtten,
+behoorden tot dit ver verspreide ras der Turken. Maar de namen der
+Noordelijke Turken zijn meerendeels lang verdwenen, en slechts geringe
+overblijfselen er van wonen nu nog in de Krim, in het Uralische
+gebergte en aan de Wolga. Van al de verschillende stammen zijn de
+Osmanen de eenigen, wien het gelukt is een blijvenden indruk op
+Europa te maken, en zelfs ten lange laatste in den Europeaanschen
+volks-Areopagus zitting en stem te verkrijgen, even als ook van
+de tallooze Finsche stammen de Magyaren, als de ontwikkeldste en
+begaafdste, in macht en roem uitgeblonken hebben.
+
+De voorgangers en broeders der Osmanen in Azië, de Seldschukische
+Turken, die daar in de 11de eeuw, uit de overblijfselen van het
+Kalifaat, een machtig rijk stichtten, zijn naar Europa zelf nauwelijks
+overgekomen, ofschoon zij wel de heerschappij der Europeanen in Azië,
+nog voor van Osmanen sprake was, zeer beperkten. Zij ontnamen den
+Byzantijnschen Grieken vele hunner Aziatische provinciën, die hun
+onder de Arabische Kalifen nog gebleven waren. Ook waren het de door
+de Seldschukische Turken gestichte rijken, met welke de Westelijke
+Europeanen, ten tijde der kruistochten in strijd geraakten. De groote,
+langdurige strijd der Europeanen met de Turken in deze streken,
+begon dus eigentlijk reeds in de 11de eeuw in het binnenste van
+Klein-Azië, met die Seldschuken, die ook reeds de halve maan in hun
+vaandel voerden en van wie de Osmanen dit teeken overerfden.
+
+De kruistochten golden schier allen bij uitstek Turksch-Seldschukische
+Sultans, en daar zij, met betrekking tot hun voornaamste doel (de
+verchristelijking van Westelijk Azië) zonder gevolgen waren, daar zij
+den voornaamsten schutsmuur van Europa tegen Azië, het Byzantijnsche
+rijk, nog meer verzwakten, zoo hebben deze onbekwaam aangevoerde
+kruistochten zeker niet weinig er toe bijgedragen, den Turken,
+den Islam en het Oosten de poorten van ons werelddeel te openen. De
+Turksche veroveringstocht naar het Westen zetten de Osmanen voort,
+daar waar hunne broeders de Seldschuken, (die op hun tocht en zelfs
+nog voor zij Europa bereikten, uit elkander gespat waren) die hadden
+moeten opgeven.
+
+De sage die de Osmanen hebben, aangaande hunnen bijzonderen
+oorsprong en hunne afscheiding van de andere Turksche stammen,
+herinnert eenigzins aan het eerste begin van Rome. Eene wolvin en een
+Sabynsche maagdenroof spelen er de hoofdrol in. Hunne voorvaderen,
+zoo luidt de Osmanische mythe, die als vreedzame weide-bezitters
+aan de oevers der _Westelijke zee_ (de Kaspische zee) leefden,
+werden door een naburigen, wilden stam, die ouderdom noch geslacht
+verschoonde, aangevallen, uit hunne haardsteden verdreven en te
+gronde gericht. Slechts een kleine knaap, die de vijanden voor dood
+in een meer ge- worpen hadden, ontkwam. Een dier der wildernis, eene
+wolvin, had medelijden met den jongen knaap, haalde hem uit het water
+en zoogde hem, die tot stamvader der Osmanische Turken bestemd was,
+even zooals ook eens eene wolvin aan Romulus en Remus dienzelfden
+dienst bewezen had. Onontdekt leefde de jonge herder met zijne wolvin
+in een eenzaam hol, groeide op tot een man en verwekte bij eene
+eveneens voortvluchtige vrouw 10 zonen. Nadat deze tot jongelingen
+opgegroeid waren, roofden zij zich vrouwen van naburige stammen en
+vermeerderden hun geslacht. Toen het dal overbevolkt raakte, rukten
+zij, met een wolfskop op hunne vaandelstokken, tegen hunne vijanden op
+en vervulden onder dit teeken den omtrek met vrees en ontzetting. Dit
+geschiedde in de alleroudste tijden. Maar zelfs nog in het begin der
+13de eeuw, 300 jaren voor het tijdpunt waarop zij eene macht zouden
+vormen die drie werelddeelen verontrustte, waren de Osmanen, even
+als eens het volk Israël onder Abraham, niets meer dan eene horde
+van slechts weinige duizende beredene herders en herderskinderen,
+die vluchtende voor de invallende Mongolen, zich uit de provincie
+Korassan en uit den omtrek der Kaspische zee op weg begaven naar het
+Westen, en al vluchtende over Armenië naar Klein-Azië kwamen.
+
+Uit dezen weinig talrijken ruitertroep, die onder weg door deserteurs
+en naar huis terugkeerenden nog aanzienlijk verminderde, ontstond
+het groote Osmanische rijk; even als uit de muren van een Sabynsch
+stadje de, de geheele bekende wereld onderwerpende, Romeinen; even
+als uit een bijna onmerkbaar aan den horizon verschijnend wolkje,
+een storm ontstaat, die langs den geheelen hemel trekt.
+
+Even als bij vele vluchtelingen, die uit hun vaderland verdreven de
+wijde wereld voor zich open zagen, en door dezen aanblik buiten zich
+zelven geraakten, zoo ontwaakte ook bij dit, tusschen de oude steden
+van het land langs den Eufraat dwalende hoopje roofzuchtige herders,
+weldra een geweldige lust naar heldendaden, roem en schatten. Hunne
+aanvoerders droomden al vroegtijdig, even als de stamvaders der Joden,
+van roem en grootheid voor hun volk.--Ertogrul, een dezer dikwijls
+genoemde allereerste machthebbers en eerste horden-aanvoerders,
+droomde eens gedurende een zijner legertochten, dat hij in zijne tent
+een fraaie heldere bron zag ontspringen, die met steeds toenemende
+kracht, in haren onstuimigen loop, tot eene groote rivier aangroeide
+en toen wijd en zijd het land overstroomde. Een zijner wijze Sheiks
+leide den droom zoo uit, dat aan Ertogrul weldra een heldhaftigen zoon
+zou geboren worden, die het volk tot groote daden zou aanvoeren.--En
+nog fraaier en duidelijker droomde daarna deze zoon zelf, Osman
+(vrij omineus--beender-breeker--de Turksche naam voor een roofvogel,
+den koningsarend)--de meest gevierde held van het naar hem genoemde
+volk der Osmanen.
+
+Als jongeling in liefde ontstoken voor de dochter van Edebalis,
+een ouden Sheik, scheen het den jongen Osman op een avond, na het
+eindigen van zijn gebed, toe, alsof hij den grijzen vader zijner
+geliefde naast zich zag rusten, en alsof de wassende maan schitterend
+uit den boezem van den oude opsteeg, om zich weldra als volle maan
+in zijn eigen (Osman's) boezem te verbergen. Op de plaats echter,
+waar de volle maan verdwenen was, groeide een prachtige boom met
+uitgestrekte takken, beladen met kostelijke vruchten, en onder zijn
+lommer rustte het _heelal_ met al zijne bergen en dalen, rijke weiden
+en fraaie rivieren, provinciën en steden, bewoond door eene werkzame
+bevolking, die zich in de schaduw van den prachtigen boom in haar
+bestaan scheen te verheugen. Osman ontwaakte in het volle genot van
+dit prachtig gezicht, en schilderde vol verbazing het fraaie tooneel,
+dat hij in zijn droom gezien had, aan zijn ouden vriend. Deze, die
+tot nu toe zijne dochter aan den jongen avonturier geweigerd had, maar
+nu in den droom een teeken des Hemels meende te zien, ten gunste der
+vereeniging van zijn huis met dat van Osman, en er den toenemenden
+bloei der vereenigde stammen uit opmaakte, gaf zijne toestemming
+tot eene verbintenis, waaruit het werkelijk schitterend geslacht der
+machtige Osmanische Sultans, als eene reeks meteoren ontsproot.
+
+Nagenoeg alle sagen en verhalen der Osmanen, die op de kindsheid van
+hun volk betrekking hebben, zijn van zeer vromen, zeer phantastischen
+en prophetischen aard. Ook hebben hunne geschiedschrijvers (want
+deze heeft dit volk steeds vele voortgebracht) er voor gezorgd,
+dat wij de ontwikkeling en den weg der natie, van af de woestijnen
+van Turan, over den Euphraat tot aan den Bosphorus, voet voor voet
+beter kunnen volgen, dan die van den oorsprong en vooruitgang van
+vele andere Aziatische volken.
+
+De nu nog in het Turksche rijk bekende en door het volk bezochte en
+vereerde graven hunner eerste Sultans, zijn tegelijkertijd de merkpalen
+en gedenksteenen op hunne zegebaan. Suleiman, de grootvader van Osman,
+die zich te paard in den Euphraat stortte om zijne horde een weg te
+banen, werd aan den oever dezer afgelegene rivier begraven. Ter eere
+van zijn zoon, den bovengenoemden Ertogrul, werd door de zijnen, eene
+halve eeuw later een grafsteen opgericht, 200 mijlen westelijker aan
+de oevers der rivier Sangarios, in het midden van Klein-Azië. En de
+kleinzoon eindelijk, Osman, de grondvester der Turksche macht, vond
+zijne rustplaats reeds zeer dicht in de nabijheid van het Europeesche
+zeegebied, in het zoogenaamde "zilveren gewelf" der Bithynische stad
+Prusa, wier omtrek het eerste vaste stamgebied en de wieg van het
+Osmanische rijk werd.
+
+Tot zoolang was de horde, onder het verrichten van vele heldendaden,
+rusteloos door het noordelijke deel van Klein-Azië, om de in het zuiden
+nog machtiger staten der Seldschuken, en deels in dienst van deze,
+rondgeslopen. Hier echter in het oude Bithynië en aan de grenzen van
+Azië en Europa, waarheen de arm der Seldschuken niet meer reikte en
+waar de Byzantijnsche macht niet meer bloeide, nestelden zij zich
+onder Orchan, den beroemden zoon van Osman, en zetten als frissche
+voortroepen der machtelooze Seldschuken, het eerst in hunne oudste
+koningsstad Prusa, vasten voet, even als eene wig, die zich rechts
+en links in beide werelddeelen wilde indringen.
+
+Van daar uit hebben zij om zich heen gegrepen, zoowel westwaarts naar
+Europa dat vóór hen, als oostwaarts naar Azië dat achter hen lag.
+
+Daar het westen voor hen lag en zij aanvankelijk met hunne
+stamgenooten, de Seldschuken, op vriendschappelijken voet leefden,
+zoo keerden zij het eerst hunne wapenen bij voorkeur tegen ons vaste
+land. Nadat zij de kleine Byzantynsche stadhouders en leenroerige
+vorsten, en de Grieksche vorsten aan den Hellespont en aan de
+zee van Marmora, den een na den ander overwonnen hadden, gingen
+zij in het midden der 14de eeuw naar Europa zelf over. Zij kwamen
+daar gedeeltelijk als vrijbuiters, die hier en daar rooftochten
+ondernamen en onderlinge twisten der Byzantijnen met kracht van
+wapenen onderdrukten, gedeeltelijk ook als vrienden en trawanten der
+Grieksche Keizers, die deze dappere ruiters tegen hunne oproerige
+stadhouders of tegen-keizers in dienst namen--eindelijk ook als
+vreedzame landverhuizers, die reeds lang voor zij de stad innamen, in
+Constantinopel eene zeer bevolkte kolonie bezaten--weldra echter ook,
+nadat zij het masker van vriendschap afgelegd hadden, als gebiedende
+veroveraars, die reeds in het jaar 1358 een hunner vorsten, Suleiman,
+den hoopvollen kleinzoon van Osman, aan deze zijde van den Hellespont
+een grafteeken, het eerste dezer soort, bouwden. Van het graf van dezen
+jongeren Suleiman uit, drongen zij al ras, de eene Grieksche stad
+na de andere wegnemende, de Europeesche landen dieper in, en reeds
+weinige jaren later, in het jaar 1361, bestormden zij Adrianopel,
+de grootste provinciestad der Grieken, waar zij hunnen Sultans hunne
+eerste Europeesche residentie oprichtten.
+
+Alle omgelegene Grieksche en Slawische volken bogen zich nu weldra
+voor hunne sabels, die een hunner aanvoerders vergeleek bij eene
+wolk, die over Europa heentrekkende, bloed in plaats van regen
+vergiet. Van hier uit ontnamen zij het oude Grieksche rijk om zoo
+te zeggen zijn wortels en takken, eer zij den stam, de drievoudig
+ommuurde hoofdstad, velden. In het jaar 1389 vernietigden zij, in
+den bloedigen volkenslag op het Amselfeld, de vereenigde macht der
+Serviërs, Bulgaren, Walachijers en Hongaren, en verspreidden zij zich
+nu over bijna het geheele schiereiland heen.
+
+Eindelijk, in het midden der volgende eeuw, in het jaar 1453, nadat
+zij de stad aan alle zijden omsingeld, het geheele vaartuig om zoo
+te zeggen onttakeld hadden, bestormden zij den romp van het oude
+Byzantium, vertraden zij geheel en al het laatste nog stuiptrekkende
+lid van het Romeinsche rijk, dat achter de muren van eene enkele stad,
+als een slak in zijne schulp kruipende, zijn einde vond, even als het
+eens, uit de enge muren eener enkele stad, zijne vang-armen over de
+geheele wereld uitgebreid had.
+
+Hier, aan den gouden horen, in het brandpunt van het verkeer tusschen
+Azië en Europa, waar de Turksche Sultans hunne tweede en blijvende
+Europeesche residentie vestigden, werd nu de schitterende droom van
+den heldhaftigen horden-hoofdman Osman bewaarheid. De Osmanische
+macht groeide onder eene reeks krachtige, talentvolle en gelukkige
+Vorsten, van Mohammed II tot Selim II, in het tijdsverloop eener eeuw
+inderdaad tot zulk een reusachtigen boom aan, die de volken van drie
+werelddeelen, de beroemdste en gezegendste landen van den aardbol
+overschaduwde, zooals Osman het in zijn droom gezien had.
+
+De aanvankelijk zoo kleine horde, die slechts weinige duizende
+koppen telde,--daar zij deels in zich zelve vermeerderde,--deels hare
+broeders, de Seldschuksche Turken, wier rijken het een na het andere
+opgeslokt werden, in zich opnam,--deels echter ook altijd onder de
+onderworpene volken rekruteerde en vele, tot den Islam bekeerden met
+den geest der Osmanen vervulde, en hen met dezen naam vereerde--zwol
+tot een machtigen stroom van verscheidene millioenen aan, die
+overal de woonsteden der uitgemoorde of in slavernij weggevoerde
+oorspronkelijke bevolking in bezit namen--die zich als grondeigenaars
+en grondbezitters in de Europeesche rijksleenen verspreidden, die als
+bevelhebbers en bezettingstroepen alle steden van Syrië, Mesopotamië,
+Egypte, ja zelfs de geheele lange noordkust van Afrika binnentrokken.
+
+Ten tijde van hun toppunt van bloei en macht in het midden der 16de
+eeuw, nadat zij onder hunnen vreeselijksten Padischa Suleiman den
+Prachtigen, ook Hongarije veroverd en zelfs de Duitsche Keizerstad
+Weenen aangevallen hadden, toen het hof van den Turkschen Sultan het
+prachtigste van zijn tijd geworden was, strekte in Europa hun rijk
+zich noordwaarts uit tot aan de Karpathen, westwaarts tot aan de Alpen
+en tot dicht bij Venetië, en oostelijk over Zevenbergen en Moldavië
+door geheel zuidelijk Rusland heen, zoover de ruiterscharen van hunnen
+vasal, den Chan der Krimsche Tartaren, hunne strooptochten ondernamen.
+
+Nagenoeg anderhalve eeuw, gedurende de 16de en een gedeelte der
+17de eeuw, bleven zij op deze hoogte. Van dien tijd af dagteekent
+zoowel het verval hunner innerlijke energie als hunner uiterlijke
+macht. Weinige groote en krachtige mannen verschenen meer onder
+hen. De Sultans verweekelijkten in de harems, waarin zij hunne
+opvoeding ontvingen. Familietwist en broedermoord bevlekten meermalen
+de treden van den troon. Even als bij de heerschers geen bepaalde wet
+aangaande de troonsopvolging bestond, zoo had zich ook bij het volk
+geen oud-adelijk element, op geboorte en vast grondbezit gegrond,
+gevormd. Hebzucht, roofgierigheid, omkoopbaarheid begonnen meer en
+meer bij de Turken veld te winnen, en ondermijnden de vroeger zoo
+geprezene maatschappelijke deugden.
+
+Niet zoodra tastte die stilstand en verrotting het inwendige aan,
+of de tot nu toe in ontzag gehoudene naburen begonnen met meer
+geluk tegen de Turken te opereeren. Het geheele oostelijk Europa,
+de Duitschers, de Polen, de Russen traden krachtig op. Kleine
+christen-legers sloegen nu somwijlen Turksche legerscharen, die
+dubbel zoo sterk waren, op de vlucht. Zelfs de vroeger zoo gevreesde
+Janitscharen boezemden geen schrik meer in. Oostenrijk, dat Hongarije
+bevrijdde, herstelde en met zijne staten vereenigde, knakte in de 17de
+eeuw de Turksche macht het eerst aan den Donau. Hem volgde Rusland,
+dat in den loop der 17de en 18de eeuw de Tartaarsche Vorstendommen
+Kasan en Astrachan veroverde, tot aan den Kaukasus en de Zwarte zee
+doordrong, en ten laatste zich ook de Turksche vasallen in de Krim,
+alsmede alles wat de Turken aan gene zijde van de Pruth bezaten,
+onderwierpen. In onze eeuw werden--hoofdzakelijk met behulp van
+Rusland--de Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachije, de Serviërs,
+de Montenegrijnen en eindelijk de Grieken, binnen de grenzen van het
+oude Hellas, van de opperheerschappij der Turken bevrijd.
+
+En in al deze bevrijde landen, die zij slechts als militairen
+bezet hadden, waar zij naast de inboorlingen slechts als soldaten
+gewoond hadden, zonder in de vele betrekkingen en handwerken van
+het burgerlijke leven in te dringen, zijn zij nu zoo goed als
+spoorloos verdwenen. Slechts vele treurige ruïnes getuigen van
+hunne vroegere aanwezigheid. Gebouwen en kunstproducten hebben
+zij niet achtergelaten, dan hier en daar de ingestorte muren eener
+vroegere Turksche vesting--of ook op de marktplaatsen in de steden
+waterleidingen en bronnen, van welke nuttige zaken de Osmanen zeer
+groote vrienden waren--ook op menige plaats, b.v. in de stad Ofen,
+midden onder de weder opbloeiende christelijke kerken, het graf van
+een Mohammedaanschen heilige, waarheen nu en dan nog wel eens een
+vrome Turk langs den Donau eene bedevaart maakt. Levende getuigen,
+landbouwende kolonisten, burgerlijke handwerken uitoefenende
+gemeenten, zijn van hen daar onder de christelijke heerschappij niet
+achtergebleven, zooals dat bij hunne stamgenooten, de Turksche Tartaren
+in de Krim, in Kasan en Astrachan, wel het geval geweest is.
+
+Duidelijker zouden wij, als zich dit zoo gemakkelijk nagaan en van
+de inboorlingen onderscheiden liet, de indrukken hunner vroegere
+aanwezigheid vinden in de zeden, taal en het karakter der hun eens
+onderworpene en nu bevrijde natiën. Zoowel in de Hongaarsche, als in
+de Walachijsche, Servische en Nieuw-Grieksche taal zijn verscheidene
+Turksche woorden ingeslopen, en hiermede natuurlijk, daar vreemde
+woorden nooit zonder vreemde begrippen komen, ook menige Turksche
+voorstelling en denkwijze. Hongaarsche schrijvers der 17de eeuw klagen,
+dat in den tijd der Tursche heerschappij, bij den Hongaarschen en
+Zevenbergschen adel, veel in de dagelijksche gewoonten en huiselijke
+inrichtingen, Turksch geworden is, en daarvan zou men nu ook nog
+overblijfselen kunnen vinden. Dat ook de Wallachijers, de Grieken
+en Serviërs, den invloed van den despotischen druk der Turksche
+heerschappij nog niet geheel overwonnen hebben, daarover is dikwijls
+geklaagd geworden.
+
+Ook in eenige der den Sultan nog direct onderworpene provinciën,
+krijgt men heden ten dage nog slechts zelden een echten Osmanischen
+Turk te zien. In het door de Slawen bewoonde Bosnië b.v., is wel de
+adel van het land mohamedaansch en in zijne zeden Turksch, maar naar
+de afstamming en de taal bestaat deze adel toch uit oorspronkelijke
+Slawen.
+
+Ook in de overige Europeesche provinciën, die de Turken
+nog heden in bezit hebben, in Bulgarije, Macedonië, Thracië,
+Albanië, enz. is de grond- en landbevolking Slawisch, Grieksch,
+Albaansch enz. en de zoogenaamde Osmanen hebben daar slechts, om
+zoo te zeggen sporadisch verdeelde woonplaatsen. Zij wonen in de
+steden als burgerlijke en militaire ambtenaren en op het land als
+grondbezitters, slechts zelden als zelf arbeidende dorpsbewoners
+en nijvere handwerkslieden. Zamenhangende, uitsluitend door Osmanen
+bewoonde landschappen, vindt men in geheel Europeesch Turkije slechts
+enkele. In de steden zullen zij nagenoeg de helft der bevolking
+uitmaken, en in het geheel mag men het getal echte Osmanen in geheel
+Europa bezwaarlijk op meer dan 1 1/2 millioen stellen, waarvan het
+grootste gedeelte bij elkander wonende in Constantinopel gevonden
+wordt. Daar ter stede zijn nagenoeg een half millioen ingezetenen,
+die tot de Osmanlis gerekend worden.
+
+Beproeven wij nu de zeden en de eigenaardigheden van het karakter
+te schetsen van dit merkwaardige volk, dat tijdens zijn bloei eens
+geheel Europa deed beven, en dat ook nu nog, alhoewel niet zoo zeer
+door dreigende macht, als wel door de vraag wie van zijne zwakte
+voordeel zal trekken, geheel Europa bezig houdt. Wij moeten nog
+daarbij in de eerste plaats onderscheiden, wat zij oorspronkelijk
+in hun eigenlijk vaderland waren, en wat zij in den loop der tijden,
+bij hunne verbreiding over zoovele landen en bij hunne aanraking met
+zoo vele verschillende volken, geworden zijn.
+
+Het eerste en voornaamste geschenk, dat de Osmanen na hunne eerste
+ontmoetingen met hunne West-Aziatische naburen ontvingen, was de
+godsdienst van Mohamed. De oorspronkelijke godsdienst der Turken
+in hunne Aziatische steppen was een ruwe natuurdienst, waarbij zij
+voornamelijk de vier elementen: vuur, water, lucht en aarde vereerden,
+en tevens aan een hoogsten geest des hemels paarden en schapen
+offerden. De Islam kwam in hunne oorspronkelijke woonplaats reeds tot
+hen door de Arabieren en Perzen. Deze waren gewoon alle gevangenen,
+die zij in hunne oorlogen met de naburige nomadische roofstammen
+maakten, tot den Islam te bekeeren, en deze bekeerden, als zij in
+hun vaderland teruggekeerd waren, weder hunne stamgenooten. Reeds
+omstreeks het jaar 1000 na Christus, waren op deze wijze verscheidene
+nog nomadische Turkenstammen goede Mohamedanen geworden, terwijl ook
+verscheidene nog het oude Schamanendom aanhingen, en weder andere
+door de Chineezen zelfs tot Buddhisten gemaakt waren.
+
+Onze Osmanische Turken waren reeds lang ijverige aanhangers van den
+Profeet, toen zij uit de vlakten langs de Kaspische zee naar het Westen
+togen. Door den Islam hebben zij veel van dien godsdienstigen ernst,
+die alle Oosterlingen van oudsher kenmerkte, overgenomen. Even als
+bij de Hebreërs en bij de Arabieren, is ook bij hen de invloed van den
+godsdienst op zeden, zin en werkzaamheid der natie, veel opvallender
+dan bij de Europeesche volken, en even als bij hen, schijnt ook bij
+de Osmanen al hun doen en denken, om zoo te zeggen, van godsdienst
+doortrokken te zijn.
+
+Streng en met nauwgezetheid vervulden zij ten allen tijde hunne
+godsdienstige verplichtingen en de waarneming der met deze
+samenhangende gebruiken. En zelfs nu nog is er moeielijk iets
+plechtigers te bedenken, dan de gebeden der Turken in de kerken, die
+zij op eene in het oog vallende demoedige wijze, en geheel vervuld met
+vrome voornemens, verrichten. De daarbij heerschende plechtige stilte
+en de indrukwekkende ernst, vervullen zelfs den christen-toeschouwer
+met eerbied. Doodstil, zacht en barrevoets als bedelmonniken, sluipen
+de mannen--eerwaardige, oude, witgebaarde grijsaards en achter hen
+hunne gehoorzame knapen en jongelingen--nader, zinken op de tapijten
+der moskee op hunne knieën, slaan als boetvaardige zondaars op hunne
+borst, en vervallen in stomme bespiegeling en aanbidding van den
+Onzichtbaren, of luisteren aandachtig naar de gebeden en toespraken
+van hunnen Iman.
+
+De uiterlijke godsdienst is bij hen, nagenoeg onveranderd, tot op
+onze dagen dezelfde gebleven. Een echt orthodoxe Osmanli beschouwt
+nog heden de pest als eene straffe Gods, die het nutteloos en zondig
+is te trachten te ontwijken; hij draagt geen parapluie of zonnescherm,
+daar het hem zondig schijnt de zegen van Allah van zich af te houden,
+en hij geeft kleerborstels van plantaardige stof de voorkeur boven
+de gewone, daar de Koran de aanraking verbiedt van alles wat van het
+zwijn komt. Hun eerbied voor den Koran is zoo groot, dat zij aan het
+bloote lezen er van wonderen toeschrijven. Naar hunne meening worden,
+door het lezen van sommige plaatsen uit den Koran, ziekten genezen, en
+het zonderlingste daarbij is, dat de psychische invloed van het vrome,
+ernstige geloof aan de onfeilbaarheid hunner heilige schriften, op hen
+werkelijk dikwijls eene merkwaardige geneeskracht uitoefent. Ontelbaar
+zijn de middelen om in de toekomst te lezen en even talrijk die, om
+zich voor booze invloeden te vrijwaren. Zij overtreffen daarin nog de
+heidensche Romeinen van den ouden stempel. Even als deze lezen zij
+het goede of kwade uit de ingewanden van pas geslachte dieren--doen
+voorspellingen uit de vlucht der vogels--hebben geluk en ongeluk
+aanwijzende uren en dagen, die met nadruk door de astrologen in hunne
+kalenders worden aangegeven, en geen Osman zal eene reis ondernemen,
+een huis bouwen, zich in het huwelijk begeven of iets anders gewichtigs
+ondernemen, zonder zich eerst over het gunstige van het oogenblik
+en de constellatie der sterren overtuigd te hebben. Is hij ziek,
+of hebben kwade droomen hem droefgeestig gestemd, dan verschaft
+hij zich van den Iman een pot, die van binnen met verscheidene
+spreuken uit den Koran beschreven is, vult dien met water, laat de
+met inkt geschrevene spreuken in het water oplossen, en drinkt dan,
+in het heiligste vertrouwen op eene goede uitwerking, deze vloeibaar
+gewordene heilige spreuken op.
+
+Het dak van zijn huis, de voorsteven van zijn schip, de muts zijner
+kinderen, de hals van zijn paard, de kooi zijner vogels, alles behangt
+hij met amuletten en tegenmiddelen tegen "het booze oog" of tegen
+andere betooveringen. Veel van dit bijgeloof stamt nog uit de steppen
+en uit den tijd van het Heidensche nomaden-leven af. Echt Mohamedaansch
+echter, en dit is hun door den Islam aangebracht en hebben zij
+met alle aanhangers van den Profeet gemeen, is hun onwrikbaar en
+hun bijzonder eigen geloof aan een onafwendbaar fatum; een geloof,
+dat hen eenerzijds zoo onbuigzaam en overwinnend, maar aan de andere
+zijde ontoegankelijk maakte voor eene toenemende ontwikkeling.
+
+De overtuiging, dat in den slag, te midden van een kogelregen,
+geen schot hen treffen kon, dat niet door God voor hen bestemd was,
+boezemde den Turken een onoverwinlijken moed in. Maar het denkbeeld,
+dat God alles hier beneden regelt en leidt, onafhankelijk van eenige
+menschelijke inmenging, maakte hen tevens werkeloos en loom. In
+gelukkige dagen verhoogde dit geloof de kracht van den veroveraar,
+maar in dagen van ongeluk vervulde het hem met zoo groote gelatenheid,
+dat hij het verval en de ontaarding van zijn volk met onverschillige
+oogen aanzag.
+
+Zich schikkende in alles, wat hem ook overkomen mag, leeft de Turk
+rustig daarheen, zijne grootste voldoening, zijn zekersten troost
+vindende in het bewustzijn, dat, wat de toekomst hem ook brengen
+moge, het reeds te voren bepaald is. Maakt het ongeluk hem arm en
+wordt hij daardoor gedwongen afstand te doen van geriefelijkheden,
+waaraan hij sedert jaren gewoon is, verliest hij zijn eenigen zoon,
+zijn liefste kind: nimmer zal hij morren. "God is groot! Hij gaf het,
+hij nam het ook."--Een minister valt--een stadhouder wordt ter dood
+veroordeeld. Zonder tegenspraak geeft hij zijne betrekking en zijn
+leven op, en smeekt alleen dat men hem den noodigen tijd moge laten
+om zijn gebed te verrichten. Ofschoon zij even als andere menschen
+toegankelijk zijn voor teedere aandoeningen en diep gevoel, voeden
+zij toch nimmer eene smart op eene wijze die schadelijk is voor
+gezondheid en geest, en duurzaam zedelijk lijden, blijvende storingen
+in de werkzaamheid van den geest, vindt men derhalve zelden bij de
+Turken. En de zich in het leven openbarende gelatenheid, verlaat hen
+ook niet in de smartelijkste ziekte en in het laatste uur. Bij geen
+volk heeft de dokter, wanneer zijne geneesmiddelen niet helpen, zoo
+weinig verwijtingen te wachten dan bij de Turken. Zij verontschuldigen
+hem altijd daar mede, "dat het Allah's wil niet was."
+
+In tegenstelling met de talentvolle maar geslepene Grieken, prijst men
+de eenvoudige, ongekunstelde rondheid en de oprechte eerlijkheid der
+Osmanlis, die van oudsher gewoon zijn, zonder omwegen hunne meening
+te zeggen. Zij mijden de slingerpaden, die de vleiende Zuidelijke
+Oosterlingen (de Arabieren en hunne naburen de Perzen) zoo gaarne
+bewandelen.--Zij praten weinig en wat zij zeggen, zeggen zij langzaam,
+duidelijk en met uitdrukking, zoodat ook geringe zaken met hen spoedig
+afgedaan worden. Wat b.v. een Turksche koopman zegt, geldt bij hem
+als het eerste en laatste woord; afdingen is hem onbekend.
+
+Men ziet het reeds aan hun uiterlijk, dat zij een heerschersvolk
+waren. Hun gang is statig. In al hunne bewegingen zijn zij afgemeten
+en deftig. Slechts zelden verraden zij uiterlijk, wat hunne ziel
+innerlijk aandoet. Waar wij hardop lachen, daar speelt om den mond
+der Osmanen slechts een glimlachje. Waar wij in de handen klappen,
+daar geeft hij zijn bijval slechts door een licht hoofdknikken te
+kennen, of wèl blaast hij den rook zijner pijp wat harder uit.
+
+"Het gemis aan alle aristokratische kasten- of klassenwezen bij de
+Turken is oorzaak, dat niet alleen den hooggeplaatsten, maar ook zelfs
+den geringsten onder hen, een zekere zweem van voornaamheid eigen
+is. Behalve het onderscheid aan de verschillende ambtsbetrekkingen
+verbonden, zijn alle Turken gelijk, en geen stand is zoo hoog, of ieder
+kan dien, wanneer geluk, talent en omstandigheden hem begunstigen,
+bereiken. De arme en de eenvoudige onder hen, is van nature hoffelijk
+en waardig. Hij vergeet en verhoovaardigt zich nooit. Hij schijnt het
+bewustzijn te hebben, dat hij, ofschoon in eene hut geboren, in een
+paleis sterven kan. En met deze mogelijkheid voor oogen, schijnt hij
+altijd zoo te handelen alsof het uur der standsverwisseling reeds
+geslagen was. Dit maakt het onderling verkeer tusschen de Turken
+zeer gemakkelijk. Men ziet den Bey, wanneer hij niets te doen heeft,
+zonder complimenten naast den arbeider, de effendi naast den visscher
+plaats nemen, als waren zij voor hetzelfde lot geboren. Bij iedere
+heugelijkheid, bij ieder familie-feest of openlijke plechtigheid,
+staan de deuren der rijken en grooten veel meer open voor de geringen
+en armen dan bij ons."
+
+Ofschoon de misslagen hunner krijgslieden hen bij ons als hardvochtig
+en wreed bekend hebben doen staan, zoo kan men toch in tijd van vrede,
+den Turken eene groote neiging tot weldoen en eene geneigdheid tot
+medelijden, niet ontzeggen. Zij zijn in staat voor hunne gunstelingen
+alles te wagen, hunne slaven behandelen zij als hunne kinderen. Zij
+schijnen de oude grondstelling der Romeinsche veroveraars: "_De bellare
+superbos et parcere subjectis_" [1] tot het uiterste in praktijk
+te brengen. De weerbarstigen werpen zij onbarmhartig ter neder;
+de onderworpenen liefkoozen zij. Vandaar ook hunne groote liefde
+voor onschuldige kinderen. Niet tevreden met hunne eigene kinderen,
+nemen zij ook zeer gemakkelijk en dikwijls, hulpbehoevende kinderen
+en weezen aan. Deze aangenomene kinderen noemen zij "_kinderen der
+ziele_." Ook de zeer te roemen hartelijkheid, waarmede zij hunne
+moeders behandelen, vindt zijn oorsprong in dezelfde bron. Dat is
+ook de oorzaak dat de moeder van den Sultan, de zoogenaamde Sultane
+Valide, de tweede persoon in het rijk is.
+
+Zij, die in den oorlog koelbloedig zooveel Christenbloed vergoten
+hebben, zijn niet in staat dieren te kwellen. Zij bezitten een hun
+aangeboren medelijden met alle stomme creaturen, en bovendien beveelt
+de Koran zelf hun, bijen, mieren, kraaien, zwaluwen en visschen te
+ontzien. Wanneer een Europeesch reiziger, bij de eene of andere
+gelegenheid, voor pleizier een vogel schiet, dan wordt hij door
+zijne Turksche reisgenooten beschuldigd van moord. In de nabijheid
+der Turksche dorpen in Klein-Azië, vindt men vogelkooien opgericht
+waarin oude arenden die niet meer verder kunnen, of patrijzen wier
+vleugels lam werden, of ooievaars die een poot gebroken hebben en
+die men opgevangen heeft, op algemeene kosten verpleegd en gevoed
+worden. De Turken zullen het ontzien, een lam dat nog niet gespeend is
+te slachten, om het gejammer van het moeder-schaap niet te hooren. De
+paarden worden bij hen als kinderen opgebracht en gevoed, en in plaats
+van ze aan de zweep te gewennen, zijn zij gewoon zacht toegesproken te
+worden; aan hals en manen zijn zij, even als de kinderen, van amuletten
+voorzien om ze tegen booze invloeden en tooverij te vrijwaren.
+
+Daardoor was en is ook nog nu een weerspanning en koppig paard eene
+groote zeldzaamheid bij de Turken, en vroeger was het bekend, dat
+wanneer paarden van dat karakter in de oorlogen met de Hongaren,
+Duitschers, Polen en Russen opgevangen werden, zulke buitgemaakte
+wildzangen onder de zachte tucht der Turksche stalmeesters, weldra
+zoo zacht en gewillig werden, dat zij vol vreugde hunnen meester
+tegenhinnikten en voor hem de knie bogen, om hem des te gemakkelijker
+te laten opstijgen. Ook nu nog laat de voorname Turk, wanneer hij de
+lente op het land doorbrengt, gaarne onder een boom in de nabijheid
+zijner paarden-weide, eene tent opslaan, en ziet hij van daar vol
+genoegen uren lang naar het spelen, het vechten, en het springen
+zijner veulens en merriën.
+
+De Turken hebben zich evenmin als schoolmeesters en opvoeders der
+jeugd, hardvochtig of tijranniek getoond. Zelfs in de merkwaardige
+opvoedings-gestichten der trawanten van den Sultan en der Janitscharen,
+waren de tucht en de orde wel streng, maar men kende in deze
+inrichtingen zulke paedagogische dwangmiddelen niet, als men tot op
+onze dagen in christelijke landen voor heilzaam hield, zooals ketenen,
+plak, donkere kelder en slechte ligging met water en brood. De eenige
+straf, stokslagen, mocht slechts zelden toegepast worden, en het getal
+der slagen was dan nog zeer beperkt; ook zijn de stokstraffen bij de
+Turken nooit met zooveel gestrengheid, nooit in zoo groote hoeveelheid
+en zoo onbarmhartig, toegepast geworden als b.v. bij de Russen,
+en het is niet zelden gebeurd, dat Turksche krijgsgevangenen bij de
+Russen, wanneer zij zich aan de daar heerschende discipline moesten
+onderwerpen, luide naar de in Turkije in zwang zijnde rechtspraak
+terug verlangden en deze zeer roemden.
+
+Een zeer voordeelig licht over de gemoedsgesteldheid der Turken,
+werpt de hartelijkheid en aandoenlijke wijze, waarmede zij hunne
+dooden herdenken. Hunne kerkhoven zijn altijd met bloemen en welig
+groeiende cypressen versierd, en gewoonlijk in bekoorlijke dalen of
+op liefelijke heuvelen gelegen, waar wij eene villa, een klooster
+of een lusttuin zouden aanleggen. Op feestdagen zijn die kerkhoven
+de gewone verzamelplaatsen van het volk, waarop de kinderen naast
+de graven hunner voorouders spelen, terwijl de volwassenen zich
+in het genot der frissche lucht, hunner pijp en hunner ernstige
+herinneringen verheugen. Ook zijn de Osmanen groote vrienden van stille
+familie-feesten in den kring der hunnen, en eenige dezer feesten,
+b.v. het jaarlijks in iedere huishouding terugkeerend tulpenfeest,
+zijn van zeer liefelijken aard.
+
+De natuur heeft evenmin het hoofd als het hart der Turken
+stiefmoederlijk bedeeld. Zij zijn niets minder dan dom en
+onleerzaam. Veeleer munten zij in den regel uit door een vlug begrip
+en vooral door een sterk geheugen. Niet zoozeer hunne ongeschiktheid
+staat hun bij hunne ontwikkeling in den weg, als wel hun gebrek aan
+werkzaamheid. De onveranderlijke traagheid waarin zij verzonken zijn,
+houdt hunne talenten in banden. Het ontbreekt hun aan voortdurenden
+ijver, aan lust tot werken, aan de rustelooze nieuws- en weetgierigheid
+der Europeanen, om met hunne goede begaafdheden iets groots tot stand
+te brengen.
+
+Zij zijn niet, zooals wij, gewoon te wedden en te wagen, om het geluk
+na te jagen. Voelen zij zich door de omstandigheden bevoordeeld of
+is de wind hun gunstig, dan laten zij zich dit welgevallen en leven
+zij gaarne in gemakkelijke en kalme rust heen. Dientengevolge munten
+zij ook daardoor uit, dat zij, in tegenstelling met de Europeesche
+natiën, geen geluks- of hazardspelen kennen, zooals dat toch anders
+bij hunne onderdanen, de Grieken, Walachijers en Slawen, dikwijls
+het geval is. Zelfs hunne jeugd doet aan geene weddingschappen en
+kent geen wedstrijden, geen beproeven der wederzijdsche krachten in
+gymnastische spelen en wedloopen. Den dans houden zij geheel beneden
+hunne waardigheid; hoogstens laten zij zich door hunne vrouwen of hunne
+odalisken iets voordansen. Evenzoo worden ook de andere kunsten, die
+voortdurende oefening vereischen, door hen niet beoefend. Ofschoon
+zij gaarne muziek hooren, beoefenen zij haar even weinig als den
+dans. Grieken en Armeniërs zijn hunne muzikanten en voorzangers, en
+verwonderd zien de Turksche grooten het aan, dat de afgezanten onzer
+Koningen in Constantinopel schilderen of piano spelen, en vragen zij:
+waarom zij toch zelve zich met die zaken bemoeien, daar zij immers
+rijk genoeg zijn om zelf een troep muzikanten te betalen.
+
+Alleen op de dichtkunst hebben zij zich toegelegd. Zij bezitten niet
+alleen vele lieve volksliederen, maar zij hebben ook menig uitstekend
+dichter en eene niet arme literatuur voortgebracht. De beroemde
+Duitsche schrijver der Turksche geschiedenis, de heer von Hammer,
+heeft eene bloemlezing in vier deelen, uit de werken van niet minder
+dan 2200 Turksche dichters samengesteld, die echter niet alle eene
+bekrooning op het Kapitool waardig zijn.
+
+Vooral hebben de Turken--iets dat bij een volk dat zooveel roemrijke
+daden verricht heeft, zeer natuurlijk is--zich meermalen op het
+schrijven van geschiedenis toegelegd en hebben zij vele historici
+voortgebracht. Ja! zij hebben zelfs sedert 300 jaren--en daarop kan
+zich niet iedere Christelijke staat beroemen--de vaste betrekking
+van een rijks-geschiedschrijver gehad, wiens plicht het is, de
+gebeurtenissen, oorlogen, vredesverdragen en inwendige veranderingen op
+te teekenen. Toch beschrijven deze Turksche historici de geschiedenis,
+even als hunne gedichten, op eene, den Perzen, Arabieren en meest allen
+Oosterlingen, eigendommelijke, zeer weidsche manier. Een overzicht
+over de bloemrijke titels hunner geschiedkundige werken toont zulks
+ten duidelijkste aan. Wat onze prozaïsche geschiedschrijvers eenvoudig
+een "geslachtsregister" noemen, heet bij hen: "een rozenkrans der
+rechtvaardigen" of "een bloementuin der besten." Wat wij eenvoudig weg
+eene "wereldgeschiedenis van de vroegste dagen tot den laatsten tijd"
+noemen, daaraan geven zij den hoogdravenden naam van "de golvende zee
+en de rijk stroomende bronnen in de wetenschap der eerste en laatste
+dingen." Eene "verzameling van biographiën" wordt bij hen verfraaid tot
+een "rozenbundel uit den tuin der kennis van de menschen." En als wij
+een boek in 8 hoofdstukken deelen, dan verdeelen zij het liever in even
+zoo vele "bloem-perken" of wel "paradijzen." Deze zelfde hoogdravende
+en weidsche stijl, hebben zij ook bij de titulatuur hunner beambten
+ingevoerd, en dientengevolge draagt bij hen, wat wij een "page"
+noemen, den naam van "een dienaar van het kleed der gelukzaligheid"
+of een opperhof-meester "een heer der poort van genade en eere."
+
+Eenvoudiger en nuchterder, dan zij zich in hunne gedichten en
+geschiedboeken toonen, zijn de Turken in de sedert oude tijden
+bij hen gebruikelijke spreekwoorden, die een schat van practische
+levenswijsheid aanbieden, en vele bewijzen van een gezond verstand,
+fijne opmerkingsgeest en menschenkennis bevatten.
+
+Vooral de echte oud-Turksche, nog uit den nomaden-tijd afkomstige
+spreekwoorden, die men aan vorm en inhoud gemakkelijk als zoodanig
+herkennen, en onderscheiden kan van de levensregelen en spreuken die
+zij van de Arabieren en Perzen overgenomen hebben, munten door een zeer
+krachtig, opvallend en scherp vernuft en uitdrukking uit. Daar geest,
+karakter en zeden der natiën zich zoo dikwijls in hunne spreekwoorden
+weergeven en daar, als wij over de Turken spreken, veel minder sprake
+is van dergelijke zaken, dan van hunne barbaarsche krijgsgebruiken
+of van hunne bloemrijke rijmelarijen, zoo wil ik den lezer hier ten
+slotte nog op eenige echt Turksche spreekwoorden opmerkzaam maken,
+en er eene kleine verzameling van mededeelen.
+
+Niet zeldzaam zijn de spreekwoorden, waarin de Osman de waarheid
+aanbeveelt, b.v.:
+
+"_Zit_ mijnentwege krom mijn zoon, maar _spreek_ recht."
+
+"Wie zich _ver houdt_ van de leugen, die _nadert_ God."
+
+"Wandel niet over de licht breekbare brug van de leugen, beter is het,
+mijn vriend! door den stroom te _zwemmen_."
+
+Zeer karakteristiek zijn de even talrijke spreuken, waarmede de
+stilzwijgende, voorzichtig sprekende Turk, even als Salomo, tegen de
+tong en de scherpheid van tong te velde trekt.
+
+"De tong," zoo luidt een dezer, "is een beenlooze slang, die toch
+beenderen breekt."
+
+"Een mes-wond geeft een lidteeken, maar een wond door de tong geslagen,
+is onheelbaar."
+
+"De tong heeft meer menschen gedood dan het zwaard."
+
+"Die zijne tong aan banden legt, redt zijn hoofd."
+
+"Wie spreekt die zaait, hij weet niet wat. Wie hoort die oogst,
+en heeft de keuze."
+
+"Het hart van den dwaas ligt op zijne tong,--de tong van den
+verstandige is in zijn hart."
+
+"_Luister_ duizendmaal, _spreek_ eenmaal."
+
+Verachting voor het gezwets van praatzuchtige en lasterende menschen,
+drukt op recht Turksche wijze de volgende spreekwijze uit:
+
+"De hond blaft, de wolf gaat zijn gang."--en met eene aardige variatie:
+
+"De hond huilt, de karavaan trekt voorbij," wat men menigen dwazen
+bespotter van oude eerwaardige gewoonten en instellingen zou kunnen
+toeroepen.
+
+Eenige in de Turksche spreekwoorden bevatte zedelessen, zou men gerust
+in één adem met de uitspraken onzer beste kerkvaders kunnen noemen,
+zooals b.v.
+
+"Doet gij wat goeds, werp het in de zee; merkt de visch het al niet
+op, zoo weet de Heer het toch."
+
+of deze:
+
+"Het goede der menschen verbergt zich in een eng vertrek, maar het
+kwade wandelt op breede wegen."
+
+Of het volgende:
+
+"Doe goed dengene die u slecht behandelt, dan zult gij bij hem en
+bij God genade vinden."
+
+Van deze laatste spreuk zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat
+de Turken, die wij gewoonlijk het oude: "oog om oog, tand om tand"
+toegedaan houden, haar van buiten af ontvangen hebben, wanneer het
+niet uitgemaakt was, dat zij reeds bij Turksche stammen, zelfs in
+den tijd van Mohammed, gebruikelijk was.
+
+Niet minder mag het ons verwonderen, dat zelfs het "ken u zelven"
+der Grieken, bij deze Osmanische barbaren zoo hoog in waarde was.
+
+"Wie zich zelven begrijpt," zeiden zij met nadruk, "die begrijpt God."
+
+Welke fraaie beteekenis heeft ook niet deze spreuk:
+
+"Die des avonds nog slecht is, die is nimmer goed." Zij schijnt
+op een vromen man te duiden, die na zijn avondgebed alle booze en
+wraakzuchtige plannen van den dag opgeeft.
+
+"Toorn is uw vijand, overleg uw vriend."
+
+"Die toornig opgesprongen is, gaat beschaamd weer zitten."
+
+"Reik den ongelukkige uwen vinger, en God zal u zijne rechterhand
+toereiken."
+
+De ondankbaarheid wordt door de Turken sterk genoeg veroordeeld, want
+"een ondankbare," zeggen zij, "telt niet onder de menschen."
+
+Geene deugd wordt meer door hen geprezen dan geduldig afwachten,
+geen misslag bitterder gehekeld, dan overijling.
+
+"Snel geloopen, spoedig vermoeid."
+
+"Snel gewassen, spoedig uitgebloeid."
+
+"Wandel bedaard, dan haalt gij den haas in."
+
+"Geduld is de sleutel tot alle genot."
+
+Hun vast geloof aan het niet te veranderen noodlot, drukken zij
+eveneens in vele spreekwoorden eigenaardig uit, b.v.:
+
+"Geen schild van verstand weert den pijl van den boog des noodlots af."
+
+"_De mensch spreekt, het noodlot lacht_." ("_l'Homme propose, Dieu
+dispose_.")
+
+"Wat u toegedacht is, wordt u zelfs van daar toegezonden." (uit de
+verst verwijderde oorden der Turksche heerschappij.)
+
+"Die geluk hebben zal, vangt ook met een ezel een gans; de ongelukkige
+echter vangt zelfs met een koningsvalk geen muis."
+
+Vele der in hunne spreekwoorden bevatte lessen van wijsheid, getuigen
+van eene hoogst scherpzinnige zaken- en levensbeschouwing:
+
+"Maak u zelven niet tot een schaap, de wolven zullen spoedig bij de
+hand zijn."
+
+"Niet de reis schaadt den mensch, maar zijne reisgenooten kunnen
+hem schaden."
+
+"Wie een vriend zoekt zonder gebrek, die blijft zonder vriend."
+
+"Een domme vriend is erger dan een verstandig vijand."
+
+"Hoed u voor den vijand één maal, maar voor den vriend met wien gij
+omgaat, een duizend maal."
+
+"Wanneer u uw heer ook slechts zand geeft, steek het beleefd in
+den zak."
+
+Schillers: "Sluit u aan het vaderland, aan dat dierbare land aan, daar
+zijn de ware wortelen uwer kracht," zeggen zij echt nomadisch, maar
+recht begrijpelijk, door: "een hond is het sterkst in zijn eigen hok."
+
+Ons: "hij slaat den zak en meent den ezel," omschrijven zij sierlijker:
+
+"Mijne dochter, ik sprak tot u, maar de schoondochter zou het hooren."
+
+Van het "oog des meesters" zeggen zij:
+
+"Waar gij niet zelf zijt, daar zijn geene oogen."
+
+"De liefde is blind," luidt bij hen als volgt:
+
+"Hij is schoon, dien men van harte lief heeft."
+
+"Voor den minnaar is ook Bagdad niet ver."
+
+Ons: "een nieuwe lap op een oud kleed," luidt bij de Turken:
+
+"Een gezonde os voor een gebrekkelijken ploeg."
+
+De tijd, waarin de Turken deze en nog vele andere gulden spreuken
+en lessen, die ik hier voorbij ga, uitdachten en opstelden, ligt
+ver terug.
+
+Er is een tijd geweest, waarin zij, even als de Spartanen naar hunne
+wetten, ook naar deze lessen handelden.
+
+Er volgde een andere, waarin hun geest, door innerlijke macht
+aangedreven, zich machtig verhief en waarin zij, al hunne springveeren
+in beweging stellende, met schier Romeinsche energie de wereld
+aanpakten en overstroomden. De Turken hebben het beter dan eenig ander
+nomaden-volk verstaan, met voorzichtigheid en volgens bepaalde regels,
+hunne heerschappij over Europa, Azië en Afrika uit te breiden en te
+bevestigen. Deze omstandigheid zou voldoende zijn om te bewijzen, dat
+naast hunne geschiktheid voor den oorlog een zeker ordenend instinkt,
+naast de vernielende ook een scheppende kracht, zooals die geen andere
+stam van Aziatische overweldigers bezeten heeft, gewoond moet hebben.
+
+Nu echter gelijken zij, zooals gezegd is, een boom wier bladeren
+door den storm afgewaaid zijn, de takken en de wortelen zijn nog wel
+aanwezig en men kan den geheelen bouw nog herkennen, maar het hout is
+broos geworden. En wanneer ook al zijn eindelijke val, "de verdrijving
+der ziekelijke Turken uit hunne Europeesche legerplaats naar Azië,"
+waarschijnlijk nog op velerlei tegenstand stooten zal, wanneer wij ook
+al vóór dat einde nog menige ongedachte opflikkering beleven zullen,
+zoo gaat de achteruitgang toch zoo zichtbaar, dat een uitdooven der
+vlam onvermijdelijk schijnt.
+
+"De Turken hebben geene toekomst in Europa. Hunne nationaliteit
+en hun godsdienst zijn onbuigzaam in wezen en vorm, zonder eenige
+levenswekkende kracht en zonder geschiktheid tot eene hoogere
+ontwikkeling, die als behoudend element eene toekomst verzekeren kan,
+die aan de toenemende eischen van den tijd zou voldoen," zij zijn
+van eene stof, die zich niet buigen laat en daarom breken moet. Het
+schijnt dat zij eene volledige nederlaag te gemoet gaan. Ten minste
+hebben, zooals ik zeide, tot nu toe alle provinciën en staten, die zich
+van de heerschappij der Osmanen bevrijdden, van deze vreemdsoortige
+nationaliteit geheel afstand gedaan. Waarschijnlijk zullen de staten,
+die zich verder boven de graven der Turken verheffen zullen, even
+zoo handelen, en een latere ethnograaf van Europa zal dan over deze
+Osmanen--niets meer hebben mede te deelen.
+
+
+
+
+
+
+DE ZUIDELIJKE-SLAWEN EN DE ALBANEEZEN.
+
+
+Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van
+den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije,
+de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en
+midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks
+volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen
+gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke
+land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het
+steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië,
+Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen
+gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij
+vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en
+Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche
+onderdanen van den Turkschen Sultan uit.
+
+Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die,
+zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch
+door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door
+gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen.
+
+Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en
+rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken,
+gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers
+of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen
+door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders,
+de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de
+Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot
+hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen
+zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon
+zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen),
+dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen).
+
+Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande
+volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen
+trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen
+zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen
+dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter
+weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren
+en Serviërs.
+
+De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling
+der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en
+Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam
+Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan
+den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen
+der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel
+met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot
+de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden,
+nagenoeg gelijk.
+
+Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der
+Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en
+wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het
+grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft
+genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels
+nakomelingen van de hun geheel vreemde "Thraciërs," "Macedoniërs",
+"Illyriërs" als heerschende volken vonden.
+
+Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen,
+is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en
+in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den
+Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische
+berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd
+hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke
+namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te
+maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze
+dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen
+de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die "Thraciërs" en
+"Illyriërs" mededeelen.
+
+Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel
+nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich
+met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van
+het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men
+zich voorstelt, dat de zoogenaamde "inval der Slawen in de 6de eeuw"
+niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds
+homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof,
+deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal
+leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien
+bracht.
+
+Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig
+optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau
+te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het
+als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang
+bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen,
+andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging
+vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen
+gedreven en tot een eng gebied beperkt werden.
+
+Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende,
+oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden
+wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk
+der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en
+aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der
+"Zuidelijke-Slawen" samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan
+het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden
+vastknoopen.
+
+Daarom zal ik alles, wat ik in deze afdeeling wensch mede te deelen,
+in de volgende drie afdeelingen splitsen:
+
+
+
+ 1) De Bulgaren.
+ 2) De Serviërs.
+ 3) De Albaneezen of Arnauten.
+
+
+
+
+
+
+DE BULGAREN.
+
+
+De Bulgaren, wier aantal omstreeks 3 à 4 millioen zielen bedragen zal,
+bewonen nu, het voornaamste deel der bevolking uitmakende, nagenoeg
+geheel het oude Macedonië, het grootste gedeelte van Thracië of
+Rumelië en de oude Donau-provincie Neder-Moesië.
+
+Na hetgeen ik reeds gezegd heb, is het mogelijk dat in deze streken,
+sedert de alleroudste tijden, Slawische stammen gewoond hebben,
+zonder dat zij zich intussen en op den voorgrond stelden. Eerst na de
+groote volksverhuizing in de 5de eeuw begonnen zij zich te roeren, en
+daar verscheidene hunner Slawische stamgenooten uit het Noorden zich
+met hen verbonden, werden zij, onder den naam "Sklabänen," "Slawen"
+of "Anten," gevaarlijk voor de Oostelijke Romeinen; in de 6de eeuw
+deden zij verwoestende invallen in het Byzantynsche rijk, bij welke
+gelegenheid zij zelfs tot Athene en in den Peleponnesus doordrongen.
+
+Deze "Sklabänen" kwamen langs de mondingen van den Donau uit het groote
+gebied der Russen, en zoo schijnen dan ook nog heden ten dage hunne
+nakomelingen in taal, wezen en gewoonten, ware tweelingsbroeders
+te zijn der Russen, en wel voornamentlijk der Klein-Russen uit de
+omstreken van Kiew en der Ukraine.
+
+De naam _Bulgaren_ was aanvankelijk bij hen onbekend. Even zooals
+zulks meermalen met de andere Slawenstammen plaats had, geraakten
+ook de Slawen van den Balkan zeer spoedig onder de heerschappij van
+een ander krachtig volk. Het waren de Finsch-Tartaarsche Bulgaren,
+die tegen het einde der 7de eeuw van den Ural en de Wolga de Slawen
+volgden, toen deze over den Donau trokken en daar aan den voet van
+den Balkan op dergelijke wijze een groot rijk stichtten, als hunne
+broeders de Magyaren, het iets later in Hongarije deden.--Hun naam
+"Bulgaren" stamt, zegt men, af van de groote rivier de Wolga, en
+beteekent zooveel als Wolgaren, bewoners der oevers van de Wolga.
+
+Het grootste deel der onderdanen van dit Bulgarenrijk bestond nu uit
+die Slawen, de Koningen en de adel echter waren van Finsch-Tartaarschen
+stam. Onder aanvoering der vreemde overheerschers, in wier legers
+zij bloot als soldaten dienden, hebben de Balkan-Slawen bijna alle
+oorspronkelijke bewoners van Oud-Macedonischen- en Thracischen stam
+in die streken, uitgeroeid of in zich opgenomen en zich overal,
+tot in Thessalië toe, in hunne plaats gesteld.
+
+Het rijk der Bulgaren, die vierhonderd jaren lang, met de Byzantynsche
+Keizers in schier onafgebroken bloedigen oorlog leefden, bevatte ten
+tijde zijner grootste uitgestrektheid, niet alleen de bovengenoemde
+provinciën ten zuiden van den Donau, maar ook het oude Dacië
+(Zevenburgen) en een groot deel van Hongarije, welk laatste zij echter
+weldra aan de Magyaren verloren. Even als Zevenburgen aan de Magyaren
+kwam, zoo vervielen de zuidelijke provinciën, Macedonië en Thracië,
+somwijlen weder aan de Byzantijnsche Keizers, als deze eens het
+bit op de tanden namen, zonder dat dan echter de vreemde bevolking
+uitgeroeid werd. Het langst handhaafden de Bulgaarsche Koningen zich
+in de Donau-provincie Moesië, waar zij in hunne koningsstad Tirnowo,
+het Moskou der Bulgaren, resideerden. Daardoor is ook tot op den
+tegenwoordigen tijd de naam "Bulgarije" aan die streek verbleven.
+
+De Finsche Bulgaren aan den Balkan hebben een ander lot gehad, dan
+hunne in Hongarije binnengetrokken broeders, de Magyaren. Terwijl deze
+midden onder de Slawen tot op onze dagen als een eigendommelijk volk
+zijn blijven bestaan, verloren zich de Bulgaren langzamerhand onder
+hunne Slawische onderdanen. Zij namen de taal, de levenswijze en ook
+de Grieksch-christelijke godsdienst der Slawen aan en veranderden
+zich allengs in Slawen. Dit geschiedde in de 8ste en 9de eeuw. Niets
+bleef van hen overig, dan de Finsche naam "Bulgaren," die de eens aan
+het groote rijk hunner Chans, ten zuiden van den Donau onderworpene
+Slawenstammen, als hun algemeenen nationalen-naam hadden aangenomen,
+zooals op gelijke wijze, de oude Galliërs den Germaanschen naam
+van Franschen, van hunne in hunne nationaliteit opgegane gebieders,
+de Franken, aannamen.
+
+Sedert de 10de eeuw herinnert slechts weinig bij de Bulgaren aan
+de Finnen en Tartaren, veeleer schijnen zij in zeden en gewoonten
+werkelijke Slawen, alleen hunne taal toont in bouw en syntaxis nog
+eenige Tartaarsche sporen. Even als de Tartaren scheren zij zich
+het hoofd, en even als dezen laten zij op den schedel een langen
+haarbos staan. De Bulgaarsche Slawen beroemen er zich op, onder alle
+Slawen de eersten geweest te zijn, die het Christendom aannamen, eene
+schrijftaal en literatuur ontwikkelden. Zonder twijfel hebben zij
+dit voorrecht te danken aan hunne nabuurschap met Constantinopel. De
+bijbel werd het eerst van alle Slawische dialecten in het Bulgaarsch
+vertaald. Het oud-Bulgaarsch, waarvan het nieuw-Bulgaarsch eenigzins
+afwijkt, had de eer de heilige kerktaal der Russen en van alle andere
+niet-Katholieke Slawen te worden.
+
+Het schijnt echter, dat met de oplossing van het krachtige,
+vreemde, Tartaarsch-Finsche element, met het Slawisch worden van
+den Bulgaarschen adel en der Koningen, en met de aanneming van het
+christendom, ook de wilde energie van het volk verdween. Wel bestond
+het oude Bulgaarsche Koningrijk te Tirnowo in Moesië, binnen beperkte
+grenzen nog eenige eeuwen lang; wel voerde het nog menigen oorlog
+met de Byzantijnen, de Serben en andere naburen, maar het grootste
+gedeelte der Slawische Bulgaren waren aan deze naburen onderworpen, en
+eindelijk werd het na de 15de eeuw een gemakkelijke buit der Osmanische
+Turken. Van alle Europeanen hebben de Bulgaren het juk der Turken het
+langst gedragen, en sinds het zooeven opgegeven tijdpunt zijn zij,
+betrekkelijk, de trouwste of liever de geduldigste onderdanen der
+Turken geweest, wien zij nimmer zooveel last berokkend hebben, als de
+stoutmoedige Serviërs en hunne naburen de dappere Albaneezen. Nog meer
+dan dezen zijn zij geheel aan de Turken onderworpen geworden. Onder
+hen bestaan er geene zulke onafhankelijke berg-republieken, als die
+der Montenegrijnen onder de Serviërs, als die der Mirditen (d.i. de
+dappere mannen) en andere, onder de Albaneezen zijn. Alle Bulgaren zijn
+over zoogenaamde "Spahiliks," dat wil zeggen leengoederen, verdeeld,
+en zij verrichten heerendiensten voor en zijn cijnsplichtig aan den
+Spahi, (den leenheer) die altijd een Turk is; aan wien zij dus even
+onderworpen zijn als de Russische lijfeigene aan zijn edelman. Zij
+maken in de door hen bezette landstreken de eigenlijke landbewoners
+en arbeiders uit. Alle bebouwing van den grond en alle handenarbeid
+wordt door hen verricht. De ploeg, de spade, de bijenkorf, de veestal,
+de jaarmarkt zijn zaken, die zij boven alles liefhebben. Zij gaan,
+evenals de Duitsche Holland-gangers, bij geheele scharen naar naburige
+rijken of provinciën, om daar als daglooners het gras te maaien of
+den oogst binnen te halen.
+
+Geheel anders dan de oorlogzuchtige Serviërs en Albaneezen,
+hebben de Bulgaren, sedert het te loor gaan van hun niet onroemrijk
+verleden, met andere woorden sedert meer dan 500 jaren, het moorddadig
+krijgsgewemel over hunnen rug laten rollen, zonder daaraan een actief
+aandeel te nemen. Zij vreesden oorlog en strijd, en hunne soldaten
+hebben zelden heldendaden verricht. Ja de trotsche Osmanli heeft hen
+zelfs meermalen vol verachting van zijn leger, waarin Bosniërs en
+Albaneezen de voornaamste plaats innamen, uitgesloten. De Bulgaren
+hebben in den nieuweren tijd slechts nog ééne soort helden gehad,
+hunne zoogenaamde Haiducken, hunne roovers, die ten allen tijde in
+de bergen van den Balkan te vinden waren en zijn, maar wier aantal
+in onrustige tijden, wanneer hunne vaderlandsliefde opgewekt werd,
+dikwijls tot groote en gevaarlijke scharen aanwies.
+
+Wanneer de Bulgaar de hem dikwijls door zijne Osmanische heeren
+toegevoegde onbillijkheden niet langer verdragen kan; wanneer hem zijne
+bruid ontvoerd, of zijn land en grond geroofd wordt; wanneer het hem,
+zooals den Zwitser Melchtal, gebeurt, dat de een of andere brutale
+machthebber, zijn vader het gezicht ontneemt of doodt; wanneer hij
+zich in eene samenzwering ter bevrijding van het vaderland ingelaten,
+of tegen de wetten zijner gebieders gezondigd heeft, dan zegt hij:
+"ik word Haiduck!" met andere woorden, hij gaat naar de woeste en
+afgelegene gedeelten van den Balkan, en leidt daar met gelijkgezinden,
+de Turksche overheid trotseerende, een wild, vrij rooversleven. Uit
+den schoot dezer patriotsche en oproerige Haiducken-vereenigingen
+zijn somwijlen, als zij om zich henengrepen, als zij toevloed uit
+invloedrijke familiën kregen, groote schokken voor het land ontstaan.
+
+Zoowel onder Tartaarsche, Byzantynsche, als onder Turksche
+heerschappij, onder den hardsten druk en onder eeuwenlange
+kwellingen, hebben de Bulgaren hunne oorspronkelijke gewoonten,
+hun Slawisch nationaal-karakter en hunne taal bewaard. Zij zijn,
+zooals wij reeds zeiden, een wel vreedzaam maar taai volk, geduldig
+maar volhardend, gedwee maar arbeidzaam. Overal waar zij komen,
+b.v. ook in Zuid-Rusland, dat sedert de tijden van Catherina vele
+duizende Bulgaarsche landverhuizers ontving, genieten zij den roep,
+uitstekende landbouwers en spaarzame huisvaders te zijn, die somwijlen
+niet minder werkzaam en vlijtig zijn dan de Duitsche kolonist. In
+Rusland kan men het best opmerken, hoezeer zij in taal en zeden op
+de Russen gelijken, hoewel zij in politieken zin niet altijd met den
+grooten Czar sympathiseeren.
+
+De woonplaatsen, dorpen en huizen, die de Bulgaren aan beide
+hellingen van den, met bosschen wilde kersen-, pruimen- en andere
+boomen bedekten, Balkan en van het Rhodope-gebergte, ja! in alle
+bergen en dalen tot aan den voet van den Olympus, tot aan de grenzen
+van Thessalië gebouwd hebben, gelijken in hooge mate op die der
+Klein-Russen en Kozakken in zuidelijk Rusland. Even als daar hebben
+ook zij hunne woningen half in den grond ingegraven, terwijl die
+voor het overige uit leem, riet en vlechtwerk bestaan. Even als de
+Kozak, bouwt ook de Bulgaar een aparten stal voor zijne paardjes,
+een anderen voor zijne ossen, een anderen voor de schapen of geiten,
+kippen of honden. En het geheel van zulk eene boeren-hofstede ziet
+er uit als eene bonte verzameling korven van wilgentakken gevlochten,
+verschillend in grootte en vorm.
+
+Binnen deze woon- en huishoudingkorven houden zij overigens op hunne
+wijze alles zeer netjes; op hunne akkers en in hunne tuinen maken zij
+van ieder hoekje gebruik, om het te bebouwen en ieder plekje van eene
+vruchtdragende plant te voorzien.
+
+Even als de Russen en schier alle Slawen, trachten ook de Bulgaren
+hun dikwijls treurig bestaan door gezang op te vroolijken. 's Morgens
+vroeg als zij uitgaan, en 's avonds laat wanneer zij bij troepen van
+het veld terugkeeren, zingen de mannen en vrouwen hunne melancholische,
+eentoonige liederen, die ver over de velden klinken en dikwijls den
+nacht met zwaarmoedige klanken vervullen. Ook aan het hoofd hunner
+kudden, die hunne melodiën volgen, trekken zij met gezang uit. Het
+instrument, waarmede zij hunne liederen accompagneeren, schijnt eene
+navolging te zijn van de fluit, waarop de herders van Theokrites
+bliezen. De oude Grieksche dubbel-tibia is bij de Bulgaren, zooals
+ook bij de Zuidelijke-Slawen nog van dezelfde antieke gedaante. Men
+beleeft in het binnenste der door hen bewoonde dalen, vlakten en
+heuvelen, momenten en tooneelen, die aan het leven der herders en
+herderinnen van Arkadië herinneren.
+
+Een der merkwaardigste onder hunne antieke, nog nu bestaande gewoonten,
+is de zoogenaamde "Probatimstwo" (de verbroedering). Evenals de oude
+Thraciërs, bij wie reeds de Grieken deze gewoonte vonden, en van
+wie de Bulgaren haar waarschijnlijk overnamen, nemen zij meermalen
+een geliefd persoon als broeder of zuster aan. Een priester zegent
+deze verbintenis, even als het huwelijk, in. Aan de beide vrienden
+wordt daarbij, boven het graf hunner ouders, een krans op het hoofd
+gezet. Zij geven elkander vervolgens den broederkus en zijn nu als
+"Probatim" (bonds-broeders) voor het leven in geluk en ongeluk
+aan elkander verbonden. Somwijlen verbinden zich op dezelfde wijze
+geheele familiën. Deze schoone gewoonte is echter niet uitsluitend
+Bulgaarsch. Men vindt ze ook bij andere Zuidelijke-Slawen.
+
+De Bulgaarsche vrouwen behooren tot de schoonste van Turkije. Zij zijn
+van eene hooge, goedgevormde, krachtige en toch uiterst fijne gestalte,
+die men dikwijls, wanneer zij met golvend, met frissche bloemen
+versierd haar voorbij zweven, met bewondering in dit barbaren-land
+ziet. Meer dan eens is, wanneer door een Osmanli zulk eene Bulgaarsche
+Helena ontvoerd werd, het geheele land in rep en roer gekomen, evenals
+Griekenland toen de echtgenoote van Menelaus geroofd werd, en zijn
+dien tengevolge gebeurtenissen voorgevallen, die men als eene herhaling
+in het klein van den Trojaanschen oorlog zou kunnen beschouwen.
+
+Van de mythe van Orpheus, die 1250 jaren vóór de geboorte van Christus
+de dieren des wouds betooverde, en ook van meer andere dergelijke
+poëtische sagen, die de Grieken bij de oude Thraciërs putten,
+kan men ook onder de hedendaagsche Bulgaren sporen vinden, en tot
+zulke idyllische genrebeelden als die welke Homerus en Theokrites
+ons schilderen, hadden ook de Bulgaarsche dorpstooneelen aanleiding
+kunnen geven, als de dagelijksche voorvallen in het land der Prinses
+Nausica of onder de Sikelische herders.
+
+Een Duitsch geleerde heeft, zooals bekend is, onze Philhellenen op
+eene wreede wijze uit den droom gewekt, doordien hij hun trachtte te
+bewijzen, dat de tegenwoordige Grieken geene nakomelingen der oude
+Hellenen, maar hoofdzakelijk slechts Slawen waren. Wanneer men echter
+in het Slawisch-Bulgarije, dingen als de bovengenoemde waarneemt, zou
+men haast omgekeerd gelooven, dat zelfs de andere genoemde Slawen nog
+dezelfde antieke en onveranderde tijdgenooten van Homerus zijn. Het
+schijnt zelfs, dat deze oude zanger dezelfde menschen onder andere
+namen voor zich gehad heeft. Is dit wellicht niet anders dan een
+schijn, zoo vindt men toch in Thracië, zooals in het algemeen in iedere
+andere aardstreek, zekeren geest, niet een volks- maar een landsgeest,
+die zich daar zoo inheemsch gemaakt heeft, dat hij alle stammen,
+die zijn land binnentrekken, aangrijpt en met zich eenvormig maakt.
+
+Ook in de groote steden, die in het land aangetroffen werden, in
+Sophia, Varna, Philippopolis enz, zijn de Bulgaren ingedrongen,
+ofschoon zij daarin niet zoo den boventoon kregen als op het platte
+land, waar zij _alles_ overstroomden. Geen dezer steden hebben zij
+zelven gebouwd. Het zijn overoude Grieksche en Romeinsche stichtingen,
+die in de algemeene Slawen-overstrooming als staan-geblevene boomen
+uitsteken, en waarin de kern nog heden Grieksche burgers en nevens
+hen Joden en Armeniërs zijn, terwijl als hoofd over allen een Turksch
+Pascha met zijne Spahis en Trawanten staat. Zelfs in de steden,
+die zooals Adrianopel en Gallipoli reeds geheel in het Grieksche
+bevolkings-gebied liggen, zijn de marktkramer, de daglooner en
+de mindere man Bulgaren. En zelfs Constantinopel heeft eene zeer
+aanzienlijke Slawisch-Bulgaarsche bevolking.
+
+Hier in Constantinopel was natuurlijk van ouds her, even als voor alle
+volken van het groote Grieksch-Illyrische schier-eiland, zoo ook voor
+de Zuidelijke-Slawen, een ruim veld ter verkrijging van rijkdommen,
+invloed en macht. Vele Slawen werden hier tot den Islam bekeerd en
+klommen dan dikwijls als renegaten tot hooge waardigheden op. Eenige
+der in de geschiedenis der Osmanen uitstekendste ministers of
+Groot-Vizieren, waren van Slawischen oorsprong, zoo b.v. Chosrew-Pascha
+onder Murad IV, zoo ook de machtige Mehemed Sokolis, die als een arme
+Bulgaarsche Slawe naar Stamboel gesleept, en vervolgens in den dienst
+getrokken werd, wiens steun hij worden zou.
+
+Ja, reeds ten tijde der Byzantynsche Keizers hebben zich niet
+zelden zulke Slawen, van slaven of gewone soldaten, tot gekroonde
+souvereinen opgewerkt. Meer dan één beroemd Oost-Romeinsch Keizer
+was van Slawisch-Bulgaarsch bloed. Ook Belisarius, de gevierde held
+en veldheer van Justinianus, schijnt, naar zijne geboorte en naam
+te oordeelen, een echte Slawe geweest te zijn. Nog nu weet ieder de
+beteekenis van het woord "Belisarius" (Beloi Czar = de witte Vorst.)
+
+Even als naar Rusland, zoo zijn ook vele Bulgaren bij verschillende
+gelegenheden naar Hongarije getrokken, en eindelijk zijn, van
+Constantinopel uit, de Bulgaren ook somwijlen bij honderdduizenden
+naar Klein-Azië overgeplant geworden. Maar hier, in een overzicht
+over Europa, hebben wij hunne lotgevallen dáár niet te volgen.
+
+
+
+
+
+
+DE SERVIËRS.
+
+
+Zeer onderscheiden van de Bulgaren, zijn in geest en wezen hunne
+broeders en naburen in het Westen, de Slawen van Servischen stam, die
+men gewoonlijk Illyro-Serviërs of ook de Illyrische-Slawen noemt. Deze
+hebben, in tegenstelling met de geduldige, arbeidzame Bulgaren, eenige
+der oorlogzuchtigste en ondernemendste stammen van het Turksche rijk
+voortgebracht, die tegelijkertijd de slechtste landbouwers en tuiniers
+er van zijn.
+
+Uit de Slawen van dezen stam, kwamen het eerst de bewoners van
+het Vorstendom Servië te voorschijn, die in den nieuweren tijd
+hunne onafhankelijkheid door eene reeks bloedige oorlogen bevochten
+hebben,--de dappere Bosniaken, die eens de beste rekruten voor het
+Janitscharen-korps leverden--de onbuigzame Montenegrijnen, een hoopje
+bergbewoners, die van oudsher de macht der Osmanlis trotseerden. Ook
+de Morlaken en Dalmatiërs, die somwijlen als zeeroovers de schrik
+der Adriatische zee, en gewoonlijk ook de beste matrozen der Dogen
+van Venetië geweest zijn, behooren tot dezen kernachtigen Slawenstam;
+eindelijk de Slavoniërs en de, zoo al niet geheel Servische, toch den
+Serviërs zeer na verwante, "Krowaten" of Kroaten, wier regimenten,
+onder Hongaarsche of Oostenrijksche vanen, zich in vreemde landen
+dikwijls gevreesd genoeg hebben gemaakt.
+
+De naam "Serviër" was eens een der groote nationale- of algemeene
+namen der Slawen. Even als bij de Duitschers de naam "Allemannen",
+die bij de Franschen nog altijd de algemeene naam voor hen is, zoo
+is de naam Serviër ook nu slechts aan eene onderafdeeling der Slawen
+eigen gebleven.
+
+De oorspronkelijke woonplaats der Serviërs en der van oudsher met hen
+verbroederde en naburige Kroaten, zou aan den noordelijken voet der
+Karpathen in het tegenwoordige koningrijk Gallicië geweest zijn,
+en zij zouden van de daar woonachtige Ruthenen of Klein-Russen
+afstammen. Thans nog duidt hunne taal, die nauw aan de Rutheensche
+verwant is, hunne afkomst uit die noordelijke streken aan.
+
+Ook de talrijke Lithauwsche uitdrukkingen, die in de Servische taal
+behouden zijn, schijnen te bewijzen, dat zij van het noorden der
+Karpathen, uit de nabuurschap der Lithauwsche en Finsche volksstammen
+afkomstig waren.
+
+Zij moeten in hunne tegenwoordige woonplaatsen, in de vroegere
+Romeinsche provincie Illyrië, in het begin der 7de eeuw, toen daar de
+Finsch-Tartaarsche Awaren heerschten, binnengerukt zijn. De Serviërs
+vernietigden in die streken de heerschappij der Awaren en de hun
+onderworpene oorspronkelijke bevolking, en slawiseerden het geheele
+land. Hier en daar meent men echter onder hen, b.v. in de zeden en
+het uiterlijk der Servische Morlaken van Dalmatië, nu nog sporen dier
+Tartaarsche Awaren te herkennen.
+
+Van af den Donau en de gebergten van Illyrië, waar zij het eerst
+kwamen, drongen deze Servische Slawen door tot aan de Adriatische
+Zee in de nabijheid van Venetië, en verspreidden zich vervolgens
+langs de Drave en Save, tot aan de grenzen van Tyrol, Salzburg en
+Opper-Oostenrijk over al de Oostelijke dalen der Alpen.
+
+Zij verspreidden zich dus, van de noordelijke grenzen van Macedonië
+en Albanië, tot in Duitschland, over een lang uitgestrekt gebied,
+dat bijna even groot is als het koningrijk Pruissen, en waarin zich
+nu nog 6 à 7 millioen Slawen bevinden.
+
+Bijna geen ander Slawisch volk is in zoovele kleine onderafdeelingen,
+nevenstammen en dialekten gesplitst en heeft zulke afwisselende
+lotgevallen gehad, als het Illyrische of Servische. Op hun
+uitgestrekt gebied ontmoeten wij eene menigte verschillende volks-
+en provincienamen. De bij alle Slawen reeds sedert oude tijden in
+het ooggehoudene, aan elkander hangende en verschillende onderdeden
+bevattende, familie- en stam-verhoudingen, zijn bij deze Servische
+Slawen nog tot op den huidigen dag onveranderd gebleven. Als hunne
+dochters huwen, begeven zich naar oud gebruik de schoonzonen en
+ook de zonen met hunne vrouwen, zoo mogelijk onder hetzelfde dak,
+in verschillende kamertjes verdeeld. Kan men dit niet meer, dan
+vestigen zij zich ten minste met der woon rondom het huis van den
+familie-vader. Breidt het geslacht zich nog meer uit, dan neemt
+het den akker, die het dichtst bij de woonplaats van het hoofd van
+den stam gelegen is, in bezit; de oudste van den stam blijft het
+hoofd van het geslacht. Zoo vormt bij hen in den regel ieder dorp,
+eene enkele zich zelve regeerende familie, die met de overige wereld
+en met de rijks overheid alleen door hun "Ouden," hun patriarchaal
+opperhoofd, in betrekking staat. Ook de grootere staatsburgerlijke
+afdeelingen en distrikten, vallen gewoonlijk met geslachts-verbindingen
+en bloedverwantschappen zamen. Nagenoeg iedere familie, iedere stam
+heeft zijn rivierdal, zijn bergketen, zijne afgeslotene hooge vlakte,
+voor zich. In afgelegene en ontoegankelijke hoeken van het land, hebben
+deze geslachten dikwijls sedert oude tijden, de Romeinen, Byzantijnen
+en Turken getrotseerd en als vrye mannen hunne onafhankelijkheid
+bewaard. Hoezeer het familieleven in de natuur dezer volksstammen
+ingeweven is, kan men daaruit afleiden, dat bij hen, die de zee
+bevaren, letterlijk elk door hen bemand schip, om zoo te zeggen eene
+varende familie, eene drijvende Clan is. Van den kapitein tot den
+scheepsjongen, bestaat de geheele equipage uit bloedverwanten.
+
+Uit deze verhoudingen en neigingen zeg ik, zullen waarschijnlijk de
+ontelbare stam- en volksnamen der Illyro-Servische Slawen ontstaan
+zijn. Om echter over de hierdoor ontstane namenverwarring een overzicht
+te hebben, mag men die stammen verdeelen in de volgende hoofdgroepen:
+1) De Serviërs in engeren zin, waartoe de Slavoniërs, de Bosniaken,
+de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de bewoners van het tegenwoordig
+zoogenaamd Vorstendom Servië gerekend worden. 2) De Kroaten in Turkije
+en Oostenrijk; 3) de zoogenaamde Slovenen of Wenden in Istrië,
+Stiermarken en de Krain. Verscheidene omstandigheden bewijzen,
+dat zij allen gezamentlijk tot ééne enkele groote afdeeling der
+Slawen behooren, die hoewel in zich zelve gelijksoortig, van andere
+groote Slawen-afdeelingen, de Bulgaren in het oosten en de Czechen
+en Polen in het noorden, veelvuldig verschillen. Ook is er niet aan
+te twijfelen, dat al de genoemde stammen met elkander sympathiseeren
+en elkander als broeders van denzelfden stam beschouwen. Zelfs de
+ontwikkelde Oostenrijksche officier, die aan de Drave onder Duitsche
+heerschappij geboren is, begroet de halfwilde Montenegrijnen, als hij
+bij hen in hunne rotsennesten komt, als zijne vrienden, en zijn hart
+klopt sneller als hij hunne vaderlandsliefde-ademende gezangen hoort.
+
+Van genoemde drie afdeelingen der Slawische Illyriërs hebben zich
+de eerstgenoemden, de Serviërs in engeren zin, van oudsher als een
+levendig, dapper, poëtisch en vrijheidlievend volk gekenmerkt. Zij
+bezetten de landen der Dardaners, Triballers en andere wegens hunne
+onhandelbaarheid reeds in de oudheid veel genoemde volken, en erfden
+iets van hunne zeden en geest, waar zij niet al reeds oorspronkelijk
+met hen eenigzins verwant waren.
+
+De geheele streek, die zij bewonen, van den Donau tot aan de
+Adriatische Zee, is met steile bergen en met de schoonste, aan
+verschillende boomsoorten rijke, eeuwenoude wouden bedekt, waarin hier
+en daar nog wolven, beeren en andere wilde dieren huizen. Tusschen
+de door kastanje-bosschen omkranste hoogten, in de taal van het land
+"Planina" (zooveel als: Alpen) genoemd, liggen hier en daar liefelijke,
+met wateren doorsnedene, groene, vruchtbare dal- en weide-ketels of
+campagnen, welke de taal des lands "Livada" noemt. Deze beide woorden
+"Planina" en "Livada," die de reiziger overal in Servië ontmoet,
+geven op de duidelijkste wijze het karakter aan, der door de Servische
+stammen bewoonde streken.
+
+Even als de oude Triballers en Dardaners, daalden de Serviërs in
+vroegere tijden van hunne bergen af en maakten, even als de Bulgaren,
+verwoestende tochten naar het zuiden, tot in den Peleponnesus. De
+eerste eeuwen hunner geschiedenis zijn eene aaneenschakeling van
+onafgebrokene oorlogen met de naburige Bulgaren en met de Byzantijnsche
+Keizers, wien zij wel dikwijls nood en gevaar brachten, maar van
+wie zij af en toe ook afhankelijk waren. Het toppunt hunner macht
+bereikten zij in de 14de eeuw. Toen hadden zij de geheele Oostelijke
+helft van Illyrië tot één koningrijk vereenigd. Ja! een korten tijd
+(1336-1356) behoorden tot dit Servische Koningrijk zelfs ook Macedonië
+en verscheidene provinciën van Griekenland. Dat viel voor onder de
+regeering van den Servischen Kraal (Koning) Stephanus Dushan, die dien
+tengevolge ook den weidschen titel van "Keizer van het morgenland"
+aannam. Maar van dit toppunt hunner macht, gingen de Serviërs weldra
+een snellen val te gemoet.
+
+De Turken vielen Europa binnen, leverden in het jaar 1389, aan de
+Serviërs en de met hen verbondene Hongaren en Wallachijers, den slag
+op het Amselveld, een der "Livadas" of dalketels in Boven-Servië,
+dat zoo dikwijls met bloed gedrenkt is geworden.--En sedert dien tijd
+waren de Serviërs de--wel is waar niet zeer gehoorzame--onderdanen der
+Turken. Nog heden ten dage staat hun de herinnering aan dien slag op
+het Amselveld, waarin hun Koning, hun adel, hunne geestelijkheid, de
+bloem van hun volk, hun geheel nauwelijks ontstaan rijk, door de Turken
+vernietigd werd, levendig voor den geest. Deze tragische gebeurtenis is
+het groote nationale-ongeluk van den Servischen stam. Hunne volkspoëzie
+dwaalde sedert dien tijd treurig en klagend langs de grafheuvelen van
+het "Amselveld," zooals omgekeerd de natie vol verlangen blikt, naar
+het toppunt hunner vroegere macht, onder dien zoogenaamden "Keizer"
+Stephanus Dushan, als naar het doel, dat zij zich voorstellen eens
+weder te bereiken.
+
+Tot nu toe echter is hun op dien weg niets verder gelukt, dan de
+grondvesting van het kleine Vorstendom Servië in het dal-labyrinth der
+rivier Morawa, en die van dien merkwaardigen kleinen roofridderstaat
+op de ontoegankelijke sombere rotstoppen van Tschorna-Gora of
+Montenegro (Zwarte berg), waar een oorlogzuchtig bisschop, met eene
+uit despotismus en republikanismus gemengde regeeringswijze, eene
+heldhaftige gemeente bestuurt en met de zijnen een leven leidt, dat
+letterlijk in alle bijzonderheden reeds bij Homerus bekend schijnt
+geweest te zijn, die het, in zijne schilderingen der roofzuchtige
+Phacaken en hunnen Koning, schijnt bezongen te hebben.
+
+De Serviërs waren, toen zij naar Illyrië kwamen, heidenen, maar weldra
+werden zij, even als bijna alle Zuidelijke en Oostelijke Slawen,
+door de Byzantynen gedoopt en voor de Grieksche Kerk gewonnen. Het
+grootste gedeelte van het volk omhelst dit geloof, dat hen ook
+weder met hunne stamgenooten, de Russen en Bulgaren, verbond, nog
+ten huidigen dage: slechts bij één stam der Serviërs, de Bosniaken,
+is het den Turken gelukt, aanhangers voor den Koran te winnen. De
+trotsche en rijke adel der Bosniaken ging bij de Turksche verovering
+tot den Islam over, om onder de nieuwe heerschappij hunne privilegiën
+en hun landbezit te waarborgen. Hun voorbeeld werd door de gilden en
+kooplieden der Bosnische steden om dezelfde reden gevolgd. En zoo
+vormen de Bosniaken, tot groot verdriet der Servische patriotten,
+midden in Illyrië een Slawischen stam, waarvan de hoogste klassen,
+wel niet Turksch, maar toch Mohamedaansch, en wel zooals gewoonlijk
+de renegaten, fanatiek Mohamedaansch geworden zijn. Al de door de
+Turksche Keizers in den laatsten tijd goedgevondene nieuwigheden en
+hervormingen, hebben bij de Bosnische aanhangers van den profeet op
+hardnekkigen tegenstand gestooten. Ofschoon zij grootendeels hunne
+oude Slawische taal gehouden hebben, ofschoon hun Mohamedanisme met
+een weinig christelijks vermengd is--(de muzelmansche edellieden
+van Bosnië vieren nog in hunne familiekringen, de oude feesten
+der door hunne christen-voorvaderen vereerde beschermheiligen, een
+St. Elias- een St. George- een St. Petrus feest; laten somwijlen
+door christen-popen bij de graven hunner vaderen bidden, betalen
+ook nog missen voor hunne zielen)--ofschoon verder een eigenlijk
+Osman nauwlijks in hun land te vinden is--(de Sultans moeten, in den
+regel, in het land geboren Slawische edellieden tot gouverneurs der
+provincie maken, en was de uit Stamboel gezonden Vizier een Osman,
+dan moest hij zich wel wachten zijne citadel bij Trawnik te verlaten,
+en mocht hij zelfs in de hoofdstad van het land, Bosna Serai, niet
+langer dan drie dagen vertoeven,) zoo hebben toch deze fanatieke en
+oorlogzuchtige Bosniaken, dikwijls zelfs tegen den Sultan zelven,
+in naam van Mohamed en de oude Turksche instellingen, hunne vanen
+ontplooid.--Men heeft hen wel eens "_de Vendeërs van Turkije_" genoemd.
+
+Van oudsher leverden zij den Sultan mede zijne beste troepen, en de
+Janitscharen, die Mahmoed II in de eerste twintig jaren dezer eeuw met
+het zwaard en de bijl vervolgde en uitmoordde, waren voor een groot
+deel Slawische Bosniaken. Zij zijn ook tot in den laatsten tijd, meer
+dan eenmaal tegen hunne christelijke, maar door hen verachte en met
+hoogmoed behandelde, stambroeders in het Vorstendom Servië te velde
+getrokken, en hebben zij gedreigd de vrijheden, door den Sultan dit
+rijk toegekend, te vernietigen.
+
+Tot aan de Adriatische zee, tot aan de sedert oude tijden Dalmatië en
+Liburnië genoemde kustlanden, drongen de gezamenlijke Servische stammen
+door, en zelfs hebben zij al de tallooze rots-eilanden en klippen, die
+langs de oostzijde van die zee liggen, met hunne geslachten bezet. Daar
+vonden zij eene reeks oude, bloeiende, Romeinsche handelsteden:
+Rausium of Ragusa, Salona en andere. Ook in deze steden, zelfs in
+het oude groote paleis van Keizer Diocletianus, dat binnen zijne
+vervallen muren eene geheele gemeente, de stad Spalatro opnam, drongen
+de Servische Slawen door, en vulden ze zoowel met hunne burgerlijke als
+adellijke geslachten. De in de middeneeuwen zoo bloeiende en beroemde
+republiek Ragusa was eene Servische gemeente. Men heeft haar wel eens
+"het Servisch Athene" genoemd, en hare patricische geslachten zoeken
+nog heden de wortelen hunner stamboomen, in de Planinas en Livadas
+van Bosnië en Servië. Van oudsher echter was deze kust, langs de
+Adriatische zee, aan de invloeden van Italië blootgesteld. Ten
+tijde der Romeinen voerden natuurlijk Romeinsche taal en zeden den
+boventoon. Sedert de 10de eeuw tot op den nieuwen tijd stond zij onder
+de heerschappij der Dogen van Venetië. De daar woonachtige Slawen
+werden dien ten gevolge een weinig geitalianiseerd, en vermengden zich
+met, door hen uitgenoodigde, Italiaansche familiën. De ontwikkeldsten
+onder hen spreken, nu onder Oostenrijksche heerschappij, in den regel
+beide talen, zoowel de Italiaansche handels- en literatuur-taal,
+als die der Slawische boeren.
+
+Aan deze zeeoevers vestigden zich dan ook de Servische bergvolken,
+zooals ik reeds gezegd heb, op schepen. Zij werden hier zulke
+ijverige en geschikte matrozen,--eerst zeeroovers, vervolgens als
+koopvaardijvaarders in dienst der republieken Venetië en Ragusa,--even
+als hunne voorgangers, de bij de Romeinen beroemde Liburniers geweest
+waren. De _Riva dei Schiavoni_ (de oever der Slawen) in Venetië,
+is naar hen zoo genoemd. Ook verschijnen de Slawen nog heden ten
+dage, evenals vroeger in de haven en op de markt van Venetië; ook
+nu nog is het meerendeel der scheeps-kommandanten en matrozen der
+Oostenrijksche oorlogsvloot van den stam der Kust-Serviërs, of zooals
+zij zichzelve noemen "Morlaken" (van _mora_, d.i. zee).--Verscheidene
+der Servische familiën drongen ook bij den Venetiaanschen adel in,
+en hunne geitalianiseerde Slawische namen staan in het _libro d'oro_
+van Venetië opgeteekend. Evenals onder de adellijken der republiek, zoo
+vond men ook onder de schilders der Venetiaansche school, somwijlen een
+man van Slawische afkomst. Ik wil aan den bekenden _Nicolo Dalmata_
+(Nikolaas de Dalmatiër) en _Medola Schiavone_, gewoonlijk alleen
+_Schiavone_ (de Slawe) genaamd, herinneren. Ook verspreidden zich de
+Serviërs, van uit de Adriatische zee, vroeger nog over vele deelen
+der wereld. Zij kwamen als matrozen in dienst der Napolitaansche
+koningen, en men vindt hen nog heden ten dage naast de Italianen in
+alle havens der Middellandsche Zee; ja zij hebben zelfs in Amerika,
+b.v. in New-Orleans aan den Mississippi, kleine koloniën gesticht.
+
+De noordwestelijke broeders en naburen der eigenlijke Serviërs, de
+_Kroaten_, drongen nog dieper de landen der West-Europeesche volken
+in. Zij werden allen, zelfs die, welke in het zoogenaamde Turksche
+Kroatië, het westelijkst uiteinde van het Turksche rijk wonen, tot
+den Roomsch-Katholieken godsdienst bekeerd. Onder hen vindt men noch
+Mohamedanen, noch Grieksche Christenen, of ten minste slechts zeer
+weinige. Ook de Kroaten hebben evenals de Serviërs, eens een tijd van
+bloei gekend, en vormden in de 10de eeuw onder hunne eigene Vorsten
+een eigen, niet zoo heel klein koningrijk. Maar deze Kroatische
+bloei duurde nog korter dan die der eigenlijke Serviërs. Reeds in
+het jaar 1091 werden de Kroaten door de Magyaren overweldigd, en na
+dien tijd deelden zij bijna altijd de lotgevallen van dit volk, als
+een aanhangsel van Hongarije. Slechts een klein gedeelte werd aan de
+Turken onderworpen en is het nog heden. De naam van hun koningrijk,
+figureert nog heden onder de titels van den Keizer van Oostenrijk en
+Koning van Hongarije. Men kan zeggen, dat zij de Janitscharen van
+Hongarije en Oostenrijk geweest zijn, evenals de Bosniaken die van
+Turkije waren.
+
+Kroaten en Serviërs mochten in den aanvang, van hunne bergachtige
+landen in Illyrië uit, noordwaarts langs den Donau en door de vlakten
+van Pannonië, zich verbreiden en vastnestelen, maar later bestond
+in hun onrustig, door de Turken steeds onderdrukt en aan bloedige
+opstanden rijk vaderland, reden genoeg tot landverhuizing. Reeds in
+het jaar 1427 stond de despoot van Servië, George Brankowitsch, aan
+Koning Sigismund van Hongarije, de hoofdstad van Servië, het beroemde
+Weisenburg (Belgrado) af, en verkreeg hij daarvoor in Hongarije
+verscheidene landstreken, waarheen zijne onderdrukte landgenooten zich
+bij duizenden met der woon vestigden. Deze landverhuizing herhaalde
+zich ook bij verscheidene volgende gelegenheden, en zelfs in de twee
+laatste eeuwen hebben zich gedurende den bloei der Oostenrijksche
+macht, herhaalde malen groote scharen Serviërs, Bosniaken en Turksche
+Kroaten, naar het Oostenrijksche gebied begeven, en zetten zij zich
+in de groote uitgestrektheden van het Magyaren-land neder, vooral
+in die streken aan de zuidelijke Theiss en den Donau, die onder
+de Turksche heerschappij van hunne andere oorspronkelijke bewoners
+ontbloot waren. Buitendien heeft ook zelfs in tijden van vrede, eene
+voortdurende verhuizing uit het land der Serviërs naar Hongarije
+plaats gevonden. Van daar komt het, dat wij niet alleen Slavonië en
+de Oostenrijksche Militaire-grenzen, maar ook het zoogenaamde Banaat,
+het vruchtbare landschap aan de Theiss, en verscheidene andere streken
+langs den midden-Donau, vol Servische koloniën vinden. De uiterste,
+iets grootere kolonië der Serviërs ligt aan den Donau, deels boven,
+deels beneden Pesth. Een kring Kroatische dorpen loopt langs de
+westelijke grens van Hongarije, en aan den voet der Stiermarksche
+Alpen, hoog naar het noorden toe; en de uiterste Kroatische koloniën
+liggen in eene kleine groep aan het Neusiedler-meer, niet ver van
+Weenen, bij elkander.
+
+Evenals naar de Adriatische zee, zoo hebben deze nakomelingen van
+den Servischen stam, zich ook te scheep naar den Donau begeven, en
+zijn zij hier een der belangrijkste scheepvaart- en handels-volken
+geworden. Zij hebben bijna over de geheele rivier, van Pesth tot aan
+Belgrado, den voor handel en scheepvaart weinig geschikte Magyaren,
+dat werk afgenomen. Zij vervoeren hier tot ver naar Hongarije toe,
+de voortbrengselen van hun eigen vaderland, voornamelijk die bij de
+Mohamedanen en Joden zoo weinig in aanzien zijnde dieren, die den
+overleden Vorst van Servië, Milosch, zoo rijk gemaakt hebben. Zij zijn
+natuurlijk hoofdzakelijk de vervoerders van die dieren langs de Save
+en Drave. Men noemt de uit Servië overgekomene schippers en kooplieden
+in Hongarije, gewoonlijk "Razen" en hunne groote schepen op den Donau
+"Razina's" naar het land der Raiszen of Rasziërs, dat de naam eener
+Servische provincie is. Uit deze en andere Servische elementen,
+heeft zich letterlijk bij iedere der Hongaarsche Donausteden,
+eene door Servische schippers, werklieden, kramers en handwerkers
+bewoonde, zoogenaamde Razen-stad gevormd, even zooals sommige onzer
+steden eene bepaalde Joden-wijk hebben. Het laatste dergelijk Razen-
+of Serviërs-kwartier in noord-westelijke richting vindt men in Weenen
+zelf, terwijl het uiterste in omgekeerde of in zuid-oostelijke richting
+in Constantinopel gezocht moet worden. De gezamelijke Slawische
+bevolking van zuidelijk Hongarije is, van af Pesth, als voornamelijk
+Servisch te beschouwen, en hun aantal in Oostenrijk, met inbegrip der
+Slavoniërs, Kroaten en der Servische bewoners der Militaire grenzen
+en der zoogenaamde Woiwodina, bedraagt nagenoeg 3 1/2 millioen.
+
+Het westelijk gedeelte van den grooten stam der Zuidelijke-Slaven,
+bestaat uit de _Slowenzen_ of _Winden_ in Karinthië, Krain en
+Stiermarken. Ofschoon de geschiedenis van den inval dezer Winden in
+het duister ligt, zooveel is toch zeker, dat hunne taal een dialekt is
+der Servische en Kroatische, en dat zij tot dezen zuidelijken, niet
+tot den noordelijken Slawenstam der Czechen en Polen, moet gerekend
+worden. Dit wordt ook bevestigd door den toon en het karakter hunner
+volks-poëzie, die weinig overeenkomst met die der Czechen heeft. Zij
+verraadt eene geheele andere wijze van beschouwing en uitdrukking dan
+deze, en bezit, even als de Servische, iets zeer tragisch. Veel van
+haar is geheel en al Servisch, vooral in de liederen, die het gebied
+der geschiedenis en van het nationaal verleden betreden, en die op
+volkssagen van smartelijken en beteekenisvollen inhoud berusten.
+
+Reeds Karel de Groote deed in de 9de eeuw dezen, het Germaansche gebied
+al te diep binnengedrongenen, Slawen den oorlog aan, onderwierp hen
+en verdeelde hun land in grensmarken; na dien tijd zijn zij bijna
+altijd aan de Duitschers onderworpen geweest. Hun adel verloor zich
+in dien der Duitschers, en de burgerij der steden van hun land heeft
+zich geheel uit Duitsche elementen ontwikkeld; zij zelven zijn niet
+anders dan de herders, land- en wijnbouwers van hun land. Nu reiken
+deze westelijkste der Zuidelijke-Slawen, niet verder dan tot aan het
+Venetiaansche, tot aan den Isonzo en de hooge Alpentoppen van den
+Terglou of Triglowa, een Slawische naam die "driehoofdig" beteekent,
+en tot voorbij Klagenfurt. Aanvankelijk echter waren zij nog verder
+vooruitgedrongen, tot in de dalen aan den Grosz-Glöckner en tot aan
+Tyrol en Opper-Oostenrijk.
+
+Maar hier heeft de terugslag van hetgeen in Duitschland gebeurd
+was, hunne macht geknot. In Tyrol, Salzburg, Opper-Oostenrijk en
+in de Noordelijke deelen van Stiermarken en Karinthië, zijn alle
+Slawische elementen door het zegevierende Duitsche element, weder
+geheel verloren geraakt.
+
+Waarschijnlijk heeft de geographische ligging van de gezamenlijke
+Zuidelijke-Slawen, de omstandigheid dat zij tot aan de spits van
+de Adriatische zee, dit merkwaardig historisch- en geographisch
+keerpunt in den geledingbouw van Europa, opgedrongen werden, het
+meest er toe bijgedragen, dat zij zulke verschillende lotgevallen
+gehad hebben. Even als de Slawen, zoo streefden ook de Italianen,
+de Duitschers, de Hongaren en de Turken, naar dit natuurlijk en
+gewichtig grens- en hoekpunt, en de zwakkere, de reeds van nature
+verbrokkelde Slawen werden daarbij geheel uit elkander gejaagd en
+vernietigd. Eenige werden, zooals reeds gezegd is, gegermaniseerd,
+terwijl andere een Italiaansch waas kregen. Eenige werden door
+Hongarije geannexeerd en andere met Tartaarsche en Turksche elementen
+vermengd. Ook verdeelden zij zich naar hunnen godsdienst, en dit bracht
+veel verschil en tweedracht onder hen te weeg, in drie soorten. Eenige
+volgden, zooals bereids gezegd is, den Islam, andere den Paus en
+weder andere den Griekschen Patriarch.
+
+Ten slotte wil ik hier, zooals ik reeds aanduidde, nog een
+volk vermelden, dat wel in taal en afstamming weinig met de
+Zuidelijke-Slawen gemeen heeft, maar waarvan de beschrijving toch
+daarom, het gemakkelijkst met die der Slawen kan verbonden worden,
+daar zij naburen er van zijn, met hen een gelijk lot deelden, en,
+zoo al niet in het bloed, dan toch in de zeden er veel gelijkheid mede
+hebben,--en eindelijk, daar het een overblijfsel schijnt te zijn van
+dien verspreiden, ouden, Illyrischen volksstam, die vroeger een groot
+deel der nu door de Zuidelijke-Slawen bewoonde landen bevatte, en in
+wiens grondeigendom de Slawen binnen rukten. Ik bedoel de in de geheele
+wereld om hunnen oorlogzuchtigen geest beroemde Albaneezen of Arnauten,
+die zich zelve echter "Skypetaren" (de kinderen der rotsen) noemen.
+
+De "Albaneezen" of de "witte mannen" (naar de beteekenis
+der Oosterlingen, die al het koninklijke en zelfstandige wit
+noemen: de _vrije onafhankelijke menschen_), nu nagenoeg anderhalf
+millioen zielen sterk, bewonen, als oude oorspronkelijke bewoners,
+de noord-westelijke helft van het Grieksche schiereiland, of een
+stuk van zuidelijk Illyrië en het oude landschap Epirus, dat van de
+noord-oostelijke helft (Thessalië en Macedonië) door den bergketen
+van den Pindus gescheiden wordt.--Zooals Thessalië tusschen den
+Pindus en den Archipelagus ligt, zoo strekt zich Albanië of Epirus
+uit tusschen den Pindus en de Jonische zee. Het land is vol woeste,
+steenachtige en dikwijls met sneeuw bedekte bergen, waartusschen zich
+vriendelijke en welige, met wijngaarden, oranje- en vijgeboomen gevulde
+dalen en enkele meeren--hier en daar langs de rotswanden vette weiden
+en hoogst vruchtbare, fraaie landstreken bevinden, waarvan een aan
+den voet van den Pindus, tegenwoordig nog, even als in de oudheid,
+de Elyzeesche velden genoemd wordt. Aan een dezer meren lag het,
+bij de Grieken zoo hoog in aanzien staande, heilige eikenwoud van
+Dodona. Maar een sterk contrast met deze kleine lachende paradijzen,
+vormen de veel talrijker schrikwekkende landschappen, wier donkere
+bergkloven het land als met voren doorsnijden, en waarin de Grieken de
+ingangen tot de onderwereld, een Erebos en Acheron plaatsten; ook de
+onbeschrijflijk woeste, doorgevretene en doorboorde rots-labyrinthen
+waarvan een, reeds door de ouden uitgescholden werd als: "_infames
+scopuli Acrokeraunii_", die met dreigende klippen in de Adriatische
+zee uitspringen.
+
+De stammen, die deze bergachtige wildernissen, dalen en zeekusten
+bewoonden, waren van de vroegste tijden af om hun wilden geest en
+hunne oorlogzuchtige gewoonten beroemd. De Mirmidone Achilles, de
+meest woeste der Troyaansche helden, werd in de nabijheid van dit
+land geboren. Naar de schildering, die Homerus ons van zijne kracht
+en ruwe dapperheid geeft, schijnt hij een echte Albanees geweest te
+zijn. In lateren tijd kwam de heldhaftige koning Pyrrhus met zijne
+Palikaren van daar naar Italië, om Rome schrik in te boezemen. Een
+dergelijk Palikaren-opperhoofd, de veel geprezen George Kastriota
+of Skanderbeg, kwam uit de Acherontische kloven te voorschijn, toen
+in de 15de eeuw de Turken dit bergvolk wilden onderwerpen, wat hun
+echter nimmer geheel gelukt is. En ook weder in onzen tijd hebben
+wij daar een derden Pyrrhus, den vreeselijken Ali Pascha van Janina,
+uit een geslacht der Albanesche "Tosken", de macht van den Sultan
+zien trotseeren. Van af Achilles tot op onze dagen heeft dezelfde
+sombere geest, in dit van eeuwig wapengekletter weergalmend land,
+dezen, zooals Lord Bijron het noemt, "_rugged nurse_ of _savage men_"
+bestaan, en steeds heeft daar dezelfde over-oude volksstam, hetzelfde
+nationale-type, dezelfde taal geheerscht. Zelfs de alles in zijn
+stroom medesleurende volksoverstrooming der Slawen, die slawiseerend
+tot aan den Peloponnesus doordrong, is deze stevige rotsmannen voorbij
+gestroomd en heeft hen, als de oude wortelen van een eik, die eens
+zijne takken wijd uitspreidde, als de overblijfselen van een ouden
+burg, in de gebergten laten zitten.
+
+Wat hun uiterlijk betreft, verschillen deze Arnauten zeer van hunne
+naburen de Slawen, de Walachijers en de Nieuw-Grieken. Het zijn meestal
+menschen van eene hooge gestalte en van een krachtigen, gespierden
+lichaamsbouw, met langen hals en gewelfde borst. Hunne gelaatstrekken
+reeds, verraden de moedige, nimmer door slavernij getemde, mannen. Zij
+hebben in den regel het type van het Indo-Germaansche ras, waartoe
+zij, zooals nog onlangs een geleerde uit hunne taal heeft bewezen,
+behooren, ofschoon dit vroeger in twijfel getrokken werd. Hunne
+vrouwen staan in schoonheid en uitdrukking bij de mannen niet ten
+achter. De gestalte en de gang dezer Albaneesche Amazonen hebben
+iets statigs, iets gebiedends. Hunne rijke, smaakvolle kleeding
+draagt er niet weinig toe bij, den Albaneezen iets schilderachtigs
+en indrukwekkends te geven. Het is dezelfde kleeding, die uit honderd
+ellen linnen zamengevouwene Tristanella, het over de borst geworpene,
+engsluitende met goud geborduurde "Sjelleck" (vest), de roode met
+afhangende zijden kwasten voorziene hoofdbedekking (Fes), die in den
+nieuweren tijd als de nieuw-Grieksche kleederdracht, in geheel Europa
+bij iedereen bekend is. Zij mag bij de Arnauten oorspronkelijk en
+van dezen op de Nieuw-Grieken overgegaan zijn.
+
+In hun vaderland leven zij, evenals de Serviërs, in talrijke clans en
+geslachten verdeeld, die in nimmer eindigende bloedwraak onder elkander
+in vijandschap leven en die somwijlen, als een machtige vijand hen
+van buiten bedreigde, als een eenig man opstonden. Verscheidene dezer
+stammen, b.v. de moedige Chimarioten in de Keraunische bergen, en hunne
+buren de Mirditen (d.i. de dapperen) hebben in alle tijden, evenals de
+Montenegrynen, hunne onafhankelijkheid van de Turken bewaard. Ook de
+door de heldhaftige verdediging van hun rotsdal, over de geheele wereld
+beroemd geworden Sulioten, waren van Albaneeschen stam. Deze nooit
+onderworpen geworden stammen dragen den trotschen naam van "Armatolen"
+(wapenbroeders). Daar zij altijd tot den dood bereid moeten zijn,
+òf om hem te ontvangen òf om hem te geven, zoo zijn zij altijd, zelfs
+bij hunne vreedzaamste bezigheden en werkzaamheden, tot aan de tanden
+toe gewapend, en Ceres wandelt in hun land met de speer en het schild
+van Minerva rond, en zelfs Endymion hult zich in het pantser van Mars.
+
+Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze
+Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische
+volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk
+zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken _opgeworpen_ dan
+_gebouwd_ te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten
+voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens
+bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de
+bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen
+waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben
+zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw
+en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene
+enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer,
+en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke
+tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een
+idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische
+boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de
+bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter
+de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen
+uitlooft, dan dalen de Arnautische "Bulukbaschis" (de opperhoofden
+der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de
+hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere
+of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne "Buren"
+("pleegkinderen") zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog.
+
+Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen
+zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten
+onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in
+de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de
+Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke slot te Napels, ja! zelfs
+onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij
+meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk
+voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne
+jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun
+lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende
+schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve
+overal als soldaten en trawanten welkom.
+
+Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen
+op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch
+"Brokovalas" genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij
+het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de
+tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken,
+en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen
+geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en
+weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en
+van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn
+zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans
+zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche
+soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij
+nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone
+gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene "Kotsche" (een
+gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde
+wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt
+beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit
+het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen,
+vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in
+stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder
+de aanzittende "buren," naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken
+het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid.
+
+Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De
+ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen
+zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen
+trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de
+plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige
+herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en
+zijd in Turkije bekend.
+
+Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt
+te zijn. De in Turkije beroemde kunst der "_Suterazzi_" (bronmeesters)
+stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van
+Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien,
+bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In
+Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven
+hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle
+provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder
+wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst,
+zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der
+plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij
+maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van
+hunne voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd,
+zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot
+10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend
+is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks
+onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden,
+even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende
+werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden.
+
+Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige
+provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in
+Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en
+zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het
+einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en
+Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel,
+onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later
+dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven,
+wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha's, de oproeren der Grieken
+onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En
+ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche
+omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch
+nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche
+koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte
+der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche
+de eigenlijke huis- en familie taal.
+
+Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen,
+en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die
+zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van
+Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan
+het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in
+zekeren zin ook een Albaneesche geweest.
+
+Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude
+stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden,
+voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië
+en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate
+vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus
+der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van
+het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk
+gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke
+kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid
+der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te
+berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover
+heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers,
+het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen
+en barbaren, aangegeven wordt.
+
+In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën
+Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders
+der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en
+bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van
+dezen volkstak.
+
+Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne
+latere nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar
+Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de
+beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer
+veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog
+een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg,
+waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote
+vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door
+de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer
+edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en
+Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië,
+hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische
+rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden
+bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar
+zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als
+landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche
+familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige
+vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan
+het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de _wereld_, aan Paus
+Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de
+prachtige villa Albani leverde.
+
+Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van
+dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken
+verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde
+"Clementi," in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius
+Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van
+Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog
+heden onder den naam "Clementijnen" midden onder Magyaren en Serviërs,
+hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van
+een Duitsch vorstenhuis.
+
+
+
+
+
+DE WALACHYERS OF ROMAENEN.
+
+
+Het klinkt als een sprookje, wanneer men zegt, dat in den tijd, toen
+het machtige Romeinsche rijk, als de toren van Babel, ineenstortte
+en zich in verscheidene kleinere staten en volken oploste, een
+overblijfsel Romeinsche burgers en soldaten zich naar een afgelegene
+en wilde bergstreek terug trok, en in hare schuilhoeken de stormen
+der volksverhuizing lieten uitwoeden; dat zij daar eeuwen lang met
+de oorspronkelijke bewoners dier landstreek samenwoonden, en groote
+landstreken, aan den voet van het gebergte, met hunne talrijke
+afstammelingen weder bevolkten, en zoodoende de _Nucleus_ of het
+zuurdeesem van een nieuw, groot, zeer verspreid volk werden, dat
+tot op den huidigen dag bestaat en nog vrij duidelijk, ofschoon met
+veelvuldige bijmengingen en wijzigingen, de Romeinsche taal spreekt;
+bij wien ook de herinnering en den naam der Romeinen behouden bleef--en
+dat nog daarenboven dit behoud van den naam en de taal der Romeinen,
+juist in eene landstreek plaats vond, die vóór alle andere een groote
+volken-poort, een waar doorgangsoord voor de meest verschillende
+volksverhuizingen was; in eene landstreek, waarvan men vooral had
+kunnen verwachten, dat zoo _ergens_, dan _daar_ al het Romeinsche
+en oude tot het laatste spoor zou weggevaagd zijn--dit alles, zeg
+ik, schijnt schier ongeloofelijk, en toch is het de van oude tijden
+overgebrachte en geloofwaardige geschiedenis van dat gedenkwaardige
+volk, dat wij gewoon zijn Walachyers of Moldo-Walachyers te noemen.
+
+De hoofdkern der landschappen door dit volk bewoond, wordt gevormd
+door de boschrijke hoogten en grasrijke Alpenplateaux der zuidelijke
+Karpathen, de groote en met vele kloven voorziene bergen van het
+tegenwoordige Zevenburgen, die door de inwoners zelve bloot weg
+"_Muntje_" (_Montes_, de Alpen) genoemd worden.
+
+Van dit hooge bergland, dat schier overal door groote vlakten omringd
+is, en slechts op twee punten door smalle, lage en nog daarenboven
+doorgebrokene bergruggen, met andere gebergten, in het noorden
+met de Poolsche Karpathen en in het zuiden met de Servische bergen
+gemeenschap heeft, stroomen naar alle zijden heen rivieren. Naar
+het noorden en westen de talrijke wateren, die naar de Theiss, naar
+het Hongaarsche vlakland stroomen, naar het oosten, de Dniester, de
+Pruth en Sereth, die in de Zwarte Zee uitwateren en naar het zuiden
+de Aluta en vele andere kleine rivieren, die als in eene goot in
+den Donau uitloopen. De breede Donaustroom omgeeft het land, langs
+de geheele zuidelijke helft, als eene natuurlijke grens, en scheidt
+het van de landen van het groote Illyrisch-Grieksche schier-eiland.
+
+De binnenste gedeelten van de bergachtige kern des lands, wedijveren
+in natuurlijke schoonheden en rijkdommen met de fraaiste gedeelten
+der Duitsche Alpen. Hier valt onze blik op eene menigte ijzingwekkende
+rotskloven, van de grootste afmetingen, dààr stijgen de oude beenderen
+der Aarde in eene duizeling wekkende hoogte op, als waren zij het werk
+der Titanen. In de diepte ruischen, in watervallen en draaikolken,
+de bergstroomen. De terrassen en hellingen zijn hier en daar met de
+weelderigste bosschen op het schilderachtigst getooid. Boven op de
+opgehevene en uitgestrekte ruggen treft ons oog met bloemen versierde
+weiden en groene dreven. De op zich zelf staande, als torens en koepels
+boven alles uitstekende, toppen der bergkolossen, bieden de heerlijkste
+uitzichten aan, in het zuiden tot aan den Pontus en tot aan den ouden
+Haemus in Thracië, in het noorden tot diep in Polen en Hongarije.
+
+Langs groote uitgestrektheden is het kolossale muurwerk dezer prachtige
+hoogten, eene ware bergvesting, ontoegankelijk voor de karavanen,
+legers en volkverhuizingen. Hier en daar echter is de vesting door
+natuurlijke bressen of poorten doorgebroken, waardoor de wateren en
+winden even als ook de volken, sedert oude tijden uit- en instroomden,
+en deze poorten of passen: "de ijzeren poort," "de roode toren-pas,"
+"de vulkaan-pas" zijn van oudsher in de geschiedenis van het land
+beroemd geweest. De kloven en aderen der bergen zijn rijk aan
+mineraliën van de meest verschillende soort. Men vindt er berghars,
+ijzer, koper, zilver en goud. Zelfs het overal elders zoo zeldzame
+kwikzilver ontbreekt hier niet. Aan hunne randen zijn de rijkste
+massa's van het zuiverste kristal-zout nedergeslagen. Ter verkrijging
+van vele dezer schatten, is reeds sedert den oudsten tijd een gedeelte
+der bergen doorboord geworden. Veel echter verbergen zij nog ongebruikt
+en onontdekt in hun schoot.
+
+Langs den lagen rand van het hooggebergte slingert zich een krans
+vriendelijke heuvel-landschappen door Opper-Walachye en Moldavië tot
+aan de Bukowina. Bij hen wisselen fraaie dalen met boschachtige niet
+te steile hoogten, vruchtbare bouwlanden met grasrijke uiterwaarden
+elkander op het allerbekoorlijkst af. Levendige beukenwouden en
+aangenaam riekende lindenbosschen vindt men daar in hunne grootste
+pracht, waar tusschen heuvels met wijngaarden, alsmede mildbloeiende
+ooft- en vruchtboomen van zeer verschillende soort, die hier in de
+lente geheele landschappen met eene zee van bloemen bedekken, en het
+land een aangenamen tuin doen gelijken. Terwijl de beer, de losch, de
+wilde kat in de kloven der hooggebergten huizen, worden die linden-
+en beukenwouden der heuvelachtige gedeelten verlevendigd door het
+gekweel van allerlei zangvogels, die hier in zoo buitengewoon groot
+getal komen en nestelen, als nauwelijks in eenig ander gedeelte van
+Europa. Ook leven in de bosschen verscheidene soorten van herten en
+reeën, een overvloed van wilde zwijnen en andere wildsoorten.
+
+De heuvelstreken verliezen zich ten laatste in de geheel vlakke
+landschappen, die zich langs den Donau, aan den Pontus, de Dniester
+en de Theiss, rondom genoemde bergachtige kern van het land, als een
+groot tapijt uitbreiden. In deze vlakten hebben de rivieren, van het
+begin der schepping af, haar natte slib laten vallen, en over hare
+uitgestrektheid zware lagen vruchtbaren bouwgrond gevormd. Even
+als in de delta van den Nijl is ook hier, aan de monden van den
+Donau, de oogst honderdvoudig, en de onuitputtelijke vruchtbaarheid
+dezer Donau-vlakten, die in verschillende tijden de graanschuren
+van Constantinopel geweest zijn, en tot het Grieksche schiereiland
+nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als de landschappen langs de
+Po of Lombardye tot het Italiaansche, is bij de oude, zoowel als bij
+de nieuwe schrijvers letterlijk spreekwoordelijk geworden.
+
+Ik kan dit, hier slechts in hoofdtrekken geschetste, beeld van het
+tegenwoordig door de Walachyers bewoonde gedeelte van Europa, dat de
+zoogenaamde Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachye, de Russische
+provincie Bess-Arabië, het Oostenrijksche Hertogdom Bukowina,
+het Koningrijk Zevenburgen, het zoogenaamde Temeswarer Banaat, en
+aanzienlijke gedeelten van Hongarije omvat, en in uitgebreidheid vrij
+gelijk staat met de grootte van het Pyreneesche schier-eiland, niet in
+bijzonderheden verder beschrijven. Al het bovengenoemde samen vattende,
+mag men echter wel beweren, dat dit landen-complex van nature alles
+aanbood, wat een volk aan grondstoffen noodig had, om beschaving en
+kunsten te doen ontwikkelen; had men het gebied, uit de landen-massa
+waarover het verdeeld is, kunnen uitsnijden en als een eiland in de
+zee kunnen plaatsen, of naar eenige andere gunstige geographische
+ligging overbrengen, en het door een nijveren volkstam kunnen laten
+bevolken, dan had daarin een der ten allen tijde bloeiendste rijken
+en natiën kunnen ontstaan.
+
+Voltaire heeft ergens gezegd, dat wel het klimaat zeer veel invloed
+heeft op het karakter der volken, maar tienmaal meer invloed nog heeft
+de regeeringsvorm, en honderdmaal meer de godsdienst. Hij had daar
+nog wel bij mogen voegen, dat meer dan dat alles, de aardrijkskundige
+ligging van een land en een volk beslist; dat de ligging die het in
+den grooten landen- en volkenkrans toegedeeld is, de manier en de
+wijze waarop het eene plaats in het groote landen-tapijt van het
+vasteland is aangewezen, boven alles en door iedereen in het oog
+moeten gehouden worden. Het schoonste land ter wereld zal niet in
+staat zijn, eene bloeiende maatschappij, een invloedrijk geslacht
+voort te brengen en aan te kweeken, als de ligging, die het op
+onze planeet inneemt, ongunstig is voor de ontwikkeling; wanneer
+belemmerende invloeden zich in zijne nabuurschap bevinden. De vette
+akkers der Walachyers grenzen en vermengen zich aan de eene zijde met
+de onmetelijke steppen van zuidelijk Rusland. Tusschen de zuidelijke
+voorgebergten der Transylvanische Alpen en den Pontus, blijft eene
+ruime, opene poort, waardoor de koude steppen-winden blazen, die
+het klimaat in den winter bijna gelijk aan dat van Rusland maken,
+en hier, op denzelfden breedtegraad als Florence, den Donau en het
+geheele land voor maanden onder eene dikke laag sneeuw en ijs begraven.
+
+Even als de noord-ooste winden, de in het land zoo gevreesde
+"crivans," zoo zijn ook hier van oudsher de onrustige steppen-volken
+binnengestormd, en hebben zij herhaalde malen voor lange tijden de
+schoone akkers in woestenijen verkeerd en slechts als paarde-weiden
+benuttigd.
+
+De majestueuse Donau, de grootste rivier van Europa, die wel een
+huwen met den Oceaan waardig geweest was, beleeft hier het droevig
+lot, door het nauw en afgelegen bassin van de Zwarte Zee verslonden
+te worden. Daar hij dwars over de noordelijke basis van het groote
+Grieksche schiereiland heen loopt, zoo hebben de beschaafde rijken,
+die, zich over dit schiereiland verbreidende, aan den Propontis en
+aan de Aegeïsche zee hunne wortels hadden, hem niet zoo zeer als
+een levensader, maar veeleer als hun grens-kanaal of als eene gracht
+beschouwd, waar langs zij hunne militaire grenzen en verdedigingswerken
+oprichtten. En zoo hebben zij het land aan gene zijde aan de
+barbaarschheid en aan het Noorden prijs gegeven. De volken van het
+Noorden en het Oosten wederom, beschouwden deze Donau-landschappen
+steeds als het einde van hun gebied, waarheen zij nog op hun gemak
+konden rijden, terwijl het Zuiden er zich aan vasthield, als aan het
+uiterste, dat het nog vermocht te verdedigen. Ten gevolge hiervan
+was aan den Donau nagenoeg nooit een invloedrijk centraalpunt van het
+volken-leven. Nooit ontwikkelde zich hier, zooals aan de Delta van den
+Nijl, aan den Rijn en andere groote rivieren, eene wijze, machtige en
+gebiedende natie. Men vindt hier, zoo lang de geschiedenis aanwijst,
+nooit iets anders dan een betwist grensland, dat altijd een, steeds
+van heerscher verwisselende, speelbal der machtige naburen geweest is,
+en dat veel overeenkomst heeft met een zeeboezem, waarin het schuim der
+volken--de uiterste toppen der baren,--tegen aan klotst en gaten slaat.
+
+Het is hoogst waarschijnlijk, dat deze volken-branding, deze in de
+landen van den beneden-Donau ingewortelde, en van oudsher bestaande
+tweeslachtige en gemengde toestand, zoo als wij dien in den loop
+der eeuwen kunnen volgen, reeds dagteekent van ver vóór den tijd,
+waarvan wij de geschiedenis uit geloofwaardige bronnen kennen. De oude
+geschriften der Grieken, die deze landen het eerst genoemd hebben,
+rekenen de bewoners er van tot de zoogenaamde Thracische stammen,
+waaronder allengs de "Geten" en de "Daken" of Daciërs als bijzondere,
+onze Donau-Vorstendommen en het Zevenburgsche Alpenland bewonende
+natiën te voorschijn treden. De laatste naam van Daciërs behield
+ten laatste bij de Romeinen de overhand, en bleef voor langen tijd
+de volksnaam.
+
+De Walachysche taal heeft nog heden ten dagen vele woorden en
+wortelen, die wij noch uit de Turksche, noch uit de Slawische, noch
+uit de Latijnsche, noch uit eenige andere nu naburige en bekende taal,
+waaruit zij elementen ontvangen heeft, kunnen afleiden, en die daarom
+vermoedelijk aan die, door de Romeinen en Grieken als oorspronkelijke
+bewoners genoemde Tracische "Geten" en "Daciërs" toebehooren. Even
+als in de taal heeft het volk ook nog in zijn ras, in zijne zeden en
+in zijne geheele wijze van zijn, veel oorspronkelijk "Dacisch." Hij,
+die in de gelegenheid geweest is, een grooten en plompen Walachyschen
+herder, met zijne in geitenvel gehulde voeten, zijne door een lederen
+gordel vastgehouden broek, met zijn schaapsvel op het hoofd, met zijne
+lang niet leelijke maar wilde gelaatstrekken onder den kolpak te zien,
+en die deze figuur vergeleken heeft met die Dacische krijgsgevangenen,
+zooals zij in Rome op de, aan de zuil van Trajanus aangebrachte,
+beeldhouwwerken te zien zijn, zal onze gevolgtrekking billijken. De
+figuren, die de oude Romeinsche beeldhouwers daar voor 2000 jaren
+in steen uitbeitelden, gelijken op de personen, die wij heden ten
+dage aan den beneden-Donau, in het gebergte van het oude Dacië zien
+ronddwalen, als een goed portret op het origineel. Ook van den bij de
+Romeinsche blijspelen ingevoerden knecht, die altijd onder den naam
+"Davus" den kwâjongensachtigen en barbaarschen dwaas speelt, heeft
+men gemeend eene teekening naar de uit Dacië ingevoerde slaven te
+zien. Aanduidingen van dit soort, zeg ik, versterken het vermoeden,
+dat wij in de tegenwoordige Walachyers, voor een groot deel, de oude
+Daciërs voor ons zien.
+
+Ten tijde van den grootsten bloei van het Romeinsche Keizerrijk, werden
+de Daciërs beheerscht door een Koning "Decebalus" genaamd, die in het
+oude beroemde en nu nog in eenige ruïnen bestaande "Sarmizegethusa",
+in een der Alpendalen van Zevenburgen resideerde, en van daar uit
+het omliggende land beheerschte. De Romeinen onder Keizer Trajanus
+overwonnen dezen vorst na hardnekkigen strijd, bouwden eene steenen
+brug over den Donau, stuurden troepen en kolonisten het land in,
+legden wegen en bergwerken aan en veranderden het geheele Dacische
+rijk in eene Romeinsche provincie. De onderworpene barbaren leerden
+de Romeinsche taal, die zij echter waarschijnlijk van den beginne af,
+met Dacische en andere elementen vermengd hebben.
+
+Ofschoon Keizer Adrianus de vaste brug over den Donau weder af liet
+breken, en vervolgens ook onder Keizer Aurelianus de altijd onrustige
+provincie weldra geheel opgegeven werd, en ofschoon de Romeinen daar
+hoogstens honderd en vijftig jaren heerschten, zoo hebben zij toch den
+inboorlingen in dezen korten tijd den stempel hunner Italiaansche taal
+zoo diep ingedrukt, dat hunne nakomelingen die aangeleerde taal nog
+niet vergeten hebben en nog heden ten dage hun land "_Zara Rumaneski_"
+(land der Romeinen) noemen.
+
+Het is opmerkelijk, dat de grenzen van het gebied waarover heden ten
+dage deze taal en natie verspreid is, bijna nauwkeurig overeenkomen
+met de grenzen van het Romeinsche Dacië. Deze provincie grensde ten
+oosten aan den Dniester, ten westen aan den Theiss, ten zuiden aan
+den Donau en ten noorden tot even verder dan Zevenburgen, met andere
+woorden overal juist zoover als nog heden ten dage de "Romaenen"
+als oorspronkelijke bewoners het land bewonen.
+
+Er is moeielijk een tweede, even sterk bewijs te geven, voor de energie
+van den korporaal-stok en den schoolmeesterstaf der Romeinen. Tallooze
+eeuwen bewonen de barbaarsche "Daken" alleen en ongestoord, op
+hunne eigene manier, hun Noordsch land. Zij leeren niets van de
+Macedoniërs, niets van de Grieken, die nu eens als vrienden, dan eens
+als vijanden hun land bezoeken. Vervolgens, echter komen de Romeinen,
+die onweerstaanbare landenbedwingers en volkenverwoesters, en deze
+worden voor de korte tijdruimte van 150 jaren hunne leermeesters
+en heeren, en ofschoon de Daciërs later weder gedurende bijna twee
+duizend jaren, als eene aan de oevers der zee groeiende struik, door
+de menigvuldigste volken-brandingen en stormen heen- en weergezweept
+werden, zoo hebben zij het van de Romeinen ontvangene toch in zulk
+eene groote mate bewaard, dat een reiziger bij hen, om zoo te zeggen
+bij iederen voetstap, het Romeinsche element ontwaart. Hoeveel
+bruggen ook sedert Miltiades en den Persischen Koning Darius over
+den Donau geslagen zijn, zoo is toch de Romeinsche, door Trajanus
+gebouwde brug de eenige, die nu nog (ten minste in eenige door
+Adrianus niet verwoeste overblijfselen) overgebleven is. Ook vindt
+men heden ten dage voor in het land nog eenige duidelijke sporen van
+Romeinsche wegen. Ofschoon de Romeinen in hunne bergwerken ieder blok
+met hamer en breekijzer moesten losbreken; zoo zijn toch de door hen
+uitgebrokene, nu verlatene mijngangen en schachten, veel talrijker in
+Dacië, dan die welke men later, na de uitvinding van het buskruit,
+door springen veel gemakkelijker kon verkrijgen. Alle eenigzins
+aanzienlijke interessante ruïnen van het land stammen van de Romeinen
+af, en de munten, mozaïken en andere kunstwerken, die men daar bij
+massa's uit den grond opdelft, dragen de beeltenis en den stempel
+van Romeinsche Keizers. Het volk zelf versmaadt alle andere namen,
+waaronder het bij de overige wereld bekend staat, onderhoudt met
+groote voorliefde alleen zijne Romeinsche tradities en herinneringen,
+en houdt geene nationale benaming voor eervoller dan die der Romeinen,
+"Rumanye" of "Romaenen" die het nu nog op zich toepast.
+
+Wie de geschriften der geestige Gravin Dora d'Istria, eene dochter
+van den Walachyschen Vorst Ghika kent, die zal zich herinneren,
+met welke levendige vaderlandsliefde deze geleerde dame, steeds
+zoowel van Walachyë, als ook van Italië, als ware dit laatste het
+land harer vaderen, spreekt, en hoe warm zij sympathiseert met het
+streven naar vrijheid van de Italianen, die zij de broeders der
+Walachyers noemt. In de, in het jaar 1849 aan den Donau uitgebrokene
+nationaliteits-oorlogen, gaven zelfs deze Walachyers aan het verwonderd
+West-Europa het vreemde schouwspel te zien, dat zij onder aanvoering
+van "Centurionen" en "Decurionen" te velde rukten, en in hunne vanen
+en wapens de klassieke letters S.P.Q.R. (_Senatus Populusque Romanus_)
+plaatsten. Ook in de voortbrengselen hunner nationale poëzie wijzen
+deze Romaenen ook heden ten dage dikwijls naar Rome terug, als ware
+dit Rome hun eigenlijk stamland, hun vaderland, welks verlies hen
+met weemoed vervult.
+
+
+Waar is dat Roma? eertijds door verdediging harer zonen geducht!
+ En dat thans niets dan sombere klachten doet hooren!
+Onder vreemde heerschappij én macht én druk wordt nu weemoedig gezucht!
+ Het vaderland, allen zoo dierbaar, is verloren.--
+ Beweent ons toch, die als vreemdlingen in vreemde rijken wonen,
+ Gij, gebeenten en gij, graven van Romeinen, zoo eerwaard!
+ Beweent ons toch, gij waardige spruiten, gij dochters en zonen
+ Uit den doorluchtigen stam van dien Romulus, zoo vermaard!
+ Verhef ten hemel uw rechtmatig droefgeestig geklag,
+ Want de Romeinsche Roem voor eeuwig verdween!
+ Gij heuvels en gij bergen! klaagt toch ook uw wee en ach
+ En ook gij beken en bronnen in het dal hier benêen;
+ En gij kleine vogel, zoo vrij van alle banden,
+ Klaag ook in uw zingen toch steeds met ons!
+ O! lief Italië! gij schoonste aller landen!
+ Wat heeft de vijand u verwijderd van ons.
+
+
+Deze verzen en ontboezemingen vond ik eens in eene elegie, die mij een
+der patriotische afstammelingen der Romeinsche kolonisten in Dacië,
+in den omtrek der ruïnen van de oude Koninklijke residentie van
+Decebalus, "Sarmizegethusa" presenteerde. Men ziet daar uit, dat een
+Romeinsch nationaal-gevoel, een heimwee naar Rome, zich in de geheele
+geschiedenis der Walachyers tot op onze dagen openbaart. Levendig
+herinnert men zich bij zulke verzen, de elegiën die de Romeinsche
+Ovidius, 1800 jaren geleden in ditzelfde land, waar hij in ballingschap
+leefde, dichtte. Is het niet alsof de klaagliederen van den ouden
+Naso, in die landstreken onder de Romeinsche kolonisten, van hand
+tot hand, van mond tot mond, waren gegaan en zich tot op onzen tijd,
+als eeuwenoude nationale treurzangen, steeds op nieuw het burgerrecht
+hebben weten te verwerven?
+
+En nu de taal, waarin die liederen gezongen worden, en die door het
+geheele volk gesproken wordt, al is zij ook al niet geheel meer die
+van Ovidius, zoo blinken u toch overal uit de massa der taal, òf
+zuiver Romeinsche, òf een weinig veranderde Romeinsche uitdrukkingen
+tegen, even als het kwartskristal uit de graniet-massa. Niet zonder
+verbazing kan zich de reiziger naast een dezer barbaren aan den oever
+van Dniester of Pruth nederzetten, en hooren hoe onder het gesprek,
+dat hij met hem over zijne nomadische aangelegenheden aanknoopt,
+hem het eene Latijnsche woord voor, het andere na, als behoorde het
+in de landstaal te huis, over zijne ruwe lippen komt. Hij zelf, uw
+Walachysche reismakker, waarmede gij u in een gesprek verdiept hebt,
+geeft zich voor eenen "_pescator_" (visscher) uit, en hij spreekt
+u met "_Domne_" (_Domine_, heer) aan, hij wenscht u een "_bundi_"
+(goeden dag) of "_bun avenit_" (van _advenire_) toe; welke zonderlinge
+verwelkomingen, van den Tiber tot aan den Dniester, gedurende zoovele
+eeuwen weergalmen. Vraagt gij hem "_Que es_" (tot welk volk behoort
+gij?) dan antwoordt u deze ruige, met schaapsvellen bekleedde Nomade:
+"_Eo sum Romanie_" (ik ben een Romein). Het gras waarop gij zit, noemt
+hij "_frunse värdje_" (_frons viridis_, het groene kruid). Vraagt
+gij hem naar de Walachysche benamingen van het om u grazende vee,
+dan krijgt gij weder Latijnsche woorden te hooren. Het zijn allemaal
+"_capras_" (geiten), "_vaccas_" (koeien), "_boos_" (ossen) en de
+hond die ze bewaakt "_kine_" (_canis, chien_). Hoe mogen het toch de
+Romeinen wel aangelegd hebben, dat zij de overoude bergbewoners geleerd
+hebben, zaken waaraan zij zoo lang gewoon waren, niet in het Dacisch
+maar in het Latijn uit te drukken? Gaat hij zijne beesten tellen,
+dan is het: "_uno, duo, tri_." Het tellen zelf noemt hij evenals
+de Romeinen "_numerare_." De wilde pereboomen, die met vruchten
+beladen aan den groen getooiden oever van den Pruth voor u staan,
+noemt hij "_pieras formassas_" (_pirus formosa_), en de zwarte pruimen
+daarnaast "_prungus negros_" (_pruna nigra_) en de noten, "_nukus_"
+(_nuces_). Zoo pratende weg spreekt hij ook veel over zijn "_Imperatu
+nostru_" (_Imperator noster_); en gij weet bijna niet of hij op den
+ouden Keizer Trajanus in Rome, of op den Czar Nikolaas in Petersburg
+doelen wil. Is eindelijk uw gesprek afgeloopen en ook het steppenvuur,
+dat naast u flikkerde, uit, dan roept het barbaren-kind, even als
+vroeger de Romeinsche Centurio des avonds in zijne legerplaats:
+"_extinso fusco_" (ons vuur is uitgedoofd), en gaat hij met u over
+den "_podu de leno_" (_pons ligneus_), die over het water ligt,
+naar zijne niet ver verwijderde "_casa_" (hut).
+
+Deze voorbeelden, die wij aanzienlijk zouden kunnen vermeerderen,
+mogen voldoende zijn, en ik mag volstaan met de algemeene opmerking,
+dat zij, die getracht hebben de elementen der Walachysche taal te
+ontleden, tot het resultaat gekomen zijn, dat meer dan de helft dier
+elementen van Romeinschen oorsprong zijn; zeer merkwaardig is het
+dat de Walachysche uitspraak van het Latijn in hooge mate gelijkt
+op die der hedendaagsche Italianen. Zoo b.v., om slechts een enkel
+voorbeeld aan te roeren, spreken de Walachyers even als de Italianen
+"_Tschitschero_" niet _Sisero_ (_Cicero_), even eens "_dscheme_"
+niet "_gemit_" (hij zucht), _dschoku_ (Italiaansch _gioco_, zoet);
+_noi_, wij; _voi_, gij; _uovo_ (_ovum_, ei). Het "_gli_" der Italianen
+hebben de Walachyers volmaakt op dezelfde wijze, b.v. _tagliari_ in
+het Walachysch en het Italiaansch voor "snijden." Men heeft getracht
+dit van latere verbindingen der Walachyers met de tegenwoordige
+Italianen af te leiden. Maar veel natuurlijker schijnt het aan
+te nemen, dat de naar den Donau verplante Romeinsche burgers en
+landbouwers-soldaten, in hunne _lingua rustica_, reeds toen ter tijd
+veel zoo uitspraken, als nu onze tegenwoordige Italianen doen, en dit
+uit Italië mede naar den Donau overbrachten. Nadat de Romeinen Dacië
+verlaten hadden, kwam het (waarschijnlijk niet zonder veel strijd)
+onder de heerschappij van Germaansche volken, van de "Gothen" en de
+"Gepiden." Aanzienlijke gedeelten van het Dacische land en volk, de
+Walachysche Bukowina, Zevenburgen, de oostelijke, geheel Walachysche,
+helft van Hongarije, staan ook nu nog onder de heerschappij der
+Germanen (de Oostenrijkers). Ook is reeds sedert de 12de eeuw,
+het geheele binnenste, bergachtige gedeelte van Dacië, met kleine
+landschappen van Duitsche kolonisten doorsneden, en ook Moldavië en
+Walachye hebben niet weinige Duitsche landverhuizers opgenomen. Heden
+ten dage, heeft Romaenië zelfs een Vorst van Duitschen stam.
+
+Er valt nauwelijks aan te twijfelen, of zulke tijdperken van Duitsche
+heerschappij en Duitsche inmenging, moeten niet zonder invloed op de
+ontwikkeling der Walachysche nationaliteit gebleven zijn. De taal bevat
+nog eenige elementen uit den Gothischen tijd, en ook later zal het
+Zevenburgsche Walachye velerlei geleerd en aangenomen hebben, van zijne
+Duitsche naburen, zijn Duitsche rentmeesters of Duitsche rechters.
+
+De volken evenwel, die zich van de zijde der Slawen, weldra nadat
+de Gothen west- en zuidwaarts vertrokken waren, in het Dakenland
+vestigden, hebben steeds veel invloed van blijvenden aard op de
+geschiedenis der Walachysche nationaliteit gehad. Met de Slawen, die
+van oudsher meer met hen verwant waren en hun sympathie inboezemden,
+hebben de geromaniseerde Daken zich veel meer verbonden. De Slawen,
+die evenals de Germanen, door den inval van Attila en zijne Hunnen,
+in oproer gebracht waren, rukten tegen het einde der 5de eeuw naar
+den beneden-Donau en overstroomden ook het oude Dacië, waarin
+zij zich, nevens de door hen ten onder gebrachte inboorlingen,
+vestigden. Velen van hen bleven daar zelfs nog, toen in de volgende
+eeuwen de opperheerschappij over het land, van de Finsch-Tartaarsche
+Nomaden-volken overging op de Bulgaren, Magyaren, Petschenegen
+en Kumanen, die achter elkander Dacië geheel of gedeeltelijk, voor
+korteren of langeren tijd, bemachtigden. Juist onder de onderdrukking
+dezer vreemde overheerschers, kwam eerst de innige vermenging van
+het Slawisch en Dako-Romanisch element tot stand. Dit laatste behield
+echter de overhand, vermoedelijk daar de binnengedrongene Slawen de
+minderheid vormden tegen de oorspronkelijke inboorlingen.
+
+Dat echter de vermenging, met de Slawen van grooten invloed en van
+blijvenden aard was, wordt heden ten dage in Moldavië en Walachye
+door velerlei zaken bewezen. Men ontmoet daar bij iedere schrede,
+even goed het Slawisch element als het Romeinsche, zoowel in zeden,
+als in taal en andere uiterlijke gesteldheden van het volk. In zijne
+geheele lichamelijke gesteldheid, zijne physionomie, zijne wijze
+van zijn en doen, heeft de Walachyer meermalen veel overeenkomst met
+zijne Slawische naburen in Bulgarije en Zuid-Rusland. Zijne woningen
+zijn juist zoo ingericht als die der Ruthenen en Kozakken. Zijn
+bijenteelt, zijn landbouw en huishouding is meermalen op dezelfde
+leest geschoeid als die van zijn buurman. Veel daarvan mag misschien
+al niet rechtstreeks van de Slawen overgenomen zijn, maar zijn ontstaan
+te danken hebben aan de overeenkomst van klimaat.
+
+Ook in de taal der Walachyers vinden wij duidelijke sporen van een
+het volk diep ingeprent Slawisme. Van de helft van den Walachyschen
+woordenschat, die niet uit Italië kan afgeleid worden, is, volgens
+het beweren van den Slawischen geleerde Schaffarik, de helft
+Slawisch. Ja! zelfs verscheidene eigenaardige grondtoonen, vokalen,
+consonanten en samengestelde klanken van het Slawisch alphabet, zijn
+in het Walachysche overgegaan. Wij kunnen echter niet verklaren,
+of dit niet ook ten deele berust op eene oorspronkelijke, van vóór
+de geschiedenis dateerende, verwantschap van het Slawische met het
+Walachysche of Thracische ras. Ook moet hierbij opgemerkt worden,
+dat de uit het Slawische ontleende woordenschat, in het Walachysch
+ongeassimileerd bleef, zonder invloed op vorm en bouw van het
+Walachysch, en dat deze taal daarom in hoofdzaak eene Romanische,
+eene zuster van het Italiaansch _gebleven_ en niet eene Slawische
+_geworden_ is, zooals sommige wel meenden.
+
+Herhaalde malen verviel de gezamenlijke Walachysche natie, of ten
+minste een aanzienlijk gedeelte er van, met Slawische stammen tegelijk,
+aan hetzelfde rijk of tot dezelfde dienstbaarheid. Zoo b.v. kwam het in
+de 8ste en 9de eeuw onder het groote Walacho-Bulgarenrijk, waarin de
+Slawen het grootste gedeelte der onderdanen uitmaakten. En vervolgens
+werden dikwijls door Tartaarsche gebieders, Slawen naar het land der
+Walachyers, en omgekeerd Walachyers naar de oorden door de Slawen
+bewoond, overgebracht. Ook later nog kwamen de Walachyers meermalen
+onder Slawische heerschappij. Galicische (Ruthenische) Vorsten
+heerschten in de 12de eeuw over een groot gedeelte van Bess-Arabië
+en van Moldavië. Ook traden de Walachyers met de Zuidelijke-Slawen
+tot dezelfde christelijke kerk, tot het Grieksche of Oostersche
+patriarchaat toe.
+
+Langen tijd, zelfs tot in de 17de eeuw, was dientengevolge het
+Slawische niet alleen de kerktaal, maar ook de staats- en rechtstaal
+der Walachyers. De wetten, de rechtspleging, contracten werden in het
+Slawisch gesteld, evenals in andere landen in het Latijn. Ook bedienen
+de Walachyers zich nog tot op den huidigen dag, voor het schrijven en
+drukken hunner taal, van het Slawische alphabet. Nagenoeg alle hoogere
+betrekkingen en waardigheden aan het hof, zelfs de latere Walachysche
+Vorsten, kregen en behielden Slawische namen en titels. De geheele
+staats- en kerkelijke inrichting was in zekeren zin op Slawischen
+voet geschoeid.
+
+Ook de Bojaren, de hooge adel der Walachyers, zijn naar het oordeel
+van enkelen, van Slawischen oorsprong, iets wat de Bojaren zelven
+niet willen toegeven; zij beweren zelfs uit echt Romeinsch bloed
+gesproten te zijn. Eveneens is de nationale naam der Walachyers,
+waar onder zij in Europa vrij algemeen bekend zijn, door de Slawen in
+omloop gebracht. De Slawen noemden alle afstammelingen of onderdanen
+der Romeinen "Wlach." Italië zelf noemen zij ook het land der Walachen
+(Walachyers.) "Wlach" beteekent nu nog in het Poolsch een Italiaan. Het
+is hetzelfde woord, dat de Duitschers in den vorm "Wälsche" (vreemd,
+Italiaansch) gebruiken. Door de Slawische en Germaansche benaming der
+Walachyers, wordt dus weder de Italiaansche en Romanische herkomst
+der hedendaagsche bewoners van Dacië erkend, ofschoon zij zelve dien
+naam niet gaarne hooren.
+
+Ook in hunne huiselijke gewoonten en alledaagsche gebruiken, toonen de
+hedendaagsche Romaenen dikwijls eene groote gelijkheid met de Slawen,
+en ofschoon de geleerden niet zoo groote waarde aan zulke dingen
+hechten, als aan het onderzoek naar het alphabet, de deelwoorden, de
+voegwoorden en de samenvoegingen der woorden, zoo moeten deze toch ook
+beschouwd worden als hulpmiddelen om de bestaande volksverwantschappen
+te bewijzen. Enkele voorbeelden daarvan wil ik hier aanhalen: evenals
+in de Slawische landen, zoo verlaat ook in het Dakenland, het landvolk
+naar een oud gebruik, wanneer de boomen bloeien, dansende zijne
+winterkwartieren; de met bloemen getooide meisjes in afzonderlijke
+reien, en in andere reien de knapen, door hunne met zijden doeken
+zwaaiende voordansers aangevoerd. "Zij hebben," zegt Demetrius
+Kantemir, eens zelf een Walachysch Vorst en een der beste kenners
+der gewoonten van zijn volk, "meer dan honderd verschillende wijzen
+en maten en vele zeer élégante dansen, die daarop kunnen uitgevoerd
+worden." Daarmede worden tien dagen tusschen Hemelvaartsdag en de
+Pinksterdagen in voortdurende beweging doorgebracht, en alle vlekken
+en dorpen al dansende doorgetrokken.
+
+Dit is nagenoeg juist zooals bij de Kozakken en Bulgaren; ook de
+manier en de wijze, waarop bij de half-Slawische Letten en Lithauers,
+de verliefde jongeling, aan de ouders zijner geliefde, iemand zendt
+om de hand der dochter te vragen,--en hij, die voor den minnaar
+het aanzoek doet, voorzichtig en met van oudsher gebruikelijke
+plechtigheid, alsof het er om te doen was een Prins met een Prinses
+te verloven, zijn boodschap overbrengt--hoe ontwijkend hij door de
+ouders behandeld wordt, hoe men hem, die naar hij zegt gekomen is,
+om een verloren lammetje, een opgespoorde maar verdwenen ree, een eens
+gezien maar toen weder weggevlogen duifje te zoeken, eerst met opzet
+de andere dochters voorstelt,--hoe deze door hem wel geprezen, maar
+tegelijkertijd gecritiseerd en als ondergeschoven verworpen worden--en
+hoe men dan eindelijk, als de aanzoeker dringender wordt, met het
+echte duifje, dat in een schuilhoek reeds op het fraaist opgetooid
+werd, voor den dag komt--en wat dan nog verder plaats heeft,--dat
+alles komt zoo nauwkeurig overeen met de Walachysche gebruiken bij
+diezelfde gelegenheden, dat zelfs de vergelijkingen en de beelden,
+waarvan de sprekers zich bedienen, bijna geheel dezelfde zijn, als die
+bij de half-Slawische Lithauers en Letten, die toch door uitgebreide
+landstreken van de half-Slawische Walachyers gescheiden zijn.
+
+Even als dergelijke gewoonten, zoo zijn ook verscheidene bijzondere
+wijzen van bijgeloof bij de Walachyers evenzeer ingeworteld, als in de
+geheele Slawische wereld. Zoo--om ook hier onder de vele voorbeelden
+slechts een zeer bijzonder aan te voeren--gelooven de Walachyers,
+dat de zon op den St. Johannes-dag, haren loop niet recht door,
+maar met eene trillende beweging, huppelend en springend begint. De
+Walachysche boeren staan daarom dien dag vroeg op, om de opkomst
+der zon en die "trillende beweging" aan haren lichtenden bol waar te
+nemen. Zij beschouwen het als een goed teeken en als eene reden tot
+vroolijkheid, als het hun gelukken mag, dit te kunnen waarnemen. Ook
+weet ik bij eigene ervaring, dat ook in vele, vroeger Slawische streken
+van Duitschland, de _nu Duitsche_ boeren, juist hetzelfde bijgeloof
+van hunne Slawische voorouders overgenomen hebben, en nog heden ten
+dage, uit verlangen de zon op den St. Johannes-dag te zien "huppelen
+en springen," zich reeds vroeg in den morgen naar de bij hunne dorpen
+gelegene hoogten begeven. Iets dergelijks zou men nog van vele andere
+gebruiken, meeningen en gewoonten der Walachyers kunnen opmerken. Zoo
+hebben zij ook, om nog een voorbeeld aan te roeren, de "Wila", de
+lucht- en wolken-godin der Slawen, in hun bijgeloof opgenomen, die
+daarin evenzeer verbleef, als van de tijden van Keizer Trajanus af
+"de tooveres Tina" of Dina, dat wil zeggen de Romeinsche Diana.
+
+Dergelijke zaken wijzen, naar mijne meening, even duidelijk als
+taalwortels, grammatikale vormen en gebruikelijke uitdrukkingen
+en woorden, eene zeer belangrijke en langdurige vermenging van het
+Slawisch onder de Walachyers aan, want alleen daardoor schijnt het
+zich te laten verklaren, dat iets dergelijks in alle plaatsen en
+huishoudingen van het volk binnendringt, en zich daar als dagelijks
+gebruikt wordende en zeer gewone wijze en vorm van het leven
+vastzetten kon. Men dringt den volken nieuwe wetten, godsdienstige
+ontwikkeling en dikwijls zelfs een nieuwe taal eerder op, dan nieuwe
+_familie_gewoonten, _huiselijke_ gebruiken en _dorps_zeden.
+
+Ook in den nieuwsten tijd weder hebben de Slawen (Russen) een
+aanzienlijken invloed op het Walachysche volk uitgeoefend. Zij hebben
+eene groote, door Walachyers bewoonde, provincie (Bess-Arabië)
+met hun rijk vereenigd, en ook in den loop dezer eeuw herhaalde
+malen jaren lang in andere Romaenische provinciën, namelijk in
+Moldavië en Walachye, als meesters huis gehouden; zij hebben ze door
+hunne ingevoerde hervormingen, tamelijk wel aan zich zelven gelijk
+gemaakt. Vooral de Romaenische Bojaren hebben zich in den nieuweren
+tijd, den Russischen adel meermalen tot model en voorbeeld genomen.
+
+Deze aanhoudende en dikwijls herhaalde inwerkingen der Slawen op de
+Romaenen, die, zooals reeds gezegd is, reeds van 6de eeuw dagteekenen,
+werden echter in deze lange tijdruimte door vele andere vreemdsoortige
+invloeden, die van de Finsche-, Mongoolsche-, en Turksch-Tartaarsche
+volken uitgingen, even als in het vaderland der Slawen zelf gekruist
+en gewijzigd. De nomadische ruiter-volken der Avaren, der Magyaren,
+der Bulgaren, der Petschenegen en Polovzers, vervolgens de Mongolen
+en ten laatste de Turken, overvielen achtereenvolgens, de eerst
+met de Romeinen en vervolgens met de Slawen vermengde Daciërs, en
+namen ze of geheel of ten minste gedeeltelijk in hunne wisselende,
+snel aangroeiende en snel vervallende rijken op. Bij deze bloedige
+veroveringen en wisselingen van heerschappij, werden dikwijls
+groote gedeelten van het land verwoest, geheele gedeelten van het
+volk vernietigd, verdreven en hunne plaats door vreemdelingen
+ingenomen. Wanneer de oude gebieders door nieuwe te voorschijn
+getredene Nomaden uit den zadel werden gelicht, dan verdween wel hun
+naam uit de geschiedenis, maar waarschijnlijk bleven toch hier en daar
+overblijfselen van hunnen stam en van hun bloed in het land achter,
+en deze werden dan, even als de Romaenen zelven, onderdanen der nieuwe
+overheerschers, en voegden zich bij de massa der reeds onderdrukten. In
+elk geval bleef bij de Romaenen, even als bij de Russen, veel van
+den geest, de zeden en de taal dezer Nomaden-volken achter.
+
+In de taal der Walachyers vinden wij nu nog, naast het Oud-Dacische,
+Gothische en Slawische element, verscheidene woorden van Finschen,
+Turkschen of Tartaarschen oorsprong, die ongetwijfeld toe te schrijven
+zijn aan die afwisselende opperheerschappij der Oostersche natiën. Geen
+dezer veroverende volken heeft zedelijke kracht genoeg bezeten, om de
+vroegere bewoners van het land de taal te ontnemen, die zij van hunne
+eerste machtige overwinnaars, de Romeinen, ontvangen hadden. Als
+een gevolg van de heerschappij der Nomaden is ook waarschijnlijk
+onder anderen de omstandigheid aan te merken, dat de Walachijers,
+ofschoon zij het heerlijkste akkerbouwland bewonen, toch veel liever
+herders dan landbouwers zijn; en dat zelfs hun akkerbouw, die geene
+afschutting der landerijen kent,--waarbij slechts opene dorschvloeren
+op het vrije veld, en geene andere dorsch-machines dan de hoeven
+der paarden bekend zijn,--zoo veel Nomadisch bezit. Als bijenhouders
+trekken de Romaenen nomadisch rond, even als de Baschkiren in de velden
+van hun land. De veeteelt beminnen zij hartstochtelijk, en een gezeten
+Walachijsche boer bezit dikwijls meer ossen en paarden, dan hij zelf
+weet of geteld heeft. Vooral als schaapherder schijnt de Walachyer op
+zijne plaats te zijn, wanneer hij, voor de vreedzame woldragers uit,
+met de uit hertenhoorn eigen gemaakte pijp in den mond, langzaam over
+de weiden wandelt. Hij is goed voor zijn vee en gaat met hen om als een
+vader, en deze gedragen zich daardoor ook altijd zeer tam, gewillig en
+gehoorzaam als goede kinderen. St. George, de schutspatroon der kudden,
+is bij hen de grootste en meest gevierde heilige van den kalender.
+
+De Walachysche bergbewoners en veehoeders trekken met hunne kudden
+de wereld diep in. Zij gaan met hunne kudden tot ver in Turkije,
+waar zij op den Balkan dreven en weiden bezitten, waarop zij het
+recht van grazen hebben. Zij hebben ook een groot gedeelte van den
+veehandel aan den Pontus, den Donau op, tot aan Hongarije en Weenen,
+in handen. Men treft ze daar overal als ruwe ossendrijvers bij de
+kudden aan. En dit nomadische herdersleven valt zeer in hunnen smaak,
+en in alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk is _"Wlach"_ en
+_"herder"_ vrij wel identiek. In Rumelië, Macedonië, Thessalië stooten
+deze veedrijvers uit de Donaulanden, ook weer op zeer merkwaardige
+en ver verspreide overblijfselen van hunne eigene nationaliteit, op
+de zoogenaamde "Cutzo-Walachyers", die hunne schapen en geiten zelfs
+tot in den Peleponnesus voor zich uit drijven, en die, zooals sommigen
+gelooven, de nakomelingen zijn van die Dako-Romanen, die de Romeinsche
+keizers, na den inval der Gothen, zuidwaarts van den Donau verplantten.
+
+Van alle bovengenoemde Uralisch-Aziatische nomaden-volken, hielden
+de Magyaren, die zich sedert de 10de eeuw in een gezeten Donau-volk
+veranderden, de Walachyers het langst onder den duim. Zij vereenigden
+een groot gedeelte van het oude Dacië, Zevenburgen, het Banaat en
+het geheele land langs den Theiss, en nu nog beheerschen zij die
+streken onder de opperheerschappij van Oostenrijk. Zij zijn niet
+alleen als gebieders, soldaten, beambten, overheden en leenheeren,
+maar ook op sommige plaatsen als grondeigenaars en landbouwers dit
+land binnengedrongen, zoodat men nu ook midden onder de Walachyers
+geheele landschappen en dalen vindt, waarin de oude Romano-Dacische
+bevolking geheel verloren gegaan en door Magyaarsch bloed vervangen is,
+zooals zulks voornamelijk langs den geheelen Theiss plaats vond. Ook
+de Romanische bevolking zelve is, onder die aan de kroon van Hongarije
+onderworpene Walachyers, veelvuldig gemagyariseerd, vooral de hoogere
+klassen van het volk, de meer ontwikkelden van den adel. Daardoor
+komt het, dat men onder de 1 1/2 millioen Walachijers van Hongarije
+en Zevenburgen bijna geene oude Romanische Bojaren-familiën vindt. De
+grondbezittende edelman is daar in den regel Magyaar, en het volk
+bestaat, in dit gedeelte van zijn oud Dacisch stamland, in hoofdzaak
+nog slechts als een deel van het zoogenaamde _"misera contribuens
+plebs."_ [2]
+
+De laatste groote volksbeweging uit het Oosten stortte zich in het
+begin der 13de eeuw, toen de opvolgers van Dschingis-Chan zich op
+weg begeven hadden, om het Westen der bewoonde wereld te veroveren,
+over de Dako-Romanen uit, nadat Dschingis-Chan zelf reeds het Oosten
+en het Zuiden onderworpen had. De heerschappij der Mongolen in deze
+westelijke streken van Europa, waarin zich nu de hechte Koningrijken
+der Duitschers, Polen en Magyaren gevormd hadden, was echter slechts
+van zeer korten duur. Al ras bepaalde zij zich uitsluitend tot
+Oostelijk Europa, het tegenwoordige Rusland, en daar geene nieuwe
+volksverhuizing na hen volgde, zoo slaagden daarna met zeker goed
+gevolg, de Walachyers in hunne dikwijls beproefde pogingen, om eene
+onafhankelijke nationaliteit te verwerven.
+
+Kort na het terugtrekken der Mongolen, na het midden der 13de eeuw,
+stonden onder de, in de bergdalen van Zevenburgen te zamen vluchtende
+Romaenen, twee volksleiders op, die de hunnen naar de, door de Mongolen
+verwoeste en door de Slawen sporadisch bezette Donau-landen, aan den
+voet der gebergten terugvoerden.
+
+Een dezer, "Dragosch" geheeten, trok, zooals de Walachysche
+kroniekschrijvers zich uitdrukken, "met de jeugdige bloem van het
+Romaensche volk," van uit de Marmarosch aan de bronnen van den
+Theiss, oostwaarts. Het eerste oostwaarts stroomende water, dat hij
+onder zeer avontuurlijke omstandigheden bereikte,--de vaderlandsche
+geschiedschrijvers hebben er eene fraaie mythe van gemaakt--heette
+"Moldava" en daarom gaf Dragosch aan het land dat hij veroverde en
+weder met Romaenen bevolkte, aan den staat dien hij stichtte, den
+naam van "Moldavië."
+
+De andere Romaensche staten-vormer "Radul" of "Rudolf de Zwarte"
+genaamd, die in een gedeelte van Zevenburgen aan de bronnen der Aluta
+gewoond had, welk gedeelte van oudsher "Fogarasch" genoemd werd,
+had op gelijke wijze, reeds eenigen tijd voor Dragosch, de bergen
+verlaten, en was zuidwaarts langs genoemde rivier gegaan, terwijl hij
+de daargelegen landschappen op de Daken heroverde, op nieuw bevolkte,
+bebouwde en tot éénen staat vereenigde, die "Walachye" _par excelence_
+genoemd werd.
+
+Op deze beide merkwaardige staten-vormen van Dragosch en van Radul,
+die tot op onze tijden, ofschoon met eene zeer onvolkomene en steeds
+bevochten zelfstandigheid, en hoogstens slechts als vasallen-staten
+van naburige rijken zijn blijven bestaan, zien de Romaenen met
+bijzonder welgevallen neder, als op de periode der wedergeboorte en
+der hernieuwing hunner nationaliteit, die, zooals zij meenen, eens
+onder Decebalus en Trajanus hare gouden eeuw gehad heeft, vervolgens
+onder de duizendjarige verhuizing in de bergen van Fogarasch en
+Marmarosch gesluimerd, maar in stilte taal en zeden onderhouden heeft,
+en nu onder de beide bovengenoemde volkshelden, op eens als een
+losgebroken bergstroom bruisend en bevruchtend weder over de vlakte
+henenvloot. Verscheidene streken van het oude Dacië, aan den Donau en
+aan den Pontus, werden weder gedaciseerd en het onder de asch glimmende
+Romaensche volkselement, dat natuurlijk ook onder de Tartaren nooit
+geheel uitgestorven was, kwam weder bovendrijven. In de 14de en 15de
+eeuw weerden de Walachijers zich dapper tegen de Polen, Hongaren
+en andere naburen, die zich altijd in hunne zaken mengden. Toen
+hadden zij hunnen Alexander, hunnen Stephanus en andere vorsten,
+die door hunne geschiedschrijvers als nieuw opgestane Decebalussen,
+"de goede" of "de groote" enz. worden bijgenaamd.
+
+Maar ook deze nationale zelfstandigheid duurde niet lang, want reeds in
+het midden der 15de eeuw, trok aan den zuidelijken horizon een nieuw
+onweder, de over Klein-Azië en Constantinopel naderende macht der
+Turken, samen. De Walachyers riepen deze nieuwe Aziatische naburen,
+aanvankelijk zelf in hun land, daar zij hoopten zich van hunnen
+bijstand tegen de Hongaren te kunnen bedienen, en de Turken hunnerzijds
+verschoonden hen zoolang, als de macht der christelijke naburen
+geëerbiedigd moest worden. Toen echter in den noodlottigen slag bij
+Mohacz (in het jaar 1526) een einde aan het rijk der Magyaren gemaakt
+werd, en de halve maan in het oosten en tot onder de muren van Weenen
+wapperde, toen kwamen ook langzamerhand de Walachyers geheel onder de
+macht der Turken. Aanvankelijk werd hun eene geringe schatplichtigheid
+opgelegd, die echter met de jaren steeds grooter werd.
+
+De inheemsche vorsten-waardigheid, die na het verdrijven der oude
+vorstengeslachten van Dragosch en Radul, niet meer erfelijk, maar een
+verkozen ambt was, werd spoedig onder den steeds meer rechtstreekschen
+invloed des Sultans bezet, en ten laatste werden deze Walachysche
+vorsten, even als de Pascha's, met het onderscheidingsteeken "de
+drie paardenstaarten" vereerd, en ook even als de Pascha's naar het
+goedvinden van den Sultan benoemd en afgezet. Aanvankelijk waren de
+Padischa's nog zoo meegaande, dat zij deze hunne vorstelijke vasallen
+uit de oude, in het land geborene Bojaren-geslachten der Walachyers
+kozen. Langzamerhand echter lieten zij ook deze gewoonte varen, en
+begonnen zij vreemde avonturiers uit Epirus en Albanië, wie er maar
+het meeste voor bood, op den troon te plaatsen, en sedert het begin
+der 18de eeuw werd het een blijvend gebruik bij de Turksche keizers,
+de Walachysche en Moldavische vorsten, die hunne grens bewaken,
+en zooals eens Miltiades voor Darius, hunne Donau-opzichters en
+Donau-bruggenbouwers geworden waren, uit de in Constantinopel levende
+Grieksche familiën te nemen, en gewoonlijk tot deze waardigheid
+die Grieken te benoemen, die hen als staatstolken gediend hadden en
+waarover zij tevreden waren. De Sultans waren gewoon in de decreten,
+waarbij zij deze tot vorsten der beneden-Donaulanden benoemde tolken
+bevorderden, in hunne bloemrijke, maar toch zeer veel beteekenende
+oostersche taal over hen te spreken, als over "eene door hunne hand
+aangekweekte plant, eene licht verspreidende en door hen aangestokene
+kaars." Zij bliezen deze kaarsen uit, als het hun goed dacht, zonder
+dat er overigens de minste reden voor bestond, en zoo zag Walachye,
+sedert dit systeem in werking gesteld was, in den loop eener eeuw,
+niet minder dan 40 verschillende Grieken op hunnen vasallen-troon
+verschijnen en weder verdwijnen.
+
+Deze "Grieksche Hospodars" voegden nu, bij alle onder de Romaenen reeds
+bestaande nationaliteiten en talen, ook de Grieksche. Het Grieksch werd
+niet alleen de hoftaal der Hospodars, maar ook de conversatie-taal der
+beschaafde klasse, en de dagelijksche taal van alle, van het hof meer
+of minder afhankelijke Bojaren, die onder de heerschappij der Turken in
+hooge mate vergriekscht of gebyzantiniseerd werden. De Grieksche taal
+schoot zulke diepe wortels, dat zij zelfs nu nog, onder de Walachysche
+edellieden der Oostenrijksche provincie Bukowina, de gewone spreek-
+en schrijftaal is, zooals zulks in Petersburg met het Fransch het
+geval is. Verscheidene Grieksche woorden en elementen zijn daardoor
+ook geheel in de Dako-Romaensche taal en nationaliteit overgegaan.
+
+Eerst sedert het begin dezer eeuw heeft Ruslands ingrijpende overmacht,
+den invloed dier door de Turken zoo groot gemaakte Grieksche familiën,
+gefnuikt. Met behulp van Rusland zijn weder geboren Walachysche
+geslachten op den troon gekomen, en ook hebben de Russen bij de
+voorname kringen van het vorstendom, nevens _hunne gewoonten_, de
+_Fransche taal_ in velerlei opzicht de Grieksche doen vervangen.
+
+De aanhoudende afwisseling van regeering, het onbestendige van het
+tegenwoordige, het onzekere der toekomst, gedurende het geheele
+tijdperk der door de Turken ingevoerde heerschappij der Grieken,
+moest bij de Walachyers iedere duurzame onderneming en nuttige
+hervorming onmogelijk maken. De nu en dan te voorschijn tredende
+kiemen der industrie werden altijd weder verstikt, de handel en
+alle vaderlandslievende bewegingen verlamd en onderdrukt. Het door
+de Grieken voor goeden buit beschouwde, en onder belastingen gebukt
+gaande volk kon, evenmin als de door de Spanjaarden uitgemergelde
+Peruanen, in zijnen staat van lijfeigenschap eenig teeken van leven
+geven, terwijl al zijne naburen in ontwikkeling toenamen.
+
+Wanneer men nu nog daarbij voegt, dat, als men de geschiedenis der
+Walachyers in het algemeen en in het groot beschouwt, het blijkt
+dat iedere afwisseling en iedere onzekerheid sedert overoude tijden,
+bijna altijd het treurig lot geweest is van dit in zulk eene ongunstige
+positie verkeerend volk, dat in zulk een kwaden wind geplaatst was,
+een hoek, die tegelijk de plaats was, waardoor alle volken Europa
+binnen- en uittrokken, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat
+onder zulke omstandigheden, zich noch eene grootsche en gelukkige,
+noch eene zeer bedrijvige of industrieele natie, vormen kon.
+
+Inderdaad zou men gelooven, wanneer men onder de Walachyers komt,
+hetzij men uit het Westen van de energieke Magyaren, hetzij uit
+het Oosten van de insgelijks minder indolente Kozakken, hetzij uit
+het Zuiden van de moedige en bedaarde Serviërs komt, eene schrede
+bergafwaarts gedaan te hebben.
+
+De wegen, waarlangs de reiswagen, door eenige daaraan met touwen
+vastgebondene wilde paarden wordt voortgetrokken, zijn, al naar
+mate van het jaargetijde, of een diep moeras of eene stoffige
+zandstreek. De huizen der bewoners, of liever hunne stroo- of rieten
+hutten, hunne in de aarde gegraven gaten en gelapte zomer-tenten en
+hunne ellendige winterholen, die men ter nauwernood ziet, daar zij
+zich altijd vreesachtig zijwaarts van den straatweg, in het binnenste
+van het land verschuilen, zijn nog minder bewoonbaar dan die der
+Hongaren en Kozakken, terwijl hunne akkers nog meer verwaarloosd
+zijn. De gedaanten der menschen, door wie men zich omgeven ziet, de
+herders, die hun hoornvee, dat met hen vergeleken er aangenaam, rein,
+sierlijk en men zou kunnen zeggen, beschaafd uitziet, met een ruw
+"hallo" vooruitdrijven;--de plompe landlieden, die met een voorspan
+van 6 ossen langzaam een ellendigen en zeer ouderwetschen ploeg,
+door den van vet glimmenden akkergrond trekken--de postiljons,
+de stalknechten, de logementhouders en hunne handlangers die de
+reizigers bedienen, en die hun stekelig haar met spek ingesmeerd
+hebben,--zij allen zien er zeer wild en somber uit. Zelfs in den
+dorpsschoolmeester en den predikant, is men eerder genegen een Heiduk
+dan een zacht brandend licht der gemeente te zien. Het is onmogelijk,
+dat het er bij de eens door Ovidius beklaagde onderdanen van Decebalus,
+erger uitgezien kan hebben, en men mag het eens zijn met het gezegde
+van den Moldavischen Vorst Kantemir, die zijne boersche landlieden
+"de ellendigste dorpbewoners onder de zon" genoemd heeft.
+
+"Krachtige vastberadene en groote mannen, sterke en edele karakters,
+heeft men bij dit volk zelden aangetroffen, ofschoon een hoofdtrek
+in hun karakter vermetelheid is en zij gaarne twist zoeken. Het hart
+hebben zij niet ver van den mond, en even als zij hunne spoedig gaande
+gemaakte vijandelijkheden spoedig vergeten, zoo zijn zij ook niet lang
+trouw aan gesloten vriendschap. Zij zijn meer sluw dan voorzichtig en
+weten bij hun onvast karakter, van geene matiging hunner gevoelens. Als
+het hun goed gaat, geven zij zich aan overmoed en aan de uitgelatenste
+vroolijkheid over, maar treft hun het ongeluk, dan laten zij ras den
+moed zinken. Niets schijnt hun op het eerste gezicht moeielijk toe,
+maar stooten zij op de eene of andere zwarigheid, dan geraken zij in
+de war en geven hun plan op. Tegen overwonnenen en ondergeschikten
+zijn zij afwisselend goedig en wreed."
+
+"Trouw wordt zelden bij hen aangetroffen, en zal ik het eerlijk
+zeggen," zegt Vorst Kantemir, dien ik hier, als landgenoot en
+bevoegd beoordeelaar der Walachyers, liever dan mij zelven of andere
+berichtgevers volg, "dan vind ik weinig in het karakter en de zeden
+der Walachyers, mijne landslieden, te prijzen dan hunne aangeborene
+gastvrijheid en hunne strenge rechtzinnigheid. Tegen alle nieuwigheden
+zijn zij ten sterkste ingenomen, wat trouwens zeer gemakkelijk te
+begrijpen is, daar al het nieuwe, wat hun van buiten werd aangebracht,
+steeds nieuwe plagen en tyrannie waren."
+
+Alle handwerken, kunsten en wetenschappen worden bij hen beoefend door
+vreemden, die zich bij hen met der woon gevestigd hebben: Duitschers,
+Russen, Franschen, Armeniërs en Joden. Zij zelven zijn niet alleen
+geene liefhebbers en bewonderaars der kunsten en wetenschappen,
+maar "bijna allen" zooals meergenoemde Vorst beweert, "verachten
+haar even hard als zij de vreemde 'avonturiers' doen, door wie zij
+beoefend worden." Voor een echten Walachyer is het volgens hunne
+meening voldoende, als hij zijne gehoornde ossen, zijne paarden,
+schapen en bijenkorven, met streepjes en schrappen in den kerfstok,
+die hun rekening-courant-boek voorstelt, kunnen aanteekenen. Al het
+andere schijnt hun overtollig toe.
+
+Het allerminst heeft men van oudsher de Bojaren en in het algemeen
+den adel der Walachyers te roemen. De adel is in verscheidene
+klassen verdeeld, naast de in het land geborene Dako-Romaenen hebben
+vele rijk geworden Grieken, Armeniërs, Joden, Polen, Tartaren, ja
+zelfs Tscherkessen, zich in den lands-adel der Vorstendommen doen
+opnemen. Dientengevolge is die adel bijna nog bonter samengesteld
+dan het gemeene volk zelf. De mishandelingen waaraan deze Bojaren,
+òf als hovelingen der Hospodars òf als dienaren van den Turkschen
+Sultan vroeger even goed blootgesteld waren, als hunne eigene door hen
+weder onderdrukte en geplaagde boeren, hebben ook bij hen het gevoel
+voor de edele genoegens des levens en alle fijnere aandoeningen van
+het hart ondermijnd.
+
+Wel hebben zij in lateren tijd hunne nationale dracht afgelegd, en zijn
+West-Europeesche modes en gewoonten, die grootendeels over Rusland,
+maar gedeeltelijk ook over Oostenrijk en Weenen tot hen kwamen,
+ingevoerd geworden; zulks neemt echter niet weg, dat zij in hunne
+manieren, in hunne neigingen en liefhebberijen, nog in velerlei
+opzicht de _ouden_ gebleven zijn: Fransch of Duitsch sprekende,
+zich Europeesch voordoende Oosterlingen.
+
+Zij hebben een grooten tegenzin tegen alle inspanning van lichaam of
+geest. Iedere beweging, waaraan eenige moeite verbonden is, is hun
+onaangenaam. Men ziet hen haast nimmer te voet. Het paardrijden en
+andere lichaamsoefeningen, zelfs de jacht, die bij zoovele hoogere
+standen van andere volken tot de lievelings-bezigheden behooren,
+worden door hen niet bemind. Zij bewegen zich bijna niet anders dan in
+gemakkelijke rijtuigen. De luxe in kleeding is, zoowel bij de mannen
+als bij de vrouwen, groot, en werkt verderfelijk op hunne huiselijke
+omstandigheden en hun vermogen. Hunne zucht tot verkwisting evenaart
+hunne begeerlijkheid, terwijl zij daarbij nu eens door onbeperkte
+pronkzucht, dan weder door eene angstvallige gierigheid beheerscht
+worden.
+
+Geheel overgegeven aan weelde, zinnelijk genot en aan de
+min-vermoeiende genoegens der gezelligheid, hebben zij weinig gevoel
+voor de prachtige natuur van hun land. Zij willen alleen in de
+residenties der Vorsten leven, waarin van oudsher genade-bewijzen
+en ambten, titels en prebenden verdeeld werden en te verkrijgen
+waren. De heerlijkste oorden van hun vaderland zijn daardoor
+eenzaam en verwaarloosd; de dalen en de fraaiste landschappen,
+waarin ridders en Koningen hunne zetels zouden kunnen opslaan, worden
+dientengevolge alleen bewoond door beeren en arenden en--door arme,
+ruwe herders. Somwijlen komt het in hun hoofd op, hier of daar een
+fraai landhuis te laten bouwen, maar bijna nooit brengen zij het
+dikwijls geuite voornemen om het te gaan bewonen tot werkelijkheid, en
+zoo zijn ze binnen weinig tijds weder tot puinhoopen vervallen. Slechts
+zelden kunnen zij het over zich verkrijgen, eens, welk jaargetijde
+het moge zijn, de stad te verlaten, wier kringen een onweerstaanbare
+aantrekkingskracht op hen uitoefenen. "Groote, oorspronkelijke genieën
+en grootsche gedachten leven even weinig onder hen, als groote deugden
+en de geest van zelfopoffering." Maar wat zij spoedig kunnen leeren,
+dat maken zij zich gaarne en zeer gemakkelijk eigen, daar zij in den
+regel niet van vermogens ontbloot zijn.
+
+Dit zijn minder opwekkende opmerkingen, die echter door nagenoeg allen,
+die de afstammelingen der oude Dako-Romaenen in hun land opzochten,
+gemaakt zijn. Echter mogen wij niet onopgemerkt laten, dat men zich
+bij algemeene schilderingen van een volk, wachten moet de pen te
+zeer in zwarte kleuren te dompelen, daar men overal te veel aantreft
+wat te gispen of te beklagen gevonden kan worden. Hij, die beproeft
+met weinige zwakke en algemeene penseelstreken, de trekken van een
+volk of van eene maatschappij te schetsen, mag niet vergeten welk een
+groot en veelzijdig wezen een volk is, dat met verscheidene millioenen
+zielen over eene groote vlakte-uitgebreidheid verdeeld is. Er bestaan
+zooveel schakeeringen in de toestanden, die men niet dan door eene
+nauwkeurige beschrijving der bijzonderheden in het oog kan doen
+springen; bij eene dergelijke beschrijving toonen geheele gemeenten,
+ja geheele stammen, eene physionomie, belangrijk afwijkende van die,
+welke men als algemeen aangegeven heeft--vele uitzonderingen op den
+regel--enkele edele individuën, die zich verre boven de algemeene
+middensoort, welke de etnograaf beschreven heeft, verheffen, en die
+zich deugden, smaak en ontwikkeling, waartoe men aan de geheele massa
+aanleg ontzeggen moet, in hooge mate eigen gemaakt hebben.
+
+Zoo hebben dan ook de Walachyërs, trots de geringe achting, die
+zij volgens de getuigenis van hunnen ouden Vorst Kantemir, voor de
+wetenschappen aan den dag leggen, dezen geleerden en waarheidslievenden
+schrijver, een vriend van Peter den Groote, zelven voortgebracht, en
+nevens hem nog verscheidene andere wetenschappelijke celebriteiten,
+onder wie ik ook weder aan de beminnelijke, geestige en geleerde
+Gravin Dora d'Istria herinneren mag, die in onze dagen met zoo'n diep
+gevoel haar zoo deerlijk geteisterd vaderland, en de lichtzijden van
+hare zoo dikwijls berispte landgenooten, geprezen heeft, terwijl
+zij toch tegelijkertijd den invloed der Duitschers billijken tol
+betaalde. Zoo beroemen de Walachyers er zich op, onder vele andere
+gevierde helden, eens den Hongaren hunnen grooten Johan Hunyades
+(wiens moeder ten minste eene Walachysche was) en zijnen zoon Matthias
+Corvinus geschonken te hebben. Verscheidene in de geschiedenis dikwijls
+genoemde Vorsten der Bulgaren waren eveneens van Walachyschen stam,
+en in oude tijden zijn, naar men zegt, zelfs de Romeinsche Keizers
+Aurelianus en Galerius geborene Dako-Romanen geweest, en al deze
+worden door de Walachysche patriotten met niet weinig trots als hunne
+landgenooten beschouwd.
+
+Evenzoo vindt men in het land der Walachyers hier en daar zeer nette
+en deftige woningen, die volstrekt niet gelijken op het algemeen
+beeld, dat wij zooeven geschetst hebben, op de anders vrij algemeene
+stroohutten en in de aarde gegraven holen. In de bergen treft men
+soms dorpen aan, wier bewoners eene bijzondere zorg wijden aan hunne
+oofttuinen, vooral aan de kwetsen-boomen, de lievelings-vruchtsoort
+der Walachyers.
+
+Heeft het harde lot, dat steeds hun land trof, hen loom en traag
+gemaakt, daar zij slechts zelden de vruchten van hun werk konden
+deelachtig worden, zoo hebben de voortdurende oorlogen en rooverijen
+hun ook geleerd, gemakkelijk afstand te kunnen doen van hetgeen zij
+bezitten of minnen. Niemand schikt zich gemakkelijker in het verlies
+dan de Walachyer, met zijn dikwijls herhaalden lakonieken uitroep:
+"zooals God wil." Zonder groote behoeften te kennen, streng en gehard
+opgegroeid, laten zij zich zelden door een ongeluk geheel ter neder
+slaan. Hagelslag, overstrooming, brand en dergelijke beschouwen zij
+eenvoudig als "van God komende," en verspillen er daarom ook geene
+weeklachten aan. Slechts zelden bedelen zij.
+
+Hunne gastvrijheid, die zooals reeds opgemerkt is, hun kritische
+dichter en rechter, de Vorst Kantemir als hunne meest in het oog
+springende deugd prijst, komt bij iedere gelegenheid aan den dag;
+waar maar een paar Walachyers bijeen zitten en niets dan een stuk
+droog maïs-brood eten, waarbij zij als eenige kruiderij, nu en dan een
+vingerlang stukje van een knoflookstengel afbijten, daar is de reiziger
+zeker, door hen vriendelijk uitgenoodigd te worden aan hun maal deel
+te nemen. Bij hunne bruiloften en andere feestelijkheden, waar het
+stout toe gaat, heeft de aan hunne deur kloppende wandelaar altijd
+zijn deel, en bij hunne begrafenissen wordt altijd een aantal armen,
+in het huis van den afgestorvene, gespijzigd en naar vermogen bedeeld.
+
+Over het algemeen weet of denkt iedereen, die slechts eens de
+Lüneburger heide doorreisde, en in deze treurige streek, die over
+het geheel zeer te recht als eene "woestenij" afgeschilderd wordt,
+toch menig vriendelijk, ja bekoorlijk natuurbeeld ontdekte, dat op
+de heide van den Walachyschen volksgeest ook nog veel vriendelijks
+en weldadigs kan aangetroffen worden. Hoe trouw en standvastig
+was, in weerwil van de, zijn volk in het algemeen ten laste gelegde
+"lichtzinnige vergeetachtigheid," b.v. de oude Abram Babecz, dien een
+Duitsch reiziger eens in Walachye ontmoette, en die naar Walachysche
+gewoonte 12 jaren om zijnen vroeg gestorven zoon treurde, d.i. steeds
+blootshoofds ging. En hoevele dergelijke trekken zou men hier nog
+niet bij kunnen voegen.
+
+Hoe welluidend en aangrijpend zijn niet vele der bij de "barbaarsche"
+Walachyers inheemsche zangwijzen, die, even als die der Slawen,
+altijd in den klagenden moltoon gezongen worden. Hoe roerend en
+poëtisch zijn niet dikwijls de onder het volk verbreide liederen en
+gedichten. Gedurende mijne reizen in Walachye heb ik eenige er van
+bij een verzameld, en wat kan aandoenlijker klinken dan de volgende
+verzen, die een geboren Walachyer mij als een volkslied zijner
+natie mededeelde, en onder den titel: "_Impartire a florilor_." (de
+verdeeling der bloemen) voor mij opgeschreven heeft.
+
+
+ _Florilor, o Florilor_
+ _Di livada reserite_!
+
+ o! Bloemen gij bloemen!
+ Ontsproten uit den grond!
+ Ieder moet u roemen
+ En hier en daar in 't rond.
+ Gij dochters der natuur!
+ Getooid met zonnepracht
+
+ Van geel, groen en azuur
+ Van hemelsblauw, zoo zacht.
+ In een krans heb ik keur,
+ Van bloemen fijn geteeld;
+ Wat vorm betreft of kleur
+ Juist ieder meisjes beeld.
+
+ U, o Flora! aanminnig wezen
+ Met uw oogjes, zacht en lieflijk,
+ Met uw mondje, nooit volprezen,
+ Met uw inborst, zoo bekoorlijk
+ Geef ik gaarne een viooltje, stil en klein
+ Als zinnebeeld uwer deugden, veel en rein.
+
+ En voor u, Isaa! dient tot zinnebeeld
+ De schoonste roos, vol vuur en gloed,
+ Daar uw wezen noch uw spreken ooit verheelt
+ De warmte van uw hartebloed.
+
+ Maria! uw hart is zoo rein en zoo goed,
+ Den dauwdrop gelijk, die daar glinstert in 't veld.
+ Gij die aan 't doornloos bloempje ons denken doet,
+ En zonder dat ge 't u ten taak hebt gesteld.
+ De lelie schenk ik u dus tot beeldnis,
+ Die als zij zich 's morgens ontsluit,
+ Der geheele schepping tot vreugde is,
+ Uit wier geur niets dan liefde ontspruit.
+
+
+Dergelijke dichtregels zijn wel in staat ons met het "barbaarsche"
+volk, dat ze dichtte, te verzoenen. En wie de hoogst belangrijke
+Walachysche volksverhalen gelezen heeft, die eenige jaren geleden
+door een Duitscher bijeen verzameld en uitgegeven werden, die zal
+aan de Walachyers eene groote mate van phantasie niet kunnen ontzeggen.
+
+Eindelijk kan ons, bij de ontmoedigende beschouwing van het treurig lot
+en de verwaarloozing van dit volk, ook nog de omstandigheid eenigzins
+opvroolijken, dat in den allernieuwsten tijd, minstens twee deelen van
+dit nog meer dan de Polen verbrokkelde volk, zich weder broederlijk
+verbonden hebben, en dat Moldavië en Walachye althans eene poging tot
+vereeniging en nationale versterking gedaan hebben. Dit is sedert de
+tijden van Decebalus de eerste maal, dat zooveel Daciërs weder even
+als nu, onder een door hen zelven gekozen Vorst staan. Of dit een begin
+is tot zulk eene herstelling van het oude Daken-rijk in zijn geheelen
+omvang, als waarvan de Romaensche patriotten, die in hunne verbeelding
+"de ongebaande steppen en wouden van Walachye met gouden korenvelden,
+met straat- en spoorwegen doorsneden, met fabrieken bezaaid en met
+10 millioen ontwikkelde Romaenen bevolkt zien," droomen, dat zal de
+toekomst moeten leeren.
+
+Eene zekere hoop, dat deze droom eens verwezenlijkt zal worden, kan
+men echter bezwaarlijk uit de treurige geschiedenis van het verledene
+van het land en volk putten. Verscheidene nationaliteiten schijnen,
+zoowel door hunnen natuurlijken aanleg, als door de plaats die het
+oord dat zij bewonen in de wereld inneemt, veroordeeld te zijn,
+voortdurend eene ondergeschikte en onzekere rol te spelen. Ook kan
+men ter nauwernood zonder schrik aan de bloedige wegen en vreeselijke
+schokken denken, met wier hulp alleen het zou kunnen gelukken, alle
+Walachysche stamgenooten, op wier ruggen in Rusland, in Gallicië,
+Hongarije, Zevenburgen, andere volken en staten zich opgebouwd hebben,
+te vereenigingen en ze te ontdoen van alle vreemde bestanddeelen.
+
+
+
+
+
+
+DE MAGYAREN.
+
+
+In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van
+den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks
+groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met
+elkander hebben.--Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije),
+allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle
+zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men
+in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt,
+die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier
+wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn.
+
+Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste,
+en ook in historischen zin was het het belangrijkste.
+
+In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk
+slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het
+door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen,
+waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door
+welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een
+groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten,
+waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten,
+is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde "ijzeren
+poort," bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange
+galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant.
+
+Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich,
+tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des
+lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen
+komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken
+van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa.
+
+In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van
+de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een
+bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks
+doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de
+Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit
+de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in
+een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder
+en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De
+talrijke vertakkingen der Karpathen vormen in Noordelijk Hongarije
+eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er
+rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren,
+ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke
+bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene
+dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde "gouden land van Hongarije,"
+het groote eiland Schutt in de armen van den Donau.
+
+De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen
+wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en
+bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land,
+dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd
+geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye
+een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van
+50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen
+van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar
+zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch
+geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit.
+
+De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land,
+dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen
+aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken
+gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener
+binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der
+Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal
+waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt,
+meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen,
+dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische
+steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim,
+overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen
+zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout-
+en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met
+onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar
+en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den
+Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en
+vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel
+een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-,
+boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher "Püsten"
+(Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de
+gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije--bouwlanden zoowel als
+woestijnen--aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt
+men ook in deze Hongaarsche "püsten" talrijke zout- en natron-meren
+als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat
+dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der
+Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In
+den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend
+als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen
+wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In
+den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land
+heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten
+beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke
+zusterlanden Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden
+buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten _zeer_
+harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van
+Rusland en Tartarye, bij duizenden om.
+
+Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in
+deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men
+aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou,
+hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te
+zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de
+ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze
+een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze
+steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het
+wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op
+het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa,
+door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere
+geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben
+aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen
+ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde
+prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land
+van belofte beschouwd worden.
+
+De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste
+tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben
+van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij
+beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land
+een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een
+ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En
+zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest.
+
+Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den
+Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de
+Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich
+over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten
+van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze
+Jazijgen als "een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen
+en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken
+legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende,
+naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen
+en weer trokken." Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid
+zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden
+zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig
+gemaakt.
+
+Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de
+aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land
+bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen _na_ de Jazijgen in
+het land, en wie weet hoe dikwijls reeds _voor_ hen, gelijksoortige
+stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren.
+
+Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische
+nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons
+bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er
+aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn
+van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals
+waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij dus hier reeds in de
+oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije
+voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene
+Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende,
+in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten.
+
+Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door
+een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken
+werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van
+Hongarije, in het district "Jazijgië" aan den Theiss, vereeuwigd
+is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun
+aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der
+Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss
+op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande
+onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote
+staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan
+het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed
+van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije
+uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder
+bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht
+ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden
+de aanvoerders.
+
+Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde
+Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in
+de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam
+"Hunnenland" of "Hungarn" (Ungarn--Hongarije) bij de westelijke
+Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de
+ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten
+gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche
+wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der
+revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar
+Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij,
+de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen,
+ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den
+Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en
+uit het Oosten en de schatting van vele volkeren.
+
+Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in
+inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand
+hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam
+de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden,
+Gothen en Longobarden.--Maar ook deze hielden niet lang Hongarije
+onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken
+uit het Oosten en het Westen binnenstormen.
+
+Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het
+voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te
+herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der
+horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar
+uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende,
+het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen
+aan der zoogenaamde _Avaren-ringen_, groote ronde verschansingen,
+waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten.
+
+Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in
+drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den
+Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar
+Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling,
+tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw,
+langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab
+hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn "_Avaren-mark_",
+Avarengrens, ook wel de "_Oostelijke-mark_" later "_Oostenrijk_"
+genoemd, tegen hen oprichtte.
+
+Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de _Bulgaren_, van
+den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug
+hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën
+wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije,
+en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau
+bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den
+beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in
+Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne
+noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij
+onderdoen voor de Magyaren.
+
+Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als
+hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen,
+hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet,
+en waren zij strijdende, slagen _winnende_ en _verliezende_, nu eens
+overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor
+hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden
+grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne
+voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde
+bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten
+overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers,
+in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar,
+midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste
+legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op,
+en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze
+kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds
+daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken
+plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden,
+Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts
+langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende
+eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming
+op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de
+wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna
+geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk
+gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland,
+het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene
+groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste
+tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op
+weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten
+deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen
+uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren.
+
+Het geheele _zuiden_ van Rusland is eene met gras bedekte vlakte,
+die den Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende
+uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van
+_midden_ Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar
+het noorden, terwijl _zuidwaarts_ de Zwarte Zee hun in den weg lag.
+
+Zij trokken dus het liefst _westwaarts_. In deze richting stieten zij
+op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk
+te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den
+Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en
+gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek
+verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den
+Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer
+natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan
+de reeds bovengenoemde "IJzeren Poort" in het zuiden, waardoor de
+Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis-
+en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije.
+
+De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is,
+niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls
+als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet
+der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken
+aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen
+konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn,
+en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers,
+of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en
+verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars
+en gebieders optreden.
+
+Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als
+hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land
+aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid
+van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten,
+weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der
+wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de
+kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere
+zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren
+en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede
+koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar
+niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel
+was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage
+is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge
+dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: "maar dat is
+verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar _stikken_."
+
+Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland
+binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar
+vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op
+elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde
+en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij
+allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau,
+en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar
+alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den
+vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang schoot
+bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in
+nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke
+groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De
+horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd
+weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield
+was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den
+roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn.
+
+De Magyaren _waren de eersten_ en _bleven de eenigen_, die het talent
+of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen
+der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof
+vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en
+hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche
+volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen,
+stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen
+uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even
+als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne
+rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren,
+gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door
+eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij
+veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche
+beschaving en het Christendom--en wel het Westersche en niet zooals
+de Russen, het Oostersche Christendom--aannamen, als Europeanen in
+Europa te _blijven_, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden
+maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan,
+riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van
+dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de
+Duitschers en Slawen den landbouw.
+
+Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren,
+nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de
+eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd
+waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers,
+beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van
+Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan
+dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar
+de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een
+even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en
+Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook
+dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen,
+en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede
+zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden
+in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden,
+ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over
+de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen,
+en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat,
+deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen,
+even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden.
+
+Van _Duitschland_ uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik
+den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende,
+door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een
+langzaam kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche
+volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden,
+met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder
+naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche
+Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen
+beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder
+vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen.
+
+Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land
+binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij
+vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat
+zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië,
+in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan
+deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen
+getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen,
+stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van
+zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en
+beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische
+Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee
+omvatte.
+
+Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder
+hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden
+uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo
+groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst
+van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer
+zij spreekwoordelijk zeggen: "Koning Mathias en de gerechtigheid zijn
+dood," bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en
+aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht
+bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke
+afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche
+volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht
+bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid
+in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de
+Donau-grenzen.
+
+Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige
+voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden
+onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige
+gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna
+(1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij
+Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras
+verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid
+der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de
+_Hongaren_ zelf in een poel van machteloosheid en verwildering.
+
+De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke
+Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische
+nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen
+gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare
+wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren,
+bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden
+moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de
+Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden
+de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve
+maan, en schreven daaronder: "Voor Allah en het vaderland." Dat het
+hun niet _geheel_ zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat
+bij slot van rekening, zij ook uit _dit_ gevaar de hoofdtrekken
+hunner nationale-eigendommelijkheid redden, "dat zij" zooals een
+hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte "langzamerhand weder een
+behoorlijk christen-gelaat toonen konden," hebben zij grootendeels
+te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van
+een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche
+Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van
+gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot
+nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven.
+
+Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit
+eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere
+volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft
+men tot den huidigen dag veel gestreden.
+
+De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande
+de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land "Ugrien," het oude
+stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz,
+die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot
+hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van
+de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef
+een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in
+wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het
+oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste
+verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren,
+wier land in de middeneeuwen langen tijd "Groot-Hongarije" genoemd
+werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert,
+dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit
+"Groot-Hongarije," der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die
+der Magyaren aan den Donau.
+
+Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van
+den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar
+Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een
+Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren,
+namentlijk de "Metscher-jakers." En eindelijk bevinden zich zuidelijk
+van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama,
+de ruïnen eener stad die nog heden "Madschar" genoemd wordt, en die
+men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt.
+
+De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der
+tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten,
+zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide
+volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren
+ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit
+hun meer of minder lang _verblijf_ onder de Finnen. De Bijzantynsche
+schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk
+"Tourkoi" (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele
+woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met
+de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder
+de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch
+dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben vele geleerden hen tot
+de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude
+Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel
+in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat
+noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk
+de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de
+Oostjäcken of Lappen--de Keizer van Rusland loofde orden uit,
+om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen--niet vleiend
+genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het
+liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij "Mag"
+d.i. kern van het volk (vandaar "Magyaren") noemden, zoo is in den
+nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma
+von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den
+oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht,
+naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van
+alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken,
+waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de
+onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn
+leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen,
+ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der
+Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is.
+
+Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste
+behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd
+is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche
+en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun
+eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden,
+dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin
+zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing
+der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk,
+een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en
+zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der
+bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen
+er van _geheel_ oplossen en verklaren kunnen.
+
+Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen,
+op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken
+van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van
+Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen
+lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der
+Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich
+met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije
+zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij
+overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische
+stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen
+waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd
+eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen
+en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern
+der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest
+passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden
+der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke
+groote daden uitvoerden, toen versmolt in het volksbewustzijn der
+Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede
+hebbend tegenwoordige.
+
+Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren
+roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der
+Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles,
+wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun
+Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila
+een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers
+nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding
+opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen
+grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren,
+waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van
+dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren
+de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk
+de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en
+consolideering van het land voltooiden.
+
+Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de
+Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die,
+zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel
+als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te
+vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe
+spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen,
+dat hij daarbij veel _ook van dit element_, te midden waarvan hij
+zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden
+in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook
+vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten
+Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen
+vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of
+comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen
+uit den Slawischen ondergrond te voorschijn.
+
+De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het
+karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers
+van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder
+verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn
+Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel.
+
+Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens
+door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na
+het jaar 1000--door den gedoopten Koning Stephanus geroepen--Duitsche
+zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen,
+kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen
+dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op
+den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel
+veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in
+het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten
+blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer
+karakteristieke, grondstelling aangenomen: _Unius linguae uniusque
+moris regnum fragile est_ (een rijk van _eene_ taal en van _dezelfde_
+zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling
+als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei
+volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder
+te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op
+hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in
+weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht
+en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel
+eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den
+eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer
+begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in
+hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de
+ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige
+ter nauwernood herkennen.
+
+De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het
+daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam
+als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. "Wat het uiterlijk
+betreft," zegt een dier ouden, "zijn de Hongaren afschuwelijk,
+zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken,
+zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en
+nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren." "Men
+moet" voegt een ander hier nog bij "het geduld en de inschikkelijkheid
+der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft,
+dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich
+mocht nemen."
+
+Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken
+en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land
+bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens,
+munten nu de echte Magyaren--de _Kern_mannen--vooral uit, en nemen zij
+door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende
+en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt,
+hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en
+lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid
+en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen
+gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur,
+en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde
+knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut
+beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote
+sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders
+eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige
+physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan
+men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke
+geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen,
+niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen
+der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door
+hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene
+lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich
+eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag,
+gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap
+Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen
+dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters
+inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles
+wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter
+hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen
+der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben,
+zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet
+hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke
+woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene
+woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren
+en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige
+jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden
+zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een
+schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten
+zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de
+liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen
+is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de
+Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk
+vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is
+weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische
+en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat
+ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door
+schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt.
+
+In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet
+zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten
+wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog
+zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft
+men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige
+wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder
+de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt,
+zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen
+zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook
+in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang
+bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene
+hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting
+van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het
+oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd
+is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, 't is zeggen zij, "wel
+een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend," want moed,
+kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer
+dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden,
+door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna
+evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd
+daarvan staande Koning Etzel.
+
+Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate
+van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden
+door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, "waarmede een Magyaar
+in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman
+gedurende zijn geheele leven." De Hongaren zelven leiden deze en andere
+zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden,
+"uit het edele, vurige, opbruisende temperament" af, dat zij zich,
+vooral in vergelijking met de door hen als flegmatisch en flauw
+uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers,
+of zooals zij hen noemen "de Schwaben," met hunnen kouden, zuren wijn;
+zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige,
+uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als
+in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste
+en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin
+heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen.
+
+Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo
+gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk
+in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin
+tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud
+Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: "de Hongaar doet geene schrede
+buiten zijne Hongaarsche zeden." Daarin verraden zij het meest hunne
+oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de
+Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne
+uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van
+het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van
+hen gaf, noemt hen: "_natura taciti_". "Men sla den Magyaarschen boer
+gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt
+en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen,
+als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den
+mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen
+heeft." De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher,
+schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe,
+wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar
+een waar potsenmaker.
+
+Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer
+spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle
+krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een
+gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën
+niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een
+der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen
+advokaatje speelt.
+
+Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En
+inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende
+rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in
+laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt.
+
+In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste
+hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs
+spreekwoordelijk gewoon te zeggen: "De Slawe is geen man." Eene
+critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een
+bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. "Die
+zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn
+heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem
+door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen." Zij
+leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer
+dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk
+afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen,
+geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de
+Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken en beschaven,
+maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen
+schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn,
+schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. "Buiten Hongarije",
+zeggen zij spreekwoordelijk "is geen leven ("_extra Hungariam non est
+vita et si est vita non est ita_"), en bestaat daar al leven, dan is
+het daar toch niet zooals hier." Zij zijn daarom als kolonisten schier
+nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij
+hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte
+massa bij elkander gehouden.
+
+Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken
+daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich
+altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van
+het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit
+merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer
+in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men
+het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die
+naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De
+Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen
+afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van
+Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel
+der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de
+stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog
+het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide
+en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen
+gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid,
+dat hun naam "Szekler", in het Hongaarsch zooveel als vluchteling
+beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat
+de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij
+spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de
+oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard.
+
+Buiten hunne "Püsten" en Karpathen, vindt men de Hongaren
+nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele
+uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën
+van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen
+zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook
+bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven;
+in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente
+Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten.
+
+Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza,
+tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher,
+als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie,
+verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer
+twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten,
+met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun
+al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting,
+persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele
+straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van
+het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld,
+waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men
+kan nagaan welke hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg
+moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en
+koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten
+eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten.
+
+Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de
+Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en
+hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is
+bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is
+hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap,
+maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid,
+zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer
+terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin
+zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale _trots_ komt
+overeen met zijne _vrijheidsliefde_. Even als hij een vijand is van
+nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en
+gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht,
+sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn
+land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij,
+trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder
+de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk
+van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den
+beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen,
+blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat
+tot _groot_moedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook
+anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der
+meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land
+ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den
+reiziger met _dank_ aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt
+de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne _betaald
+wordende_ logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag "wat
+kunnen wij krijgen?" als antwoord de tegenvraag krijgt: "wat hebt gij
+medegebracht?" als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft,
+zoo toonen zij zich als gastheeren, _die zelf de kosten bestrijden_,
+des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene
+vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij
+zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer
+aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne
+geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren.
+
+Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van
+het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia
+met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der
+Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle
+vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift
+uit: "leve onze Koning!" en redden zij door hunne dapperheid en
+zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch
+eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen.
+
+Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst
+dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt
+zich wel als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; "Uram"
+(mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met "jij" of
+"jou" aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die
+hij dikwijls zijne "roos", zijne "ster" noemt, en die zeker is in hem
+een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij,
+die hij "zijne lieden" d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met
+welwillendheid en goedheid.
+
+Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van
+énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij
+is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit
+naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een
+harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de
+eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin,
+dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver
+en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn
+spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert
+niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu
+de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene
+schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den
+Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De
+geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen
+aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend
+zijn. Van oudsher hebben zij--en daarin hebben zij veel overeenkomst
+met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken--een bijzonder
+grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers
+gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer,
+dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de
+onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen
+van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te
+bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer
+von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene
+lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig
+toeschijnen.
+
+De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en
+zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende
+welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich
+bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel
+tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te
+hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen,
+waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en
+de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze
+liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het
+land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten
+van hunne "Lehel" en "Botonds" naar Konstantinopel, Italië en zelfs
+naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der
+oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele
+wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld,
+hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van
+slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook
+somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen
+te worden. De namen der beide broeders Kisfaludy en van den genialen
+Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen.
+
+Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: "_anch
+ioson' pittore_", is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij
+hebben ook _dat_ met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere
+kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen
+de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de
+Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne
+veldslagen en dansen.
+
+Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de
+Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd
+worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen
+uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en
+hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten
+over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet
+hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van
+Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is.
+
+Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat,
+is de landbouw, terwijl hij met _aangeborene_ voorliefde zich op
+de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het
+duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne
+uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of
+Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed
+van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van
+graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw
+zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal
+en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk
+afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder
+dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije
+zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van
+den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men
+ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten,
+die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige
+handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden,
+de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het
+eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De
+Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide
+"Schwaben" een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als
+zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen.
+
+Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in
+tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen
+kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door
+de Duitsche bouwmeesters geleerd, "hàsz" (huizen) aannamen. Daarbij
+bleef echter het plan van een legerplaats bewaard--de bijzonder
+breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor
+binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de
+hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is
+spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel
+van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met
+uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk,
+ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen
+de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen.
+
+Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd
+zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden
+aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste
+aaneensluiting der "_polgars_" (burgers), geen gemeenschappelijk
+en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met
+architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen,
+zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers
+het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag
+duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat
+soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de
+kroniekschrijvers eene "_magna et ditissima Teutonica villa_" genoemd
+werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden,
+kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche
+nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden.
+
+Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den
+regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche
+gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te
+vervangen, weder ingang.
+
+En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen
+het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten,
+waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels
+en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en
+_vele_ kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook
+moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met
+die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid
+in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In
+alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek
+aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die
+een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen
+beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor
+zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven,
+genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land
+te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen,
+den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen.
+
+Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch
+huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan
+trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen
+winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten,
+naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare
+pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant
+ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch
+en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman
+naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne
+liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij
+niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich
+eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het
+voorplein zijner woning, en slaapt daar met zijne geheele familie,
+onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is.
+
+Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens
+onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er
+niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt,
+en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren
+zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische
+Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje
+spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen
+deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo,
+zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende,
+komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken,
+met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die
+zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden.
+
+Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar
+des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee
+naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau:
+
+
+ Toen ik trok door het verre Hongaarsche land,
+ Was de vreugde mijns harten zeer groot.
+ Als dorp en bosch en boom verdween in 't land
+ En de heide zoo woest zich ontsloot.
+
+
+Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten,
+mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook,
+eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote,
+ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert,
+uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude
+Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden
+der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch
+ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, "uit louter adem
+bestaande." De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige
+vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd
+verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld,
+bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig
+als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland.
+
+De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is
+een geboren ruiter, een centaur. "De Magyaar komt te paard ter wereld,"
+zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is,
+tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen
+nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters
+waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard
+te vallen zijn eersten galop doet: "gij zijt een man!"
+
+
+ "Heerlijk leven, 't ruiterleven,
+ Dat is leven, dat alleen."
+
+
+zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar
+gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar
+bij het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich
+vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het,
+dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat
+der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote
+daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge "_huzaren_"--eene
+Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord--in alle landen van
+Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook
+verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden "Schako,"
+"Dolman," "Haiduck", en zoo vele andere in alle Europeesche talen
+opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij
+onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij
+is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes,
+die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle
+smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af,
+beter verstond te kleeden dan Europa.
+
+Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren
+oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl
+deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en
+kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen
+overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der _herders_
+echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie
+eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort
+kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een
+ossenherder heet "Gulijas," een zwijnenherder "Kanasz," een
+schaapherder, "Juhasz" en de koene paardenherder "Czikos," als waren
+het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere
+kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons
+geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de
+Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners
+van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen,
+ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf,
+de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit.
+
+Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls
+raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor
+de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch
+volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken
+en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde,
+dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich
+vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale
+eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling
+heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met
+vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men
+ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt
+had, en toch zijn zij altijd weder als "Magyaren" uit dien chaos
+te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de
+Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks
+nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen,
+die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het
+Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk
+den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze
+Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie
+jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan
+moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft
+hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een
+nieuwe _Arpad_ of een tweede _Mathias Corvinus_ verwacht, de oogen
+van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in
+Oostelijk-Europa--met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid
+en andere moreele eigenschappen--als het eerste volk daar staan. In
+dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers,
+de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook
+beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot
+de _ziekelijke_ volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit
+kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal,
+te midden der volken van Europa eene _geheel zelfstandige plaats_
+in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een
+machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss
+te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd
+jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht,
+opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste,
+en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht
+iets groots tot stand brengen, "maar spoedig ook weder verdwijnt de
+opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige
+Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden."
+
+
+
+
+
+
+DE TSCHECHEN EN POLEN.
+
+
+Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk
+verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het
+Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam "Lechen"
+woonde. Onder den naam "Obotriten" en "Wagriers", waren andere Slawen
+tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als
+"Wenden," "Pomeranen" "Lusitzer" en onder talrijke andere benamingen,
+bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot
+over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische
+"Sileziërs" bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de
+"Tschechen" vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar
+waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam "Slowaken", de
+heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene
+Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda
+gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als
+onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en
+Vorsten daarheen verplant.
+
+Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid
+veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten
+van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren,
+Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft
+hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en
+naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie,
+onder den naam "Voorste" of "Westersche Slawen."
+
+Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan
+de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der
+tot de "Westersche Slawen" behoorende natiën, zijn geheel van den
+aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende
+onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de
+Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs
+en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen
+aan vreemde volken en staten onderworpen geworden.
+
+Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw)
+verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen,
+die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het
+schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk
+Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot
+was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende,
+voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden zij
+zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder,
+van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder
+vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende
+hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en
+krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten,
+als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk,
+of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren.
+
+Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen,
+zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter
+den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne
+dorpen toevoegden.
+
+Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn
+eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige,
+heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten.
+
+Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige,
+vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en
+dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch
+leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten
+schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van
+harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk
+bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den
+bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen,
+brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij
+kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche
+kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen
+te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den
+gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot
+zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den
+tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken.
+
+Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen
+zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat
+van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het
+zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij
+en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt
+van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het
+Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot
+vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale
+machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom
+met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke
+en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs
+de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine
+zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den
+invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken,
+Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en
+eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in
+hun midden geplante kruis.
+
+Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche
+Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde
+groote Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de
+verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur
+was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze
+Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat
+hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste,
+even als zij, tot verval komen moest.
+
+De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren
+bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven,
+werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige
+Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten
+laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de "Wagriers"
+in Holstein, de "Obotriten" in Mecklenburg, de "Pomeranen" aan de
+Oostzee, de "Ukrer" in de Ukermark, de "Hevellers" in de Havelmark,
+de "Polaben" aan de Elbe--ja! wie kan al de namen noemen der kleine
+heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen,
+en aan de vereering hunner "Tschernobogs" en "Bielobogs" vasthoudende,
+in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen
+door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder
+oprichtten--zich met elkander verbonden of in twist met elkander
+leefden--het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden
+brengen--de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte
+grensmarken en bisdommen opgenomen werden--en ten lange laatste allen
+in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal
+en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn
+onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen,
+steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers
+binnenrukten, verloren gegaan.
+
+In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen,
+bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande
+Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche
+steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene
+Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van
+Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte
+landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het
+Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige
+overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten
+gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en
+daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op
+enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens
+volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische
+nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van
+zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft
+laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen.
+
+In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het
+Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere
+gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche
+vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt
+men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw
+en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van
+Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van die welke
+de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde
+der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte
+der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het
+"Wendenland" noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed
+is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden,
+kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land,
+nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt.
+
+Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke
+Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle
+provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer
+volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw,
+somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige
+streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij
+compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen,
+omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon
+Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder
+het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen
+van het Slawisme aangetroffen worden.
+
+Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk
+nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en
+volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de
+Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel
+in West-Pruissen, eene streek, waarin de "Kassüben" en de aan hen
+verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree
+in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land
+en het volk der zoogenaamde "Sorben-Wenden".--Deze nu nog Slawisch
+sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt
+uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden
+door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te
+vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit,
+waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt
+ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen
+ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood
+te bloeden.
+
+De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den
+aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en
+die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale
+zelfstandigheid twee compacte volken vormen--bij wie ook nog altijd
+de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is--en waarvan wij dus
+hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking
+van Europa moeten melding maken, zijn de _Tschechen_ en de _Polen_.
+
+
+
+Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer
+dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke
+gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier
+lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en
+vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk
+vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. Van alle zijden stroomen
+van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in
+de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte
+ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat
+dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van
+eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte
+bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal,
+wordt deze geïsoleerdheid nog grooter.
+
+Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan
+mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn
+binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus
+geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en
+hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de
+geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken
+genoemd wordt, de "Bojers", zou van Celtische afkomst geweest
+zijn en van hen zou het land zijne namen "Bojenheim", "Boheim"
+"Boheme" ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd
+dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de "Markomannen"
+in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of
+verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs
+de Romeinsche keizers.
+
+De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers
+in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op
+de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de
+volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der
+5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der
+Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden
+zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de
+Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen
+hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische
+vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan
+moet "Tschech" geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des
+lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden
+smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook
+de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der
+Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam "Tschechen",
+welke naam de overhand verkregen heeft.
+
+Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen
+ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den
+Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie
+heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte
+Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen
+der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de
+Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit
+der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal
+en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië,
+toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen
+later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op
+het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen
+door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden,
+om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen
+te bedienen tot het vervaardigen van molens of van andere werken,
+die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen
+vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken
+aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen
+weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de
+overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen
+langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen
+behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van
+Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden,
+door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde.
+
+Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne
+af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken
+zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de "ontoegevendste onder
+de Slawen" genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd,
+toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en
+hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit
+alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun
+bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge
+van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten
+deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom
+zamenliepen, _moesten_ de landskinderen zich wel nauwer bij elkander
+aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt,
+een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest
+eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme
+ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren
+de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden,
+beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in
+staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden.
+
+Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den
+Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier
+natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde
+malen--eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de
+eeuw--later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw--nog later
+onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw
+later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land
+en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des
+lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de
+belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit
+telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000
+studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste
+gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld,
+wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend
+voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad.
+
+Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls
+echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden
+van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten
+gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden,
+Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het
+westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam
+van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land en
+volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond,
+meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen
+tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de
+Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar
+steeds werden hun die zoogenaamde "nevenlanden" weder afgenomen en
+als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet
+lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar
+blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting,
+het Boven-Elbe-bekken, beperkt.
+
+Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop
+der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd
+en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars
+meermalen uit Duitschland kwamen--daar hunne Koningen tot Keurvorsten
+en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven
+werden--daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de
+13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,--daar
+Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren--daar
+eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der
+"Przemysliden" in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers
+in de hoofdstad van Boheme resideerden,--zoo vulden zich ook de hoven
+der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds
+meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even
+als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd
+en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden
+van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden.
+
+De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw
+uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der
+Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland,
+beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste
+aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij
+toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en
+bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer
+der Duitschers zich bij de "rechtgeloovige" partij schaarden, eene
+_nationale_ wending.
+
+Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij
+de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren,
+uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en
+vreeselijke Ziska's en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen,
+ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen.
+
+Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar
+1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen
+tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie
+onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke
+wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen.
+
+Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche
+geschiedschrijvers, als het "_Finis Bohemiae_" beklaagd, even als
+de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken
+verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz
+als de ondergang van Polen. Na dien slag werd de Duitsche taal
+met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke
+geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren
+verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste,
+landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene
+duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men
+vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en
+andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan
+eene "boerentaal" genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne
+oude nationale dracht af.
+
+Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de
+twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden,
+hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd
+en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden
+Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden
+adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren,
+de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong
+herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame
+geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben
+de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt,
+zijne oude "boerentaal" gezuiverd en weder in eere gebracht.
+
+Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs
+uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale
+grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der
+Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude
+Slawische heldenliederen en lyrische gedichten gevonden, die den
+Tschechen in den nieuweren tijd even waard geworden zijn, als den
+Duitschers hunne Nibelungen-liederen.
+
+Op den ouden grond is nu eene nieuwe bloesemrijke Tschechische
+literatuur ontsproten, en deze heeft zich ver buiten de grenzen van het
+oude Boheme uitgebreid en aanzien verworven. De Slawische Moraviërs
+in Moravië, de Slowaken in Noord-Westelijk Hongarije, die van den
+beginne af in stam en taal de naaste verwanten der Tschechen waren,
+en zich dikwijls met hen onder dezelfde heerschappij vereenigden,
+hebben den Tschechen hunne sympathie weder betuigd, zich aan hunne
+literarische onderzoekingen aangesloten, en zich gewend, zich met hen
+als één volk te beschouwen. Zij hebben het spraakeigen der Tschechen,
+deze ijverige voorvechters der nationaliteit hunner gezamenlijke
+volkengroepen, als hunne literatuur-taal aangenomen. En zoo vindt
+nu weder alles, wat bij de Bohemers in Praag gesproken, gedacht,
+onderzocht en gedrukt wordt, een grooten weerklank bij meer dan
+8 millioen Slawen, die elkander als broeders beschouwen en die,
+bij de verschillende schokken van den nieuweren tijd, reeds van eene
+herstelling van een Groot-Moravisch of Groot-Tschechisch rijk droomen,
+zooals dat eens ten tijde van Keizer Arnulphus tusschen den Donau en
+de Karpathen, van het Saksische ertsgebergte tot in de nabijheid van
+Zevenburgen bestaan heeft.
+
+De Tschechen--en wat men van hen zegt, geldt, ten gevolge van het
+zooeven opgemerkte, ook in meerdere of mindere mate van de hun
+nabestaande Moraviërs en Slowaken--beschouwt men onder de Slawen
+als de representanten van het cholerisch temperament, terwijl men
+den Polen en Russen het sanguinische, den Zuidelijken-Slawen en
+Serviërs het melancholische temperament toeschrijft. Zij bezitten
+niet de ridderlijke manieren en de vroolijke levenslust der
+Polen. Zij zijn somberder, achterhoudender en minder beweeglijk
+dan de Russen. De Duitschers schelden hen uit voor stijfkoppig,
+hardnekkig, sluw en arglistig, somber en wantrouwend. Twistzucht en
+de zucht altijd gelijk te willen hebben zou hun erfgebrek zijn. De
+"groote ernst en sombere trots", die de Tschechen van de overige,
+veel luidruchtiger en lichtzinniger Slawen onderscheiden, zijn
+hun wellicht gedeeltelijk, tengevolge van hun verkeer en strijd
+met de Duitschers, eigen geworden. De oorzaak daarvan moet niet,
+zooals sommigen meenen, in hunne tragische nationale geschiedenis
+gezocht worden. Want reeds in de 9de en 10de eeuw, toen de Duitsche
+jaarboeken melding van hen begonnen te maken, zien wij in de Tschechen
+"ernstige en hardnekkige menschen." Vele vreemde schrijvers hebben,
+wat energie en genialiteit betreft, den Polen de eerste plaats onder
+de Slawen toegekend. Een uitstekend Pool echter, Maciejowsky, geeft
+deze eer aan de Tschechen en stelt deze boven de Polen, waar hij zegt
+dat zij, onder alle Slawen, met de levendigste verbeeldingskracht,
+met den scherpsten blik begaafd zijn en "het meest vatbaar zijn voor
+hooghartige gevoelens en verhevene dichtkunst."
+
+Hun "politiek talent", dat zich vroegtijdig in de schepping van
+een eigen, onafhankelijk, en hunnen Duitschen erfvijand lang het
+hoofd biedend, koningrijk openbaarde, wordt nog heden ten dage,
+veel aangewend in de groote Oostenrijksche monarchie, waartoe zij
+behooren. De bestuurs-bureaux van Weenen, Gallicië, van Hongarije
+en zijne nevenlanden, zijn met eene menigte bekwame en geschikte
+beambten uit Boheme voorzien. Dat zij, van hunne groote Slawen-familie
+afgescheurd, zonder nationalen of geographischen zamenhang met een
+grooter geheel, toch hunne eigendommelijke wijze van zijn bewaard
+hebben, zelfs onder den dikwijls zwaren druk van den Duitschen
+schepter, bewijst meer dan iets anders, dat zij van eene krachtige,
+vaste grondstof zijn, die eene nog verdere ontwikkeling belooft.
+
+De Tschechen houden, even als alle Slawen, veel van muziek en dans. Er
+is geen land ter wereld, waaruit jaarlijks zooveel muzikanten te
+voorschijn komen, als uit Boheme. In het Parijsche muzikale Lexicon,
+zijn het meerendeel der daarin genoemde virtuozen, Bohemers. Onder
+2650 muzikale celebriteiten van Europa, bevinden zich 709 Bohemers,
+701 Italianen, 517 Duitschers, slechts 134 Franschen en niet meer
+dan 27 Spanjaarden en Portugeezen. Hierbij moet men echter opmerken,
+dat Bohème wel virtuoozen maar slechts zelden componisten voortbrengt,
+waarom bij al hunne bekwaamheid en vormbaarheid, die den Slawen in het
+algemeen eigen is, hun de gave iets uit te vinden, ontzegd wordt. En
+dan zeker moet men ook een groot gedeelte van hen, die daar "Bohemers"
+genoemd worden, niet tot de Tschechische, maar tot de Duitsche
+Bohemers rekenen, die--door den muzikalen geest van hunne Slawische
+buren geïnspireerd--overeenkomstig hunnen even ontvankelijken als
+vindingrijken geest, die kunst onder zich nog verder ontwikkeld hebben.
+
+In de dorpen der muziekminnende Tschechen en Moraviërs, ziet men
+dikwijls iets dergelijks gebeuren als in Rusland, waar somwijlen ook
+het zwaarste werk onder muziek verricht wordt. De tot het doen van
+heerendiensten verzamelde lieden trekken met violen en hobo's op,
+en eenige hunner virtuozen musiceeren onder het werk, dat hun dan
+gemakkelijker van de hand gaat; somwijlen laat ook de rentmeester
+van het goed, aan de maaiers gedurende hunne rusturen een concert
+geven, wat hen niet zelden in den vrijen tijd tot dansen en zingen
+verlokt. De menschen beschouwen daarom deze gezellige heerendiensten
+niet als een last, maar veeleer als een vroolijk feest, en met het
+afschaffen der heerendiensten, neemt men in die streken tevens een
+gedeelte der poëzie uit het volksleven weg.
+
+Ook in Hongarije ziet men ieder jaar de Slowaken, deze oostelijke
+broeders der Tschechen en Moraviërs, met muziek en zang uit de
+dalen der Karpathen naar de rijke Donau-vlakten trekken, om daar de
+Magyaarsche grondbezitters bij het oogsten te helpen.
+
+Deze Hongaarsche Slowaken, ofschoon voor het overige in hunne
+physionomie, in hunnen stompen neus, hunne kleine diepe oogen,
+hunne zware wangbeenderen, op en top Slawen, hebben zich wat hun
+lichaamsbouw betreft, in het zuidelijke, weelderige klimaat van
+het land, meer volmaakt. De gedrongene vormen der groot-Russen en
+Tschechen zijn bij hen geheel verdwenen. Hun lichaam is langer en
+welgemaakter geworden. Men vindt onder hen schoone gelaatstrekken,
+buitengewoon fraaie mannen-gestalten.
+
+In vele kleine industriën zijn zij zeer bedreven. Als kramers,
+daglooners, handwerkers, zijn zij over geheel Hongarije verspreid,
+en waar zij in groote massa's binnensluipen en zich vastnestelen,
+verdringen zij spoedig de oorspronkelijke nationaliteit. Er zijn
+verscheidene, vroeger Duitsche en ook Magyaarsche plaatsen, die nu,
+ofschoon zij nog hunne oude Duitsche en Magyaarsche namen dragen,
+door de steeds voortwoekerende en om zich heen grijpende Slowaken
+geheel geslawiseerd zijn. Het is eene opmerkenswaardige ethnographische
+bijzonderheid, dat zij in het overig Europa het meest door den oorlog
+bekend zijn geworden, dien zij ijverig tegen zekere kleine plaaggeesten
+der Duitsche Vorstenhuizen geleverd hebben. Als vroolijke gasten, die
+zich weinig bekreunen om behoefte en gemak, en zich onledig houden met
+het verdelgen van mollen, ratten en muizen, en het vervaardigen van
+allerlei zaken uit gebogen of gevlochten ijzerdraad, als muizenvallen,
+vleeschdeksels, lampglazen-borstels, pijpendoorhaalders, van waar
+zij, onder verschillende andere namen, "draad-Slawen" genoemd worden,
+trekken de Slowaken niet alleen geheel Duitschland door, maar ook het
+Noorden en Westen van ons werelddeel en zelfs Azië. Zij zijn in deze
+kunst reeds eeuwen lang beroemd. Vreemd genoeg is het, dat zoo geheel
+speciale talenten zich naar de nationaliteiten verdeeld hebben, en
+dat ook zulke geringe rollen en bezigheden, in de Europeesche familie
+zoo geheel in het bezit van een bijzonderen volksstam konden komen.
+
+De Slowaken en Tschechen sluiten zich aan dat andere groote
+West-Slawische volk aan, dat als het eerste onder alle Slawen-volken
+beschouwd wordt, en dat in de wereld even beroemd is geworden door
+zijne schitterende daden en zijn heldhaftig karakter, als door de
+groote nationale ramp die het getroffen heeft, aan de Polen, die wij
+nu tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken.
+
+
+
+Van het land, dat de Polen bewonen, heeft men, om een denkbeeld zijner
+eentoonigheid te geven, meermalen gezegd, dat hij die één akker er
+van gezien heeft, het geheele rijk kent. "Allerwegen," zegt men,
+"dezelfde treurige kleur in de natuur en in de menschenwereld, overal
+dezelfde zeden, taal en levenswijze der bewoners, overal dezelfde
+grondgesteldheid, bebouwing en vruchtbaarheid. De natuur is in het
+geheele land even hard, den menschen gaat het overal even slecht. Het
+is een onmetelijk moeras, met steenen en granietblokken bezaaid en met
+dichte bosschen bezet, waartusschen hier en daar ellendige woningen
+en ongezellige woonplaatsen verstrooid liggen." Deze schildering
+hebben, zeg ik, eenigen van het door de Polen bewoonde land gegeven,
+en zij dachten daarmede alles gezegd te hebben. Ja! de Franschen zelfs,
+opperden, toen zij dit land eens binnenrukten, de beroemde vraag: "_Est
+ce, qu'on appelle ça une patrie_?" "Noemt men dat een vaderland?" Maar
+zulke algemeene opvattingen, doen de scheppende natuur dikwijls onrecht
+aan, doen het patriotisme der menschen zeer. De eerste heeft zich zelfs
+in Polen niet onbetuigd gelaten, en ook daar heeft het andere vrij wat
+aangetroffen, dat liefde en bewondering verdient. Het poëtische sombere
+der eeuwenoude donkere Sarmatische wouden, heeft den Byron der Polen,
+den dichter Mezkiewitsch stof geleverd tot vele fraaie sonnetten. En de
+dikwijls lachende velden langs de oevers der rivieren, waren daartoe
+niet minder in staat. In het zuiden sluit Polen zich aan een der
+grootste Europeesche bergruggen, de Karpathen, aan, die door enkelen
+als de oudste oorspronkelijke woonplaats der Slawen beschouwd wordt,
+wien het waarlijk niet aan het romantische in geschiedenis en natuur
+ontbreekt. In het noorden slingert zich in de richting der Oostzee,
+in Polen evenals in Pruissen, een kring kleinere en grootere meren,
+aan wier oevers bosschen, weiden en begroeide heuvelen menig lieflijk
+natuurbeeld vormen.
+
+Zelfs de uitgebreide steppen, waarin Polen zich in het
+zuid-oosten in de nabijheid van Rusland verliest, zijn niet zonder
+bekoorlijkheid. Daar in Volhijnië en Podolië, neemt men, zoover
+het oog reikt, onafzienbare weidevelden waar, die in de lente met
+de kleurenpracht van verscheidene bloemsoorten versierd zijn. In
+den dorren zomer en stormachtigen winter echter zijn zij woest
+genoeg. Maar hoe verrassend is niet midden in deze woeste vlakten de
+aanblik der, door de tallooze zijrivieren van den Dniepr, Dniestr,
+in het weideachtige plateau ingesnedene dalen. Deze rivieren-dalen
+der steppen, door de Polen "_jary_" genaamd, door de natuur als breede
+kanalen uitgegraven, doorsnijden het woeste land als een net van lang
+uitgestrekte, vriendelijke oasen.
+
+In deze dal-kanalen, die dikwijls eene mijl breed zijn en die even
+als souterrains, bescherming tegen het onweder of de droogte, die op
+het steppen-plateau heerschen, geven, concentreert zich alle leven
+en alle natuurpracht dier streek. Zij bevatten boschjes en wouden
+van allerlei soort boomen, hebben bijzonder veel zangvogels, en zijn
+zoowel door wilde dieren, als door tamme kudden bewoond. Daarin liggen,
+zooals het merg in de beenderen, alle plaatsen en steden van het land,
+en in de diepte midden tusschen dat alles in, stroomen de wateren van
+helder vlietende beken en rustig stroomende rivieren. Zulke beelden
+grijpen de phantasie des te meer aan, daar zij in het uitgestrekte,
+eentoonige steppenland slechts als gouddraden verschijnen, en daar
+zij nog daarenboven,--van verre niet zichtbaar--zonder dat men het
+te voren weet en als onaangemeld, voor het betooverd oog van den
+reiziger plotseling verschijnen. Kortom, ook een Pool, die van jongs
+af aan al deze verschillende bekoorlijkheden en vormen, waaronder
+de natuur zich in zijn groot vaderland vertoont, in zijne ziel en
+phantasie opgenomen heeft, zal niet verlegen staan op bovengenoemde,
+onhoffelijke vraag der Franschen te antwoorden.
+
+
+
+Welk ras het eerst het groote land tusschen de Karpathen en de Oostzee
+bezet en bewoond heeft, en ten gevolge van welke veranderingen en
+gebeurtenissen de Slawen er zich eindelijk in uitgebreid hebben,
+dit alles ligt in een diep duister begraven.
+
+Volgens Tacitus hebben, ten tijde der Romeinen, Duitsche volken,
+hier oostelijk zelfs tot over den Weichsel geregeerd. Of wij echter
+die Duitschers ons moeten voorstellen als grondbevolking, die de
+geheele streek in bezit hadden, of dat zij veeleer slechts de heeren
+en veroveraars, zooals nu nog de Pruissen en Oostenrijkers, over die
+landen en de toen wellicht reeds Slawische grondbevolking heerschten en
+regeerden, blijft onzeker. Ook "Skijthen" en "Sarmaten," nomadische
+volken uit Azië, zijn waarschijnlijk ten tijde der Romeinen van
+uit het Oosten, evenals de Germanen van uit het Westen, deze landen
+binnengedrongen, op gelijke wijze als wij zulke nomadische volken
+van Tartaarschen oorsprong, ook nog later onder Attila, en nog later
+onder Dschingis-Chan en Batu-Chan, hier zien verschijnen. De Slawen
+van dien tijd, waarvan wij nauwelijks met zekerheid in deze streken
+eenig spoor kunnen aanwijzen, ofschoon zij daar zeker reeds lang voor
+Christus geboorte bestonden, hebben waarschijnlijk reeds voor die
+actieve en gebiedende rassen, slechts eene lijdelijke rol gespeeld,
+en zijn daardoor aan de oudste berichtgevers ontgaan.
+
+Eerst na de volksverhuizing, die het rijk der Romeinen verwoestte
+en de Germanen noodzaakte west- en zuidwaarts te gaan, schijnt het
+Slawisch element hier ontwaakt te zijn, en na de tijden van den
+uittocht der Germanen, zien wij alras, even als de oostelijke helft
+van Duitschland, zoo ook het Weichsel-land door eene menigte vrij
+gewordene Slawen-stammen bevolkt. Zij leefden eeuwen lang zonder
+nationale eenheid en zonder een gemeenschappelijken naam, in kleine
+Vorstendommen of in kleine gemeenten met een patriarchaal bestuur,
+maar zullen ook wel toen reeds die eigenaardige zeden en taal met
+zich rondgedragen hebben, waardoor zij later, eerst onder den naam
+"Lächen" en later onder dien van "Polen," zich vereenigden en boven
+de Russen, boven de Tschechen en de andere Slawen, uitmuntten.
+
+De wieg van den Poolschen naam en de wortels van het onder dezen naam
+opgegroeide volk en staat, liggen dicht aan de grenzen van Duitschland,
+in het nu door het Koningrijk Pruissen geannexeerde Posen. Daar is
+de schouwplaats der oudste konings-sagen der Polen, der sagen van de
+Piasten. Daar was ook hunne oudste vorstelijke residentie, Gnesen
+(Gnesna), hunne oudste stad. Even als de Magyaren, even als ook de
+Skandinaviërs, waarvan eveneens het oudste en eerste Koningrijk, het
+zich noordwaarts uitbreidende Denemarken, aan Duitschland grensde,
+zoo schijnen ook de Polen in den samenhang met de Duitschers, den
+eersten spoorslag tot nationale en staatsontwikkeling, even als het
+Christendom, ontvangen te hebben. Weldra echter gingen zij uit hunne
+westelijke wieg verder oostwaarts, evenals de Denen noordwaarts en
+de Hongaren zuidwaarts. Naar het westen heen, waar Duitschland de
+overige West-Slawen in zich opnam, waar het later den Polen en hunnen
+Piasten het geheele Oder-gebied afnam, en de Silezische provinciën
+germaniseerde, werden den Polen vroegtijdig en in den loop der eeuwen
+altijd _weder_ en altijd _meer_ de wegen versperd. Zij hebben zich
+daardoor, uit hunne aan de Warthe gelegene wortelen, van den beginne
+af, bij voorkeur in de richting van het verre Oosten uitgebreid. Daar
+hadden zij het ruimste veld en daarheen hebben zij van oudsher hun
+gelaat gekeerd.
+
+In die richting hun gebied verder uit te breiden, daarheen de uit het
+Westen verkregene beschaving en christelijke leer over te brengen,
+Europa tegen de van daar dreigende barbaarschheid te beschermen,
+dat was om zoo te zeggen, de zending der Polen. Ten allen tijde
+zijn zij aan het Westen meer vriendschappelijk verbonden geweest,
+het eerst als vazallen der Duitsche Keizers, altijd als medeleden der
+Roomsch-Katholieke kerk, bijna altijd als leerlingen van het Duitsche
+volk in kunsten en wetenschappen, later meermalen als onderdanen
+van daaruit, uit Hongarije of Zweden, uit Frankrijk of uit Saksen
+afkomstige Prinsen en Koningen, _het meest_ echter als bondgenooten
+tegen Mongolen, Tartaren, Russen of als redders uit den Turken-nood.
+
+Met het Oosten daarentegen, met de Russen, waarmede zij reeds in de
+11de eeuw onder hunnen eersten grooten Hertog Boleslaus, wien Keizer
+Otto III den Koningstitel zou verleend hebben, in oorlog geraakten;
+met de Lithauers, die zij tot het Christendom bekeerden, met de
+Tartaren, aan wie zij meer slagen geleverd hebben dan eenige andere
+West-Europeesche mogendheid, hebben zij van dien tijd af tot op den
+nieuweren tijd toe, een 800 jarigen strijd volgehouden.
+
+Het eerst en vóór alles namen de Polen, op dezen weg naar het Oosten,
+nadat zij uit hunne enge wieg aan de Warthe waren voorwaarts gerukt,
+bezit van den geheelen Weichsel, die van de Karpathen naar de
+Baltische zee stroomt. In het gebied van dezen stroom zetten zich
+de Polen en hun wordend Koningrijk, nu bij voorkeur vast. Zij gingen
+naar die streek over, als ware het hunne tweede wieg, of als ware het
+de eigenlijke groote geographische kern en het centraal-kanaal van
+hunne staatkundige en nationale ontwikkeling. De Weichsel is voor de
+Polen hetzelfde geworden, wat voor Duitschers en ons Nederlanders de
+Rijn, voor de Groot-Russen de Wolga, voor de Klein-Russen de Dniepr,
+voor de Hongaren en Zuidelijke-Slawen de midden- en beneden Donau
+steeds geweest zijn,--hun voornaamste levensweg, de hoofd-ader
+van hun nationaal lichaam, de uitgangs-linie hunner veroveringen,
+en ook hunne verdedigings-linie in tijd van nood. In dichte massa's
+en als domineerende grond-bevolking, hebben zij zich ook niet ver
+over het stroomgebied van den Weichsel uitgebreid. Daarentegen heeft
+hun geslacht _deze_ rivier van de bron af tot aan de monding toe
+en schier al hare nevenrivieren, geheel bewoond.--Weichsel-land en
+Polen zijn dientengevolge twee namen, die men in aardrijkskundigen en
+geschiedkundigen zin, als woorden van gelijke beteekenis beschouwen
+mag.
+
+In het Weichsel-dal, van hare bronnen uit het Tatra-gebergte
+tot aan de monding, liggen de beroemdste plaatsen, oude en
+nieuwere Koningssteden, talrijke burgten van edelen, de beroemdste
+strijdplaatsen en parlementsvelden der Polen. Aan deze knoopen zich
+hunne dierbaarste herinneringen vast. Ter plaatse, waar de Weichsel
+de bergen verlaat, en waar zijne laatste vertakkingen in de vlakte
+uitsteken, blikt van een der uiterste bergtoppen, "Wawel" genaamd,
+het schouwtooneel van eeuwen oude sagen, het eens zoo prachtige,
+nu eenzame, vervallen Koninklijk slot der Jagellonen, op de beroemde
+stad neder, die het langst de hoofd- en krooningsstad van het Poolsche
+rijk en zijner Koningen geweest is. Met talrijke torens, prachtige
+kerken, ouderwetsche gebouwen die rijk aan monumenten zijn, strekt
+Krakau zich langs den voet der bergen in het Weichsel-dal uit. Oude
+grafheuvels, hoog als de pyramiden, liggen als stomme getuigen van een
+groot verleden in het landschap verstrooid, en onder deze den heuvel
+welken men den laatsten Pool (Kosziusko) oprichtte, tot welks bouw
+ieder patriot een hoopje aarde bijdroeg. Eens rijke en beroemde abdijen
+versieren den achtergrond van dit oude Persepolis der Polen. Ruïnen van
+talrijke burgten, deels de stamsloten van edele en beroemde geslachten,
+deels door de vorsten ter verdediging des lands gebouwd, stijgen in
+de bosschen op rotsen omhoog, en vormen een schilderachtigen krans
+langs den voet der Karpathen en langs de zijrivieren van den Weichsel,
+westwaarts tot naar Silezië en oostwaarts tot aan de Russische grenzen.
+
+Verder beneden Krakau, stroomt de Weichsel nog door menig fraai dal tot
+naar Sandomir, de hoofdstad van het oude Wojewodschap van den zelfden
+naam. Daar besproeit hij de vruchtbaarste velden van het land. De
+stamhuizen der doorluchtige familiën der Ossolinskij, der eens machtige
+Zborowsky, en vele oude Benediktyner en Cisterzienser-abdijen versieren
+den stroom, die op zijn linker-oever nog overal door schilderachtige
+rotswanden versierd is. Niet minder vruchtbaar zijn de, van Sandomir
+rivier-afwaarts liggende heuvelvlakten van het vroegere Wojewodschap
+Lublin, waar de tarwe den rijksten oogst geeft, en waarin, aan een der
+zijrivieren van den Weichsel, de oude eens volkrijke hoofdstad van
+gelijken naam, met vele paleizen van beroemde adellijke geslachten,
+kerken en kloosters versierd, ligt. Aan den Weichsel zelf volgt verder
+Kazimierz, met de ruïnen van het door Kasimir den Groote gebouwde
+slot, en verder benedenwaarts het door de edele Czartoryski's rijk
+versierde, door Poolsche en Fransche dichters bezongene en door de
+Russen verwoeste, wereldberoemde Pulawy; en zijwaarts aan de oevers
+eener zijrivier "Sobieska Wola", de zetel van Johan Sobiesky, den
+bevrijder van Weenen. Oostwaarts krijgt het landschap een ander
+karakter; in plaats van de heuvels ziet men groote vlakten, die
+zich verderop in de eindelooze moerassen van Volhynië verliezen. De
+Weichsel zelf treedt eerst bij de monding der Pilica, ongeveer in
+het midden van zijnen loop, geheel uit de zuidelijke hoogten des
+lands te voorschijn. Nu eerst verdwijnen zijne tot nu toe hooge,
+met bosschen omkranste, dikwijls romantische oevers, en nu vliet zij
+in een breed dal rustig naar het noorden. Op zijn westelijken oever
+verschijnt nu, op aangename hoogten gelegen, de residentie der latere
+Poolsche koningen, het prachtige en ongelukkige Warschau, dat altijd,
+als geheel Polen zelf, zijn voorhoofd (het bruggenhoofd Praga) naar
+het Oosten keerde, en in welks stadsgebied den ouden oostelijken
+erfvijand zoo veel schitterende slagen geleverd werden.
+
+Er zijn niet veel landen en volken, wier geheele geschiedenis en
+ontwikkeling, zich zoo om ééne rivier heen beweegt, zoo als het
+leven der Polen om hunne "Wisla". Van haar uit, die hun bij al
+hunne bewegingen tot operatie-basis diende, verbreidden de Polen
+zich hoofdzakelijk in drie richtingen, in welke zij hunnen invloed
+verder uitbreidden. Het eerste naar het zuid-oosten in de richting
+van den Dniepr, waar zij zich, in Volhynië en in de vruchtbare
+heuvelachtige streken van Podolië, verscheidene klein-Russische
+stammen en Vorstendommen onderwierpen, waar zij het oude Russische
+Kiew veroverden en beheerschten, en den Ruthenischen adel van het
+land poloniseerden.--Vervolgens naar het noord-oosten--naar de
+bosschen en moerassen aan den Niemen en aan de Duna, waar zij op
+de nog langen tijd barbaarsche en Heidensche Lithauers stieten,
+die hun eerst, door tallooze verwoestende invallen, verderfelijk
+waren, maar die zij sedert de 14de eeuw steeds meer en meer binnen
+den kring van hun nationaal-leven trokken. De Polen verwierven zich
+naast de Duitsche ridders de verdienste, deze streken en volken
+van Europa het Christendom te brengen en hen te vereenigen met de
+Roomsch-Katholieke Kerk. De Groot-Vorsten van Lithauen, de Jagellonen,
+die door huwelijk met de laatste Piastin Hedwig, de Poolsche kroon
+verwierven, werden daarbij zelven Polen. Ook nam ten lange laatste,
+in den loop der tijden, de geheele Lithauïsche adel de taal der Polen,
+die meer beschaafde natie aan, en daar hij eindelijk in alle opzichten
+gepoloniseerd werd, zoo deelt hij ook nu nog de Poolsche sympathiën. In
+direct oostelijke richting eindelijk, stieten de Polen op de eigenlijke
+Russische kern-landen. Hierheen zijn zij langs de zijrivieren van den
+Dniepr, langs den zelfden door de natuur aangegeven weg, waarlangs
+ook de grootste veroveraar onzer eeuw, Napoleon, het Oosten aanviel,
+ontelbare malen gemarcheerd en hebben zij, onder de Jagellonen en
+onder hunne heldhaftige koningen Stephanus Bathory en Johan Sobiesky,
+vele schitterende overwinningen op de Russen behaald.
+
+In het midden en tot na het einde der 16de eeuw had de heerschappij
+der Polen hare grootste uitbreiding gekregen. Toen waren zij, wat nu
+de Russen zijn, het machtigste volk in het Oosten van Europa. Toen
+hadden zij zelfs de geheele Duna- en Dnieprlinie in hun bezit. De
+witte Poolsche adelaar breidde zijne vleugels van de Oostzee tot aan
+de Zwarte Zee uit. Toen handelde de Poolsche partij en het leger,
+zelfs in Moskau, herhaalde malen naar goeddunken, en meer dan de
+helft der Russische volkeren stonden onder Poolschen invloed.
+
+De uitbreiding der Roomsch-Katholieke kerk, waarmede ook vele
+Russisch-Grieksche volken onder de heerschappij der Polen vereenigd
+werden, en met welke deze--zelfs na de slechts gedeeltelijk gelukte
+terugvoering der vereenigden, tot de Grieksch-Russische nationale kerk
+door keizer Nikolaas--nog heden ten dage vereenigd zijn, mag als een
+nu nog bestaand gevolg der uitgebreide Poolsche heerschappij beschouwd
+worden, en evenzoo de groote uitbreiding van Poolsche taal en zeden
+op Russischen ondergrond. In het vroeger door Russische Groot-Vorsten
+beheerschte Gallicië, in Volhynië en Podolië tot aan "het heilige
+Russische Kiew", in de geheele westelijke helft van Klein-Rusland
+of het Russinnen-land, is de Russische nationaliteit in hoogen graad
+uitgewischt. Van de familiën der Russische vorsten, de nakomelingen en
+opvolgers van Wladimir den Groote, die het rijk onder elkander verdeeld
+hadden, is niets meer over gebleven. Poolsche taal en Poolsche zeden
+hebben hier eene merkwaardige, beslissende en blijvende overwinning
+op het oudere Russendom behaald, en zijn langzamerhand tot in alle
+hoogere standen en klassen der maatschappij doorgedrongen. Zelfs
+de Grieksch-Slawische priesterschap heeft daar hare Russische taal
+vergeten. Zelfs in de vertrouwelijkste, alledaagsche gesprekken
+bedient men zich van de Poolsche taal, en het Russische dialekt is
+slechts aan het onbeschaafde landvolk eigen gebleven.
+
+Toen, ook gedurende de geheele 16de eeuw, in den glorierijken tijd
+der Sigismunden, der laatste Jagellonen, bereikten taal, literatuur
+en ontwikkeling der Polen hun toppunt, en deze tijd wordt dan ook
+hun "gouden tijd" genoemd. De wetenschappen verheugden zich in
+eene ongewone beoefening en gunst. Koningen en Magnaten stichtten
+akademiën. De naar het model van Praag ingerichte universiteit te
+Krakau, waarvan Copernicus lid was, telde niet minder dan over de 50
+drukpersen. Daar en ook buitenslands, in Duitschland, Frankrijk en
+Italië, bezochten de Polen de hoogescholen. Ook de Poolsche dames
+hadden hare bloeiende scholen in de kloosters, waarin zij zelfs
+de Grieksche en Romeinsche dichters lazen. De Polen wijdden zich
+met evenveel liefde aan de literatuur en de dichtkunst, als aan
+de wapens. En toen na het midden der 16de eeuw, eenige dezer goed
+ontwikkelde Polen in Parijs verschenen, om den door hen gekozen
+Koning Hendrik van Anjou te begroeten, schilderde een beroemd
+Fransch geschiedschrijver van dien tijd hen op de volgende wijze:
+"het geheele Parijsche volk," zegt de Thou, "stond verbaasd over
+de verschijning dezer Poolsche gezanten; over hunne fijne pelzen,
+hunne elegante en met edelgesteenten bezaaide kleederen, over hunne
+waardige en manhafte wijze van zich voor te doen, en vooral over de
+gemakkelijkheid, waarmede zij zich in het Fransch, Duitsch, Latijn
+en Italiaansch uitdrukten. Deze vreemde talen spraken zij, als hunne
+eigene. Zij spraken onze Fransche taal zoo zuiver en zoo juist, dat
+men zou kunnen gelooven, dat zij niet aan den Weichsel, maar aan de
+oevers der Seine geboren waren. Onze Fransche hovelingen schaamden
+zich voor hen, als onwetenden, en de meesten hunner antwoordden, als
+hunne Poolsche gasten met hen over wetenschappelijke zaken begonnen
+te spreken, slechts door teekens, en bleven blozend zwijgen. Aan het
+geheele Fransche hof vond men slechts twee mannen, die in staat waren
+die Polen in het Latijn te antwoorden."
+
+Een even vleiend getuigenis geeft Muretus, een der grootste geleerden
+der 16de eeuw, die door Koning Stephanus Bathory uit Italië naar
+Krakau beroepen werd, aan de Polen. "Onder onze Italianen," dus
+zegt deze beroemde man, "is nauwlijks één onder de honderd, die
+het Latijn verstaat of smaak voor de wetenschappen heeft. Onder de
+Polen daarentegen vindt men eene groote menigte mannen, die beide
+talen volkomen verstaan, en die eene zoo groote voorliefde voor de
+wetenschappen hebben, dat zij haar hun gansche bestaan wijden."
+
+Ook de aangelegenheden der steden en harer burgers, verkeerden toen
+in een betrekkelijk bloeienden en geregelden toestand, beschermd als
+zij waren door de stedelijke privilegiën. En zelfs de arme landman
+was nog ver van de vernedering, armoede en slavernij, waartoe hij
+later vervallen is. De tijd van den grooten Kasimir, die zich (in
+de 14de eeuw) den eeretitel van "den boerenkoning" verwierf, lag
+nog niet ver. Velen hebben zelfs beweerd dat, in de 14de, 15de en
+tot in de 16de eeuw, alle eeren en waardigheden in Polen, voor den
+wedijver en de deelneming van alle klassen ruimer waren opengesteld,
+dan in andere Europeesche landen. Verscheidene der beroemdste Poolsche
+mannen uit dien tijd behoorden oorspronkelijk tot den boerenstand.
+
+Sedert het uitsterven van den erfelijken koningsstam der Jagellonen (in
+het laatst der 16de eeuw), verminderden de bloei en de macht van het
+Poolsche volk, en gedurende de 17de eeuw gingen de zaken een snel en
+steeds sneller verval te gemoet. De monarchie werd een kiesrijk. Het
+kiezen der koningen begon hevige oneenigheden te veroorzaken, en
+duizende edellieden verzamelden zich daartoe gewapend op het veld bij
+Warschau, en kampeerden daar, in op elkander verbitterde partijen
+gescheiden, dikwijls zelfs als vijanden des lands, in tegenover
+elkander liggende legerplaatsen. De wijze waarop de verkiezing van
+een Koning plaats had, en de den koningen voorgelegde voorwaarden,
+werden telkens veranderd. De eene nieuwigheid volgde op de andere. En
+bij iedere schrede verder werden de, voor het geheel en de eenheid
+zoo weldadige, prerogatieven der kroon, verzwakt; terwijl intusschen
+de macht en de overmoed van den adel steeds toenam, zonken de lagere
+volksklassen, door den adel in het stof vertreden, in steeds dieper
+ellende en werden zij hoe langer zoo minder beschermd.
+
+De adel matigde zich zulke groote persoonlijke privilegiën en vrijheden
+aan, dat hij ten laatste niet meer in staat was een politiek geheel
+te vormen. Ieder dezer Poolsche edellieden bezat op zijn grond en
+bodem de rechten van een souverein, daar was hij als het ware, een
+onafhankelijk koning. De wetgeving van het volk en den staat betrof
+slechts zijn stand. Tegenover zijne vazallen, ondergeschikten en
+lijfeigenen, regelde hij zelf de wetgeving, was hij zelf rechter en
+onbeperkt souverein. De Poolsche staat, dien men eene republiek noemde,
+was ten laatste niets anders dan een bondgenootschap van ontelbare
+kleine despoten. En deze despoten verbonden zich onder elkander niet
+alleen tegen hunne lijfeigenen, tegen den koning en het rijk, maar
+ten laatste ook tegen de hun vijandige fractiën hunner eigene kaste.
+
+De merkwaardigste en verderfelijkste politieke instelling van geheel
+eigenaardige Poolsche vinding, is echter het beruchte "vrije veto",
+treuriger nagedachtenis, geweest. De voorstellingen van het ideaal
+van persoonlijke vrijheid en individueele onbeperktheid van macht
+van den edelman, ontaardden bij de Polen zoover, dat zij de, in geen
+anderen beschaafden staat ooit gehoorde bepaling vaststelden: een lid
+der republiek, d.i. een edelman, mag onder geene voorwaarde, zelfs
+niet door de meerderheid der natie gedwongen worden, eenig besluit,
+eenige wet of eenige keuze aan te nemen, als hij niet zijne vrije
+persoonlijke toestemming geven wil. Men gaf aan ieder afzonderlijk
+het recht zijn "_Nie pozwalam_" (ik _wil_ het niet) tegen den wil
+van de meerderheid te stellen, en een enkel stijfhoofdig of door
+vreemde invloeden gewonnen individu, kon daardoor de meerderheid
+machteloos maken. De geschiedenis levert ons geen tweede voorbeeld
+van eene dergelijke staats-instelling. Door de steeds toenemende
+ontwikkeling en doorzetting van deze onzinnige grondstelling,
+ontnamen de Polen aan hunnen staat alle stabiliteit, maakten dien
+en het volk, om zoo te zeggen _onmogelijk_. Een volk met zulke
+allerdolste aristokratische idealen in het hoofd, _moest_ weldra den
+ondergang gewijd zijn. Daardoor werd aan de partijschappen van binnen,
+en aan het ingrijpen van vreemde machten van buiten, deur en poort
+geopend. Polen werd een nimmer rustende vulkaan, die zich zelven
+vernietigde, de vreemdelingen in het land lokte en ten slotte onder
+zijne eigene ruïnen begraven werd.
+
+De dubbelgangers der Polen, hunne mededingers en naburen, de Russen,
+die zich sedert het begin der 16de eeuw onder het Vorstenhuis
+der Romanows, tot een steeds machtiger en steeds verder om zich
+heengrijpenden staat gevormd hadden, begonnen nu zich van den invloed
+der Polen, die hen eens overweldigd hadden, vrij te maken, en hun de
+eene oostelijke provincie voor, de andere na te ontnemen.
+
+Kort na het midden der 17de eeuw, kregen zij de zuidelijke helft,
+van de sedert langen tijd aan de Polen behoord hebbende provinciën,
+oostelijk van den Dniepr, de Ukraine, het geheele land der Kozakken en
+voor de tweede maal Smolensko, dat zij reeds eenmaal, in het jaar 1500
+veroverd hadden--in den loop der 18de eeuw door de reeks zoogenaamde
+verdeelingen van het snel verzinkende Polen, die elkander slag op slag
+volgden, het eerst in het jaar 1772, de rest van het land oostelijk
+van den Dniepr, het vorstendom Witepsk; vervolgens in 1793 het land
+westwaarts langs den Dniepr, Podolië en de rest van Klein-Rusland, twee
+jaren later in 1795 het voornaamste gedeelte van Lithauen, benevens
+Koerland en Volhynië. Het Weichsel-land kwam bij deze deelingen ook
+gedurende korten tijd onder Oostenrijk en Pruissen. Maar sedert 1815
+heeft Rusland ook dit voorname stuk, het geheele middenste gedeelte
+van het oude nationale Poolsche Weichsel-land in bezit genomen,
+en nu zijn sedert dien tijd, verreweg de meeste der eens door de
+Polen bevolkte of bezette landstreken, hunnen vijandigen broeders,
+den Russen, onderworpen. Aan Pruissen is slechts de kleine oude
+Poolsche wieg aan de Warthe en den zoom der Oostzee-kusten, en aan
+Oostenrijk de fraaie Poolsche landschappen aan den noordelijken rand
+van den Karpathen-muur ten deel gevallen.
+
+
+
+Bij hun uitstekenden aanleg, niettegenstaande hunnen moed en
+ridderlijken zin, schijnen aan de natuurlijke geaardheid der Polen,
+van den aanvang af, en meer dan ooit in de laatste tijden van
+hun staatkundig bestaan, vele eigenschappen ontbroken te hebben,
+die bijzonder geschikt zijn het geluk van staten en volken te
+grondvesten. Men heeft hen de genialen maar buitensporigen, en ook
+wel den "verloren zoon" van moeder Europa genoemd. Vooral schijnt hun
+niets van den spaarzamen, huishoudelijken, industrieelen en nijveren
+zin, die onder vele andere goede hoedanigheden de Germaansche volken
+kenmerkt, eigen geweest te zijn. Van hen is het spreekwoord afkomstig:
+"op de jacht een haan dooden en aan den maaltijd een os eten." En
+de uitdrukking "'t ziet er Poolsch uit," is ook bij ons, in de
+beteekenis van een verward staatsbestuur en ongeregelde huishouding,
+spreekwoordelijk geworden.
+
+Ofschoon groote beminnaars van poëzie en muziek, hebben zij zich
+nooit met goed gevolg op handel, handwerken en kunsten toegelegd,
+en worden bij hen niet de geduldige, werkzame, zeer te waardeeren
+middenklassen gevonden, die voor iedere menschelijke maatschappij zoo
+weldadig en noodzakelijk zijn, en die haar eerst volkomen maken. Zij
+waren altijd de uitersten toegedaan. Daar oorlogsroem, heerschappij,
+een schitterend, teugelloos en ongebonden leven, voor hen de hoogst
+mogelijke bekoorlijkheid bezat, zoo moesten, opdat dit alles aan
+_eenigen_ ten deel zou vallen, _velen_ tot afhankelijkheid en tot
+harden slaafschen arbeid gedoemd worden. De bescheidene idealen van
+een vrijen, nijveren boer, of van een eerzamen, vlijtigen burger, zijn
+dingen, waarvan de Polen zich nooit een goed denkbeeld hebben kunnen
+vormen. De adel was de spil, waarom bij hen alles draaide. Wie slechts
+het geringste grondbezit machtig was, wilde bij hen stedelijk edelman
+en magnaat worden. Scheppende handels- en nijverheids-koloniën zijn
+nooit van de Polen uitgegaan, alleen adellijke- en militaire koloniën.
+
+De Polen vormden in deze hunne neigingen, een groot kontrast met de
+naburige Duitschers, die in alle takken van het menschelijke kunnen en
+volbrengen, een zoo ernstigen, volhardenden en werkzamen zin bezaten,
+en hoofdzakelijk daardoor op de Polen zulke merkwaardige overwinningen
+behaalden. Als nijvere en ondernemende kooplieden, hebben de Duitschers
+namelijk den Polen de lange kuststreek langs de Oostzee weggenomen,
+en hier, van Dantzig over Koningsbergen, Memel en Libau tot aan Riga,
+langs de geheele kust van het oude Poolsche rijk, eene reeks bloeiende
+Duitsche handels-koloniën gesticht. De Polen hebben zich door hen
+overal van den levenwekkenden adem der zee laten afsluiten. Eens (in
+het laatste der 15de eeuw) hebben zij deze streek Duitsche koloniën
+wel voor eenigen tijd heroverd, hebben zij hunne grenzen weder tot
+de zee uitgebreid, en, naar men zegt, toen zij destijds de Baltische
+zee zagen, van blijdschap gedanst. De Polen dansten en zongen wel,
+maar zij verstonden de kunst niet, zich de zee ten nutte te maken. De
+Duitschers gingen, zelfs onder Poolsche opperheerschappij, voort, van
+de zee gebruik te maken, en bleven daardoor de eigenlijke bezitters en
+voordeeltrekkenden van het strand. Na eenigen tijd maakten zij zich ook
+in politieken zin weder onafhankelijk van de Polen, sneden dezen weder
+geheel van de zee af, terwijl zij langs de kust alles germaniseerden,
+en de Polen noodzaakten zich tevreden te stellen met de moerassen en
+wouden van het binnenland. Ook in vele gedeelten van dit binnenland
+drongen de bedrijvige Duitschers binnen, en vormden zij bij de Polen,
+even als bij de Tschechen en Magyaren, het wezenlijk element der
+bevolking van de steden.
+
+Met de Duitschers, maar in veel grooter aantal dan deze, kwamen
+de Joden in het land en namen bij voorkeur de uitoefening op zich,
+van verscheidene der burgerlijke bedrijven, waarvoor de Polen geen
+aanleg of lust hadden. Zij, de kinderen Israëls, vonden bij de Polen
+een zoo gunstig terrein, dat zij in alle steden, dorpen en gehuchten,
+waar Polen woonden en heerschten, als handwerkslieden, kunstenaars
+en kramers, de ledige ruimte binnendrongen die zij in het Poolsche
+nationale-zijn vonden, en hier weliger tierden dan in eenig ander land
+van Europa. Zij vormden een surrogaat voor de den Polen ontbrekende
+midden-klasse, en als 't ware den derden stand van het volk, daar zij
+het midden hielden tusschen de overmoedige heeren en de ellendige
+onwetende lijfeigenen. Terwijl echter in andere landen "de derde
+stand" eene weldaad is, zijn deze Joodsche burger-gemeenten in Polen
+dikwijls eene plaag voor het land geweest, en toch eene onontbeerlijke
+toevoeging. Zooals de Duitschers door hunne meerdere beschaving, en de
+Joden door hunne rustige industrie, zoo hebben de nationale vijanden
+der Polen, de Russen, in den loop der tijden de overwinning op hen
+behaald door de enkele hoedanigheid: gehoorzaam en ondergeschikt te
+zijn aan een leidenden wil, welke hoedanigheid de Russen in hooge
+mate bewaard of zich eigen gemaakt hebben, ofschoon zij overigens,
+in hunnen geheelen verstandelijken en lichamelijken aanleg, vooral
+niet boven de Polen staan.
+
+Men heeft meermalen de Polen de Franschen van het Noorden
+genoemd. Even als deze zijn zij levendig, vlug en bevattelijk, maar
+tegelijkertijd ook even als deze onbestendig. Altijd zijn zij bij
+dans- en vechtpartijen en bij drinkgelagen vooraan. Zelfs de ouderen
+van dagen bij de Polen, wier hoofden reeds grijs zijn, hebben nog
+iets van het vlugge der vechtersbazen der universiteiten. Evenals
+de Franschen bezitten de Polen eene elasticiteit, die hen zich in
+alle omstandigheden doet schikken, alle indrukken doet volgen en
+geene blijvend aanneemt. Hun doen en hun denken zijn eeuwigdurend met
+elkander in strijd. Evenals het de menschelijke ziel in het algemeen
+eigen is, de sterkste tegenstellingen in zich op te nemen, zoo weet
+zulks de Pool in hooge mate te doen.
+
+Jaren lang leven zij onbezorgd, vroolijk daarhenen, maar plotseling
+rapen zij alle krachten samen tot het bereiken van een of ander
+doel, dat hunne geestdrift heeft opgewekt, en weten zij een tijdlang
+met veel energie te handelen. Onverschillig, oppervlakkig en alles
+veroordeelende, beschouwen en bespreken zij menschen en zaken, maar
+vatten vervolgens op eens haat of liefde voor een persoon of eene
+zaak op. Heden vieren zij een feestdag met boete en gebed, morgen
+een luidruchtig carneval in vroolijkheid en brooddronkenheid. Het
+eene uur spreken zij vol geestdrift over vrijheid en menschenrechten,
+en in het volgende zondigen zij, misschien hoogst ondoordacht, daar
+tegen, in de behandeling hunner bedienden en ondergeschikten.
+
+Geestdrift en apathie, ijver en nalatigheid, toegeving en tegenstand,
+verkwisting en gierigheid, al deze tegenovergestelde eigenschappen
+treden in de geschiedenis der Polen, even als in hun dagelijksch
+leven, duidelijk te voorschijn. En evenzoo ook de grootst mogelijke
+trotschheid naast de vernederendste onderworpenheid. Een duidelijk
+bewijs hiervan geeft het reeds vermelde "_Nie pozwalam_," dat een
+Poolsch edelman, in het gevoel zijner souvereine grootheid, tegenover
+de besluiten stelde van het parlement en den wil van het geheele volk,
+alsmede de in Polen zoo gebruikelijke phrasen, "ik kus uwe voeten" of
+"ik val onder uwe voeten," uitdrukkingen, die bij alle klassen van
+Polen, eene even gewone uitdrukking van dank is, als in Weenen het
+welbekende maar veel gematigder, "ik kus u de hand"--"Maar"--zegt
+eene talentvolle schrijfster, die over de Polen schreef--"al deze
+verschillende, afwisselende, in elkander overgaande, dikwijls moeielijk
+van elkander te onderscheiden eigenschappen van het Poolsche nationaal
+karakter te schilderen, is bijna even moeielijk als eene poging om
+de kleuren van den vleugel eener kapel te analiseeren. Reeds door
+het aanraken wischt men het teere en bonte email weg."
+
+Een hoogst elastische zin, die zich over alles heen zet, niet
+bevreesd is voor de toekomst, het verledene niet betreurt, eene
+krenking--trouwens ook dikwijls eene weldaad--spoedig vergeet, onder
+alle omstandigheden een goed gelaat bij een slecht spel tracht te
+zetten, lachend alles verdraagt, zoo een zin is het erfdeel van
+alle Polen.--Met verwondering ziet de vreemdeling, zelfs de meest
+verwenden onder hen zich schikken in de ongemakken eener reis, de
+onaangenaamheden eener slechte tijdelijke woning, de misgrepen hunner
+boersche bedienden, het lastig indringen van Joodsche handelaars--dit
+alles ziet hij met de beminnelijkste luim verdragen.
+
+Zij lachen met het moeielijke en vermaken zich over hetgeen anderen,
+namelijk de met hen vergeleken, weekelijke of zwaartillende Duitschers,
+vertoornen, althans wrevelig maken zou.
+
+"Poolsche edellieden en vorsten, die in hunne eigene huizen door
+alle mogelijke luxe omgeven zijn, die meestal veel gereisd hebben en
+met al de genietingen van groote hoofdsteden bekend zijn, kan men
+_con amore_ in de kleine, vuile Joodsche stadjes van hun land zien
+rondwandelen--in de onzuivere logementen hun intrek zien nemen,
+in de nauwe, donkere winkels hunne inkoopen zien doen, zich zien
+amuseeren met de, in de rookerige schouwburgen der groote steden,
+gegevene ellendige opvoeringen van deze of gene reizende troep, of
+met het oorverscheurend spel van dezen of genen reizenden virtuoos,
+of wèl dagenlang in harde britschen op hobbelige wegen zien rijden,
+om eene wolf- of rendier-jacht bij te wonen. En dit alles ziet men hen
+met zoo veel beminnelijke vroolijkheid en natuurlijkheid doen, dat men
+hen, die genoegens vinden waar anderen niets dan moeielijkheden zien,
+moet bewonderen."
+
+Met deze, den Polen eigene, elasticiteit gaat hunne rusteloosheid--die
+hen van de stad naar het land, van het eene slot naar het andere
+doet gaan, die hun eene aanhoudende reislust als ingeënt heeft,
+ja hen in hunne huizen onophoudelijk de bestemming en de inrichting
+hunner kamers en de plaatsing hunner meubels doet veranderen, en dus
+eeuwig aan de in het Oosten van Europa ingewortelde nomaden-natuur
+doet herinneren--hand aan hand. Men zou meenen, in eene Poolsche
+huishouding eene afbeelding in het klein voor zich te hebben, van
+hunne vroegere huishouding van staat, waarin ook, even als in een
+kaleidoskoop, alles door elkander gewerkt werd.
+
+Ook de hartstocht voor het spel, behoort tot de schaduwzijden in
+het karakter van den Pool, die samenhangen met zijn lichtzinnigen,
+vluchtigen, onstandvastigen, avontuurlijken, naar opwekkingen
+verlangenden zin. Deze hartstocht schijnt nu nog, even als ten tijde
+van Tacitus de Duitschers, alle klassen der Polen te beheerschen. Niet
+alleen de heeren in de zaal, maar ook de bedienden in de voorzaal,
+de soldaten in de kazerne, de boeren voor hunne hutten ziet men zich
+met kaart- en dobbelspel bezig houden. Somwijlen echter behaalt eene
+andere edeler zucht, de overwinning op dezen hartstocht voor het
+onzalige en het geluk van vele familiën verwoestende spel, namelijk
+hunne voorliefde voor den dans. Ook deze is den Polen, evenals allen
+Slawen, aangeboren. Zij geven zich daaraan, zoowel op hoogen ouderdom
+als in de jeugd over, en de dans vermag zelfs levensmoede voeten
+nog op te wekken tot eene mazurka, dezen levendigen, sierlijken,
+afwisselenden, alle ledematen elektriseerenden, half militairen
+nationalen dans, die zoo juist de uitdrukking der opgewekte, schielijk
+tot hartstochtelijkheid overslaande Polen-natuur schijnt te zijn.
+
+De gastvrijheid der Polen is, even als die van alle Slawen, van
+oudsher beroemd geweest. Zij oefenen die op de grootst mogelijke wijze
+uit. Niet alleen hun lust tot verkwisting en opschik, hun genot om
+pracht en luxe te kunnen ontwikkelen, hunne begeerte zich in het midden
+van een door hen beschermden en hen daarvoor huldigenden kring te zien,
+maar ook eene natuurlijke goedhartigheid en mededeelzaamheid drijft
+hen daartoe aan. Men treft daarom deze nationale deugd in het geheele
+land aan, zoowel bij de geringen als bij de grooten, ieder naar zijne
+krachten en omstandigheden, ja zelfs te midden der tegenwoordige zoo
+afhankelijke, gedrukte en verwarde omstandigheden van het volk.
+
+In het oude Polen heerschte de gewoonte, dat de rijke Magnaten of
+"Pake," in hunne huizen eenige edellieden, aanverwanten of vazallen
+met hunne vrouwen en kinderen bij zich opnamen, die zij "residenten"
+noemden, en die geene andere verplichting hadden, dan den geheelen
+trein van het slotleven mede te maken, en zooveel in hun vermogen was,
+tot den glans der familie bij te dragen. Toen vond men in de Poolsche
+wouden zulke groote paleizen, zooals b.v. dat der beroemde familie Pac
+er een was, dat het trotsche, reeds in de verte zichtbare opschrift
+droeg: "dit paleis behoort aan Pac, en dit paleis is Pac waardig,"
+en waarin somwijlen behalve de hoofdfamilie en de, aan het paleis
+geattacheerde "residenten" en de soldaten, die vroeger de Poolsche
+souvereine magnaten gewoon waren om zich te verzamelen, wel duizende
+menschen samen huisden.
+
+Zoo iets ziet men tegenwoordig niet meer, maar wel is men thans nog,
+en niet alleen bij de Pac's en de Branitzky's, Potozky's en Sapreha's,
+maar ook op de kleiner adellijke goederen, er op ingericht, geheele
+familiën met hunnen trein van bedienden, paarden en rijtuigen op
+te nemen, en daarbij ontzegt men zichzelven dikwijls, ten gerieve
+der vreemdelingen, de gewone gemakken. Op den middagdisch staan
+couverts voor onverwachte gasten gereed, en gaarne bespaart men
+zelfs aan doortrekkende reizigers, die men ter nauwernood kent,
+het onaangename rusten in ongemakkelijke logementen. En zoo ziet
+zich zulk een doortrekkend reiziger, tot zijne groote verwondering,
+dikwijls midden in de Poolsche heiden en steppen, plotseling als door
+een tooverslag in hoogst aangename kringen verplaatst, waarin hij
+zich gedurende eenigen tijd aan al de gezellige genoegens van het
+slotleven, aan jacht, renpartijen, dans en spel, aan het tooneelspel,
+aan levende beelden, aangename conversatie en andere genoegens,
+op Poolsche wijze kan vergasten. De Polen zijn aan deze gezellige
+manier van leven zoo gewend, dat zij er niet meer buiten kunnen. En
+wanneer men hun vertelt, dat in Engeland en in Nederland b.v.,
+dikwijls de heer des huizes alleen met zijne vrouw en kinderen
+aan den middagdisch of aan de theetafel zit, dan roepen zij uit:
+"_Ah! que c'est triste_!" en vergeten geheel, dat dit toch ook eene
+zeer prijzenswaardige huiselijkheid is.
+
+De Polen worden om zoo te zeggen midden in de drukten en de genoegens
+van het "gezellig samenzijn" geboren, en van de wieg af, in en voor
+hetzelve opgevoed. Zoodra een jong Poolsch edelmannetje alleen op
+zijn stoel zitten en op zijne voeten staan kan, tafelt en danst hij,
+converseert hij en maakt hij pret met de grooten, vermoedelijk niet
+ten voordeele zijner lichamelijke en verstandelijke gezondheid,
+ofschoon daardoor de in Polen zoo onontbeerlijke gehechtheid aan
+het gezellige, wel in de hand gewerkt wordt. De Polen sterven ook
+niet gaarne in de eenzaamheid, liefst zoo mogelijk te midden eener
+talrijke omgeving. Daarvan zal ik een merkwaardig geval, dat ik zelf
+ten deele mede beleefde, mededeelen: eene voorname Poolsche dame,
+die tachtig jaren te midden van den maalstroom van haren grooten
+huiselijken kring geleefd had, kon ten laatste niet meer in persoon
+bij de feesten van haar huis verschijnen. Zij liet haar ziekbed daarom
+dicht bij de prachtige zaal, waar hare gasten zich iederen avond aan
+allerlei genoegens overgaven, overbrengen. Men ging nu en dan achter
+het beschot, dat de beide vertrekken van elkander scheidde, naar haar
+toe, om haar te vertellen: wie met de schoone Gravin T. de mazurka
+danste, wie met mejufvrouw P.; en toen zij geen dans of muziek meer
+verdragen kon: welke whistpartijen er gemaakt waren, wie gewonnen
+en wie verloren had en verder wat er al zoowat in de zaal gepraat
+was. Eens op een avond, toen de gasten weder als naar gewoonte een
+tijd lang bij elkander gezeten hadden, werd plotseling iets van tafel
+tot tafel gefluisterd. De elegante heeren legden de kaarten neder,
+stonden op en gingen zacht heen. De bedienden bliezen de lichten
+uit.--Hunne oude vriendin en meesteres was zooeven, gedurende de
+soirée, zacht ontslapen.
+
+Men behoeft slechts korten tijd in zulk een Poolsch huis doorgebracht
+te hebben, om te weten welken grooten invloed de vrouwen in Polen
+uitoefenen. Over het algemeen munten zij uit door lieftalligheid
+en gratie, zij deelen den levendigen, lichtzinnigen en ook den
+ridderlijken geest van het andere geslacht. Daarbij hebben zij
+meermalen eene grootere mate van ontwikkeling, en dikwijls zelfs eene
+grootere wilskracht en vastheid van karakter, dan de mannen. Zij zijn
+de eigenlijke gebiedsters der gezellige samenleving, en zijn steeds
+ingewijd in de belangrijkste plannen der mannen. Ja! zij leiden deze
+dikwijls met groote behendigheid en voorzichtigheid, iets wat tot op
+den laatsten tijd door de politieke en bloedige gebeurtenissen in dit
+land bewezen is, daar de Poolsche vrouwen niet alleen ruimschoots voor
+het vaderland offerden, maar ook aan den strijd voor het vaderland
+deel namen en geen gevaar ontzagen. Algemeen bewonderd en om haar
+droevig uiteinde betreurd, werd in lateren tijd eene dezer schoone en
+edele kampvechtsters voor het vaderland, de heldhaftige Gravin Helena,
+uit het vaderlandslievende geslacht der Graven Plater. Maar men zou
+een boek kunnen vullen met de levensgeschiedenis van teedere Poolsche
+vrouwen, die, even als de maagd van Orleans, hare borst ten dienste
+van het vaderland gepantserd hebben en de uhlanen-lans tegen de Russen
+en andere vijanden hanteerden. In onbaatzuchtigheid en opoffering
+hebben deze Poolsche vrouwen meermalen de partij- en ijverzuchtige
+mannen overtroffen, en een Fransch geschiedschrijver heeft daarom
+niet geheel ten onrechte gezegd, de kreet: "_Finis Poloniae_" zou
+nooit weerklonken hebben, als men de Poolsche vrouwen gevolgd was.
+
+Dit "_Finis Poloniae_" is een treurkreet die dikwijls herhaald werd,
+maar die alleen waarheid behelst en van gewicht is, met betrekking
+tot het oude politieke staatsgebouw van Polen. Dit is inderdaad in
+elkander gestort en dood, maar als volk zijn de Polen nog volstrekt
+niet opgelost of gestorven. Hun ras is, als zoodanig, niets minder
+dan wegkwijnend of ziekelijk. Veeleer worden bij hen overal, even als
+vroeger, de krachtigste vrouwen en mannen geboren, en deze hebben ook
+weder in den loop dezer eeuw, zoowel buiten hun vaderland, in Italië,
+Spanje en andere landen, met hun ouden, hun eigenen moed gestreden,
+als binnen de grenzen van het Weichselland wonderen van dapperheid
+tegen de Russen en Kozakken verricht. Evenmin als met het oog op
+hun bloed en hun ras, kunnen de Polen, wat hunne moreele toestanden
+betreft--eenigzins zooals de bandelooze Romeinen tijdens de oplossing
+van hun rijk--als geheel ontaard of vervallen worden beschouwd. De
+godsdienst, het gewichtigst element van ieder "vaderland" is nog
+altijd een heilig goed voor het volk. In vele oude vrome gebruiken
+en gewoonten openbaart zich hun godsdienstzin. Onder het uiterlijke
+van een vroolijken wereldzin, bemerkt men, zelfs bij hunne hoogere
+standen, eene opvallende neiging tot dweepzucht en geestdrijverij. Men
+ontwaart bij hen een jeugdig gevoel voor het verhevene, geheimzinnige,
+wonderbaarlijke, waarin zij zich gaarne verdiepen. Zelfs de grijsaards
+bij de Polen dweepen nog dikwijls als jongelingen, terwijl bij andere
+volken, b.v. bij de Franschen, dikwijls jongelingen als grijsaards
+keuvelen.
+
+Het allerminst echter vindt men bewijzen van kwijning in de taal
+en literatuur der Polen. Te midden van hunnen politieken winter is
+veeleer voor hunne taal en literatuur eene nieuwe lente ontstaan. In
+het laatst der vorige eeuw was in geheel Polen weinig verstandelijke
+beweging. Ja! verscheidene gedeelten van Polen, b.v. Gallicië,
+werden nog in het begin der tegenwoordige eeuw als een literarisch
+China beschouwd. In geheel Polen verscheen nauwelijks eene courant,
+nauwelijks een periodiek blad, om de wereld te bewijzen, dat daar
+eens een Sigismundische tijd bestaan had.
+
+Sedert de tijden van Napoleon, later sedert het jaar 1830 en nog
+later sedert 1848, is dit echter aanzienlijk veranderd. Ofschoon ook
+in deze jaren, bij vergeefsche pogingen, nieuwe politieke ongelukken
+de Polen troffen, hebben zij toch op nieuw de lier gegrepen, en is
+uit de oude, nog niet opgedroogde bron der poëzie een frissche stroom
+ontsprongen. Hunne taal heeft zich aanhoudend verrijkt en veredeld. Wat
+zij niet in Polen zelf, in deze hunne oorspronkelijke en van nature
+krachtige taal, denken, schrijven en drukken durfden, dat hebben zij
+in Parijs, Londen, Duitschland, Amerika en andere landen in het licht
+gegeven. Er zijn weinige plaatsen, die door hunne drukkerijen bekend
+zijn, in de wereld, waar ook geene Poolsche boeken gedrukt worden. En
+zooveel beroemde dichters als de Polen nu hebben, hadden zij vroeger
+bijna nooit. Al die dichters, wel verre van aan een voortbestaan
+van hun volk te twijfelen, verkondigen veeleer op profetischen toon,
+de heerlijkheid, de weder opstanding en den krachtigen roem van hun
+ongelukkig vaderland. Ja! de eerste dichter der Polen, hun Byron
+Mickiewitz, een echte zoon van het land, noemt zijn volk zelfs:
+"het toekomstige middelpunt, het leven wekkende brandpunt van het
+geheele Slawendom."
+
+Dit alles zijn zeker geene kenteekenen van een inwendig verval van
+den geest des volks, en eener oplossing van zijn bloed en ras. Veeleer
+geeft dit alles ons het recht, trots het treurige "_Finis Poloniae_"
+van Kosziusko, aan het populaire "_nog is Polen niet verloren_"
+te gelooven, als wij ook al niet kunnen zeggen, hoe hetgeen men met
+eenig recht meent te mogen voorzien, werkelijkheid zal worden.
+
+
+
+
+
+
+DE RUSSEN.
+
+
+In de uitgestrekte middelste streken van het tegenwoordige Rusland,
+in de boschrijke bron-gebieden van Don, Wolga, Duna en Dniepr, in het
+heuvelachtige en vruchtbare Moskovieten-land, hebben sinds onheugelijke
+tijden de Slawische voorvaderen der tegenwoordige Russen den grond
+bebouwd, en het land met hunne van hout vervaardigde huizen en dorpen
+gevuld. Reeds de vader der geschiedenis wijst waarschijnlijk op hen,
+wanneer hij spreekt over "de landbouwende of Koninklijke Skythen,"
+en latere schrijvers der Byzantijnen spraken dikwijls over hen onder
+den naam "Anten" (of Wanten?) wat wellicht niets anders is dan ons
+"Wenden."
+
+Hoe en wanneer zij in die streken kwamen, weten wij niet. Veel echter
+(zelfs ook verscheidene der eerste, door de Grieken tot ons gebrachte,
+namen der rivieren, die duidelijk van Slawischen oorsprong zijn),
+spreekt er voor, dat hier hun oud Europeesch vaderland was. Hunne
+stammen, die reeds door tijdgenooten van Constantijn den Groote,
+zeer talrijk en volkrijk genoemd werden, vulden het binnenste der
+"_immensa spatia_" van het breede oostelijk uiteinde van Europa.
+
+Van de zeebekkens, die de wiegen der Europeesche beschaving geweest
+zijn, waren zij door andere, hun voorgeschovene volken en landen
+uitgesloten, in het zuiden van de Zwarte Zee door de groote steppen,
+die altijd door herdersvolken bewoond waren, in het westen door de,
+door Lithauers en Finnen bewoonde, moerassen van de Baltische Zee, en
+in het noorden van de Witte- en Pool-Zee door onmetelijke wouden en
+de daarin wonende Finsch-Uralische volken. In het oosten hadden zij
+het groote Azië der Tartaren en Mongolen. Van het middel-Germaansche
+Europa waren zij door andere Slawische volken gescheiden.
+
+De tijd hunner, ons ten eenemale onbekende, kindsheid, zal wel
+in ontelbare oorlogen en worstelingen met de hun naburige volken
+vervlogen zijn, en naar het schijnt hebben de voorvaderen der Russen
+daarbij meer eene lijdelijke dan eene overwinnende rol gespeeld. Als
+hun voortijd bijzonder schitterend en roemrijk geweest was, dan zou
+hij niet zoo duister zijn.
+
+Reeds het vroegste schemerlicht der geschiedenis toont ons de Russische
+Slawen, als zijnde in eene afwisselende afhankelijkheid, aan de _eene_
+zijde van de _Germanen_, die van oudsher de Baltische zee beheerschten,
+en aan de _andere_ zijde van de _Aziatische Nomaden_. Van beide zijden
+werden zij herhaalde malen tot onderwerping en dienstbaarheid gebracht,
+hetgeen op hun karakter en hunne wijze van zijn niet zonder invloed
+bleef, en deze naar die der overheerschers wijzigde.
+
+Reeds het eerste volk, dat al lang voor Christus geboorte, de oude
+Hellenen als het ten Noorden van den Pontus gebiedende, noemden,
+"de nomadiseerende Skijthen", bestond vermoedelijk uit dergelijke
+Tataarsche herders-stammen, zooals die hier later ook nog dikwijls
+verschenen. Hunne heerschappij omvatte een groot deel van het
+tegenwoordige Rusland, en de Noord-Oostelijke Slawen zelfs, waren
+onder den naam "Skijthen" even goed begrepen, als tegenwoordig
+ontelbare volken onder den triomfeerenden naam "Russen" verdwijnen,
+ofschoon zij van geheel ander bloed en stam zijn.
+
+In de derde en de vierde eeuw na Christus, kwamen de Germaansche
+Gothen over de Oost-zee, en marcheerden veroverend door de groote
+landschappen heen tot aan den Pontus. De zich hier met der woon
+gevestigd hebbende Slawen, werden nu onderdanen van den, in het
+Oosten van Europa eene groote heerschappij hebbenden, Gothen-Koning
+Hermarich. Na de overwinning op deze Gothen, ketende weder de Tataren-
+of Hunnen-koning Attila de Slawische onderdanen der Gothen aan zijne
+zegekar, en voerde hen als zijne rekruten of trawanten ter slachtbank,
+op de door hem uitgekozene strijdplaatsen in westelijk Europa. Den
+Hunnen volgden uit het Oosten hunne broeders, de Normandische Avaren
+en Chazaren, die weder, ten tijde van Karel den Groote, dergelijke
+uitgestrekte rijken stichtten ten koste der Russische Slawen, en den
+geessel boven hunne hoofden zwaaiden.
+
+Tegen de Chazaren riepen de geplaagde Slawen vervolgens--wederom--de
+hulp in van hunne westelijke nationale-vijanden, de Skandinavische
+Noormannen, en deze kwamen sedert het midden der 9de eeuw, andermaal
+over de Oost-zee, langs denzelfden weg, waarvan in latere tijden de
+Zweedsche Koning Karel XII gebruik maakte, Onder hunnen beroemden
+aanvoerder Rurik (Roderik?) en zijne strijdgenooten, bevrijdden de
+Zweedsche Wäringer of Waräger (d.i. de verbondenen) het Slawenland
+van de Aziaten, maar maakten het aan zich zelven onderdanig.
+
+Dezen Germaanschen strijders, die echter ook vele uitstekende
+eigenschappen als staatsmannen en wetgevers moeten bezeten hebben,
+gelukte het voor de _eerste maal_, de Slawische stammen tot een
+duurzaam geheel, tot een staat aaneen te smeden, wat de Slawen, tot
+dien tijd toe, uit eigene krachten niet hadden kunnen doen. Daar de
+Ruriks en hunne opvolgers zich geheel van hun eigen vaderland los
+maakten, eerst in Nowgorod en vervolgens in Kiew hunne residentie
+opsloegen, en zich met de overwonnen vreemdelingen assimileerden
+en aansloten, even als de Franken het in Gallië, de West-Gothen in
+Spanje gedaan hadden, zoo ontstond vervolgens met hunne hulp een
+nationaal, groot en machtig Rusland, een eenig Russisch volk, dat
+dezen naam--(naar men zegt is die van Germaanschen oorsprong en werd
+het eerst langs de kusten van Zweden aangetroffen)--even als zijne
+eenheid, zijne vroegste wetten en zijne oudste Vorsten en adellijke
+geslachten, van die Noordelijke Germanen kreeg.
+
+Tot in de 11de eeuw kwamen nog dikwijls nieuwe Skandinavische
+avonturiers of "Waräger", door de Russische Groot-Vorsten in het
+land geroepen, naar Rusland over. Even als in Zweden, waren de
+Skandinavische Vorsten ook in Rusland, door eene schaar raadgevende
+wapenbroeders, de zoogenaamde "Druschina" omgeven; eveneens deelden
+deze veroveraars ook in Rusland, naar een oud Germaansch gebruik,
+het volk voor den krijgsdienst in afdeelingen van 10, 100 en 1000
+koppen in, die door zoogenaamde "honderdmannen" en "duizendmannen"
+gekommandeerd werden. In de Russische dorpen bestaat nog heden ten
+dage deze uit Zweden afkomstige volksindeeling. Verscheidene Russische
+historici zijn de meening toegedaan, dat ook oude Skandinavische sagen
+naar Rusland overgeplant werden, en dat de oudste gedichten der Russen,
+even als hunne wetten, uit Skandinavischen bodem opgroeiden. Dit,
+b.v. zou ook het geval zijn, met het onlangs in Duitschland door
+eene vertaling bekend geworden oudste heldendicht der Russen, het
+zoogenaamde lied van den tocht van Igor tegen de Chazaren, een soort
+van Russische Iliade. Het is vrij bekend, dat ook nog tegenwoordig
+verscheidene der eerste Russische Magnaten-familiën, b.v. de beroemde
+vorsten Dolgoruki (d.i. de langhanden) hunnen oorsprong bij Rurik en
+zijne Zweden zoeken.
+
+In deze periode der vroegste van de Skandinaviërs uitgaande schepping
+van een vasten Russischen staat, valt ook de voor de ontwikkeling van
+het volk en zijn karakter zoo gewichtige gebeurtenis, de invoering
+van het Christendom, de grondvesting der Grieksche kerk onder de
+Russen, voor. Wladimir I, uit het Skandinavische geslacht van Rurik,
+wien het oude heidendom verdroot, liet omstreeks het jaar 1000,
+Roomsch-Katholieke zoowel als Grieksch-Katholieke priesters voor
+zich komen, die hem met de grondstellingen van hun geloof bekend
+maakten. Ook de Joden en zelfs de Mohamedanen zou hij aanvankelijk
+ten gehoore ontvangen hebben. Het best echter bevielen hem ten slotte
+de praal en de ceremoniën der Grieksche kerk, die toen bij andere
+verbroederde Slawenstammen, b.v. bij de Bulgaren, reeds ingevoerd was,
+en Wladimir, die in zekeren zin als de Karel de Groote der Russen te
+beschouwen is, verhief deze tot de nationale kerk der Russen.
+
+De Russen, wier voornaamste landsrivieren naar den Pontus en de
+Byzantijnsche provinciën stroomden, hadden reeds van den aanvang af
+met Constantinopel, zoowel in oorlogzuchtige als in vredelievende
+verbinding gestaan. Goederen, kooplieden, zendelingen, andere gasten,
+ook Prinsessen van het Keizerlijke huis, waren hun reeds geruimen
+tijd van daar toegezonden geworden. De eindelijke aanneming van den
+Griekschen godsdienst, bracht hen nu in nog nauwere betrekking tot
+het Grieksche rijk.
+
+De Russen plaatsten zich daardoor dikwijls buiten den kring
+der beschaving van westelijk Europa. Zij namen geen deel aan de
+enthusiastische pogingen der Roomsch-Katholieke volken ter bevrijding
+van het heilige graf, aan de kruistochten, en ook niet aan de andere
+veel leven en opwekking verspreidende impulsiën, van de Kerk van Rome
+uitgaande, die het geheele Westersche volken-systeem, onder anderen
+ook de Polen, de Tschechen en andere West-Slawen doorgedrongen zijn,
+en deze in beweging gebracht hebben. Niets heeft nadeeliger op den
+nationalen geest der Russen gewerkt, dan de inmenging der Byzantijnsche
+beschaving en van het stijve Grieksche dogma. Zij hebben zich daarmede
+zoo nauw verbonden en verbroederd, dat men hun even gemakkelijk hunne
+nationaliteit, als hunnen Griekschen godsdienst zou kunnen ontnemen. De
+eerste bisschoppen der Russen waren geboren Grieken, en Rusland werd
+eene kerkelijke provincie van het patriarchaat te Constantinopel. En
+zoo ook al niet meer dat patriarchaat, zoo is toch de inrichting der
+Grieksche hiërarchie en het Grieksche kerkelijke, recht, tot heden bij
+de Russen van kracht. Ook werden de Russische kloosters natuurlijk naar
+het model der Grieksche ingericht, en verscheidene der godsdienstige
+sekten, die voorheen de Oostersche kerk in Griekenland verdeelden,
+ook naar Rusland overgebracht. Het bouwen van kerken en kloosters,
+had de invoering van den Byzantijnschen bouwstijl en verscheidene
+der daarmede samenhangende kunsten, der Grieksche schilderkunst
+en der kerk-muziek ten gevolge. De kerken werden in Rusland, naar
+het model van den beroemden Sophia-tempel van Keizer Justinianus in
+Constantinopel, versierd. Ook bouwden de Russische Graven in hunne
+residentie Kiew, paleizen en "gouden poorten," in den stijl van
+de gebouwen der Byzantynsche Keizers. En daar de overige Russische
+steden hun heilig Kiew eveneens tot model namen, als deze de Grieksche
+hoofdstad, zoo verbreidde zich dit alles over geheel Europa.
+
+Ook veel later nog, na de verovering van Constantinopel door de
+Turken, is den Russen weder veel Byzantijnsch toegestroomd. Toen
+namen de Russische Groot-Vorsten den titel Czaren (_Caesaren_) aan,
+welke de Byzantijnsche Keizers reeds lang gevoerd hadden, en nu werd
+ook de adelaar met dubbelen kop van het Grieksche Keizerrijk, het
+wapen der Russische heerschers, even als vele Byzantijnsche gebruiken
+bij het Moskovische hof werden aangenomen. Byzantijnsche pronkzucht,
+hof-etikette en hof-waardigheden, bloeiden, onder den Russischen Czar
+Johan III, die zich ook met eene Grieksche Koningsdochter in den
+echt begaf, in Moskou weder op, nadat zij in Constantinopel zelve,
+onder de Turken, reeds lang verloren gegaan waren. De ceremoniën
+bij de krooning der Czaren waren navolgsels van het Byzantijnsche
+ceremonieel. Ook de vroegste beginselen der Russische literatuur en
+geleerdheid zijn spruiten uit Grieksche wortelen. In de Russische
+kloosters werden het eerste de Grieksche annalisten en kerkvaders
+vertaald, en de beroemde oude Russische kroniekschrijver Nestor, is
+uit deze Grieksch-Russische school voortgesproten. Daar op deze wijze
+ook wereldsche kundigheden den Russen genaakten, b.v. vertalingen der
+geschiedenissen of sagen van Alexander den Groote, zoo zijn daardoor
+bij de Russen, ook eigenaardige Russische variatiën op deze en andere
+traditiën en sagen ontstaan.
+
+Daar in het Ruriksche Vorstenhuis de grondstelling van de
+ondeelbaarheid des rijks niet aangenomen werd, zoo verviel met behulp
+der oude, ingewortelde eigenaardigheden der verschillende stammen,
+het geheel door Rurik en Wladimir gestichte en vereenigde rijk, zeer
+spoedig weder in eene menigte kleine Vorstendommen, en deze moesten
+later in de 13de en 14de eeuw, nog eens het onderspit delven, zooals
+het dezen Oostelijken Slawen in vroegere tijden reeds herhaaldelijk
+gebeurd was, voor een inval der Nomaden uit Azië.
+
+De Mongolen verspreidden zich, even als hunne voorgangers de Skythen,
+de Hunnen, de Avaren, de Chazaren zulks vroeger ook deden, over het
+geheele Oosten van Europa. Zij kwamen niet zooals de Skandinavische
+Waräger, alleen als hulpvolken, volksleiders en veldheeren. Zij
+rukten met den geheelen tros hunner karavanen en herdersstammen
+Rusland binnen. Zij vormden zich daar een vaderland, waarin zij de
+eenige meesters bleven. Daardoor is ook, behalve de aanneming van het
+Oostersche of Grieksche Christendom, geene gebeurtenis, met betrekking
+tot de ontwikkeling van den Russischen nationalen geest, van meer
+belang geweest, dan deze laatste, van langen duur zijnde en diep in
+het volksleven ingrijpende, heerschappij der Tataren of Mongolen.
+
+Zij deden het land hier en daar in eene woestenij verkeeren, om
+weiden voor hunne kudden te verkrijgen. Zij zonden hunne beambten
+en inners der belastingen naar alle buurtschappen en hutten. Zij
+dwongen de Russische Vorsten en grooten, in de legerplaats hunner
+"gouden horde" aan de monding der Wolga te komen, daar te leven, daar
+hunne vrouwen te nemen en zich daar in onderdanigheid en Aziatische
+heeren-diensten te oefenen. Daardoor komt het, dat de Russen zoo
+dikwijls verschijnen als kweekelingen der Mongolen, wier opvolgers
+in het in bezit nemen van het Oosten zij slechts worden konden,
+door zich zelven de, sedert het begin der wereld daar toegepaste en
+in gebruik gebrachte ruwe regeeringskunsten, het Oostersch bestuur
+en eene Tataarsche discipline eigen te maken.
+
+De Groot-Vorsten van Moskou zamelden de schatting eerst in, in naam
+van hunne overheden de Tataarsche Chans. Zoo lang zij zich nog zwak
+gevoelden, stonden zij de schatting ook aan de Tataren af, maar
+toen zij sterker werden, behielden zij ze voor zich. De Tataarsche
+manier van schatting-innen en het eischen van gehoorzaamheid bleef
+bij hen in zwang. Het oude, door Germanen bestuurde Rusland van de
+kinderen Ruriks, had Vorsten gehad, die bijgestaan werden door eene
+"Duma" (raad der Grooten), overigens een zelfstandig bestuur en eene
+persoonlijk vrije grondbevolking. Zelfs machtige republieken, zooals
+Nowgorod en Pleskow hadden zich uit zijn schoot ontwikkeld. Het nieuwe,
+door de Mongolen veranderde Rusland, schafte bij de pogingen die
+het in het werk stelde, om eene wedergeboorte tot stand te brengen,
+dit alles af. Om kracht en eenheid te herstellen, kweekte het
+onbeperkte autokraten, die een einde maakten aan die republieken,
+en de vrijheden der gemeenten onderdrukten. En, toen de pogingen
+naar eene wedergeboorte weldra in ver uitgestrekte veroveringen
+ontaardden, toen verviel langzamerhand het geheele volk in eene
+strenge afhankelijkheid en lijfeigenschap.
+
+Zelfs in hunne kerkelijke gewoonten, en in de manier en de wijze
+hunner godsdienstige gebruiken, schijnen de Russen veel, ofschoon in
+Christelijken vorm, van de Oosterlingen overgenomen te hebben. Hun
+geheele wezen schijnt, evenals dat der Oosterlingen, van godsdienstigen
+ernst doordrongen te zijn. Zij nemen hunne vasten, kruisslagen en
+kniebuigingen even nauwlettend in acht, als de muzelmannen hunne
+afwasschingen en gebeden. Het "_Slawa Bogu_" (roem bij God), dat den
+Rus dagelijks honderd maal bij vele gelegenheden over de lippen komt,
+klinkt in hunnen mond dikwijls niet anders, dan als eene vertaling
+van het Turksche "Allah is groot." En de Rus toont eene nauwelijks
+mindere mate van (dikwijls zeer prijzenswaardige) berusting in den
+wil van God en het noodlot, dan de Mohamedaansche fatalist.
+
+Evenals in hunne godsdienstige en staatkundige zeden, hebben de Russen
+ook in hunne taal veel van de Nomaden en Aziaten behouden. Menige
+tak van den boom der Russische taal, is, om zoo te zeggen, geheel
+met Mongoolsche woorden behangen, zoo b.v. is dit het geval met
+uitdrukkingen voor zaken en kunsten, die den Nomaden eigen waren,
+b.v. met veel, wat op de veeteelt en met bijna alles, wat op
+locomotie, reizen, rijden, vervoer, rijtuigen, paarden, paardentuig
+enz. betrekking heeft. Ook het eigenaardige Russische post- en
+koerierwezen is afkomstig van de heerschappij der Mongolen.--Met de
+Mongolen kwamen ook Turksche en andere Aziatische volken onder de
+Russen, en over het geheel werd door hen het gansche Slawische rijk,
+om zoo te zeggen, ten vollen in de Aziatische wijze van verkeer en
+leven, ingesponnen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat ook
+vele Turksche, Perzische en andere Aziatische taal-elementen, zeden,
+kunsten en takken van industrie, onder de Russen achtergebleven en
+nog ten huidigen dage over geheel Rusland verspreid zijn.
+
+Alle bij de Russen gebruikelijke namen der edelgesteenten zijn
+van Oosterschen oorsprong, wat bij ons slechts ten deele het geval
+is. Verscheidene tuinplanten, b.v. de nu zelfs in de Oostzee-provinciën
+groeiende water-meloenen, hebben zich met de Aziaten over geheel
+Rusland verspreid, en eveneens de Aziatische naam er van, "_Arbusi_";
+zoo ook de Aziatische namen van verscheidene Oostersche dieren,
+b.v. van den kameel (_Werblud_). Daarentegen zijn omgekeerd eenige
+Slawische namen voor Noordsche dieren, b.v. voor den bever, het
+sabeldier enz., tot naar Arabië en Perzië doorgedrongen.
+
+In den handel, de handwerken en bij de Russische industrie, zijn
+verscheidene zaken en uitdrukkingen van Aziatischen oorsprong. Zoo
+b.v. de naam en de inrichting der Russische bazars. Niet alleen
+de kaftan van den Russischen koopman, ook zijn lichte pels
+(_Tulup_), zijn gordel (_Kuschak_), zijn geldbuidel (_Kése_), zijn
+reiskoffer (_Sundúk_), zijn magazijn (_Anbár_), hebben Persischen
+of Turkschen vorm en naam. Evenzoo ook het potlood (_Karandasch_),
+het lak (_Surgutsch_). Zelfs de algemeene Russische benaming voor
+"handelswaren" (_Tawar_) is Mongoolsch. Ook het beroemde rekenbord,
+zonder't welk geen Russisch koopman zaken doet, en dat men zoo
+gemakkelijk vond om het rekenen te onderwijzen, dat men ook getracht
+heeft het in eenige onzer scholen in te voeren, is van Mongoolschen
+oorsprong. In denzelfden vorm als men het bij de Russen aantreft,
+is het zelfs bij de Chineezen algemeen in zwang.
+
+Vele in Rusland bloeiende en daar algemeen verspreide takken
+van industrie, zijn van dien zelfden (Mongoolschen, Turkschen,
+Buchaarschen of Perzischen) oorsprong. Zoo b.v. de beroemde fabrieken
+der met goud geborduurde marokijn-pantoffels en laarzen van Torjok,
+en de vervaardiging van het gedamasceerde staal van Slatouft. De
+tuin- en wijnbouw in Zuid-Rusland, zijn daar waarschijnlijk door de
+Oosterlingen het eerst ingevoerd geworden. Door hunne, in vroegere
+tijden daar aangebrachte, kunstmatige bevochtiging, maakten zij daar
+menige landstreek vruchtbaar, die het nu niet meer is. Men noemt ook
+de fabrikatie van zeep en lak als een tak van industrie, die door
+de Aziaten naar Rusland overgebracht is. Men kan het aanbrengen van
+zulke erfstukken uit het Oosten, aan de eene zijde over Afrika naar
+Andalusië, aan de andere zijde over den Kaukasus tot in de streken
+van Moskou en verder Europa in, volgen.
+
+Ook onze West-Europeesche legerinrichtingen wijzen dergelijke
+erfstukken uit Tataarschen tijd aan. Wij hebben b.v. de huzaren van
+de Hongaren, de Uhlanen van de Tataren gekregen. "_Ulan_" (Turksch:
+"_Oglan_" d.i. knapen, jongelingen) heetten bij de Tataren bij
+voorkeur de jonge ridders der horde, welke de garde van den Chan
+vormden en leengoederen en ambten van hem kregen. Hun naam en hunne
+lichte bewapening gingen van de Tataren op de Russen en Polen over,
+en kwamen van de Polen naar de andere volken van Europa.
+
+Eindelijk herinnert ook de tegenwoordige nationaal-physionomie der
+Russen, levendig aan het Tataarsche of Mongoolsche type; hun laag
+voorhoofd, hunne sterk uitstekende wangbeenderen, hunne kleine oogen,
+hun ingedrukte en eenigszins opgewipte neus, die minder overeenkomst
+heeft met den arendsneus der Romeinen of met den rechten neus der
+Grieken, dan die van eenig ander volk. Wanneer ook bij de Slawen
+van nature iets oorspronkelijks ten grondslag ligt, wat wij het
+Aziatische type en karakter noemen, dan heeft zulks bij de Russen,
+ten gevolge van de heerschappij der Mongolen, zich meer bevestigd.
+
+Nagenoeg 200 jaren had Rusland onder het Tataarsche juk gezucht,
+en wat de Mongolen niet weggenomen hadden, dat hadden in dezen tijd
+in het Westen de Lithauers en Polen veroverd, en met hun rijk, dat
+destijds van de hulpeloosheid van hunnen Russischen nabuur partij
+trok, verbonden. Alleen in het Noorden, aan het Ilmen-meer, was een
+zelfstandige Russische staat, de in de 14de en 15de eeuw bloeiende
+republiek Nowgorod, blijven bestaan.
+
+Toen zij het diepst gezonken waren en de nakomelingen van Tamerlan
+onderling in oneenigheid geraakten, vermanden de Russen zich eindelijk,
+en nu voor den eersten keer uit eigene nationale kracht, zonder hulp
+der Germanen of van andere vreemden. Sedert zijn eersten triumf op
+de Tataren, op het beroemde Kulikow'sche veld aan den Don, in het
+jaar 1380, begon Rusland van uit zijn hart (Moskou) langzamerhand
+alle landen, die vroeger tot het rijk behoorden, weder aan zich
+te trekken. Het meest droeg daar toe bij, dat in dit Moskou, van
+den beginne af, de grondstelling der ondeelbaarheid van het rijk en
+der eenheid van het volk, vastgehouden was. In eene reeks gelukkige
+overwinningen en veroveringen, onder zijne energieke Czaren Iwan den
+Groote en Iwan den Verschrikkelijke, dreef het de Aziaten over den
+Don en de Wolga terug, vereenigde het oude, lang afgescheiden geweest
+zijnde Nowgorod weder met zich, nam onder aanvoering zijner gelukkige
+Czaren uit het Romanow'sche huis, ook in het westen den Lithauers
+en Polen hunnen buit stuksgewijze af, en onder zijn grooten Peter
+den Eerste, den voltooier der Russische nationale macht, sloeg het
+ook den laatsten inval der Skandinaviërs onder Karel XII, die als de
+Waräger Rurik over de Oostzee gekomen was, af.
+
+En sedert dien tijd is de politieke macht van het Russische volk, tot
+op den nieuwsten tijd voortdurend vooruitgegaan en ontwikkeld. Sedert
+dien tijd is het uit zijne wouden als een reus te voorschijn getreden,
+en heeft zijn weg genomen naar al de zeeën, die als vensters of
+poorten in het lichaam van den staat geplaatst zijn, in het Noorden
+naar de Witte- en Baltische Zee, in het Zuiden naar de Zwarte- en
+de Kaspische Zee. Ja! terwijl het zijne oude plagers in het Oosten
+geheel terneder wierp, en de bronnen der Nomadische volksverhuizingen
+voor eeuwig verstopte, heeft het zich daar zelfs door Siberië heen,
+den weg naar de kusten van den grooten Oceaan gebaand. In het Westen
+heeft het zich zijne broeder-stammen de Lithauers en Polen, die
+vroeger hem zelven de wet hadden voorgeschreven, ten slotte geheel
+onderworpen, en is het op deze wijze ook midden in het centrum van
+Europa binnengerukt. Toen (voor 400 jaren) de Czar Johan III aan
+de regeering kwam, heerschte hij over een gebied, dat niet veel
+grooter was, dan het tegenwoordige Pruissen. Maar Peter de Groote
+reeds heerschte over een rijk, dat meer dan zes maal zoo groot was
+als Duitschland, en het rijk van de Keizers Nikolaas en Alexander is,
+zooals Alexander von Humboldt berekend heeft, in vlakte-inhoud gelijk
+aan het gedeelte der Maan, dat naar ons toegekeerd is.
+
+Even als de Russen, gedurende den langen duur hunner ondergeschiktheid
+aan de over hen heerschende volken, veel vreemds ontvingen, zoo hebben
+zij ook later weder op de baan hunner overwinningen verscheidene
+vreemde volken gevonden, die zij wel ten deele assimileerden, die
+zij om zoo te zeggen in hunne eigene massa opnamen maar van wie zij
+ook gedurende dat proces weder zelve inwerkingen ondervonden.
+
+Bijna alle eens onafhankelijke Finsch-Uralische volken zijn in het
+Russische nationale-lichaam opgegaan. Kalmuksche, Baschkirische,
+Samojeedsche stammen zijn hun toegevoegd of aan hen onderworpen
+geworden, eveneens talrijke volken van den Kaukasus, Grusiërs,
+Tscherkessen en Armeniërs. Verder hebben zij de landen der Lithauers,
+Polen en Walachyers en ook menige Duitsche provincie geannexeerd. En
+al deze vermengingen en annexaties zijn niet zonder terugwerking op de
+Russen gebleven. De belangrijkste en merkwaardigste aanrakingen hebben
+echter met de Duitschers plaats gegrepen. Want _na_ de Grieken en na de
+Tataren heeft geen volk meer invloed op de Russen uitgeoefend, dan de
+Duitschers; wel is waar had die invloed minder betrekking op het ras,
+bloed, temperament en hunnen natuurlijken aanleg, maar des te meer op
+hunne beschaving en verstandelijke ontwikkeling, even als op staatkunde
+en wetenschap. Vele Duitsche kunstenaars en handwerkslieden trokken,
+met de Hanzeatische kooplieden in de 13de eeuw, de Westelijke gedeelten
+van Rusland binnen. In het groote Nowgorod schijnen zij langen tijd de
+voornaamste kunstenaars geweest te zijn. Zelfs de beroemde, kunstvol
+bewerkte deuren der kathedraal van Nowgorod, die men tegenwoordig
+bewondert en die men de "Cherson'sche deuren" placht te noemen,
+omdat men ze langen tijd voor een Grieksch kunstprodukt uit Cherson
+hield, stammen, zooals men later ontdekt heeft, uit Duitschland af,
+en toonen ons onder anderen het portret van een Duitschen werkmeester,
+Wikmann uit Maagdenburg. Een Russisch kroniekschrijver uit dien tijd,
+noemt het, bij gelegenheid dat er in Rusland eene groote kerk gebouwd
+werd, iets bijzonders, dat zij alleen door Russen "zonder de hulp
+van Duitsche bouwmeesters" tot stand gebracht is. De nadruk, waarmede
+hij deze omstandigheid vermeldt, bewijst, hoe gewoon men in die dagen
+aan de hulp van Duitsche bouwkundigen moet geweest zijn.
+
+Toen de Groot-Vorsten van Moskou opkwamen, zochten zij ook weder
+door Duitsche hulp hun volk te ontwikkelen. De meeste gezantschappen
+der eerste Moskovische Groot-Vorsten aan Duitsche Vorsten-hoven,
+hadden nevens hun politiek doel, vooral ook tot taak, door fraaie
+beloften Duitsche handwerkslieden, kunstenaars en geleerden over te
+halen naar hun land te gaan. Reeds in de 15de eeuw was in Moskou
+eene afzonderlijke wijk, waar deze in het land geroepene Duitsche
+kolonisten bij elkander woonden.
+
+Sedert den tijd van Peter den Groote en Katharina II, stroomden
+Duitsche bevolking en Duitsche gewoonten nog in veel grootere mate het
+land toe. Geheele Duitsche provinciën, Koerland, Lijfland, Esthland,
+werden met het rijk vereenigd, wier Duitsche adel sedert, Rusland van
+veldheeren en diplomaten voorzien heeft. De midden in deze Baltische
+provinciën opkomende nieuwe Keizerlijke residentie, Petersburg, werd
+half en half eene Duitsche stad. Ook aan het hof werd sedert dien
+tijd eene Duitsche partij steeds machtiger. Menige landstreek in het
+binnenste van het rijk werd door Duitsche kolonisten bezet, die den
+Russen als model en prikkel dienden, en nagenoeg alle Russische steden,
+tot aan Irkutzk in Siberië toe, hebben van lieverlede iets Duitsch, het
+uiterlijk eener meer of minder aanzienlijke Duitsche kolonie gekregen.
+
+Het innerlijk bestuur dezer Russische steden, hunne gilden-besturen,
+hunne magistratuur, als mede de stadsverordeningen, door Peter den
+Groote en Katharina II ingevoerd, waren naar het Duitsche model
+genomen. Van 179 tijdschriften en couranten, die in het jaar 1858 in
+Rusland uitkwamen, waren niet minder dan 30, dus het 1/6 gedeelte,
+in het Duitsch geschreven. Ook in de inrichting van het leger, in
+alle militaire instellingen heeft Rusland steeds van Duitschland
+geleerd. Zelfs het heerschende Vorsten-huis is oorspronkelijk van
+Duitsche afkomst, en heeft door gestadige aanhuwelijking met Duitsche
+Vorsten-huizen, steeds het Duitsche bloed behouden. [3]
+
+Men moet hierbij echter opmerken, dat Rusland bijna alles wat het van
+Duitschland overnam, naar zijne gebruiken en naar zijne behoeften
+wijzigde. En ook de Duitsche individuen, die Rusland toegevallen
+zijn, te beginnen met het souvereine Vorsten-huis, hebben zich maar
+al te gemakkelijk en spoedig Russen laten worden. "De energie en de
+assimilatie-kracht van dezen verwonderlijken tak van den Slawischen
+menschenstam"--zegt een Russisch schrijver--"zijn zoo sterk, dat
+het in zijne aanraking met de, het meer of minder verwante volken,
+dezen steeds _zijn_ tongval, _zijn_ geest en _zijne_ gebruiken
+mededeelt". Als de Russen dus ook, zoo als boven gezegd is, veel van
+anderen hebben overgenomen, zoo hebben zij toch in hoofdzaak hun oud
+Slawisch nationaal-karakter bewaard, en is dit altijd, te midden van al
+het aangenomene, boven blijven drijven.--Ja! de grootte van het land,
+de roem en ten slotte het geluk van het volk, nu de eenige Slawenstam,
+die zelfstandig en den toon aangevend in een groot rijk bestaat,
+hebben uitgewerkt dat bij hen, aan menige Slawische nationale- en
+stam-eigenaardigheid en oorspronkelijken aanleg, bij hunne minder
+begunstigde en nu nog niet zelfstandige broeders moesten sluimeren,
+een ruimer veld tot ontwikkeling en eene grootere energie gegeven werd.
+
+Ook door hunne taal plaatsen zij zich aan de spits der Slawen. De
+Russische taal is onder de Slawische talen de fraaiste, de meest
+ontwikkelde en de krachtigste. Zij is eene der merkwaardigste en
+rijkste talen van Europa. Zij heeft meer klinkers, een grooter
+alphabet dan de andere talen van ons werelddeel. Men heeft daarom
+ook gezegd, dat met geen ander alphabet, zich de vele toonen
+en toon-samenstellingen van andere talen zoo gemakkelijk laten
+uitdrukken en nederschrijven dan met het, in aantal en bepaaldheid
+der karakters, zoo rijke alphabet der Russen. En de, in de juiste
+behandeling dezer lange toon-ladder geoefende Russische tong,
+is derhalve tegelijkertijd even goed voorbereid als geschikt, de
+geluiden van iederen tongval na te bootsen, waarin de Rus niet spoedig
+het eene of andere tong-kunststuk zal vinden, dat zijne moedertaal
+hem niet alreeds geleerd heeft. Hunne spraakkunst is zeer rijk aan
+vormen, hun woordenboek in het bijzonder vol stof tot onomatopoeische
+natuurschildering. De fijnste nuancen in het rijk der kleuren en der
+klanken, heeft de Rus met uiterst scherpen blik waargenomen. Even zoo
+heeft hij eene menigte uitdrukkingen, om de aandoeningen der ziel en
+de indrukken van het menschelijk hart en gemoed zuiver uit te drukken.
+
+De overwinningen der natie, hare grootheid en veroveringen, hebben
+meermalen eene gelukkige inwerking op hunne taal gehad. In den loop
+hunner politieke loopbaan door zulke ver afgelegene landen, werden den
+Russen verscheidene zaken ter bespreking voorgelegd, en hunne taal werd
+daardoor in staat gebracht, zeer verschillende en menigvuldige zaken te
+behandelen. Even als de Russen zelven, zoo heeft dien ten gevolge ook
+hunne taal eene groote gemakkelijkheid verkregen om zich het vreemde
+eigen te maken en dit te verwerken. Hunne groote buigzaamheid stelt hen
+in staat, de vreemde woorden geheel als hunne eigene te behandelen,
+ze te behouden en op eigenaardig Russische wijze zoo te veranderen,
+dat uit de aangenomene schatten, even als de eigene oorspronkelijke
+bron, weder nieuwe takken en woorden ontstaan.
+
+Tot op Peter den Groote, bestonden in Rusland verschillende tongvallen
+nevens elkander, en heerschte als schrijftaal, in de literatuur,
+de oud-Slawische kerktaal. Hij eerst gaf aan het Groot-Russische
+dialekt een bepaald overwicht, verhief het tot landtaal, regelde
+eigenhandig zijn alphabet en liet de eerste boeken in dit dialekt
+drukken. Sedert heeft Rusland, met uitzondering _der_ theologie
+en philosophie, bijna in alle takken der literatuur, niet weinig
+uitstekende, talentvolle schrijvers in proza en poëzie, historici,
+lyrische-, dramatische- en epische-dichters voortgebracht, meer dan
+in nieuweren tijd alle andere Slawen te zamen. En deze hebben de
+oorspronkelijk zoo vormbare taalstof, in alle richtingen nog verder
+ontwikkeld. De Russische taal is dien ten gevolge even geëigend voor
+het triviale, als voor het verhevene, voor het luimige en komische,
+als voor het ernstige en tragische genre. Zij bezit nu even veel kracht
+en ernstigen nadruk voor de behandeling der geschiedenis, als fijne
+gratie en snijdende scherpte voor fabelen en epigrammen; zij munt,
+naar het oordeel der kenners, vooral uit door hare natuurlijkheid. Aan
+rijkdom en buigzaamheid komt zij het Grieksch zeer na. Homerische
+composita, als b.v. "de wereld-omspoelende zee", "schoongelokte" of
+"rozenvingerige Godinnen", heeft men even gemakkelijk in het Russisch
+als in het Duitsch of Nederlandsch kunnen overzetten.
+
+Verscheidene der in nieuweren tijd in Rusland opgetredene dichters
+zijn echt nationaal, zoo geheel uit de psyche der natie geboren. De
+geniale en oorspronkelijke Dershawin, de Schiller der Russen, die de
+beroemde Ode aan God dichtte, is een echt Russisch dichter. Krylow,
+de Russische Boileau, heeft zijnen landgenooten op zoo klassieke
+wijze fabelen en verhalen verteld, dat zij bij hen algemeen populair
+geworden zijn. Puschkin, de Russische Byron, wiens gedichten de
+vreugde, de smart, de roem der natie met warmte behandelen en levendig
+afspiegelen, heeft zich onder het volk grooten invloed verschaft. De
+Klein-Rus Gogel, een tweede Goldoni, heeft het Russische leven met
+veel luimigheid ten tooneele gevoerd. En vele andere, uit wier werken
+de volksgeest tot ons spreekt, zouden hier nog bij genoemd kunnen
+worden. Over het geheel moet men echter zeggen, dat de kunst-poëzie der
+Russen, hunne hoogere literatuur, niet of toch nog niet zoo nationaal
+is, als b.v. die der Spanjaarden of Franschen. Zij is in het meerendeel
+harer voortbrengselen slechts iets dat tot haar overgebracht, van
+buiten overgeplant is. Zij leeft gedeeltelijk als eene kasplant,
+een van de massa der natie afgezonderd leven. Zij ontvangt van deze
+niet zooveel, en werkt ook niet door zoovele kanalen op haar terug,
+als de literatuur in andere langer ontwikkelde landen van het Westen.
+
+Veel karakteristieker en van veel meer gewicht voor onze
+ethnographische schildering, is daarentegen de Russische _volks
+poëzie_, wier talrijke, levendige geestesbloemen, de eigenlijke
+openbaring van het nationaal-karakter bevatten. Sedert onheugelijke
+tijden zijn de Russen, als alle Slawen, groote liefhebbers van muziek
+en zang geweest, waarvoor hunne welluidende taal in zoo hooge mate
+geëigend is. Reeds in de 6de eeuw na Christus verhaalden, volgens
+de getuigenis der Byzantijnsche kroniekschrijvers, eenige afgezanten
+der Noordelijke Slawen aan een Keizer van Constantinopel, dat rijm,
+vers en zang de liefste opvroolijkingen voor hun volle waren, en dat
+zij overal hunne met snaren bespannen citers met zich medevoerden,
+waarmede zij hunne in koor gezongene liederen begeleidden.--Deze oude
+citers door hen "Gusli" of ook wel "Balaleiken" genoemd, bezitten de
+Russen nog heden ten dage, alsmede nog menig ander, zeer eigenaardig
+muziek-instrument.
+
+Over het geheel echter zijn zij minder instrumentalisten dan
+vocalisten, en daarbij is hun het zingen even gewoon, even natuurlijk
+als den vogelen. Met gezang begeleiden zij, om zoo te zeggen, alle
+verrichtingen van het leven, niet alleen hunne dansen, feesten
+en gezellige bijeenkomsten, maar ook zelfs hunne vermoeiendste
+werkzaamheden. De Russische voerman zingt, terwijl hij met zijn
+driespan geheel alleen door de steppe jaagt, al maar door, ook
+wanneer een koude nachtwind hem langs den mond strijkt; de Russische
+houthakker, wanneer hij geheel alleen midden in het woud bezig is
+boomen te vellen en tot balken te verwerken--neuriet of prevelt
+daarbij een eindeloos lied. Het is als ware dit gezang het in zich
+zelf spreken dezer menschen.
+
+In het zingen in koren zijn de Russen nagenoeg allen geoefend; niet
+alleen de poëtische herders, boeren en boschbewoners, maar ook de
+kramers en handelaars in de steden. De jonge kooplieden, zelfs op de
+kleine, in het binnenland gelegene marktplaatsen, hebben onder elkander
+zangvereenigingen, waar zij hunne talenten oefenen en aan hunnen lust
+tot muziek voldoen. De troepen landlieden trekken met koorgezang
+naar het veld en met koorgezang keeren zij weer huiswaarts. Ja
+zelfs de maaiers hoort men, wanneer zij al maaiende zich in lange
+reien door de afgemaaide aren bewegen, in weerwil van den invloed der
+Zuid-Russische verzengende middaghitte, met stof, zonnegloed en zweet
+bedekt,--toch, zeg ik, hoort men hen de zwoele lucht met liefelijke
+koorgezangen vervullen. Datzelfde doen met lust de arme, geplaagde
+soldaten gedurende hunne lange marschen. Datzelfde de timmerlieden,
+die een huis bouwen en zoo ook de in Rusland om hunne grofheid, in
+zoo'n slechten naam staande zoogenaamde "Burlaken", d.i. de schippers
+en schuitentrekkers, die bij duizenden langs de stroomen van het rijk
+verdeeld zijn, en als galeislaven een vermoeiend werk doen, daar zij
+de zware rivierschepen op- en afwaarts moeten sleepen. In troepen
+van 50 en 100 man aan een touw gespannen, gaan deze sterke menschen,
+stap voor stap, dag aan dag, de zware Wolga-schepen trekkende, langs
+de groote rivieren. Bijna onophoudelijk klinken bij dit eentoonig
+en moeielijk werk hunne liederen, die bijna even langdradig zijn
+als de rivieren zelve, en waardoor zij elkander opvroolijken. Soms,
+bij bijzonder slecht weer, of wanneer het schip bijna niet tegen den
+stroom op kan, worden de arme "Burlaken" zoo vermoeid, dat zij geen
+pas meer voorwaarts kunnen doen. Hun schip begint terug te drijven
+en de sterk aangespannen lijn, trekt de sterke mannen mede. Deze
+laten zich echter niet overweldigen en wijken niet. Spoedig leggen
+zij hunne gordels van hunne borst over den rug, draaien zich om,
+zetten of leggen zich tegen den zandigen oever vast, en trachten zoo
+met geweld het verder afdrijven van het schip tegen te gaan. Op deze
+wijze rusten zij een weinig uit, en tot zijne verwondering hoort de
+reiziger zelfs dan nog, die onvermoeide zangers een gezang--nu wel
+een droefgeestig--neuriën, dat echter weldra, als het weder op nieuw
+voorwaarts gaat, in eene vroolijke melodie overgaat.
+
+Gaat gij eene Russische kloosterkerk binnen, waar men bezig is eenige
+reparatiën te doen, dan ziet gij op hooge stellages eenige schilders
+zitten, die den koepel der kerk met kleuren en vergulde beelden
+versieren. Hun vlijtig penseel gunt zich den geheelen dag geen rust en
+evenmin hunne onvermoeide lippen, waarover de fraaiste koraalgezangen,
+als engelenstemmen uit den koepel der kerk nederdalen. Als men iets
+dergelijks gehoord heeft, dan begrijpt men de Grieksche mythe, die
+vertelt, dat de steenen der stadsmuren van Sardes op de maat der
+muziek en bij fluitspel opgebouwd werden. Alle Russische kerken en
+kloosters stellen prijs op een uitstekend koorpersoneel, en dat der
+Keizerlijke kapel in St. Petersburg is het fraaiste en beste van dat
+soort, dat in de geheele wereld gevonden wordt.
+
+Zelfs de arme, oude, witgebaarde bedelaars, die voor de Russische
+kerken zitten, smeeken niet met prozaïsche woorden om eene
+gift. Zingend zitten zij ter neder, en trekken de opmerkzaamheid
+der voorbijgangers tot zich, door de voordracht van een vroom oud
+kerk-koraal.
+
+Onder de Russen zelven echter, is geen stam zanglustiger en rijker aan
+liederen dan de stam der Zuidelijke Malorossianen of Klein-Russen. Vele
+Klein-Russische gezangen zijn in hunne diep melancholische melodiën
+van eene verrassende schoonheid en oorspronkelijkheid. De inhoud
+van sommige dezer gezangen is, naar men zegt, van hoogen ouderdom
+en heeft eene historische beteekenis. Er worden er onder gevonden,
+waarin heldendaden bezongen worden, die door de oude kroniekschrijvers
+zelfs niet opgeteekend zijn, en andere, waarin zelfs nog heidensche
+godheden figureeren of die ten minste van een overoud bijgeloof de
+onmiskenbare sporen dragen. Verreweg de meesten zijn echter, zoowel
+bij de Klein-Russen en Kozakken als bij de Russen over het geheel
+niet van historischen of epischen maar van lyrischen inhoud. Het Epos
+heeft onder de Slawen alleen bij de oorlogszuchtige Serviërs eenig
+geluk had. Bij de Russen had de poëzie van het gevoel veel meer den
+boventoon. Zij schijnen in hunne volks-poëzie als van eene uiterst
+vreedzame, stille, men zou haast zeggen, zachte en sentimenteele
+natuur. En dit is zelfs bij de Russische Kozakken, een volk, dat toch
+uit den oorlog ontstond en geheel en al voor den oorlog georganiseerd
+werd, het geval.
+
+Zij toonen zich in hunne liederen altijd vol gevoel voor de hen
+omringende natuur, en zij ontleenen meermalen hunne verzen aan
+hetgeen bosch en veld hun toonen. De lindeboom, de vlier, de ahorn,
+de jeneverboom, de salie, de wijnruit en andere planten spelen daarin
+eene groote rol. Zelfs ons kleine, "vergeet-mij-niet" wordt door deze
+Kozakken niet over het hoofd gezien.
+
+
+ Toen ik treurig, weemoedig, gedrukt,
+ Doolde door 't woud en de weide,
+ Vergeetmijnietjes had tot een ruiker geplukt,
+ Weende ik bitter en zeide:
+ Vergeet mij toch nooit, o! geliefde!
+ Vergeet mij toch nimmer, mijn leven!
+ Dierbare! beloon steeds mijn liefde,
+ Doch niet door geschenken te geven.
+ Want wat zal uw goud mij ook helpen!
+ Wat uw rijkdom, die een ieder verrukt?
+ Dan eerst zult ge mij overstelpen,
+ Wanneer gij mij aan uw harte drukt
+ En uitroept: "Nooit vergeet ik U, getrouwe!
+
+
+De koekkoek, die de lente verkondigt, de vroolijke kleine leeuwrik,
+die den menschen "waarom zoo treurig?" vraagt, de blauwe duif, waarmede
+een meisje, de witte valk, waarmede een jongeling vergeleken wordt,
+en vele andere schepselen uit de dierenwereld, spelen in de liederen
+der Kozakken eene even groote rol, als de liefelijke planten.
+
+Even als diep en innig gevoel voor de natuur, zoo spreekt ook een
+geest der hartelijkste liefde voor zijne geboorteplaats en voor zijne
+onderhoorigen, uit deze Russische volksliederen:
+
+
+ Van verre, langs berg en dal en meer,
+ Kwam eenmaal een koekoek gevlogen.
+ In den Donau, geraakte een veer
+ Uit zijn staart, zoo sierlijk gebogen.
+ Aan die bonte veder gelijk,
+ Die door den stroom wordt gedreven,
+ Zoo verkwijn ik in 't vreemde rijk,
+ Eenzaam, verlaten in 't leven.
+
+
+De band tusschen moeder en zoon, tusschen broeder en zuster wordt
+in die liederen, waarin de Russische Kozak, als met een soort van
+voorgevoel, zijn dood op het slagveld bezingt, als een dikwijls
+wederkeerend onderwerp, zeer treffend geschilderd:
+
+
+ Toen stormen loeiden en 't gras zich bewoog,
+ Lag stervend en bleek een Kozak op den grond,
+ Met zijn hoofd geleund op een struikje, dat boog,
+ Met zijn oog gericht op de heide in 't rond.
+ Zijn groot blank zwaard lag naast hem ter neêr,
+ Geduldig toefde het paard bij zijn voet,
+ Een vogeltje, schittrend door dosch en door veêr,
+ Zat boven zijn hoofd, enz. enz.
+
+
+Bijna altijd eindigen die liederen daarmede, dat de klagende ruiter
+in zijn stervensuur zijne moeder of zijne zuster een brief of eene
+teedere boodschap, zoo hij niemand anders tot zijne dispositie heeft,
+door zijn "zwart ros" of den "duizendkleurigen vogel", toezendt. Een
+dezer eindigt met het volgende algemeene gezegde:
+
+
+ Der ouderen gebed beveiligt in gevaren,
+ Maakt onze zielen rein, zelfs van de zwaarste zonde,
+ Zal ons op land en zee steeds veilig goed bewaren.
+
+
+Even als in hunne liederen, zoo doen zich deze baardige Russen ook
+in het dagelijksche leven en in den omgang, veel hartelijker en
+levendiger voor dan wij.--Vriendschap en liefde worden bij hen veel
+levendiger uitgedrukt dan bij ons. Iedereen kust en omarmt voor en na
+iedere scheiding. Zelfs mannen en grijsaards kussen elkander rechts
+en links naar voorgeschrevene regels. Ook worden zij licht tot tranen
+toe geroerd.
+
+Het gebeurt niet zelden, dat men een ouden, grijsbaardigen Rus van
+Herkulischen lichaamsbouw, ziet schreien en luide hoort jammeren,
+dat hij alleen staat in de wereld zonder vader en moeder, of wèl
+over eenig ander ongeluk. "Waar treft men", vraagt de schrijver,
+die dit mededeelt, "in Engeland of Duitschland, of in eenig ander
+land der weinig teergevoelige Germanen, iets dergelijks aan?"
+
+Deze zachte en teedere geaardheid der Russen en der Slawen in het
+algemeen, verklaart ook hunne gelatene onderwerping aan de macht van
+den Czaar en de Kerk. Geen volk van Germaansch bloed, zou eeuwen
+lang het juk der dienstbaarheid zoo geduldig gedragen hebben, als
+deze zanglustige, lichtzinnige, lyrisch-poëtische Russen.
+
+Andere eigenschappen en eigenaardigheden van de Russische
+volks-geaardheid, ontdekt men in den rijken schat van spreekwoorden,
+die in den loop der tijden in hunne taal opgenomen zijn en bij hen
+het burgerrecht verkregen hebben. Zij getuigen van een scherpen
+waarnemingszin en fijne menschenkennis, en zijn vol treffende
+vergelijkingen en pikante uitdrukkingen. Daar zij deels oude, ook bij
+ons in spreekwoorden vervatte lessen, op eene ons nieuwe en verrassende
+wijze inkleeden, en deels eigenaardigheden van het Russische leven
+en hart zeer levendig uitdrukken, zoo zij het mij vergund, eenige
+preciosa uit die schatkamer hier uit te kramen. Ik wil ze den lezer
+zonder veel commentariën mededeelen. Hij zelf zal de beteekenis en
+het gebruik gemakkelijk beseffen.
+
+In verscheidene Russische spreekwoorden, wordt, om zoo te zeggen,
+met een paar woorden eene geheele fabel verteld, b.v.:
+
+"Toen men de stem van den nachtegaal prees, begon het karrepaard
+te hinneken."
+
+Of: "een onnoozel schaapje weende van aandoening, toen de herder den
+wolf met zijne knots doodde."
+
+Zeer scherp wordt het dwaze egoïsme der menschen in de volgende
+lakonische woorden gehekeld:
+
+"Hoe jammer van mijn mooie schip, riep de schipper, toen hij met
+al zijne manschappen zonk."--En hoe treffend worden de gedachten en
+verborgene daden van den gierigaard verraden in het:
+
+"Nadat de hebzuchtige het geheele bosch verkocht had, wilde hij ook
+nog ieder boom afzonderlijk verkoopen."
+
+"De bijen verzamelden was en honing, maar de gierigaard zou willen,
+dat zij ook nog de mede brouwden."
+
+"Schenk den eenbeenigen gierigaard eene kruk, hij zal haar als
+brandhout in de kachel steken."
+
+Hem, die moedeloos de hem getroffene onheilen bejammert, roept het
+Russische boeren-spreekwoord toe:
+
+"Zie de gaten in uw wambuis toch niet zoo bedroefd aan, maar zet er
+een paar lappen op."--En hem, die 's levens lusten en lasten niet in
+den waren zin opneemt:
+
+"Eet den honig, vadertje, dien gij kunt, en drink den alsem, dien
+gij moet gebruiken."--Den al te strengen berisper waarschuwt het:
+
+"Als gij zelfs de sneeuw vuil noemt, hoe wilt gij dan het roet noemen?"
+
+Met betrekking tot het gevaarlijke van het prijzen, zegt het:
+
+"Ook den verstandigsten groeien eindelijk ezels-ooren aan, als men
+hem te zeer prijst."--En van de behendigheid der menschen om hunne
+fouten te bedekken en hunne baan schoon te vegen:
+
+"De domste is verstandig genoeg, zich te verontschuldigen."
+
+De tegenzin, dien wij gevoelen als men ons het geluk opdringen wil,
+wordt uitgedrukt door:
+
+"Sluit een wolf in eene volle schaapskooi op, en hij zal nergens aan
+denken, dan hoe hij het best weder naar het bosch ontvluchten zal."
+
+Het Engelsche _love in a cottage_, heet bij de Russen:
+
+"Geene liefde brandt zoo heet, dat het de kachel verhit."
+
+In aanprijzingen van die deugd, waarin de Slawen sedert onheugelijke
+tijden uitmunten, de gastvrijheid en weldadigheid, is het Russische
+spreekwoord onuitputtelijk:
+
+"Zooals men het zijnen gasten geeft, zoo geeft men het God."
+
+"Wie den musch het kruimeltje niet gunt, dien zal de lieve God het
+brood niet gunnen."
+
+"Willig het verzoek van uwen gast in, nog voor hij het uitspreekt."
+
+"Bespaar uwe laatste snede honig voor een laten gast."
+
+"Voeder eerst het vette paard van uwen gast, vervolgens uwe magere
+koe."
+
+Het: "is uw deken lang, strek dan vrij uwe beenen uit; is uw deken
+kort, behelp u er mede, en trek uwe beenen naar u toe," luidt bij hen:
+
+"Spin vlas, broertje, als gij geen zijde weven kunt."
+
+Ons "zoo heer, zoo knecht" is bij hen:
+
+"Aan de kat van het kind kunt gij zien, hoeveel slaag het van zijne
+ouders krijgt."
+
+Van de echte innerlijke waarde en van uiterlijken schijn zeggen zij:
+
+"Het vuile zilver wordt hooger geschat dan het blanke tin," of:
+"messing! hadt gij slechts de waarde van het goud, daar gij den
+trots er van toch bezit," of "de augurk wil voor eene dochter van
+den meloen doorgaan."
+
+Recht uit het leven en uit de zinnelijke wereld gegrepen is ook,
+wat de Russen zeggen van de wijsneuzigheid der jonge lafbekken:
+
+"Geen trotscher koper, dan wat juist uit het hamerwerk komt."
+
+Eveneens, wat zij bij den omgang met hartstochtelijke menschen
+aanraden:
+
+"Als uw vriend opvliegend is als buskruit, zet hem dan niet bij
+het vuur!"
+
+Of wat zij aangaande de liefde opmerken:
+
+"De plasregen, die de minnenden treft, bestaat slechts uit
+dauwdruppels,"--en wat zij den opvliegenden mensch herinneren:
+"brandnetel, waarom brandt gij, als gij toch niet gaar koken kunt?"
+
+De macht der vooroordeelen hebben zij zeer goed begrepen; want zij
+zeggen er van:
+
+"Men raakt eerder zijne jicht kwijt, dan zijne vooroordeelen."
+
+Het Lithauische: "maak u tot een schaap en de wolf zal ras bij u zijn,"
+heet bij de Russen:
+
+"Wie zich tot paard maakt, dien wil iedereen den zadel opleggen."
+
+En ons: "het ei wil wijzer zijn dan de hen," drukken zij uit door hun:
+"de paddestoel zou het woud wel een lesje willen geven."
+
+De machteloosheid van onze opvoedingsmiddelen tegenover eigenzinnige
+naturen, drukken zij door het volgende beeld uit: "uit eendeneieren
+kan zelfs een zwaan niet dan eenden broeden."
+
+Hij, die iets tracht te bewijzen, wat van zelf spreekt, roepen zij
+zeer verstandig toe: "ja, zeer juist, mijn vriend, in de vlakte hebben
+de bergen een einde."
+
+Deze kleine bloemlezing uit een overrijk veld zal wel voldoende zijn;
+ik ga derhalve nu tot een ander onderwerp over.
+
+Waar, naar hetgeen boven aangevoerd werd, bij een volk Kalliope zoo
+ijverig gehuldigd werd als bij de Russen, daar kon onmogelijk hare
+zuster Terpsichore in minachting zijn, vooral niet bij de Slawische
+volken, bij wie de beiden Musen, zooals het overal zijn moest,
+als de twee intiemste tweelingzusters verschijnen, bij wie poëzie,
+gezang en dans, veel meer dan bij ons, op eene allerbevalligste
+wijze saamverbonden werden. De dans was van oudsher bij de Russen,
+even als bij alle Slawische volken, eene volksuitspanning. "_Slavus
+saltans_" (de dansende Slawe) was reeds bij de Latijnsche schrijvers
+der middeneeuwen spreekwoordelijk. Hun beweeglijk temperament, hunne
+vlugheid, bracht hen op zeer natuurlijke wijze tot de beoefening
+dezer kunst. Het Germaansche en Romaansche Europa heeft immers de
+polonaise, de polka, de mazurka en meer andere zijner lievelingsdansen
+aan de Slawen ontleend, ofschoon het die op eene wijze uitvoert, die
+den Slawen zelven zeer weinig voldoet. Zij daarentegen hebben ook
+onze dansen aangenomen, en op hunne tallooze dans-partijen, die in
+den winter in alle steden, tot aan het uiteinde van Siberië plaats
+hebben, voeren zij die uit op eene wijze, die veel bevalliger is,
+dan die waarop de uitvinders zelven ze uitoefenen.
+
+Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge
+feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen
+de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral
+als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en
+altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige
+uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen
+tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot
+eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De
+Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en
+als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen
+bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den
+aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar
+in de wildernis, onder den vrijen hemel--_danst_. De jonge langharige
+knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen
+en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt,
+en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken
+pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij
+opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen
+der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een
+nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme
+duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij
+hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante
+voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren.
+
+Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische
+soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra
+zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij
+hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen
+gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende
+goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust
+hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en
+een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze
+weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het
+woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken
+en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld
+bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het
+bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die
+zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets
+moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen
+verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk
+aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden.
+
+Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer
+tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis,
+maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten
+u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange
+reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka"
+(een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander
+geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de
+figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens
+vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij
+den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik
+op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot
+een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde
+keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de
+zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de
+been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten,
+en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer
+en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten
+zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien
+der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke
+groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan,
+terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk
+voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit,
+maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp,
+de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen,
+zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende
+viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste,
+dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren
+neemt eerst bij het maanlicht een einde.
+
+Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een
+niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker
+tijd kleine dramatische voorstellingen.
+
+Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken
+ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans
+wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de
+rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres,
+werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij
+allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt,
+al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking
+of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt
+de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt
+maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar
+zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een
+zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens
+het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen,
+terug trekt.
+
+Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en
+twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden
+afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden
+voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig
+talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en
+voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en
+bewegen zich ook op de maat der muziek.
+
+Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers
+waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet
+voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen
+neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap
+te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar,
+zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier
+heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren;
+deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd,
+phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de
+hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen
+orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als
+een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker
+wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De
+akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen,
+op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen
+en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch
+dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne
+beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en
+slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op
+den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond
+gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al
+deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem,
+noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen
+van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging
+deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op
+zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele
+lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest
+worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische
+toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt
+heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en
+spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met
+nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten,
+ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de
+danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich
+zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende.
+
+Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf
+niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen,
+er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige,
+naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in
+woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder
+de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich
+in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk,
+dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen,
+zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen,
+kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid
+hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of
+wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door
+hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste
+zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen,
+en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen
+roepen wil.
+
+Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in
+tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof
+der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te
+huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten
+trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes
+versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de
+hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch
+dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff
+was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens
+herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural.
+
+Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling,
+den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered;
+en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem
+met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische
+regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene
+zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten
+bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen
+en te wenschen was.
+
+Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder
+eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis
+te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis,
+die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld
+hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de
+hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven
+en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter
+ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze
+oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij
+der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven
+roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich
+geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan,
+die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs
+de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord:
+"Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten
+te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden
+nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt,
+of verwachten kan ze te kunnen opwekken.
+
+Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor
+een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt
+het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo
+dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn,
+hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche
+tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn
+voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers
+dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een
+tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met
+de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke
+mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer
+algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent
+te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en
+toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften
+geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld
+geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden
+gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite
+meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door
+de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het
+noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van
+hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige
+krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht
+zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water
+tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In
+Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van
+vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig
+gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste
+aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk
+gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een-
+en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne
+lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel
+in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts
+geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in
+hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische,
+bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men
+zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij
+hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke
+toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen
+en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk
+niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad
+en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een
+vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd
+worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de
+lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht
+is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener
+Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is,
+maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top,
+een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes.
+
+Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur,
+die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg
+en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk
+ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne
+af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in
+zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden
+hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat
+lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch
+zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen.
+
+Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland
+vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden
+stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen
+bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast
+den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden
+Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen
+Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze
+provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde
+thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt
+men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema,
+of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan.
+
+Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer
+echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit-
+en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher-
+en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren
+deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over
+groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig
+onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart
+wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten
+kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou
+moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle
+kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die
+kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in
+deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins
+sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde
+Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit
+onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen
+de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers.
+
+De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van
+Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen
+vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke
+helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich
+meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije
+aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden
+bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is
+meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen
+werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd,
+en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen
+uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg
+van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar
+nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus
+over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op
+wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in
+het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer
+van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats,
+hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen
+en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer
+door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer
+Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De
+Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal
+blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de
+verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast
+staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die
+zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt:
+"Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met
+het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap
+met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand."
+
+Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige
+Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den
+hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en
+zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal
+welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot
+de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der
+boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur,
+wetgeving en van gezelligen omgang geworden.
+
+In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw
+zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is,
+als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke
+sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor
+de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene
+volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige
+Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus
+Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in
+het jaar 1850 op 35 millioen.
+
+Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het
+geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige
+volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische
+rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische
+steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van
+de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken,
+Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt
+heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van
+het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn.
+
+De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen
+en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering,
+die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk,
+militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels
+door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw
+land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele
+etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische
+boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude
+woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze
+bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok"
+(erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen
+daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae
+adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de
+vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed
+vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden.
+
+De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen:
+"zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien
+een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld
+wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik,
+om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt
+Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder
+anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten
+van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij,
+warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen,
+de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige
+klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen,
+de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade
+hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls
+zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor
+hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende
+tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl"
+is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich
+als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere
+bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig
+weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven,
+dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat
+zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven
+zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk
+met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot
+als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich
+niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne
+meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet
+zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou,
+Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen.
+
+Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de
+Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen,
+waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der
+Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der
+Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door
+avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het
+hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich
+tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren
+tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks,
+die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor
+Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika
+ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot
+in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden
+Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt.
+
+Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische
+Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling
+van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij
+op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de
+IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den
+ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger
+of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende
+jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar,
+onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige,
+dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en
+andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan
+de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de
+oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met
+den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen,
+zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne
+naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere
+volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder,
+een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter
+de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in
+hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type.
+
+Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De
+zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het
+hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten
+de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland,
+aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even
+als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden
+zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige
+Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw,
+als eene roover-kolonie, de _Uralische Kozakken_ die nu, vermengd met
+Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen
+en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar
+daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten
+en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de _Siberische Kozakken_, die
+als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst
+Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid,
+van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken
+vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen.
+
+Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen
+de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers,
+jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen-
+en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende
+volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk
+overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen
+land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover
+hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer
+heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich
+te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij
+niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten
+maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks"
+of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en
+eenige andere naburige landen gevestigd.
+
+Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders
+toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke
+staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden
+baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien
+dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons
+is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels
+staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant,
+nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open;
+deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de
+beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust
+deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken,
+kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen
+land zijn, ergens anders van weinig waarde.
+
+De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich
+zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote
+liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland,
+dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen
+zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het
+"heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne
+eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd
+op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet
+evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn
+zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte
+heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in
+hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner
+Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn
+eigen gewicht toeschijnen.
+
+En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven,
+dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen
+der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten
+bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij
+den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde
+onderdanen, zeer zelden zal aantreffen.
+
+
+
+
+
+
+LITAUERS EN LETTEN.
+
+
+Midden tusschen de Duitschers in het Westen, de Finsche stammen
+in het Noorden, de Slawische Polen in het Zuiden en de Russen in
+het Oosten, woont sedert overoude tijden in Europa een volkstam,
+dien men, naar den naam zijner beide meest bekende onderafdeelingen,
+den Litauischen of ook wel den Lettischen genoemd heeft. "Litwa" of
+"Ljetuwa" (Letland), schijnt wel de oude en inheemsche naam van hun
+land te zijn. Onder andere namen is waarschijnlijk land en volk,
+reeds in de vroegste eeuwen der geschiedenis, bekend geweest.
+
+Nu bewonen deze Litauers en Letten het beneden-gebied der groote
+rivieren Duna en Niemen, langs de Oostzee het geheele schiereiland
+Koerland, een gedeelte van Oost-Pruissen tot dicht bij Koningsbergen,
+de zuidelijke helft van Lijfland, noordelijk tot bij Dorpat, bijna
+de geheele naar hen genoemde provincie Litauen, en een stukje van
+het Koningrijk Polen tusschen den Niemen en de Pruissische grenzen
+tot aan Augustowo. Het is een groot, met wouden, moerassen, heiden
+en zandvlakten, nu en dan door vruchtbare weiden afgewisseld, bedekt
+gebied, dat nagenoeg even groot is als het Koningrijk Hongarije en
+eene bevolking van iets meer dan drie millioen menschen telt.
+
+De Litauers en Letten zijn, ofschoon zij van al hunne bovengenoemde
+naburen, waarmede zij dikwijls in oorlog of vrede zich vermengden,
+waardoor zij somwijlen beheerscht werden maar die zij ook af en toe
+beheerschten, veel in taal en zeden aangenomen hebben--toch een
+van hen zeer verschillend en zeer eigenaardig volk gebleven. Dat
+zij van Indo-Germaanschen oorsprong zijn, en dien ten gevolge met
+de Slawen, Grieken, Latijnen en Duitschers tot een en denzelfden
+grooten, oorspronkelijken stam behooren, is door niemand in twijfel
+getrokken. Hunne taal, die in bouw en wortels al het wezenlijke met
+de talen van den Indo-Germaanschen stam gemeen heeft, duidt zulks
+voldoende aan. Ook is het nagenoeg even zeker, dat zij, onder al die
+stammen het nauwst aan de Slawen verwant zijn, ofschoon wij ons weder
+die verwantschap niet zoo denken mogen, dat wij ons daardoor gerechtigd
+zouden achten, de Litauers op dezelfde wijze als de Tschechen tot de
+Slavoniërs of de Kroaten tot de Slawen te rekenen. De Litauers zijn
+niet in den nieuweren tijd, en ook niet op Europeeschen bodem, uit
+het Slawendom ontstaan. Het is eene overoude en scherpe scheiding, die
+reeds in het Aziatische moederland moet gebeurd zijn, en waaromtrent
+geen onderzoek meer valt in te stellen.
+
+Van hunne Duitsche naburen in het Zuiden, weken de Litauers echter
+stellig meer af dan van de Slawen, en eene nog grootere klove
+scheidt hen van hunne naburen in het Noorden, de Finnen, ten minste
+in den oorspronkelijken stam, in taal en wezen; want hetgeen zij,
+wat hun uiterlijk betreft, in hunne zeden en ook in hunne denkwijze
+en zielsstemming met de Finnen gemeen hebben, is in hoofdzaak eene
+uitwerking van het gemeenschappelijk klimaat en van het harde lot,
+dat sedert oude tijden al die volken van het Noorden met elkander
+deelden, ten deele echter zeker ook tengevolge van plaats gevonden
+hebbende vermenging, en van het lang neven elkander wonen.
+
+Hoe en wanneer die Litauers, uit het Indo-Germaansche Azië naar hun
+tegenwoordig vaderland aan de Oostzee gevoerd zijn, is eveneens een
+ondoordringbaar geheim. Dat zij zich onder heldhaftige aanvoerders
+daar heen doorgeslagen hebben, is niet waarschijnlijk, want hunne
+sagen en gedichten hebben zoo weinig heroïsch, en wijzen even
+weinig naar een grootschen voortijd heen, als het tegenwoordig niet
+hoog strevende karakter dier menschen, die reeds door een der oude
+schrijvers als een "_pacatum hominum genus omnino_" (een uiterst
+vreedzaam menschengeslacht) geschetst worden. Zij werden wel door
+andere volken, op groote vóór de geschiedenis plaats gehad hebbende
+volksverhuizingen, daarheen _gedrongen_ waar zij nu zitten, en waar
+zij vervolgens op wonderbare wijze, trots al verdere voortstuwingen,
+sedert eeuwen zijn blijven zitten en hunne eigendommelijkheid bewaard
+hebben. Zij liggen daar, als een van elders overgekomen rotsblok,
+alleen en afgescheurd, midden tusschen louter vreemde, maar toch in
+de verte verwante stoffen. Wij herkennen wel het afgelegene gebergte,
+waaraan dit blok ontnomen werd, maar de zonderlinge wegen waar langs
+het in den chaos der volken-stroomen hier heen kwam, verraadt ons
+zelfs de sage nauwelijks met eene vingerwijzing.
+
+De Litauers en Letten hebben, zooals dikwijls met onderdrukte
+en in hunne ontwikkeling tegengehouden volken het geval is,
+het oorspronkelijke en oude in menig opzicht zuiverder bewaard,
+dan andere volken van een krachtiger leven en meer energieken
+drang tot ontwikkeling. Hunne taal duidt nog heden ten dage
+hunnen Hoog-Aziatischen oorsprong duidelijker aan, dan die der
+Germanen en Slawen. Zij heeft de vroegere vormen en wortels der oude
+Indo-Germaansche oorspronkelijke taal, veel meer onveranderd bewaard,
+dan bij voorbeeld het tegenwoordige Duitsch of Russisch. De Godheid,
+de zon, de elementen, de deelen van het menschelijk lichaam, en vele
+andere wezenlijke en over de geheele Aarde gelijke zaken, worden
+door de Litauische en Lettische boeren nog heden ten dage door namen
+aangeduid, die bijna geheel dezelfde zijn als wij ze in de heilige
+schriften der Brahminen vinden. En over het geheel genomen, bestaat
+er in Europa wellicht geene taal, die de oude oorspronkelijke moeder
+meer nabij staat, dan die der Litauers en Letten. Vele klanken en
+woorden dier moeder heeft de dochter nagenoeg geheel onveranderd
+bewaard. "_Esmi_" (ik ben) zegt de Lette, "_asmi_" (ik ben) zegt de
+Himalaya-bewoner; "_eimi_," (ik wandel) heet het aan de Oostzee,
+"_aimi_" (ik ga) luidde het in Indië; "_Diewas_" (God), "_sunus_"
+(zoon), "_wissa_" (alles), klinkt het aan den Niemen, "_dewas_"
+"_sunis_." en "_wiswa_" hoort men wederom aan den Ganges.
+
+Ja! men heeft zelfs getracht, eenige Sanskritische spreekwijzen samen
+te stellen, die een Litauisch Duna-bewoner, toen men ze hem voorlegde,
+zonder veel moeite even goed verstond als de taal van zijn buurman. Er
+bestaat een verwonderlijk verband tusschen de vorming der talen, die in
+ruimte door vele honderde mijlen, en in tijd door eeuwen gescheiden
+zijn. Het is een verschijnsel, waaruit menigeen het bewijs heeft
+trachten af te leiden, dat de Litauers en Letten, later dan alle
+andere Europeanen, hunne Aziatische woonplaatsen verlaten hebben,
+en onder de Indo-Germanen de laatste betreders van den Europeeschen
+bodem geweest zijn, maar dit bewijs is fout; wellicht laat zich de
+zaak gedeeltelijk daaruit verklaren, dat de Litauische taal nooit
+geschreven werd, en dat zij dientengevolge even als alle andere talen,
+die geene literatuur bezitten, die zich niet verder ontwikkelden,
+onveranderd en verstijfd--meer dan het Slawische en het Duitsche--op
+het aanvankelijk standpunt bleef staan. Ook bij de literatuur-looze
+Vlaamsche taal, [5] zien wij de oude vormen der Nederduitsche moeder
+meer bewaard, dan in het Hollandsch, dat zich grammaticaal, in proza
+en poëzie meer ontwikkelde, en door de veranderingen die het onderging,
+zijne jeugdige kracht behield.
+
+Wanneer ook al iets minder onzeker, zoo toch nagenoeg even duister
+als de allereerste tijd van hun bestaan, is de latere geschiedenis
+der Letten en Litauers, dezer "_inter septentrionales populos
+obscurissimi_" (de allerduisterste onder de noordelijke volken)
+zooals een oud Slawisch schrijver hen noemt, in hunne woonplaatsen in
+de moeras- en boschachtige steden aan de Oostzee. Zij schijnen van
+oudsher een landbouwend volk geweest te zijn, want reeds de eerste
+Grieksche en Romeinsche berichten over hen, uit den tijd van Christus
+geboorte, maken melding van hunne korenschuren, "die zij met groote
+ovens verwarmen, om het koren van hunnen altijd vochtigen bodem,
+spoediger te droogen," en de Romeinen beschrijven deze graanovens
+ongeveer op dezelfde wijze, als men ze heden ten dage nog in Koerland,
+Lijfland en Litauen zien kan.
+
+Zij leefden, naar het schijnt, onder de heerschappij van een
+gemeenschappelijken opperpriester, een soort van paus "_Kriwe_ of
+_Kriwe-Kriweito_" (d.i. de rechter der rechters) genoemd, die met zijne
+"_Weideloten_" (onder-priesters) de zaken van het volk regelde--Oude,
+eerwaardige eikenbosschen, de beroemde van "Romowe" in het tegenwoordig
+Oost-Pruissen en andere, worden als de verblijfplaatsen van zulke
+Lithauische priesters en der heidensche godheden, in wier naam zij
+regeerden, genoemd. "_Waidawut_", een soort van Lithauische Mozes, zou
+de eerste dier opperpriesters en de stichter der priesterheerschappij
+geweest zijn. De "_Kriwe-Kriweito_" was de vertrouwde der goden, die
+in donder en onweder bij voorkeur tot hem spraken.--Hij verkondigde
+het volk hunnen wil en stond in zoo groote eer, dat een mensch,
+dien hij met zijn opperpriesterlijken staf ergens heen zond, als een
+heilig persoon beschouwd werd. Misschien kwam oorspronkelijk ook deze
+priesterheerschappij, evenals de taal der Litauers, regelrecht uit
+het land der Brahminen.
+
+Ook hunne godsdienst en hunne mythen, voor zoover die ons bekend zijn,
+ademen een geheel Indischen geest. Daar de Litauers zoo laat tot
+het Christendom bekeerd werden, hunne oude heidensche beschouwingen
+nu nog bij hen eene niet onbeduidende rol spelen, en nog veelvuldig
+in de phantasie en de dichtkunst der landskinderen voortleven, zoo
+schijnt een vluchtige blik op hunne mythologie, hier op zijn plaats
+te zijn. Evenals de Slawen en andere Indo-Germanen vergoodden de oude
+Litauers en Letten de natuur. De hemel, de zon, de maan, de sterren,
+de bliksem en alle in het oog vallende natuurverschijnselen, werden
+door hen aangebeden; hunne phantasie schiep uit al deze, levende en
+persoonlijke gedaanten.
+
+Zij schijnen vooral eene algemeene moeder der natuur, onder den naam
+"_Karaluni_" (Godin des lichts), waarin zich de geheele hemel en
+al zijne verschijnselen verlichamelijkte, vereerd te hebben. Zij
+stelden zich deze "_Karaluni_" voor als eene schoone maagd, wier
+hoofd met den diadeem der zon versierd was. Zij droeg den blauwen
+met sterren bezaaiden hemel-mantel aan den schouder, door de maan,
+bij wijze van broche, vastgehecht. De veelkleurige regenboog was haar
+gordel. Haar lachen was het morgenrood. Als het echter bij zonneschijn
+regende, dan "schreide Karaluni."--Bij verdere ontwikkeling hunner
+godsdienstige denkbeelden, werden ook de afzonderlijke verschijnselen
+aan den hemel, afzonderlijke godheden; zon, maan en sterren, werden
+op zich zelf staande goden. De zon was eene godin, die over de wereld
+heenreed in een wagen met drie paarden bespannen, een gouden, een
+zilveren en een diamanten. Haar paleis lag in het oosten, in het land
+waarheen de zielen der deugdzame menschen na den dood terugkeeren,
+om, nadat zij den hoogen, gladden hemelsberg beklommen hebben, eene
+eeuwige gelukzaligheid te genieten. Twee sterren, "_Anschrinne_" en
+"_Wakarinne_" (morgen- en avondster) staken de zon aan, maakten haar
+bad in orde en spreidden haar bed:
+
+
+ "Schoone zon! dochter van God! hoor mij aan!
+ Wie steekt des morgens het vuur bij U aan?
+ Wie moet des avonds uw bedje weer spreiden?
+ De morgen- en de avondster beiden.
+ De morgenster stookt het vuurtje goed heet,
+ En d' avondster maakt mij het bedje gereed.
+ Gij hebt dan ook zulk een kinderstoet!
+ En van schatten zulk een overvloed!"
+
+
+Zoo wordt nog heden ten dage in de Lettische volksliederen
+gezongen. De Zon was de gemalin van de Maan. Als deze ontrouwe echter
+de rooskleurige Morgenster het hof maakt, dan grijpt "Perkronos",
+de god van den donder, het zwaard, en verminkt de volle Maan tot
+straf het gelaat, terwijl hij hem toeroept:
+
+
+ Waarom hebt gij de zon verlaten?
+ Waarom bij 't morgenrood vertoefd?
+ Waarom des nachts alleen gedoold?
+
+
+De sterren waren de kinderen van de Zon en de Maan, die slechts
+een weinig licht ten huwelijk mede kregen. Deze karig uitgeruste
+zonnedochters huwden met zonnezonen, en daaruit ontstonden dan weder
+de kleinste en allerkleinste sterren, wier uitzet nog geringer was. De
+sterren werden door de mythologie der Litauers ook met de menschelijke
+ziel, die zij zich als eene vonk van het goddelijke licht voorstelden,
+in verband gebracht. Met de geboorte van ieder kind op Aarde, geloofden
+zij, verscheen ook eene nieuwe ster aan den hemel. Eene Parce hing
+deze ster aan het hemelgewelf op en bevestigde daaraan de levensdraden
+van den jonggeborene. De Parce of schikgodin, door hen "_Laima_"
+genoemd, spint den levensdraad, en weeft daaruit voor den mensch een
+kleed, dat hij na zijn dood, ter herinnering aan de vreugde en de
+smart van zijn aardsch leven, dragen moet. Van de "_Laima maminga_"
+(het noodlots-moedertje) zingen zij nog ten huidigen dage in hunne
+liederen, waarin wij somwijlen spreekwijzen als: "gisteren zat ik in
+den nacht met Laima te praten", ontmoeten.
+
+Merkwaardig, maar zeker niet onnatuurlijk is het, dat de zonnegodheid
+bij de Letten, even als Helios op Sicilië, ook de hoeder en beschermer
+der veekudden is:
+
+
+ O! Godheid met uw gouden lokken!
+ Wil mijne koe doen weiden,
+ Zoo ook mijn ossen, schapen, bokken,
+ En hun der wolven bloeddorst mijden!
+ Dit smeek ik U! o Zonne!
+
+
+Op deze wijze zingen de herders in Litauen en in het Lettenland nog
+heden ten dage.
+
+Behalve de "kudden beschermende" zonnegodheid, en de het leven
+leidende "noodlot-moeder", hebben zij ook nog eene "woud-moeder", eene
+"bloemen-moeder", eene "tuin-moeder", eene "wind-moeder". Het meest
+echter hoort men hen over eene "_Semmes-Mathe_" (het aard-moedertje)
+praten. Deze heerscht op en onder de oppervlakte der Aarde. Hare
+helpsters heeten "_Swehtas meitas_" (de heilige maagden), die bij
+hen de plaats onzer Elfen bekleeden, en die, zonder toedoen van den
+mensch, bij nacht alles in de natuur klaarmaken; van de aard-moeder
+zeggen de Lettische boerenmeisjes nog heden, als zij iets verloren
+hebben, b.v. eene naald, schertsenderwijze: "aardmoedertje geef mij
+mijne naald terug".
+
+Een hunner machtigste goden, hun "donderaar", hun Zeus, heette
+"Perkun". Hij speelde bij hen ongeveer dezelfde rol als Thor bij de
+Skandinaviërs. Hem was de eik toegewijd, en ieder voorwerp dat door
+zijnen bliksem getroffen werd, gold eveneens voor heilig. Ook hij,
+die door zijnen bliksem gedood werd, kon van zijne zaligheid zeker
+zijn. Perkun hadden de Litauers met de Slawen gemeen, en even als
+deze, offerden zij hem paarden. Anders waren hunne offers in den
+regel noch zeer bloedig, zooals b.v. de offers der Celten, noch
+waren hunne godheden wreed en verschrikkelijk, als die van vele
+Oost-Aziatische volken. Slechts één bij hen gebruikelijk offer,
+verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar het bewijst, tot welke
+heldhaftige vaderlandsliefde deze menschen toch ook in staat moeten
+geweest zijn. Wanneer een oorlog of eenige andere ramp het volk
+bedreigde, dan wijdde een hunner zich als zoenoffer ten dood. Hij
+stortte zich te midden der vijandelijke gelederen of doodde zich
+op eene andere wijze. Wanneer zich niemand anders daartoe voordeed,
+dan trad een priester in plechtgewaad te voorschijn, en wijdde zich
+tot heil van het vaderland, openlijk aan den dood in de vlammen. Deze
+trek herinnert aan dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis der
+Romeinen en der Zwitsers.
+
+Deze en andere overleveringen en mythen aanklevende en bovengenoemde
+goden vereerende, kunnen de Litauers zich waarschijnlijk gedurende
+onmetelijke tijdruimten in vele, door geene geschiedschrijvers
+beschrevene, gevechten en oorlogen, met hunne Slawische, Finsche en
+Duitsche naburen gemeten hebben. Alleen de met wapens en doodsbeenderen
+gevulde grafheuvels, die men hier en daar in de bosschen en langs de
+rivieren van hun land aantreft, getuigen van dergelijke gebeurtenissen.
+
+Ofschoon zij hunne heilige wouden, hunne vaderlijke akkers, somwijlen
+dapper en hardnekkig genoeg verdedigden, zoo toont de geschiedenis hen
+ons toch, nu eens onderworpen aan dezen, dan aan genen nabuur. Zelfs de
+Finsche stam, de Koeren, Lijflanders en Esthen, hebben bij tijden het
+Lettische land en volk overheerd, en de beide eersten hebben zelfs,
+aan de hoofdzakelijk Lettische provinciën Koerland en Lijfland,
+hunne namen opgedrongen.
+
+Veel hadden zij van oudsher te dulden van hunne naburen aan de andere
+zijde van den Oceaan, van de Gothen of Germaansche Skandinaviërs, wier
+groote koning Hermanrich hen reeds in de 4de eeuw na Christus, even zoo
+onderwierp en bij zijn groot rijk inlijfde, als hij zulks met hunne
+naburen, de Finnen en Slawen deed. Reeds toen zullen waarschijnlijk
+menige arme Letten op de slagvelden der Gothen gesleept geworden zijn,
+en als gedwongen recruten aan de volksverhuizing en de verovering
+van Rome deel genomen hebben, even als zij nog heden ten dage in de
+regimenten van den keizer van Rusland, bij Austerlitz en Leipzig,
+aan den Donau en bij den Kaukasus, hun bloed moesten vergieten, voor
+eene zaak die hun niets aanging.--Menig geleerde heeft de metgezellen
+van Odoaker, die een einde maakte aan het Romeinsche Keizerrijk,
+"de Herulers", voor Litauers of Letten willen houden.
+
+Een tweede Hermanrich, de Noorman Rurik, versmolt hen, of ten minste
+een gedeelte van hen, op gelijke wijze in de 9de eeuw, met het door hem
+gestichte Russische rijk, en reeds van dien tijd af hebben de Russen
+deze Litauers en Letten en hun land als hunne onderdanen beschouwd,
+ofschoon zij volstrekt niet, sinds dien tijd altijd in het bezit der
+opperheerschappij geweest zijn. Skandinavische in- en aanvallen op
+Litauen en Lettland zijn tot op de jongste tijden herhaald.
+
+Veel beslissender voor den tegenwoordigen toestand van dezen volkstam,
+dan al die ontelbare en voorbijgaande Zweedsche invallen van over de
+zee, zijn zijne aanrakingen met de Duitschers en Slawen, van wie hen
+geene zee scheidde, geweest. Reeds in de oudste tijden schijnen de
+Litauers meermalen, onder den invloed en de heerschappij van Duitsche
+en Slawische volken gestaan te hebben,--maar wij willen over de
+vroegere duistere en twijfelachtige gebeurtenissen heenstappen. Sedert
+den aanvang den 13de eeuw echter, drongen de Duitsche ridders en
+kolonisten van twee zijden op hen in, eens van af den Duna en eens
+van den Weichsel af, bij wier mondingen deze zich aan de Oostzee
+nederzetten.
+
+Hier in het zuid-westen, roeiden zij in een langdurigen en bloedigen
+oorlog een ouden stam der Litauers, die der "_Porussen_", tot op
+eenige nu nog bestaande overblijfselen na, uit, en germaniseerden
+verscheidene streken van het land, tot aan den Niemen toe, waarin
+van de oude Litauers weinig meer over bleef dan de beroemde naam der
+tenondergegane Porussische vaderlandsverdedigers, die in "Pruissen"
+veranderd op hunne doodsvijanden overging, en nu nog als de naam van
+een grooten Duitschen staat bloeit.
+
+Dáár in het noord-oosten van den Duna, maakten zich de Duitschers
+den stam in engeren zin, de _par exellence_ zoo genaamde, "Letten",
+onderdanig, en verdeelden zijn land onder de ridders der zwaard-orde,
+wier opvolgers daar nog tot op den huidigen dag de grondbezitters
+zijn. Het geheele Litauische volk werd op die wijze, toen in de 13de
+en 14de eeuw, om zoo te zeggen aan twee kanten door de Duitschers
+aangevallen, en het schijnt, dat juist daardoor ten minste de kern en
+het hoofdlichaam van den stam--het in het midden liggende eigenlijke
+Litauen--tot eene vereeniging gedrongen werd en zich, hoewel slechts
+van korten duur, een historisch gewicht verwierf. Er ontstond ten
+gevolge van dien druk van buiten, in de 13de eeuw, hartstocht tot
+oorlog voeren en landen veroveren onder dit "_pacatum genus_". Het
+tot dien tijd--ten minste als aanvallers (waarlijk niet als het de
+_verdediging_ van het vaderland gold) slaperige geslacht der Litauers,
+vermande zich en begon te steigeren, als een paard dat men de sporen
+in de beide zijden drukt.
+
+Daar de Russische aangelegenheden toen ten tijde, onder de heerschappij
+der Mongolen, zeer in verval waren, breidde de machtig opdoemende
+heerschappij der vertoornde Litauers zich voornamelijk in die richting
+uit. Zij maakten veroveringen ten koste van Rusland; Litauische legers
+drongen tot aan den Dniepr, tot aan Kiew door, ja streden zelfs tegen
+Tataren en Russen aan de oevers van de Zwarte Zee. En zoo bestond dan,
+in het begin der 14de eeuw, een groot, zeer gebiedend Litauisch rijk,
+wiens woeste vorsten Gedemin, Olghard, Witoft en Jaguel (Jagello,)
+in geheel Europa beroemd en bij de Russische geschiedschrijvers maar
+al te bekend geworden zijn; zoo heeft dus ook deze "_duisterste_" en
+vroeger altijd onderdrukte stam der Europeesche familie, ten minste
+eens een tijd van roem gehad of eene invloedrijke rol gespeeld,
+wel is waar echter slechts ééne maal en ook slechts voor korten
+tijd, want reeds sedert het jaar 1386, nadat zij door het huwelijk
+van Koningin Hedwig en den Groot-Vorst Jagello met Polen verbonden
+werden, verloren de Litauers langzamerhand weder hunne nationale
+zelfstandigheid, en werden zij door eene andere, en wel krachtiger
+nationaliteit in de schaduw gesteld.
+
+Eigenaardige bloesems van hoogere ontwikkeling, bracht het volk, ook
+ten tijde zijner politieke macht en zelfstandigheid, niet voort. De
+Litauers bleven zelfs heidenen tot aan het begin der 15de eeuw. In het
+land "Smudz" of "Samogitië" werden zij zelfs eerst in het begin der
+16de eeuw gedoopt. Van alle grootere Europeesche volken zijn de, zon-,
+maan- en sterren aanbiddende, Litauers het laatste tot het christendom
+bekeerd. Genoemde Litauische Groot-Vorst Jagello gold zelfs in Polen
+voor een heidensch barbaar. Hoe donker het daar, zelfs ook in de oogen
+der Russen, moet uitgezien hebben, bewijst onder anderen de naam,
+dien zij van oudsher aan de, door de Litauers bevolkte bosschen en
+moerassige landschappen gaven, aan die wildernissen, die nooit de
+zetel eener beschaving geweest zijn, waarin zich nog heden ten dage,
+kudden der elders overal uitgestorvene wilde ossen ophouden. De Russen
+noemden die oorden: _Zwart-Rusland_.
+
+In die vereeniging met een meer ontwikkeld, krachtiger en reeds sedert
+lang christelijk volk, werden de voornaamste klassen onder de Litauers
+gedenationaliseerd, gepoloniseerd en, ten minste in naam, Katholieke
+christenen. Sedert dien tijd zijn adel en stadbewoners in dat
+voornaamste gedeelte van Litauen, in zeden, denkwijze en taal geheel
+Poolsch geworden, en zijn ook, zelfs na de uitbreiding der Russische
+heerschappij over het geheele land, tot nu toe Poolsch gebleven.
+
+Even als in het eigenlijke Litauen, _vele_ in dat land te huis
+behoorende geslachten in het Polendom opgingen, zoo zijn in het
+Letten-land, dat is in Koer- en Lijfland, ten minste menigen in het
+Duitschdom opgegaan. Het Duitsch sprekende burgerlijke gedeelte der
+bevolking van de steden dezer Lettische landstreek, is gedeeltelijk
+van Lettische afkomst. Ja! ook onder den Lijflandschen adel, wiens
+voorouders anders meestal in Westphalen, in het Bremensche en andere
+streken van Noord-Duitschland gezocht moeten worden, bevinden zich
+eenige oorspronkelijk inheemsche geslachten. Zoo b.v. zouden de
+Vorsten Liesen van een Lettischen aanvoerder "Kaupo" afstammen.
+
+Alleen de oorspronkelijke plattelandsbevolking in de genoemde streken
+is de oorspronkelijke taal en gewoonten van den stam onveranderd
+trouw gebleven, en leeft nog, ofschoon zij in strenge afhankelijkheid
+gehouden wordt, en van den eenen kant met het Duitsch overtrokken,
+aan de andere zijde door Poolsche en Russische nationale elementen
+overdekt is, een geheel eigenaardig en in Indië zijn wortel hebbend
+leven; niet ongelijk aan dat der bijen, spinnen en andere dieren
+van lagere orde, die onder eene op haar nedergestorte rots, hun
+leven leiden. Trots het bij hen ingevoerde christendom, vindt men in
+hunne zeden en gebruiken nog veel heidensch. Ook hierin herinneren de
+Litauers en Letten aan Indië. Even als de Hindoe's, hebben zij altijd
+onder vreemde opperheerschappij gestaan, en toch even als deze, ten
+minsten in de lagere volksklassen, aan hunne zeden en hun voorvaderlijk
+geloof, met eene hardnekkige taaiheid eeuwen lang vastgehouden,
+ofschoon zij wederom geene geestkracht bezaten, en het hun daardoor
+ook nooit gelukte, hun nationaal-type ook op eenige andere natie te
+drukken. Ten gevolge van dit gebrek aan énergie, hadden ook de hoogere
+klassen der Litauers, en hunne Vorsten en hun hof, reeds gedurende,
+den tijd der staatkundige grootheid van hun stam, Russische taal en
+zeden aangenomen, die zij later weder tegen de Poolsche omruilden.
+
+Ofschoon zij in Litauen zelf den Katholieken godsdienst, in Pruissen,
+Koer- en Lijfland echter het protestantisme omhelsden, en ofschoon
+onder hen zelven menige stam-verscheidenheid en tallooze variaties
+in tongval, kleeding en gebruiken bestaan, zoo zijn toch nog heden
+ten dage alle opmerkingen, die men over hen gemaakt heeft, zoowel
+over de Litauers, die voor de poorten van Koningsbergen wonen, als
+over die aan den Duna en aan het Peipus-meer, alsook over die bij
+Wilna en aan den Niemen, zoo bijzonder overeenstemmend, dat men wel
+inziet, dat men overal splinters van hetzelfde blok, een en dezelfde
+nationaliteit voor oogen heeft.
+
+De nuancen hunner taal zijn niet grooter, dan die onder de verscheidene
+Duitsche dialekten. Hunne poëzie heeft overal een gelijksoortig
+gronddenkbeeld, behandelt gelijksoortige onderwerpen op gelijksoortige
+wijze, en Duitsche letterkundigen, die hunne tradities in Gumbinnen in
+Oost-Pruissen opzamelden, stieten op letterlijk dezelfde verdichtingen
+en sagen, ja dikwijls op letterlijk dezelfde verzen, uitdrukkingen
+en gedachten, als de Russische literatoren, die aan het meer Peipus
+dergelijke Lettische of Litauische bloemlezingen vervaardigden.
+
+In hunne kleeding, ofschoon deze dikwijls in kleinigheden bijna
+in iedere landstreek verschilt, hebben zij toch in de hoofdzaak
+overal dezelfde voorliefde voor zekere kleuren en vormen, denzelfden
+nationalen smaak en snit, die van dien der Russen, Polen, Finnen
+en Duitschers merkelijk afwijkt. In de wijze waarop zij hunne huizen
+bouwen, hunne gereedschappen vervaardigen, is overal een gelijksoortige
+stijl, welke van dien der Russen en andere naburen zoo zeer afwijkt,
+dat men b.v. met een enkelen oogopslag, een Russisch huis of dorp van
+een Lettisch of Litauisch onderscheiden kan. Ditzelfde valt omtrent
+hunne gebruiken en gewoonten bij bruiloften, begrafenissen en andere
+gebeurtenissen in het leven op te merken.
+
+Wat hun lichamelijk voorkomen aangaat, verschijnen de Litauers en
+Letten als een goedgevormd slag van menschen. Zij zijn over het geheel
+genomen grooter dan hunne naburen de Finnen, en men vindt vele lange,
+hooge gestalten onder hen. Hun gelaat draagt schier geene sporen van
+het Mongoolsche type, dat bij de Russen zoo duidelijk spreekt. Ook
+bezitten zij niet die vlugheid en lenigheid, die den Russen en anderen
+Slawen eigen is. Hunne vrouwen bezitten in den regel, een frissche
+vroolijke gelaatskleur en eene zachte liefelijke schoonheid. Naar hun
+geheelen lichaamsbouw is men eerder genegen de Letten tot de Germanen,
+dan tot de Slawen te rekenen.
+
+In hunne kleeding zijn ze vermoedelijk even ouderwetsch als,
+naar hetgeen hierboven vermeld is, in hunne taal. Wat de Duitsche
+kroniekschrijvers, voor 500 jaren, over de kleeding der oude Litauische
+Pruissen mededeelden, geldt nog heden ten dage van hen. Dit is trouwens
+zeer natuurlijk bij een volk, dat op het gebied van kleeding geene
+kunstenaars bezit, bij hetwelk niet alleen het winnen en de eerste
+toebereiding der stof, maar ook hare fatsoeneering en vervaardiging
+eene familie-aangelegenheid is; waar de dochter des huizes zingende,
+als Penelope het weeftouw in beweging brengen, en de vrouwen
+zelve, evenals de echtgenoote van Odijsseus, die fraaie kleederen
+vervaardigen, de broeders en vaders eigenhandig de pelzen bereiden,
+en de knapen hunne schoenen zelf snijden en maken. Konden wij maar
+onze kleermakers afschaffen, en wilden onze zusters, dochters en
+vrouwen voor ons weder spinnen, weven en naaien, dan zouden wij ook
+weldra een vast nationaal kostuum hebben.
+
+Men heeft bij de naakte, wilde natiën opgemerkt, dat die, welke zich
+bijzonder prachtig tatoueeren, gewoonlijk ook een trotschen en koenen
+geest hebben. Bij de van kleeding voorziene volken, kan met betrekking
+tot hunne kleedij eene dergelijke opmerking gemaakt worden. De moedige
+Hongaren, de ondernemende Russen, de levendige Polen, hebben allen
+een zeer opgeruimd en schitterend nationaal kostuum. De nationale
+kleederdracht van het "_pacatum genus_" der Litauers en Letten, heeft,
+zoo oud zij is, niets bijzonder in het oog vallends, niets elegants of
+zwierigs in kleur en snit. Hunne lievelingskleur is nu nog, evenals
+in de heidensche oudheid, wit en lichtgrijs. Niet alleen de mannen,
+maar ook de vrouwen kleeden zich meestal met flauwe kleuren. Zij vormen
+daarin een groot contrast met de levendige Russen, die in den regel
+veel van bonte kleuren houden, en zelfs liever groene en roode dan
+witte hemden dragen. Dit gemis aan scherpte, dit gebrek aan kleuren,
+schijnt eene weerkaatsing te zijn van den lauwen, weekelijken, weinig
+levendigen en weinig hartstochtelijken zin der Letten. Als iets van
+het vúúr, dat zijne naburen bezitten, hem éigen was, dan zou hij
+daarvan wel iets in de kleur en de manier van kleederdracht toonen,
+evenals de tijger dat in zijne gevlekte huid doet.
+
+In de vervaardiging van hun schoeisel zijn zij niet meer vooruitgegaan,
+dan de Indianen van Canada; het bestaat gewoonlijk slechts uit een
+zacht stuk leder, dat door eene lis om den voet vastgesnoerd wordt,
+of ook wel uit een vlechtsel van linden- en wilgen-bast, dat zij
+"_passeln_" noemen. Met lichten tred loopen zij daarmede over de
+moerassen van hun land heen, waarin de zwaar gelaarsde Pool of
+Duitscher dikwijls zou blijven steken. Daarentegen zorgen zij meer
+voor eene stevige bedekking der hand, dan zij zulks voor den voet
+doen, en men zal moeielijk een volk op aarde aantreffen, waar de
+handschoen eene zoo groote rol speelt dan bij de, _in dit opzicht_
+zeer bijzondere, Letten en Litauers. De herdersknapen, die achter
+de ossen en paarden loopen, de houthakker in het bosch, ja, zelfs de
+staljongen, zijn allen altijd "_bien ganté_." Waar zich de eene Lette
+aan een anderen verhuurt, daar wordt telkens het aantal der te leveren
+handschoenen vastgesteld, vier paar 's jaars voor den ganzenhoeder,
+acht paar voor den eersten knecht enz. Handschoenen zijn dientengevolge
+bij hen ook vaste feestgeschenken geworden. Zoo worden zij den gasten
+als een geschenk, als eene ridderorde, aan den jas vastgespeld,
+gewoonlijk tegelijkertijd met een eveneens ruim versierden, met rood
+garen omzoomden handdoek, het symbool der zindelijkheid. Eene bruid
+moet voor haren huwelijksdag wel eenige honderd paar handschoenen en
+handdoeken gereed hebben.
+
+In hunne _woningen_ zijn zij vermoedelijk niet minder primitief dan
+in hunne kleeding. Boven is reeds opgemerkt, dat, bij de schrijvers
+der ouden, eenige aanduidingen over hunne gebouwen voorkomen, die nog
+heden geldig zijn. Zij huizen gewoonlijk in op zich zelf staande,
+verstrooide boerderijen. Want de weinige lust tot gezelligheid
+dezer menschen, liet hun niet eens tot het vormen van dorpen en
+dorps-gemeenten geraken, zooals die bij de Russen en bij alle Slawen
+van oudsher schijnen bestaan te hebben.
+
+Ver van de sloten en lusthoven, die de Poolsche, Russische en Duitsche
+edellieden bij hen gebouwd hebben, ter zijde van de wegen, die de
+vreemde veroveraars aanlegden, daar, waar de wegen en paden van het
+land, slechts aan de in het mos nauw zichtbare sporen van wagens en
+paardenhoeven, te herkennen zijn, en zich in de bosschen en moerassen
+verliezen, daar begint het eigenlijke vaderland der landskinderen,
+daar liggen hunne kleine, onaanzienlijke landhoeven, beschut door
+eenige oude eiken of berken, of in plaats van door vruchtboomen,
+door hooge pijnboomen omgeven.--Even als overal in het Noorden, ook
+bij de Russen en Zweden, zijn hunne huizen uit over elkander liggende
+en in elkander ingelatene balken gebouwd, maar zij zijn weder geheel
+anders geconstrueerd dan deze.
+
+Al de gebouwen der boerderijen liggen in een cirkel, waarbinnen zich
+eene ronde binnenplaats bevindt. Alles is even eenvoudig, even klein,
+met stroo gedekt, naar buiten zonder eenige versiering en zonder
+vensters, maar ook van binnen zijn er deze slechts weinige. Het geheel
+ziet er uit, als een kleine houten burgt voor bange menschen, die
+zich tegen de ruwheid van het klimaat (en der menschen?), evenals de
+slakken zoo diep mogelijk in hunne woning verbergen. Langs een smallen,
+hobbeligen weg, aan weerszijden met hooge heggen beplant, komt men
+tot de uit balken in elkander geslagen deur der boerderij. Daar binnen
+ziet het er bont genoeg uit, en alles is, evenals bij de Lilliputters,
+zeer in het klein.
+
+Het gebouw bestaat uit eene menigte kleine afdeelingen, kamertjes
+en hokken. Daar is het gemeenschappelijke woonhuisje, dat door een
+paar vensters wat in het oog valt; daaraan sluit een ander huisje
+"_Kleete_" genaamd, voor de kleederen, het lijnwaad, den voorraad
+boter, vlas en koren van den huisheer; een andere "_Kleete_" voor
+het huisraad van den knecht, een derde voor de meiden; dan is er
+nog een klein schuurtje voor de sleden en wagentjes, voor de lompe
+ploegen en landbouw-gereedschappen; een afzonderlijk huisje, dat wij
+het best met een duiventil kunnen vergelijken, voor het droogen van
+kaas; vervolgens nog een koren-droogoven, eene zoogenaamde "_rige_"
+voor het droogen en het dorschen van het koren; gewoonlijk ook nog
+een vertrek voor stoombaden in de koude winters, zooals men die
+bij de Finnen en Russen aantreft, en somwijlen ook een ijskelder
+voor den heeten zomer. Bovendien nog eene massa andere kamertjes en
+hokjes, die zich naast elkaar bevinden als de kajuiten in een schip;
+een stalletje voor de schapen, een ander voor de kleine, magere,
+meest horenlooze koeien, en wederom andere voor de even kleine en
+ongelooflijk geplaagde en daarbij duurzame paarden; een afzonderlijk
+stalletje voor het rijpaard van den huisvader, een ander voor de
+paarden van den knecht, en nog een ander voor andere paarden, want de
+paarden en het rijden, zoo te paard als in een rijtuig, speelt bij
+deze menschen nog eene even groote rol, als waren zij pas van Azië
+naar Europa heengereden. Naar hun werk op het veld gaan zij òf te
+paard, òf in rijtuigen en sleden; naar de kerk gaan alleen zij die
+er het dichtst bij wonen te voet, de meesten echter te paard of op
+wagens. Wanneer hier of daar eene boodschap moet gedaan worden, zetten
+zich de knapen, en ook de meisjes die hier bijna evenveel rijden als
+de mannen, in den zadel, en rijden daarheen waar wij, die veel van
+te voetgaan houden--reeds Tacitus duidt ons als voetgangers aan--als
+Merkurius, de sandalen of waterlaarzen zouden aantrekken. Schuifkarren,
+draagkorven, handwagens, en dergelijke Duitsche uitvindingen, komen
+in de huishouding der Letten niet voor, terwijl men bij de Duitschers,
+de menschen met kruiwagens en draagkorven dikwijls verre reizen maken,
+en als het ware geheele winkels op hun rug dragen ziet.
+
+De Letten transporteeren zelfs de kleine hoeveelheden melk, die
+hunne magere koeien geven, het pondje boter, het hoopje vlas, het
+bundeltje hout, dat zij als "houtdieven" uit het bosch van hunnen
+heer haalden, op den wagen, en om een paar hazen naar de markt te
+brengen, spannen zij twee hunner paardjes in. Vroeger--zoo gaat de
+sage onder dit volk--waren de menschen veel grooter, waren het ware
+reuzen en daarbij verschrikkelijk sterk, en "zij torschten zulke zware
+lasten, als men nu nauwelijks durft te zeggen". Later echter werden de
+menschen van jaar tot jaar zwakker en "wij zullen nog zoover komen,
+dat wij in dwergen veranderen en met ons zevenen aan een stroohalm
+moeten trekken". Dergelijke sagen treft men, wel is waar, ook wel bij
+andere volken aan, maar bij de tegenwoordige Letten komen zij recht
+te pas en schijnen zij reeds half in vervulling gekomen te zijn.
+
+Ook hunne dooden _dragen_ zij niet als wij ten grave, zij zetten ze
+op een met paarden bespannen slede, en rijden zoo met den doode in
+snellen draf over de sneeuwvlakte en door de wouden naar het kerkhof
+heen. Treurende mannen en vrouwen jagen er te paard, onder het prevelen
+van klaagliederen, achter aan. Veelvuldig en bij allerlei gelegenheden
+ziet men dus karavanen sleden en wagens door het land trekken, en
+bereden mannen, knapen en vrouwen over de velden jagen. En dit is niet
+alleen van toepassing op Koer- en Lijfland en op de Russische Litauers,
+maar dergelijke tooneelen en zeden neemt men ook in Oost-Pruissen waar.
+
+Even als het paard onder de dieren, zoo speelt de berk onder de
+boomen de voornaamste rol in de huishouding en den landbouw der
+Litauers en Letten. Hunne tafels, hunne kroezen, emmers, vaten,
+kortom het grootste gedeelte hunner gereedschappen zijn vervaardigd
+van het taaie berkenhout, dat zich zoo fraai en gemakkelijk op
+de draai- en schaafbank laat bewerken. Hunne sleden loopen over
+lijsten van berkenhout, de velgen der raderen zijn van hetzelfde hout
+vervaardigd. Aan de elastieke berkentakken worden ook de schommelende
+kinderwiegen opgehangen.
+
+De schors en de bast van den berkenboom zijn zeer taai en laten het
+water niet door. Zij nemen daarom dikwijls de plaats van het leder in,
+korven, goten, flesschen en drinknappen worden er van gemaakt. En
+bij het vervaardigen van daken op de huizen, wordt de schors der
+berken in even groote hoeveelheden verbruikt, als bij de Indianen van
+Noord-Amerika. Ook bevat zij die krachtige looistof, die het Noordsche
+juchtleder zijne beroemde eigenschappen geeft. De ziekelijke uitwassen
+van den berk, zijne zwammen, knoesten en de verharde vlechtingen zijner
+plantenvezels dienen dikwijls de industrie van het land. Tonder,
+kurken, sleutels en verscheidene andere kleinigheden worden er uit
+vervaardigd. De lentesap uit den berk, wordt ook wel bij ons uit den
+boom gehaald, maar meer slechts uit aardigheid. Bij deze Noordlanders
+echter word de zaak ernstiger behandeld. Want in de lente is het
+zoetachtige berkenwater niet alleen hun gewone drank, maar zij
+vervaardigen er ook hunnen azijn van, en weten het ook weder hier
+en daar tot eene stroop te verdikken, die hun tot suiker dient. In
+Maart of April, als de sappen uit de wortelen opstijgen, worden in
+alle krachtige berkenboomen gaten geboord, en met groote emmers,
+vaten en bakken begeven de meisjes en knapen zich naar het bosch om
+het begeerde vocht naar hunne voorraadkamers te halen. Zij hebben het
+daarmede even druk als de wijngaardeniers bij den druivenoogst. Door
+het bijvoegen van kruiden weten zij het berkensap een tijdlang goed te
+houden, en tegen Paschen en Pinksteren hebben dan de armen, wien mede
+of bier te kostbaar is, geen anderen feestdrank dan dezen palmwijn
+van het Noorden.
+
+De berk gaat, om zoo te zeggen met bloed en been, in de huishouding
+dezer Noordsche volken over. Uit de vette wortelen van den boom winnen
+zij hun teer,--zijne eerste, jonge, eenigzins bitter smakende knoppen
+verzamelen zij, om met hun heilzaam planten-aroma de ledematen
+hunner jichtigen te versterken,--uit de frissche, licht groene,
+juist ontvouwde bladeren bereiden zij eene fraaie, gele verf,--en in
+den herfst verzamelen zij weder de drooge bladeren van dezen boom,
+om hunne divans of althans hunne bedkussens er mede te vullen.
+
+Bovendien is de berk het voornaamste sieraad van een Lettisch
+landschap. Hij omzoomt als een dunner voorhout overal de dichte
+dennenbosschen, en is de meest voorkomende boom in de tuinen van het
+Noorden, waar men haar gaarne kweekt, omdat zij in de lente het eerste
+gewas is, dat tot het nieuwe leven ontwaakt, en reeds spoedig na het
+smelten der sneeuw met zijn liefelijken, frischgroenen bladerensluier
+getooid, daar staat. Ook in den herfst nog, voor de bladeren geheel
+verbleeken en wegwaaien, verheugt zijn loof het oog door zijne
+violette-, weerschijnende-, bruinroode-, goudgele kleuren. Even als
+de berk in den tuin de boom der vreugde is, zoo is hij als treurberk
+op de Noordsche graven, de met de menschen sympathiseerende boom
+van den rouw.--Hier en daar vormen de berken op zich zelf staande
+groote, vroolijke bosschen, door de Letten "_Behrsen_" genoemd, waar
+een Ruysdael de liefelijkste gezichten voor zijne schilderijen zou
+kunnen vinden. Zij hebben dikwijls veel van door de natuur aangelegde
+parken. Deze "_behrsen_" zijn de geliefkoosde schuilplaatsen voor de
+talrijke zangvogels van het land, die zich in de donkere eeuwenoude
+wouden niet wagen. In hen huist de berkhaan en dikwijls ook de ree
+en het reuzenhert van het Noorden, de eland, die gaarne het jonge
+loof van den boom afknauwt.--De Letten zelven houden niet minder van
+hunne "behrsen". In hunne liederen bezingen zij dikwijls den lof der
+berkenbosschen, die in de lente en in den zomer op zon- en feestdagen
+hunne gewone plaatsen zijn, waarin zij zich vermaken, dansen, en waar
+zij ook aan de boomen hunne schommels hangen. Voor deze schommels,
+die in het voorjaar even regelmatig als de bladeren zelve, in de
+Noordsche berkenbosschen verschijnen, hebben de Letten eene even
+groote voorliefde als de Russen. Als er niets te doen is, dan brengen
+de meisjes, gedurende de heldere zomernachten, er uren lang zingende en
+tusschen de boomen op- en nederzwevende, in door. Wellicht hebben hunne
+voorouders op gelijke wijze in de palmbosschen van Indië geschommeld.
+
+Even als in alle bovengenoemde zaken, in hunne kleeding en hunne
+huiselijke inrichtingen, zoo hebben zij ook verder in hunne gewoonten,
+in hunne levensbeschouwingen, in hun bijgeloof, in hunne gebruiken
+bij begrafenissen, bruiloften en andere plechtigheden, veel overouds
+en zeer eigendommelijks.
+
+Hunne gebruiken bij bruiloften vooral, worden door de eerste en oudste
+Duitsche schrijvers over het heidensche "Pruissen", in hoofdtrekken
+juist zoo beschreven, als men ze nog heden ten dage in Koerland en
+Litauen mede beleven en zien kan. Ik zal ze hier, als voorbeeld,
+wat meer in bijzonderheden mededeelen. De jonge dochters der Letten
+en Litauers beginnen reeds bij tijds, zich voor hun huwelijk,
+eene gebeurtenis die haar allen dreigt en waarnaar zij allen in
+stilte wenschen, voor te bereiden. In haar vrijen tijd, spinnen,
+naaien en weven zij vlijtig, en verschaffen zich in den loop der
+jaren een kleinen bruidschat van handschoenen, doeken en ander nuttig
+huisraad. Hoort nu een jonge, trouwlustige knaap van een vlijtig, zedig
+en niet zelden ook mooi meisje, heeft hij geinformeerd hoeveel ponden
+wol zij bijeengegaard, hoeveel warme sokken enz. zij klaar, hoeveel
+lammeren zij groot gebracht heeft, en voor alles, of daar ook een paar
+koeien bij zijn, en heeft hij zich vervolgens, nadat hij dit alles
+overwogen heeft, van de gevoelens zijner geliefde verzekerd, dan zendt
+hij eerst naar het huis zijner uitverkorene een bruidwerver, die onder
+allerlei ceremonieel met hoesten, kuchen en verlegene complimenten,
+eene toespraak tot den huisvader richt. Met veel omwegen vertelt
+hij vervolgens, dat hij voor een vriend een meisje, een goed vlijtig
+meisje noodig heeft om te spinnen, te weven, te bleeken, te wasschen,
+te breien en te naaien, te melken en te karnen. Hij heeft nog nergens
+de rechte kunnen vinden, hij gelooft echter in dit hoog geachte en
+zeer geroemde huis te moeten zijn. De huisvader of woordvoerder der
+bruid bedankt voor het vertrouwen en de eer, en stelt vervolgens den
+bruidwerver de meisjes van het huis voor. "Hier zijn meisjes genoeg,
+zoek de uwe en neem haar!"--Daar de ware, om wie het te doen is, maar
+die zich gewoonlijk even als Asschepoestertje beschaamd verscholen
+heeft, niet onder haar is, zoo prijst de bruidwerver allen, die
+hem voorgesteld zijn geworden. "Maar," zegt hij, "zij, naar wie ik
+verlang, is er niet bij." Hij heeft gehoord, dat er nog een teeder
+wezen in huis is, een ander lieftallig duifje, een vreedzaam lammetje,
+een vroolijke ree, een sierlijk betooverend kindje, en die bedoelt hij
+eigenlijk. Na vele verontschuldigingen, dat men niets van haar weet, en
+nog verscheidene dringende pogingen en bemoeiingen van den bruidwerver,
+wordt vervolgens de gezochte eindelijk, uit den eenen of anderen hoek,
+voor den dag gehaald. Ontdekt en overwonnen, treedt zij eindelijk
+bedeesd en beschaamd te voorschijn, en nadat zij het jawoord gegeven
+heeft, en nog eenige andere punten vastgesteld zijn, geven vervolgens
+alle partijen elkander de hand, en drinken zij elkander toe met een
+glas mede of brandewijn, waardoor het verdrag bezegeld wordt.
+
+Eenigen tijd daarna, verschijnt de vrijer zelf op een bontgetooid
+paard, en legt zijn bezoek af, om de bekrachtiging te halen en
+te geven.--Staat eindelijk de bruiloft voor de deur, dan noodigt
+de bruid in persoon al hare verwanten daartoe uit en evenzoo de
+bruidegom de zijne. Tot de trouwplechtigheid komen beiden, door hunne
+beredene bloedverwanten omgeven, in twee afzonderlijke treinen aan,
+die elkander bij de kerk ontmoeten, en na de plechtigheid zich het
+eerst naar de woning der bruid begeven.
+
+Het bruiloftshuis is met dennentakken, in den zomer ook met berkenloof
+en met allerlei phantastische sieraden, die veel overeenkomst met
+kroonlichten en kransen hebben, versierd. Dergelijke zaken weten
+zij uit gras en stroohalmen zeer sierlijk te vervaardigen, en roode,
+gele en witte bessen nemen daarbij de plaats in van edelgesteenten,
+glas-kristallen of bloemen, die men in het Lettenland niet aantreft. In
+het bruidshuis, treedt de bruidsjonker, waartoe een der vlugste knapen
+gekozen is, op, en houdt eene aanspraak tot haar, en vervolgens nemen
+de feesten en maaltijden een aanvang, iets wat niet zelden drie dagen
+en drie nachten duurt.
+
+Bij dit feest speelt de bruid zelve wel de voornaamste, maar ook
+de treurigste rol. Op haar mooist aangekleed, gaat zij aanhoudend,
+en zooals zulks haar plicht is de aangename gastvrouw spelende,
+tusschen de gasten door. Maar, terwijl zij hun de mede toedient,
+vergiet zij menigen traan, tracht hun medelijden in te boezemen,
+en toont zich zoo treurig als wachtte haar het zwaarste lot. De
+smart, dat zij haar moederlijk huis, de plaats waar zij hare jeugd
+doorgebracht heeft, nu verlaten zal, doet zich nu veel meer bij haar
+gevoelen dan de vreugde, dat zij nu haren geliefde toebehooren zal.--De
+ongetrouwde meisjes, hare vriendinnen, houden zich intusschen druk met
+haar bezig en trachten haar te troosten. Door de getrouwde vrouwen
+worden zij daarover bespot in verzen, die zij improviseeren en in
+koor zingen. De meisjes antwoorden de vrouwen ook weder in verzen,
+die zij eveneens in koor zingen, en op die wijze ontspinnen zich
+formeele zang-gevechten en poëtische wedstrijden, die zij elkander,
+aan lange tafels zittende, leveren.
+
+In de verzen der eene partij wordt het huwelijk en de stand der
+huisvrouwen geprezen, en met nadruk geëischt, dat de bruid door de
+meisjes uitgeleverd zal worden. In de liederen der andere partij
+daarentegen, wordt de jeugd en de maagdelijke staat geprezen, worden
+de ruwe getrouwde mannen voor hard en wreed uitgescholden en de
+vrouwen berispt. Somwijlen komen de zangeressen daarbij zoo in vuur,
+dat zij van hare plaatsen opspringen en staande peroreeren, terwijl
+zich dan de geheele rei op de maat van het lied op en neder beweegt,
+of heen- en weerschommelt. Om de kracht te vermeerderen en de maat
+voor het gezang duidelijker aan te duiden, slaan zij daarbij met een
+klein met ijzer beslagen instrument, dat met schellen en kletterende
+metalen plaatjes behangen is, op de tafel.
+
+Slaat eindelijk het bittere uur, waarin de bruid het moederlijke huis
+moet verlaten en naar dat van den bruidegom gevoerd zal worden, dan
+bereikt de droefheid den hoogsten graad. Zij mijdt dan de gasten,
+trekt zich terug, verschuilt zich; staat de reisslede eindelijk
+gereed, dan ontdekt men haar ten slotte in de slaapkamer harer moeder,
+op wier bed zij ligt te schreien. Slede en paard zijn met doeken,
+bonte linten en pluimen versierd, en de schelklinkende bellen en de
+het geheel omgevende ruiterschaar, verkondigen iederen voorbijganger,
+dat het eene bruid is, die men ontvoert.
+
+Even als de bruiloften, zoo worden ook andere gebeurtenissen in
+het leven, even als alledaagsche zaken door de Letten in liederen
+("_Dainos_" genaamd) verheerlijkt. Het hoofdthema voor alle dichters en
+van alle liederen is meestal, de aan de bruiloft voorafgaande liefde.
+
+De Letten behandelen dit thema met groote gevoeligheid en poëtischen
+tact. Uit hunne "Dainos" spreekt eene zuivere zedelijkheid, eene hooge
+achting voor betamelijkheid en voegzaamheid, die, vooral wanneer men
+in aanmerking neemt het weinige, wat kunst en opvoeding daaraan voor
+deel hebben, iemand werkelijk met bewondering vervult. "Ook geen
+enkel lied," zoo luidt de merkwaardige uitspraak van den bekenden
+professor Rhesa, die 13 jaren lang bij de Litauers liederen verzameld
+heeft. "Geen enkel," zegt hij, "vindt men er onder, dat men ruw zou
+kunnen noemen, dat ook maar in het allerminst de grenzen, door tucht
+en zedelijkheid voorgeschreven, te buiten gaat. Veeleer komen daarin
+overal trekken van het fijnste zedelijk gevoel voor, die even vele
+waarborgen zijn voor de edele gezindheid van het volk, en den reinen
+grondtoon zijner bestemming. De liefde is bij hen niets minder dan
+een wilde hartstocht, veeleer een zeer teeder en kuisch gevoel. Eene
+zachte melancholie, een treffende weemoed geeft eene eigenaardige,
+weldadige tint aan al hunne liefde-liederen. Levendige schilderingen
+der bekoorlijkheden van de geliefde, zooals bij de Zuidelijke dichters,
+komen in de 'Dainos' dezer schuchtere en beschaamde minnaars van het
+Noorden in het geheel niet voor. 'Vurige' of 'smachtende blikken,'
+of zelfs 'een kus van roozeroode lippen,' zooals onze poëten zulks
+in hunne verzen zeggen, zouden hun al te sterke uitingen van hun
+gevoel toeschijnen, en zij laten dat alles uit hunne liederen weg;
+evenals de Grieksche treurspeldichters alle, het zedelijk gevoel en
+de oogen kwetsende zaken, van het tooneel verwijderden. Ja! de liefde
+zelve heeft ter nauwernood een naam bij hen, en is nog dat heilige
+geheim der natuur, dat hij, die het gevoelt, ter nauwernood durft uit
+te spreken. En toch is alles in hunne gedichten even waar gedacht,
+als diep gevoeld en zedelijk gehouden." (Rhesa.)
+
+Ten bewijze van het hierboven medegedeelde, zal ik eenige proeven
+van zulke bescheidene en gracieuse "dainos" of liefdeliederen der
+Letten, die ik zelf eens bij dat volk verzameld heb, mededeelen. Ik
+merk hierbij echter op, dat de geliefden elkander in deze liederen
+gewoonlijk "zustertje" of "broertje" noemen. Ook de naam "_geliefde_"
+schijnen zij dus te sterk te vinden. Hunne genegenheid is zoo zacht
+als broeder- en zusterliefde.
+
+"Zustertje! zustertje!" zoo zucht een Lettisch minnaar in een vers:
+
+
+ "Kom in mijne woning en zie nu,
+ Hoe ik mij wakend en slapend steeds kwel,
+ In tranen steeds baad en--dit alles om U.--"
+
+
+Dat zij echter, even als andere menschen, zeer goed een onderscheid
+tusschen broeder- en zusterliefde en dat andere gevoel kennen, blijkt
+ons onder anderen uit het volgende vers, waarin een minnaar zijne
+eigenlijke zuster en zijne geliefde met elkander vergelijkt:
+
+
+ "Zoet is de boschbezie,
+ Maar zoeter nog de aardbezie.
+ Mijn zuster heb ik schrik'lijk lief,
+ Maar meer toch nog mijn hartedief!"
+
+
+Even als ook andere dichters, leggen zij dikwijls gevoelens, waardoor
+zij zelve bezield zijn, voorwerpen in de natuur waarmede zij omgaan,
+bloemen en boomen waaronder zij eenzaam wandelen, in den mond:
+
+
+ "Ik beluisterde mijn appelboom, toen hij 't volgende bad:
+ Als de herfstmaand komt, dat dan een meisjelief moge
+ Van mijn takken plukken, heel de appelenschat;
+ Daarna haar garen aan mijn takken doe droogen."
+
+
+Eigenaardig en teeder--maar psychologisch zeer natuurlijk--is de
+oorzaak en de grond tot de liefde, die een meisje in de volgende
+verzen aangeeft:
+
+
+ Ik breide onlangs een handschoenenpaar!
+ Zal ik ze aan mijn broedertje geven?
+ Neen! ik schenk ze dien goeden jongling maar,
+ Die mijn moeder zoo roemt om zijn leven.--
+
+
+Zij laten in hunne "dainos" veel _raden_, wat zij niet bepaald
+uitdrukken, zooals b.v. in de volgende verzen geschied is, waarin een
+meisje, dat ziek is van liefdesmart en verlangen, door het bezoek van
+den geliefde en de eindelijke toestemming en verloving genezen wordt:
+
+Door berkenboschjes, door pijnboomenwoudjes droeg mij mijn paardje,
+mijn bruintje, naar het huisje van mijn schoonvader. "Een fraaie dag,
+een fraaie avond, geliefde schoonvader! Hoe maakte het mijn zusje? wat
+doet mijn jong meisje?"--"Ziek is het meisje, ziek, ach! zeer
+ziek! ginds boven in de nieuwe kamer, in haar wit bedje!"--Daar, in
+den tuin! en voor de deur weenende, wischte ik de tranen uit mijne
+oogen; ik greep hare hand en stak er het ringetje aan. "Gaat het u
+zoo niet beter, mijn liefje?" "Ha! zal uw hart u nu niet genezen?"
+
+De vele in die verzen telkens voorkomende diminutiva zijn bij de Letten
+bijzonder in trek. Deze weekelijke, eenigzins vervrouwelijkte menschen,
+die, zooals ik boven reeds opmerkte, ook in hunne huishouding, zooveel
+Lilliputachtigs hebben, bij wie alles, gedachtengang, gezichtskring,
+phantasie en gevoel om zoo te zeggen van kleinen stijl is, die
+van alles hier op Aarde slechts een klein weinig bezitten, bij wie
+ook in natuur en land alles zoo armoedig en niets in overvloed is,
+die ook naar hun bedeesden aard, zoo gaarne vleien en liefkoozen,
+zijn de grootste vrienden van verkleiningswoordjes. Zij hebben eene
+menigte aanhangsels in hunne taal ontwikkeld, om verkleinings-vormen
+te maken en zij verkleinen daarmede alles: zelfstandige naamwoorden,
+werkwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden.--Als men hen
+hoort spreken, is het, of zij alles door een verkleinglas bezien. Zij
+verkleinen zelfs nog die woorden, die reeds uit en op zich zelve iets
+kleins aanduiden, en hunne bedelaars b.v. bidden niet, om "een stuk
+brood" maar om "een klein stukje broodje." Zij verkleinen ook nog weder
+de verkleinwoorden zelf, en hebben zooveel dubbel-verkleinwoorden, als
+men moeielijk in eene andere taal zal aantreffen. Zoo b.v. beteekent
+"_Matte_" bij hen "moeder", en daarvan maken zij door verschillende
+aanhangels de verkleinwoorden: "_Mahtite_", "_Mahminja_" (moedertje)
+en "_Mahmulite_" (klein moedertje). Van dit laatste vormen zij
+weder het uiterst vleiende drievoudige verkleinwoord "Mahmulinga"
+(heel klein moedertje). Hetzelfde is ook het geval met "_Meita_",
+"_Meitscha_" en "_Meitschinga_" (meid, meisje en klein meisje).
+
+Dit nu over de verkleinwoorden der Letten. Ik keer tot de "Dainos"
+terug. Ik sprak boven over het verdriet der Lettische bruid bij het
+afscheid van haar ouderlijk huis. Dit thema is door hen natuurlijk in
+vele roerende verzen behandeld. Als proeve daarvan diene het volgende:
+
+
+ Waarom toeft gij meisje! hier zoo alleen?
+ Waarom 't hoofdje in de hand, schatjelief! spreek?
+ Zijt ge niet prettig gestemd of tevreên?
+ Is ook uw hartje soms ietwat van streek?
+ 'k Ben zeer vrolijk en tevreên bovendien,
+ Ook mijn hartje is kalm en vol van de vreugd!
+ Maar toch kan ik wel eens bedrukt om mij zien,
+ Want heden toch eindigt mijn jeugd.
+ O! mijn kransjelief! schoone bruidskrans!
+ Steeds zal 'k U bewaren zorgvuldig en goed.
+ Leef wel, moederlief! 'k neem afscheid thans,
+ Vaartwel, broeders, zusters, 't ga U allen goed!
+
+
+In de volgende verzen wordt de smart der bruid nog onbestemder,
+algemeener en daardoor nog poëtischer uitgedrukt:
+
+
+ Wat huilt de wind, wat zucht het woud!
+ Wat zwaait de lelie op en neêr!
+ Doch de wind, zij huilt noch loeit in 't woud
+ Noch zwaait de lelie op en neêr!
+ De teedere maagd, het meisje weent,
+ Haar bruidskrans slingert heen en weer.
+ Hebt ge over uw moeder geweend?
+ Of treurt ge om uw zuster zoozeer?
+ Of kindlief, betreurt g'uw maagdelijken tijd?
+ Ik beween mijn goede moeder niet,
+ En betreur mijn lieve zuster niet,
+ Maar ik beween, betreur mijn maagdelijken tijd!--
+
+
+In tallooze verzen van dit soort en met menigerlei variatie, mengen
+zich de snaren treurende onder het vroolijke huwelijksfeest. In
+de ziel van dit altijd zoo ongelukkige volk, dat altijd
+zoo'n hard lot te verduren had, wortelt een diep melancholisch
+element. Hunne halve literatuur bestaat uit zoogenaamde "_Raudas_"
+of klaagliederen, afscheidsliederen, grafgezangen en in verzen
+gebrachte verzuchtingen. Zij schijnen zich zoo recht te goed te doen
+in de poëtische beschouwing der weemoedige en smartelijke zijden en
+gebeurtenissen van het leven.
+
+In de aan hunne afgestorvenen gewijde verzen, zijn zij gewoon deze
+complimenteus aan te spreken en hun vele verwijtingen te doen, dat
+zij de hunnen in den steek gelaten hebben.
+
+
+ Waarom gestorven, moedertjelief?
+ Hadt ge geen levend dochtertje meer?
+ Waarom vertrokken, moedertjelief?
+ Was mijn verpleging niet zorgzaam en teêr?
+ Sta op! sta op toch! moedertjelief!
+ Ik zal uw graf van zijn zoden ontdoen.
+
+
+En dan ontwaken de dooden uit het graf en trachten de achtergeblevenen
+te troosten:
+
+
+ Wie beweent mij boven op aarde?
+ Wie knielt op mijn grafheuvel neêr?
+ Dochterlief! ga naar huis, mijn waarde!
+ Waar een ander' moeder toch weêr,
+ 't Haar van uw hoofd zal opmaken willen,
+ Waar een jongling zal spreken van liefde,
+ En daarmêe uw tranen zal stillen.
+
+
+Tot eene zeer rijke verzameling treurdichtcn onder de Letten heeft
+voornamelijk eene nu regelmatig van tijd tot tijd terugkeerende
+ramp, de Russische recruten-lichting, aanleiding gegeven. Ofschoon
+zij zich, zooals reeds opgemerkt is, in geval van nood en wanneer
+het hun vaderland gold, dapper genoeg geweerd hebben, zoo is toch
+dit herders- en landbouwersvolk, van nature en uit eigen beweging,
+zeer weinig oorlogzuchtig en ondernemend. Zij hebben, zooals reeds
+ter loops aangemerkt is, zelfs geene overleveringen van vroegere
+helden. Hunne poëzie is zoo weinig heroïsch, zoo zuiver idyllisch
+als die der Arkadische herders. Als natuurkinderen, zonder eenigen
+zin voor politiek, zijn deze geheel onstaatkundige menschen aan
+den zeer beperkten kring van hunne geboorteplaats en hunne familie
+gehecht. Wanneer derhalve de Russische werver zijne trom roert,
+om de landskinderen onder de keizerlijke vanen te verzamelen en
+hen de wijde wereld in te voeren, dan rilt, om zoo te zeggen, het
+geheele land. Het geheele volk baadt in tranen, en overal hebben de
+treffendste en hartroerendste tooneelen plaats, welke hij, die ze
+eens zag, nimmer weder vergeet.
+
+Het einde der treurliederen bij het afscheid van de tegen hun zin ten
+oorlog trekkende jongelingen, is gewoonlijk, dat de zusters klagende
+naar den tuin gaan, om den hoed van hunnen broeder voor het laatst met
+bloemen te versieren. Terwijl zij dien tooien, vragen zij hem weenend:
+wanneer hij terugkomen wil? en de wanhopende broeder antwoordt haar
+in troostelooze beelden: _dan_ zal hij terugkeeren,--als de palen
+der omheining bloeien,--als de steenen verrotten--als de keien op het
+water drijven--en als de veeren naar den bodem van het water zullen
+zinken. Hij neemt dus afscheid voor eeuwig.
+
+Als proeve van een dergelijk lied, moge den lezer het volgende dienen,
+waarvan echter het beloop eenigzins anders is, waarin de zusters het
+lot van den broeder profetisch vooruitzien, en al het verschrikkelijke
+van den slag, als zagen zij alles in een droombeeld, uitschilderen. Ik
+moet nog opmerken, dat de in dit vers voorkomende "mees" dikwijls de
+profetische vogel der Letten is.
+
+
+ Klagend klinkt der meezen gefluit,
+ Dicht onder 't raam van den broeder:
+ Zuslief! ga en hoor toch eens uit
+ Wat zij wel zegt van dien broeder?--
+ Dit liedje zingt het meesje ons voor:
+ Ten oorlog moet de broeder gaan!--
+ O! zuslief! pluk dan bloemen, hoor!
+ Steek die op broeders hoed, vooraan.--
+ Zingend, maar ook weenend, smeekt hij:
+ Zuslief! wil niet droevig wezen!
+ Mij zult gij weerzien goed en blij.
+ Mocht uw wachten vruchtloos wezen,
+ 't Paardje zult gij wederzien!
+ Het paardje komt, helaas! wel weer,
+ Maar broeder is er niet te zien.
+ Toen het teruggekeerd was, weer
+ Met stof bedekt zeer bovenmate,
+ Vroeg ik het paardje vleijend af:
+ Waar hebt ge uw ruiter nu gelaten?
+ Ginder ligt de ruiter in 't graf,
+ Waar men niets dan bloed zag stroomen,
+ Waar de beenderen bruggen maken,
+ Waar gelijk gevelde boomen,
+ Vele lijken hopen maken.--
+
+
+Ook de dagelijksche taal der Letten is vol klagende tusschenvoegsels,
+zuchten en jammerkreten, rijk aan uitdrukkingen voor ellende, zorg,
+verdriet, weemoed, kommer en gebrek, zoomede aan woorden om verzoeken
+en smeekbeden uit te drukken. Daar zij altijd een treurig nationaal-lot
+hadden, daar zij ten allen tijde vreemde gestrenge Heeren boven zich
+zagen, wier genade en medelijden zij afsmeeken moesten, zoo is onder
+anderen het gezegde: "Erbarm u!" bij hen stereotiep geworden, en wordt
+het zelfs daar gebruikt, waar van medelijden volstrekt geen sprake is,
+en waar anderen eene andere uitdrukking zouden gebruiken. Zij zeggen
+b.v. "Erbarm u! wat regent het van daag!" of ook "Erbarm u! gij zoudt
+iemand zich dood doen lachen!"
+
+Ja zelfs de zoogenaamde jubelliederen der Letten, die vreugde moeten
+uitdrukken, zijn door min of meer melancholieke melodiën vergezeld,
+die als treurmuziek klinken. In de heldere zomernachten, omstreeks
+St. Johannes, wanneer op alle heuvels en aan de oevers van alle
+rivieren, de zingende maagdenscharen zitten; wanneer de herders al
+zingende het vee naar de weiden drijven; wanneer de paardenhoeders,
+zich tegen middernacht, rondom hunne wachtvuren, zingende aan den
+zoom van het woud verzamelen, dan klinken deze murmelende melodiën
+over het geheele landschap heen, even als in het land der Kozakken het
+klaaggeschreeuw der krekels en kikvorschen, en de geheele landstreek
+schijnt dan hem, die dit geneurie--onbewust, dat het hier eene
+uitdrukking van vreugde is--hoort, als gehuld in een somber treurwaas
+van muzikale klaagtoonen.
+
+Zekerlijk mag men dit alles slechts over het geheel en in het algemeen
+aannemen. Ik geef hier natuurlijk slechts den _grondtoon_, die in het
+geheel merkbaar is, en de meest in het oog vallende kleur aan. Want
+geen een volk is zoo door God en de natuur verlaten, dat hem geheel
+alle vroolijkheid van gemoed ontbreekt. Tusschen hun nachtelijk
+geneurie heen, hoort men somwijlen zeer vroolijke, zeer aangename en
+zeer bekoorlijke wijzen en melodiën, die echter--vreemd genoeg--nog
+niemand op noten gebracht heeft. Ook in hunne spreekwoorden en in
+hunne puntdichten, waarvan zij er zoovele bezitten, toonen de Letten
+genoeg, dat het hunnen geest niet aan kernachtigheid, hun verstand
+niet aan scherpte en Attisch zout ontbreekt.
+
+Zij merken de zwakheden, ondeugden en belachelijkheden hunner
+medemenschen zeer duidelijk op; bezitten even als alle onderdrukten,
+zooals b.v. ook de Joden, eene besliste neiging tot satirieke bonmots,
+tot het bespotten en uitlachen van anderen, en zijn daarbij uiterst
+vindingrijk, zinrijk, somwijlen zeer bijtend. In het volgende vers
+b.v. bespot een Lettisch meisje een jongen man, die haren vader
+beleedigde, op pikante, lakonieke en treffende wijze:
+
+
+ Met de stoute achterpootjes
+ Sloeg een haasjen eens mijn vader,
+ Gaarne had ik hem gewroken,
+ Maar--door 't lachen ging het niet.
+
+
+Vele hunner spreekwoorden zijn ook vol scherpe en bijtende satire
+en zijn even vele bewijzen eener gezonde levens-philosophie. Uit
+honderden, die voor de hand liggen, neem ik slechts enkele:
+
+"Laat den duivel maar eerst in de kerk, dadelijk wil hij ook den
+kansel bestijgen," luidt een hunner, dat de brutaliteit van een
+Mephistopheles, die in dienst van de hel zich zelfs vermeet Gods
+woord te prediken, zeer treffend aangeeft.--Een eenvoudigen sukkel
+zonder eenige ondervinding kan men moeielijk beter uitduiden, dan
+in de volgende spreekwoordelijke uitdrukking der Letten geschiedt:
+"de goede man schijnt in eene ton grootgebracht en door het spongat
+gespijsd te zijn."--In eene andere spreekwijze drukken zij zeer naïef
+en duidelijk ons "schoenmaker blijf bij uw leest," uit. Zij zeggen:
+"het schaap wenscht zich hoorns, maar het hert geeft ze hem niet."--Het
+Lettische "met een gouden hengel visschen" herinnert ons aan het
+Duitsche "met een zilveren spinnewiel spinnen."--Dat men den duivel
+niet op den muur uitteekenen moet, leeren zij in de volgende spreuk:
+"roep den wolf maar, en hij is er al." Ons "van den regen in den drup,"
+is bij hen niet minder veelbeteekenend en eigenaardig uitgedrukt in:
+"hij vluchtte voor den wolf en liep den beer in den muil."
+
+Het Duitsche: "schrijf de schuld in den schoorsteen" heet bij hen:
+"dat betale de spade" (namelijk de grafspade, de dood). Vergelijkt
+Salomo de spraak bij een tweesnijdend zwaard, de Letten zeggen van
+haar: "de tong hakt om zich heen als eene bijl, de tong hangt op als
+een strik."--Hem, die eene oude verbintenis lichtvaardig breken wil,
+waarschuwen zij met het zeer begrijpelijke en uit het dagelijksch
+leven gegrepene beeld: "afgesneden brood plakt gij moeielijk weder aan
+een." Niet weinig pikant zijn nog de volgende spreekwijzen der Letten:
+
+"Toon hem uw open hart, hij zal u den rug toonen," (van iemand,
+die zijn hart bij een hardvochtig mensch uitstort).
+
+"Vraag den wolf om het lam," (bij een vergeefsch verzoek, dat men
+tot een onbarmhartig mensch richt).
+
+"Hij zoekt het paard, waarop hij rijdt," (van een ontevredene, die
+zijn geluk miskent).
+
+"Daar blijft de goudberg der rijken, daar blijft de bedelzak der
+armen," zeggen zij van het alles gelijkmakende graf.
+
+Bestudeert men dezen door de Litauers en Letten in woorden gebrachten
+schat van levenswijsheid,--beschouwt men het fijne, dat hunne taal
+aanbiedt, fijnheden, die niet anders dan de uitdrukking van een
+even fijnen volks-geest kunnen zijn, overweegt men de vele echt
+dichterlijke gedachten in hunne liederen en "Dainos," die echter als
+_membra disjecta_, (verstrooide ledematen) als verstrooide steenen
+over het land verspreid liggen--ontdekt men ook de talrijke talenten
+en gaven, wier kiemen duidelijk bij deze menschen zichtbaar zijn,
+hunnen in kleinigheden zoo vindingrijken geest, hun buigzaam wezen,
+dat zoo gemakkelijk het een of ander opneemt, dan mag men zich wel
+met recht afvragen, hoe het toch gekomen is, dat bij dit volk zulk
+een aanleg nooit tot een krachtige ontwikkeling gekomen is, dat
+die _membra disjecta_ nooit tot een samenhangend geheel vereenigd
+geworden zijn.--Vele hunner lessen van wijsheid zijn een Uilenspiegel
+of een Esopus, ja zelfs een Sokrates niet onwaardig. Verscheidene
+hunner dichterlijke beelden en uitdrukkingen zijn zoo treffend
+en dichterlijk, dat geen Ovidius of Tibullus zich hun gebruik had
+behoeven te schamen. Meer dan één groot dichter schijnt om zoo te
+zeggen in deze geheele massa opgelost voorhanden, even als de parel
+in den beker van Cleopatra. En toch is nooit, noch een Shakespeare,
+noch een Goethe, noch een Tibullus of een Ovidius bij hen uit die
+massa geconcentreerd en nedergeslagen geworden. Bij de Duitschers
+vindt men nu eens een paar millioen prosaïsche boersche zielen,
+en dan weder een Uhland of een Schiller als een Blocksberg in de
+vlakte. Bij de Letten schijnt het dichterlijk bloed overal verspreid,
+bijna ieder heeft er min of meer talent voor, maar men treft er geene
+boven allen uitmuntende, geene opzien barende geniën. Het is alles
+als van een gereten en verbrokkeld. Een jachtsneeuw van vlokken en
+toch geen gletscher. Het is een uitgebreid veld met kleine boschjes,
+waarin de vinken slaan. Nergens echter verheffen zich hooge boomen
+waarin adelaars nestelen.
+
+De Koerlandsche, Lijflandsche en Poolsche heeren zijn, in hunne
+dagelijksche gesprekken, altijd vol aardige anekdoten over hunne
+Litauische en Lettische boeren; vertellen veel van schrandere
+invallen en scherpzinnige opmerkingen, die deze gemaakt hebben; van
+de vindingrijke wijze en kunstgrepen, waarmede zij zich spoedig uit de
+verlegenheid geholpen hebben, en waarbij onze boeren om zoo te zeggen,
+de handen en voeten in den weg zouden staan; van roerende trekken,
+waarin zij de grootste aanhankelijkheid, trouw en liefde en andere
+schoone eigenschappen van hun hart openbaarden. Ja, menig bewonderaar
+van het Lettendom is tot de conclusie gekomen, dat dit volk door de
+natuur tot de ontwikkeling der heerlijkste humaniteit en beschaving
+bestemd schijnt geweest te zijn. Dit neemt echter niet weg, dat trots
+deze veelzijdige begaafdheid, die hoogere humaniteit en beschaving
+bij hen nooit doorgebroken of tot uitbotting gekomen is. Het volk is
+altijd in Europa een obscuur en laag, zwak, rank gewas gebleven.
+
+Niettegenstaande de vele wijze ouden, die men, evenals de leerlingen
+van Plato, sprekende onder de Letten gevonden heeft, is toch nooit een
+Plato onder hen opgestaan. Niettegenstaande hunne fraaie spreuken en
+leefregels, hebben zij nooit een Lycurgus of Solon voortgebracht,
+die hun eene vaste en zelfstandige nationaliteit gegeven en een
+staatsgebouw opgetrokken heeft.--Bij al hunne bekwaamheid en hun
+vindingrijk genie, is toch nooit iets blijvends, iets van ingrijpenden
+aard bij hen gevonden. Ongeacht hunne neiging tot vrijheid en
+onafhankelijkheid, die hun even als allen menschen eigen is, trots de
+verwonderlijke hardnekkigheid, waarmede zij in oude tijden somwijlen
+hunne vrijheid tegen Slawen en Duitschers verdedigd en ook later nog
+dikwijls getracht hebben te herwinnen, hebben zij toch geen Mozes en
+Jozua, die het volk een eigen en duurzaam huis gebouwd of veroverd
+had.--Daartoe heeft hun een hoogere vlucht, een sterk geconcentreerde
+energie, eene groote neiging zich met elkander te vereenigen, kortom,
+een zeker iets ontbroken, wat eerst elken schoonen aanleg eener
+natie ontwikkelt, en wat de groote en machtige volken vormt. Hoe
+zich dit laat verklaren en waardoor dit komt, valt moeielijk te
+zeggen. Op de vraag: waarom één volk machtig, rijk en groot wordt,
+en waarom het andere zich nooit uit zijne moerassen en wouden tot het
+daglicht opwerkt? vinden wij dikwijls geen meer voldoend antwoord,
+dan op die: waarom de eene plant in de natuur een bloemrijke heester
+blijft, terwijl de andere tot een eik of een vruchtdragenden boom
+opgroeit?--Een Lettisch spreekwoord zelf zegt: "wie zich tot een lam
+maakt, die wordt door den wolf verscheurd." Hebben zij begrepen, dat
+dit woord op hun geheele volk past, en dat het daarom den buit van
+anderen werd, omdat het niet, zooals de duigen van een goed wijnvat,
+van ijzeren hoepels voorzien was?
+
+Even als dat spreekwoord, zoo zou men ook de vele poëtische klaagtoonen
+en treurliederen, die de Letten aan de arme weeskinderen wijden,
+zeer goed op het geheele volk kunnen toepassen. "Arme verlatene
+weeskinderen, tot wie niemand woorden van liefde richt, die niemand
+hebben die hun tot voorspraak kan dienen; die in storm en sneeuwjacht
+weenen en klagen, wier tranen alleen door de zon gedroogd worden,"
+zijn beelden en tooneelen, die in hunne, boven door mij aangehaalde,
+elegische "Raudas" zeer dikwijls voorkomen. Dit volk schijnt in zijne
+weeskinderen eveneens zich zelven te bezingen. Eene dier Lettische
+weeskinderen-Raudas luidt als volgt:
+
+"Wij arme weeskinderen, aan den oever van een snelvlietend beekje
+toevende, wachten onze moeder. O! wij treurende meisjes, verlatene
+weezen, gewoon in bittere ellende te ontberen: niemand weet, hoe
+droevig wij schreien. Alleen de zon weet het, die onze tranen met
+hare warme stralen droogt. Alleen ons doekje weet het, waarmede wij
+onze oogen afwisschen. Ach! zullen de moeders niet met den stroom
+komen aandrijven?--Eeuwig stroomt het, eeuwig ruischt het. Maar de
+kinderen wachten te vergeefs en snikken. Zuchtend en klagend gaan
+zij hunnen weg."
+
+Met die weeskinderen, welke zij zoo dikwijls bezingen, zeg ik, is dit
+in geheel Europa vergetene, verweesde, onderdrukte en werkelooze volk
+der Litauers en Letten te vergelijken. Zij verwachten de reddende
+moeders van den stroom der tijden. Maar nimmer komen deze aandrijven.
+
+
+
+
+
+FINNEN, LAPPEN EN SAMOJEDEN.
+
+
+Door de onmetelijke wouden, aan de tallooze meren, over de
+uitgestrekte, moerassige en dorre vlakten van het Noorden van
+Europa--in de heuvel- en bergketenen, die ons werelddeel van Azië
+scheiden en in de uiterste einden der Skandinavische Alpen, zoomede
+aan de kusten van de Yszee, zijn eene menigte merkwaardige volken
+en overblijfselen van volken verbreid, die allen in lichaamsbouw,
+taal, zeden en ontwikkeling met elkander meer of min verbroederd,
+en evenzoo van hunne zuidelijke naburen verschillend zijn, en die men
+daarom kan beschouwen als tot eene en dezelfde volkengroep te behooren.
+
+Reeds Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt een oppervlakkig
+bericht aangaande het bestaan van deze kinderen van het Noorden,
+misschien door tusschenkomst der in verre streken handeldrijvende
+Grieksche kooplieden aan de Zwarte Zee, gekregen te hebben. Want
+hij zegt, "dat aan gene zijde der akkerbouwende Scythen (Slawen),
+in de landen waar de zon niet meer schijnt, geheel wilde, geheel
+vreemdsoortige volken leefden die hunne eigene taal spraken, die niets
+met de 'Scythen' gemeen hadden, die zonder de minste gezellige orde,
+jagende in de bosschen rondzwierven, en waarvan hij onder anderen
+een stam aangeeft, die door hem de 'Melanchlänen' (de zwartmantels)
+genoemd worden."
+
+Ook wat Tacitus in zijne beschrijving van Germanië ons van zijne
+"uiterste Europeanen" mededeelt, en wat dezen Romein door tusschenkomst
+der Germanen ter oore kwam, is slechts weinig en fabelachtig.--Toch
+noemt Tacitus voor het eerst den naam der "Fennen" of Finnen, en zegt
+van hen, dat zij van kruiden leefden, zich met dierenhuiden kleedden,
+geene paarden bezaten, geen ijzer kenden en dat zij in "verwonderlijke
+wildheid, in de allergrootste behoeftigheid" (mira ferocitas, foeda
+paupertas) levende, geene Goden schenen te vereeren.
+
+De naam Finnen, die van het Germaansche "Fenn" (broekland, moerassig
+land) afgeleid schijnt te zijn, is dien ten gevolge waarschijnlijk
+eene overoude benaming der Duitschers voor hunne, in de noordelijke
+moerassige streken wonende, naburen geweest. Wij hebben dien naam
+tot op den huidigen dag blijven gebruiken, en op den geheelen ver
+verbreiden Finschen volkstam overgebracht.
+
+Van alle Germanen zijn van oudsher de Skandinaviërs dezen Finnen, die
+ook gedeeltelijk met hen hetzelfde schier-eiland bewoonden, het meest
+nabij gekomen. De oudste Skandinavische overleveringen maken van hen
+melding als van een ruwen, elkander over en weer beoorlogenden stam,
+als "zonen der rotsen," als het "volk der bergkloven" en duiden hun
+land aan met den naam "Jötunheim," het vaderland der "Jötunen" of
+"Jätten"--der "bergwolven" en "der het licht schuwende toovenaars." In
+latere geschiedkundige geschriften geven de Zweden en Noorwegers,
+even als de Duitschers, hun ook den naam Finnen of Fennen.
+
+Behalve de Duitschers en Skandinaviërs, kennen wij in den historischen
+tijd geen ander Europeesch volk, dat met deze Finnen in zoo groote
+aanraking gekomen is, dan de Oostelijke Slawen, de tegenwoordige
+Russen, wier woonplaatsen sedert onheugelijke tijden over eene lange,
+groote uitgebreidheid, naast die der Finnen zich uitstrekten. Ook
+zij schijnen in deze hunne naburen, het den Slawen vreemde en het hun
+onder elkander eigenaardige, reeds vroeg opgemerkt te hebben. Want zij
+hadden en hebben voor hen eene overoude, veelbeteekenende benaming. Zij
+noemen hen "Tschuden", een woord, waarvan de afleiding duister is,
+maar dat vermoedelijk zooveel beteekent als "vreemden," "niet-Slawen."
+
+Toen de Russen bij de uitbreiding hunner veroveringen tot aan den
+Ural doordrongen, vonden zij daar ook overal deze vreemdsoortige
+("Tschudische") stammen, en daar men nu dit geheele, lange gebergte,
+dat de Finnen "Ogur" d.i. "de hoogten" noemden, door hen bezet
+vond, en omdat men meende, dat zij uit de dalen van dit Aziatische
+grensgebergte, als van uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen, even
+als de daar ontspringende rivieren, zich over het Noordelijk Europa
+verspreid hadden, zoo heeft men hun daarna ook wel den naam van
+"Ogurischen, Ugrischen of Uralischen volkstam" gegeven.
+
+Bij de Finnen zelven, zijn natuurlijk al deze hun gegevene namen
+onbekend. Daar zij, verspreid als zij waren over eene groote
+uitgestrektheid, al hunne stambroeders nooit hebben leeren kennen;
+daar zij nooit eene tot gemeenschappelijke daden, en onder hetzelfde
+staatsbestuur verbondene natie gevormd hebben, zoo bezitten zij
+ook geen naam, die op hen allen van toepassing is.--Iedere kleine
+stam heeft zijn eigen naam. Toch keert bij velen hunner den naam
+"Suomalaiset" of iets dergelijks, terug, dat naar de meening van
+Duitsche onderzoekers, even als het Duitsche woord "Finnen" zooveel als
+"watermannen of moerasbewoners" beteekenen moet, en men zou dien in
+zekeren zin als den echten inheemschen, en met de moerassige natuur
+van hun vaderland zamenhangenden, nationalen naam der Finnen kunnen
+beschouwen.
+
+De tijd, waarin de verbreiding der "Finnen" of "Tschuden" of "Suomen,"
+van den Ural plaats mag gevonden hebben, moet vóór den oorsprong
+der geschiedenis, ja vóór al de sagen van ons werelddeel, gezocht
+worden; hij heeft zich noch door taalonderzoek, noch door andere
+gevolgtrekkingen laten bepalen. Wijl wij intusschen in den historischen
+tijd, de Slawen zoowel als de Germanen, altijd van het zuiden af,
+tegen de Finnen zien optrekken, en deze, steeds voorwaarts gaande, naar
+het noorden zien terugdrijven, zoo is het aan te nemen, dat de Finnen
+als de allereerste binnentrekkers, als de eigenlijke oorspronkelijke
+bewoners van Europa, of ten minste van een groot gedeelte van Europa
+te beschouwen zijn, en dat, zoowel de Germanen als de Slawen, als
+latere indringers binnen hun gebied moeten aangemerkt worden.
+
+Diensvolgens zullen, naar de zienswijze van verscheidene Duitsche en
+Skandinavische geleerden, deze moeras-menschen zich eens veel verder
+zuidwaarts hebben begeven, niet slechts het grootste deel van Rusland
+en het Skandinavische schier-eiland bewoond hebben, maar dat men
+ook in Denemarken en Duitschland, ja zelfs in Engeland en Frankrijk,
+zooals ook in den nieuweren tijd in Zwitserland, in de zoogenaamde
+"paalwoningen", sporen en monumenten van het bestaan der "Fennen"
+ontdekt en aangewezen meent te hebben. Naar dit oordeel moeten zij
+daar als de eigenlijke voor-historische, oorspronkelijke bewoners
+beschouwd worden, wier kleine rookerige hutten in onze bosschen en
+moerasachtige streken en langs onze rivieren verspreid waren, en
+op wier graven wij Indo-Germanen, wij Duitschers, Celten, Slawen,
+later onze steden bouwden en onze beschaafde staten oprichtten.
+
+Deze zienswijze wordt onder anderen ook ondersteund door de opmerking,
+die eenige taalonderzoekers gemaakt hebben, dat namentlijk de
+Finsche taal met die der in Europa ook overoude Iberiërs en Celten,
+met welke de Finnen het bezit van het wereldeel deelden, veel meer
+overeenkomst heeft dan met de talen der jongere Germanen en Slawen. Ook
+Engelsche taalonderzoekers hebben in het idioom der Britten eenige
+Finsche elementen ontdekt.--Ook aan gene zijde van den Ural, in de
+onmetelijke landstreken van Noordelijk en Midden-Azië, heeft men de
+sporen van ten ondergegane Finsche volken gevolgd.--Tusschen den Ural
+en de grensgebergten van China, vindt men ontelbare gedenkteekenen van
+verschillende soort: grafheuvels, aarden wallen, ruïnen, overblijfselen
+van mijngrotten en bergwerken, waarvan de daar nu wonende Tataarsche
+volken zeggen, dat zij noch van hen, noch van hunne voorouders, maar
+veeleer van een ten ondergegaan ras afkomstig zijn. Men beschouwt
+daarom deze werken als zoovele getuigenissen voor de aanwezigheid
+van een daar wijd verspreid volk, en de Russen die nu die streken
+beheerschen, gelooven, dat ook dit volk een "Tschudisch" of "Finsch"
+volk moet geweest zijn. Zij noemen al die bovengenoemde overblijfselen
+uit een over-ouden tijd "Tschudengraven", "Tschuden-vestingen" en
+"Tschuden-putten."
+
+"Er is of was dus", zegt reeds de Duitsche Schlözer, "eene groote
+Finnenwereld, die, met betrekking tot hare uitgebreidheid, een der
+grootste in de geschiedenis der menschheid is, en in vergelijking
+waarmede zelfs de groote Slawenwereld, zoo ver wij hare oorspronkelijke
+grenzen kennen, eens eene kleinigheid was."--Nu ligt deze eens zoo
+bloeiende Finnen-wereld in duigen, en is zij niets meer dan eene
+ruïne, en wanneer eenig volk in Europa recht heeft, eene gouden
+eeuw, een verloren Arcadië te beklagen, dan zijn het de Finnen,
+die dan ook dikwijls de levendige frischheid van hunnen lang
+verdwenen levensmorgen, "den tijd, waarin ieder Fin vrij, sterk,
+wijs en gelukkig was; toen de honig van de takken zijner eiken
+druppelde, en beken van melk zijn grond bevochtigden", in hunne
+sagen afschilderen. Er zijn nu nog slechts eenige schrale loten in
+'t leven van den eens zoo breed getakten boom, en ofschoon zij nu
+van eene geringe politieke beteekenis zijn, zoo blijkt uit het boven
+aangevoerde toch voldoende, van hoe groot belang in andere opzichten,
+de studie en de poging eene karakterbeschrijving te vervaardigen van
+deze Finsche volkenoverblijfselen, voor ons Europeanen zijn moet.
+
+_Hoe_ in Azië de vroegere Finsche volken te gronde gingen, en _welke_
+overblijfselen van hen, daar in Siberië en aan den Altaï misschien
+nog te vinden zijn, hebben wij hier niet te onderzoeken. Volgens
+ons aanvankelijk plan, blijven wij met onze beschouwing aan de
+westelijke zijde van den Ural. In de zuidelijke gedeelten van dit
+woud-gebergte, aan de midden- en boven-Wolga en hare nevenrivieren,
+hebben in oude tijden die Finsche stammen gewoond, wier namen in de
+wereld-geschiedenis het meest bekend zijn geworden. In die streken
+waren de woonplaatsen der "Spalen", "Skamaren", "Sabiren" en na hen
+die der meer beroemde Avaren, Bulgaren, Chasaren en Magyaren, die men
+allen in hoofdzaak voor volken van Finschen oorsprong houdt.--Ik zeg in
+hoofdzaak, want daar de Zuid-Finsche stammen zich allen in de nabijheid
+van die breede volken-poort tusschen den Ural en de Kaspische Zee, en
+bij den grooten Nomaden-weg uit Azië naar Europa ophielden, zoo werden
+zij vermoedelijk reeds van den oudsten tijd af, door de langs dezen weg
+binnentrekkende, hun naar taal en afstamming meer of minder verwante,
+Mongolen en Tataren, in hunne woonplaatsen verontrust en in beweging
+gebracht. Bij alle andere echte en onvervalscht geblevene Finnen,
+zoover wij hen nu nog kunnen opnemen, merken wij geen grooten lust
+tot reizen en trekken of tot het maken van veroveringen op. Veelmeer
+verschijnen zij ons overal als stille, zwakke, verbrokkelde stammen,
+als duldende offers en onderdanen van vreemdelingen, en niet als
+de overweldigers en gebieders van dezen.--Misschien namen, zeg ik,
+de genoemde Zuidelijke Finnen die groote vlucht, alleen door eene
+vermenging met hunne, uit Azië voorwaarts rukkende bloedverwanten,
+en wij hebben dus in hen alleen getatariseerde of gemongoliseerde
+Finnen--bastaardvolken--te zien, die door genen uit den Ural, waar
+zij woonden, losgescheurd en medegevoerd werden, en die door hen met
+een grooteren ondernemingsgeest bezield, vervolgens, gedurende een
+meer of minder langen tijd, zelfstandig eene rol in de geschiedenis
+van Oostelijk Europa speelden.
+
+Eenige dezer Uralische of Finsch-Tataarsche gemengde volken hebben zich
+slechts gedurende een korten tijd doen opmerken, zooals de nu nog ter
+nauwernood bij naam bekende "Spalen", "Skamaren" en "Sabiren". Zij zijn
+weldra weder verdwenen, en hunne namen staan deels nog slechts in de
+oudste Russische annalen opgeteekend, deels leven zij nog, maar niet
+zonder eene slechte nevenbeteekenis, in den mond der Slawische volken,
+bij welke b.v. "Skamare" zooveel als een schelm, "Sabire" zooveel
+als knecht, "Spale" zooveel als een lompert of roover beteekent.
+
+Andere van deze gemengde Finsch-Tataarsche volken daarentegen, zijn
+tot grooter en blijvender macht gekomen.
+
+De Avaren, die wij in Europa het eerst aan de beneden-Wolga en aan den
+Don zien verschijnen, volgden de Hunnen van Attila op hunnen tocht
+naar het Westen, en stichtten een machtig rijk aan den midden-Donau
+in het tegenwoordige Hongarije, van waar uit zij, even als de Hunnen,
+in vele deelen van Westelijk Europa strooptochten deden. Zij leden
+echter eene nederlaag tegen de Duitschers onder Pepijn en Karel den
+Groote, door wie zij in het Westen, en tegen hunne eigene stamgenooten,
+door wie zij in het Oosten aangevallen werden. De overblijfselen van
+hun volk in het Donau-land, hebben zich later met de Magyaren vermengd.
+
+De Chasaren stichtten na de Avaren, aan de benedenste gedeelten der
+Wolga en van den Don, een groot rijk, dat zijne grootste macht en
+uitgestrektheid ten tijde van Karel den Groote verkreeg.--In deze
+voor den wereldhandel zoo gunstig gelegene streken waren de Chasaren,
+die niet onvatbaar voor ontwikkeling waren, een tijdlang de personen
+die het goederen-verkeer tusschen Europa en Azië bevorderden en in
+handen hadden; en het natuurlijke handelskanaal der Wolga droeg in
+het Oosten, naar hen, langen tijd den naam "Chasaren-rivier". In de
+9de eeuw werd echter hunne macht door de Russen, die onder hunne
+Noormansche aanvoerders den eersten bloeitijd hunner geschiedenis
+intraden, gebroken, en zij verdwijnen daarna midden in de later hier
+bruisende volken-baren. Zij gingen geheel in de Turksche stammen op,
+die reeds sedert het begin der 9de eeuw door de Uralisch-Kaspische
+volken-poort Europa binnenstormende, de keten der Finsche volkstammen
+aan den Zuidelijken Ural verbroken hadden.
+
+De Bulgaren, die aan de midden-Wolga te huis behoorden, stichtten daar
+een, ten tijde der kruistochten bloeiend rijk, waarvan het middelpunt
+in de nabijheid van het tegenwoordige Kasan, aan de vereeniging der
+Wolga en Kama lag, en waarin zich, behalve landbouw en veeteelt,
+ook handel en industrie ontwikkelden, maar dat in de 13de eeuw door
+de Mongolen onder Batu-Chan vernietigd werd. Eene afdeeling dezer
+Finsch-Uralische Bulgaren aan de Wolga, was reeds tijdens Karel den
+Groote, door de naar het Westen gerichte volksbewegingen medegesleurd,
+waarschijnlijk door de Chasaren naar den beneden-Donau gedreven, en
+had daar op den rug van onderworpene Slawen, het tweede Bulgarenrijk,
+dat voor langen tijd het Byzantijnsche Keizerrijk lastig en gevaarlijk
+werd, gesticht. In dit Westelijke Bulgaren-rijk gingen echter de
+Finsch-Tataarsche nationaliteit, taal en zeden weldra geheel verloren
+onder de talrijke Slawen. Van hen is daar nu niets meer over dan de
+naam der provincie "Bulgarije."
+
+De Magyaren eindelijk, wier oorspronkelijke woonplaatsen aan den
+midden-Ural, aan de bronnen van de Kama zich bevonden, en die hier
+door de Turksche Petschenegen opgejaagd werden, volgden wederom
+hunne broeders in den algemeenen tocht naar het Westen en nestelden
+zich, even als deze, in het midden-Donauland vast. Zij zijn van alle
+Finsch-Uralische stammen de eenige, die tot op onze dagen als een
+invloedrijk en historisch belangrijk volk zijn blijven bestaan. De
+geweldige Tataarsch-Mongoolsche inval onder Dschingis-Chan en zijne
+opvolgers in het begin der 13de eeuw, die weder zooveel Turken over
+het geheele Oostelijk Europa bracht, en die, zooals gezegd is, ook
+het laatste bloeiende Finnen-rijk, dat der Bulgaren aan de Wolga,
+vernietigde, schijnt aan alle oorspronkelijk Finsche volks-bewegingen
+in den Zuidelijken Ural een einde te hebben gemaakt. Van nu af hooren
+wij van geene Avaren of Magyaren, of van andere geheel of half Finsche
+stammen, die van daar uitgetrokken waren, meer. De geheele landstreek
+in den Zuidelijken Ural, aan de beneden-Wolga en aan den Don, schijnt
+nu bijna geheel getatariseerd of gemongoliseerd.--Heden ten dage vinden
+wij daar nog de Tschuwaschen, Teptjären, Metscherjäken en Baschkiren,
+allen tot den Islam bekeerde Finnen, die aan alle zijden door echte
+Tataren omringd zijn, en behalve hunnen godsdienst, ook hunne zeden en
+hunne taal aangenomen hebben, en daarom bijna even goed tot de Tataren
+gerekend kunnen worden, als b.v. de gegermaniseerde Slawen in Saksen
+tot de Duitschers. De meest bekende onder deze, tot Mohamed bekeerde en
+nu Turksch-Tataarsch sprekende Finnen, zijn de Baschkiren of zooals zij
+zich zelve noemen de "Baschkurt", die onder den naam "Pascatir" reeds
+in zeer oude tijden daar bekend waren. Zij wonen in het oude stamland
+der Magyaren, in de streken die eens "Groot-Hongarije" genoemd werden,
+aan de bovenste bronnen van den zuidelijken hoofdtak der Kama, in de
+dalen en op de heuvels der zuidelijke gedeelten van den midden-Ural,
+ten noorden van Orenburg, waar alle hoogten, alle rivieren en beken
+Baschkirische namen hebben, en luide verkondigen dat genoemd volk daar
+lang inheemsch is geweest. Hun tegenwoordige naam "Baschkurt," die ook
+bij de Arabische schrijvers genoemd wordt, moet zooveel beteekenen
+als "de bijenhouders" en wijst op hunne lievelings-bezigheid,
+de verzorging en voortteeling der in den Ural zoo veel voorkomende
+wilde bijen. Ook doen zij iets aan den akkerbouw, en eenigen van hen
+hebben vaste woningen. De meesten hunner wonen echter alleen in den
+winter in huizen, en gebruiken ook alleen in den winter brood. In den
+zomer leiden zij, met hun vee en hunne paarden een nomadisch leven,
+en generen zich, even als de Mongolen, van de melk van hun vee.
+
+Ofschoon, zooals reeds gezegd is, oorspronkelijk Finnen, hebben zij nu
+zelfs hunne oude taal, die nog in de 13de eeuw zeer veel overeenkomst
+met die der Finsche Magyaren moet gehad hebben,--(Rubruquis, de
+beroemde reiziger en gezant van den Franschen Koning naar den Chan
+der Mongolen, merkt op, dat in zijn tijd de Baschkiren nog dezelfde
+taal als de Magyaren gesproken hebben)--geheel tegen die der Turken
+of Tataren omgeruild; zijn dezen zelfs ook in gelaatsuitdrukking en
+in de donkere kleur van het haar gelijk geworden, en hebben van hen
+eindelijk ook het Mohamedaansche geloof aangenomen.--Een bewijs voor
+hunnen oorspronkelijk Finschen oorsprong, vindt men onder anderen
+ook nog daarin, dat zij in oude tijden bij hunne Tataarsche naburen
+"_Sari-Ueschtek_" (roodharige Oostjaken) genoemd werden. Zij moeten
+dus wel, even als de meeste Finnen, vroeger blond of roodharig
+geweest zijn.
+
+Op de zoogenaamde _Metscherjäken_ en _Teptjären_, die naast en
+gedeeltelijk onder de Baschkiren wonen, zijn alle opmerkingen, die
+wij aangaande laatstgenoemden maakten, van kracht. Met de genoemden te
+samen, moeten de Baschkiren in staat zijn een leger van 100.000 ruiters
+op de been te brengen, en de Russen zeggen van hen, dat zij, wat hunne
+dapperheid en rooflustigen aard aangaat, na de Uralische Kozakken,
+de eerste plaats onder de volken, der Orenburgsche landstreek innemen.
+
+Aan de Baschkiren en de Metscherjäken, sluiten zich hunne naburen de
+_Tschuwaschen_ aan, die eveneens oorspronkelijk wel een Finsch volk,
+maar nu in zoo hooge mate getatariseerd zijn, dat zij door verscheidene
+ethnologen _geheel_ tot de Tataren gerekend worden. Bij de vermenging
+met de Tataren schijnen zij hunne oude Finsche taal geheel verloren
+te hebben. Bij eenige hunner stammen moet deze voor drie-vierde
+Turksch-Tataarsch zijn. Een Duitsch taalonderzoeker, Schott, die
+eene grammatica dezer taal uitgegeven heeft, houdt haar in haren
+geheelen bouw voor wezenlijk Tataarsch. De Tschuwaschen hebben ook,
+even als de Baschkiren, en anders dan de andere echte, zooals gezegd
+is, meestal blondharige Finnen, donkere haren en een donkeren baard
+gekregen, en ook in hunnen geheelen lichaamsbouw en levenswijze veel
+van de Tataren overgenomen, die zij zelfs in hunne liederen, hunne
+"broeders" noemen. Varkensvleesch is hun, even als den Tataren een
+gruwel, ofschoon zij ten deele Christenen geworden zijn en nooit
+Mohamedanen waren. Niettemin echter onderscheiden zij zich toch weder
+zeer merkbaar van de echte en eigenlijke Turk-Tataren. Zij hebben
+de Tataarsche kleederdracht niet. Zij wonen schuw en afgezonderd in
+hunne eigene dorpen, en hebben niet, zooals de Tataren, de gewoonte,
+te samen met de Russen in vlekken en dorpen te wonen. "Steden," zegt
+een Russisch schrijver, "schuwen de Tschuwaschen als de pest." Zij
+zijn ook veel koeler en ongevoeliger, dan de veel levendiger,
+nieuwsgieriger en weetgieriger Tataren, die, als zij maar een
+vreemdeling zien, allen klein en groot, voor de deur gaan staan en
+hem met duizend vragen lastig vallen. Geheel anders de Tschuwaschen,
+die, als zij een vreemdeling ontmoeten, hem nauwelijks met een blik
+verwaardigen. Zij laten zich verder ook nog gemakkelijk van de geheel
+verturkte Baschkiren en echte Tataren onderscheiden, redenen waarom
+Russische geleerden hen nog altijd tot de Finsche volken rekenen.
+
+De Tschuwaschen maken nu nog een tamelijk volkrijke stam uit, en
+moeten bij de 400.000 hoofden tellen, die in den omtrek van Kasan,
+Simbirsk en Pensa, in de wouden en weiden aan de Wolga, als vreedzame
+akkerbouwers en bijenhouders wonen.
+
+
+
+Zoo gewichtig de rol was, die de "door de Tataren geïnspireerde,"
+door hen in beweging gebrachte en met hen vermengde Zuidelijke en
+Oostelijke Finnen in ouden tijd speelden, zoo weinig schitterend was
+het lot hunner meer Noordelijke broeders. Over al de oorspronkelijke
+stammen dier moeras- en boschmenschen, waarop de Skandinaviërs,
+Slawen en ook andere Indo-Germanen, bij hun eerste binnendringen in
+Europa gestooten zijn, en die zij waarschijnlijk uitgeroeid hebben,
+zwijgt de geschiedenis. Zij zijn door den stroom der gebeurtenissen
+weggevaagd, zonder eenig--behalve misschien de boven vermelde
+"paalwoningen"--belangrijk spoor van hun bestaan, of eenig opschrift
+op hunne graven achtergelaten te hebben. In den tijd van de eerste
+schemering der authentieke geschiedverhalen, vinden wij hunne
+overblijfselen reeds ver naar het Noorden teruggedrongen, en hunne
+Indo-Germaansche naburen met hen, over eene lange grenslijn, aanhoudend
+in aanraking en strijd. Daar de Skandinaviërs vroeger dan de Slawen,
+in het Noorden van Europa eene groote politieke macht ontwikkelden,
+zoo ontvangen wij ook eerst van deze zijde de eerste stellige berichten
+aangaande hen. De voorgangers der Noormannen en Zweden zien wij van
+den beginne af, op hun schiereiland aanhoudend voorwaarts schrijden,
+in een voortdurenden veroveringsoorlog tegen de Finsche "Jötunen,"
+die zij voet voor voet altijd verder naar het noordelijk uiteinde
+van hun schiereiland terug- en zamendrongen.
+
+Zelfs de allernoordelijkste Finnen aan de oevers der Witte- en
+der IJszee werden reeds vroegtijdig door Noormansche zeevaarders
+bezocht. In de 9de en 10de eeuw dreven zij in den omtrek van het
+tegenwoordige Archangel een bloeienden handel, bij welken voornamelijk
+een Finsch volk, de "Biarmiërs" of "Termiërs," als tusschenpersonen
+diende. Naar hunnen eens zoo beroemden naam, draagt nog tegenwoordig
+het Russisch gouvernement "Term" zijn naam.
+
+Sedert het midden der 12de eeuw, tijdens de kruistochten, begonnen
+de Zweden onder hunnen koning Erik, door den bekeeringsgeest der
+kruisvaarders aangetast, die gedeelten van het Finsche Oostland,
+die het dichtst bij gelegen waren, namelijk het groote schier-eiland
+tusschen de Bothnische en de Finsche golf te veroveren, blijvend te
+bezetten en van kolonisten te voorzien. Sinds oude tijden woonden
+hier de Finsche stammen der "Tawasten," "Cajanen" of "Quanen,"
+"Carelen" of "Karjalaiset" (d.i. kudden-mannen) en der "Inger," naar
+wie nog heden de provinciën Tawasteland, Quäneland, Ingermanland,
+en Karelië genoemd worden. De Zweden behielden het land 500 jaren,
+maakten zijne bewoners tot Christenen, en onder hunne niet zeer harde
+kolonie-wetten, is daar in dit _par excellence_ zoogenaamde Finland,
+nog heden ten dage de grootste massa der eigenlijke Finnen blijven
+bestaan. Ook in de koloniën die de Denen en de Duitsche ridders aan
+de Oostzee vestigden, werd een Finsch volk, de zoogenaamde "Esthen",
+onder de Germaansche heerschappij gebracht.
+
+Vóór allen echter drongen, sedert de stichting van een
+grooten Russischen staat, onder Rurik, de Slawen het gebied
+der Uralisch-Finsche stammen binnen, alles vernielende en
+onderwerpende. Zij streden met de "Wessen," met de "Meezen," de
+"Muronen" en andere volken van dezen stam. Voornamentlijk waren de
+ver om zich henen grijpende burgers der Russische republiek Nowgorod,
+van wier jongen staat de "Meezen" een hoofdbestanddeel uitmaakten,
+verderfelijk voor de Finnen, en van de zooeven genoemde Finsche
+volken bestaat nu niets meer, dan hunne in de Russische annalen van
+Groot-Nowgorod opgeteekende namen. De Russen bezetten en koloniseerden
+hunne landen, en namen de oorspronkelijke Finsche bewoners in den
+schoot hunner eigene nationaliteit op. Zij drongen op deze wijze
+veranderend, van Nowgorod uit in noordelijke richting naar de Witte
+Zee door, en vernietigden op dezen tocht, gelijk een lawa-stroom,
+langs de Dwina, schier alle oorspronkelijk Finsche bewoners. Als eene
+breede wig dringt het Slawische land zich hier, langs de rivieren
+Dwina en Onega, tusschen de onder de Zweden staande Finnen en de
+oorspronkelijk Finsche stammen, naar den Noordelijken Ural in.
+
+Deze decimeering, opname en slawiseering van Finsche stammen door
+Russische kolonisatie, heeft tot op de nieuwste tijden geduurd, en
+heeft bij de toenemende vergrooting van het Russische rijk, ook in
+noord-oostelijke en oostelijke richting om zich heen gegrepen.--Hier
+zijn de eens zoo beroemde Finsche volken, b.v. de genoemde oude
+"Permiërs" bijna geheel verdwenen. De Wogulen, Sirjänen, Permiërs,
+Wotjäken, Tscheremissen en Modwinen, zijn tot op eenige ver verstrooide
+bewoners van woeste streken saamgesmolten.
+
+De Groot-Russen zonden niet alleen soldaten en handelaren naar hen,
+maar ook ijverige zendelingen en bisschoppen, die in de Russische
+annalen als apostelen en martelaren der heidensche Finnen geprezen
+worden. Bijna alles, wat zij doopen en tot de Grieksche kerk bekeeren
+konden, nam ook langzamerhand de Russische taal, kleeding en zeden
+aan. En dien ten gevolge is daar een groot gedeelte van hen die wij nu
+Russen noemen, niets anders dan bekeerde en geslawiseerde Finnen, even
+als een groot deel der tegenwoordige "Duitschers," als verduitschte
+Slawen moeten beschouwd worden.
+
+Sedert de verovering van Siberië door de Russen in de 16de eeuw,
+sedert de annexeering van verscheidene Oostzee-provinciën onder
+Peter den Groote, en eindelijk sedert het verkrijgen van Finland
+in het begin dezer eeuw, zijn nu schier alle Finsche stammen, met
+uitzondering alleen der Magyaren en een gedeelte der van de Zweden
+afhankelijke Lappen, onder het opperbestuur der Russen gekomen.--Om
+nu een gemakkelijk overzicht te hebben, over hetgeen na al deze
+gebeurtenissen, van de eens zoo groote volkenfamilie op Europeeschen
+bodem nog overgebleven is, kunnen wij na het boven opgemerkte het
+geheel in drie groepen verdeelen, en de volgende drie afdeelingen
+aannemen:
+
+1. De overblijfselen der Finsche volken op het Skandinavische
+schiereiland, die door de Baltische zee van hunne broeders in het
+Oosten gescheiden zijn.
+
+2. De overblijfselen van Finsche stammen, aan het noordelijke en
+middelste gedeelte van den Ural en aan de Kama en de Wolga, die door
+eene breede geheel Slawische landstreek aan de Dwina, gescheiden zijn
+van hunne broeders in het Westen.
+
+3. De Finsche volken in het midden tusschen die beide gedeelten, die
+in het westen door de Baltische zee en in het oosten door de breede
+Slawische landen-wig, van hunne broeders gescheiden zijn.
+
+De overblijfselen der Finsche bevolking in Skandinavië, of _Westelijke_
+Finnen, zijn van deze drie groepen tegenwoordig de zwakste en minst
+belangrijke.
+
+Door het geheele binnenste gedeelte van het Zweedsche schiereiland
+tot aan het Wener-meer, gaat in zuidwaartsche richting een streek,
+wier bevolking nog min of meer met Finsche elementen doortrokken is,
+en gedeeltelijk ook nog de Finsche taal spreekt. Zelfs in eene der
+zuidelijkste provinciën van Zweden, in Gothland, vindt men nu nog
+verscheidene zoogenaamde "Finnenheiden" of "Finnenwouden," waarin
+enkele overblijfselen van Finsche bevolking uit de oudste tijden,
+zouden zijn blijven bestaan. De Zweedsche Koningen hebben ook nu en
+dan deze oude Finsche bevolking van hun rijk, door nieuwe versterkt,
+doordien zij Finsche landlieden van gene zijde der Bothnische
+golf, uit het eigenlijke Finland haalden en in Zweden zich lieten
+nederzetten. In den ouden Skandinavischen tijd, waren de Finsche
+bewoners van het schiereiland bijzonder beroemd om de vervaardiging
+van smidswerk. Finsche zwaarden spelen eene hoofdrol bij de Zweedsche
+helden. Ook moeten, zoo luidt ten minste de sage, de belangrijkste
+bergwerken in Zweden, door Finnen ontdekt geworden zijn. Nu echter
+hebben deze Zweedsche Finnen niet meer het karakter van eigendommelijke
+stammen of volksgroepen. Zij bezitten geene nationale stamnamen meer,
+leven verspreid onder de Zweedsche boeren, zijn reeds sedert lang
+Luthersche Christenen en verstaan meestal ook de Zweedsche taal.
+
+Ook de in het hooge Noorden van Skandinavië, als Bedouïnen
+rondtrekkende _Lappen_, worden door de Noorwegers en Zweden gewoonlijk
+Finnen genoemd, en ofschoon de Lappen zich van de eigenlijke Finnen,
+zoowel door lichaamsbouw, als door levenswijze en karakter zeer
+onderscheiden, zoo schijnen toch de onderzoekingen naar hunne taal en
+andere omstandigheden, het bewijs geleverd te hebben, dat zij slechts
+een verschillend ontwikkelde tak van één en denzelfden wortel zijn. De
+Lappen zijn over het algemeen klein van stuk; de eigenlijke Finnen
+daarentegen even groot als andere Europeesche volken. De Lappen hebben
+in den regel zwart haar, eene sterk geelachtige lichaamskleur, een
+hoekig gezicht, platten neus, lange oogen, hooge bakbeenderen, breeden
+mond, spitse, baardelooze kin, dik hoofd, pyramidale schedelvorm,
+en schijnen in dit alles het Aziatisch-Mongoolsche type in zeer
+hooge mate te naderen. Hunne naburen en broeders daarentegen, de
+eigenlijke Finnen, hebben meestal blond haar, ronde gelaatstrekken,
+eene frissche gelaatskleur, en dragen over het algemeen in mindere mate
+de kenteekenen van het Mongoolsche ras. Beiden hebben een zeer van
+elkander afwijkend temperament. De eigenlijke Fin heeft in den regel
+iets beslissends, iets krachtigs, een rijp verstand, een dikwijls
+somberen ernst en diepe melancholie. "De Lap daarentegen is een
+ten eenemale wild, zorgeloos natuurkind, een wonderlijk mengsel van
+wantrouwen en kinderlijke luimen en gemoedsaandoeningen." Eindelijk is
+de Lap met hart en ziel een nomade, trotsch op zijne kudden rendieren,
+heeft eene echte Bedouïnen-natuur, en laat zich volstrekt niet in
+een rustigen kolonist veranderen. Kan hij als eigenaar van kudden
+niet meer bestaan, dan grijpt hij in zijn nood naar het visschers-
+en jagers handwerk, letterlijk nooit naar den akkerbouw.
+
+Zijn buurman, de eigenlijke Fin daarentegen, is in den regel een rustig
+landman, en als zoodanig wordt hij door de Lappen verafschuwd. Deze
+gaan voor de nederzettingen der Finnen overal op de vlucht. En dat de
+antipathie, deze nationale weerzin tusschen Lappen en Finnen reeds van
+zeer ouden datum is, wordt daardoor bewezen, dat het beroemde oude,
+Finsche nationale-heldendicht "Kalewala" hoofdzakelijk de tegenkanting
+en den strijd tusschen de oude Goden en helden der Finnen en die der
+Lappen tot onderwerp heeft.
+
+Dat echter, trots al deze sterke verschillen, de Lappen toch met
+de Finnen tot één en denzelfden volkstam gerekend moeten worden te
+behooren, wordt, zooals opgemerkt is, uit verscheidene verhoudingen en
+omstandigheden duidelijk. Ten eersten daaruit, dat beide stammen sedert
+onheugelijke tijden naast elkander gewoond hebben. De Lapsche taal
+heeft denzelfden bouw en wortelen als de Finsche, en het is niet aan
+te nemen, dat den Lappen deze Finsche taal met geweld opgedrongen zou
+zijn, omdat wij er niets van hooren, dat de Finnen ooit de gebieders
+en leermeesters der Lappen geweest zijn. De sagen en mythen der
+Lappen zijn, trots den strijd tusschen hunne Goden en helden, innig
+met die der heidensche Finnen samen geweven. Men heeft, kort geleden,
+ook bij hen, epische gedichten ontdekt, die zeer overeenkomen met die
+der Finnen. Dat de Skandinaviërs beide volken onder denzelfden naam
+"Finnen" samenvatten, moge te dien opzichte niet veel bewijzen, wel
+echter de omstandigheid, dat de Lappen zich zelven een nationalen
+naam geven, die in vorm en beteekenis geheel overeenstemt met dien,
+welken ook de Finnen op zich toepassen. Deze noemen zich, zooals reeds
+opgegeven werd, "Suomalaiset," gene "Saomelad" en beide beteekenen
+hetzelfde, "moerasmenschen." Daarenboven zijn ook alle zooeven
+aangegevene afwijkingen en contrasten tusschen de beide natiën niet
+zoo groot, dat zij eene nauwe verwantschap zouden uitsluiten. De
+kleinere gedaante der Lappen kan hare oorzaak hebben in het ruwere
+klimaat en in het verschil van levenswijze. Het leven der Lappen
+wisselt veel meer af dan dat der Finnen, tusschen den grootsten
+overvloed en het bitterste gebrek, tusschen groote hitte en scherpe
+koude, tusschen groote inspanning en volslagene werkeloosheid. Door
+muskieten vervolgd, vluchten zij sedert eeuwen in den zomer naar de
+zee, om zich en hunne kudden in zeelucht en zout water te baden, en
+door honger gedreven snellen zij in den herfst terug naar de bergen,
+waar hun rendiermos groeit. Dat van verschillende takken van denzelfden
+stam, zich de eene aan landbouw, de andere aan een nomadisch leven
+wijden, en er scherpe contrasten en groote antipathiën tusschen hen
+zijn ontstaan, is eene verschijning die in de geschiedenis der volken
+meermalen voorkomt. Ja! onder de onderafdeelingen en de verschillende
+gedeelten der Lappen zelven, bestaat eene bijna even zoo sterke, ten
+deele onverklaarbare tegenzin voor elkander. De "Lappen van Umea"
+b.v. hebben een zoo diepen afschuw voor de "Lappen van Lulea," dat
+zij, ofschoon beiden nomadische bloedvrienden zijn, volstrekt niet
+met elkander om gaan en nooit onder elkander trouwen.
+
+Het in aantal zwakke volk der Lappen is, als op zich zelf staande
+familiën, verstrooid in de wilde dalen en kloven, aan de tallooze
+meren en fjorden van een uitgestrekt en onvruchtbaar, maar aan
+natuurwonderen rijk en weinig bekend gebied, dat zich door noordelijk
+Zweden en Noorwegen, en door een gedeelte van Rusland tot aan de
+Witte Zee uitstrekt. De kale rotsen en ijsbergen hunner marken, en
+de ontembare natuur van deze, geven voor het vervolg niet de minste
+hoop, dat ook akkerbouw, beschaving en sterke bevolking zich tot in
+dezen uithoek van Europa zullen uitstrekken. Rendieren en Lappen
+is het beste wat het daar geven, kan, het eenige wat daar bestaan
+kan. Echter moet hierbij nog opgemerkt worden, dat eene zekere langzame
+germaniseering bij de aan de Zweden en Noorwegers onderworpene Lappen,
+schijnt plaats te grijpen. Taalkundige onderzoekingen ten minste hebben
+doen zien, dat reeds een derde der woorden van hunnen taalschat van
+Skandinavischen oorsprong, of wel eene bloote overzetting van het
+Zweedsch en Noorweegsch is. Bij de aan de Russen onderworpene Lappen
+kan een dergelijk proces van langzame slawiseering plaats hebben.
+
+
+
+De tweede of Oostelijke groep overblijfselen van Finsche volken, aan
+den Noordelijken en Midden-Ural en aan de Wolga, biedt eene groote
+verscheidenheid van zeer verschillende stammen en namen aan. Tot hen
+behooren de van het Zuiden naar het Noorden naast elkander wonende
+_Tscheremissen_, _Mordwinen_, _Wotjäken_, _Permiërs_, _Wogulen_,
+_Ostjäken_, _Sirjänen_, en in velerlei opzicht ook nog de aan de
+IJszee hun kommerlijk bestaan rekkende _Samojeden_.
+
+De Zuidelijkste van deze Oostelijke Finnen zijn de _Tscheremissen_. Zij
+hebben de meeste overeenkomst met de Tschuwaschen, zoowel wat betreft
+hunne woonplaatsen als met betrekking tot hunne stamverhoudingen. Even
+als de Tschuwaschen wonen zij in den omtrek van Kasan, maar meer
+noordelijk dan deze, en aan de oevers der beneden-Kama. Daar zij,
+even als Tschuwaschen, dikwijls en lang onderworpen waren aan de
+Tataren, zoo hebben ook zij veel, ofschoon veel minder dan gene,
+van dezen overgenomen. Zij zijn een overoud Finsch volk, van wier
+namen wij, reeds sedert duizend jaren, eenige sporen in de Russische
+annalen vinden. De meeste der Tscheremissen zijn nu christenen, maar
+even als onder andere dezer Noord-Oostelijke Europeanen, vindt men
+onder hen ook nog heidenen, die echter tegelijk met hunne afgoden,
+de Russische heiligen even als ook Mahomed aanroepen, en zoowel
+mahomedaansche als christelijke feestdagen en heidensche gebruiken
+waarnemen. Hunne lichamelijke gesteldheid, hun blond haar, hun
+dunne baard, hun eerlijk maar stuursch karakter, hun schuw wezen,
+dit alles kenmerkt de Tscheremissen als Finnen. Ook zijn de bij hen
+gebruikelijke kleederen, even als de inrichting hunner woningen en
+hunner huishouding, geheel op Finschen voet geschoeid.
+
+De heidensche Tscheremissen noemen hun oppersten God, "Juma" wat een
+onder de Finsche volken zeer algemeen verspreide naam is. Want "Juma"
+of "Jumala" of "Jummal" of "Ibmel" is bijna bij alle Finnen de naam
+der Godheid of van den Hemel. Deze "Juma", zeggen de Tscheremissen,
+is de schepper der natuur en der menschen en regeert het wereldgebouw.
+
+Zij gelooven ook aan een boozen geest, dien zij "Keremet" of
+"Keremiet" noemen. Bij de schepping der wereld, en der menschen,
+hielp deze Keremiet Juma. Maar hij werd hoogmoedig en wilde Juma
+evenaren. Daar hij echter in kracht bij dezen ten achter stond,
+zoo bedierf hij Juma's scheppingen. Toen deze b.v. het drooge land
+scheppen wilde, en Keremiet beval in de gedaante van eene eend op
+de wateren rond te zwemmen, en in het water duikende de aarde op
+te halen, toen deed Keremiet dit wel, maar hij gaf niet alle aarde,
+die hij opgedoken had aan Juma af, maar hield er een gedeelte van in
+zijn bek, en toen de schoone oppervlakte van het landschap klaar was,
+toen spuwde hij de achtergehoudene aarde uit, en waar die nederviel
+ontstonden wilde bergen en andere nadeelige zaken.
+
+Onder denzelfden breedtegraad met de Tscheremissen, maar meer
+westelijk, aan de rechterzijde van de Wolga, zijn de overblijfselen
+der Mordwinen verstrooid. Zij werden in deze streken, dus in den
+grooten landencirkel tusschen de Oka en de midden-Wolga, reeds door
+Byzantynsche schrijvers en als onderdanen der West-Gothen genoemd. Hoe
+lang zij reeds in deze streken te huis behooren, blijkt onder anderen
+reeds uit de omstandigheid, dat zij nog heden ten dage de Wolga met
+denzelfden naam noemen, waaronder zij den Grieken en Romeinen bekend
+was. Zij noemen haar "Ràwa", wat eigenlijk met den naam der ouden:
+"Rha" tamelijk wel overeenkomt.
+
+Als zeer dicht bij de hoofdmassa der Slawische bevolking van Rusland,
+hebben zij nu reeds meer van de levenswijze van het Russische landvolk
+aangenomen, en komen zij ook in lichaamsbouw en in hun geheele wezen
+den Russen meer nabij dan de andere Finnen.
+
+Men heeft al de zooeven genoemde Finnen-stammen, ook wel samengevat
+onder den naam Wolga-Finnen, omdat zij zich allen langs den oever en
+de vertakkingen van deze rivier groepeeren. En de Wolga zelve, aan
+wier machtige polsader het leven der Finnen, zich eens zoo belangrijk
+en voor de wereldgeschiedenis zoo gewillig ontvouwde,--aan welke
+de dikwijls door mij genoemde Bulgaren en Chasaren hunne bloeiende
+en niet geheel onbeschaafde rijken stichtten--van waar de Finsche
+Avaren en Magyaren naar Westelijk Europa trokken,--deze Wolga zelve,
+zeg ik, heeft men wel de groote "nationale rivier der Finnen" genoemd,
+evenzoo als men den Dnieper bij voorkeur de Slawen-rivier, en den Rijn
+de Germanen-stroom genoemd heeft. Even als naar het reeds opgemerkte,
+de den Grieken bekend geworden naam voor de Wolga "Rha", zoo moet ook
+de bij de Tataren gebruikelijke naam voor deze rivier, "Itil" niet
+van Tataarschen of Slawischen, maar van Finschen oorsprong zijn. De
+Tataren namen den Finnen de Wolga af, en nu is zij, nadat ook de
+macht dezer Tataren onderging, de hoofd-levensbaan der Groot-Russen
+en Kozakken geworden, en heeft daarom ook algemeen den Slawischen
+naam Wolga aangenomen.
+
+Noord-Oostwaarts van de Wolga en van Kasan, aan de door hen zoogenoemde
+Wiatka, komen het eerst de _Wotjäken_ die zich zelven "Udmurdi"
+d.i., "mannen" noemen. Zij zijn in de meeste zaken den Finnen in het
+tegenwoordige Finland zeer gelijk. Zij moeten sedert de heerschappij
+der Russen, dus sedert 300 jaren, hunne nomadische levenswijze hebben
+laten varen en tegen een meer rustig leven verruild hebben. Zij worden
+als zeer vlijtige en bekwame landbouwers geroemd.--"Nauwelijks is de
+winter voorbij, of de Wotjäk verlaat zijne warme, vol rook staande
+'Isba' (houten hut), waarin hij in gezelschap zijner ganzen, eenden
+en kalveren het koude jaargetijde zeer genoegelijk heeft doorgebracht,
+betrekt geheel doorrookt en met zieke oogen de luchtige zomerstroohut,
+en begint zijn werkzaam leven, ploegt, zaait en egt, evenwel niet
+eerder voor dat hij daarvoor de noodige gunstige voorteekens gehad
+heeft, voor hij den hemel nauwkeurig gadeslagen en den raad der
+grijsaards ingewonnen heeft." Zij zijn bij de Russen beroemd om hunne
+huishoudelijke bekrimping, maar ook om hunne eerlijkheid. Wat zij
+eenmaal bij wijze van verdrag, beloofd hebben te geven, dat geven
+zij ook even als alle Finnen. Hunne naburen, de Tataren schijnen zij
+van oude tijden af te vreezen, want zij hebben een spreekwoord "de
+Tataar is een wolf, de Wotjäk een hazelhoen." Gedeeltelijk zijn zij
+nog heidenen en vereeren, even als de meeste nog heidensche Finnen
+een aardgod (het goede principe) en een watergod (het booze wezen),
+en boven beiden een oppergod, dien zij "den Ouden" noemen. Hunne
+vrouwen, die zich even als de vrouwen van alle Finsche volken door
+eene groote eigenaardigheid in hunne nationale-kleeding van de mannen
+onderscheiden, dragen hooge uit berkenschors vervaardigde mutsen, die
+zij met geweven stoffen overtrekken en met zilveren munten versieren.
+
+Noordelijk van deze Wotjäken wonen de _Sirjänen_ en Oostelijk van hen
+de _Permiërs_. De 30.000 Sirjänen (grensbewoners) zijn verscholen in
+de Noordelijke gedeelten der groote wouden van Noord-Oostelijk Rusland,
+die de grootste naaldhout-magazijnen van geheel Europa vormen. Zij zijn
+als zeer goede jagers en vooral als koene beerenjagers beroemd. Reeds
+hunne kleine kinderen vragen hunnen ouders om niets met meer aandrang,
+dan om "knalspeelgoed" (een geweer). "Van de jeugd af in het jachtwerk
+geoefend, worden zij zulke volleerde schutters, dat bij hen geen
+ander schot voor goed geldt, dan in den snuit van het beest, opdat de
+huid onverlet blijve." Kruit, dat in hunne dichte wouden altijd een
+zeldzaam artikel is, schijnt hun even kostbaar als stofgoud. Alleen
+onder de dringendste omstandigheden, deelen zij daarvan aan anderen
+mede, en stellen dan daarbij als voorwaarde, dat het in _natura_, kruit
+tegen kruit, terug betaald moet worden. Als zij het woud binnentrekken,
+tellen zij zorgvuldig het aantal patronen of schoten die zij medenemen,
+en berekenen daarnaar het aantal pelzen, die zij mede terugbrengen
+zullen. Ook de in kruit handelende koopman weet precies, hoeveel otter-
+of hermelijn- of vossenpelzen hij voor ieder pond kruit, dat hij eenen
+Sirjän crediteerde, terug verwachten kan.--In hun nationaal-karakter
+verraden zij nog nu hunne nauwe verwantschap met den Finschen
+moederstam. Overleg, ernst, eerlijkheid en bedachtzaamheid kenmerken
+den Sirjän even als de andere Finnen. Voor het overige moeten zij nu
+ook reeds begonnen zijn, meer overeenkomst te krijgen met de Russische
+boeren. Rusland verandert of verzwelgt al deze Finsche volken, even
+als het Anglo-Saksische ras de Indianen van Noord-Amerika.
+
+Hetzelfde laat zich van de niet talrijke _Permiërs_ zeggen, die
+in den omtrek der naar hen genoemde stad Perm wonen. Eens waren,
+zooals reeds gezegd is, deze Permïers beroemd, en was hun naam,
+als die van een bedrijvig Finsch handelsvolk, ver in het Noorden
+en bij de Skandinavische zeevaarders bekend. Men heeft ook wel de
+Sirjänen en Wotjäken, en nagenoeg alle Noord-Oostelijke Finnen,
+onder den gemeenschappelijken naam van den "Permischen Finnen-Stam"
+saamgevoegd en hen door deze benaming onderscheiden van de Zuidelijke
+"Wolga-Finnen."--Thans echter, nu de Russen vele houten steden onder
+hen gebouwd hebben, is de glans van den naam "Permiërs" verdwenen,
+hunne getalsterkte tot 30,000 koppen ingesmolten en hunne nationaliteit
+met die der Slawen vereenzelvigd.
+
+Nauwelijks hebben zij van de, in de oude annalen der Skandinaviërs
+en Russen zoo dikwijls besproken tijd, toen de Permiërs, als een half
+beschaafd volk, den handel van het Europeesche Noorden met het Oosten
+in aanraking brachten, toen zelfs Arabische en Indische waren hier
+doorgevoerd werden, eenige overleveringen bewaard.
+
+Nog verder Oostwaarts van de Permische Finnen, wonen de _Wogullen_
+en naast hen de _Ostjäken_, wier met elkander verwante talen bewijzen,
+dat zij eveneens tot den Finschen stam behooren.
+
+Al deze volken echter, vallen in hoofdzaak reeds buiten den kring
+onzer beschouwing, want zij staan, om zoo te zeggen, nog slechts met
+éénen voet op Europeeschen bodem. Het gebied, waarover zij verspreid
+zijn, strekt zich grootendeels aan de andere zijde van den Ural uit,
+langs de Westelijke nevenrivieren der Irtisch en Ob. Ook gaan zij,
+aan de Ob, Siberië diep in tot aan Tomsk en verder.
+
+Noordelijk van de Wogulen en Sirjänen, in het allerwoestste en door de
+natuur het schraalst bedeelde gedeelte van ons werelddeel, op kale,
+boomlooze gebieden, en in zelden ontdooide moerassen, de akelige
+zoogenaamde "Tundren" aan de oevers eener bijna altijd met ijs gevulde
+zee, houdt zich eindelijk de armzalige stam der Samojeden op. Wel
+behooren zij in hoofdzaak tot Azië, en hebben daar (aan den Altai)
+ook hun oud stamland, van waar uit zij, door onbekende gebeurtenissen
+en omwentelingen, naar de uiterste, noordelijke uiteinden der wereld
+gedreven zijn.
+
+Hunne jachten en hun heen en weer trekken brengen hen echter ook op
+Europeesch gebied, zelfs tot in de nabijheid van Archangel, waar zij
+somwijlen dat andere, Europa geheel toebehoorende, trekkende volk,
+de Lappen, ontmoeten.--Even als de Lappen, en in nog hoogere mate
+dan die, verschillen de Samojeden in taal en wezen van hunne Finsche
+naburen. Volgens Pallas behooren zij naar de vorming van hun hoofd,
+naar hunne breede platte gezichten, "die echter bij hunne jonge vrouwen
+somwijlen zeer aangenaam kunnen zijn," naar hunne opgetrokken lippen,
+hun zwart, borstelig haar, het meest tot de Tungusen, den grootsten
+volksstam van Noord-Oostelijk Azië. Desniettemin zijn zij ook weder
+aan hunne Finsche naburen verwant, zooals dit een nieuw, onvermoeid
+onderzoeker dezer streken en volken, de uitstekende geleerde en
+reiziger Castrèn, aangetoond heeft.
+
+Even als de Finsche Ostjäken kleeden zij zich in rendiervellen. Hunne
+taal toont in hare wortelwoorden eene groote overeenstemming met
+de Finsche dialekten aan de Wolga. Ontelbare eeuwen lang hebben
+zij met deze Finsche volken in nabuurschappelijke, landbouw- en
+familie-betrekkingen gestaan. Ook in hunne zeden en gebruiken
+hebben zij dikwijls eene groote mate van overeenstemming met
+die der Finnen. Zoo, om één voorbeeld uit velen aan te roeren,
+b.v. bij verlovingen. Bij de Samojeden rijdt de trouwlustige met
+dengeen die zijne aanstaande voor hem vragen zal, naar het huis der
+uitverkorene. De bruidwerver gaat binnen en brengt den vader of voogd
+der bruid, de aanvrage over. Gedurende dien tijd, moet de minnaar zelf
+daarbuiten in de koude bij de slee en de paarden blijven wachten,
+tot men hem de toestemming komt mededeelen. Dit en alle verdere,
+daarbij voorkomende details van het gedrag en handelwijze, vindt men
+juist zoo ook bij de 500 mijlen verwijderd wonende Finsche Esthen in
+de Duitsche Oostzee-provinciën weder.
+
+Zelfs de naam _Samojeden_ of _Samogieten_, waaronder zij van oudsher
+bij alle volken, ook bij de Mongolen bekend waren, schijnt van Finschen
+oorsprong. Deze naam komt ons, onder de meest verschillende vormen,
+in de geheele Finsche wereld, tot aan de grenzen van Duitschland
+tegen. Ik heb reeds opgemerkt, dat de Lappen zich "Samelads" de Finnen
+"Suomalaiset" noemen. In Litauen vinden wij eene oude provincie
+"Samogitie" en zelfs in Pruisen nog een "Sameland." Het zijn allen
+woorden, die een gemeenschappelijken Finschen oorsprong schijnen
+te hebben.
+
+Het duidelijkst openbaart zich de verwantschap der Samojeden en Finnen,
+in den verwanten geest hunner taal en nationale-poëzie. Tot in het
+midden der vorige eeuw had men, in het dikwijls laatdunkende Europa,
+zulke grove en onphilosophische voorstellingen van de arme Samojeden,
+dat men meende, dat dit volk zich in plaats van eene taal, bediende van
+"een zeker dierachtig knorren en sissen." Het is eerst een resultaat
+van nieuwe onderzoekingen, waarover men zich zeer te verheugen heeft,
+dat ook de Samojeden niet alleen eene zeer kunstige en ontwikkelde
+taal met verschillende dialecten bezitten, maar in deze taal, ook
+allerlei sprookjes, aardige vertellingen en liederen gedicht hebben.
+
+Een groot kenner der Finsche volkeren zegt, dat zelfs het beroemde
+Finsche heldendicht "Kalewala," waarvan wij hier beneden het een en
+ander zullen mededeelen, alleen te beschouwen is als eene ontwikkeling
+der zaadkorrels, die ook in de Samojeedsche volkswijze verborgen
+liggen. De rapsodiën van het Finsche heldendicht Kalewala en der
+Samojeedsche heldenliederen, schijnen uit dezelfde bron voortgekomen
+te zijn.--"Heldenzangen van dit soort staan bij de Samojeden in hoog
+aanzien. Met bijna godsdienstige aandacht luisteren de toehoorders
+naar ieder woord, dat over de lippen van den zanger komt." Zij laten
+hem gewoonlijk midden in het vertrek plaats nemen en de toehoorders
+plaatsen zich in een kring om hem heen. "De zanger zelf is niet zelden
+gedurende zijne voordracht zoo geroerd, dat bij zeer aangrijpende
+passages zijn lichaam trilt en zijne stem beeft." De toehoorders
+zitten meerendeels stom om hem heen. Bij opwekkende passages en
+momenten van het verhaal echter--wanneer de held van het gedicht, die
+nog in de wieg liggende er reeds aan denkt dat het tijd is zich eene
+huisvrouw te kiezen, vervolgens, even als Herkules, als een krachtig
+mensch uit de wieg opstaat, en uittrekt om de koningsdochter op de
+met koper bedekte burgt te winnen--als hij na eene avontuurlijke
+reis van zeven weken, onder de aarde door, het doel bereikt,--daar
+in eene hermelijn verandert en op de muren en boomen huppelende
+alles afloert--als hij met zijne minnaars in strijd geraakt,--zijn
+tooverpijl op hen afschiet, die nog krachtiger dan de snorrende pijl
+van Odysseus, op den aftocht 20 dezer medeminnaars doodt, en op den
+terugweg, terwijl hij tot zijnen heer gehoorzaam terugkeert, weder
+20 doorboort--wanneer dan echter ook de strijder zelf òf valt en
+sterft, òf triumfeerend met zijne veroverde geliefde op een adelaar
+rijdende opstijgt--bij al zulke passages van de vertelling, drukken
+die Samojeedsche toehoorders luide en eenstemmig hunnen bijval uit.
+
+Overigens houden de Samojeden--zoo zegt ten minste de heer Castrèn--het
+voor eene gemakkelijke zaak een lied te dichten, want ieder hunner
+rekent zich daartoe in staat. Maar een lied goed te kunnen zingen,
+roerend te kunnen _voordragen_, dat geldt bij hen voor een zeldzaam
+en hooggeschat talent. Men zou hier kunnen zeggen: _Tout comme chez
+nous_. Want ook bij ons zijn de zangers en acteurs er beter aan toe
+dan de dichters.
+
+
+
+Nadat wij zoo de wereld der Finnen tot hare uiterste Noord-Oostelijke
+voorposten en stamverwanten gevolgd hebben, willen wij ons naar het
+Westen keeren, waar wij midden tusschen de overblijfselen der Finnen
+van het Skandinavische schier-eiland, en tusschen de gedeeltelijk
+verturkte of verrussischte Finnen van den Ural, het verreweg grootste
+getal echte Finnen langs de Oostelijke kusten van de Baltische zee in
+eene hoofdmassa dicht bijeengedrongen vinden. Dit zijn ten eersten de
+Finnen in de nu bij voorkeur "Finland" genoemde Russische provincie,
+vervolgens de Kareliërs in het Oosten en Noorden, de _Ingern_ ten
+Zuiden van Petersburg, en eindelijk de _Esthen_ in Esthland.
+
+Al deze stammen waren als oorspronkelijke bewoners aan weerszijden en
+rondom de groote golf, die met veel recht naar hen de Finsche genoemd
+is geworden. Te zamen tellen zij meer dan twee millioen zielen, en
+zij overtreffen in aantal verreweg alle andere bovengenoemde zwakke
+en dun gezaaide Finnenstammen in het Oosten, Noorden en Westen,
+die gezamenlijk wel niet meer dan een millioen zielen zullen tellen.
+
+De Zuidelijke grens, tot waar deze Baltische Finnen de grondbevolking
+uitmaken, loopt nu tot eene lijn, welke van het Zuidelijk uiteinde van
+het meer Peipus, westwaarts door het midden van Lijfland kan getrokken
+worden.--Vroeger gingen ook hier de Finnen veel verder Zuidelijk,
+in voorgeschiedkundige tijden waarschijnlijk, zooals reeds gezegd
+is, tot diep in Duitschland en het Westen van Europa; evenwel zijn
+zij zelfs nog in historische tijden--nog buiten geheel Lijfland en
+Koerland aan te wijzen.
+
+Even als door de Skandinaviërs in het Westen, door de Slawen en Tataren
+in het Oosten, zoo schijnen ook hier in de Oostzee-provinciën de
+Letten door hunne naburen, de Indo-Germaansche Letten of Litauers,
+die zich aan den Niemen en aan de Duna vastgenesteld hadden,
+aangevallen, overweldigd, uit hunne woonplaatsen verdreven of van
+hunne nationaliteit beroofd te zijn geworden, en wellicht duidt op deze
+gebeurtenis nog de tegenwoordige naam, die de Letten den Finnen geven,
+de naam "_Iggaunis_," dat zooveel als "de verdrevenen" beteekent. Deze
+naam staat in eene zeer beteekenisvolle tegenstelling tot dien, welken
+deze Finnen zich zelven geven, namelijk met den naam "_Tallopoig_"
+"zonen der aarde," of "_Maamees_," "mannen des lands." Het is, alsof
+deze oorspronkelijke Europeanen, met dergelijke nationale-namen als
+"het volk," "de mannen," "de lieden," "de menschen," die herhaaldelijk
+bij verscheidene hunner stammen als nationale-namen voorkomen, en
+die er op schijnen te wijzen, dat zij zich als het eigenlijke ware,
+oorspronkelijk Europeesche menschen-geslacht, beschouwen, hebben willen
+protesteeren tegen de invallen der binnendringende Indo-Germanen.
+
+Men vindt in de Noordelijkste punten van Koerland, en ook in
+het Zuidelijke of Lettische gedeelte van Lijfland, eenige kleine
+districten, in welke, midden onder de Letten, overblijfselen der oude
+Finsche _Koeren_ en _Liven_ tot op den nieuweren tijd toe leefden. Doch
+ook bij deze Finsche overblijfselen krijgen Lettische taal en zeden
+de overhand. In hoofdzaak bestaat hier niets meer van hen dan de
+landnamen Koerland en Lijfland, die niet van de Letten ontleend,
+maar van Finschen oorsprong zouden zijn.
+
+De Finnen, die nu nog de grond-bevolking van het Noordelijke Lijfland
+en van de provincie Esthland uitmaken, worden door de Duitschers
+gewoonlijk _Esthen_ of _Oesthen_ (dat is Oostlanders) genoemd.
+
+Het is een overoude naam, dien de Germanen voor alle Oostwaarts van hen
+wonende kustvolken der Baltische zee gebruikten, die bij Tacitus reeds
+bekend was en die nu, in de zooeven aangegevene nauwe grenzen, nog
+in zwang is gebleven. De zoogenaamde Esthen kennen hem natuurlijk niet.
+
+Zij tellen wel bij de 600,000 zielen. Vroeger waren zij een koen
+en vrij jagers-, visschers- en zeeroovers volk, maar sedert lang
+hebben zij onder eene harde dienstbaarheid der Duitsche ridders en
+kolonisten gezucht, die hun land onder elkander verdeelden, en nu
+nog in vele heerlijkheden, steden en vlekken onder hen, of liever
+gezegd over hen wonen. Veel van de hun aangeborene nationaliteit zal
+in deze dienstbaarheid verloren gegaan zijn, veel is waarschijnlijk
+juist door haar behouden gebleven. Als "gegermaniseerd" kan men hen
+niet beschouwen.
+
+Zij spreken nog altijd hunne oude Finsche taal, die tot de Finsche
+idiomen in dezelfde verhouding staat, als het Saksisch tot het
+Beiersch. Zij hebben hunne oude sagen, verhalen, overleveringen,
+spreekwoorden, gedichten met de overige Finnen gemeen.
+
+Ook schijnen zij eene overoude Finsche volkskleeding van oudsher trouw
+gebleven te zijn. Daar zij bij deze hunne nationale-kleeding gewoonlijk
+donkere, zwarte kleuren kiezen, zoo hebben Duitsche geleerden gemeend,
+dat deze Esthen, de vroeger vermelde "Melanchlänen" (zwartmantels)
+van Herodotus zouden zijn.--Men heeft opgemerkt, dat in zeker distrikt
+van Esthland, de menschen witte en in eene andere streek zwarte kousen
+dragen, en men heeft gevonden, dat in de oudste, reeds voor 500 jaren
+geschrevene kronieken van het land, deze districten "_Mustjalla_"
+(het land der zwarte kousen) en "_Waldjalla_" (het land der witte
+kousen) genoemd werden. Toont zich in de kousen eene zoo groote 500
+jarige bestendigheid, dan is het niet zonder grond, als men voor de
+zwarte mantels een duizendjarig bestaan waarschijnlijk vindt.
+
+Het land der _Ingren_ en _Kareliërs_, Ingermannland en Karelië,
+ten Zuiden en Noorden van Petersburg, was zoo lang een twistappel
+tusschen Russen en Zweden, dat van hun aantal en hunne nationaliteit
+niet veel meer is overgebleven.
+
+De Finnen eindelijk in het _par excellence_ zoogenaamde Finland,
+zitten nu eigenlijk, om zoo te zeggen in het centrum der wijd
+verspreide overblijfselen der Finnenwereld. Zij overtreffen ook al
+de overige stammen in getalsterkte en vormen bijna de helft van alle
+Finnen. Reeds vroegtijdig werden zij door de Zweden tot het Christendom
+bekeerd, daarna werden zij Luthersch, en door den invloed van Zweedsche
+scholen verkregen zij eene hoogere mate van beschaving. Ook hebben al
+de nieuwere levens-uitingen, die sedert den aanvang dezer eeuw, even
+als bij alle volken van Europa, zoo ook bij de Finnen ontwaakten, zich
+nergens met meer energie doen kennen dan bij de Finnen in Finland. Van
+dit Finland zijn de meeste patriotische bemoeiingen tot redding van
+het Finsche volksleven, tot het instellen van een onderzoek naar hunne
+talen en zeden, tot herstel en ontdekking hunner poëtische schatten,
+uitgegaan.
+
+Uit dit alles is het duidelijk, dat de _Finnen_ in _Finland_ zelf de
+beste gelegenheid geven, om aan hen de eigenaardigheden, en vooral
+de lichtzijden van het nationaal karakter der Finnen in het algemeen,
+op te merken. In Finland vindt men de Zweden in grooten getale alleen
+aan de zeekusten, waar zij talrijke havensteden gebouwd hebben, en waar
+daarom de Finnen ook meer onder hen verdwenen of tot Zweden veranderd
+zijn. In het binnenste van het aan rotskloven en meren overrijke land,
+hebben zich de oorspronkelijke bewoners in grootere zuiverheid bewaard.
+
+Daar kan men hen nog in hunne oude "zwarte" of "rookkamers," die uit
+ruwe balken, zonder vensters en schoorsteen, getimmerde woningen zien,
+die op donkere houten holen gelijken, waarin als Noordsch hoofd-meubel
+zich een groote oven, als rustplaats der familie, verheft, waaruit den
+binnentredende een altijd vochtige en warme damp tegenslaat, en waarin
+altijd tot op 3 voet van den zolder een dikke rooksluier afhangt.
+
+Daar kan men ook nog het oorspronkelijke type der beruchte Noordsche
+zweetbaden vinden, in wier heete en bedwelmende dampen de Finnen
+de beste uren van den dag wegzweeten, waarin zij een niet gering
+deel van hun leven doorbrengen, die ook bij alle Noordsche, Finsche
+en Mongoolsche volkeren der Aarde, zelfs bij de Indianen van Noord
+Amerika, op dezelfde wijze gebruikelijk zijn en wier gebruik van de
+Finnen eerst later op de Russische Slawen overging.
+
+Daar kan men eveneens nog de eigenaardige kleederdrachten der
+Finsche vrouwen bestudeeren, op wier opvallende en origineele
+sieradiën zoo menig reiziger opmerkzaam gemaakt heeft, die hooge
+uit berkenschors vervaardigde en met munten en banden versierde
+mutsen,--verder de kolossale, zoogenaamde "Preesen" of zilveren
+gespen, waarmede de vrouwen hunne mantels vastmaken, die echter
+door toevoeging van allerlei versierselen van munten, crucifixen,
+koralen, stukjes barnsteen, gouden schilfers en bellen, tot zulk
+eene grootte aangegroeid zijn, dat zij de borst als met een harnas
+bedekken, en die later als pronk-erfstukken in de familie van moeder
+op dochter overgaan--eindelijk ook de sierlijk met roode draden
+afgezette en omgeboorde hemden, die op dergelijke wijze, ofschoon in
+de menigvuldigste modellen en variaties, bij alle Finsche natiën,
+tot zelfs bij de Samojeden, teruggevonden worden. Daar, in dat
+oude Finsche kernland, geldt ook nog het oude Finsche spreekwoord:
+"aan den hoorn den os, bij het woord den man", dat het vaste,
+eerlijke en tegelijk halsstarrige karakter der Finnen zeer juist
+aangeeft. Finsche eigenzinnigheid is bij de Zweden even als bij
+de Slawen spreekwoordelijk geworden, en deze hoekige stuurschheid,
+deze afstootende wijze van in zich zelven gekeerd te zijn, moet een
+grondtrek zijn, die in de geheele Finnenwereld opgemerkt wordt, want
+men zou verscheidene door Duitsche, Russische en andere schrijvers
+gemaakte beschrijvingen der genoemde Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken
+enz. kunnen aanhalen, die overal, ook bij deze stammen, "hunne schuwe
+ontoegankelijkheid, hunne onbuigzaamheid en eigenzinnigheid," als
+eene in het oog vallende eigenaardigheid opgeven.
+
+Ditzelfde is ook het geval met het den Finnen zoo algemeen
+toegeschrevene, "droefgeestige temperament." Zelfs de zich in
+Skandinavië met der woon gevestigd hebbende Finnen worden door
+de Zweden voor melancholici uitgemaakt, en zelfs de Russen, die
+langeren tijd onder de Finnen woonden--er bestaan midden in Finland
+eenige oude Russische gemeenten--"_hebben niet meer_" (zooals Rühs,
+een vroegere aardrijksbeschrijver van Finland, zegt) "_de Russische
+vroolijkheid_". Aan de melancholieke tint die zij gekregen hebben,
+herkent men hunnen omgang met de Finnen.
+
+Het is zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zulk eene droefgeestige
+tint, als grondtrek diep in de ziel van een volk zetelen moest, dat
+een vroege buit van ondernemende naburen geworden is, geen anderen
+strijd gestreden heeft dan den strijd van vertwijfeling, en nimmer
+vroolijke zegepralen behaald heeft.
+
+
+ Mijn ziel is zwart gelijk koolteer,
+ Mijn hart niet blanker dan houtskool.
+
+
+zoo klaagt een Finsch poëet in een gedicht.
+
+ Uit slechte tijden werd mijn hemd geweven,
+ Uit nijd en boosheid mijn hoofddoek gemaakt.
+
+
+zoo hoort men in een ander volkslied der Finnen, wier gedichten men
+bijna alle: "uitvloeisels van weemoedigheid en zwaarmoedigheid" zou
+kunnen noemen. Zelfs bij die, welke een vroolijker inhoud hebben,
+is zielesmart als omkleeding niet te miskennen:
+
+
+ "Harpan ar of sorgar bildad,
+ Och ut af bekümmer danad,
+ Kupan ut af harda dager.
+ Strängarne af smärter spunna,
+ Og af andra widrigheter,
+ Skrufvarna in harpens ända."
+
+
+ Mijn harp ontstond uit zorgen,
+ Uit verdriet werd zij geschapen,
+ In droeve dagen kreeg zij haar vorm,
+ De snaren zijn uit pijnen gesponnen
+ En de schroeven aan haar hals
+ Zijn uit ellende gedraaid.
+
+
+De liederen, die aan eene dusdanige Noordsche harp ontlokt werden,
+zijn droefgeestig en kunnen met die nevelachtige herfstdagen
+vergeleken worden, wanneer een zonnestraal slechts zelden door de
+wolken henendringt. Welk zwart treurfloers somwijlen het gemoed der
+Finnen omhult, wordt op zeer pikante wijze duidelijk in den inval,
+dien een hunner dichters in een lied bezingt. Daar hij zijn innerlijk
+verdriet, zijn aan zijn hart knagende "vogel des verdriets" niet kwijt
+kan raken, zoo komt hij op de gedachte hem in de zee te werpen. De
+gedachte komt daarbij echter bij hem op, dat zijne droefheid zich
+dan aan de vroolijke visschen zoude mededeelen, en dat zoodoende de
+geheele natuur zou kunnen aangestoken worden.
+
+
+ Alle visschen zullen treuren,
+ Op den bodem zakken baarsen,
+ Groote snoeken zullen barsten,
+ Pijnlijk sterven de forellen,
+ En de roodoog zal bedrukt zijn.
+ Ieder vischsoort zal vergaan,
+ Door de smart des diepbedroefden
+ Door des zwarten vogels woede.--
+
+
+Tot deze melancholie en tot die halsstarigheid der Finnen, heeft
+hun diep ingeworteld bijgeloof en hun sedert de oudste tijden bekend
+geloof aan wonderen, waarschijnlijk veel bijdragen. De Finnen gaan
+bij al hunne naburen door voor heksenmeesters. Zelfs in Stokholm
+wendt men zich tot de eerste de beste Finsche meid, als men meent
+eenige hulp uit het geestenrijk noodig te hebben. Hoe Noordelijker
+de Finnen wonen, des te grooter is hun roep te dien opzichte. Maar
+zelfs de beproefdsten onder hen gelooven, dat de Lappen hen allen nog
+verre overtreffen. Van een beoefenaar der zwarte kunst, die in zijn
+vak goed te huis is, zijn zij gewoon te zeggen: die is door en door
+een Laplander. In iederen vreemden dwarrelwind, meenen zij, huist eene
+Laplandsche heks. Evenzoo worden in het Oosten de daar wonende Finnen
+beschouwd als in die kunsten ver boven de Tataren verheven, en zoo
+ook gelooft men dat de _Noordelijk_ Samojeden weder de _Zuidelijke_
+Finnen overtreffen.
+
+Het is merkwaardig genoeg, dat de Finnen in hunne bijgeloovige
+gezichten en voorstellingen, en zelfs in de dit bijgeloof vergezellende
+verschijningen--de geestdrift--de vervoeringen hunner door de geesten
+bezielde toovenaars en in de daarbij op te merken gewoonten--met vele
+andere Noordsche volken eene groote gelijkheid in tooverformules en
+toovermiddelen verraden. De wonderdoeners der Finnen, de "Schamanen"
+der Tunguzen, de "Angeköko" der Groenlanders, ja zelfs de "Jongleurs"
+der Canadezen in Amerika, gaan bij hunne offerhanden en bezweringen
+allen naar de zelfde methoden en principes te werk.
+
+Daaruit zijn zelfs--dit moet ik hier nog opmerken--bij ver afgelegene
+volken geheel gelijksoortige benamingen, voor deze verschillende
+toovernaars ontstaan. Wijl de Canadasche "Jongleurs" de reliquiën,
+toovermiddelen, medicamenten en gereedschappen, die zij voor hunne
+bezweringen meenen noodig te hebben, in een van dierenhuiden
+vervaardigden zak met zich dragen, hebben de Franschen hun den
+naam, medicijn-zak-mannen of medicijn-mannen (_Gens de médicine_)
+gegeven. Omdat de toovenaars in Zweedsch Finland een dergelijken zak
+met zich dragen, hebben zij ook daar den naam "_Kockoromies_" dat is
+"zak-mannen" ontvangen.
+
+Er was en is nu gedeeltelijk nog door het geheele Noorden der wereld,
+van Amerika door Azië naar Europa, eene zekere godsdienstige wijze
+van beschouwing, die zich over een grootere aardruimte verspreidt
+dan zelfs het Budaïsme, en die men wellicht nog niet scherpzinnig
+genoeg onderzocht heeft, om bepaald te kunnen zeggen, of eene haast
+wonderbaarlijke gelijksoortigheid zich bloot psychologisch laat
+verklaren, of dat men daarbij tot de geschiedenis en ethnologie zijne
+toevlucht moet nemen.
+
+Even als bij de Indianen van Amerika en bij de Siberische volken,
+zoo vindt men ook bij de Finnen, de helft en het oudste gedeelte
+hunner nationale-poëzie, in hunne zoogenaamde "_toover-Runot_"
+(toover-gezangen). Vroeger was eene meer algemeene neiging voor
+de dichtkunst over het geheele volk verbreid, en zij verfraaiden
+daarmede ook andere zaken en verhoudingen van het leven. Ieder Finsch
+moeras-bewoner dichtte liederen en gezangen. Uitstekende dichters
+droegen bij hen den eerenaam _Runo-niekat_ (lieder-kunstenaars),
+en stonden algemeen in aanzien. Hunne poëzie bestond meestal uit
+lyrische gedichten, die zij _Runot_ (Runen) noemden.--Kort geleden
+is echter ook een groot episch gedicht uit het land der Finnen tot
+ons gekomen, het in korten tijd beroemd gewordene, uit niet minder
+dan 50 gezangen en 20,000 verzen bestaande heldendicht "Kalewala,"
+dat men de Finsche Edda of Iliade zou kunnen noemen.
+
+Dit gedicht schijnt sedert oude tijden, even als door de Grieken
+de verzamelingen van Homerus, door de Barden der Kareliërs, aan de
+Tawasten en Esthen voorgedragen te zijn, en lang in den mond des volks
+bestaan te hebben. De een kende het eene, de andere een ander gedeelte,
+weinigen het geheel. Enkele gedeelten werden reeds in de vorige eeuw,
+bij verschillende gelegenheden opgeteekend en door den druk aan het
+overig Europa bekend gemaakt. Maar eerst in nieuweren tijd heeft
+een ijverig Finsch geleerde, de zeer verdienstelijke Lönnrot, alle
+brokstukken van dit bewonderingswaardige gedicht, als de scherven
+van een fraai standbeeld, te samengebracht en het geheel onder onze
+oogen gebracht.
+
+Dit bijzonder merkwaardige Finsche heldendicht heeft zijn naam ontleend
+aan "Kalewa," den God van het gezang. "Kalewala" beteekent zooveel
+als: land van Kalewa of land van het gezang, waardoor Finland bedoeld
+wordt: "het schoone land, dat uit duizend zeeën de zon op haren loop
+vriendelijk toelacht."
+
+Het bezingt hoofdzakelijk de avonturen en krijgstochten van Kalewa, van
+zijn zoon Wainämoinen en de heldendaden van andere Finsche halfgoden en
+helden. Vele interessante schilderingen der oude tijden en zeden zijn
+daarin bewaard. De kruistochten dier Finsche helden gaan bijna allen
+naar het Noordland, "Pohjola" genoemd, waardoor Lapland bedoeld wordt,
+en daarbij is het meestal te doen om eene schoone Prinses te winnen,
+(even als het doel van den Trojaanschen oorlog Helena was) alsmede om
+de verkrijging van een zekeren kostbaren schat of talisman, "Sampo"
+genoemd, die in het Finsche epos ongeveer hetzelfde schijnt te zijn,
+als het gulden vlies in de sage der Argonauten, of de "Nibelungen-Hort"
+in het Duitsche nationale-heldendicht. Ook worden daarbij den
+helden dergelijke taak opgelegd of dergelijk werk gegeven, als aan
+Herkules bij de Grieken. Zoo moet b.v. de geweldige "Lemminkainen,"
+die in zekeren zin de Ajax of Achilles dezer Finsche Iliade is, het
+vuursnuivende ros van Heisi beteugelen, het vlugge hert van Pohjola
+opvangen, de zwaan, die op den vloed van Tuonela (de onderwereld)
+zwemt, dooden. Bij deze laatste onderneming wordt hij wel gedood,
+in stukken gehouwen en in de rivier der onderwereld geworpen, maar
+zijne moeder, die van de zon bericht ontvangt aangaande het lot dat
+haren zoon wedervaren is, haalt met eene lange hark alle stukken
+van het lijk haar zoons uit het water op, voegt ze weder bijeen,
+maakt hem met zalven en tooverspreuken weder levend, en reist met
+hem naar huis, om hem na eenige verzorging, tot het verrichten van
+nieuwe daden weder te laten vertrekken.
+
+Het is merkwaardig, hoe behalve het genoemde, ook nog verscheidene
+andere poëtische thema's en opvattingen in dit Finsche heldendicht
+voorkomen, die men ook in de gedichten der Grieken en andere volken
+aantreft. Zoo b.v. brengt Wainämoinen met zijn gezang de geheele
+natuur in verrukking, even als Orpheus zulks ook doet, en even als
+deze, verzamelt hij alle dieren des wouds om zich. Zoo betoovert
+hij de vijanden en doet hen door zijn spel op zijne "Kantele" (harp)
+inslapen, even als Oberon met zijn tooverhoorn.
+
+Over het geheel echter is de geest van het Finsche
+nationale-heldendicht veel zachter, dan die in de Oud-Noordsche sagen
+der Germanen, waarin het bloed bij stroomen vergoten wordt en al wat
+wreed en verschrikkelijk is, opeengehoopt is. Alle familie-verhoudingen
+worden er met bijzondere voorliefde in behandeld. Man en vrouw, ouders
+en kinderen, broeders en zusters, bruid en bruidegom, in een woord
+alle personen en gedaanten, waarin zich het huiselijk en zedelijk leven
+openbaart, worden er met de fijnste penseelstreken in afgemaald. Zeer
+merkwaardig is het slot van het gedicht. Het maakt aan het geheele
+avontuurlijke doen en streven een einde, door eene onberispelijke
+jonkvrouw "Mariatta" (Maria) te doen optreden. Zij is met haar pas
+geboren kind uit een ver land door den wreeden Koning Ruotas (Herodes)
+verdreven geworden. Zij gaat daarop naar "Tapiomäki" in Finland, waar
+zij in een stal wonen moet en haar kind in eene krib laat slapen. Toen
+zij wenscht het te laten doopen, verzet zich Wainämoinen, de Finsche
+God van het gezang daartegen, en beweert hij dat men, naar eene oude
+Finsche wet, den kleinen vreemdeling het hoofd splijten moet. Maar
+het kind, dat pas twee weken oud is, doet den mond open, spreekt
+met Wainämoinen, bewijst hem, dat hij eene valsche uitlegging aan
+de wet geeft, laat zich doopen en blijft met zijne moeder Mariatta
+in het land. Wainämoinen, hierover beschaamd en verschrikt, gaat in
+een koperen schip zitten en zeilt voor eeuwig weg naar het uiterste
+einde der wereld, terwijl hij zijne onvergetelijke gezangen en zijne
+"Kantele" aan de Finnen achterlaat.
+
+Het slot van het gedicht zou ons reden geven om te veronderstellen,
+dat het tijdens de eerste invoering van het Christendom in Finland,
+in de 13de eeuw, ontstaan is. Het is echter ook zeer goed mogelijk,
+dat alleen het laatste gedeelte van het gedicht toen ontstond, en
+dat zijne eerste, bepaald heidensche gezangen, reeds vroeger bestonden.
+
+De neiging en het talent voor de dichtkunst en wat daarmede samenhangt,
+zijn onder de Finnen ook nu nog niet uitgestorven. Bij de Esthen,
+even als bij de Tawasten, bij de Quänen, en ook wel bij andere
+Finsche volken, geldt nog heden ten dage het oude spreekwoord:
+"de dag wordt verlengd door den er bij gevoegden nacht, en evenzoo
+verdubbelen gezangen het karige maal," en nog tegenwoordig leeft
+bij al deze volken het verlangen, zich op de vleugelen der phantasie
+uit de treurige werkelijkheid op te heffen, een verlangen, dat in de
+schoone inleidende verzen van het zoo even vermelde gedicht Kalewala,
+zeer lief uitgesproken wordt, wanneer de dichter zingt:
+
+
+ Altijd ben ik vol verlangen,
+ En ik denk steeds naar behooren,
+ Om legenden in gezangen,
+ Of te zingen of te hooren.
+ Gouden broertje, is 't niet waar?
+ Ed'le metgezel in 't dichten!
+ Zelden spraken wij elkaar;
+ Laat ons in dit woeste land,
+ In deez' noordsche barre streken,
+ Plaatsen samen hand in hand
+ Gelijk men haak in haak zal steken.
+ Laat ons bezingen goede dâan,
+ En verhalen beste werken,
+ Dan hooren deze braven 't aan,
+ Deez geliefden zal dat sterken,
+ Ook deez' jeugd, die nu al opgroeit,
+ En dit volkje, dat vooruitgaat.
+ En men alzoo een ieder boeit,
+ Met dien zegen, met die weldaad,
+ Die men vindt in 't hooge Noorden
+ Bij Kalewala's barre oorden.
+
+
+Ter verklaring der toespraak in deze karakteristieke verzen, aan het
+"gouden broertje," aan den "ed'len metgezel" en "het plaatsen hand
+in hand, gelijk men haak in haak zal steken," moge deze opmerking
+dienen: de Finsche dichters improviseeren meestal twee aan twee,
+en zitten daarbij met in elkander geslagen handen knie aan knie,
+als aan elkander geketend, tegen elkander over. Terwijl de een
+zijne strophe zingt, bedenkt de ander wat hij antwoorden zal, en
+beiden herhalen daarna--terwijl zij op de maat voor- en achterover
+buigen--het laatste vers van hunnen "ed'len metgezel in het dichten."
+
+Dit zijn zeer merkwaardige en zeer in het oog vallende dichterlijke
+gebruiken. Ook eigent zich de Finsche taal uitstekend voor de
+dichtkunst; zij is uiterst melodieus en zeer klankrijk. Zelden komen
+bij haar twee medeklinkers en vele sissende en ruischende klanken,
+zooals in het Duitsch en Russisch, bij elkander, en de meeste woorden
+eindigen in eene volklinkende vocaal. Nooit komen bij haar zulke
+opeenhoopingen van consonanten voor als b.v. in ons "schelmsch,"
+of "herfststorm." Als harde Germaansche woorden door de Finnen in
+hunne taal worden opgenomen, dan ondergaan zij in hunnen mond een
+verfraaiings-proces. De korte Zweedsche naam "Olof" verandert tusschen
+hunne lippen tot "Wuolaba." Het harde Zweedsche "Konge" (Koning)
+maken zij tot "Kunigu." Ons "Petersburg," verzacht zich bij hen tot
+"Pietapori." Van ons "vaandrig" maken zij "wänteriki." De welluidende
+namen der bekende Russische meeren "Onega" en "Ladoga," ook die der
+"Newa," zijn van Finschen oorsprong. Hoe lieflijk klinken ook niet,
+de door mij reeds genoemde namen der zang- en luchtgoden "Wainämoinen"
+en "Ilmarinen."
+
+De Finsche taal heeft, als zij goed gesproken wordt, eene zekere
+deftige volheid. Zij is rijk aan tweeklanken en vocalen en is daarin
+wel met het Italiaansch vergeleken. Men heeft dikwijls verhaald,
+hoe een Russisch gezant uit Esthland eens aan het Spaansche hof,
+toen er van welluidende talen sprake was en men het welluidende van
+het Portugeesch, het Italiaansch en het Spaansch geciteerd had, de
+volgende Esthnische of Finsche woorden uitsprak: "_pois ssaïda tassa
+ülla sülla_," en den aanwezigen verzocht hem te willen zeggen tot welk
+genre zij den inhoud dezer woorden rekenden te behooren, Zij dachten
+dat het het begin van een episch of lyrisch gedicht was en stonden
+niet weinig verbaasd, toen de Noor hun den volzin vertaalde, die niets
+meer of minder beteekent dan: "hallo! domme knaap, rijd langzaam over
+de brug."--eene phrase, die men men op de slechte wegen dier landen
+zich dikwijls genoeg genoodzaakt ziet, den postillon toe te roepen.
+
+Dat de Finnen zelven ook in hooge mate overtuigd zijn van de
+voortreffelijkheid hunner taal, bewijst de oude sage van het koken
+der talen, die zij te pas brengen, en waarin zij zich en hunne taal
+als lievelingen van Wainämoinen voorstellen. Toen deze Finsche Apollo,
+zoo heet het in die sage, wenschte, dat de menschen zich op aarde in
+verscheidene nationaliteiten verbreiden en ieder volk zijne eigene
+taal hebben zou, plaatste hij op een hoogen berg een tooverketel,
+en maakte er een vuur onder aan, om de talen voor de volken, die hij
+bijeenriep, te kooken. De gehoorzame Finnen volgden de roepstem van
+hunnen God zoo spoedig mogelijk, en verschenen zelfs zoo bijtijds, dat
+Wainämoinen nog niet eens met zijne toebereidselen klaar was. Verheugd
+over hunne buitengewone stiptheid, zeide de God hun daarom, dat hij,
+daar de taalmassa nog niet goed door elkander gemengd was, hun, dezen
+Finnen, zijne eigene goddelijke taal wilde geven en dat zij op Aarde
+zijn eerste en uitverkoren volk zouden zijn. Hij liet hen, vereerd
+door deze tijding, naar huis gaan. De talen der andere later komende
+volken echter werden uit het sissen, ruischen, knetteren, flikkeren
+en uit het schuim van het taal-brouwsel in den ketel, gevormd.--De
+Italianen zelve hadden geen treffender satire op de harde en met
+consonanten overvulde talen der Germanen en Slawen kunnen uitdenken.
+
+Met den Wainämoinen, hunnen Musagetes, dien zij zich echter niet,
+zooals de Grieken, eeuwig jong en schoon, maar van zijne geboorte af
+met grijzen baard, wit hoofd, maar tevens met een jong hart, hooge
+wijsheid en dichterlijke geestdrift begaafd, voorstellen,--(het is
+zeer karakteristiek, dit moet hier nog ter loops opgemerkt worden, dat,
+terwijl de Hellenen zich alle Goden jong dachten, deze Noordsche volken
+zich de hunnen als oud en grijs voorstelden,)--met dien Wainämoinen
+zeg ik--houden zich, behalve het gedicht Kalewala, nog vele andere
+Finsche sagen en gezangen bezig, waarin verhaald en soms uitvoerig en
+dichterlijk beschreven wordt, hoe hij de Kantele, de Finsche cither,
+uitvond en vervaardigde; hoe hij aan de vogelen, aan de echo en de
+menschen de muziek leerde; hoe hij zelf zong, hoe hij door zijne eigene
+melodiën geroerd en in geestdrift ontstoken, dikke tranen schreide,
+die hem als dauwdroppels langs zijn baard vielen--en van den baard
+op de knie--en van de knieën in de zee--waar zij echte paarlen werden.
+
+Ook de indrukken der natuur, de moeder van alle wezens, aan wier
+boezem deze stille volken zich zoo veel inniger vastprangen dan de naar
+heldendaden beluste, politieke en gezellige natiën van het _Zuiden_,
+waaraan zij zich voor de over hen heen bruisende stormen verbergen,
+vinden bij hen in die sagen en gezangen hunne zuiverste uitdrukking.
+
+Het gemoed dezer eenzame, over uitgebreide streken spaarzaam
+verstrooide kinderen van het Noorden, gevoelt zich sterk aangetrokken
+tot den omgang met de natuur, en dicht aan alles, zelfs aan de
+geringste voorwerpen, ziel en leven, gedachte en taal toe. De Finnen,
+zooals ook hunne naburen, de Letten, beiden door de menschen zoo
+dikwijls mishandeld, zoeken hun troost in vertrouwelijke gesprekken
+met vogels, visschen en andere dieren, met bloemen en boomen, ja,
+met rivieren, meren en vijvers. Uit de, ieder mensch ingeschapene,
+behoefte en zucht naar gezelligheid, die zij, omdat bij hen de menschen
+zoo dun gezaaid zijn, zelden bevredigen kunnen, knoopen zij zelfs met
+boomstronken, steenen en granietblokken, die zij dikwijls aanspreken,
+eene dichterlijke vriendschap aan. Waar en bij welke gelegenheden
+zij nog heden ten dage hunne liederen componeeren en zij zich die
+over en weer overleveren, daarvan geeft weder de dichter van hunne
+Kalewala zelf, de trouwste schildering in een soort van inleiding,
+waarin hij op zeer aardige en naïve wijze allegorisch aangeeft,
+op welke wijze hij zijn schat van sagen samenbracht:
+
+
+ Vader leerde mij er menige,
+ Als hij zich een bijlsteel kapte:
+ En mijn moeder ook nog sommige,
+ Als zij aan haar spinwiel trapte.
+ Velen heb ik ook vernomen,
+ Zoo al gaande langs den weg,
+ Of ook zittend onder boomen,
+ In de hei of bij een heg,
+ Of wel midden in het groen,
+ Of al loopende in de wei.
+ Voorts als herder heb ik toen
+ Op heuvels vol van bosch of hei,
+ Op schoone bergen, ongestoord,
+ Vele liederen ook verzonnen,
+ Vele sagen ook gehoord.
+
+
+Even als de natuurschilderingen, zoo speelt vooral ook de liefde in
+die Finsche volksgedichten eene groote rol. Ouder-, kinder-, broeder-
+en zusterliefde, riepen bij hen een gedeelte der bekoorlijkste lyrische
+producten in het leven. Eene zuivere, diepe en hartelijke innigheid
+ligt in hunne liefdeliederen. Zoo, om een uit duizend voorbeelden te
+nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart
+over de scheiding van haren geliefde uitspreekt:
+
+
+ O! beste vriend, hoort gij 't wel.
+ O! hartelief, merkt gij 't wel!
+ Als ik zingend om u klaag?
+ Scheiden moeten wij van daag!--
+ Wachtend moet ik naar u uitzien
+ Schriklijk ver trekt g'hier van daan!
+ Ik blijf terug bij vreemde lien,
+ 't Is wel hard zoo weg te gaan.
+ Pijnlijk is--het afscheid geven,
+ Smartelijk tevens het vertrekken,--
+ Altijd blijf ik met u leven:
+ Altijd zie ik uwe trekken
+ Droomend, etend, zonder falen!
+ Kunt g' de mijne voor u halen?
+ Zullen w'elkander wedervinden?
+ In 't dal of bij de linden?
+ Bij den oever of in 't gras?
+ In het koren, onder bloemen?
+ Of als 't in den hemel was?
+ Of bij vaders schoone bloemen?
+ Ja! daar vinden wij elkaar,
+ Om te sâam altijd te leven.--
+
+
+Wel komt men bij de kennismaking van zulke liederen in de verzoeking,
+het gevoelen van een beroemd kenner en beminnaar der Finsche poëzie
+te beamen, wanneer hij, vol geestdrift over zijn onderwerp, beweert,
+"dat de echte innerlijke gloed en sterkte van gevoel niet in het warme
+Zuiden, maar in het koude Noorden bij de Finnen te huis behoort,
+en dat den Noorschen literator, alles wat hem van Zuid-Europeesche
+volken-stammen ter oore komt, in vergelijking met dergelijke producten
+van het Noorden, koud moeten toeschijnen."
+
+Eindelijk zijn de Finnen, even als de Arabische Bedouïnen, groote
+vrienden van woordspelingen en poëtische aardigheden. Hunne taal en
+literatuur zijn zeer rijk aan spreekwoorden.--Een Duitsch geleerde
+heeft kort geleden onder de Finnen aan het meer Peipus, bij Dorpat en
+in verscheidene deelen van Esthland, eene menigte merkwaardige Finsche
+spreekwoorden bijeen verzameld, en eenige uit deze verzameling,
+die ik hier wil mededeelen, zullen voldoende zijn, om zoowel de
+scherpzinnigheid als den wijsgeerigen geest dezer menschen, te doen
+uitkomen:
+
+"Eerst zaaien, dan maaien."
+
+"Zit het geluk met iemand in het schuitje, dan behoeft hij niet naar
+het kompas te zien."
+
+"De man schudt de dobbelsteenen, het geluk geeft de oogen."
+
+Aan een zeer zwijgzaam mensch: "Spreek toch zoontje, de lippen vallen
+u immers niet af."
+
+Aan de grootsprekers: "Ook de hoogste berg kan niet boven zijn top
+uitsteken."
+
+In plaats van ons: "paarlen voor de zwijnen" zeggen zij: "geeft den
+ezel rozen, hij verlangt naar distels."
+
+"De gierigaard zou wel eerst den molen en dan nog den wind willen
+verkoopen."
+
+"Die een ongeluk houden moet, die zal ook wel den spiegel breken,
+als hij er maar in ziet."
+
+"Voor de gelukkigen zijn de bergen vlakker, dan voor de ongelukkigen
+het dal."
+
+"Braad den beer niet, voor gij hem geveld hebt."
+
+"Dank God voor het stroo, als Hij u het koren ontzegd heeft."
+
+"Dien runderen ontbreekt, die prijze zijne kat."
+
+"Spring niet, voor gij bij de sloot komt."
+
+"Wie bij windstilte slaapt, moet bij storm roeien."
+
+"Ook de slimste slang, zal het nooit zoover brengen, dat zij rechtop
+loopt."
+
+"Ver klinkt het klokje der vromen, maar nog veel verder het woord
+van den booze."
+
+"Die zonder reden boos is, verzoent zich zonder zelfvoldoening."
+
+"Ver _ziet_ de verstandige, maar verder nog _denkt_ hij."
+
+"De tijd vraagt niet naar den man, als de man niet naar den tijd
+vraagt."
+
+"Heeft de muis tijd tot geeuwen, als hij reeds in den bek van de
+kat zit?"
+
+Wanneer bij een volk een schat van levenswijsheid gevonden wordt,
+waarvan het opgegevene slechts enkele proefjes zijn, dan mag men met
+recht beweren, dat niet moreele zwakte en slechtheid, maar alleen
+gebrek aan politiek verstand en aan staatkundige degelijkheid, zijn
+treurig lot heeft teweeg gebracht.
+
+Ook de woordspelingen en raadsels, waarop de Finnen zich, ter oefening
+van het verstand, zoo gaarne toeleggen, zijn zeer origineel.
+
+Het ei wordt daarin bestempeld als een "tonnetje met tweeërlei bier,"
+een sluitkool als "een klein, rond, rimpelig vrouwtje, die haar hoofd
+in honderd doeken gewikkeld heeft." "De vader is nog niet geboren en de
+zoon zit reeds op het dak" beteekent de rook, voor dat de vlam nog te
+zien is. "Een rood hondje blaft door eene uit beenderen vervaardigde
+heg," is de booze tong tusschen de tanden. "Zij hebben geene voeten
+en loopen toch tot aan het einde der wereld," dat zijn de wolken,
+de schippers der lucht.
+
+Slechts vluchtig kon ik hier op al deze interessante en karakteristieke
+dingen wijzen, die men overigens ook tot nu toe, nog slechts in hare
+bijzonderheden bij twee Finsche volken, bij de veelbesprokene Esthen
+en bij de Finnen in Finland, meer en détail nagegaan heeft.
+
+Waarschijnlijk echter zijn deze raadselen, deze spreekwoorden,
+die lyrische "Runot," even als de Wainëmoinen, sagen en gedichten,
+tot hoog in het Noorden, door alle heide-, bosch- en moeraslanden der
+Tscheremissen, Wotjäken, Wogulen en Samojeden verspreid, en daar al die
+zaken gedeeltelijk met zeer oude heidensche mythen in verband staan,
+zoo is het eveneens waarschijnlijk, dat ook de vroeger genoemde nu
+verdwenen Koeren, Liven, Wessen, Mezen en andere talrijke verdwenen
+Finnen-stammen, van welke ons niet eens de naam overgebleven is,
+door een dergelijken geest bezield zijn geweest, en dat dus, als ik
+over eene onder onze voeten verdwenen Finnen-wereld sprak, daaronder
+niet alleen verwoeste paalwoningen, visschershutten en "rookkamers"
+verstaan moeten worden, maar ook, wat nog belangrijker is te vernemen,
+een geheel rijk van oorspronkelijke gedachten, eigendommelijke sagen,
+mythen, gedichten, zeden en gewoonten, over wier bouwvallen wij
+nu wandelen.
+
+
+
+
+
+DE JODEN.
+
+
+De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en
+overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de
+volgende wijze:
+
+Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000
+jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den
+Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen
+Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam,
+zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en
+de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden,
+noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige
+Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van
+den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van
+het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren
+over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche
+Zee verspreid.
+
+Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en
+gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen
+te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend
+man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden
+geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden
+en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij
+verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke
+voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn
+stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof,
+zekere plechtigheden of eene soort doop in.
+
+Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot
+een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige
+secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig
+en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de
+andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen
+eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar
+het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische
+godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de
+hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten
+over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de
+overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen,
+als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid
+neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld,
+en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook
+afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen
+langzamerhand een eigen physisch _type_, eene afzonderlijke taal,
+andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen
+en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige
+overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten,
+(Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat _eerst_
+den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving,
+omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden.
+
+Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want
+langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte,
+als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan,
+en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door
+de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk
+weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte
+en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste
+plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch
+vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te
+vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij
+zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar
+het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop
+het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van
+Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij
+verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na
+de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en
+legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken,
+die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in
+het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na
+Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever,
+ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand
+waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was
+de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham,
+en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene
+zeer eigenaardige grondstellingen.
+
+Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere
+krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en
+namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche
+tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten
+gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al
+ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans,
+onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en
+Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische
+volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een
+groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en
+westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en
+Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende
+met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in
+den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe
+en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische
+werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen
+van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich
+beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering
+dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift
+ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur
+den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd.
+
+Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het
+volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet
+lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het
+leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde
+volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid
+terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid
+genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin
+het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds,
+maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich
+hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar
+zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou.
+
+Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in
+dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige
+twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den
+ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat
+bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande
+de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit
+Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God
+in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij
+voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen
+van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze
+naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij
+de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor
+Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte
+begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet.
+
+Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen,
+die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou
+uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de
+geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of
+de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de
+hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste
+stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in
+het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk
+gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug,
+toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof
+gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel
+te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des
+volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder
+hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat
+van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen)
+zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost
+hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs
+van nu af aan _Joden_.
+
+De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet
+met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden
+van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de
+vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door
+de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen
+benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der
+mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen
+hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten
+tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort,
+den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen.
+
+Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische
+verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate
+verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer
+aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden
+bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid.
+
+Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren,
+die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds
+eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun
+nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten
+door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo
+ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De
+Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook
+met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang
+de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd
+ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij
+met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde
+verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren
+bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen
+in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun
+moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken
+verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen
+en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie
+of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven,
+bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te
+ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke
+onder verscheidene volken verstrooide volkplanters _moeten_ daarom, zeg
+ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen,
+waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor
+den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook
+bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na
+hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en
+Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren
+tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten
+gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid
+werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen
+een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen
+godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin
+eigen te maken.
+
+Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe
+alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters
+en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is,
+de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer,
+noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap
+toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten
+diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook
+zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest
+om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen,
+nederzettingen en de stichting van factorijen.
+
+Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische
+monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun
+vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden
+Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in
+de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja,
+dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang,
+waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China
+binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus
+geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden
+de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner
+moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen
+en stadhouders hebben weten op te werken.
+
+Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en
+Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen
+betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden
+den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet
+reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne
+handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen
+dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel
+Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk,
+dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en
+Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land
+Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa
+zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van
+zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst
+de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het
+Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel
+eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan,
+leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken
+de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de
+groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het
+door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus,
+waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en
+van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar
+uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika
+heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich
+verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en
+zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika,
+waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien
+in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië,
+eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen,
+dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in
+grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan
+de poorten van Europa werden vooruitgeschoven.
+
+Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen,
+zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de
+opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën,
+nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners
+der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog
+eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den
+strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne
+nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw
+v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel
+overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders
+en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd.
+
+De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift
+voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van
+buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei
+opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun
+heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de
+onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld
+waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de
+overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde,
+de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten
+waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel,
+zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone
+energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de
+verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde
+Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus
+leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang,
+de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens
+overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en
+huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder
+op nieuw, met bewondering voor hen, en _moest_ vooral bij hunne in
+het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer
+versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield,
+hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en
+hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van
+eigenwaarde inboezemde.
+
+De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr.,
+en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden,
+en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus,
+moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle
+Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit
+hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en
+deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats
+der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma
+tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter
+eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia"
+zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd.
+
+De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde
+akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht
+en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog
+overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar
+het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter
+van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche
+heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen
+tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze,
+door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de
+wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen
+toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer
+gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en
+Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden
+met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië,
+Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de
+Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken.
+
+De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne
+provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk
+lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot
+op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje
+geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst,
+zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht
+toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien,
+betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus,
+is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch
+stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat
+de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere
+volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke
+trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken,
+waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige
+voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij
+ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke
+kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der
+Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige,
+altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke
+menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het
+voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers,
+schrijvers en volk.
+
+Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid,
+die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig
+ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne
+Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden
+geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen
+vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen
+was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche
+volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van
+vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het
+eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld
+verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst
+verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven,
+als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de
+aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander
+staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen
+elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge
+grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest
+ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden,
+overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de
+Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen
+de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde
+der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen
+tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige
+vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer
+verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en
+Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden
+ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk
+gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden
+afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij
+zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden.
+
+Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der
+Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde,
+onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over
+de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het
+Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal
+echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de
+overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame,
+moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de
+deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking
+en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten
+zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd;
+over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander
+bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke
+geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen
+heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der
+volksverhuizing heen.
+
+Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude
+kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten
+deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal
+en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der
+West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door
+hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig
+maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk
+leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische
+[7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden
+daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het
+einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan,
+vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van
+het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest
+ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij
+zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne
+kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te
+worden opgevoed.
+
+Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij
+bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door
+de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer
+verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra
+weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in
+aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het
+toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij
+waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting,
+beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten,
+stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter
+zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de
+wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters
+waren geboren Joden. De grootste der _Arabische_ geleerden in Spanje,
+de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche _Joden_,
+de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten
+en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door
+laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu
+nog onledig, even als wij met die van Aristoteles.
+
+Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon
+om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette
+landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook
+eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit
+hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet,
+deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te
+verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich
+het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders
+geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den
+nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden
+in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid,
+dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander
+stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders
+in beide legers zulks verlangden.
+
+Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden
+gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland,
+wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die
+somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons
+de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door
+Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief
+het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal
+tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de
+ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en
+schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe
+verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder
+de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis
+behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders
+geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen
+moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De
+geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand
+boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige
+vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje
+soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom
+aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot,
+nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren,
+dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren
+en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel
+te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het
+geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken
+langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke
+en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar,
+waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495),
+Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten.
+
+Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de
+Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf
+de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf
+hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche
+Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen
+van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller
+en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij
+verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn
+wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel
+aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare
+kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het
+Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een
+tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche
+Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden,
+doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden
+ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten
+getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich
+nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand
+vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende,
+doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen,
+die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten
+zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux
+en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en
+tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid
+voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later
+naar Hamburg en andere Noordsche steden.
+
+Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het
+Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal
+hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land
+hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak
+van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche
+Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene
+edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene
+onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten
+gehad hebben.
+
+In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden
+nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche
+schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen,
+in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij
+maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen
+overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig
+bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als
+afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette,
+ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk
+van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de
+belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe
+meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en
+der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming
+der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen
+vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk
+zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden,
+en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen
+zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden
+zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan
+eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande
+Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard;
+zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven
+hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere
+keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot,
+die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De
+Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als
+over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne
+synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche
+synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien
+tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens
+weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het
+eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden
+somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk
+gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene
+naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij
+in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te
+verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk
+als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar
+het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort
+den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land,
+dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren,
+slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten
+eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die
+zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen
+genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit
+op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden,
+in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal
+diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed
+in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan
+hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel
+onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar
+1394 voor altijd uit Frankrijk verbande.
+
+Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk
+ XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder
+Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier
+zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en
+deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land
+gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche
+politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen
+grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel
+met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend.
+
+Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche,
+want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het
+Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de
+Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij
+verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie
+en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot
+het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de
+Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der
+kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd,
+dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte
+gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de
+veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling,
+dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten
+ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon,
+niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke
+onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te
+wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met
+schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner
+ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo
+ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge
+der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en
+Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer
+te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en
+zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven,
+begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren,
+en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer
+wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere
+landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men
+heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende
+vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel
+gevolg gewerkt.
+
+Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige
+Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in
+hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig
+maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer
+verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden
+te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië,
+zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich
+beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in
+Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in
+alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene
+beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche
+heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even
+goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote
+vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers,
+schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek)
+onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet
+gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun
+in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet,
+dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij
+geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde.
+
+In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met
+alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel
+van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten
+tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne
+ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden,
+en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden,
+werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen
+bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij
+hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd,
+even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven.
+
+Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en
+ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste
+bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de
+zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini"
+(de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het
+armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden
+echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de
+regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd
+en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie
+beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder
+gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare
+muren toegelaten.
+
+In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met
+betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte,
+door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig _Italia Unita_
+zal daar echter ook wel beter voor zorgen.
+
+Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in
+Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen
+in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op
+schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van
+een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden
+zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als
+eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen
+en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het
+Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze,
+dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden,
+uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in
+gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene
+landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der
+volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar)
+meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en
+daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte
+in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in
+alle kreitsen en marken van Duitschland te huis.
+
+Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste
+gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders,
+gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa,
+en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland,
+van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne
+buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche
+roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten
+beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden,
+deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij
+waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben,
+zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden,
+zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De
+kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan
+den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen
+Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van
+Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde
+Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne
+synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan
+den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner
+heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten
+waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone
+verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug,
+als onweder en hagelslag in den loop van het jaar.
+
+Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten
+in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de
+en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging
+der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar
+Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer
+gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds
+vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met
+het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische
+steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor
+de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren,
+dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen,
+overal de Duitsche taal heerscht.
+
+Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen
+van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het
+Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig
+gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar
+noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken
+souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats
+verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord
+was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje,
+door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog
+altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk
+Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter,
+zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de
+uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden.
+
+Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen
+aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het
+grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan
+den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van
+buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige
+hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij
+hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom
+zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat
+bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche
+Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar
+haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden,
+dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden
+in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in
+Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs,
+niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting
+vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen
+van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde
+stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen
+in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en
+kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan
+hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand,
+die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het
+zich zelf niet verwoesten.
+
+De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche
+adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden,
+en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen
+zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen
+eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten,
+deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde
+geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen
+geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de
+onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om
+dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan,
+en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de
+geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen.
+
+Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom
+uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens
+allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook
+daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden,
+als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen
+van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche
+element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der
+Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden
+zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers.
+
+Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen,
+de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige
+Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en
+10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land
+binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij
+zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het
+Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000,
+afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen,
+en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir
+verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen
+Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de
+Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze
+oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als
+in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden
+der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en
+later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De
+Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze,
+met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver
+hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar
+de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat
+ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds
+van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de
+Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen
+en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat,
+die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en
+kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even
+verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van
+Ferdinand en Isabella.
+
+De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen
+hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde
+verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als
+inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische
+landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden,
+gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen
+teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het
+gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven
+is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den
+Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben,
+dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken,
+waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen
+bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich
+voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden,
+die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf,
+hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen.
+
+In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer
+merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden,
+namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere
+"Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het
+optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich
+ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de
+wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje,
+naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op
+Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in
+Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze
+Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de
+Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van
+den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op
+den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een
+Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook
+het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is
+"de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij
+van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der
+talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en
+wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de
+oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere
+mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich
+de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden,
+zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een
+afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner
+broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït
+wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen
+en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke
+en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen
+de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover
+de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename
+eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun
+slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn,
+en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste
+verzacht worden.
+
+Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo
+vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland
+gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende
+Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms
+Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen
+dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene
+eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar,
+waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal,
+eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook
+_Denemarken_ voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene
+schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige
+steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar
+zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. _Zweden_ heeft--eerst
+sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en
+Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog _Zwitserland_ genoemd worden
+als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad
+hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig
+Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden.
+
+Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa
+door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook
+gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer
+weinig getrokken.
+
+In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke
+Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet
+vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de
+Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest,
+als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het
+ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het _Rijk der
+Osmanen_.
+
+Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet
+in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij
+toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de
+hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in
+zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de
+nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden
+jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora,
+het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden
+geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de
+kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat,
+getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in
+Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis
+van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver,
+"is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom,
+eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene
+Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de
+Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als
+ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood
+tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten
+in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging,
+in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa
+een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als
+eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering
+van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden
+van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen,
+voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp"
+der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije,
+waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn,
+in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch
+sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche
+Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in
+Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den
+Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was.
+
+Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij
+dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij
+stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de
+kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met
+de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van
+Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met
+hen. Ook zijn in den _nieuwen_ tijd de in Turksche steden opgehoopte
+Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling
+hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude
+vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte
+der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner
+vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort.
+
+Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen
+nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende
+banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en
+leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven
+der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen;
+het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de
+_emancipatie der Joden_, een vraagstuk, dat echter eerst sedert
+de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij
+gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de
+diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden,
+oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen
+vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd
+worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars
+van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen
+en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich
+beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk _nooit_
+begaan hadden.
+
+Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men
+hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in
+Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken
+op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel
+blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator)
+had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde
+klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot,
+had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had
+bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering
+van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote
+geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen
+afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de
+eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de
+Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig
+aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen
+met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden
+enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het
+Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk
+der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed,
+zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens
+een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan
+heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den
+Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk
+Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren
+aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele
+Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel"
+gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als
+zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen,
+over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij
+hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het
+parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte
+ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij
+verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest
+dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste
+horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de
+marktpleinen bij groote hoopen verbrandden.
+
+Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen
+noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich
+tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette
+hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood,
+of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als
+vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich
+den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren
+laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke
+den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver
+van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene
+helden der geschiedenis vergelijken."
+
+Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel
+uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden
+gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna
+ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot
+de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's,
+als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land
+bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om
+het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen
+hadden de Joden geen ander grondbezit, dan _het plekje grond_, waarop
+zij hunne dooden begroeven, hunne _begraafplaats_. Bij de wreedheid
+voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als
+wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de
+rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar
+op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een
+rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang
+de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan
+liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij
+zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In
+de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte
+bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden,
+op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te
+ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid
+nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan
+der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den
+grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in
+grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die
+zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen.
+
+Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden,
+overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken
+der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië
+"_Ghettis_," in Spanje "_Juderias_" noemde, die op Christelijke Zon-
+en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens
+gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de
+poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke
+vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele
+andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan
+heeft. In die _Ghettis_, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts
+onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij
+met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren,
+en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel
+zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden
+zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid,
+christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge
+afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo
+zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden
+in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de
+genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit
+ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al
+stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend
+over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men
+bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over
+hun geheele zijn uitgespreid." _Misschien zeer waar, mijnheer! maar
+zeker zeer natuurlijk_!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher
+zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der
+midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang
+met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene,
+ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden
+bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren,
+was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en
+bekrompen van geest werden?
+
+Het _Jodendom_ zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste
+onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover
+zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel
+putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen
+van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen
+toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers
+voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand
+òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen
+is, uit die _Ghettis_ niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen
+sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar
+hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of
+beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het
+_eenige_ bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen
+zich niet _mochten_ toeleggen, op de geringste en verachtelijkste
+handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst
+beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood
+gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars
+van het werelddeel worden of blijven.
+
+Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij
+er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden
+zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij
+zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als
+kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven
+eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der
+heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij
+maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare
+zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene
+welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in
+hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld
+heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag
+te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden,
+wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren,
+toch niet anders _worden_ konden dan zooals zij zijn.
+
+Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk,
+waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden
+aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar
+zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk
+ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun
+duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun
+vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit
+verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden
+van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen
+zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende
+godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en
+Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid
+opgekomen en weder verdwenen. _Het geloof der Joden_ alleen, heeft zich
+onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd
+en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te
+houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale
+zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en
+de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke
+eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband,
+verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige
+eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten
+te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het
+noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest
+kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren.
+
+Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder
+verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele
+eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne
+monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails
+volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen
+zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde _Ghettis_, met de Prinses
+onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die
+schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als
+door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van
+den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de
+Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen
+uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik
+ II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon,
+deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der
+Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken,
+voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als
+nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten
+en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht
+ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds
+groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van
+het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene
+uitstekende vernuften geleverd heeft.
+
+Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza,
+de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende,
+zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier
+onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd
+worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere
+en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een
+Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland
+geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der
+Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al
+hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De
+Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer
+is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als
+geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor
+staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond
+groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde
+gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten
+zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten
+der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen
+geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de
+rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis
+ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der
+emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer
+parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in
+Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige,
+vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien.
+
+Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de
+lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren,
+dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de
+componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten
+te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen,
+waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek
+behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler,
+tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu,
+sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument
+te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed,
+in verrukking hebben gebracht.
+
+Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied
+der _beeldende_ kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd
+geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne _beeldende_
+kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend
+werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht,
+maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder
+anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere
+werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben
+de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices,
+die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest
+bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten
+der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden.
+
+Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende
+gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien,
+laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te
+zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen
+de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten,
+weg te nemen.
+
+Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad
+van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde
+Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen,
+waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en
+plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit
+van een vaderland toegelaten zullen worden, in _ieder_ land aan te
+geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven
+gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die
+dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft,
+dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken
+zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der
+Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar
+het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen
+voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld
+heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische
+slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede
+onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer
+bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden.
+
+
+
+
+
+DE ARMENIËRS.
+
+
+De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste _grootendeels_
+ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in
+Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel,
+even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk
+nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen,
+na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene
+beschouwing der Armeniërs overgaan.
+
+Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus,
+is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den
+heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong
+van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten
+aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van
+het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De
+geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid
+en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader,
+die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen
+binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou
+hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land
+door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.
+
+Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische
+nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst
+ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van
+Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen
+werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige
+en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden,
+een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische
+harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk
+door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of
+Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even
+als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen
+machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd,
+of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit
+treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij
+dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft
+hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even
+als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.
+
+Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen
+zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner
+berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden
+zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die
+zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben,
+even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks
+20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.
+
+Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter
+verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich
+ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid
+hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar
+ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de
+zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd
+en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken
+van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden
+en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog
+verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later
+heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het
+Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis
+ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.
+
+Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders,
+reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds
+met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers
+verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs,
+die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren
+geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche
+steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen
+waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen,
+en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.
+
+Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot
+ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het
+Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en
+West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische
+gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de
+eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische
+Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden
+ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben
+zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van
+Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten
+hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken
+aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun
+eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan
+hunnen ouden speculatieven zin.
+
+Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in
+Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden
+rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook
+naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien
+nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren
+in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen
+van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.
+
+De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel
+Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar
+Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden,
+Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden
+behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van
+tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van
+Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde
+rol spelen.
+
+Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen,
+dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne
+handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij
+de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de
+provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De
+handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in
+hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars
+der Turksche hoofdstad.
+
+Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich
+vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië
+en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad:
+"Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die
+handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt
+de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond,
+en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de
+groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten
+en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun
+vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn
+overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters,
+vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls
+rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije,
+Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen
+adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even
+als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche
+afkomst aantrof.
+
+In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het
+meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder
+de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen
+de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen
+de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van
+het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral
+Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in
+het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en
+door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk
+verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke
+landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in
+Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten
+getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder,
+en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen
+handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen
+hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere
+zijde even ver Rusland in.
+
+Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van
+zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de
+Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs
+ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen
+de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele
+scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw
+vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering
+van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus
+naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan,
+van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten
+zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en
+wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en
+zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad
+aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw,
+nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit
+der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën
+tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.
+
+Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een
+aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte
+ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het
+beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der
+Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede
+werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten
+naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als
+officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen
+adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van
+Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven
+Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong.
+
+Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk,
+zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk
+niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in
+Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van
+Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar
+1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en
+door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een
+door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en
+opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster
+van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van
+Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw,
+van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.
+
+Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid,
+hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou
+en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot
+zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden
+overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal
+eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland
+en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na
+de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den
+bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en
+kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden,
+boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen
+van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de
+geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs
+steeds innig samenhing.
+
+De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als
+hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige
+consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin
+vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders,
+de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten
+een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken,
+een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte,
+melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel
+van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot
+welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk,
+gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en
+Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de
+Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter
+niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te
+rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen
+beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens
+anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval
+op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst
+in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs
+met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en
+Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en
+taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen
+en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon
+in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend
+verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele
+Turksche en Arabische _woorden_ ingedrongen zijn, maar ook zelfs de
+geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der
+taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.
+
+Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs,
+stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken
+kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van
+menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij
+donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en
+hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen,
+de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer
+alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen
+even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde
+familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs
+in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo
+hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals
+de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de
+Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst
+dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider
+volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst
+met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden
+bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden,
+dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst
+geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden,
+en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van
+de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel,
+geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een
+zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden,
+eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is
+bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin,
+vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één,
+en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft,
+onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf,
+komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie
+geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à
+vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60
+jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de
+achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs
+den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band
+is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken
+van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden
+genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek"
+dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij,
+die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne
+"Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar
+omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij
+hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te
+danken hebben.
+
+Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken,
+als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders
+bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan
+als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat
+zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en
+voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens
+een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit,
+dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel
+toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten
+op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede
+kunstenaars en fabrikanten.
+
+Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten
+en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en
+drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij
+zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk
+zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst
+berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij
+zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden
+hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij
+koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten
+voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken
+strevenden zin, geen geestdrift _pour l'honneur_! Zoo lang hunne zaak
+goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn
+zij door de Turksche Ulema's ook wel de "_paarlen der ongeloovigen_"
+genoemd geworden.
+
+Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een
+millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel
+zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons
+Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en
+waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.
+
+
+
+
+
+
+DE ZIGEUNERS.
+
+
+De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist
+hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met
+uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door
+het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken
+hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen,
+die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt,
+hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel
+verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der
+volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen,
+die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende
+dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een
+onweder en verdwenen als een nevel.
+
+Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren,
+dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de
+strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard
+niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in
+weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve
+heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht
+machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht.
+
+Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze
+vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch
+hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene
+woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne
+takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor
+ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde
+aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de
+altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door
+de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs
+tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en
+hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks
+geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd,
+zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de
+Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal
+binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor
+ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben
+zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze
+akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En
+toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste,
+dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij,
+die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen
+het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte
+der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en
+politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte
+geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië,
+als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin
+der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook _vóór_
+dien tijd niet ontbroken.
+
+Men zegt, en dit is wel de _waarschijnlijkste_ onder de vele hypothesen
+over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners,
+dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en
+zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden
+der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen,
+zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken
+zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur
+en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden,
+de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit
+alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste
+kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar
+die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in
+rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste
+zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam,
+voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in
+het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen
+lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben
+te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus,
+het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun
+beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In
+den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij
+niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt
+men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.
+
+Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der
+Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der
+maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht
+worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken,
+buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten
+in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die
+niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en
+scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der
+rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg,
+in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.
+
+Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden
+hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen
+godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat
+andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van
+den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en
+daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden
+zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met
+het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot."
+
+Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden
+zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de
+lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij
+eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor
+den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische
+danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende
+klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.
+
+Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles,
+wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op
+onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de
+Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien
+verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag
+gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen
+afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse,
+dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.
+
+De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het
+schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan
+op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor
+zooverre ons bekend, _nooit_, of ten minste nooit in aanzienlijken
+getale, _voor_ dien inval der Tataren het land uit. Noch den
+overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote,
+noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere
+naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende
+beweging gesteld te hebben, ofschoon wel _eenige_ sporen, die wij
+reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van
+het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende
+volksverhuizingen wijzen.
+
+Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde
+der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden,
+op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in
+zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de
+vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke
+wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen
+bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de
+inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten
+plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om
+weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen
+van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk
+kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij
+ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een
+der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind"
+schijnen ontleend te hebben.
+
+Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de
+Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het
+land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken
+gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de
+Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten
+zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners,
+wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden
+naam schijnen te zijn.
+
+Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de
+Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte
+van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot
+naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en
+langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door
+de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.
+
+Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren,
+golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk,
+zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove
+wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden
+waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door
+opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië
+betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk
+behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427,
+de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding
+gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen
+de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats
+der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden
+aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte
+waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren,
+en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en
+menige almoes.
+
+Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met _de zelfde_
+klachten en vertellingen als _daar_, "een onbeschaafd, zwart, vreemd,
+woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt,
+waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere
+Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg
+alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van
+ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte
+tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau
+in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd
+hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij
+ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook
+de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op
+de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland
+en Skandinavië zijn niet _zeer_ lang daarna de jaarboeken des lands
+vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver
+schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen
+en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere
+ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa
+heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen
+hen nog op de hielen.
+
+Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims
+uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de
+oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij
+Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en
+zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit
+den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van
+dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben,
+waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande,
+deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo
+lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en
+boete duren zouden, _eene boete_, die hun opgelegd was geworden
+als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus
+op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd
+hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal
+den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding
+door de Christenheid bevorderd hebben.
+
+Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk
+alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en
+in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en
+ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat,
+leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet,
+_martelaars_ en _slachtoffers_ van den Koning der Mongolen," zeide men,
+"waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de
+landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor
+te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij
+"Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die
+sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader
+getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men
+noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam
+"Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk
+gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner"
+(dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.
+
+Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen
+geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin
+zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van
+allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd
+heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus,
+tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het
+schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden
+jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten
+uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de _vlugge_ Zigeuners
+aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen,
+nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd
+in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook
+de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten,
+verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij
+groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam,
+was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare
+Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes
+vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze
+te voorschijn kwamen.
+
+In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving,
+en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen,
+de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging
+moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was
+even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.
+
+Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd
+tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen,
+noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de
+Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen,
+konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche
+overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat
+ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na
+gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het
+nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner
+die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen
+bodem gevat werd, aan den _dood_ vervallen verklaard en aan den
+scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te
+vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen
+van Indië zijn grondgebied in _beide_ werelddeelen _onverwijld_
+verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten:
+"_ubi bene ibi patria_" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk
+in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet
+vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners
+vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men
+als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen
+zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze
+ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn
+stelde, zoo _bleven_ zij toch overal en plantten zich voort, als de
+vossen in de zandholen onzer heidevelden.
+
+Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met
+de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid
+en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon
+worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen,
+ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven,
+en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.
+
+Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de
+Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger
+en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die
+drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken
+en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten
+te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog
+heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog
+eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne
+taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen
+nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men
+er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van
+Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere
+Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig
+zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit
+ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in
+hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen,
+vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke
+verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere
+landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene
+manier gewijzigd.
+
+In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en
+bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in
+Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand
+der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor
+Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen
+in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die
+het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften
+en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter
+hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel
+lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging
+van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest
+Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten
+geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de
+Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het
+algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen,
+dat _tot nu toe_ aan die vreemde en tegenstribbelende menschen,
+_ook zachtheid_ bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid
+bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze
+pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw,
+hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem
+van voor-historische tijden.
+
+De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland
+gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts
+weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze
+aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet
+bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het
+dorp blijven _moesten_, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen
+of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners
+in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen
+genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen
+en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne
+moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk
+te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter
+slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede
+Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te
+verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg,
+en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich
+zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven
+wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere
+landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr
+in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland,
+dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te
+bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde
+Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton
+in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had,
+nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van
+onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren
+hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken,
+waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels
+uitbreiden zou.
+
+Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft
+dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden,
+zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in
+te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald,
+zoo b.v. het volgende:
+
+Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den
+Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar
+met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze
+dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde,
+haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam
+en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine,
+lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en
+groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw
+op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer
+pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te
+trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te
+stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en
+op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele
+familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de
+nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte,
+de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds,
+aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij
+verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht
+had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar
+voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte,
+in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek
+bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de
+kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een
+onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer
+hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde,
+dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man,
+dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had,
+moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en
+verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter
+beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij
+als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw
+bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens
+naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank
+van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger
+luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets
+van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret,
+waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend
+opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke
+trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.
+
+Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle
+verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken
+vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan,
+en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige
+verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de
+Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor
+400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij
+zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich
+bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000
+geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije
+op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der
+Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp,
+de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden
+hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in
+Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland
+is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook
+in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn,
+en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in
+Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden,
+dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in
+geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men
+ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen,
+en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog
+altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving
+onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte
+der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de
+Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem
+mogen rondkruisen, in rekening brengen.
+
+In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich
+het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten
+geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst
+vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de
+politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije
+volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat
+deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor
+hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor
+de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de
+meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de
+bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin
+in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en
+oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit
+dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.
+
+In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken
+samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van
+uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door
+Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel
+in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten
+de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren
+meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot
+gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.
+
+Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke
+leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij
+b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als
+zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme
+aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar
+verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten
+uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als
+hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.
+
+Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in
+Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het
+asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud
+bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet
+hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in
+het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen
+nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw
+goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken,
+hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van
+het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen,
+hangen blijven wil.
+
+Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed
+hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar
+het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen
+onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder
+voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en
+dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze
+den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert,
+wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er
+de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers
+en goudwasschers van die streken geworden zijn.
+
+Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks
+bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer,
+algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel
+smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde
+spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije,
+zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners
+deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in
+Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte
+Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen,
+b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon
+en de eerste na den Koning is.
+
+In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en
+kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte
+Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg
+gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan
+gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond,
+om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk
+mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond,
+brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader
+het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te
+voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid
+in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de
+meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig
+geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo
+lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en
+tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze
+afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken
+kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen
+kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene
+oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed
+steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als
+huisvader vestigen.
+
+Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne
+kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk
+te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt
+in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De
+bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers,
+vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd
+Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere
+dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.
+
+Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa
+in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden
+aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken,
+even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de
+nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende
+volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den
+nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen
+af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak
+bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der
+Tataren-clans _waren_, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten
+bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen
+met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld,
+geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de
+schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen
+voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam
+der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest
+van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de
+violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het
+meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.
+
+De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij
+vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot
+tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch,
+kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar
+electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn
+de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende
+en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van
+het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de
+geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke
+wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe,
+worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene
+goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener
+Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste
+door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in
+alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast."
+
+De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door
+hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de
+theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets
+nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie
+leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de
+geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten
+zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie
+luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij
+een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat
+eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal
+hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De
+heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners,
+verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer,
+geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne
+violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera
+"la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was,
+naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen
+der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in
+het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren
+kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor
+300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars
+hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die
+in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd,
+onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en
+wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het
+land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster
+Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten,
+dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen
+hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een
+Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus
+der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche
+verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde
+Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres
+en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den
+adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze
+genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele
+bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de
+tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij
+schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende
+talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.
+
+Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk
+van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft
+te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij
+zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even
+moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche
+kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze
+vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer
+muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken
+Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als
+eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale
+onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit
+als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten
+opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en
+püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u
+belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet
+zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt,
+door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm,
+de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij
+kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling,
+en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk
+van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen
+en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur
+zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene
+Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:
+
+
+ En rondom in wijde kringen
+ Hoort het moedig volk ons aan.
+ Laat de vedels wilder zingen!
+ Wilt de bekkens harder slaan!
+ Woester en niet zachtkens meer
+ Klinkt der instrumenten strijd;
+ D'oude krijgszang ruischt ook weer,
+ Die te voren met veel macht
+ Flinke knapen en ook grijsaards
+ Tegen Turken samenbracht.
+
+
+In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten
+onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens
+aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl,
+die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van
+dien tijd" bestemd was geweest.
+
+De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen
+_kunst_ onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne
+lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne
+Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor
+alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even
+als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en
+daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka"
+noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd
+wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op
+het Spaansche tooneel.
+
+Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet
+zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier
+kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale
+voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de
+Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.
+
+In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons
+laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid
+en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden
+van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en
+reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige
+bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij
+in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid,
+voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven
+onder te doen.
+
+Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs
+en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder
+geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden
+onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle
+moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten
+gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier
+nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch
+gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde
+maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar
+zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij,
+die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst
+en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene
+moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over
+hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij
+leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen
+altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige
+oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige
+en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren
+der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en
+biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft,
+weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te
+verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den
+gever ondankbaar vergetende.
+
+Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam
+en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop
+zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen
+daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl
+zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners
+ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet
+beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin
+der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten,
+om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed
+in zekerheid te brengen.
+
+Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote
+mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de
+vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar"
+en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk,
+luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon
+schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de
+levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze
+vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche,
+Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is
+zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne
+kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de
+sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk
+de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen,
+die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen"
+na te leven, tot voorbeeld dienen.
+
+Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of
+ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan
+ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden
+en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den
+dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter
+nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed
+waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van
+Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne
+nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op
+eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder,
+even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte
+af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder
+mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op,
+en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig
+eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort
+van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op
+het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een
+reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde,
+in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep
+zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder
+wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm
+je er mee en troost je."
+
+De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste
+wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die
+zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de
+armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich
+denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden
+van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de
+regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar,
+in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen
+muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten
+doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met
+de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende
+stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent
+van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw
+is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare
+kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en
+andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden
+last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste
+slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben
+geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte,
+dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene,
+nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en
+welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij
+schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare
+terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men
+beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke
+ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking
+wegsterft.
+
+Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel
+meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van
+lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met
+de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen
+voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang
+door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind
+mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin
+opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische
+Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan
+grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor
+de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke
+bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der
+muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de
+Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in
+de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij
+haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid
+altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen
+is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar
+bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals
+zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname
+en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar
+nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij
+verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley
+hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en
+ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar
+aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang
+der hoogere standen.
+
+Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland,
+de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij
+tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid
+dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van
+bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij
+ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in
+Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid
+zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen
+oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen
+hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën
+Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de
+Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van
+strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen,
+tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.
+
+Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden
+ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk
+rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en
+waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen,
+om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven
+te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en
+scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der
+Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats
+tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen
+van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen
+het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen
+voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen
+zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze
+beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de
+Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten
+hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor
+den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de
+Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die
+door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland
+"potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan
+de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere
+landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt,
+doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater,
+weinig van het Christendom over.
+
+Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor
+godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om
+vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den _Koran_, en zij kussen,
+als zij zich in een Christelijk land bevinden, het _kruis_. In ieder
+nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst
+aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek,
+dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de
+Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van
+Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus
+als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk
+ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam
+wisten te geven, dan dien van "heidens".
+
+Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen,
+dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig
+gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is
+opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche
+leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan
+zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren
+zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.
+
+Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott
+in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als
+door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn
+"Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in
+Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en
+hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar
+het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs
+onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in
+het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene
+soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in
+verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben
+en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet
+"de Stanleys", een andere "de Levells" enz.
+
+In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het
+Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm
+heet, en schertsenderwijze ook wel "_the Metropolis of the
+Gipsy-kingdom of Scotland_ (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk
+in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt
+een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft:
+"zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en
+hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij
+aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde,
+wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland
+opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt
+dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe
+men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en
+heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen
+zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter
+komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige
+kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook
+dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan
+den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een
+tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw
+denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen
+der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding,
+aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene
+plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.
+
+Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor
+hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners
+denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden
+zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het
+eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de
+Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden
+zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten
+moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe
+kennis maken.
+
+Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter
+tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls,
+als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur
+nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen
+men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met
+ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder
+en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner
+is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in
+zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.
+
+Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van
+het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig
+genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze
+"verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate
+ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij
+zich daardoor, dat zij zich _boven allen_ stellen. Even als de Osmanen
+betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of
+"Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware
+moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun
+door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem
+niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.
+
+Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor
+elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden;
+in Spanje b.v. het volgende:
+
+In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene
+kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele
+"Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de
+grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden
+aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend,
+welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke
+doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te
+veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als
+losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar
+hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te
+vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was
+_besloten_ een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het
+marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen,
+toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel,
+maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het
+bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten
+en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen,
+terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar
+nooit weder te betreden.
+
+Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet
+bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's"
+of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het
+Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven,
+in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de
+bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren,
+schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken,
+misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland
+gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg,
+uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den
+bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen
+aangenomen hebben.
+
+De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos
+worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder
+belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen
+met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde
+van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht
+door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe,
+geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde
+Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude,
+eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed
+wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens
+te voorschijn."
+
+Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken
+tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het
+ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der
+Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland,
+in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel
+ III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven
+te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken
+van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar,
+even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de
+Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria"
+(zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het
+lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste
+schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het
+minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient,
+verkwist hij reeds voor den avond."
+
+Dit alles en _in één woord ook alles anders_, wat men bovendien
+nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer
+overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat
+het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne
+bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat
+dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds
+bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld,
+waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft,
+op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich
+zelven trouw is gebleven.
+
+Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid
+en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij
+de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en
+onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij
+alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke
+macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven,
+laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele
+Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne
+nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche
+overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij
+bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun
+geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling
+van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij
+zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die
+hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen
+zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het
+geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval
+met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen
+en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens
+Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken,
+geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een
+hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van
+_bijgeloof_ der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even
+gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als
+hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen
+onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale
+kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk
+eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch,
+bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen
+gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft,
+zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip
+"hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of
+"wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn
+onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder
+bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en
+compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en
+los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze,
+en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen
+van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en
+dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den
+grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels
+gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid
+wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende
+nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die
+atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten,
+tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit,
+zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die
+bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur
+en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen,
+maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is
+in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel,
+dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.
+
+
+
+
+
+
+DE ITALIANEN.
+
+
+Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt
+Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af,
+dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche
+Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen,
+waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn,
+met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten
+als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden
+landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door
+een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de
+"_Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda_" [10].
+
+De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons
+vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele
+zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen
+voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland
+in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van
+Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld
+te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend
+bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft
+zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur,
+de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En
+dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam,
+met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne
+Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel
+minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland
+met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of
+aan gene zijde der zee.
+
+Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland
+veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in
+het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten,
+en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden
+der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het
+Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele
+andere betrekkingen een contrast.
+
+Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand
+gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin,
+die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven
+staand menschengeslacht te zijn.
+
+De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der
+Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen
+en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de
+Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind
+blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare
+zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van
+Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei
+kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien
+slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de
+warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom
+aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië,
+de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland,
+dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft.
+
+Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen,
+de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg
+beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving
+en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië,
+het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche
+leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche
+genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf,
+zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze
+binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door
+vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee
+met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou
+deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed
+als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken
+genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in
+geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit
+zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de
+bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het
+Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo
+verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In
+deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen
+altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers,
+hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren.
+
+Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die
+in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter
+dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het
+is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de
+Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende
+dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze
+bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet
+der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge
+met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien.
+
+De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige
+landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt
+derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en
+kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen
+verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming
+van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft
+Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het
+bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen,
+en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de
+eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen,
+dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd
+langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich
+tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft
+de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering
+en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten
+heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het
+Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen,
+verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls
+zeer scherp afgeteekende onderdeelen.
+
+
+
+Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen,
+van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste
+punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond,
+dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten
+gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en
+psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij
+noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken
+allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten,
+door dezelfde sympathieën bezield te zijn.
+
+Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië,
+van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en
+één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit
+geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen
+der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer
+verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven,
+onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van
+elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander
+verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den
+minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten
+minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne
+oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben
+zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de
+vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen,
+dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen,
+die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de
+voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen.
+
+In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze
+van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen
+en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen
+zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn
+dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De
+lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke
+wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij,
+trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke
+algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals
+het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men
+in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen
+der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het
+minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van
+de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich
+ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en
+ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen
+zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen
+samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam
+"Groot-Griekenland" ontving.
+
+De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke
+uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten,
+dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele
+verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op
+Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij
+wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij
+der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen
+met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen
+zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving
+aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst
+bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde
+ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië
+en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in
+de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is
+in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking
+overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert,
+dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog
+Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid,
+hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van
+sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni
+in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van
+Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor
+Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden.
+
+Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden
+eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne
+afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest
+belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw
+van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin
+landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in
+het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij
+nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de
+Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten
+is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die
+der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar
+niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige
+kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van
+erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud
+en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere
+Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij
+uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt
+nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil,
+die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun
+godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig
+met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner
+steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende
+den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne
+koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië
+verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte
+van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn.
+
+Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving
+zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles
+zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit
+volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië
+gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië
+zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor
+Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen
+Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij
+zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of
+"Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is,
+zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige
+Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie
+der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen,
+die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn;
+anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de
+bergen gevluchte Etruskers.
+
+Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de
+massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men
+toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag
+voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering,
+hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen
+mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen
+grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook
+nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der
+Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk
+was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen
+Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde
+van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd
+voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee.
+
+Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster,
+het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en
+met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen
+vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers
+der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden
+reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen
+overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche
+eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen
+streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel
+Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in
+het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij
+en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers
+bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als
+hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland,
+en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik,
+overal in kwartier.
+
+Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen
+Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen,
+en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het
+karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne
+taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben
+op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd
+Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland
+Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche
+eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de
+inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter
+der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament,
+dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de
+Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners
+waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek
+gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren.
+
+Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal
+der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de
+Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar
+het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons
+werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken,
+de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de
+Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij
+hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van
+Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele
+fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang,
+voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette
+voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het
+groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der
+Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen
+deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en
+andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters
+van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië.
+
+De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het
+type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de
+Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen
+onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of
+te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der
+Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen
+beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze
+dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van
+gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs
+en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome
+geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog
+dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en
+in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van
+bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen,
+en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers,
+zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er,
+over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk
+is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid
+hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke
+nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even
+als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode,
+ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der
+Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk,
+in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in
+het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De
+door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië
+met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in
+omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat
+men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling
+der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken
+Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet
+hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest
+geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de
+Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch
+sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste
+tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde
+heerschappij verbonden geweest.
+
+Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu
+veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen
+neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak
+der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den
+nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam
+maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs
+dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen,
+die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend,
+daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met
+betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de
+Galliërs of Celten behooren.
+
+De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke,
+vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen
+laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte
+van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen,"
+hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor
+het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter,
+zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest,
+zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de
+Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de
+hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander
+schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende,
+landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn-
+en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land;
+zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd
+hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het
+fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne
+taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen,
+stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over,
+met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene
+weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd
+naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk,
+dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij
+dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "_Graecia capta
+ferum cepit victorem._" Het onderworpene beschaafde volk ving de
+wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen,
+de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden,
+allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd.
+
+Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen
+oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op
+Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle
+Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt
+hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en
+met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna
+over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de
+lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het
+grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels
+bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en
+smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde
+Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden
+dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten,
+zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen,
+en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude
+Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven
+reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde
+staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den
+beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt
+wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun
+volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en
+die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal,
+van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen
+eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de
+menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf,
+"nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur,
+groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte,
+van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan
+consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in
+het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in
+Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht
+en kortheid."
+
+Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige
+geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem
+Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië
+aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten.
+
+Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de
+boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en
+Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van
+Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de
+herdersdorpen der zoogenaamde _Tredeci_ en _Sette Comuni_, die nog
+heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen
+afstammelingen der oude Germanen te zijn.
+
+Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog
+ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De
+Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische,
+Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen
+een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door
+deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende,
+zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter
+geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche
+volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers
+verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige
+oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen
+de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld
+waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne
+tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften;
+eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche
+Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven
+Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche
+staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede
+naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch
+geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze
+"Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk
+gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders,
+maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten
+noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de
+tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op
+hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de
+stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de
+ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is
+verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen
+van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen
+zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "_guerra_" (weer),
+"_arnese_" (harnas), "_stivali_" (stevels), "_caccia_" (jagt),
+"_fiasci_" (flesch), "_bicchiere_" (beker), hebben alleen op jagt,
+oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens
+zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen,
+zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard,
+dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal.
+
+
+
+Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen
+ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen,
+in aanraking gekomen.
+
+In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk,
+dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en
+dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der
+Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst
+van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden
+hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs,
+van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen
+geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog
+heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in
+tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg
+dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der,
+nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest",
+"Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter.
+
+Dat ten tijde der volksverhuizing, met de Germanen, vooral ook met de
+uit Hongarije hier binnenrukkende Longobarden, ook vele Slawen naar
+Italië kwamen, even als in onze dagen met de Oostenrijksche legers,
+is aan geen twijfel onderhevig. Hunne elementen zijn daar echter
+onder Germaansche namen verborgen.--Even zoo uitgemaakt zeker is het,
+dat de Noord-Oostelijke uiteinden van Italië, reeds in de 7de eeuw
+door Slawen omsingeld waren. De Slawische taal was toen zelfs aan
+het hof van den Hertog van Friaul in gebruik, en de Slawen trokken
+dikwijls over de Isonzo op Italiaanschen bodem, en stichtten daar
+steden, burchten en dorpen, die nu nog bestaan en waar beide talen,
+het Italiaansch en het Slawisch nog heden gesproken worden. Op eene
+tamelijk uitgestrekte lijn, langs de grenzen van Karinthië, Kroatië en
+Istrië, zijn Slawische en Italiaansche elementen met elkander vermengd,
+en deze grens is, door de veroveringen en volkplantingen der Italianen
+in Illyrië en Dalmatië, nog verder uitgebreid geworden. Daardoor
+werd Venetië zelve een middelpunt voor de Slawen, die als matrozen
+en soldaten daar heen gingen, wier voorname geslachten niet zelden
+in de Venetiaansche aristocratie werden opgenomen, en wier heldere
+geesten somwijlen deelnamen aan het streven der Italianen om kunst
+en beschaving te ontwikkelen.
+
+
+
+Uit dit overzicht der vroeger Italië binnengedrongene volken,
+blijkt dus, dat dit land in oude tijden,--vóór Rome--door de meest
+verschillende stammen, men kan zeggen door gedeelten van alle in Europa
+en om de Middellandsche Zee wonende rassen, bewoond was, en dat het
+ook in het vervolg van tijden meermalen weder door al deze stammen, die
+daarheen als tot een geographisch middelpunt samenliepen, aangegrepen
+werd. Vraagt men nu, hoe al deze op het schiereiland van de vroegste
+tijden af voorhandene, en steeds op nieuw binnendringende vreemde
+elementen, zich tot één volk gevormd hebben dat in aanhoudenden
+strijd met hen eene gelijkvormige nationaliteit ontwikkeld en
+behouden heeft? Het is vrij wel uitgemaakt dat de eerste, en ook
+voor alle tijden voornaamste grondvesters van een "_Italia Unita_,"
+de Romeinen geweest zijn.--Zij waren van oud-Italiaanschen stam en
+bewoonden het midden van het lange land, waar zich altijd de echte
+Italiaansche natuur zuiverder bewaard heeft, dan in de naar het Oosten
+gekeerde Zuidelijke punt, en in de, het Noorden de hand reikende, Po-
+en Alpendalen. Van uit het midden veroverden de Romeinen het eene der
+Italiaansche landschappen na het andere, het eerst die der met hen
+verwante Latijnen, Umbriërs en Samnieten, en ook die der zeer van hen
+verschillende Etruskers.--Hunne veroveringen sleepten niet alleen
+eene omverwerping van de oude staatsregelingen der onderworpene
+steden en staten na zich, maar ook eene vereenzelving in bloed,
+zeden en taal. Burgerlijke- en militaire koloniën trokken buiten de
+muren der stad Rome, en maakten het geheele land, waarover zij zich
+verbreidden, gelijkvormig. De groote land- en militaire wegen, die
+de Romeinen in de Apennijnen in verschillende richtingen aanlegden,
+brachten er het hunne toe bij, om het geheele schiereiland in een
+maatschappelijk geheel te hervormen. De scherp in het oog vallende
+volkseigenaardigheden verminderden allengs overal. De oude, zeer van
+elkander verschillende Oscische, Etrurische, Ausonische tongvallen,
+werden overal op den achtergrond gedrongen, de Romeinsche of Latijnsche
+taal werd overal de heerschende.
+
+Op die wijze overal omwentelingen en volksplantingen aanbrengende,
+drongen de Romeinen ook het Grieksche Beneden-Italië en Sicilië
+binnen. Ook daar moesten Grieksche taal en zeden het onderspit delven
+voor de Romeinsche. Daar de Romeinen hier echter het gebied eener
+meer ontwikkelde en oudere beschaving binnenrukten, zoo konden zij
+er wel niet buiten, hier veel van aan te nemen, en van toen af aan
+ging derhalve ook de toenemende Latiniseering van het schiereiland,
+met de toenemende Helleniseering der Romeinen hand aan hand.
+
+Van dit Zuiden, niet uit de muren hunner stad, waaruit zij anders
+alles van daan haalden, ontleenden de Romeinen den naam van het door
+hen tot één gemaakte en veranderde land en volk. Geene benaming
+zou er natuurlijker voor geweest zijn, dan de naam "_Romania_"
+(het land der Romeinen), want de Romeinen waren zijne scheppers.--In
+stede van dien duldden zij het, dat uit de zuidpunt van het land,
+wij kunnen niet meer nagaan _hoe_, de ten eenemale onbekende naam
+van een arm herdersgeslacht, zich als eene slingerplant uitbreidde
+en het geheele schiereiland overtoog. In de landpunt aan de zeeëngte
+van Messina, die wij heden ten dage Calabrië noemen, moet volgens de
+legende in oude, gouden tijden een Koning "Italus" geheerscht hebben,
+wien ter eere de menschen daar, die tot dien tijd toe "_Oenotri_"
+(d.i. de wijnbouwers) heetten, zich "Itali" en hun land "Italia"
+noemden.--Volgens anderen zouden de Calabriërs dezen naam, uit
+hoofde hunner schoone weidevelden, van oudsher gevoerd hebben;
+want "Italia" van oudsher verwant met het Latijnsche "_Vitulus_"
+(jong rund) moet zooveel als het runder- of weiland beteekenen. Nog
+tijdens den bloei van het oude Syracuse strekte zich echter deze
+naam, die voor zoo grooten roem bestemd was, niet Noordwaarts van het
+Calabrische schier-eiland uit. Langzamerhand sedert de 4de eeuw voor
+Christus geboorte, omvatte hij reeds het Zuidelijk Italië.--Tegen
+het einde dezer eeuw namen de Romeinen hem aan, toen zij Zuidelijk
+Italië veroverden; zij brachten hem verder Noordwaarts, aanvankelijk
+echter niet aan gene zijde der Toscane omgevende Apennijnen.--Daar
+scheidde de Rubico, eene kleine rivier in het Zuiden van Ravenna,
+nog lang dat wat men "Italië" noemde, van de Noordelijke Po-vlakte,
+die nog onder den naam "Gallië" begrepen werd. Eerst na de Punische
+oorlogen drongen de Romeinen ook als overwinnaars, koloniseerende
+en de oude Cis-Alpijnsche Galliërs hunne nationaliteit ontnemende,
+het Po-land binnen. Zij verbreidden hunne taal en zeden en die der
+nu met hen verbondene Italianen, van het Zuiden tot aan den voet der
+Alpen, die hun eene zeer natuurlijke grens van hun verruimd vaderland
+toeschijnen moest. Deze italianiseering van het Po-land was echter
+reeds lang half voltooid, voor men het den naam Gallië officieel
+ontnam. Eerst Keizer Augustus volgde de publieke opinie, die reeds
+toen algemeen tot aan de Alpen reikte, dat is, hij breidde den naam
+Italië zoover uit als die later bijna altijd gegolden heeft, tot aan
+den Varus of Var bij Nizza tegen Gallië, tot naar Istrië in het Oosten
+en tot aan de gletschers in het Noorden. Men mag dus Keizer Augustus
+als den schepper van het idee "Italië" en "Italianen" beschouwen.
+
+De geheele bedwinging en verovering van Italië door de Romeinen, kan
+men beschouwen als eene vereeniging der Italianen tot één staat onder
+echt Italiaansche banier, als eene gelijkmaking en samensmelting van
+al het vreemde op Italiaanschen bodem tot één volk.--De Italianen
+hebben door de Romeinen onder alle volken in Europa, het eerst het
+voordeel behaald, dat zij, als een, wat taal, zeden, sociale en
+politieke inrichting betreft, vereenigd volk daar stonden, in een
+tijd, toen nog alle andere rassen van ons werelddeel in stammen en
+clans opgelost, door elkander lagen. Zulk eene nationale vereeniging
+was zelfs den zoo hoog beschaafden, maar altijd in tweespalt levenden
+Grieken nooit gelukt.
+
+Het werk der, om zoo te zeggen voor de eeuwigheid bouwende Romeinen,
+heeft alle wisselvalligheden der volgende eeuwen overleefd. De door
+hen gelegde grondslagen voor de Italiaansche eenheid, vormen nu nog
+de basis der Italiaansche nationaliteit. Hunne, in het verloop der
+tijden gewijzigde taal, den door hen aan het volk, tusschen de Alpen
+en Sicilië, gegeven toon, en de herinnering aan hunne heldendaden,
+zijn in alle eeuwen tot op den huidigen dag, het patriotische cement
+geweest, dat de Italianen tot één volk verbond en verbindt.--Alleen de
+voorbereidselen der Romeinen maakten het mogelijk dat de liederen, in
+lateren tijd door een Dante of Petrarca aan den Arno gezongen, in het
+geheele land als uit het gemoed des volks voortgekomen, weerklonken.
+
+De stempel, dien zij op het volk, tot aan den Var en tot aan den
+bovensten rand der Alpen, drukten, was zoo onuitwischbaar en vast,
+dat die altijd weder, door alle later daarover uitgeschudde elementen
+heen, te voorschijn kwam en zich overwinnend naar boven werkte, en dat
+Italië ten allen tijde daarnaar streeft, zich politiek binnen dezelfde
+grenzen te vereenigen, die Keizer Augustus het afbakende.--Deze
+vroeger door de Romeinen tot stand gebrachte vereeniging van geheel
+Italië tot ééne gelijksoortige natie, gaf den Italianen het groote
+overwicht over Europa, waardoor zij in staat waren ons werelddeel
+te veroveren. Italië werd onder de Romeinen in zoo hooge mate en in
+zoo uitgebreiden zin het levens-centrum van geheel Europa, als na hem
+geen ander Europeesch land en volk weder geweest is.--Het bloed en de
+denkbeelden van het geheele beschaafde _Orbis terrarum_, culmineerden
+en centraliseerden een vijfhonderdtal jaren in Italië.--"Rome ontving
+bij zich alle vreemdelingen, drukte hun zijn stempel op het voorhoofd
+en zond hen als Romeinen weder de wereld in."
+
+Daar zij een zoo krijgshaftig, krachtvol, ernstig, consequent,
+gedisciplineerd, politiek en wetkundig volk waren, als men nauwlijks
+eenig ander in de geschiedenis aantreft, zoo hebben zij dien ten
+gevolge ook meer dochter-volken en dochter-talen in de wereld gebracht
+dan eenig ander volk.--Zij brachten eene min of meer algeheele
+romaniseering of italianiseering van alle landen en volken, van
+af Schotland tot aan Afrika, van het Pyreneesche schiereiland tot
+aan den Eufraat, tot stand. De in verschillende landen gesprokene
+talen werden, door de wereld veroverende Latijnen, niet alleen
+uit de gerechts-zalen en bestuurs-bureau's van het rijk, maar
+grootendeels ook uit de bijeenkomsten der beschaafde maatschappijen
+verdrongen; de Grieksche taal was bijna de eenige die naast die der
+Latijnen bleef bestaan. De bijzondere rechtspraak en de oude staats-
+en maatschappelijke instellingen der verschillende rijken, weken
+overal voor de algemeen in zwang komende rechtspraak en toestanden
+der Romeinsche monarchie.
+
+Overal waar de Romeinsche soldaat zijn kwartier opsloeg, de
+Romeinsche kolonist zijne akkers omheinde, aan de Theems, aan den
+Donau, aan de Tigris en den Nijl, zetten zich ook de Romeinsche
+bankier en de Romeinsche koopman neder, begaven zich ook uit Italië
+de landmeters en de architecten, de opperpriesters en de advokaten,
+de schoolleeraars, de kunstenaars en de handwerkers heen. Overal werden
+de tegenstellingen uit den weg geruimd, die vroeger de nationaliteiten
+zoo streng van elkander scheidden, en naast de uiterlijke gelijkheid in
+de officieele taal, in het geld, de rechtspraak en de administratie,
+werd het geheele leven, denken en wezen der volken met Romeinsche
+elementen doordrongen. "Onder alle hemelstreken" zegt Prudentius,
+"leefden de menschen op Romeinsche wijze, als ware de geheele wereld
+slechts ééne Italiaansche stad."
+
+Trots de later volgende eindelooze omwentelingen en volksverhuizingen
+is deze stempel, dien de Romeinen een groot gedeelte van Europa op
+het voorhoofd drukten, in den loop der eeuwen niet weder verloren
+gegaan. Waarheen wij ons ook wenden, overal ontmoeten wij nog heden ten
+dage hunne machtige en onvergelijkelijke inwerkingen. Zij lieten in ons
+werelddeel, de ver verbreide groep der naar hen genaamde Romaansche
+volken, achter.--Evenals de nationale geest en de taal der Italianen
+zelve, zoo rusten ook die der Spanjaarden, der Portugeezen, der
+Franschen, der Belgen, der ver langs den Donau verspreide Walachyers
+op de, door de Romeinen door romaniseering gelegde fundamenten.
+
+Maar hun invloed op de beschaving van Europa steekt verre uit boven
+het bestaan hunner politieke macht en bloei. Zelfs nadat hun lichaam
+reeds lang dood was, waarde de door hen in het leven geroepen geest
+in Europa nog rusteloos rond, groote daden verrichtende en bijna nog
+meer volken bindende, dan hunne legioenen zulks vermocht hadden.
+
+De met de Romeinen opgegroeide en door hen zeer ontwikkelde taal,
+bleef nog, bijna een duizendtal jaren na de ontbinding van het
+Romeinsche rijk, de taal van den beschaafden stand, der dichters,
+der diplomaten, der wetgeving en van het algemeen verkeer in ons
+werelddeel.--Zij verwierf zich zelfs het burgerrecht in landstreken,
+waarin Romeinsche krijgslieden nooit gekomen waren, b.v. ook in het
+geheele uitgestrekte land der Sarmaten en in Skandinavië.--Zij is
+nog heden ten dage naast hare zuster, de Grieksche taal, de taal
+der wetenschappen in zoo hoogen graad, dat men zelfs geene nieuwe
+uitvinding, geen aan de uiteinden der wereld gevonden plantje,
+gelooft wetenschappelijk geplaatst te hebben, wanneer men er geen
+Latijnschen naam aan gegeven heeft.--Nog omstreeks het einde der
+midden-eeuwen werden de dichters vóór Petrarca, niet voor dat wat zij
+in hunne _eigene_ taal gezongen hadden, maar voor hunne _Latijnsche_
+gedichten op het Kapitool gekroond, zooals ook nu nog onze geleerden,
+alleen door in het Latijn geschrevene verhandelingen, den graad van
+doctor verwerven kunnen. [11]
+
+Ofschoon de Romeinen geen oorspronkelijken naam voor den eeuwig
+bloeienden aanvoerder der Muzen uitgedacht, maar den naam "Apollo"
+onveranderd van de Grieken overgenomen hebben, ofschoon hunne poëzie
+niet oorspronkelijk was, maar er de "geestdrift der Grieken luide
+in weerklonk", zoo hebben zij toch alles, wat zij van Griekenland
+ontvingen, met eene zoo groote politieke macht gestut, dat zij en
+hunne taal de dragers en verbreiders ook der Grieksche ontwikkeling
+in Europa geweest zijn.
+
+"Voor de schoone kunsten hebben de stijve, harde, punctueele, dappere,
+geheel door heerschzucht vervulde Romeinen het minst gedaan." Zij
+waren vreemdelingen op dit gebied, en bedienden zich hierop van
+bijna niets anders dan van het hoofd en de armen der Grieken. Niet
+ten gevolge eener warme geestdrift voor de kunst, maar ter opsiering
+hunner Keizerstad, plunderden zij de veroverde landen en voerden zij
+de kunstschatten naar Italië.
+
+"Ook in de wijsbegeerte waren zij slechts napraters der diepzinnige
+Grieken. Men bemerkt dit het best in hunne taal, die zoo arm
+schijnt aan philosophische uitdrukkingen en kunstwoorden, dat
+Plato en Aristoteles moeielijk in goed Latijn kunnen vertaald
+worden."--Daarentegen hebben zij, als eene door en door tot
+heerschappij voeren geborene en gevormde natie, in hunne taal even
+als in hunnen geest en hunne wetgeving, alle bont geschakeerde
+rechtstoestanden en rechts-vragen van het burgerlijke leven beter
+doorschouwd, bewerkt en de taal daarvoor beter bruikbaar gemaakt,
+dan eenig volk te voren.
+
+
+
+Hun recht heeft tweemalen de wereldkwestiën geregeld, eens,
+zoolang hunne Keizers nog den schepter zwaaiden, door den steun
+van hun overwinnend zwaard, en een tweede maal langs vreedzameren
+weg, ten gevolge der hulde, die men aan hunne juiste inzichten,
+principes en definities vrijwillig toebracht.--Het Romeinsche recht
+was reeds eens, ten gevolge van de stormen der volksverhuizing,
+buiten gebruik gekomen. Ja! de Justiniaansche codex, de quintessence
+van dit recht was, even als eens ten tijde der Makkabeën bij de
+Joden de Mozaïsche canon, verloren gegaan. Hij moest uit het puin
+der verwoesting weder voor den dag gehaald worden, even als de
+Laokoon-groep, de Venus van Medici en andere antieke standbeelden;
+en even als aan deze uitgegravene Grieksche kunstscheppingen zich
+een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis vastknoopte, zoo kwam ook
+uit het weder ontdekte Romeinsche wetboek, eene nog veel machtiger,
+laat geborene heerschappij der burgerlijke wetgeving der Romeinen
+te voorschijn.--Deze merkwaardige tweede verovering der wereld
+door de Romeinsche wet, ging in de midden-eeuwen van eene der
+voornaamste en oudste leer-inrichtingen in Italië, van Bologna,
+uit. Een geleerde, Irnerius, begon in de 15de eeuw de pandecten
+te lezen, te bestudeeren en te verklaren. Op zijn aandrang werden
+daarop Romeinsche recht-scholen gegrondvest, en toen weldra haar roem
+zich verbreidde, zonden de volken van allerwege hunne weetgierige
+afgezanten over de Alpen, werden de geduldige scholieren der, uit
+den mond der Italiaansche professoren tot hen sprekende, Romeinen,
+en staken nog eenmaal geheel vrijwillig hun nek in het Romeinsche juk.
+
+
+
+De rechtsgeleerden der Romeinen brachten langzamerhand de onderwerping
+tot stand van geheel Germanië en van vele andere volken, die hunne
+veldheeren niet hadden kunnen bedwingen; de verhoudingen en toestanden
+van iedere stad, van ieder dorp in Europa, werden naar de uitspraken
+en besluiten der oude, reeds lang verstomde Romeinsche praetoren en
+Keizers geregeld.
+
+
+ Staten blijven niet eeuwig bestaan,
+ Ook zijn reeds geheele geslachten
+ Door der tijden wisseling vergaan,
+ En dus als vergeten te achten.
+ Maar aan den hoogsten bergtop gelijk,
+ Door Aurora omkranst steeds met licht
+ Is slechts de Vorst, aan schranderheid rijk,
+ Die zoo veel goeds daardoor heeft gesticht.
+
+
+Dit woord van den grooten Schiller, dat hij tot lof der groote
+mannen zong, mag men in nog hoogeren zin van toepassing beschouwen,
+op den geest van zulke krachtig optredende en verstandige volken,
+als de Grieken en de Romeinen. Even als de Montblanc werpen zij
+breede schaduwen over de landen heen; zij verlichten nog lang het
+landschap, als hun voet reeds lang in duisternis begraven is.--Zij zijn
+onsterfelijk, en zelfs als zij schijnen te sterven, is het eigenlijk
+geen dood, maar slechts eene verpopping en een weder opleven in
+anderen vorm.
+
+
+
+Reeds terwijl hun door de barbaren het zwaard afgenomen was, hadden
+de Italianen zich een anderen schepter der wereldheerschappij
+gevormd. Rome had de zaden van het christendom in haar boezem
+opgenomen, en de uit dit zaad ontkiemende wijnstok, de macht van den
+Romeinschen bisschop, had zich ongemerkt en langzamerhand tegen den
+boom van het Keizerschap aangeklemd en was met hem opgewassen.--Nadat
+de barbaren den Keizerlijken eik geveld hadden, bleef de moeielijker
+op te ruimen rank der Kerk bestaan. Daar zij den wereldlijken
+schepter niet meer zwaaien konden, grepen de Romeinen naar den
+bisschoppelijken staf, en met dezen hebben zij langzamerhand in den
+loop der midden-eeuwen, door zachtere kunsten, door zachtere middelen
+en wegen, door woord en overreding, weder alle volken van Europa in
+hun net vastgesponnen.
+
+Onder de vele gaven, die wij uit de handen van Rome en Italië
+ontvingen, is de gewichtigste: het Christendom. Het groote werk der
+verchristelijking, dat in Rome begonnen werd, werd van daar uit, door
+Italië's zonen, trots de stoornissen door het ongunstige politieke
+lot van hun vaderland, verder gebracht.--Er is een tijd in Europa
+geweest,--en die tijd duurde lang--toen Italianen, als zendelingen
+der nieuwe leer, door alle landen van ons werelddeel trokken, om
+het barbarendom en heidendom te bezweren, en toen Italianen aan de
+hoven der Koningen en in de hoofdsteden der volkeren, als kerkvorsten
+aan het hoofd der geestelijke zaken stonden. Daar zij als soldaten en
+praetorianen niet meer de Keizerskroon vergeven konden, begonnen zij nu
+het als priesters te doen. Sedert Karel de Groote, omstreeks het jaar
+800, deze kroon uit de handen van Leo III had ontvangen, was Rome,
+de eeuwige stad, weder de hoofdstad der wereld. Het groote overwicht
+der door de Italianen gevormde, onderhoudene en grootgebrachte macht
+der christelijke kerk bewerkte, dat in de midden-eeuwen even als in
+de oudheid, de geschiedenis van Europa, Italië weder tot brand- en
+middelpunt verkreeg, waarop alle kampstrijden, de geestelijke zoowel
+als die van den krijg, gestreden werden.
+
+"De Roomsch-Christelijke kerk, haar indrukwekkende ritus, de pracht
+en het betooverende van haar cultus, die den geest op verheven zaken
+leidt en de ziel tot godsdienstigheid opwekt, hare liefelijke aria's,
+hare indrukwekkende kooren, hare schitterende versierselen, de groote,
+majestueuse ruimte harer Godshuizen, het bekoorlijk poëtische waas,
+dat haren geheelen godsdienst een zoo verheerlijkt uiterlijk geeft,
+hare aantrekkende geheimzinnigheid, die het gemoed naar hoogere
+sfeeren brengt"--dat alles is een werk van Italiaansche vinding en
+kunst.--In alle landen van Westelijk- en Midden-Europa, noordelijk
+tot aan de Noordkaap, en oostelijk over de grenzen van Sarmatië,
+verbreidde zich deze door de Italianen geregelde godsdienst en de
+door hen georganiseerde kerkelijke heerschappij. Overal diende men
+God op Italiaansche wijze en in de door de Italianen over de wereld
+verspreide taal. "Italië was de opperheerscheresse in het rijk der
+hoogste geestes-aangelegenheden."--In de 11de eeuw, toen den geweldigen
+Benedictijner-monnik Hildebrand de driedubbele kroon op het hoofd
+gezet werd, bereikte deze theocratische monarchie der Italianen,
+die bijna geheel Europa omvatte, even als eens onder Augustus hunne
+militaire monarchie, hare voltooiing.
+
+Even als die jonge Mongoolsche paardenhoeder, en nog met meer
+recht dan Dschingis-Chan, kon de geniale zoon van een Italiaanschen
+handwerker zeggen, "de geheele wereld draait zich om mij, als om haar
+middelpunt."--De Keizers hielden de stijgbeugels der hoogepriesters
+van Italië, en de Koningen van Europa kwamen om hun den pantoffel
+te kussen. De macht dezer Romeinsche Kerkvorsten heeft nog langer
+geduurd dan die der Romeinsche consuls, en hunne reeks is langer dan
+die der Romeinsche Imperatoren. En ofschoon later ook deze wijze van
+Italiaansche suprematie, even als die welke zij door hunne Imperatoren
+over Europa uitgeoefend hadden, door een nieuwen geestelijken Arminius
+in de wouden van Duitschland gebroken werd, zoo is toch nog heden
+ten dage een groot gedeelte van ons werelddeel, met betrekking tot
+hun werkelijk leven en godsdienstig denken, als geitalianiseerd,
+of als onder den invloed van Italië staande, te beschouwen.
+
+Ja, het terrein, dat in Duitschland en in het Noorden van Europa voor
+het Pausdom verloren ging, werd rijkelijk vergoed door de provinciën,
+die zijne zendelingen, zijne jezuïten en bedelmonniken aan gindsche
+zijde van den oceaan in de nieuwe wereld veroverden.
+
+En dit Pausdom, deze door Italië voortdurend uitgeoefende geestelijke
+wereldheerschappij, heeft een zoo onverwoestbaar leven, dat ook
+tot nu toe, al de groote volksstormen van den nieuweren tijd, de
+Fransche revolutie, de Napoleontische oorlogen, de volksbewegingen
+van 1848 en de nieuwste omwentelingen in Italië zelve, die allen het,
+als Luther in Duitschland, met wortel en tak dreigden uit te roeien,
+het slechts weinig geschaad hebben. Het zwenkte door al die stormen
+heen, werd wel heen en weer geslingerd, maar bleef voor anker liggen
+en gebiedt nog heden, even als vroeger.
+
+De Katholieke kerk en het Pausdom zijn wel de meest grootsche en de
+invloedrijkste scheppingen, die uit den geest van het moderne Italië
+te voorschijn getreden zijn, maar het zijn niet de eenige.--Tegelijk
+met den opbouw der Kerk en ten deele onder hare bescherming, die zij
+hun in den strijd met de Duitsche Keizers verleende, bloeiden in Italië
+eene menigte andere staten en republieken, zetels der beschaving.--Eene
+voorliefde, als ik het zoo noemen mag, voor een stedelijk, burgerlijk
+en republikeinsch volksbestaan, schijnt van oudsher den geest der
+Italianen eigen geweest te zijn. Wellicht heeft zij haren oorsprong te
+danken aan het karakter van hun vaderland, dat in zoo vele afgesloten
+deelen is afgeperkt. Reeds in de oude tijden zien wij het land met
+steden bedekt, en het volk niet zooals de Duitschers, in onderlinge
+betrekkingen die door het boerenbedrijf of het landbezit in het leven
+waren geroepen; niet zooals de Slawen vereenigd door den band van
+het familieleven, van stam- of bloedverwantschap, maar in stedelijke
+gemeenten of stedelijke staten vereenigd. Eene stad noemen de Italianen
+"_una nazione_".
+
+Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden
+uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen
+van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten,
+zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad,
+werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen
+scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld,
+slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen
+burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der _Orbis terrarum_, om
+zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche
+Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde
+neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want
+de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en
+landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke
+familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting
+van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend
+te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich
+geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen
+machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche
+stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste
+zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op,
+weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland,
+met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door
+de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen
+land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo
+vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië,
+maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke
+republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd
+vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe
+monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in
+Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal
+voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden
+van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen
+riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels
+schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de
+midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is
+de oorsprong van het _moderne_ Italiaansche karakter. Dientengevolge
+is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden,
+en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman
+met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft,
+maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook
+de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië
+toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den
+burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men
+heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en
+Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in
+Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in
+Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer
+verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen
+ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de
+nu _moderne_ Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals
+ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom
+ook dat, wat Sismondi een _gevolg_ van het overwicht der steden noemt,
+omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende _oorzaak_
+van dit overwicht beschouwen.
+
+Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten
+en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde
+Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken,
+zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie
+van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend
+jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der
+volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze
+Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen
+des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche
+staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en
+plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen,
+en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke
+schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten
+bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de
+eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden
+in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden
+gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland,
+een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid,
+overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende
+verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af
+en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de
+Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden
+bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige
+havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten,
+opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare
+werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders."
+
+Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer
+Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel
+van al haar streven.
+
+Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij
+daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste
+kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het
+boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van
+Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste
+proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust
+de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende
+volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de
+wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd
+werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot
+stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die
+van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van
+deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen
+breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche-
+en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in
+Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen
+en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland,
+zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij
+vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen
+bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal
+tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken,
+de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant
+is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige
+Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in
+Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog
+heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is,
+Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen".
+
+Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en
+zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der
+Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen
+en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne
+hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een
+Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote
+ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche
+school gevormd.
+
+Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in
+hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen
+elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen
+bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen
+en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij
+eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor
+voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste
+tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de
+meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de
+gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de
+en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven
+de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde
+kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme,
+ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu
+zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding
+der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius,
+de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi,
+de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was
+een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten,
+zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd
+ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar,
+die 20 jaren lang Europa beheerschte.
+
+Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her
+echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor
+alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de
+bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het
+langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei
+en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst
+of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten
+van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen
+van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele
+takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren
+dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de
+geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken,
+wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en
+hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk"
+is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs
+uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de
+ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche
+bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier
+volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen,
+in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd.
+
+En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die
+zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw,
+in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen
+nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij
+voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië
+beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen,
+zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van
+den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen,
+in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich
+in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen
+indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond
+een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze
+doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel
+echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne
+koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde
+bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den
+door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en
+torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche
+barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de,
+het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen
+altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven
+is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence,
+Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf,
+Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties,
+zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele
+wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele
+familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de
+daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog
+treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners
+als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden-
+en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken.
+
+Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst,
+de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige
+voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten
+geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst,
+de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest
+Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor
+alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden
+ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig
+had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die
+de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien,
+die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang
+en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft,
+moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken.
+
+Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten,
+de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke
+scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen
+zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter
+wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander
+den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen
+den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het
+plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische,
+steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten
+minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het
+beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden
+Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië,
+hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter
+en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In
+den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke"
+genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste
+te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is,
+"een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke
+natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft,
+en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste
+en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël,
+den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde
+_Cinque cento_, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië
+haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche
+steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars,
+zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was
+zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk,
+het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft.
+
+Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden
+van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met
+elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte
+van Christus, en bij de Italianen het _Cinque cento_ na Christus
+geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000
+jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden
+treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen,
+in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke
+wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die
+somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene
+verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den
+Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche
+geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van
+vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke
+wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene
+andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen
+hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan
+met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige,
+onbuigzame Romeinsche landgenooten.
+
+Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen
+bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een
+zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend
+erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de
+minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide
+en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij
+een smaakvol uiterlijk te geven."
+
+In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de
+mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van
+smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog
+steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van
+figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen
+door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk
+voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en
+oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst,
+laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het
+kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij
+bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in
+schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het
+gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook
+maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar
+netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig
+aanzien heeft."
+
+Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in
+hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne
+lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde
+gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht
+gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze
+zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene
+zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een
+eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene
+en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige
+uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken,
+die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak
+dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of
+minder als een oud erfdeel van _alle_ inboorlingen van Zuid-Europa,
+deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons
+werelddeel, karakteriseert.
+
+Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen
+smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van
+de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds
+even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche
+tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende
+musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen,
+die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een
+onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden,
+werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met
+de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den
+engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek
+Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp
+afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en
+daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste
+vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk
+gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel
+te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek,
+een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en
+ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten
+zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men
+bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt."
+
+De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele
+andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen,
+dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet
+afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan
+de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek
+overtreffen.
+
+De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van
+Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de
+Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als
+in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend,
+"in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere
+welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere,
+zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als
+het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne
+trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels
+en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren."
+
+Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke
+behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de
+gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste
+gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in
+Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook
+alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en
+aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke
+geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië
+slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken,
+als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking
+waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's
+vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle
+de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin
+den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt.
+
+
+
+Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk
+Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen,
+geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel
+aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen
+goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen
+eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto,"
+en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze
+muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd
+eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt.
+
+
+
+Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat
+de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna
+elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen,
+voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond,
+de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter
+merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den
+loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste
+tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en
+zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van
+de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons
+gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over
+den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van
+de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en
+ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende
+Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een
+zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas,"
+Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke"
+enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin
+later de zoozeer geprezene "_lingua Toscana_" bloeide.--Ook het oude
+Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen
+der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde,
+welluidende taal.
+
+Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in
+dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben,
+want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd
+worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig,
+volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen,
+zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het
+oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo
+zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt
+het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de
+oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en
+moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten,
+alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid
+van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het
+welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden.
+
+De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn,
+doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen,
+b.v. in "_madre_" in plaats van _mater_, "_imperatore_" in plaats
+van _imperator_. De scherpe _t_ verzachten zij in de zachtere _d_,
+b.v. "_lido_" in plaats van _litus_, "_podesta_" in plaats van
+_potestas_. De _l_ in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen
+in eene _i_ b.v. _fiamma_ in stede van _flamma_, "_piangere_"
+in stede van _plangere_. Evenzoo worden de gehemelte-letters
+meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. _vox_ tot "_voce_",
+_occidere_ tot "_uccidere_". De vermoeiende geadspireerde _h_ aan
+het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als _u,_
+b.v. "_uomo_" in plaats van _homo_. Zulk een verzachtende _u_ wordt
+ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe
+_o_ geplaatst b.v. "_suono_" in plaats van _sonum_. De zachte _v_
+vervangt dikwijls de plaats der harde _p_ of _b,_ b.v. "_tavola_"
+in plaats van _tabula_, "_avere_" in plaats van _habere_. Dit zijn
+slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een
+Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren
+wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene
+verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren
+zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt.
+
+
+
+Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting
+van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië,
+onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de
+vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen,
+tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het
+Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende
+toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd
+tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten
+het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de
+rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook
+oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn,
+zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de
+woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der
+Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht
+werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de
+majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen
+mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als
+op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming
+eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De
+zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke
+Italiaansche uitspraken der "_Bocca Romana_," beroemd.
+
+Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van
+den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar
+ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen
+wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest,
+bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in
+deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is
+de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking
+van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat,
+de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van
+den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden,
+hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de
+zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie
+in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven
+is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het
+drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters
+aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij
+hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen
+heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn
+allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen
+een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en
+erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar
+vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning
+hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot
+eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk
+hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft
+met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met
+de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen
+schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer
+te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de
+gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en
+karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige
+en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen,
+zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna
+alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog
+voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil"
+enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en
+namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten.
+
+Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen,
+die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en
+Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel
+vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne
+geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime
+met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle
+Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt.
+
+Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger
+dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook
+in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe
+tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging
+om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te
+zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur
+van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de
+verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen
+om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht
+zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter,
+die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze
+neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort,
+Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals
+Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft
+dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de
+daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn",
+"bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen.
+
+De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie,
+muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig
+proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle
+Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is
+een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van
+hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische,
+kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië,
+verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op
+hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks
+300 jaren achtereen tot de daarstelling van een _Italia Unita_
+medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte,
+waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element
+is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen
+in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa
+verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen
+land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat
+zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden
+Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks
+is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch"
+discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk
+ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken.
+
+Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier
+denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder
+van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische
+en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische
+geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke
+literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin
+de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp
+afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië
+overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en
+afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en
+natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken
+tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst,
+karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk
+denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien
+nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen
+en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs",
+"Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik
+boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele
+schiereiland, den eersten grond tot een _Italia Unita_ legden, zoo mag
+toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, _alle_ overoude en
+met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen
+verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende
+Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche
+moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door
+dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn.
+
+Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste
+hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk
+nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede
+samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de
+hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover
+de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen
+eenigen nationalen geest bemoeilijkt.
+
+Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen
+om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij,
+machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en
+denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden
+aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het
+zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek
+aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren
+dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude
+Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en
+beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene
+onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig
+ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt,
+maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich
+verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië
+heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, _nooit_
+geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken
+bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor
+lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange
+perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog
+altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven,
+en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke,
+innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in
+het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk,
+waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig
+medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei
+hebben zal.
+
+
+
+
+
+
+DE SPANJAARDEN.
+
+
+Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen
+bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd,
+het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige
+physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het
+hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, _Hesperia_ (het
+Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger,
+door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat
+van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft
+het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen
+der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas
+vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche
+schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij
+naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een Afrika in het klein,
+een Europeesch Afrika willen vormen. Eerst toen de Oceaan in de
+eens geheel afgeslotene Middellandsche Zee binnendrong en de poort
+van Herkules uitgroef, kwam dit miniatuur-Afrika, wat de samenhang
+met het vaste land betrof, aan de zijde van Europa, kwam het, in
+physikalischen, ethnographischen en anderen zin, onder haren invloed,
+maar bleef toch steeds ook in velerlei opzichten in gemeenschap met het
+naburige Zuidland, waarnaar het, om zoo te zeggen, voortdurend zijne
+hand uitstrekte.--De geheele natuur van het Pyreneesche schiereiland
+schijnt dientengevolge een mengsel van het Zuiden en het Noorden.
+
+Het heeft warmere en droogere landstreken dan eenig ander gedeelte van
+Europa. Zijn klimaat brengt hier een daar het suikerriet, den palm en
+andere zuidvruchten tot rijpheid, en op zijn zuidelijkst punt hebben
+zelfs, wat hun anders nergens mogelijk was, de koude-schuwende dieren
+der keerkringen, de apen, en naast hen de Afrikaansche kameleons, hunne
+woonplaatsen kunnen opslaan.--In het scherpste contrast daarmede,
+vindt men ook Spaansche bergstreken van zoo ruwe temperatuur,
+dat zelfs onze Noordsche woudbewoner, de beer, er zich te huis
+gevoelt.--Uitgestrekte streken van dit groote schiereiland zijn even
+woest en dor, als de melancholische woestijn van Sahara of de Duitsche
+heidevelden van Lüneburg. En ook weder treft men er gedeelten aan,
+die, in liefelijkheid en natuurschoon, alles overtreffen wat ons
+werelddeel aanbiedt.
+
+De _Sierras_, die getakte, onregelmatig getande _rots-zagen_
+van Andalusië en Grenada, waarop nauwlijks ooit een boom wortels
+geschoten heeft, zijn bedekt met reusachtige granietblokken
+en marmer-massa's van allerlei kleur, en hare ontoegankelijke
+kruinen hebben veel overeenkomst met puntige kegels, die zich in
+het altijd helder blauwe hemelsgewelf schijnen in te boren.--In den
+schoot dezer Sierra's echter, zijn vruchtbare dalen verscholen, wier
+plantengroei en weelderige schoonheid zich de levendigste verbeelding
+niet tooverachtiger droomen kan.--Deze heerlijke dalen, waarin de
+welriekendste Flora de lucht met hare geuren doortrekt, schijnen, naar
+de poëtische volks-uitdrukking der Spanjaarden, door de engelen des
+hemels als hunne wiegen, in den boezem der rotsen ingelaten te zijn.
+
+Het ernstige, treurige, sombere echter heeft over het algemeen
+den boventoon. Onmetelijke boomlooze, verbrande vlakten, eenzaam en
+doodstil, "als geschapen voor het gebed van boetedoende anachoreten,"
+breiden zich wijd en zijd door het binnenste van Spanje uit.--De
+lucht is daar scherp en droog, verschrikkelijk heet gedurende het eene
+jaargetijde, en snijdend ruw gedurende het andere. Te vergeefs zoekt
+men daar de zachte velden, de steeds door luwe, zachte westenwinden
+beademde tuinen van Italië, te vergeefs de frissche heerlijkheid, het
+zachte groen der Duitsche wouden met hun vroolijk vogelengekweel. Die
+zachte, rustige vroolijkheid van het groene woud- en weidentapijt, ligt
+over Spanje niet uitgespreid, wiens natuur wel--zelfs in zijne sombere
+gedeelten--_verheven_, maar niet altijd tot het gevoel sprekende, wel
+hier en daar _prachtig_, maar slechts zelden bewoonbaar en gemoedelijk
+is.--Zij hult zich, om zoo te zeggen, in een schilderachtig gedrapeerd
+overkleed, dat wel uit een grof weefsel bestaat, maar met gouden
+treswerk, edelgesteenten en paarlen bezet is.
+
+De beroemde "_Vega_" (beemden) van Grenada--het bekoorlijke
+weidebloemen-plateau van _La Serena_, dat nu de Merinos-schapen
+beweiden,--het weelderige Andalusië, waarover de hoorn des overvloeds
+zijne natuurgaven uitgestrooid heeft, dat reeds de ouden roemden,--de
+rijk bevochtigde "_Huerta_" (tuin), in wier schoot Valencia ligt,--zijn
+eenige dezer paradijzen, die den voet der berg-plateau's van het
+Pyreneën-land bijgevoegd of aangehangen zijn, met welke ook het
+binnenland hier en daar doorweefd is, en in welke de zuivere lucht,
+de krachtige zonnestralen en de rijkelijke dauw van deze hemelstreek,
+alle planten en producten eene weelderige fijnheid en zachtheid van
+kleuren, een glans geven, die de zinnen bekoort.
+
+Wanneer men deze weinige, zoo scherp tegen elkander overstaande,
+grondtrekken van hun vaderland, bij elkander voegt, meent men
+reeds het portret der bewoners zelven geteekend te hebben, en
+de in het oog loopende eigenschappen van hun karakter, zoomede de
+wisseling der lotgevallen die daartoe de aanleidende oorzaak waren, te
+herkennen.--Even als in het _klimaat_ en in de _natuur_, zoo openbaart
+zich ook in de geschiedenis van het land een aanhoudende strijd, eene
+voortdurende vermenging van Zuidelijke of Oostersche en Noordsche
+of Europeesche invloeden en elementen.--Als de koude Noordenwinden,
+zoo stormen Noordsche volken over de Pyreneën het land binnen, en
+even als de heete "Solano", trekken uit het Zuiden Afrikaansche
+volken tegen de natie op.--En het Spaansche volks-karakter, dat
+uit deze vermenging ontstaan is, is even als het land, een zeer
+scherp geteekend beeld zonder halflichten en schaduwbeelden, in de
+hoogste plaats phantastisch, vol hoogen zin; vol gloeienden trots,
+vol koude koenheid,--op al wat gemeen of middelmatig is minachtend
+nederziende--rustig en onverschrokken aan het grootste ongeluk het
+hoofd biedende,--haat en liefde vereenigende,--rijk aan de scherpste
+contrasten, even als die woeste Sierra's met de daar aan, als het
+ware, hangende paradijzen,--in staat tot de bitterste wraak en tot
+de schoonste deugd, grootmoedig en toch wreed,--uit onverschillige
+gevoelloosheid tot stormachtige uitgelatenheid, uit trage rust
+en stijve onbeweeglijkheid tot de onstuimigste werkzaamheid
+overslaande,--geestig en onwetend, vrijmoedig en achterhoudend,
+lichtgeloovig en tegelijkertijd wantrouwend, zooals veranderlijke,
+dweepachtige phantastici zulks gewoonlijk zijn.
+
+De eerste menschen van dit soort, die de geschiedenis ons in Spanje
+aanwijst, zijn onder den naam "_Iberiërs_" bekend. Vóór hen schijnt
+_geen_ ander volk in Spanje gewoond te hebben, zij schijnen de
+oorspronkelijke inwoners, de vroegste die het land in bezit namen,
+geweest te zijn, waarvan nog slechts een gering gedeelte, de
+zoogenaamde "Basken," bestaat.
+
+Deze oude Iberiërs zijn niet alleen in Spanje, maar naast de Finsche
+stammen wellicht ook in geheel Europa het oudste volk. Daarvoor
+spreekt onder anderen de omstandigheid, dat zij het uiterste,
+westelijk gedeelte van ons vasteland bewoonden, waarheen zij door
+de hen later natrekkende Indo-Germanen, de voorvaderen der Grieken,
+Romeinen, Celten en Germanen, gedrongen werden.
+
+Wijl men eenige gelijkheid der Iberische taal met de talen van
+Afrikaansche volken ontdekte, heeft men somwijlen gemeend, dat
+Spanje ook deze vroege bevolking uit Afrika gekregen heeft. Dit was
+voornamelijk eene hypothese van den grooten Duitschen philosoof
+Leibnitz. Maar veel meer omstandigheden wijzen daarheen, dat de
+Iberiërs, even als andere Europeesche volken, langs de Middellandsche
+zee uit het Oosten gekomen zijn.--Want ook op Sicilië en de andere
+Italiaansche eilanden, ook in Zuidelijk Frankrijk, worden ons Iberiërs
+als de allereerste elementen der bevolking aangewezen. Daar werden
+zij door hun nakomende en het land binnentrekkende vreemdelingen
+overstroomd, en nu waren zij wel genoodzaakt zich in massa
+verder Westwaarts te begeven. De overblijfselen, die onder vreemde
+opperheerschappij zijn achtergebleven, geven nog den weg aan, langs
+welken zij trokken. Behalve deze richting uit het Oosten, dien
+oorsprong uit Azië, die gemeenschappelijke moeder der Europeesche
+menschheid, kan men anders weinig ontdekken, wat de Iberiërs met de
+overige Europeanen gemeen hadden.
+
+Hunne taal, die wij nog heden ten dage bij de Baskiërs in de Pyreneën
+hooren, is zoo eigenaardig, volgens de nieuwste onderzoekingen onzer
+taalvorschers, zoo geheel verschillend van alle andere taaleigens
+van Europa, dat men noch eenige verwantschap met die der Celten,
+noch met die der Germanen of Grieken ontdekken kan.--Men heeft in de
+verwijderdste oorden der Aarde naar eenige verwantschap met dit zoozeer
+geïsoleerde ras en taal gezocht. Eenigen hebben gelijkenis bij de
+Finnen, anderen zelfs bij de Indianen van Noord-Amerika willen vinden.
+
+De Iberiërs hadden het geheele Pyreneesche schiereiland in bezit,
+maar reeds toen de geschiedenis gewag van hen begon te maken,
+woonden zij daar niet meer alleen.--Reeds een ander groot volk had
+zich over hen heengestort. Hunne oostelijke naburen en opdringers,
+de "Celten," de voorvaders der Franschen, die hen uit Azië naar het
+Westen gevolgd waren, die hen reeds uit Italië en Zuid-Frankrijk
+verdreven hadden, waren van uit het tegenwoordig Frankrijk over de
+Noordelijke grensbergen getrokken, en hadden groote gedeelten van
+het Pyreneesche schiereiland betrokken. Deze eerste verdrukking van
+Spanje, van de zijde der bewoners van Frankrijk, dit vroegste spoor der
+door de geheele geschiedenis merkbare, en de tot op den huidigen dag
+voortdurende ijverzucht tusschen Spanjaarden en Franschen, verliest
+zich eveneens buiten den tijd der geloofwaardige geschiedenis.--Dit
+moet een overoud iets zijn, want toen de Romeinen deze verhoudingen
+leerden kennen, waren de gasten uit Gallië, in zeden en taal, reeds in
+hooge mate Iberisch, dat wil zeggen Spaansch geworden.--Zij verschilden
+reeds geheel en al van de Celten in Gallië, en werden daarom ook
+"_Celto-Iberiërs_" of Iberisch gewordene Celten genoemd.--Nevens hen
+woonden nog in grootere massa de oude onvermengde oorspronkelijke
+bewoners, zoowel in de gebergten van het Noorden en het Oosten,
+als ook langs de kusten der zee, in vele volkssoorten verdeeld,
+waarvan eenige, b.v. de heldhaftige Cantabriërs en de Basconen,
+(de tegenwoordige Baskiërs) in het Noorden, en de Lusitaniërs, de
+voorvaderen der Portugezen, in het Westen, hunnen naam bijzonder
+beroemd gemaakt hebben.
+
+Het is niet weinig te betreuren, dat een Tacitus ons niet de zeden
+dezer Iberische voorouders der Spanjaarden, even als die der Germanen,
+geschilderd heeft.--Het weinige echter, wat wij van hen hooren,
+wijst daarheen, dat wij hun karakter en hun gansche wijze van zijn,
+als de ware bron en grondoorzaak der nationale eigenaardigheden onzer
+hedendaagsche Spanjaarden moeten beschouwen; dat wij den oorsprong
+en het begin der meeste eigenschappen van de moderne Spanjaarden,
+te zoeken hebben bij de oude Iberiërs, wier oorspronkelijke natuur,
+trots alle daarop door latere volksverhuizingen uitgeoefende invloeden,
+om zoo te zeggen, altijd weder boven kwam drijven.
+
+De oude Iberiërs leefden, ten gevolge van de gesteldheid van hun door
+bergen doorsneden land en hun nationaal karakter, verbrokkeld in
+tallooze scherp van elkander afgescheidene stammen. Zij kenmerkten
+zich door eene diep gewortelde en hartstochtelijke liefde voor
+hun geboorteland, dat zij met hardnekkigheid verdedigden.--Zij
+waren echter weinig geneigd, zich te plaatsen onder de vanen van
+machtige aanvoerders, en groote ondernemingen in den vreemde uit te
+voeren. Het patriotisme, waarmede zij een hunner steden, Numantia,
+tegen de Romeinen verdedigden, is door hunne tijdgenooten algemeen
+geprezen geworden, en men heeft deze verdediging van het oude Numantia,
+dikwijls vergeleken met die van Saragossa tegen de Franschen, die
+door onze grootouders bewonderd werd.--Als men de geschiedenis dezer
+beide, tijdelijk zoo ver van elkander verwijderde, handelingen leest,
+meent men dikwijls juist denzelfden gang van gebeurtenissen waar te
+nemen;--dezelfde verschijnselen doen zich voor, ja men zou zeggen,
+dezelfde persoonlijkheden treden op.
+
+De oude Iberiërs gebruikten tot het oorlogvoeren geene groote legers,
+maar kleine, zeer beweegbare benden "op de manier der roovers,"
+zooals reeds de Griek _Strabo_ zegt, terwijl hij er bijvoegt: "de
+Iberiërs waren alleen geschikt tot het doen van kleine ondernemingen"
+(wij zouden zeggen tot het voeren van guerilla-oorlogen).--Wanneer men
+hetgeen de Romeinen over deze wijze van oorlogvoeren zeggen, vergelijkt
+met hetgeen wij in deze eeuw, bij de gevechten van _Don Carlos_ en
+bij verschillende andere gelegenheden hebben kunnen waarnemen, dan
+is men geneigd te gelooven, dat nog nu in Spanje in hoofdzaak weinig
+veranderd is in de oude, het volk kenmerkende manier van vechten en
+oorlogvoeren.--De veldtochten van Don Carlos tegen de nieuwe monarchie,
+die van den ouden Spaanschen held Viriathus tegen de Romeinen; later
+die van den vluchteling _Pelayo_ tegen de Arabieren, gelijken, niet
+alleen wat de hoofdgebeurtenissen betreft, maar ook in de bijkomende
+episodes, in zoo hoogen graad op elkander, dat men in de verzoeking
+komt te gelooven, dat dit alles niets anders is dan de herhaling van
+hetzelfde feit, naar hetzelfde beraamde drama. Wij herkennen in de
+Iberische patriotten en krijgslieden die Plutarchus beschrijft, de
+Spaansche soldaten der midden-eeuwen en ook die van den nieuweren tijd.
+
+Maar ook de geschiedenis van zulke weinig wezenlijke zaken, als
+b.v. nationale-dansen zijn, schijnt zich in Spanje in den grijsten
+voortijd te verliezen.--De schilderingen, die Romeinsche schrijvers
+van de kunst der Iberische danseressen, van hare levendige bewegingen
+en gesticulaties bij den klank der castagnetten, van hare lenigheid en
+hare uitdrukkingvolle muziek geven, pleiten ten voordeele der stelling,
+dat die Iberische dansen niet anders geweest zijn dan de tegenwoordige
+"Fandango's" en "Boleros," in de uitvoering waarvan de Spanjaarden
+heden ten dage nog evenzeer bewonderd worden, als hunne voorouders
+ten tijde der Romeinen.
+
+Even als met de dansen en de guerilla-oorlogen, zoo staat het ook
+met de overeenkomst van vele andere zaken, die de oude en de nieuwe
+Spanjaarden met elkander gemeen hebben, en die over het algemeen
+bewijzen, dat de gezamenlijke bevolking van Spanje, trots alle
+vreemdsoortige toe- en bijvoegsels, die zij in den loop der tijden
+gekregen heeft, nu nog in haar _wezen_ berust op de primitieve,
+nog niet vergane Iberische elementen; dat men haar in hoofdzaak als
+Iberisch beschouwen mag, en men haar land nog zeer te recht met den
+ouden naam "_Iberisch schiereiland_" benoemen mag.
+
+Volkomen zuiver en onveranderd is het oude beeld der Iberiërs nog
+heden ten dage, zooals gezegd is, bewaard gebleven in de interessante
+blauwoogige en blondharige bewoners van den noordwestelijken
+bergachtigen hoek van Spanje, de zoogenaamde Baskische provinciën,
+waarheen slechts de uiterste voorposten der Romeinsche, Arabische
+en andere volken, die het land overstroomden, gekomen zijn.--Deze
+Baskiërs geven ons nog heden ten dage het echte beeld van die "wilde,
+stijfkoppige, onbuigzame, trotsche, maar tegelijkertijd ook vroolijke,
+goedhartige en vergenoegde oudste Spanjaarden," en zij beroemen zich,
+in hunne dalen de oudste adellijke geslachten van het schiereiland
+te bezitten.--Als op zich zelve staande klippen rondom door andere
+volken-baren omspoeld en waarvan hier en daar stukken afgeslagen
+zijn, steken deze oude geslachten boven de stroomen uit, die over
+hunne andere Spaansche medebroeders heenstroomden. Van den _naam_
+der Iberiërs getuigt heden ten dage nog zeer duidelijk de naam van
+de bekende rivier Ibero of Ebro. Ook bestaat nog in de tegenwoordige
+Spaansche taal menig Iberisch element, zooals ook nog vele namen van
+beroemde Spaansche steden niets dan later gewijzigde oud-Iberische
+namen zijn.
+
+Het is hoogst waarschijnlijk, dat de Iberiërs, even als in het Noorden
+met de Galliërs of Celten, zoo ook in het Zuiden met hunne naburen
+in Afrika, van ouds aanhoudend in twist leefden, en dat zij van daar
+reeds invloeden en koloniën ontvingen, waarvan onze overleveringen
+niet meer gewagen.
+
+Als den eersten _bekenden_ inval _van daar_ kan men de stichting van
+koloniën in Zuidelijk Spanje, door de Pheniciërs en Carthagers, de
+stamgenooten en voorgangers der Arabieren, beschouwen. De Pheniciërs
+bouwden daar Cadix, Malaga en eenige andere beroemde steden. Toch
+schijnen zij als _zeelieden_, even als de Grieken, die ook in Spanje
+eenige koloniën, zooals Saguntum, stichtten, hunne havens en den
+kustrand slechts zelden verlaten te hebben, en het binnenste gedeelte
+van het land niet diep binnengedrongen te zijn. Zulks neemt echter
+niet weg, dat nog heden ten dage, verscheidene zaken in Spanje aan de
+aanwezigheid der Pheniciërs herinneren, zooals b.v. de naam "Spanje"
+zelf, die naar men meent van Phenicischen oorsprong is.
+
+De Carthagers, die de voetstappen der Pheniciërs, hunne vaders,
+volgden, verbreidden zich _verder_ in het land, stichtten daar talrijke
+koloniën, ontginden meer de zilvermijnen van het schiereiland, en
+besloten eindelijk, ten einde tegen hunne aartsvijanden, de Romeinen,
+met wie zij om de wereldheerschappij streden, een vaste burcht te
+winnen, geheel Spanje aan zich te onderwerpen.--Zij zonden hunne
+beste veldheeren, de _Hamilkars_, de _Hasdubrals_ en _Hannibals_ daar
+heen, en deze veroverden, in eene reeks merkwaardige veldtochten,
+het grootste gedeelte van Spanje.--Daar de Carthagers zelven reeds
+sedert lang halve Afrikanen geworden waren, en zij als soldaten en
+begeleiders _dezelfde_ volken naar Spanje overbrachten, die later
+_weder_ met de Arabieren kwamen, voornamelijk de Mooren, Barbarijers
+enz. zoo kan men dit als den _eersten_, door de geschiedenis eenigzins
+nauwkeurig bekenden groooten _Moorschen_ of Afrikaanschen inval in
+Spanje beschouwen.
+
+De naam der door den Carthager Hasdrubal gestichte stad _Carthagena_,
+getuigt onder anderen van de aanwezigheid der Karthagers in Spanje. Het
+is een Punische naam, die zelfs in zijn Afrikaansch geboorteland nu
+verdwenen is.
+
+Na eenigen tijd echter, moesten de Carthagers op het Pyreneesche
+schiereiland voor de Romeinen wijken, die vervolgens na hunne
+verdrijving, trachtten het geheele land te onderwerpen.
+
+Daar de Iberiërs even hardnekkig en heldhaftig waren in de verdediging
+van hun vaderland, als de Romeinen zulks waren in hunne pogingen
+om de _wereld te veroveren_, zoo duurde de strijd tusschen deze
+beide hardnekkige volken bijna twee eeuwen.--De veroverings- en
+bestrijdingsoorlogen in Spanje hebben zich, onder steeds hernieuwde
+guerilla-oorlogen, bijna bestendig op die wijze door de eeuwen
+heengeslingerd. Romeinsche schrijvers bejammeren het dikwijls,
+dat geene onderwerping hunnen veldheeren moeielijker gevallen is,
+dan die van Spanje. De onderwerping van Gallië door Cesar was, in
+vergelijking met die van Spanje, om zoo te zeggen een: "_veni, vidi,
+vici!_" (Ik kwam, zag en overwon.)
+
+Natuurlijk echter was ook de door de Romeinen doorgezette verovering,
+van langeren duur, van ingrijpender aard en meer doordringend, dan al
+de van de Celten, Pheniciërs en Carthagers uitgegane invallen.--Zij
+lijfden het geheele Iberische schiereiland stukswijze bij hun rijk in,
+en maakten het tot eene provincie, die langen tijd een der bloeiendste
+en volkrijkste gedeelten van het geheele groote Keizerrijk was.--Even
+als overal, zoo ook in Spanje, beschaafden en onderrichtten zij
+de inboorlingen op Romeinsche wijze, en beheerschten hen meer dan
+vier honderd jaren lang. Maar deze wijziging der nationaliteit ging
+niet zoover, dat men daardoor de Iberiërs tot in hart en nieren,
+naar geest en lichaam, tot volslagen Romeinen of Italianen maken
+kon. Het oude ras bleef veeleer in hoofdzaak hetzelfde, de naar het
+land overgeplante werkelijk Romeinsche kolonisten, waren natuurlijk
+betrekkelijk altijd slechts weinig talrijk. Alleen de schoolmeester,
+de korporaal, de advocaat, de gouverneur, waren Italiaansch.--De
+andere bleven Romeinsch sprekende, Romeinsch gekleede, met het
+Romeinsche burgerrecht begenadigde, maar voor het overige Iberisch of
+Spaansch denkende en gevoelende menschen.--De Spaansche legioenen,
+die de Romeinen op het Iberisch schiereiland aanwierven, behoorden
+lang tot hunne beste troepen, en nooit zijn, vóór de ontdekking van
+Amerika, de Spanjaarden de wereld verder ingetrokken, dan onder de
+Romeinsche vanen.
+
+Dat de Spanjaarden niettegenstaande de Romeinsche opleiding en
+ontwikkeling, naar den geest en het hart altijd Spanjaarden bleven,
+en dat zij reeds toen dezelfde eigenschappen bezaten of verkregen,
+die zij vroeger of later geopenbaard hebben, laat zich tamelijk goed
+aantoonen. Zelfs bij eene vluchtige vergelijking is het b.v. onzen
+historici niet ontgaan, hoe zeer vele Spaansche eigenaardigheden in
+de werken, den schrijftrant en de gedachten der beroemde Romeinsche
+schrijvers en dichters: _Seneca_, _Quinctilianus_, _Lucanus_,
+_Columella_, _Martialis_, die op het Pyreneesche schiereiland geboren
+werden, te vinden zijn. Misschien ligt er ook iets bepaald Spaansch
+in de houding, het karakter en de wijze van zijn, der beide groote
+Keizers _Trajanus_ en _Theodosius_, die geboren Spanjaarden waren,
+en die dit land aan den Romeinschen staat schonk.
+
+Een later Romeinsch, in Spanje geboren, dichter _Prudentius_, is
+volgens een historicus door en door Spaansch. "De hoogste dweeperij
+van het gevoel, moeielijk volgehoudene afleidingen, gewaagde sprongen
+en koene allegorische beelden," zegt de heer von _Schack_, "vindt
+men overal in de gedichten van _Prudentius_ even dicht bij elkander,
+als b.v. in de treurspelen van den modernen _Calderon_. Bij beiden
+dezelfde innigheid van gevoel en dezelfde verhevene beeldenpracht,
+naast de vervelendste langdradigheid en eindelooze herhalingen,--de
+fraaiste en schitterendste plaatsen naast uiterst vermoeiende en
+krachtelooze zinnen," die overal op de velden der Spaansche poëzie
+voor en na te voorschijn treden, even als in de natuur van het land
+de uitgestrekte dorre berg-plateau's en heidevlakten tusschen die
+"door de engelen toebereide dalen."--Deze Prudentius was zelfs,
+even als zijn landsman Quinctilianus, in dezelfde Spaansche provincie
+geboren, waaruit later de grootste dichters dier natie, een Calderon,
+een Cervantes, een Lopes de Vega ontsproten, namelijk in Castilië,
+het hart des lands.
+
+De inwerkingen der Romeinen op de Spanjaarden zijn duurzamer en van
+meer beslissenden aard geweest, dan die van eenig, ander voor of na
+hen, op het schiereiland verschenen volk.--Zij hebben de Iberiërs voor
+het vervolg van tijd aan dien tak van het Indo-Germaansche ras, dat men
+den Celto-Romaanschen noemt, verbonden, hebben hun eene Romaansche taal
+en beschaving gegeven, die de oude Iberische bijna geheel verdrong,
+en hebben hen daardoor tot broeders der Italianen en Franschen gemaakt.
+
+Op eene vreemde en nog weinig verklaarbare wijze, heeft zich deze
+welluidende, edele, rijke en trotsche Romaansche taal over alle
+deelen des lands,--met uitzondering van den Baskischen hoek--in
+verscheidene dialecten verbreid, en heeft zij zich later, zelfs
+onder de heerschappij der Gothen en Mooren, natuurlijk een weinig
+gewijzigd door den invloed van dezen, weten te bewaren en verder te
+ontwikkelen; zij is tot een boom met rijke vruchten van poëzie en
+literatuur opgegroeid, zooals geen der andere op Spaanschen bodem
+overgeplante of daar inheemsche tongvallen.--Zij is in woordvorming
+en buiging echt Romaansch, ja! in menig punt zelfs het Latijn nader
+gebleven, dan zulks met het Italiaansch het geval is.
+
+Even als hunne taal, zoo hebben de Romeinen ook hunne oude
+overleveringen, hunne mythen en hunne godenleer aan de Iberiërs
+medegedeeld. En even als bij andere Romaansche volken, zoo is ook
+bij de Spanjaarden de herinnering aan de Grieksch-Romeinsche oudheid
+levendig gebleven. "Nog heden ten dage moet de reiziger er zich
+over verwonderen, als hij hoort hoe de Spaansche landlieden in het
+binnenste van het land, de namen van Venus, Amor, Bacchus, Herkules en
+andere Grieksch-Romeinsche goden-namen in den mond hebben en dezen,
+even als de Sicilianen, nevens hunne heiligen aanroepen." Ook putten
+de oude en nieuwe dichters van Spanje, zoowel hunne allegoriën als
+de thema's voor hunne treurspelen, met zoo groot gemak uit de stoffen
+die de oude mythologie, de Trojaansche oorlog, de tocht der Argonauten
+enz. hun aanbieden, dat men wel ziet, hoe dit alles uit de tijden der
+Grieken en Romeinen bij hen populair en eigen geworden is, en niet,
+zooals bij ons, eerst door philologen en oudheid-onderzoekers onder
+het volk verspreid is.
+
+Even als in andere landen, zoo werd ook na de vijfde eeuw in Spanje, de
+heerschappij der Romeinen gevolgd door die der zich over geheel Europa
+verspreidende Germanen.--Het eerst trokken de Sueven en Vandalen,
+als voortroepen der Gothen, over de Pyreneën en wisten daar eene
+tijdelijke heerschappij te voeren; een gedeelte der Vandalen namelijk
+zette zich in de rijkste en zuidelijkste provincie van Spanje, in
+het dal van den Guadalquivir neder, maar weldra trokken zij van daar
+naar Afrika.--Deze Duitsche Vandalen lieten in Spanje weinig meer
+achter dan hunnen naam, die van toen af voor altijd aan dat paradijs
+"Vandalitia" of "Andalusia" eigen gebleven is.
+
+Op de Sueven en Vandalen volgden de West Gothen, die door onstuimige
+aanvallen te midden der Spaansche Romanen, hunne heerschappij in het
+land grondvestten en een Koningrijk stichtten, dat twee eeuwen bleef
+bestaan.--Daar deze Gothen zich door huwelijk als anderszins spoedig
+met de inboorlingen van het land vermengden, de taal en de zeden en
+na eenigen tijd ook den rechtgeloovigen katholieken godsdienst van
+dezen aannamen--daar zij dus mede Spanjaarden werden en zij verder hun
+onafhankelijk Koningrijk over het _geheele_ Pyreneesche schiereiland,
+en ook over Lusitanië of Portugal uitbreidden, zoo mag men het
+zoogenaamde Gothische tijdperk als het eerste tijdvak beschouwen,
+waarin de Spanjaarden een eenig vereenigd volk, een staat onder een
+opperhoofd uitmaakten--als een volk optraden.
+
+Want in de Iberische oudheid bestonden, zooals boven reeds opgemerkt
+is, slechts eene menigte naast elkander wonende stammen van hetzelfde
+ras--_later_ waren vele dezer stammen min of meer afhankelijk van
+de Pheniciërs, Carthagers, Grieken, en vermengden zij zich met
+dezen. Nog later was geheel Spanje niets meer dan eene Romeinsche
+provincie. Onder de Gothen echter had het geheele land één geloof,
+vormde het éénen staat, was het één volk. Aan hen moet men de
+schepping der _politieke_ onafhankelijkheid en het aanzien der
+Spaansche nationaliteit toeschrijven.
+
+Van hunnen tijd dagteekenen wellicht ook vele der eigenaardigheden en
+neigingen, die de geaardheid van het Spaansche karakter eigen geworden
+en gebleven zijn, b.v. hunne ernstige godsdienstigheid, hunne strenge
+rechtgeloovigheid en hun haat tegen allen, die zij ketters noemen;
+eene eigenschap, die reeds de Gothische Koningen, in eene wreede
+verdrijving der Joden en in andere maatregelen, openbaarden.--Hun oud
+Gothisch Koningrijk te herstellen, was ook later in de oorlogen met de
+Arabieren, om zoo te zeggen het ideaal, dat de Spaansche natie voor
+den geest zweefde, en toen zij dat ideaal eindelijk onder Ferdinand
+en Isabella bereikten, toen was onmiddellijk dezelfde daad, waarmede
+de oude Gothische Koningen van het tooneel der geschiedenis waren
+afgetreden--eene vreeselijke Jodenvervolging--weder een der eerste
+maatregelen, waarmede de katholieke Koningen de herstelling en de
+hereeniging van het oude rijk vierden. De geest der ketter-rechtbanken
+heeft zich dus, in het nationaal-karakter der Spanjaarden, lang voor
+men den naam "inquisitie" kende, geopenbaard.
+
+Zeer weinig Gothisch of Germaansch is in hunne taal overgebleven. Toch
+beschouwt men, als uit dien tijd afstammende: den harden klank die
+aan de Spaansche uitspraak eigen is, hunne harde gehemelte-letters,
+vooral ook de harde uitspraak der "_G_" voor "_e_" en "_i_", en zekere
+den Duitschers en Spanjaarden eigene wijzigingen der klinkletters,
+b.v. de verwisseling van de Latijnsche "_O_" in een tweeklank;
+Latijnsch: _corpus_, Spaansch _cuerpa_, Duitsch _Körper_; Latijnsch
+_populus_, Spaansch _puebla_, Duitsch _Pöbel_ enz.
+
+Iets meer Germaansch is in hunne staatsregeling, hunne zeden, hunne
+rechts- en maatschappelijke toestanden gebleven, wat zich gemakkelijk
+uit de omstandigheid laat verklaren, dat de Gothen langen tijd de
+machthebbers, de wetgevers en de overmachtige adel des lands bleven,
+terwijl hunne Romaansche onderdanen, de Romeinsche beschaving,
+de scholen en de literatuur in handen hadden.--De staatsregelingen
+der latere Koningen van het schiereiland, behielden nog lang een
+Gothischen grondslag en eene Germaansche tint, die eerst in den loop
+der tijden langzamerhand verminderde, en in onze negentiende eeuw
+geheel verdwenen schijnt te zijn.
+
+Sommigen gelooven, dat ook de wereldbekende adeltrots der Spanjaarden,
+hun door Germaanschen geest ingeboezemd is. "_Ser Godo_" (een Gothe
+zijn) heeft in eenige provinciën van Spanje nog de beteekenis:
+"_van goeden adel zijn_."
+
+Duitsche schrijvers en reizigers hebben ook het Duitsche ras, de hooge
+Germaansche gestalte en andere Duitsche eigenaardigheden, nu eens
+hier, dan daar, in Spanje willen terugvinden. Zoo verklaart b.v. de
+een alle _Castilianen_ voor echte Gothen-zonen, en gelooft zelfs, dat
+de Spanjaarden en Portugeezen _slechts_ ten gevolge van den hun door
+de Gothen aangebrachten avontuurlijken geest, de nieuwe wereld ontdekt
+hebben, en met behulp van hetgeen zij van de Duitschers ontvingen, nog
+lang na dien de voornaamste en koenste zeevaarders gebleven zijn.--Zoo
+ziet een ander in Catalonië niets dan Germaansch en Gothisch, terwijl
+men bij een derde leest, dat Asturië en Galicië en het Noordelijk
+gedeelte van Portugal, waaruit de flinke, sterk gebouwde menschen,
+de in Spanje zoo genaamde "Gallegos" (Galiciërs), voortkomen, "om
+overeenkomstig de Duitsche lust tot reizen, de Zuid-Spaansche en
+Zuid-Portugeesche streken als rustige, vlijtige arbeiders door te
+trekken, en later, even als de Duitsche handwerksgezellen, met de
+verkregene winst en ervaring naar het geliefde geboorteland terug
+te keeren, het _meest wezenlijk Germaansche_ gedeelte van geheel
+Spanje is," en dat ook bij voorkeur van daar uit, het verwonderlijke,
+poëtische en phantastische waas van het Germaansche en Gothische
+Noorden, over de overige Spaansche landen bezielend heengewaaid is.
+
+Inderdaad! deze laatste bewering vooral, kan iets waars tot grondslag
+hebben; want in dien Noord-Westelijken hoek hebben zich, bij den
+inval der Mooren, de meeste overblijfselen der Germaansche elementen
+opgehoopt. De Mooren hebben daar slechts ter loops bezoeken gebracht,
+en de geheele herbouwing van het Nieuw-Gothische rijk en de Spaansche
+nationaliteit, is ook van daar uitgegaan. Ook droeg juist dit gedeelte
+van het Pyreneesche schiereiland, in de middeneeuwen nog lang den naam
+"_Gothia_" (Gothenland), en zelfs nog tot op den huidigen dag noemt men
+in Zuid-Amerika, de Spaansche landverhuizers en kolonisten uit Asturië
+en Galicië "Godos" (Gothen).--Over het geheel echter mag men niet te
+veel waarde hechten aan de voorstelling, dat nog vele Germaansche,
+aan het bloed en de afstamming klevende, geestelijke en lichamelijke
+eigenaardigheden in Spanje te vinden zijn,--ofschoon somwijlen de
+Spanjaarden zelven, als zij in hun land een Duitscher ontmoeten,
+indachtig aan hunne oude Gothische voorvaderen, zeer vriendelijk
+plegen op te merken: "_Somos Hermanos_" (wij zijn immers broeders).
+
+De Duitschers hebben zich, als ras, nooit en nergens zoo hardnekkig
+en vast bewezen, als b.v. de Romeinen of als vele Aziatische
+stammen. Voornamelijk in de warme klimaten van Europa zijn zij spoedig
+geabsorbeerd geworden, minder in het Noorden, b.v. in Engeland. Ook
+kwamen zij niet in zoo grooten getale en niet zoo frisch en direct uit
+Duitschland naar Spanje, als zij b.v. naar Engeland gekomen zijn, maar
+eerst nadat zij reeds in andere Romeinsche provinciën rondgetrokken
+en woonachtig geweest waren, nadat zij daar waarschijnlijk reeds veel
+van hun oorspronkelijk Duitsch wezen verloren hadden.--Van Duitsche
+vrouwen hooren wij bij de Spaansche Gothen nooit iets. Hunne Koningen
+en voornamen trouwden al ras met voorname Spaansche vrouwen. Hieruit
+laat het zich gedeeltelijk verklaren, dat het Duitsche element in de
+Spaansche taal zoo zwak vertegenwoordigd is.
+
+Op den inval der Gothen uit het Noorden, volgde na eenigen tijd, in het
+begin der achtste eeuw, nogmaals eene hoogst belangrijke overstrooming
+uit het Zuiden, uit Afrika, langs den weg vroeger door de Pheniciërs
+en Carthagers genomen.--De toen ter tijd in Afrika en Azië machtige
+Arabieren trokken over de straat van Gibraltar, en vernietigden, tot
+op een klein gedeelte na, het Gothische rijk.--Even als de Carthagers,
+brachten zij vele stammen van het Noord-Afrikaansche stamvolk, de
+Barbaryers, met zich mede. Door de Spanjaarden en Portugeezen werd dit
+Afrikaansch-Aziatische, tot den Islam bekeerde volkenmengsel "Mooren"
+genoemd, omdat zij het laatst kwamen uit de, het dichtst bij het
+schiereiland gelegene Barbarysche provincie, die sedert oude tijden het
+"Moorenland" (Mauritanië) heette.--Zoo lang de Mahomedaansch-Arabische
+wereld een machtig, wanneer ook al niet altijd staatkundig, een eenig
+lichaam vormde, dat door dezelfde sappen gevoed werd, kwamen met de
+Arabieren ook gedeelten van andere Aziatische volken naar Spanje. Zij
+voerden er Syriërs en Perzen, en gedurende den laatsten tijd dat zij er
+vertoefden, ook Turken heen.--Al die Oostersche volken trokken eeuwen
+lang uit het binnenste van Marocco en uit Westelijk Azië naar Spanje,
+als ware dit land een tot hun Oosten behoorend gebied, en de prachtige
+steden, die zij daar bouwden, bevolkten en opsierden: "Korthoba"
+(Cordova), "Ischbilia" (Sevilla) enz. waren bij de patriotten van
+Egypte of Yemen, even zoo gevierd als Kaïn, Aleppo of Damascus.
+
+Nadat deze verschillende, met de Arabieren overgewaaide
+buiten-Europeesche rassen daar een tijd lang gewoond hadden, nadat
+zij daar een eigen, volkrijk en van het groote Kalifaat afgezonderd
+Koningrijk gesticht hadden, toen onder hen op Europeeschen bodem
+eene bloeiende beschaving wortel geschoten had, versmolten zij in
+meerdere of mindere mate tot _een_ volk, waarvan het hoofdkarakter
+en de taal wel Arabisch waren, maar dat zich ten langen laatste van
+zijne landslieden in Afrika en Azië evenzeer onderscheidde, als nu de
+Europeesche Turken van hunne Aziatische broeders in de steppen.--Er
+ontstond eene afzonderlijke Spaansch-Arabische nationaliteit, die trots
+de taaiheid, die aan alle Aziatische en Afrikaansche rassen eigen is,
+meer of minder van de Europeesche natuur, en de volkenfamilie waarin
+en waarmede zij leefde, moest aannemen.
+
+In het noordelijke, bergachtige Spanje, in de Pyreneën en hare
+voortzettingen, in het oude, schier niet veroverde land der Cantabriërs
+en Baskiërs, dat door de Carthagers slechts ter loops aangeraakt
+was, waarin de Romeinen zich _nooit_ recht te huis gevoeld hadden,
+verschenen ook de Arabieren niet anders dan als _trekvogels_. Eene
+lijn, die men van daar naar Gibraltar trekt, doorsnijdt het eerst
+streken, die de Mooren slechts nagenoeg 40 of 50 jaren in hun
+bezit hadden;--vervolgens gedeelten, waarin zij langer dan eene
+eeuw woonden,--eindelijk geheel in het zuiden, dicht bij Afrika,
+streken, die zij bijna 800 jaar als hun vaderland beschouwden. In
+al de schoone provinciën van het Pyreneesche schiereiland, die van
+Lissabon uit door de straat van Gibraltar tot aan Barcelona toe,
+hare dalen en hare kusten naar Afrika gekeerd en geopend hebben,
+zijn zij in de _grootste_ getalsterkte gekomen, en daar hebben zij
+zich, _eerst_ als onafhankelijke heeren van het land, _daarna_ als
+onderdanen der Spaansche Koningen, het langst staande gehouden.
+
+Daar zij gedurende den tijd hunner heerschappij steeds meer en meer
+kolonisten uit Afrika aanvoerden; daar zij zich in het vruchtbare land
+zelf aanzienlijk vermeerderden, zoo maakten zij ten langen laatste in
+deze provinciën, met name in Andalusië, Grenada, Murcia en Valencia,
+niet alleen het meerendeel uit der in de steden wonende burgers,
+maar bewoonden zij ook overal als landbouwers naast de inboorlingen
+het land. Door de vlijtigste industrie en ontginning, gaven zij aan
+de vruchtbare dalen dezer streken eene zoo dichte bevolking, eene
+zoo zorgvuldige bebouwing, een zoo lachend uiterlijk, als geen volk
+voor of na hen in staat is geweest ze te verleenen.--Verscheidene
+hunner met de prachtigste moskeeën, sierlijkste paleizen, talrijke
+inrichtingen voor onderwijs en ter bevordering van het volks-welzijn,
+met tuinen en waterwerken versierde steden, telden hare inwoners
+bij honderdduizenden.
+
+Het aanvankelijk zoo heftige fanatisme, waarmede de Arabieren
+hun vaderland in Azië verlaten hadden, en waarmede zij Egypte
+en Noord-Afrika verwoestend waren binnengevallen, was bij hunne
+aankomst in Spanje reeds merkelijk getemperd. In Spanje hebben zij
+aan de voorschriften van den Koran, met betrekking tot de hun daar
+ontmoetende vreemdgeloovigen, eene zoo zacht mogelijke uitlegging
+gegeven. De Spaansche Christenen, wier landen zij daar veroverden,
+werden niet te zwaarde verwoest, maar alleen tot schatplichtige
+onderdanen gemaakt, die slechts eene matige belasting behoefden
+op te brengen. Zij bleven in massa naast en onder de Arabieren
+wonen. De Moorsche heerschers belemmerden de godsdienstoefeningen
+der overwonnenen door geene wreede dwangmaatregelen. Den Christenen
+werd de uitoefening van hunnen godsdienst en de vervulling hunner
+geestelijke betrekkingen vrijgelaten. Zij behielden aanvankelijk
+in alle steden, zelfs in de residentie van het rijk, Cordova hunne
+bisschoppen en kerken, zij mochten zich in de kerken zelfs van de
+klokken bedienen, wat, zooals bekend is, tot in den laatsten tijd
+niet eens aan de Duitsche protestanten, in eene groote residentie van
+een Duitsch vorst toegestaan was,--De meeste Spaansche onderdanen
+der Mooren leerden de Arabische taal, die veel fijner beschaafd en
+wetenschappelijker was dan hun Gothisch-Romaansch patois,--namen hunne
+Arabische zeden en gewoonten aan, en werden dikwijls de leerlingen der
+meer beschaafde en meer wetenschappelijk ontwikkelde Arabieren.--Vele
+van deze Spaansche Christenen, de Katholieke heiligen-aanbidding
+en martelaars-vergoding moede, gingen tot den Islam over. Vele
+der Mahomedanen ook, ofschoon zulks veel zeldzamer voorgekomen is,
+lieten zich doopen. Huwelijken tusschen Christenen en Mooren, onder
+voornamen en geringen, waren veelvuldig.--En zoo waren al ras eene
+menigte draden gesponnen, waardoor beide rassen zich met elkander
+verbonden en vermengden; vele bruggen, wegen en kanalen gevormd,
+waardoor het Arabische bloed in het lichaam van het Spaansche volk,
+zoover dit door Arabieren beheerscht was, binnenvloot.
+
+De Mooren zelven werden, zooals boven gezegd is, gedurende hun
+oponthoud in Spanje, reeds een weinig gehispaniseerd. Evenzoo
+werden hunne christelijke onderdanen, niettegenstaande zij hun
+geloof behielden, veelvuldig gearabiseerd, hadden zelfs ook onder
+zich in hunne eigene kerkelijke gemeenten, menschen van Moorsche
+afkomst. Evenzoo ontstond er weldra eene burgerklasse van gemengden,
+die uit de, niet zelden voorkomende, huwelijken tusschen Mooren
+en Spanjaarden ontstond. Reeds de tweede stadhouder der Califen
+in Spanje huwde met eene Gothische Prinses. Deze gemengden werden
+aanvankelijk "Moz-Arabieren" genoemd. En ten slotte noemde men alle
+onder de Arabieren wonende Spanjaarden "Moz-Arabieren", dat is:
+gearabiseerde Christenen.
+
+Hadden de Arabieren zich voor altijd in het bezit van het _geheele_
+Pyreneesche schiereiland weten te handhaven, dan zou op gezegde
+wijze, waarschijnlijk een eigendommelijk volk, met sterk in het
+oog springenden Arabischen toon op het Romaansch-Iberisch fundament
+ontstaan zijn. Daar zij echter een gedeelte van het land onveroverd
+lieten, en daaruit langzamerhand het oorspronkelijke volk weder
+te voorschijn trad, zoo ontstond het omgekeerde, een volk met
+_oud-Spaanschen_ grondtoon en hier en daar iets Arabisch.
+
+De bevrijdingsoorlog dien de Spanjaarden, van uit Asturië en het oude
+land der Cantabriërs, tegen de Arabieren begonnen, en dien zij, met
+eene in de geschiedenis zelden zoo aangetroffene volharding en energie,
+gedurende vijf eeuwen volhielden, tot zij eindelijk hun doel bereikt
+hadden, was even als alle nationale oorlogen der Europeanen met de
+Aziaten en Afrikanen, der Christenen met Mahomedanen, een strijd
+op leven en dood. Even als de over hunnen godsdienst in geestdrift
+ontstokene Koningen van Leon, Castilië, Arragon, en hunne door ras-haat
+bezielde Spanjaarden, voet voor voet, stad voor stad, dal voor dal,
+hun gebied naar het zuiden vergrootten, zoo werden ook voet voor voet
+de Moorsche bewoners dier streken, deels met het zwaard verdelgd, deels
+uit den grond waarin zij wortelden, als onkruid uitgeroeid.--Uit ieder
+streepje grond dat zij den Arabieren ontnamen, werden deze verdreven;
+zij moesten dan zuidwaarts trekken en hunne plaatsen werden door
+christelijke kolonisten uit het noorden ingenomen.--Evenals men een
+oranje-appel schilt, zoo werd Spanje langzamerhand stuk voor stuk
+ontdaan en gezuiverd van de over haar heengegroeide schil. Maar, wie
+met een molenaar vecht, die behoudt, zelfs al doet hij hem de vlucht
+nemen, sporen van het meel aan zich.--Het is eene tamelijk algemeene
+verschijning, dat een paar elkander als doodvijanden vervolgende
+natiën, zelfs midden in den strijd, onwillekeurig en tegen hunnen wil,
+op elkander beginnen te gelijken.--Reeds om tegen zijne tegenpartij
+opgewassen te zijn, moet de een veel van de wijze van oorlogvoeren
+van den ander, van zijne wapens en listen leeren kennen en aannemen,
+en moet hij zich met hem, wat betreft oefening, geest, list en kracht,
+op dezelfde lijn stellen.
+
+Dit geschiedde met de Spanjaarden in hunnen verdelgingsoorlog tegen de
+Arabieren. Beide partijen waren met denzelfden godsdienstijver bezield,
+ieder voor haar geloof, beide gloeiden van hetzelfde patriotisme,--de
+een voor het land, dat hunne voorvaderen sinds onheugelijke tijden
+bezaten,--de andere voor den grond, dien zij lief hadden. Daar beide
+partijen, al waren zij ook verbitterde vijanden, toch een edel slag van
+menschen waren, zoo bewonderde men elkander dikwijls van weerszijden,
+en had er dikwijls een strijd van grootmoedigheid tusschen hen plaats,
+en in de, echter altijd slechts korte, tijden van vrede, werden
+somwijlen zelfs banden van vriendschap en huwelijk gesloten.--Zoo al
+geene geloofsstellingen, zoo werden toch Arabische liederen, muziek
+en dergelijke naar de Spaansche legerplaats overgeplant. Natuurlijk
+liepen ook gedurig, nu en dan, soldaten uit het eene leger naar het
+andere over.
+
+Niet zelden verbonden de Christen-Koningen zulke Arabische overloopers
+aan zich, en verdedigden met hen hunne grenssloten. Omgekeerd hadden
+Mahomedaansche Vorsten soms christelijke ridders in hunnen dienst. De
+gevierdste aller Spaansche volkshelden uit dien tijd, vocht zelfs aan
+de zijde der Mahomedanen, en hij is ons zelfs onder zijn Arabischen
+eeretitel "_El Cid_" (de heer), nog heden ten dage beter bekend
+dan onder zijn Spaanschen naam: _Roy Diaz, el Campeador_ (Roderik
+Diego's zoon, de strijder). Arabische geleerden en kunstenaars,
+wiskunstenaars, sterrekundigen en geneesheeren, waren aan de hoven
+der Christen-Koningen eene nog meer voorkomende verschijning. Bij de
+gebouwen die zij in hunne steden daarstelden, maakten zij dikwijls
+gebruik van Arabische bouwkunstenaars, en er ontstond onder de
+Spaansche Christenen, naast den meest in zwang zijnden Gothischen
+bouwstijl, eene lichtere, meer elegante architectuur, die zij "_Obra
+Morisca_" (Mooren-werk) noemden. De Arabische gedichten, waarmede de
+Emirs van Grenada zich den tijd verdreven, werden door de Spanjaarden
+met welgevallen opgenomen, naverteld en vervolgens vrijer nagevolgd,
+en zoo ging ongemerkt menige trek der Arabische helden in het karakter
+der Castiliaansche ridders over.
+
+In plaats der verdrevene Arabische bevolking, namen de Spanjaarden de
+ietwat gearabiseerde Christenen, de "Moz-Arabieren" op, die zij in de
+Arabische steden vonden, als wier bevrijders zij verschenen, en deze
+werden aldra beschouwd als tot de massa van het volk te behooren. Door
+deze werd aan het Spaansche volk eene menigte menschen toegevoegd,
+die gewoon waren geweest Arabisch te spreken, en min of meer op
+Arabische wijze te leven en te denken.--Men begrijpt gemakkelijk, dat
+op deze wijze, terwijl zij van Asturië, Leon enz. uit, de verovering
+voltooiden van Oud- en Nieuw Castilië, Arragon, Valencia en Murcia,
+Toledo en Andalusië, allen landen waarin de Arabieren korter of langer
+gewoond hadden; terwijl zij steeds dieper in het, om zoo te zeggen
+Afrikaansche Spanje binnendrongen, ook hun geest steeds dieper in
+den Arabischen geest gedoopt werd.
+
+Eene volledige uitroeiing en verbanning van het Arabisch element
+scheen ten laatste niet meer mogelijk, als men niet het geheele
+land ontvolken en het zijne waarde ontnemen wilde. Ook vreesde men
+aanvankelijk, door hunne verdrijving naar Afrika, de daar aanwezige
+nationale vijanden te versterken.--In de Zuidelijke provinciën
+liet men daarom dikwijls de Arabische bevolking, vooral de boeren,
+met rust, terwijl men hen alleen, evenals de Arabieren het eens
+de Christenen gedaan haden, schatplichtig maakte en aan eenige
+beperkingen onderwierp.--Op deze wijze woonden dan ook weder, onder
+de Christelijke Koningen van Castilië en Arragon, de Spanjaarden en
+Arabieren nevens elkander. Vooral lieten langen tijd de christelijke
+grooten en grondbezitters der Koningrijken Valencia, Murcia, Andalusië
+enz., hunne akkers door Arabische boeren en tuiniers bebouwen. Men
+noemde deze midden onder de Christenen levende Arabieren "_Morisco's_"
+of Moorsche Spanjaarden.--Na de verovering van Grenada, het laatste
+Moorsche Koningrijk, in het einde der 15de eeuw, werden vervolgens
+zelfs, om de daar sterk opgehoopte Arabische bevolking te verminderen
+en hunnen oproerigen geest te verzwakken, vele Arabieren naar het
+binnenste van Spanje overgebracht, op dezelfde wijze als in den
+laatsten tijd hunner steeds meer verdrongene heerschappij, de Moorsche
+Koningen dikwijls vele christelijke Spanjaarden, om zich van dit steeds
+lastiger wordend element te ontdoen, naar Afrika overgeplant hadden,
+waardoor dan ook op die wijze Spanje weder met Afrika samengroeide.
+
+De laatste stuiptrekkingen van Moorsche onafhankelijkheid en
+nationaliteit in Spanje, en de laatste gevechten der Spanjaarden
+met hen, hadden een uiterst bloedig karakter.--De Mooren verdedigden
+iederen voet van den hun dierbaar geworden bodem, streden om ieder
+dorp, iedere hut--om ieder hol, waarin een mensch, al was het dan
+ook als een wild dier, wonen kon.--De Spanjaarden echter vervolgden
+hen in iedere schuilplaats, verdelgden hen in iederen schuilhoek,
+en verstikten hen met vuur en rook in de rotsholen der Sierra-Morena
+en der Alpujarras, het zuidelijkste gebergte van Spanje, waarin bij
+onderscheidene gelegenheden, de laatste overblijfselen der kampvechters
+voor de Moorsche onafhankelijkheid, gevlucht waren.
+
+Ten laatste vatten de Spanjaarden ook de onzalige gedachte op, zich
+te ontlasten van de Moorsche elementen, die zij vroeger in hunne
+Koningrijken begenadigd, en als hunne onderdanen en arbeiders tot nu
+toe geduld hadden. Deze in hun staatswezen opgenomene afstammelingen
+van Mooren, waren reeds lang met geweld tot het christendom
+bekeerd geworden. Zij leefden onder hunne christelijke heeren,
+in eene steeds harder geworden afhankelijkheid, in eene ten laatste
+ongehoorde inkorting. Het leven der christenen onder de Arabieren was,
+naar de getuigenis van een christen-schrijver, eene _te verdragen
+ondergeschiktheid_ geweest, maar het leven der Mahomedanen onder de
+christenen was eene _hel_. Niettegenstaande alle plagen, die door
+de Spanjaarden op die arme Moriscos, ter wille van hun geloof en
+hunne nationaliteit, werden opgehoopt, waren dezen toch aan hunne
+vaderlijke gewoonten, hunne taal en, onder het hun opgelegde masker des
+christendoms, ook hun geloof trouw gebleven. Daar de Spanjaarden zagen,
+dat zij de Moriscos op geene wijze tot ware christenen maken konden,
+besloten zij eindelijk zich geheel van hen te ontdoen, en hen geheel
+en al naar Afrika te verdrijven.
+
+Sedert de vereeniging der Koningrijken Castilië en Arragon onder
+één hoofd, onder Ferdinand en Isabella, en later na de verovering
+van Portugal onder Filips II, behoorde alles wat op het Pyreneesche
+schiereiland huisde, tot een en hetzelfde staatslichaam. Het denkbeeld,
+dat alles één bloed, één gelijksoortig volk, met dezelfde zeden
+en met hetzelfde zuiver christelijk geloof moest vormen; dat het
+geheele land der Iberiërs een heilige bodem was, die door niets
+onchristelijks mocht bevlekt worden; dat men ook de laatste Arabische
+vonken vertrappen, en de laatste Mahomedaansche ziektestof uitdrijven
+moest, maakte zich met steeds meer kracht van het volk meester. Deze
+langzaam wortelschietende nationale-overtuiging bij de Spanjaarden,
+had zich reeds lang daarin geopenbaard, dat zij de invoering van
+eene zoo vreeselijke, aanvankelijk alleen tegen andersdenkenden
+gerichte instelling, als de inquisitie was, deelden, en dat zij
+aan de, door hunne Koningen en priesters in het jaar 1492 bevolene
+verdrijving der Joden, hunnen bijval schonken. In het jaar 1610,
+onder den zwakken Koning Filips III, voerde dit denkbeeld eindelijk
+tot de beklagenswaardige algeheele uitroeiing der Moriscos. De
+Koninklijke officieren en de inquisiteurs der kerk, gingen in Arragon,
+Castilië, Catalonië, Andalusië, in alle landschappen van Zuidelijk en
+Midden-Spanje rond, en rukten als tuiniers, overal dat wat zij onkruid
+noemden, uit den bodem.--Een millioen der beste onderdanen van den
+Koning, die ook reeds lang (_tot_ op één enkel vreemd druppeltje
+in hun bloed en _tot_ op de in hun hart glimmende godsdienstige
+overtuiging na,) zeer goede Spanjaarden geworden waren, werden bij
+deze gelegenheid onbarmhartig te samen gedreven, in schepen gepakt
+en in verscheidene transporten naar Afrika overgebracht.
+
+Dikwijls woedden daarbij de Spanjaarden tegen hun eigen, of tegen innig
+met hen verbonden bloed. De wonden, die zij zich zelven toen sloegen,
+zijn heden ten dage nog niet ten volle geheeld. Nog liggen verscheidene
+vruchtbare streken, die onder de Mooren met bloeiende dorpen en tuinen
+bezaaid waren, geheel braak en dienen zij der natie tot niets.
+
+Verscheidene dezer vroegere _tuinen_ worden nu, even als de steppen
+van Rusland, alleen door kudden schapen, half wild vee, beweid.
+
+Dat echter die hardvochtige verdrijving der Moriscos, die strenge
+veroordeelingen der Arabische taal, en zelfs de scherp in het bloed en
+in de harten dringende inquisitie, al het Moorsche, wat in de taal en
+de geaardheid der Spanjaarden binnengeslopen was, _niet_ meer wegnemen
+kon, zal naar het boven medegedeelde, gemakkelijk begrepen worden.
+
+De Spaansche taal, niet alleen de verschillende provinciale tongvallen,
+maar ook het in de literatuur algemeen heerschend klassieke dialect,
+dat even als het volk en het rijk der Castilianen, van het Noorden
+uit, over Arabische gebieden en bouwvallen heen, zich van het geheel
+meester maakte, is vol Arabische uitdrukkingen. Van geene andere
+niet Romaansche taal, hebben de Spanjaarden zooveel elementen en
+eigenaardigheden aangenomen. "Hunne poëzie, vooral hunne lyrische,
+en hunne poëtische gewoonten hebben zij aan de Arabieren ontleend."
+
+Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo
+rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat
+zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur
+meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk
+verklaren, zoo al niet uit eene _vermenging_ met de Arabieren,
+dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen,
+een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend
+hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien
+ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk,
+zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en
+uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben;
+dat, even als _Klio_ de stof der Spaansche geschiedenis uit louter
+drama's geweven had, zoo nu _Thalia_ haar alleen in treurspelen
+naschilderde, dat een _Molina_ niet minder dan 300, een _Calderon_
+700, de nog vruchtbaarder _Lopez de Vega_ anderhalf duizend tooneel- en
+treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden;
+en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne
+landslieden _dat_ werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en
+Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een "archief
+voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn
+van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene
+annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken
+van het Spaansche volk bevatte."--"De beeldspraak en het figuurlijke
+in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen
+met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en
+toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen
+verwant" herinneren in hooge mate aan de Arabieren.--Wie ook, die ooit
+met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende,
+aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder
+oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek
+voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde
+"_Clavel de mi alma_" (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer
+een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een
+"zoutvat vol geest" prijst, of wanneer iemand opgetogen over een
+heerlijk glas wijn, uitroept: "dat het hem een voorsmaak van het
+paradijs geeft."--Is dit niet alles, als ware het aan Hafis [12]
+en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende
+pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen
+in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken,
+meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen.
+
+In de zeden van het volk, in de dansen, spelen en in de kleeding der
+Spanjaarden is eveneens, in de eene provincie minder, in de andere
+meer, veel Oostersch of Arabisch achtergebleven. De mantille en
+de sluier, waarmede de Andalusische schoonen zoo gracieus weten
+te coquetteeren, zijn b.v. geheel aan Afrika ontleend.--In de
+zuidelijkste gebergten van Spanje, in de Alpujarras, in het gezicht
+van Afrika, zooals ook in de Sierra Morena, moeten naar men zegt,
+nog heden ten dage directe afstammelingen der Mooren gevonden worden,
+die hunne natuur zuiver bewaard hebben. (Hun Mohamed en den Koran
+hebben zij echter geheel verleerd, terwijl zij de Spaansche taal
+geleerd hebben.) Alleen moet men hier, naar hetgeen boven opgemerkt
+is, de vraag stellen, of dit alles _alleen_ en _uitsluitend_ van
+die Arabieren en Mooren, die in het jaar 711 met _Musa_ en _Tarik_
+over de straat van Gibraltar kwamen, en van hunne opvolgers moet
+afgeleid worden, dan of wij niet veeleer aan nog veel vroegere, de
+geschiedenis ten deele ontgane vermenging der volken van weerszijden
+dezer straat, moeten gelooven, of daar ook niet misschien eene
+oorspronkelijke verwantschap van het nationaal-karakter der oude
+Iberiërs en Mauritaniërs ten grondslag ligt; of in één woord bij
+de Spanjaarden niet iets Oostersch wordt aangetroffen dat van vóór
+de tijden der geschiedenis dagteekent?--In alle geval men heeft dit
+vermoeden geopperd, en men heeft zelfs een bewijs voor dit vermoeden
+_daarin_ willen zien, dat die Iberiërs (Spanjaarden) zich al het
+latere Arabische zoo gemakkelijk en spoedig eigen maakten. Daar de
+geschiedenis ons hierbij niet met de noodige feiten bijstaat, zoo
+kan dit niets meer dan een vermoeden of _vraag_ blijven.
+
+Na de overwinning der Mooren heeft Spanje geene zoo diep ingrijpende
+overstrooming van vreemde volksstammen weder beleefd.--De Spaansche
+nationaliteit is na dien tijd in hoofdzaak derwijze voltooid, als wij
+haar heden ten dage zien, en heeft zich in taal, zeden en staatkunde,
+hoofdzakelijk slechts _in en door zich zelve_ verder ontwikkeld.
+
+Wel hebben de Spanjaarden na dien tijd nog meerdere malen weder
+vreemdelingen bij zich gezien. Met den te Gent geboren Karel V
+kwamen, zooals bekend is, vele Belgen in het land. De naburen
+ten Noorden der Pyreneën, de Franschen, keerden het meest terug;
+eens op eene belangrijke wijze, die rijk aan gevolgen was, in het
+begin der 18de eeuw met de Bourbons; later eens in het begin der
+tegenwoordige eeuw met de Napoleoniden, en tusschen beiden door en
+later nog enkele malen, in alleen voorbijgaande krijgstochten.--Hoe
+invloedrijk deze en andere aanrakingen met hunne Noordelijke naburen
+ook op de staatkundige toestanden der Spanjaarden, en zelfs ook op
+het karakter hunner ontwikkeling, van hun bestuur, hunne kunsten en
+literatuur geweest zijn,--na Lodewijk XIV b.v. "nam bijna geheel de
+Spaansche literatuur een Fransch gewaad aan"--zoo waren het toch geen
+volks-overstroomingen meer, die op het _bloed_, het _ras_, de _taal_
+en het _grond-karakter_ der volks-nationaliteit zoo ingewerkt hebben,
+als eens de Celtische, die de Celt-Iberiërs in het leven riep,--de
+Romeinsche, die de Spanjaarden met de Romanen verbond,--de Moorsche,
+die hen weder met Afrika deed samensmelten, geweest waren.
+
+Nadat nu op deze wijze in het kort aangetoond is, welke elementen
+het Spaansche volk van buiten ontving, hoe het deze in zich opnam,
+blijft ons nog over een blik te slaan, op hetgeen de Spanjaarden
+aan de wereld en voornamelijk aan ons Europa terug gaven, en welke
+inpulsies en volks-elementen zich van hen uit bij ons verbreid, welke
+rol zij in de geschiedenis der ontwikkeling onder ons gespeeld hebben.
+
+Even als het land Spanje een geheel afzonderlijk gedeelte van Europa
+vormt, dat in zich zelf afgesloten is door breede zeeën en bergmuren,
+aan het Westelijk einde van ons werelddeel, waarmede het slechts door
+een bergachtige landengte verbonden is, zoo heeft ook het volk in
+de geschiedenis van Europa eene in hooge mate geïsoleerde stelling
+ingenomen.--Veel meer dan de volken van Midden-Europa is het zijn
+eigen gang gegaan. Het is in het binnenste zijner bergen, zijne eigene
+revolutiën waaraan het overige Europa betrekkelijk weinig aandeel nam,
+en waarvan het gewoonlijk even weinig voordeel trok als het er van
+leed, te boven gekomen.
+
+Nooit is het Pyreneesche schiereiland het brandpunt geweest eener
+ver om zich heengrijpende beschaving, die in haren duurzamen invloed
+en hare verre verbindingen, bij voorbeeld met de zon der beschaving,
+die eens uit het kleine Griekenland over Europa opsteeg, vergeleken
+kon worden.--Nooit is eene verovering van daar uitgegaan, gelijk
+aan die der Romeinen uit het Italiaansche schiereiland.--Nooit is
+daar aan het uiteinde van ons werelddeel, noch in oude tijden noch
+in de midden-eeuwen, een zoo machtig middelpunt van het Europeesche
+leven geweest, als in Italië tweemaal door hare de wereld gebiedende
+Keizers en Pausen geruimen tijd plaats had. Ook geene dergelijke steden
+verwoestende en landen bevolkende stroomen zijn van de Spanjaarden
+uitgegaan, zooals die der Germanen en Slawen uit het midden en het
+oosten van ons werelddeel.
+
+Nooit was Spanje, zooals Duitschland, eene onuitputtelijke
+werkplaats voor natiën en staten, ter gedaante-verandering der
+Europeesche landen. Ook hebben de trotsche, weinig _mededeelzame_
+Spanjaarden nooit _duurzaam_ en _herhaaldelijk_, zooals hunne naburen,
+de Franschen, de wereld met hunne taal, hunne zeden, modes, hunne
+staatkundige beschouwingen trachten voor te lichten. Hunne edele taal
+is nooit--slechts een korten tijd uitgenomen--zooals die der Franschen,
+Latijnen, Grieken, in aller mond geweest. Zelfs de rijke producten
+hunner literatuur zijn betrekkelijk slechts bij weinigen bekend
+geworden. Ook de schoone kunsten hebben bij hen, zonder navolging
+te vinden, dikwijls onopgemerkt gebloeid. In het geheel en in het
+groot genomen, en in hunne betrekking tot Europa, zou men nu nog van
+de Spanjaarden kunnen zeggen, wat de ouden van de Iberiërs zeiden,
+namelijk dat zij, als men hen in hun huis niet stoorde, een vergenoegd
+volk waren. Eene nagenoeg gelijke isoleering en afgeslotenheid als
+bij de Spanjaarden, vindt men ook bij de bewoners der beide andere
+eilanden en schiereilanden, waarmede Europa in den Oceaan uitloopt,
+bij de Engelschen en Zweden.--Ook Groot-Brittanje _ontving_ meer van
+Europa dan het haar gaf, en ook Skandinavië heeft zich gewoonlijk
+in zijne afgezonderde stelling buiten 't spel gehouden. Slechts
+voorbijgaande, en alleen nu en dan als hulptroepen, rukten al deze
+eiland- en schiereiland-bewoners van ons werelddeel, uit hunne in de
+zee uitstekende landpunten naar de oorlogs- en zedelijke kampplaatsen
+van Midden-Europa.
+
+In de oudste tijden was Spanje een kolonie-land der Pheniciërs
+en Carthagers, het was hun Peru.--Later werd het eene provincie
+van Rome.--Gedurende de volksverhuizing zuchtte het onder de van
+Duitschland uitgaande stormen.--Onder de Arabieren ontviel het bijna
+_geheel en al_ aan Europa en werd het om zoo te zeggen, een stuk van
+Afrika.--Daarna, toen de Arabieren weken, had het weder eeuwen lang
+zoo zeer met de innerlijke weeën zijner wedergeboorte te kampen,
+dat het ook toen gewoonlijk het overig Europa den rug toekeerde,
+en noch aan de kruistochten, noch aan andere grootsche vragen,
+die de volken-familie van ons werelddeel bezig hielden, deel kon
+nemen. Spanje had zijne eigene kruistochten tegen den Islam, en bleef
+nog diep in dit kruistochttijdperk vertoeven, toen het overig Europa
+reeds boeken drukte, zich reeds in de studie der Grieksche oudheid
+verdiepte, midden in het tijdperk zijner wedergeboorte was, en reeds
+de hervorming naderde.
+
+De gelukkige beëindiging van den nationalen-strijd met de Arabieren,
+de daardoor gevolgde vereeniging van alle bewoners van Spanje, "_het
+land der heiligen en der helden_," zooals het toen ter tijd dikwijls
+genoemd werd, tot één staat en volk, gaven de natie in de 16de eeuw
+zulk een stoot, dat zij _nu_ ook, en nu voor de _eerste en eenige_
+maal--over de grenzen van haar schiereiland stroomde, _buiten_ de
+Pyreneën landen in bezit nam, kolonisten naar den vreemde zond,
+andere volken door veroveringen en erfenissen aan hare zegekar
+ketende, dikwijls invloed op hunnen geest en zeden uitoefende,
+en eindelijk ook een zoo grooten Europeeschen staat vormde, dat
+een _tijd lang_ het geheele werelddeel voor haar bevreesd was, en
+voor zijne onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden streed, zooals de
+Spanjaarden zelven voor de hunne tegen de Mooren gekampt hadden, en
+dat Spanje, om zoo te zeggen, gedurende een gedeelte van de zestiende
+en zeventiende eeuw, het hoek- en draaipunt van de staatkunde der
+Europeesche volken werd.
+
+De blikken en schreden der Spanjaarden richtten zich toen bij voorkeur,
+evenals later die der Engelschen, buiten Europa, naar de andere
+zijde van den Oceaan, naar de door hen ontdekte nieuwe wereld,
+in welke richting de stroom hunner landverhuizing en van hunnen
+ondernemingsgeest verreweg het sterkst was, waar zij vele volken deden
+verdwijnen en nieuwe volken en staten stichtten, wier lotgevallen wij
+echter, daar wij ons tot Europa bepalen, niet te beschrijven hebben.
+
+Deze uitbreiding van macht naar het Westen (naar Amerika) kon echter
+niet zonder terugwerking op het Oosten (Europa) blijven; daarom alreeds
+niet, omdat de Spaansche Koningen zich met het machtigste Keizershuis
+van dien tijd, door huwelijken verbonden en vereenzelvigden.--Zooals
+hun _Columbus_ en hun _Cortes_ zich naar de nieuwe wereld begaven,
+zoo kwamen ook de heldhaftige _Gonzalvo de Cordova_, de veroveraar
+van Italië, de vreeselijke Hertog _van Alva_, die de Nederlanden tot
+onderwerping trachtte te brengen, de edele _Juan d'Austria_, de schrik
+der Turken, en talrijke andere in Europa wereldberoemde veldheeren, uit
+den schoot der Spaansche natie te voorschijn. Zooals eens Griekenland
+beefde voor de phalanxen der Macedoniërs, zoo beefde nu, wat nooit
+te voren gebeurd was, Europa onder de voetstappen der Spaansche
+regimenten, wier dapperheid en discipline ten voorbeeld genomen werden.
+
+Geheel Napels, Sicilië, Sardinië, het Hertogdom Milaan, de
+Zuidelijke Nederlanden werden voor langeren tijd,--Duitschland
+en de Oostenrijksche bezittingen aan den Donau en die aan de
+Rhone, in _Franche-Comté_, slechts voor korten tijd--onder de
+heerschappij, of ten minste onder den machtigen invloed der
+Spanjaarden gebracht. Spaansche troepen overwonnen toenmaals bij
+Mühlberg in Noord-Duitschland, dat de Romeinen niet hadden kunnen
+overwinnen.--Spaansche vlooten zeilden op den Oceaan waar zij
+Engeland bedreigden, en op de Middellandsche Zee waar zij in den
+slag bij Lepanto de Turksche macht de spits afbeten.--De Spaansche
+monarchie werd toen de grootste en schitterendste in Europa, en bleef
+zulks tot aan het midden der 17de eeuw; en daar kunsten en literatuur
+als trouwe afschijnsels van het geheele gehalte eener natie, achter
+de wapens zelden wegblijven, zoo verhieven zich toen ook de taal,
+de poëzie en de Musen der Spanjaarden, trots de inquisitie en trots
+despotische Koningen, tot hun toppunt.
+
+De _Cervantes_ vochten zelfs mede in die veldslagen der veldheeren;
+de _Vegas_, de _Calderons_, die zooveel gedichten vol phantasie
+vervaardigd hebben; de _Velasquez_, de _Murillos_ en hunne talrijke
+scholieren, die zooveel bleeke heiligen- en monnikengezichten
+geschilderd hebben; al deze waren tijdgenooten dier ruwe _Cordovas_
+en _Alvas_, en verschenen in hun gevolg.--Het volk passeerde toen het
+Zenith zijner beweging en doorliep de gouden eeuw, het rijkste tijdperk
+zijner ontwikkelings-periode.--In dien tijd van _zeer_ bewonderde en
+zeer gevreesde Spaansche grootheid, werd de Castiliaansche taal voor
+een groot gedeelte van Europa _tijdelijk_ bijna hetzelfde, wat later
+de Fransche _meer blijvend_ geworden is, de modetaal der voorname
+wereld.--Daar de aanzienlijke Spaansche familiën, zich evenals hunne
+Koningen, door huwelijken, met de familiën van Italië, Duitschland, de
+Nederlanden verbonden, daar men overal Spaansche grandes, militairen,
+diplomaten, hovelingen, gouverneurs ontmoette, zoo werd het eindelijk
+aan de hoven van Weenen, Milaan, Napels, Brussel, Londen, zelfs ook
+in Parijs, goede toon, Spaansch te spreken.
+
+Even als de welluidende, majestueuse en hoogdravende Spaansche
+taal, zoo verbreidden zich in dien tijd ook de Spaansche modes en
+zeden in kleederdracht en gedragswijze over geheel Europa.--Vooral
+in de residenties behaalde het deftige, statige en stijve kostuum
+en hofwezen der Spanjaarden de overhand. Het scheen een oogenblik
+alsof geheel Europa zich geheel op Spaansche wijze inrichten wilde,
+eerst de hoogere standen, en later ook de burgerklassen. Duitschland
+zuchtte lang onder den druk der Spaansche halskragen en Spaansche
+poffen. Zelfs de Engelsche heeren, de overwinnaars der Spaansche Armada
+"droegen hun baard en knevel op Spaansche wijze". En alle pronkers
+van Europa trachtten zich voor te doen, sierlijk van het hoofd tot
+de voeten, onnatuurlijk geregen, afgemeten en beredeneerd in gedrag
+en bewegingen, solide en kostbaar versierd, over zich zelven tevreden
+en trotsch als een Spaansch Hidalgo.
+
+Men kan deze Spaansche invloeden zelfs tot in het Skandinavische
+Noorden, en door Hongarije en Zevenburgen heen, tot in Rusland
+naspeuren. Een en ander daarvan, b.v. in de kleeding der patriciërs
+en raadsheeren der Duitsche vrije steden, zijn tot op onzen tijd
+bewaard gebleven.--Natuurlijk aapte men in dien tijd de Spanjaarden
+ook in gewichtiger zaken na, vooral in hunne militaire organisatie
+en de discipline bij hunne legers. Veel ouds in de Engelsche marine
+is van de Spaansche schepen afkomstig, zelfs verscheidene technische
+scheepstermen.
+
+Ook de Spaansche dichters vonden bewonderaars en naäpers zoowel in
+Italië als in Frankrijk. De Franschen vooral waren, nadat zij de rijke
+_poëtische_ goudmijnen aan gene zijde, der Pyreneën ontdekt hadden,
+zooals eens de Pheniciërs de _minerale_, onvermoeid in de benuttiging
+en uitbreiding er van.--Natuurlijk geschiedde zulks, op gemakkelijk
+te begrijpen gronden, wel wat te laat, omdat de eigenlijke bloei in
+Spanje reeds voorbij was, Kleederenpronk en uiterlijkheden deelen zich
+altijd sneller en onmiddelijker mede dan literarische producten, voor
+welker genot en goed begrip menige voorbereiding noodig is. Duitschland
+had reeds lang Spaansche mantels gedragen en weder afgelegd, eer zijn
+zin voor de voortbrengselen van den Spaanschen geest ontwaakte. Maar
+toen hebben de Duitschers zich met bijzondere voorliefde op de edele,
+ernstige, kuische en gevoelvolle Spaansche Muze toegelegd, als zagen
+zij in zekere mate in haar eene halfzuster van hun eigen geest.
+
+In die niet-Spaansche landen van Europa, welke de Spanjaarden het
+langst beheerschten, zijn nog tot op den huidigen dag eenige sporen
+hunner aanwezigheid te herkennen. Het zuivere en ijverige Katholicisme,
+dat bij de Belgen in waarde is gebleven, is ten deele een voortbrengsel
+der heerschappij van de Spanjaarden, wier Koningen, veldheeren en
+priesters met taal, vuur en zwaard zich beijverden, de Vlamingen voor
+de nieuwe leer hunner Hollandsche broeders te bewaren. De trotsche
+Belgische adel, wiens afstammelingen zich dikwijls door huwelijk
+met de Spaansche adellijke geslachten verbonden, werd in hoogen
+graad voor Spaansche zeden en denkwijze gewonnen, en men ontdekt nog
+heden ten dage menig overblijfsel daarvan bij hen, zooals men ook nog
+in de Belgische steden op enkele zaken en gewoonten stuit, die van
+den Spaanschen tijd dagteekenen.--Aan het Oostenrijksche hof bleven
+Spaansche geest, taal en zeden tot diep in de 18de eeuw bestaan. Ook
+vindt men in Oostenrijk nog hier en daar Spaansche familienamen,
+die van de onder Karel V en Ferdinand I het land binnengetrokken
+Spanjaarden afkomstig zijn.--Ook in Sicilië, eene bakermat der
+oude Iberiërs, dat de nieuwere Spanjaarden langen tijd in hun bezit
+hadden, treft men nog menige overeenkomst met Spanje aan. Spaansche
+adellijke familiën, sedert eeuwen met die van dit eiland verbonden,
+hebben daar nog heden ten dage een niet onaanzienlijk grondbezit, en
+menige Spaansche rechterlijke gewoonte is daar ook nog heden ten dage
+van kracht.--Van alle Cis-Pyreneesche volken van Europa zijn echter
+de Spanjaarden het meest met de bewoners van Zuidelijk Frankrijk
+verbroederd. Met deze hunne naburen hebben zij van oudsher meer
+te doen gehad, dan met eenig ander Europeesch volk.--Het Zuidelijk
+Frankrijk, door Languedoc en Provence om den Noordelijken boezem van
+de Middellandsche Zee heen, is altijd een overgangsland voor Italië of
+Frankrijk naar het Pyreneesche schiereiland geweest. Van daar rukte
+gewis eens het Iberische volk het Pyreneënland binnen, en Iberisch
+bloed stroomt gedeeltelijk nog door de aderen dezer heetbloedige
+Zuidelijke Franschen.--De West-Gothen heerschten geruimen tijd zoowel
+over het eigenlijke Spanje als over dit Iberische gedeelte van Gallië,
+en de Spaansche Souvereinen van Catalonië bezaten daar geruimen tijd
+het landschap Roussillon en andere streken van het land.
+
+Het gebied van den eens zoo bloeienden tuin der Provençaalsche
+dichtkunst en taal, strekte zich zoowel door Noord-Oostelijk Spanje als
+door Zuidelijk Frankrijk uit, en nog heden wordt daar, zoowel aan deze
+als gene zijde der Pyreneën, het Catalonische dialect gesproken, zooals
+zich, van Spanje uit over Narbonne en Marseille, eene reeks verwante
+dialecten, in zachte toon afwijkingen, langs de kust der Middellandsche
+zee tot naar Italië uitstrekt.--Nergens binnen de grenzen van zijn
+eigen land, voelt de Noordelijke Franschman zich minder te huis,
+dan bij deze Zuid-Fransche grensbewoners van de Pyreneën en de
+Middellandsche Zee, bij wie zich daarentegen de Spanjaard meer te
+huis gevoelt, dan ergens anders aan deze zijde der Pyreneën.
+
+Voor het overige ontmoet men nu, nadat zij zich weder achter hunne
+Pyreneën teruggetrokken hebben, den eigenlijken Spanjaard zelden onder
+de Europeesche volken. Zij hebben zich hier nergens als landbouwende
+kolonisten verstrooid.--Men kan geen tak van industrie opnoemen,
+waarin hun in de Europeesche steden de voorkeur gegeven wordt, zooals
+de Italianen, de Franschen, de Duitschers overal op ons vasteland,
+vele hebben. En terwijl men in bijna iedere hoofdstad van Europa, in
+meerdere of mindere mate, Duitschers, Franschen en Italianen aantreft,
+kan men in de minste ook slechts een klein Spaansch element in hare
+gezamenlijke bevolking ontdekken.--Er bestaan niet zulke in geheel
+Europa bekende en populaire persoonlijkheden uit Spanje, als b.v. de
+Italiaansche handelaars in lekkernijen, de Savoiaardsche musici,
+de Toscaansche gipswerkers of de cantatrices uit het Romeinsche
+schiereiland, die bij ons om zoo te zeggen inheemsch zijn geworden. Ook
+hebben verder de Spanjaarden noch geleerden, noch handwerkslieden,
+noch ambtenaren met ons geruild, terwijl de Midden-Europeesche volken
+dat meermalen met elkander gedaan hebben. De Russen, die in nieuweren
+tijd gaarne van alle Europeesche volken voordeel trokken, namen
+dikwijls Duitsche, Italiaansche, Fransche, Engelsche, Hollandsche
+generaals, admiraals en ministers bij zich in dienst. Een Spaansche
+naam treft men onder hen, die sedert Peter den Groote, Rusland voor
+de beschaving gewonnen hebben, niet aan. Evenmin ontmoeten wij
+noch in Italië, noch aan den Rijn, Spaansche grand-seigneurs, of
+Spaansche natuurbewonderaars, zooals Rusland, Engeland, Nederland en
+Skandinavië die aanhoudend derwaarts zenden. Zij vallen ons met niets
+lastig, zij verheugen ons met geen talent, zij brengen ons niets. Men
+ziet op de markten van het Europeesche binnenland en in de havens,
+schier meer Turksche dan Spaansche kooplieden, ofschoon men ze zoo
+gaarne zien zou, daar zij gewoonlijk zeer eerlijke en geschikte
+handelaren zijn. Zij zijn in het Europeesche dagelijksch verkeer
+schier onbekende verschijningen. Alleen de vlijtige Cataloniërs, de
+eenige Spanjaarden die de werkzaamheid en de industrie huldigen, maken
+daarop eene uitzondering. De Spaansche taal, die zich _zeewaarts_ over
+geheel vreemde vaste landen verspreidde, is in Europa maar op enkele
+weinige plaatsen door verdrevene Spaansche Joden inheemsch geworden,
+zooals ook in nieuweren tijd staatkundige vluchtelingen, in Londen
+en eenige andere plaatsen, kleine Spaansche koloniën gevormd hebben.
+
+
+
+
+
+
+DE PORTUGEEZEN.
+
+
+Veel van hetgeen wij over de Spanjaarden gezegd hebben, is ook van
+toepassing op hunne buren en tweelingbroeders, de Portugeezen, die
+den uitersten rand, of zooals Portugeesche dichters zich uitdrukken,
+"_het voorhoofd van Spanje_", van Europa's hoofd bewonen, en die op
+ons vasteland slechts _een enkelen_ nabuur, de Spanjaarden, hebben.
+
+Onder de zelfstandige volken van ons werelddeel, die eene eigene taal,
+ontwikkeling en literatuur hebben, is het Portugeesche volk een der
+jongsten. Zijne losmaking van het overige lichaam van het Pyreneesche
+schiereiland, dateert eerst van den aanvang der 12de eeuw, en de
+wasdom dezer nationaliteit is dien ten gevolge nauwelijks zoo oud,
+als die der oude eiken in onze wouden.
+
+Gedurende de lange tijdruimte, die dat tijdstip voorafging, maakten
+de bewoners van het tegenwoordig Portugal slechts een gedeelte van
+Spanje uit. Ook viel het hunnen voorouders niet in, zich zelven van
+het begrip Spanjaard en Spanje uit te sluiten. Zij deelden in alle
+lotgevallen van het overige Spanje, waarmede zij achtereenvolgens
+onder de opperheerschappij der Puniërs, Romeinen, Germanen en Arabieren
+geraakten.
+
+De door de Romeinen zoogenaamde Lusitaniërs, die door de dichters
+en patriotten van het land, als de Portugeezen van den ouden
+tijd verheerlijkt worden, bewoonden slechts een gedeelte van
+het tegenwoordige Portugal, en waren ook over een gedeelte van
+het overige Spanje verbreid. Zij waren een tak van den grooten
+Iberischen stam, zooals men nog andere in Spanje aantrof, en er
+vormde zich bij hen een tongval, die niet anders dan als een dialect
+van den Iberisch-Romaanschen stam beschouwd kan worden, die niet
+_meer_ zelfstandige eigendommelijkheden had, dan de Arragonische en
+Catalonische dialecten ook bezaten. Als een staatkundig en nationaal
+geheel trad het land, dat wij nu Portugal noemen, in die tijden nooit
+op. Het had altijd slechts eene provinciale beteekenis, en zoowel de
+Romeinen als de Gothen en de Arabieren smolten het land, terwijl zij
+het verschillend verdeelden, met de districten en provinciën van het
+binnenste gedeelte van het Pyreneesche schiereiland samen.
+
+In het jaar 1095 behoorde de Noordelijke helft van het tegenwoordige
+Portugal tot het Koningrijk Castilië en Leon, de Zuidelijke helft
+onder den naam Algarvië (d.i. het Westland) tot het Arabische Kalifaat
+van Cordova.
+
+Eerst door het in genoemd jaar plaats hebbend huwelijk eener
+Castiliaansche Prinses Theresia, met een Franschen Prins, Hendrik
+van Bourgondië, begon dit anders te worden.
+
+Alphonsus VI, Koning van Castilië, verleende aan deze zijne kinderen,
+als een stadhouderschap, den omtrek van het tegenwoordige Oporto,
+dat sedert oude tijden den naam "_Portus Cale_" (de haven van Cale)
+droeg. Daarom noemde zich genoemde Hendrik van Bourgondië _Comes
+Portugalensis_ (de Graaf van de haven Cale), en reeds zijn zoon Alfonso
+I, die den omtrek van dit Graafschap vergrootte, nam den titel Koning
+aan, verdedigde zijne zelfstandigheid tegen Castilië, en moet als de
+eigenlijke stichter der Portugeesche natie beschouwd worden.
+
+
+
+Hij en zijne opvolgers breidden, van uit die Noordelijke wieg des
+volks, van uit het land bij Oporto, tusschen den Minho en Duero, waar
+ook nog tot in den nieuweren tijd de lotgevallen der natie zoo dikwijls
+beslist werden, hunne heerschappij en den naam "Portugal" verder naar
+het Zuiden uit. Zij marcheerden en veroverden langs de kusten van den
+Atlantischen Oceaan, aan welks strand deze heerschappij ontstaan was,
+van de eene haven naar de andere, van de eene riviermonding tot de
+andere, naar beneden toe, terwijl zij de Arabieren eerst uit Coïmbra,
+daarna uit Santaren, vervolgens met behulp van Vlaamsche en Duitsche
+kruisvaarders uit het Koninklijke "Lischbuna" (Portugeesch Lisbona) en
+eindelijk uit Algarvië verdreven, en tegelijkertijd aan de bevrijde
+volken hunnen, uit het Noorden afkomstigen en met de Galliciërs
+verwanten, en nu ook weldra gevierden naam "Portugal" mededeelden.
+
+
+
+Reeds na niet veel meer dan 100 jaren, stond het vaderland dezer
+Portugeezen reeds kant en klaar zoo daar, als wij het nog in dit
+oogenblik kennen. Van toen af aan, gingen de Portugeezen zich over
+zee in de andere werelddeelen uitbreiden. In Europa hebben zij zich
+sedert dien tijd, dus sedert meer dan 600 jaren niet verder uitgebreid,
+maar hebben zij,--terwijl zij hun gebied met eene keten van sterke
+vestingen omgaven en met hunne eenige naburen, de Spanjaarden,
+daarover een, om zoo te zeggen, nooit eindigenden verdedigingsoorlog
+voerden,--met buitengewone hardnekkigheid het eens genomen grondgebied
+weten in bezit te houden. Deze omstandigheid is wellicht eenig in
+de geschiedenis van Europa. Want omstreeks dien zelfden tijd hebben
+schier alle andere nationaliteiten en staten van ons werelddeel, zelfs
+de Britsche eiland-bewoners, hunne grenzen en het gebied waarover
+zij zich verbreidden, zeer dikwijls veranderd gezien.
+
+Deze omstandigheid is daarom des te merkwaardiger, omdat eigenlijk
+geene zeer scherp afgeteekende natuurlijke grenzen tusschen Portugal
+en Spanje bestaan. Dezelfde gebergten, hooge plateau's en rivieren
+treft men in beide landen aan. Beiden hebben hetzelfde klimaat en
+brengen dezelfde producten voort, en daar nog bovendien Portugal in
+het vierhoekige figuur van het Pyreneesche schiereiland geheel invalt,
+zoo schijnt het, dat de natuur, zoo ergens dan hier, beide landen
+voor eene eenheid in nationaliteit en heerschappij bestemd heeft.
+
+Niettemin bieden beide landen ook eenige natuurlijke contrasten aan,
+waarop waarschijnlijk dan ook de zedelijke contrasten van beide
+volken berusten.
+
+De Portugeezen hebben zich uitsluitend aan den zoom van den
+Atlantischen Oceaan opgehouden. Zij hebben alle mondingsgebieden
+der grootere Spaansche rivieren bezet, en langs dezen zijn zij maar
+zoover landwaarts ingedrongen, als zij bevaarbaar zijn, terwijl
+zij den Spanjaarden het bronnengebied en de diep tusschen de bergen
+ingeslotene bergstroomdalen overlieten.
+
+Daar hun land openstaat voor de zee, zoo is ook het klimaat gematigder
+en vooral vochtiger dan dat van Spanje; Portugal is, geheel anders dan
+Spanje, een groot regenland. Zijne wijnen hebben dien ten gevolge eene
+wat mindere natuurlijke hitte dan de Spaansche. Zelfs de Koninklijke
+wijn van Oporto verkrijgt zijn gloed het meest door de spiritus, die
+aan het druivensap wordt toegevoegd. De Portugeesche wijnen hebben
+in het algemeen meer vet, hangen meer aan het glas en zijn zwaarder,
+dan de drooge, van nature vurige Spaansche wijnen, en ook dit wijst
+op een karakteristiek verschil tusschen beide landen en volken.
+
+Over het algemeen zou men de Portugeezen, de Nederlanders van het
+Pyreneesche schiereiland kunnen noemen. Zij staan in allerlei opzicht
+tot de rots- en bergvolken van Spanje, als de Vlamingen en Batavieren
+tot de Duitschers. Zij zijn, hun oorsprong uit eene haven getrouw--men
+zou den naam _Portugeezen_ in _havenlieden_ kunnen vertalen--groote
+schippers en handelaars geweest. Zij hebben dien ten gevolge ook
+meer het burgerlijke en neringdoende element in zich opgenomen,
+dan de ridderlijke Spanjaarden. Zij zijn werkzamer dan deze. Als
+oude handelsvolken openbaren zij in hun geheele wezen iets weeks
+en buigzaams, in tegenstelling met de Spanjaarden, die door het
+harder, hooghartiger, ruwer wezen eens bergvolks bezield schijnen
+te zijn. Het is een min of meer dergelijk contrast, als men aantreft
+bij den Skandinavischen stam, in de Denen en Zweden.
+
+Veelvuldig openbaart zich die grootere weekheid van het Portugeesche
+wezen, in hunne taal en literatuur, waarin b.v. de bij de Spanjaarden
+zoo nationale dramatische en historische voortbrengselen ontbreken,
+terwijl de herder-dichten door geen volk in zoo hooge mate beoefend
+werden als door de Portugeezen. Even als de Italianen weinige
+dichters gehad hebben, die niet iets satirieks hebben voortgebracht,
+zoo tellen de Portugeezen bijna geen dichter, die niet in eclogen,
+idyllen, bukolische en erotische gedichten ruimschoots het zijne heeft
+gedaan. "Elegische sentimentaliteit en droefgeestige zwerving van
+gedachten, is een hoofdtrek van hun karakter. Zelfs hunne edele ridders
+en Koningen, die in oude tijden bijna altijd in geestdrift ontstokene
+dichters waren, zongen in den regel het liefst van Amynthas, Chloë en
+Daphnis, en in geheel Portugal was bijna iedere berg een Parnassus,
+iedere bron een Castiliaansche bronwel."
+
+Daardoor verschijnen zij ook overal als de lievelingen van Venus, en
+in hun groot heldendicht, de Lusiade, treedt in den raad der goden,
+de godin der liefde op als beschermster en voorspraak van Vasco
+de Gama en zijne Portugeezen, terwijl Bacchus, de god des wijns,
+de rol van hunnen tegenstander en verderver speelt, welk laatste,
+zooals ik hier ter loops opmerk, voor de in het eten en drinken zoo
+uiterste matige Lusitaniërs, even veel beteekenend is.
+
+Even als in de keuze der geliefkoosde onderwerpen hunner dichters, zoo
+ontmoet men ook in de klanken en in den bouw der Portugeesche taal,
+iets ongemeens, weeks en zelfs iets zoets, zij begunstigt in hooge
+mate de uitdrukking van zachte en teedere gevoelens. Zij verwisselt
+overal de keel- en gehemelteklanken der Spaansche taal in sis- en
+tongklanken, en brengt meer klinkers bijeen dan de Spaansche.
+
+In stede van den ruwen klank, die aan de Spaansche taal eigen
+is, bezit de Portugeesche meer de gladheid van het Fransch. Zij
+heeft met deze ook den eigenaardigen neusklank gemeen, die aan het
+Spaansch geheel vreemd is. Men schrijft dit en veel meer Fransch in
+het Portugeesch--gedeeltelijk ten minste--aan de eerste grondvesting
+der Portugeesche zelfstandigheid door bovengenoemden Franschen Prins
+toe, die met vele Fransche ridders en zangers in het land kwam. De
+Portugees heeft minder Germaansch of Gothisch, en ook minder Arabisch
+dan de Spanjaarden behouden.
+
+Het Spaansch klinkt indrukwekkender en voornamer dan het Portugeesch,
+dat b.v. eene menigte volklinkende woorden,--die uit het fraaie land
+der welluidendheid, uit Italië en uit de taal van Rome, afkomstig zijn
+en aan wie de Spanjaarden hun Romeinsch karakter lieten--afgekort,
+verminkt en uitgewischt heeft. Wie zou niet het Spaansche _color_,
+_palacio_, _pueblo_, _madre_, _padre_, _poner_ veel welluidender
+vinden, dan de Portugeesche veranderingen _cor_, _paço_, _povo_,
+_may_, _pay_, _por_! Het Spaansche oor zijn dergelijke Portugeesche
+woorden onhoorbaar en zij schijnen hem bedorven, verminkt, plat
+Spaansch.--Ook in dit opzicht, verhoudt zich het Portugeesch weder
+nagenoeg tot het Spaansch als het Nederlandsch tot het Opper-Duitsch,
+welk laatste eveneens zoowel ruwer en volklinkender, als ook voornamer,
+deftiger en trotscher is dan het weekere en plattere Nederlandsch. Even
+als het een Duitscher zelden inviel Nederlandsch te leeren en zijne
+gedachten in die taal in te kleeden, zoo hebben ook de Spanjaarden
+zich bijna nooit op het Portugeesch toegelegd, terwijl omgekeerd bijna
+geen Portugeesch dichter genoemd kan worden, die het ook niet in den
+mannelijken, Castiliaanschen tongval beproefd heeft. Verscheidene
+Portugeesche classici behooren tot de literatuur van beide volken,
+wat men zeker van geen Spaanschen dichter zeggen kan.
+
+Even als de taal der Spanjaarden, zoo was ook hun geheele leven en
+hun zijn, oorspronkelijker en rijker ontwikkeld, als zijnde dat van
+een grootscher, machtiger en talrijker volk. De Spanjaarden hebben in
+alle soorten der dichtkunst, in alle soorten van kunst en wetenschap
+uitgemunt. Bij de Portugeezen, die dikwijls slechts naäapten, vindt men
+menig geheel onbebouwd veld. In het satirieke en komieke genre b.v.,
+waren zij zeer zwak en bewogen zij zich moeilijk. Een zoo fijne en
+scherpe geest als die van Cervantes werd nooit bij hen geboren. Ook in
+de schoone kunsten, de architectuur uitgezonderd, hebben de Portugeezen
+zelden iets groots voortgebracht. Hunne schilders en beeldhouwers
+kennen wij niet, terwijl die der Spanjaarden in de wereld algemeen
+geprezen worden.
+
+Over het geheel is, na al wat wij boven opgemerkt hebben, de moreele
+invloed der Portugeezen op de Spanjaarden gering geweest, terwijl
+omgekeerd die der Spanjaarden op de Portugeezen zoo groot was,
+dat men zeggen kan, dat zij hunne naburen aan den oever der zee,
+meestal op sleeptouw hebben.
+
+De Portugeezen hebben in de ontwikkeling hunner beschaving bijna
+altijd met de Spanjaarden gelijken tred gehouden. De perioden der
+poëzie en literatuur zijn bij beide volken geheel dezelfde, en
+evenzoo ook de tijdperken van bloei en verval hunner staatkundige
+macht. Werden in Spanje de troubadours, de Italianen of de Franschen
+nageaapt, gelijktijdig geschiedde zulks in Portugal. Had Spanje wijze,
+poëtische, de wetenschap hooge eischen stellende Koningen, dan had
+Portugal die ook. Stond in Spanje een Peter de Wreede aan het hoofd,
+dan had Portugal ook dergelijke despoten met dergelijke bijnamen. De
+beroemde Koningen van Portugal, Johan II, Emanuel en Johan III,
+waren tijdgenooten van de grootste Spaansche monarchen Ferdinand,
+Karel I en Filips II, en gewoonlijk hadden beide volken gelijktijdig
+hunne groote mannen en hunne groote omwentelingen.
+
+Werd bij de Spanjaarden het Romeinsche recht of de inquisitie of eenige
+andere heilzame of onheilzame hervorming ingevoerd, zoo duurde het
+ook niet lang of zij werden ook bij de Portugeezen aangenomen. Hadden
+de Moriscos of Joden in Spanje vervolgingen der Christenen te lijden,
+zoo konden zij kort daarna in Portugal op hetzelfde rekenen, ofschoon
+het hier meestal zachter toeging, daar de Portugeezen zich, als alle
+handelsvolken, over het algemeen verdraagzamer getoond hebben dan de
+hooghartige en sombere Spanjaarden.
+
+Binnen hetzelfde tiental jaren begaven zich de voornaamste zeehelden
+der beide volken scheep, en zeilden den aardbol rond, de eenen langs
+den Oostelijken, de anderen langs den Westelijken weg, ofschoon ter
+zee, van den beginne af aan, de Portugeezen iets op de Spanjaarden
+voor hebben gehad. Beide volken gingen, als eene dubbelster, bijna in
+hetzelfde oogenblik door het zenith hunner macht. En toch vindt men
+naast al die overeenkomsten in de geschiedenis hunner ontwikkeling, in
+hun karakter en hunne neigingen, en naast alle opgesomde aesthetische
+en literarische overeenkomst het merkwaardige, dat zij daarbij altijd
+in aangeborene vijandschap leefden, steeds de grootste antipathie
+tegen elkander koesterden, en even als een paar broeders of naburen,
+die vijandig tegen elkander over staan, alleen door de omstandigheden
+gedrongen met elkander gelijken tred hebben gehouden, om zoo te zeggen
+tegen wil en dank, dezelfde melodie, op slechts weinig van elkander
+verschillende instrumenten, gespeeld hebben.
+
+In de oorlogen, die beiden--dikwijls met vreemden verbonden--tegen
+elkander voerden, hebben de Spanjaarden meestal het overwicht
+gehad. Ontelbare malen zijn zij Portugal als overwinnaars
+binnengetrokken, en hebben het nu en dan beheerscht, eens (van 1580
+tot 1640) langer dan eene halve eeuw. Niettemin hebben zij het nooit
+blijvend kunnen verbreken, overmeesteren of met hun land ineensmelten,
+ofschoon het tot den huidigen dag een lievelingsidée der Spaansche
+patriotten is, alle stammen van het Pyreneesche schiereiland, _ook_
+de Portugeezen, tot één groot rijk en volk te vereenigen.--En dit
+is een idée, welks verwezenlijking onze tegenwoordige eeuw met hare
+handelsvrijheid, hare spoorwegen, kanalen, bevaarbaar gemaakte
+rivieren, waarmede, de Spanjaarden zoowel als de Portugeezen, de
+scheidsmuren die tusschen hen bestaan, trachten omver te werpen,
+_misschien_ bewerken zal.
+
+Hebben de Portugeezen reeds in hunne betrekking tot hunne buren, de
+Spanjaarden, meer eene lijdende of verdedigende, dan eene werkdadige
+en voorlichtende rol gespeeld, zoo is hunne inwerking op de beschaving
+van het overig Europa nog van veel minder beteekenis geweest. Van hoe
+veel meer gewicht zijn niet de Zwitsers en Nederlanders (ook slechts,
+even als de Portugeezen, kleine volken) voor Europa geworden. Onder
+de regeering van Koning Emanuel, in de 16de eeuw, was wel bij hen
+het middenpunt van den Europeeschen handel, was Lissabon wel eene
+wereldmarkt, waar men alle zeevarende volken aantrof; maar dit
+duurde niet lang, en van nog korteren duur was de roem van hun
+Coïmbra, als schitterendste Muzen-zetel van ons werelddeel. Hunne
+taal heeft men in het overig Europa even weinig geleerd en er even
+weinig notitie van genomen als b.v. van het Nederlandsch. Hunne taal
+is bijna even eng begrensd gebleven, als b.v. de tongval der Denen
+tot Jutland.--Van al hunne talrijke dichters heeft slechts _één_
+zich een Europeeschen naam, in de geschiedenis der Europeesche
+ontwikkeling eenig gewicht verworven. Wij bedoelen den, door een
+hoogst ongelukkig noodlot vervolgden, door zijne tijdgenooten niet
+gewaardeerden, ja geplaagden armen soldaat, dien men later, opdat hij
+in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, de hoogst ondichterlijke
+betrekking van lijkbezorger te Macao, in China gaf; dien men later,
+wegens eene vergissing in de administratie aan zijne betrekking eigen,
+in de gevangenis wierp, en ten laatste in een hospitaal als bedelaar
+liet verkwijnen en sterven. Onder al die mishandelingen en kwellingen,
+werkte die geestige man steeds aan zijne kunstrijke, prachtige verzen,
+waarin hij op onsterfelijke wijze den roem zijner landslieden, zijner
+Koningen en hunner voorvaderen bezong, de Portugeesche dichtervorst
+_Camoëns_, wiens Lusiade een bij alle volken bekend en bewonderd,
+in alle talen der wereld overgezet heldendicht geworden is.
+
+Even als deze Camoëns van hunne dichters, zoo is van hunne
+geschiedschrijvers nagenoeg alleen Barros,--van hunne zeehelden alleen
+Magellaan, de eerste die een vaart om de wereld deed,--van hunne
+Vorsten, de groote Emanuel, die zich er op beroemde dat in zijn rijk de
+zon nooit onderging,--van hunne veldheeren Albuquerque, de veroveraar
+van Indië,--van hunne staatslieden Pombal, de verdrijver der jezuïten,
+bij alle Europeanen bekend geworden. Algemeen bekende Spaansche,
+Italiaansche of Fransche celebriteiten zijn er ontelbaar velen.--
+
+Het voornaamste veld van de grootheid en de in de geschiedenis der
+ontwikkeling bekende werkzaamheid, der aan den uitersten rand van ons
+werelddeel geborene Portugeezen, ligt buiten Europa, aan gene zijde
+van den Oceaan, in Afrika, in Indië, in de nieuwe wereld, waar zij
+aan vele volken hunne taal leerden, hunne beschaving mededeelden;
+waar zij groote staten, Koningrijken en Keizerrijken stichtten; waar
+zich hunne geheele nationale neerlijkheid _overmachtig_ ontvouwde; waar
+zij zich echter, tegelijk met de gemakkelijk verworvene rijkdommen en
+de steeds toenemende luxe, ook de lust tot pronk en den tegenzin in
+den arbeid eigen maakten, die eene groote verslapping hunner energie
+ten gevolge gehad hebben, en waaruit zij zich eerst nu weder, na vele
+vergeefsche omwentelingen, tot nieuwe nationale werkzaamheid en bloei
+beginnen te verheffen.
+
+
+
+
+
+
+GALLIË EN DE FRANSCHEN.
+
+
+Ten Noord-Oosten van Spanje wordt door de elkander dicht naderende
+zeeën, het lichaam van ons Europa weder aanzienlijk verengd, en als
+ineengeregen. Het vormt om zoo te zeggen, den hals van het groote
+standbeeld van ons werelddeel.
+
+Even als bij de buste van het menschelijk lichaam, zoo is ook bij ons
+werelddeel deze halsvernauwing van geen langen duur. Aan weerszijden
+vindt men de breede schouders. De borst van het "schoone Frankrijk,"
+dat zijne armen, Italië en Groot-Brittanje, rechts en links uitbreidt,
+welft zich hier.
+
+Bijna even scherp en duidelijk als het Spaansch hoofdgedeelte, heeft
+de natuur ook dit gedeelte van ons vasteland, als geheel op zich
+zelf staande gevormd en van de andere landen-massa's gescheiden;
+zij schijnt dit land oorspronkelijk reeds tot de woonplaats van
+een eigenaardig geslacht, tot het schouwtooneel van invloedrijke
+gebeurtenissen, tot wieg en bakermat van één volk, en tot het goed
+voorbereide fundament van een machtigen staat bestemd te hebben.
+
+De Pyreneën is het als een parelsnoer om den hals gestrengeld. Als eene
+muur scheidt die keten het van het Iberische schiereiland. Zijne beide
+schouders worden door de zee bespoeld en zijn in scherpe kust-lijnen
+duidelijk afgeteekend. Op de hoogte der taille echter slingert zich
+de vaste gordel der Alpen, van den Jura, der Vogesen, der Ardennen,
+die het van Italië en Duitschland scheidt, waarbij echter in het
+midden (ter hoogte van Midden-Duitschland) het slot en de sluiting
+vergeten is.--Van de hooge grensomwallingen in het Oosten en Westen,
+loopt het land vlak naar binnen en naar het westen, alwaar het een
+bassin vormt, af.
+
+De stroomen van dit bassin vormen een samenstelsel van eigenaardig
+tot elkander behoorende en door elkander gevlochten aderen, die allen
+als stralen uit een zelfde middenpunt loopen.--Geen van hen maakt
+zulke excentrische en afwijkende banen, als b.v. de Duitsche Donau
+naar het Oosten. Daar zij allen in hunne hoofdtakken in hooge mate
+bevaarbaar zijn, veel meer dan b.v. de kleine, korte bergstroomen
+van Italië, of de arm aan water zijnde stroomaderen van Spanje,
+zoo zijn zij zeer geschikt om bij wijze van band, de bevolking
+te zamen te houden en in elkander te versmelten. Zij worden door
+onbeduidende hoogte-ketens, dikwijls slechts geheel vlakke en kleine
+plateaus, nergens door zulke steile rotsgebergten als de Italiaansche
+Apennijnen, of als de Spaansche Sierra's, van elkander gescheiden,
+en zij konden alzoo, door handelswegen van den eenen stroom tot den
+anderen en door kanalen, tot een zeer nauw verbonden scheepvaart-
+en verkeerstelsel vereenigd worden. Strabo heeft gezegd, dat het
+schijnt alsof de Voorzienigheid de stroomstelsels van Gallië, volgens
+een vastgesteld plan, ter bevordering van het verkeer en ten gerieve
+der bewoners aangelegd heeft.
+
+De geheele figuur van dit scherp afgeteekende gedeelte van Europa,
+is noch zooals Italië zeer in de lengte uitgestrekt, noch zooals
+Rusland overmatig breed, of als het Grieksche schiereiland verkorven
+en versnipperd. Het is veeleer een in hooge mate aaneengesloten,
+goed geëvenredigd geheel, en laat zich binnen den omtrek van een
+regelmatig vierkant of wel binnen dien van een cirkel vatten. Het
+strekt zich ook niet over zoo aanzienlijk verschillende luchtstreken
+uit, maar valt veeleer midden in den schoot van den gematigden
+aardgordel, en heeft daardoor ook in al zijne deelen een meer
+gelijkmatig klimaat, dan misschien eenig ander der _grootere_
+onderdeelen van ons werelddeel. Frankrijk maakt met betrekking tot
+zijn klimaat een overgang uit tusschen het Zuiden en het Noorden,
+en staat midden tusschen het Oosten en Westen. Het is veel minder
+droog dan Spanje, niet zoo heet als Italië, op verre na niet zoo
+vochtig als Groot-Brittanje, en gemiddeld vriendelijker en zachter
+dan Duitschland of zelfs het verre Oosten.
+
+Even als met betrekking tot klimaat en vorming der oppervlakte,
+zoo heeft het ook nog in andere opzichten niet die veelvuldige
+verscheidenheid zijner naburige landen, en is het eenvormiger dan
+deze. Het is over het geheel zeer geschikt tot de verbouwing der
+Europeesche granen, overal redelijk vruchtbaar en productief, en
+slechts bij uitzondering staan onoverwinbare hinderpalen de bebouwing
+van den grond in den weg. Nergens groeien de Europeesche vrucht-
+en ooftboomen beter dan daar. Ook valt bijna het geheele land nog
+in de streek van den wijnstok, wat, voor het karakter van klimaat en
+luchtgesteldheid, misschien van meer beteekenis is dan alles, wat men
+nog meer over zijne gemiddelde of zomer- en wintertemperatuur-graad
+zou kunnen zeggen.
+
+Het is gemakkelijk te begrijpen, dat in eene landstreek van dergelijke
+gesteldheid, die in zoo hooge mate met alle naburige landstreken
+in contrast staat, die daarentegen in zich zelve eene zoo groote
+eenheid vormt, ook een bepaald volken-geslacht zich vastzetten en
+verbreiden, en in den loop der tijden eene bijzondere en eenige natie
+zich vormen moest.
+
+Toch heeft men ook in Frankrijk, bij alle gelijkvormigheid in _het
+geheel_, verscheidene natuurlijke afscheidingen en geledingen,
+die zich in de geschiedenis van het volk van veel invloed getoond
+hebben, en op deze wil ik thans de aandacht vestigen. In de eerste
+plaats verbergt het land, trots die nagenoeg overal heerschende
+gelijkvormigheid in de verhoudingen van zijn klimaat, in zijn schoot
+een Zuiden en een Noorden. De Zuidelijke helft is merkbaar warmer dan
+de Noordelijke en nadert een weinig de natuur van Italië en Spanje,
+midden tusschen welke landen het gelegen is. Het Zuiden vormt ook
+daardoor een contrast met het Noorden, dat het bergachtiger is. Het
+bevat het eenige, tamelijk hooge en _echt Fransche_ bergstelsel,
+de Cevennen, met zijne vertakkingen.
+
+Het Noorden is een breeder vlakte- en heuvelland, en neigt zich,
+zoowel wat zijn klimaat betreft als uit een geologisch oogpunt,
+tot de natuur van Engeland en Duitschland. Daar beide deelen, het
+Zuiden en het Noorden, door geheel verschillende zeeën bespoeld
+worden, gene door de Middellandsche, deze door de Atlantische Zee,
+zoo zijn ook daardoor hunne belangen, en hunne punten van aanraking
+met de buitenwereld, verschillend. Eene lijn, die Oostwaarts door het
+midden van Frankrijk, van Genève over Lyon naar den mond der Gironde
+gaat, mag ongeveer beschouwd worden het Fransche Noorden en Zuiden
+van elkander te scheiden.--Langs deze lijn loopt in Auvergne en in
+Limousin, eene reeks met bosschen bedekte bergen. Daar bestonden
+sedert de 12de eeuw groote kastanjebosschen, die hier eveneens de
+plantengroei-grens tusschen Noord en Zuid vormden.
+
+Beide deelen van het groote land hebben, ten gevolge hunner contrasten,
+meermalen geheel verschillende lotgevallen gehad. Het Zuiden heeft
+in den loop der geschiedenis dikwijls bevolking en heerschappij
+met Italië en Spanje gedeeld, en is herhaaldelijk een tusschenlid,
+een doortrekkings-gebied tusschen deze beide naburige landen
+geweest. Het Noorden daarentegen is meermalen, zoowel ethnographisch
+als staatkundig, met het naburig Engeland, met de Nederlanden en met
+Duitschland vereenigd geweest. Nog tegenwoordig toonen Zuidelijke-
+en Noordelijke Franschen, in ras, zeden en taal een aanmerkelijk
+verschil, dat zoo groot is, dat zij zich dikwijls nog ternauwernood
+onder denzelfden naam begrijpen. De Zuidelijke-Franschen in Provence
+noemen zich b.v. liever alleen "Provençalen", en laten den naam
+"Franschen" bij voorkeur aan de Noordelijke Franschen. Het verschil
+tusschen Noord en Zuid toont zich, zoowel in de natuur des lands als
+in de geheele geschiedenis van het volk, van de oudste tijden af tot
+op de jongste tijden toe.
+
+Ofschoon verder, zooals ik zeide, de deelen van Frankrijk ook door de
+figuur en den omtrek van het land, tot een in hooge mate compacten
+en in zich zelven besloten landenkring samengeweven zijn, zoo maken
+zich toch eenige dier deelen meer of minder van het hoofdlichaam los,
+zooals zulks bij voorbeeld zeer in het oogvallend het geval is met
+het lange schiereiland in het Westen, dat wij nu Bretagne noemen,
+en verder ook met het daarmede zeer veel overeenkomst hebbende
+Normandische schiereiland. Niet alleen geographisch, maar ook
+ethnographisch en staatkundig, hebben zich deze beide schiereilanden
+van het overige lichaam des lands gescheiden gehouden, hebben eene
+eigene bevolking gehuisvest, of somwijlen tot grondslag gediend
+voor afzonderlijke staten, als waren zij niet anders dan eilanden,
+die aan het hoofdlichaam van Frankrijk werden toegevoegd.
+
+Iets dergelijks laat zich aangaande eenige riviergebieden van het land
+opmerken, vooral dat der Rhône, die, ofschoon met andere naburige
+Fransche stroomen verbonden, toch een zeer exceptioneelen loop
+heeft. Al de andere rivieren in Frankrijk loopen naar het Westen,
+en alleen de Rhône is van het Noorden naar het Zuiden gericht, en
+vormt daarom met haar een dergelijk contrast, als in Spanje het zoo
+exceptioneele Ebro-gebied ten opzichte der overige rivieren van het
+Pyreneesche schiereiland.--Meermalen heeft zoowel het Rhônegebied in
+Frankrijk als het Ebro-bekken in Spanje, een rijk en een volk op zich
+zelf gevormd.
+
+Met uitzondering dezer meest opvallende natuur-verschillen en van
+zooveel andere kleine verscheidenheden, zooals die in ieder land
+voorkomen, staat Frankrijk echter--ik herhaal het--in hoofdzaak als een
+uiterst gelijkmatig geographisch, klimatisch, hydro- en orographisch
+geheel daar.
+
+Nieuwere onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat de
+Noordelijke helft van dit land, even als geheel het overige midden-
+en westelijk Europa, oorspronkelijk door wilde jagersvolken van
+Finschen oorsprong bewoond is geweest, die noch de zee, noch de
+rivieren op grootsche wijze bevaren hebben, die ook, in kleine
+barbaarsche stammen verdeeld, niet in staat waren, een zoo grooten
+gemeenschappelijken staat, een zoo groot gebied als Frankrijk, tot een
+vaderland te stempelen of te benuttigen. Alle menschenschedels uit
+de oudste graven van Frankrijk dragen, naar de meening van Prichard
+en andere geleerden, een "Finsch" of "Mongoolsch" karakter.
+
+Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling,
+was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds
+in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet,
+die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan,
+en die vroegtijdig den naam "Celten" verkreeg. Deze Celten verdreven
+geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij
+in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen,
+voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren
+van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken,
+elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne
+Fransche taal--naar de meening van enkele taalonderzoekers--nog met
+de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft.
+
+De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in
+Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden,
+en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten,
+konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene
+dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen
+deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze
+anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam
+deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de
+Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.--Zelfs Napoleon heeft nog
+gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even
+heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten
+geweest zijn, "de oude heetbloedige Iberiërs" erkende.
+
+Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke
+bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten,
+uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne
+taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten
+heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap
+van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken
+geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben.
+
+Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door
+Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische
+stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door
+de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die
+breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is
+binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden.
+
+Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in
+bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen
+en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven.
+
+Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene
+tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen
+omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op
+de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder
+invloed uitgeoefend.--De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk
+eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte
+van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische
+bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en
+daaruit ontstonden de zoogenaamde "Celtiberiërs" dat wil zeggen
+geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver
+Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de "Celtiberiërs"
+zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds
+opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan,
+waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke
+Celten in Frankrijk uitmaakten.
+
+Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar
+Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en
+Lombardije, die nog door de Romeinen _Cisalpynsch_ Gallië of Celtenland
+genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals
+reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch
+of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens,
+in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun
+moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn.
+
+Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de
+Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op
+hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner "Brennus"
+(Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs
+tot Klein-Azië.--Zij verwoestten in die richting--het was dezelfde
+weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden--eens zelfs het
+Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun
+niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met
+hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische
+en Germaansche verloren gegaan.
+
+Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de
+Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers
+en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden
+de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen,
+en ook uit het geheele Rijndal verdreven.
+
+Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten,
+overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van
+Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd
+in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.--Hunne
+stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken,
+aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje
+is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven
+van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet
+men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal,
+de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten
+een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp,
+ontstane Engelsche natie.
+
+Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen
+buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en
+zelfs nog in de jongste tijden, langs _dezelfde_, zoo even aangegevene
+natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw
+een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje,
+of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar
+Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen;
+en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om
+zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk
+geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij
+in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene
+landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven.
+
+Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij
+waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest
+zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te
+koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke
+Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich
+vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen
+verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt
+te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze
+ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds,
+toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een
+deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter
+verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere
+mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd,
+oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.--De
+Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene
+_standen_ bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der
+zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand
+van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over
+zeer groote gedeelten van het land heerschten.
+
+En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de
+tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het
+geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch
+bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten
+naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders,
+de bovengenoemde "Brennus" aan het hoofd, die men in zekeren zin als
+de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen.
+
+Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het
+beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het
+eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar
+waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot
+als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten
+der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië,
+verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille)
+reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit
+deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving
+Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs
+de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met
+Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille,
+in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen,
+leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie.
+
+Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het
+groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de
+natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men
+kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had
+als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog
+heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de
+arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs
+beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen,
+dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen.
+
+Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen
+de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte
+van Zuid-Frankrijk, dat zij "_Provincia_" (Provence) noemden, en
+in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden
+en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het
+Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd,
+en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche
+ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft,
+de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen.
+
+Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator
+Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon
+gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, _geheel_ Gallië tot
+aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden
+en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu
+langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat
+eindelijk dat rijk zelf ten onder ging.
+
+Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook
+in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en
+oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige
+schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij
+voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de
+zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne
+geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons,
+zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat.
+
+De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de
+Duitschers--dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers,
+om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen--menschen van eene
+stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote
+gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van
+het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers,
+die nog heden ten dage door de Franschen voor "_têtes quarrées_"
+uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.--De
+gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben
+meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote,
+zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen
+inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden,
+spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig
+volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame,
+bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen
+hen overstelt. Van de "_subita et repentina consilia Gallorum_" (de
+plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs)
+maakt Cesar dikwijls melding.--"_In consiliis mobiles, plerumque de
+novis rebus student_" (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig
+en zij haken altijd naar veranderingen.)--"_Levem auditionem habent
+pro re comperta_." (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene
+uitgemaakte zaak aan).--Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden,
+zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en
+hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders
+voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een
+bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik.
+
+Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten,
+bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en
+gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn
+bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden
+zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of
+zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. "_Avidi jurgiorum_"
+(zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige
+aanmatiging.--Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend
+en lachend hunne beloften breken. (_Ridendo fidem frangunt_). En hunne
+lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor
+geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. "Somwijlen schijnen zij
+bezield door een dollen waanzin," voegt de verbaasde Romein er bij,
+"die aan het ongelooflijke grenst."
+
+Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard
+onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting,
+als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog
+overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden
+zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets
+dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de
+volgende woorden teekent. _Plerumque Gallia duas res industriosissime
+persequitur, rem militarem et argute loqui_; wat men zou kunnen
+vertalen door: "op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen),
+bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken."
+
+Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. "Niet
+alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en
+de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene
+betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde
+kleedingstukken. De Gallische _Sagum_ (mantel) is zelfs bij de mindere
+standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die
+zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook,
+zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder
+geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken,
+en verwisselen gaarne van bestuur, "_mobilitate et levitate animi
+novis imperiis student_."
+
+Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft
+iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te
+voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen
+(_bons enfans_) zijn. "Zij zijn," zegt hij, "zeer gemakkelijk tot een
+goed plan over te halen." "Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht
+geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn
+geen perken." Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers
+overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht
+en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en
+nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.--Met betrekking
+tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude
+schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen,
+wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven.
+
+Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het
+grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo
+was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard
+heeft.--Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de
+hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten
+tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben.
+
+Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type
+der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De
+heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke
+nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische
+schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en
+met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in
+Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige
+Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat,
+in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn.
+
+Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook
+het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte
+woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene
+Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden.
+
+Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in
+den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun
+Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer
+te herkennen. Vooral de toon, de stem, de "_timbre_" waarmede
+het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of
+Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den
+bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd,
+dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis
+heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal,
+die er haren invloed op liet gelden.
+
+Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere
+Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische
+grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen
+kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid
+der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in
+de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in
+den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo
+invloedrijke priesterkaste der Celtische "Druïden," die ook in het oude
+Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam
+bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals
+later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen
+en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals
+Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was.
+
+Ook de _troubadours_ der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht
+in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de
+Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen
+en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne
+gezangen van eene harp, in het Gallisch "_Kruit_" geheeten, die in
+hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de
+Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven.
+
+Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere
+klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier _geheel_ van
+het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen
+berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk,
+mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond
+voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke
+geestvervoering der maagd van Orleans, meer "Druïdisch" dan christelijk
+geweest zijn.
+
+Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in
+de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige
+Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik,
+bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude
+aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef,
+gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden
+hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs
+uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn
+nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de
+Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden
+wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een
+even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken,
+nog zeer veel onveranderd vinden.
+
+Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat
+oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in
+een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan
+de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig
+westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde _Cornu Galliae_
+(den hoorn van Gallië), dat vroeger "_Armorica_" (het land aan de zee)
+en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende
+invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig
+genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het
+binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe,
+hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.--De
+mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde _Breizards_ of _Bretons_
+spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude
+Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene
+Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in
+Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland,
+hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is
+bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige "Bretons",
+evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak
+het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek
+is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals
+die der Hoog-Schotten en Italianen.
+
+Evenals bij de bewoners der Schotsche-Hooglanden, evenals bij de oude
+Baskiërs in Spanje, bij wie ieder zich een edelman verbeeldt te zijn,
+evenals bij alle overblijfselen der eerste volkenrassen van Europa,
+vindt men ook bij hen veel adeltrots. Verscheidene der voornaamste
+geslachten van Frankrijk behooren oorspronkelijk in Bretagne te huis,
+zoo b.v. de Rohans, wier brieven van adeldom reeds door Noach in de ark
+werden gered. In dit oude dichterlijke Bretagne, hebben de Fransche
+dichters en letterkundigen, tot aan de "Kruisvaart van Ploërmel"
+toe, meermalen de onderwerpen voor hunne novellen, romans en opera's
+opgedaan. Een treurige, droefgeestige toon heerscht, evenals bij alle
+overwonnene, sedert eeuwen onderdrukte volken, door alle gedichten
+der Bretons. "Deze langzaam verdwijnende en uitstervende stammen,"
+zegt een Franschman van hen, "gebruiken hunne laatste ademtochten,
+om hunne herinneringen op te sieren, om zich zelve hunne ongelukken
+te verhalen. Zij tellen de dooden op, die in hunne veldslagen gevallen
+zijn, zij wijzen op de oude graven en ruïnes, op de verwoeste woningen
+van hun land, die nu met gras begroeid zijn, waar, zooals zij zich
+uitdrukken, de klaver bloeit, rood van het bloed der Bretonsche
+krijgers."--Verscheidene oude volksfeesten zijn nergens in Frankrijk
+zoo plechtig, en zoo overeenkomstig het karakter van het volk, als
+in Bretagne. Zoo b.v. het Kerstfeest, dat waarschijnlijk niets anders
+dan eene Christelijke opsiering van een druïdisch winterfeest is. De
+zoogenaamde Kerstmis-zangers spelen daarbij eene belangrijke rol,
+en zijn om hunne liederen, die zij, van huis tot huis trekkende,
+zingen, overal welkom. Zij moeten, naar gezegd wordt, in hun geheugen
+de schoonste proeven der oude Celtische dichtkunst bewaard hebben.
+
+
+
+Deze merkwaardige volken-oase in het bergachtig Westelijk uiteinde
+van Frankrijk, kreeg nog herhaalde malen uit Engeland toevoer van
+Gallisch bloed, wanneer het Celtische ras daar door vreemden in
+het nauw gebracht werd. De voor de Pikten en Skoten en later voor
+de Angelsaksers vluchtende Britten, gingen bij scharen naar hunne
+oude broeders in "_Armorica_", en van dezen ontving later het land,
+in tegenstelling met Groot-Brittanje, den naam _Britania Minor_
+(Klein Brittanje).
+
+Tot op de jongste tijden toe, hebben de Britten in Frankrijk, en die
+in Engeland, met elkander op vriendschappelijken voet geleefd en zich
+met elkander omgewisseld. Nog voor eenige jaren, vereenigden zich
+de patriotten van beide takken van den ouden Celtischen volkstam,
+tot een feest in Wales, om gezamenlijk in hunne volkstaal het oude
+Bretagnische lied te zingen: "neen, Arthur is niet dood!" waaraan
+zij ongeveer eene zelfde beteekenis gaven als de Polen aan hun:
+"Polen is nog niet verloren!"--Lodewijk Filips begon het krachtigste
+middel ter ondermijning van deze oude volks-ruïne aan te wenden. Hij
+liet de Vendée en Bretagne, het vaderland der Celtische Chouans,
+met straatwegen doorsnijden. En onze spoorweg-eeuw zal hen nu wel
+geheel medesleuren in den draaikolk der wereldgeschiedenis, en hunne
+taal en gewoonten geheel doen verdwijnen.
+
+Zooveel van de volksstammen, die de tegenwoordige bewoners van
+Frankrijk en hunne nationaliteit tot voornaamsten grondslag dienden. Ik
+ga nu over tot de elementen, die op deze oorspronkelijke Celtische
+stammen van buiten af geënt zijn, en zich met hen vermengden.
+
+
+
+De geschiedenis is niet bij machte de groote tijdruimten te meten,
+waarin de oude woeste Galliërs, onvermengd en onveroverd, door hunne
+inheemsche Druïden en Vorstengeslachten bestuurd, in hun vaderland
+huisden. De Romeinen waren, nadat zij in den loop der jaren tot macht
+geklommen waren, geheel Italië aan zich onderworpen en Carthago's
+macht gebroken hadden, de _eerste_ buitenlanders, die het geheele land
+en volk der Galliërs onderwierpen, en hen eene even zoo wezenlijke
+verandering deden ondergaan, als zij zulks ook met de Iberiërs in
+Spanje hadden gedaan.
+
+De door Cesar bewerkstelligde vernietiging van de wilde
+onafhankelijkheid der Galliërs, is tot op heden de gewichtigste
+gebeurtenis in het leven der bewoners van Frankrijk geweest. Door haar
+werd de oude versnippering in stammen, de bij alle Celten gebruikelijke
+indeeling in Clans, opgeheven, en werd eene grootere gelijkheid in
+taal en zeden ingevoerd.
+
+Door de Romeinen allen op gelijke wijze behandeld, smolten de
+Gallische stammen als onderdanen, inniger samen tot een volk van
+dezelfde physionomie. De Romeinen verzachtten hunne zeden, schaften
+den somberen godsdienst der Druïden, die zelfs menschen-offers
+verlangde, af, en voerde de beschaving van het Zuiden en Oosten in
+het geheele land in.--Zij bereidden daardoor de Galliërs ook voor tot
+de aanneming van het Christendom, dat even als de beschaving en eene
+rijke literatuur, uit Italië tot hen overgebracht werd.
+
+Geen Europeesch volk, behalve Italië, hebben de Romeinen in zoo hooge
+mate geromaniseerd als de Galliërs. De Celtische taal werd overal, tot
+op genoemden engen kring in _Armorica_, verdrongen, en de Romeinsche
+taal kwam langzamerhand bij alle klassen van het volk in het Noorden
+en het Zuiden, in hare plaats.
+
+Toen de Romeinen begonnen, hunne armen nog verder over het Noorden van
+den _Orbis terrarum_ uit te strekken, werd Gallië, zooals door de boven
+opgegevene geographische ligging als het ware van zelf aangegeven werd,
+hunne hoofdburcht in Westelijk Europa. Zij voerden de geromaniseerde
+Galliërs, onder wie zij hunne legioenen rekruteerden, langs alle wegen,
+waarlangs zij reeds vroeger als zuivere Celten, gemarcheerd waren.
+
+Reeds Cesar trok met behulp zijner Gallische legioenen den Rubicon
+over, en veroverde met hen weder Rome, dat hunne voorouders reeds
+eens onder "Brennus" door storm genomen hadden. Van uit Gallië en
+met de Gallische legioenen werd in het Westen de onderwerping van
+Spanje voltooid, en in het Oosten de Rijn beheerscht. Ook deze nu
+beschaafde Galliërs, drongen onder de vanen der Romeinen het land der
+Britten, hunne voormalige barbaarsche broeders, weder binnen.--De
+gelatiniseerde Galliërs namen, even als aan de krijgstochten der
+Romeinen, ook aan hunne werkzaamheden deel. Zij werden Romeinsche
+burgers. Vele der "Romeinsche" dichters en schrijvers waren van
+Celtisch bloed, en vele der tot den troon verhevene Imperatoren
+waren uit Gallië geboortig.--Eenige Romeinsche Keizers hadden daar
+hunne gewone residentie en regeerden van daar uit de wereld, en een
+overblijfsel van het Romeinsche Keizerrijk bestond zelfs in Gallië
+iets langer dan in Italië zelf.
+
+Daar veel van hetgeen de Romeinen in Gallië op den ouden Celtischen
+bodem geplant en in het leven geroepen hebben, evenals de door hen uit
+Italië daarheen gevoerde olijf- en wijnbouw, door alle eeuwen heen
+tot op den tegenwoordigen tijd daar voortgewoekerd en voortgewerkt
+heeft, zoo is het niet te verwonderen, dat de Franschen Cesar, die
+dit en zooveel anders invoerde, in zoo hooge waarde houden en hem
+als den eersten souverein van Frankrijk, als den grooten schepper
+of stichter hunner nationaliteit, den grondvester hunner beschaving,
+den Mozes of Jozua van hun volk vereeren.
+
+Ten slotte moet ik hier nog opmerken, dat opmerkzame waarnemers
+nog heden ten dage, een tamelijk belangrijk onderscheid willen
+zien, in den graad van romaniseering der verschillende deelen van
+Frankrijk. Zoo wil men in het algemeen een opvallend verschil opgemerkt
+hebben, tusschen het type der stedelingen en dat der landlieden
+in Frankrijk. Deze laatsten zijn veel Celtischer gebleven. "In
+de grootere provincie-steden wordt eene ontwikkeling waargenomen,
+die het door de Romeinen opgedrukte stempel nader komt, dan in de
+kleine landstadjes." Maar ook daar, waar de bevolking het meest met
+de Romeinen vermengd werd, is, zooals reeds gezegd werd, het Celtische
+type niet verdwenen.
+
+Na den ondergang van het Romeinsche rijk, volgde de tweede
+invloedrijke en gewichtige overstrooming der Celten door eene vreemde
+volken-stof. De Germanen drongen over den Rijn, overstroomden even
+als het _geheele_ Romeinsche Europa, zoo ook Gallië.
+
+Hier verdeelden zich aanvankelijk drie verschillende Duitsche stammen
+over het land. De Bourgondiërs nestelden zich in het Zuid-Oosten
+vast. Hun rijk omvatte het geheele gebied en het stroomstelsel der
+Rhône, het oude Provincia. De West-Gothen bezetten het Zuid-Westen
+en beheerschten het stroomgebied der Gironde, met het Pyreneesche
+schiereiland, dat zij eveneens veroverden, en van waar uit zij het
+genoemde gedeelte van Frankrijk regeerden. Men kan zeggen, dat beide
+stammen gezamenlijk het geheele Zuiden innamen.--De Franken eindelijk
+onderwierpen de Noordelijke vlakten, het stroomgebied der Seine en
+het geheele land tusschen den Rijn en de Loire of het Noorden.
+
+Deze laatsten, de Franken, muntten boven alle Duitsche stammen uit,
+door hunne staatkundige énergie en bekwaamheid. Hun opgewonden
+karakter maakte hen er geschikt voor, om aan het zich uit den chaos
+der volksverhuizing op nieuw gevormd hebbende Gallië tot kern te
+dienen, en ook tot centrum van het kristallisatie-proces, en aan
+het in den loop der eeuwen daaruit voortkomende nieuwe volk en rijk
+hunnen naam mede te deelen.--Zij sloegen van het Noorden af, eerst de
+West-Gothen uit het veld, en verdreven vervolgens de Bourgondiërs tot
+aan de Alpen.--En tegelijk bewaarden zij Frankrijk, door de roemrijke
+overwinningen onder aanvoering van hunnen Karel Martel, voor een onder
+de bedrijven dreigenden, ten eenen male anti-Europeeschen inval, voor
+dien der Arabieren namelijk, die in de 8ste eeuw de West-Gothen in
+Spanje hadden overwonnen, en weldra ook aan deze zijde der Pyreneën in
+Zuidelijk Frankrijk verschenen waren. Daar hebben deze Oosterlingen
+zelfs nog _na_ de overwinningen van dien Frankischen Martel, eene
+streek aan de zeekust, namelijk den omtrek van Narbonne, bezeten,
+van waar uit zij hunne strooptochten naar het binnenste gedeelte
+van Frankrijk geruimen tijd herhaalden. Ofschoon de Arabieren in
+Zuid-Frankrijk niet geheel zonder invloed bleven op de vorming
+der nationaliteit aldaar, ofschoon vooral de Zuidelijke Franschen,
+even als de Spanjaarden, vele poëtische indrukken van de Arabieren
+ontvangen hebben, en men ook in de Fransche taal eenige sporen van
+het Arabisch ontdekt heeft, zoo kan in de geschiedenis der _Fransche_
+nationaliteit, deze Arabische inmenging, die zich bij de _Spanjaarden_
+zoo diep doet gevoelen, als van weinig belang beschouwd worden,
+en mag hier slechts ter loops er melding van gemaakt worden.
+
+Onder de Karolingers beheerschten de Franken Gallië over zijne geheele
+uitgestrektheid; aanvankelijk omvatte wel het Frankenland ook nog
+vele andere landen, bijna geheel Duitschland en Italië; maar in het
+jaar 843 werd dit groote rijk, door het beroemde verdrag van Verdun,
+tot hare door geographische en ethnographische betrekkingen aangewezene
+natuurlijke grenzen teruggebracht. Het wezenlijk _Celtisch-Romanische_
+Westelijke land, scheidde zich van het wezenlijk _Duitsche_ Oostelijke
+land af, en vormde nu, als een, den gang zijner eigene ontwikkeling
+volgend volk, een rijk onder den bij voorkeur blijvenden naam
+"_Francia_" of "Frankrijk," en dat wel min of meer binnen de grenzen
+en den omtrek van het oude Gallië.--Ik zeg, min of meer; want zeker
+ontbrak er gedurende geruimen tijd nog veel aan, voor dit raam, door
+een eenig en eensgezind nationaal- en rijkslichaam, was ingevuld. Het
+gedeelte in het Oosten, het Rhône-dal, bleef nog langen tijd een op
+zich zelf staand land en volk, dat als oud- en nieuw-Bourgondisch rijk,
+eenigen tijd zelfstandig bestond en later met het Duitsche Keizerrijk
+verbonden was. Verscheidene Celtisch-Romanische landstreken in het
+Rijngebied, waren bij het zoogenaamde Lotharingsche rijk ingelijfd,
+dat, even als Bourgondië, dikwijls eene twijfelachtige positie
+tusschen Galliërs en Germanen innam, maar grootendeels met het
+Duitsche Keizerschap verbonden bleef.--De oude "hoorn van Gallië,"
+dat lange en breede schiereiland, Bretagne, leefde onder eigen
+Vorsten nog lang een staatkundig afgezonderd leven, en het andere,
+het ten Noord-Oosten aangrenzende schiereiland, werd spoedig na de
+Carolingers weder door een nieuwen Germaanschen volkenstroom uit
+Skandinavië van het hoofdlichaam afgescheurd, en bestond eenigen tijd
+als een op zich zelven staand Vorstendom, het zoogenoemde Hertogdom
+Normandië.--Ook stonden, toen deze Hertogen van Normandië, Koningen
+van Engeland geworden waren, gedurende de middeneeuwen somwijlen
+groote gedeelten van Frankrijk, onder den invloed en de heerschappij
+der Engelschen. Daar verder ook bovendien hier en daar aanzienlijke
+Vorstengeslachten, in sommige gedeelten van het lichaam des lands,
+als Souvereinen regeerden, zoo ontbrak er, zooals reeds gezegd is,
+veel aan, dat overal de invloed van eene eenige normale taal, ras,
+nationaliteit en gebruiken, spoedig overal alles gelijkmakende,
+had kunnen doordringen.
+
+Overal in Frankrijk groeiden en woekerden gedurende de midden-eeuwen,
+op den ouden bodem, provinciale eigenschappen en gewoonten, lokale
+dialecten en literatuur, welig voort.--Het eenige, wat dit geheel
+midden-eeuwsche Frankrijk ethnographisch voortdurend vereenigde, was
+die van de Romeinen afkomstige, vast gelegde oud-Celtisch-Latynsche
+ondergrond, die, zooals gezegd is, echter menigvuldige bijkleuren en
+nuances aannam.
+
+Het was een groot geluk voor de Fransche nationaliteit, dat bij alle
+splitsing, toch _een_ eenige politieke kern, een meer of min machtig en
+erfelijk Koningsgeslacht, in eene vaste nooit verplaatste hoofdstad,
+in het te midden van alle harrewarrerijen steeds groot wordende en
+in bloei toenemende Parijs, dat reeds in de 5de eeuw de Merowinger
+Clovis tot zijne residentie uitgekozen had, is blijven bestaan. Hoe
+langzamerhand van deze kern uit, alle deelen van het land samenkwamen,
+hoe de eene onafhankelijke provinciale-vorst na den anderen door zulke
+machtige onbeperkte heerschers, als een Filips Augustus, een Lodewijk
+ XI, een Karel VIII en later door de sterke hand van een Richelieu
+gebogen werden,--hoe de vreemdelingen, de Noormannen, de Engelschen,
+de Duitsche Keizers, de Spaansche Vorsten van Navarre en Catalonië,
+weder van den ouden Gallischen bodem verdrongen werden,--hoe van het
+steeds schitterender, steeds meer om zich heen grijpende, steeds meer
+alles vereffenende Parijs, ten slotte een eenige spraakvorm, een eenig
+zedenstempel, een gemeenschappelijk patriotsch nationaal-gevoel het
+geheele land en volk aangreep, en hoe ten gevolge daarvan de oude
+Galliërs in de gedaante van een der machtigste en meest eensgezinde
+natiën, die der nu zoogenaamde "Franschen" weder opleefden, dat
+is de geschiedenis van een 1000 jarig proces, vol van de meeste
+afwisselingen geweest.
+
+De verovering van Gallië door de Duitschers, die het begin van dit
+proces vormt, heeft zich, hoe stormachtig zij ook was, op verre na
+niet zoo doortastend, veranderingen aanbrengend en voordurend bewezen,
+als de vroegere, die der Romeinen.--Duitsch bloed, Duitsche wijze van
+zijn, Duitsche taal, dit alles is met der tijd weder uit Frankrijk
+verdwenen. Daar de Duitschers wel als dappere maar onbeschaafde
+veroveraars en meesters, en niet zooals de Romeinen tegelijkertijd
+ook als leermeesters en zedepredikers, en als deze met den geheelen
+toestel van beschaafde, gezellige toestanden, kunsten en handwerken,
+maar eenvoudig alleen met het zwaard kwamen; daar zij bovendien uit
+een zwakker bevolkt in een dicht bewoond, bebouwd en stedenrijk land
+overgingen, zoo moest wel hun type voor dat van de ingezetenen des
+lands wijken, zooals bij alle vermengingen van de volken der wereld,
+altijd verstand en beschaving per slot van rekening de overwinning
+behaald hebben op physiek geweld. Daarbij moet men echter opmerken,
+dat de Duitsche Franken in Frankrijk, niet zoo snel wegsmolten als
+de Duitsche Gothen in Spanje of de Longobarden in Italië; Frankrijk
+betoonde zich ook daarbij als een tusschen- of overgangsland tusschen
+het Germaansche Noorden en het Romaansche Zuiden.
+
+Van de vijfde eeuw af, toen de Duitschers Frankrijk veroverden, tot
+aan den tijd van Karel den Groote en tot aan het verdrag van Verdun,
+en nog iets later tot na het midden der 9de eeuw, dus meer dan 200
+jaren langer dan in Spanje, hebben in Frankrijk Duitsche taal en
+zeden naast de Celto-Romaansche geheerscht.--De heeren van het land,
+de gebiedende grondbezitters, de adellijke geslachten waren allen
+blondharige blauwoogige Germanen. De wetten en bevelen werden in
+Duitsche taal gegeven. Het Duitsch zou zelfs ten tijde van Karel den
+Groote nog de hoftaal geweest zijn. Nog in het begin der 9de eeuw
+werd op de kerkvergadering in Tours bevolen, het godsdienstonderwijs
+in beide talen te geven. En toen ten tijde zong men nog in Frankrijk,
+ter eere der Koningen Duitsche lof- en zegeliederen, zooals b.v. het
+beroemde Lodewijkslied, ter eere der overwinning van Koning Lodewijk
+ III op de Noormannen in het jaar 881, een kostbaar oud monument
+der Duitsche taal, dat door een gelukkig toeval voor ons bewaard is
+gebleven, en waaraan nieuwere Fransche en Duitsche geleerden op even
+patriotsche wijze hunne opmerkzaamheid gewijd hebben.
+
+Beide naast elkander bestaande talen onderscheidde men in Frankrijk,
+de Duitsche onder den naam "_lingua francica_" of "_francisca_" (de
+taal der Franken) en die der onderworpene inboorlingen onder den naam
+"_lingua Romana_." Bij de samensmelting van beide rassen behield deze
+ten slotte de overwinning, ofschoon gene aan het nieuwe product den
+naam gaf.--Met deze samensmelting ging het na het verdrag van Verdun,
+door meer dan eene oorzaak snel voorwaarts; daar geen nieuwe toevoer
+van Duitsch bloed van gene zijde van den Rijn meer plaats vond;
+daar de huwelijken onder elkander steeds talrijker geworden waren;
+daar de oude Germaansche geslachten uitstierven; daar de aanvankelijk
+ter nedergeworpene en gedecimeerde Romaansche provincie-bewoners,
+langzamerhand weder op hun verhaal kwamen, krachtiger werden en zich
+weder vermeerderden.
+
+Reeds omstreeks het midden der 9de eeuw moesten de jonge Fransche
+geestelijken, om Duitsch te leeren, waarvan de kennis hun hier en daar
+van nut kon zijn, naar abdijen in Duitschland reizen. En omstreeks
+het einde der 9de eeuw was de Duitsche taal in Frankrijk nergens meer
+in gebruik. Zelfs de Noormannen in Normandië hadden toen reeds hun
+Noord-Germaansch tegen het Romaansch omgeruild. De overwinning van
+het Romanisme op het Germanisme was toen reeds overal beslist.
+
+Op het nieuw ontstane volkswezen, dat nu sedert de 10de eeuw de
+geschiedschrijvers den naam _Franschen_ gaven, behield, ten minste
+wat taal, zeden en gezindheid aangaat, de Duitsche geest een tamelijk
+beperkten invloed. Al de dialecten en patois, die nu in Frankrijk
+ontstonden, zijn niet zoozeer te beschouwen als ontstaan uit eene
+verbinding van het Romaansche met het Germaansche element, maar veeleer
+als weder voortgekomen uit den Latijnschen en Celtischen ondergrond.
+
+Ook tot de nieuwere Fransche taal, die langzamerhand eene
+algemeene heerschappij over al deze patois verkreeg, schijnt het
+Germaansch slechts weinig toe- of afgedaan te hebben. De Frankische,
+Bourgondische, Gothische en Noormansche krijgers, hadden zich van den
+beginne af, bij de vorming van dit Fransch uiterst passief gedragen. De
+innerlijke bouw en geest der taal is, naar het oordeel der kenners
+geheel anti-Duitsch, geheel Romeinsch-Celtisch gebleven. Ook in het
+fond der woorden vindt men in het Fransch niet veel overblijfselen
+van Duitsche uitdrukkingen. Slechts een zeer gering aantal Fransche
+woorden, en wel zulke, die op verschillende standen der maatschappij,
+op openbare ambten, op militair-, zee- en jachtwezen betrekking hebben,
+kan men tot Duitsche wortels terugbrengen.
+
+Daarentegen laat zich in de behandeling der van de Romeinen en Celten
+overgekomene spraakstof, in de formatie en uitspraak der woorden,
+Duitsche invloed niet miskennen. In Italië en Spanje is de welluidende
+volle Latijnsche klank gebleven. In het Noordelijk gedeelte van
+Gallië echter heeft _daarin_, Duitsche taal en uitspraak meermalen
+den doorslag gegeven: De Franken en Noormannen hebben de Latijnsche
+woorden overal de karakteristieke eindsyllaben, die in de Germaansche
+taal onbekend zijn, ontnomen, of hebben ze tot doffe, toonlooze
+Germaansche halfvocalen verzwakt. Zoo b.v. het Romaansche _uno_,
+_una_ in _un_ en _une_, _vino_ in _vin_, _Roma_ in _Rome_. De fraaie,
+eenvoudige, welluidende vocalen veranderen zij in de onaangename,
+doffe nevenklanken; a in ä, o in ö, u in ü b.v. _clarus_ tot _clair_,
+_luna_ tot _lune_, _boves_ tot _boeufs_. Dikwijls trokken zij, iets wat
+de Engelschen nog meer deden, de lange Romaansche woorden tot kortere
+te samen b.v. _brevis_ tot _bref_, _crudeli_ tot _cruel_, _spiritus_
+tot _esprit_, _profundus_ tot _profond_, _aurum_ tot _or_, _Johannes_
+tot _Jean_ (geheel ons "_Jan_"). In plaats der eenvoudige, scherp
+geteekende Romeinsche consonanten, voerden zij dikwijls Germaansche
+ruischklanken in, b.v. in stede van _calore_, _chaleur_, in plaats
+van _cavallo_, _cheval_, _bouche_ in plaats van _bocca_. De Duitschers
+ontnamen op die wijze in Frankrijk veel welluidends en muzikaals aan
+de Romaansche taal, die zij aannamen.
+
+Ofschoon volgens dit alles de _aard der taal_ der Franschen wel iets,
+maar over het geheel toch slechts weinig van het Germaansch element in
+zich bewaard heeft, zoo heeft toch in _andere_ opzichten de Fransche
+verovering op de natie een langdurigen invloed uitgeoefend, en moeten
+de Franken eenigermate, naast de Romeinen en naast de Celten, als
+de voorouders der tegenwoordige Franschen beschouwd worden.--Vooral
+bleef, even als in Spanje en elders, in het staats- en rechtswezen
+der Franschen veel Germaansch bestaan. "De Duitsche overwinnaar
+heeft in velerlei opzicht den overwonneling (wiens taal, zeden en
+vaderlandsliefde hij aannam) de publieke inrichtingen, die bij hem
+van kracht waren, aangebracht. In Noord-Frankrijk waren de zoogenaamde
+"_coutumes_," die op het Duitsche recht gebaseerd waren, zelfs tot in
+de 18de eeuw van kracht.--Het leenstelsel, de militaire-inrichting,
+het Frankische Koningschap, de geest der ridderschap, dit alles was en
+bleef langen tijd Germaansch. De onafhankelijke Fransche Koningstroon
+was oorspronkelijk eene Duitsche stichting, en de Franschen hebben
+het daarom oorspronkelijk, even als de Spanjaarden, alleen aan de
+Duitschers te danken, dat zij als een eigen en eenig volk, in de
+Europeesche familie hun hoofd verheffen. Want te voren, zoo lang
+zij enkel Celten waren, was bij hen, zooals ik zeide, eene groote
+versnippering in clans en stammen. Toen zij Romeinen werden, kwam
+er wel eene vereeniging, maar alleen door inlijving in een grooten,
+de wereld omvattenden staat. Eerst toen de Duitsche statenstichters
+onder de Galliërs optraden, verkregen zij het zuurdeeg, met behulp
+waarvan een brood gebakken werd--het hekwerk langs welke de Fransche
+wijnstok zich uit de verslapte Romeinen-wereld omhoog kon heffen, en
+tot eene groote en zelfstandige Europeesche volkenplant kon opwerken.
+
+Tot aan het jaar 1792 vernieuwde, gedurende 1281 jaren, dagelijks een
+priester aan het graf van Chlodwig, in de dikwijls gerestaureerde en
+verbouwde kerk, later het Pantheon genaamd, in de mis het aandenken
+aan den Duitschen stichter en voorvader der Frankische monarchie,
+aan den oudsten aller Europeesche souvereinen.--Eerst met het genoemde
+jaar, met de Fransche revolutie hield ook _dit_ huldebetoon op, door
+de Franschen aan hun Germanendom gebracht. Men heeft deze omwenteling
+zelve en alle innerlijke veranderingen en allen strijd in Frankrijk,
+die ten slotte tot de revolutie voerden, beschouwd als een streven van
+het oude Celtische en Romaansche element, om zich van het Germaansche
+element te ontdoen en er zich van te zuiveren.--"Met hunne groote, het
+geheele land op zijne grondvesten schuddende omwenteling, werd onder de
+Franschen de gedachte weder levendig dat zij niets dan geromaniseerde
+Galliërs, Celten waren. Zij spreken nu van de Franken en de Frankische
+Koningen, als van vreemde barbaren. Zij nemen zelfs de oud-Romeinsche
+kleeding aan. Ook kiezen zij zich vervolgens een staats-opperhoofd,
+dien zij den Romeinschen titel "_Imperator_" (Empereur) geven, en die,
+even als vroeger Cesar met de Galliërs, naar Rome marcheert. "_La
+blonde Germanie_", zegt een Fransch schrijver van dien tijd, "_a eu
+beau nous envoyer ses Francs, ses hommes du Nord: notre temperament
+n'a rien perdu de ses tendances originelles. C'est que malgré les
+revolutions et les siecles nous sommes toujours l'ancienne Gaule_
+avec ses emportements et ses impatiences." [13]
+
+De groote Napoleon zelf heeft de geschiedenis der Fransche revolutie
+in twee merkwaardige woorden vervat: "_Les Gaulois secouèrent le
+joug des Francs_ (De Galliërs schudden het juk der Franken [der oude
+feodalen] af).--Ook van de nieuwere Fransche taal heeft men opgemerkt,
+dat zij het Latijn weder nader gekomen is, dan het oud-Fransch. En
+zoo heeft waarschijnlijk dan ook de Paus gelijk, die tot op dit
+oogenblik voortgaat, in zijne bullen Frankrijk niet "_Francia_,"
+maar even als ten tijde van Cesar "_Gallia_" te noemen.
+
+Na het, slechts korten tijd durende, herstel van het oude Frankische
+Koningshuis, keerden de Franschen, in het midden onzer tegenwoordige
+19de eeuw, tot het Imperatorendom terug, en hun Napoleon III vergeleek
+zich met niemand liever dan met den Romeinschen Cesar, wiens leven
+hij ijverig bestudeerde, en die onder hem in Frankrijk oneindig meer
+gehuldigd werd, dan die andere voorvader, de Duitsche Chlodwig.
+
+Overigens is het opmerkingswaardig, dat er onder de Fransche historici,
+om zoo te zeggen, schier altijd twee partijen, eene Celtisch-Romeinsche
+en eene Germaansche bestaan hebben, van welke de eene (b.v. Thiers,
+Thierry) gestreden heeft voor het denkbeeld, dat de Franschen niets
+anders zouden zijn, dan door de Romeinen eenigzins gewijzigde Celten,
+terwijl de andere (b.v. Montesquieu, Guizot en andere) meer gewicht
+hechtten aan den invloed van het Germaansche element. Het is echter
+natuurlijk, dat dit altijd slechts een strijd over het _hoeveel_,
+over het _meer_ of _minder_ zijn kan.
+
+Dat namelijk in de zeden en gebruiken der Noord-Franschen, nog
+heden ten dage menig erfstuk uit den tijd der Franken aangetroffen
+wordt, hebben Duitsche schrijvers meermalen aangetoond. Op het punt
+"nationaal costuum" wil ik twee kleine voorbeelden aanvoeren, die even
+merkwaardig zijn, als met het oog op de Celtische overblijfselen, de
+Bajonner hammen en de naar pik smakende wijn van Strabo. De klompen
+onzer Neder-Saksische boeren, zijn bij den landman in Frankrijk even
+ver het land in, in gebruik, als de oorspronkelijke heerschappij der
+Franken ging. Ook heeft de Duitsche onderzoeker Clement, een zeker
+kleedingstuk der vrouwen, een hoofddoek gevonden, dat hij het Friesche
+of Frankische noemt, en dat volgens hem in geheel Noordelijk Frankrijk,
+tot aan Parijs toe, in alle oudste en voornaamste bezittingen der
+Franken, het gewone hoofdtooisel der vrouwen gebleven is.
+
+De beschaving door de Romeinen en de verovering door de Duitschers,
+zijn de beide grootste en invloedrijkste gebeurtenissen in de
+geschiedenis der Fransche nationaliteit geweest. Wel zijn _na_ en
+behalve deze nog andere vreemdelingen het land binnengerukt, maar
+òf zij verschenen slechts als doortrekkende legers, òf in zoo gering
+aantal, dat zij geen blijvenden invloed op het karakter der natie en
+van het ras konden uitoefenen.
+
+De moderne Spanjaarden zijn slechts zelden in massa hunne Pyreneën
+overgetrokken, om Frankrijk binnen te rukken, ofschoon wel, in tijden
+van innerlijke beroerten, b.v. toen de Saracenen Spanje veroverden,
+vele Spanjaarden naar Zuid-Frankrijk trokken.
+
+De Engelschen hadden, tijdens zij groote streken van Frankrijk
+beheerschten, toen eens zelfs een hunner Koningen (Hendrik V)
+te Parijs tot Koning van Frankrijk geproclameerd werd, en daar met
+Engelsche en Fransche Baronnen zijn hof hield, veel meer overeenkomst
+met de Franschen dan zij nu hebben. Hunne Koningen en hun adel
+waren toen Noormansch-Fransch en spraken Fransch. Ook streden en
+regeerden zij in hunne Fransche bezittingen meestal door middel der
+inboorlingen.--_Anglo-Saksische koloniën_ werden door hen niet naar
+Franschen bodem overgeplant, en de Engelschen dachten er niet aan
+hunne Fransche onderdanen te angliseeren. Zij werden slechts hunne
+leenheeren. In het inwendig bestuur hunner Fransche landschappen,
+in de wetgeving, de zeden en inrichtingen der bevolking, werd niets
+veranderd. De overwonnenen wisselden alleen van bewind en bleven
+voor het overige Franschen. De Engelschen brachten toenmaals meer
+uit Frankrijk over naar hunne eilanden, dan de Franschen van hen
+ontvingen. In den nieuwsten tijd, nadat zij op het vasteland van
+Frankrijk niet meer gebieden willen, hebben de Engelschen daar een
+veel sterkeren invloed op de beschaving uitgeoefend, en zijn zij
+in hunne zeden en gebruiken, in hunne taal en literatuur, door de
+Franschen veel meer bewonderd en nagevolgd dan te voren.
+
+Slawen en andere Europeesche Oost-volken, Joden, Turken, Armeniërs,
+Zigeuners heeft Frankrijk altijd slechts in zeer gering aantal bij
+zich gezien, en men kan al zulke toevallige landverhuizers in Gallië,
+beschouwen als droppels die in de zee verloren gingen, iets wat men
+ten aanzien van andere Europeesche landen, b.v. van Duitschland,
+niet in gelijke mate beweren kan.
+
+
+
+Vraagt men nu, waarin de eigenaardige geest en het karakter dezer,
+uit de door mij vluchtig aangegevene elementen bestaande, Fransche
+natie, dezer uit zoovele bestanddeelen gevormde, groote, uit veertig
+millioenen menschen samengestelde persoonlijkheid bestaat--en zal ik
+deze karakter-schildering dadelijk aanvangen, met de beschrijving
+van een der meest in het oog springende kenteekenen van den
+Franschen volksaard, dan begin ik met de uitspraak van Arndt, dat de
+Franschen--in den ruimsten zin des woords--de gezelligste onder de
+menschen zijn. Daarmede heeft men een der hoofdpunten in het zijn der
+Franschen aangegeven, en daaruit laten zich de meeste hoedanigheden,
+waardoor de Franschen zich kenmerken, verklaren of afleiden, even
+als rivieren uit hare bron.
+
+De Franschen hebben het verkeer met hunne medemenschen, in bijna al
+hunne betrekkingen en bij alle soorten hunner werkzaamheid noodig. Zeer
+duidelijk leert ons dit het karakter hunner volksliederen. De
+volksliederen der Franschen, hunne "_Chansons_" zijn in den regel
+gemaakt om door meerdere tegelijk gezongen te worden. "Liederen, die
+door een enkel persoon gezongen worden, treft men bij hen lang niet in
+die mate aan, als bij de Slawen, Duitschers of Engelschen." Daar de
+eenzaamheid meestal tot melancholie leidt, zoo zijn de volksliederen
+bij de laatst genoemde natiën in den regel zwaarmoedig, terwijl het
+Fransche volkslied in den regel vroolijk is. "Omdat men," zegt Arndt,
+"zich in gezelschap liever aan scherts en vroolijkheid, dan aan
+weemoed en treurigheid overgeeft, bestaat de inhoud van het Fransche
+volkslied, uit allerlei geestige toespelingen, kluchten, potsen,
+satyren, luchtigjes in elkander geweefde vriendelijke beelden, alles
+bijeengehouden door een refrein dat uit ieders mond klinkt.--Voor
+zich zelven te gevoelen, te droomen, aan het innerlijk gevoel toe te
+geven, zelfs wanneer men er zich geene rekenschap van weet te geven,
+de phantasie, de luim doelloos en vrij te laten werken, de stemming
+der natuur in zich op te nemen, zonder te weten waar men hare oorzaak
+moet zoeken, dat alles zal den gezelligen Franschman maar zelden in
+het hoofd komen."--Dat zijn zaken, die men meer zoeken moet bij zijn
+buurman aan den Rijn, die in zoo velerlei beteekenis zijn antagonist
+is, die, zooals Tacitus opmerkte, zich zoo gaarne isoleert, en die
+zich van oudsher, in een groot gezelschap zoo weinig op zijn plaats
+gevoelde.
+
+Gezelligheid is den Franschman voor alle zaken noodig, even als
+bij zijne gezangen zoo ook bij zijne _heldendaden_.--"Evenmin als
+hij iemand is, die op zijn eentje _zingt_, is hij iemand die op zijn
+eentje _vecht_." Men heeft de opmerking gemaakt, dat de Franschen het
+dapperst zijn als zij in groote massa's vechten; dat het tweegevecht,
+ofschoon het tegenwoordig bij de Duitschers den Franschen naam _duel_
+draagt, oorspronkelijk niet bij hen inheemsch was, maar eerst door de
+Duitschers tot hen overgebracht werd. Ook in den slag willen zij door
+anderen in werking gebracht, door hen gezien en aangevuurd worden. Van
+daar dat zij, als hunne gezellige gelederen (hunne regimenten) eens
+opgelost en geslagen waren, somwijlen geheel den moed verloren. De
+geslagen legers der Franschen hebben zelden zulke bewonderenswaardige
+terugtochten uitgevoerd, als die der Duitschers. Ook hebben de
+Franschen in den oorlog niet zoo dikwijls beroemde partijgangers gehad,
+als die bij de volken van Germaansch ras, bij de Duitschers, Zweden,
+Noormannen, Engelschen, Zwitsers, ten allen tijde aangetroffen zijn.
+
+Even als ten opzichte hunner militairen in het veld, zoo merkt men
+ook ten opzichte hunner schrijvers vrij algemeen aan, dat zij zich
+bij het schrijven om zoo te zeggen, altijd in het gezelschap hunners
+lezers denken, dat zij bij den arbeid hunner gedachten, geen oogenblik
+het oordeel of den spot of bijval der maatschappij, van het publiek,
+uit het oog verliezen.--En wat Madame de Stael van de Duitsche
+geleerden zeide, "dat zij als kluizenaars leefden," dat kan van de
+Franschen volstrekt niet gezegd worden.--"Wat zich eene berisping der
+maatschappij op den hals kan halen, wordt door hen meer dan door eenig
+ander volk geschuwd, en de heerschappij der despotische mode, strekt
+zich dientengevolge bij hen over veel meer en belangrijker zaken uit
+dan bij ons.--Niet alleen de kleeding en dergelijke uiterlijkheden,
+maar ook wetenschappen en kunsten, ja zelfs de politieke inrichting
+en de belangrijkste zaken, schijnen bij de Franschen in hooge mate
+onderworpen te zijn aan de gezindheid, die op het oogenblik in de
+maatschappij den boventoon voert.
+
+Het ontbreekt den Franschen aan die innerlijke persoonlijke
+zelfstandigheid en individueele vastberadenheid, die de Germanen
+kenmerkt. Op zich zelven staande of in kleinen getale, gaan zij
+gemakkelijk te loor, verbrokkelen zij, om zoo te zeggen. Zij moeten,
+als zij iets beteekenen zullen, met anderen, met Franschen te samen
+zijn. Daaruit laat zich ook de sterke concentreering van het leven
+der Franschen in eene enkele stad, de buitengewone voorkeur die zij
+aan hunne hoofdstad Parijs geven, verklaren.
+
+Een naar bijval, naar een publiek verlangend, gezellig volk als
+de Franschen, moest wel een druk bevolkt en domineerend centrum in
+de wereld roepen. Zij moesten zich een groot tooneel met talrijke
+toeschouwers, eene groote schouwplaats voor hunnen roem wenschen. Vele
+kleine residenties, en kleine stille plaatsen, waar men zich op
+ontwikkeling en beschaving toelegde, konden den Franschen niet
+voldoen. Zij stichtten daarom reeds vroegtijdig eene hoofdstad,
+waarin zij al hunne schatten, al hunne talenten, hun gansche vernuft
+concentreerden. "Zij lieten geheel Frankrijk," zooals een Franschman
+zich eenigzins sterk uitdrukt, "eene woestijn worden, om in het midden
+er van eene schitterende oase, hun Parijs te scheppen."
+
+Tot op onzen tijd toe, heeft Europa geen volk bezeten, welks geheele
+leven zoo binnen de muren eener stad bevat is, als dat der Franschen
+binnen Parijs. Geheel Frankrijk was in Parijs vertegenwoordigd. Van
+daar uit bouwde het zich voortdurend op; daarheen stroomden al
+zijn krachten. Parijs vormde het hoofd en het hart der natie; hare
+zeden en denkwijzen waren Parijsch. Ieder van hunne dichters, hunne
+redenaars, hunne kunstenaars, beijverde zich de goedkeuring uit den
+boezem dezer stad te verwerven; ontvingen zij die, dan waren zij
+zeker van den bijval van het overige Frankrijk.--Voor alles moesten
+ook hunne regenten trachten de goedkeuring van Parijs te ontvangen,
+even als Alexander streefde naar die van Athene, en zij voelden zich
+in hunne heerschappij over het geheele land en volk verzekerd, als
+zij die stad in handen hadden, van welke madame de Stael gezegd heeft:
+"dat het leven er zoo schitterend, zoo aangenaam en zoo behagelijk was,
+dat men daar alle verder geluk en ook de vrijheid ontberen kon."
+
+Aan de uit Parijs verbannen, op zich zelven in het buitenland wonende
+Franschen, heeft men iets zonderlings opgemerkt.--Zij leeren de taal
+en de gewoonten der vreemdelingen moeielijk aan, en sluiten zich
+niet zoo gemakkelijk en gaarne bij dezen aan, als de Duitschers.--"De
+Germaansche plant kan men deelen en scheuren, en ieder takje er van in
+een vreemden bodem planten; zij groeit daar tot een boom op en blijft
+in leven. De Franschen kan men niet als stekken verplaatsen. Zij zijn
+_gezaaid_ geworden, en bloeien, zooals verschillende soorten van
+zaaiplanten, slechts bij massa's."--Zoodra zij uit den inheemschen
+kring hunner vaderlandsche maatschappij verbannen zijn, schijnen zij
+de kracht te verliezen, even als bijen die van den zwerm afgeraakt
+zijn. Zij hebben dientengevolge ook niets van den Germaanschen lust
+tot reizen en zich te verplaatsen over zich, maar bezitten veeleer
+eene sterk in het oog vallende neiging, voor goed zich neder te zetten
+binnen den tooverkring van hun vaderland, waarheen zij ook meestal,
+zoo spoedig mogelijk, uit den vreemde weder terugkeeren.
+
+Over het algemeen, hebben zij in de wereldgeschiedenis deze
+eigenaardigheid daardoor bewaarheid, dat zij buiten hun vaderland
+nergens in staat zijn geweest, machtige koloniën en dochter-volken te
+stichten. Waar de oude Duitsche Longobarden, de Gothen, de Saksers,
+zich nederzetten, daar ontstond een staat, een politiek gebouw,
+waarin de geslachten eeuwen lang woonden. Waar later de Germaansche
+zeeroovers uit het Noorden vasten voet kregen, daar schoot weldra een
+gemeenschappelijk samenleven wortel. Datzelfde is in nieuweren tijd
+het geval geweest met de Germaansche Britten, die overal, waar zij hun
+anker nederwierpen, naar het model van hun vaderland, een nieuw nest
+voor een nieuw volk bouwden.--Op iets dergelijks kunnen de Franschen
+zich niet beroemen, hoe dikwijls zij ook uit hun vaderland marcheerden
+of zeilden; dikwijls hebben zij de wereld geschokt, maar nergens met
+frissche koloniën, waarvan iets te hopen was, voorzien. Niet eens
+in de Nieuwe wereld, waar dit betrekkelijk zoo gemakkelijk scheen,
+is het den Franschen gelukt iets duurzaams tot stand te brengen,
+zooals de Spanjaarden, de Nederlanders en zelfs het kleine Portugal
+zulks deden. In Brazilië, Florida, Canada, aan de Mississippi,
+overal hebben zij met hun "Nieuw-Frankrijk," schipbreuk geleden,
+dat, naar men zou kunnen zeggen, altijd als zand verstoof, terwijl
+de nederzettingen der andere volken, "Nieuw-Spanje," "Nieuw-Holland"
+en "Nieuw-Engeland" wortel vatten en zware spruiten uitschoten.
+
+Men vindt in de geschiedenis van Frankrijk, slechts eene merkwaardige
+volksverhuizing en koloniestichting, die heilzame gevolgen had. Het
+is de eenige Fransche emigratie, die, ofschoon zij Frankrijk zeker
+vele wonden sloeg, voor de andere volken weldadig was, en die in de
+geschiedenis der Europeesche ontwikkeling van niet onbelangrijken
+invloed geweest is. Ik bedoel de gewelddadige verstrooiing der
+Fransche, zoogenaamde Refugié's of Hugenoten, die voor de dragonders en
+jezuïten van Lodewijk XIV vluchtten. De wreede en gedwongene uittocht
+dezer Franschen, die veel overeenkomst heeft met die der Morisko's uit
+Spanje, schonk aan Duitschland, de Nederlanden, Zwitserland, Denemarken
+en Engeland, vele bloeiende nederzettingen van nijvere en ontwikkelde
+burgers, en bracht naar onze steden velerlei producten van Fransche
+kunstvlijt. Want genoemde slag trof gedeeltelijk juist de vlijtigste
+en met den ernstigsten en godsdienstigsten zin vervulde klassen der
+natie.--Vandaar hebben nog heden ten dage Berlijn, Dresden, Frankfort,
+Londen, Kopenhagen, Amsterdam en verscheidene andere steden van
+Europa hunne Fransche gemeenten, die aan de staten, wier gastvrije
+bescherming zij erlangden, van onze Ancillon's en Savigny's af,
+vele uitstekende mannen, geleerden, beambten en officieren gegeven
+hebben.--In menige dezer vreemde staten, in Denemarken en Pruissen,
+dagteekent gedeeltelijk van deze Fransche emigratie, het begin van
+hunnen tegenwoordigen industrieelen bloei.
+
+Even als, niettegenstaande al hunne omwentelingen en oorlogzuchtige
+ondernemingen, de Franschen, met betrekking tot het stichten van
+staten, weinig scheppend geweest zijn, zoo hebben zij zich ook,
+trots den hun eigen kritischen geest en fijnen kunstzin, in poëzie
+en kunst weinig scheppend betoond.
+
+Men heeft hen, sedert de tijden van Cesar, wel als bijzonder heldere
+en scherpe, als zeer logische en wiskunstige koppen geroemd, maar zij
+hebben weinig idealisch of enthusiastisch over zich. Het ontbreekt hun
+aan diepen ernst. Hunne natuur brengt mede, dat zij zich met het zekere
+en stellige bezig houden. Bezielde dichter- en kunstenaars-naturen,
+zijn echter juist op het bovenzinnelijke, op het ontastbare, op dat,
+wat men niet weet maar alleen denkt, gericht.--In alle kleine kunsten
+van het leven zijn zij onovertreffelijk. Vooral zijn zij sedert lang
+voor geheel Europa de meesters geweest, in al wat dienen kan, om
+alles bekoorlijk te tooien en de menschelijke persoon een aangenaam
+uiterlijk te geven. Een oud Germaansch spreekwoord zegt van de
+Franschen: "fraai van kleed maar licht van zin." Reeds tijdens de
+kruistochten, was het nieuwe kostuum, dat toen voor geheel Europa
+ontstond, grootendeels van Franschen oorsprong, en wat later ook nog
+in dit vak uitgevonden werd, de schoenen met lange punten der 14de
+eeuw, of de torenvormige kapsels en allonge-paruiken der 17de, of
+de, door de Fransche Jakobijnen en terroristen het eerst ingevoerde,
+zwaluwstaart-achtige rokken, en heeren hooge hoeden van onzen modernen
+tijd, of de dames "Garibaldi" en "Hongaarsche" hoedjes der laatste
+dagen,--de Franschen hebben al deze en tallooze andere fatsoenen en
+snitten onzer kleedingstukken zoo weten uit te denken, zoo netjes
+weten te maken en zoo in den smaak weten te doen vallen, dat zij
+daarin steeds alle andere volken van Europa tot model hebben gediend,
+en ten slotte bijna alle eigendommelijke nationale-kleederdrachten
+dezer volken opgeruimd hebben. Zij zijn 500 jaren lang tot op den
+jongsten tijd de tyrannen der mode geweest. Geheel Europa had zich
+gewend, op een wenk van Frankrijk, van tot tijd tot tijd, als eene
+rups, zijn verouderd omkleedsel af te leggen en zich in een nieuw
+hulsel van Fransche vinding te steken.--"Frankrijks hoofdstad, waar
+onder de vlugge vingers der Fransche arbeiders ieder klein produkt
+der industrie, iedere schoen of handschoen, een licht en gracieus
+meesterstuk werd, was eene onuitputtelijke broeikas geworden, die
+met ieder nieuw saisoen een frisschen overvloed van mode-bloesems
+over de wereld uitschudde, die door deze begeerig werden opgevangen,
+en even als de van een Vorst ontvangene ridderorden, als geschiedde
+het op hooger bevel, aan hoofd en borst werden gehecht."
+
+Maar deze meesters in het maken van bevallige kleedingstukken,
+deze wetgevers van den smaak in kleine zaken, zijn in de hoogere
+kunst meestal slechts navolgers, zelden vruchtbare uitvinders en
+oorspronkelijke scheppers geweest. "Vooral de liefelijke toonkunst had
+in Frankrijk geen recht natuurlijken bodem." De vriendelijke zang was
+het Fransche volk nooit zoo van nature eigen, als dat bij andere volken
+het geval was. Alle Fransche aria's, liederen, zangstukken hebben
+voor ons iets opvallends, onmuzikalisch. "Zij zijn bijna niet anders
+dan een gezongen gesprek, even als het deklamatorische recitatief,
+dat men het proza der muziek genoemd heeft." Een zoo harmonisch,
+verkwikkend en verheffend koorgezang, als de Duitschers hebben,
+bezitten de Franschen niet. In het ernstigste en verhevenste genre
+van muziek, in de kerk-muziek hebben zij het minst geleverd. De
+opera daarentegen hebben zij vlug van de Italianen geleerd, en in
+de _Opera comique_ zijn zij rijk en onuitputtelijk. In den regel
+zijn zij betere instrumentalisten dan vocalisten geweest, en hebben
+zij meer uitoefenende kunstenaars dan dichterlijke componisten
+voortgebracht. De meeste der groote virtuozen en meesters, die in
+Frankrijk de Vorsten der toonkunst geweest zijn, waren Italianen of
+Duitschers of hunne leerlingen.
+
+Als leerlingen der Italianen hebben de Franschen ook steeds goede
+schilders voortgebracht, en hebben zij alle genres dezer beeldende
+kunst met geluk beoefend. Desniettegenstaande is er geene eigenlijke
+karakteristieke nationale Fransche schilderschool, die men, wat
+oorspronkelijkheid en rijkdom betreft, met de Duitsche, Nederlandsche,
+Italiaansche of Spaansche scholen op ééne lijn stellen kan. Kenmerkend
+is het weder voor hen, voor de zuiverheid en juistheid van al hunne
+voortbrengselen, voor hunnen smaak en hunne geschiktheid voor het
+sierlijke, dat zij ten allen tijde, reeds sedert Karel den Groote,
+de smaakvolste miniatuur-schilders gehad hebben. Dante stelt in zijne
+goddelijke comedie, de Fransche miniaturen boven de Italiaansche. Ook
+hebben zij steeds in het graveeren in koper uitgemunt, iets wat
+zij intusschen even min _uitgevonden_ hebben, als de lithographie
+of typographie of eenige andere gewichtige kunstsoort. Bijna al
+deze en andere _uitvindingen_, ontstonden het eerst bij hunne
+naburen, de Duitschers, bij wie men altijd meer oorspronkelijke
+denkers en peinzers aangetroffen heeft, terwijl de verfijnende,
+beschavende Franschen later den smaak en de talenten er bijvoegden,
+die de uitvinding verder ontwikkelden, beter deden voorkomen, recht
+genietbaar maakten, in vele opzichten op het leven toepasten, in de
+wereld brachten en haar populariseerden.
+
+Daar de Franschen in den regel meer handige, smaak- en talentvolle
+navolgers en verfijnende voltooiers, dan geniale voortbrengers
+geweest zijn, zoo hebben zij dien ten gevolge vermoedelijk ook juist
+die kunst, die louter navolging is, het tooneelspel, met voorliefde
+en bijzonder goed gevolg beoefend. Intusschen viel hun ook hierin
+de bijval der overige wereld, hoofdzakelijk slechts ten deel in
+lichtere soorten, in de blijspelen, in de opéra comique, in luimige
+conversatie-stukken, in het kluchtspel. Hunne _hoogere Cothurn_ [14],
+hunne klassieke drama's en treurspelen, imponeeren ons niet.--Meer dan
+iets anders verwierf in den nieuweren tijd een product van lichter,
+minder dramatisch genre, de grappige, onderhoudende, vermakelijke,
+luimige vaudeville, eene merkwaardige populariteit, wat van evenveel
+beteekenis voor de Franschen zelven, als voor den modernen smaak en
+tijdgeest heeten mag. Aan deze, met gezang en gesprekken vermengde
+compositiën, die zoowel kleine als groote zaken, anekdoten,
+vermakelijke voorvallen uit het dagelijksch leven, geschiedkundige
+gebeurtenissen enz. van den vroolijken kant beschouwen, waren in het
+vroolijke Parijs eene geheele reeks schouwburgen bijna uitsluitend
+gewijd. Er waren daar goede dichters, zooals Scribe, die dergelijke
+voortbrengselen bij honderden schiepen. En de vaudeville, dit echt
+Fransche dramatische speelgoed, dit letterkundig windvlaagje maakte
+de reis om de wereld. Londen, Weenen, Petersburg, New-York en Brazilië
+verheugden zich er in. Misschien is er geen tweede dichtsoort geweest,
+dat door alle volken zoo geëxploiteerd en toegejuicht is geworden,
+als de vaudeville en het blijspel der Franschen.
+
+"Even als het den Franschen in de kunst _ontbreekt_ aan idealiteit,
+zoo ontbreekt het hun in de wetenschap aan universaliteit." Er
+is letterlijk geene wetenschap te noemen, waarop deze geestige en
+levendige menschen zich niet met ijver hebben toegelegd. En toch
+stelt men hen niet aan de spits in de eigenlijke wetenschappelijkheid
+der volken.--Zij hebben wel altijd zoogenaamde philosophen gehad, zij
+hebben zelfs, waarop zij zich beroemen, eene philosophische eeuw gehad,
+en toch heeft bij hen de philosophie nooit zoo diep wortel geschoten,
+nooit zoo welig gebloeid als bij de Duitschers, die Voltaire reeds "de
+grijsaards van Europa" noemde, terwijl hij zijne eigene landgenooten
+als "kinderen" betitelde. "Het ligt niet in het karakter der Franschen,
+het geheele rijk der gedachte en der schepping in zijnen samenhang en
+in zijn geheel op te vatten." Het enkele vatten zij beter en daaraan
+moet het ook toegeschreven worden, dat zij, wat men eene _Universitas
+literarum_ noemt, bijna volstrekt niet kennen. Zij bezitten in hun land
+slechts afzonderlijke faculteiten, collegie's en bijzondere scholen,
+geene universiteiten in algemeenen zin. Slechts één universeele
+philosoof en werkelijk groot meta-physicus is uit hunnen boezem
+voortgekomen, hun bewonderenswaardige Des Cartes, die echter even
+eenzaam in hun midden staat, als Dante bij de Italianen. Daarentegen
+overtreffen de Franschen in de zoogenaamde wereld- en menschenkennis,
+die men door een onbevangen en geoefenden blik in het gezelllige leven,
+en door waarneming der moreele variëteiten der menschelijke natuur
+verkrijgt, alle philosophen en dichters van den vroegeren en lateren
+tijd. De lijst hunne zoogenaamde "moralisten," hunne Montaigne's,
+la Bruyère's, Pascal's, is lang en rijk aan geestige schrijvers
+en geschriften.
+
+Daar zij meer verstand dan vernuft bezitten, zoo hebben ook bij hen
+_geene_ wetenschappelijke stelsels meer geluk gehad, dan die, waarbij
+boven alles een scherp oog, een berekenend verstand noodig zijn, en
+waarbij geene sprake is van algemeene beschouwingen, maar van bepaalde
+feiten en duidelijk bewezene zaken, zooals de wiskunde, sterrekunde,
+natuurkunde, werktuigkunde, met één woord alles, wat zij zelven de
+"_sciences exactes_" noemen.
+
+Ofschoon de lier in Frankrijk nooit voor eeuwen lang verstomde,
+zooals b.v. in Duitschland, ofschoon herhaalde malen, eens ten tijde
+der troubadours en later voor en na Lodewijk XIV, andere volken
+dichterlijke opwekkingen en impulsies van Frankrijk ontvingen,
+en de Fransche verzen-kunstenaars in hunne vormen navolgden,
+zoo wil toch de publieke opinie den Franschen evenmin een diep
+gevoelend dichterlijk gemoed, als een diepen philosophischen zin
+toekennen. Vooral valt het den Duitschers moeielijk, een werkelijk
+genot te vinden in de producten der Fransche poëzie. De Engelsche
+dichters, een Shakespeare, Byron, Moore, Burns enz. staan den
+Duitschers in hunne wijze van gevoelen zoo na, dat zij gelooven
+met hen, als met gelijk-gevoelenden, gelijk-denkenden te doen te
+hebben. Ook gevoelen zij zich nauwer verwant aan de groote Spaansche
+en Italiaansche zangers, aan een Cervantes, een Calderon of Dante,
+dan aan de Fransche dichters. Ja! zelfs wat in overoude tijden een
+Homerus of een Anakreon bij de heidenen zongen, gaat hun meer ter
+harte dan de zoogenaamde classieke--zij zijn geneigd te zeggen:
+koude--composities van een Racine of Voltaire.
+
+Zonder een diep godsdienstig gevoel, zonder een gevoelen, een leven met
+de natuur, met Gods schepping, met alle schepselen en geesten, kan men
+zich geene ware dichters denken. En van dezen innigen samenhang met de
+wereldziel, van deze vervuldheid met God, van dit enthusiasmus, zooals
+de Grieken het zoo schoon noemden, van deze oudste eigenschap en oudste
+voorwaarde voor het dichterlijk gemoed, hebben de zich alleen om het
+tegenwoordige bekommerende, schitterende, geestige Franschen juist niet
+veel. Voltaire zelf heeft dit gevoeld en erkend. Deze scherpzinnige
+vriend der waarheid heeft de merkwaardige uitspraak gedaan, dat van
+alle beschaafde natiën de Fransche de minst dichterlijke is. _De
+toutes les nations polies la notre est la moins poëtique._
+
+"De sierlijke spelen en kunstjes van den zoogenaamde esprit,
+verstikken bij de Franschen ieder sterk gevoel. Eene fijne, behendige
+wending schatten zij boven alles, terwijl zij den stillen maar sterk
+aangrijpenden natuurklank van het hart minachten. Eene eenigzins
+stoute en wijze vlucht der phantasie, ieder krachtig woord van het
+overstroomende dichterlijke gevoel wordt door hen zelfs al spoedig
+"smakeloos" genoemd. Hunne dichters zijn vernuften, en dichtten van
+oudsher meer voor den gezelligen kring en voor het salon, dan voor
+het volk. Een waar dichter echter wil _vrije_ lucht, eene _breede_
+straat, en daarenboven in de allereerste plaats, eene rijke, levendige,
+ontwikkelde, beeldrijke, oorspronkelijke taal, en ook daaraan ontbreekt
+het den Franschen maar al te zeer. "Hunne taal is uiterst scherp,
+duidelijk en zakelijk. Voor iedere gedachte heeft zij eene bepaalde
+uitdrukking. Maar zij bezit weinig oorspronkelijke volheid. Alles is
+bij haar zoo schraal, zoo conventioneel, zoo kunstmatig geregeld,
+zoo correct en dien ten gevolge ook zoo beperkt, zoo weinig vrij,
+als de aanleg der oude Fransche tuinen en de boomen die zij zoo
+stijf afsnoeiden. Een zoo schoolsche, conventioneele, geacademiseerde,
+onvrije taalgeest, staat echter lijnrecht over tegen den dichter-geest,
+die zelf stempelen, leveren, zelf vormen en gevoelen wil en moet,
+even als de geheele afronding, geslotenheid en vlugheid, die den
+Franschen eigen is, hunne poëtische opvatting der dingen schaadt.
+
+Dezelfde verhoudingen, omstandigheden en aanleg echter, die bij een
+volk de poëzie schaden, zijn somwijlen het proza nuttig, en dit maakt
+het begrijpelijk, dat de Franschen om dezelfde redenen in de poëzie
+zwakker zijn, in het proza daarentegen meer uitgemunt en meer invloed
+uitgeoefend hebben. Schijnt hunne poëzie ons somwijlen proza in verzen,
+hunne vocale muziek een gezongen discours toe, hun proza daarentegen
+heeft somwijlen een poëtisch waas. Frankrijk is het land van het beste
+proza. Hare literatuur bestaat voor drie vierde uit fraaie proza,
+redekunst en rhetoriek. De poëzie spreekt gaarne voor zich zelve,
+de welsprekendheid gedijt slechts in gezelschap. Een gezellig,
+roemlustig en met zich zelven ingenomen volk, moest in zijn wezen
+wel een volk van redenaars en prozaïsten worden.
+
+Een der Duitsche aesthetikers zegt in zijne geschiedenis der Fransche
+poëzie: "dat in geene literatuur van den nieuweren tijd het zoo
+moeielijk is, de geschiedenis der prozaïsche welsprekendheid van de
+geschiedenis der poëzie af te scheiden en te onderscheiden, als in
+de Fransche." Er kan geen twijfel bestaan over den oorsprong dezer
+moeielijkheid. De vernuften en de geleerden stonden bij de Franschen
+altijd dichter bij elkander, dan bij de Duitschers, waar de geleerden
+dikwijls in een erg prozaïsme verzonken waren. Bij de Franschen hebben
+beiden steeds van elkander geleerd, en de proza-literatuur heeft
+dien ten gevolge bij hen eene levendiger tint aangenomen. Dezelfde in
+het oog vallende helderheid, luchtigheid en netheid van uitdrukking,
+dezelfde opwekkende, levendige en dramatische wijze van voorstelling,
+die men van den dichter verlangt, is bij de Franschen ook den geleerden
+en prozaïsten eigen geworden.
+
+"Zij hebben beter dan eenige andere natie de kunst verstaan, den inhoud
+van het gezond menschenverstand, eene pikante, vernuftige, bepaalde en
+tegelijk geestige uitdrukking, een duidelijken en tevens liefelijken
+vorm te geven." "De Franschman," zegt madame de Stael, "schrijft
+en spreekt, zelfs als hij geen ideeën heeft. De Duitscher echter,"
+zegt zij, "heeft, zooals meestal het geval is met dichterlijke,
+dweepachtige gemoederen, altijd meer denkbeelden, in het hoofd dan
+hij uitdrukken kan." De Fransche taal is een ware wetsteen van het
+oordeel en het zich duidelijk uitdrukkend verstand. Vertaalt iemand
+verwarde Duitsche begrippen, onduidelijke Duitsche volzinnen in het
+Fransch, dan lossen zij zich van zelf in hunne bestanddeelen op,
+of toonen het gebrek aan onderling verband. Op het Duitsch, even
+als op alle beschaafde talen van Europa, heeft ten gevolge daarvan
+in nieuweren tijd het Fransch, doordien men zijne duidelijkheid,
+netheid en helderheid algemeen begreep, een niet geringen invloed
+gehad. De lange volzinnen der Italianen, Spanjaarden, Duitschers,
+heeft het ontbonden; de slepende voordracht, die men vroeger bij
+de schijvers dezer volken zonder tusschenpunten aantrof, heeft het
+verlevendigd. Dat heden ten dage over het algemeen in Europa zooveel
+bondiger, zooveel duidelijker en ook natuurlijker geschreven en
+gesproken wordt dan vroeger, is eene verdienste der Franschen, die
+hierin natuurlijk waren en aan andere volken den weg wezen. Als zij de
+poëzie hunner naburen, de Italianen, Spanjaarden, Portugeezen somwijlen
+waterachtig maakten, zij hebben daarentegen in geheel Europa in het
+proza den goeden smaak en het gezond menschenverstand bevorderd.--Een
+der Duitsche literatoren zegt: "men mag er niet aan denken, hoe donker
+het in dit opzicht nog in onze hoofden, hoe onbeholpen onze sprekende
+lippen en schrijvende vingers zijn zouden, als er in de Europeesche
+volken-familie geen Frankrijk geweest was, als het heldere hoofd van
+den Franschman ons niet voorgelicht had." Dit zal het ook duidelijk
+maken, hoe in geheel Europa geene andere nieuwere taal, noch de
+muzikale der Italianen, noch het pathetische en edele Spaansch, noch
+het kernachtige Engelsch of het rijke en degelijke Duitsch, in die
+mate invloedrijk geworden is als het Fransch. Tot aan het einde der
+17de eeuw was het Latijn de algemeene taal der Europeesche geleerden,
+der diplomaten en politici. Bij den vrede van Rijswijk 1697 stelde
+Lodewijk XIV het Fransch in de plaats van het Latijn. Na dien tijd
+verhandelden alle volken van Europa hunne zaken met elkander in _deze_
+taal, omdat zij vonden, dat men in die taal het nauwkeurigst uit kon
+drukken wat men zeggen wilde.--Later waren er geheele landen en groote
+rijken, waarin de hoogere maatschappelijke klassen het bevallige,
+elegante Fransch als hunne dagelijksche spreektaal aannamen. Als een
+geleerde of een of ander vernuft zijne werken aan de geheele groote
+beschaafde wereld nuttig en verstaanbaar wilde maken, moest hij 200
+jaren geleden Latijn schrijven. Van dien tijd tot op onze dagen,
+kon hij om het zelfde doel en dezelfde uitwerking te verkrijgen,
+geene betere taal kiezen dan de Fransche.
+
+Even als in taal en literatuur, hebben de Franschen ook in hun
+dagelijksch leven, vooral in tegenstelling met de in dit opzicht
+vrijere en plattere Duitschers, iets zeer kenmerkends en formeels.--In
+hunne conversatie en in hunnen omgang schijnt bij hen alles in
+hooge mate geregeld. Ieder schijnt daar eene goed bestudeerde en
+beoefende rol te spelen. Men zou meenen geoefende tooneelspelers in
+hen te zien, die begaafd met eene groote tegenwoordigheid van geest
+en een goed geheugen, nooit in gebreke blijven een antwoord te geven,
+en ter juister tijd het gehoorde en het passende aan den man weten te
+brengen. Dat, wat men "goeden toon" noemt, is hun meer aangeboren dan
+den Duitschers, die het eerst leeren moeten. De Franschen werden dien
+ten gevolge, even als zij de stichters der beste gezelschapstaal en
+van het proza waren, ook de vaders van den goeden gezelschapstoon
+in Europa.--Reeds tijdens de kruistochten waren "galanterie" en
+"courtoisie" woorden en zaken, die in Europa algemeen aangenomen en
+van Frankrijk afkomstig waren. In den nieuweren tijd echter, sedert
+het schitterend tijdperk van Lodewijk XIV, werd het voor de geheele
+beschaafde Europeesche wereld eene gewichtige zaak, op Fransche wijze
+te leven, zich te bewegen en met elkander om te gaan. Zelfverloochening
+is de hoogste wet van het verkeer, en deze wordt te aangenamer, naar
+mate ieder zijne eigene kleur laat varen, hoe meer hij zich onderwerpt
+aan al wat _algemeen_ bevalt. Den Franschen, die minder gevoel van
+ingenomenheid met zich zelven hadden dan anderen, moest het veel
+gemakkelijker vallen deze, voor een gemakkelijken omgang met menschen,
+zoo noodige zelfverloochening, die aan allen gelijk moet geven, te
+beoefenen, dan den Duitschers, bij wie ieder zijn eigen zin heeft en
+een geheelen mikrokosmus van eigen gedachten met zich omdraagt.
+
+Bij dit alles echter en niettegenstaande hun veel geprezen "goeden
+toon," vallen de bewegelijke Franschen maar al te gemakkelijk
+dikwijls geheel uit hunne rol. "Zij dalen," zooals Herder zegt,
+"zoo snel mogelijk van het kookpunt tot het vriespunt." De
+stemming springt bij hen, meestal niet met een zachten overgang,
+maar somwijlen met geheel onverwachte sprongen, over tot heftige en
+geweldige uitdrukkingen. Uit den luchtigen conversatie-toon slaan
+zij plotseling tot een geheel anderen over, en onvoorbereid vervallen
+zij uit onschuldige vroolijkheid tot teugellooze hartstochtelijkheid.
+
+Even als in het dagelijksch leven, zoo zijn ook in de staatkundige
+geschiedenis der Franschen, zulke plotselinge overgangen als Herder
+ze ons schildert, of zulke _repentina consilia_, zooals Cesar het
+noemde, meermalen voorgekomen. Ofschoon zij gewoonlijk menschen van
+veel "_bonhommie_" geweest zijn, zoo heeft toch ook dikwijls bij hen,
+wanneer de leeuw wakker werd gemaakt, een teugelloos botvieren aan
+de hartstochten plaats gegrepen. Zulke hoog-tragische en vreeselijke
+gebeurtenissen, als de St. Bartholomeus-nacht tijdens Karel IX, of als
+het schrikbewind gedurende de eerste revolutie, of nogmaals gedurende
+de Commune in het jaar 1871, zijn bij ons bijna eene onmogelijkheid.
+
+Daar het geheele volk, even gemakkelijk als de individuen,
+van de eene stemming in eene andere, en somwijlen in eene geheel
+tegenovergestelde overslaat, zoo laat zich daaruit ook de heftigheid
+verklaren der golven en stroomen, die het geheele volk in massa,
+en wel binnen een zeer kort tijdsbestek, uit de monarchie in den
+afgrond eener republiek geslingerd, en uit deze weder op de kruinen
+van een militair Imperatoren-dom getild hebben, deze "wervelorkanen,
+waarin het Fransche schip van staat zich snel, door alle richtingen
+der windroos heen, bewogen heeft."
+
+Sedert bijna honderd jaren, sedert zij het oude, door den Duitschen
+Chlodwig onder hen gestichte Koningschap op zijde hebben gezet, zijn
+de Franschen een vulkaan geweest, die door plotselinge uitbarstingen,
+den geheelen omtrek heeft doen beven, en door de stroomen lava, die
+hij uitstortte, gedeeltelijk verwoest, gedeeltelijk waarschijnlijk
+ook vruchtbaar gemaakt heeft. Zij hebben daarbij in Duitschland, in
+Italië en elders vele middeleeuwsche treurige toestanden opgeruimd,
+verscheidene nieuwe en vruchtbare denkbeelden over het werelddeel
+uitgestrooid, het Duitsche en Italiaansche volk tot nationale en
+politieke vereeniging opgewekt. Voor zich zelven echter hebben zij,
+door herhaalde omwentelingen en staatkundige proefnemingen, weinig
+gewonnen. Zij gelijken nu een uitgewoeden en ingestorten krater. De
+laatste "wervel-orkaan," dien wij in onze dagen bij de Franschen
+beleefd hebben, heeft nog niet uitgewoed, en men herkent nog de
+haven niet, waarin dit onrustige en door zijne lichtzinnigheid
+en te groot gevoel van eigenwaarde zoo ongelukkig geworden volk,
+binnenloopen zal.--
+
+
+
+
+
+
+DE ENGELSCHEN EN HUNNE EILANDEN.
+
+
+De beide groote, rijk bedeelde eilanden met hunne kleine naburige
+eilanden, die wij onder den naam Groot-Brittanje en Ierland
+samenvatten, zijn het centraal-lichaam van ons vasteland, als een
+lang uitstekende arm, op dezelfde wijze in Noord-Westelijke richting
+bijgevoegd, als het Italiaansche schiereiland in Zuid-Oostelijke
+richting.--Het is een der schoonste landen, die de natuur den
+Europeanen tot woonplaats gegeven heeft. De voordeelen van een gematigd
+klimaat, van een dankbaren bodem, en een overal openstaan voor de zee,
+dat men als iets kenmerkends voor geheel Europa, in tegenstelling
+met de andere werelddeelen aangemerkt heeft, bezit Groot-Brittanje
+in vergelijking met het overig Europa in hooge mate.
+
+Men zou zijne natuur eene bij uitstek Europeesche kunnen noemen. De
+eilanden liggen midden in de zachte aanademing der uit de tropische
+gewesten terugkeerende Zuid-Westen winden, even als ook midden in
+de branding van de deze winden vergezellende groote zeestrooming,
+die wij golfstroom noemen en die, Zuidelijke vruchten en verwarmde
+lucht met zich voerende, zich aan de kusten van Schotland en Ierland
+verdeelt.--Deze wind- en zeestrooming ontnemen zoowel aan den winter
+als aan den zomer, hunne onaangename zijde, en zijn oorzaak, dat
+bijna het geheele jaar door een klimaat heerscht, dat noch door te
+drukkende hitte verslapt, noch door te scherpe koude verstijft, en dat
+de geheele oppervlakte des lands, met een altijd bevochtigd, altijd
+frisch en altijd groen planten-tapijt bedekt doet schijnen.--Tacitus
+heeft met een paar woorden, het klimaat van Engeland zeer treffend
+geschetst. Hij zegt er van, dat zijn wezen is: "_vroeg_ ontkiemen,
+_laat_ rijpen." Het schijnt, dat Tacitus daarmede tegelijkertijd, op
+fijne profetische wijze, ook den geheelen geest van de nationaliteit
+had willen aangeven, die zich in den loop der tijden op deze koele
+eilanden ontwikkelde.
+
+De oppervlakte van den bodem is overal matig boven het niveau der
+zee verheven. Zij zinkt noch zoo diep, dat de mensch zich, als in
+Nederland, door een langdurigen strijd met de elementen, woonplaatsen
+moest verwerven, noch verheft zij zich zoo hoog in de ruwe luchtlagen,
+dat, zooals in Skandinavië, door sneeuw en gletschers, aan geheele
+aanzienlijke gedeelten des lands alle bewoonbaarheid ontnomen werd. Ook
+hebben hier (gedeeltelijk om dezelfde redenen) nooit zulke uitgestrekte
+moerassen als in Polen, zulke dichte bosschen van naald-boomen,
+zulke groote woeste zandvlakten als in Noordelijk-Duitschland
+bestaan. Alles is van nature om zoo te zeggen, met een evenredigen
+en netten snit bewerkt. De bosschen, meestal vriendelijk loofhout
+zijn, liefelijk tusschen de van nature bestaande weiden verstrooid;
+vruchtbare landstreken zijn overal rijkelijk verspreid. Wel treft men,
+bij wijze van uitzondering, hier en daar een naakten rotsbodem of een
+onbegaanbaar turfveen, of een melancholiek en dor heideveld aan, maar
+nergens vindt men zulke groote, dorre vlakten, als b.v. op de plateau's
+van Spanje, nergens zulke treurige, woeste, eindelooze rotslabyrinthen
+als in het Illyrisch-Grieksche schiereiland. Zeer spoedig daalt men,
+zelfs in Schotland, van den smallen rug van het onhuiselijk bergland,
+weder in den boezem der vriendelijkste dalen neder.
+
+Ook de rivieren van Groot-Brittanje bezitten dit uitnoodigende,
+vriendelijke, alles behalve Titansche karakter. Zij gaan bijna
+nergens in wilde en woeste watervallen over. Veeleer hebben zij
+nagenoeg allen een zeer kalmen loop, zonder te groote snelheid, wel
+zonder schilderachtige en hoog-romantische oevers, maar ook zonder
+rotsige ondiepten, die door de schippers zoo gevreesd worden. Ook
+voeren zij niet zooveel van de bergen afgerolde steenen en zand met
+zich, en vormen daarom ook nergens zulke onherbergzame steenvelden,
+als b.v. de Alpenstroomen van Beieren, of zooals de Rhône aan hare
+monding. Zij zijn redelijk diep ingesnedene en liefelijk kronkelende
+natuurlijke kanalen, die (bijna altijd tot aan den rand gevuld) de
+weiden en beemden doorstroomen. In den zomer droogen zij nooit zoo
+geheel uit als de berg-stroomen van Italië, en in den winter en het
+voorjaar zijn zij nooit zoo bovenmatig gezwollen, zoo gevaarlijk en
+verwoestend, als de groote stroomen van verscheidene andere landen van
+Europa.--Zij doorstroomen in één woord het lichaam des lands, zonder
+bijzonder hevige opbruisingen en toch met een meestal vollen ader,
+even als het bloed in het organisme der koudbloedige schepselen. Zij
+zijn allen in hooge mate bevaarbaar, en de meesten vereenigen zich met
+den Oceaan, op eene den handel zeer voordeelige wijze. De zee komt de
+rivieren tegemoet, dringt overal met diepe, havenachtige bochten het
+land binnen, en neemt daar in den kalmen boezem, de binnenwateren en
+de schepen gemakkelijk in zich op.
+
+Tweemaal daags stort de zilte vloed de boezems, mondingen en kanalen
+binnen, zuivert deze en komt hunne verzanding en verslikking voor. Er
+is geen tweede land in Europa, dat door het water der zee, zoo van
+alle kanten tot in zijn hart toe, doorspoeld en verfrischt wordt,
+als Groot-Brittanje. De geringe hoogte zijner bergen, de vele dalen,
+insnijdingen en verzakkingen, die geheel anders dan b.v. in het door
+eene enkele steile, hooge rotsmuur, verdeelde schiereiland Italië,
+van oceaan tot oceaan het land in de breedte doorloopen, hebben het
+maken van kanalen en wegen in alle richtingen mogelijk gemaakt.
+
+
+
+De natuurlijke producten van het land zijn niet zulke schitterende
+zaken, dat zij de hebzucht of de phantasie der menschen in den
+regel bijzonder opwekken. Albion, dat weinig of in het geheel geen
+zilver, of goud bezit, heeft nooit, zooals eens Andalusië, de rol
+van een Europeesch Peru gespeeld. Daarentegen, als men zich eens
+zoo mag uitdrukken, munten al zijne producten uit door nuttigheid
+en bruikbaarheid. Het bezit een grooten overvloed van ijzer, lood,
+koper en andere mineralen, die de industrie bij voorkeur noodig
+heeft. Het is zeer rijk aan tin en werd daardoor het eerst met de
+beschaafde wereld in verbinding gebracht. Steenkolen noemt het zijne
+"zwarte diamanten." De Europeesche weidekruiden en graansoorten
+groeien voortreffelijk tot in de verst afgelegene punten der eilanden.
+
+
+
+Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over
+het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig _wild_,
+geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu
+moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig
+Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest,
+door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen,
+en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren,
+in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt,
+dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche
+vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en
+bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste
+klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd
+naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten,
+rotspartijen en woestenijen bezit.
+
+Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het
+eens ontdekt was--en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk--alras en
+spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis
+van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht
+worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het
+land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam
+van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en
+Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe
+diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der
+tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken
+het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug,
+verbonden waren.
+
+Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte
+tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene
+betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en
+menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door
+de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is,
+dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs "het
+kanaal" zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen
+schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien,
+ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar
+het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het
+Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo
+is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking
+is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de
+Nederlanden gekomen.
+
+Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is
+het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van
+het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens-
+en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste
+duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen,
+de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische
+volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen,
+nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier
+Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over.
+
+Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als
+aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus
+weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af,
+even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden
+(België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten
+ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even
+als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje
+en Frankrijk, Iberiërs.
+
+Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje
+in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend,
+dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der
+Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van
+Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland
+heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit
+eiland als "tegenover de Spaansche kusten liggende." Van de visschers
+aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden
+afstammen.
+
+Dat echter in menige streek van Engeland, _Finsche_ stammen de
+primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische
+onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de
+oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type,
+dat eerst in latere graven geheel verdwijnt.
+
+Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en
+de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra
+het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al
+wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht
+geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven.
+
+In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee
+verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde
+"Gaelische" of "Gadhelische" Celten, en vervolgens na hen als hunne
+veroveraars en onderdrukkers de "Kymrische" of "Britsche" Celten, die
+hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en
+eilanden verdreven. Tot de "Gaelische" Celten behooren de tegenwoordige
+Ieren en de Hoog-Schotten, tot de "Kymrische of Britsche," de bewoners
+van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen,
+in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen
+den naam "Brittania." Zij worden als een naar lichaam en geest boven de
+andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien
+tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben,
+dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren.
+
+Even als in _geheel_ midden-Europa, voornamelijk langs genoemde
+Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in
+Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie
+vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met
+Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de
+tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als
+de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet
+zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De
+Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook
+vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder
+de Celten "Belgen," dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten,
+maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met
+Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.--Daaruit, en uit andere
+omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr
+de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep
+naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige
+vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn,
+ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na
+Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk
+het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche.
+
+Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder
+Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden
+in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk,
+en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter
+dit afgelegene land, deels _later_ bereikten dan de andere streken
+van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder
+_vroeger_ verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe
+en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als
+elders.--Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd,
+Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien
+zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde,
+slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en
+verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en
+hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne
+Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook
+is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook
+het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland
+onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.--Niettemin is
+dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje,
+Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan
+den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou
+zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen,
+die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door
+de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen
+toegevoerd geworden.
+
+De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er
+tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden
+hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de
+grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit
+ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der
+Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden
+en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de
+_Romeinen_, die zoovele _Zuidelijker_ volken hun stempel voor eeuwige
+tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren,
+die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren
+gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot
+op onze dagen geblevene physionomie te geven.
+
+Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende "volksverhuizing",
+toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende
+streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het
+Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende
+Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan
+de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij,
+op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van
+hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de
+zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe _uitgenoodigd_ door de Britten,
+die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht
+waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen
+terug.--Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland
+gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche
+bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven
+zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was.
+
+In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische
+inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene
+gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet,
+in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij
+verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne
+overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen,
+die de Germanen met de "volksverhuizing" binnentrokken, is Engeland
+het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden
+blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk,
+even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en
+in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen
+gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal
+is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne
+voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element
+weder verdrongen.--Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk
+uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten,
+gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en
+Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher
+zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen,
+op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen,
+dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de
+Gothen over de _Alpen_ en Pyreneën, of de Franken over den _Rijn_,
+zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende
+land toch beter handhaven en vermeerderen.--De hoofdzaak echter lag
+wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de
+verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten
+zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde
+Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden
+de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken
+en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het
+wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.--In Groot-Brittanje
+daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in
+hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten
+van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd
+of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen
+bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven
+en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo
+maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor
+voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien
+ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat,
+die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen
+in Engeland tegen de "Saksers" gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk
+in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft.
+
+
+
+Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen,
+voornamelijk de Neder-Duitsche [15] uit Holland door Friesland tot
+aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts
+na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere
+Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die
+steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht
+aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar
+Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en
+hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar
+de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke
+helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele
+bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het
+Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige
+schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische
+oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de
+sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed,
+verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch
+geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke
+stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch
+Saksendom ontstaan is.--Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene
+overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen "der verdelging
+van al het inheemsche."
+
+
+
+Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen
+verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan,
+dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch
+altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder
+de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe
+bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den
+beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de
+tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden.
+
+De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na
+hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven
+hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300
+jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand
+alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit
+de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken
+daar, zoo al niet _vele_, toch _eenige_ der door de Romeinen gebouwde
+en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog
+nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter
+ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun
+bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden
+voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand
+plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan
+de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint.
+
+Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn,
+laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een
+geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner,
+den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich
+overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak,
+die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen
+onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal
+is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland
+herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land
+hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk
+uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische
+Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van
+Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en
+denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge,
+dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die
+der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak,
+denzelfden "timbre" hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die
+wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong,
+gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen
+niet _aangeboren_ zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich,
+om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen
+gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon,
+zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid
+van het inheemsche bloed medegedeeld werd.
+
+Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en
+in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de
+physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel
+oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten
+in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen
+en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van
+een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige
+gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.--In een tijd, toen nog
+geene "Anglo-Saksers" naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de
+Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia
+Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook "blauwoogig" noemt. Men
+meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd
+te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek
+Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien
+heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel
+een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele
+lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd
+geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag
+van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene
+Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: "zij
+zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers
+lang." De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de
+blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers
+naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het
+schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen
+vermengde Britten, van de overige Celten. "En dien ten gevolge,"
+zegt een geleerd Engelschman terecht, "is menigeen onder ons, die
+zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor
+de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten." Ook vele
+zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude
+Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende,
+bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking
+hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij
+het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene
+vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden
+somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich
+niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich
+b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet "Saksers",
+maar "Britten" noemen: "_Britons never will be slaves_"--of "_Rule
+Britannia, rule the waves_" wat zij even dikwijls in den mond hebben,
+als hun "_Old England for ever_."
+
+Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo
+behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen
+voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en
+bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels
+Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op
+den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de
+Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met
+Celtische namen. Ook hunne rivieren "Theems", "Severn", "Trente",
+"Ouse" hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en
+Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van
+het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van
+vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge,
+Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten
+slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts
+met Duitsche stembuiging.
+
+Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische
+volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst
+langzaam, stuksgewijze--ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje--zijn
+de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes
+gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in "Cambria" of
+"Cumberland") onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde
+van "Cornwallis", en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor
+een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales.
+
+De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor
+anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun
+eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder
+Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder
+Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke
+zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan,
+noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te
+werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers,
+schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor
+ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales
+was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne
+mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd
+de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances
+in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo
+populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel,
+Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die
+het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft.
+
+En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer
+eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van
+groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw
+en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle
+Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne
+gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam,
+even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne
+macht dan de Engelschen.--In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner
+dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde
+klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen
+en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de
+oude Arthur-harp getokkeld wordt [16]. Boven de Celtische Ieren en
+Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en
+literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de
+Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die
+elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen,
+waarvan een, "de Walische Times," voor 20 jaren eene oplage van 100.000
+exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot
+eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten
+geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801
+onder den titel "Gälische archeologie van Mywyr," eene verzameling
+verhandelingen uit, die "een waar arsenaal van Kymrische oudheden"
+bevatten moeten.
+
+In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in
+Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde
+genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering
+van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar
+102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald.
+
+De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden
+bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht
+te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting
+voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten
+eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig
+tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in
+beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië
+scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers,
+naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende
+Europa te plagen.--Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als
+een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht
+bijzonder opwekte.
+
+Daar zij zich _hoofdzakelijk_, en _meer_ dan ooit eenig Europeesch
+volk _voor_ hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het
+overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere
+zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het
+werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de
+rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge,
+en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland,
+aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen,
+werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische
+rijk der groote Koningen Sven en Kanuth.
+
+De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen
+reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de
+volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De
+roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden,
+vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan,
+en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke
+langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten.
+
+Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet
+gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras
+geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate
+geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was,
+dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven
+is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren:
+ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den _geheelen_ Oceaan
+tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden
+zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar
+de Middellandsche Zee en elders.--Bij de geringe bevolking van hun
+vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen,
+niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden
+in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de
+overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen
+was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw
+vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte
+massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds
+een talrijk volk uit.
+
+Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot
+het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als
+de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge
+hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten,
+bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en
+wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele
+kuststeden _blijvend genesteld_, en eenige plaatsen en kleine eilanden
+van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld.
+
+In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet
+in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke
+vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in
+Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet
+geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts
+aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker
+nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende
+Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den
+Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten
+minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam
+naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan
+dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne
+grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de
+onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland,
+en deelden hun het Christendom mede.
+
+Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers
+en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen
+zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort
+fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in
+ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder
+verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het
+Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen,
+in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.--Dit neemt echter
+niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten.
+
+Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers
+en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende
+samentrekken:
+
+In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover
+Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn,
+in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest
+blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu _vele_
+Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft
+daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet
+weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich
+half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo
+karakteristieke _"r"_. Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds
+meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan,
+die overeenkomst hebben met die in Noorwegen--zelfs tijdens het latere
+leenwezen van een Willem den Veroveraar.
+
+Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland,
+als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der
+Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers,
+dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs,
+zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven,
+het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo
+heeft zich ook aan _geheel_ Engeland, en aan geheel het Engelsche volk,
+veel Skandinavisch medegedeeld.
+
+Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de
+Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en
+Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak
+van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar
+Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals
+onze Neder-Saksers, de woorden "uhs" (ons) en "bloht" (bloed) op eene
+gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs "_oss_" en
+"_blodd_".
+
+Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie-
+en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt,
+om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis,
+in Engeland even als in Noorwegen het "_Yule_-blok" aangestoken, en
+ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden
+versierd in menige Engelsche huishouding 's middags wordt opgedragen,
+moet _iets_ gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden
+in Walhalla.
+
+Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch
+zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid
+tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs
+of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht
+zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers--en
+met recht--geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen.
+
+In het algemeen mag ik opmerken, dat de Engelschen zelven er somwijlen
+een zeer verschillend oordeel over uitspreken, of hunne nationaliteit
+meer politieke kracht en vrijheid aan den nationalen geest der
+Skandinaviërs, dan wel aan den Anglo-Saksischen zin en wezen ontleend
+hebben. Terwijl Sir Edward Bulwer Lytton den Noorwegers en Denen
+veel verdienste toekent, daar hij er met lof van gewaagt, hoe _die_
+deelen van het Koningrijk, waarin zij de grootere massa der bevolking
+uitmaakten, zich vooral door onafhankelijkszin en weerstandskracht
+tegen onderdrukking kenmerkten, en in hen het duidelijkst het krachtig
+beeld der oude Germanen te herkennen is,--heeft Sir Robert Peel, in
+zijne in het Parlement uitgesprokene redevoeringen, herhaaldelijk als
+zijne meening te kennen gegeven, dat de Denen in het algemeen, na al
+hunne verwoestings-tochten, bijna in het geheel niets nieuws, groots
+en duurzaams in Engeland gegrondvest en achtergelaten hebben.--Aan de
+overdrevene eischen van Deensche schrijvers, mag men in dit opzicht
+wel de beschouwing van een onpartijdigen Franschman tegenoverstellen,
+die in de _Revue des deux mondes_ tegen de Denen optreedt: "_Les Danois
+n'ont point conquis l'Angleterre_," zegt hij, "_leur invasion n'était
+qu'un déluge et ce déluge n'a fait que glisser_ sur la société Saxonne
+[17]."
+
+Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en
+Noorwegers was, dat zij voor de _eerste_ maal, de uiterste Noordelijke
+en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje'sche eilandgroep, het
+oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring
+van het Germaansche volkenleven trokken.--De allereerste grondslag
+tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden,
+tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden
+der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk
+reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad,
+welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef
+Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten
+na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische
+grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als
+de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische
+Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant,
+zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger
+Schotland, _vóór_, _gedurende_ en nog langen tijd na de heerschappij
+der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen
+bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit,
+van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der
+Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot
+overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië
+(Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel
+dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd "_Scotia_"
+(het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam
+in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland
+rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving
+en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te
+zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het
+licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian'sche
+gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche
+omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar
+naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de
+eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen
+kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en
+andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid,
+te stichten.--Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het
+eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de
+10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan
+te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger
+Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen.
+
+Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels
+als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar
+Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal
+en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland
+begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in
+groote massa's naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk
+in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers
+het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de
+eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met
+eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. _Alleen_ de Denen, die op
+iedere _baar_ een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen
+het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden
+van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten
+en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland,
+de "Orkneys" en de woeste, zwak bevolkte "Shetlands" roeiden zij de
+oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne
+plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder,
+sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden,
+in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen
+vermengd zijn geworden.
+
+Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op
+de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen
+eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan
+hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche
+taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit
+het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer
+vermengd met het Engelsche element. "Men kan bij deze eilanders
+dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch
+is." Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit,
+dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon
+het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men
+berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden,
+het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond
+wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man
+voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels,
+21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën
+en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs
+is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige
+instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar
+een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde
+Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene
+Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich
+ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche
+Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd "Thing" of eilandparlement,
+wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche
+parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen
+òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen
+van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof
+zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische
+elementen zijn.
+
+Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft
+tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking
+met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers
+hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen
+verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de
+zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling
+te bestrijden.
+
+Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand
+tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom
+kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot
+de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen
+de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte
+eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der
+Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd
+Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder
+heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving,
+een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en
+vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland,
+België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het
+geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte,
+had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner
+onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van
+het "_eiland der Heiligen_".
+
+De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland
+ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven
+binnendrongen, waren, zeide ik, de _eersten_, die aan dezen overouden
+toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde
+maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de
+kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de
+havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde
+Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking
+traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook
+kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar
+Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo
+namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van
+oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden,
+om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op.
+
+Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet
+konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar,
+in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne
+andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De
+Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland
+voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der
+heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen,
+geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op
+den jongsten tijd gevonden.
+
+Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis
+der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden.
+
+Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar
+worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden
+plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal
+door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den
+Veroveraar, _de Fransche Noormannen_. Deze wonnen,--geheel anders dan
+de Saksers en Denen--geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den
+vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander.
+
+Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende,
+volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met
+vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde
+Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen,
+maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen
+medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke
+land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden,
+hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen.
+
+Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend
+karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar
+dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen
+van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk
+gerekruteerde _troepen_, en de hun nakomende _emigranten_, waren
+zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk
+woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden,
+echte Franschen.--De uitbreiding dezer door den Noordschen geest
+bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder
+Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen
+voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië
+bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen
+zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen
+zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door
+de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen,
+is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen
+in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand
+gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk
+het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn
+getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend:
+"_The Norman conquest was the Making_ of England" (De verovering der
+Noormannen was de geboorte van Engeland).
+
+Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen
+volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd
+geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene
+voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie
+meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is
+vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat
+van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke
+vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der
+tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door
+de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het
+nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne
+strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt
+geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit
+grooten invloed gekregen. Ook is het--en in dit opzicht kan het met
+zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden--ontkomen aan verscheidene
+andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen
+lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken.
+
+In het begin der Noorman'sche of Fransche heerschappij, woonden nog
+alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast
+elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische
+volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid;
+de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid,
+ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het
+Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen
+was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen
+als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende
+volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.--Uit de
+samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een
+heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten
+slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen.
+
+Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht
+worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman'sche
+Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs
+gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot
+dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal
+werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor
+de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de
+Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof,
+onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere
+standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en
+vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde,
+werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene--de
+Fransch-Noorman'sche--poëzie, als ook een eigen Noorman'sche
+bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want
+ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in
+het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur-
+en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de
+toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard
+Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie
+bijna geheel als Franschen beschouwd.
+
+Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een
+kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland
+in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën
+naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken;
+daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te
+velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan
+het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang
+steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht.
+
+Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen,
+maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk
+te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte
+macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren,
+weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de
+onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij
+der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen
+gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de
+inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het
+Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder
+geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In
+den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die
+het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers
+zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen
+tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de
+Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren
+gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn
+eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van
+het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide
+volken samen.
+
+Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik
+der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter
+zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het
+Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook
+zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten
+bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden
+oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de
+beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen "Dieu et mon Droit",
+en ook het "Hony soit qui mal y pense", zijn nog kleine Fransche
+overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman'schen tijd.
+
+Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch
+in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog
+zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden
+zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon
+op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij
+heden ten dage doen, _afféction_, maar _affectión_, niet _afflíction_
+maar _afflictión_.
+
+Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van
+Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat,
+vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote
+familie-oorlogen der Engelsche _grooten_ en Konings-geslachten
+bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de
+elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof
+weder naar boven werkten.
+
+Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van
+beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene
+nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het
+aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo
+te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat
+onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen
+of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van
+Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het
+Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het
+Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag,
+in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de
+bovenhand heeft, als maatstaf dienen.
+
+Verder is daarbij niet alleen de _quantiteit_ van het uit beide bronnen
+geputte, maar vooral ook de _qualiteit_, voor de verhouding en het
+gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche
+taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van
+woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche
+ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle
+uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde,
+vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de
+meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het
+volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning
+omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk,
+zijn Duitsch.
+
+Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van
+den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van
+ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.--Aan den
+Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen
+van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der
+maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen
+zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land,
+uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote
+maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven
+Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen.
+
+Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen
+met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven,
+dat, terwijl alle _ruwe_ zaken, alle _inheemsche_ boomen, dieren en
+levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar
+waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche
+element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van
+de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien,
+de ossen blijven Duitsch--"_sheep_", "_cow_", "_oxen_"--zoolang zij
+onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra
+zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen
+medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen
+Fransche en worden "_mutton_" (_mouton_), "_beef_" (_boeuf_), "_porc_"
+(_porc_).--Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even
+als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met
+een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek
+Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou
+beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament
+en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de
+hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.--Het geheele beendergestel
+der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden,
+en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn
+Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter,
+de geheele ornamentiek, is Romaansch.
+
+De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal
+haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal
+hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd
+en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch,
+een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en
+leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.--"De
+Fransche of Latijnsche woorden," zegt een Duitsche taalvorscher, "staan
+naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en
+bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders." En men zou
+er bij kunnen voegen, "ook naast kooplieden en schippers." Want even
+als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen,
+bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef
+bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest,
+geheel en al een deel van het Germaansche wezen.--De oorlog en het
+militaire wezen daarentegen werden weder Fransch.
+
+De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd
+door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets
+anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij
+hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en
+is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de
+hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in
+zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der
+doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch
+takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den
+een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze
+uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken,
+òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen.
+
+Echter--en dit is het allermerkwaardigste--hebben de beide
+vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig
+doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds,
+maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander
+gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide
+volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot
+eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste
+tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met
+elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het
+nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het
+zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot
+gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch
+enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden
+aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele
+fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige
+poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit
+het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur
+bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn
+namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche
+ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen
+voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld,
+heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter
+Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare
+herkent men, zooals Gervinus zegt, _beide_ elementen even sterk. In de
+keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als
+in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen,
+verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid,
+uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die
+eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de
+Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem,
+even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het
+Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit
+een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden
+als Shakespeare in Duitschland.
+
+Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook
+in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene
+voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het
+Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche
+elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode
+waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met
+woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere,
+waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische
+taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd
+om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische
+volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en
+eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.
+
+Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige
+Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest
+van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide
+nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een
+voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de
+politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige
+toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat
+gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het
+leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste
+te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.
+
+Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden
+sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen
+sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat
+zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren
+gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche
+historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of
+van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen
+den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als
+een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen
+nationalen geest. Volgens hunne meening drong van _beneden_, uit de
+Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den
+loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds
+invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in
+het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij
+eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom
+over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in
+omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de
+gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier
+werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij
+het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den
+onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even
+als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere
+standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne
+eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne
+latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als
+een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit
+op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De
+demokratische zoogenaamde _rondhoofden_ uit de tijden van Cromwell,
+kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen,
+waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand
+gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder
+Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen,
+dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate
+de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand,
+weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair
+en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van
+het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent
+van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn,
+daarop is boven reeds gezinspeeld.
+
+Ook in de voorzichtige en langzame _manier_ der sociale hervormingen,
+in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus
+afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het
+duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige
+vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in
+de hevigheid der, het op _vernietiging_ en volkomene _gelijkheid_
+aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte
+teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.
+
+Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest,
+als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de
+hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland
+godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij
+de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten
+weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich
+ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.
+
+Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg
+voor zijn _half_-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie
+van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het
+Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den
+Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt
+en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te
+zeggen, een _dubbel uiterlijk_ gekregen. Aan de eene zijde heeft zij
+zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken,
+en heeft de _nieuwe_ brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de
+Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding
+met de Roomsche wereld niet _geheel_ afgebroken, heeft _veel_ van
+den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.
+
+Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten
+gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal
+hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid
+die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige
+andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.
+
+Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche
+eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte,
+rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan
+beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en
+omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele
+natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische
+staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern
+der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.
+
+Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter
+zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het
+Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de
+manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande
+nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft,
+eene zeer langzaam rijpende natuur.
+
+Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd,
+zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden:
+"vroeg _ontkiemen_, laat _rijpen_" te herinneren. Deze woorden
+schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe
+individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie
+tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner
+in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op
+langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende
+processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit
+eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te
+zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen,
+met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien
+ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.
+
+Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland
+gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle
+nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde
+gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal
+als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.
+
+Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb
+ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering
+gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het
+kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische
+ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische
+(Engelsche) nationaliteit aangetast werd.
+
+Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is,
+de strijd der Celten met de Germanen, door de _Denen_ begonnen. Op hen
+volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning
+Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland
+veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het
+voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.
+
+Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet
+geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen,
+opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en
+tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de
+verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen,
+die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche
+Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende
+immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet
+geheel gebluscht.
+
+In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude
+Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche
+bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds
+voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt
+de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte
+rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond
+door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke,
+maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar
+wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige
+maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover
+de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende
+Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de
+Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met
+dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher.
+
+Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van
+Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft
+ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen,
+waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen
+nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch,
+of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000,
+die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel
+moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden
+inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas
+Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak,
+in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het
+volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele
+groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen,
+die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische
+natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van
+zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling
+van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten
+uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk
+aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene
+smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar
+van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze
+verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der
+Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die
+hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van
+Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen
+en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.
+
+In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen
+zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd
+zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke
+nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn,
+deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne
+kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men
+treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.
+
+Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische
+Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst
+opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden
+de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend
+gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft
+hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden
+veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij
+daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten,
+waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken,
+waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de
+Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.
+
+In _Schotland_ heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der
+beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook
+weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid
+bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking
+een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe
+het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd,
+en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.
+
+Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en
+geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne
+Germaansche taal (het Schotsch) niet _geheel_ als een dialect van
+het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst
+mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich _buiten_
+en _naast_ de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte,
+zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en
+zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt
+geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens
+natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen,
+als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen
+tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder
+vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal
+der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens
+eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland,
+als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland,
+die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde
+Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen
+die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de
+Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist
+hadden, daar hunne invallen in Engeland en _vice versa_ de invallen
+der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken
+jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten
+in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen
+in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed
+verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige
+volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden,
+zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met
+elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar
+het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der
+Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen
+vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding
+tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals
+bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne
+Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle
+betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de
+Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.
+
+Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat
+zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig
+Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de
+Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met
+hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in
+zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder
+de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in
+Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor
+in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou
+geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof,
+even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam
+vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich
+op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar
+Schotland kwamen.
+
+Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins
+ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche
+volks-dialect niet _in die mate_ geromaniseerd als de Engelsche
+taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en
+stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche
+en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch
+element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.
+
+Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het
+overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in
+Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig
+talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken,
+de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen
+hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden
+hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en
+naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot
+_gemeenschappelijke_ ondernemingen. Zij leefden met hen op _gelijken_
+voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke
+staats-gemeenschap.
+
+Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten
+der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet
+gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de
+Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal,
+ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert
+den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden,
+op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening
+tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen,
+terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij
+kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand
+bleef behouden.
+
+Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering
+van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij
+de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche
+invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der
+Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de
+Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms
+waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.
+
+Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen
+voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs _daarna_ duurde het nog lang,
+voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden,
+voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.
+
+De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen
+troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op
+hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien
+tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene _lingua rustica_, tot
+een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der
+voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting
+der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen
+bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen,
+de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen,
+maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming
+van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland
+langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen,
+werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.
+
+Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der
+kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde
+keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude
+zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland
+onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene
+vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de
+Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele
+vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg
+eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude
+indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste
+toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.
+
+Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen
+dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot
+voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch,
+vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje
+overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het
+hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun
+geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman
+als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van
+een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch
+gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo
+heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op
+het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval
+is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog
+hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap,
+handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele
+bedaardheid dan de Engelschman.
+
+Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig
+en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle
+mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo
+eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die
+kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het
+duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die,
+om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen
+geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme
+bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog
+minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen,
+zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers
+en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd
+Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden,
+als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.
+
+Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de
+Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren
+tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in
+beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed
+onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en
+philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de
+philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene
+der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en
+volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en
+Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene
+der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott,
+Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën
+wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton,
+Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.
+
+In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en
+den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote
+rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der
+overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje
+mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten,
+eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd
+worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der
+Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen
+en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit
+kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en
+de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle
+bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne
+industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen,
+is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der
+weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking
+van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen
+zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden
+prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel
+geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier
+en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit
+waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch,
+een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het
+zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element _alle_
+onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en
+gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in
+het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste
+toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.
+
+De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de
+Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren,
+in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij
+waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds
+vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de
+Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met
+hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote
+Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het
+bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, _even als_
+hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en,
+_even als_ deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon
+dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en
+later ingang vond, dan bij gene.
+
+Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar
+voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de
+met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met
+heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame
+woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en
+oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit
+geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die
+uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg
+100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen
+ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die
+hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element;
+zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort
+te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich
+niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende
+clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog
+slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan
+iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke
+aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in
+Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte
+familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's
+zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.
+
+Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang
+der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen
+toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op
+de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige
+volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die
+zij nu, tengevolge _der eigenaardigheid van haar karakter_, in de
+geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.
+
+Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover
+de andere volken van Europa tamelijk _passief_ gedragen. Sedert zij
+hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert
+zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan
+ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit,
+en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij
+als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer
+weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in
+Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in
+Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen,
+de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa
+vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.
+
+Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen
+van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche
+volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene _innerlijke_
+nationaliteits-vragen _voor zich_, en alleen buiten Europa, aan gene
+zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën,
+waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende
+kracht doen zijn.
+
+Met betrekking tot ons _Europa_, doen de Engelschen zich als
+eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich
+met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering,
+namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze
+hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij
+gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel
+van hun "_home_" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen
+op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten,
+wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en
+daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van
+Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar,
+Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met
+een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.
+
+Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen,
+het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de
+vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom
+ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel
+afkeerig van _directe_ inmenging in de zaken van vreemde natiën,
+_indirect_ in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen,
+hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of
+de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.
+
+Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij
+noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij
+treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen
+geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale
+hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet
+bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor
+fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk,
+de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of
+onverschilligheid, dan haat of sympathie.
+
+Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot
+hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de
+verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er
+door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale
+smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was,
+toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren,
+of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18]
+
+Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij
+zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door
+buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang
+durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw
+hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs
+slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in
+het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich
+zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover
+bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne
+toestanden gemaakt.
+
+Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de
+andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd
+naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke
+constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal,
+waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche
+eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van
+spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd
+ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche
+maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner
+macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen _kanon_
+meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld
+vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat
+in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen _woord_
+zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond,
+en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der
+kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne
+taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner
+gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met
+ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers,
+de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken,
+iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen
+datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende _voorbeeld_,
+dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging,
+die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet
+breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken,
+dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis
+der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw,
+naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "_Engelsche
+tijdperk_" noemen zal.
+
+In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer
+men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele
+en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder
+zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.
+
+De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten
+van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga,
+Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige
+er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in
+de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te
+Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand
+uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van
+Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche
+voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere
+zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der
+Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers,
+in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te
+vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere
+zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije
+vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn,
+om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.
+
+Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun
+dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe
+handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne
+vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan,
+door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door
+de Engelschen voor het overige Europa opengezet.
+
+Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche
+handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige
+handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der
+privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der
+belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en,
+met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele
+stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel
+strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond,
+de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.
+
+Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele
+voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is
+vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds
+vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen,
+de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw,
+waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de
+mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen
+onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam,
+den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd
+te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de
+door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan
+zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere
+industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch,
+echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.
+
+Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren
+geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die
+de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich
+bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's
+tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en
+invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der
+Europeanen ingevoerd.
+
+In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de
+verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging
+der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan
+eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek-
+en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen
+dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen
+van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de
+grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De
+meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij
+van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme
+Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van
+de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote
+veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne
+Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen,
+de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische
+inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen,
+de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze
+waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid
+te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke
+uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters,
+in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En
+datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren
+tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste,
+tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot
+staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence
+in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen,
+heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te
+vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen
+door hare Gothische kerken.
+
+Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend
+enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige
+taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele
+bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld
+vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige,
+werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het
+idealische en schoone gericht is.
+
+"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn
+roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij
+hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt:
+"_to scorn delights and live laborious days_" (vermaken te versmaden
+om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben
+het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in
+het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche
+uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in
+hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven
+der Duitschers. De Engelschen hebben de "_useful pleasures_" (nuttige
+genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn
+leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn
+de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig
+Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche
+wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even
+algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige
+gladiatoren-spelen en dierengevechten.
+
+Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht
+is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid,
+dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin,
+een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische
+kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het
+geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn,
+ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen,
+hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen
+zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal
+tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den
+nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.
+
+De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich
+zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht
+af. In alle _alleen_ schoone en vrije kunsten, staan zij bij de
+andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets
+wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek
+bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende,
+lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de
+meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen
+van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half
+droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers
+de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd
+blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben
+zij veel te veel _gevoel van eigenwaarde_. "In een door Engelschen
+bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn
+eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te
+spelen," "_avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste
+anglais_." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn.
+
+Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene
+natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten
+voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een
+Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen
+David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover
+stellen kan.
+
+In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen
+slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook
+heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren
+die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle
+mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne
+waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van
+eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in
+het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als
+het geliefkoosde "_watercolourpainting_," bloeien bij hen welig. De
+grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets
+idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls
+zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne
+phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag,
+aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren,
+aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar
+iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen
+moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische
+producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.
+
+Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten
+zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige
+levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne
+bekoorlijke _cottages_, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid
+met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te
+verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle
+Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook
+de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het
+wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote
+natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan
+het hoofd, maken een armzalig figuur.
+
+Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten
+voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren
+tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren
+hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met
+deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan
+is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den
+aankoop der producten van _andere_ volken, den bloei der kunsten op
+_zijne wijze_ te bevorderen.
+
+Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun
+klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden
+zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in
+eene lichtere stof, die echter Horatius _aere perennius_ (duurzamer
+dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het
+ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de
+Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog
+hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen
+ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste
+idiomen van het nieuwere Europa.
+
+Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de
+schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat,
+even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en
+in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche
+en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie,
+deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de
+Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.
+
+Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de
+uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook
+bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere
+talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip
+verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der
+fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen
+taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in
+hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik
+van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in
+het Engelsch woordenboek."
+
+Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich
+gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo
+te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging
+en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij
+meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.
+
+Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal
+zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote,
+nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol
+geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene
+taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk
+gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene
+menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan,
+maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen
+en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.
+
+Even als de Engelschen in de _trans-oceanische_ wereld, de buitengewone
+bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne _zeevaarders_,
+kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze
+gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te
+danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene
+afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig
+ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en _voedzame_ vruchten.
+
+Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig
+gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene
+natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische
+gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat
+en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij
+en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift,
+zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te
+overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen
+en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden
+en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één
+opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de
+natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld,
+geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer
+oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd,
+dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even
+bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de
+groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon
+hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van
+hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.
+
+"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en
+andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen,
+zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven,
+even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De
+Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een
+geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen,
+om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen
+plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche,
+correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn
+fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven."
+
+De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft
+voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene
+zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene
+eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen,
+dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt
+van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde
+eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms
+tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling
+bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden
+voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als
+een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.
+
+In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls
+ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland
+staat de _waarheid_ zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en
+ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den
+hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs
+met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met
+toegevendheid.
+
+Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije
+staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken
+en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici
+bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De
+geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste
+verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne
+kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus,
+Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed
+opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te
+vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale
+schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in
+het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig
+vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden,
+waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen,
+eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek,
+saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat
+kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.
+
+Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en
+door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der
+literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste
+tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden
+zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren
+is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben
+ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden
+met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van
+alle _buitenlandsche_ geschiedenissen, hebben zij geene meer en
+beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de
+schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret,
+zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met
+voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is
+overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.
+
+
+
+Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering,
+heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te
+voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de _historische
+roman_ en de _familie-roman_, beide om zoo te zeggen soorten van
+wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort
+van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De _Engelschen_ echter
+overtreffen _daarin_ allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet,
+Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als
+onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne
+Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen,
+om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het
+buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland
+zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen
+en nagevolgd.
+
+
+
+Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk
+uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij
+tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en
+door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben,
+naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus
+ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift
+ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen
+onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier
+Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne,
+in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd
+waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der
+wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën,
+de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele
+Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen
+en kweekelingen van kooplieden.
+
+De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden,
+dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden,
+waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote
+voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de
+in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig
+dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het
+landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën,
+zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in
+hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor
+het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij
+de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden
+als _steedsche_ gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de
+Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken
+doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen
+en het _leven genieten_. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige
+samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn
+wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën,
+meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur
+gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons
+daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve
+eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van
+wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.
+
+De _practische_ landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij
+is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang
+voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig,
+iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het
+glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks
+een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met
+voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe
+dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz.,
+zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst,
+om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het
+doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit,
+worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons
+geheel vasteland verspreid.
+
+Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde
+nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst
+hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche
+volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch,
+iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche
+tuin-terrassen, aan de Fransche boom-_poorten_, loof-_pyramiden_ en
+bladen-_wanden_. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug,
+en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen
+en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der
+moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken,
+de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke
+bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom
+aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of
+te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit
+krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak
+in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over
+geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een
+natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke
+natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden,
+in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.
+
+Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde,
+om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten
+zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der
+Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge
+Noorden te plaatsen. _Dien ten gevolge_--en ook ten gevolge zijner
+uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten
+der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht
+dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld,
+en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen,
+sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door
+Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare
+bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder
+wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft
+ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij
+ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.
+
+Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter,
+hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag
+inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken
+geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen
+hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons
+in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.
+
+Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne
+kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen
+gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder
+sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk
+lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen,
+hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die
+wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der
+engsluitende Fransche kleeding bevrijd.
+
+Er zijn volken in Europa, die _in het geheel_ geen of slechts een
+_geringen_ invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad
+hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten,
+hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de
+Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene
+kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne
+namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang
+brachten.
+
+Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het
+substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal
+tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in
+de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm,
+maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid
+van het voedingsmiddel.
+
+De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige,
+soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst
+en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne
+vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht
+aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het
+vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld
+het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.
+
+In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der
+Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou
+het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking)
+nog meer aan dien invloed toegaven.
+
+Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den
+Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner
+nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik
+den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig
+labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken
+aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door
+een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit
+onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.
+
+
+
+
+
+
+DE ZWEDEN, NOORWEGERS EN DENEN.
+
+
+Uit steen en erts gebouwd, om zoo te zeggen één enkel kolossaal van
+vele kloven voorzien graniet- en ijzerblok--strekt zich het groote
+Skandinavische schiereiland ver in het ijs en het schemerlicht der
+poolstreken uit.--Zich in de gedaante eener groote halve maan van
+ons werelddeel losmakende, zweeft zij als een getrokken zwaard over
+het middelste lichaam van Europa heen.--Aan alle zijden is het door
+zeewater omgeven, en slechts een gedeelte is door uitgestrekte
+sneeuwvelden met het overige vasteland verbonden, zooals zulks
+gedeeltelijk ten Zuiden bij Denemarken, gedeeltelijk ten Oosten
+bij Finland, door eilanden groepen, die als bruggen zouden kunnen
+beschouwd worden, geschiedt.
+
+Van het Zuiden naar het Noorden gaande--in tegenstelling met het
+van het Oosten naar het Westen loopende hoofdgedeelte van ons
+vasteland--gaat het door 20 breedtegraden, 300 mijlen opwaarts tot
+in die streken, waar men aardappelen en erwten in bloempotten moet
+aankweeken, en strekt zich tot hoogere parallellen uit, dan zelfs
+het land der Samojeden, waar men alleen onder den grond bescherming
+vindt tegen koude en orkanen. Met recht noemen wij Europeanen het dus,
+bij voorkeur "_het Noorden_" van ons werelddeel, en zeer opmerkelijk
+is het, dat de Romeinen, toen zij dat zoo eigenaardige land het eerst
+leerden kennen, het "_eene andere wereld_" noemden.
+
+Even als een oude, knoestige en rimpelige eik boven het lage hout der
+elzen- en hazelnooten-boschjes uitsteekt, zoo steekt dit Noordsche
+gletscherrots- en Alpengebied, boven de lage vlaklanden uit, die
+aan gene zijde der zee er in het Zuiden en Oosten om heen gelegen
+zijn. En als een eik heeft het van oudsher in zijne geïsoleerdheid,
+vrij, eigenaardig en onafhankelijk daar gestaan, zelden lijdende van de
+volksoverstroomingen en veranderingen, die het hoofdlichaam van Europa
+doorwoelden, en daarvan slechts de laatste golfslagen gevoelende;
+daarentegen heeft het van zijn hoogen zetel, dikwijls op de lotgevallen
+van het Zuiden ingewerkt en genoemde stormen zelfs aangeblazen.
+
+Even als door het geheele Oosten van ons werelddeel heen, zoo
+hadden ook de eerste herders- en jagersvolken van den Finschen stam,
+reeds in overoude tijden, den weg naar de bosschen en bergkloven van
+Skandinavië gevonden en daar hunne rookerige hutten gebouwd. Nog heden
+ten dage beroemen de Lappen, de broeders der Finnen, er zich op, dat
+zij het oudste volk in het Zweedsche rijk zijn, en dat het geheele
+land hun eens toebehoord heeft. Deze Lappen zijn waarschijnlijk de
+overblijfselen der merkwaardige Aborigines, van die oorspronkelijke
+bevolkingsstof, waarop de sagen der tegenwoordige Germaansche
+Skandinaviërs wijzen, en wier met gras begroeide grafheuvelen wij
+overal in het land, naast de heldengraven hunner nakomelingen,
+verstrooid vinden. De latere Germanen, die het land binnentrokken,
+roeiden die Finnen of Lappen ten deele uit, of dreven hen naar het
+hoogste Noorden terug.
+
+Dat daarbij ook een deel der oorspronkelijke bewoners met de
+Germaansche stammen versmolt, bewijst de Zweedsche taal, die een
+groot getal uitdrukkingen voor huisraad en visschers gereedschap,
+aan het Finsch en Lapsch ontleend heeft. Ook merkt men hier en
+daar in het Noorden van Skandinavië, dal-bevolkingen op, die in
+lichaamsbouw en gelaat duidelijk het Finsche of Lapsche type hebben,
+ofschoon zij nu Noorweegsch of Zweedsch spreken. Ook de Loffodische
+eilanden, bij Noorwegen, zijn, naar men meent, nog heden door zulk een
+Germaansch-Finsch volk bewoond. De tijd, waarin deze zaken voorbereid
+werden, ligt buiten het bereik der geschiedenis. Wij weten noch
+wanneer, noch hoe en langs welken weg die Germaansche inval plaats
+had. De eigenaardigheid van het afgelegene en door zeeën afgescheidene
+groote land, waarin zij kwamen, moest de daarheen trekkende Germanen,
+wanneer zij het van nature niet reeds waren, tot een bijzonder,
+van de overige Germanen verschillend volk maken.
+
+Men kan zeggen, dat al het in Europa door Germanen bewoonde land,
+geographisch uit twee hoofddeelen bestaat, uit het groote in het
+midden van Europa tusschen de Noordzee en de Middellandsche zee
+ingewrongene stuk (Duitschland) en uit het even groote door de zee
+daarvan gescheidene, Noordsche schiereiland. Dat in deze beide groote,
+zulk een scherp contrast met elkander makende, gedeelten van het
+Germaansch Europa, zich ook twee groote takken van den volksstam, een
+Noord-Germaansche (of zooals de Skandinaviërs zelven liever zeggen
+_Gothische_) en een Zuid-Germaansche of Duitsche tak, òf vormen
+moesten, òf moesten blijven bestaan, was, zeg ik, zeer natuurlijk.
+
+Behalve de oorspronkelijke Lappen of Finnen en de het land
+binnengetrokkene Germanen, weten wij van geen ander eenigzins gewichtig
+volk af, dat zich blijvend op het groote schiereiland nedergezet of
+uitgebreid heeft. De ethnographische geschiedenis der Skandinaviërs is
+daarom vrij eenvoudig. Al die ontelbare volken-vermengingen in al de
+overige gedeelten van Europa, hebben het, buiten de bewegings-richting
+liggende, Skandinavië niet aangedaan. Nooit is het, na die eerste
+Germaansche verovering, andermaal door vreemden bezet of zelfs
+gekoloniseerd geworden.
+
+Phenicische zeevaarders zouden echter, naar de meening van een
+nieuweren Zweedschen onderzoeker, tot naar Skandinavië doorgedrongen
+zijn, en daar menig spoor hunner aanwezigheid achtergelaten
+hebben. Hunne inwerking was echter in alle geval noch van zoo
+ingrijpenden aard, noch zoo langdurig, als b.v. in Spanje. De Grieken
+hebben hier geene handelskantoren of factorijen gehad. Romeinsche
+soldaten of kolonisten hebben het land nooit onderworpen. Vooral
+ook is het schier van alle latere Aziatische en Oostersche invallen
+bevrijd gebleven. Nooit is het--zooals Duitschland en zelfs Frankrijk
+somwijlen--door de invallen der Hunnen, Mongolen, Turken en Tataren
+verontrust geworden. Ook de Slawen, die bij massa's tot in het hart
+van Duitschland doordrongen, deden dit Noorden slechts even terloops
+aan. Zelfs van de overal zijne vertakkingen hebbende immigratie
+der Israëlieten, en de door hen veroorzaakte harrewarrerijen en
+vermengingen, is dit land vrij gebleven. En in dit, evenals nog in
+menig ander opzicht, is dit land eenig in Europa.
+
+Bezwaarlijk zal men ergens anders een minder vermengd oud ras, een
+oorspronkelijker Indo-Germaansch volk vinden, dan in Skandinavië, in
+welks granietrotsen en gebergten ook, even als in zijne bevolking, de
+oorspronkelijke vormingen zichtbaar zijn, terwijl deze, in zuidelijker
+gelegene landen, door vele jongere vervormingen bedekt zijn. Vooral
+is dit Noorden, in menigerlei opzicht, de oud-Germaansche geaardheid
+trouwer gebleven, dan het Duitsche hoofdland zelf, en is het in
+verscheidene opzichten de bewaarplaats en beschermer der traditiën van
+den geheelen grooten Duitschen stam geworden. Dààr bleven de mythen van
+den ouden Odins-dienst zeer lang bestaan. Dààr weerklonken nog langer
+de vroegste helden-liederen en sagen, die misschien nog zinspelen
+op de daden der Germanen onder de Asen [19] en in Azië, en die naar
+de getuigenis van den Gooth Jornandes, [20] eens ook in den mond der
+stammen van Duitschland zelf leefden. Dààr ook, aan gene zijde van de
+Belten en van den Sond, vindt men nog onveranderder dan ergens anders,
+de goudgele lokken, de helder blauwe oogen, de slanke taille, de hooge
+gestalte der oude Germanen, die eens door Tacitus geschilderd werden.
+
+Hoe ongedeerd, volgens dit alles, dit land van buiten gebleven is,
+zoo weinig rust heeft het van vroege tijden af inwendig genoten. Reeds
+zijne oudste geschiedenis is zoo rijk aan omwentelingen, aan bloedige
+burger- en broederoorlogen, als eenig ander land. De verschillende
+stammen, waarin de Skandinaviërs verdeeld waren, waren over en weer
+dikwijls met elkander in oorlog, en hebben meer dan één vreeselijken
+Brawalla-slag [21] onder elkander gevochten, waarvan het aandenken
+en de helden die er in uitmuntten, in hunne liederen gevierd werden,
+als waren het zegepralen over vreemdelingen. Deze inwendige, van de
+vroegste tijden af dagteekenende, wijzingen en vijandelijkheden,--de
+rustelooze en ondernemende zin van het volk--de karige en armelijke
+natuur van het land, die de bewoners wel verstaalde en verhardde,
+maar dikwijls met hongersnood en ellende plaagde, hebben dien ten
+gevolge dikwijls tot verhuizingen en krijgstochten naar den vreemde
+aanleiding gegeven.
+
+Af en toe hebben zich de onrustige onweerswolken van het Noorden
+ontladen en zich, van uit het machtige schiereiland, naar alle zijden
+heen doen gevoelen, en tengevolge daarvan hebben de Skandinaviërs,
+in het overig Europa veel meer verwoestingen aangericht en er veel
+meer koloniën heen _gezonden_, dan zij van daar _ontvingen_.
+
+Deze tochten der Skandinaviërs naar het buitenland waren vermoedelijk
+overoude, dikwijls herhaalde gebeurtenissen. Want reeds Tacitus
+vermeldt in de eerste eeuw na de geboorte van Christus, dat Suionen
+(Zweden, Skandinaviërs) sterk door hun getal, door hunne wapens en
+vloten waren. De Germaansche kolonisten, die de Romeinen, reeds lang
+voor de Anglo-Saksers het land binnentrokken, in Schotland vonden,
+zijn misschien wel uit Skandinavië overgekomen. Ook zou voor Christus
+geboorte, de beroemde tocht der Cimbren en Teutonen,--die, zooals het
+heet, door overbevolking, honger en watersnood veroorzaakt werd,--in
+Skandinavië zijn oorsprong gevonden hebben.
+
+Even als de tocht der Cimbren en Teutonen, zoo willen de Skandinavische
+patriotten, de geheele verdienste en ook de geheele verantwoording
+der zoogenaamde volks-verhuizing op zich nemen. Zij beweren,
+dat niet alleen de Oost- en West-Gothen, maar ook de Longobarden
+en de Vandalen, ja zelfs ook de Franken en de Saksers, of toch
+ten minste de Koningen, stichters en helden dezer volkenbonden
+uit Skandinavië, deze, zooals zij het noemen, wieg en werkplaats
+van tallooze volksstammen, af te leiden zijn. Zij hebben zelfs het
+portret van den Oost-Gothischen Koning Theodorik, te Upsala onder de
+rij portretten van Zweedsche Koningen opgenomen, en hebben daar ook
+den beroemden zilveren codex, het kostbare met zilveren letters op
+purperkleurig perkament geschreven brokstuk, van het oude in Duitsche
+(Gothische) taal opgestelde boek, als iets wat hun het meest aanging,
+bewaard; ofschoon juist dit boek, waarvan de taal veel meer met het
+Hoog-Duitsch dan met het Skandinavisch gemeen heeft, het best bewijst,
+dat de Gothen der volks-verhuizing die het schreven, niets minder
+dan Gothen uit Skandinavië of minstens dit zeker niet _uitsluitend_
+en in hoofdzaak waren.
+
+De volksverhuizing, die de oorzaak van den ondergang van het Romeinsche
+rijk was, was veeleer een uitspruitsel der groote beweging van het
+geheele Germaansche Europa, en waarschijnlijk had hierop,--niet,
+zooals de Zweden en Denen meenen, op het altijd slechts schaars
+bevolkte Skandinavië _alleen_,--dikwijls herhaalde uitdrukking van een
+Romeinschen schrijver, als hij spreekt over _de wieg en de werkplaatsen
+der volkeren_, betrekking. Bezwaarlijk zal zich nu nog het aandeel,
+dat de Skandinaviërs aan die, de wereld in rep en roer brengende
+gebeurtenissen hadden, laten onderscheiden van het aandeel dat de
+eigenlijke Duitschers daaraan namen.
+
+Veel meer uitsluitend Skandinavisch en veel belangrijker in
+hare gevolgen en voor ons onderwerp, was eene tweede reeks van
+onweersbuien en volks-ontladingen uit het Noorden, die eerst begon,
+nadat de stormen in het hart van Europa waren gaan liggen, al de door
+elkander woelende natiën hare vaste woonplaatsen reeds ingenomen en
+duurzame Christelijke rijken gegrondvest hadden.
+
+Een geheele stilstand en volkomen vrede, zal bij de Skandinaviërs tot
+op de groote, zoogenaamde _Wikinger-_ of _Nooren-tochten_, die ten
+tijde van Karel den Groote een aanvang namen, wel nooit geheerscht
+hebben.--Hongersnood, inwendige verdeeldheid en andere oorzaken tot
+tochten op den Oceaan, vond men daar voortdurend. Ook was het in
+het Noorden een oud gebruik, dat het jongere volk, daartoe door het
+lot aangewezen, zijn geluk als "Vikinger" (krijgslieden) in vreemde
+landen zoeken moest. Maar in rustige tijden bepaalden die zich tot
+de nabuurschap.
+
+Waardoor deze, van oudsher dagteekenende Wikinger-tochten, in het
+aangegevene tijdperk, een zoo grooten sprong en uitbreiding namen,
+dat zij, om zoo te zeggen, het geheele werelddeel als eene algemeene
+branding bestormden, is ten deele uit den toenmaligen toestand
+van Europa, ten deele uit bijzonder sterke innerlijke bewegingen
+in Skandinavië zelf, te verklaren.--Het Christendom, dat bij zijne
+aankomst overal stormen verwekte, drong toen ten tijde het Noorden
+binnen en te gelijk de vorming eener overwegende, vereenigende,
+koninklijke- en staatsmacht.--Dit nu dreef de kleine stamhoofden of
+zeekoningen en hunne zonen, die noch hun oud Odinsgeloof, noch hunne
+even zoo oude persoonlijke onafhankelijkheid wilden opgeven, meer dan
+ooit naar de zee, en wel met het bepaalde doel, niet zooals vroeger
+alleen om te plunderen, maar ook om hun oud, door die nieuwigheden
+aangetast vaderland te verlaten, en zich in het overig Europa nieuwe
+_vaderlanden_ te veroveren.
+
+Dit overig Europa echter was toen, na de oplossing van het groote
+Karolingische huis, in een toestand van erge ontbinding.--Vooral was
+het zwak ter zee; alle staten waren zonder vloten, de kusten zonder
+verdediging. Op de geheele Middellandsche Zee heerschten de Arabieren,
+de vijanden van het Christendom, en even als deze in het Zuiden, zoo
+vulden de zeevaartkundige Noormannen weldra de geheele Noordzee met
+al hare zeeboezems en kusten.--Tuk op schatten, voeren zij in kleine,
+onder het kommando van stoute zeekoningen vereenigde eskaders, door
+alle wateren, en vonden zij den waterweg naar Spanje en tot naar de
+Middellandsche Zee. Als eene eeuwig dreigende onweerswolk, waaruit
+men ieder oogenblik hagel en bliksem verwachten kon, verbreidde zich
+het woeste Skandinavendom over den Oceaan. "Als zee-monsters stortten
+zij uit de golven op de landen, drongen de mondingen der stroomen
+van Duitschland, Frankrijk, Engeland, ja! van alle andere landen
+binnen, en rukten, overal roovende en verwoesting aanbrengende,
+diep landwaarts in.
+
+Verscheidene landstreken plunderden en verwoestten zij slechts,
+herhaalde malen in den loop van tweehonderd jaren, zonder daar
+blijvende koloniën te stichten. In andere streken echter kregen zij
+vasten voet en stichtten zij--zooals in Groot-Brittanje, Frankrijk,
+Rusland en eindelijk in Zuid-Italië--nieuwe en zeer merkwaardige
+rijken.
+
+In Rusland hadden zij reeds zeer vroeg, duurzame en dikwijls
+bezochte handels-koloniën. Zij--daar "Waräger" (bondgenooten)
+genoemd,--marcheerden onder hunnen "Rürik" en zijne broeders en
+strijdmakkers, in herhaalde tochten dwars door de geheele breedte
+van het groote land, zeilden uit de mondingen zijner rivieren
+Zuidwaarts naar de Zwarte zee, en grepen van die zijde herhaalde
+malen Constantinopel aan, waar zich aan het hof der Byzantijnsche
+Keizers, ten slotte een blijvende lijfwacht van Noormansche trawanten
+vormde. Zij bouwden in Rusland ook steden, en de oudste Russische staat
+dien zij stichtten, schijnt zijne kracht en levensduurzaamheid aan
+den geest der bestuurders, wetgevers en veldheeren van Noormanschen
+oorsprong ontleend te hebben.--Niettemin is de Skandinavische
+nationaliteit, in het hart van Rusland, spoedig in de Slawische
+weder ondergegaan. Alleen hebben eenige oude Russische familiën zich
+nog lang, op hunne Noormansche afstamming uit de familie van Rürik,
+beroemd; ook dragen de "Russen" en "Rusland" zelf nu nog een naam,
+die van Skandinavisch-Germaanschen oorsprong is.
+
+De Britsche eilanden, die zeer dicht bij hen aan de andere zijde
+van hunne West-Zee lagen, behandelden de Skandinavische zee-koningen
+gedurende twee eeuwen, om zoo te zeggen, als een deel hunner domeinen,
+die zij ieder jaar een onafgebroken schatting afpersten.--In schier
+alle kuststeden van Schotland, Ierland en Engeland nestelden zij zich
+vast, en hadden zij hunne legerplaatsen overal in de rondte aan de
+oevers. Eindelijk veroverden de groote Denen-Koningen Sueno en Kanut
+zelfs het geheele eilanden-rijk, en beheerschten het een tijdlang,
+tot zij het weder aan de dikwijls in opstand gekomene Anglo-Saksers
+verloren.
+
+Van dien Deenschen tijd zijn vele gewoonten en eigenaardigheden
+afkomstig, die de Engelschen met de Skandinaviërs gemeen hebben. Ook
+vindt men sedert dien tijd in de Noordelijke provinciën van
+Engeland, b.v. in Northumberland en in het noordelijk Schotland,
+nog heden in de gebruiken, de taal en het uiterlijk type van het
+landvolk veel Skandinavisch.--De tot Engeland behoorende Orkneys en
+Shettlands-eilanden zijn sinds dien tijd bijna geheel door een volkje
+van Skandinavische afkomst bewoond geweest, waarbij ook nu nog een
+Noorweegsch dialect van het zoogenaamde "Norse" ten deele in gebruik
+is. Hetzelfde geldt ook van de kleine groep der 25 Schapen-eilanden
+of Färoër, in wier nevelrijke bergdalen en steeds bedauwde weiden,
+een eenvoudig, flink, Noorweegsch menschenslag van vischvangst en
+schapenteelt leeft.
+
+Even als in Rusland en Groot-Brittanje, zoo is ook in Frankrijk de
+naam der Noormannen groot geworden.--Bij hunne dikwijls herhaalde
+invallen in de monden der Seine, die naar de rijke, dikwijls door
+hen geplunderde stad Parijs voert, hadden zij zich daar eindelijk
+vastgenesteld, en dat merkwaardige Hertogdom gesticht, waarin hun
+krachtige Noorsche geest grootere dingen gewrocht heeft dan ergens
+anders, en dat nog heden naar hen Normandië heet.--Ofschoon, wat
+taal en zeden betreft, zij spoedig in Franschen veranderd werden,
+bleef de heldhaftige ondernemingsgeest der ridders van Normandië,
+nog langen tijd geheel Noordsch-Germaansch en was dat zelfs nog,
+toen zij onder Willem den Veroveraar Engeland binnentrokken. Ook
+veel later nog, openbaarde het Germaansche karakter in deze Fransche
+provincie, zich nog in vele zaken. En zelfs nog heden ten dage,
+lacht den Germaanschen reiziger in Normandië, om zoo te zeggen, iets
+vaderlandsch tegen. Industrie, ontwikkeling, landbouw en de physionomie
+door hen aan het land gegeven, zijn in hooge mate Germaansch. Dat de
+bewoners van het Fransche Normandië nog heden, om hunnen strijdlust
+en om hunne zucht tot processen te voeren bekend zijn; dat zij, ten
+tijde der Hugenoten, het protestantisme bijzonder toegenegen waren,
+is volgens sommigen een naklank uit het Germanendom. Ook dat Frankrijk
+van oudsher uit Normandie zijne uitstekendste en meest volhardende
+zeelieden kreeg, en dat zijne beroemdste admiraals en vlootvoogden
+inboorlingen van Normandie waren, schrijft men aan hunne afstamming
+van de landslieden der "Zee Koningen" toe. Ook hoort men nog heden
+meermalen de Franschen hunne landgenooten uit Normandie, als wilden zij
+aan hunnen oorsprong uit het Noorden herinneren, _les froids Normans_
+(de koude Noormannen) noemen.
+
+Ook tot in het hart van Duitschland drongen toen de koene en
+ruwe mannen uit het Noorden door. De Rijnsteden brandschattende,
+voeren zij herhaalde malen den Rijn op, zoover als zij met hunne
+kleine schepen komen konden.--Bij die tochten kregen zij zelfs het
+verhevene Gletscher- en Alpenland, Zwitserland, in het gezicht en
+daar dit hun eenige gelijkenis scheen te hebben met hun vaderland,
+zoo besloten de aanvoerders van een hunner strooptochten, zich daar
+neder te zetten. Zij kozen daartoe, het nu zoogenoemde "Ober-Hasli-dal,
+eenige nevendalen van het Berner-Oberland en de landstreken aan het
+Vierwaldstädter-meer. Daar leeft nog heden ten dage een bijzonder
+fraaie en flinke Noordsche volksstam, die, zooals ik bij het
+behandelen der Zwitsers opmerkte, tot op den huidigen dag de sage
+zijner afstamming van de Noormannen bewaard heeft. De beste Zweedsche
+geschiedschrijver, Geyer, gelooft aan deze sage. Ook den naam van het
+kanton Schwijz en die van het geheele land Zwitserland ("Schweiz")
+heeft men van den naam "Zweden" (Suita) afgeleid. Zoo heeft men ook
+de omstandigheid, dat de sage van Willem Tell in Skandinavië eveneens,
+met hetzelfde appelschot, met denzelfden voor een tyran bestemden pijl,
+verhaald wordt als in Zwitserland, met dit indringen der Noormannen in
+de Alpendalen in verbinding gebracht. Oorspronkelijk zou deze mythische
+Willem Tell (daar "Palnatoke" geheeten) in de bergen tusschen Zweden
+en Noorwegen te huis behooren.
+
+Dat in de Alpen, in het zoo nabij het Hasli-dal gelegen Wallis,
+ook de Noordelijkste sporen der aanwezigheid van de Saraceenen of
+Arabieren uit het Zuiden gevonden worden, is boven reeds medegedeeld,
+en zoo hebben dus deze ver verspreide tijdgenooten, de Noormannen
+en de Arabieren, in de binnenste kern van het Centraal-gebergte,
+waaruit onze rivieren ontspringen, elkander even zoo ontmoet als op
+de Middellandsche Zee.
+
+De zonderlingste ondernemingen echter, die de Noormannen omstreeks
+dezen tijd in het Noord-Westen van Europa uitvoerden, golden het ver
+afgelegene Thule, het groote door vulkanen gekliefde en met ijs bedekte
+eiland IJsland.--Daar schiepen zij, om zoo te zeggen, een geheel
+nieuw land en volk, stichtten en bevolkten eene hoogst merkwaardige
+republiek, wier burgers door heldenzin, poëzie en ontwikkeling, boven
+alle Skandinaviërs der 10de eeuw bijzonder uitmuntten.--Ofschoon deze
+eens onafhankelijke Skandinavische vrijstaat op IJsland, later aan
+de Noorweegsche en vervolgens aan de Deensche Koningen onderworpen
+geraakte, en onder hunne heerschappij tot onbeduidendheid verzonk,
+zoo zijn toch in taal, sagen, gezangen en in de oude geschriften van
+die afgelegenste aller Europeesche landen, de oudste overleveringen, de
+edelste taalschatten en historische heiligdommen van de Skandinavische
+volken beter bewaard gebleven dan ergens anders; eerst in lateren
+tijd zijn zij weder van onder het stof te voorschijn gebracht, om zoo
+te zeggen van onder sneeuw en ijs voor den dag gehaald [22] om menig
+duister punt in de geschiedenis van den geheelen Germaanschen volksstam
+op te helderen.--De IJslanders, die niet alle latere omwentelingen
+en veranderingen der Skandinaviërs medemaakten, spreken nog heden de
+primitieve Noordsche taal het zuiverst, verstaan gemakkelijk het oude,
+harde, ruwe Lapidair-schrift [23] der Edda (d.i. stammoeder) en lezen
+daarin, in den walm en het schemerdonker hunner houten hutten zittende,
+met den meesten ijver de heldendaden hunner voorouders.
+
+Van uit IJsland bereikten reeds toen de Noormannen ook Groenland,
+en oogstten zelfs den roem in, eener ontdekking en betreding van het
+nieuwe vasteland van Amerika, lang voor Columbus [24].
+
+De tijd, waarin zich dit schilderij van den grooten invloed der
+Skandinavische Noormannen ontvouwde, mogen wij in ronde cijfers,
+omstreeks het jaar 1000 n. Chr. vaststellen.
+
+Toen hadden zij ons geheele vasteland in hunne netten ingesponnen, en
+waren er, om zoo te zeggen alom tegenwoordig, even als hun element,
+de overal in het land binnenkijkende Oceaan.--Zij trokken Europa om
+van de tundra [25] der Samojeden, tot de straat van Gibraltar en van
+deze Oostwaarts tot het Heilige land en tot den Pontus Euxinus, en
+vervolgens van dezen, zooals gezegd is, dwars door het breede Rusland
+weder terug tot hun Noordsch vaderland.--Als gebieders zetelden zij
+overal op de uiterste punten van het werelddeel, bij de Noordkaap en
+bij het Zuidelijk uiteinde van Italië, en hadden zij bovendien vele
+eilanden en punten van Groot-Brittanje en Gallië in hun bezit.--Wanneer
+ook al niet overal als _land_-heeren, zoo mochten zij toch alle havens
+van het werelddeel, als _zee_-heeren vrij binnenloopen, en op alle
+punten der kusten, als de schrik der bevolking, ongehinderd hunnen
+voet zetten.
+
+Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na
+hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om
+zoo te zeggen, in handen gehad.--Waren zij niet de _membra disjecta_
+[26] van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele
+staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als
+eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid
+van Europa geworden zijn.--Langzamerhand echter verminderde de kracht
+en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde
+vaderland. Toen de andere staten en volken--ten deele zelfs met
+_behulp_ dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche
+emigranten en van hunnen frisschen geest--zich weder vermanden;
+toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het
+christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën--het
+eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der
+beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens
+in Noorwegen en ook in Zweden,--zich bevestigd en den wilden zin der
+stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke
+bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar
+het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden
+op.--Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En
+eene _dergelijke_ grootsche periode van roem en grooten invloed,
+heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd.
+
+Wel is de stroom ook later nog herhaalde malen buiten zijne
+oevers getreden, maar deze overstroomingen bepaalden zich tot een
+kleiner gebied. Het meest ontmoeten wij na den tijd der Wikinger,
+de Skandinaviërs aan de overzijde der Baltische zee, op den sedert
+overoude tijden door hen bewandelden weg naar het Oosten, waar hunne
+voorvaderen het groote Rusland gesticht hadden.--Hunne nationale
+oorlogen tegen de Finsche stammen voortzettende, veroverden en
+bevolkten de Zweden daar, in de 12de eeuw, het geheele groote
+schiereiland Finland, dat zij met Skandinavische kolonisten vulden,
+en bijna 600 jaren lang als een integreerend deel van hun eigen rijk
+beheerschten.--Zij verloren deze groote provincie eerst in het begin
+dezer eeuw aan Rusland, maar tot op den huidigen dag zijn Zweedsche
+wetten, taal en zeden daar nog van kracht.--De kusten van het nu
+Russische Finland, zijn overal in de rondte door Zweedsche steden en
+Zweedsche bevolking omzoomd, terwijl het binnenste gedeelte, ofschoon
+door de Zweden voor de Luthersche kerk gewonnen, nog door de Finnen
+bewoond wordt.
+
+Ook de andere, nu Russische Oostzee-provinciën, zijn door de
+Skandinaviërs, zooals vermoedelijk _dikwijls_ in oude tijden, zoo ook
+in de latere eeuwen nog herhaalde malen meer of minder lang beheerscht
+geworden; zoo Esthland het eerst door de Denen in de 13de eeuw, later
+weder door de Zweden in de 16de en 17de eeuw tot op Peter den Groote;
+en even zoo ook Lijfland (maar niet zoo lang) in de 17de eeuw door de
+Zweden. Ja! in het begin der 18de eeuw, scheen het een oogenblik, alsof
+een tweede Rurik, een karakter dat zeer veel overeenkomst had met dat
+der oude Wikingers en Warägers, de avontuurlijke en heldhaftige Karel
+ XII, die langs de oude wegen der Noormannen, Rusland diep binnendrong,
+zich gereed maakte, daar een nieuw Noormannenrijk te stichten. In de
+stamlijsten van den Duitschen adel der Russische Oostzee-provinciën,
+vindt men sedert dien tijd nog menige familie van Zweedschen naam
+en oorsprong, opgeschreven. Ook bevinden zich langs de kusten van
+Esthland, even als langs die van Engeland, eenige kleine eilanden,
+waar nog ten huidige dage, onder Russischen schepter, Zweedsche
+visschers en boeren wonen, die Zweedsche gewoonten huldigen en
+Zweedsche taal spreken.
+
+Ook in de Zuidwaarts gelegene landen, in Polen en Duitschland, zijn
+in latere tijden de Skandinaviërs meermalen binnengedrongen.--Van
+Oldenburg, oostwaarts over Pommeren tot naar Koerland, is nauwelijks
+ééne Noord-Duitsche stad of provincie te noemen, waarin niet een of
+meermalen Denen of Zweden geheerscht, en die zij niet sedert de 12de
+eeuw tijdelijk in bezit gehad hebben.--Daar behoorden ook de Polen
+tot de erfvijanden der Zweden, waarmede zij dikwijls hunne zwaarden
+kruisten, wier landen hunne legers meermalen binnen marcheerden,
+en met wie zij ook eens, voor een korten tijd, in het einde der 16de
+eeuw, onder denzelfden koning vereenigd waren.
+
+Het gewichtigst echter waren hier in het Zuiden, van oudsher de
+verwikkelingen hunner aangelegenheden met die hunner oude Duitsche
+stambroeders. Ja! van alle aanrakingen die zij met vreemden gehad
+hebben, is van oudsher geene voor de Skandinaviërs van meer invloed
+geweest, dan die met de Duitschers.
+
+Van Duitschland kregen zij het eerst het oude katholieke en later
+ook het hervormde christendom. Door Duitschland werden zij, door het
+Hanze-verbond, dat reeds in de 14de en 15de eeuw geheel Skandinavië
+met koloniën en handelskantoren vulde, in den verkeers-kring van het
+Zuiden getrokken, en werden hunne oude zeeroovers langzamerhand in
+vreedzame, zegen aanbrengende handelaars veranderd.
+
+Ook hunne Koningen hebben zij dikwijls aan Duitsche familiën te danken;
+de Zweden alleen vijf of zes maal. Vele adellijke geslachten werden
+hun van Duitschland toegevoerd en steeds, tot op den jongsten tijd,
+ontvingen zij van daar, meer steden-bewonende burgers, handwerkslieden
+en kolonisten, dan uit eenig ander land van het werelddeel. De weinige
+steden, die het aan steden arme Skandinavië bezit, werden met Duitsche
+hulp gebouwd. Ook hebben ten gevolge van dit alles, in het geheele
+Noorden, van oudsher de zeden, de ontwikkeling, de literatuur en de
+omgangs-taal der Duitschers, zich meer aanzien en invloed verschaft,
+dan die van eenig ander volk.
+
+Met betrekking tot kunsten en wetenschappen, maakten de Skandinaviërs
+in zekeren zin slechts eene _provincie_ van Duitschland uit, welks
+bewegingen zij altijd gevolgd zijn.--De geschiedenis van de poëzie
+en literatuur der Zweden, Noorwegers en Denen, heeft bijna geheel
+dezelfde tempo's, perioden en afdeelingen als die der Duitschers,
+en sluit zich aan deze op gelijke wijze aan, als de geschiedenis van
+de ontwikkeling der Portugeezen aan die der Spanjaarden, of als die
+der Schotten aan die der Engelschen. _Met_ de Duitschers dommelden
+zij nog in de 14de en 15de eeuw, toen de muzen der Romeinen reeds
+lang ontwaakt waren. _Met_ de Duitschers ontwaakte hun geest tijdens
+de kerkhervorming. _Even_ als bij de _Duitschers_, ontstonden ook
+bij de Noord-Germanen, hunne moderne schrijf- en literatuur-talen,
+uit de kerkelijke beweging, uit de bijbelvertaling. _Even_ als
+de Duitschers zongen zij aanvankelijk in de 16de en 17de eeuw,
+niet anders dan godsdienstige liederen en psalmen. Gelijktijdig
+met de Duitschers, werd hun Parnassus, omstreeks het einde der
+18de eeuw, bezield en verlevendigd door talenten en bloesems van
+anderen aard. Hunne nationale en lievelingsdichters, de Denen Ewald,
+Baggesen, Oehlenschläger, de Zweden Bellmann, Tegnér en Geijer, waren
+de tijdgenooten en gedeeltelijk de vrienden van de Duitsche Schiller
+en Goethe. Iets dergelijks laat zich van hun Thorwaldsen en Byström,
+en van hun Linnaeus en Berzelius, met betrekking tot Duitsche mannen
+van kunst en wetenschappen zeggen.
+
+Van minder gewicht is van oudsher, de terugwerking der Skandinaviërs op
+de Duitschers geweest. Slechts eens hebben zij in latere tijden weder
+krachtig in de geschiedenis der Duitschers ingegrepen, in de treurige
+perioden van den dertigjarigen oorlog, toen hun edele koning Gustaaf
+Adolf (die door Napoleon zelfs naast Hannibal, Cesar en Alexander den
+Groote, als een der grootste veldheeren der wereldgeschiedenis werd
+geplaatst) het Noordelijk Duitschland voor de overmacht van het huis
+Habsburg, en voor het bijna reeds overwinnende Katholicisme redde,
+en toen Zweedsche soldaten, Zweedsche nationale kleederdrachten en
+zeden, in Duitschland even algemeen werden, als eene eeuw te voren de
+Spaansche geweest waren. Maar ook deze zoogenaamde Zweedsche tijd in
+Duitschland, heeft in de ontwikkeling en de taal van het volk slechts
+weinige sporen achtergelaten die nog aangewezen kunnen worden.
+
+Nadat de Zweden in het begin dezer eeuw, hunne laatste uit den
+dertigjarigen oorlog afkomstige bezitting ten zuiden der Oostzee, het
+eiland Rügen en een gedeelte van Pommeren, verlaten hebben, zijn daar
+van hen geene kolonisten en afstammelingen, geene taal overblijfselen,
+overgebleven, wel misschien nog iets in de gebruiken dier streek, en
+den hier en daar spreekwoordelijk geworden schrik voor den Zweedschen
+naam, waarmede men nog heden ten dage in Pommeren de kinderen naar bed
+jaagt. Skandinaviërs en Duitschers hebben zich hier overal duidelijk en
+scherp van elkander afgescheiden, en hebben zich naar hunne natuurlijke
+grenzen aan deze en gene zijde der zee teruggetrokken.
+
+Zooveel, wat betreft de punten van aanraking der Skandinaviërs met
+vreemde volken, hunne koloniën, staat-stichtingen en zijtakken,
+en hunne voetstappen, sporen en overblijfselen buiten hun
+vaderland. Beschouwen wij hen nu in hun vaderland zelf, dan kan men
+beginnen met te zeggen, dat het geheele Skandinavië, in hoofdzaak
+ten gevolge van geographische- en historische verhoudingen, in drie
+groote hoofd-landen en volken-groepen, die der Zweden, der Noorwegers
+en der Denen, gesplitst is.
+
+Even als door de zee en de noordelijke ligging, van het overige der
+wereld afgescheiden, zoo is het Skandinavische schiereiland over zijne
+geheele lengte door een groote bergstreek in twee deelen gesplitst,
+Oostelijk Zweden en Westelijk Noorwegen.
+
+Zweden is veel bergachtiger, hooger, boschachtiger dan het vlakke
+Denemarken, maar vergeleken met Noorwegen schijnt het een laag heuvel-
+en rotsplateau-land, dat vóór de groote Noorweegsche bergruggen
+gelegen is.
+
+Terwijl Noorwegen en zijne kusten naar den Westelijken Oceaan
+gekeerd zijn, is Zweden gekeerd naar het binnen-bekken der Oostzee,
+en dit heeft een beslissenden invloed op de natuur der beide groote
+helften van het schiereiland, en op de lotgevallen zijner bewoners
+uitgeoefend. De eene helft, de Noorweegsche, is overal toegankelijk
+voor de nevelen, de wolken, de gematigde winden der wereldzee, die
+zich aan hare bergen legeren en die haar een zachten regenrijken
+winter en vochtigen zomer, een eiland-klimaat geven.--De andere helft
+daarentegen, de Zweedsche, ontvangt met open armen alle invloeden
+van het Oosten, meer zonneschijn, meer helderheid, zeer koude en
+scherpe winters en korte, heete zomers. Noorwegen is een der grootste
+regenlanden van Europa, op Zweden daarentegen valt slechts een vierde
+der Noorweegsche regenmassa.
+
+Het is gemakkelijk te begrijpen, dat wanneer ook al niet, beide zoo
+opvallend van elkander verschillende streken, van den beginne af aan
+door twee verschillende stammen _bewoond_ werden, zich toch ten slotte
+een groot verschil in karakter en nationaliteit _vormen_ moest.--De
+Noorwegers vooral waren het, die de groote daden der Skandinaviërs,
+op de door hen zoo dikwijls bezongene zeeën, verrichtten. Van hen zijn
+de meeste dier trans-oceanische Skandinavische koloniën in IJsland,
+Groot-Brittanje enz. uitgegaan.--De Zweden daarentegen hebben zich
+altijd in het breede, dicht voor hen liggende Oosten verdiept. Van
+_hen_ vooral waren de _Waräger_ afkomstig, die tot Constantinopel
+doordrongen en aan Rusland zijnen naam gaven. De koloniseering van
+het groote Finland is hun werk.
+
+Aan de Denen kan men in dit opzicht onder de Skandinavische volken,
+eene middel- en dubbele plaats toekennen. Aan de vereeniging van de
+Oostzee met den Oceaan gevestigd, namen zij aan de beide richtingen der
+werkzaamheden hunner stamgenooten deel. Zij voeren met de Noorwegers
+in Westelijke richting den Oceaan in, en werden daar, even als deze,
+machtig--en aan de andere zijde in Oostelijke richting gingen hunne
+ondernemingen dikwijls parallel met die der Zweden, soms tot diep in
+Rusland, Polen en Duitschland.
+
+Dat de Zweden, ten gevolge der aangegevene omstandigheden, tot
+een door ligging en gesteldheid van hun land verbonden geheel te
+samensmelten, en zich van de Noorwegers en Denen scheiden moesten,
+is natuurlijk.--Maar uit eene verdere onderverdeeling van het land
+ontstaat op even natuurlijke wijze eene verdere onderverdeeling van
+het volk.--In het Zuiden maakt zich het Zweedsche vasteland van zijne
+aaneengroeiing met Noorwegen los. Het loopt Zuidwaarts in een breeden
+landentop uit, die zoowel eene Oostzeekust heeft, als voor een gedeelte
+door den Oceaan begrensd wordt.--Deze Zuidelijke helft van Zweden is
+van het Noordelijke hoofdlichaam van het land, verder door eene reeks
+groote zeeboezems, en eindelijk nog door een breede streek van vroeger
+ondoordringbare en eerst in lateren tijd gedunde wouden gescheiden.
+
+
+
+Er ontstaat op die wijze een _Zuidelijk_ Zweden, dat zich bijna als een
+groot eiland voordoet, en een _Noordelijk_, dat meer met het Noorden
+van het vasteland vastgegroeid is.--Deze verdeeling van het land in
+twee deelen heeft ook van de oudste tijden af, eene verdeeling in
+twee deelen van het Zweedsche volk veroorzaakt, die nog heden ten dage
+uit een ethnologisch oogpunt eene meerdere of mindere waarde heeft.
+
+
+
+In de Zuidelijke breede landenpunt, woonden de zoogenaamde Gothen of
+Guthen, die lang hier hun eigen koningrijk "Gothland" of "Götarike,"
+hadden; in het Noorden der bosschen en merenrij daarentegen,
+de in naam, zeden en dialect van genen afwijkende, _eigenlijke_
+Zweden. De wieg en oorspronkelijke woonplaats van laatstgenoemden,
+is in de vlakke en vruchtbare landschappen rondom den grooten fiord,
+die men het Meler-meer noemt.
+
+Hier vormde zich het oude koningrijk en volk "Suithiod" of "Swearike,"
+het eigenlijke Zweden, dat langzamerhand echter verder om zich
+heengreep en ook het Zuidelijk land en volk der Gothen, ten deele door
+geweld en bloedige oorlogen, met zich vereenigde.--De veel bezongene
+Brawalla-slag, die op de grens van het land der Zweden en dat der
+Gothen plaats vond, mag als een dezer gevechten tusschen de Zuidelijke
+en Noordelijke Skandinaviërs beschouwd worden. Die vijandelijkheden
+en verschillen tusschen Zweden en Gothen, waren dergelijke als die
+tusschen Noord- en Zuid-Duitschland, en meestal was het de vraag of
+de "Gothen" dan wel de "Zweden," aan het geheele rijk een opperhoofd
+zouden geven.
+
+Eerst in nieuweren tijd hebben de Denen hunne uiterste en laatste
+bezitting op het Skandinavische vasteland, in het oude land vanwaar
+zij herkomstig zijn, het landschap Schonen opgegeven.--En eerst
+sedert dien tijd, sedert de Roeskilder-vrede in het jaar 1658, omvat
+de Zweedsche naam het geheele tesamenhangende en natuurlijk begrensde
+land ten Oosten van den Noorweegschen bergrug.--Desniettemin echter
+is er nog tot op den huidigen dag, altijd een onderscheid tusschen de
+Zuidelijke Zweden aan deze zijde van het groote woud en de meren--de
+Gothen--en de eigenlijke Zweden in het Noorden, in het stamland aan
+het Meler-meer. En nu nog verdeelt men de Zweedsche taal in twee
+hoofd-dialecten, het Gothische en het Zweedsche, het Zuidelijke en
+het Noordelijke.
+
+De oude en de nieuwe koninklijke residenties der Zweden, Sigtuna
+(de Odins-stad), Upsala, Stockholm, liggen om het Meler-meer. Daar
+is nog heden het hart van het volk, even als dat van het Deensche
+volk rondom Kopenhagen. Daar zijn de hoofdzetels van den Zweedschen
+adel. Niet ver van daar ligt het oude IJzerland, de woonplaats der
+dappere Dalekarliërs (dalkerels), van uit wier dalen in nieuwere
+tijden Gustaaf Wasa, een tweede Sigurd Ring, het oude Noordsche Zweden
+van de opperheerschappij der Denen bevrijdde, en het moderne Zweden
+grondvestte. Daar ook, aan het Meler-meer, wordt het dialect gesproken,
+dat zich tot de hoofdtaal van het volk en van de literatuur in Zweden
+verheven heeft.
+
+
+
+Het laat zich begrijpen, dat er buiten de beide genoemde
+hoofdafdeelingen der Zweedsche natie (de Gothen en de eigenlijke
+Zweden) nog vele andere plaatselijke schakeeringen van den volkstam
+en zijne taal bestaan. Men treft b.v. binnen het Gothische
+gedeelte alleen, nog een half dozijn meer of minder verbreide
+dialecten.--Ja! men kan zeggen dat in al de tallooze dalen van
+Zweden, die als smalle strooken bewoonbaar en bebouwd land uit het
+dichte oorspronkelijke woud uitgesneden zijn, even zoo vele kleine
+eigenaardige volks-zeden en taal-gebieden bestaan, als er sporten
+aan eene ladder zijn.
+
+Laten wij echter deze fijnere schakeeringen rusten en bepalen wij ons
+er bij, de kleur van het geheele volk in het groot te beschouwen, dan
+zien wij in het Zweedsche nationaal-karakter en type wel vele trekken,
+die het met alle stammen der groote Germaansche familie gemeen heeft,
+maar aan de andere zijde ook niet weinig eigenaardigheden, die het
+van zijne andere verwanten zeer doen verschillen.
+
+In de reislust, die zijn borst ontgloeit, die de Zweedsche dichters
+even veel bezingen als de Duitsche, zoo mede in de innige en warme
+liefde voor de natuur, die bij hen, even als bij andere Germanen, eene
+reeks der uitstekendste natuurvorschers deed ontstaan, hebben de Zweden
+overeenkomst en verwantschap met de Germanen.--Even als het wezen
+en de geest der Germanen, zoo zijn ook die der Zweden in hooge mate
+vormbaar en vlug. Vreemde manieren, zeden, taal en gewoonten leeren
+zij, even als de Duitschers, gemakkelijk aan, en maken zij zich nog
+gemakkelijker eigen dan deze.--Even als vele andere Germanen, hebben
+zij ook altijd eene groote neiging gehad, voor het tot de vizioenen-
+en geestenwereld behoorende, en Swedenborg en consorten hebben bij de
+Zweden evenveel aanhangers gevonden, als bij de Duitschers Stilling,
+de zienster van Prevorst enz. En even als bij andere Germanen ligt
+ook bij de oud-Luthersche Zweden, eene groote vroomheid, eene diep
+ernstige godsdienstigheid, tot grondslag dezer neiging.
+
+Daarentegen springen ons weder vele andere eigenaardigheden bij de
+Zweden in het oog, die met het ernstige grond-karakter der Germanen
+in tegenspraak schijnen te zijn. "Naast zijn Germaanschen ernst in
+godsdienstzaken, bezit de Zweed eene zekere onbestendigheid en eene
+groote neiging tot glans en praal, eene soort van lust tot pronken en
+schitteren, die hem niet alleen van den Duitscher, maar ook van den
+Noorweger en den Deen onderscheidt. Hij heeft eene bepaalde voorliefde
+voor uiterlijke vormen, voor het ceremonieele, en spreidt die gaarne
+ten toon. In _dit_ opzicht kon men de Zweden, de _Spanjaarden_
+van het Noorden noemen." Zijn streven naar het liefelijke openbaart
+zich zelfs in zijne taal, die de welluidendste en muzikaalste onder
+alle Germaansche tongvallen is, even als het Italiaansch zulks is
+onder de Romaansche, als ook daarin dat aesthetische ontwikkeling
+in Zweden altijd hooger stond, dan wetenschappelijk onderzoek en
+werkzaamheid. "Zij zijn meer geniale kunstenaars en dichters, dan
+ijverige geleerden. En ook weder in hunne poëzie toonen zij, nevens
+het bedaarde en bedachtzame karakter en den rijkdom van gedachten,
+die zij met den Duitscher gemeen hebben, tegelijkertijd iets dartels,
+iets phantastisch, een zich overal openbarende pracht en gloed, die
+men genegen zou zijn als Zuidelijk te beschouwen, wanneer niet juist
+dat vuur in het hoogste Noorden ontgloeide."
+
+In hoogere mate en met meer lust en behendigheid dan de adel van
+eenig ander Germaansch land, heeft de Zweedsche zich de gladde
+taal en de buigzame zeden der Fransche eigen gemaakt, en aan deze
+omstandigheid--de vertrouwelijkheid en gehechtheid van Zweedsche
+militairen met den generaal Bernadotte--hebben de Zweden het onder
+anderen ook te danken, dat zij in den nieuweren tijd eene dynastie
+van Franschen oorsprong op hunnen Vorsten-troon kregen.
+
+Bijzonder opvallend openbaart zich onder anderen de groote neiging
+der natie tot blinkenden glans en klank, ook in de Zweedsche
+familie-namen.--"Alles, wat men melodieus en schitterends aan metalen,
+sterren, bloemen, vogelen vindt," zegt Arndt--"wat er ridderlijks
+en roemrijks in de menschelijke zaken aangetroffen wordt, schijnt
+het ridderhuis van den dapperen en oorlogzuchtigen Zweedschen
+adel geplunderd te hebben, om namen te vinden voor zijne heeren
+von Güldenstern en Silbersparre, zijne Baronnen von Goldgranat, von
+Sternen- of Liliënkrone, zijne Graven von Rosenzweig of Lorbeerkranz,
+von Adlersklaue en Löwenhelm. Men vindt in de gulden adels-boeken
+van geen land van Europa, eene tweede dergelijke vreemde verschijning.
+
+Misschien zijn hiermede ook andere tegenstrijdigheden verbonden,
+die men in het Zweedsche nationaal-karakter ontdekt. Zoo b.v. de
+avontuurlijke, heftige, belachelijke, ruwe manier van doen, die alle
+Koningen en groote mannen van Zweden gekenmerkt heeft; eene kenmerkende
+eigenschap, die met de ook den Zweden toegeschrevene Germaansche
+bedachtzaamheid, zoo weinig schijnt te harmonieeren.--Er is nauwelijks
+in Europa nog een land, waarin nog gedurende de laatste eeuwen--om van
+vroegere avontuurlijke tijden niet eens te spreken--middel-eeuwsche
+geschiedenissen, hevige staatkundige woelingen, onttrooningen,
+voorgekomen zijn, als in Zweden, dat zich in dit opzicht als een
+tweede Hoog-Schotland aan ons voordoet.
+
+Even als de werkdadig optredende mannen, even als ook de heldhaftige
+vrouwen, waaraan de Zweedsche geschiedenis zoo rijk is, zoo hebben
+ook de gebeurtenissen zelve, in dit land altijd iets krampachtigs,
+iets losbarstends en hoog-tragisch gehad, wat alles ook met het
+scherpe verschil der standen, het ijverzuchtig streven naar glans en
+onderscheiding, en hunne aristokratische bemoeiingen samenhangt.
+
+Een in het oog vallend contrast vormt de Zweed in bijna al
+die opzichten, trots eenige gelijksoortigheid in ras, taal en
+bloed, met zijn Noorweegschen broeder.--De Noorweger bewoont
+het _Skandinavische Zwitserland_. In de lange en enge dalen dezer
+groote klippen en gletschers, waarin het bebouwbare aardrijk slechts
+schaars vertegenwoordigd is, was geene ruimte voor groot grondbezit,
+voor adellijke landheeren met een uitgestrekt gebied, zooals in
+in Zweden. In de natuur van dit Noordsche Alpenland, heeft het
+democratische principe diepe wortels geschoten. Alleen zoolang zij
+als zeeroovers de overige wereld plunderden en den roof naar hunne
+rotshavens sleepten, konden de Noorwegers inheemsche hofhoudingen,
+Zee-Koningen, aristokraten, ridders in hun land onderhouden. Maar toen
+de Wikinger-tochten, de aanhoudende oorlogen ter zee ophielden, ging
+de adel langzamerhand te niet, zonder dat men met zekerheid zeggen
+kan, hoe en wanneer. De Noorwegers werden weer een eenvoudig en vrij
+boeren-, visschers- en schippers-volk, wat zij in hoofdzaak _altijd_
+geweest waren en gebleven zijn.
+
+
+
+Op de Noorwegers is nog altijd van toepassing, wat Tacitus
+gezegd heeft van den aard der Germaansche wijze om zich hier of
+daar neder te zetten. Zij leven verstrooid over het geheele lang
+uitgestrekte land aan de rivieren, fjorden, en de hellingen der
+bergen op afzonderlijke landhoeven, in zoogenaamde "Gards." Ter
+nauwernood hebben zij dorpen. Van de verdere wereld gescheiden,
+in hunne rust sedert onheugelijke tijden door vreemde invloeden nog
+minder gestoord dan de Zweden, hebben zij hunne oude manier van zijn,
+nog onveranderder dan deze voortgeplant. Dat afgesloten leven heeft
+den Germaanschen stam in zeldzame zuiverheid bewaard. In ieder der
+diep ingesnedene dalen, volgt op groote afstanden het eene gehucht
+op het andere. Ieder dal vormt op zich zelf een district, en staat
+slechts in geringe gemeenschap met de naburige districten. Dikwijls
+zijn de scheidende bergruggen, dagreizen ver, woest en onbewoond.
+
+
+
+De bewoners dezer elkander naburige dalen, die ieder genoeg aan zich
+zelf hebben, onderscheiden zich onder elkander zeer in zeden, gewoonten
+en taal, welk onderscheid dikwijls niet minder scherp en in het
+oogvallend is, dan dat der Zweden, Denen en Noorwegers onder elkander.
+
+Eene Noorweegsche taal, die men naast de Zweedsche of Deensche
+zou kunnen plaatsen, is er nog niet. Even als in het _Duitsche_
+Zwitserland, zoo bestaan ook in dit _Skandinavische_, alleen patois en
+dialecten, die echter gedeeltelijk nog oude eigenaardige leden van de
+oorspronkelijke Noordsche taal zeer trouw bewaard hebben. Even als in
+Zwitserland de taal van Luther, zoo is in Noorwegen die der Denen de
+spreek-taal der beschaafde klasse, en de schrijf- en literatuur-taal
+geworden. De verstandelijk veel werkzamer Denen, die alles wat invloed
+had op de beschaving, uit het Zuiden, uit de eerste hand ontvingen, die
+aan het hoofd der meeste wetenschappelijke bewegingen van het Noorden
+stonden, en die Noorwegen zelf lang overheerschten, hebben de hoogere
+standen van het volk in menigerlei opzicht verdeenscht. Ten opzichte
+van literatuur, kunst, geleerdheid en poëzie, vormt Noorwegen nog
+heden eene provincie van Denemarken; evenwel hebben de Noorwegers,
+sedert zij staatkundig van de Denen onafhankelijk werden, al het
+mogelijke gedaan om hunne Deensche literatuur-taal eene eigenaardige
+en zelfstandige tint te geven, ze uit de bronnen der inheemsche
+dialecten te versterken, en eene eigene Noorweegsche nationaal-poëzie
+en redekunst te vormen.
+
+Het lange schiereiland eindelijk en de groep vriendelijke eilanden,
+welke de Denen bewonen, staan met Duitschland in het innigste physisch
+verband. Zij hebben het klimaat, den plantengroei, de heiden,
+de wouden, het landschapskarakter van Noordelijk Duitschland. Zij
+zijn, even als dit, vlak en wijd en zijd bebouwbaar, en vormen in
+al deze opzichten een opvallend contrast met het groote, rotsachtige
+Skandinavische schiereiland in het Noorden; van den beginne af aan,
+hebben daarom waarschijnlijk de Duitschers het geheel, als een
+hun van nature toekomend gebied beschouwd.--Geheel Jutland en de
+naburige eilanden waren in den tijd, toen de geschiedenis haar eerste
+schemerlicht over deze streken wierp, niet door Skandinaviërs, maar
+door Duitsche Angeln en Saksers bewoond.--Eerst sedert de 5de eeuw,
+nadat de Angeln en Saksers een groot deel van hun volk naar Engeland
+overgeplaatst hadden, drongen de Denen uit het Noorden, en wel uit het
+Zuidelijk Skandinavië, hunne verlatene woonplaatsen binnen, geheel
+op dezelfde wijze, als in denzelfden tijd en om dezelfde redenen,
+de Slawen van het Oosten uit, in andere streken van Duitschland,
+die eveneens gedurende de groote volksverhuizing door de Duitschers
+verlaten waren, binnen trokken.
+
+Vele kenteekenen bevestigen de door de Duitsche historici aangenomene
+bewering, dat de tegenwoordige Denen _niet vóór_ de Duitschers, in
+het land, dat zij thans het hunne noemen, te huis behoorden, maar
+dat zij het veeleer eerst in een lateren tijd, van uit het Noorden
+binnengetrokken zijn.
+
+In het binnenste gedeelte van Zweden ten noorden van het Meler-meer,
+treft men nog heden hunnen naam aan, onder anderen in het
+kerspel "Danmark," en in het gehucht "Danemora". Daar zullen zich
+waarschijnlijk de oorspronkelijke woonplaatsen der Denen bevonden
+hebben. Van het Meler-meer zegt ook nog de sage, dat daar eens een
+hunner halfgoden geploegd heeft. Zijne vier ossen hadden zoo sterk
+aangetrokken, dat zij een groot stuk land uit den bodem scheurden. Dit
+uitgescheurde stuk land hadden de zonen van Odin in het Westen van
+den Sond in de zee gelegd, en daaruit zou het fraaie eiland Seeland
+ontstaan zijn. De ontstane kuil vulde zich met water en zoo ontstond
+het Meler-meer.--Ook deze sage wijst naar eene verplaatsing van het
+Denendom, uit Zweden naar zijne tegenwoordige Zuidelijke ligging.
+
+Zij zelven ook beschouwen algemeen het zuidelijke Zweden, het land
+"Schonen" of "Skone" of "Scandia", waarvan de naam "Skandinavië"
+afgeleid is, als hun oudste vaderland aan den Sond, van waar uit zij
+hunne godensteden en offerplaatsen, eerst Leire, daarna Roeskild,
+later Kopenhagen, naar Seeland verplaatsten.
+
+Toen de Denen naar het schoone weide- en beuken-eiland der oude
+Saksers en Angeln kwamen, brachten zij uit het Zuidelijk Zweden een
+anderen, met hen verbroederden Skandinavischen volksstam mede, de
+Jüten of Güten, vermoedelijk identiek met de Zuid-Zweedsche Gothen,
+die zich bij voorkeur langs de met bosschen omgroeide fiorden, en over
+de wouden van het Cimbrische of Anglische schiereiland verbreidden,
+en aan het land den naam "Jutland" gaven.
+
+Dat deze, het land binnengetrokken Jüten, daar nog vele Duitsche Angeln
+en Saksers aantroffen, zich met dezen vermengden en vele Germaansche
+invloeden van hen ondergingen, bewijst onder anderen de physionomie
+hunner taal, die veel eigenaardigheden bezit, die bepaald Duitsch,
+en niet Deensch of Skandinavisch zijn. Deze Jütische taal plaatst, bij
+voorbeeld, om slechts eene zaak aan te roeren, even als alle Duitsche
+talen, het lidwoord _voor_ het zelfstandige naamwoord en niet, zoo
+als alle Skandinavische talen, er _achter_.
+
+Reeds iets voor den tijd van Karel den Groote, hadden de Denen en
+Jüten hunne veroveringen, koloniën en politieke grenzen tot aan den
+Eider voortgeschoven, maar ook reeds toen bleven binnen deze grenzen,
+verscheidene kleine streken van het land, midden onder de Denen,
+door hunne oude Duitsche bewoners bevolkt, zooals bij voorbeeld het
+kleine land Angeln, waarin zich nu de eens zoo ver verspreide stam
+en naam der Angeln terugtrokken, zoo ook de Marsch-eilanden ten
+westen van Jutland, die van oudsher door Duitsche Friezen bevolkt
+waren, en die nu ook onder Deensche heerschappij bleven. Ook werd de
+Deensche grond-bevolking in Zuidelijk Jutland, door den uit het Zuiden
+terugkeerenden vloed van Duitsche nationaliteit, beschaving en taal
+weder Noordwaarts teruggedrongen. Het land binnentrekkende Duitsche
+Vorsten, adellijke geslachten, landbouwers, zendelingen, kooplieden en
+kunstenaars, die de steden Schleeswijk, Flensburg en andere bouwden,
+hebben dit Zuid-Jutland grootendeels weder Duitsch gemaakt, zonder dat
+echter de Denen ooit geheel geweken waren, en het is dien ten gevolge
+sedert Karel den Groote, aanhoudend een twistappel tusschen beide
+nationaliteiten geweest tot op onze dagen toe, toen de Duitschers hun
+oud nationaalgebied weder tot aan de Königsau vooruitgeschoven hebben.
+
+Niet alleen de Zuidelijke gedeelten van Jutland echter, maar ook de
+geheele Deensche stam, zijn in den langen strijd met hunne Duitsche
+naburen, nog meer aan Duitsche invloeden blootgesteld geweest, dan
+hunne overige Skandinavische broeders, de Zweden en Noorwegers.
+
+Bijna ten allen tijde waren Duitsche provinciën, òf ten gevolge
+van erfenissen òf ten gevolge van oorlogen, met het Deensche rijk
+verbonden. Deze hunne veroveringen strekten de Denen somwijlen, zooals
+b.v. eens in de 13de eeuw, toen de Duitsche kracht in de oorlogen om
+het Zuiden zich naar Italië verloor, zoover in Noord-Duitschland uit,
+dat hun staat meer _Duitsche_ dan _Deensche_ landstreken en onderdanen
+had. Hunne Koningen waren dien ten gevolge vasallen of bondgenooten
+der Duitsche Keizers, en zijn ook in lateren tijd, om hunne Duitsche
+provinciën, leden van den Duitschen bond geweest.
+
+Het Deensche volk, zijne zeden, zijne ontwikkeling en literatuur
+hebben, ten gevolge van al deze menigvuldige vermengingen hunner
+aangelegenheden met die der Duitschers, een veel meer Duitschen
+stempel verkregen, dan die der Noorwegers en Zweden.
+
+Ook van de, den Duitschers naburige, Slawen heeft de Deensche stam
+_meer_ ontvangen dan zijne Noordsche broeders. Tijdens de Deensche
+zeerooverstochten, werden de kusten der Slawische Obotriten en
+Pommeranen voortdurend door de Denen opgezocht. Eeuwen lang trokken
+zij van daar hunne slaven en krijgsgevangenen. Geheele scheepsladingen
+tot dienstbaarheid gebrachte Wenden, werden van daar naar de Deensche
+eilanden gevoerd en moesten zich daar nederzetten.--Zoo hadden ook
+de Deensche Koningen in hunnen titel het attribuut: "Koningen der
+Wenden en Slawen."
+
+Ook van deze Slawische inmengingen ontdekken wij nog heden onder de
+Denen der eilanden, menig duidelijk spoor. Het menschenslag op Seeland
+en de naburige eilanden is kleiner dan de Skandinaviërs gewoonlijk
+zijn. Het blonde Germaansche haar treft men daar weinig aan. Even als
+bij de Slawen, heeft het _gevoel_ bij deze Seelanders de overhand,
+en even als in de Slawenlanden, heeft nergens de macht van den
+grondbezittenden adel meer de bevolking gedrukt dan op dit hoofdeiland
+der tegenwoordige Denen.--"Ook op het aan de Denen toebehoorende eiland
+in het midden der Oostzee, op Bornholm, vertoont zich eene inmenging
+der Slawische elementen. Het noordelijk gedeelte van dit eiland is
+door een krachtig, groot, sterk, ernstig en weinig woorden gebruikend
+menschenslag bewoond, dat alle echte trekken van den Skandinavischen
+stam bezit, terwijl in het Zuiden kleinere, luchtiger, beweeglijker
+menschen met bruine oogen en donker haar leven, die nu wel Deensch
+spreken, maar voor het overige vele karakteristieke eigenaardigheden
+der Slawen bezitten.
+
+Voor de oudste en zuiverste Denen beschouwen zich de bewoners van
+Fünen. Zij beschouwen zich als het hart van Denemarken. "Wij Denen,"
+hoort men hen somwijlen zeggen, niet in tegenstelling met de Duitschers
+of Franschen, maar met de "Jüten" en "Seelanders."
+
+Overigens zou men de bevolking van elk der vele Deensche eilanden,
+even als in Noorwegen die van elk dal, een eigen karakter kunnen
+geven. Op ieder schijnt zich een bijzondere stam van eiland-bewoners
+gevormd te hebben.
+
+Het meerendeel en de hoofdkracht (ten minste de physische) van den
+Deensche stam, wordt gevormd door de Jüten. Uit hen rekruteeren de
+Denen de kern hunner nationale troepen. "De Jüten zijn in tegenstelling
+met de Deensche Seelanders en Fünen langzaam en omslachtig in hunne
+bewegingen, maar volhardend en ijverig in alles wat zij ondernemen. En
+met al hunne gemakkelijkheid, weten zij toch het gebrek uitstekend van
+de deur te houden. Men vindt nergens in Denemarken zulke welgezetene,
+nette en knappe boerenplaatsen als bij de Jüten, terwijl men bij de
+boeren op Seeland somwijlen een weinig aan hetgeen wij eene Poolsche
+huishouding noemen, herinnerd wordt.
+
+Deze Jüten zijn in Denemarken beroemd om hun handels-talent en om
+hunne huishoudelijke spaarzaamheid. Daarin kan men ze met de Schotten
+in Engeland vergelijken. Het "iets met iets, geeft iets," is bij de
+volhardende Jüten een zeer geliefd spreekwoord. De aankweeking van
+rundvee is naast den handel, hunne meest geliefkoosde bezigheid.
+
+Ook zijn zij de bewaarders der oudste zeden en traditiën der Denen. Bij
+hen worden ook oude volksfeesten gevierd, waarvan de sporen op de
+eilanden en bij Kopenhagen verdwenen zijn. Ook leven in het Noordelijk
+en Westelijk gedeelte van het land tot aan het, met de beenderen en
+ribben van walvisschen en het wrakhout van gestrande schepen altijd
+bezaaide voorgebergte Skagen toe, in den mond der bewoners nog oude
+volksliederen en heldensagen, even als op IJsland. Gewoonlijk is de
+Jüt niet weinig ingenomen met zijn, in het overig Europa zoo onbekende
+en geignoreerde, schiereiland.
+
+
+ De magere grond der bruine heide
+ Ziet hij altoos het liefst.
+ Bij de voorvaderlijke, met heide begroeide grafplaatsen,
+ Wil ook hij zijn grafstee hebben.
+
+
+"Bij dit alles, is toch de lang uitgegroeide en lichamelijk krachtig
+gebouwde Jüt, in het politieke en ontwikkelingsleven der Denen, slechts
+een nevenpersoon, zonder eene beslissende stem in den raad van het
+rijk. De kleinere Deen, uit het midden des rijks, de _Seelander_, de
+lichamelijk zwakkere, geestelijk echter meer opgewekte eiland-bewoner,
+leidt de politieke en moreele beweging van het volk." Hij vormt en vult
+de bevolking der hoofdstad Kopenhagen, van het Skandinavisch Athene,
+aan. Hij levert ook de beste ambtenaren aan de regeering, aan het
+Deensche parlement de staatslieden en redenaars. Op Seeland werden de
+Oehlenschläger, de Ewalds, de Baggesen's, bijna alle groote Deensche
+dichters en literatoren geboren. En de, in Denemarken en Noorwegen
+heerschende taal der literatuur en beschaving, heeft zich ten gevolge
+van dien, ook het meest uit het dialect der Seelanders ontwikkeld.
+
+"Deze Seelanders zijn vooral die prikkelbare, die met zich
+zelven ingenomene Denen, met een ras besluit en brutalen moed,
+wier eigenaardige nationale-ijdelheid zelfs bij hunne broeders in
+Zweden berucht is." Het is een gebrek, dat wel zeer opvallend en
+onaangenaam is, maar zeer natuurlijk bij een klein volk, dat eens
+ver gebood, dat eene niet arme literatuur ontwikkelde, dat lang aan
+het hoofd der beschaving en somwijlen ook der politieke macht van
+het geheele Skandinavische Noorden stond, maar nu daarentegen zich
+tot enge grenzen moet bepalen, en zich, even als alle kleine volken,
+bijzonder gevoelig toont bij de gedachte, dat het eenmaal met taal,
+zeden en politieke zelfstandigheid in het lichaam van een grooteren
+nabuur zou kunnen opgaan.
+
+
+
+
+
+
+DE NEDERLANDERS. [27]
+
+
+Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van
+het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de
+grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene
+Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het
+Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk
+uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl
+zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van
+Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is,
+dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.--Verscheidene
+groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze
+lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam
+"_Nederlanden_" gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige
+Europeesche talen vertaald opgenomen "_Netherlands_," "_Pays-Bas_,"
+"_Paeses-Baxos_," maar zelfs ook door de bewoners van het land, als
+de nationale naam (zij noemen zich zelven "Nederlanders") aangenomen
+geworden.
+
+Bij den eersten aanblik schijnt het, dat de natuur weinig voor dit
+land gedaan heeft. Natuurlijke bekoorlijkheden, zoogenaamde romantische
+schoonheid bezit het niet. De deels zandige, deels moerassige vlakten,
+strekken zich in groote eenvormigheid uit. Bijna al het vriendelijke,
+dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven [28]
+
+Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten
+einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water
+vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide,
+in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan
+wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander,
+den beroemden Hugo de Groot, "alle zaken die een land constitueeren,
+in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets
+aanwezig schijnen te zijn."
+
+Het _water_ slechts eene schets, zich verliezende in en vermengende
+met zand en veen; niet, zooals in een bergland, in diep uitgegravene
+vaarten besloten, of in stevig gebouwde zeeboezems verzameld. Het
+_land_ ook slechts eene schets, nauwelijks boven het water uitkomende,
+overal druipende, ten gevolge van overstroomingen [29] zelfs _de
+hemel_ slechts eene schets, niet een schoon, scherp geteekend,
+aetherisch gewelf, zooals in Italië, maar met nevelen en dampen
+opgevuld en bijna altijd met wolken bedekt [30]. De mensch eerst
+moest met scheppende hand in deze vormlooze massa ingrijpen, om er
+een bewoonbaar vaderland uit te vormen. Ook eenige waarde hebbende en
+den mensch welkome natuurvoortbrengselen kan men bijna niet opnoemen,
+die het land van den beginne af in overvloed gehad heeft. Om van goud
+en zilver en andere dergelijke kostbare zaken niet te spreken, die
+sommige landen beroemd hebben gemaakt, heeft het zelfs geene streken,
+waar men wouden of steengroeven aantreft, om door hout of bouwsteenen
+of door metalen zich bij zijne naburen bemind te maken [31].
+
+Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk
+aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of
+uit de verte aangevoerd worden.
+
+Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst
+kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders,
+die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks
+een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.--Ook in dit
+opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de
+meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige,
+vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen,
+zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen.
+
+Er gebeuren echter geen _wonderen_ in de geschiedenis. En wij ontdekken
+daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een
+evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers
+even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig _alles_
+ontzeide, als dáár, waar zij welig _alles_ van zelf opleverde; het
+best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs
+voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de
+Nederlanden het geval.
+
+Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan
+de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde
+rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als
+bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus
+der hoogere streken, als vet slijk met zich mede [32], en vormen in de
+Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem,
+als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even
+rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en
+krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de
+grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren
+en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk,
+en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in
+den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen,
+zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen,
+die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij
+overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in
+alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.--Reeds
+als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen
+Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer
+bevoorrecht land beschouwd worden.
+
+Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer
+rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging,
+ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van
+zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa
+aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de
+Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene
+zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de
+eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het
+groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste
+land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op
+de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het
+midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer
+en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier
+op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan
+de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral
+Londen groot gemaakt heeft.
+
+Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote
+aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al
+het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk
+volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden
+en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds
+van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren,
+zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning
+der natuurlijke hinderpalen dezer streken.--De ernstige, geduldige,
+volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers,
+die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte
+uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk
+dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit
+genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant.
+
+De Romeinen, wier schrijvers het eerste licht op de bevolking
+der Nederlanden werpen, stieten hier op Germaansche volken [33],
+die hun bijzonder dapper en flink toeschenen. Onder de vele namen,
+die zij noemen, zijn die der "Friezen" en der "Batavieren" [34]
+de voornaamste. Deze, die de Noordelijke helft der Nederlanden
+bewoonden, worden door de Romeinen als zuivere, onvermengde Germanen
+aangegeven. Van de Batavieren hoorden zij, dat die van de landstreken
+aan den Wezer afkomstig waren [35]. In de Zuidelijke helft van
+het land echter, vonden reeds de Romeinen zulk eene vermenging van
+Germaansche en Celtische stammen, als wij daar nu nog aantreffen,
+en die den ouden naam "Belgen" behouden hebben.
+
+Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de
+Germanen, reeds _lang_ voor den tijd der Romeinen om de heerschappij
+over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is
+deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische
+geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd
+tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige
+mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.--Het is een strijd,
+die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het
+beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging.
+
+Het eerst verschaften de Romeinen de overhand aan het Zuiden. Zij
+maakten het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot eene Romeinsche
+provincie, en dwongen zelfs de dappere Batavieren en de vrije Friezen,
+ten Noorden van den Rijn, door kracht van wapenen en staatkunde,
+tot een bondgenootschap [36].--Even als later Napoleon, gebruikten
+zij de Nederlanden en de monden van den Rijn, als operatie-basis
+tegen Noordelijk-Duitschland. Maar zij hadden daar de opstanden der
+vrijheidlievende bevolking onder den beroemden Batavier Claudius
+Civilis te bestrijden, die in zeer veel opzichten overeenkwamen met
+den lateren opstand en oorlog der Hollanders onder Willem van Oranje
+tegen de Spanjaarden.
+
+De Romeinen, die het kanaal- en dijkwezen, in het Nijl-dal hadden
+leeren kennen, hebben, naar men meent, deze kunsten, die later door
+de landskinderen zulk eene hooge mate van volkomenheid bereikten,
+het eerst in de Nederlanden ingevoerd [37].
+
+Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als
+overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken,
+waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking
+toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land
+der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde
+Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche
+stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in
+eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.--Deze "Franken"
+zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een
+Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen
+samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen,
+die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de
+Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne
+voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden
+tot hunne operatie-basis.
+
+Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als
+van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche
+verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische
+Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der
+zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den "Isala")
+te huis behoort. "Heristall"--"Landen" zijn Nederlandsche plaatsen,
+waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der
+Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de
+Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en
+hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.--In
+het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand
+en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking
+verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het
+Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien
+tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de
+inboorlingen nu met de woorden "Neder-Duitsch" bestempelen, en die
+men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen,
+den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de
+volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken,
+Friezen en Neder-Saksers.
+
+De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts
+zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte
+haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen,
+in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre
+en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde
+Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde "Walen", die wel
+meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en
+van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak
+nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en
+eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen
+lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar
+minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal,
+die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is.
+
+Deze Walen, van wie de Vlamingen het oude spreekwoord hadden: "_wat
+Walsch is, valsch is_," of van wie zij ook wel zeggen: "_de Vlamingen
+mogen den Walschman met zout noch smout_," hebben meermalen storend op
+de ontwikkeling der Nederlanden gewerkt, en het zou voor hen heilzaam
+geweest zijn, als zij dezen vreemdsoortigen druppel hadden kunnen
+kwijt raken. Tijdens de kerkhervorming waren zij de steunpilaren
+van het katholicisme, en hielpen zij de Jezuïten de hervorming in
+het Zuidelijke gedeelte der Duitsche Nederlanden tegenwerken. De
+Waalsche regimenten hebben zich, in Spaanschen en Oostenrijkschen
+dienst, op eene den Noord-Duitschers zeer onwelkome wijze, beroemd
+gemaakt. Ook in den nieuweren tijd waren het hoofdzakelijk weder
+de Walen, die als aanvoerders de toestanden der Belgische zaken op
+Fransche leest schoeiden, en die daar met de leiders der Vlaamsche
+of Duitsche beweging streden en nu nog strijden, ten behoeve van
+Fransche taal en zeden. [38]
+
+Even als de groepeering van de beide hoofd-massa's der bevolking van de
+Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den
+Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van
+het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van
+verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen
+weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk
+werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en
+Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het
+aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die
+nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan.
+
+Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en
+Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten
+vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze
+een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam
+Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel
+aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken
+onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen
+van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder
+de Duitsche minnezangers genoemd.
+
+Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de _Zuidelijke- of
+Belgische Nederlanden_ het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke
+Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende,
+dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan
+hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van
+Duitschen stam ontleend.--De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere,
+werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen
+begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te
+bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa
+aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk,
+brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden
+zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met
+recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en
+dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen,
+door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone,
+eens uitriep: "dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen
+krijgslieden spuwde en regende."
+
+De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste
+Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden
+eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die
+men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen
+van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen
+zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd.
+
+Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook
+zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der
+Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon
+van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië,
+dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels
+door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche
+landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen
+en tot één grooten staat te vereenigen.--Het was sedert de tijden
+der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder
+één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend
+rijk vormden.--De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen
+Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen,
+en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden
+in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den
+adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls
+en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche
+taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren.
+
+Al de, toen 16, Nederlandsche provinciën, werden wel door Keizer
+Maximiliaan I, aan wien ze door zijne gemalin Maria van Bourgondië,
+na het uitsterven van den Bourgondischen mannelijken stam, toevielen,
+onder den naam "_Bourgondische Kreits_," weder met het Duitsche rijk
+verbonden [39], maar deze verbinding bestond eigenlijk slechts in naam
+en was tijdelijk. Want reeds de kleinzoon van dien Duitschen Keizer,
+Karel V, vereenigde ze 40 jaren later, als een, zooals hij zeide,
+voor eeuwig onscheidbaar land, met de kroon van Spanje. Onder dezen
+Keizer, die een geboren Nederlander was [40], die met voorliefde de
+Nederlandsche taal sprak, en dien daarom de Nederlanders nog heden
+met trots een hunner grootste landslieden noemen en in zekeren zin
+als een Belgisch Vorst beschouwen, ("als een der schoonste paarlen,"
+zooals een patriotisch geschiedschrijver uitdrukt, aan den krans
+van Belgiës roem)--onder dezen Karel V, zeg ik, en ten deele ook nog
+onder zijn zoon Filips II, bleven alle Nederlanders, even als onder de
+Hertogen van Bourgondië, onder ééne macht vereenigd.--De duur dezer
+vereeniging omvat eene tijdruimte van ongeveer 150 jaren [41]. Het
+was het tijdperk van den hoogsten bloei in het vereenigde land.
+
+Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den
+Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd
+in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd,
+als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende
+Manchesters van het toenmalige Europa.--Er waren in België steden,
+als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende
+den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars
+aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent
+alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen
+zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde,
+daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.--De burgers
+dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon,
+dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den
+Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat
+zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de
+burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond;
+en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij
+elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten
+zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was.
+
+Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste
+en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan
+of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden
+nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar
+Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren
+in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad.
+
+De Brabantsche kant-fabricatie, was een geheel eigenaardige tak
+van industrie der Nederlanders, waarin nog geen ander volk het hun
+afgewonnen heeft, en met wier kostbare en smaakvolle producten zij,
+sedert het Bourgondische tijdvak, de schoonen van alle landen der
+wereld versierd hebben.--Lodewijk Berken uit Brugge [42], vond de kunst
+uit, de diamanten op ijzeren platen met hun eigen stof te slijpen.--Ook
+de steenkolen, eene stof, die tegenwoordig eene zoo groote rol in
+de wereld speelt, zijn door de Nederlanders het eerst ontdekt [43],
+gegraven en gebruikt, en de Vlaming Willem Beukelszoon, heeft door
+zijne uitvinding van het haringkaken, de nu in alle Europeesche
+huishoudingen zooveel gebruikte haringen, het eerst tot algemeen nut
+gemaakt, en aan de haringvisscherijen haar, zelfs in de politiek niet
+te miskennen, gewicht gegeven.--Door Vlaamsche kooplieden werden de in
+Italië uitgedachte wissels het eerst in den Noord-Europeeschen handel
+ingevoerd.--Zij hadden reeds in het begin der 14de eeuw _kamers van
+verzekering_, de _eerste_ die in Europa ontstonden [44]. Ook moet de
+handels "beurs" van eene Vlaamsche familie, de heeren "van Beurse",
+in wier huis de handelsheeren van Brugge hunne bijeenkomsten hielden,
+haren overal in Europa in zwang zijnden naam ontvangen hebben.
+
+Uit de bronnen van den rijkdom des lands ontsprong een opgewekt leven
+op het gebied der kunst. De fraaiste kerken verhieven zich op den
+bodem des lands. De bouwkunst, de schilderkunst, de muziek hebben
+aan de Schelde en aan den Neder-Rijn een hunner voornaamste wiegen en
+zetels gehad.--De Hertogen van Bourgondië, die toen gedurende eenigen
+tijd de Europeesche mode beheerschten, die in de 15de eeuw den toon
+gaven in alles wat kleederdracht, kunst en industrie betrof, waren
+ook groote liefhebbers der muziek, die gedurende hunne heerschappij
+door de Vlaamsche Belgen met meer succès dan door andere natiën
+beoefend werd [45]. Het waren Neder-Duitsche of Vlaamsche Belgen,
+die in Frankrijk en Italië de muziek als eene wetenschap invoerden,
+en als kapelmeesters aan de hoven der Koningen, zelfs aan het hof der
+zoo ver van hun land verwijderde Vorsten van Arragon schitterden.--Jan
+van Eyk, een tijdgenoot van den Bourgondischen Hertog Filips den Goede,
+een der grootste schilders uit de oudere Vlaamsche school, vond het
+schilderen met olieverf uit of voerde die kunst ten minste algemeen
+in, en gaf daardoor aan de kleuren, die men vroeger met gomwater,
+eiwit of was aanmengde, dien frisschen gloed, dien wij nu niet gaarne
+bij haar zouden ontberen. Ook verbeterde hij de kunst om op glas te
+schilderen in die mate, dat zij eene geheel nieuwe kunst werd [46].
+
+Even als in de, in de steden te huis behoorende, kunsten en handwerken,
+bereikten de Nederlanders ook reeds vroeg eene groote volkomenheid
+in den landbouw en werden daarin reeds in de 12de eeuw zoo beroemd,
+dat men hen dikwijls naar vreemde landen riep. Ten gevolge van de
+oorspronkelijke natuur van hun land, werden zij vooral zeer bekwaam
+in het bruikbaar maken van waterige of moerassige landstreken. Het
+ontbrak in hun stormachtig en door partijschappen verdeeld land nooit
+aan vervolgde en onderdrukte klassen der maatschappij, die gaarne zulke
+uitnoodigingen naar het buitenland aannamen.--Reeds in de meergemelde
+12de eeuw, gingen Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen in grooten getale
+naar de Havel en de Spree. Hunne kolonisten namen een groot deel van
+de tegenwoordige Pruissische Altmark in bezit, waar zij Tangermünde,
+Seehausen, Stendal, en andere steden stichtten [47]. Ook zouden door
+hen Keulen aan de Spree en andere gedeelten van Berlijn, gebouwd
+zijn.--Van grooten invloed waren deze Nederduitsche kolonisten op de
+lage streken aan de Eems, Wezer en Elbe. Men kan zeggen dat de geheele
+Noord-Duitsche vlakte tot aan Pommeren en Kopenhagen toe met hunne
+nederzettingen doorweefd werd. Vele der Noord-Duitsche broeklanden
+brachten zij tot den bloei, waarin wij ze nog heden ten dage zien. In
+het Noord-Duitsche dijk- en kanaalwezen, in de Noord-Duitsche veen-
+en turfkoloniën, hebben de Duitschers zich hen tot model gekozen. Bij
+den Noord-Duitschen weg- en waterbouw, zijn zij in den nieuweren
+tijd nagevolgd en heeft men zich van hunne hulp bediend.--Toen de
+Spanjaarden de vrijheid en levenskracht der Zuidelijke Nederlanders
+braken, ging een groot deel hunner fabrikanten en handwerkslieden
+naar Engeland, waarheen zij hunne kunsten en handwerken overbrachten,
+en eerst van dien tijd af begon Engeland in stede der Nederlanden,
+aan het hoofd der Europeesche industrie te staan. Meermalen zijn de
+Engelschen de scholieren en leerlingen der Nederlanders geweest.
+
+De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde
+Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene
+Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft
+gesplitst.--Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen
+stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en
+broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen
+en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van
+Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de
+Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den
+geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke
+provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden
+opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van
+hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming
+doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig.
+
+Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in
+de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde,
+zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche
+lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel
+verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche
+of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het
+Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en
+zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering,
+die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende
+naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige
+verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land
+herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals
+b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748,
+en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814.
+
+Sedert dien tijd is het Zuidelijke Nederland of België weder bijna in
+dezelfde mate geromaniseerd als ten tijde der oude Romeinen zelven. In
+geloofszaken ontvangt het de bevelen van Rome. Zijn wetboek is het door
+den Gallischen Imperator gegeven Code. De hoogere en beschaafde standen
+van het volk bedienen zich in den regel van de Fransche taal, die ook
+de taal der wetgeving, van het parlement en der gerechtshoven geworden
+is.--In het karakter van de hoofdmassa des volks, vertoonen zich wel
+overwegend de eigenaardigheden van den Germaanschen Nederlander, maar
+ook bij hen merkt men een sterke Fransche tint op. Een Engelschman
+zegt van de hedendaagsche Belgen: "zij hebben het oppervlakkige van
+den Franschman maar niet het bevallige;--den trots en de bigotterie
+van den Spanjaard maar niet de ridderlijkheid;--het uiterlijke gebrek
+aan vormen van den Duitscher, maar niet de trouwhartigheid."--Wanneer
+men de scherpe kanten van dat te harde oordeel wat afrondt, verkrijgt
+men misschien een goed portret der Belgen [48].
+
+Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots
+gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo
+lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot
+eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche
+kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter
+in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch
+is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu
+weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen:
+
+
+ Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit,
+ Van vreemde smetten vrij,
+ Wiens hart voor land en Koning gloeit
+ Verheff' den zang als wij.
+ Hij stell', met ons vereend van zin,
+ Met onbeklemde borst,
+ Het Godgevallig feestlied in
+ Voor Vaderland en Vorst.
+
+
+en die zelfs ook met de Duitschers, in den lof op de "_Brüdertreue
+aller Deutschen Stämme_" en "_des groszen Vaterlandes_" instemmen,
+zooals de Vlaamsche patriotten dat, op het groote Vlaamsch-Duitsche
+zangersfeest te Brussel in het jaar 1846 gedaan hebben [49].
+
+Tegenover het, op gezegde wijze door de Spanjaarden en Franschen
+in Zuid-Nederland zegevierende Romanendom, stonden in het einde
+der 16de eeuw de Hollanders onder hunnen Prins van Oranje op,
+even als vroeger hunne voorvaderen, de Batavieren, onder Claudius
+Civilis. Het is zeer opmerkingswaardig, dat de Romeinen reeds bij
+die oude Batavieren menige eigenschap prezen, waarom nog heden ten
+dage de Nederlanders geprezen worden [50]. Zij schenen hun zeer
+achtenswaardige menschen toe, van meer passieven dan actieven moed,
+die zich tot eene dappere verdediging hunner grenzen en hunner
+vrijheid bepaalden. In een vijftigjarigen [51], met afwisselend
+geluk gevoerden oorlog tegen de Spanjaarden, de toenmalige heeren
+der wereld, waarin zij zegevierend hunne onafhankelijkheid bewaarden,
+bewezen de nakomelingen dier Batavieren, hoe sterk de patriottische,
+dezen edelen Neder-Duitschen stam aangeborene, vrijheidsliefde is.--De
+geheele heerlijkheid en kracht van dezen stam vertoonde zich nu in even
+heerlijke bloesems en vruchten, als eens in het oude Vlaanderen in den
+strijd tegen Frankrijk. Al het echt Nederlandsche verzamelde zich onder
+de vanen der Hollanders. De Vlaamsche dichters en vrijheidsmannen,
+hunne geleerden, hunne kooplieden en de kapitalen van deze laatsten,
+vluchtten van Gent, Brugge en Antwerpen naar het Noorden, dat nu de
+opvolger van het Zuiden werd. De Hollanders werden nu (nadat zij den
+Spanjaarden en Portugeezen een groot deel hunner koloniën afgenomen
+hadden), wat hunne Zuidelijke broeders, de Vlamingen, vroeger geweest
+waren, "de handelaars en scheepvaarders van Europa", en maakten hun
+land tot het groote magazijn van het werelddeel. Men kan zeggen,
+dat de handels-aangelegenheden driemalen in handen der Nederlanders
+geweest zijn: eens in de 14de en 15de eeuw, het Bourgondische tijdperk,
+binnen Gent en Brugge; een tweede maal in de 16de eeuw onder Karel V
+en Filips II te Antwerpen; een derde maal in de 17de en 18de eeuw,
+in het op palen in een moeras gebouwde Amsterdam.
+
+De Hollanders staken de banier der onafhankelijkheid niet alleen
+voor zich zelven op, zij lieten veeleer de vrijheidskleur hoog door
+geheel Europa wapperen. Alle door despoten vervolgden vluchtten (even
+als eens de Venetianen naar de Lagunen de wijk namen voor Attila)
+onder de machtige bescherming der Hollandsche moerasbewoners. Evenals
+hunne eigene landgenooten uit Antwerpen en Brabant, zoo namen zij ook
+de door dezelfde harde Koninklijke decreten gedrukte Israëlieten uit
+Portugal en Spanje op, die sedert eene zeer belangrijke kolonie onder
+hen gesticht hebben. De dertigjarige oorlog bracht hun ook grooten
+toevloed van krachten uit het toenmaals zoo ongelukkige Duitschland. En
+toen Lodewijk XIV in Frankrijk het edict van Nantes ophief, stroomde
+eene zoo groote menigte Fransche protestanten, kunstenaars en geleerden
+naar Holland, dat deze immigratie zelfs een weinig het Duitschdom der
+Hollanders schaadde, en het Fransche wezen bij hen het burgerrecht
+verkreeg. Vele beroemde Fransche geleerden en aanzienlijke mannen,
+vonden bescherming en erkenning hunner verdiensten bij hen. Een der
+grootste Fransche denkers, Des Cartes, schreef te midden der Hollanders
+zijne scherpzinnige en door de wereld bewonderde werken, die zijn
+naam onsterfelijk gemaakt hebben [52].--Ook de godsdienst-onlusten
+in Engeland dreven talrijke vervolgden naar Holland, en van hier uit
+en met Hollandsche schepen zeilden die Engelsche pelgrims uit, die de
+merkwaardige staten van Nieuw-Engeland in Amerika stichtten. Zelfs de
+grondvesting der nieuwe vrijheid in Oud-Engeland, kwam niet zonder
+medewerking der Hollanders tot stand. Het was een Hollander van
+geboorte en van karakter, Willem III, die met Hollandsche troepen aan
+de willekeur der Stuarts een einde maakte, en aan wien de Engelschen
+hunne "revolution", de eindelijke vaststelling hunner kerkelijke en
+staatkundige vrijheid, te danken hebben.
+
+Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter
+tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel
+Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de
+eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke
+en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en
+een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de
+Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben
+met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk.
+
+De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene
+vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen
+geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen
+ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een
+handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te
+werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een
+voorbeeld voor andere volken.--Hunne verstandige opwekkingen, hunne
+punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren
+en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het
+eerst eene goede orde gebracht te hebben.--De organisatie hunner zee-
+en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken,
+Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen
+over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de
+Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van
+bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling
+te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp
+zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen.
+
+In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen,
+hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en
+staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk
+was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister
+Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere
+inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later
+Peter de Groote, te hulp geroepen.
+
+Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken,
+met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire-
+en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de
+Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de
+Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis
+geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens
+weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad
+hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid,
+is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren
+van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers
+steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje,
+de edele metalen bij massa's toevloeiden.
+
+Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en
+wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven
+die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne
+zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den
+nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen
+hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden.
+
+Het meest echter hebben de natuur-wetenschappen te danken aan de
+Hollanders, aan wie, even als aan alle Neder-Duitschers, eene groote
+liefde voor de natuur eigen is. Hunne Swammerdams, hunne Boerhave's,
+hunne Huygens, hebben zich door geheel Europa beroemd gemaakt. En
+zelfs de grootste natuur-onderzoeker der vorige eeuw, Linnaeus,
+studeerde en leefde in Holland en schreef daar een gedeelte zijner
+beste werken.--Men zal moeielijk een land aanwijzen, waar men, zelfs in
+particuliere huizen, zooveel verzamelingen voor natuurlijke-historie
+aantreft als in Holland. Ook mag het in dit opzicht karakteristiek
+genoemd worden, dat eenige der uitvindingen, die het meeste nut voor
+de natuur-wetenschappen hadden, die van den telescoop, den microscoop
+en van den thermometer, in Holland gedaan zijn [53].
+
+In geene kunst hebben niet alleen de Hollanders, maar _alle_
+Nederlanders meer geleverd, dan in de schilderkunst [54]. Zij nemen
+in dit vak de tweede plaats na de Italianen in, die zij, wat rijkdom
+aan talenten en menigte van voortbrengselen betreft, bijna evenaren,
+maar met wie zij, wat betreft het karakter der schilderscholen,
+een opmerkelijk contrast vormen.--De zachte bevalligheid, de hooge
+idealiteit en het poëtisch schilderachtige der in geestdrift ontstokene
+Italianen, hebben de strenge Hollanders niet kunnen bereiken. In het
+teruggeven der _natuur_ en van het werkelijke, hun omgevende _leven_,
+toonden zij hunne hoofdkracht. Hunne groote meesters van Veen [55],
+van Dijck, Rembrandt waren in de opvatting van het individueele,
+als nabootsers van natuurverschijnselen, als portretschilders
+het grootst. Zelfs van Rubens zegt men in dit opzicht, kenmerkend
+genoeg, dat hij zijne schoone echtgenooten, die dikwijls voor hem
+zaten, veel beter terug gaf, als hij ze alleen portretteerde, dan
+wanneer hij ze idealiseerde.--Aan dier- en landschapschilders hebben
+de Nederlanders, even als aan stille natuurvorschers, een grooten
+rijkdom. Het bij hen zoo beminde, zoogenaamde "stilleven", is eene der
+voor hen meest karakteristieke kunsttakken, en op het schilderen van
+bloemen hebben deze bedaarde, natuurkundige, vlijtige menschen zich,
+even als op de bloemkweekerij, met eene voorliefde als geen ander
+volk, toegelegd. Het origineel dier geschilderde stillevens, bloem-
+en boomstukken, ziet men nog in duizend bevallige vormen bij hunne
+landgoederen, hunne geliefde buitenplaatsen, die, wat hunnen omvang
+betreft slechts hutten, maar inwendig paleizen zijn, waarin een geest
+van reinheid en nette sierlijkheid ieder voorwerp verfraait.
+
+Het minst hebben de Nederlanders in de poëzie uitgeblonken, waarin
+trouwens alle Neder-Duitschers niet alleen bij de andere volken,
+maar in het bijzonder ook bij de Hoog-Duitsche stammen ten achter
+stonden [56]. Zij bezitten wel, even als andere volken, hunne oude
+volksliederen, en ook hunne "Maerlants", "Cats", "Tollens" en andere
+aan de Schelde en den IJssel gevierde muzen-jongeren [57], maar geen
+hunner heeft als een Portugeesche Camoëns, als een Italiaansche
+Petrarca, of als een Engelsche Shakespeare, de lier zoo luid en
+schoon getokkeld, dat men de echo zijner gezangen, ook in andere
+landen, krachtig en op den duur vernomen heeft. Ik zeg krachtig en
+op den duur, want wij Duitschers mogen niet vergeten, dat toch een
+korten tijd (in de 17de eeuw) onze Duitsche poëzie zoo laag en de
+Hollandsche zoo hoog stond, dat toen onze Opitz, en de andere eerste
+grondleggers onzer moderne literatuur, naar de Nederlanden gingen,
+om daar aan de Hollandsche hippokrene te putten.
+
+
+
+In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur
+van hun land, zijne _vochtige dampen_, die, als men niet aanhoudend
+poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne
+_wateren_, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in
+slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand,
+overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht,
+ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op
+die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. "Daarom
+haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het
+vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten," wat hij, even
+als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt
+hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij
+Duitschers tot dweeperij en verwardheid.
+
+Alle neigingen en begeerten zijn bij de Hollanders ietwat mat en koel,
+wat hun bij de volken van Europa den roep van groote, zich afzonderende
+en niet meer dan de hoog noodige woorden gebruikende flegmatici te
+zijn, gegeven heeft. Gloeiende wraak, jaloezie en andere hartstochten
+zijn, naar de meening van een Spanjaard, bij hen "onbekend." Hunne
+liefde vlamt niet, maar glimt slechts. Eer geldt bij hen minder dan
+geld [58]. Wanneer het echter op geldverdienen aankomt, zijn zij daar
+even tuk op, als de Romeinen op eene "verovering." Zij hebben meer
+gezond verstand dan vernuft en geest, meer natuurlijke goedhartigheid
+dan warm gevoel, en streven meer naar dat, wat zij gemakkelijkheid
+[59] (een der groote woorden in hunne dictionnaire) noemen, dan naar
+de vroolijke genoegens, die smaak en gezelligheid opleveren. Hunne
+genoegens zijn eenvoudig, en bepalen zich grootendeels tot den kring
+hunner huisgenooten, hunner familie en hunner beste vrienden. Men
+vindt bij hen meer menschen, die men hoogachten moet, dan menschen
+waarmee men zou kunnen dweepen, en hun land, dat den opmerker zooveel
+merkwaardigs en leerzaams aanbiedt, beloont meer de moeite het te
+bereizen, dan het aangenaam is te bewonen.
+
+Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en
+pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil
+en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke
+flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen
+brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke,
+mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en
+in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in
+hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam
+geweest, dat zij--een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen
+zielen telde--zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover
+om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als
+men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens
+menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener
+aardglobe--of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad
+werkten,--of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders,
+die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven--of,
+natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden
+(en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele
+soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te
+kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk,
+dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in
+het leven roepen.
+
+In al hunne openbare betrekkingen hebben de Hollanders eene groote
+liefde voor rechtvaardigheid bewaard, want nauwelijks maakt de
+geschiedenis gewag van eene regeering, die door hare onpartijdige,
+onomkoopbare, en voor alle standen der maatschappij gelijke
+wetgeving en rechtswezen, beroemder geweest zou zijn, dan die der
+Nederlanders.--De oude Hollandsche bank was er beroemd voor, dat
+zij nooit meer bankpapier in omloop bracht dan waarvoor zij baar
+geld bezat. Zich groot voor te doen is nooit een nationaal-gebrek
+der Hollanders geweest; zij zijn niets minder dan pralers en
+zwetsers. Zij verachten of belachen het declamatorische bij hunne
+naburen, de Franschen. Nimmer hebben zij "Magnaten", of "Grandes"
+gehad. Die namen hebben wij (de Duitschers) uit Hongarije en Spanje
+ontvangen. De Nederlandsche grooten, rijken en machtigen, muntten
+steeds uit door eene groote mate van bescheidenheid. Hunne machtigen
+gebruikten hunne macht alleen daar, waar zij noodig was, maar brachten
+weinig daarvan in het particuliere leven over. Zelfs, toen zij over de
+schatten van Indië geboden, zag men hunne staatslieden, wier invloed
+somwijlen met dien van Koningen gelijk stond, zonder bedienden en te
+voet wandelen. En ook nu nog leven bij hen de rijken, ofschoon niet
+zonder eene zeer soliede luxe, toch stiller en gewoonlijk eenvoudiger
+en spaarzamer dan ergens anders [60].
+
+Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor
+verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de
+waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in
+denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke
+werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het
+standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer
+zoo hoog als vroeger. "Zij gelijken een oud beroemd handelshuis,
+waarvan de draagbalken broos geworden zijn." Toch echter zijn bij
+de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne
+zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een
+verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der
+Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval
+geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner
+macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid,
+dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd
+bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke
+stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te
+zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden,
+toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den
+bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren,
+of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche
+Souvereinen veel te zeggen hadden.
+
+
+
+
+
+
+DE ZWITSERS.
+
+
+Van de Nederlanders wend ik mij nu tot de Zwitsersche Alpenbewoners,
+van de golven aan het strand der zee naar de bergen en hunne hemelhooge
+toppen. Op het eerste gezicht schijnt dit een enorme sprong te zijn
+en toch blijkt bij eene nadere beschouwing, dat die niet zoo groot
+is. Want, vreemd genoeg, hebben niet alleen de politieke toestanden
+maar ook de aanleg van het volk, in de hooge Alpen en in de lage
+moerassen, in vele punten zooveel overeenkomst, dat men bijna geneigd
+is aan eene geheime keurverwantschap tusschen beide landen en volken
+te gelooven.
+
+Geographisch zijn zij reeds door den Rijn, die bij de Zwitsers
+ontspringt en bij de Hollanders in zee loopt, verbonden. Zoowel de
+bronnen als de mondingen van dezen grooten stroom, waren van oudsher
+de schouwplaatsen van merkwaardige vermengingen en oorlogen van het
+Celtisch-Romaansche en het Germaansche ras, zoodat wij dien ten gevolge
+in de Nederlanden, even als in Zwitserland, bijna in alle tijden der
+geschiedenis, deelen van beide groote stammen, tot een en hetzelfde
+nationaal of politiek geheel, vereenigd zien.
+
+De vele breede stroom-armen en zeeboezems, die de Nederlanden in eene
+menigte eilanden en deelen verdeelen, hebben daar dezelfde uitwerking
+gehad, als in Zwitserland de bergen en bergruggen, die het hooge land
+evenzoo in onderdeelen splitsen, en in beide landen heeft zich daardoor
+een veelzijdig leven en werken van kleine vrijstaten, nevens, met en
+tegen elkander ontwikkeld.--De moerassen en onderwaterzettingen in de
+lage landen, hielpen de vrijheid der bewoners even zoo verdedigen, als
+in de hooge bergstreken de ontoegankelijke ijsvelden en ongenaakbare
+bergtoppen deden, en gene hebben bij de Hollandsche visschers eene
+even groote zucht tot onafhankelijkheid doen ontstaan, als deze het
+bij de arme herders der Alpen deden. Ook de natuurlijke gesteldheid
+des lands, de strijd met de elementen, dààr met de zee, hier met
+de aan sneeuwvelden en gletschers verbondene bezwaren, heeft in
+beide landen een volhardend en dapper geslacht doen ontstaan, en
+tegelijkertijd heeft bij beide volken de oorspronkelijke armoede van
+het land, de ondernemingsgeest der bewoners opgewekt.--De Zwitsers,
+aan de grenzen en bergpassen tusschen het Noorden en het Zuiden, aan
+de uitgangs punten van groote stroomen op post gesteld, werden op het
+vaste land even ijverige tusschenhandelaars als de Nederlanders op
+de zee. Ook hebben gene naar hunne bergdalen, even als deze op hunne
+duinen en heidevelden, verscheidene takken van industrie overgeplant,
+waardoor zij welgesteld en voor de geschiedenis der ontwikkeling
+belangrijk geworden zijn.
+
+In de republikeinsche gewoonten, in den godsdienstigen zin, in de
+kerkelijke zaken van beide volken, vinden wij menigmaal (somwijlen tot
+in de kleinste bijzonderheden toe) eene verrassende overeenkomst. Beide
+zoover van elkander verwijderde volken, Nederlanders en Zwitsers,
+waren eens op gelijke wijze met het Duitsche rijk verbonden, zooals
+zij zich eens, ook weder op gelijke wijze, er van gescheiden hebben.
+
+
+
+Met betrekking tot de allervroegste bewoners van Zwitserland, heeft
+men in de laatste jaren hoogst merkwaardige ontdekkingen gedaan en
+onderzoekingen ingesteld.--In eenige zeer drooge zomers, waarin de
+Zwitsersche meren, ver binnen hunne gewone oevers, zich terugtrokken,
+heeft men aan hunne randen, eeuwenoude, in het water staande
+paalwerken, en naast deze palen, op den bodem der meren verzonken,
+gereedschappen, werktuigen, wapens, huisraad, visschers-booten van de
+ruwste en eigenaardigste gedaante gevonden. Waarschijnlijk was het toen
+aan de oevers der fraaie Zwitsersche meren wonende en visschende volk,
+verwant met en van denzelfden tijd als de primitive rassen, van welke
+men ook in Denemarken, Frankrijk en Engeland in den laatsten tijd zulke
+belangrijke sporen ontdekt heeft, en van welke menigeen vermoed heeft,
+dat het Finsche stammen geweest zijn, die eens (misschien verscheidene
+duizende jaren voor Christus geboorte) het geheele nog uit moerassen
+en wouden bestaande Noord- en Midden-Europa bewoond hebben.
+
+Toen de Romeinen (die het eerste licht in de geschiedenis
+van Noordelijk Europa gebracht hebben) aan gene zijde der Alpen
+verschenen, was het land even als Gallië en andere naburige landen,
+door "Celten" bewoond, die waarschijnlijk uit het Oosten langs den
+Donau over de Bodensee, veroverend het land waren binnengerukt, die
+oude, Samojeed-achtige oorspronkelijke bewoners vernietigd hadden,
+en die in Zwitserland den naam "_Helvetiërs_" droegen. Merkwaardig
+genoeg vonden reeds de Romeinen, deze oude Celtische Helvetiërs binnen
+dezelfde grenzen, waarbinnen nu nog de Zwitsersche bondsstaat bevat
+is, namelijk tusschen het meer van Genève in het Westen, het meer
+van Constans in het Oosten, de Jura in het Noorden en de Alpen in het
+Zuiden. Dien ten gevolge kan men dus deze grenzen wel als _natuurlijk_
+beschouwen, en Zwitserland in hoofdzaak definieeren als dat groote,
+fraaie, 40 mijlen lange en 12 mijlen breede dal, dat ten Noorden
+door de Jura en het Schwarzwald omgeven, in het Zuiden de Alpen
+tot grensmuur heeft, en in het Westen door beide genoemde meren
+afgesloten wordt.
+
+Dit dal, dat door den Rijn en zijne takken bevochtigd wordt, en dat men
+daarom ook het groote Boven-Rijn-bassin zou kunnen noemen, vormt het
+hoofdlichaam van het vaderland der Helvetiërs of Zwitsers. Zij hebben
+echter dit hoofdlichaam niet ten allen tijde, als een ethnographisch
+of politisch geheel bezeten, en hebben ook nu eens dit, dan weder dat
+der talrijke naburige dalen als leden of deelen er mede verbonden. De
+Romeinen, onder en na Caesar, veroverden dat groote dal, stichtten
+daar, even als in de andere Celtische landen, koloniën en steden,
+voerden hunne taal in en romaniseerden het geheele Helvetië. Bij den
+ondergang hunner macht echter, drongen, even als de Neder-Duitsche
+Franken in het Nederlandsche België, de Boven-Duitsche Alemannen
+(Sueven of Schwaben) Helvetië binnen, verdrongen de geromaniseerde
+Celten, en brachten er voor het geheele vervolg van tijd, Duitsche
+grond-bevolking voor in de plaats. Het gelukte hun echter niet,
+deze germaniseering van Helvetië, geheel en in alle dalen door te
+voeren. Even als in de Nederlanden, zoo bleef ook hier een deel van den
+Romano-Celtischen, volksstam bestaan. En zelfs in de Duitsch geworden
+Oostelijke helft van Zwitserland, dragen vele plaatsen en streken nu
+nog Romeinsch-Celtische slechts eenigzins op Duitsche wijze veranderde
+namen, zooals de steden Zürich (Thuricum), Constanz (Constantia),
+Bregenz (Brigantium), Solothurn (Solodurum), Bazel (Basilea) en andere.
+
+Toen na de stormen der volksverhuizing zich groote Germaansche rijken
+vormden, werd Helvetië vaneengescheurd. De grootere Oostelijke
+helft, tot aan eene lijn die van het meer van Neufchatel tot het
+meer van Genève loopt, bleef sedert de 5de eeuw bijna altijd een
+deel van het groote Hertogdom Alemannië of Schwaben, en viel met
+dit onder de macht der Frankische Koningen en later der Duitsche
+Keizers. Deze lang durende staatkundige vereeniging met het
+"Schwaben land," deed de Oostelijke Zwitsers hunne Duitsche taal en
+hunne Alemannische nationaliteit behouden. De kleinere Westelijke
+helft van Helvetië daarentegen, viel aan het groote Bourgondische
+rijk toe, dat overal op romanischen bodem stond, en waarin de het
+land binnengetrokkene Duitsche Bourgondiërs, zeer spoedig weder
+geromaniseerd werden. Geruimen tijd vormde zich onder den naam
+"Burgundia Minor" (klein-Bourgondië) een gedeelte van dat rijk, dat
+wel een tijd lang ook onder de opperheerschappij der Duitsche Keizers
+stond, maar met betrekking tot taal en bevolking, zich echter steeds
+als een Romaansch land vertoonde. De Westelijke Zwitsers bleven dien
+ten gevolge ook, even als de andere "Bourgondiërs," deze nationaliteit
+toegedaan, en vervormden hunne Romaansche taal en gewoonten, in
+verbinding met hen, en even als zij verscheidene phasen doorloopende,
+ten slotte tot een Nieuw-Fransch.
+
+Uit deze gebeurtenissen in haar geheel beschouwd, laten zich de
+ethnographische verschijnselen en verscheidenheden in Zwitserland zeer
+goed afleiden, ofschoon daarbij in sommige onderdeelen veel vreemd en
+onverklaarbaar blijft; zooals b.v. hoe en waarom de groote Duitsche
+volksvloed het eene dal binnendrong, het andere niet,--hoe en waarom de
+germaniseering dikwijls midden in eene vlakte staan bleef, en daar,
+zonder eenige natuurlijke aanleiding, met het Romaansche element
+eene scherpe afscheiding maakte, ja met dezen zelfs hier en daar
+dezelfde dalen deelde, en soms zich, b.v. in eenige Monte-Rosa-dalen,
+sporadisch en eilandachtig vooruitschoof. Eene der merkwaardigste
+onder deze bijzonderheden, is zeker het zeshonderdjarig samenleven van
+een Fransch en een Duitsch element binnen de muren der zelfde stad
+(Freiburg), zonder dat daaruit een ethnographisch geheel ontstaan
+is. Nog heden ten dage spreekt men in het hoogere gedeelte dezer stad,
+op hare rotsen, Romaansch, en in de dalhelft, aan de rivier, Duitsch,
+zonder dat alle inwoners beide talen verstaan.
+
+Na den ondergang van het oude Helvetië, is ook, gedurende de geheele
+middeneeuwen tot aan de veertiende eeuw, van een eigendommelijk
+Zwitsersch volk, van eene Zwitsersche _natie_, geen sprake. De
+landstreken en bevolkingen, die zich heden ten dage als deelen dezer
+"natie" beschouwen, gingen toen in andere grootere politieke lichamen
+op.--Genève, Waadland en het halve Wallis waren afhankelijk van Savoye;
+Tessin behoorde tot het Hertogdom Milaan; Graubunderland of Rhaetië
+had zijne eigene ontwikkelings-geschiedenis op zich zelf. Overal trof
+men kleine dynastiën en Vorsten aan, en nevens hen bloeiden, even
+als in het geheele Duitsche rijk, vrije steden en bisschops-zetels,
+tusschen welke verder geene politieke vereeniging bestond, dan
+de zeer losse die het Duitsche rijksverband aan een sloot. Alleen
+gedurende de de 11de en 12de eeuw laat zich eene zekere eenheid van
+Zwitserland daarin _herkennen_, dat de Hertogen van Zähringen, ten
+minste in de groote deelen van het land, als erfelijke stadhouders
+van den Duitschen Keizer regeerden.
+
+Eerst in het begin der 14de eeuw, werd de grondslag tot dat staatswezen
+gelegd, dat voor en na alle deelen van het oude Helvetië weder tot
+een geheel vereenigen zou, en toen werd voor het eerst de naam der
+aanvankelijk zeer kleine landstreek genoemd, die langzamerhand alle
+medeburgers van dezen staat, als hun nationalen naam aangenomen
+hebben.--Deze naam zou (zoo beweert eene oude sage) uit Zweden
+afkomstig zijn, en van eene schaar Noorman'sche avonturiers afstammen,
+die in de vroegste middeleeuwen, den Rijn opvarende, zich om het
+Vierwaldstädter meer nederzetten en een daar gelegene landstreek,
+"Suitia" of "Schwijz" noemden. Schwijz was het grootste van de drie
+Duitsche ur-kantons, die tegen de despotische landvoogden van Keizer
+Albrecht opstonden, en door een eed met elkander verbonden waren.
+
+Aanvankelijk noemden zij zich slechts de "eedgenooten" of na de
+toetreding van Lucern ook wel "den bond der vier woudsteden." Schwijz
+bleef ook later voor langeren tijd de ziel van dezen bond, en gaf
+dien ten gevolge eindelijk aan het geheel zijne kleuren, wit en rood,
+en zijn naam, die echter eerst sedert de 16de eeuw algemeen en aan
+alle eedgenooten deelachtig geworden is.
+
+In een bijna 200 jarigen oorlog tegen Oostenrijk, die even rijk aan
+roemrijke daden en overwinningen der vrije Zwitsersche bergbewoners is,
+als de 80 jarige oorlog der Nederlanders tegen Spanje, handhaafden zij
+hunne onafhankelijkheid, verwierven zich roem en macht, en daardoor
+vele bondgenooten onder de landschappen en steden, rondom hunne hooge
+bergen gelegen.
+
+Na iederen grooten strijd en overwinning vergrootte zich hun
+bond. Reeds dadelijk bij de eerste overwinning, bij Morgarten [61],
+nog in het begin der 14de eeuw, traden de steden Lucern, Zürich, Bern
+en Glarus tot hem toe, en vermeerderden daardoor het aantal "Orten" (of
+kantons) tot 8, die later de acht "oude Orten" genoemd werden. Weder
+na een reeks Spartaansche veldslagen, bij Sempach, bij Näfels en bij
+St. Jacob, [62] in het einde der 14de en het begin der 15de eeuw,
+waarin zij hunne zelfstandigheid tegen de Oostenrijkers en Franschen
+handhaafden, breidde zich hun gebied andermaal uit,--over Aargau en
+Thurgau.--Toen de machtige Hertog van Bourgondië, Karel de Stoute,
+die midden tusschen Duitschland en Frankrijk eene groote monarchie,
+door alle Westelijke Rijnlanden heen, stichten, en de Zwitsers met de
+Nederlanders onder zijn schepter vereenigen wilde, in de heldenslagen
+bij Grandson, Murten en Nancy [63] bezweek, toen annexeerden de
+eedgenooten ook Freiburg en Solothurn, en nadat zij andermaal,
+in eene reeks bloedige overwinningen, tegen Keizer Maximiliaan zich
+hadden weten te handhaven, werden ook Bazel, Appenzell en Schaffhausen
+opgenomen [64]. En ook de zoogenaamde "Graue Bündte," der Rhätische
+dalbewoners, traden toen met de eedgenooten in verbroedering.
+
+Van nu af aan, dus van het einde der 15de eeuw, was er tusschen
+de Jura en de Alpen,--voor het eerst na den ondergang van het oude
+Helvetië,--een, zoo ook al niet in hooge mate vereenigd Zwitsersch
+volk, dan toch een begin er toe, een onafhankelijke staat, die zich
+van het Duitsche rijk losmaakte, en zich als eene, politisch steeds
+gewichtiger wordende, Europeesche macht vertoonde.
+
+De roep hunner dapperheid maakte alle Vorsten begeerig naar den
+bijstand der geharde, en in ontelbare veldslagen ervaring opgedaan
+hebbende, zonen van het Alpenland. Daar hun vaderland arm was, zoo
+waren zulke hulptroepen gemakkelijk voor geld te krijgen. Zij hadden
+bij de deeling van den rijken Bourgondischen buit geleerd, hoe men,
+aan gene zijde hunner bergen, door het zwaard en de strijdkolven
+schatten winnen kon. Van dien tijd dateert het beruchte, zoogenaamde,
+"reislaufen" der Zwitsers, het dienstnemen bij vreemde mogendheden
+der geldgierige helden en vechtersbazen, dat gedurende twee of drie
+eeuwen meer Alpen-zonen door de geheele wereld gevoerd, en hier en
+daar inheemsch gemaakt heeft, dan eenige andere drijfveer. In dit
+opzicht vormen de Zwitsers een scherp contrast met de Nederlanders,
+met wie zij in andere punten zooveel overeenkomst hebben. Want
+deze werden, zooals vroeger reeds opgemerkt is, in denzelfden tijd
+waarin de Zwitsers, door _oorlogszucht_ gedreven, hunne razzia's in
+Europa hielden, alleen door _vreedzame_ kunsten, als stadbewoners
+en landbouwers in verscheidene landen woonachtig.--Waar zich ook de
+_boten_ (afgevaardigden) der eedgenooten verzamelden, daar verschenen
+de gelukwenschende gezanten met zakken vol blanke thalers, om voor den
+Keizer van Duitschland, of voor den Koning van Frankrijk, voor den Paus
+of voor de Vorsten van Hongarije, voor de rijkstad Neurenburg of voor
+eenige staat der wereld, als zij maar betalen konden, bondgenootschap
+en soldaten te zoeken. De boer verliet den ploeg, de kunstenaar zijne
+werkplaats, en begaf zich in vreemden krijgsdienst, waar steeds op
+geld en buit te hopen viel. Vrije Zwitsers "_Rusticorum mascula militum
+proles_" mannelijke spruiten van boersche soldaten dienden, evenals de
+Turksche Albaneezen onzer dagen, den Vorst die hen betalen wilde. Zij
+leverden _voor geld_ de bloedigste veldslagen, veroverden voor geld,
+op de Franschen het schoone dal van de Po voor den Hertog van Milaan
+zoolang hij betaalde, en toen deze niet meer betaalde, heroverden zij
+dat zelfde Po-dal op den Hertog van Milaan ten behoeve der Franschen.
+
+Daar zich somwijlen twee tegen elkander strijdende partijen
+Zwitsersche bondgenooten hadden verschaft, zoo stonden deze niet
+zelden op het slagveld tegen hunne broeders over. Daar winzucht en
+lust om zich buit te verwerven deze onoverwinnelijke berg-troepen
+bezielden; daar zij ook despoten en tyrannen dienden, als deze maar
+betalen konden, zoo heeft niets meer, dan deze uit hunne roemrijke
+vrijheidsoorlogen voortgesprotene buiteniandsche krijgsdienst, de
+Zwitsers bij de overige volken onbemind gemaakt. Het spreekwoord
+"_point d'argent, point de Suisse_" (geen geld, geen Zwitser) werd
+na dien tijd in alle talen overgebracht. Geldgierigheid en winzucht
+zijn eigenschappen, die men na dien tijd den Zwitsers meermalen
+verweten heeft. Ook heeft daaraan misschien eene zekere stuursche
+hardheid in hunne manier van zijn en in hun gedrag haren oorsprong
+te danken. Ten deele echter ook, moet deze hardheid, zooals ook hunne
+uiterst harde en ruwe taal, aan het bergachtige karakter van hun ruw
+land worden toegeschreven. Mij dunkt, dat zulks zich zelfs in den
+stijl der Zwitsersche schrijvers afspiegelt. Ik herinner den lezer
+slechts aan de Tacitanische schrijfwijze van den grooten Zwitserschen
+geschiedschrijver J. v. Muller. Ook de Zwitser Zschokke heeft, in
+zijne geschiedenis van Helvetië, iets dergelijks, en het schijnt
+wel als bespeurde men bij iederen Zwitser, redenaar en schrijver,
+een weinig, wel niet altijd klassieke Tacitus-manier, gebrek aan
+vloeiendheid en losheid, iets rots- en lawineachtigs.--De vreemde
+militaire dienst was een kanker, die op verschillende wijze aan
+het kapitaal van het nationaal-karakter der Zwitsers teerde, en hun
+staatsbestuur op gelijke wijze een tijdlang ondermijnde, als eens in
+Rome de praetorianen deden. Eerst in den allernieuwsten tijd is het,
+na veel moeite en vele verboden, den wetgevers gelukt deze slechte
+nationale gewoonte af te schaffen, en hare bronnen te verstoppen.
+
+Trots de scheiding der Zwitsers van het Duitsche, in den aanvang
+der 14de eeuw, bleven toch de kern en geest van het volk eigenlijk
+Duitsch. Van de Duitsche Zwitsers uit de zoogenaamde "Urkantonen"
+ging de eerste grondvesting van het eedgenootschap uit, van hen ging
+ook de uitbreiding van het grondgebied uit, evenals later ook de
+kerkhervorming en nog andere dier bewegingen, die aan het Zwitsersche
+volk zijn eigenlijk karakter gegeven hebben. Met uitzondering der
+oude Rhaetische Romanen in Graubunderland, en in den omtrek der stad
+Genève, zijn bijna het geheele niet-Duitsche gebied en volk, door de,
+van de Duitsche Zwitsers uitgaande inspanningen en veroveringen, tot
+het eedgenootschap gekomen. Zoo ging het met het Fransche Wallis door
+de ondernemingen der Duitschers in _Ober_-Wallis; zoo met het Fransche
+Waadland, door de krijgshaftige Berners, die het aan de Hertogen van
+Savoije ontnamen; zoo met het Italiaansche Tessin door de dappere
+Duitsche herders uit de Ur-kantonen, die het op Milaan veroverden,
+zoo met meer andere Italiaansche gebieden, door de Duitsche leden
+van het Godshuis-Bond en van het Grauwe Bond.
+
+Deze vreemde onderdanen werden door de Duitsche Zwitsers, hunne heeren,
+eeuwen lang door landvoogden even despotiek geregeerd, als zij zelven
+vroeger door de stadhouders der Oostenrijksche Vorsten geregeerd waren
+geworden. En buitendien was er ook in de gemeentelijke inrichting
+der Duitsche Zwitsers zelve, tot op den nieuweren tijd toe, zooveel
+ongelijkheid in rechtspraak, waren er zoovele onderdrukte onderdanen,
+zoovele bevoorrechte heeren en stadsburgers, zooveel kleine geheel
+en al souvereine staten, die, zonder het eedgenootschap te vragen,
+dikwijls onder elkander, somwijlen zelfs met vreemde machten
+bondgenootschappen sloten, dat van een eenig Zwitsersch staatswezen,
+nog steeds geen sprake kon zijn. Iets dergelijks heeft zich eerst in
+onze eeuw langzamerhand gevormd.
+
+De Fransche revolutie, Napoleon en de hem volgende nationale
+bevrijdingsoorlogen, hebben ook daartoe, evenals tot de opkomst
+van andere Europeesche nationaliteiten, den stoot gegeven. Men mag
+van de Franschen zeggen, dat hun de eer toekomt, de Romaansche
+onderworpelingen van het oude Zwitserland in Wallis, Waadland,
+Tessino enz. van hunne Duitsche landvoogden bevrijd te hebben, en
+hen met de overige Zwitsers in eene en dezelfde staatsregeling, die
+alle oude voorrechten en ongelijkheden gelijk maakte, op gelijken voet
+vereenigd te hebben.--Wel moesten de Zwitsers zich later eerst weder,
+evenals het overig Europa, van de heerschappij der Franschen bevrijden,
+en daarna zich ook weder opwerken uit de reactie, waardoor bij haar
+evenals overal elders, alles op middeneeuwschen voet teruggebracht
+werd; maar in den loop der laatste halve eeuw ontwikkelden zich de
+door de Franschen ingevoerde hervormingen, en voerden eindelijk,
+tengevolge der door de Juli-revolutie ontstane werking, vervolgens
+na de overwinning van den Sonderbond [65] tot eene steeds grootere
+nationale gelijkheid, verzoening en vereeniging.
+
+Tallooze gehate beperkingen, die Zwitsers van Zwitsers scheidden; de
+privilegiën der steden, de voorrechten der verschillende burgerklassen,
+de macht der patriciërs en "heeren," de ketenen der landlieden, de
+erfrechten van vreemde Vorsten (b.v. van den Koning van Pruissen in
+Neufchatel), de muren, die het onderling verkeer der verschillende
+staten belemmerden, zijn gevallen.--Een eenig handelsgebied, eene
+staatkundige gelijkheid van alle burgers en de deelen van het land
+en hunne talen, is nu ingevoerd, en eindelijk is het geheele werk
+in het jaar 1848, door de zoo gelukkig doorgezette verandering van
+het vroeger zoo losse statenverbond, in een eenigen _bonds-staat_
+met krachtig opperbestuur, gekroond geworden.
+
+De in de laatste tijden plaats gehad hebbende veranderingen,
+de politieke vrijheid en het daardoor voortgebrachte goede,
+heeft nu in geheel Zwitserland eene groote harmonie in gezindheid,
+vaderlandsliefde en in wederkeerige sympathiën veroorzaakt, zoodat
+men hier, niettegenstaande de bonte verscheidenheid in afstamming,
+bloed en taal, eene eenige, door de staatsregeling te zamen gehoudene
+nationaliteit, herkent.
+
+De Zwitsers bieden het merkwaardige en in Europa bijna eenige
+schouwspel aan, dat bij hen op verschil in taal en ras, geen verschil
+in nationaliteit berust, dat er geene antipathiën, wrijvingen en strijd
+uit ontstaan. In Pruissen en Oostenrijk staan Slawen, Duitschers
+en Oostenrijkers vijandig tegen elkander over; in Denemarken
+Duitschers en Skandinaviërs; in Zweden zelfs de nuances van den
+grooten Skandinavischen stam, de Noorwegers en Zweden; in Engeland
+de Anglo-Saksers en de Celtische Ieren. In België bestaat tweespalt
+tusschen de Vlaamsche en Waalsche of Fransche beweging.--Schier niets
+dergelijks treft men in Zwitserland aan; daar zijn de brokstukken van
+stammen van zeer verschillende geaardheid, tot diep in de gebergte
+doorgedrongen, hebben zich tusschen elkander ingewerkt, en laten
+zich zeer vreedzaam en geduldig door den zelfden staat tot één
+samenvoegen. Daar reikt de Celtische bewoner van Genève en Waadland,
+aan den Germaanschen bewoner van Bern en Bazel de broederhand. Het
+komt hem niet in het hoofd, tengevolge van het bloed of van de
+moedertaal, met den bewoner van Frankrijk te sympathiseeren, zooals
+de Schleeswijk-Holsteiner met den Duitscher deed. Ofschoon zij taal
+en literatuur met den Galliër deelen, zoo zijn toch deze Fransche
+Zwitsers, in nationalen en politieken zin, Helvetiërs tot in merg
+en been.--Daar treedt ook de Italiaansche bewoner van Tessino,
+gewillig het gebouw van het eedgenootschap binnen. Ofschoon hij van
+zijn Franschen en Duitschen medeburger in vele opzichten verschilt,
+ofschoon hij als alle andere Italianen met Petrarca en Tasso dweept,
+en ofschoon hij _alleen_ meer voor de kunst gedaan heeft, dan alle
+andere Zwitsers te zamen, zoo wil hij toch sedert lang niets anders
+dan een "Suizzero" zijn. Wel heeft natuurlijk de smartkreet van Italië
+bij hem weerklank gevonden, maar dit geval heeft toch geen lust bij
+hem opgewekt zich van Zwitserland te scheiden. Zelfs reeds in het
+jaar 1798 protesteerden de bewoners van Tessino, die toch pas het
+juk hunner Duitsch-Zwitsersche veroveraars ontkomen waren, ijverig
+tegen eene inlijving in de Transpadinische republiek der Italianen,
+wat het doel van Frankrijk was, en verklaarden zij eenstemmig dat zij
+bij Zwitserland blijven wilden.--Even vast is ook de oude Rhaetiër,
+wiens Ladinische taal niemand in het overige Zwitserland verstaat,
+en die zich beroemt van het geslacht der oude Etruskers af te stammen,
+aan den bond en aan het Zwitsersche volk gehecht.
+
+Daar er geene ijverzucht en geen haat tusschen de rassen bestaat,
+zoo bestaat er ook geen taalstrijd in Zwitserland. Veeleer krijgen de
+verschillende talen daar, in hooge mate overeenkomst met elkander,
+en deelen zij zich zonder tegenstreven over en weer aan elkander
+mede. De Duitsche Zwitsers maken zich gaarne het Fransch eigen, en
+aan den anderen kant zijn er in Zwitserland meer Franschen die ook
+het Duitsch geleerd hebben, dan ergens anders in het gebied van het
+Celtische ras. Vele Zwitsers zijn dubbelsprakig, even als de Belgen
+in Vlaanderen, b.v. de meeste beschaafden in het Westelijk gedeelte
+van Duitsch Zwitserland.
+
+De Duitsche Zwitser heeft van oudsher een innig aandeel genomen, aan
+al de literarische, godsdienstige en wetenschappelijke bemoeiingen
+van Duitschland.
+
+Reeds in den eersten bloeitijd der Duitsche poëzie, waren eenige der
+beroemdste minnezangers uit het Alpenland geboortig. En later bij de
+tweede moderne poëtische vlucht in Duitschland, plaatste zich weder
+eene Zwitsersche school van dichters en geleerden, naast de zoogenaamde
+Saksische school, toongevend aan het hoofd dezer Duitsche beweging. De
+Bodmers en Breitingers in Zurich, baanden de nieuwe Hoog-Duitsche taal
+en literatuur den weg in de Alpen.--De kerkhervorming in de 16de eeuw,
+vond bij de Duitsche Zwitsers terstond een even grooten weerklank als
+in Duitschland zelf, en wekte daar mannen als Zwingli en Oekolampadius
+op, die dien tak van het protestantisme (de zoogenaamde gereformeerde
+kerk) in het leven riepen, dien men wel het Zwitsersche protestantisme
+zou kunnen noemen. Want het draagt in zijn republikeinsch kerkelijk
+bestuur, en in zijn koelen, nuchteren, bedachtzamen geest, geheel
+en al den stempel der Duitsche Zwitsers, die misschien door niets
+wat overigens van hen uitging, zoo invloedrijk in de wereld geweest
+zijn, als door deze, door hen het eerst georganiseerde, geloofs-
+en kerkhervorming, die zich van Zürich uit, door Calvijn aan de
+Fransche Zwitsers mededeelde, en vervolgens door Frankrijk, Holland,
+Schotland en vele andere landen, toongevend verbreidde.--Ook in de
+wetenschap en kunst hebben de Zwitsers van oudsher, met de Duitschers
+hunne groote mannen en denkbeelden omgeruild. Hunne Hallers [66]
+hebben bij de Duitschers gewoond even als de Duitsche Okens [67]
+bij de Zwitsers willige opname vonden.
+
+Bij dit alles echter hielden zich deze, dikwijls met de Duitschers
+verbroederde Zwitsers, in politieken zin scherp van hen gescheiden,
+en staan zij in dit opzicht geheel aan de zijde hunner medeburgers
+van Franschen, Italiaanschen of Rhaetischen stam.
+
+Tengevolge van dezen innigen politieken band, die al de
+verschillende rassen in Zwitserland samen verbindt; ten gevolge hunner
+gemeenschappelijke herinneringen en republikeinsche staats-regelingen;
+zoo mede ten gevolge van het lang nevens elkander wonen en hunnen
+omgang, heeft zich dan ook onder hen in vele andere punten eene zekere
+gemeenschappelijkheid in wezen, een zeker algemeen nationaal-type
+gevormd, dat bij hen iets _aangetrokkens_, van den _staat_ uitgegaans
+schijnt, terwijl het bij andere volken aangeboren is en in het
+bloed zit. Vele eigenaardige dagelijksche zeden en gewoonten in het
+gezellige verkeer, hebben zich over geheel Zwitserland verbreid. Eene
+zekere republikeinsche ruwheid, stroeve nuchterheid en stijfheid,
+valt den Franschen bij de Fransche Zwitsers evenzeer op, als den
+Duitschers bij de Duitsche Zwitsers. De verhouding tusschen de beide
+geslachten, is in het Oostelijk Graubunderland ongeveer dezelfde als
+aan het Westelijk uiteinde van het meer van Genève. Bekend is het
+b.v. dat de jongelui zich, hier even als daar, in een zeer vrijen
+omgang mogen verheugen, hetgeen met de in Frankrijk ingevoerde
+kloosterlijke opvoeding en opzicht, een scherp contrast vormt. De
+spaarzame, voordeel zoekende, industrieele zin, heeft alle stammen van
+Zwitserland in gelijke mate aangegrepen. In het Fransche Zwitserland
+vindt men geheele bergstreken vol van de bekwaamste uurwerkmakers,
+terwijl in het Duitsche Zwitserland de dalen met zeer ijverige
+houtsnijders, stroovlechters, borduursters en neteldoek-wevers
+gevuld zijn. Ook de innige vaderlandsliefde, de bekende en treffende
+Zwitsersche zielsziekte, het heimwee, is aan alle vrije Alpen-zonen,
+welke taal zij ook spreken mogen, gemeen. Niet alleen bij Duitsche,
+maar ook bij de troepen uit Fransch-Zwitserland, die in den vreemde
+dienden, was het onder zware straffen verboden, op den koehoorn
+te blazen, om bij de soldaten geen ziekelijk verlangen naar het
+vaderland op te wekken. De naast deze diep gewortelde liefde tot
+den geboortegrond bestaande lust om te reizen en te trekken, een
+oud erfdeel aller Schwaben, is ook een erfdeel van alle Zwitsers
+geworden. De Zwitsersche gouvernante uit Waadland, de koekbakker
+uit Engadin [68], de kunstenaar uit Tessino, ontmoet men overal
+in de wereld, en naast deze, tot in China en Oost-Indië toe, den
+Zwitserschen handelaar uit Zürich, Bazel of Genève. Er is bijna geene
+stad in Europa, die niet eene kleine kolonie Zwitsers bezit. Zij
+hebben overal hunne gevolmachtigden, agenten en consuls, en spelen
+heden ten dage, als bevorderaars van handel en industrie, in onze
+geheele Europeesche volken-familie eene zeer welkome, vereffenende
+en vreedzame rol, die een aller-aangenaamst contrast vormt met de
+krijgshaftige wijze, waarop zij vroeger, als betaalde landsknechten,
+in de lotgevallen der volken van ons werelddeel ingrepen.
+
+Trots de geringe getalsterkte hunner bevolking (het aantal van
+alle Zwitsers bedraagt niet veel meer dan 2 millioen, dus evenveel
+als het getal bewoners van het kleine Duitsche Koningrijk Saksen),
+hebben de Zwitsers, dank zij hunne geographische ligging in Europa,
+en ten gevolge hunner patriotische vrijheidsliefde en énergie,
+zoo mede ten gevolge hunner kerkhervorming, af en toe den invloed
+eener macht van den eersten rang bezeten en uitgeoefend, en op hunnen
+grooten, prachtigen Alpenburg, aan de grenzen van Italië, Frankrijk
+en Duitschland, geplaatst aan de bronnen van Rijn, Po en Röhne, nemen
+zij ook nu nog eene hoogst belangrijke en invloedrijke stelling in.
+
+
+
+
+
+
+DUITSCHLAND EN DE DUITSCHERS.
+
+
+Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen
+zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden
+van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het
+zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland
+dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk
+van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten.
+
+Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde
+zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens
+uitgespannen.
+
+In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het
+Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in
+het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee.
+
+Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact
+geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen
+de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle
+windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere,
+zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken,
+Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De
+Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische
+streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau
+stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen
+in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den
+ver verwijderden Pontus verliest.
+
+Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking
+tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de
+gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd
+van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt,
+over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer
+gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al
+zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene
+alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een,
+overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau;
+Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna
+geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in
+hoofdzaak een kolossaal granietblok.
+
+Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur
+van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het
+Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede,
+effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge
+bergmassa's. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met
+elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux,
+die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich
+niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in
+de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen,
+door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs.
+
+Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in
+Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land
+van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee,
+een Noordsch klimaat, dat overal _hetzelfde karakter_ heeft, bezit;
+terwijl Italië _van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen_
+Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal
+als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl
+Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den
+Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt _Duitschland_ in meerdere of
+mindere mate aan al deze toestanden deel.
+
+In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters
+en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden,
+druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het
+Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland,
+en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten,
+jaargetijden en vruchten binnen.
+
+Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke
+toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht "l'indécise
+Allemagne" (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland)
+genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit
+verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere
+Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had,
+tot politieke en nationale eenheid gekomen.
+
+
+
+Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog
+voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd,
+is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het
+_Oosten_ kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle
+bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.--ten
+minste grootendeels--door de bosschen en bergen van Duitschland
+getrokken zijn.
+
+De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door
+verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel
+vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het
+Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen
+Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker
+zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het
+Oosten, dan nu.
+
+De _Germaansche_ stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere
+geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die
+der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen
+drongen, kwamen even als _zij_, uit Midden-Azië, waar zij bij de
+Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde "Ariërs,"
+hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en
+reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het
+Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan
+bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken,
+zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en
+aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij
+andere volken.
+
+Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den
+Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd
+zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende,
+zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid
+hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee,
+als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch
+vaderland, als naar het _oudste_ Duitschland, van waar uit zij zich
+het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste
+komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de
+overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der
+Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De
+_Noord-Duitsche_ dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner
+klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der
+Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en
+West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen.
+
+Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der
+geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de
+Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke
+Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers
+in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun
+bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen
+en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche
+(Celtische) stammen.
+
+De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden,
+hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden
+tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de
+bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den
+Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden,
+en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot
+daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen
+vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij _niet_
+veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land,
+en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die
+het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden.
+
+Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het
+Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen
+Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na
+de 3de en 4de eeuw Rome's macht verminderde, braken de Duitschers
+in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte
+wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen _slechts een tijd lang_
+tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort.
+
+De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs
+(Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van
+het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde
+Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg
+en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen
+of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal
+en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot
+diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte
+Duitsche volks-elementen.
+
+Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande
+namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de
+stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van
+de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden,
+bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele,
+nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen
+wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen.
+
+De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk,
+als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht
+tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het
+geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij
+af.--Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam,
+aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene
+kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met
+behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene
+zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn
+geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag,
+die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun
+inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, _slechts_ met behulp der
+Duitschers werkelijk gelukt is.--Deze kernachtige, jeugdig frissche
+barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk,
+een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk
+gemaakt. Van _hunne_ stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna
+alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige
+daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen,
+zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden,
+de Andalusiërs en andere.
+
+Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo
+veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke
+scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische
+rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig
+geweest. "Uit het _romanisme_ en het _germanisme_, verklaren zich
+in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen." Wie den
+geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die
+heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere
+volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand.
+
+Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt,
+Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken
+daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen
+stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken
+op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot
+den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het
+moederland zelf.
+
+Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing,
+eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk
+binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een _nieuw_
+Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke
+Rijn- en Donaulanden, die te voren maar _half_ Duitsch, grootendeels
+Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de
+Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum,
+werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging
+daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en
+Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren.
+
+Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de
+Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder
+hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts
+voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op
+Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs,
+Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland
+weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de
+Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde
+Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in
+Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben,
+zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers,
+op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te
+achten.--Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de
+Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers
+aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden
+om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten-
+en stedenbouw te danken hebben.
+
+Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander
+ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing,
+plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot
+gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië,
+niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als
+grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden.
+
+De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische
+bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers,
+de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van
+hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van
+Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije)
+verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken
+door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot
+aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van
+Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de
+Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der
+Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten
+de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en
+Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over
+de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben
+drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en
+tot het hart van Thüringen.
+
+Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele
+Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna
+_zonder_ Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers
+moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud
+vaderland terug _veroveren_. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid
+in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest,
+waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk
+Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben
+deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke
+wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude
+grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote,
+hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot
+aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij
+zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast
+de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving
+zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van
+het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers
+te beschouwen.
+
+Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing
+en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen,
+nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische
+schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar
+Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan
+den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben
+de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden
+overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd
+gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene
+ten minste grootendeels terug te krijgen.
+
+
+
+Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier
+namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de "Brukteren,"
+de "Angrivariërs," de "Cheruskers," de "Chauken," de "Markomannen"
+en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de "West"- en
+"Oost-Gothen," de "Longobarden," de "Bourgondiërs," de "Vandalen,"
+de "Gepiden," de "Herulers" en nog vele andere uit de wouden van
+Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen
+weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen
+eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken,
+of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante
+_volks_-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde
+wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken
+van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich
+daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene
+zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen
+"Hannoveranen," "Baden," "Wurtembergers," "Pruissen," geene Duitsche
+stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen
+aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere
+volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid
+hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het
+groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig
+zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in
+het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen
+zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen
+zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen
+onderscheiden.
+
+Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur
+bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de
+benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld,
+als zij ze nu nog in bezit hebben.
+
+Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den
+Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de
+Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië,
+uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der
+natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en
+karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing
+verdwenenen getreden zijn. Van een "Duitsch-Oostenrijker," een
+"Tyroler," een "Sileziër," een "Boven-Sakser" of "Meiszner," een
+"Brandenburger," een "Mecklenburger" of een "Lijflander," wisten
+noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw
+ontstane variëteiten van het Duitsche ras.
+
+Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche
+nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig
+de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen;
+zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner
+hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen.
+
+Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen
+kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene
+Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken,
+en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en
+Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga.
+
+
+
+Met den naam "_Allemannen_" en "_Beieren_," bestempelt men de beide
+hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.--Genen
+bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden.
+
+De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de
+Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de
+Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de
+rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het
+Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura
+en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten,
+tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke
+grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die
+door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt.
+
+Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke
+ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen
+vereenigd, waren de "Sueven" of "Schwaben" een even beroemde Duitsche
+volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in
+elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen
+en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd
+tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne
+gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil
+bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder
+van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt,
+de _Allemannische_ in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan
+den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau.
+
+Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben
+de Franschen den naam "Allemands" voor het geheele volk ontleend. Zelfs
+nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in
+het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand
+Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben
+tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd,
+en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche
+natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens
+"banierdragers" zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden.
+
+Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen
+gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook
+de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche
+steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg,
+Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei
+en gewicht gebracht.
+
+De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische
+dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen
+de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect,
+voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs
+de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het
+Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd
+vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect.
+
+Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam
+zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan
+de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene
+geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de
+uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals
+een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars
+zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd
+geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg,
+zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische
+kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone
+Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste
+Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg.
+
+Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der
+Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de
+eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende
+Schwabische Hertogdom, een einde.
+
+Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en
+Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook
+in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland,
+door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde
+"Schwabische steden-verbond," waartoe ook vele niet-Schwabische steden
+toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in
+het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den
+roofridder-tijd en aan het vuistrecht.
+
+Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte,
+kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche
+stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af,
+en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne
+broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en
+den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de
+Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand
+in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen
+in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van
+hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele
+hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber,
+Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij
+in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede
+verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen,
+dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche
+moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden,
+is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar
+getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische
+stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk.
+
+
+
+Het "lustige Schwaben," zooals velen het noemen,--anderen zeggen,
+misschien met meer recht, het "tobberige Schwaben"--eindigt,
+zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland
+ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche
+hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende
+Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de "Bojen"
+(vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf
+Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond,
+en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van
+den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en
+het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand
+tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom
+stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde
+Regensburg werd.
+
+Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve
+mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en
+beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk
+hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen
+en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al
+deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van
+den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche
+dialect in al deze streken, onder den naam van _Beiersch-Oostenrijksch_
+dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk,
+heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen
+zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud,
+tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de
+kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat
+en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die
+der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke
+beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds
+die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat
+in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau,
+Hannover, Pruissen enz.
+
+"De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen
+stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij
+met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd
+niet zeer gewillig instemden." Reeds in de middeneeuwen, hebben zij
+onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen,
+de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl
+bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en
+pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt:
+"een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,--ook
+nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal."
+
+Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht
+gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij
+"Lutheraansch Duitsch," noemden, langen tijd niet wilden aannemen,
+hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der
+literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren
+voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving
+en ontwikkeling.
+
+Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd,
+en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook
+sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd,
+en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap
+geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende
+kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten,
+met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en
+kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie,
+met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten,
+zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden.
+
+Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam
+dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond
+getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd
+Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen
+te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde
+Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal
+gevoel op te wekken.
+
+In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel,
+nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. "De Beieren, vroeger
+dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche
+eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen
+geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de
+laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen
+Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken
+de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd.
+
+
+
+Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal
+der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de
+Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers
+geworden zijn.
+
+Geheel en _uitsluitend_ kan men deze "Tyrolers" wel niet als
+een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven
+gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in
+hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij
+dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs,
+oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren
+hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het
+langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben
+hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar
+intusschen na de verbrokkeling van het groote "Bavaria,"--alle
+bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand
+onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het
+slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met
+behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam "Tyrolers," een
+afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge
+Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het
+integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor
+zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde.
+
+Geen der Duitsche stammen is langs de oude wegen en bergpassen
+van den Brenner [69] zoover in het Italiaansche land en klimaat
+vooruitgedrongen als de Tyrolers. Zij zijn tot diep in het schoone
+Etsch-dal afgedaald en hebben Duitsch sprekende districten en
+volkjes--_Sette en Tredeci communi_, zelfs nog tot in nabijheid van
+Vicenza en Verona vooruitgedreven. In den nieuweren tijd echter zijn
+Duitschdom en Duitsche taal door de bewegelijke en daar woonachtige
+Italianen overstelpt en teruggedrongen.
+
+
+
+Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol,
+heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen
+Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in
+het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken
+verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in
+het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen
+grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de
+Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren.
+
+Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers
+het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders,
+gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels
+der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz,
+Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit.
+
+Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook,
+terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke
+Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond
+was, Duitsch gemaakt.
+
+Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen
+aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters
+achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele
+bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen,
+zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand
+van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en
+heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd,
+dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie
+koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men
+èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken,
+het een het andere zou doen overkoken.
+
+Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene
+eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na
+niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de
+oud-Beieren. "Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd
+uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de
+rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar
+men genoegen schept in muziek en dans." Van daar uit hebben zich de
+Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld
+verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de
+eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid,
+als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt.
+
+In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de
+verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich
+von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook
+werd in Oostenrijk het "Nibelungen-lied" zoo bij elkander gevoegd,
+als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna
+met hem op gelijke lijn staande componist der "Jahreszeiten" werden
+aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en
+dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit.
+
+Maar bij alle "zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid,"
+bij hunne, zooals men zegt, "geborneerde" naïviteit, moet toch een
+fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers
+steken. Want juist dit "land van het Duitsche epicurisme," met zijne
+prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote
+Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche
+volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden
+heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door
+de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en
+tot aan de Zwarte Zee toe.--Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte
+Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en
+Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde
+steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs.
+
+Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij
+meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral
+de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau
+woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen
+medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar
+overal de naam "Schwaab" de algemeene benaming voor een Duitscher is.
+
+Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want
+de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten
+Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide,
+stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af.
+
+Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon
+door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam
+gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche
+universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche
+wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche
+kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt.
+
+Niet alleen uit de talrijke, _geheel_ Duitsche provinciën van
+Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en
+Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering
+van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden,
+edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en
+kunstenaars voortgekomen.
+
+Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche
+Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen
+aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten
+musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der "Püsten" geboren
+zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom
+geput hebben.
+
+Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het
+geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene,
+zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke
+alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der
+ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een
+Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek
+is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van
+Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis,
+even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden.
+
+
+
+De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland
+zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken
+"Allemanno-Schwaben" en "Bavaro-Oostenrijkers," gemakkelijk te
+overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben
+daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote
+gedeelten en onderdeelen doen samen vatten.
+
+In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en
+veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland,
+vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord
+van eene menigte--tot een, met verscheidene mazen voorzien net
+samengeweefd--bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde
+vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische
+beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten,
+koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte
+af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen
+uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen,
+en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op
+engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan
+in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden.
+
+In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten--hier
+in het midden nog meer dan ergens anders--uit elkander gegaan, en voor
+"de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier
+het ware land." Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen
+men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier
+is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er
+talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote
+Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen
+in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede
+hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied.
+
+Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel
+samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander
+gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote
+Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke
+Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen,
+en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen
+deze en de Neder-Duitschers.
+
+Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van
+het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze
+Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle
+drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van
+allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers
+aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten
+Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers
+het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en
+de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men
+_alle_ Duitsche hoofd-dialecten. En _daaruit_ laat zich _gedeeltelijk_
+de liefde van _alle_ Duitschers verklaren voor hunnen "Vader Rijn,"
+wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en
+wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle
+stammen heentrekt.--De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste
+stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers,
+van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en
+geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz.
+
+De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen,
+die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan
+den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den
+Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten.
+
+Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het
+Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den
+naam van "Franken" ("Vrijen"), een machtig bondgenootschap van
+Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in
+twee groote afdeelingen, de zoogenaamde "Salische" en de "Ripuarische
+Franken." Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het
+Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten,
+terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De
+Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den
+Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en
+werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte
+Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische
+wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk
+als "het Frankische Hertogdom," dat tamelijk wel het voornaamste stuk
+van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van
+den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte.
+
+Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto's, het geslacht
+der zoogenaamde "Frankische Keizers," op. De Rhijnsche Franken waren
+ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in
+Duitschland.--Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook
+meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden.
+
+Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere
+gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam
+der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan
+den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte
+bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door
+Keizer Maximiliaan georganiseerde "Frankische Kreits." Frankisch bloed,
+Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten
+van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan
+de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel
+opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven.
+
+De Franken van den Main en van het daartoe behoorende deel van den
+Midden-Rijn, zijn een der wakkerste, begaafdste en gemoedelijkste
+Duitsche stammen. Bij hen bloeien de Duitsche wijngaarden. Zij
+stichtten de, nog heden ten dage groote handelstad Frankfort en
+bouwden Bamberg, Würzburg en andere steden, die een beroemden naam
+dragen. De machtige "Rijn-stedenbond" was hun werk. Bij hen kwam in
+Neurenburg het oudste, meest grootsche tijdperk van Duitschlands
+industrie tot bloei. Zij hebben den grootsten Duitschen schilder,
+Albrecht Dürer, en den meest populairen meesterzanger, Hans Sachs,
+voortgebracht. Door hen is de boekdrukkunst uitgevonden. [70] En in den
+nieuwsten tijd hebben zij, wat bijna tegen eene nieuwe uitvinding en
+een stedenbond opweegt, mannen als Goethe en den Vrijheer von Stein,
+aan het Duitsche volk geschonken.
+
+
+
+In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste
+takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de "Katten"
+of "Hessen." Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene
+periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad.
+
+Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren,
+de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af,
+en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne
+nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de
+dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens
+tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen
+zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het
+blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton,
+de "blinde Hessen" verwierf.
+
+Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne
+machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte
+Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote
+taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen
+naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene
+Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit
+landsvaders voor hen geweest zijn.
+
+Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, "men heeft daar groote schotels
+maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne
+in Hessen willen zijn." Den bewoners is ook iets van de schraalheid
+van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en
+achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land
+en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden.
+
+Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige
+groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars
+zijn uit het arme "Hessenland" voortgekomen.
+
+"Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog
+heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie
+als morgendrank dient." De weinige behoefte, die zij hebben,
+blijkt uit het spreekwoord, "waar Hessen versterven, kan niemand
+voedsel verwerven." Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding
+in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche
+leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden
+strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo
+merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en
+slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig
+op zijde geschoven heeft.
+
+
+
+Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de
+hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland
+heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of
+Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische.
+
+Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het
+volk der "Duren" of "Hermunduren," waarvan men later "Thüringers"
+gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege
+staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main,
+tusschen Bohemen en den Harz, het groote "Thüringsche Koningrijk"
+stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten.
+
+Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan
+het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef
+een "Thüringsch Hertogdom," later "Landgraafschap" bestaan: wèl
+onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak
+het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het
+Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern.
+
+Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende
+dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken,
+zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad
+heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen,
+hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche
+opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten,
+die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.--Daarbij
+kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de "Soraben,"
+die het Oostelijk deel van het oude "Hermunduren-land" waren
+binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen
+van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten
+en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt.
+
+Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk "Saksen," ofschoon
+het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark
+Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie
+beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand
+het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele
+oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene
+zijde der midden-Elbe, omvatte.
+
+Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van
+den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende
+verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede
+later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam
+langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten.
+
+"In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een
+degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor." Zij
+zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de
+Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne
+kolonisten in "Meiszen", de tegenwoordige "Opper-Saksers", gematigder
+dan de levendige Franken aan den Rijn. "Een kostbaar kleinood van den
+Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid,
+hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude
+tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den
+Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord:
+"in twee huizen, drie violen," getuigt.
+
+Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In
+de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als
+zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen
+afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit
+Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen
+nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het
+onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.--Ook heeft deze stam vele
+edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het
+Saksen-Coburg-Gotha'sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen,
+Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft.
+
+Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten,
+de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk
+Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn
+oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid
+van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers,
+en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede,
+door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei
+takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den
+Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, "met betrekking
+tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland." Hunne beide groote
+steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en
+industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt
+der Duitschers, en de andere "het Duitsche Florence", als Vorstelijke
+residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele
+beschaafde kringen uit alle landen.
+
+Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde "Opper-Saksers,"
+die men liever "Nieuw-Thüringers" noemen moest, bij alle andere
+Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere
+Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd,
+door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst
+geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming
+die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling
+en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen
+verspreide kennis.
+
+Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke
+groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing,
+Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende
+bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een
+groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen
+vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen
+geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude
+stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen.
+
+
+
+Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even
+als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op
+Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren,
+Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. "De
+Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal,
+zeden en denkwijze," ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder
+geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst
+onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam
+en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land
+natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks
+behouden.
+
+Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk,
+langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst
+door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden,
+zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan
+al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden-
+en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is
+het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche
+vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn,
+die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste
+hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit
+intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het
+gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden,
+door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd.
+
+Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het
+benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de "Opper-Sileziërs,"
+in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten
+en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat
+van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing
+dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal,
+tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot
+de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den
+grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak.
+
+
+
+In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van
+Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De
+Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn
+waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden,
+wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt,
+alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het
+tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan
+den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel.
+
+Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun
+land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat
+door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd,
+bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude
+Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. _Alleen_
+in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het
+Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen,
+de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche
+stammen kennen.
+
+Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder
+één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der
+onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden
+zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met
+den naam "Sakser-land", de geheele Noordelijke helft van Duitschland
+betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in
+het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten,
+met de woorden "_Saksen_" en "_Saksisch_", ongeveer hetzelfde bedoelen,
+wat wij Germaansch of Duitsch noemen.
+
+Het oorspronkelijk vaderland dezer "Saksers", zou in het Cimbrische
+schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland,
+gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst
+naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de
+hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van
+hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot
+een "Saksisch" land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende,
+weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen
+genaamd) weinig meer te maken had.
+
+Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten,
+als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere
+Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den
+Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk
+vereenigd.
+
+In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst
+volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het,
+zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone
+energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden
+hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in
+dit rijk innamen.
+
+Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland,
+en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken,
+ontstond ook een groot "Hertogdom Saksen," dat geheel Noord-Westelijk
+Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der
+Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen
+de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende
+eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige
+zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en
+de Otto's gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon--tot op den
+allernieuwsten tijd--niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen.
+
+Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans
+geene winst gehad. Hunne Otto's, welke die taal spraken, konden
+haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche
+dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar
+veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te
+herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen,
+en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde
+Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers.
+
+Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers,
+het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden
+van de Elbe, het zoogenaamde "_transalbingsche Saksen_," dan mag men
+wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere
+degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls
+roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd,
+dikwijls vol lijden geweest is.
+
+Tegen de Slawische Wagriërs, die hun land binnendrongen, hebben zij
+zich met goed gevolg verweerd en hen in Duitschers veranderd. In
+Dithmarschen [71] hebben zij eene boeren-republiek gesticht, welker
+roem bijna met die der oude Zwitsersche kantons overeenkomt. Met
+hunne Noordelijke naburen, de Denen, die steeds op hen instormden,
+hebben zij meermalen heldhaftig gestreden en tegen hen, in den loop
+der tijden, roemrijke slagen geleverd. Ofschoon in den nieuweren
+tijd hunne ondernemingen tegen de Denen ongelukkig waren, en deze
+met verdeensching en vele, aan de Duitsche nationaliteit vijandige,
+maatregelen tot hen kwamen, hebben zij altijd aan hunne Neder-Saksische
+taal en gewoonten vastgehouden, en deze zelfs nog verder in het
+Denenland, ver over den Eider, de oude Duitsche rijksgrens, tot
+in Schleeswijk verbreid. Zelfs als zij aan de Denen staatkundig
+onderworpen waren, toonden zij zich toch zoowel voor de intellectueele
+als voor de materieele uit- en aanbouw van het Cimbrische schiereiland
+(Jutland) en van geheel Denemarken, even invloedrijk als b.v. de
+Duitschers der "Oostzee-provinciën" voor Rusland.--De allernieuwste
+tijd heeft hen van de Denen, waarmede zij als het ware samengegroeid
+waren, ook staatkundig weder losgemaakt, en hen weder aan hunne oude
+Noord-Duitsche stamgenooten, wien zij den ouden naam gegeven hebben,
+en vervolgens ook aan geheel Duitschland toegevoerd.
+
+De _Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe_, waren in drie
+hoofdstammen verdeeld, de "Engern," de "Oostfalen", en de "Westfalen,"
+wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald
+werden. "Engern" noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf,
+"Oostfalen," die ten Oosten van de Wezer wonende, en de "Westfalen"
+waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de
+Eems toe.
+
+De namen _Oostfalen_ en _Engern_ zijn verdwenen. Hunne nakomelingen
+werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten
+verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het
+oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige "Huis
+Hannover", het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern
+en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel;
+zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene,
+bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn
+te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene,
+Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte
+op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen,
+dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als
+dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën
+en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den
+grooten schoot hunner moeder geplaatst.
+
+De "Westfalen" hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle
+scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen
+waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun
+oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren
+van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte
+tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar
+den Rijn stroomen.
+
+Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden,
+de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op
+Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de
+naam "Hertogdom Saksen" reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen
+tijd een groot "Hertogdom Westfalen," evenals na de verdeeling van het
+Duitsche rijk in kreitsen, een even groote "Westfaalsche kreits." Ook
+Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om
+zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, "Westfaalsch Koningrijk,"
+in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen.
+
+"De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van
+oudsher uitmuntten," is zeker de hoofdreden van den langen duur van
+hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel
+overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne
+manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam
+is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd.
+
+Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en
+Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid
+geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, "het Neder-Rijnsche"
+bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen
+uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben.
+
+Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende
+en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van
+België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten
+aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later
+gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte
+der Noord-Duitsche vlakte.
+
+
+
+De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden
+vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed
+te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende
+veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste
+eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het
+stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen
+de Slawen optrokken.
+
+Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het
+tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam
+het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in
+aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig
+aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte
+stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer
+Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het
+Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten
+invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen.
+
+In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder
+Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den
+Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in
+_politiek_ en _heerschappij_ ineenstortte, zoo langzaam is het--op
+sommige plaatsen ten minste--in taal en _zeden_ verdwenen. Nog in
+het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der
+Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche,
+midden in Neder-Saksen, eene streek, het "Wendland" genoemd, waarin
+Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn.
+
+Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar
+Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne
+Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier
+aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen
+(Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw,
+een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin,
+beleenden.
+
+Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser
+Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische
+Vorsten-familiën geworden is, werd de naam "Saksen" op dit Duitsche
+kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen,
+ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer
+streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het
+meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer
+van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was
+het gevolg, dat ten laatste de naam "Saksers," die in het eigenlijke
+vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch
+volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste
+Vorsten ontvangen had.
+
+
+
+Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers
+reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst
+omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om
+zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark
+uit, de oude Slawische Vorsten-residentie "Brennabor" (Brandenburg)
+veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van
+een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste
+provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is,
+en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het
+verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten,
+ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben.
+
+In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers,
+Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke
+residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer
+kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige,
+werkzame en scheppende karakter en geest van het "moderne Markerdom,"
+dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte
+Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde.
+
+
+
+Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der
+Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan
+de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben
+zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die
+hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd,
+hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers
+en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook
+zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het
+rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen
+naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch
+Vorsten-slot "Mikilin-burgt."
+
+Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den
+loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu
+nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten
+het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van
+Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene
+groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele
+wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel
+ouderwets bewaard hebben.
+
+
+
+Aan de "breitspurigen Mecklenburger" [72] en aan de stramme, hoekige,
+oorlogzuchtige Markers, sluiten zich in het Noorden en Oosten, de
+ruwe bewoners van Pommeren aan, wier geschiedenis en verduitsching
+zeer veel overeenkomst heeft met die hunner Westelijke naburen.
+
+De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als
+"bewoners van de oevers der zee," leefden aan weerszijden van den
+Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die
+echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten
+werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam
+in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de
+Vorsten van Brandenburg overgingen.
+
+Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch
+opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land
+binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch
+(plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de
+oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke
+geslachten, versmolten.
+
+Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en
+hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck,
+wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid
+werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in
+het binnenland.
+
+De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow,
+reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd:
+"zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal
+haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan
+verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins
+grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop
+te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die
+zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich
+en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast." Hunne
+"grofheid" heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen
+en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald,
+de kern van het Pruissische leger uit te maken.
+
+Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende
+uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij
+de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een
+dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde
+"Pomerellen", gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch,
+Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche
+Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen
+tijd onder hunne macht gehad hebben.
+
+Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van
+het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het
+land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig
+met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op
+verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing
+van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen
+in _geheel_ Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als
+uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht.
+
+De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het
+Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij _alle_
+Duitsche stammen.--De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet
+de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen
+kolonisten en immigranten uit _alle_ deelen van Duitschland, soms
+uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit
+Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel
+trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door
+haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke
+bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur
+bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische
+provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische
+Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der
+orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook _deze_
+Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische
+tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect.
+
+Door dezelfde Hanzeatische schippers en kooplieden was het
+Neder-Saksische kolonie-gebied, reeds sedert het midden der 12de eeuw,
+nog verder Oostwaarts tot aan de rivier de Duna in het land der Liven
+vooruitgeschoven. Zij en de aartsbisschoppen van Bremen stichtten hier
+de Hanzeatische dochterstad Riga, als ook de "Zwaardbroederen-orde"
+[73] die zijne leden voornamelijk uit Saksen en Westfalen trok,
+en langzamerhand Lijf-, Esth- en Koerland veroverde en bezette.
+
+Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak
+gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in
+Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw
+was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte
+toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit
+van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de
+nabijheid der Newa reikte, "en een tijdlang een der bloeiendste en
+best bestuurde rijken van Europa was."
+
+De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en
+stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den
+Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit
+vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke
+tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche
+kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij.
+
+De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken
+gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen,
+eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop
+in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen.
+
+In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen
+geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle
+verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200
+jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander
+afgelost hebben, het is blijven bestaan.
+
+In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht
+van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door
+de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche
+huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende
+Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet
+te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten
+met hem ten slotte verbonden Duitschen staat "Pruissen", helaas! niet
+Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners
+van die streek.
+
+In Oost-Pruissen ("Pomerellen"), dat nog lang Poolsch bleef, en
+eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793)
+met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder
+talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland,
+waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de
+vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl
+in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en
+adellijke geslachten bloeien.
+
+Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene
+Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken
+adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander
+verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer
+landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg,
+waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten
+in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom
+noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van
+Koer- en Lijfland zooveel Slawische "ows", "tzows", "itz" en "plitz",
+als in de landen, nader bij Duitschland gelegen.
+
+Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale
+geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar
+vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die
+Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen.
+
+Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit
+Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder
+en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers
+uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds
+vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben
+voortgebracht.
+
+Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en
+wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik
+moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een
+bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken,
+daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich
+hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen.
+
+In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse,
+nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in
+gebruik geweest.
+
+Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische
+Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral
+uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en
+burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel
+uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als
+de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het
+verre Noord-Oosten beschouwen.
+
+
+
+Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen
+en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers
+verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid
+heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en
+gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af
+eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben
+veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd
+dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van
+denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren.
+
+De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij
+nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg
+bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers
+zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat,
+het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge
+mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden,
+tot zeer hoog op na te gaan.
+
+Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt,
+is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun
+toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen,
+die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men
+de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst
+in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds
+zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen,
+als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers.
+
+In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke
+gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. "Heilig," zegt hij,
+"is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van
+alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam
+en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer
+gevoelens en gedachten is.--Zij zijn de eenige onder de barbaren die
+slechts _ééne_ vrouw nemen."
+
+Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus,
+de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren
+zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die
+opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen,
+hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het
+christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn.
+
+"De vrouw," zegt Tacitus verder, "staat bij de Duitschers in hooge
+achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs,
+dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft
+voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche
+Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden."
+
+Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht
+bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de
+Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten
+en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. "Het is wel bij de
+Duitschers voorgekomen," zegt Tacitus, "dat hunne vrouwen door beden
+en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den
+strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den
+vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten."
+
+Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen
+volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche
+rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren,
+geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde,
+Europa, de vereering "onzer lieve vrouw", van moeder Maria, tot eene
+te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken,
+bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte,
+de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk
+met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke
+hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den
+Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van
+Veleda te danken.
+
+Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille
+harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot,
+en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even
+als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan
+minnen en bedienden over. "Hare knapen," zoo meldt Tacitus verder,
+"spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de
+deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op."
+
+Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin
+ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en
+opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere
+wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die
+ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs
+gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid,
+familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en
+in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden "_home_", "_hjem_",
+even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende "_daheim_".
+
+Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers
+geeft, is vervat in deze weinige woorden: "niemand lacht bij hen om
+de ondeugd." Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen
+voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel
+afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige
+gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en
+het woord "_frivolité_" niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den
+spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher
+eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen
+karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter
+hunner naburen, de Franschen.
+
+Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden
+beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken
+te zijn. "Klagen en weenen," zegt hij, "geven zij _spoedig_ op,
+smart en treurigheid zeer _laat_,--zij _gedenken_."--Moet men niet
+gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen
+der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is,
+die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van
+het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt;
+die geen "smartkreet" kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve
+pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts "_leeddragers_." "Zij
+gedenken," zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze,
+waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders,
+treuren--om van ons zelven te zwijgen--gade te slaan, dien zal de
+waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen
+niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden "_Eingedenk_",
+"_Erinnerung_," waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden,
+doen eene snaar in ons binnenste trillen.
+
+Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan
+twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst
+Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij
+bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid
+aan hunne Vorsten ontdekt heeft. "Bij hunne Vorsten de eerste plaats
+in te nemen," zegt hij, "is bij alle Duitschers eene zeer begeerige
+zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral
+verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs
+hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt
+hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, _na_
+den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn."
+
+Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten
+gedaan en _geduld_ hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog
+bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne
+Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets
+van die uitspraak terug te nemen.
+
+Ook op menige der nationale _ondeugden_ en _gebreken_ der Duitschers,
+die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het
+drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof,
+heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der
+Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die
+der Indianen in Amerika. "Zij zijn daarin," zegt hij, "zoo onmatig,
+dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als
+zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten
+delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen
+en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij."
+
+Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór
+Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er
+over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van
+Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat
+zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben
+de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers,
+geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in
+zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: "daar nu eenmaal ieder
+land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig
+een wijnzak gekregen."
+
+Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen
+voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus
+verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk
+arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens
+en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van
+"een _roes_ van genot", van "_dronken_ van wellust", van "_dorst_ naar
+daden"; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart
+van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat "_Hopfen und Malz_
+an ihm verloren sei" (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het
+oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den
+onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters
+zingen zelfs: "wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver
+Mann" (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man),
+en verklaart hem "für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang"
+(voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof
+ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink-
+en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde
+tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden.
+
+Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der
+Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen
+te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. "In het zweet
+huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen
+kunnen," zegt hij, "houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk
+zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te
+verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen
+zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan
+ledigheid en slaap, in trage rust."
+
+Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van
+Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is;
+menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in
+alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het
+woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws
+aanschijns zult gij uw brood verdienen;--bij wie de _lust_ tot den
+arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is.
+
+De Duitschers hebben zich, niet _moeielijk_, zooals Tacitus
+vreesde, maar veeleer _bijzonder gemakkelijk_ laten overhalen, de
+ijverigste landbouwers der wereld te worden. Niet alleen hunne eigene
+Hercynische [74] wouden en vuile moerassen hebben zij in bouwgrond
+en tuinen veranderd, maar ook overal, waarheen in het buitenland
+hunne landlieden geroepen werden, in Skythië (Rusland), in Dacië en
+Pannonië (Hongarije), in Amerika, daar is de woeste natuur vriendelijk
+en productief geworden.
+
+Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de
+Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller
+werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk
+geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst
+van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn
+in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend.
+
+Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar
+schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers
+geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in
+verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in
+bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen.
+
+Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was,
+zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner
+Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. "De
+Germanen houden het," zegt hij, "de grootheid der Godheid onwaardig,
+dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante
+verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die
+bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied
+aanschouwen.
+
+Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen
+geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij
+Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote
+liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt
+met de godsdienstleer van hem, die sprak: "ziet de leliën op het veld,
+hoe zij groeien."--Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher)
+het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers
+gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn
+lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen,
+en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen,
+de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel
+ademt, geurt, suist of ruischt.--En wat meer in het bijzonder de
+door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt,
+zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor
+hen bewaard, dan de Duitschers. Voor "dat, wat het woud vertelt,"
+voor de "eenzaamheid des wouds," voor "droomen des wouds" enz. hebben
+hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende
+uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema's van Duitsche
+gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene
+lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers.
+
+"De tempeldienst en de _vorm_ der kerken is den Duitschers nooit zoo
+diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken." Hunne
+philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld
+geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen
+gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den
+Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen,
+toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest,
+"die geene muren en beelden voor de Godheid wilde," die reeds in den
+heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs
+bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige
+vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten
+duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte,
+en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast
+en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van
+andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne
+staatkundige omwentelingen bijna altijd--tot op onze dagen--den
+spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers
+geweest zijn.
+
+Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets
+kwaads. "Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen
+bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde
+richting aan,--wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen
+geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met
+het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn
+eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot _stellige_
+zekerheid en vastheid komt.--De schrik voor dezen, onder de Duitschers
+zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele
+eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt,
+en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest
+afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een
+geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze
+blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen
+en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het
+bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het
+in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen.
+
+Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die
+tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan
+hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij "romaansch formalisme"
+noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van
+het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele
+uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen,
+Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer
+volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken
+vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt
+onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze
+uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij
+vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht
+en lief huisje bouwden, en ons--ietwat dichterlijk--met weekdieren
+zonder huis, figuur of schaal.
+
+Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat "formalisme" den Duitscher
+niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig
+overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het
+is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene
+nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er
+zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den
+geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen
+uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij
+gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna
+onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer
+scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke
+nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat
+"_indécise Allemagne_", iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische
+zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in
+lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in
+iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de
+waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt
+iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel
+uiterlijk voor zich.
+
+Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen
+daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk
+verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben,
+of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men
+later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de
+trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet
+ik weder de Israëlieten noemen--ik kan even goed van de Engelschen
+of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij
+de laatste kindskinderen duidelijk in het oog.
+
+Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in
+hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer,
+veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. "Elders,
+niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de
+republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling
+aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen
+en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene
+tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens
+aan gewend heeft, veel gemak oplevert."
+
+Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen,
+ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur,
+spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd "formalisme"
+evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele
+vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer
+dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en
+kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde
+metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van
+de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische
+voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in
+gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De
+treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect,
+den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt
+het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed
+slot. Ook die hebben iets van dat _indécise Allemagne_, iets breeds,
+vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter
+meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten,
+dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht
+wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van
+hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken
+te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat,
+aan duidelijke omtrekken en aan vorm.
+
+Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden
+stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en
+menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond,
+als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in
+oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden,
+zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.--Bij vele Europeesche
+volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw
+een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van
+kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier
+alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig,
+nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het
+gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt,
+als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt:
+"alleen in tooi, verrukt Apollo mij." Verscheidene dezer volken,
+hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat
+zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst,
+hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner,
+ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de
+nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden,
+ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn.
+
+Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele
+overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo
+b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de
+Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets
+nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of
+gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze
+van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering
+van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo
+zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan
+daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van
+uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het
+kleinste gedeelte komen.
+
+"Als wij," zegt Falk, "de Duitsche kostumes, van de herders
+en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en
+Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen
+wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks-
+en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het
+kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog
+een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden.
+
+Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het
+geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets
+recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar
+eene andere zijde gekeerd.
+
+
+
+Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt
+tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen
+en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken
+met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs
+bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich
+vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De
+Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals
+deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en
+bewegen zich slechts langzaam,
+
+De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls
+even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke
+ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder
+naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit
+komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene
+lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter
+samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch
+leven, werken en denken, ontmoet men het.
+
+Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne
+stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden
+van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en
+rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar
+in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers
+van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd,
+dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die
+der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig
+iederen wenk in de verte gevolgd zijn.
+
+Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht,
+dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle
+naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders
+en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor
+hunne Afrikaansche veroveringen.
+
+Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de
+reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs
+niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen.
+
+Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard,
+aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden
+en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher
+grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven
+zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen,
+om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel
+te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de
+trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille
+der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische
+of wetenschappelijke doeleinden na te jagen.
+
+En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende
+toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen
+makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende
+studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet
+ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje.
+
+Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel
+"Oden" aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de
+kraanvogels van Ibicus,--"wandelaars nachtliederen",--lofzangen op eene
+wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht--op herberg--verblijf
+of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,--zooveel poëtische vragen
+aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,--aan de
+eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,--als in de Duitsche
+literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe
+lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze
+horizon--de schemerende verte--zijn zaken die bij de Duitsche dichters
+eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen.
+
+De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de
+Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt,
+en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen
+hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust
+tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan
+alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige
+reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele
+boekdeelen bestaande, als de Duitschers.
+
+En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner
+Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen
+werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in
+Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen
+en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der
+beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te
+versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan
+Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche,
+Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa's navolgingen
+van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland,
+een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder
+aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen
+een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte.
+
+Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in
+het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete
+Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij
+te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal
+heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. "De
+Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen
+schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien,
+te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten,
+eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen."--Veel
+vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het "uit de verte"
+kwam.
+
+In het bijeenverzamelen en het overnemen van alles wat vreemd is, zijn
+de Duitschers onvermoeid geweest. Er is geene literatuur in Europa,
+die aan vertalingen uit alle oude en nieuwe talen zoo rijk is als de
+Duitsche. Geen volk kan zich beroemen, zich de voortbrengselen van den
+geest van alle landen en volken, zoo eigen gemaakt te hebben als de
+Duitschers. "Zij hebben zich door hunne literarische veroveringen, de
+geestelijke rijken der volken van den aardbol ontsloten, de bloesems
+der poëzie, alsmede de vruchten der wetenschappen van de meest
+verschillende luchtstreken en uit de meeste verschillende tijden, bij
+zich inheemsch gemaakt," Het Duitsch is daardoor de sleutel tot groote
+schatten geworden, en zeker schijnt het, dat als een vreemdeling zich
+een levend taaleigen zou willen eigen maken, waardoor hij zich in alle
+overige literaturen het gemakkelijkst te huis zou willen gevoelen,
+hij geen ander zou moeten kiezen, dan het Duitsche.
+
+"Hierdoor is den Duitscher, bij al zijne uiterlijke stijfheid, eene
+innerlijke geestelijke vlugheid en buigzaamheid in hooge mate eigen
+geworden, waardoor hij het niet-Duitsch verstaan, het vreemdste in
+zich opnemen kan, waardoor hij zich zelven zoo gaarne uitdrukt, vermag
+te verplaatsen in het wezen van anderen, en het hem mogelijk is zich
+vreemde gedachten en zienswijzen eigen te maken." "En dit," zegt een
+Duitsche schrijver (Arndt), "is een onzer kostelijkste gaven."--Zeer
+waar. Maar merkwaardig is het toch, dat ook hier de uitersten elkander
+raken en contrasten vormen. "Bij alle ontvankelijkheid hunner borst
+voor groote gedachten uit het boek van het menschelijke natuurrecht,
+bij al hunne gemakkelijk op te wekken deelname in de smart en de
+vreugde dezer wereld, gaan zij toch ook van oudsher mank aan geheel
+tegenovergestelde kwalen, aan klein-steedschheid en burgerlijkheid.
+
+Wie zou het gelooven "de meest kosmopolitische aller wereldburgers,
+zijn tegelijkertijd ook dikwijls genoeg de eenvoudigste kleinburgers
+geweest." De breedvoerigste, Duitsche wandelaars zijn ook de echtste
+huishennen geweest. Naast de waarachtig meest ruime zienswijzen en de
+groothartigste gevoelens, die hunnen grooten geesten eigen waren,
+en die een hunner dichters het vers ingaven: "Seid umschlungen
+Millionen!" vindt men niet zelden juist onder de Duitschers
+"de kleingeestigste beschouwingen, de kortzichtigste hoofden, de
+bekrompenste verstanden, menschen van het meest beperkte begrip."
+
+Duitschland, het land der Leibnitzen en Kanten, is tegelijk het
+vaderland der echte Schöppenstädter en Schildaër. "Zulke kostelijke
+botterikken (Einfalts-pinsel)," zegt een geschiedschrijver der Duitsche
+nationaliteit (Prof. Wachsmuth), "als overal in Duitschland, vindt men
+nauwelijks bij eenig ander volk, noch bij de Engelschen die daartoe
+te weinig naïve kinderlijkheid hebben, noch bij de Franschen wien
+het daartoe aan humor ontbreekt, noch ook bij de Slawische rassen
+die daarvoor in den regel te veel sluwheid bezitten."
+
+De vertelseltjes van Schwabische of Pommersche staaltjes van
+eenvoudigheid, zijn volstrekt niet bij de Duitschers afzonderlijk
+gebleven. Veeleer is het zaad daarvoor in alle Duitsche landen
+opgekomen. Iedere volkstam, iedere provincie heeft bij hen zijne
+plaats, die om hare onnoozelheid bekend is.
+
+Ja! bij hen bestaan niet alleen de onbevooroordeeldste en vrijgevigste
+geesten, _naast_ de meest beperkte verstanden; maar juist hunne
+burgerluitjes (Philister, Kannegiesser, Spiessburger), die, waar
+het praktische zaken geldt, op duizend hinderpalen stooten, zijn
+meestal juist dezelfde menschen, die met betrekking tot het ver van
+hen verwijderd liggende, een waar wereldburgerschap huldigen.
+
+Men moet daarom gelooven, dat--ten minste gedeeltelijk--juist de
+Duitsche kleinsteedschheid en kleinstaatschheid de broeikas van
+het hun ingeplante kosmopolitisme geweest is. Juist omdat zij te
+veel in eene, tusschen muren eng ingeslotene Schwabische stad,
+aan een pijnlijk klein Thüringsch hof leven moesten, juist daarom
+gevoelde hun geest, nog meer dan hij het reeds van nature deed,
+zich tot eene grootere ideale wereld getrokken, en leed hij dan ook
+aan wereldsmart, aan Europa-moêheid en dergelijke kwalen. Zoo eenige
+natie, dan had de Duitsche, om haar van dergelijke kwalen te genezen,
+en om van hare "kostelijke gaven" gebruik te kunnen maken en ze voor
+ontaarding te bewaren, behoefte aan verzameling, concentreering en
+verharding.--Maar ook juist een volk van zoo groote universaliteit,
+van zoo groote kosmopolitische gezindheid als het Duitsche, dat veel
+meer humaniteit dan gevoel van eigenwaarde en egoïsme bezat, en dat
+in Europa een met bijna alle andere volken en machten saamgegroeid
+gebied bewoonde, moest zijne pogingen, om nationale en politieke
+eenheid bij zich in het leven te roepen, bijzonder moeielijk vallen.
+
+Zij zijn later met elkander saamgesmolten en hebben later hunne
+uiterlijke vestiging tot stand gebracht, dan de meeste andere groote
+volken van Europa. "Het is een opstandings-proces geweest, dat
+eeuwen geduurd heeft, en met allerlei wisselingen en veranderingen
+te kampen had."
+
+
+
+De gunstige uitslag en de zege, die de pogingen der Duitschers om
+tot eenheid te komen, eindelijk gehad hebben, werden aanhankelijk
+door Luther's kerkhervorming voorbereid. Deze groote beweging der
+geesten, waarbij vele andere Europeesche volken de Duitschers, die de
+vaan droegen, volgden, gaf hun vrijheid van denken en verschafte aan
+hunne philosophen een terrein, waarop zij zich vrij bewegen, waarop
+zij gedijen konden. Bijna alle groote nieuwere denkers en verlichte
+geesten van Duitschland, die aan het volk roem en kracht verschaften,
+ontstonden uit het protestantisme, dat, naar te hopen is, in zijne
+verdere ontwikkeling, in nog hoogere mate dan tot nu toe het geval
+geweest is, de zuurdeesem van de Duitsche eenheid worden zal.
+
+Door zijne bijbelvertaling en wat haar volgde, gaf Luther aan de
+Duitschers tegelijk een begin tot eene algemeene schrijftaal, die
+langzamerhand ook als taal van het dagelijksch verkeer, in het gebied
+van alle Duitsche stammen binnendrong, en die nu allen als hunne
+moedertaal, als een dierbaar goed, beschouwen. Daar deze taal ook
+steeds meer en meer, ook in de laagste klassen van het volk, doordrong,
+werd zij een machtige hefboom ter versterking van het nationaal gevoel
+en ter vereeniging. In haar ontbloeide langzamerhand, vooral in de
+18de eeuw, eene heerlijke literatuur. Groote dichters en schrijvers,
+die bij het volk algemeen bijval vonden, en in alle Duitsche landen
+met steeds toenemende geestdrift bemind werden, stonden op.
+
+Even als in de poëzie en in de fraaie letteren, zoo stonden ook bijna
+gelijktijdig op het gebied van andere kunsten, vooral op dat van
+muziek, groote talenten en geesten onder de Duitschers op, die met
+hunne heerlijke composities het geheele volk aangrepen, en weldra,
+even als de dichters, als de geestelijke Koningen der Duitschers
+vereerd werden. Zij spanden en slingerden, even als de dichters,
+onzichtbare banden om alle stammen van het volk, die op deze wijze
+vele beroemde mannen verkregen, waarop zij trotsch konden zijn,
+en in wier bewondering zij allen eenstemmig waren.
+
+Dezelfde beweging, die de algemeene Duitsche schrijf- en
+literatuur-taal en dichters en denkers in het leven riep, deed ook
+onder de Duitschers eene sterke staatsmacht, waarom zij zich scharen
+konden, ontstaan. Het protestantsche Pruissen greep, klein beginnende,
+steeds verder om zich heen. Reeds in de 17de en 18de eeuw verrichtte
+het, onder flinke Vorsten en veldheeren, groote daden, die aan de
+wapens der Duitschers algemeene achting verschaften, en in het begin
+der 19de eeuw redde het in roemrijke volkenslagen--wel niet zonder
+de hulp van vreemdelingen,--Duitschlands onafhankelijkheid uit
+de klauwen van zijn erfvijand aan gene zijde van den Rijn. Steeds
+toenemende in aanzien, getalsterkte en gebied, werd het van nu af
+aan, als Duitschlands zwaard gevierd. Daar echter in den, na den val
+van Napoleon opgerichten, Duitschen Bond, nevens Pruissen nog eene
+andere groote macht, het slechts half-Duitsche Oostenrijk opgetreden
+was, zoo ontstond nu tusschen beide machten een langdurig tijdperk,
+waarin steeds onbeslist, een politieken strijd om de opperheerschappij
+gestreden werd.
+
+Hoe treurig het er ook, gedurende de geheele eerste helft der 19de
+eeuw, met die uitwendige of staatkundige eenheid der Duitschers
+dikwijls uitzag, zoo werkte het volk zelf toch, den eens ontvangen
+spoorslag volgende, in vele takken en gebieden des levens, aan zijne
+innerlijke samensmelting voort. Er ontstonden groote vereenigingen
+en vergaderingen der Duitsche natuur-onderzoekers, de Germanisten,
+Turners, zangers en later ook de algemeene Duitsche "Schützenbund",
+die patriotten uit alle klassen en uit alle streken des lands
+samenbrachten, en niet weinig bijdroegen tot eene inniger verbroedering
+van alle Duitsche stammen, landen en steden; ook begon de natie al ras,
+de herinnering aan hunne meest populaire "geestelijke Koningen," in de
+"Schiller-feesten" en dergelijke, met algemeene deelname te vieren.
+
+Ook de vroeger zoo universeele geleerden en onderzoekers werden steeds
+patriotischer. Vooral begonnen zij hunne moedertaal, de bron van alle
+nationale gevoel, hare geschiedenis, hare vorming, hare verbreiding,
+grondiger dan te voren te bestudeeren. Zelfs de afzonderlijke dialecten
+der Duitsche taal werden ijverig bestudeerd. En dit geschiedde
+niet meer, zooals vroeger, met kleingeestige en partikularistische
+bedoelingen, maar met betrekking tot het geheel, zoodat dan ook
+schrijvers of dichters in een bijzonderen tongval optraden en veel
+voortreffelijks voortbrachten, zooals b.v. de Alleman Hebel, of later
+de Neder-Saksische Fritz Reuter, Klaus Groth enz. of de Beier Kobel
+en niet alleen in hunne provincie roem inoogstten, maar hunne werken
+door geheel Duitschland genoten en toegejuicht werden.
+
+Niet minder ijverig legde men zich toe op de studie en de opheldering
+der geschiedenis van het eigen volk en van het vaderland. Zelfs de
+Duitsche Bond eischte dien arbeid, doordien hij het, reeds door den
+grooten Duitschen Stein opgevatte denkbeeld, ter daarstelling eener
+authentieke verzameling van alle bronnen der Duitsche geschiedenis,
+hielp verwezenlijken. Ook enkele Duitsche Vorsten, zooals b.v. de
+Beiersche, werden door dezen ijver bezield en riepen stichtingen
+in het leven, die datzelfde doel beoogden, het Germaansche museum
+in Neurenburg, de historische commissie in München enz. "Het veld
+der Duitsche geschiedenis werd ten slotte," zooals Giesebrecht zich
+uitdrukt, "mikroskopisch bearbeid." Iedere Duitsche historische vraag,
+ieder tijdperk der geschiedenis, iedere Duitsche provincie, iedere stad
+kreeg haren onderzoeker, hare "monumenta", hare beschrijvers. Dit alles
+was een gevolg van de algemeene patriotische vlucht in Duitschland,
+die het tegelijkertijd bevorderlijk was.
+
+Evenveel als men deed voor de verduidelijking der politieke
+geschiedenis van het volk, deed men ook voor die zijner literatuur. Ook
+daaraan werd "met ijverige miskroskopie" gearbeid, zoodat bijna iederen
+Duitschen dichter, niet alleen een Lessing, Schiller en Goethe, waar
+ook bijna iederen ouden minnezanger, eene eigene, door eene menigte
+lichtjes geïllumineerde kapel gebouwd werd, en dat het geheele volk
+in de scholen en elders, alle bijzonderheden in het leven en werken
+hunner dichters en in de wijze waarop de werken van hunnen geest
+ontstonden, om zoo te zeggen van buiten leerde.
+
+Een nog hechter en sterker band ter vereeniging, brachten echter
+de practische en handige Pruissen tot stand, namelijk het Duitsche
+"Zollverein", dat, verscheidene phasen doorloopende, langzamerhand
+schier alle Duitsche staten en stammen omslingerde, eene menigte
+oude scheidingsmuren tusschen de staten en stammen afbrak, en ten
+slotte eene bijna algemeene eenheid in Duitschen handel en verkeer
+in het leven riep. Het werd, door het zich langzamerhand over geheel
+Duitschland uitbreidend spoorwegnet, aanzienlijk in de hand gewerkt.
+
+Op deze en andere wijze werden de wegen tot vereeniging, in vele
+richtingen gebaand. De geest der Duitschers, hun nationaal-gevoel,
+hunne gezindheid was reeds één geworden. Het kwam er nu nog alleen maar
+op aan, dien geest den uiterlijken vorm te geven, de _staatkundige_
+banden der eenheid te smeden. De gebeurtenissen, die dit bewerkten,
+volgden slag op slag, en de Pruissen stonden ook daarbij weder als
+vaandeldragers vooraan. Zij gaven zich eene vrijzinniger wetgeving. Zij
+schiepen een groot parlement, waarin zich vele politieke talenten
+ontwikkelden en vormden. Pruissen werd dien ten gevolge weldra zoozeer
+en algemeen aangezien als het hoofd van Duitschland, dat zijnen Koning
+reeds in het jaar 1848, door liberaal gezinde en vaderlandslievende
+mannen, die te Frankfort samenkwamen en poogden een algemeen, eenig
+Duitsch parlement tot stand te brengen, de Duitsche Keizerskroon
+aangeboden werd. Maar ter aanneming eener dergelijke opdracht
+waren de zaken toen nog niet rijp genoeg. Keizerskroonen zijn in de
+geschiedenis zelden door parlements-besluiten of besprekingen van
+geleerden en ontwikkelden, in het leven geroepen. Zij kunnen ook niet
+saamgeschreven of gezongen worden. Meestal worden zij op slagvelden
+geboren. Zeker was steeds de geboorte gemakkelijker, als zij door
+zangvereenigingen, dichters en allerlei andere gunstige uitwerking
+hebbende bemoeiingen, voorafgegaan werd, maar de meeste menschen zijn
+niet door zingen of door praten, maar door daden te overreden. "Alleen
+de veldslagen, die voor het bestaan van een volk geleverd worden,
+wekken de massa, ook de bloodsten, op, en brengen geestdrift en een
+waas van het hoogere, tot zelfs in de armste hut. Bloed en ijzer
+moesten Duitschland aaneensmelten.
+
+Het eerst werd dat kleine, vijandige Noordsche volk, dat zoo dikwijls
+den toorn van Duitschland opgewekt had, met schitterend gevolg binnen
+zijne grenzen teruggeworpen. Vervolgens nam Pruissen den strijd met
+de half-Slawische Donau-macht op, voerde dien met gunstig gevolg en
+maakte een einde aan het, de eenheid meer dan iets anders hinderlijke,
+dualismus der opperheerschappij in het inwendige van Duitschland. Het
+met Slawen, Magyaren en Italianen saamgegroeide Oostenrijk, werd in
+weinige, krachtig gevoerde veldslagen uit Duitschland geschoven,
+en in dit land gebood nu slechts één wil, eene enkele politieke
+macht en wèl eene Duitsche. Zeer beslist trad deze echter in midden-
+en Noord-Duitschland op. De Zuidelijke Duitschers, de Allemannen,
+Schwaben en Beieren, aarzelden een weinig, en wisten nog niet goed
+wat zij doen zouden.
+
+Maar tot geluk der Duitschers, maakten hunne oude tegenstanders aan
+gene zijde van den Rijn, de Franschen, die reeds lang het begin van
+het vereenigings-werk der Duitschers met bezorgdheid en jaloezie hadden
+gadeslagen, zich op en vermanden zij zich tot het doen eener poging, om
+den voortgang van het werk der Duitschers tegen te houden. Plotseling
+vielen zij Duitschland aan, in de hoop, even als vroeger meermalen,
+een gedeelte van het volk op hunne zijde te zullen vinden. Tot hun
+schrik en nadeel bemerkten zij, dat zij te laat gekomen waren, dat
+door al de boven aangegeven voorvallen en gebeurtenissen, eene niet
+geringe versmelting en vereeniging in gezindheid en nationaal-gevoel
+reeds tot stand gekomen was. De Duitsche stammen en Vorsten volgden
+allen hunnen vaandeldrager Pruissen en bevochten--ditmaal alleen
+en zonder de hulp van vreemde machten--eene reeks der roemrijkste
+overwinningen op hunnen Westelijken erfvijand. In een zeer korten,
+met bewonderingswaardig talent geleiden en door een ongehoord succès
+bekroonden veldtocht, wierpen zij Frankrijk ter neder en namen
+het de beide oude heerlijke Duitsche provinciën, die het eens aan
+het Duitsche rijk en volk ontroofd had, weder af. En nu, nu de oude
+rijks-grenzen weder hersteld waren en de geheele natie van de ergste
+der haar dreigende gevaren gered was, nu nam ook Pruissen, de hem
+door de dankbare Duitsche Vorsten en volken andermaal aangebodene
+Keizerskroon aan.
+
+Op deze wijze is dus een rijk in het leven geroepen, dat ten minste
+de verreweg grootste massa der Duitschers, tot een machtig en een
+vereenigd lichaam samenvat. Wanneer ook al nog niet alles, wat men
+zou kunnen wenschen, bereikt is, en wanneer het ook al niet op die
+wijze bereikt is, als velen het verwacht hadden, zoo is ons (den
+Duitschers) toch meer ten deel geworden, dan de meesten der levenden
+durfden te droomen, of hoogstens als iets durfden te beschouwen,
+dat zij misschien in het verloop der tijden zouden kunnen verkrijgen.
+
+De gevolgen en resultaten van den grooten oorlog van 1870 en 1871, zijn
+niet alleen voor de Duitschers, maar ook voor alle volken van Europa
+gelukkig. Het vasteland kon zich niet rustig en wel te moede gevoelen,
+zoo lang zijn hart- en middel-volk zwak was, en tot aanhoudende
+aanvallen, botsingen en verwikkelingen, van alle zijden uitnoodigde. Nu
+is dit rustige, dit beschaafde midden-volk van Europa, dat zooveel
+scholen doorloopen heeft, tot kracht gekomen en heeft het onrustige,
+vredelooze volk der Galliërs, den ouden Europeeschen rustverstoorder,
+den schepter uit de hand gewrongen. Dat het Duitsche rijk van heden,
+niet met zulke ver reikende ideeën van wereld-heerschappij, zooals
+het vroegere oude "Romeinsche Keizerrijk der Duitsche natie," in den
+kring der Europeesche machten getreden is; dat het niets wil dan de
+herstelling der onafhankelijkheid en de bevestiging van het eigenlijke
+Duitschland; dat het er niet aan denkt, buiten-Duitsche veroveringen te
+maken; dat het een rijk des vredes is, heeft de tegenwoordige Duitsche
+Keizer Willem, reeds bij verscheidene gelegenheden geproclameerd. Maar
+ook het gezamenlijke Duitsche volk heeft het reeds sedert geruimen
+tijd bewezen, dat het gebroken heeft met de, den vrede van Europa
+verstorende, neigingen van hun middeneeuwsch Keizerschap. Het dweept
+niet meer met tochten naar Rome, met Donau-expedities en zulke, ver
+naar buiten voerende ondernemingen. Door al zijne organen (dichters,
+staatslieden, patriotten enz.) heeft het verklaard, dat het niets
+wil, dan hun Duitsch vaderland, den ouden Duitschen bodem, en het
+oude Duitsche taalgebied. Zeer duidelijk heeft het juist daardoor te
+kennen gegeven, dat het er reeds sinds langen tijd naaf gestreefd
+heeft, zich te scheiden van dien staat, dien nog veel van de oude
+verkeerde Duitsche Keizer-politiek der Otto's en der Hohenstaufens
+aanhing; die Italië, Hongarije enz. niet wilde laten varen; dat het
+zich daarentegen liet leiden door dien Noord-Duitschen staat, die,
+evenals eens de edele Duitsche koning Hendrik de Vogelaar, niets dan
+Duitschland wil.
+
+
+
+Schijnt het na het bovengezegde, dat men de vereeniging en versterking
+der Duitschers, als eene voor geheel Europa nuttige gebeurtenis
+beschouwen mag, zoo mag men uit een ethnographisch gezichtspunt
+ook op al de ontwikkelingsprocessen, die de meeste hoofdvolken van
+Europa in den loop der laatste drie of vier eeuwen doorgemaakt hebben,
+en op de resultaten, welke zij met behulp van het, hun meer en meer
+beheerschende "nationaliteits-principe," en van het steeds krachtiger
+geworden streven naar het verkrijgen van "natuurlijke grenzen,"
+met eenige bevrediging terugzien.--
+
+De _Spanjaarden_ hebben niet alleen de hun land binnengedrongene
+Afrikanen van hunnen bodem verjaagd, maar ook al de kleine rijkjes,
+waarin zij gesplitst waren, tot eene monarchie vereenigd. Zij hebben
+eene algemeene schrijf- en omgang-taal bij zich ontwikkeld, in Madrid
+een politiek en nationaal middelpunt, en de door zee en Pyreneën
+gevormde natuurlijke grenzen gewonnen.--Wel is hun verlangen, ook de
+Portugeezen, hunne broeders, naburen en medebewoners op het Pyreneesche
+schiereiland, politiek en nationaal met zich te vereenigen, nog niet
+tot vervulling gekomen. [75]
+
+De _Italianen_ hebben, nadat bij hen eene gemeenschappelijke taal en
+literatuur tot bloei en in zwang gekomen is, in den jongsten tijd
+hun geheele schiereiland, met de er toe behoorende eilanden, van
+staatkundig particularisme gezuiverd, en van de Alpen tot Sicilië,
+een, het geheele volk vereenigend, Koningrijk tot stand gebracht.
+
+De _Franschen_ hebben, deels door verovering, deels door gelukkige
+erfenissen die hunne Koningen deden, alle deelen van het oude Gallië
+om hun Parijs vereenigd, en zijn nu tusschen de Vogezen, Pyreneën en
+Alpen, alsmede door de zee, als hunne natuurlijke grenzen, ingesloten.
+
+De _Nederlanders_ hebben eene scheiding der beide hoofdelementen der
+bevolking van hun land, de Germaansche Nederlanders en de Fransche
+Walen en Belgen, wier grenzen volgens het nationaliteits-principe over
+het geheel op bevredigende wijze aangegeven werden, tot stand gebracht.
+
+De _Engelschen_ hebben bijna al hunne vroegere, zoo groote Europeesche
+veroveringen en bezittingen op ons vasteland opgegeven, hebben zich
+tot hunne beide groote eilanden bepaald, en hunne bevolkingen,
+in taalkundige en politieke beteekenis, meer en meer vereenigd,
+ofschoon Ierland hen altijd slechts met tegenzin volgt.
+
+De _Denen_ zijn uit Noorwegen en Zweden geweken, en het groote
+Skandinavische schiereiland is tot aan den rand in het politiek
+bezit hunner oorspronkelijke bewoners, de Zweden en Noorwegers,
+die beiden binnen hunne natuurlijke grenzen tot een dubbel-staat
+vereenigd zijn. Ook tegen de Duitschers hebben zich de Denen binnen
+het natuurlijk gebied van hun eilanden-archipel en het daarmede
+samenhangende schiereiland Jutland teruggetrokken.
+
+De _Duitschers_ hebben de Zweden uit Pommeren, de Polen uit Pruissen,
+de Denen uit Schleeswijk-Holstein en onlangs de Franschen uit Elsasz
+en Lotharingen verdreven, en hun oude Germania tusschen Alpen en
+zee bijna geheel weder bijeengebracht en het taalkundig, krijgs-
+en staatkundig in hooge mate vereenigd, ofschoon hun daarbij echter
+nog veel te wenschen en te voltooien overblijft.
+
+De _Russen_ hebben zich van de opperheerschappij der Tataren bevrijd en
+tusschen de hun als natuurlijke grenzen gegevene zeeën, een krachtig,
+in taal en nationaliteit vereenigd, rijk gesticht.
+
+De _Magyaren_ hebben, met behulp der Oostenrijkers, de Turken uit hun
+land verdreven, en zijn onder het Oostenrijksche Vorstenhuis, tot de
+herstelling van een nationaal staats-organisme en tot literarische
+en taalkundige zelfstandigheid gekomen.
+
+De _Grieken_ zijn insgelijks, nadat zij zoo lang onderdrukt en
+van het schouwtooneel der gebeurtenissen afgetreden waren, als een
+nieuwgeboren en zelfstandig geworden volk, weder in den kring der
+Europeesche volken opgenomen.
+
+Zelfs den _Rumeenen_ is het gelukt, zich tusschen den beneden-Donau
+en de Karpathen een huis te bouwen, en eene soort nationale
+zelfstandigheid te erlangen.
+
+In elk geval, zeg ik, zijn dit voor een ethnograaf toch eenige
+zeer merkwaardige, en stof tot dankbaarheid gevende uitkomsten
+van het, in de natuur als ingeweven, nationaliteits-principe, dat
+de Europeesche volken sedert meer of minder langen tijd, gehuldigd
+hebben. Echter hebben geschiedenis en politiek eenige zeer grootsche
+ethnographische vraagstukken en knoopen, vooral de Poolsche quaestie
+en mede de zoogenaamde Oostersche vraag, die hoofdzakelijk draait om
+de grondvesting of het herstel der zelfstandigheid van de Slawische
+volken van Europeesch Turkije, nog niet opgelost. En zeker zullen
+in geheel Europa wel _nimmer_ toestanden in het leven geroepen
+worden, die in staat zijn alle nationale belangen en wenschen
+en _détail_ te bevredigen, en waarop een ethnograaf en vriend der
+ongestoorde ontwikkeling van het nationaal-karakter, met onverdeelde
+vreugde blikken kan. Nog minder kan helaas de vervaardiger der hier
+medegedeelde proeve van schildering dier toestanden en ontwikkelingen
+er op hopen, de eischen van zich zelven en van zijne lezers op
+voldoende wijze bevredigd te hebben. Misschien zal men wel geneigd
+zijn, hier de spreuk: _in magnis voluisse sat est_, (In groote zaken
+is het voldoende, gewild te hebben), een weinig in zijn voordeel te
+doen gelden. Mocht het hem slechts gelukt zijn, ten minste hier en
+daar het rechte getroffen, en op aangename wijze tot verder nadenken
+opgewekt te hebben.
+
+
+
+
+
+ERRATA.
+
+
+Pag. 42 tot en met pag. 56, staat aan het hoofd der pagina: _Oostelijke
+naburen van Europa_, lees _Hellenen en Nieuw-Grieken_
+
+Pag. 167 regel 4 v.o. staat: _Pac is dit paleis_, lees _dit paleis
+behoort aan Pac_.
+
+Pag. 488. Onder de plaat staat: _Duitschland_, _Vlieland_, lees:
+_Duitschland_.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Europa. 1
+ Zuidelijke naburen van Europa (Pheniciërs, Arabieren, Mooren,
+ Barbarijers) 10
+ Oostelijke naburen van Europa (Tataren, Mongoolen) 26
+ De Hellenen en Nieuw-Grieken 42
+ De Osmanen 64
+ De Zuidelijke Slawen en Albaneezen 82
+ De Bulgaren 84
+ De Serviërs 90
+ De Walachyers of Romaenen 103
+ De Magyaren 124
+ De Tschechen en Polen 146
+ De Russen 171
+ De Litauers en Letten 198
+ De Finnen, Lappen en Samojeden 222
+ De Joden 251
+ De Armeniërs 275
+ De Zigeuners 282
+ De Italianen 303
+ De Spanjaarden 332
+ De Portugeezen 356
+ Gallië en de Franschen 363
+ De Britten en hunne eilanden 393
+ De Zweden, Noorwegers en Denen 435
+ De Nederlanders 455
+ De Zwitsers 477
+ Duitschland en de Duitschers 488
+
+
+
+
+
+DE PLATEN MOETEN GEPLAATST WORDEN, ALS VOLGT;
+
+
+ Nederland tegenover den titel.
+ Arabieren en Mooren pag. 10.
+ Polen pag. 146.
+ Spanje pag. 332.
+ Schotland pag. 393.
+ Noorwegen pag. 435.
+ Zwitserland pag. 477.
+ Duitschland pag. 488.
+
+
+
+
+
+
+
+NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.
+
+
+
+A.
+
+E. van Aalderink, Kampen.
+J. Aanstoods, Gorinchem.
+H. P. van den Aardweg, Purmerend.
+W. C. Abbema, 's Hertogenbosch.
+Abels, Amsterdam.
+I. N. Abendrooth, Utrecht.
+A. Abrahams, Zoutelande.
+J. Ackema, Rotterdam.
+J. Acqerlin, Antwerpen.
+Adelaar, Amersfoort.
+Dames van Adrichem, Zierikzee.
+J. C. Alberti, Leeuwarden.
+van Alderwereldt, Groningen.
+H. Allan, Nijmegen.
+D. Allart, boekhandelaar, Amsterdam. 5
+J. S. Alma, Schalzum.
+J. F. Almekinders, Groede.
+A. van Altena Arnzn., Dordrecht.
+Altmann & Roosenburg, boekhandelaars, Rotterdam. 2
+W. L. van Amerom, Leiden.
+K. van Ammers, Medemblik.
+J. Amoreus, Schiedam.
+W. U. Amweg, Boxtel.
+Mr. J. v. Andel, Mijnsheerenland.
+W. A. van Andel, Delft.
+Wed. van Andel, Rotterdam.
+H. C. Anderson, Dieren.
+Andretsch, Amsterdam.
+Andretsch, »
+G. A. Anjema, 's Hage.
+L. Antoni, Dordrecht.
+W. B. Ansink, Zutphen.
+J. D. K. Apken, Purmerend.
+J. A. C. Apol, Leiden.
+J. Arendse, Opheusden.
+J. Aris Jr., Amsterdam.
+C. A. J. Arkesteijn, 's Bosch.
+J. J. van Arkesteijn, boekh., » 1
+J. J. Arnd & Zoon, boekh., Amsterdam. 4
+
+F. Arntzenius, Leiden.
+G. M. R. Asmus, »
+Asp. Kweekelingen Armenschool, Culemborg.
+C. van Asperen, Phillipine.
+E. van Asperen, Leeuwarden.
+H. van Asperen, »
+v. Asperen v. d. Velde & Co., boekhandelaars, Haarlem. 9
+C. van Assen, Tjummarum.
+Augustinus, Rotterdam.
+I. B. Aukes, Amsterdam.
+Wed. J. G. Aukes, »
+Wed. J. G. Aukes, boekh., » 30
+J. Avé, Schiedam.
+A. M. Averes, Hengelo.
+
+
+
+B.
+
+J.van Baalen en zonen, boekhandelaars, Rotterdam. 2
+P. H. van Baasbank, Vlijmen.
+J. van Baaren Jr., Apeldoorn.
+G. Baars, Rotterdam.
+Baars Jzn., Zwolle.
+J. F. Backerus, Nijmegen.
+J. J. Bächer, Wageningen.
+Baffel, Amsterdam.
+Wed. C. D. L. Bähler, Leiden.
+R. F. Bakelman, Dockum.
+Bakels, Amsterdam.
+L. van Bakkenes, boekh., » 1
+C. G. Bakker, Rotterdam.
+E. J. Bakker, boekh., Veendam. 1
+Jb. Bakker, Haarlemmermeer.
+H. Bakker, Amsterdam.
+Hk. Bakker, Leeuwarden.
+K. Bakker, Hoogwoud.
+P. K. Bakker, Ee.
+W. Bakker, Alkmaar.
+G. J. Bakkes,
+Gebr. van Bakum, Rotterdam.
+
+B. van Balcen, Vogelenzang.
+D. A. Balfoort, Utrecht.
+F. Banning, boekhandelaar, Oldenzaal. 12
+J. Banning, Alkmaar.
+C. Barendrecht, Puttershoek.
+I. H. Barrelmeijer Jr., Amsterdam.
+E. M. Batist, Sliedrecht.
+P. M. Bazendijk, boekh., Rotterdam. 9
+T. G. Beekhuis, Leeuwarden.
+Beckman, Maastricht.
+Theod. van Beeckum, Antwerpen.
+J. H. Beek, Utrecht.
+P. van Beek, Leiden.
+W. van Beek, Rotterdam.
+M. Beekhuis, Groningen.
+L. van Beekhuis Damsté, boekhandelaar, » 9
+Dr. W. Beekhuis, Nijland.
+J. Beekman, Amersfoort.
+H. Beekman, boekh., Schagen. 4
+J. L. F. Beens, Leiden.
+J. M. van Beest, Deventer.
+W. Beets, boekhandelaar, Delft. 19
+W. Beetsma, Hantum.
+A. Begeman, Schagerbrug.
+G. Beins, Zutphen.
+C. A. Bekker Kzn., Amsterdam.
+C. C. H. Bekker, »
+W. Beljers, Puttershoek.
+M. Belju, Rotterdam.
+J. van Belkum, Noordlanen.
+G.W. van Belle, boekh., Rotterdam. 9
+G. Belonje Czn., Gouda.
+C. C. Bender, Leiden.
+J. van Benten, »
+J. C. Benteyn, Tholen.
+van Benthem, Almelo.
+van Benthem & Jutting, Middelburg.
+v. Benthum & Jutting, boekhandelaars, » 2
+J. v. Bentum & Zoon, boekh, Gouda. 2
+Mej. C. Benz, Dordrecht.
+Bereboom, Amsterdam.
+J. Berends, Apeldoorn.
+D.Berends, Harderwijk.
+H. A. Berends, boekh., » 9
+H. v. d. Berg, Alkmaar.
+C. van der Berg, Schiedam.
+M. van den Berg, Amersfoort.
+J. Bergé, Rotterdam.
+J. Bergé, boekhandelaar, » 12
+Dr. T. M. ten Bergen, Amsterdam.
+P. J. v. Bergen Henegouwen, Heusden.
+H. J. Bergh, Zierikzee.
+A. Berghauser, Ried.
+Berghuis, Almelo.
+H. Berghuijs, boekh., Kampen. 5
+T. Bergman, Amsterdam.
+H. W. Bergman, boekh., » 1
+J. Bergsma, Poppingawier.
+Wed. H. van Berkel, Ouderkerk a/d. Amstel.
+Berkhout & Co., boekh., Nieuwediep. 9
+P. Berkhout, Hillegom.
+L. Berkhout, Amsterdam.
+Berkenkamp, »
+Dr. Berman, Nieuwer-Amstel.
+
+T. Berrier den Boer, boekh., Middelburg. 5
+G. A. Betersen, Zutphen.
+R. Beukers Jr., Bunschoten.
+C. J. Beuskamp, Deventer.
+H. J. Beuskamp, »
+J. J. Beuzemaker, Leiden.
+H. W. de Beijl, Nunspeet.
+I. M. Beyersbergen, Rotterdam.
+J. Bezemer, Amersfoort.
+J. E. Bertling, Velp.
+C. G. J. van der Bie, Utrecht.
+P. Bier, Haarlemmermeer.
+Joh. Bierenbroodspot, Hoorn.
+Bierman, Zalt-Bommel.
+Bierhorst, Utrecht.
+G. Bik, Leiden.
+J. van Binsbergen, Utrecht.
+A. Bisschop, Dordrecht.
+A. Bisschop, »
+A. Bisschop, »
+R. J. Bisschop, Wageningen.
+J. W. H. Blaas, Leeuwarden.
+J. F. de Blaauw, Rotterdam.
+A. T. Blanche & Co., boekh., Utrecht. 10
+B. Blanken, Hoorn.
+F. P. Blanken, Delfshaven.
+B. Blankenberg & Zoon, boekhandelaars, Amersfoort. 18
+B. Blankenberg, firma Couvée & Cie., Leiden. 98
+B. H. Blankenberg Jr., boekh., Amsterdam. 16
+J. Blanker, Ysselstein.
+I. T. van Blaricum,
+W. Blaupot, Tilburg.
+S. Bleeker, Wolvega.
+A. Blenken, Hengelo.
+B. T. Blenken, boekh., Almelo. 30
+H. Bloem, Alkmaar.
+S. Blok, boekhandelaar, Wormerveer. 11
+H. C. Blom, boekh., Utrecht. 5
+J. C. Blom, Leiden.
+P. I. Blom, Bergen.
+M. J. Blom, Leiden.
+Blom, Twello.
+Blom & Olivierse, boekh., Culemborg. 5
+Mr. J. G. van Blom, Dragten.
+Adolf Blomhert, boekh., Nijmegen. 28
+H. C. van Blommestein, Apeldoorn.
+D. W. Blöte, Leiden.
+Blussé & v. Braam, boekh., Dordrecht. 41
+J. J. van der Blij, Leiden.
+W. J. Blijdenstein, Enschedé.
+G. Bode, Rheden.
+Friese van Boekeren, Utrecht.
+Jos. Boekers, Amsterdam.
+K. H. te Boekhorst, Gendringen.
+D. W. A. Boekhorst, Ulft.
+L. Boekhout, Kralingen.
+W. G. Boele, Kampen.
+J. Boelken Bakker, Gasselternijeveen.
+D. Boer, Amsterdam.
+H. C. de Boer, Groningen.
+H. G. de Boer, Leeuwarden.
+K. de Boer Hzn., Leiden.
+K. C. de Boer, Krommenie.
+R. de Boer, Bolswart.
+A. W. de Boer, Blaauwhuis.
+
+A. Boers, Dordrecht.
+J. K. Boersma, Garijp.
+Mej. B. T. de Boevé, Zwolle.
+P. Boezaardt, Hillegom.
+Henri Bogaerts, boekh., 's Bosch.
+Henri Bogaerts, boekh., Amsterdam.
+F. Bohlander, »
+Bohres, »
+I. R. Bok, Ginneken.
+P. Bokhorst Jr., Schiedam.
+L. J. W. ten Bokkel, Calumet (Illinois).
+H. Bokma, boekhandelaar, Leeuwarden. 4
+H. Bokma, »
+D. J. Bokslag, Deventer.
+J. G. van der Bolch, Wieringerwaard.
+v. Bolhuis Hoitsema, boekh., Groningen. 14
+J. Bolkstijn, Haarlemmermeer.
+A. Boll Azn., boekh., Coevorden. 2
+D. Bolle, boekhandelaar, Rotterdam. 5
+A. A. W. Bolland, boekh., Goes. 27
+B. Bolleman Kijlstra, Sloten.
+W. N. Bollen, Amsterdam.
+B. Boltman, Rotterdam.
+A. C. Boluijt, Kruiningen.
+IJ. Bolman, Harlingen.
+G. Theod. Bom, boekh., Amsterdam. 9
+H. G. Bom, boekhandelaar, » 2
+A. Bomhoff, boekh., ter Neuzen. 3
+A. Bomhoff, Neuzen.
+W. J. Bomli, Leiden.
+A. H. van Bon, Assen.
+J. de Bondt Jzn., Zierikzee.
+Bonekamp, Heerenveen.
+W. F. Bonga, Vlissingen.
+E. de Bont, boekhandelaar, Rotterdam. 7
+Wed. H. Bontamps, boekh., Venlo. 1
+F. A. Bonté, Utrecht.
+G. W. de Boo, Dordrecht.
+Mevr. Boode, Gouda.
+H. C. Boogaard, Utrecht.
+Dr. J. A. Boogaard, Leiden.
+L. Boogerd, Brouwershaven.
+H. Boom, Amsterdam.
+M. P. Boom, »
+Dr. J. M. Boom, Tholen.
+Boombergen, Geertruidenberg.
+J. P. Boon, Purmerend.
+K. Boon, Berkhout.
+C. Boonacker, Schagen.
+H. Boonen, Arnhem.
+J. C. Bootz, Doesborgh.
+L. G. C. Bopp, Bodegraven.
+A. N. Borch, boekh., Amsterdam. 2
+G. Borg, boekhandelaar, » 5
+G. J. Borg, »
+B. G. Borggreven, Silvolde.
+Bork, Amsterdam.
+Dr. J. A. E. Born, Groningen.
+P. J. Born, Leiden.
+L. J. de Borst Verdoorn, Ameide.
+van den Bos, Neuzen.
+H. Bos, Eethen.
+Hendrik J. J. Bos, Rotterdam.
+J. Bos, Amsterdam.
+J. Bos Azn., Alblasserdam.
+W. Bos, Hoogwoud.
+P. Bos, Wierden.
+
+A. M. van den Bosch, Tilburg.
+Jan F. Bosch, Hallum.
+P. J. Bosch, Arnhem.
+J. G. van den Bosch, Wieringerwaard.
+Wed. P. van den Bosch-van der Werff, Zalt-Bommel.
+Berns. v. Bösekötter, Arnhem.
+F. A. Bosman, boekh., Franeker. 30
+H. M. Bosman, 's Bergh.
+J. Bosscha, Wolvega.
+C. Böten, Zwolle.
+G. J. Bötger, Bloemendaal.
+Bots & Jansen, boekh., Helmond. 8
+Bottenheim, Amsterdam.
+R. Bottinga, Leeuwarden.
+D. R. Bouhuijs, Aalten.
+G. W. Bouhuijs, »
+Mevr. D. Bouman, Tilburg.
+E. C. F. Bouman, Utrecht.
+Boucher, boekhandelaar, 's Hage. 3
+Dr. Bource, Rotterdam.
+A. v. d. Bout, Zonnemaire.
+Johs. Bouwman, Wageningen.
+G. P. F. Bouwman, »
+P. Bozua, Dordrecht.
+L. ter Braake, Almelo.
+G. J. te Braaken, Ulft.
+Dr. J. Braakenburg, Leiden.
+K. W. Braakensieck, Haarlem.
+H. Braakhuis, Gendringen.
+I. Th. A. Braams, Buren.
+J. van Braband, boekh., Houtenisse. 4
+J. W. von Braband, Brouwershaven.
+D. Brakel, Berkel.
+Jac. J. Brakenhof, Castricum.
+Simon Brandenburg Jr., boekhandelaar, Wolvega. 2
+Brandes, Amsterdam.
+W. A. A. Brands, Deventer.
+Brands, Bergen-op-Zoom.
+W. J. Brandt, Dordrecht.
+B. Braskamp, Tricht.
+Th. Bray, Utrecht.
+A. van Breda, Gorinchem.
+Dr. J. van Breda Kolff, Amsterdam.
+L. J. Bredenberg, Warmond.
+J. J. van Brederode, boekh., Haarlem. 2
+D. K. Breebaart, Winkel.
+A. C. Breedveld, Amsterdam.
+P. Bregman, Scharwoude.
+P. Breidveld, Venlo.
+J. W. H. Breitner, Rotterdam.
+E. Bremer, Amsterdam.
+H. M. Bremer, boekh., » 5
+J. Bremmer, Kampen.
+E. J. Brill, boekhandelaar, Leiden. 5
+H. ten Brink, boekh., Meppel. 14
+Ten Brink & de Vries, boekh., Amsterdam. 2
+Brinkboek, »
+Wed. J. Brinkgreve, boekh., Deventer. 14
+C. L. Brinkman, boekh., Amsterdam. 5
+J. H. Brinkman, boekh., » 8
+A. Brinkman, boekh., Gouda. 2
+G. Brinks, Leiden.
+J. H. Broedelet, Zwolle.
+F. H. L. Broedelet, Rotterdam.
+J. den Broeder, »
+
+W. J. van den Broek, Rotterdam.
+v. d. Broek, Amsterdam.
+I. A. ten Broek, Leiden.
+E. Broekhuis, boekh., Hengelo. 43
+C. Broeksmit, Schiedam.
+F. Broeksmit, Zwijndrecht.
+G. Broekstra, Berlikum.
+G. H. Brokmeier, Amsterdam.
+J. Broere, 's Hertogenbosch.
+C. Broers, Maastricht.
+Dr. J. H. Broers, Hoorn.
+Broese & Co., boekh., Breda. 9
+J. G. Broese, boekh., Utrecht. 5
+I. H. Brokmeier, Amsterdam.
+M. Bron, Gouderak.
+Brongers, Amsterdam.
+A. J. Bronswijk, boekh., Oostburg. 5
+A. G. Brouwer, Alkmaar.
+B. Brouwer, Deventer.
+A. M. M. Brouwer, Renkum.
+G. Brouwer, boekhandelaar, Deventer. 7
+Jan D. Brouwer, boekh., Amsterdam. 1
+Brouwer, »
+Jac. Bruce, Groningen.
+J. T. C. Bruckwilder, boekh., Vlaardingen. 8
+J. C. W. ter Bruggen Jr., Gouda.
+Aaldt. ten Bruggencate, Almelo.
+B. ten Bruggencate, »
+Mej. M. A. Brugsma, Tiel.
+M. A. Brugsma, »
+Bruin, Amsterdam.
+H. Bruin, Groningen.
+K. de Bruin, Dordrecht.
+Mej. T. de Bruin, »
+G. Z. Bruinier, Almelo.
+G. L. Bruist, Zalt-Bommel.
+Brummelhof, Amsterdam.
+H. A. M. Brumstede, Assen.
+F. Bruning, Alkmaar.
+H. B. Bruijer, boekh., Arnhem.
+L. de Bruijn, Beek.
+D. de Bruijn, Leiden.
+IJ. de Bruijn,
+H. W. Bruijns, Amstelveen.
+W. G. de Bruyn Kops, Leiden.
+C. Bruynzeel, Rotterdam.
+H. de Bry, »
+K. Buchner, Leiden.
+B. H. Budde, Amsterdam.
+H. Budelman, »
+J. J. P. Buhlman, Delft.
+H. Buirma, Groningen.
+W. Buis, Bergen.
+J. C. de Buisonje, boekh., Nieuwediep. 1
+P. Buitendijk, Leiden.
+W. N. Bulleman, »
+A. B. H. Bulterman, Rotterdam.
+C. L. Bulthuis, Groningen
+A. J. C. van Bunge, Sliedrecht.
+P. Bunkerink, Zwaag.
+J. Burg, Leeuwarden.
+J. Burger, Amsterdam.
+A. Burggraaf, Leidschendam.
+I. P. Burgerhout, Tholen.
+J. P. Burgerjon, Zevenhuizen.
+Ds. J. van der Burght, Tholen.
+A. v. d. Burght, »
+
+C. A. van Burgt, Tholen.
+G. Burgraaff, Wons.
+B. T. Bussemaker, Almelo.
+Busweiler, Amsterdam.
+A. D. van Buuren, Niewwendiep.
+Mejufvr. Buwalda-Delhave, Hilversum.
+A. J. Buijs Czn., Heusden.
+C. Buijs, Utrecht.
+W. A. Buytenhek, Dordrecht.
+D. Bwik, Amsterdam.
+M. J. Bijlau, Brouwershaven.
+J. Bijleveld, boekh., Utrecht.
+v. Bijlevelt, Rotterdam.
+A. C. v. d. Bijllaart, Zwolle.
+Paulus Bijlsma, Burgwerd.
+J. C. Bijsterbos, Kampen.
+Jhr. P. J. de Bye, Lunteren.
+H. W. de la Bye, Leiden.
+
+
+
+C.
+
+Caarelsen, boekhandelaar, Amsterdam. 1
+Calcar, Zwolle.
+Ds. H. van Calcar, Veenwouden.
+C. T. Callenbach, boekh., Nijkerk. 10
+C. M. Camauer, Bergen-op-Zoom.
+W. Cambier van Nooten, boekhandelaar, Alphen. 10
+G. Camminga, Leeuwarden.
+H. C. A. Campagne, boekh., Tiel. 5
+J. Campen, boekh., Sneek. 6
+Chr. Cannegieter, Franeker.
+J. Cardinaal, Tilburg.
+Carpeles, Amsterdam.
+C. J. Carrière, Willemsdorp.
+Jhr. S. O. de Casembroot, Tholen.
+Dr. H. G. Caudi, Doesborgh.
+Mr. M. L. Celosse, Amersfoort.
+J. J. Ceulen, boekh., Middelburg. 5
+Jhr. F. de Charon de Saint Germain, Oudshoorn.
+G. D. Châtelain, Amsterdam.
+E. B. J. Moïse de Chateleux, Leiden.
+C. Christiaans, boekh., Amsterdam.
+C. C. C. Christiaans, » 5
+Jhr. Mr. C. van Citters, Heinkenszand.
+Jhr. F. van Citters, Bodegraven.
+Gebr. van Cleef, boekh., 's Hage. 1
+B. Clerk, Heerenveen.
+P. H. Le Clercq, Delft.
+A. A. Cluwen, Haarlem.
+H. J. Cobus, Deventer.
+J. Cocort, Rotterdam.
+P. H. Cockuyt, Leiden.
+Coerman, »
+C. H. Colenbrander, Varsseveld.
+D. Colenbrander, Zutphen.
+J. B. Colenbrander, Dinxperlo.
+B. H. Colenbrander, boekh., Zutphen. 5
+Collin, Zwolle.
+W. L. Combé, Schiedam.
+I. I. Comerell, Amsterdam.
+W. Cool v. Bokma, boekh., Sneek. 1
+Mej. Coole, Bloemendaal.
+Mej. S. L. Coronel, Leiden.
+Cordes, Amsterdam.
+C. J. Cornelis, Biervliet.
+
+J. J. H. Cornelisse, Amsterdam.
+Cornelissen, »
+J. H. le Cosquino de Bussij, boekhandelaar, Veenendaal. 4
+Herm. Coster & Zn., boekh., Alkmaar. 30
+H. Cosijn, Gouda.
+C. Couturier, 's Hage.
+Couvée & Co., boekh., » 86
+G. Couvée, Leiden.
+M. M. Couvée, boekh., » 3
+T. N. Crul. Cramer, Delden.
+H. J. Crans, Dordrecht.
+J. Creemer, boekhandelaar, Groningen. 9
+A. Crefeld, Alkmaar.
+A. E. J. Creyghton, Beekbergen.
+J. W. Cremer, Zwolle.
+I. F. Croes, Amsterdam.
+Mr. J. Cromhoff, Ootmarsum.
+W. A. Croockewit, Amersfoort.
+B. de Cruijff, Zutphen.
+
+
+
+D.
+
+F. van Daal, Amersfoort.
+Dahne, Amsterdam.
+Dake, »
+v. Dalen, »
+H. van Dalfsen, Steenwijk.
+G. H. Dalhuizen, Kampen.
+Dalmeijer, Amsterdam.
+P. van Dam, Leeuwarden.
+A. van Dam, Pingjum.
+J. Damman, boekhandelaar, Goor. 17
+Dr. J. H. Damman de Witt, Gieten.
+A. J. Daniels, Amsterdam.
+M. Polak Daniëls, Leiden.
+Dankmeijer, »
+Dannefelser & Co., boekh., Utrecht. 5
+G. A. Dassen, Zwolle.
+C. Davervelt, Bergen-op-Zoom.
+J. A. W. den Decker, boekh., Hardenburg. 1
+A. A. Deenik M.Lzn., Terwaard.
+J. W. Deerenkamp, Doetinchem.
+J. F. G. Deicke, Amsterdam.
+P. T. Dekema, boekh., Utrecht. 9
+G. Dekker, Purmerend.
+H. Dekker, Rotterdam.
+J. Dekker Jz., Westzaan.
+P. A. Dekker, Utrecht.
+W. J. Dekker, Rotterdam.
+Dekker & v. d. Vegt, boekh., Utrecht. 5
+A. M. Dekkers, Apeldoorn.
+Mevr. van Delden, Ootmarsum.
+Mevr. van Delden, Hengelo.
+Denik, Amsterdam.
+Denik, »
+H. Denker Huneman, Dodewaart.
+M. Derksema, Groningen.
+J. Desablijn, boekh, Overschie. 2
+H. van Deurzen, Haarlem.
+Deuss, Rotterdam.
+D. W. van Deventer, Apeldoorn.
+J. C. Dezens, Nijmegen.
+L. J. Dhaenens, Middelburg.
+A. J. M. Dibbits, Gieten.
+Jhr. Mr. F. W. K. Dibbets, Maastricht.
+I. H. Diederiks, Amsterdam.
+
+J. P. Diehl, Amsterdam.
+J. Diehe Chaam, Breda.
+W. J. Diekhof, Deventer.
+Gustave Diepen, Tilburg.
+G. J. O. D. Dikkers, Hengelo.
+F. H. Dikschei Jzn., Zierikzee.
+Dirks, Utrecht.
+C. Dirksen, Rotterdam.
+A. M. E. van Dishoeck, boekhandelaar, Zierikzee. 25
+F. T. J. H. Dobbelmann, Nijmegen.
+J. T. van Dobben, boekh., Haarlem. 1
+P. Doedes, Zutphen.
+H. C. van Dongen, Rotterdam.
+P. M. v. Dongen, »
+Donker, Amsterdam.
+J. H. Donleben, Hees bij Nijmegen.
+I. Doon, Rotterdam.
+E. C. U. van Doorn, Utrecht.
+J. Doornbos, Assen.
+A. H. A. Dopheide, Groningen.
+H. J. Dopheide, »
+W. A. Dopheide, »
+H. M. van Dorp, boekh., Zwolle. 1
+Ps. van Dorp, Vlaardingen.
+S. P. van Dorp, Leiden.
+G. van Dorsser, Dordrecht.
+L. J. Dorst, Stavenisse.
+A. van Dorsten Jr., boekh., Utrecht. 5
+I. W. D. van Dorth, Bergen-op-Zoom.
+B. van Dortmond, Hensdenhout.
+R. Douma, Oostram.
+A. Draisma de Vries, Achlum.
+T. Draaisma, boekh., Wormerveer. 2
+W. F. Draijer, Amsterdam.
+M. Dreesen, Helmond.
+W. Drektraan, Schiedam.
+Dr. G. Dresselhuis, Voorst.
+Drevel, Rotterdam.
+Mr. J. v. d. Drift, Alkmaar.
+P. A. v. d. Drift, »
+G. A. v. Driel, Mijnsheerenland.
+P. C van Driem, boekh., Voorburg. 9
+A. W. Driessen, Nieuwendiep.
+G. C. Drooglever, Gorinchem.
+L. Droogleever Fortuyn, Rotterdam.
+Abm. Drop, Vlaardingen.
+Hk. Drop, »
+J. Dropper, boekhandelaar, » 14
+Hk. Droppert, »
+H. Drost, Marrum.
+J. F. Drost, Almelo.
+H. C. Drove, boekhandelaar, Zwolle. 40
+v. Druten-Bleeker, boekh., Sneek. 4
+M. J. Duvelaar van Campen, Zutphen.
+F. Dubel, Klaaswaal.
+D. Dufour Roelland, Bergen op Zoom.
+P. J. Duinker, Nieuwendiep.
+E. J. Duintjer, Veendam.
+J. H. Duisdeiker, boekh., Amsterdam. 1
+D. ten Dulk, Bergen-op-Zoom.
+H. Dull, boekhandelaar, Borculo. 1
+J. H. Dunk, boekhandelaar, Rotterdam. 30
+S. Dunk, »
+H. W. Dusauld, Utrecht.
+W. H. Dusault, boekh., » 1
+
+W. J. Dusseldorp, Utrecht.
+M. D. van Duivenbode de Vlugt, Delft.
+C. B. Duyster Jr., Leiden.
+Jurrien Dijk, Wolvega.
+A. M. v. Dijk, boekh., Delft. 4
+H. C. Dijk, Alphen.
+I. P. van Dijk,
+J. van Dijk, Dinxperlo.
+Jan van Dijk Hzn., Meppel.
+J. P. van Dijk, boekh., Zwolle. 2
+B. Dijkgraaff, Nunspeet.
+F. Dijkstra, Wierum.
+Wed. H. Dijkstra, Assen.
+R. J. Dijkstra, Leeuwarden.
+R. Dijkstra, boekhandelaar, Wolvega. 2
+Waling Dijkstra, Holwerd.
+W. Dijkstra, Coinjum.
+J. van Dijl, Dordrecht.
+van Dijl, »
+
+
+
+E.
+
+Gebr. Ebert, boekhandelaar, Amsterdam. 2
+H. Edelman, boekhandelaar, Leeuwarden. 30
+W. Eekhoff & Zoon, boekh., » 14
+W. D. Eeltjes, Alkmaar.
+W. Eelkema, boekh., Amsterdam. 5
+J. R. v. Eerde, boekh., Winschoten. 9
+Ds. J. R. van Eerde, Boyl.
+J. J. Egbers, boekh., Naarden. 3
+J. W. B. Egberts, Kampen.
+Dr. E. J. Egberts, Zalt-Bommel.
+D. Eggink, Haarlemmermeer.
+A. Egmond, boekh., Enkhuizen. 5
+van Egmond & Heuvelink, boekhandelaars, Arnhem. 3
+P. C. N. Eichholtz, Zierikzee.
+P. G. C. Eigeman, Leiden.
+B. Eisendrath, boekh., Amsterdam. 179
+C. W. Eisma, Bolsward.
+Z. A. E. van Eldek, »
+Ds. W. van Elden, Gouda.
+K. Elders, Leeuwarden.
+H. Elemans, Rotterdam.
+B. T. Elias, Amsterdam.
+P. v. d. End, Delfshaven.
+Jb. van der End, Vlaardingen.
+v. d. Ende, »
+J. van der Endt, boekh., Maassluis. 5
+D. Engelberts, Leiden.
+v. Engelen, »
+H. van Engen, Veenhuizen.
+B. Engelen, boekhandelaar, Meppel. 1
+P. Engels, boekhandelaar, Leiden. 2
+G. H. Engels, Vriezenveen.
+Engels, Amsterdam.
+Engering, »
+W. Enklaar, Apeldoorn.
+R. van Enst, Doetinchem.
+A. van der Ent, Wageningen.
+W. van der Ent, Amsterdam.
+L. J. v. Enter, Zwolle.
+Dr. E. Epkema, Zalt-Bommel.
+W. S. van Erp, Leeuwarden.
+C. van Es, Rotterdam.
+G. van Es, Breda.
+
+H. van Es, 's Gravendeel.
+D. van Essen, Velzen.
+E. v. Essen, Deventer.
+P. Essers, Leiden.
+J. H. A. M. Essink, Utrecht.
+H. D. Evelein, Amsterdam.
+M. van Everdingen, Tiel.
+I. F. Evers, Amsterdam.
+B. H. Everts, Bloemendaal.
+J. W. Eversz., boekh., Zeist 5
+Dr. J. Everwijn, Noortwijk.
+G. J. van Eybergen, Amersfoort.
+Eyster, Amsterdam.
+D. H. Ezerman, Zierikzee.
+
+
+
+
+F.
+
+Falk, Amsterdam.
+W. W. Fasmer, »
+A. B. Fassmer, Rotterdam.
+A. J. Feddema, Leeuwarden.
+G. B. Feekes,
+G. Feenstra, Heeg (Friesl).
+H. Feenstra, Bergum.
+T. E. Feenstra, Leeuwarden.
+T. S. Feenstra, boekh., Sneek. 6
+W. Feenstra, Heerenveen.
+H. C. Felser, Assen.
+A. Nicolai Fellinga, Amsterdam.
+J. G. H. Ferman Jr., »
+J. D. Ferwerda, »
+B. Fikkert, Almelo.
+J. W. Filippo, Leiden.
+W. Finkelenberg, Nieuwendiep.
+Abraham Fock, Almelo.
+J. F. Fleischacker, Amsterdam.
+M. Fliermans, Arnhem.
+I. B. van Florenstein, Bergen-op-Zoom.
+J. A. Foest, Amsterdam.
+Dames Fockens, Bolsward.
+G. Fockens, boekhandelaar, Groningen. 3
+D. Fokkens, »
+L. de Fouw, boekh., Goes. 13
+C. A. Franchimon, Leiden.
+C. Francken, »
+J. J. Francken, »
+L. J. Francken & Co., boekhandelaars, Schiedam. 6
+Frank, Amsterdam.
+Frantzen, Groningen.
+Franzen, Amsterdam.
+H. C. Frautwein, Zwolle.
+A. Frelier, Middelburg.
+Cs. Frets, Boskoop.
+Frielink, Amsterdam.
+L. Friese, 's Hertogenbosch.
+W. Fröger, Amersfoort.
+J. Fröhn, Gorinchem.
+
+
+
+
+G.
+
+J. van Gaal, Helmond.
+M. Gaasbeek, boekh., Groningen. 1
+P. L. de Gaaij Fortman, Leiden.
+J. H. F. van Gangel Czn., »
+J. Galema, Hallum.
+J. A. Gallois, Apeldoorn.
+
+J. Gann Dun, Ommere.
+J. Garçin, Amsterdam.
+H. J. v. d. Garde, boekh., Zalt-Bommel. 22
+J. A. A. van de Garde, »
+I. M. Gardenier, Rotterdam.
+P. Gardin, »
+L. van Gastel, Schuddebeurs.
+Mr. P. H. de Gavere, Almelo.
+G. van Geer, Leiderdorp.
+D. H. van Geer, »
+N. A. Geerlofs, Rotterdam.
+Geffel, Amsterdam.
+H. van Geffen,
+H. J. Gelderman, boekh., Meppel. 9
+Jhr. P. P. van Gelre van Vryberghe, Rijsenburg.
+M. L. Gemert, Alkmaar.
+Joh. Geradts & Co., boekh., Hilversum. 1
+J. H. Geraerts Jr., Velzen.
+P. Gerbrand & Co., boekh., Arnhem. 1
+E. Gerdes, Haarlem.
+L. Gerhardt, Utrecht.
+S. Geri, Bergen-op-Zoom.
+A. Gerretsen, Rotterdam.
+H. J. Gerretsen, boekh., 's Hage. 10
+P. Gerrits, Amsterdam.
+I. Gerritsen, »
+Gerritsen, Leeuwarden.
+Gerritzen, Amsterdam.
+A. H. Gezelle Meerburg, 's Gravendeel.
+G. Giel Gzn., Meppel.
+L. van Giffen, boekh., Groningen. 1
+A. Giljam, Zierikzee.
+C. S. Gilhuys, Amsterdam.
+N. Gillat Jr., »
+Joseph Dieudonné Gillet, Kampen.
+Gillieron, Amsterdam.
+A. M. v. Gils, Rotterdam.
+J. Giltay, boekhandelaar, Dordrecht. 14
+J. van Ginkel, Wageningen.
+C. Glene, Wehl.
+J. J. Glinderman, Amsterdam.
+G. J. A. de Gocq van Herwijnen, Arnhem.
+H. Godefroi, Leiden.
+D. Goede, Alkmaar.
+J. de Goede Czn., Purmerend.
+Mej. de Goede, Dordrecht.
+J. Goedeljée, Leiden.
+J. P. Goedhart, Dordrecht.
+M. Goedhart, Hellevoetsluis.
+H. J. de Goeijen, Rotterdam.
+F. Goedknegt, Vlaardingen.
+G. J. van der Goes, Rotterdam.
+Johs. G. D. Goffrée, Amsterdam.
+J. M. Goldbach, Dinxperlo.
+J. van Golverdinge, boekh., 's Hage. 1
+H. Gonggrijp, boekh., Harlingen. 10
+H. Gonggrijp, »
+J. Gonggrijp, »
+Tj. Gonggrijp, Sneek.
+J. de Gooijer, Utrecht.
+J. G. Gooijer, Zwolle.
+A. A. van Gool, Zalt-Bommel.
+B. J. van Goor, Amersfoort.
+G. B. van Goor Zonen, boekh., » 30
+v. Gorcum & Co., boekh., Assen. 9
+
+Willem v. Gorcum, boekh., Assen 9
+Maruis J. Gordon, boekh., Gorinchem 16
+Willem J. Gordon, boekh., » 4
+D. Gorter, Sneek
+K. S. Gorter, Hollum (Ameland)
+J. R. P. F. Gouggrijp, Delft.
+I. L. Gouka, Schiedam.
+N. K. Gouman, Scherpenzeel.
+J. F. Graaf, Spijk.
+A. J. E. J. de Graaf, Zwijndrecht.
+Wed. C. Graaff, Alkmaar.
+M. C. de Graaff, Purmerend.
+R. de Graaff, Leeuwarden.
+W. C. de Graaff, boekh., Haarlem. 33
+J. Graansma, Kampen.
+W. de Graauw, Heusden.
+W. van Grafhorst, Kampen.
+G. Gratama, Leeuwarden.
+H. L. de Grave, Alkmaar.
+I. C. M. van Graven, Gouda.
+G. J. de Greef, Arnhem.
+Grees, Amsterdam.
+T. J. Grevelink, Heerenveen.
+J. Greven, boekhandelaar, Utrecht. 1
+A. J. Grey, Rotterdam.
+P. J. van Griethuysen, Losdorp.
+I. B. Groenewegen, Amsterdam.
+J. Groenendaal, Groningen.
+R. D. Groenhout, St. Anna Parochie.
+H. J. van Groeningen, Leiden.
+W. van Groeningen, Soeterwoude.
+Dr. F. G. Groneman, Groningen.
+J. Groot, boekhandelaar, Beverwijk . 4
+H. de Grood, Nijmegen.
+H. de Groot, Groningen.
+J. Groot, Beverwijk.
+J. de Groot, Akkerwoude.
+M. Grootes, Nieuwe Niedorp.
+P. Gruijs, Overschie.
+P. M. Grijpink, Amsterdam.
+G. B. Guichard, Rotterdam.
+J. A. van Gulden, Alphen.
+F. L. van Gulik,
+Gurken, Amsterdam.
+J. P. C. van Gurtzgen, Haarlem.
+H. van Gijn, boekh., Delft. 5
+B. D. van Gijn, Rotterdam.
+H. J. Gijsbers, Dinxperlo.
+
+
+
+H.
+
+J. M. van 't Haaff, boekh., 's Hage. 3
+Gebr. Haagens, boekh., Rotterdam. 5
+Haak, Amsterdam.
+A. op de Haak, Alkmaar.
+de Haan. Leiden.
+de Haan & Zoon, boekh., Haarlem. 5
+A. de Haan, Rotterdam.
+H. de Haan Jr., »
+Jan Haan, boekhandelaar, Delfzijl. 1
+J. T. de Haan, Wolvega.
+E. ter Haar, boekh., Dieren. 6
+J. G. ter Haar, Arnhem.
+Haarlem, Amsterdam.
+C. de Haas, Rotterdam.
+E. de Haas, boekhandelaar, » 24
+
+G. de Haas, Renkum.
+H. de Haas, Sliedrecht.
+S. J. de Haas, boekh., Amsterdam. 1
+W. J. de Haas, Kampen.
+B. H. Habbema, Leiden.
+F. Haeijen, Heer.
+Haensbergen, Leiden.
+Hagdom, Maastricht.
+Hage, Amsterdam.
+A. Hagedoorn, Ambt-Almelo.
+H. K. Hagedoorn, Utrecht.
+P. Hagedoorn, Amsterdam.
+Rolandus Hagedoorn, Amersfoort.
+Dr. H. G. Hagen, Leiden.
+P. G. C. Hajenius, Amsterdam.
+J. van Hal, Breda.
+Wed. I. Halderiet & Zn., Amsterdam.
+van Halteren, boekh., » 1
+A. Ham, Rotterdam.
+Mr. I. C. Ham, Utrecht.
+Mr. H. J. Hamaker, Leiden.
+H. J. Hamer G.Jzn., Zutphen.
+P. J. Hamers, Amersfoort.
+Hamming, 's Hage.
+J. Hansen, Rotterdam.
+J. J. Hansma, boekh., Dockum. 19
+J. H. Harbach, Zutphen.
+Harfold, Amsterdam.
+D. R. v. Harinxma, Hallum.
+E. E. Harmsen, Oldenzaal.
+J. B. Harperink, Enschedé.
+L. J. Harri Jr., Amsterdam.
+ter Hart, »
+P. Harte, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 30
+Jacq. de Hartog, Wageningen.
+Hartsteen, Rotterdam.
+A. van Haselen, N.-Loosdrecht.
+L. T. J. Hassels, boekh., Amsterdam. 3
+B. van Hattem, Sliedrecht.
+Hauben, Amsterdam.
+W. F. L. Haus, Rotterdam.
+G. L. Hausen, Appingedam.
+Haye, Amsterdam.
+J. R. Hazelhorst, Kampen
+Jac. Hazenberg Czn., boekh., Leiden. 2
+H. Hazes, Alkmaar.
+F. L. Baron van Heeckeren van Brandsenburg, Utrecht.
+Baron v. Heeckeren v. Molecate, Zwolle.
+J. Heek, boekhandelaar, Hilversum. 4
+T. van Heelsum, Wageningen.
+Abrm. de Heer, Rotterdam.
+E. I. de Heer, »
+G. Heerenga, Franeker.
+M. Heerens Jr., Delfshaven.
+J. G. Heesen, Dinxperlo.
+Ds. G. N. Heessen, Maasdam.
+C. L. de Heger, Leiden.
+J. D. van der Hegge Spies, Haarlem.
+W. C. ter Heide, Wassenaar.
+Ph. Heidenrijk, Zalt-Bommel.
+C. H. Hein, Kampen.
+W. Heinen, Steenwijk.
+D. Heinrig, Gendringen.
+P. J. W. L. Hekker, 's Gravenhage.
+
+S. van Helden, boekh., Amsterdam. 9
+H. W. Helmig, boekh., » 1
+A. Helders, Rotterdam.
+Hellingman, Amsterdam.
+J. van der Helm, Vliedorp (Prov. Groningen.)
+J. G. Helmerhorst, Amersfoort.
+Hemring, Amsterdam.
+D. van Hemert, Haarlem.
+W. A. van Hemert, Dordrecht.
+J. Hemker, Noordwijk.
+H. W. Hemmes, Groningen.
+J. J. Henckel, »
+J. Hendriks, Amsterdam.
+Hendriks, »
+C. H. Hendriksen, boekh., Utrecht. 1
+Gebr. Hendriksen, boekh., Rotterdam. 5
+H. T. Hendriksen, boekh., » 14
+H. J. Hendriksen, Soeterwoude.
+E. A. van Hengel, Dinxperlo.
+F. W. van Hengel, Kampen.
+G. H. van Hengel Jr., boekh., Velp. 5
+Hengerer, Amsterdam.
+B. Hengeveld, Dinxperlo.
+J. H. Henkes, Delfshaven.
+H. Hennephof, Kampen.
+H. P. Henneveld, boekh., Delft. 10
+C. D. van der Henst, Leiden.
+Hennings, Amsterdam.
+H. D. van Herikhuizen, Arnhem.
+E. Heringa, Leeuwarden.
+W. Hermans, Amsterdam.
+J. G. Herpel, »
+G. T. Heslinga, St. Anna Parochie.
+Wed. A. Hess, Alkmaar.
+F. Hessel, boekhandelaar, Heerenveen. 4
+H. C. T. Hesselink, Varsseveld.
+J. F. Hessels, Amersfoort.
+G. van Hest, Leiden.
+J. H. & G. v. Heteren, boekh., Amsterdam. 4
+van Heusden, boekh., 's Bosch. 5
+A. B. van den Heuvel, boekh., Haarlem. 3
+M. J. van den Heuvel, Middelburg.
+D. Heijdeman Jr., Amsterdam.
+van der Heijden, Nieuwendiep.
+J. M. v. d. Heijden, Elburg.
+H. Heijkamp, Rotterdam.
+C. J. Heijl, boekhandelaar, Utrecht. 5
+H. Heijmanns, Zwolle.
+J. Heijnis, boekhandelaar, Zaandijk. 3
+Dr. G. Heijnitz, Boskoop.
+A. J. van Heijst, Leiden.
+P. J. Heyberg, Rotterdam.
+J. Heyblom, »
+Ph. van der Heyden, Leiden.
+K. J. H. Heyen, Amsterdam.
+Heyinks, »
+F. Heykoop, Nieuwland.
+W. H. Heytman, Ned.-Indië.
+J. Hilarius, boekhandelaar, Leeuwarden. 1
+J. H. Hillebrand, Groningen.
+W. P. Hillen, Rotterdam.
+G. C. van Hilten, Leiden.
+G. van Hilten, Amsterdam.
+F. W. Hincken, Rotterdam.
+N. A. Hingst, boekh., Heerenveen. 16
+Mevr. J. Hingst-Visser, Workum.
+
+Hinloopen Labberton, Doesborgh.
+R. v. Hinloopen Labberton, boekhandelaar, » 6
+D. R. Hinse, boekh., Amsterdam. 9
+D. W. Hinse Jr., »
+J. W. Hissink, »
+J. Hissink, Kampen.
+Prof. J. Hissink Jansen, Groningen.
+Wed. G. J. Hobbelink, Delden.
+J. Hoebee, Dordrecht.
+P. Hoebert, Leiden.
+W. den Hoed, Rotterdam.
+Z. Hoefnagels, Lent.
+H. Hoegen, Apeldoorn.
+T. Hoek, Schiedam.
+Gebr. van der Hoek, boekh., Leiden. 7
+J. Hoekstra, Leeuwarden.
+Wed. T. J. Hoeksema, boekhandelaar, Winschoten. 9
+S. Hoekzema, Franeker.
+H. L. C. T. Hoen, Zalt-Bommel.
+H. ten Hoet, boekhandelaar, Nijmegen. 4
+D. J. van 't Hoff, Rotterdam.
+H. T. Hoffmann, Steenbergen.
+J. Hofs, Westendorp.
+T. Hofstra, Leeuwarden.
+J. J. Hofstede, boekh., Brielle. 1
+K. Holleman, Leeuwarden.
+J. Hollmann, Alkmaar.
+A. Hollestelle, St. Maartensdijk.
+de Holter, Amsterdam.
+E. Holthaus, Alkmaar.
+F. C. Holtz, Purmerend.
+H. Holtzschu, Noordwijk.
+H. Hommes, Utrecht.
+J. J. Honigh, boekh., Schagerbrug. 7
+J. Hordijk, Dreischor.
+A. Horselenberg, Rotterdam.
+H. ter Horst, Zwolle.
+H. Hoste, boekhandelaar, Gent. 25
+J. O. van Houten, boekh., Assen. 2
+W. Houtsma, boekh., Joure. 4
+Mej. de Wed. Houtzager, Amersfoort.
+Höveker & Zoon, boekh., Amsterdam. 6
+G. Hovens Greve, boekh., Steenwijk. 11
+G. B 't Hooft, boekh., Rotterdam. 2
+G. de Hoog Czn., Assendelft.
+Hoog & Kruijt, boekh., Rotterdam. 5
+A. Hoogeboom, boekh., Amsterdam. 3
+M. Hoogenboom J.Jz., Noordwelle.
+C. Hoogermolen, Rotterdam.
+J. W. Hoogezand, Heusden.
+H. de Hoogh & Co., boekh., Amsterdam . 1
+J. G. Hoogklimmer, Almelo.
+J. Hoola van Nooten, boekh., Doesborgh. 5
+Hoogland, Zeddam.
+H. Hoogland, Utrecht.
+Mej. M. C. Hoogvorst, boekh., Alkmaar. 19
+A. van Hoogstraten & Zoon, boekhandelaar, 's Hage. 60
+G. H. van Hoolwerff, Hoorn.
+P. de Hoop, Nieuwland.
+N. A. W. Hoos, Rotterdam.
+J. Hoosemans, »
+G. J. Hopkes, Zwolle.
+P. Hoppen, Rotterdam.
+van Horn, Franeker.
+
+I. Horre, Leiden.
+J. ter Horst Gzn., Rijssen.
+Mej. C. F. ter Horst, Arnhem.
+H. W. Hortschäfer, Hoorn.
+E. C. Houbolt, Leiden.
+P. G. Houthuysen, »
+Mevr. Wed. J. R. G. Huber, Haarlem.
+J. B. Huber, boekhandelaar, Groningen. 1
+Huckman, Amsterdam.
+C. A. L. Baron v. Hugenpoth tot Aerdt, 's Bergh.
+R. C. Huge, boekh., Rotterdam. 11
+Huisman, Amsterdam.
+F. Huizers, Bazendrecht.
+E. Huizinga, Veendam.
+J. Huizenga, Groningen.
+J. Huizinga, Leeuwarden.
+J. J. Huldij, Schiedam.
+W. Hulscher G.Jzn., boekh., Deventer. 2
+B. Hulshof Jr., Amsterdam.
+I. Hulselman, Rotterdam.
+M. Hulshoff, Almelo.
+D. Hulsinga, Schiedam.
+J. B. C. Hulsman, boekh., » 5
+Hulst, Dordrecht.
+D. van Hulst, boekh., Nieuwveen. 2
+J. H. van Hulst, Kampen.
+Laurens van Hulst, boekh., » 20
+W. Hummelen, Assen.
+J. A. Huneman, boekh., Kampen. 11
+A. van den Hurk, Leiden.
+D. H. Hus, »
+W. F. K. Hussem, Boskoop.
+A. Huysse, Delft.
+
+
+
+I.
+
+K. H. Idema, boekh., Medemblik. 1
+W. Idema, Hoorn.
+Ierbroek, Amsterdam.
+I. Igesz, Hoorn.
+Imminck, Amsterdam.
+W. P. Ingenegeren, Utrecht.
+P. van Iperen, Rotterdam.
+F. H. G. van Iterson, Leiden.
+P. E. van Ittersum, Amersfoort.
+
+
+
+J.
+
+C. de Jaager, Bodegraven.
+J. J. de Jaager, Amstelveen.
+B. Jacobs, Nijmegen.
+J. F. Jacobs, Zegwaard.
+N. G. Jacobs, Zutphen.
+Jacobson, Amsterdam.
+W. H. Jager, Leidschendam.
+S. A. Jager, Workum.
+W. Janmaat, Rinnegom.
+Jansen, Amsterdam.
+B. Jansen, Gorinchem.
+G. Jansen, Rheden.
+H. B. Jansen, boekh., Arnhem. 7
+H. W. Jansen, Veenhuizen.
+J. J. Jansen, Bloemendaal.
+J. L. M. Jansen, boekh., Sittard. 6
+M. J. Jansen, Winkel.
+R. Jansen.
+W. J. Jansen, Rotterdam.
+G. Jansen van Rijssen, Hallum.
+H. Janssen, Rotterdam.
+Karel Janzon, Heusden.
+G. F. Japikse, Leiden.
+N. J. C. Jeekel, Gouda.
+A. van Jelgerhuis, Leeuwarden.
+H. Jelgersma, Kampen.
+E. Joël, Tilburg.
+C. de Jong, Gouda.
+F. J. de Jong, Leiden.
+H. de Jong, Lutjebroek.
+Henri de Jong, Utrecht.
+J. de Jong, Haarlem.
+J. de Jong, Voorschoten.
+J. de Jong, Oudega.
+J. L. de Jong, Amsterdam.
+M. de Jong, Hoorn.
+T. de Jong, boekhandelaar, Westzaan. 1
+W. W. de Jong, Deventer.
+W. F. Jongbloed, Leiden.
+A. C. de Jonge, boekh., Goes. 1
+Corn. de Jonge, Brouwershaven.
+H. de Jonge, Kampen.
+J. J. de Jonge, Groningen.
+Cand. W. de Jonge, »
+G. I. de Jongh, Amsterdam.
+Mevr. de Wed. J. W. Jongeling, geb. Beuns, Utrecht.
+W. Jongeneel, Oudewater.
+I. de Jongh, Leeuwarden.
+P. de Jongh, Heusden.
+J. Jongsma, Achlum.
+D. Jonk Jr., Middelburg.
+Jonker, Apeldoorn.
+P. Jonker, Beverwijk.
+Js. Jonker Hzn., Purmerend.
+Jonxis, Heusden.
+H. v. Joolen, Almelo.
+G. D. Jordens, Zwolle.
+G. Jorissen, Heerenveen.
+N. A. Jorissen, Dinxperlo.
+Julius, Beverwijk.
+C. Julsing, Alkmaar.
+H. Jungblut, Utrecht.
+Just de la Passières, Bergen-op-Zoom.
+
+
+
+K.
+
+H. J. Kaak, Silvolde.
+H. G. Kaks, Amsterdam.
+L. van Kalken, Utrecht.
+J. H. J. Kam, Delfshaven.
+W. Kamerlingh, Groningen.
+G. J. A. Kamerman. Utrecht.
+J. Kamminga Kijlstra, Dragten.
+P. N. van Kampen & Zoon, boekhandelaar, Amsterdam. 1
+J. Kamps, Leeuwarden.
+J. A. Kannegieser, boekh., Brummen. 2
+W. A. Kanters, Gendringen.
+J. P. Kappel, Heusden.
+W. J. Kat, boekhandelaar, Haarlem. 10
+G. A. de Kater, Brouwershaven.
+J. A. Kaulen, Helmond.
+A. Keck, Leeuwarden.
+Keerens, Maastricht.
+G. J. G. Kehl, Leiden.
+H. P. Kelder, »
+C. F. Kellenbach, Rotterdam.
+H. Kellevink, Amsterdam.
+Kemink & Zoon, boekh., Utrecht. 5
+J. J. H. Kemmer, boekh., » 5
+W. van Kempen, Zierikzee.
+E. F. Kempers, Groningen.
+Kepler, Amsterdam.
+G. L. Kepper, Heusden.
+M. Kerdel, Schiedam.
+I. C. van Kerkwijk, Aarlanderveen.
+J. W. van Kerkwijk, Zalt-Bommel.
+J. Kersten, Zutphen.
+H. van Kesteren, Gorinchem.
+H. J. van Kesteren & Co., boekhandelaar, Amsterdam. 5
+J. J. A. Keuchenius, Assen.
+C. J. Keuker, firma Brandon & Co., Rotterdam.
+H. Keulen, Westhem.
+G. J. ter Keurst, Ambt Doetinchem.
+Harm. Keus H.Bzn., Meppel.
+J. H. Keusschot, Wageningen.
+D. Keijzer, Amsterdam.
+Johs. Keyzer, Amersfoort.
+J. Kielburger, Rotterdam.
+A. Kielman, boekhandelaar, Veendam. 1
+Kierschberg, Amsterdam.
+W. der Kinderen, Heusden.
+Jhr. Mr. A. R. P. v. Kinschot, 's Gravendeel.
+W. H. Kirberger, boekh., Amsterdam. 1
+L. C. Kisteman, Rotterdam.
+F. Kleeuwens & Zn., boekh., Goes. 2
+C. Klaar, Zwolle.
+W. J. Klaar, Maasdam.
+Jb. Klaasesz, Steenwijk.
+C. Klaassen, Utrecht.
+Klaassen, »
+A. Kläsener, Alkmaar.
+J. P. C. van den Klashorst, Noordwijk.
+A. van Klaveren, Gouda.
+H. A. van Klaveren, Amsterdam.
+W. F. M. van Klaveren, »
+J. A. Klaverweijden, Alkmaar.
+A. Klein, Amsterdam.
+I. I. Kleine Azn., Kralingen.
+A. Kleingeld, Rotterdam.
+J. de Klerk, »
+Th. Kley, Harderwijk.
+H. v. d. Kloet, Dordrecht.
+Wed. J. T. Kloosterman, boekhandelaar, Nijmegen. 6
+M. Kloot, Oudshoorn.
+P. Kluitman, boekh., Alkmaar. 5
+L. Kniepstra, Leeuwarden.
+U. Knotterus, Franeker.
+G. W. Kobus, Sinderen.
+Koch Jr., Arnhem.
+A. Koedijk, Rijssen.
+S. M. Koekoek, Rotterdam.
+Hendrik Koelstra, Tjalbet.
+B. Koendrink, Almelo.
+A. Koene, Rotterdam.
+W. Koens Jr., Almelo.
+D. Koffijberg, Amsterdam.
+Kohl, »
+
+A. J. A. de Kok, boekh., Bergen op Zoom. 14
+B. Kok, Arnhem.
+T. H. Kok, Deventer.
+E. H. Kol, Utrecht.
+W. Kolthof, Almelo.
+Komen, Delft.
+F. Kommers, Maastricht.
+D. H. Koning, boekh., Deventer. 2
+F. H. de Koning, Schagerbrug.
+I. I. R. Koning, Rotterdam.
+T. G. Koning, »
+Ph. de Koning, Alkmaar.
+Mevr. Wed. Koning-Kuijt, Utrecht.
+D. Konijnenburg, Alphen.
+J. Konijnendijk, Heinenoord.
+Kool, Amsterdam.
+M. Kool, Bodegraven.
+H. Koomen, Winkel.
+H. G. Koopmans, Holwerd.
+L. M. Koopmans, Fochtelo.
+W. A. F. Koopman, boekh., Lemmer. 2
+Ds. H. Koops, Wons.
+J. Kooremans, Hooftplaat.
+C. A. Koorenaar, Bergen-op-Zoom.
+J. A. Koot, Wilnis.
+J. Kooij, Beemster.
+P. Kooij, »
+C. Kooijker, boekhandelaar, Leiden. 11
+J. Kooijman, Dordrecht.
+W. P. Kooy, boekh., Nieuwediep. 5
+J. Th. v. d. Kop, boekh., Vlaardingen. 3
+J. G. Koppe, Amsterdam.
+W. van Koppenhagen, Lienden.
+Korenblik Reyn, Amersfoort.
+M. J. de Kort, Keppel.
+W. Korteweg, Overschie.
+Jbs. de Korver, Vlaardingen.
+Anthonie Koster, Boskoop.
+Wed. P. Koster, »
+Henry Koster, boekh., Amsterdam. 1
+J. Koster, »
+G. Kotting, »
+G. Kottner, Leiden.
+L. Kottner, »
+L. Kous, . Weesperzijde.
+T. Kouwenaar, boekh., Amsterdam. 3
+J. Kouwenberg, Zalt-Bommel.
+Wed. Kouwenhoven-Sebbler, Amsterdam.
+Wed. Kraaijenvanger, Delft.
+Dr. J. Kraakman, Alkmaar.
+P. B. Kraakman, »
+Kraal, Rhenen.
+M. Kraal, Rotterdam.
+J. Kraan, boekhandelaar, Amsterdam. 5
+H. v. d. Kraan, Ysselmonde.
+D. Kraaijenbrink, boekh., Woerden. 1
+Gebr. Kraay, boekh., Amsterdam. 1
+G. A. Kraft, »
+P. J. Kraft, boekhandelaar, 's Hage. 1
+J. Kraijenbelt, Alkmaar.
+J. A. Kramer, Heusden.
+N. Kramer, Overveen.
+H. A. Kramers, boekh., Rotterdam. 5
+Kramps, Roermond.
+F. A. Kramps, boekh., Hoorn. 14
+J. J. Krantz, Leiden.
+
+Wed. Krap & van Duijm, boekhandelaars, Rotterdam. 3
+H. Kreeftenberg Jzn., Varsseveld.
+C. Kreet de Virieux, Wageningen.
+B. Kreft, Rotterdam.
+H. J. Kremer, Meppel.
+G. de Kroes, Gorinchem.
+G. van de Krommestraat, Werkendam.
+A. Kroon, Amsterdam.
+T. Kroon, »
+Dr. J. Kroon, Zutphen.
+C. Kroon, Sliedrecht.
+F. Kroon, Hoorn.
+H. v. d. Kroon, Rotterdam.
+H. W. F. Kroos, Amsterdam.
+H. Krop, Aarlanderveen.
+P. A. Kropff, Leiden.
+D. Kropholler, Amsterdam.
+D. Kruit, Zijpe.
+Krummer, Amsterdam.
+J. J. Kruseman, Haarlem.
+de Kruijff, Maastricht.
+J. de Kruyff, boekhandelaar, Utrecht. 10
+J. J. Krijne, boekhandelaar, Amsterdam. 4
+A. C. Kubatz, Kampen.
+J. H. Kuhleman, Amsterdam.
+Kuhn, »
+Gebr. Künen, boekh., Delden. 4
+P. W. Kühne, Gorinchem.
+J. Kuiker Jzn., boekh., St. Anna Parochie. 1
+C. ter Kuile, Zaandam.
+J. ter Kuile Lemke, Enschedé.
+J. B. van der Kuijlen, Utrecht.
+Kuiper, Amsterdam.
+H. Kuipers, boekhandelaar, Leeuwarden. 1
+J. Kuipers, Groningen.
+IJ. Kuipers, Harlingen.
+Kuit, Amsterdam.
+L. K. Kumpe, Zutphen.
+J. F. Kuneman, Rotterdam.
+D. M. Kurz, »
+H. Kusters, Leiden.
+P. Kuijlaars, boekh., Breda. 5
+J. Kuijper, Baarlo.
+S. D. Kuijpers, Terwaard.
+I. L. Kuijper,
+J. van Kuyk, Amsterdam.
+B. Kwak, Dordrecht.
+J. C. Kwant, Amsterdam.
+P. H. Kwant, »
+J. Kwinkelenberg, »
+
+
+
+L.
+
+A. van der Laan, Haarlem.
+Mr. J. W. v. d. Laan, Gendringen.
+M. P. van Laar, Almelo.
+B. G. J. de Laat, Alkmaar.
+Mw. D. van Laer, Zwolle.
+A. Lafors, Vlaardingen.
+H. Lakenman, boekh., Zierikzee. 1
+A. H. de Lamaar, Wassenaar.
+I. G. Lambers, Meppel.
+P. A. Lammerts v. Bueren, Utrecht.
+H. Baron v. Lamsweerde, Wehl.
+J. Landaal, Wageningen.
+J. D. Landré, Amsterdam.
+Landweer, »
+G. van Lange, Waddinxveen.
+P. J. H. Lange, Amsterdam.
+G. Langelaar, Rotterdam.
+J. W. C. van Langen, Ginneken.
+C. L. van Langenhuyzen,
+boekhandelaar, Amsterdam. 1
+P. Langerveld, Delft.
+B. Langeveld, Zuilen.
+J. G. Lankelma, boekh., Amsterdam. 18
+J. V. Lankelma, Purmerend.
+H. Lankenau, Gorinchem.
+C. P. J. Lauberheimer, Amsterdam.
+T. C. Lauberheimer, »
+H. J. Lauden, Rotterdam.
+H. Lauer, Arnhem.
+L. A. Laurey, boekh., Nieuwediep. 3
+J. W. Lauthendorffer, Haarlemmermeer.
+Lavalette, Amsterdam.
+J. Laverman, boekh., Dragten. 4
+H. J. van Lawick, Leiden.
+Lazonder, Almelo.
+P. Leautaud, Steenbergen.
+Lebeau, Amsterdam.
+Leclerq, »
+A. van der Lee, Grosthuizen,
+W. Leembruggen, Frederiksoord.
+Jan Leendertz, boekh., Amsterdam. 1
+J. W. van Leenhoff, Rotterdam.
+Leesgezelschap "de Eendragt", Oostburg.
+Leesgezelschap "Onderling Genoegen," Vlaardingen.
+Leesgezelschap "Stichting", Leiden.
+Leesgezelschap "Verscheidenheid", Amsterdam.
+Leesgezelschap van Predikanten, Ylst.
+Leeskring "Onderzoek", Menaldum.
+Het Leesgezelschap, Oud-Vossemaer.
+P. de Leeuw, Wageningen.
+Adr. van der Leeuw, Delft.
+D. M. van Leeuwen, Oudshoorn.
+Ds. E. H. van Leeuwen, Vlaardingen.
+M. D. v. Leeuwen, boekh., Rozendaal. 3
+J. W. van Leeuwen, boekh., Leiden. 5
+W. van Leeuwen, Schiedam.
+A. G. W. van Leeuwen, Arnhem.
+J. Leeuwenburg, Rotterdam.
+As. Leeuwenburgh, Heinenoord.
+P. Leeuwenburgh Jzn., »
+P. Leeuwenburgh W.Bzn., »
+L. Leeuwenburgh W.Bzn., »
+H. Leeuwenhoek, Delfshaven.
+Leeuwenkuyl, Amsterdam.
+Louis Legros, boekh., Antwerpen. 150
+J. H. Lehmann, Zeist.
+A. L. Lehr, Rotterdam.
+L. Leicht, Franeker.
+Leids, Amsterdam.
+T. H. Lejay, »
+J. Lendering, Zutphen.
+C. Lenfring, boekh., Amsterdam. 1
+Lenguis, »
+Lenting, Neuzen.
+R. Lentz, Franeker.
+
+P. Leunis, 's Hage.
+Leupen, Amsterdam.
+J. Leupen, Haarlem.
+A. de Leur, Gussendam.
+S. B. Levelt, Amsterdam.
+P. H. Lexis, Helmond.
+J. Leijds, Doetinchem.
+C. Leijerdorp, Rotterdam.
+H. W. Leygraaff, Renkum.
+J. H. Lichtenbelt Jr., Aalsmeer.
+J. K. de Liefde, boekh., 's Hage. 5
+T. J. F. A. Liefrinck, Leiden.
+Liese, Almelo.
+C. M. van Limburg, Rotterdam.
+J. Linchers, Wageningen.
+W. van der Linde, Spijkenisse.
+A. W. van 't Lindenhout, Hoorn.
+J. van der Linden, Kampen.
+J. van der Linden, Hoevelaken.
+W. Over de Linden, boekh., Enkhuizen. 3
+Paul van der Linge, Utrecht.
+C. J. Th. Lindgreen, boekh., Amsterdam. 1
+August Lindner, »
+Lindner ten Velthuis, »
+H. de Lint, Spijkenisse.
+Dr. J. J. van der Lip, Wijk-bij-Duurstede.
+W. van Lith, Eindhoven.
+H. Lobach, Obdam.
+J. M. Locker de Buijne, Brouwershaven.
+S. F. Lodewijks Jr., Amsterdam.
+C. Loeff, Zuidzande.
+M. J. van der Loeff, boekh., Enschede. 14
+Vernier van der Loeff, Eindhoven.
+A. H. Lohse, Loman & Verster, boekh., Amsterdam. 1
+J. van Loo, Zwolle.
+S. van der Loo, Overschie.
+G. J. van der Loo de Jong, Amersfoort.
+A. van Loon, boekh., Tiel. 6
+K. van Loon, Harlingen.
+P. van Loon, boekhandelaar, Utrecht. 1
+K. Loos, boekhandelaar, Rotterdam. 5
+Erven Loosjes, boekh., Haarlem. 14
+C. Lopse Hocker, Brouwershaven.
+C. H. Looijaard, Rotterdam.
+L. Looijenga, Leeuwarden.
+Looijenga, »
+J. Loretz, boekhandelaar, 's Bosch. 1
+A. F. van Lottom, Amsterdam.
+P. J. Lowis, »
+O. Lubberts, Leeuwarden.
+Lucassen, »
+H. J. P. Lucassen, Amsterdam.
+P. Luigies, Groningen.
+W. van der Lugt, Renkum.
+I. H. Lukken, Amsterdam.
+D. H. Lunenburg, Gouda.
+Lutkemeijer, Amsterdam.
+J. Theod. Luijckx, Gaunder.
+M. J. Luijks, Rotterdam.
+D. Luijt, boekhandelaar, Assendelft. 5
+Jb. Luijt, boekhandelaar, Sliedrecht. 9
+J. Luyt, »
+F. Luyten de By, Roermond.
+L. I. Luycx, Alkmaar.
+J. Lijbaart, Krabbendijke.
+
+J. Lijbering, Dockum.
+Jhr. Mr. G. W. F. Lijcklama v. Nyeholt, Heerenveen.
+K. Lybering, Amsterdam.
+J. H. Lypbardt, Groningen.
+
+
+
+M.
+
+A. J. M. de Maak,
+P. C. Maan, Leeuwarden.
+I. B. Maandag, Hummelo.
+P. Maarleveld, Vlaardingen.
+Charles Maas, Scheveningen.
+H. A. Maas, Harlingen.
+J. Maas, Almelo.
+P. C. Maas Jr., boekh., Gouda. 23
+A. C. van der Maas, »
+T. van der Maas, Rotterdam.
+Job. Maasdam, Numansdorp.
+B. H. Maaskant, boekh., Gouda. 1
+F. J. Maassen, Dordrecht.
+Wed. H. Maat, Winkel.
+P. Maat Pz., Vlaardingen.
+I. W. Maatman, Amsterdam.
+A. le Maes, Steenbergen.
+J. P. Mahlstede, Uithoorn.
+H. F. Maks Jr., Amsterdam.
+J. Malefeyt, Rotterdam.
+W. J. F. J. Malherbe, Haarlem.
+A. M. Mallée Jr., 's Gravenhage.
+D. Maltha Jr., Schiedam.
+Mandemaker, Amsterdam.
+Ph. M. van der Mandere, Kapelle.
+A. de Mandt, Aalburg.
+Mans, Amsterdam.
+J. W. J. Mans veldt Beck Jr., Loo bij Apeldoorn.
+van Mansvelt, Steenbergen.
+M. Maquiné, Venlo.
+Jonkvrouwe A. A. de Marees van Swinderen, Groningen.
+C. I. B. Marchés, Rotterdam.
+Mark & Co., »
+v. Marken, Amsterdam.
+H. Martin, Zeist.
+Maruis, Hengelo.
+Mason, Amsterdam.
+Mastal, »
+J. Mast, Groningen.
+J. W. Mast, Dordrecht.
+C. I. Mathies, Amsterdam.
+P. J. Mathijssen, Rotterdam.
+Matveld, Amsterdam.
+A. von Mauw, boekh., Maastricht. 5
+C. Maystre, Rotterdam.
+F. T. Maywald, Amersfoort.
+Jac. van der Meer, boekh., Deventer. 5
+J. van der Meer, Leiden.
+J. W. van der Meer, Almelo.
+W. J. van der Meer, Harlingen.
+A. Gezelle Meerburg, boekh., Heusden. 14
+J. W. G. Meerstad, Rijssen.
+J. Mees Fzn., Groningen.
+H. J. Meessen, Utrecht.
+A. C. van Meeteren, Amsterdam.
+J. Meeussen & Zoon, boekh., 's Hage. 6
+B. Meeuwig, Utrecht.
+Meg, Amsterdam.
+G. F. Mehlbaum, »
+
+J. C. Mekel, boekhandelaar, Winsum. 5
+P. van Meldek, Roermond.
+H. Melder, boekhandelaar, Utrecht. 2
+de Mellet, Maastricht.
+G. F. Menger, Berkel.
+Menagé Challa, Amsterdam.
+Ds. W. Mense, Heeg.
+M. J. Mensing, boekh., Rotterdam. 3
+P. H. W. Menzel, Leiden.
+Jhr. Ph. E. van de Merwede, Zutphen.
+G. van Mesdag, Groningen.
+H. Messink, Tiel.
+I. H. Metten, Nijmegen.
+Jan Mettes, Hoorn.
+Mej. C. C. Metz, Haarlem.
+J. ter Meulen, Purmerend.
+F. v. d. Meulen, Barendrecht.
+J. D. van der Meulen, Irnsum.
+R. van der Meulen, Franeker.
+P. C. van der Meulen, Nieuwendiep.
+J. Meulenbelt, boekh., Rotterdam. 8
+J. Meurs, boekhandelaar, 's Hage. 1
+H. van Meurs, Assen.
+P. van Meurs, Schiedam.
+v. Meurs, Amsterdam.
+de Meij Mecima, Spijkenisse.
+Meijer, Amsterdam.
+Meijer Jr., »
+D. H. Meijer, Hekendorp.
+E. Meijer, Groningen.
+G. L. Meijer, boekh., Lochem. 1
+H. A. Meijer, boekh., Amsterdam. 5
+H. J. Meijer, Rotterdam.
+J. G. Meijer, Groningen.
+J. M. E. & G. H. Meijer, boekhandelaars, Amsterdam. 2
+J. W. Meijer, Renkum.
+P. Meijer Levy, Leeuwarden.
+C. P. de Meijer, Maurik.
+W. H. de Meijer, Rotterdam.
+D. J. D. de Meijere, Ysselmonde.
+Ph. Meijers, boekh., Amersfoort. 5
+Meijes, Amsterdam.
+D. N. Meijners, Geertruidenberg.
+H. G. J. L. Meijners, Nijmegen.
+J. van der Meyden, Haarlem.
+J. Meynadier, Amsterdam.
+M. E. Meyneken, Rotterdam.
+J. H. Michaelis, Vlissingen.
+S. Middeldorp, Deventer.
+C. Middelman, Utrecht.
+C. Miedema, Minnerstga.
+A. Mielart, Uithoorn.
+H. I. van Mierlo, Eindhoven.
+W. Millard, Rotterdam.
+I. G. Milo Jr., »
+H. Minkman, Arnhem.
+L. Mirande, Harlingen.
+Jhr. E. A. L. Mock, Haarlem.
+Mr. A. E. I. Modderman, Leiden.
+W. Moet, boekhandelaar, Dordrecht. 5
+C. C. Mohrmann, Leeuwarden.
+A. Mol, Amersfoort.
+P. H. Mol, Amsterdam.
+P. de Mol Moncourt, Garijp.
+M. S. Molders, Leiden.
+P. W. Molenaar, Scharnegoutum.
+
+S. H. Molenbroek, Leiden.
+B. N. I. T. Molkenboer, »
+G. Molkenboer, Amsterdam.
+Jhr. Mr. G. W. Mollerus, Heusden.
+H. I. Molsbergen, Utrecht.
+Mejufvr. Mom Visch, Haarlem.
+Monrooij, boekhandelaar, Amsterdam. 1
+D. Monsma, Franeker.
+A. Montagne Izn., Leiden.
+A. Montauban, Haarlem.
+H. J. Moojen, boekh., den Burg. 6
+A. Moolenaars, Haarlem.
+J. Moolenburg, Brouwershaven.
+H. J. Moonen, boekh., Oosterhout. 2
+J. M. de Moor, Rotterdam.
+J. W. Moot, Amersfoort.
+A. C. de Mooij, boekh., Zierikzee. 4
+H. H. Mooy, boekh., Amsterdam. 5
+E. Mooyaart, Haarlem.
+A. Moritz, Rotterdam.
+A. Moritz, »
+J. Moritz, »
+C. Morks Jzn., boekh., Dordrecht. 35
+C. Morks D.Wzn., »
+J. Morks Jzn., »
+M. C. Morks, Amsterdam.
+Morriën, »
+Morriën, »
+F. Mos, Dwingelo.
+G. Mosmans, boekh., 's Bosch. 28
+B. Mossel, Renkum.
+Wed. S. H. Most, Nijmegen.
+S. J. A. du Moulin, Rotterdam.
+F. J. v. d. Mueren, Oostmahorn.
+J. F. H. Muhring, Steenbergen.
+G. Muilwijk, Rotterdam.
+H. A. Mulder, Groningen.
+J. Mulder, Amsterdam.
+Mulder, »
+P. D. Mullaard, Hellevoetsluis.
+G. Muller, Amsterdam.
+I. I. Muller, »
+J. Muller, »
+Gebr. Muller, boekh., 's Bosch. 8
+Gebr. Muller, boekh., Maastricht. 9
+Dr. F. Muller Massis, Aan de Bilt.
+F. M. Muller, Holter.
+J. Muller, Eendr. bij Apeldoorn.
+J. Muller, Maastricht.
+H. E. A. Muller, Zalt-Bommel.
+J. V. Münch, Almelo.
+von Munchen & Rookmaker,
+ boekhandelaars, Haarlem. 10
+J. J. Munniks de Jongh, Leeuwarden.
+van Munster, Rotterdam.
+A. W. van Munster, boekh., Utrecht. 5
+J. P. Munting, Assen.
+E. W. Mus, Zierikzee.
+J. Mus, »
+I. F. Musbach, Amsterdam.
+J. Musses, boekhandelaar, Purmerend. 19
+J. A. Muijzert, Utrecht.
+G. J. Mijnlieff, Renkum.
+D. Mijs, boekhandelaar, Tiel. 4
+A. P. te Mijtelaar, Amsterdam.
+Mevr. D. M. geb. van R.,
+
+
+
+
+N.
+
+L. Naaktgeboren, 's Gravendeel.
+Mevr. de Douairière Nagel, Zwolle.
+A. J. H. M. A. Baron van Nagell van Nederhemert, Nederhemert.
+Nagtegal, Amsterdam.
+Nagtglas, Renkum.
+Mr. J. Nanninga Uiterdijk, Kampen.
+V. R. Nederländer, Amsterdam.
+L. de Neef, Rotterdam.
+M. Nelemans, Zetten.
+Neidlinger, Amsterdam.
+Neomagus, Reeze.
+O. P. de Nes, Heerenveen.
+W. J. de Neth, Zalt-Bommel.
+J. v. d. Neut, Amsterdam.
+G. P. de Neve, Heen.
+P. J. Neijt, Vlissingen.
+G. J. Nibbelink, Varsseveld.
+J. H. Niemeijer, Vlissingen.
+Niendieck & Eden, boekh., Amsterdam. 2
+A. C. Niermeijer, Deventer.
+A. van Nieuwbeert Oonk, boekhandelaar, Elburg. 13
+J. B. Nieuwenhuis, Deventer.
+J. G. Nieuwenhuis, »
+Wed. J. Nieuwenhuis, boekhandelaar, Gorinchem. 2
+Wed. J. H. Nieuwenhuis, Utrecht.
+J. L. Nieuwenhuijsen, Culemborg.
+R. O. van Nieuwenhuijzen, Zierikzee.
+W. A. Nieuwenhuijzen, boekhandelaar, Tholen. 7
+Nieuwenhuys, Amsterdam.
+P. B. Nieuwenhuys, boekh., Breda. 16
+J. Niewold, Groningen.
+J. Niezen, »
+Mr. C. J. R. Nobel, Zwolle.
+A. Nobel, Rotterdam.
+G. Noë Lzn., boekh., Leeuwarden. 3
+W. Ph. Noë Iz., Amsterdam.
+J. Noest, Leiden.
+P. Nol, Alkmaar.
+R. Nolen, Heurne.
+G. A. Nolen, Heerjansdam.
+J. Noomen, Heerde.
+H. Noordendorp, Oegstgeest.
+B. van Noordenne, Sliedrecht.
+A. Noordhoek, Delfshaven.
+P. Noordhoff, boekh., Groningen. 30
+M. Noordtzy, Schiedam.
+J. Noortveen, Rotterdam.
+W. van Noortwijk, boekh., Schiedam. 3
+H. J. van Noppen, Goes.
+H. C. Noyen, Leiden.
+A. Nugteren, Rotterdam.
+A. Nuijens, boekh., Alkmaar. 17
+Is. An. Nijhoff & Zoon, boekhandelaars, Arnhem. 5
+Mej. M. W. Nijhuis, Doetinchem.
+H. Nijland, boekhandelaar, Epe. 5
+C. Nijsen, Utrecht.
+Societeit van Nyveren, Deventer.
+F. Nijhoff, Almelo.
+
+
+
+
+O.
+
+David Obenhuysen, Amsterdam.
+G. Ockers, »
+Jb. Ochtman Johz., Zierikzee.
+S. Ochtman Jz., boekh., » 9
+J. Odé, boekhandelaar, Schiedam 30.
+W. Odendaal, Ulft.
+J. K. F. van Oeveren, Aalten.
+H. J. Offerhaus, Veenhuizen.
+N. Oldenburg, Rotterdam.
+G. I. C. van Oldenburgh, »
+I. Oldigs, Amsterdam.
+S. C. J. Olivier, »
+A. J. Olivier, Leiden.
+Olij, Utrecht.
+Joh. van Ommen, Amersfoort.
+R. Ommering, Vlaardingen.
+Onderw. Leesgezelschap, Samarang (O.-I.)
+J. J. Oord, Bolswart.
+W. H. van Oordt. Rotterdam.
+G. A. Oortenbroek, Haarlem.
+Oosink, Bloemendaal.
+R. Oostdam, Arnhem.
+Oostendorp, Amsterdam.
+J. van Oostende Az., Zutphen.
+F. J. Oosterbaen, Dragten.
+T. Oosterman, Gorinchem.
+H. J. van Oosterom, Utrecht.
+Oostwald, Kampen.
+Opdenheid, Amsterdam.
+A. Ophorst, boekhandelaar, Wageningen. 30
+M. Oppenheim, Rotterdam.
+W. M. Oppedijk, Ylst.
+T. Orelio, 's Hertogenbosch.
+H. van Os, boekhandelaar, Schagerbrug. 5
+J. C. van Os, »
+D. Oskam, Berg-Ambacht.
+J. Osti, Amsterdam.
+G. H. Otjens, Bergen op Zoom.
+P. Otter, Tjalbet.
+A. A. van Otterloo, Amsterdam.
+Milar van Otterloo, 's Gravenhage.
+Otto, Amsterdam.
+M. Ottevanger, Rotterdam.
+E. J. de Oude, Tjalbet.
+J. de Oude, Brouwershaven.
+I. H. den Ouden, Amsterdam.
+W. v. Ouwerkerk, Rotterdam.
+A. Overbeek, Ambt Doetinchem.
+G. A. Overbeek, Erichem.
+G. van Overbeek, boekh., Alphen. 10
+P. J. van Overbeék, Dordrecht.
+P. J. Overberg, Amsterdam.
+P. J. Overberg, »
+Overbosch, Venlo.
+S. Overbosch, Epe.
+J. A. Overdiep, Heerenveen.
+D. Overeem, Veenhuizen.
+A. M. Overeijnder, Moordrecht.
+J. Overweg Wzn., Zwolle.
+W. Overweg Jzn., Kampen.
+W. Overweg, Almelo.
+A. P. van Oijen,
+
+
+
+
+P.
+
+A. C. F. van Paddenburg, boekhandelaar, Amsterdam. 4
+Mevr. de Wed. Paets, Amersfoort.
+E. J. Pannekoek, Keppel.
+G. H. Pannekoek, Batavia.
+C. F. J. Pape, Heusden.
+J. B. Paris, Amsterdam.
+A. Parmentier, Leiderdorp.
+J. N. Parrée, Utrecht.
+G. A. Parser, Amsterdam.
+J. G. van Parijs, Leiden.
+Jn. van der Pas, Vlaardingen.
+Jongenh. J. Pasteur, Doetinchem.
+Joh. L. v. d. Pauwert, boekh., Delfshaven. 1
+J. A. Peekel, Amsterdam.
+C. M. H. Pel, Bergen-op-Zoom.
+H. J. Peppink, Spijkenisse.
+H. H. Penaat, Groningen.
+W. Perk, Alphen.
+P. J. Persijn, boekh., Hoorn. 1
+J. A. Perlee, Kampen.
+P. J. Peskens, Leiden.
+Jhr. V. A. de Pesters, Amersfoort.
+C. Pet, boekhandelaar, Hoogeveen. 14
+M. Peters, Veenendaal.
+G. A. Peters, Schore.
+A. E. Petersen, Zutphen.
+C. Petersen, Dockum.
+M. G. Petersen, Amsterdam.
+Ch. Ph. Petit, Breda.
+I. G. de Petit, Gendringen.
+Louis D. Petit, boekh., Amsterdam. 9
+G. van Peursem, boekh., » 6
+J. H. van Peursem, boekh., Utrecht. 1
+Peuschgen, Amsterdam.
+J. Peijer, Heerenveen.
+P. Pey, Utrecht.
+H. Pezie, Ambt-Almelo.
+F. A. I. Pichot, Schiedam.
+B. Pichsma, Harlingen.
+Mej. Wed. J. Pieckers, Alkmaar.
+A. C. Pielanen, Leiden.
+J. Pieters, 's Hertogenbosch.
+A. Pieters, Dordrecht.
+P. Pieterse, Amsterdam.
+M. F. van Pierre, boekh., Eindhoven. 19
+J. G. Piket, Leiden.
+D. Pinkert, Arnhem.
+A. Pitaffe, Hoorn.
+Plaat, Amsterdam.
+H. Plaizier, Leeuwarden.
+F. Plantenga, Franeker.
+Plas, Wateringen.
+A. J. Plas, Schagerbrug.
+E. C. Platvoet, Velsen.
+W. C. Plet, 's Hertogenbosch.
+J. Plet, Leeuwarden.
+J. van der Ploeg, Franeker.
+W. Ploegsma, Akkerwoude.
+M. J. van der Poel, Almelo.
+v. d. Poel, Amsterdam.
+B. W. Poeschmann, »
+B. W. Poeschmann, »
+G. B. Poeschmann, boekh., Rotterdam. 5
+
+J. Pogge, Amsterdam.
+Joh. van der Pol, Wijk bij Heusden.
+A. R. Polet, Dordrecht.
+J. v. Poll Suykerbuijk, boekhandelaar, Rozendaal. 5
+H. Pollema, Berlikum.
+R. G. Pollman, Wehl.
+Guillaume Pollet, Tilburg.
+J. B. Poort, Amersfoort.
+J. N. Poort, »
+A. K. Poortman, Vlaardingen.
+C. van Poortvliet, Nieuw-Vossemeer.
+J. van Poortvliet, Nieuwerkerk in Duiveland.
+Gebr. Poot, boekhandelaar, Rotterdam. 43
+P. Poots, Dordrecht.
+L. van Popering, Dreischor.
+J. G. Portegeis, Bergen op Zoom.
+P. Portegies, Alkmaar.
+W. Pos, Vroomshoop.
+H. A. Posno, Kampen.
+L. G. Post, boekhandelaar, Purmerende. 3
+H. Post van der Burg, Rotterdam.
+L. Posthuma Ezn., Oosterwolde.
+W. Posthuma, Dockum.
+W. Posthumus, Groningen.
+N. W. Posthumus, Amsterdam.
+Posthumus, »
+Clement Postmus, Heerenveen.
+F. Postma, Leeuwarden.
+G. Postma, Hallum.
+J. Postma, Cornwerd.
+D. Pot, Franeker.
+J. Pothof, Silvolde.
+J. Pottebakker, Breukelen.
+F. Th. Potter, Utrecht.
+C. H. A. Poulich, Rotterdam.
+D. Pouwels, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 3
+W. F. Pouw, Amsterdam.
+C. M. Pouwels, Sneek.
+Mevr. de Wed. van Praag, Leiden.
+L. van Praag, »
+G. du Pré, Ambarawe.
+W. F. Prels, Nijmegen.
+J. Preuijt, Terheijden.
+J. H. Prikken, Amersfoort.
+H. W. Prillewitz, Heusden.
+J. H. Prillewitz, Wijk (bij Heusden.)
+A. M. Prins, Wageningen.
+Maurits Prins,
+N. Prins, Sliedrecht.
+P. J. Prins, Rotterdam.
+S. H. Prins, Bolsward.
+J. Prins de Bennekom, Bennekom.
+G. Prinsenberg, Gouda.
+T. D. H. Pull, boekh., Apeldoorn. 13
+C. Pullewitz, Heusden.
+G. Prümers, Leiden.
+J. J. F. Thomas van Putt, Brussel.
+W. van Putten, Kampen.
+K. v. d. Pijll, Groningen.
+H. J. Pijlman, Vroomshoop.
+H. Pyttersen Tzn., boekh., Sneek. 1
+
+
+
+
+Q.
+
+Mr. A. Quaëstuis, Dronrijp.
+H. Quakkelsteijn, Vlaardingen.
+Arts J. A. Quanjer, Amsterdam.
+Quarles van Ufford, Zutphen.
+C. Quast, Dordrecht.
+A. W. Quint, boekh., Houtrijk & Polane. 11
+H. I. Quint, Amsterdam.
+
+
+
+
+R.
+
+D. de Raad, Puttershoek.
+W. J. Raadgeep, boekh., Doetinchem. 64
+F. Raadman, Kampen.
+H. Raamaker, Groningen.
+J. Rademakers, Venlo.
+B. Radstake, Varsseveld.
+Jos. Raemaekers, boekh., Roermond. 4
+E. C. Rahms, boekh., Oudewater. 1
+C. J. Ramann, Amsterdam.
+Ranning Eylerts, boekh., » 3
+B. J. Ras, »
+Joh. H. Rasël, »
+Jb. Raven, Groningen.
+P. van Raven, boekh., de Rijp. 1
+F. Rauch, Amersfoort.
+F. C. G. Graaf v. Rechteren Limpurg, Varsseveld.
+A. E. J. Reckers, Rotterdam.
+D. v. Reenen, Amsterdam.
+J. J. van Reenen, Leiden.
+W. Reeser, Rotterdam.
+M. I. Reesse, Delft.
+H. Regelman, Winkel.
+P. F. Regnault, Amsterdam.
+H. de Regt, Rotterdam.
+J. W. Regtering, Amsterdam.
+A. Ph. G. Reigersberg, Utrecht.
+W. Reinders, Kampen.
+G. J. Reits, boekhandelaar, Groningen. 1
+W. A. W. Rengers Hora Siccama, Hoogeveen.
+M. H. Reterink, boekh., Schiedam. 9
+J. P. Revers, boekh., Dordrecht. 1
+J. van Reijen, Haarlem.
+W. J. Reijnders, Utrecht.
+Franc Reynders, Rotterdam.
+P. H. J. Reynet de la Rue, boekhandelaar, Amsterdam. 1
+C. D. Rezelman, Wieringerwaard.
+Mevr. Richelle-Swaan, Woerden.
+J. de Ridder, Wageningen.
+de Ridder, Amsterdam.
+de Ridder, »
+Riebel, »
+J. Riesberg, boekhandelaar, Nieuwe Niedorp. 11
+D. Rietveld de Hondt, Velp.
+J. Rikkers, Leeuwarden.
+G. W. Ringeling, Amsterdam.
+C. W. J. Rink, Oosterhout.
+J. Rit, Zalt-Bommel.
+C. M. Ritmeester, Gorinchem.
+Wed. E. H. Ris, Schiedam.
+
+Robbers & de Haas, boekh., Rotterdam. 30
+Mej. Rodbard, Leiden.
+J. H. de Rode, Zutphen.
+A. Rodenburgh Mentz, Renkum.
+Rodenhuis, Amsterdam.
+H. C. Roeff, »
+Mr. B. A. Roelvink, Aalten.
+I. Roer, Alblasserdam.
+W. Roetman, Schiedam.
+H. A. M. Roelants, boekh., » 1
+Joh. Roem, boekh., Alkmaar. 7
+J. W. v. d. Roest, boekh., Nunspeet. 3
+C. Rogge, Retranchement.
+IJ. Rogge, boekhandelaar, Amsterdam. 1
+C. van Roggen, Amersfoort.
+W. Roggenbach, Utrecht.
+W. Rogghé, boekh., Gent. 70
+A. J. M. Roldanus, Wageningen.
+A. C. Rolff, boekhandelaar, Amsterdam. 7
+J. P. Romein, Leeuwarden.
+J. J. Romeijn, Ouwerkerk.
+J. Romelingh, boekh., Groningen. 1
+H. de Ronde, Delfshaven.
+B. H. de Ronden, boekh, Amsterdam. 8
+J. de Roo, Overveen.
+H. J. de Roo, Doesborgh.
+Wed. J. M. Roodenburg-Nolet, Nijmegen.
+Dr. H. Roodhuijzen, Zalt-Bommel.
+R. H. de Roodt, Rotterdam.
+J. Roorda, bij Leeuwarden.
+J. J. Roos Jr., Wormerveer.
+Mej. F. W. de Roos, Bloemendaal.
+J. Rooseboom, Zwolle.
+A. Roost, Overschie.
+F. A. Roost, Zalt-Bommel
+C. J. van Roosendael, Culemborg.
+I. H. v. d. Roovaart, Vlaardingen.
+M. van de Roovaart, Rotterdam.
+H. van Rooijen, »
+J. J. van Rooijen, Leiden.
+W. van Rooyen, »
+Jos. M. Roozenburg, boekh., 's Hage. 4
+W. Rosenkranz, boekh,. Maastricht. 10
+G. Rosier, Gendringen.
+Th. Rosier, Leeuwarden.
+H. Roskam, Sliedrecht.
+F. van Rossen, boekh., Amsterdam. 1
+Dr. A. J. van Rossum, Enschedé.
+J. v. Rossum Dzn., boekh., Bodegraven. 9
+G. Rubbers, Hengelo.
+C. Ruben Bzn., Westword.
+Ruhl, Amsterdam.
+W. Ruitinga, Harlingen.
+J. C. C. Rupp, boekh., Ede. 1
+Vrouwe Douairière Rutgers van Rozenburg, Haarlem.
+G. Rutter, Amsterdam.
+F. F. Rüvekamp, Nijmegen.
+W. J. Ruijs, Haarlem.
+D. J. Ruijter, Gouda.
+P. H. de Ruyter, Leeuwarden.
+A. C. van Ruyven, »
+W. van Rij, Puttershoek.
+J. van Rij, Rotterdam.
+F. D. Rijf, Harlingen.
+A. Rijken, Dordrecht.
+
+A. G. Rijkens, Groningen.
+Rijks Hoogere Burgerschool, Winterswijk.
+Rijks Hoogere Burgerschool, Zwolle.
+Rijks Normaalschool, Amersfoort.
+Ph. van Rijn, Berkel.
+D. Rijnders, Alkmaar.
+C. A. Rijpost, Groenveld.
+G. Rijsdijk, 's Gravendeel.
+A. van Rijs, Zwijndrecht.
+C. J. F. Ryperman, Velzen.
+
+
+
+S.
+
+Gerrit Saager, Wensum bij Apeldoorn.
+F. Salvezen, Nieuwendiep.
+J. Samplonius, boekh., Heeg. 10
+J. C. Sander, Schiedam.
+C. J. van Santen C. Jzn., Vlissingen.
+Mevr. Wed. Saportas, Arnhem.
+G. J. Sas, Harderwijk.
+R. Sasburg, Wijdenes.
+J. G. Sasse, Leiden.
+H. Sasse, »
+J. C. Sauerbier, Nieuwerkerk a/d.yssel.
+R. J. Sauerbier, »
+D. Schaaf, Leeuwarden.
+A. Schaafsma, boekh., Dockum. 5
+Schaap, Delft
+Gebr. Schaap, Arnhem.
+A. Schaap, Winkel.
+H. A. Schaap, Almelo.
+Schaap, Amsterdam.
+Schadd & Schröder, boekh., » 14
+Schalekamp, v. d. Grampel & Bakker, boekh., » 10
+van der Schalk & v. Dijl, boekhandelaars, Dordrecht. 6
+Schaller, Amsterdam.
+C. W. Schalij, Leerdam.
+Dr. J. van der Scheer, Assen.
+Erven D. H. v. d. Scheer, boekhandelaar, Assen. 9
+E. Scheepers, Heerlen.
+Scheltema, Amsterdam.
+Scheltema & Holkema, boekhandelaars, Amsterdam 17
+H. Scheltes, Groningen.
+J. A. Scheltens, Herwynen.
+J. Schenk, Rotterdam.
+P. Schenk, Dordrecht.
+Scheppers, Maastricht.
+J. Scheres, Dordrecht.
+H. Scheringa, Beemster.
+Mevr. Scherius, Utrecht.
+W. Schermer, Amsterdam.
+F. A. Schiebelhout, Rotterdam.
+R. J. Schierbeek, boekh., Groningen. 9
+W. C. Schiff, Nes (Ameland).
+Schiffelers, Maastricht.
+I. W. Schimsheimer, Amsterdam.
+J. F. Schimsheimer, »
+P. W. A. Schipper, Rotterdam.
+P. J. Schipperhein, Wageningen.
+R. Schippers, Middelburg.
+C. L. Schleijer & Zn., boekh., Amsterdam. 1
+
+J. F. C. Schlimme, Amersfoort.
+J. P. Schluiter, »
+F. H. Schmidt, Rustenburg.
+L. W. T. Schmidt, Leiden.
+A. Schneidener, Zandpoort.
+Schneider, Zalt-Bommel.
+C. F. Schneiders, Zutphen.
+W. Schof, Dordrecht.
+J. L. Scholberg, Maastricht.
+Mej. M. Scholmeijer, Alkmaar.
+K. L. Schols, Amsterdam.
+Scholte, »
+P. Scholtens, Groningen.
+R. Scholtens, Enschedé.
+Scholtens & Zoon, boekh., Groningen. 5
+H. W. Schonewald, Wageningen.
+M. Schooneveld & Zn., boekhandelaar, Amsterdam. 6
+J. Schoonman, Zutphen.
+J. Schoonman, boekh., » 9
+R. Schoonman, Lochem.
+Dr. Schoorel, Katwijk aan Zee.
+R. van der Schoot, Hillegom.
+A. P. Schotel Gzn., Dordrecht.
+D. Schotel J.Wzn., boekh., » 5
+I. Schotman, Dordrecht.
+A. Schout Velthuijs, boekh, » 9
+J. Schouten, Alkmaar.
+Mej. de Wed. B. Schouten, Wassenaar.
+Schouw, Amsterdam.
+J. van der Schouw, boekh., Leiden. 34
+I. Schreuder, Aalzum.
+A. Schram Jzn., Sliedrecht.
+W. E. Schravensande, Rotterdam.
+J. E. Schreiber Jzn., Amsterdam.
+Schreiner, Arnhem.
+J. W. Schreurs, Leeuwarden.
+S. H. Schrik, Zwolle.
+W. C. Schrikker, Amsterdam.
+T. Schroder, »
+Schröder, »
+Schröder, Amersfoort.
+J. van der Schroeff, Kampen.
+D. Schrijver, Nieuwendiep.
+Schrijver, Amsterdam.
+A. W. Schuhkrafft, Melbourne.
+J. Schuitemaker, boekh., Purmerende. 1
+N. Schuitemaker, Leeuwarden.
+L. A. E. Schuller, Renkum.
+Schulte, Amsterdam.
+W. Schultz, »
+J. Schültze, 's Hertogenbosch.
+G. Schumacher, Heerenveen.
+E. Schut, Dordrecht.
+F. Schut, Heilo.
+I. Schut, Leiden.
+J. J. Schutte, Amsterdam.
+Willem Schutte, Zwolle.
+P. F. Schutz, Hoorn.
+H. F. Schuurman, Alkmaar.
+G. J. Schuijt, Amsterdam.
+N. Schuijt, »
+H. Schuijten, Leiden.
+N. Schuyt, Amsterdam.
+A Schwab, Kampen.
+J. Schweinzberg, Amersfoort.
+M. C. Segmond, s'Gravendeel.
+
+A. J. Servaas van Rooijen, boekhandelaar, Utrecht. 34
+H. Seubring, Noordlaren.
+Seyffardt's Boekhandel, Amsterdam. 1
+P. C. Sidema, Zalt-Bommel.
+G. J. Siddré, Amersfoort.
+Siep, Amsterdam.
+J. Siemerink Schaap, Alkmaar.
+J. de Sille, Rotterdam.
+F. W. Simons, Overveen.
+W. H. Simons, Middelburg.
+H. Singer, Rotterdam.
+Mevr. Wed. W. de Sitter-ten Berge, Glimmen (Prov. Groningen).
+K. Slikker, Kolhorn.
+R. Slikker Jr., Almelo.
+H. J. Slinkert, Utrecht.
+Mr. A. F. Baron Sloet van Zwanenburg, Apeldoorn.
+H. J. F. Slinkert, Rotterdam.
+A. M. Slothouwer, boekh., Amersfoort. 25
+A. J. Sloores, Winkel.
+Sluik, Amsterdam.
+D. v. d. Sluis, Barendrecht.
+Dr. A. R. van der Sluis, Oosterwolde.
+H. Sluiter, Gouda.
+Jb. van der Sluijs Veer, Alkmaar.
+E. W. G. Sluyter, Amsterdam.
+L. van der Sman, Schiedam.
+J. Smedes Houwerzijl, boekhandelaar, Appingedam. 3
+Mej. L. Smeding, Leeuwarden.
+S. Smeding, boekh., » 6
+P. Smeding, Scharnegoutum.
+F. W. Smets, Almelo.
+A. J. Smeulders, Breda.
+Smid, Amsterdam.
+Smies, »
+Smirren, »
+Smit, »
+Smit, »
+W. A. Smit, Groningen.
+J. Smit, Bloemendaal.
+J. H. H. Smit, boekh., Amsterdam. 1
+N. Smit, Purmerend.
+G. J. A. Smit, Zutphen.
+K. M. Smith, Rotterdam.
+H. Smits, boekhandelaar, Ootmarsum. 9
+W. H. Smits, Leiden.
+N. D. Smits, »
+Ds. F. W. Smits Pzn., Enschedé.
+P. Smits, Alkmaar.
+J. C. J. Smits, Bronbeek.
+J. Smolders, 's Heerenhoek.
+Mej. M. Snellen, Rotterdam.
+J. G. Sneltjes, Amsterdam.
+Persant Snoep, 's Gravenpolder.
+W. Snijders, Rotterdam.
+Sodenkamp, Maastricht.
+A. Soederouw, Amsterdam.
+C. J. van Soest, boekh., » 6
+Soeters, Bergen-op-Zoom.
+J. Soff, Leiden.
+Ph. Sollmann Jr., Arnhem.
+P. N. Sombeek, boekh., Zaandam. 8
+A. E. C. v. Someren, boekh., Zutphen. 3
+P. Somerwil, boekh., Leiden. 5
+
+J. T. Sommer, boekh., Almelo. 5
+G. Sommeling, Amsterdam.
+P. Sommerling, »
+D. J. Somsen, Heurne.
+J. A. Sonne, Hellevoetsluis.
+G. Sormevelt, Zwolle.
+Sormani & Co., Groningen.
+J. B. Soute, Rotterdam.
+Mej. H. G. P. Spaargaren, Oegstgeest.
+H. Spanjaard, boekh., Steenwijk. 6
+D. J. Spanjaard, Borne.
+Iz. J. Spanjaard, »
+N. Spanjaard, »
+K. T. v. Spanjen Koppenal, boekhandelaar, Zaandam. 5
+A. Spek Azn., Gorinchem.
+N. M. van der Spelt, Steenbergen.
+Jhr. Th. v. Spengler, Gendringen.
+W. H. Freule von Spengler, Kampen.
+J. Sperling, Leeuwarden.
+D. M. Speyer, Leiden.
+C. G. Spit, Gouda.
+P. Splinter, Bodegraven.
+M. Splinter, Leiderdorp.
+Spruit, Amsterdam.
+Spruyt, »
+Wed. J. C. Spijker, boekh., » 5
+J. Spijkman, Alkmaar.
+A. van der Stadt Jr., boekh, Haarlemmermeer. 1
+Stakenburg, Amsterdam.
+H. G. Stahl, boekhandelaar, 's Gravenhage. 47
+D. J. Stam, »
+A. Stam, Culemborg.
+N. Stam, Alkmaar.
+P. Stam, Dordrecht.
+G. Starink, boekhandelaar, Zutphen. 3
+J. Stasse, Werkendam.
+Staumer, Amsterdam.
+H. G. van Steeden, boekh, Hellevoetsluis. 4
+Mej. C. A. v. d. Steek, Dordrecht.
+van der Steen, Bergen-op-Zoom.
+G. R. van der Steen, Zalt-Bommel.
+H. J. K. van der Steen, Spanbroek.
+A. A. Steenbergen, Hoogeveen.
+D. Steenbergen, Kampen.
+J. Steenmeijer, boekh., Middelburg. 14
+H. Steenwinkel, Gorinchem.
+B. P. P. Steevert, Delft.
+Steiger, Amsterdam.
+Wed. R. P. Steltman, Groningen.
+C. F. Stemler, boekh., Amsterdam 32
+v. d. Stempel, »
+Stein, »
+Steinberg, »
+W. Steinmetz, 's Gravenhage.
+W. H. Stenfert Kroese & v.d. Zande, boekhandelaars, Arnhem. 12
+C. J. Stephanus, boekh., Meppel. 5
+W. Sterk, boekhandelaar, Den Burg. 15
+van Steijn van Hensbroek, Wageningen.
+G. Stiel, Maastricht.
+Daniel Stigter, Goes.
+Wed. Stipriaan Luçius, Enschede.
+J. H. Stöcker, Wageningen.
+J. Stoecke, Leiden.
+W. Stoeder, Amsterdam.
+
+W. L. Stoeller, boekh., Rotterdam. 5
+P. J. Stoffers, Amsterdam.
+H. Stoffels, Leeuwarden.
+L. Stoffers, Meppel.
+W. J. Stokvis, Arnhem.
+W. Stokhuijzen, boekh., » 10
+T. Stokhuyzen, Leiden.
+H. Stol, Haarlem.
+J. M. Stolk, boekhandelaar, Gorinchem. 6
+R. Stolp, Kwadijk.
+M. C. v. d. Stolpe, Bruinisse.
+H. Stoof, Voorhout.
+I. W. Stooker, Nieuwendiep.
+D. J. P. Storm Lotz, boekh., Rotterdam. 5
+A. G. W. van der Straaten, Amsterdam.
+K. F. Stremming, »
+K. F. Stremming Jr., »
+R. Stuffken, Arnhem.
+H. S. van der Stum, Rotterdam.
+B. van Stumperen, Amsterdam.
+J. Sturm, Neuzen.
+C. H. Sunderman, Dordrecht.
+F. W. Sunderus, Rotterdam.
+H. Suringar, Leeuwarden.
+Hugo Suringar, boekh., » 1
+W. Sutorius, Helmond.
+J. W. & C. F. Swaan, boekh., Arnhem. 15
+H. Swagerman Dzn., Amsterdam.
+H. Swank, Barendrecht.
+S. A. N. Swart, Amsterdam.
+W. Swart, Marrum.
+P. Swart, Almkerk.
+A. Swartjes, Egmond aan den Hoef.
+W. J. A. Sweep, Alkmaar.
+N. K. Swemer, Leiden.
+W. Swinkels, Helmond.
+J. Switzer Az., Gouda.
+J. van der Sijde, Almelo.
+G. van Sijtveld, Watergraafsm.
+
+
+
+
+T.
+
+J. Taats, Amersfoort.
+Tabak, Amsterdam.
+M. Tachi, Zierikzee.
+S. Tacoma, Baard.
+J. C. Takke, boekh., Rotterdam. 7
+J. Tat, Haarlem.
+L. C. Teber, Bergen-op-Zoom.
+van Teefelen, Zalt-Bommel.
+Wed. P. M. Teenstra, boekh., Bolsward. 7
+P. Tegelbeckers, Utrecht.
+J. C. Tegen, Gendringen.
+C. Tekes, Harlingen.
+T. Telenga, boekh., Franeker. 5
+W. Tellinga, boekhandelaar, Nijmegen. 5
+W. F. van Tellingen, Alkmaar.
+P. A. Tenenti, Dordrecht.
+J. G. van Terveen & Zoon, boekhandelaars, Utrecht. 5
+D. C. Terveer, Sliedrecht.
+Mej. Wed. W. C. Tetenburg, Rotterdam.
+A. Textor, Bloemendaal.
+G. J. van Thiel, Amsterdam.
+J. J. van Thiel, Breda.
+H. C. A. Thieme, boekh., Nijmegen. 14
+
+W. J. Thieme & Co.; boekh., Zutphen. 5
+Erven Thierrij & Mensing, boekhandelaars, 's Hage. 5
+G. Thomassen, Velp.
+G. Thomassen Tzn., »
+Thomson, Bergen-op-Zoom.
+C. Thömssen, Bloemendaal.
+A. Thijssen, Zwolle.
+Gebr. Thijsen, Amsterdam.
+Tiege, Ede.
+Th. Tielkens, Rotterdam.
+J. H. Tielkemeijer, boekh., Amsterdam. 7
+Tieman, »
+Jan Tiemstra, Franeker.
+K. Tietema, Tzum.
+Tilburg, Amsterdam.
+J. Timmer, »
+G. W. Tinke, Heerenveen.
+H. A. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Zwolle. 1
+W. E. J. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Arnhem. 1
+Tolhuyzer, Amsterdam.
+Tomassen, Maastricht.
+Mr. J. Tonckens, Westervelde.
+F. F. Tönjes, Leeuwarden.
+H. M. Tonopeus, Uitwierde.
+D. Tool, Wognum.
+J. Tool, »
+W. Toole, 's Hage.
+W. Toor, boekhandelaar, Krommenie. 1
+Tosi Facino, Amsterdam.
+W. J. Tresling, Kampen.
+Mevr. van Troijen, Haarlem.
+J. Turelme, Tol nabij Zierikzee.
+H. van Tussenbroek, boekh., Wageningen. 16
+P. Tuijtel, Zierikzee.
+Twisk, Amsterdam.
+Erven J. J. Tijl, boekh., Zwolle. 1
+H. F. Tijnje, Aarlanderveen.
+
+
+
+
+U.
+
+V. Uchtman Jr., Middelburg.
+Uffen, Amsterdam.
+A. B. Uhl, Oranjewoud.
+W. J. Uilkens, boekh., Groningen. 5
+A. Uit den Boogaard, Heerde.
+Uitenhoven, Amsterdam.
+M. J. Uitzinger, boekh., » 2
+H. Ulrici, »
+L. Uunk, Heerde.
+Wed. H. H. Uyttenbroeck, boekhandelaar, Venlo. 6
+H. J. Uytterbroeck, 's Hertogenbosch.
+
+
+
+
+V.
+
+L. J. v. d. Vaart, Deventer.
+v. d. Valk, Amsterdam.
+B. W. Vallenduuk, Overveen.
+J. M. Vallentgoed, Wommels.
+M. G. Vattier Kraane, boekh., Tilburg. 5
+H. J. van der Vecht, boekh., Hasselt. 1
+Erven G. Veel, boekh., Alkmaar. 1
+Johs. Veen, Wageningen.
+J. H. Veen, Haarlem.
+G. H. van Veen, Zwolle.
+J. J. van Veen, Bergen op Zoom.
+E. J. van 't Veen, Kampen.
+I. B. Veenenbos, Dordrecht.
+L. L. Veenendaal, Hillegom.
+M. O. Veenstra, Akkrum.
+J. Veenvalck, Kampen.
+C. de Veer, Amsterdam.
+L. de Veer, Gorinchem.
+L. Veerman, boekhandelaar, Heusden. 14
+N. P. van der Veer, Utrecht.
+A. van der Velde Czn., Hees.
+A. C. van der Velden, Amsterdam.
+J. P. Velderman, Hillegersberg.
+T. Velthuijzen, Haarlem.
+W. G. van Velsen Coster, Zwolle.
+S. van Velzen Jr., boekh., 's Hage. 1
+S. van Velzen, Kampen.
+G. van de Ven, Tilburg.
+Jb. van der Ven, Tiel.
+M. C. van der Ven, Heusden.
+A. Venema, Groningen.
+B. J. Veraart, Bergen-op-Zoom.
+Veraarts, Amsterdam.
+B. J. Verbeek, Groningen.
+J. Verbeek, Dinxperlo.
+J. Verboon, Krimpen a/d. IJssel.
+J. J. Verbeek, Rotterdam.
+Joh. H. Verborne, »
+Verbruggen, Renkum.
+L. G. Verburg, Amsterdam.
+K. Verburgh Jr., Nijmegen.
+B. Verburgt, Utrecht.
+D. Verdoes, boekh., Rotterdam. 14
+Dk. Verdoes, Vlaardingen.
+Vereeniging voor Handwerksnijverheid, Olst.
+P. Vergers, Heemstede.
+J. Verheij, Gorinchem.
+J. C. Verheyen, Leeuwarden.
+G. A. Verhoeff, Soetermeer.
+N. J. Verhoeff, boekh., Rotterdam. 2
+J. J. Verhout, Oudshoorn.
+J. Verhoole, St. Annaland.
+J. A. Verkerk, Utrecht.
+Jacs. Verkerk L.Czn., Culemborg.
+A. Verlaan, Amsterdam.
+J. C. Vermaes, Hellevoetsluis.
+Gebr. Vermande, boekh., Hoorn. 14
+Vermeulen, Amsterdam.
+Alph. Vermin, Maastricht.
+W. Vermooten, Utrecht.
+Verney, Amsterdam.
+P. Vernimmen, Kampen.
+P. H. Verpoorten, Ysselstein.
+Verschoor, Amsterdam.
+P. Verschuur, »
+C. van Vessem, Bruinisse.
+J. Versteeg, Zeist.
+P. Versteeg, Vlaardingen.
+L. Versteege, Deventer.
+Mej. A. Verstraten, Ouwerkerk in Duiveland.
+G. C. Verveer, Soetermeer.
+Theod. Ververs, Aarlanderveen.
+E. Verwer, Amsterdam.
+I. A. Verweij, Gendringen.
+H. G. J. Verweij, Almelo.
+P. G. de Vey Mestdag, boekhandelaar, Vlissingen. 5
+L. A. van Viegen, Utrecht.
+E. Vierkant, Deventer.
+A. J. Viesée van Tuyll, Amsterdam.
+C. A. Vieweg & Zoon, boekh., Nijmegen. 1
+de Vink, Soeterwoude.
+A. Vinke, Amsterdam.
+Visser, Bloemendaal.
+A. Visser Jzn., Franeker.
+Corn. Visser, Rotterdam.
+D. Visser, Schiedam.
+H. Visser, Assen.
+H. Visser, Leiden.
+H. C. Visser, Akkrum.
+I. Visser, Leeuwarden.
+J. Visser, Groningen.
+J. Visser Jaczn., Rotterdam.
+M. J. Visser, boekh., 's Hage. 6
+Ph. Visser Lzn., Klaaswaal.
+W. Visser Azn., Heerjansdam.
+W. J. Visser, boekh., Sliedrecht. 5
+J. de Visser, Stavenisse.
+N. J. Visscher, Zutphen
+H. H. Vitringa, Nunspeet.
+C. Vizjevene, Amsterdam.
+J. E. Vlaanderen Jr., Leiden.
+P. van Vlaardingen, Schiedam.
+M. P. Vlamingh Kiebèrt, Uithoorn.
+J. W. de Vletter, Rotterdam.
+J. W. A. de Vletter, »
+F. F. Vlieland, Leiden.
+D. Vliegenthart, Zwijndrecht.
+P. H. van Vliet, Kampen.
+W. C. van Vliet, Amsterdam.
+Wed. J. van Vliet, Rotterdam.
+W. van der Vliet, Amsterdam.
+J. Vloei, Apeldoorn.
+H. W. Vlotman, Hillegom.
+de Vogel, Zwolle.
+F. Vogel, boekhandelaar, de Rijp. 7
+Mej. A. M. Vogel, Doetinchem.
+C. Vogelaar, Puttershoek.
+R. Vogelensank, Gouda.
+A. Volkmaars, Purmerend.
+Volkland, Amsterdam.
+R. H. Volmary, »
+J. Vonk, Leeuwarden.
+F. Voogel, Amsterdam.
+G. G. de Voogt, boekh., Breda. 5
+J. E. de Voogt, Wageningen.
+E. van Voorden, Zalt-Bommel.
+J. Voordendagh, Puttershoek.
+P. M. van der Vooren, Purmerend.
+A. v. d. Voort & Zn., boekh., Tilburg. 11
+A. v. d. Voort Zonen, Tilburg.
+J. W. Vorstheuvel la Brand, Zierikzee.
+J. de Vos, Dordrecht.
+C. Baron de Vos v. Steenwijk, Zwolle.
+C. L. C. Voskuil, boekh., Amsterdam. 10
+Voskuyl, »
+J. Voijeman, Spanbroek.
+A. M. Vreeswijk, Rotterdam.
+A. de Vries, Groningen.
+A. de Vries, Amsterdam.
+C. de Vries, Dordrecht.
+H. de Vries, Wageningen.
+J. de Vries, Leeuwarden.
+P. de Vries, Breda.
+P. N. de Vries, Amsterdam.
+D. de Vrieze, Muntendam.
+J. C. Vrugt, Venlo.
+Vuurberg, Amsterdam.
+Dr. J. M. Vuijlsteke, Delfshaven.
+
+
+
+
+W.
+
+Grietje Waal, Spanbroek.
+J. de Waal, Harderwijk.
+J. M. W. Waanders, boekh., Delft. 5
+J. M. W. Waanders, boekh., Zwolle. 1
+Fr. Waem & Lienders, boekhandelaar, Gent. 130
+H. van Wageningen, Wageningen.
+H. W. Wagenaar, Arnhem.
+P. J. Waha, Schiedam.
+G. v. d. Wal, Leeuwarden.
+J. E. v. d. Wal, »
+P. F. v. d. Wal, Amsterdam.
+H. A. M. van Walchren, Amersfoort.
+H. M. van der Walle,
+L. Wallenga, Schalzum.
+Mr. P. J. Walrave, Dieren.
+Ds. J. van Walsem, Apeldoorn.
+J. Waltman Jr., boekh., Delft. 7
+W. C. Wansleven, boekh., Zutphen. 11
+Warburg & Co., boekh., Dordrecht. 5
+Wark, Amsterdam.
+C. P. Was, Mijnsheerenland.
+H. J. Wassen, Delft.
+K. Wassing, Groningen.
+H. H. van Waveren, Hillegom.
+H. L. van Waveren, »
+G. J. Weber, Rotterdam.
+Albert Wedding, boekh., Middelburg. 5
+J. Wedding, boekhandelaar, Harderwijk. 45
+M. van Weddingen, Antwerpen.
+van Weelden & Mingelen, boekhandelaars, 's Hage. 2
+J. ter Weele, Enschedé.
+J. J. de Weerd, Zierikzee.
+J. W. van Weerden, Zalt-Bommel.
+W. van Weeren, Leiden.
+Rommert Weerstra, Wons.
+Lolle Weerstra, »
+de Weert, Amsterdam.
+Eduard van Wees, boekh., Breda. 1
+Weesing, Amsterdam.
+J. van Weezenbeek, boekh., Rotterdam. 9
+H. Wegenbergh, Haarlem.
+Mejufvr. Wegman, Amsterdam.
+C. van der Weide, boekh., Vlissingen. 9
+J. A. Weinbeck, boekh., Rotterdam. 3
+Weiss, Amsterdam.
+Mr. W. J. van Welderen Baron Rengers, Leeuwarden.
+H. D. van Welie, Leiderdorp.
+D. C Wellinghoff, Amsterdam.
+Weltink, 's Bergh.
+J. Ph. Wendel, Leeuwarden.
+W. Wenk, boekhandelaar, Rotterdam. 18
+Marcel. Wenmackers, Luik.
+S. Wenselaar, Huins.
+W. Wenselaar, Wirdum.
+J. Wesseling, Amersfoort.
+H. F. Wensing, Zutphen.
+Werker, Utrecht.
+Wed. D. P. Wermeskerken, boekhandelaar, Tiel. 7
+J. C. Werner, Ambt Doetinchem.
+G. Wesseldijk, Leiden.
+Wesselink, Roozendaal.
+Jhr. Mr. A. P. Wesselman van Helmond, Helmond.
+W. Wessels, Groningen.
+Th. Wessels Boer, Hoogeveen.
+C. H. Wesser, boekh., Zevenaar. 15
+R. Wind, Zwolle.
+J. Wind, »
+Winkel, Amsterdam.
+H. J. Winkel, Nieuwendiep.
+A. de Winter, Franeker.
+N. L. W. Winter, Nieuwendiep.
+J. Ph. Winterwerp, Groningen.
+C. Wisboom, Gorinchem.
+G. K. Wissink, Zwolle.
+J. G. W. Wissink, Donkerbroek.
+H. de Wit, Groningen.
+J. de Wit, Steenwijk.
+C. A. Witte, Ulft.
+C. J. Witte, Goes.
+H. G. Wittebol, Aardenburg.
+A. Wittentrop, 's Gravenhage.
+N. P. J. Woensdregt, Schiedam.
+A. A. C. van Woerden, Utrecht.
+Woerst, Amsterdam.
+Woerst, »
+Wed. Woldringh, Groningen.
+Mr. Th. Woldringh, Hummelo.
+J. Wolf, Bergen op Zoom.
+W. J. Wolff, boekh., Amsterdam. 1
+Wolmerstett, Oudshoorn.
+W. Wortelaar, Leeuwarden.
+J. H. Wolters, Almelo.
+J. Wolthekker, Groningen.
+B. H. Wolthuis, Almelo.
+P. Wonder Azn., Veenhuizen.
+J. H. Wonn, Rotterdam.
+A. K. Wouters, Zwolle.
+C. H. Wubbenhorst, »
+H. Wust, Dordrecht.
+Ds. A. W. Wijbrands, Hoorn.
+J. D. van Wijk, Leiden.
+v. Wijk, Amsterdam.
+D. van Wijk, Leiden.
+I. I. van Wijk, Schiedam.
+J. J. van Wijk, Hoogwoud.
+O. Wijma, Leeuwarden.
+A. K. Wijmenga, Hoorn.
+B. R. Wijminga, Minterscha.
+de Wijn, Amsterdam.
+G. Wijngaarden, Oostermeer.
+J. Wijnhorst, Vlaardingen.
+J. C. Wijsman, Leiden.
+W. Wijsman, Rotterdam.
+M. Wijt en Zonen, boekh., » 3
+A. van der Weste, Leiden.
+J. G. Wester, boekh., Leeuwarden. 30
+B. J. Westerbeek v. Eerten, Doetinchem.
+C. J. Westerman, Amsterdam.
+H. Th. Westerman, »
+M. Westerman & Zn., boekh., » 2
+Ds. J. Westrik, Cothen.
+Wetenschappelijk Leesgezelschap, Culemborg.
+T. van der Weij, Bolsward.
+A. v. d. Weijden, Amsterdam.
+Karl Weijerhorst, boekh., Heerlen. 2
+Weytingh & Brave, boekh., Amsterdam. 3
+v. Wezel, »
+B. J. W. Wiebols, Purmerend.
+M. W. van der Wiel, Rotterdam.
+G. W. v. d. Wiel & Co., boekhandelaars, Arnhem. 3
+IJ. v. d. Wielen, Leeuwarden.
+W. M. Wientjes, Enschedé.
+C. P. Wierts van Coehoorn, Werkendam.
+J. J. Wiesemann, Pekalongan.
+J. Wigeri Aberson, Oosterhout.
+Wed. Wiggers, Arnhem.
+P. J. Wigtman, Alkmaar.
+H. de Wilde, Tjalbet.
+J. H. T. Wildenboer, 's Hage.
+Wildschut, Amsterdam.
+F. Wilkens, boekhandelaar, Groningen. 2
+Willems, Amsterdam.
+Willems, »
+H. W. Willems, boekh., » 3
+Willemsen, »
+J. A. Willemsen, boekh., Zutphen. 5
+J. H. Willers, Leeuwarden.
+Willing, Amsterdam.
+J. Willing, Rotterdam.
+Mr. J. A. Willinge Gratama, Assen.
+Johs. Wilmes, boekh., Almelo. 29
+D. J. Wilterdink, boekh., Deventer. 1
+
+
+
+
+IJ.
+
+A. C. van IJsseldijk, Rotterdam.
+Wed. Y. IJske, Hees.
+Mevr. de Wed. v. IJsselsteijn, Zierikzee.
+
+
+
+
+Z.
+
+J. van der Zaag, Steenbergen.
+A. P. Zaalberg, Alphen en Aarlanderveen.
+Dames Zaalberg, Leiden.
+A. J. van Zadelhoff, Renkum.
+B. v. d. Zalm, Zierikzee.
+G. Ph. Zalsman, boekh., Kampen. 6
+Dr. J. A. Zeegelaar, Helmond.
+J. K. Zeehuizen, boekh., Leeuwarden. 1
+A. P. Zeilmaker, Alkmaar.
+D. Zeeuw, Overschie.
+S. J. Zeevat. Amsterdam.
+Zerbst, »
+Zerbst, »
+G. Zevenbergen, Heerde.
+I. Zillesen, Rotterdam.
+Zoest, Amsterdam.
+F. E. de Zoete Made, Breda.
+A. Zoot, Amsterdam.
+W. K. van Zutphen, Gouda.
+J. Ph. Zuijdam, Franeker.
+C. Zwaardemaker, boekh., Amsterdam. 1
+G. W. A. Zwakenberg, Zwolle.
+A. G. de Zwart, boekh., Gorredijk. 18
+B. C. E. Zwart, Amsterdam.
+D. Zwart, Leeuwarden.
+J. Zwart, Schoonhoven.
+W. van Zwieten, Leiden.
+J. A. van Zijl, boekh., Haarlem. 3
+D. K. Zijlstra, Tjerkwerd.
+J. ten Zythoff, Ridderkerk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert.
+
+[2] Het ellendige, lasten opbrengend gemeen.
+
+[3] Ook Nederlanders, vooral uit Overijssel, vestigden zich, althans
+tijdelijk, in Rusland. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld
+toen zij te Almelo en Vriezenveen op zijn Russisch toegesproken en
+behoorlijk op hun plaats gesteld werden. Toen voor weinige jaren de
+thans overleden onderwijzer van Vriezenveen zijn veertigjarig jubilé
+vierde, kwam een zijner zonen, ter bijwoning van het feest, uit Rusland
+over, en bracht een album mede, waarin de portretten waren van circa
+40 vroegere leerlingen, toen in Rusland als handelaars gevestigd.
+
+De Heer Scholten te Groningen heeft een zijner fabrieken te Tarnow,
+die door een Nederlander bestuurd wordt. Vert.
+
+[4] _Wikinger_, noemden de oude Noorwegers hunne zeehelden. Vert.
+
+[5] Dat de Vlaamsche taal van vroeger literatuurloos is, moge de
+Schrijver beweren en bewijzen als hij kan. Het tegendeel te bewijzen
+had meer kans van slagen. Vert.
+
+[6] Echter zijn onder de Romeinen enkele opstanden en vervolgingen
+der Joden voorgekomen.
+
+[7] De Arianische leer of het Arianismus (ontstaan in de 4de eeuw)
+ontkende de Godheid van Jezus. Vert
+
+[8] Waar 't goed is, daar is het vaderland. Vert.
+
+[9] Door het _Patrimonium Petri_ verstaat men het gedeelte van den
+Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita
+Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer
+Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven
+zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert.
+
+[10] Het schoone Italië, door de Apennijnen doorsneden en door de
+zee omzoomd. Vert.
+
+[11] Sedert kort is dit in ons land afgeschaft, en mogen zoowel thesis
+als dissertatie in het Hollandsch geschreven worden. Vert.
+
+[12] Hafis was een der beroemdste Perzische dichters uit het begin
+der 14de eeuw. Hij was geboren en ligt begraven te _Schiras_, eens
+het brandpunt der Perzische wetenschap en poëzie. Vert.
+
+[13] Het blonde Germanie heeft te vergeefs ons zijne Franken, zijne
+Noormannen gezonden; ons temperament heeft niets verloren van zijne
+oorspronkelijke neigingen. In weerwil van de omwentelingen en de
+eeuwen zijn wij nog altijd het oude Gallië met zijne opvliegendheid
+en zijn ongeduld. Vert.
+
+[14] Bij de oude Grieken werd onder _Cothurn_ verstaan, een hooge
+tooneelschoen: in het algemeen genomen moet aan dit woord de beteekenis
+van _treurspel_ gegeven worden. Vert.
+
+[15] De Schrijver bedoelt de bewoners der, in vergelijking van
+Germania in zijn geheel, lage landstreeken langs de Noordzee,
+van Schelde tot Elbe, destijds onder den gemeenschappelijken naam
+"Friezen" samengevat. Vert.
+
+[16] De Kymren achten zich eenigermate beleedigd, wanneer men
+hen Engelschen noemt, en zeggen: "_We are not Englishmen, we are
+Walishmen_."
+
+Als een staaltje der taal van Wales, moge het volgende dienen:
+
+
+ Epistol Paul yr Apostol at yr Hebreaid.
+
+ Pennod I.
+
+ 1. Duw, wedi iddo lefaru lawer gwaith, a llawer modd, gynt wrth
+ y tadau trwy y prophwydi, yn y dyddiau diweddaf hyn a lefarodd
+ wrthym ni yn ei Fab;
+
+ 2. Yr hwn a wnaeth efe yn etifedd pob peth, trwy yr hwn hefyd y
+ gwnaeth efe y bydoedd;
+
+ 3. Yr hwn, ac efe yn ddisgleirdeb ei ogoniant ef, ac yn wir lun
+ ei berson ef, ac yn eynnal pob peth trwy air ei nerth, wedi puro
+ ein pechodau ni trwyddo ef ei hun, a eisteddodd ar ddeheulaw y
+ Mawredd yn y goruwchleoedd;
+
+ 4. Wedi ei wneuthur o hynny yn well nâ'r angelion o gymmaint ag
+ yr etifeddodd efe enw mwy rhagorol nâ hwynt-hwy.
+
+
+Vert.
+
+[17] De Denen hebben Engeland niet ten onder gebracht. Hun inval was
+slechts een zondvloed, en deze zondvloed is slechts heengegleden over
+de Saksische maatschappij.
+
+[18] Bij de Franschen over Elsasz-Lotharingen. Vert.
+
+[19] Volgens oude overleveringen (die echter door velen zeer in twijfel
+getrokken worden) zou het volk der Asen uit Azië, door Saksen naar
+Denemarken en zoo naar Zweden en Noorwegen getrokken zijn, onder hun
+aanvoerder Odin. Vert.
+
+[20] Jornandes, bisschop van Croton, leefde omstreeks 551. Vert.
+
+[21] Later wordt in dit werk melding gemaakt van: "de veel bezongen
+Brawalla-slag die aan de grens van het Gothen- en Zwedenland geslagen
+werd." Op eene tamelijk uitvoerige oude kaart van Zweden, wordt de vrij
+breede uitmonding van het Wettermeer in de Oostzee, "golf de Brawiken"
+genoemd en een weinig landwaarts in ligt Braborg. Waarschijnlijk is
+daaromstreeks Brawalla te zoeken. Vert.
+
+[22] Dit werk werd door Arngrim Johnson in 1628 wedergevonden. De
+_Edda_ is de algemeene titel van twee zeer van elkander te
+onderscheiden oud-Noordsche werken: de _prozaïsche_ zoogenaamde
+_jongere Edda_ (_Snorra Edda_), gedeeltelijk verzameld door _Snorri
+Sturluson_ (1178-1241) een geleerd IJslander, en de zoogenaamde
+_poëtische Edda_ of _Suemundar Edda_, die toegeschreven wordt aan
+den geleerden priester _Suemundar_ (1133). Vert.
+
+[23] Geschreven letters, die de vormen der letters voorkomende op
+opschriften van gedenksteenen (lapides), trachten terug te geven,
+worden lapidair-schrift genoemd. Vert.
+
+[24] Als zeker wordt beschouwd, dat in de 10de eeuw, Noormannen van
+IJsland uit, de Amerikaansche kusten ontdekt en bewoond hebben. Tot
+in de 14de eeuw werden tochten naar het vasteland van Amerika
+ondernomen. Vert.
+
+[25] _Tundra_ is de Russische naam voor de groote vlakten, die in
+Siberië en Westelijk van het Uralisch gebergte tot aan de Witte zee
+en de Dwina, in Noordelijk Europa de Ijszee begrenzen. Vert.
+
+[26] Verstrooide ledematen.
+
+[27] De vertaler heeft gemeend, het door den schrijver gestelde,
+woordelijk terug te moeten geven. Niettemin neemt hij de vrijheid hier
+en daar in eene noot, eene naar zijne meening gegronde opmerking mede
+te deelen. Vert.
+
+[28] Had de schrijver het door Karel den Groote geliefde Nijmegen,
+en de omstreken naar de zijde van Kleef bezocht; was hij van daar
+naar Duitsche wijze, over Elten naar 's Heerenberg gewandeld, en den
+zoogenaamden achterhoek van het Zutfensche doorgetrokken; voorts van
+Zutfen den straatweg gevolgd over Arnhem naar Utrecht--ongetwijfeld
+had hij zijn vonnis over het gemis aan alle natuurschoon wel gewijzigd.
+
+Wanneer de schrijver zegt: "bijna al het vriendelijke, dat het land
+nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven," dan heeft
+dit voornamelijk op de mondings-gebieden van Rijn, Maas en Schelde
+betrekking. De oudere, Oostelijke bodem valt gemakkelijk aan zijne
+meer ongelijke oppervlakte te kennen. Op vele plaatsen treft men op
+het oudere diluvium het nieuwe alluvium, waaronder ook alle veenlagen
+behooren, aan; de schacht van dit alluvium heeft eene dikte van 150
+tot 300 voet. Alleen in enkele gedeelten van Overijsel, Gelderland
+en Limburg wordt de tertiaire vorming aangetroffen.
+
+De kusten van Holland liggen gemiddeld 2 voet boven de oppervlakte
+der zee; bij Katwijk, waar de zee 1/2 voet, bij Oosten-wind 3
+voet beneden de oppervlakte van het land ligt, stijgt de vloed bij
+sommige winden tot 6 voet boven de oppervlakte van het land, zoodat
+het gemakkelijk te begrijpen is, hoe Nederland en de Noordzee-kusten
+vroeger eene andere gedaante zouden hebben dan tegenwoordig. Men wil,
+dat van af het begin der 6de eeuw tot 1825, Nederland door 190 groote
+overstroomingen geteisterd is. Ook wordt door sommigen beweerd, dat
+de Nederlandsche bodem zakt; het eiland Walcheren b.v. zou in 2000
+jaren van 28-30 voet gezakt zijn. Als bewijs voor de bewering, dat de
+bodem van ons land zakkende is (men begroot deze verzakking op 1 voet
+per eeuw), neemt men, dat de _Arx brittanica_, die men in 1752 in de
+zee, in de nabijheid van Katwijk nog opmerkte, nu niet meer gezien
+wordt. Dijken en duinen (door zandverstuivingen langs onze kusten
+ontstaan) beschermen ons vaderland tegen de zee. De duinen hebben
+eene gemiddelde hoogte van 17 à 18 meter; enkelen echter zijn hooger,
+eene enkele bereikt zelfs een hoogte van 60 meter. Vert.
+
+[29] Land en water mogen voor zeer vele eeuwen in sommige gedeelten
+van het land slechts _schets_ geweest zijn, zelfs de Zuiderzee, de
+Biesbosch en de Dollard van land in water zijn veranderd--gedurende
+de laatste eeuwen is menige vrij uitgestrekte vlakte aan het water
+ontwoekerd en in vruchtbaar land herschapen, en daarmede wordt nog
+steeds voortgegaan, zoodat land en water thans behoorlijk gescheiden
+zijn. Vert.
+
+[30] Aan Nederland te verwijten, dat zijn hemel niet zoo helder was
+als in Italië, is niet billijk. Thans is hier te lande de hemel wel
+niet altijd even helder, maar een zoo zware mist als dikwijls in het
+zuiden van Engeland heerscht, is hier eene zeldzaamheid, vooral in
+onze Oostelijke grenzen, die niet aan zee liggen. Vert.
+
+[31] Wouden wijken overal voor eene beschaafde bevolking. Dat in
+oude voortijden, hier te lande houtgewas veelvuldig was, blijkt uit
+het vele hout dat in den ondergrond der veenen wordt gevonden. Op
+de Veluwe bestaan nog uitgestrekte bosschen van opgaand geboomte. De
+heuvelrij, die van Arnhem tot tegenover Zwolle zich uitstrekt, draagt
+den naam van _Woldberg_. Ook bij den Haag, Haarlem, Alkmaar en elders
+zijn nog overblijfselen van overoude wouden.
+
+Edelgesteenten of goud en zilver mochten de naburen te vergeefs uit den
+bodem van Nederland wachten, maar de Duitschers halen thans ijzererts
+bij scheepsladingen uit Overijsel, en ook steenkolen uit Limburg. Vert.
+
+[32] Over het ontstaan van het aangeslijkte land en de aanslijking,
+vergelijke men Dr. R. Westerhoff, de _Kwelder-Kwestie_ bl. 53 en
+verder. Groningen 1844. Vert.
+
+[33] Tijdens de Romeinen droeg ons vaderland den naam van _Germania
+inferior_ (Neder-Duitschland), in tegenstelling met de hoogere,
+bergachtige streken, die _Germania superior_ (Opper-Duitschland)
+genoemd werden. Vert.
+
+[34] Sommigen zijn van oordeel, dat de Friezen uit Klein-Azië, en wel
+uit Troje afstammen. Zij gronden hunne bewering op sagen. Een dier
+sagen vermeldt, dat de Friezen onder zekeren Marcomir uit Phrygië
+of Troje (433 v. Chr.) herwaarts zouden gekomen zijn. Eene andere
+sage wil, dat de Petroklers (een stam in Klein-Azië) na den dood
+van Alexander den Groote, op schepen verhuisd en op de Saksische
+en Pruissische kusten geland zijn. Friso zou deelgenoot van dezen
+tocht geweest zijn, hij zou de kusten van de Elve tot aan het Vlie in
+bezit genomen hebben. Nog eene andere sage doet de drie gebroeders
+Saxo, Bruno en Friso, 313 j.v. Chr., na lang omzwerven uit Indië,
+op de kusten der Noordzee landen; zij onderwierpen zich de inwoners,
+verdeelden het land, en aan Friso viel Friesland ten deel, dus genaamd
+naar een landschap in Indië, Fresia genaamd.
+
+Volgens "Der Friezen herkomst," naar het boek van Adela (Thet Oera
+Linda Bok, zie hierachter pag 472 noot) is Friso uit Indië gekomen en
+wel met de vloot van Nearchus, maar is hij geen Indiër, maar behoort
+tot Frya's volk. Hij behoorde namenlijk tot eene kolonie Friezen, die
+na den dood van Nyhellênia, 15 1/2 eeuw v. Chr., onder aanvoering eener
+priesteres Geert, zich aan den Pangab neergezet hebben en den naam
+Geertmannen aannamen. Onder dien naam worden ze bij Strabo vermeld.
+
+Aangaande de Batavieren vermeldt Tacitus: "dat de in dapperheid al
+de door hem reeds vermelde Rijnbewoners overtreffende Batavieren,
+voornamelijk het Rijneiland, maar toch ook een deel van zijnen oever
+of den uitersten zoom van Gallië bewoonden; dat zij vroeger geheel
+over den Rijn hadden gewoond en een deel der Katten hadden uitgemaakt,
+maar bij een opstand onder dit volk waren verdreven, en zich in die
+nieuwe woonstreken, die toen nog onbevolkt waren, hadden neergezet,
+waar zij een deel van het Romeinsche gebied uitmaakten. Vert.
+
+[35] De overeenkomst van het boeren-Friesch met het Engelsch schijnt
+aan te duiden, dat de Friezen Angel-Saksers waren, dus uit de streken
+van Wezer en Elbe; terwijl het vestigen van de Batavieren aan den
+Rijn, en de meening dat zij op vlotten waren gekomen, doet vermoeden,
+dat zij uit de Rijn-streken afkomstig waren. Vert.
+
+[36] De Friezen brachten aan de Romeinen huiden en hoorns op; de
+Batavieren daarentegen niets, maar deze versterkten de Romeinsche
+legers met hunne ruiterij, die de beste onder de Germanen genoemd
+werd. Gedurende vier eeuwen treffen wij Batavieren bij de Romeinsche
+legers aan. Nadat de Batavieren uit de geschiedenis verdwenen waren,
+zijn de Friezen als een vrij volk blijven bestaan. Men mag aannemen
+dat het oude Bataafsche element in het Friesche is opgenomen Vert.
+
+[37] De Romeinen verbeterden den moerassigen grond, wierpen dijken
+op, vervaardigden wegen en groeven kanalen. Drusus deed de gracht
+(Drusus-gracht) graven, die den middelsten arm van den Rijn met den
+IJssel verbindt, en maakte een begin met het, later door Corbulo
+voltooide kanaal, dat bovengenoemden arm van den Rijn met den
+Zuidelijken Rijnmond verbindt.
+
+Sommige schrijvers, o.a. Dr. Acker Strating in zijn _aloude staat
+en geschiedenis des Vaderlands_, beweren dat noch de Romeinen de
+eersten zouden geweest zijn, die in ons land dijken aangelegd hebben,
+noch Drusus de Drusnsgracht heeft laten graven. Deze laatste bewering
+grondt de schrijver op eene plaats in Tacitus, waarin uitdrukkelijk
+gezegd wordt, "dat P. Pompejus (tusschen het jaar 50 en 60) voltooid
+heeft den dijk, voor 63 jaar door Drusus begonnen, ter beteugeling
+van den Rijn." Ten bewijze, dat die dijk niet langs den oever van
+den Midden-Rijn kan gelegen hebben, maar ter plaatse, waar de Waal
+zich van den Rijn scheidt, en blijkbaar met het doel is aangelegd, om
+den stroom alleen langs de Waal of den Gallischen Rijnarm te keeren,
+strekt de geheele samenhang, waarin de vermelding van den dijk met
+het overige verhaal aldaar (bij Tacitus) voorkomt. De daar vermelde
+vernieling toch had plaats bij Vetera Castra, toen Civilis naar het
+eiland der Batavieren terug week. Zoo weinig belang nu de Romeinen
+er bij hadden, om het eiland der Batavieren te beveiligen tegen
+het Rijnwater, zoo belangrijk was het voor hen, om zulks te doen
+ten aanzien van Gallië of hun Rijk. Hier langs stroomde de Waal,
+en door deze rivier af te dammen van den Rijn, werd zij belet de
+oevers van den Rijn te overstroomen. Dezen dam vernielde Civilis,
+die daardoor weer aan den Rijn vrijen loop door de Waal gaf en zoo de
+Romeinen belette hem te volgen, daar hij, zooals Tacitus er bij voegt,
+wist dat de Romeinen geen schepen hadden, om eene brug te maken, en
+dat zij de rivier niet op eene andere wijze konden oversteken. Door
+het doorsteken van den Rijndijk zou Civilis zijn toevluchtsoord
+(het eiland der Batavieren) onder water gezet hebben, maar door het
+doorsteken van den Waaldam stelde hij zich daarmede in verbinding,
+immers de Rijn liep nu nagenoeg geheel droog, en de Waal nam het
+weggeloopen water op. (_Acker Stratingh: Aloude staat en geschiedenis
+des vaderlands_ Dl. 1 bladz. 48).
+
+Ten bewijze verder, dat Civilis en zijne Batavieren even goed dammen
+wisten aan te leggen als de Romeinen, verwijst Dr. A. S. ons
+weder naar Tacitus Hist. V. 14 en C. 18 waaruit blijkt, dat
+Civilis vóór het gevecht van Castra Vetera, een dwarsdam door den
+Rijn legde, om de naburige oeverstreken onder water te zetten
+(Dr. A. S. Dl. 1 bladz. 50). Wat meer is, zegt Dr. A. S. "bij
+denzelfden geschiedschrijver (Tacitus Hist. V. 23) vindt men eene
+stellige bewijsplaats, dat het eiland der Batavieren in dien tijd
+niet bedijkt was. Meldende namelijk, dat Civilis eindelijk ook uit het
+eiland der Batavieren moest wijken en Cerealis dit eiland toen innam
+en plunderde, voegt Tacitus er bij, hoe intusschen met het invallen
+van den herfst en ten gevolge van hevige regenbuien, de Rijn het
+moerassige en lage eiland overstroomde en als in een poel herschiep,
+waardoor de Romeinen in geene geringe ongelegenheid geraakten, daar
+hunne legerplaatsen op het vlakke veld met den geweldigen stroom
+weggerukt werden en zij vloot noch leeftocht hadden, zoodat de
+Romeinsche legioenen toen gemakkelijk door de Germanen hadden kunnen
+vernield worden." Ook de door velen voor van Romeinschen oorsprong
+gehoudene, op verscheidene plaatsen in en aan de Zuiderzee ontdekte
+muren of steenen wegen, die ook wel voor dijken gehouden worden,
+beweert Dr. A.S. dat die niet aan de Romeinen moeten toegeschreven
+worden, (meergemeld werk van Dr. A. S. blad. 55). Vert.
+
+[38] Wanneer men België in twee deelen scheidt, door eene lijn
+getrokken van Menin naar Tongeren, dan mag men de Noordelijke helft
+beschouwen als bewoond door de Vlamingen (bijna 2 1/2 millioen
+zielen), terwijl de Walen (bijna 2 millioen zielen) de Zuidelijke
+helft tot woonplaats hebben. Het Vlaamsche deel der bevolking tracht
+de Vlaamsche letterkunde hoe langer zoo meer te ontwikkelen en zoo
+doende zijne taal te verheffen. Het Waalsch mag als niet veel meer,
+dan een bedorven Fransch beschouwd worden. Vert.
+
+[39] Dit geschiedde in 1548. De Nederlanden moesten wel aan de
+rijkslasten deelnemen maar waren overigens aan de macht en de
+rechtspleging van het Duitsche rijk onttrokken. Vert.
+
+[40] Karel V werd in het jaar 1500 te Gent geboren. Vert.
+
+[41] Hoe telt de Schrijver die 150 jaren? Van 1543 tot 1579 is
+slechts 36 en telt men tot 1648 dan is het nog weinig meer dan 100
+jaren. Mogelijk rekent hij van 1648 tot 1795. Vert.
+
+[42] In het jaar 1476. Vert.
+
+[43] Tegen het einde van de 12e eeuw schijnt men met de steenkool
+in België bekend geworden te zijn. Volgens sommigen zouden de
+steenkolenbeddingen het eerst in de nabijheid van Luik op den Mont
+Public, in het jaar 1198, door een smid van Plenivaux, _Houilleux_
+genaamd, ontdekt zijn, waardoor de Fransche benaming van _houille_
+zou zijn ontstaan.
+
+In het midden der 14e eeuw was het mijnwezen in België reeds zoo
+aanzienlijk, dat een groot gedeelte van het Luiksche leger uit
+kolenmijnwerkers bestond. Vert.
+
+[44] Ofschoon Engeland het vaderland is der levensverzekeringen,
+zoo mag men toch Nederland beschouwen, als het land, waar de
+eerste degelijke grond voor de theorie der levensverzekeringen werd
+gelegd. Huyghens behoorde tot de eersten, die eene studie maakten
+van de kans-rekening, die er de basis van is. Vert.
+
+[45] Zoo b.v. was Orlando Lasso, eigenlijk Roland Delattre genaamd,
+in 1520 te Bergen in Henegouwen geboren, naast Palestrina de grootste
+componist der 16de eeuw. Zijne tijdgenooten geven hem den eernaam van
+"Vorst der toonkunst." Ook zijne zonen Ferdinand en Rudolf (gestorven
+in 1609 en in 1625) en zijn kleinzoon Ferdinand (gestorven 1636)
+waren componisten. Vert.
+
+[46] De geschilderde glazen in de St. Jans-kerk te Gouda, vervaardigd
+door de gebroeders Crabeth, zijn alom beroemd. Vert.
+
+[47] Sommigen willen, dat het aangeslijkte land in Sleeswijk
+en Holstein, reeds vóór de 10de eeuw door Friezen, uit ons land
+afkomstig, zou bedijkt zijn; de Oosterkade aan den Wezer zou zulks
+in 1020, het Alte-land in 1106 eveneens door de Friezen gedaan
+zijn. Vergelijk: _A. von Wersebe, über die Niederl. Coloniën, welche
+im Nörd Deutschlande im 12ten Jahrh: gestiftet worden_. Vert.
+
+[48] "Misschien" zegt de Schrijver, hij schijnt dus zijn zegsman niet
+ten volle te vertrouwen; inderdaad, verkeerde hij thans genoegzamen
+tijd in onderscheiden streken van België, dan zou hij "gewis" de te
+scherpe kanten aanmerkelijk afronden. Vert.
+
+[49] Sedert het einde der 16de eeuw had het Vlaamsch opgehouden eene
+schrijftaal te zijn; wel kwam zij onder Maria Theresia weder in eere,
+maar de Fransche overheersching deed haar geheel voor het Fransch
+plaats maken. Na de vereeniging van België met Nederland, brak er
+een tijdperk van herleving voor de Vlaamsche taal aan, maar na de
+omwenteling van 1830 werd het ten tweede male geheel door het Fransch
+verdrongen. Na het eindigen der staatkundige verwikkelingen door
+genoemden opstand in het leven geroepen, werd door den dichter Willems
+de Vlaamsche beweging van voor 1830 weder in het leven geroepen,
+de regeering begon meer en meer de wenschen der Vlaamsche bevolking
+in te willigen. Van het _Vlaamsen gezelschap_ en het _Nederduitsch
+taalverbond_, te Gent, ging de oproeping uit tot een taalcongres,
+dat aldaar, in vereeniging met de letterkundigen van Noord-Nederland
+zou gehouden worden; dit taal-congres, dat sedert in verschillende
+plaatsen bijeenkwam, is van grooten invloed geweest op de ontwikkeling
+der Nederduitsche taal in de Vlaamsch sprekende gewesten. Niet alleen
+de Vlaamsche taal maar ook de Vlaamsche letterkunde is in de laatste
+35 jaren herleefd, en heeft tegenwoordig in hare verschillende takken
+uitstekende beoefenaars. Vert.
+
+[50] De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen
+van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van
+lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor
+de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of
+rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing,
+als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor
+zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank.
+
+Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid
+en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus
+prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en
+verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven
+woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan
+onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten
+zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting
+voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw,
+veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden
+en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren
+hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig,
+dat, zegt Tacitus, "wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun
+geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne
+eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn." Vert.
+
+[51] De Schrijver bedoelt hier blijkbaar den 80 jarigen oorlog van
+1568 tot 1648. Vert.
+
+[52] René Des Cartes, meer bekend als Renatus Cartesius, werd
+in 1596 te Lahaije (Touraine) geboren. Men noemt hem den vader
+van het _individualisme_. Na eerst onder Prins Maurits, daarna
+onder Tilly gediend te hebben, zette hij zich in ons vaderland
+neder. Hij begon in zijn wijsgeerig denken, met wat hij tot dien
+tijd wist in twijfel te trekken. In zijn oog staat alleen vast:
+"ik denk, dus besta ik." Hieruit leidt hij af, dat alles waar is,
+wat duidelijk en klaar geacht wordt. De vruchten van zijn onderzoek
+heeft hij nedergeschreven in zijn _Meditationes de prima philosophia_
+en _Principia philosophiae_. Des Cartes heeft de wiskundige wetenschap
+ten zeerste aan zich verplicht door zijne analytische meetkunde, door
+zijne ontdekking der ware beteekenis van de negatieve wortels in de
+vergelijkingen, door zijne nieuwe oplossing der vergelijkingen van
+den vierden graad; hij was het, die het eerst de exponenten invoerde,
+en die leerde hoe men tangenten en normaallijnen op ieder punt eener
+kromme lijn trekken kan en men de natuur en de eigenschappen van
+iedere kromme lijn door eene vergelijking tusschen twee veranderlijke
+coördinaten kan uitdrukken.
+
+Descartes stierf in 1650 te Stokholm. Vert.
+
+[53] De verrekijkers en spiegeltelescopen en thermometers werden
+uitgevonden door Corneles Drebbel, geboren te Alkmaar omstreeks 1572,
+die van den microscoop wordt toegeschreven door sommigen aan Zacharias
+Jansen van Middelburg (1590) door anderen aan een Napolitaan Francesco
+Fontana (1545). Vert.
+
+[54] De Nederlandsche schilderschool dateert van het begin der
+15de eeuw. De miniaturen, waarmede men de handschriften van dien
+tijd versierde, getuigen genoeg van de hoogte, toen reeds door de
+schilderkunst bereikt. Op de miniatuur-schilderingen volgde sedert
+het begin der 15de eeuw de Vlaamsche school, met Huibert en Jan van
+Eyck aan het hoofd. In het midden der 16de eeuw openbaarde zich eene
+voorliefde voor de Italiaansche school die men dikwijls trachtte met
+de Vlaamsche school te verbinden. Omstreeks het midden der 17de eeuw,
+splitste zich het historie-schilderen in twee richtingen, waarvan
+de eene van de Spaansche Nederlanden (Brabant) uitging, terwijl de
+andere in Holland ontstond. De eerste richting, die tot hoofdzetel
+Antwerpen had, boogt en terecht op haren grooten meester P. P. Rubens
+(1577-1640). Het krachtigste penseel der tweede richting (waarin
+zich het protestantisme en de vrijheidszin afspiegelde, die na de
+scheiding van de Spaansche Nederlanden zich in Holland zoo duidelijk
+openbaarden) was Rembrand van Rijn (1606-1664). Naast deze twee
+richtingen der Nederlandsch-historische school, was nog eene derde,
+die zich aan de Italiaansche nationalisten aansloot.
+
+In de 17de eeuw kwamen ook alle andere takken der schilderkunst tot
+ontwikkeling en bloei, het portret-schilderen, het genre-schilderen
+van bambocciaden, het schilderen van tooneelen ontleend aan het
+soldatenleven, den deftigen stand enz. Ook het landschapschilderen werd
+met gelukkig gevolg beoefend, zoomede het schilderen van voorwerpen
+tot de dierenwereld behoorende. De Hollandsche schilderschool blonk
+verder in de 17de eeuw uit door hare bloem- en vruchtenschilders,
+en door het schilderen van zee-, water- en strandgezichten.
+
+De 18de eeuw was voor de kunst, die eene zoo groote hoogte bereikt had,
+eene eeuw van verval. Een enkele bloem- of vruchtenschilder treft
+men in die eeuw aan, maar wat zij overigens opleverde was niets
+dan navolging. In onze eeuw echter herleeft de schilderschool en
+heeft zich de tegenwoordig nationale school krachtig ontwikkeld, en
+zoowel op historieschilders als op kunstenaars die zich met uitstekend
+gevolg op de andere takken dezer kunst toelegden, kan ons vaderland
+tegenwoordig weder trotsch zijn. Vert.
+
+[55] De naam "van Veen" als groot schilder is min bekend; mogelijk
+is hier bedoeld "van de Velde" beroemd als zeeschilder. Vert.
+
+[56] Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland
+bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de
+verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken,
+dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets
+karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor
+de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort,
+de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde,
+die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche
+geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks
+bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters
+en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit
+volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken.
+
+Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van
+verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals
+wij die in de _Karolingische Psalmen_ aantreffen, is het meest aan het
+oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den _Heliand_
+(een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende
+verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt);
+het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende "Oera Linda Bok",
+in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door
+den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze
+tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste
+voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is
+opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het
+midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het
+oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene
+Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch
+als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de
+eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob
+v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner
+spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder
+het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen
+invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche
+overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het
+Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert
+(1552-1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538-1598) werd
+het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581-1647) en Vondel
+(1587-1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In
+het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit
+zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als
+grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal,
+noemt men het _woordenboek van Kilianus_. Zooals gezegd is, was het
+tijdvak van 1700--1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel
+brachten een _ten Kate_ en een _Huydecoper_ veel bij tot de kennis
+en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar
+daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen,
+die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de
+kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw
+begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur
+der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het
+onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar
+Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener
+spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de
+_Neder-Duitsche spraakkunst_ van Siegenbeek werd aangenomen, en dus
+eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig
+tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en
+Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons
+aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels
+door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld
+en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde _Woordenboek
+der Nederlandsche taal_, ofschoon lang niet door alle taalkenners
+onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo
+meer veld.
+
+De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4
+tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200-1600: het tweede bevat
+de 17de eeuw; het derde loopt van 1700-1795 en het vierde van 1795
+tot op onzen tijd.
+
+De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt
+(1235--1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest
+vertalingen uit het Latijn) zijn: de _rijmbijbel_, de _Bestiaris_ of
+_der naturen-bloeme_. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: _verkeerde
+Martijn_. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: _Melis Stoke,
+Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout_. In de romantische letterkunde
+hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo
+b.v. behoort het 1ste gedeelte van _Reinaart de Vos_ tot de 12de
+eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: _de cyklus der Karolingische
+romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van
+de tafelronde_ enz.
+
+Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk
+v. Velthem, Jan Boendale.
+
+Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns,
+Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel.
+
+Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria
+Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen,
+v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den
+Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige
+noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot.
+
+Dichters in het 3de tijdperk (1700-1795) waren Rotgans, Poot,
+Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter
+en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit
+tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar,
+Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons,
+Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper.
+
+Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers,
+getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker,
+v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep,
+Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de
+kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als
+v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans,
+Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen,
+den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert.
+
+[57] Vreemd is het, dat hier niet gedacht is aan Vondel, wiens
+"Lucifer," naar men beweert, aanleiding heeft gegeven aan Milton,
+tot diens wereldberoemd "Paradise lost." Vert.
+
+[58] Menig voorbeeld uit de geschiedenis van ons land geput, zou deze
+bewering van den schrijver geheel logenstraffen. Vert.
+
+[59] "Gemakkelijkheid" is den Nederlander op verre na niet zoo in
+den mond bestorven als den Engelschen hun "comfort, comfortable." Het
+schijnt, dat hier vroegere zeden en gewoonten geschetst zijn. Bejaarde
+lieden wenschen zeer, dat het met hartelijkheid en huiselijkheid nog
+zoo ware als in hunne jeugd, en toen en zelfs vroeger klaagde men,
+dat pracht en kostbare vermaken, de oude eenvoudige gezelligheid
+hadden verdrongen. Vert.
+
+[60] Wenschelijk ware het dat zulks algemeen kon gezegd worden, maar
+veeleer tracht elke stand, tot de laagste toe, er naar, in woning,
+huisraad, kleeding, zich groot voor te doen en de hoogeren op zijde
+of zelfs voorbij te streven. De moraal van Lafontaine's fabel "de os
+en de kikvorsch," is ook in Nederland van toepassing. Vert.
+
+[61] In 1315 Vert.
+
+[62] In 1386, 1388 en 1443. Vert.
+
+[63] 1477. Vert.
+
+[64] Beide eerstgenoemde kantons 1501, Schaffhausen in 1513. Vert.
+
+[65] Tengevolge der ontevredenheid, die zich na de Fransche omwenteling
+van 1830 in sommige kantons openbaarde, werd voorgesteld in het
+bondsverdrag veranderingen te maken. Op den tot dat einde, in dat jaar
+gehouden buitengewonen landdag, riepen 8 kantons hunne afgevaardigden
+terug, welke handeling door binnenlandsche onlusten (waarin zich ook
+de godsdienst mengde) gevolgd werd. In het jaar 1843 vereenigden zich
+de Katholieke kantons Lucern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug, Freiburg
+en Wallis tot een of- en defensief verbond (_Sonderbund_). In 1844
+werd tegen dezen Sonderbund door den landdag een leger saamgebracht,
+binnen kort was de rust hersteld, en in 1848, werd de nu nog van
+kracht zijnde staatsregeling tot stand gebracht. Vert.
+
+[66] Albrecht von Haller in 1708 te Bern geboren, was een
+beroemd ontleedkundige, physioloog, plantenkenner, geneesheer en
+dichter. Zijn kleinzoon Karel Ludwig von Haller, in 1768 te Bern
+geboren, heeft zich beroemd gemaakt door zijn werk: _Restauration
+der Staatswissenschaft_. Vert.
+
+[67] De eigenlijke naam van Lorenz Okens, geboren in 1799 te Bohlsbach
+(Zwaben), was Ockenfusz. Hij was hoogleeraar in de natuurkundige
+wetenschappen te Jena, en heeft zich vooral bekend gemaakt door zijn
+doel, een algemeen natuursysteem tot stand te brengen, dat alle rijken
+der natuur en hare grondstoffen zou omvatten. Vert.
+
+[68] Engadin is het grootste dal van het kanton Graubunderland. Vert.
+
+[69] De Brenner is de spits der Rhaetische Alpen in Tyrol. Vert.
+
+[70] Dit beweren der Duitschers stemmen wij Nederlanders niet als
+bewezen toe. Vert.
+
+[71] Dithmarschen is de naam van het meest Westelijke der zes
+landschappen van het Hertogdom Holstein. Het is gelegen tusschen de
+Elbe, de Noordzee en Westmarschen. Vert.
+
+[72] Wat met dezen bijnaam bedoeld wordt, is mij niet
+duidelijk. Mogelijk zijn zij wat onbehouwen, en zetten bij het gaan
+de voeten wat ver van elkander, zoodat zij bij het loopen, over de
+sneeuw b.v. een breed spoor maken. Vert.
+
+[73] De geestelijke orde der Zwaardbroeders werd omstreeks 1200 door
+bisschop Albert, ter verspreiding van het Christendom in het Noorden,
+gesticht. In 1237 vereenigde zij zich met de orde der Duitsche
+ridders. Vert.
+
+[74] Door de _Hercynii Montes_, verstaat men de geheele uitgestrekte
+bergketen, welke bij het Zwarte-woud, aan den Rijn, begint, zich
+door het Thüringer-woud, den Fichtelberg, het Boheemsche woud en de
+Karpathen tot door Hongarije uitstrekt. Vert.
+
+[75] De Spanjaarden hadden, sedert hunne vereeniging tot één rijk,
+niet veel reden zich op hunne Koningen te beroemen. De krachtige
+verdediging tegen de Franschen in het eerste vierde dezer eeuw,
+deden de Spanjaarden in veler achting rijzen, ofschoon hunne daartoe
+gebezigde middelen deden ijzen. Te bejammeren is het, dat sedert
+dien tijd de nietige Vorsten en Vorstinnen niet in staat waren de
+partijtwisten te bedwingen en de ruime hulpmiddelen tot bloei te
+doen benuttigen. De verdrijving van Isabella beloofde eene schooner
+toekomst, die zich, helaas! tot heden nog niet verwezenlijkt, daar--wel
+verre van eendrachtig, met den zoo welwillenden Koning Amadeus, samen
+te werken tot nationale verheffingopstanden en burgeroorlog schatten
+goed en bloed verspillen, de natie in welvaren doen zinken en in de
+schatting van Europa doen dalen.
+
+Dat onder zulke omstandigheden de Portugeezen, thans minder dan ooit,
+genegen zouden zijn zich met de Spanjaarden te verbroederen, behoeft
+geen betoog. Vert.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE ***
+
+***** This file should be named 19774-8.txt or 19774-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/9/7/7/19774/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.